Het bericht dat zorgorganisatie Vierstroom familieleden verplicht tot mantelzorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat zorgorganisatie Vierstroom een morele verplichting tot mantelzorg oplegt aan familieleden van bewoners? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Mijn ambtsvoorganger gaf in antwoorden op uw eerdere Kamervragen over dit onderwerp aan dat van een verplichting tot de inzet van mantelzorg geen sprake kan en mag zijn. In mijn brief aan de Tweede Kamer «Versterken, verlichten en verbinden» van 20 juli 2013 over informele zorg heb ik ook nadrukkelijk aangegeven dat mantelzorg niet kan en moet worden verplicht. Vierstroom zegt overigens in de berichtgeving zelf ook dat er geen sprake is van een verplichting. Zij benadrukt dat het zorgkantoor en NZa niet akkoord gaan met een verplichting.
Spoort deze morele verplichting tot mantelzorg met uw antwoorden op eerdere Kamervragen dat er van een verplichtend karakter van mantelzorg geen sprake mag zijn?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoever reikt deze morele verplichting die Vierstroom wil opleggen aan familieleden? Welke taken worden precies opgelegd aan familieleden? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ben zelf op bezoek geweest bij Vierstroom en ik vind de resultaten van het experiment bemoedigend. Familie, cliënten en medewerkers zijn enthousiast. Met gemiddeld meer dan 12 uur per maand netwerkparticipatie leverden de mantelzorgers in het experiment veel meer ondersteuning dan 4 uur per maand. Het welbevinden van bewoners lijkt tijdens het experiment gestegen. Dat is de primaire winst van dit experiment. Ik merk tijdens werkbezoeken hoe groot de rol is die mantelzorgers spelen in het welbevinden van hun naasten. En dat geldt in een instelling evenzo als thuis.
Er is geen sprake van opleggen van taken. Vierstroom streeft naar ten minste vier uur per maand netwerkparticipatie van cliënten. Zij geeft aan dat het bij netwerkparticipatie gaat om het op enigerlei wijze geven van liefdevolle aandacht die het betrokken familielid of vriend kan en wil geven. In de praktijk gaat het om gezelschap houden van de groep, koken, wandelen of een spelletje doen. Vierstroom geeft aan dat het in ieder geval nooit gaat om zorgtaken aan het lijf van de cliënt.
Deelt u de mening dat familieleden geen professionele zorgtaken mogen overnemen van zorgverleners omdat dit niet verantwoord is voor de zorg van bewoners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vierstroom geeft aan dat het bij netwerkparticipatie in ieder geval nooit gaat om professionele zorgtaken. Vierstroom geeft aan dat het stimuleren van netwerkparticipatie wordt ingezet zonder dat er sprake is van afname van zorgpersoneel. Zij stelt dat netwerkparticipatie de zorgprofessionals de mogelijkheid biedt meer aandacht te geven aan de zorgtaken. In mijn brief van 20 juli 2013 heb ik nadrukkelijk aangegeven dat het niet de bedoeling is dat het beleid zo wordt vormgegeven dat mantelzorgers worden ingezet voor lijfsgebonden zorg. Ik wil dat deze zorg ook na 2015 in handen blijft van mensen die daarvoor zijn gekwalificeerd en die deze activiteiten kunnen uitvoeren volgens professionele standaarden. Er zijn wel mantelzorgers die professionele zorgtaken thuis uitgevoerd hebben voor hun naaste en dat misschien ook wel in de instelling wil blijven doen. Omdat ze dat graag willen, en goed weten hoe handelingen bij hun naaste het best gaan. Daarbij is nooit sprake van een verplichting. Ik hoef dan ook aan Vierstroom geen maatregelen op te leggen omdat er geen sprake is van verdringing van professionele zorg. Het betreft hier het geven van liefdevolle aandacht gericht op een groter welbevinden van bewoners en een prettig leefklimaat.
Deelt u de mening dat er sprake is van verdringing van professionele zorg doordat familieleden zorgtaken opgelegd krijgen? Zo ja, welke maatregelen gaat u opleggen om dit per direct te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe Vierstroom mantelzorg wil verplichten bij familieleden van bewoners die geen mantelzorg kunnen of willen verlenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vierstroom verplicht geen mantelzorg. Vierstroom heeft voor de situaties in vraag 6 en 7 een buddysysteem ontwikkeld in samenwerking met vrijwilligers. In de praktijk van het experiment bleek het echter niet nodig het buddysysteem in te schakelen omdat in alle situaties een netwerk rondom de cliënt aanwezig was.
Hoe wil Vierstroom mantelzorg bieden aan bewoners die geen familieleden hebben en/of geen sociaal netwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Beseft u dat verplichte taken ook kunnen leiden tot het minder (kunnen) doen van vrijwillige taken en dat iemand die een permanente en/of reguliere inzet niet kan waarmaken ook afgeschrikt wordt om wel af en toe vrijwilligerswerk te verrichten?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en 3. Er is geen sprake van opleggen van een verplichte taken.
Kunt u uitleggen waarom het mantelzorgcompliment niet meer geldt wanneer iemand aan de 24-uurszorg van een zorginstelling is overgedragen, maar dat mantelzorgers wel verplicht worden om minimaal vier uur per maand aan werkzaamheden te verrichten?
Om voor een compliment in aanmerking te komen, moet men beschikken over een indicatie voor extramurale AWBZ-zorg. Over de criteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een mantelzorgcompliment is, mede in relatie tot de hoogte van het beschikbare bedrag, meerdere keren met de Kamer van gedachten gewisseld.
In mijn brief van 20 juli 2013 kondigde ik aan dat het mantelzorgcompliment in de huidige vorm gaat verdwijnen. De gemeenten worden verantwoordelijk voor de waardering van mantelzorgers. De middelen voor het mantelzorgcompliment gaan ook naar de gemeenten en de VNG en Mezzo zullen samen een handreiking maken over hoe een gemeente een dergelijke waardering vorm zou kunnen geven.
Welke maatregelen heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) getroffen tegen het eerdere experiment van Vierstroom om familieleden te verplichten tot mantelzorg en hierdoor ook tegen de verkapte vorm van bijbetalen voor zorg door «verplicht» vrijwilligerswerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NZa heeft conform de toezegging in de antwoorden op de Kamervragen van mijn voorganger in oktober 2012 overleg gehad met de directie van Vierstroom. De NZa heeft daarbij de kaders van de Wmg geschetst. De NZa heeft laten weten dat Vierstroom een moreel appel kan doen op de leefomgeving van bewoners, maar dat dit niet zover kan gaan dat mantelzorgers worden verplicht tot het leveren van zorg die valt onder de vergoeding van de AWBZ. Vierstroom heeft aangegeven dat zij zich ervan bewust is dat verplicht vrijwilligerswerk op grond
van de Wmg niet is toegestaan en dat zij enkel een moreel appel kan doen op het sociale netwerk van de bewoner. Op basis van de toelichting op het experiment door de Vierstroom heeft de NZa geconstateerd dat er geen sprake is van een overtreding van de Wmg.
Herinnert u uw antwoorden op eerdere Kamervragen waarin u aangaf dat de Nederlandse Zorgautoriteit contact zou opnemen met Vierstroom over zijn eerdere experiment verplichte mantelzorg? Is dit inmiddels gebeurd en wat zijn de uitkomsten hiervan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u het ook onverantwoord dat Vierstroom, die een positief resultaat heeft van € 4,5 miljoen over 2011, een bestuurder heeft die een salaris opstrijkt van € 239.262 en een auto van de zaak krijgt van € 57.292, ondertussen familieleden verplicht vier uur in de maand mantelzorg te verlenen?3 Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een zorgorganisatie met goede financiële cijfers deze verplichtende maatregel wil doorzetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs kortheidshalve naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en 3. Er is geen sprake van een verplichtende maatregel van Vierstroom.
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om te zorgen dat Vierstroom per direct de «morele» verplichting tot mantelzorg schrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vierstroom verplicht geen mantelzorg en daarom ga ik geen maatregelen treffen.
De uitleg hervorming Langdurige Zorg |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het door uzelf ingesproken filmpje op de site van uw ministerie «Uitleg hervorming Langdurige Zorg via explanimation»?
Ja, het door mijzelf ingesproken filmpje is mij bekend.
De zogenoemde explanimation is bedoeld om de hoofdlijnen van de voorgenomen hervorming van de langdurige zorg op toegankelijke wijze uit te leggen. Dat de animatie voorziet in een behoefte blijkt niet alleen uit het aantal kijkers, maar ook uit het gebruik door bijvoorbeeld zorginstellingen om voorlichting aan medewerkers te geven.
Realiseert u zich dat u in dat filmpje de zogenaamde kern-AWBZ beperkt tot mensen die heel veel zorg nodig hebben; bijvoorbeeld «zwaar demente ouderen of mensen met een ernstige handicap»?
In de animatie zeg ik letterlijk: «Mensen die heel veel zorg nodig hebben, zoals zwaar demente ouderen of mensen met een ernstige handicap, kunnen blijven rekenen op goede zorg met recht op een plek in een zorginstelling.» De beide groepen zijn daarbij genoemd als voorbeelden, zonder daarmee te suggereren dat zij de enigen zijn die in de toekomst in aanmerking komen voor langdurige zorg. Het is mogelijk dat ook bepaalde andere cliënten op zorg uit de zogenaamde kern-AWBZ zijn aangewezen.
Deelt u de mening dat zwaar demente ouderen die in een verpleeghuis willen wonen een ZZP5 of ZZP7 (ZZP: zorgzwaartepakket) indicatie hebben?
Het klopt dat het merendeel van mensen met zware dementie in ZZP VV 5 valt. Sommigen hebben ZZP VV 7 of een andere ZZP VV klasse.
Klopt ook nog steeds wat u in uw Hoofdlijnenbrief Hervorming Langdurige Zorg schrijft, nl. dat de huidige ZZP4 V&V- geïndiceerden (V&V: Verpleging & Verzorging) voor 50% thuis moeten blijven wonen?
In de hoofdlijnenbrief heb ik aangegeven dat langer thuis wonen niet voor iedereen met een zorgzwaartepakket 3 en 4 mogelijk is. In vergelijking met de afspraken uit het Regeerakkoord maakt de regering het mogelijk dat meer mensen vanaf 2015 in een instelling kunnen verblijven. In de bijlage bij de hoofdlijnenbrief is als berekening opgenomen dat circa 50% van de mensen met ZZP VV 4 thuis kan blijven wonen. Dat percentage is ongewijzigd.
Bij ZZP VV 4 kan het bijvoorbeeld gaan om mensen met een matig dementieel syndroom. Deze cliëntengroep verblijft nu deels in het verpleeghuis, maar soms ook in het verzorgingshuis of in een andere situatie. Het is mijn bedoeling dat bij de nadere uitwerking van het langer thuis wonen niet wordt gekeken naar ZZP-klassen, maar naar de achterliggende zorgbehoeften en de mogelijkheden van deze individuele cliënten om al dan niet met ondersteuning vanuit de omgeving thuis te blijven wonen.
Deelt u de mening dat uw «explanimation» in strijd is met uw Hoofdlijnenbrief?
Die mening deel ik niet. De zogenaamde kern-AWBZ kan ook openstaan voor andere cliënten dan die door mij als voorbeeld zijn genoemd in de explanimation. Er hebben mij ook geen signalen bereikt dat de boodschap in de animatie onvolledig of verwarrend is en daarom aanpassing behoeft.
