De maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de vervuiler betaalt»?
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand nationaal PFAS-verbod? Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van natuur en mens steeds groter worden?
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten, zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening verder oploopt voor toekomstige generaties?
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming langer duurt?
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten, ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan, terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven? Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
Klopt het dat de gemeente Lochem omwonenden en ondernemers rond het geplande asielzoekerscentrum (azc) € 1.000 wil geven om hun «gevoel van veiligheid en leefbaarheid» te vergroten?1
Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de gemeente Lochem heeft een conceptsubsidieregeling voorgesteld waarop omwonenden en ondernemers tot medio maart kunnen reageren. Er is nog geen definitief besluit genomen, op basis van inspraak bepaalt het college de definitieve regeling. Het voorstel voor de financiële tegemoetkoming voor omwonenden is een regeling van de gemeente waarbij het Ministerie van Justitie en Veiligheid niet betrokken is.
Bent u het eens met de stelling dat veiligheid geen taak is van burgers, maar van de overheid en dus de verantwoordelijkheid van de burgemeester?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, het Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De burgemeester en het OM voeren daarover binnen de lokale driehoek overleg met de politie.
Erkent u dat dit voorstel een impliciete erkenning is dat de komst van het azc grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengt die de gemeente schijnbaar niet onder controle heeft? Zo nee, waarom niet?
Het voorstel betreft een autonome, lokale keuze van het college. De toelichting en motivering van deze lokale subsidieregeling zijn aan de gemeente.
Bent u het eens met de stelling dat dit azc er dan nooit mag komen, omdat de veiligheid van de inwoners op één moet staan?
De veiligheid van inwoners heeft prioriteit en de veiligheidssituatie wordt continu gemonitord en indien nodig wordt direct opgetreden om de veiligheid van bewoners en omwonenden te borgen. Er zijn op dit moment geen incidenten bekend bij de gemeente Lochem met betrekking tot de huidige opvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV’ers) en er is geen aanleiding om van de komst van het azc af te zien.
Bent u bereidt een streep door de komst van dit azc te zetten? Zo nee, bent u bereid om desnoods, in overleg met de Minister van Defensie, militairen in te zetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 4 is dit niet aan de orde. Er zijn geen incidenten bekend met betrekking tot de huidige opvanglocatie.
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
Het bericht dat de NAVO-troepen niet voorbereid zijn op de toekomst van oorlogsvoering |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Wall Street Journal getiteld «NATO Has Seen the Future and Is Unprepared», waarin op basis van een simulatie van drone-oorlogsvoering wordt geconcludeerd dat de NAVO onvoldoende lessen heeft getrokken uit de oorlog in Oekraïne?1
Ja.
Bent u van mening dat de Nederlandse troepen voldoende getraind en uitgerust zijn om een grote confrontatie effectief aan te gaan?
Bij opleiding en training van Nederlandse militairen wordt de realiteit zo goed mogelijk benaderd. Defensie past haar opleidings- en trainingsconcepten daarbij continu aan op basis van actuele ontwikkelingen, waarbij onder meer aandacht is voor het vergroten van technologische en digitale vaardigheden en het versterken van de inzetbaarheid van personeel in een snel veranderende operationele omgeving.
Beschikt de Nederlandse krijgsmacht op grote schaal over kamikaze-FPV-drones die niet alleen geschikt zijn voor surveillance, maar ook voor directe aanvallen, zoals deze worden ingezet door zowel Russische als Oekraïense strijdkrachten?
Defensie volgt de ontwikkelingen rond de inzet van onbemenste systemen in Oekraïne nauwgezet en doet daar haar voordeel mee bij de inrichting van de krijgsmacht en de wijze waarop de krijgsmacht optreedt. Zo breidt de Koninklijke Landmacht uit met honderden dronefuncties binnen de gevechtseenheden. Op 1 april werd dit officieel bekend gemaakt op de Drone dag in Oirschot. Daarnaast werkt Defensie nauw samen met Nederlandse bedrijven en kennisorganisaties. Defensie beproeft de procedures rondom het veilige en effectieve gebruik van bewapende onbemenste systemen en de bescherming daartegen. Om operationele en veiligheidsredenen doet Defensie geen openbare uitspraak over de aanschaf van specifieke typen systemen.
Beschikt de Nederlandse krijgsmacht over drones met fiber-optische verbindingen, zoals die in de oorlog tussen Rusland en Oekraïne worden gebruikt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke samenwerkingsverbanden bestaan er met Oekraïne dan wel andere NAVO-partnerlanden om geavanceerde technologieën, zoals fiber-optische drones en FPV-kamikazedrones, te integreren in de Nederlandse krijgsmacht en wat is de concrete planning en tijdlijn voor deze integratie?
Nederland monitort en integreert de geleerde lessen uit Oekraïne. Voor de integratie van geavanceerde technologieën, zoals drones, werkt Nederland nauw samen met Oekraïne en NAVO-partners. Nederland neemt deel aan de drone capability coalition binnen de Ukraine Defence Contact Group. Dit samenwerkingsverband is opgericht om Oekraïne uit te rusten met drones en tegelijkertijd de defensie-industrie van Oekraïne en partnerlanden te versterken. Inmiddels zijn meer dan 20 partnerlanden aangesloten bij het initiatief. Dit bevordert de interoperabiliteit, innovatie en kennisdeling tussen partners. Daarnaast hebben Nederland en Oekraïne ter versterking van de industrie in december 2025 een overeenkomst ondertekend voor de gezamenlijke productie van systemen.
