De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland dat technische lapmiddelen geen oplossing vormen voor de stikstofproblematiek |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in een beroep van Mobilisation for the Environment en Vereniging Leefmilieu tegen een natuurvergunningbesluit van de provincie Friesland?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de rechter heeft geoordeeld dat de effecten van technische stalaanpassingen op de stikstofuitstoot zo onzeker zijn dat een uitbreiding van het aantal dieren er niet mee te legitimeren is?
Nee. De uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 12 maart 2021 gaat uitsluitend over de diercategorie van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) code A.1.28, niet over de Rav-factoren in het algemeen.
Kunt u bevestigen dat de verkenningen in het kader van de stikstofproblematiek door ABDTOPConsult concluderen dat een forse krimp van het aantal dieren onvermijdelijk is om aan de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn te voldoen?2
In de onafhankelijk uitgevoerde verkenningen van ABDTopconsult wordt inderdaad ingegaan op betekenis van de omvang en reductie van het aantal dieren in relatie tot de stikstofopgave. Een inhoudelijke reactie op de onafhankelijke verkenningen met betrekking tot de stikstofproblematiek is aan het volgende kabinet, evenals de keuzes die al dan niet op basis daarvan worden gemaakt.
Deelt u het inzicht dat het zeer inefficiënt is om boeren zich nu in de schulden te laten steken met dure technieken, om die boerderijen vervolgens mogelijk uit te moeten kopen?
Dat inzicht deel ik. Om die reden zijn de bronmaatregelen voor de landbouw gebalanceerd tussen maatregelen voor stoppers en blijvers. Daarmee wordt voorkomen dat nu geïnvesteerd wordt in bedrijven die later opgekocht moeten worden.
Kunt u bevestigen dat er tot 2030 € 678 miljoen gereserveerd is vanuit het Rijk voor technische lapmiddelen voor de veehouderij, onder andere de totale Subsidie brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv), subsidies voor waterbassins (voor het verdund uitrijden van mest) en voor het verlagen van het ruw eiwitgehalte in veevoer en voor mestverwerking?
In het structurele pakket voor de aanpak van de stikstofproblematiek (Kamerbrief 35 334, nr. 82) is een pakket aan maatregelen voor de landbouw opgenomen, met daarin een balans voor boeren die willen blijven en boeren die gaan stoppen. Deze zijn gericht op zowel de korte als de lange termijn.
Voor de blijvende boeren heeft het kabinet een maatregelpakket opgesteld dat gericht is op innovatie en ondersteuning van eerste investeringen in staltechniek:
Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv), € 280 mln. voor de ondersteuning van boeren bij het doorvoeren van de benodigde stalaanpassingen
Emissiearme mestaanwending, € 105 mln.
Weidegang, € 3 mln.
Omschakelfonds, € 175 mln.
Verlaging ruweiwit in veevoer, € 73 mln. waarvan een deel wordt ingezet voor coaches en advies
Mestverwerking, € 15 mln.
Voor de boeren die willen stoppen zet het kabinet ook in op meerdere maatregelen:
Landelijke beëindigingsregeling (Lbv) bestaande uit twee tranches: een van € 750 mln. en een van € 250 mln.
Gericht opkoop, waarvoor in totaal € 350 mln. beschikbaar is.
Daarnaast heeft het kabinet ook de warme sanering varkenshouderij in het kader van stikstof verhoogd met € 275 mln.
Deelt u het inzicht dat dit weggegooid belastinggeld is, omdat het ten eerste onzeker is dat de natuur er iets mee opschiet en ten tweede omdat de rechter heeft geoordeeld dat dit een onvoldoende basis is voor intern salderen, waardoor boeren er ook niks aan hebben?
Dit inzicht deel ik niet. Het pakket aan natuurmaatregelen en stikstofreducerende maatregelen van de structurele aanpak stikstof bevat een combinatie van maatregen. Elke maatregel leidt ertoe dat depositiereductie wordt gerealiseerd. Dat is zonder voorbehoud gunstig voor de natuur. Boeren en andere initiatiefnemers hebben hier profijt van doordat de mogelijkheden voor toestemmingverlening groter worden als de natuur op orde is gebracht. Bovendien kan een gedeelte van de gerealiseerde reductie via de ontwikkelreserve worden uitgegeven om meldingen en projecten met nationale belangen mogelijk te maken.
Welke gevolgen heeft de genoemde uitspraak voor de beleidsregels betreffende intern en extern salderen en welke gevolgen heeft het voor de stikstofaanpak van het kabinet?
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland heeft vooralsnog geen gevolgen voor de provinciale beleidsregels intern en extern salderen, en ook niet voor de stikstofaanpak van het kabinet.
Onderzoek waaruit blijkt dat de boomkorvisserij significant bijdraagt aan CO2-uitstoot |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Bent u bekend met het recent in het wetenschappelijke tijdschrift Nature verschenen artikel waarin wordt gesteld dat de wereldwijde bodemberoerende visserij, specifiek de boomkorvisserij, verantwoordelijk is voor een significant deel van de CO2-uitstoot, vergelijkbaar met de luchtvaart, doordat CO2 vrijkomt uit het sediment van de zeebodem? Zo ja, hoe duidt u dit onderzoek?1
Ja, ik ben bekend met het in Nature verschenen artikel. In het artikel wordt een kader omschreven dat betrekking heeft op een mondiaal gecoördineerde inzet om beschermings-, voedselveiligheid- en klimaatdoelen te bereiken. Het geeft interessante inzichten in de mondiale voordelen van gebiedsbescherming. Als het gaat om de koolstof die vanuit de zeebodem vrijkomt in de waterkolom wordt overigens aangegeven dat die afneemt naarmate de bodem vaker wordt beroerd. Dit is op de Nederlandse Noordzee het geval, aangezien bodemberoerende visserij al vele decennia plaatsvindt. Daarnaast geven de auteurs aan dat het onbekend is in hoeverre de koolstof die door bodemberoering in de waterkolom wordt opgenomen daadwerkelijk als CO2 in de atmosfeer terecht komt.
Deelt u de mening dat, gezien de substantiële omvang van de boomkorvisserij in Nederland, dit onderzoek aanknopingspunten biedt om grote stappen te maken tot het halen van de Nederlandse klimaatdoelen en het beperken van de klimaatverandering?
In welke mate de Nederlandse boomkorvloot invloed heeft op het beperken van klimaatverandering komt niet duidelijk naar voren uit dit onderzoek. Daarnaast verschilt de winst die behaald wordt voor het behouden van de koolstof in de bodem per gebied. Aanvullend hangt de invloed van de Nederlandse boomkorvloot af van de mate waarin bepaalde gebieden in het verleden en/of in het heden zijn beroerd. Er wordt beschreven dat de uitstoot na negen jaar bodemberoering stabiliseert rond 40% van de uitstoot van het eerste jaar. In welke mate de genoemde uitstoot van toepassing is op de Nederlandse boomkorvisserij en de Noordzee is onbekend aangezien de bodem van de Noordzee de afgelopen eeuw is beroerd. Dit onderzoek biedt wat dat betreft een inzicht in de mondiale voordelen van gebiedsbescherming, maar ik zie vooralsnog geen aanknopingspunten om via deze weg grote stappen te maken tot het behalen van de Nederlandse klimaatdoelen.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de mate waarop een beperking van de Nederlandse boomkorvisserij kan leiden tot substantiële beperking van de CO2-uitstoot door Nederland?
De komende jaren heeft de uitvoering van het Noordzeeakkoord mijn volle aandacht. Ik zal mij o.a. – zoals vermeld in mijn appreciatie bij het advies van mevrouw Burger voor een duurzame kottervisserij op de Noordzee (hierna «kottervisie» genoemd) – inzetten voor de uitvoering van een sanering en voor innovaties gericht op de «zero-impact kotter» om bodemberoering en brandstofverbruik – en daarmee ook CO2-uitstoot – te beperken. Over deze visserijmaatregelen zal ik de Tweede Kamer vóór de zomer informeren bij de actualisatie van de kottervisie. Daarbij zal ik ook aandacht besteden aan de CO2-uitstoot door de visserij.
Ziet u mogelijkheden, ook op Europees niveau, om mede met dit onderzoek nieuw leven te blazen in de discussies rond het pulsdossier, aangezien bij pulsvisserij geen of veel minder sprake is van bodemberoering, naast ook lager brandstofverbruik?
Deze zomer zal de Europese Commissie de eerste voortgangsrapportage over de Verordening Technische Maatregelen presenteren. Bij deze voortgangsrapportage zal er door Nederland wederom aandacht gevraagd worden voor de pulsvisserij. De voordelen van deze vismethode, waaronder minder bodemberoering en de eventuele vermindering van CO2-uitstoot door bodemberoering, zullen hierbij ook worden benoemd.
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze het afschermen van een groter deel van de Nederlandse territoriale wateren voor de boomkorvisserij zou bijdragen aan het behalen van Nederlandse klimaatdoelen?
In het Noordzeeakkoord zijn afspraken gemaakt over de gebiedsbescherming op de Nederlandse EEZ. Ik zet mij er voor in om deze afspraken uit te voeren.