Bent u bereid de uitgesproken tekst behorende bij de «explanimation» aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie daartoe geen aanleiding. Zie mijn antwoord op vraag 5.
Indien u niet bereid bent de uitgesproken tekst in overeenstemming te brengen met uw Hoofdlijnenbrief, welk deel van uw beleid klopt dan; de Hoofdlijnenbrief of de «explanimation»?
Ik zie geen tegenstelling tussen de hoofdlijnenbrief van 25 april 2013 en tekst van de explanimation. Zie mijn antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu u blijkbaar in de «explanimation» duidelijkheid kunt verschaffen over welke cliënten nog wel en welke niet in aanmerking komen voor een intramurale indicatie voor de ZZP V&V, daar waar het demente ouderen betreft, hetzelfde te doen voor de gehandicaptenzorg en de GGZ voordat de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning en/of de nieuwe AWBZ naar de Kamer komt? Zo nee, waarom niet?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 5 kan ik u melden dat ik verwacht dit najaar de voorstellen van wet voor de herziene Wmo en de zogenaamde kern-AWBZ aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Beide wetsvoorstellen zullen blijk geven van de verdere uitwerking van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning. Daarin zal dan ook meer duidelijkheid ontstaan over de precieze criteria om in aanmerking te komen voor langdurige zorg met bijbehorende verblijf.
De uitkomst van de consultaties over de 15 % THC-norm voor cannabis |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere gestelde vragen over de 15% THC-norm voor cannabis?1 Zo ja, wat was de inhoud van deze consultaties bij onder andere de politie, het Openbaar Ministerie, het Nederlands Forensisch Instituut en enkele gemeenten en de instellingen voor verslavingszorg?
Ja, ik herinner mij de eerdere antwoorden. De consultaties waar u op doelt betreffen adviezen die zijn gevraagd in het kader van de interne gedachtevorming. Om die reden heeft uw Kamer de inhoudelijke rapportage van deze adviezen niet eerder ontvangen. Ik voldoe evenwel graag aan uw verzoek om deze alsnog aan uw Kamer te verzenden, als bijlage bij deze antwoorden.2 Ik stuur u tevens de volledige tekst van de ontvangen reacties voor zover die formeel van aard waren. De reacties die zijn ontvangen van gemeenten stuur ik niet integraal mee, omdat deze adviezen de persoonlijke beleidsopvatting van de betreffende ambtenaren weergeven. De strekking van deze adviezen is wel in de rapportage weergegeven, zonder vermelding om welke gemeente het gaat.
Waarom is de rapportage van deze consultaties niet tegelijkertijd met de impactanalyse van de consequenties voor de strafrechtketen (Kamerstuk 33 593) naar de Kamer gezonden? Kan de inhoudelijke rapportage van de consultaties bij diverse organisaties alsnog per direct naar de Kamer worden gezonden?
Zie antwoord vraag 1.
Welke betekenis is er gehecht aan de genoemde argumenten naar aanleiding van de inhoudelijke consultaties over de aanbeveling door de expertcommissie Lijstensystematiek ten aanzien van de 15% THC-norm bij diverse organisaties, ressorterend onder de ministeries van Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport qua beleidsvoorbereiding van de algemene maatregel van bestuur, gelet op het belang van de scheiding der markten waarop het Nederlandse gedoogbeleid in prima forma is gestoeld? Hoe is er met de inhoud van deze consultaties omgegaan qua beleidsreactie op de aanbeveling door de expertcommissie Lijstensystematiek qua cannabis?
Uit de ontvangen reacties werd duidelijk dat de aanbeveling van de Commissie Garretsen op een aantal vlakken noopte tot nader onderzoek. Dit is rechtstreeks aanleiding geweest voor het uitvoeren van de impactanalyse die uw Kamer, tezamen met de concept-AMvB, van mij heeft ontvangen.
Is er bij het vormen van een beleidsvisie naar aanleiding van de aanbeveling van expertcommissie Lijstensystematiek over cannabis ook een vergelijking gemaakt met het handhaven van artikel 3b lid 2 Opiumwet ten behoeve van het cannabisbeleid? Zo nee, waarom niet en kan het kabinet dat alsnog doen voordat een eventuele algemene maatregel van bestuur zal worden doorgevoerd voor wat betreft de 15% THC maatregel?
Artikel 3b lid 2 Opiumwet ziet op een uitzondering van het afficheringsverbod bij openbaarmaking in het kader van medische of wetenschappelijke voorlichting. Er is geen direct verband tussen het handhaven van deze bepaling en de 15% THC-maatregel.
Bent u bereid deze vragen voor 11 september 2013 te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat webwinkeliers zich verplichten om klantinformatie door te geven aan Stichting BREIN |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Inzet BREIN juridisch afgedekt in nieuw e-bookdistributiecontract»?1
Ja.
Is het waar dat webwinkels die aangesloten zijn op het distributieplatform eBoekhuis verplicht kunnen worden om klantinformatie door te geven aan Stichting BREIN? Zo ja, hoe verhoudt het doorgeven van dergelijke informatie aan derden zich tot de wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
Ondernemingen mogen overeenkomen dat zij bepaalde persoonsgegevens ter beschikking stellen aan derden mits wordt voldaan aan de voorwaarden die aan deze gegevensverwerking worden gesteld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De meest voor de hand liggende verwerkingsgrond is in dit geval de ondubbelzinnige toestemming van de persoon van wie de gegevens worden verwerkt (artikel 8 onder a Wbp). Voor de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens, die in de Wbp als bijzondere persoonsgegevens worden aangemerkt, gelden aanvullende voorwaarden. Het College bescherming persoonsgegevens houdt toezicht op de verwerking van persoonsgegevens conform de Wet bescherming persoonsgegevens.
Mag met het oog op de wet- en regelgeving ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een derde winkels dwingen om klantgegevens minimaal twee jaar te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Webwinkels kunnen zelf belang hebben bij het bewaren van klantgegevens bijvoorbeeld ten behoeve van het optreden tegen distributie van e-boeken zonder toestemming van de rechthebbende. De gratis distributie van e-boeken kan ten koste gaan van hun verkoop. Zij kunnen in dat kader ook afspraken maken met derden. Indien winkels menen dat zij door het economisch overwicht door een derde worden gedwongen om bepaalde contractsvoorwaarden te accepteren, kunnen zij de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) vragen te beoordelen of er misbruik wordt gemaakt van een machtspositie. Als dat het geval is, dan kan de ACM daartegen optreden.
Acht u de bestaande mogelijkheden om tegen verdenkingen ten aanzien van inbreuk van de auteurswet afdoende? Zo ja, hoe oordeelt u dan over de bepalingen met betrekking tot klantgegevens in de in het artikel genoemde overeenkomst «digitale distributie voor webwinkels»? Zo nee, waar zitten volgens u nog tekortkomingen?
Het uitgangspunt bij handhaving van intellectuele eigendomsrechten is dat handhaving in eerste instantie de verantwoordelijkheid is van de rechthebbende zelf. Hij dient zich daarbij te houden aan het wettelijk kader. In casu lijkt daarvoor doorslaggevend of een klant ondubbelzinnig en uit vrije wil ingestemd heeft met de gegevensverwerking met het oog op handhaving van de op e-boeken rustende intellectuele eigendomsrechten. Bij deze beoordeling zal – mede gelet op een vrije toegang tot informatie en cultuur – een rol spelen of een klant ook langs andere weg kennis kan nemen van het boek.
Is het in Nederland toegestaan dat de oorspronkelijke koper van een e-book dit doorverkoopt? Zo ja, op welke wijze kan dan worden aangetoond dat met het doorverkopen van een e-book de auteursrechten niet worden geschonden? Zo nee, waarom is dit niet toegestaan en op grond van welke bepaling(en)?
Uit artikel 4 van de Auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG volgt dat indien een exemplaar van een auteursrechtelijk beschermd werk voor de eerste maal in een van de lidstaten van de EU of de EER in het verkeer is gebracht door eigendomsoverdracht, het doorverkopen van dat fysieke exemplaar geen inbreuk vormt op het auteursrecht. Dit is de zogeheten communautaire uitputtingsleer. In overweging 29 van de preambule van de Auteursrechtrichtlijn is opgenomen dat die uitputting niet geldt in het geval van diensten, in het bijzonder online diensten, en evenmin geldt voor exemplaren van werken die door een gebruiker van een online dienst met toestemming van de rechthebbende worden vervaardigd. Of het doorverkopen van een e-boek indachtig de uitputtingsleer dan wel of juist niet door het distributierecht wordt bestreken, moet worden beantwoord tegen de achtergrond van artikel 4 en overweging 29 van de Auteursrechtrichtlijn. Het geven van een authentieke interpretatie dienaangaande is aan de rechtsprekende macht en daarbij uiteindelijk het Hof van Justitie van de Europese Unie voorbehouden. Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van software geoordeeld dat onder omstandigheden een softwarelicentie zonder toestemming van de rechthebbende kan worden doorverkocht (HvJEU 3 juli 2012, zaak C-128/11 (UsedSoft/ Oracle International).
Is er vanwege de positie van het Centraal Boekhuis (CB) ten aanzien van de distributie van Nederlandse e-books nog wel sprake van een vrije markt van e-books in Nederland? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en ziet u mogelijkheden om de mededinging op deze markt te verbeteren?
De voorganger van de ACM, de NMa, heeft in 2011 de ontwikkelingen op de markt voor Nederlandstalige elektronische boeken (e-books) in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat de concurrentie moeizaam op gang komt. Een van de oorzaken hiervan is dat boekverkopers vaak de adviesprijs van uitgevers volgen waardoor er geen prijsconcurrentie op gang komt. Daarnaast is het aanbod van Nederlandstalige e-books beperkt.
Tegelijkertijd heeft de NMa gezien dat de markt voor e-books steeds aantrekkelijker wordt voor uitgever, boekverkoper en consument. Steeds meer mensen hebben een e-reader en/of tablet waardoor het aantal (potentiële) lezers van een e-book toeneemt. De Wet op de vaste boekenprijs is niet van toepassing op e-books. Hierdoor kunnen de prijzen variëren. Boekverkopers bieden ook in toenemende mate kortingen op e-books. Het e-book leent zich daarnaast voor nieuwe verkoopmodellen. Bijvoorbeeld het aanbieden van e-books via een abonnement, waarbij de lezer boeken onbeperkt kan lezen voor de duur van het abonnement.
Het Centraal Boekhuis is de beheerder van het eBoekhuis voor de opslag en distributie van e-books in Nederland. Dit distributieplatform is een initiatief van uitgevers en boekverkopers. De Groep Algemene Uitgevers en de Koninklijke Boekverkopersbond hebben de NMa toegezegd dat de samenwerking tussen uitgevers en boekverkopers via het Digitaal Platform de concurrentie niet zal belemmeren. Zo krijgen zowel bestaande als nieuwe marktspelers toegang tot het Platform en eventuele toetredingsvoorwaarden zijn objectief, transparant en non-discriminatoir. Het Platform hanteert verder geen exclusiviteitseisen. Afspraken tussen uitgever en boekverkoper over de prijs en leveringsvoorwaarden worden buiten het platform gemaakt. Ten slotte mogen gebruikers de informatie uit het Digitaal Platform in eventueel aangepaste vorm gebruiken voor hun eigen website, zodat zij zich van elkaar kunnen onderscheiden. Gelet op deze toezeggingen kan het Digitaal Platform de concurrentie bevorderen. De ACM ziet erop toe dat die toezeggingen worden nageleefd.