In NAVO-verband worden lessen uit de oorlog in Oekraïne via het JATEC (Joint Analysis, Training and Education Centre) gedeeld. Binnen dit centrum worden operationele ervaringen geanalyseerd en vertaald naar concrete toepassingen voor NAVO-bondgenoten, zoals aangepaste doctrine, vernieuwde trainingsprogramma’s en gerichte capaciteitsontwikkeling.
In EU-verband is Nederland co-lead nation voor de Priority Capability Area (PCA) Drones en counter-drone systemen, waar Oekraïne als deelnemer aan de Coordination Group bijeenkomsten actief bij betrokken is.
De ontwikkelingen rondom geavanceerde technologieën gaan snel. De implementatie en integratie van deze systemen in het materieel van de krijgsmacht vormen daarom een continu en adaptief proces, waarbij steeds wordt ingespeeld op nieuwe operationele inzichten en technologische vooruitgang.
Op welke wijze wordt de opleiding en training van Nederlandse militairen aangepast aan de realiteit van moderne drone-oorlogsvoering, inclusief electronic warfare en jamming-technieken, teneinde te voorkomen dat Nederlandse eenheden in een reëel conflict op grote schaal worden uitgeschakeld, zoals gesimuleerd in recente NAVO-oefeningen?
Bij opleiding en training van Nederlandse militairen wordt de realiteit zo goed mogelijk benaderd. Op welke wijze we dit doen communiceren we niet openbaar om ons personeel te beschermen. Defensie past haar opleidings- en trainingsconcepten daarbij continu aan op basis van actuele kennis en ontwikkelingen, waarbij onder meer aandacht is voor het vergroten van technologische en digitale vaardigheden en het versterken van de inzetbaarheid van personeel in een snel veranderende operationele omgeving.
Over de specifieke knelpunten bij het oefenen met drones, inclusief bijbehorende respons vanuit defensie, bent u reeds geïnformeerd met de Kamerbrief van 23 maart jl.
Welke concrete maatregelen treft u om te waarborgen dat Nederland en de NAVO wel voorbereid zijn en standhouden in een scenario dat geschetst is tijdens de oefening Hedgehog 2025 in Estland?
Zie antwoord vraag 6. In aanvulling daarop investeren we in modern materieel en passen we onze processen en procedures voortdurend aan. Daarnaast wordt ingezet op het versterken van het lerend vermogen van de organisatie, waarbij lessen uit actuele conflicten en oefeningen worden vertaald naar aanpassingen in opleiding, doctrine, training en personeelsbeleid.
De miljoenen euro’s aan dwangsommen die worden uitgekeerd aan asielzoekers |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van NOS van 14 januari jl., waaruit blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2024 in totaal 36,8 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitgekeerd aan asielzoekers?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor miljoenen euro’s aan dwangsommen worden uitgekeerd aan asielzoekers en dat deze dwangsommen per zaak kunnen oplopen tot 37.000 euro?
Het is onwenselijk dat de kosten oplopen. Daarnaast is de lange wachttijd onwenselijk vanuit het perspectief van de aanvrager die recht heeft op tijdige behandeling van zijn of haar aanvraag.
De IND geeft bovendien aan dat dwangsomprocedures het proces niet bespoedigen. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De maatregel kan direct na inwerkingtreding van de wet geïmplementeerd worden. Tot die tijd geef ik uitvoering aan bestaande wetgeving en daaruit volgende rechterlijke uitspraken.
Hoeveel heeft de IND in 2025 uitgekeerd aan dwangsommen en wat was het maximum per zaak?
De IND heeft in 2025 in totaal2 79 miljoen euro aan dwangsommen betaald. Het maximum per zaak is afhankelijk van de vraag of de vreemdeling wel of geen (opvolgend) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom op basis van ingebrekestelling (zonder tussenkomst van de rechter) moet uitbetalen3, bedraagt dit maximaal € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen die binnen de rechtspraak zijn afgesproken4.
Wanneer na een eerdere uitspraak (Beroep Niet Tijdig Beslissen – BNTB) nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat asielzoekers tienduizenden euro’s kunnen ontvangen via dwangsommen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 is het onwenselijk dat asielzoekers te maken hebben met lange wachttijden en draagt dit bij aan de inzet tot het afschaffen van de rechterlijke dwangsom.
Het gevolg daarvan is dat IND in gebreke kan worden gesteld en dat een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Dit draagt niet bij aan het verkorten van de wachttijden en heeft oplopende kosten tot gevolg. De IND werkt hard aan het verminderen van de wachttijden en daarmee het beperken van de oplopende kosten.
Deelt u de opvatting, van zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de dwangsomregeling is bedoeld als bestuurlijke prikkel voor tijdige besluitvorming en niet als financiële tegemoetkoming of inkomensbron voor asielzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik volg de lijn van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026.
Deelt u de mening van de indiener dat de huidige dwangsomregeling een perverse prikkel kan vormen, waarbij het voor asielzoekers aantrekkelijk wordt om hun procedure zo veel mogelijk te dwarsbomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Op het moment dat aanvragers niet meewerken aan hun procedure kan dit reden tot afwijzing zijn. Gevallen waarbij de aanvrager de procedure vertraagt om een dwangsom te verbeuren zijn mij niet bekend. Indien dit zich wel zou voordoen kan de IND het besluit en daarmee de dwangsom onder (bij wet) bepaalde voorwaarden, zoals overmacht, toerekening of instemming opschorten.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen aan asielzoekers af te schaffen of in elk geval te verlagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen niet langer uit te keren aan asielzoekers, maar aan werkende Nederlanders in de vorm van een jaarlijkse belastingkorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een onderzoek naar de vraag of een dergelijke handelwijze (juridisch) haalbaar is bevindt zich buiten mijn beleidsterrein. Daarnaast ligt het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen ter behandeling voor bij de Eerste Kamer.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De mogelijke arrestatie van een Nederlandse staatsburger in Syrië |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat een Nederlandse staatsburger, genaamd Max van den Berg, zich momenteel in Syrië bevindt en daar mogelijk is gearresteerd door lokale autoriteiten?