Bent u bereid door te rekenen in hoeverre de afspraken met betrekking tot het Noordzeeakkoord in het kader van beperking van de visserij leiden tot beperking van de CO2-uitstoot doordat minder bodemberoering plaatsvindt? Zo ja, bent u bereid hierbij ook scenario’s mee te nemen waarin een grotere beperking van de boomkorvisserij dan afgesproken wordt meegerekend?
Bent u bereid er op Europees niveau voor te pleiten om de effecten van bodemberoering en de daarbij vrijkomende CO2 mee te wegen in het vaststellen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid is in 2013 herzien en er wordt op korte termijn geen herziening verwacht. Wanneer er wordt gewerkt aan een herziening van het beleid ben ik bereid om de effecten van bodemberoering en de daarbij vrijkomende CO2 onder de aandacht te brengen bij bijvoorbeeld nieuw vast te stellen technische maatregelen. Invoering van innovatieve visserijtechnieken kunnen hier een onderdeel van zijn.
De geitenhouderij en het leed van geitenbokjes |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u inmiddels het rapport «Welzijn geitenbokken in beeld» van Eyes on Animals gelezen, zoals u heeft toegezegd tijdens het meest recente Kamerdebat op 8 december 2020 over dieren in de veehouderij?1, 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in 2020 naar schatting 80 tot 90% van de geitenbokjes één week na de geboorte al naar de slacht is afgevoerd, doordat het overschot aan geitenbokjes als gevolg van de coronacrisis groter was dan ooit?3
Geitenhouders zijn verplicht de geboorte van een lam te registreren in het Identificatie & Registratie systeem (hierna: I&R systeem). Tot 1 november 2020 diende een geboortemelding uiterlijk binnen 6 maanden plaats te vinden. Het I&R-systeem bood daarbij optioneel de mogelijkheid om de exacte geboortedatum te vermelden, maar dit was tot 1 november 2020 niet verplicht. De ervaring van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is dat het merendeel van de geitenhouders gebruik maakte van de optionele mogelijkheid om de exacte geboortedatum te registreren, maar niet allemaal. Dit maakt dat de informatie over de exacte geboortedatum en daarmee over de leeftijd waarop lammeren zijn afgevoerd naar slachthuizen niet altijd overeenkomt met de werkelijke situatie.
In het I&R-systeem is het volgende geregistreerd over de afvoer van lammeren naar slachterijen.
2016
144
3.698
18.223
18.064
51.988
2017
54
1.974
18.350
17.188
64.260
2018
7
1.478
15.939
23.009
67.542
2019
1
997
19.353
25.235
69.731
2020
18
671
30.576
31.570
57.859
2021
2
1.306
32.028
20.145
16.834
Het is aannemelijk dat met name de categorieën 0 dagen en 1 tot 7 dagen geen accurate weergave van de werkelijkheid zijn. Lammeren mogen pas getransporteerd worden als de navelstreng is ingedroogd. Dit duurt ongeveer 7 dagen. Bij aankomst in het slachthuis wordt hier op gecontroleerd. Aangenomen wordt dat een deel van de geitenhouders bij de registratie van de geboorte van een lam de datum van registratie ook als geboortedatum heeft opgegeven. In het geval de afvoer van de betreffende lammeren (geitenbokjes) vervolgens op dezelfde dag of in de daarop volgende dagen heeft plaatsgevonden wordt dit geregistreerd als afvoer op dezelfde dag of binnen een week na geboorte.
De I&R gegevens over de afgelopen jaren laten wel zien dat, onder invloed van de coronacrisis, er een toename is geweest van het aantal geitenlammeren dat in de eerste twee weken naar het slachthuis is afgevoerd. Gelijktijdig is het aantal lammeren dat in de leeftijd van 28 dagen en ouder naar het slachthuis is afgevoerd afgenomen (over het lopende jaar 2021 zijn deze cijfers nog niet volledig). De conclusie die door Eyes on Animals wordt getrokken, dat 80 tot 90% van de lammeren binnen een week is afgevoerd naar het slachthuis, wordt door de I&R gegevens niet bevestigd.
Klopt het dat het vlees van bokjes van slechts één week oud voor een groot deel naar de destructie gaat? Zo nee, wat gebeurt er dan met hun vlees? Zo ja, wat vindt u ervan dat zulke jonge dieren worden gefokt, geboren en geslacht om tenslotte naar de destructie te worden afgevoerd?
In de melkgeitenhouderij is slechts een beperkt deel van de geitenbokjes bestemd voor fokkerij en houderij. Een aanzienlijk deel wordt naar een slachthuis afgevoerd. Een slachthuisexploitant heeft vervolgens de keuze om deze dieren na levende keuring door een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en geslachte keuring door de Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) niet te bestemmen voor menselijke consumptie. Afvoer als dierlijk bijproduct categorie 2 of 3 kan dan een optie zijn.
Klopt het dat transporten van slechts één week oude bokjes wel 6 tot 8 uur kunnen duren omdat er bij verschillende melkgeitenbedrijven dieren worden opgehaald en klopt het dat door de lange onthouding van melk, veel bokjes verzwakt zijn bij aankomst? Wat gaat u eraan doen om een halt toe te roepen aan dit gesleep met piepjonge bokjes?
Voor lammeren geldt dat ze vervoerd mogen worden mits de navel is geheeld. Bovendien geldt dat lammeren jonger dan een week niet over een afstand van meer dan 100 kilometer vervoerd mogen worden. Als de te vervoeren dieren aan voornoemde voorwaarden voldoen, is transport tot maximaal 8 uur, ingeval van kort transport, en maximaal 19 uur (inclusief 1 uur rust) ingeval van lang transport, toegestaan op basis van de Transportverordening. De NVWA heeft in 2021 tot op heden vier inspecties uitgevoerd naar het transport van geitenbokjes. Drie inspecties werden akkoord bevonden; één inspectie werd uitgevoerd naar aanleiding van een melding. Deze is op dit moment nog in onderzoek.
Klopt het dat kostbare biest, die essentieel is voor de afweer van een pasgeboren zoogdier, in de melkgeitenhouderij vaak naar de vrouwelijke geitenlammetjes gaat en niet naar de mannelijke bokjes omdat deze toch geslacht worden?
Er zijn geen regels omtrent het verstrekken van biest aan lammeren. Het biestmanagement is aan individuele ondernemers. Ik heb daar geen zicht op.
Hoe sluit u uit dat geitenhouders, om de kosten voor de afvoer van bokjes naar het slachthuis te voorkomen, ervoor kiezen om de jonge dieren op het bedrijf te laten sterven?4
Ik heb uw Kamer geïnformeerd over het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes van het Platform Melkgeitenhouderij, de samenwerking tussen LTO vakgroep geitenhouderij en de Nederlandse Geiten Zuivel Organisatie (NGZO) (Kamerstuk 28 286, nr. 939). De maatregelen uit dit plan maken per 1 januari 2018 integraal onderdeel uit van keten-kwaliteitszorgsysteem KwaliGeit van de NGZO, met onafhankelijke toetsing door een onafhankelijke derde partij. Het doel van het plan en de maatregelen is om het welzijn van geitenbokjes te verbeteren en daarmee de sterfte terug te dringen. Melkgeitenhouders worden op grond van de maatregelen verantwoordelijk gehouden voor en aangesproken op sterfte in de eerste 21 dagen van alle lammeren die op het bedrijf geboren zijn, ook als deze lammeren binnen deze 21 dagen zijn afgevoerd naar bijvoorbeeld een bokkenmester. Bij geconstateerde sterfte boven een benchmark-waarde dient een melkgeitenhouder, in samenspraak met een dierenarts, een verbeterplan op te stellen. De sector wil met deze maatregelen toewerken naar een situatie waarbij melkgeitenhouders geitenbokjes nog uitsluitend op het eigen bedrijf houden en verzorgen of via een 1-op-1 relatie af laten mesten door een bokkenmester.
Om het plan van aanpak van de sector goed ten uitvoer te kunnen brengen is een tijdige en volledige registratie van geboorte van en sterfte onder lammeren een voorwaarde. Om die reden heb ik, in afstemming met de sector, per 1 november 2020 de I&R-regeling aangescherpt5. Geitenhouders met meer dan 50 melkgeiten moeten sinds 1 november 2020 de geboorte van een geitenlam binnen zeven dagen registreren in I&R en daarbij de exacte geboortedatum en het geslacht vermelden. Geitenhouders moeten daarnaast doodgeboortes binnen zeven dagen melden, onder vermelding van het geslacht en de datum. Onder een doodgeboorte wordt de geboorte van een levenloos lam vanaf de laatste week van de dracht verstaan. Ook sterfte in de eerste week, voordat het lam een merk heeft gekregen en is geregistreerd in het I&R-systeem, wordt aangemerkt als doodgeboren en dient als zodanig gemeld te worden. Met deze aanscherpingen kunnen zowel overheid als sector zich een beter beeld vormen van en sturing geven op het sterftecijfer onder lammeren in de melkgeitenhouderij.