Het sluiten van sociale werkplaatsen |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op uitspraken van de directeuren van sociale werkplaatsen dat het sluiten van de sociale werkplaatsen zal leiden tot meer werkloosheid en een stijging van het aantal uitkeringsgerechtigden?1 2
Met mijn brief van 27 juni 2013 heb ik u geïnformeerd over de hoofdlijnen van de Participatiewet na de totstandkoming van het sociaal akkoord. Met de Participatiewet wordt de instroom van de Wsw met ingang van 1 januari 2015 afgesloten. Het Rijk sluit daarbij geen sw-bedrijven. De rechten en plichten van de mensen die op dat moment aan de slag zijn in het sw-bedrijf veranderen niet. Het aantal mensen met een Wsw-dienstbetrekking neemt vervolgens af op basis van natuurlijk verloop. Gemeenten blijven middelen ontvangen om deze dienstbetrekkingen te laten voortduren.
Gelijktijdig met het afsluiten van de Wsw krijgen gemeenten de beschikking over een nieuw instrumentarium (loonkostensubsidie en voorziening beschut werk) met bijbehorende middelen om mensen met een arbeidshandicap aan het werk te helpen. Daarnaast zijn afspraken met de sociale partners gemaakt over het beschikbaar stellen van 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking bij reguliere werkgevers en 25.000 in het publieke sector. Als werkgevers onvoldoende banen realiseren, treedt na overleg met sociale partners en gemeenten een wettelijke quotumregeling in werking.
Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en hebben het voortouw in het samen met de sociale partners invullen van de Werkbedrijven in de Werkkamer. Gemeenten kunnen daarbij gebruik maken van de expertise van de sw-bedrijven. Daarom wordt bij de implementatie van de Participatiewet de koepel van de sw-bedrijven Cedris expliciet betrokken.
Kunt een overzicht geven van het aantal plaatsen (beschutte werkplekken) in de sociale werkplaatsen voor de komende vijf jaar (t/m 2018) per provincie? Zo nee, waarom niet?
Inzicht in het aantal Wsw-plekken per provincie in 2014 komt met het vaststellen van de individuele taakstelling per gemeente uiterlijk 1 oktober 2013 beschikbaar. De verdeling van de taakstelling over de gemeenten wordt na vaststelling ook gepubliceerd op het gemeenteloket.
Het verkrijgen van inzicht in de afbouw vergt een actuarieel onderzoek. Voor de verdeling van de Wsw-middelen na de afsluiting van de Wsw in 2015 wordt, met ingang van 2.014 jaarlijks op basis van actuarieel onderzoek het geschatte natuurlijk verloop van het aantal Wsw-dienstbetrekkingen per gemeente bepaald.
Kunt u een overzicht geven van het aantal toegezegde reguliere arbeidsplaatsen door werkgevers voor mensen met een beperking voor de komende vijf jaar (t/m 2018) per provincie? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb geen zicht op de regionale spreiding van toegezegde arbeidsplaatsen. In het sociaal akkoord van april 2013 hebben werkgevers in de private sector 100.000 extra banen en werkgevers in de publieke sector 25.000 extra banen toegezegd voor mensen met een arbeidsbeperking, opbouwend naar 2026. Dit is een macroafspraak zonder een regionale onderverdeling. Zie de kabinetsbrief van 11 april 2013 over de resultaten van het sociaal overleg.
Welke gevolgen heeft het sluiten van de sociale werkplaatsen voor de werkloosheidscijfers, het aantal mensen dat in armoede moet leven, en de arbeidsparticipatie voor de komende vijf jaar (t/m 2018)?
Zoals ik met mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven sluit het kabinet geen sw-bedrijven. Het is aan gemeenten om een keuze te maken welke rol sw-bedrijven krijgen in de uitvoering van de Participatiewet.
Hoe verklaart u de forse daling van meer dan 25% van de wachtlijst voor de sociale werkplaats in 2012, en de forse daling van het aantal eerste indicaties voor de sociale werkplaats? Zijn deze 5423 personen allemaal bij een reguliere werkgever in dienst genomen? Zo nee, waar zijn deze personen dan wel terecht gekomen?3
Er wordt geen onderzoek gedaan naar de achterliggende oorzaken van de lengte of de verblijfsduur van de wachtlijst Wsw. De belangrijkste verklarende factor voor de daling is dat er veel minder 1e indicaties zijn afgegeven. Uit signalen uit de praktijk kan afgeleid worden dat dit komt doordat verwijzers en werkzoekenden anticiperen op de voorgenomen wijzigingen in de Wsw (strengere indicatiestelling van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen en het afsluiten van nieuwe instroom onder de nieuwe Participatiewet).
Mensen die geen Wsw-indicatie aanvragen blijven als uitkeringsgerechtigde of nugger onder de reguliere re-integratieverantwoordelijkheid van gemeenten en UWV vallen. Ik heb geen zicht op de mate waarin mensen die voor een Wsw-indicatie in aanmerking komen, via de reguliere kanalen aan de slag zijn gegaan bij een reguliere werkgever.
Hoe verklaart u het feit dat, ondanks dat er maximaal op is ingezet, het aantal werknemers met een indicatie voor de sociale werkplaats dat bij een reguliere werkgever is gaan werken (begeleid werken) voor ongeveer 90% ook weer is «uitgevallen», waardoor het aantal mensen dat begeleid werkt bij een reguliere werkgever nauwelijks is gestegen in 2012?
Ik herken mij niet in de conclusie dat 90% van de begeleid werken dienstbetrekkingen hetzelfde jaar mislukt. In de Wsw-statistiek wordt in tabel 5.4 een overzicht gegeven van het aantal mensen dat in 2012 met een begeleid werken dienstbetrekking is gestart (1.402) en het aantal mensen van wie in 2012 de begeleid werken dienstbetrekking is beëindigd (1.288). Dit betreft niet noodzakelijkerwijs dezelfde mensen, want veel meer mensen werken begeleid dan alleen de instroom en de uitstroom. Eind 2012 werkten er bijvoorbeeld in totaal 6.325 mensen via begeleid werken bij een reguliere werkgever.
Tabel 5.15 geeft inzicht in de reden van beëindiging. Dienstbetrekkingen worden beëindigd in verband met onvoldoende medewerking (2%), vervallen van de indicatie (1%), ontslag op eigen verzoek (7%), niet verlengen na proeftijd (3%), niet verlengen na tijdelijk aanstelling (44%), overlijden, pensioen of 2 jaar ziek (10%), overige redenen (31%).
LHBT gezinnen in Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «We vluchten omdat Rusland ons «verdorven» vindt»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe tot op heden uitleg en uitvoering wordt gegeven aan het verbod op homoseksuele propaganda? Heeft u zicht op het aantal boetes en veroordelingen op grond van deze wet?
Voor zover bekend zijn er vooralsnog geen boetes opgelegd of veroordelingen uitgesproken nadat op 30 juni jl. op nationaal niveau de wetgeving van kracht is geworden betreffende een verbod op de «propaganda onder minderjarigen voor niet-traditionele seksuele relaties». Zoals ook genoemd in het door u aangehaalde krantenartikel was er op lokaal niveau (in enkele steden waaronder Sint Petersburg) al langer soortgelijke wetgeving van kracht. Voor zover bekend heeft in de afgelopen jaren één persoon een boete gekregen op basis van genoemde lokale wetgeving.
Kunnen op grond van de anti-homopropagandawet kinderen worden weggehaald bij LHBT (lesbisch, homo, biseksueel, transgender)-gezinnen?
In de wet worden als strafbepalingen voor Russische staatsburgers enkel boetes genoemd. Russische organisaties kunnen, behalve een boete, ook worden veroordeeld tot opschorting van hun activiteiten voor een periode van 90 dagen.
Klopt het dat het hoofd van de parlementaire commissie inzake het gezin gaat werken aan een procedure om kinderen weg te halen uit gezinnen met partners van gelijk geslacht? Wat is uw reactie hierop?
Het hoofd van de Parlementaire Commissie voor Gezin, Vrouwen en Kinderen, mevrouw Elena Mizulina, heeft op 13 juni jl. in een persconferentie met Russische media gezegd dat het mogelijk zou moeten zijn om adoptiekinderen weg te laten halen uit een gezin met partners van gelijk geslacht. Het kabinet is vanzelfsprekend bezorgd over deze opmerking en zal de ontwikkelingen ter zake volgen.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van LHBT-gezinnen in Rusland en LHBT-gezinnen die naar Rusland reizen?
Zoals aangegeven in antwoord op uw Kamervragen van 27 juni nl. maakt het kabinet zich zorgen over de signaalwerking van de LHBT-wetgeving, omdat deze de bestaande stigmatisering en discriminatie van LHBT-personen, inclusief LHBT-gezinnen, vergroot en tevens personen (of organisaties) in Rusland kan sterken in hun homofobe sentimenten. Dit kan ook een negatief effect hebben op de veiligheid van LHBT-gezinnen in Rusland en LHBT-gezinnen die naar Rusland reizen, vooral als zij in het openbaar opkomen voor hun rechten en/of blijk geven van hun seksuele voorkeur.
Hoe gaat u zich inzetten voor de naleving van het recht op gezinsleven voor LHBT-gezinnen?
Het is staand beleid dat Nederland autoriteiten van andere landen aanspreekt met betrekking tot LHBT-kwesties en waar mogelijk publieke evenementen actief steunt. De mensenrechtensituatie in Rusland wordt, juist in dit Nederland-Ruslandjaar, voortdurend aan de orde gesteld. Zorgen over het recht op gezinsleven voor LHBT-gezinnen worden daarin meegenomen.
Het bericht dat jonge onderwijzers in grote getale werkloos raken |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Werkloosheid slaat toe in het onderwijs»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het in het artikel genoemde voorbeeld van jonge docenten die telkens vlak voor de zomervakantie worden ontslagen om vervolgens na de vakantie mogelijk weer in tijdelijke dienst te worden genomen?
Het aannemen en ontslaan van leerkrachten is de verantwoordelijkheid van het desbetreffende schoolbestuur. Voor het belang van het onderwijs is het wel goed als schoolbesturen de beste docenten kunnen aannemen en behouden.
Hoe staat het toenemend aantal tijdelijke contracten in het onderwijs volgens u in verhouding tot de continuïteit van kwaliteit en de overdracht van kennis en vaardigheden van ervaren docenten op jonge leraren?
De Rekenkamer geeft in het rapport «Kunnen basisscholen passend onderwijs aan?» van juli 2013 dat het aandeel flexibele contracten in het basisonderwijs afneemt. Het aandeel flexibele contracten in het basisonderwijs in 2012 is 5 procent, ten opzichte van 7 procent in 2009.
De afname van het aantal tijdelijke fte’s lijkt in tegenspraak met de toenemende flexibilisering van het personeelsbestand. De verklaring van de Rekenkamer is dat tijdelijk personeel bij bezuinigende schoolbesturen de afgelopen jaren als eerste is afgevloeid. Het weinige nieuwe personeel dat aangetrokken wordt, krijgt in bijna alle gevallen een tijdelijke aanstelling. Dat blijkt overigens ook uit de Loopbaanmonitor2, het jaarlijkse onderzoek dat het ministerie van OCW laat uitvoeren onder pas afgestudeerde leraren. Een groot deel van de afgestudeerden van de pabo vindt nog wel een baan in het onderwijs, maar het betreft in veel gevallen een tijdelijke en/of vervangingsbaan.