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat deze persoon daadwerkelijk is gearresteerd, en zo ja, door welke autoriteit, op welke grond en op welke locatie? Indien dit nog niet is vastgesteld: welke concrete stappen zijn sinds het bekend worden van deze berichten ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen over zijn verblijfplaats en status?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen vanwege de privacy van betrokkene(n).
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt doorgaans geïnformeerd over de detentie van Nederlanders in het buitenland via de lokale autoriteiten. Bij het uitblijven daarvan, ondanks concrete signalen die wijzen op de detentie van een Nederlander in het buitenland, verzoekt het ministerie zelf om informatie bij de lokale autoriteiten, die deze bij instemming van betrokkene dienen te overhandigen.
Welke informatie is u bekend over de detentieomstandigheden (zoals medische zorg, rechtsbijstand, contact met de buitenwereld en risico op foltering of onmenselijke behandeling) indien betrokkene in Syrië wordt vastgehouden?
In algemene zin is er beperkte informatie beschikbaar over de omstandigheden in detentiecentra in Syrië. Openbare bronnen beschrijven dat de situatie na de val van Assad nog steeds problematisch is, met ernstige tekortkomingen in voedsel, medische zorg, hygiëne en rechtsbescherming. Ook zijn risico’s op mishandeling en inhumane behandeling gedocumenteerd door EU- en VN-rapporten als onderdeel van structurele problemen in het Syrische detentiesysteem, ook onder de Syrische overgangsautoriteiten.1
Erkent u dat de Staat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft tegenover personen met de Nederlandse nationaliteit, ook als de Staat geen rechtsmacht heeft? Hoe geeft u invulling aan deze verantwoordelijkheid?
Het kabinet erkent dat de Staat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft tegenover personen met de Nederlandse nationaliteit. Deze verantwoordelijkheid geldt ook, zij het op een andere wijze en in mindere mate, in landen waar de Staat geen rechtsmacht heeft. Het kabinet geeft onder andere invulling aan deze verantwoordelijkheid middels het verlenen van consulaire bijstand aan Nederlanders in het buitenland waar gewenst en mogelijk.
Erkent u dat, indien de mensenrechten van een Nederlandse staatsburger worden geschonden, of dreigen te worden geschonden, daaruit kan voortvloeien dat de Staat een inspanningsverplichting heeft om deze schending of dreigende schending te beëindigen of af te wenden? Erkent u dat, naarmate de belangen die in het geding zijn zwaarder wegen, van de Staat meer mag worden verwacht? Wat is daarover, in deze concrete zaak, uw oordeel?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 4.
In algemene zin gaat het kabinet uit van de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders in het buitenland. Zo is het de eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders om zich goed te informeren over de risico’s in het buitenland en zich voor te bereiden op hun reis. Bij een consulair hulpverzoek kijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken vervolgens naar de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Daarbij geldt dat de mogelijkheden voor het verlenen van consulaire bijstand in Syrië zeer beperkt zijn. De kleurcode van het reisadvies voor Syrië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is rood. Dat betekent dat Nederlanders wordt geadviseerd om niet naar Syrië te reizen, ongeacht de situatie. Ook staat in het reisadvies vermeld dat de Nederlandse ambassade in Syrië is gesloten en niet kan helpen als Nederlanders in de problemen komen.
Welke vormen van (consulaire) bijstand zijn in de praktijk mogelijk wanneer er geen (volwaardige) diplomatieke betrekkingen bestaan?
Bij een consulair hulpverzoek kijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
In landen of gebieden waar Nederland geen diplomatieke contacten met de lokale autoriteiten heeft of geen (consulaire) vertegenwoordiging heeft, zijn de mogelijkheden tot het verlenen van consulaire bijstand beperkt. Het is in dat geval soms mogelijk dat Nederlanders consulaire bijstand kunnen ontvangen van een andere lidstaat van de Europese Unie die wel een diplomatieke vertegenwoordiging heeft in het betreffende land of gebied, op dezelfde wijze als waarop onderdanen van die lidstaat consulaire bijstand zouden ontvangen. In geval van detentie, kan dat bijvoorbeeld gedetineerdenbezoek omvatten.
Bent u bereid om alle mogelijke inspanningen te leveren om in dit geval de nodige bijstand te verlenen, bijvoorbeeld via derde staten, internationale organisaties of multilaterale kanalen? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin zet het kabinet zich in om desgewenst consulaire bijstand te verlenen aan alle Nederlanders in het buitenland volgens de bestaande consulaire praktijk. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 6.
Kunt u deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden?
De F-35 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Is het technisch mogelijk een F-35, net zoals een iPhone, te «jailbreaken»? Zo nee, waarom zegt u dit dan?