Uit de gesprekken die ik met de sector heb gevoerd, zowel in het kader van het genoemde plan van aanpak als in het kader van het Programma duurzame veehouderij, blijkt dat alle politieke en maatschappelijke aandacht voor het welzijn van geitenbokjes en alle maatregelen die hieromtrent zijn genomen een omslag in het denken en handelen van individuele melkgeitenhouders in gang heeft gezet. Steeds meer melkgeitenhouders kiezen ervoor om geitenbokjes op het eigen bedrijf af te mesten. Ik zie dat als een positieve ontwikkeling richting een situatie waarbij zorg voor geitenbokjes een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering op een melkgeitenhouderij.
Kunt u bevestigen dat ook na de wijziging van de identificatie & registratie (I&R) regeling voor melkgeitenhouderijen die sinds 1 december 2020 geldt, nog steeds geen zicht is op de sterfte van geitenlammetjes in de eerste week, terwijl bokjes aan wie biest wordt onthouden juist vaak in hun eerste levensweek sterven?
Zoals aangegeven is het met de gewijzigde I&R per 1 november 2020 ook verplicht om melding te doen van doodgeboortes. Met de aangescherpte I&R-plicht kan sterfte in de laatste week van de dracht en in de eerste week na geboorte inzichtelijk gemaakt worden. Op dit moment is het echter nog te vroeg om conclusies te trekken over de impact van de gewijzigde I&R-plicht. Enerzijds heeft dit te maken met het lammerseizoen dat nog niet volledig op zijn einde is, anderzijds met het gegeven dat pas een goede analyse mogelijk is nadat er gegevens beschikbaar zijn over een volledig kalenderjaar.
Bent u bereid om de registratieplicht te vervroegen naar maximaal drie dagen na de geboorte, zodat er een completer beeld ontstaat van de sterfte en wantoestanden zoals het onthouden van biest beter aan het licht komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 5 aangegeven gelden er geen regels omtrent de verstrekking van biest. Er vindt derhalve ook geen registratie plaats van bedrijven die wel of geen (kunst)biest verstrekken. Het in beeld brengen van de relatie tussen biestverstrekking en sterfte onder lammeren kan dus niet op basis van de beschikbare gegevens. Een aanscherping van de meldingsplicht van zeven naar drie dagen na geboorte maakt hierin geen verschil. Bovendien zijn melkgeitenhouders, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 verplicht ook melding te doen van doodgeboortes, waaronder sterfte in de eerste week na geboorte.
Hoe is het toezicht op de verplichting om geitenlammetjes binnen zeven dagen na de geboorte te registreren vormgegeven en wordt hierbij gecontroleerd of het aantal geboortemeldingen realistisch is en of er evenveel vrouwelijke als mannelijke geitenlammetjes worden geregistreerd?
De aanscherping met betrekking tot de termijn waarbinnen een geboortemelding op melkgeitenbedrijven moet plaatsvinden is sinds 1 november 2020 van kracht. De NVWA heeft sindsdien een aantal inspecties op deze aangescherpte verplichting uitgevoerd. De resultaten uit deze inspecties zijn nog niet bekend.
De registratie van het geslacht van de lammeren geeft de mogelijkheid om het verschil in sterfte tussen mannelijke en vrouwelijke lammeren te monitoren. Indien uit analyse van de I&R-data blijkt dat er sprake is van een meer dan gemiddeld verschil tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke lammeren op een individueel bedrijf kan dit aanleiding zijn voor een nadere inspectie, zowel door de sector zelf op grond van de maatregelen uit KwaliGeit als door de NVWA. Op dit moment zijn de aangescherpte maatregelen nog onvoldoende lang van kracht om conclusies te trekken. Dit kan pas na afloop van het eerste volledige kalenderjaar (2021).
Kunt u bevestigen dat de huidige stallen voor zowel melkgeiten als jongvee geen klimmogelijkheden of verhoogde rustplaatsen bieden terwijl dit onlosmakelijk verbonden is met het natuurlijk gedrag en behoefte van deze dieren?
Er geldt geen wettelijke verplichting voor melkgeitenhouders om te voorzien in klimmogelijkheden en verhoogde rustplaatsen. Met het programma Duurzame Geitenzuivelketen (DGZK) werkt de keten zelf aan een verdere verduurzaming. DGZK is een benchmark waarbij deelnemende melkgeitenhouders zicht krijgen op hun score op verschillende duurzaamheidsthema’s en deze kunnen vergelijken met andere melkgeitenhouders en de gehele groep van deelnemers. In 2020 was 87% van de melkgeitenhouders aangesloten bij DGZK. Doelstelling van de keten is 100% deelname in 2022. Eén van de duurzaamheidsthema’s is diergezondheid en dierenwelzijn. Onder dat thema kunnen melkgeitenhouders onder andere scoren op de aanwezigheid van klimmogelijkheden in de stal. In 2020 heeft 45% van de melkgeitenhouders aangegeven dat ze klimmogelijkheden hebben in de stal.
Klopt het dat tot nu alle subsidieaanvragen op grond van de subsidieregeling voor brongerichte verduurzaming van stallen (Sbv) vanuit de geitenhouderij voor stalsystemen met stro zijn afgewezen en dat wel subsidie is toegekend voor een nieuwbouwstal waarbij de geiten hun leven zullen moeten slijten op een hardhouten roostervloer?5
Het doel van de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) is het ontwikkelen en toepassen van integrale, brongerichte emissiereducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe stalsystemen, gericht op broeikasgas- en stalemissies. Dit draagt zowel bij aan de gezondheid en het welzijn van mens en dier als aan realisatie van klimaat- en milieudoelen. In de eerste openstelling van de Sbv-innovatiemodule zijn in totaal vier aanvragen ingediend voor projecten binnen de melkgeitenhouderij. Daarvan zijn drie projecten afgewezen, omdat zij niet voldeden aan de gestelde eisen voor emissiereductie.
Het project dat een positieve subsidiebeschikking heeft ontvangen, is een project voor een nieuwbouwstal waar de geiten inderdaad gehouden worden op een geperforeerde houten vloer. Dit principe zorgt ervoor dat de feces en urine door de vloer heen vallen en in een gescheiden opslag terecht komen. Door urine en feces snel aan de bron van elkaar te scheiden wordt de vorming van ammoniak sterk gereduceerd. Dat draagt bij aan de verbetering van het stalklimaat. De dieren zullen de beschikking krijgen over klimmateriaal, verhoogde rustplateaus en speelgoed. Doordat de dieren op een houten roostervloer worden gehouden, vindt minder broei plaats gedurende warme periodes. Dit leidt tot minder hittestress. Daarnaast hebben de dieren minder klauwproblemen. Onderdeel van het project is een verkennend onderzoek naar de welzijnsaspecten van de loopvloer ten opzichte van gangbare melkgeitenstallen. In het projectplan wordt niet gesproken over jonge geiten. De volledige projectsamenvatting is te vinden op de website van RVO.nl.7
Vindt u het een wenselijke ontwikkeling als geiten in de toekomst uitsluitend worden gehouden in stallen met hardhouten roostervloeren om op die manier de uitstoot van ammoniak te beperken? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Een aanvraag voor subsidie wordt op grond van de voorwaarden in de Sbv afgewezen indien uit het projectvoorstel blijkt dat het dierenwelzijn en de brandveiligheid naar verwachting afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Subsidieaanvragen worden onder meer gerangschikt op basis van de te verwachten verbetering van het dierenwelzijn en de brandveiligheid. Deze twee criteria zijn in de Sbv-innovatiemodule aan elkaar gekoppeld. Bij de beoordeling van de Sbv-innovatiemodule wordt de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) als voorbeeld en richtlijn gebruikt. De criteria die in de MDV staan benoemd, worden als richtlijn aangeboden aan aanvragers, bijvoorbeeld extra vierkante meters per dierplaats. RVO maakt bij de inhoudelijke beoordeling van de subsidieaanvragen gebruik van externe deskundigen, die de MDV hierbij mede als uitgangspunt hanteren.
In december 2020 heeft uw Kamer een motie van het lid Futselaar (SP) aangenomen over het verbeteren van dierenwelzijn en brandveiligheid als harde voorwaarde om in aanmerking te komen voor de Sbv (Kamerstuk 28 286, nr. 1162). De uitwerking hiervan in de regeling en toelichting is ingewikkeld en vraagt tijd, de voorwaarde moet namelijk juridisch vastgelegd kunnen worden en stand kunnen houden. Daarnaast moet dit op een juiste manier kunnen worden beoordeeld door RVO. De juridische uitwerking van deze motie neem ik mee in de voorbereiding op de openstelling van zowel de innovatie- als investeringsmodule vanaf de tweede helft van 2021.
Vindt u het te verantwoorden dat de overheid hiermee het afpakken van stro van geiten stimuleert en subsidieert? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, wat gaat u doen om hier een einde aan te maken?
Zoals bij mijn antwoord op vraag 11 benoemd, is het doel van de Sbv het ontwikkelen en toepassen van integrale, brongerichte emissiereducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe stalsystemen, gericht op broeikasgas- en stalemissies. Dit draagt zowel bij aan de gezondheid en het welzijn van mens en dier als aan realisatie van klimaat- en milieudoelen. Daarbij zijn onder andere dierenwelzijn en brandveiligheid belangrijke criteria. Alleen indien het dierenwelzijn aantoonbaar is geborgd, kan een subsidie worden toegekend.