Ik heb geen aanwijzingen dat de verhouding 95 procent vaste aanstellingen en 5 procent flexibele contracten knelpunten oplevert voor de overdracht van kennis en vaardigheden van ervaren leraren op jonge leraren.
Deelt u de in het artikel genoemde angst dat jonge docenten na het zoveelste tijdelijke contract dreigen af te haken en daarmee verloren gaan voor het onderwijs?
Ik deel de zorgen dat jonge docenten na dit soort ervaringen het onderwijs de rug toekeren. Net zoals uw Kamer neem ik deze problematiek daarom ook zeer serieus. Door middel van het vandaag getekende Nationaal Onderwijsakkoord geef ik een impuls aan de werkgelegenheid in het primair en voortgezet onderwijs, waardoor in 2014 3.000 jonge leraren extra een baan kunnen krijgen of behouden. Over de uitvoering van de motie Voordewind en Ypma, die op 4 juli jl. is aangenomen in uw Kamer, ben ik inmiddels in gesprek met het Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs, waarin ook de PO-Raad participeert. Daarnaast ondersteun ik dit platform met het opstellen van een sectorplan primair onderwijs, waarmee maatregelen genomen kunnen worden om deze problematiek aan te pakken. Over de resultaten zal ik uw Kamer later dit jaar informeren.
Herkent u zich in de zorgen die onder andere de PO-raad2 uitte over de vele stille bezuinigingen die scholen dwingen tot het ontslaan van personeel of het werken met onzekere tijdelijke contracten?3
Dit kabinet heeft het onderwijs hoog in het vaandel staan. Er moet veel bezuinigd worden. Het onderwijs wordt ontzien, waarbij het kabinet netto investeert. In het primair onderwijs wordt ook geïnvesteerd. De afgelopen jaren is het bedrag per leerling gestegen. Dit stelt ook de PO-Raad in een artikel in het Algemeen dagblad van 15 juni.5 Door de daling van het aantal leerlingen zijn er minder leerkrachten nodig. In dit geval is ontslag soms onvermijdelijk.
Bent u op de hoogte van het feit dat zowel het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) als vakbonden en werkgeversorganisaties in het onderwijs over enkele jaren een tekort aan docenten verwachten? Deelt u de angst van deze organisaties dat de nu afhakende jonge leraren in zo’n geval keihard nodig zouden zijn?
Ja, daarom is er een banenplan voor 3.000 jonge leraren. Ik ben op de hoogte van het feit dat zowel het UWV als de werknemers- en werkgeversorganisaties over enkele jaren een tekort aan leerkrachten verwachten. Ook het ministerie van OCW heeft vorig jaar aan uw Kamer gemeld (3 juli 2012) dat, landelijk gezien, over enkele jaren in het primair onderwijs een tekort aan leraren wordt verwacht. Daarbij zijn er wel grote regionale verschillen. De tekorten zullen zich vooral voordoen in de grote steden omdat daar het leerlingenaantal nog stijgt. Op 5 oktober, tegelijk met het publiceren van de Lerarenagenda, wordt het rapport «De toekomstige arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel 2013–2025» uitgebracht. In dit rapport staan de nieuwste arbeidsmarktramingen voor po, vo en mbo.
Over de aanpak van deze regionale problematiek ben ik in gesprek met het Arbeidsmarktplatform PO. Zie ook antwoord op vraag 4.
Bent u van mening dat de kwaliteit van het onderwijs gebaat is bij een sterk vergrijsd en dus onevenwichtig personeelsbestand, zoals dat nu dreigt te ontstaan door het vertrek van steeds meer jonge leraren?
Nee.
Gaat u op korte termijn in gesprek met de werkgevers in het onderwijs om het aantal tijdelijke contracten terug te dringen en daarmee meer jonge docenten te behouden voor het onderwijs?
Zie antwoord op vraag 4.
De voortgaande buitenlandse islamitische inmenging in Nederland |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuw centrum promoot islam in Rotterdam»?1
Ja.
Kunt u precies aangeven hoeveel euro de islamitische stichting SSCCN ontvangt, van wie, uit welk land en onder welke voorwaarden?
De rijksoverheid houdt geen lijst bij van financiering van maatschappelijke en religieuze organisaties. Volgens het bestuur van SSCCN in Rotterdam heeft deze stichting een geldbedrag van 380.000 Amerikaanse Dollar ontvangen van de Islamic Development Bank die gevestigd is in Djedda, Saoedi-Arabië. Het betreft een eenmalig bedrag en er zijn volgens het bestuur geen voorwaarden aan deze sponsoring gesteld.
Ziet u het gevaar van buitenlandse islamitische inmenging in Nederland? Zo neen, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel wanneer nieuwe of gevestigde Nederlanders onder druk worden gezet door buitenlandse overheden of organisaties en daarmee in hun vrijheden worden beknot. Voor buitenlandse mogendheden is het mogelijk om op basis van vrijwilligheid contact te onderhouden met Nederlandse ingezetenen, zolang dit de integratie in de Nederlandse samenleving niet belemmert. Ook is het toegestaan om gebruik te maken van buitenlandse financiering om gebedshuizen te stichten. Echter, wanneer kernwaarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat in het geding zijn, heeft de overheid een verantwoordelijkheid om in te grijpen ter bescherming van deze kernwaarden. De Kamer is eerder geïnformeerd over de risico’s van buitenlandse financiering (TK 2008–2009, 29 754, nr. 145).
Deelt u de visie dat aparte islamitische stichtingen slecht zijn voor de integratie? Zo neen, denkt u werkelijk dat landen als Koeweit en Saoedi-Arabië de integratie in Nederland zullen bevorderen?
Nee, deze visie deel ik niet. De Kamer is eerder geïnformeerd over de risico’s van buitenlandse financiering (TK 2008–2009, 29 754, nr. 145). In deze brief staat dat financiering, zowel binnenlands als buitenlands, altijd met invloed gepaard kan gaan. De gevolgen hiervan voor de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving zijn niet altijd eenduidig vast te stellen.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om buitenlandse financiering van moskeeën en andere islamitische organisaties tegen te gaan?
Vanwege het beginsel van scheiding van kerk en staat, alsmede de vrijheid van godsdienst, is overheidsinmenging in geloofgenootschappen niet altijd mogelijk. De overheid kan in beginsel geen maatregelen nemen ten aanzien van de samenstelling van een moskeebestuur en de financiering van een moskee, ook niet als deze (gedeeltelijk) vanuit het buitenland plaatsvindt. Ik vind het wel belangrijk dat in dit geval moskeeën transparant zijn over giften die zij ontvangen. Ik roep de moskeebesturen die geld ontvangen vanuit het buitenland dan ook op om maximale openheid te betrachten in de financiële relaties met het buitenland. Daarnaast, conform mijn toezegging aan uw Kamer d.d. 12 september 2013 zal ik bezien welke aanvullende instrumenten vanuit de overheid mogelijk zijn om onwenselijke buitenlandse financiering van gebedshuizen te ontmoedigen.
De toepassing van een zelfbedachte behandelmethode |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Experiment met fatale afloop?1
Ja.
Klopt het dat de zorginstelling van zorgaanbieder Novo in Onnen experimenteerde met een zelfbedachte behandelmethode?
Met betrekking tot het beantwoorden van deze vraag is het van belang onderscheid te maken tussen een methode en een werkwijze. Bij NOVO is een bestaande methode, die gebaseerd is op cognitieve gedragstherapeutische uitgangspunten, op eigen wijze vertaald in een werkwijze. Deze werkwijze en de uitvoering ervan was zeer beheersmatig.
Is het in Nederland toegestaan te experimenteren met een behandelmethode? Zo ja, onder welke voorwaarden, en met welk toezicht? Voldeed de zorginstelling van Novo in Onnen aan deze voorwaarden, en was het toezicht hierop adequaat? Zo nee, verbindt u hier consequenties aan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Kwaliteitswet is ook op experimentele behandelingen van toepassing. Dit betekent dat het bestuur van een zorginstelling verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde zorg. De IGZ ziet hier op toe.
Er is voorts, anders dan bij medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen het geval is, geen aparte wettelijke regeling voor het ontwikkelen of introduceren van nieuwe behandelmethoden. Veel zorginstellingen hebben echter een ethische commissie die bij de inzet van nieuwe behandelmethoden of nieuwe werkwijzen de ethische grenzen toetst en bewaakt.
Wat zijn de regels wanneer een zorginstelling een locatie overneemt met een indicatie, zoals een BOPZ-indicatie, die de instelling zelf niet heeft? Heeft de zorginstelling van Novo in Onnen zich gehouden aan deze regels? Zo nee, verbindt u hieraan consequenties? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In de Wet Bopz staan twee begrippen centraal: de Bopz-indicatie en de Bopz-aanmerking; de Bopz-indicatie betreft de cliënt, de Bopz-aanmerking de zorglocatie. Alleen cliënten met een Bopz-indicatie die zijn opgenomen in een zogenoemde Bopz-aangemerkte locatie mogen, mits aan een aantal zorgvuldigheidseisen is voldaan, in hun vrijheid worden beperkt.
De procedure rond het aanmerken van een locatie is als volgt. Een instelling die cliënten met een Bopz-indicatie wil opnemen dient een verzoek voor een Bopz-aanmerking bij VWS in. De wet Bopz schrijft namelijk voor dat de aanmerkingen per locatie moeten worden afgegeven.
Vervolgens vraagt VWS advies aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De inspectie toetst of de desbetreffende locatie voldoende is toegerust om op een verantwoorde en veilige manier cliënten met een Bopz-indicatie op te nemen en te begeleiden. Zo toetst de inspectie of er een Bopz-arts aanwezig is, of kwantiteit en kwaliteit van het personeel is afgestemd op de op te nemen doelgroep en of het beleid rond het omgaan met vrijheidsbeperkingen in een visie schriftelijk is vastgelegd en of dat ook bekend is bij de medewerkers. Op basis van het advies van de inspectie wordt er door mij of de minister al dan niet een Bopz-aanmerking afgegeven.
Een Bopz-aanmerking is dus niet alleen aan een locatie (adres) gebonden, maar ook aan de organsatie c.q. de beherende stichting. Als een organisatie een Bopz-locatie afstoot, dan vervalt daarmee dus ook de aanmerking. De organisatie die de locatie overneemt, dient dan ook, als deze tenminste Bopz-geïndiceerde cliënten wil opnemen, een verzoek voor een Bopz-aanmerking bij VWS in te dienen.
In de onderhavige casus heeft «De Zijlen» haar bewoners uitgeplaatst naar andere locaties van de Zijlen en de locatie Onnen overgedragen aan NOVO. NOVO is daar met een nieuwe groep cliënten gestart. NOVO heeft voor de desbetreffende locatie geen Bopz-aanmerking aangevraagd. NOVO had ook geen cliënten met een Bopz-indicatie in zorg. De locatie in Onnen is inmiddels gesloten.
Armoede onder huurders |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Woonbond dat steeds meer huurders in armoede leven?1
Met de Nederlandse Woonbond ben ik van mening dat het belangrijk is dat de woonlasten voor huurders betaalbaar zijn. Het kabinet houdt bij het vergroten van de mogelijkheden tot huurverhoging in de gereguleerde sector dan ook rekening met de positie van huishoudens met lagere inkomens. Niettemin neemt het kabinet het signaal van de Woonbond over de gevolgen van een stijgende woonquote voor huurders uiterst serieus.