De uitspraak van de vorige Staatssecretaris van Defensie was een reactie in een gesprek over een zeer onwaarschijnlijke en ongewenste situatie, en moet in de bredere context van het interview worden geplaatst. De vorige Staatssecretaris heeft niet gepleit voor het schenden van de ondertekende F-35 overeenkomsten. Nederland blijft het F-35 programma onverminderd steunen. Het kabinet hecht groot belang aan voortzetting van de nauwe samenwerking en onderlinge vertrouwensband met de Verenigde Staten en andere partners binnen het F-35 programma.
Laten de contracten die met de Verenigde Staten zijn getekend in verband met de aankoop van de F-35 door Nederland een «jailbreak» toe?
Zie antwoord vraag 1.
Is het kabinet bereid, zoals u stelt, eventueel tot een «jailbreak» van de F-35 over te gaan?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er, voor zover bij het kabinet bekend, Nederlandse oud-militairen (veteranen) die op contractbasis voor Oekraïne (in de F-16) gevechtsmissies vliegen?
Het kabinet doet geen uitspraken over de berichtgeving omtrent Nederlandse vliegers die actief zijn in Oekraïne. Het kabinet heeft sinds het uitbreken van de oorlog meermaals aangegeven dat het onverstandig is om naar Oekraïne af te reizen en mee te vechten. Het kabinet kan echter geen beperkingen opleggen aan de bewegingsvrijheid van Nederlanders die dit op eigen initiatief doen. Tevens geldt er een negatief reisadvies voor geheel Oekraïne. Tot slot benadrukt het kabinet dat deze personen op geen enkele wijze Nederland vertegenwoordigen in de eventuele gevechtshandelingen die zij ondernemen.
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.
Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.
Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.
Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.
Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7
De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Ja.
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud en context en vergt juridische beoordeling.
Het Openbaar Ministerie beslist over het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Ik kan het OM dus geen opdracht geven om tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht te verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning. Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf.
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat de Stichting Migreat vanaf 1 januari 2022 de ANBI-status heeft. Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën2 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kan worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.3 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.4 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets. Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. De Belastingdienst verkrijgt die informatie niet automatisch, maar is daarvoor afhankelijk van partijen zoals het OM en de FIOD. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.5 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Zoals in het antwoord op 3 en 4 is toegelicht is het neutrale karakter een belangrijke eigenschap van de ANBI-regeling. Daardoor hebben instellingen de vrijheid om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen. Zo kan bijvoorbeeld zowel een «pro-migratiedoelstelling» als een «anti-migratiedoelstelling» onder dezelfde voorwaarden als algemeen nuttig worden gezien. Het kabinet is niet voornemens hierin een wijziging aan te brengen.
Wel wordt de vrijheid voor ANBI’s om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen begrensd door de voor iedereen – en dus ook voor ANBI’s – geldende wet- en regelgeving. Een overtreding van deze geldende wet- en regelgeving kan echter pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.6
Het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst?1
Het Ziekenhuis van Alrijne heeft patiënten die op de wachtlijst staan voor oogcontroles laten weten dat de wachtlijsten erg lang zijn en dat zij voorlopig niet bij het Ziekenhuis van Alrijne terecht kunnen. Zij vragen patiënten na te denken over andere oog-zorgverleners, bijvoorbeeld zelfstandige behandelcentra. In één van deze zelfstandige behandelcentra zijn oogartsen werkzaam die ook in het Ziekenhuis van Alrijne werken.
De komende jaren zullen mensen in toenemende mate een beroep doen op de zorg zonder dat het aantal zorgprofessionals in dezelfde mate meegroeit. Om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden, moet de zorg slimmer worden georganiseerd. In de regio moeten partijen daarom samenwerken en afspraken maken over het toekomstbestendig inrichten van de zorg. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden. Om dit te realiseren focust het Ziekenhuis van Alrijne zich op (hoog)complexe oogzorg. Patiënten die minder complexe zorg nodig hebben, kunnen vaak sneller terecht bij andere oog-zorgverleners. Deze manier van organiseren draagt bij aan de toegankelijkheid voor zowel de (hoog)complexe oogzorg, als de reguliere oogcontroles.
Deelt u de analyse dat de opkomst van privéklinieken vooral zorgt voor verplaatsing van ziekenhuiszorg naar commerciële zorg?
Het medisch-specialistische zorglandschap is in ontwikkeling. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en innovatief te houden. Het kabinet signaleert echter ook bepaalde risico’s in de ontwikkeling van het medisch-specialistische zorglandschap. Om deze reden is in het coalitieakkoord afgesproken om te werken aan een gelijker speelveld tussen ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Daarnaast is er in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Ook werkt het kabinet samen met partijen aan een eerlijk speelveld binnen de AZWA-afspraak E4 «We zorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert».
Tegen deze achtergrond heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) recent een advies over prestatiedifferentiatie in de medisch specialistische zorg2 opgeleverd en werkt Gupta Strategists in opdracht van de Nederlandse Zorgautoriteit aan een feitenbasis om de problemen kwalitatief en kwantitatief te duiden.
Het kabinet wil het rapport van de Nederlandse Zorgautoriteit en de feitenbasis die wordt uitgewerkt door Gupta Strategists afwachten. Het kabinet verwacht de Kamer in het tweede kwartaal van 2026 te informeren over de vervolgstappen.
Hoe kan het dat oogartsen van het Alrijne ziekenhuis geen tijd hebben om controles in hun eigen ziekenhuis uit te voeren, maar wel om dezelfde controles uit te voeren in een commerciële privékliniek?