Vindt u het überhaupt wenselijk om subsidie te verlenen voor een nieuwbouwstal voor geiten, gezien de gezondheidsrisico’s die de geitenhouderij oplevert voor omwonenden in een straal van twee kilometer, waarbij experts spreken van een nieuwe zoönose? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, wat gaat u doen om hier een einde aan te maken?6
Gezien de opgave die er nu ligt op het gebied van emissiereductie, wordt de innovatie van emissiereducerende technieken en/of managementmaatregelen middels de Sbv-innovatiemodule gestimuleerd. Naast andere diersectoren wordt ook de geitensector gestimuleerd om brongericht emissies te reduceren. In de innovatiemodule is subsidie beschikbaar voor onderzoek naar en ontwikkeling van innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De rechterlijke uitspraak over het verlenen van een Wnb vergunning ten behoeve van het wijzigen van een melkveehouderij |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw eerste reactie op de uitspraak van de voorzieningenrechter ten aanzien van de verleende Wet natuurbescherming-vergunning ten behoeve van het wijzigen van een melkveehouderij?1
De verschillende aspecten van de uitspraak komen in de navolgende vragen aan de orde. Ik verwijs naar de antwoorden op die vragen.
Herkent u zich in de uitspraak dat de emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn en dat «met de enkele vaststelling door de Minister van deze emissie is deze zekerheid niet gegeven»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De emissiefactoren voor ammoniak uit stallen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zijn tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof3. Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat een emissiefactor onjuist is, wordt nader onderzoek gedaan dat kan leiden tot aanpassing van de emissiefactor. Het rendement van emissiereducerende techniek wordt in praktijkstallen beoordeeld bij goed gebruik van die techniek. In dat geval is er volgens de WUR4 sprake van een onzekerheidsmarge van circa 15 tot 30%, bijvoorbeeld als gevolg van bedrijfsspecifiek voer- en ventilatiemanagement. Het CBS/CDM-onderzoek waar de uitspraak van de voorzieningenrechter naar verwijst, laat zien dat de techniek in de praktijk mogelijk niet goed gebruikt wordt. Het rendement wordt dan niet gehaald en de onzekerheidsmarge neemt toe. Dat is zorgelijk. In bovengenoemde brief aan uw Kamer over het CDM-advies is hiervoor een onderzoek aangekondigd naar de praktijk van omgaan met techniek. In die brief staat dat de resultaten daarvan eind 2021 beschikbaar komen.
In de betrokken procedure ging het niet zozeer om de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid. Het ging specifiek om het gebruik van een Rav-code in het kader van een aanvraag van een Natura 2000-vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming voor de wijziging van een veehouderijbedrijf. De voorzieningenrechter ging – kort gezegd – vanwege onzekerheden ten aanzien van de werkelijke stikstofemissie zonder nadere onderbouwing niet mee in de stelling dat de wijziging in het veehouderijbedrijf ten opzichte van de bestaande situatie (toepassen emissiearme techniek en ontstane emissieruimte volledig opvullen met meer dieren) niet kon leiden tot een toename van de stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig Natura 2000-gebied waarvan de kritische depositiewaarde is overschreden. De rechter wees in dit verband op de hoge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de vereiste zekerheid dat een project niet leidt tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
Ik herken mij derhalve niet in de stelling dat de emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd zouden zijn. De rechter oordeelde namelijk over het gebruik van een Rav-factor bij de onderbouwing dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Hoe kan het dat een rechter het niet voldoende vindt of accepteert dat een door de overheid erkende vloer met emissiewaarde, door derden gecontroleerd, wordt toegepast? Is de rechter volgens u op de stoel van de Rav-commissie gaan zitten?
Nee. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, oordeelde de rechter niet over de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid, maar over de vraag of bij toepassing van de Rav-factor bij een project als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn ook voldoende zekerheid bestaat dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied. Op dat punt vond hij een nadere onderbouwing noodzakelijk.
Wat betekent dit voor de rest van Rav-lijst? Welke gevolgen verbindt u eraan?
Voor de emissiefactoren op de Rav-lijst in algemene zin, verandert er niets. Er zullen evenwel altijd onzekerheidsmarges in emissiefactoren zijn. Daarbij streeft de Staatssecretaris van IenW ernaar die waar mogelijk te beperken. Zo heeft zij in haar brief van 26 maart 2021 aan uw Kamer over de Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord enkele acties aangekondigd om de effectiviteit van emissiearme stalsystemen te verbeteren. Indien er op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten aanpassingen gedaan worden aan de Rav-factoren is voorzien in periodieke (jaarlijkse) aanpassing van parameters in het AERIUS-systeem dat gebruikt wordt bij de verlening van Natura2000-vergunningen.
Kan aangegeven worden op basis van welke meting en onderzoek de rechter zijn oordeel heeft geveld? Zo nee, waarom niet?
Het oordeel van de rechter over de Rav-factoren is gebaseerd op het door Mobilisation for the Environment (MOB) ingebrachte CBS-rapport «Stikstofverlies uit opgeslagen mest» van oktober 2019. Het oordeel van de rechter over de effecten van mestopslag buiten de stal is gebaseerd op de WUR-publicatie «Emissies naar lucht uit de landbouw in 2017».
Klopt het dat in het AERIUS-model al rekening wordt gehouden met onzekerheid, dus ook met de kans dat uitstoot van een stalvloer bij bepaald weer et cetera af kan wijken? Zo ja, is dit door de landsadvocaat ook ingebracht?
Nee, in AERIUS wordt gewerkt met de Rav-factoren. Die zijn afgeleid uit meetonderzoek in stallen en geven de gemiddelde emissie van het type stalvloer weer. Voor de onzekerheden verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Indien er nieuwe wetenschappelijke inzichten ontstaan over de effectiviteit van maatregelen is voorzien in periodieke (jaarlijkse) aanpassing van parameters in AERIUS.
Hoe verhouden de Rav-emissienormen zich tot de conclusies in het rapport «Analyse stikstofbronmaatregelen» van het Planbureau voor de Leefomgeving?2
De berekeningen in het rapport «Analyse stikstofbronmaatregelen» van het Planbureau voor de Leefomgeving zijn gemaakt met de aanname dat nieuwe emissiearme stallen onder praktijkomstandigheden presteren zoals gemeten en vastgelegd in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). De Rav ziet overigens op emissiefactoren en niet op emissienormen.
Wat vindt u ervan dat de Rav-emissiefactoren volgens de voorzieningenrechter niet als juridische basis kunnen worden gebruikt voor stikstofemissieberekeningen van bedrijven ten behoeve van bedrijfsontwikkelingen? Op welke cijfers zouden agrarische ondernemers zich dan moeten baseren?
Voor de grote verscheidenheid aan stalsystemen en technieken zijn er naast de Rav-emissiefactoren geen andere getalswaarden beschikbaar. Deze getallen hebben een forfaitair karakter: ze geven de gemiddelde emissies aan van een gemiddeld bedrijf, bij goed landbouwkundig gebruik. Verder verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 2.
De Staatssecretaris van IenW en ik werken er hard aan om met sensoren de emissies per bedrijf te kunnen meten. In mijn brief van 5 februari jl.6 aan uw Kamer zijn daartoe onder andere pilotprojecten aangekondigd. Dat geeft, als de pilotprojecten slagen, op termijn de mogelijkheid om af te stappen van de forfaitaire waarden en met de daadwerkelijke emissies te gaan rekenen.
Wat voor gevolgen heeft deze rechterlijke uitspraak nu en in de toekomst voor de berekening van stikstofuitstoot bij activiteiten van agrarische bedrijven?
Voor de beoordeling van aanvragen van een omgevingsvergunning voorziet de Staatssecretaris van IenW vooralsnog geen gevolgen. De gevolgen voor de beoordeling van aanvragen van een Wnb-vergunning zijn nog niet duidelijk. Het gaat hier om een uitspraak in eerste aanleg waartegen hoger beroep is ingesteld. Om eventuele consequenties te kunnen verbinden aan de rechterlijke uitspraak, is de uitspraak in hoger beroep van belang.
Wat voor gevolgen heeft deze rechterlijke uitspraak nu en in de toekomst voor stikstofuitstoot bij activiteiten van alle bedrijven en economische activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
Wat voor invloed heeft deze uitspraak op de stikstofaanpak en de berekeningen die daarin gemaakt zijn ten aanzien van het effect van innovatieve bronmaatregelen?
De recent tot stand gekomen Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in de wettelijke verankering van de structurele aanpak van de stikstofproblematiek die bestaat uit: wettelijke vastlegging van een resultaatsverplichtende doelstelling voor de reductie van de stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden, de wettelijke opdracht om een programma met maatregelen vast te stellen om die doelstelling te realiseren en om de natuur in de Natura 2000-gebieden te verbeteren en wettelijke regels over monitoring en bijsturing.