In deze moeilijke economische tijd hebben veel mensen het niet gemakkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Onder hen ook veel mensen die een woning huren. Daarom versterkt het kabinet de komende jaren het armoede- en schuldenbeleid. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor dit beleid en zij hebben de taak om er voor te zorgen dat mensen met een laag inkomen of problematische schulden toch mee kunnen blijven doen. Het kabinet stelt gemeenten hiertoe in staat door kennisuitwisseling te stimuleren en door extra middelen beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft in 2013 een bedrag van € 20 miljoen extra beschikbaar gesteld voor armoede- en schuldenbeleid. De komende jaren gaat het kabinet het armoede- en schuldenbeleid verder intensiveren en stelt daartoe in 2014 € 80 miljoen euro en voor 2015 en latere jaren € 100 miljoen euro extra ter beschikking. Een groot deel van deze middelen zal beschikbaar gesteld worden aan gemeenten.
Vindt u het acceptabel dat 28% van de huurders van gereguleerde huurwoningen na aftrek van de woonlasten niet genoeg geld overhoudt voor onvermijdbare uitgaven en sociale participatie? Zo ja, vindt u het ook acceptabel dat dit percentage in 2017 zal oplopen tot 35%? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat de verhuurdersheffing ervoor zorgt dat mensen met een laag inkomen nog minder te besteden krijgen en daardoor verder in de problemen raken? Zo nee, waarom niet?
De verhuurderheffing richt zich op verhuurders van huurwoningen in de gereguleerde sector en wordt geheven bij de verhuurder, zoals een woningcorporatie. Verhuurders kunnen deze heffing financieren door het benutten van de ruimere mogelijkheden tot huurverhoging. Het is echter niet noodzakelijk dat de heffing (volledig) uit deze huurverhogingen wordt gefinancierd; verhuurders hebben ook andere mogelijkheden om de heffing in te vullen, zoals efficiencyverbetering en verkoop van woningen. Er is dus geen directe relatie tussen de verhuurderheffing en de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen. Bovendien worden de effecten van eventuele huurverhogingen voor de laagste inkomensgroepen beperkt door de werking van de huurtoeslag. Hiervoor is in het Regeerakkoord ook een bedrag oplopend tot € 420 miljoen in 2017 opgenomen. In de brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst aan de Tweede Kamer d.d. 28 februari 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193) is ingegaan op de inkomenseffecten van de mogelijke huurverhogingen, waarbij is aangegeven dat 90% van de huurtoeslagontvangers te maken zal krijgen met een inkomenseffect dat kleiner is dan – 0,1% op jaarbasis.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat dit kabinet ervoor zorgt dat armoede onder huurders toeneemt? Zo nee, waarom niet? Kunt u garanderen dat het beroep dat huurders op de schuldhulpverlening moeten doen vanwege de gevolgen van de verhuurdersheffing niet verder oploopt?
Zoals gezegd heeft dit kabinet verschillende maatregelen getroffen die met name gericht zijn op mensen met een laag inkomen. Ik deel de analyse dat het kabinet ervoor zorgt dat armoede onder huurders toeneemt dus niet. Huurders die als het gevolg van het gedifferentieerde huurbeleid een inkomensafhankelijke huurverhoging hebben gekregen, hebben overigens op het moment dat hun inkomen daalt recht op huurverlaging. De voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn beschreven door de minister voor Wonen en Rijksdienst in zijn integrale visie op de woningmarkt, zoals verstuurd per brief naar beide Kamers der Staten Generaal d.d. 28 februari 2013 (Kamerstukken 2012/13, 32 847). Niettemin is het in deze economisch moeilijk tijden niet uit te sluiten dat meer mensen het moeilijk hebben om hun huishoudboekje sluitend te krijgen en in het uiterste geval een beroep moeten doen op de schuldhulpverlening.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de huurders een beroep heeft gedaan op de schuldhulpverlening in 2010, 2011, 2012 en 2013? Kunt u tevens aangeven wat de prognoses voor 2014 zijn?
Die gegevens heb ik niet tot mijn beschikking. De NVVK, vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren, brengt wel het percentage aanvragen bij NVVK-leden in beeld van klanten met (problematische) schulden en een eigen woning. Dit percentage bedroeg in 2011 en 2012 respectievelijk 12% en 16%. Hieruit is niet direct af te leiden hoeveel mensen een woning huren. Mensen zonder eigen woning kunnen bijvoorbeeld ook bij familie of vrienden inwonen of in een opvanginstelling verblijven.
Bent u bereid op zoek te gaan naar mogelijkheden om de huurtoeslag te verbeteren en gematigd huurbeleid te voeren? Zo nee, bent u bereid op een andere manier het koopkrachtverlies van huurders te repareren?
Het kabinet houdt de koopkracht van verschillende groepen altijd nauwgezet in de gaten en heeft verschillende maatregelen getroffen om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld. U bent hierover op Prinsjesdag geïnformeerd.
De ‘beste manier’ om genetische afwijkingen te achterhalen |
|
Khadija Arib (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de tv-uitzending/website1 over de in Nederland verboden niet-invasieve prenatale test (NIPT)?
Ja.
Is het waar dat er Nederlandse ziekenhuizen zijn die bloed van zwangere vrouwen prikken, en het vervolgens via België naar Amerika laten sturen voor een niet-invasieve prenatale test (NIPT)? Zo ja, deelt u de mening dat dit eens te meer een signaal is dat het tijd wordt dat deze test snel ook in Nederland wordt toegestaan? Zo ja, hoe gaat u dit bespoedigen?
De precieze rol van de Nederlandse ziekenhuizen is mij niet bekend. Zoals ik eerder heb aangegeven ben ik doordrongen van de urgentie om in Nederland onderzoek te doen naar de test en probeer waar mogelijk behulpzaam te zijn om een snelle maar zorgvuldige procedure te bevorderen. Hierover is regelmatig contact geweest met de onderzoekers. Daarbij hoop ik dat de Gezondheidsraad snel met een gedegen oordeel komt.
Deelt u de mening dat, in afwachting van een besluit over het definitief toestaan van NIPT in Nederland, het nu alvast toegelaten moet worden dat Nederlandse ziekenhuizen bloed buiten Nederland laten testen? Zo nee, waarom niet?
Nee. We hebben in Nederland een Wet op het Bevolkingsonderzoek (WBO) die een vergunning vereist voor de invoering van nieuwe technieken als het gaat om een screening naar onbehandelbare aandoeningen. Die wet schrijft een procedure voor waar ik mij als minister aan moet houden. De Gezondheidsraad moet hierover een zorgvuldig oordeel kunnen vellen. Daarbij is het niet conform de wet dat de test zonder vergunning wordt aangeboden.
Kunt u deze vragen gelijktijdig met de op 23 juli 2013 ingezonden vragen van bovengenoemde leden beantwoorden?2
Ja.
Het bericht dat steeds meer jongeren gratis stage lopen |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Gratis stagiair (m/v) zoekt plek»?1
Ik verwijs u daarvoor graag naar de antwoorden op de onderstaande vragen.
Wat is uw reactie op de opmerking van de voorzitter van FNV Jong dat door het aannemen van gratis stages schijnwerkloosheid gecreëerd wordt? Betekent dit dat het echte werkloosheidspercentage onder jongeren nog hoger is dan 17%?
Het is bekend dat het werkzoekenden momenteel extra moeite kost om een geschikte baan te bemachtigen. Voor pas afgestudeerde jongeren zonder werkervaring geldt dat nadrukkelijker. Bezien vanuit dat perspectief is het denkbaar dat deze jongeren alternatieve oplossingen aangrijpen om werkervaring op te doen, hun kennis actueel en op peil te houden en daarmee fit te blijven voor de arbeidsmarkt. Er zijn ook jongeren die in plaats van een onbetaalde stage, vrijwilligerswerk verrichten om werkervaring op te doen. Ook vrijwilligerswerk is onbetaald. Veel jongeren die deze stages aannemen geven ook aan dat zij hiermee hun uiterste best doen om zo min mogelijk een beroep te doen op een bijstandsuitkering.
Organisaties en bedrijven zijn niet verplicht om een stagevergoeding te betalen. Meestal wordt het echter wel gedaan, zeker bij grotere organisaties. De gemiddelde stagevergoeding van een tweede- en derdejaars hbo-student ligt daarbij tussen € 136 tot € 227 bruto per maand, voor een afstudeerstage op hbo-niveau tussen € 227 tot € 363 bruto per maand, en op academisch niveau tussen € 227 tot € 454 bruto per maand.
Voor het werkloosheidspercentage onder jongeren maakt een eventuele verschuiving van stageplekken voor studenten naar stageplekken voor afgestudeerde jongeren in principe geen verschil. Een mogelijk hogere werkloosheid onder studenten als gevolg van een verminderd aantal stageplekken, kan worden weggestreept tegen een lagere werkloosheid onder afgestudeerde jongeren als gevolg van een grotere (stage)werkgelegenheid voor hen.
Deelt u de mening dat onbetaalde stages voor reeds afgestudeerde jongeren zorgen voor oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt, waardoor er verdringing ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van verdringing omdat het doorgaans gaat om additionele plaatsen. Deze plekken komen niet tot stand als de werkgever geen stagiair heeft.
Kunt u motiveren waarom werkgevers reeds afgestudeerde jongeren die een onbetaalde stage lopen niet het wettelijk minimumloon hoeven uit te betalen? Zo nee, wat gaat u eraan doen om te zorgen dat iedere werkgever zijn werknemers minimaal het wettelijk minimumloon uitbetaalt?
Voor het verrichten van een stage is het van essentieel belang dat een stagiair zich duidelijk onderscheidt van een «gewone werknemer». De werkzaamheden van een gewone werknemer zijn hoofdzakelijk van productieve aard, gericht op het maken van omzet, winst of het behalen van doelen (etc.). Bij een stagiair staat het leeraspect centraal. Als er sprake is van een stage is betaling van het minimumloon niet vereist. Er is evenmin een verplichting om de stagiair een vergoeding te betalen in het kader van een stage-overeenkomst en er geldt dat uitsluitend een vergoeding moet worden betaald als dit opgenomen is in de cao waaronder de betrokkene valt.
Deelt u de mening van de voorzitter van FNV Jong dat bedrijven die geen vergoeding betalen aan afgestudeerde jongeren aangepakt moeten worden? Zo ja, wat houdt het aanpakken precies in? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven wordt toegelicht zijn organisaties en bedrijven niet verplicht een stagevergoeding te betalen en is betaling van het minimumloon niet vereist.
Deelt u de zorgen van de Landelijke Studenten Vakbond dat door de vele onbetaalde stages jongeren die nog bezig zijn met hun opleiding meer moeite hebben met het vinden van een stageplek? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorgen omtrent studenten die nog in opleiding zijn en hierdoor mogelijk meer moeite hebben om een stageplek te vinden. Ik vind het daarom positief dat de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) sinds januari 2013 het succesvolle stage- en leerbanenoffensief heeft geïntensiveerd. Mirjam Sterk, Ambassadeur Aanpak jeugdwerkloosheid, en de SBB trekken sinds kort samen op om het offensief nog meer aandacht te geven. Scholen zijn opgeroepen stagetekorten te melden via het Meldpunt stagetekorten, waardoor knelpunten inzichtelijk zijn en worden aangepakt.