De oogartsen van het Ziekenhuis van Alrijne zijn gecontracteerd voor een vast aantal uur door het ziekenhuis. Het staat oogartsen vrij om naast deze uren oogzorg te leveren bij andere aanbieders. Het is aan de zorgverzekeraars en het Ziekenhuis van Alrijne om afspraken te maken over de capaciteit van oogzorg. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat patiënten uit Alphen aan den Rijn nu vaker moeten reizen naar artsen die ook voor het ziekenhuis met een vestiging in hun eigen woonplaats werken?
Verder reizen voor een behandeling kan voor patiënten vervelend en belastend zijn, maar is soms nodig om de kwaliteit of de toegankelijkheid van zorg te kunnen borgen. Voorheen konden patiënten voor oogzorg ook niet altijd op de locatie Alphen aan den Rijn van het Ziekenhuis van Alrijne terecht. Het Ziekenhuis van Alrijne heeft aangegeven dat de inzet is deze reisbewegingen voor patiënten zo beperkt mogelijk te houden.
Wat betekent het verplaatsen van deze niet-complexe zorg naar privéklinieken voor de financiële positie van het Alrijne Ziekenhuis?
Volgens het Ziekenhuis van Alrijne is de financiële impact beperkt. De ruimte die ontstaat in de afspraken met zorgverzekeraars wordt opgevuld met tweedelijnszorg die moet plaatsvinden in een ziekenhuis.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het Alrijne Ziekenhuis om te voorkomen dat deze zorg wordt verplaatst naar de commerciële privéklinieken?
Het kabinet ziet geen reden om in gesprek te gaan met het Ziekenhuis van Alrijne. Het ziekenhuis heeft zelf een verantwoordelijkheid om patiënten te helpen. Het ziekenhuis kan met zorgverzekeraars afspraken maken over prioriteiten en wachtlijsten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht. Dit betekent dat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot zorg uit het basispakket. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit controleert of zorgverzekeraars zich hieraan houden.
Deelt u de mening dat het een zorgwekkende ontwikkeling is dat steeds meer zorg wordt verplaatst van ziekenhuizen naar op winst gerichte klinieken, zeker gezien er tegelijkertijd bezuinigd wordt op de zorg omdat de zorg te duur zou worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven bij antwoord 2 werkt het kabinet aan het realiseren van een gelijker speelveld voor ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Ook is in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Daarnaast wil het kabinet benadrukken dat er in de zorg geen plek is voor zorgaanbieders of investeerders die puur en alleen in de zorg actief zijn voor financieel gewin. Financiële belangen mogen nooit ten koste gaan van het bieden van passende zorg aan de patiënt. Daarom werkt het kabinet aan het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In de Wibz is onder andere opgenomen dat aanbieders alleen onder voorwaarden winst mogen uitkeren. De NZa krijgt de bevoegdheid om op hierop toe te zien en waar nodig te handhaven.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Binnen het kabinet is de Staatssecretaris van KGG coördinerend bewindspersoon als het gaat om Moerdijk. Ikzelf heb mij met de collega’s van IenW en KGG, die verantwoordelijk zijn voor de beleidsterreinen die leiden tot deze ingrijpende ruimtelijke inpassing, ook laten informeren over de situatie en ontwikkelingen in dit gebied. Ik begrijp de behoefte van inwoners en ondernemers in Moerdijk aan duidelijkheid goed. Het is belangrijk dat die duidelijkheid zo snel mogelijk wordt geboden. Ik zal mij ervoor inzetten om samen met het kabinet de benodigde keuzes te maken en vervolgens, in overleg met de gemeenten en de provincie – die hierin een belangrijke rol spelen – tot overeenstemming komen. De duidelijkheid waar bewoners behoefte aan hebben, vraagt om een robuuste en toekomstbestendige keuze die standhoudt. De Staatssecretaris van KGG heeft in dat kader onlangs een werkbezoek gebracht aan Moerdijk.
Vanuit het Rijk, de provincie en gemeente, willen wij duidelijkheid bieden over de voorkeursrichting, de bijbehorende toekomst van het dorp en de te volgen procedure. Het is ons voornemen om in juni van dit jaar samen met provincie en gemeenten de voorkeursrichting voor de uitbreidingsactiviteiten van de haven en de noodzakelijke energie-infrastructuur te bepalen. Het is begrijpelijk dat er in de tussentijd vragen blijven bestaan. Wij blijven daarom uiteraard via de dorpstafel in gesprek met de inwoners van Moerdijk.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Het energie-intensieve industriecluster Moerdijk is, samen met andere energie-intensieve industrieclusters, in de Ontwerp-Nota Ruimte aangewezen als van nationaal belang. In het coalitieakkoord is daarnaast vastgelegd dat voor deze clusters een nationale ruimtelijkeconomische strategie wordt ontwikkeld. Deze clusters zijn van groot belang vanwege hun rol in het nationale energiesysteem en hun bijdrage aan een toekomstbestendige economie en strategische autonomie. Rondom het haven- en industriecluster Moerdijk komen een aantal belangrijke energieprojecten van nationaal belang samen, die noodzakelijk zijn voor de duurzame energievoorziening van Nederland. Deze projecten zorgen voor duurzame energie voor woningbouw, ziekenhuizen, scholen, bedrijven en andere belangrijke voorzieningen in de regio en de rest van Nederland. Zonder deze projecten kunnen deze voorzieningen niet voorzien worden van stroom en andere energiebronnen. Tegelijkertijd nemen we, in bredere zin voor heel Nederland, de kwaliteit van de leefomgeving als uitgangspunt bij alle keuzes die we maken. Maar bij keuzes betekent dat soms ook dat er effecten kunnen optreden die niet voorkomen kunnen worden, gemitigeerd of – indien onvermijdelijk – geaccepteerd moeten worden. De impact op de omgeving wordt nadrukkelijk meegewogen in de besluitvorming over de strategische uitbreiding van de energie-intensieve industrieclusters.