Op basis van de uitspraak van de voorzieningenrechter zie ik geen aanleiding om deze structurele aanpak aan te passen. Door middel van monitoring worden zowel de ontwikkelingen op het gebied van stikstofdepositie als natuur gevolgd, zodat bijgestuurd kan worden als blijkt dat dit nodig is om tijdig te voldoen aan de resultaatsverplichtende omgevingswaarde voor stikstofdepositie, om natuurbehoud te kunnen blijven verzekeren en om de instandhoudingsdoelstellingen (op termijn) te realiseren. De inzichten uit het CBS/CDM-onderzoek zullen worden meegenomen bij nieuwe berekeningen van de emissies van ammoniak uit de landbouw en van de effecten van bronmaatregelen.
Welke acties bent u van plan te ondernemen als gevolg van deze uitspraak? Hoe ziet het juridische vervolgtraject eruit en gaat u om spoedbehandeling vragen?
De provincie Fryslân zal hoger beroep instellen tegen deze uitspraak. Bij die procedure zal ik de provincie ondersteunen. De Staatssecretaris van IenW verstrekt de voor het hoger beroep noodzakelijke informatie.
Verder verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 4, 8 en 10.
Ernstig gewonde varkens bij een exportverzamelplaats |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de beelden gezien die Eyes on Animals afgelopen week maakte van zeugen in een vrachtwagen bij een exportverzamelplaats in Gelderland?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een aantal van deze zeugen zeer ernstige verwondingen had, zoals de zeug met een grote open wond op haar rug? Zo nee, waarom niet en waar blijkt dit uit?
Afgaande op de beelden zoals aangeleverd door Eyes on Animals, is te constateren dat tenminste één dier een duidelijke wond heeft. Dit lijkt een ernstige open wond te zijn. Óf, en hoe ernstig andere dieren gewond zouden zijn geweest, is op basis van deze beelden niet te beoordelen.
Kunt u bevestigen dat alleen dieren die zijn geïdentificeerd en voldoen aan bepaalde gezondheidsvoorwaarden volgens het «Handboek Verzamelcentrum evenhoevigen» van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) mogen worden toegelaten op een verzamelcentrum en dat dit bij aankomst op het verzamelcentrum moet worden gecontroleerd?2
Ja. De controle op deze identificatie en gezondheidsvoorwaarden bij aankomst op het verzamelcentrum is een verantwoordelijkheid van de exploitant van het verzamelcentrum, die uitgevoerd dient te worden volgens het Handboek Verzamelcentrum evenhoevigen. De exploitant moet dit vastleggen in het «in- en uitslagregister».
Is het bij u bekend of deze controle bij de aangetroffen zeugen heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, door wie en wat waren de bevindingen?
Nee. Er kon niet vastgesteld worden dat deze dieren zijn aangevoerd op het verzamelcentrum en dus ook niet of deze dieren zijn aangeboden en gekeurd voor export.
Is het bij u bekend wat de bestemming was van deze vrachtwagen en zouden deze zeugen worden geëxporteerd naar een slachthuis in het buitenland?
Nee, dat is niet bekend.
Kunt u bevestigen dat wanneer het betreffende transport een bestemming had in het buitenland, de zeugen voor vertrek goedgekeurd hadden moeten worden door een NVWA-dierenarts en is dat in dit geval ook gebeurd en zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja, als dit transport een bestemming zou hebben gehad in het buitenland, zouden de zeugen voor vertrek beoordeeld moeten worden door een NVWA-dierenarts. Voor zover bekend zijn deze dieren niet voor exportcertificering aangeboden en gekeurd.
Erkent u dat de zeugen in dermate slechte conditie waren dat zij ongeschikt waren voor transport volgens de Transportverordening en dus niet naar een verzamelplaats gebracht hadden mogen worden, laat staan geëxporteerd hadden mogen worden?3
Het dier dat in de beelden zichtbaar gewond is, had in deze conditie inderdaad niet getransporteerd mogen worden, en dus ook niet naar een verzamelplaats of voor export. Van de overige dieren is op basis van deze beelden geen uitspraak te doen.
Kunt u verklaren waarom dit hier dan toch is gebeurd?
Nee, dit kan ik niet verklaren.
Kunt u bevestigen dat de erkenning van deze verzamelplaats eerder om redenen van onder andere dierenwelzijn door de NVWA tijdelijk is opgeschort?
Nee, de huidige erkenning van dit verzamelcentrum is verleend in 2014. Deze erkenning van het verzamelcentrum is nog nooit tijdelijk opgeschort door de NVWA om redenen van dierenwelzijn of vanwege andere redenen.
Vormen deze nieuwe misstanden volgens u aanleiding om de erkenning van de verzamelplaats opnieuw te schorsen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is door de NVWA niet vastgesteld dat deze dieren op het verzamelcentrum zijn aangevoerd, de dieren konden niet geïdentificeerd worden op de beelden. Daarmee is ook niet vastgesteld of het verzamelplaats de voorwaarden van de verlening van de erkenning overtreden heeft.
Kunt u bevestigen dat de NVWA heeft laten weten niet te willen handhaven op basis van het overgedragen bewijsmateriaal door Eyes on Animals? Zo ja, hoe beoordeelt u deze weigering van handhaving door de NVWA?
De NVWA kan alleen handhavend optreden wanneer een verdenking onderbouwd kan worden door bewijzen. Er waren op de toegezonden beelden geen identificatienummers van de varkens zichtbaar noch was er een kenteken zichtbaar van het vervoermiddel. Er kon niet vastgesteld worden of de dieren daadwerkelijk gelost en daarmee aangevoerd zijn op het verzamelplaats, genoemd in de melding. Wel heeft de NVWA bijkomende inspecties uitgevoerd en nader onderzoek ingesteld, maar dit heeft geen bewijslast opgeleverd.
Kunt u zich herinneren dat het bericht dat NVWA-dierenartsen tientallen keren per jaar goedkeuring gaven voor de export van ernstig zieke en kreupele dieren voor u nog aanleiding was om het 2Solve-onderzoek naar de tekortkomingen in het toezicht bij de noordelijke slachthuizen uit te breiden naar het toezicht bij exportverzamelplaatsen?4
Naar aanleiding van berichten in de media over meldingen rondom mogelijke misstanden op het gebied van dierenwelzijn bij export van vee naar België en Duitsland was een vraag hierover toegevoegd aan het onderzoek naar de meldingen van misstanden bij de noordelijke slachthuizen van 2Solve.
Deelt u de mening dat deze constateringen uit de afgelopen jaren reden zijn om extra alert te zijn op signalen van misstanden bij exportverzamelplaatsen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
De NVWA is alert op signalen van misstanden, ook bij verzamelplaatsen.
Hoeveel diertransporten hebben plaatsgevonden in 2019 en 2020, hoeveel inspecties zijn hierbij uitgevoerd en hoeveel van deze inspecties waren niet akkoord? Hoeveel dierenwelzijnsovertredingen zijn er geconstateerd en hoeveel en welke maatregelen zijn hiervoor opgelegd?
Het is niet bekend hoeveel diertransporten hebben plaatsgevonden in 2019 en 2020; van nationale diertransporten wordt geen registratie bijgehouden.
In 2019 hebben 1750 inspecties plaatsgevonden op diertransporten, waarvan een deel administratief is uitgevoerd. Bij deze inspecties waren 679 niet akkoord; bij 544 ervan zijn dierenwelzijnsovertredingen geconstateerd. De overtredingen m.b.t. dierenwelzijn zijn als volgt afgedaan: 31 mondelinge waarschuwingen, 427 schriftelijke waarschuwingen, 64 rapporten van bevindingen die tot een bestuurlijke boete hebben geleid en 22 processen-verbaal.
De resultaten met betrekking tot 2020 zijn op dit moment nog niet geanalyseerd.
Hoeveel meldingen zijn er in 2019 en 2020 gedaan door Duitse of Belgische instanties over zieke en kreupele dieren die vanuit Nederland naar deze landen zijn geëxporteerd en op welke wijze zijn deze meldingen opgevolgd?
Vanuit Duitsland zijn in 2019 en 2020 respectievelijk 43 en 40 meldingen binnengekomen. Dit betrof respectievelijk 22 en 17 meldingen van «mishandeling of verwaarlozing». Vanuit België zijn in 2019 en 2020 15 respectievelijk 13 meldingen binnengekomen. Dit betrof respectievelijk 14 en 9 meldingen van «mishandeling of verwaarlozing dieren».
Alle meldingen worden geregistreerd en teruggekoppeld naar de betrokken teams en de certificerende dierenartsen wordt gevraagd om een verklaring op te maken. Afhankelijk van de melding worden deze ook doorgezet voor het opleggen van eventuele maatregelen bij bedrijf van herkomst, organisator van transport, transporteur of chauffeur, indien daar aanleiding en voldoende bewijs voor is.
Indien er een melding vanuit het buitenland komt dat het welzijn van de dieren bij aankomst niet in orde is, betekent dit niet altijd dat de dieren niet transportwaardig zijn bij exportcertificering voor het vertrek. De toestand van dieren kan verslechteren tijdens het transport door allerlei oorzaken.