De anti-homowet in Rusland |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de anti-homowet in Rusland (waardoor iemand een boete kan krijgen vanwege propaganda voor homoseksuele relaties) veroordeeld moet worden?1
Deze Russische wet (die een verbod inhoudt van «propaganda onder minderjarigen van niet-traditionele seksuele relaties», maar homoseksualiteit als zodanig niet verbiedt) heeft een stigmatiserende en discriminerende werking die personen en organisaties met homofobe sentimenten sterkt in hun opvattingen en daarom onwenselijk is.
Op welke manier laat u uw afkeer blijken van deze wet? Blijft het bij het overbrengen van zorgen, of onderneemt u ook concrete actie? Wat onderneemt u hiertegen in Europees verband?
Nederland benut elke gelegenheid om onze zorgen kenbaar te maken aan de Russische autoriteiten, maar, waar mogelijk, ook aan de Russische bevolking. Het is staand beleid dat Nederland autoriteiten van andere landen aanspreekt met betrekking tot LHBT-kwesties en waar mogelijk publieke evenementen actief steunt. De mensenrechtensituatie wordt, juist ook in dit Nederland-Ruslandjaar, voortdurend aan de orde gesteld.
De door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) vastgestelde richtsnoeren voor gelijke rechten voor LHBT-personen («guidelines to promote and protect the enjoyment of all human rights by LGBTI persons») vormen het raamwerk voor de inzet van EU-delegaties en ambassades van de EU-lidstaten. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Ashton, heeft mede op verzoek van Nederland eerder dit jaar een verklaring afgegeven inzake de anti-homopropagandawet. De RBZ spreekt regelmatig over de ontwikkelingen in Rusland. Het kabinet zal in de RBZ in het najaar, die de voorbereiding van de EU-Rusland Top ter hand zal nemen, de mensenrechtensituatie in Rusland in brede zin aan de orde stellen en bevorderen dat over de anti-homopropagandawet een gezamenlijk EU-standpunt zal worden ingenomen.
Is het waar dat u tegen een boycot bent van de Olympische Spelen in Sotsji, maar dat u heeft gezegd dat sporters de homorechten bij de Spelen aan de orde kunnen stellen?
Het kabinet is inderdaad tegen een boycot. Nederland zal Rusland houden aan de door Rusland zelf ondertekende en bekrachtigde mensenrechtenverdragen die discriminatie verbieden. Zo bereiken we per saldo meer voor de positie van de LHBT-gemeenschap in Rusland dan met een boycot van de Winterspelen.
Een team bestaande uit vertegenwoordigers van de meest betrokken ministeries, NOC*NCF en betrokken bedrijven is enkele maanden geleden begonnen met voorbereidingen om de Nederlandse deelname aan de Olympische Spelen in 2014 zo goed mogelijk te laten verlopen. Tijdens de Spelen zal dit team ter plaatse zijn om Nederlandse sporters, supporters en officials bij te staan. Het kabinet vindt dat binnen de grenzen van het Olympisch Handvest sporters vrij moeten zijn om uiting te geven aan hun mening.
Wat verwacht u precies van de sporters? Op welke manier gaat u hen ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Het plaatsen van hongerstakers in een isoleercel |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hongerstakers nog altijd in kale isoleercellen opgesloten»?1
Ja. De aanleiding voor het artikel is een uitspraak van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol.
Heeft u de Nationale ombudsman toegezegd dat er geen hongerstakers meer in de isoleercel zullen worden gezet?
De Nationale ombudsman heeft in 2010 in een rapport de aanbeveling gedaan om bij de directeuren van de justitiële inrichtingen onder de aandacht te brengen dat wanneer hongerstakers in een observatiecel worden geplaatst, in deze cel zoveel mogelijk faciliteiten moeten worden geboden zoals in een reguliere cel (meubilair, televisie, radio, etc.) en een hongerstaker andere kleding moet worden verstrekt dan scheurkleding. Bij brief van 8 juni 2011 heb ik aan de Nationale ombudsman gemeld deze aanbeveling te zullen overnemen.
Deelt u de mening dat het plaatsen van mensen in een isoleercel een zeer vergaande maatregel is en schadelijke effecten voor de betrokkene kan hebben?
Ik deel de mening dat het afzonderen van ingeslotenen een vergaande maatregel is. Om die reden gaan de inrichtingen terughoudend om met deze maatregel. De maatregel wordt overigens in de meeste gevallen toegepast met het oog op de bescherming van de ingeslotene. Kortheidshalve verwijs ik naar het themarapport «Plaatsing in isolatie in huizen van bewaring en gevangenissen» van de toenmalige Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) van mei 2012 en mijn beleidsreactie daarop die is opgenomen in mijn gebundelde beleidsreactie op rapporten van de Inspectie Veiligheid en Justitie (TK, Vergaderjaar 2012–2013, 24 587, nr. 482).
Hoe vaak zijn er in het afgelopen jaar mensen in een isoleercel geplaatst vanwege een hongerstaking of dorststaking en voor hoe lang? Wanneer wordt besloten om iemand weer uit de isoleercel te plaatsen? Welke voorwaarden worden daaraan gesteld?
In mijn brief van 15 mei 2013 (TK, Vergaderjaar 2012–2013, 19 637, nr. 1667) heb ik uw Kamer geïnformeerd over het aantal personen dat in mei 2013 groepsgewijs in honger- dan wel dorststaking is gegaan en het aantal personen dat in observatie is geplaatst. Bij eerder genoemde gebundelde beleidsreactie heb ik uw Kamer geïnformeerd over omvang en redenen voor de toepassing van afzondering in detentiecentra.
Uitgangspunt is dat een eet- en/of drinkstaker op een reguliere afdeling verblijft. Een ingeslotene wordt pas onder cameratoezicht geplaatst en/of geïsoleerd als daar een medische reden voor is (of bij wijze van ordemaatregel indien nodig). De maatregel wordt beëindigd zodra geen grond voor observatie meer bestaat.
Wanneer is de directie bevoegd cameratoezicht toe te passen bij hongerstakers? Is het ook mogelijk om cameratoezicht, indien nodig, in de eigen cel te faciliteren?
De directeur is op grond van artikel 24 a Pbw bevoegd om te bepalen dat een ingeslotene die in een afzonderingcel verblijft, door middel van een camera wordt geobserveerd indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Het is niet mogelijk om cameratoezicht op de eigen cel te faciliteren. Een reguliere cel is onvoldoende overzichtelijk om door middel van cameratoezicht de veiligheid van de ingeslotene te waarborgen. Bovendien verblijven de meeste vreemdelingen met twee personen op cel waardoor het plaatsen van cameratoezicht zou ingrijpen op de privacy van de celgenoot.
Welke implicaties heeft de uitspraak van de commissie van toezicht voor het beleid ten aanzien van het gebruik van de isoleercel in vreemdelingendetentie?
Conform mijn toezegging in reactie op het eerder genoemde rapport van de ISt van 2011 worden honger- en dorststakers geplaatst in afzonderingscellen met meer faciliteiten. De hiervoor noodzakelijke aanpassingen van de afzonderingscellen in Detentiecentrum Schiphol zijn in mei van dit jaar gereed gekomen.
Het bericht dat er toch werklozen ingezet worden als thuishulp |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toch werklozen aan de slag in thuiszorg»?1
Ja
U vond het toch ook onacceptabel dat werklozen straks de persoonlijke verzorging van onze ouderen gaan uitvoeren?2 Zo ja, wat is dan nu uw reactie op de inhoud van genoemd artikel?
In mijn brief (Kamerstukken II, 29 538, nr. 149) heb ik nadrukkelijk gesteld dat het vervangen van professionals door vrijwilligers en werklozen bij het uitvoeren van lijfsgebonden zorg, waaronder medische handelingen, niet in overeenstemming is met mijn visie op de langdurige zorg. Lijfsgebonden zorg moet ook na 2015 in handen blijven van mensen die daarvoor zijn gekwalificeerd en die deze activiteiten kunnen uitvoeren volgens professionele standaarden.
Op dit moment werk ik aan het wetsvoorstel voor een nieuwe Wmo. Om de kwaliteit te borgen van de maatschappelijke ondersteuning zal ik kwaliteitsnormen in het wetsvoorstel opnemen. Deze normen worden door betrokken veldpartijen nader uitgewerkt tot een gezamenlijk gedragen kwaliteitskader. Het Zorginstituut krijgt hierbij een wettelijke taak en de IGZ ziet toe op de naleving van het kwaliteitskader door de aanbieders.
Op grond van de huidige Wmo hebben gemeenten geen verantwoordelijkheid ten aanzien van lijfsgebonden zorg. Zij hebben op dit moment de taak om voor mensen die een beperking ervaren in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie voorzieningen te treffen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de betrokkene in staat stellen om een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. In de uitvoering van deze taak hebben gemeenten beleidsruimte in de wijze waarop ze hun burgers ondersteunen en leggen daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het inzetten van vrijwilligers en werkzoekenden kan onderdeel zijn van het lokale beleid om mensen te ondersteunen in hun participatie en zelfredzaamheid uit hoofde van de Wmo en tegelijkertijd werkzoekenden te activeren en ervaringen op te laten doen. Zo lang mensen hierbij geen activiteiten verrichten waarvoor zij niet gekwalificeerd zijn, is die aanpak niet in strijd met de geldende wet- en regelgeving.
Ik verwacht het wetsvoorstel voor een nieuwe Wmo in het najaar aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Daarna kan uw Kamer beoordelen of het wetsvoorstel voldoende waarborgen biedt voor het behoud van de kwaliteit van de ondersteuning na de uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor kwetsbare mensen.
Kunt u aangeven hoe u gaat voorkomen dat ontslagen thuiszorgmedewerkers straks hetzelfde werk gaan doen voor minder salaris?
In dat verband wijs ik u op artikel 10a Wmo op basis waarvan degene die in opdracht van het college van B en W huishoudelijke verzorging gaat verlenen aan personen die daarop aanspraak hebben, in overleg moet treden met degenen die vóór hem in opdracht van het college van B en W huishoudelijke verzorging hebben verleend over de overname van het betrokken personeel.
Het college van B en W ziet erop toe dat het hiervoor bedoelde overleg plaatsvindt. Indien personeel wordt overgenomen, dan wel na ontslag bij een andere werkgever in dienst treedt, kan het uiteraard voorkomen dat inpassing in het «nieuwe loongebouw» tot een lager salaris leidt.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten vrijwilligers en werklozen de taken van thuiszorgmedewerkers al overgenomen hebben en hoeveel werkloze thuiszorgmedewerkers al op deze manier ingezet worden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Gemeenten leggen aan hun gemeenteraad verantwoording af over de uitvoering van de Wmo. Het Rijk verzamelt hierover geen informatie.
Is dit de toekomst van de thuiszorg, verzorgd worden door vrijwilligers en werklozen? Zo nee, hoe gaat u dit nieuwe beleid dan aanpakken?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Het bericht dat het UWV te traag is met het uitbetalen van loon bij faillissementen in Noord-Holland |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «UWV te traag met uitbetalen»?1
Ik heb kennis genomen van het NOS-bericht. Een sterke stijging van het aantal faillissementen in de regio Noord Holland Noord heeft er helaas voor gezorgd dat UWV in totaal 500 faillissementsuitkeringen niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen uitkeren. UWV is daarom overgegaan tot het betalen van voorschotten op de faillissementsuitkeringen. Voorschotten worden vastgesteld op de te verwachten hoogte van de uitkeringen.