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Dit is nog niet besloten. Nadat een voorkeursrichting is bepaald kan dit nader worden uitgewerkt op basis van de uitgangspunten die daarbij vastgesteld worden.
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
De inhoud van het raadsbesluit is bekend en past bij de uitkomsten van onderzoeken zoals verwoord in het besluit van het bestuurlijk overleg op 1 december 2025. «De analyses ten aanzien van verschillende perspectieven laten zien dat de oostelijke richting de meest logische kenmerken heeft voor een uitbreiding van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en voor een toekomstbestendig werkend systeem van haven en infrastructuur. Deze onderzoeken laten tevens zien dat de zuidoostelijke richting minder aansluit bij de behoefte aan multimodale ontsluiting en een aantal belangrijke infrastructurele werken en projecten doorkruist, waaronder buisleidingen, spoorlijnen en snelwegen. Bij de zuidoostelijke richting wordt de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen en voor meer inwoners aangetast en deze belemmert de ontwikkeling van de gemeente aan deze zijden. Het dorp Moerdijk raakt ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt.»
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
De amendementen zijn bekend. Het principe in de amendementen om bij een te nemen besluit over een voorkeursrichting ook een besluit te nemen over rechtvaardige condities en randvoorwaarden ondersteunt het Rijk. Het pakket wordt nog nader uitgewerkt, waardoor op dit moment nog niet gezegd kan worden of en welke amendementen onderdeel zullen zijn van de aanpak en of en hoe de verschillende condities kunnen worden ingevuld.
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Zie antwoord vraag 8.
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Dat we goed moeten zorgen voor de inwoners en ondernemers in het dorp is voor alle betrokken overheden een van de belangrijkste uitgangspunten bij het nemen van een beslissing over de toekomst van het dorp Moerdijk. Hier kunnen we op dit moment nog geen uitspraken over doen.
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Vooralsnog is geen aparte MBKA voorzien, dit is mogelijk een onderdeel van de bredere merprocedure. Deze zal openbaar zijn. Planning afronding van de procedure is eind 2028.
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Dit is afhankelijk van veel factoren waarover nog besloten moet worden. Op dit moment is het daarom niet mogelijk over de individuele posten en het totaal aan publieke kosten al uitspraken te doen.
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Er zijn momenteel geen middelen gereserveerd op de Rijksbegroting voor de strategische uitbreiding en de mogelijke financiële consequenties. De mogelijke verdeling tussen Rijk en de regionale overheden is onderdeel van de besluitvorming in juni 2026. Het is op dit moment niet zeker op welke termijn middelen beschikbaar zijn voor deze gebiedsontwikkeling.
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 13.
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
De milieueffecten van de ontwikkelrichting oost ten opzichte van zuidoost wordt nader onderzocht in de bredere mer-procedure. Hier is nog geen concreet onderzoek naar gedaan.
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Voor het Rijk bestond er de behoefte om meer inzicht te hebben in de te doorlopen procedures in de samenwerking en de te verwachten kosten en opbrengsten en mogelijkheden voor dekking vanuit het Rijk. Voor de juridisch/planologische procedures wordt eind april een advies verwacht, welke de basis zal zijn voor besluitvorming over de wijze waarop Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen samen gaan werken.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Dat is nog onduidelijk, dit moet meegewogen worden in de bestuurlijke afweging rond het kiezen van de voorkeursrichting en in het planologisch proces dat hierop volgt.
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Op 11 juni 2025 hebben Rijk en regio afgesproken om een nationaal strategisch profiel op te stellen voor het haven- en industriecluster Moerdijk. Op basis van dit profiel willen we sturen op welke activiteiten, ketens en bedrijvigheid ruimte geboden moet worden op het huidige terrein én de strategische uitbreiding. In de besluitvorming die voorzien is in juni worden ook bestuurlijke afspraken gemaakt over dit strategische profiel. Ik kan daar op dit moment nog niet op vooruitlopen.
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
De vijf clusters vormen nu belangrijke knooppunten in een internationaal netwerk van corridors voor vervoer van goederen, grondstoffen en energiedragers. Daarnaast zitten hier belangrijke basisindustrieën voor de strategische autonomie en een brede economie in Nederland. We kiezen er in de Ontwerp-Nota Ruimte voor om voor de vijf energie-intensieve clusters een scherpere langetermijnstrategie op te stellen met een sterke regierol van het Rijk, om daarmee te borgen dat de cruciale (nationale) functies tot hun recht komen. Met het kiezen voor clustering van zware industrie in deze gebieden, het intensiever benutten van de bestaande ruimte in deze gebieden en vraag en aanbod in samenhang te optimaliseren zorgen we er ook voor dat deze functies minder spreiden over heel Nederland en we de impact dus beperken. Een van de besluiten die in juni 2025 is genomen is dat er voor Moerdijk een strategisch profiel wordt uitgewerkt om hier specifiek invulling aan te geven. Daar zijn we nu mee bezig. Duidelijk is dat Moerdijk een belangrijke rol in het logistieke systeem heeft, vanuit de zeehavenfunctie, een belangrijke rol in het internationale chemiesysteem en in potentie een belangrijke rol in de grondstoffentransitie en (kritieke) grondstoffen.
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 21.