De bevindingen en eventuele opvolging wordt vervolgens teruggekoppeld naar de meldende lidstaat. Deze meldingen zijn verder gebruikt voor het selecteren van verzamelcentra voor intensiveren van het toezicht (onder andere 4-ogen principe). De meldingen zijn daarnaast opgenomen in het dossier van vervoerder ter dossiervorming. In alle gevallen zijn de meldingen, inclusief beeldmateriaal, gebruikt als intervisie voor de certificerende dierenartsen om de uniformiteit van de beoordeling van transportwaardigheid te bevorderen.
Erkent u dat het houden van dieren op zo’n manier dat er sprake is van diepe ingroei door banden waardoor dieren het uitkrijsen van de pijn, onverantwoord is en deelt u de mening dat hier een houdverbod op zijn plaats is voor de betreffende varkenshouder? Zo nee, waarom niet?
De oorzaak van het letsel is op basis van de beelden niet vast te stellen.
Daarbij is, zoals reeds genoemd bij vraag 4, de identiteit van de dieren, en het bedrijf van herkomst op basis van de beelden niet vast te stellen.
Erkent u dat de conditie van de zeugen aanleiding vormt voor een bezoek aan het bedrijf van herkomst? Zo ja, gaat u hier ook voor zorgdragen? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf van herkomst van de dieren op de beelden van Eyes on Animals is niet bekend, en op basis van de beschikbare gegevens niet te achterhalen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden binnen de gebruikelijke termijn?
Ik heb mij ingespannen de beantwoording binnen de gestelde termijn gereed te hebben.
De structurele mishandeling van honden in training bij leden van de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV). |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de aflevering van Zembla van 11 maart 2021, waarin te zien was dat honden in training bij leden van de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV) nog steeds worden mishandeld, onder andere door schoppen, stokslagen en met stroomapparatuur?1
Ja.
Erkent u, nu in drie jaar tijd in vier televisieprogramma uitgebreid aandacht is besteed aan grove misstanden tijdens de training van toekomstige politiehonden door de KNPV, dat hier sprake is van structurele en ernstige misstanden en dat de situatie anno 2021 niet is verbeterd ten opzichte van 2018? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat structurele problemen vragen om structurele oplossingen en bent u bereid deze op korte termijn te nemen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?2, 3, 4, 5
Iedere vorm van dierenmishandeling is er een teveel. De berichten in de media schetsen een beeld van jarenlange, structurele misstanden. Ikzelf kan alleen afgaan op de gegevens zoals die bekend zijn bij de politie. Op basis daarvan zijn de omvang van het thema en daarmee het structurele karakter niet te duiden.
Er zijn bij de politie meldingen bekend die, net als de beelden uit de uitzendingen, wijzen op enkele van de 300 bij de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging (hierna: KNPV) aangesloten verenigingen. Naar aanleiding van die meldingen is telkens actie ondernomen.
Kunt u in detail aangeven welke maatregelen u getroffen heeft naar aanleiding van de uitzendingen van Rambam, Undercover in Nederland en beide uitzendingen van Zembla? Kunt u aangeven welke maatregelen u genomen heeft naar aanleiding van de Kamervragen (Kamerstuk die daarover gesteld zijn?6, 7
Zoals ik u in mijn beantwoording van uw schriftelijke vragen van 26 oktober 2020 reeds heb gemeld, heeft de politie naar aanleiding van de beelden in het tv-programma «Undercover in Nederland» een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.8 Dit onderzoek loopt nog.
Naar aanleiding van de recente uitzending van Zembla wordt door de politie, in opdracht van het Openbaar Ministerie (OM), onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
De politie wil geen honden afnemen van africhters die niet in staat zijn gebleken honden op een diervriendelijke wijze te trainen. Bij de selectie van een geschikte hond worden met individuele africhters afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een koopcontract. Mocht blijken dat een africhter zich niet aan deze afspraken houdt, dan wordt de relatie met deze africhter per direct verbroken. Daarnaast wordt door de politie onderzocht of het contract kan worden aangevuld met een boeteclausule.
Tevens heb ik de politie gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen waaruit blijkt dat de honden met dieronvriendelijke methoden zijn getraind of afgericht.
Bent u bereid de relatie tussen de politie en andere overheidsinstanties en de KNPV en haar leden onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
De politie betrekt, evenals andere overheidsinstanties die met honden werken, honden van particuliere hondentrainers waarvan wordt verwacht dat deze de honden middels diervriendelijke methoden hebben afgericht en getraind. De KNPV heeft 300 aangesloten verenigingen met ieder vele aangesloten hondentrainers en bijbehorende getrainde honden. De genoemde misstanden maken niet dat ik de conclusie trek dat de algehele relatie met de KNPV en al haar leden moet worden opgeschort. Uiteraard worden geen honden afgenomen van trainers waarvan bekend is dat zij aversieve trainingsmethoden gebruiken. Wel is door mijn departement extra benadrukt dat ook van de koepelorganisatie wordt verwacht dat zij een actievere rol gaat vervullen in het tegengaan van misstanden bij de training van honden door leden van aangesloten verenigingen. Inmiddels heb ik van de voorzitter van de KNPV begrepen dat vorig jaar al stappen in die richting zijn genomen.
Bent u bereid de export van politiehonden die getraind zijn door leden van de KNPV met onmiddellijke ingang te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Juridisch is het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen leden en niet-leden van de KNPV bij de export van politiehonden.
Wat vindt u ervan dat in het keuringsreglement van de KNPV staat dat honden met een stok mogen worden geslagen en dat beschreven staat hoe die stokslagen het beste kunnen worden toegediend, zoals «de stokslag moet bij voorkeur gegeven worden van voren naar achteren over de rug van de hond»? Betekent dit volgens u dat dierenmishandeling structureel deel uitmaakt van de training van politiehonden door de KNVP? Zo nee, waarom niet?8, 9
De KNPV is een zelfstandige, private vereniging voor de sport met en de training van honden en heeft ruim 300 aangesloten verenigingen. Bij een dergelijke organisatie past het niet dat er met stokslagen wordt getraind.
De KNPV heeft aangegeven dat in het keuringsreglement staat dat bij één oefening een dragelijke stokslag mag worden gegeven, die niet gericht mag zijn op de poten of kop van de hond. De daarbij gebruikte «stok» moet een wilgenteen zijn die eenvoudig breekt bij geringe weerstand.
Bij de politie in gebruik zijnde honden worden wel getraind op het kunnen omgaan en weerstaan van soms gewelddadig gedrag van personen. Dit is noodzakelijk om te testen of de hond moedig is en weerstand kan bieden aan op de hond uitgeoefend geweld bij het uitvoeren van de politietaak.
Wat vindt u ervan dat het veroordeelde lid van de KNVP in de uitzending van Zembla van 11 maart 2021 stelt dat het mishandelen van de honden op trainingen door zeker 90% van de leden van de KNPV gebeurt, maar dat er slechts enkele leden veroordeeld zijn, omdat in die gevallen de mishandelingen toevallig gefilmd zijn? Hebt u aanwijzingen om aan deze uitspraak te twijfelen? Zo ja, waarom?
Ik heb geen bewijs dat deze uitspraak klopt. Als de betreffende persoon beschikt over informatie dat leden van de KNPV dieren mishandelen, roept de politie hem op om daarvan aangifte doen en/of dit te melden bij het hoofdbestuur van de KNPV zodat actie ondernomen kan worden. Als aangifte wordt gedaan, onderzoekt de politie deze en kan het OM op basis daarvan besluiten om een onderzoek in te stellen en bij voldoende bewijskracht tot strafvervolging overgaan.
Vindt u uw vertrouwen in de KNPV om de structurele dierenmishandeling onder hun leden effectief aan te pakken nog gerechtvaardigd?
De context van de vraag die tijdens de uitzending werd getoond was anders dan in uw vraag wordt aangegeven. De nieuwe voorzitter van de KNPV kwam aan het woord en gaf aan op te treden zodra bij hem misstanden van dierenmishandeling bekend werden. Ik heb geen reden om aan deze uitspraak te twijfelen.
Vindt u uw vertrouwen dat dierenmishandeling wordt gemeld bij de KNPV dan wel bij de politie of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog gerechtvaardigd in het licht van de uitspraak van de voorzitter van de KNPV dat hij sinds zijn aantreden in augustus 2020 geen meldingen van dierenmishandeling heeft gehad, maar dat een KNPV zonder dierenmishandeling «een illusie zou zijn»?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel meldingen over dierenmishandeling door leden van de KNPV zijn er bij de politie of NVWA binnengekomen in het afgelopen jaar?
Uit de politiegegevens is niet te herleiden of een geval van dierenmishandeling al dan niet een relatie heeft met de KNPV.
Bent u bereid actief en regelmatig te gaan controleren en handhaven bij alle leden van de KNPV?
De afweging aangaande nut en noodzaak voor het organiseren van toezicht en handhaving vindt vooral lokaal plaats op basis van de signalen die de politie bereiken. Ik hoop ook dat iedereen die getuige is van mishandeling van dieren dit meldt bij de politie, ongeacht of dit hondentrainers, politiemensen of anderen zijn. Daarnaast heb ik de politie gevraagd meer aandacht te hebben voor signalen van mishandeling bij de afname van honden.