Kunt u bevestigen dat dit probleem alleen in Noord-Holland speelt en dat er in andere provincies dus geen sprake is van te traag uitbetalen door het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen)?
Dit probleem speelde eenmalig en alleen in Noord-Holland. Helaas is het aantal faillissementen de afgelopen jaren flink gestegen. Daar heeft UWV op geanticipeerd door extra personeel in te zetten op de afdelingen die de faillissementen afhandelen. In de regio Noord Holland Noord was echter sprake van een sterke stijging van het aantal aanvragen in een korte periode.
Kunt u bevestigen dat het in Noord-Holland zo’n 500 medewerkers betreft die te laat uitbetaald zullen worden?
Ja, het gaat om ongeveer 500 personen. Aan ongeveer de helft hiervan is uiterlijk vrijdag 16 augustus een voorschot uitgekeerd. De andere helft heeft in de week van 19 augustus een voorschot ontvangen.
Kunt u bevestigen dat deze 500 medewerkers op vrijdag 16 augustus de achterstallige betalingen zullen ontvangen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waardoor de achterstand bij het uitbetalen veroorzaakt is? Kunt u aangeven hoe ervoor wordt gezorgd dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
De achterstand bij het uitbetalen is ontstaan vanwege een onverwacht sterk stijgend aantal faillissementen in een korte periode. UWV zal in het vervolg nog beter aandacht besteden aan het signaleren van dergelijke grote stijgingen zodat vroegtijdig het benodigde extra personeel kan worden ingezet. Gezien de vervelende situatie die ontstaat voor betrokkenen die te laat een faillissementuitkering ontvangen, wordt op deze wijze gepoogd dit te voorkomen.
Hoe ziet u de problemen met te traag uitbetalen in het licht van de bezuinigingen op het UWV? Deelt u de mening dat door het inkrimpen van het personeelsbestand van het UWV van 18.500 arbeidsplaatsen in 2010 naar 14.500 arbeidsplaatsen in 2018, terwijl de werkloosheid blijft oplopen en het aantal faillissementen heel hoog is, zal zorgen voor onderbezetting en zal leiden tot nog meer problemen met uitbetalingen? Zo nee, waarom niet?
UWV staat voor een grote opgave, gezien de oplopende werkloosheid en de forse bezuinigingen. Bij de vaststelling van het meerjarige budget voor de uitvoeringskosten wordt echter rekening gehouden met de verwachte volumeontwikkelingen. Voor oplopende volumes krijgt UWV extra budget toegekend. De reguliere bezetting is van voldoende niveau om het werk aan te kunnen. Uitschieters worden opgevangen door over vestigingen heen het personeel uit te wisselen om regionale piekbelasting aan te kunnen.
Braille leesregels voor blinden en slechtzienden |
|
Renske Leijten (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat blinden en slechtzienden een braille leesregel alleen thuis (vergoed via de zorgverzekeraar) óf alleen op het werk (vergoed via het UWV) mogen gebruiken, en dat hierdoor een blinde of slechtziende met een arbeidsbetrekking altijd twee dure braille leesregels moet aanschaffen?1
Nee, dat is niet het geval.
Wat is de reden dat een braille leesregel – die tegenwoordig draadloos werkt en makkelijk is mee te nemen – niet op het werk èn in de privésituatie mag worden gebruikt? Kunt u dat toelichten?
Een braille leesregel die is verstrekt door de zorgverzekeraar mag zowel in de privé als de werksituatie worden gebruikt.
Bent u van mening dat er sprake is van verspilling door blinden en slechtzienden met een dienstbetrekking twee braille leesregels te laten aanschaffen, terwijl één braille leesregel voldoende is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregel gaat u treffen om ervoor te zorgen dat blinden en slechtzienden hun braille leesregel zowel op het werk als in de privésituatie mogen gebruiken?
Wanneer iemand uit de voeten kan met één braille leesregel, is het niet wenselijk dat verzekeraar en/of overheid er twee vergoeden. Als dat zou gebeuren, zou er sprake zijn van verspilling. Het UWV verstrekt daarom ook alleen dan een brailleleesregel, indien de door de zorgverzekeraar verstrekte leesregel niet geschikt is voor gebruik in de werksituatie en het UWV een specifiek voor die werksituatie geschikte brailleleesregel noodzakelijk vindt om een functie goed te kunnen uitoefenen.
Bent u bereid hierover met het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) en de zorgverzekeraars in overleg te treden om deze verspilling tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Gezien de antwoorden op de vragen 1 tot en met 3 is er geen reden om in overleg te treden.
Berichten inzake de verslechterende mensenrechtensituatie in Rusland in aanloop naar de Olympische Spelen van 2014 |
|
Michiel Servaes (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe interpreteert u de berichten over de verslechterende mensenrechtensituatie in Rusland in aanloop naar de Olympische Spelen van 2014?1 2 3
De ontwikkeling van de mensenrechtensituatie in Rusland baart het kabinet zorgen. Deze negatieve ontwikkeling is al enige tijd gaande. Op velerlei terrein (behandeling van NGO’s, Pussy Riot, arrestatie van politieke demonstranten etc.) wordt de vrijheid van Russische burgers om maatschappelijk actief te zijn, en voor hun opvattingen en seksuele geaardheid uit te komen, geleidelijk verder ingeperkt. De aanvaarding van de wetgeving betreffende een verbod op «propaganda onder minderjarigen voor niet-traditionele seksuele relaties» (de zogenoemde «anti-homopropagandawet») is de recentste stap in dat proces.
Deelt u de grote zorgen over de toenemende mate waarin in Rusland de rechten van LHBT’s4 en van mensen die voor hun rechten opkomen en die vrij hun mening willen uiten, worden geschonden? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd en welke concrete stappen bent u bereid te zetten, om ervoor zorg te dragen dat in breed Europees verband de schending van elementaire mensenrechten in Rusland, zoals onder andere de Russische LHBT-gemeenschap nu in steeds heviger mate ondervindt, structureel aan de kaak worden gesteld?
Nederland zal waar mogelijk zorgen kenbaar maken aan de Russische autoriteiten. Het is staand beleid dat Nederland, zowel in bilateraal- als multilateraal verband, autoriteiten van andere landen aanspreekt m.b.t. LHBT-kwesties. De mensenrechtensituatie wordt, juist ook in dit Nederland-Ruslandjaar, voortdurend aan de orde gesteld.
De door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) vastgestelde richtsnoeren voor gelijke rechten voor LHBT-personen («guidelines to promote and protect the enjoyment of all human rights by LGBTI persons») vormen het raamwerk voor de inzet van EU-delegaties en ambassades van de EU-lidstaten. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Ashton, heeft mede op verzoek van Nederland eerder dit jaar een verklaring afgegeven inzake de anti-homopropagandawet. De RBZ spreekt regelmatig over de ontwikkelingen in Rusland. Het kabinet zal in de RBZ in het najaar, die de voorbereiding van de halfjaarlijkse EU-Rusland Top ter hand zal nemen, de mensenrechtensituatie in Rusland in brede zin aan de orde stellen en bevorderen dat over de anti-homopropagandawet een gezamenlijk EU-standpunt zal worden ingenomen.
Deelt u de mening dat een persoonlijke uiting van iemands geaardheid of welke andere persoonlijke eigenschap dan ook, op geen enkele manier een politiek statement is en dat een dergelijke uiting niet in strijd is met het Olympic Charter, omdat het charter stelt dat discriminatie naar seksuele geaardheid op geen enkele wijze getolereerd zal worden? Kunt u dit toelichten?
Een persoonlijke uiting van iemands geaardheid, of welke andere persoonlijke eigenschap dan ook, is geen politiek statement, tenzij de persoon zelf expliciet aangeeft dat het dat wel is. Een persoonlijke uiting van iemands geaardheid is dan ook niet in strijd met het Olympisch Handvest. Wanneer de bedoelde uiting een proactieve protestactie of demonstratie is, kan het Internationaal Olympisch Comité bekijken in hoeverre er sprake is van een overtreding van de regel uit het Handvest die proactieve protestacties of demonstraties verbiedt.
Het opgezegde vertrouwen van de familieraad in de Raad van Bestuur van gehandicaptenzorginstelling NOVO |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de redenen van de familieraad van NOVO om het vertrouwen in de Raad van Bestuur op te zeggen? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik heb goed kennisgenomen van de motieven van de centrale familieraad om het vertrouwen in de Raad van Toezicht op te zeggen. Ik heb begrip voor de overwegingen van betrokkenen.
Deelt u het ongenoegen van de familieraad dat verbeteringen niet snel genoeg gaan, en dat de Raad van Bestuur de aard van het overlijden van een bewoner in een isoleercel bagatelliseert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb goed kennis genomen van de brief van de centrale familieraad. De familieraad onderbouwt in deze brief helder waarom het vertrouwen in de Raad van Bestuur wordt opgezegd. Over de inhoud van de afwegingen en uitspraken van de centrale familieraad wil ik geen uitspraak doen omdat dit primair een zaak is tussen de familieraad en de Raad van Bestuur. In antwoord op eerdere Kamervragen over dit onderwerp ben ik reeds ingegaan op het thema van «voldoende en veilige zorg».
Bent u het eens met de familieraad dat de huidige leiding van de zorginstelling niet «voldoende en veilige zorg biedt» aan familieleden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het een juiste gang van zaken dat de Raad van Bestuur pas drie maanden na het overlijden van een bewoner in een isoleercel de familieraad op de hoogte heeft gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoewel ik niet op de hoogte ben van de specifieke redenen of omstandigheden die er hiertoe hebben geleid dient een Raad van Bestuur bij incidenten of calamiteiten mijns inziens zo snel mogelijk de familieraad en cliëntenraad nader te informeren.
Welk gevoel krijgt u als u het interview leest met de bestuurders van NOVO? Krijgt u daar vertrouwen van?2
De bestuurders van NOVO erkennen in het interview dat de instelling tekort is geschoten in de zorgverlening. Ik ga er vooralsnog van uit dat de bestuurder en Raad van toezicht, gezien deze constatering, nu in goed overleg met alle betrokkenen ook snel stappen zullen nemen om de tekortkomingen zo snel mogelijk weg te nemen.
Erkent u dat het beeld ontstaat dat de top van NOVO er alles aan gedaan heeft om het overlijden van de bewoner in de isoleercel in een doofpot te stoppen? Zo neen, hoe verklaart u dan de defensieve houding in de media tot nu toe?
Bij mij ontstaat dat beeld niet. Dat zou ook niet kunnen gelet op het onderzoek van de Inspectie.
Vindt u ook dat er een rookgordijn rond de besluitvorming van de Raad van Bestuur hangt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, vindt u dit vertrouwenwekkend?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel kost de ingehuurde media-adviseur van zowel de Raad van Bestuur als de Raad van Toezicht?
Door wie de Raad van Bestuur en Raad van Toezicht van NOVO zich heeft laten adviseren over hun communicatie is primair een zaak van de bestuurders en toezichthouders. Wel constateer ik dat juist de tekortschietende communicatie voor de centrale familieraad aanleiding is geweest het vertrouwen in de bestuurders op te zeggen.
Vindt u het toepasselijk dat een en dezelfde media-adviseur voor zowel de Raad van Bestuur als de Raad van Toezicht werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Is het waar dat deze media-adviseur ook werkt voor de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en voor ouderenzorginstellingen die veel in het nieuws zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Vindt u het een juiste keuze van de top van NOVO dat hij zich versterkt voor communicatie met de media, terwijl deze juist mondjesmaat wil reageren op media-items?