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
De gemeente heeft goede contacten met inwoners en ondernemers in het dorp Moerdijk. Daarnaast is de gemeente voornemens om een monitor uit te laten voeren. Op dit moment is nog geen informatie beschikbaar om lessen te trekken voor grootschalige ruimtelijke ingrepen elders.
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Bij besluitvorming in juni 2026 worden nog geen onomkeerbare stappen gezet. Het besluit betreft een voorkeur voor de ontwikkelrichting van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, betrokken gemeenten en waterschap. Daarna wordt een planologische procedure doorlopen met bredere mer-procedure. Pas na doorlopen van de planologische procedure (verwachting eind 2028) worden besluiten onomkeerbaar.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Jimmy Dijk (SP), Lisa Westerveld (GL), Inge van Dijk (CDA) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
Slechtere zorg na overname huisartsenpraktijk door commerciële partij Arts en Zorg |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Radar van 9 februari jl. over de slechte zorg bij commerciële huisartsenpraktijk Arts en Zorg?1
Ja.
Deelt u de grote zorgen over de verhalen van patiënten bij Arts en Zorg, die soms zelfs in levensgevaar komen doordat ze tegen digitale muren lopen, geen contact kunnen krijgen met de praktijk of steeds wisselende artsen en praktijkondersteuners spreken?
Allereerst is het betreurenswaardig dat de patiënten waarover de uitzending van Radar gaat slechte ervaringen in de huisartsenzorg hebben. Goede en toegankelijke huisartsenzorg vormt het fundament van het Nederlandse zorgstelsel. Dat borgen we met wet- en regelgeving van de overheid en normen en richtlijnen van de beroepsgroepen. Deze beschrijven onder meer de eisen die aan de bereikbaarheid van een huisartsenpraktijk worden gesteld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt aan de hand daarvan toezicht op kwaliteit en veiligheid van de zorg. Dit toezicht vindt mede plaats op basis van signalen, onder andere uit de media. De IGJ geeft aan dat zij de signalen uit de uitzending niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. In dat licht is het belangrijk dat patiënten die slechte ervaringen in de (huisartsen)zorg hebben ook een melding doen bij de IGJ. Overigens heeft de IGJ in 2023 reeds een inspectiebezoek aan een praktijk van Arts en Zorg gebracht en zij concludeerde toen dat deze bij de getoetste onderwerpen voldeed aan de geldende wet- en regelgeving.2
Naast bovengenoemde kaders moeten aanbieders van huisartsenzorg werken volgens de kernwaardenvan de huisartsenzorg. Deze beschrijven onder meer het belang van continuïteit in de arts-patiëntrelatie. In lijn met afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft de beroepsgroep recent een uitgebreide duiding van deze kernwaarden opgeleverd.3 Hiermee hebben zorgverzekeraars, zorgaanbieders en toezichthouders extra handvatten om te toetsen of een huisartsenpraktijk aan deze kernwaarden voldoet. Het kabinet verwacht van deze partijen dat zij de zorg conform de duiding van de kernwaarden organiseren. Partijen zullen de komende maanden, aan de hand van casuïstiek die onder meer door de IGJ zal worden ingebracht, waar nodig verdere concretisering aanbrengen. Daarmee wordt beoogd de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meer handvatten te geven om vanuit hun toezicht eerder te kunnen interveniëren en zorgverzekeraars beter in staat te stellen gericht te contracteren en zo de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg duurzaam te borgen.
Tot slot heeft de beroepsgroep recent aangegeven dat de toekomst van de huisartsenzorg hybride is, maar dat belangrijke randvoorwaarden in acht moeten worden genomen om digitale huisartsenzorg in te zetten.4 Fysieke zorg moet daarbij altijd mogelijk zijn binnen dezelfde praktijk. In het kader van de kernwaarde «persoonsgericht» dient besluitvorming over digitale of fysieke zorg te gebeuren op basis van samen beslissen.
Hoe verklaart u dat deze wanpraktijken bij commerciële partijen blijven plaatsvinden, ondanks eerdere stappen die mede op initiatief van de Kamer op dit terrein zijn gezet?
Of er sprake is van wanpraktijken is aan toezichthoudende instanties om te beoordelen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, herkent de IGJ de signalen uit de uitzending niet vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Signalen in de media kunnen voor de inspectie aanleiding zijn om extra toezichtsactiviteiten te starten. Samen met partijen uit de huisartsenzorg en toezichthouders NZa en IGJ heeft het kabinet de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om risico’s van ketenvorming in de huisartsenzorg tegen te gaan. Deze stappen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de NZa en IGJ in hun rapport over de opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg5. Een van deze stappen is de duiding van de kernwaarden van de huisartsenzorg door de beroepsgroep, waarover de Kamer recent is geïnformeerd.6 Zorgverzekeraars gaan aan de slag met de vertaling hiervan in het inkoopbeleid. In het antwoord op vraag 2 is toegelicht welke stappen daarnaast zullen worden gezet.
Tevens wordt een werkgroep opgezet waarin vroegtijdig signalen tussen partijen, waaronder zorgverzekeraars en toezichthouders, worden gedeeld. Het kabinet is ervan overtuigd dat onwenselijke ontwikkelingen op deze manier vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd en gestopt.
Welke concrete stappen zijn er gezet na het faillissement van Co-Med?
De volgende stappen zijn en worden gezet:
Hoe kan worden voorkomen dat het bij Arts en Zorg net zo uit de hand loopt als bij Co-Med, aangezien nu al een schrikbarend percentage van 42% van de patiënten negatieve gevolgen voor hun gezondheid ervaart door de veranderingen in praktijken als gevolg van de overname?