Klopt het dat medewerkers van de politie bestuursfuncties bekleden bij KNPV aangesloten verenigingen? Vindt u deze functies verenigbaar? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid om het politiemedewerkers te verbieden om bestuursfuncties te bekleden bij de KNPV?
Het is mij bekend dat sommige medewerkers van de politie in privétijd bestuursfuncties bekleden bij enkele bij de KNPV aangesloten verenigingen. Daaruit vloeit wat mij betreft geen sterke verwevenheid voort tussen de politie en een vereniging. Het staat individuele politiemensen vrij om in privétijd lid te zijn van een vereniging of daar een bestuursfunctie te bekleden, mits geen sprake is van belangenverstrengeling en deze functies een goede uitvoering van de taken als politieambtenaar niet belemmeren.
Klopt het dat de politie weet van de mishandelingen bij de Brabantse KNPV-vereniging, zoals de voorzitter van deze vereniging zegt? Wat vindt u daarvan?
De plaatselijke politie heeft drie meldingen ontvangen van mogelijke dierenmishandeling bij die vereniging. Na twee van die drie meldingen zijn politiemedewerkers bij die vereniging gaan kijken, maar er was geen bewijs van strafbare feiten te vinden. De politie heeft meer meldingen ontvangen ten aanzien van die vereniging, maar deze hadden te maken met andere zaken, zoals door omwonenden ervaren overlast en mogelijke niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden door die vereniging.
Naar aanleiding van de door u genoemde tv-uitzending is de politie in overleg met het Openbaar Ministerie om te bezien of er voldoende aanleiding is voor een strafrechtelijk onderzoek. De uitkomst daarvan is nog niet bekend.
Hoe ver bent u met het verkennen van de mogelijkheid van een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden?
Vanuit Defensie en politie is de wens geuit om de mogelijkheid van een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden te verkennen. Gesprekken daartoe hebben reeds plaatsgevonden. Vanwege de maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus is deze ontwikkeling echter vertraagd.
Bent u in de tussentijd bereid politiehonden alleen nog te kopen van enkele gecontroleerde, geregistreerde en gecontracteerde leveranciers?
De politie schaft geen honden meer aan van africhters die gebruik maken van aversieve trainingsvormen. Daar wordt aandacht aan besteed bij de aanschaf. Mocht de politie ontdekken dat een particulier waarvan honden worden gekocht de dieren tijdens het africhten en trainen mishandelt, dan wordt de relatie met de betreffende particulier direct beëindigd. Zoals gezegd heb ik de politie daarnaast gevraagd om bij de aanschaf van honden, meer aandacht te hebben voor signalen dat de honden tijdens het africhten of bij de training zijn mishandeld.
De politie onderzoekt tevens of het mogelijk is om het koopcontract aan te scherpen met een boeteclausule. De boeteclausule zou moeten inhouden dat als na de koop blijkt dat de hond niet overeenkomstig de afspraken is getraind, de africhter dan een boete kan worden opgelegd.
Vindt u het ook zorgwekkend dat de politie en andere overheidsinstanties waarschijnlijk veel honden in dienst hebben die tijdens hun training mishandeld zijn?
Het aankoopbeleid van de politie is erop gericht om alleen honden af te nemen die middels diervriendelijke methoden zijn afgericht en getraind. Ik heb geen reden om aan te nemen dat veel van die honden tijdens hun training mishandeld zouden zijn.
Bent u bereid het verbod op het gebruik van stroomapparatuur bij honden die worden opgeleid door leden van de KNPV actief en regelmatig te gaan controleren en handhaven? Zo nee, hoe weet u dan zeker dat er geen honden meer zullen worden aangeschaft die met stroom getraind zijn?10
Dat gebruik van stroomapparatuur bij de training van honden ongewenst is, hoort in eerste instantie een opvatting te zijn in de trainingsomgeving. Verenigingen dienen hierin een actieve rol te kiezen. Gebruik van stroomapparatuur is nog niet verboden. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om een dergelijk verbod in te stellen. Vooruitlopend hierop worden al geen honden meer afgenomen die zijn getraind met gebruik van een stroomband
Vindt u nog steeds dat de politiehond omschreven kan worden als een «doelmatig wapen» als de training van de honden enerzijds gepaard gaat met structureel geweld tegen de dieren als stokslagen, schoppen en slaan en het gebruik van stroombanden en als tegelijk blijkt dat de politiehond, wanneer deze wordt ingezet als geweldsmiddel, in veel gevallen niet meer loslaat en de arrestant vaak ernstig verwondt? Zo ja, kunt u uitleggen wat daar doelmatig aan is?
Ja, de surveillancehond is een doelmatig geweldsmiddel. De aanname dat de training van de honden bij de politie gepaard gaat met structureel geweld en gebruik van stroombanden herken ik niet. De tv-uitzendingen hieromtrent laten een aantal incidenten zien, verspreid over meerdere jaren. Dit laat onverlet dat de unieke vaardigheden van een surveillancehond er zorg voor dragen dat het dier doelmatig kan worden ingezet in het belang van een veilige samenleving. Er is (nog) geen vergelijkbaar vervangend geweldsmiddel beschikbaar.
Bent u inmiddels bereid om een breed onderzoek te laten verrichten naar de doelmatigheid en wenselijkheid van de inzet van politiehonden als geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
De politie zal uiterlijk in 2026 de geweldsmiddelen onder het niveau van het vuurwapen evalueren. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de inzet van de surveillancehond als geweldsmiddel.
Welke alternatieven voor de inzet en het gebruik van politiehonden onderzoekt u?
In mijn eerdere beantwoording van Kamervragen van het lid Wassenberg (PvdD) heb ik gemeld dat de politie heeft aangegeven dat zij relevante ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van honden als geweldsmiddel continu in de gaten houdt.12 Er is tot op heden nog geen geschikt alternatief voor de inzet van honden ten aanzien van crowd control, crowd management en riot control. In die situaties werkt de inzet van deze dieren – meer dan elk ander middel – de-escalerend.
Het bericht 'Politiehonden in opleiding nog steeds mishandeld' |
|
Arne Weverling (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiehonden in opleiding nog steeds mishandeld»?1
Ja.
Kent u de signalen van mishandeling van politiehonden bij de Brabantse Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging (KNPV), een private opleider, waarbij de honden worden geslagen met een stok, slipkettingen worden gebruikt en ook een veedrijver wordt ingezet? Zo ja, wat heeft u gedaan nadat deze signalen bij u bekend werden?
Ik ken geen andere signalen dan die tijdens de door u genoemde tv-uitzending zijn getoond of die bekend zijn bij de politie. Op grond van deze uitzending wordt door de politie, in opdracht van het Openbaar Ministerie (OM), onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heb ik de politie gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen dat bij de training en africhting van honden dieronvriendelijke methodes zijn gebruikt.
Klopt het dat deze incidenten met mishandeling van politiehonden niet op zichzelf staan, maar dat het nog altijd op grote schaal voorkomt? Zo ja, kunt u aangeven hoe groot de omvang van deze praktijk is dan wel hoe vaak u signalen heeft ontvangen?
Iedere vorm van dierenmishandeling is er een teveel. De berichten in de media schetsen een beeld van jarenlange, structurele misstanden. Ikzelf kan alleen afgaan op de gegevens zoals die bekend zijn bij de politie. Op basis daarvan wordt niet de indruk gewekt dat het hier gaat om een structureel probleem.
De KNPV is een zelfstandige private vereniging voor de sport met en de training van honden en heeft ruim 300 aangesloten verenigingen. De opleidingsterreinen bevinden zich om verschillende redenen over het algemeen op besloten locaties. Onafhankelijke waarnemingen van de gebruikte omgangs- en trainingsvormen zijn daardoor moeilijk te realiseren.
Er zijn bij de politie meldingen bekend die, net als de beelden uit de uitzendingen, wijzen op één van die verenigingen. Zoals gezegd wordt naar aanleiding daarvan onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat de inzet van stokslagen, slipkettingen en het gebruik van veedrijvers onacceptabel is bij het trainen van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Ja, bij het trainen van honden is het slaan met kettingen, gebruik van veedrijvers en de structurele inzet van stokslagen onacceptabel. Bij de politie in gebruik zijnde honden worden wel getraind op het kunnen omgaan en weerstaan van soms gewelddadig gedrag van personen. Hierbij wordt gebruik wordt gemaakt van een droge, dunne (pink-dikte) «stok» die bij het raken van de hond breekt. Daarbij mag niet worden gericht op poten of kop. Dit is noodzakelijk om te testen of de hond moedig is en weerstand kan bieden aan op de hond uitgeoefend geweld bij het uitvoeren van de politietaak.
Kunt u toelichten of de politie aanwijzingen heeft gehad dat politieagenten weet hadden van mishandeling bij deze private organisaties en geen meldingen hebben gemaakt, aangezien de politie terecht stelt dat het «onwenselijk (is) als er politiemensen zijn, die weet hebben van mishandelingen binnen de KNPV en dat niet melden»? Zo ja, welke maatregelen zijn tegen deze agenten getroffen?