Hoe oordeelt u over de Raad van Toezicht die het vertrouwen in de Raad van Bestuur behoudt, ook na het harde oordeel van de familieraad? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u van mening dat de Raad van Toezicht genoeg distantie heeft tot de Raad van Bestuur om het functioneren onafhankelijk te toetsen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen informatie over de overwegingen van de Raad van toezicht. Zie verder mijn antwoord op vraag 5.
Vindt u het in het belang van een zorginstelling dat bij opgezegd vertrouwen door verwanten en/of personeel de bestuurders dan gehandhaafd blijven?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid de bestuurders te laten vervangen, en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) de opdracht te geven de instelling te leiden tot er bestuurders zijn gevonden die wel het vertrouwen hebben van de familieraad? Zo neen, waarom niet?
Het is aan de Raad van Toezicht van een instelling om te beslissen om bestuurders al of niet te vervangen. Het is verder aan bestuurders en Raad van Toezicht om in overleg met familieraad, cliëntenraad en personeel het geschonden vertrouwen te herstellen. Inmiddels is één van de twee leden van de Raad van Bestuur afgetreden.
Wat vindt u van het inzicht van de Raad van Bestuur dat hij na de sluiting van de locatie Onnen aankondigt dat er een nieuw behandelcentrum geopend zal worden?3
Zie antwoord vraag 15.
Waarom heeft hetzelfde bestuur dit bericht drie maanden later in de media ontkend?4
Gegeven het feit dat gekozen is voor sluiting van de locatie Onnen, verwacht ik dat plannen voor een eventueel nieuw behandelcentrum zorgvuldig zullen worden voorbereid. Indien men een Bopz-aanmerking aanvraagt (tbv het verlenen van onvrijwillige zorg) zal de Inspectie vóóraf toetsen of de opzet van dat behandelcentrum voldoende waarborgen biedt voor veilige zorg van goede kwaliteit.
Wat was de analyse van NOVO om de behandellocatie in Onnen te sluiten, en op welke wijze is deze analyse betrokken bij de voornemens voor een nieuw behandelcentrum? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft NOVO binnen drie maanden geleerd van het strafregime, en wat vindt de IGZ hiervan?
De overwegingen van het bestuur op dit punt zijn mij niet bekend.
Is het waar dat in de behandelcentra van NOVO gewerkt wordt volgens «de regiemethode» waarmee het personeel na een korte training moet werken? Zo ja, hoe werkt dit precies? Zo neen, hoe wordt er dan gewerkt?
Op basis van het calamiteitenonderzoek van de IGZ is een verbeterplan opgesteld. De IGZ heeft de voortgang van dat verbeterplan op 12 maart 2013 getoetst. De raad van Bestuur had kennelijk eerst een andere inschatting van de risico’s. De Raad van Bestuur herkende zich aanvankelijk dan ook niet in de rapportage van de IGZ. De rapportage is tevens besproken met degenen die bij het onderzoek van de IGZ betrokken waren. Zij herkenden zich wel in de bevindingen zoals weergegeven in de rapportage. Daarop heeft de Raad van Bestuur besloten op 15 april 2013 de locatie te Onnen te sluiten.
Welke opleidings- en ervaringseisen gelden er voor het werken in een behandelcentrum? Welke eisen hanteert NOVO, en zijn deze naar uw mening voldoende? Kunt u uw antwoord toelichten?
NOVO heeft het Sociale Competentiemodel (dat stoelt op cognitieve gedragstherapeutische uitgangspunten) vertaald in wat NOVO het «regiemodel» noemt. In het regiemodel wordt de regie bij de start van de behandeling door de begeleiding helemaal overgenomen van de cliënt. Gekoppeld aan het groeiproces van de cliënt wordt de regie stukje bij beetje teruggegeven. Bij ongewenst gedrag krijgt de cliënt eerst een waarschuwing. Als de cliënt ongewenst gedrag blijft vertonen, krijgt de cliënt de keuze om zijn of haar gedrag te veranderen. Kiest de cliënt positief dan wordt de cliënt beloond. Volhardt de cliënt in zijn gedrag dan volgt een sanctie. Voor elke cliënt is er een beloningssysteem.
De medewerkers kregen een driedaagse training in het regiemodel. Daarna hebben zij door meelopen met een ervaren collega geleerd de theorie in de praktijk toe te passen. De medewerkers werden door de teamcoördinator gecoacht in de uitvoering van het regiemodel. Op uitnodiging van de teamcoördinator sloot de gedragsdeskundige of een collega van een andere behandeldiscipline aan bij een teamvergadering om uitleg te geven over een bepaald onderwerp. De gedragsdeskundige kon ook onderwerpen hiervoor aandragen. De arts verstandelijk gehandicapten werd incidenteel gevaagd om een klinische les te geven.
Is bekend waarom NOVO op de behandellocatie Onnen met de regiemethode werkte? Is deze methode erkend en toepasselijk voor de bewoners van die zorglocatie?
Er zijn geen algemene opleidings- en ervaringseisen voor het werken in een behandelcentrum. De IGZ hanteert als uitgangspunt dat de deskundigheid van het personeel aan moet sluiten bij de zorgvraag van de cliënten waarvoor zij verantwoordelijk zijn.
Welke betrokkenheid heeft de IGZ bij het staken van de regiemethode?
Nee, dat is mij niet bekend. Dat geldt ook voor de vraag in hoeverre deze methode voor deze bewoners «erkend» is. De Inspectie geeft aan dat voor deze bewoners deze methode niet juist is vanwege het sterk beheersmatige karakter waarmee het model werd uitgevoerd.
Waar wordt de regiemethode nog meer toegepast, en is uw oordeel dat dit nog wenselijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De IGZ rapportage over het onderzoek naar de calamiteit en het IGZ-rapport over de algemene situatie in de locatie Onnen hebben geleid tot sluiting van de locatie en daarmee het staken van de regiemethode. Zie verder mijn antwoord op vraag 18.
Erkent u dat het voor gehandicaptenzorginstellingen erg lucratief is om mensen in een behandelregime te hebben, omdat deze meer geld oplevert dan een indicatie waarbij daar geen sprake van is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het regiemodel is gebaseerd op het Sociale Competentiemodel dat weer gebaseerd is op algemene cognitief gedragstherapeutische uitgangspunten. Veel behandelingen zijn gebaseerd op deze cognitief gedragstherapeutische uitgangspunten en wanneer deze op de juiste wijze worden toegepast kan de behandeling tot goede resultaten leiden. Methode, werkwijze en uitvoering moeten dan ook onderscheiden worden. Een slechte uitvoering van een goede, en voor de situatie correct gekozen en bewezen effectieve methode, kan dan alsnog tot negatieve resultaten leiden.
Ik kan niet aangeven welke organisaties met het door NOVO genoemde «regiemodel» werken. Allereerst omdat dit niet geregistreerd wordt, maar ook omdat de benamingen van op bepaalde methodes gebaseerde modellen en werkwijzen nogal kunnen verschillen.
Kunt u waarborgen dat er geen nieuwe behandellocatie door NOVO wordt geopend tot de kwaliteit op orde is, en het overlijden van de bewoner in de isoleercel geheel is opgehelderd? Zo neen, waarom niet?
Nee, want er is sprake van een kostenconforme bekostiging in de zorg. Een behandelregime vergt ook hoger geschoold en duurder personeel en soms ook intensievere zorg. Een behandelregime levert dus gemiddeld genomen een hoger tarief op maar daar staan ook hogere kosten tegenover.
Waarom spreken de bestuurders uit dat de overleden bewoner op een verkeerde plek zat? Wie heeft dat laten gebeuren? Welke expertise is er bij betrokken geweest om een goede plek voor haar te zoeken? Kunt u een overzicht geven wat de instelling heeft ondernomen om voor bewoner Roelie wel een goede plek te zoeken?5
Zie mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u uitleggen waarom het personeel, dat op de fatale avond waarop bewoner Roelie in de isoleercel was gewerkt, de politie bereid had gevonden om Roelie een nachtje in de cel te laten «afkoelen»?
Ik neem aan dat de bestuurders deze uitspraak deden op grond van het feit dat de desbetreffende behandellocatie van NOVO onvoldoende was toegerust om de overleden bewoner adequate zorg te verlenen. Omdat dit inzicht is ontstaan na haar overlijden, ga ik er van uit dat eerder niet (of althans niet om deze reden) is gezocht naar een passende plek voor de bewoner.
Kunt u aangeven op welke grond Roelie is opgepakt en vastgezet? Is dit een geoorloofde procedure? Kunt u hier uitleg over geven?6
Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft aangegeven dat de bij vraag 28 en 29 genoemde gang van zaken niet binnen de in vraag 31 verzochte termijn kon worden geverifieerd. Zie verder bij vraag 30.
Hoe vaak overnacht een zorgbehoevende in de cel omdat de zorginstelling onmachtig is om iemand te kalmeren en zorg te bieden? Bent u bereid uit te zoeken hoe vaak dit voorkomt?
Zie antwoord vraag 28.
Kunt u deze vragen voor 3 september 2013 beantwoorden?
Van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heb ik vernomen dat dit niet als zodanig wordt geregistreerd door de politie. Het beleid van de politie is er juist op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat een zorgbehoevende in een politiecel belandt. Politie en zorginstellingen werken daarbij ook samen.
De dreigende uitlevering van de heer K. aan Turkije |
|
Jan de Wit (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de heer K.1 uitgeleverd dreigt te worden aan Turkije? Zo ja, vindt u dit verantwoord, gelet op zijn uiterst slechte medische toestand?
De uitleveringsprocedure ten aanzien van betrokkene is inmiddels afgerond. Zijn uitlevering is door de rechter toelaatbaar verklaard en is door mij toegestaan. Ik zie vooralsnog geen reden die beslissing te heroverwegen. De uitlevering is weliswaar in alle (rechterlijke) instanties toegestaan, maar de feitelijke uitlevering zal niet eerder ter hand worden genomen dan nadat ik mij ervan vergewist heb dat de gevolgen daarvan voor betrokkene niet van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met zijn slechte gezondheidstoestand. Aangezien informatie over de gezondheidstoestand van betrokkene daartoe aanleiding gaf, heb ik gedurende de uitleveringsprocedure meerdere malen advies opgevraagd bij de Medisch Adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Op 19 augustus ontving ik het meest recente advies. Ik kan over de inhoud daarvan geen mededelingen doen, behalve dat ik er aanleiding in heb gezien om in overleg te treden met de Turkse autoriteiten over de wijze waarop een eventuele uitlevering zal plaatsvinden en over de zorg die dan door Turkije zal worden geboden.
Welke specifieke garanties heeft Turkije gegeven ten aanzien van de te bieden medische zorg na een eventuele uitlevering aan de heer K., die een uitzonderlijk en complex gezondheidsprobleem heeft? Welke waarborgen zijn er door de Turkse autoriteiten gegeven dat men in Turkije deze zorg ook daadwerkelijk kan en zal bieden?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de uitlevering van de heer K. te heroverwegen? Zo nee, waarom niet en bent u dan tenminste bereid specifieke garanties aan Turkije te vragen dat de juiste en noodzakelijke zorg zal worden geboden en de (gezondheids)situatie van de heer K. na een eventuele uitlevering ook daadwerkelijk te volgen?
Zie antwoord vraag 1.