Het is aan de onafhankelijke toezichthouders IGJ en NZa, die toezien op de kwaliteit en het rechtmatig functioneren van een specifieke aanbieder, om in situaties waarin dat nodig is nader onderzoek te doen en effectief op te treden. Ook betrokken zorgverzekeraars, die de zorg inkopen, hebben een rol in de toets op het leveren van kwalitatief goede zorg en controle op declaraties. De NZa en IGJ hebben aangegeven dat zij de signalen niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk om, conform de leerpunten die volgen uit de evaluatie van Co-Med, de signalen serieus te nemen en met de betrokken partijen en toezichthouders vinger aan de pols te houden.
Hoe beziet u de klachten van patiënten over Arts en Zorg in relatie tot de gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)? Deelt u de mening dat de praktijken van Arts en Zorg ingaan tegen de afspraken in het AZWA en zo ja, welke acties gaat u ondernemen om deze commerciële partij tot de orde te roepen?
Het is primair aan zorgverzekeraars en toezichthoudende instanties om te beoordelen of aanbieders voldoen aan wettelijke kaders, eisen vanuit de beroepsgroep en de kernwaarden van de huisartsenzorg. Zorgverzekeraars en toezichthouders hebben instrumenten om in te grijpen wanneer dat nodig is.
In het algemeen geldt dat in het AZWA concrete afspraken zijn gemaakt om de huisartsenzorg toegankelijk te houden en het werken met een vaste patiëntenpopulatie voor huisartsen weer de norm te maken. In een recente brief is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze afspraken.11 Een van de afspraken betreft de concretisering van de kernwaarden van de huisartsenzorg, die in antwoord op vraag 2 is beschreven.
Deelt u de zorg over het waterbedeffect dat ontstaat door het gebrek aan goede zorg bij partijen als Arts en Zorg, waarbij patiënten uit wanhoop uitwijken naar huisartsenpraktijken in andere dorpen en wijken die vervolgens weer moeten overgaan tot een patiëntenstop? Hoe kunnen de afspraken uit het AZWA en de voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts»2 bijdragen aan een oplossing hiervoor?
Alle aanbieders van huisartsenzorg dienen te werken volgens de in het antwoord op vraag 2 beschreven kaders, normen, richtlijnen en kernwaarden. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht richting hun verzekerden en moeten er via de zorginkoop op sturen dat hun verzekerden goede zorg krijgen. Toezichthouders IGJ en NZa zien toe op de (wettelijke) verantwoordelijkheden van zorgaanbieders en zorgverzekeraars.
Ook wanneer zorg volgens alle geldende kaders wordt geleverd, kan het zijn dat patiënten niet tevreden zijn over hun huisarts. In dat geval staat het hen vrij om een andere zorgaanbieder te zoeken. Het klopt dat de toegankelijkheid van huisartsenzorg, zeker in bepaalde gebieden, onder druk staat waardoor een andere aanbieder vinden niet eenvoudig of zelfs onmogelijk is. De afspraken in het AZWA over de huisartsenzorg zijn er, in lijn met de initiatiefnota van het lid Bushoff, op gericht om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg overal in Nederland te borgen. Onder meer door middel van een landelijk ruil- en inschrijfsysteem voor patiënten is het doel om de toegankelijkheid van huisartsenzorg te vergroten. Dat neemt niet weg dat het voor mensen die reeds een huisarts in de buurt hebben lastig kan blijven om te wisselen van huisarts. Bij zo’n wens kunnen zij ook een beroep doen op de zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Kamerbreed aangenomen motie van het lid Mohandis c.s.3 over het over het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid Bushoff?
De motie Mohandis over het opstellen van een uitvoeringsagenda beschouwt het kabinet als grote steun voor de werkagenda huisartsenzorg zoals afgesproken met landelijke partijen in het AZWA.
De werkagenda huisartsenzorg in het AZWA is dan ook bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda en komt voor een groot deel overeen met de concrete voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff. Zoals gebruikelijk en toegezegd in de Kamerbrief van 2 februari jl.14 zal ik de Kamer nader informeren over de voortgang van de afspraken die gemaakt zijn in het IZA en het AZWA, dit betreft ook de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. De volgende Kamerbrief ontvangt de Kamer dit voorjaar.
Wanneer wordt de uitvoeringsagenda op basis van de motie Mohandis c.s. met de Kamer gedeeld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is de werkagenda huisartsenzorg in het AZWA bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda. De Kamer is in de brief van 3 november 2025 hierover geïnformeerd.15 Middels de IZA/AZWA-monitoring wordt de Kamer meerdere keren per jaar geïnformeerd over de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. In de recent verzonden brief over de voortgang van de AZWA-afspraken huisartsenzorg is de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken van de uitvoering van de werkagenda.16
Op welke manier wordt extra inzet gepleegd op de voorstellen uit de initiatiefnota die volgens u al staande praktijk waren maar nog onvoldoende effect hebben, zoals de motie verzocht?
Met de werkagenda in het AZWA zet het kabinet ook extra in op voorstellen die al staande praktijk zijn. Een voorbeeld hiervan is de aanvullende inzet op (financieel) maatwerk door zorgverzekeraars. Waar de staande praktijk is dat verschillende zorgverzekeraars al maatwerk in de huisartsenzorg toepassen, is met deze afspraak landelijk vastgelegd dat alle verzekeraars dit gaan doen en zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop. De Kamer is over de uitvoering van deze afspraak recent geïnformeerd.17
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Arno Rutte (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?