De politie heeft geen aanwijzingen dat politieagenten weet hadden van de mishandelingen. Wel zijn externe meldingen ontvangen van mogelijke dierenmishandeling bij een vereniging. Naar aanleiding daarvan zijn politiemedewerkers bij de vereniging gaan kijken. Daar zijn toen geen bewijzen voor strafbare feiten gevonden. Zoals gezegd wordt naar aanleiding van de uitzending van Zembla op dit moment onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
Is inmiddels in koopcontracten tussen de politie en aanbieders van politiehonden vastgelegd dat een boete wordt opgelegd indien de honden niet volgens de afspraken getraind zijn? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd?
De politie onderzoekt of het mogelijk is om het koopcontract aan te scherpen met een boeteclausule. De boeteclausule zou moeten inhouden dat aan de africhter een boete kan worden opgelegd, als na de koop blijkt dat de hond niet overeenkomstig de afspraken is getraind.
Wordt bij geconstateerde mishandeling van politiehonden de verkopende partij geschrapt van de lijst van partijen waarbij politiehonden gekocht kunnen worden door de politie? Zo nee, hoezo niet?
Ja, indien een africhter is veroordeeld vanwege dierenmishandeling, of bij de politie bekend is dat een africhter dieronvriendelijke methodes gebruikt, neemt de politie van deze africhter geen honden meer af. Daarnaast heb ik de politie zoals gezegd gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen dat bij de training en africhting van honden dieronvriendelijke methodes zijn gebruikt.
Wordt bij geconstateerde mishandeling van politiehonden tijdens hun training altijd aangifte gedaan tegen de trainer/verkopende partij? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd? Zo nee, hoezo niet?
Dat kan ik niet beoordelen. Als een strafbaar feit wordt geconstateerd, kan daar door iedereen aangifte of melding van worden gedaan. Als de politie zelf een strafbaar feit constateert, wordt vanzelfsprekend opgetreden. Als iemand anders dat constateert en dit meldt, adviseert de politie om aangifte te doen. Dit is voor de politie noodzakelijk om een onderzoek te kunnen instellen.
Deelt u de mening dat organisaties die herhaaldelijk worden gestraft voor het mishandelen van honden bij de training een houdverbod opgelegd moeten krijgen? Zo ja, bent u bereid deze mogelijkheid in de wet op te nemen?
Een houdverbod kan alleen opgelegd worden aan houders van dieren. De KNPV is geen houder maar slechts een overkoepelende organisatie waar men lid van kan zijn.
Het gebrek aan maatregelen tegen de gezondheidsrisico’s van de geitenhouderij |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat al zeker tien jaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend is dat omwonenden binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij 40 tot 60% meer risico lopen om longontstekingen te krijgen, aangezien dit naar voren is gekomen bij onderzoeken in 2011, 2016, 2017 en 2019?1, 2, 3, 4
In opdracht van het kabinet wordt sinds 2009 onderzoek uitgevoerd naar de effecten van veehouderij op de gezondheid van omwonenden. Het programma Veehouderij en Gezondheid is erop gericht meer kennis te krijgen over de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Het programma bestaat uit verschillende deelonderzoeken. Het eerste onderzoek «Intensieve Veehouderij en Gezondheid» (IVG) richtte zich op de vraag of er ziekten waren die in de omgeving van de veehouderijen vaker voorkwamen dan daarbuiten. Daarna startte het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). Sinds januari 2018 is het programma Veehouderij en Gezondheid en Omwonenden III (VGO-III) gestart.
De Kamer is steeds geïnformeerd bij publicatie van rapporten over dit onderzoek.5, 6, 7, 8
In het IVG onderzoek (2011) is voor het eerst aangetoond dat er een verhoogd risico op longontsteking is voor omwonenden van intensieve veehouderijen (1). Dit effect werd met name gezien rondom geitenhouderijen en pluimveehouderijen. De gevonden associatie was deels gerelateerd aan de Q-koortsuitbraak.
In het eerste VGO rapport (2016) is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Dit onderzoek toonde aan dat er ook na de Q-koortsuitbraak (2007–2010) nog steeds meer longontstekingen in het onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Limburg) voorkwamen dan in het controlegebied, maar het verschil wel kleiner is geworden (2). In juni 2017 kwam het tweede VGO rapport «aanvullende studies» uit. Een aantal resultaten zijn met dit rapport extra bevestigd. Rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009–2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten met longontsteking in het hele gebied (3). Binnen het gebied was het risico op longontsteking duidelijk hoger bij omwonenden binnen een straal van 2 km van een geitenstal (29% hoger).9
In 2019 is een laatste rapport uitgekomen waarin het eerdere onderzoek is uitgebreid met een onderzoeksgebied met intensieve veehouderij in Utrecht, Gelderland en Overijssel en een controlegebied met geen/weinig intensieve veehouderij (verspreid over het hele land). Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderij meer longontstekingen voorkomen. Dit heeft waarschijnlijk meerdere oorzaken, waarvan de nabijheid van veehouderijen er mogelijk één is. In het onderzoeksgebied in Utrecht, Gelderland en Overijssel is dit ongeveer 1.800 patiënten per 100.000 inwoners. Dat komt neer op een verschil van 40% na correctie voor leeftijdsopbouw, geslacht en andere factoren die van invloed kunnen zijn. Longontsteking komt in Utrecht, Gelderland en Overijssel iets minder vaak voor dan in het eerdere VGO-onderzoeksgebied in Noord-Brabant en Limburg. In het VGO-gebied hebben ongeveer 1.900 patiënten per 100.000 inwoners een longontsteking. Dat komt neer op een gecorrigeerd verschil van 50–60% ten opzichte van het controlegebied.
Het verband is sterker als mensen dichter bij een geitenhouderij wonen. Mensen die in het onderzoeksgebied binnen twee kilometer van een geitenhouderij wonen, hadden gemiddeld een 25% hogere kans op longontsteking dan mensen die in hetzelfde gebied op meer dan 2 km van een geitenhouderij wonen.
Het is onduidelijk waardoor de extra longontstekingen worden veroorzaakt. In theorie kan dat door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönosen), of doordat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die bij veehouderijbedrijven vrijkomen, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak.10
Kunt u bevestigen dat dit gaat om in totaal 1,7 miljoen Nederlanders?
Het aantal van 1,7 miljoen is naar schatting het aantal inwoners dat binnen een straal van 2 km van een geitenbedrijf woont.11
Heeft u vernomen dat een microbioloog en zoönose-expert van het RIVM vermoedt dat deze longontstekingen worden veroorzaakt door een nieuwe zoönose, een van dier op mens overdraagbare ziekte?5
In het betreffende artikel wordt de coördinerend onderzoeker van het VGO-III programma van het RIVM aangehaald, die in een interview heeft gezegd dat het mogelijk om een nieuwe zoönose zou kunnen gaan. Dit is een hypothese, die niet bevestigd is door onderzoeksresultaten.13 Er komt meer longontsteking voor bij omwonenden van geitenhouderijen, de oorzaak hiervoor wordt op dit moment onderzocht. Als de oorzaak bekend is wordt gekeken welke risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden.
Kunt u bevestigen dat u na het verschijnen van het laatste onderzoeksrapport in 2019 het volgende vervolgonderzoek heeft aangekondigd, dit keer naar de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen, en dat u dit onderzoek afwacht om te bepalen of maatregelen nodig zijn?
Het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III bestaat uit een serie vervolgonderzoeken, die erop gericht zijn om meer inzicht te verkrijgen in de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen. Een van deze vervolgonderzoeken betrof het rapport «Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Utrecht en Overijssel», wat in 2019 is afgerond en op 24 april 2020 naar uw Kamer is verstuurd (Kamerstuk 28 973, nr. 237). Andere vervolgonderzoeken binnen VGO-III zijn in gang gezet in 2019. Op 9 maart 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze vervolgonderzoeken (Kamerstuk 28 973, nr. 241). Het kabinet laat deze vervolgonderzoeken uitvoeren om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. De afgelopen jaren hebben diverse provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Holland) vanuit het voorzorgsprincipe een moratorium ingesteld om uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincies. Het kabinet ondersteunt deze maatregelen (Kamerstuk 28 973, nr. 237, 24 april 2020).
Kunt u bevestigen dat dit onderzoek is vertraagd en pas eind 2024 is afgerond?6
In de Kamerbrief van 9 maart jl. (Kamerstuk 28 973, nr. 241) is aangegeven dat de planning van de vervolgonderzoeken een flinke vertraging oploopt wegens de COVID-19 crisis en dat het totale VGO-III onderzoek daarom pas in 2024 zal worden afgerond. VGO-III bestaat uit een serie onderzoeken, waaronder twee epidemiologische analyses van huisartsengegevens, een retrospectieve en prospectieve patiëntenstudie, een onderzoek bij geitenhouders en een onderzoek op geitenhouderijen. De belangrijkste reden dat het onderzoek vertraging oploopt is dat er momenteel in heel Nederland veel minder patiënten met longontsteking worden gezien door huisartsen dan in voorgaande jaren in dezelfde periode. Dit heeft vermoedelijk te maken met de COVID-19 maatregelen. De inclusie van patiënten in de huisartsenstudie verloopt dus zeer traag. Daarnaast treedt vertraging op doordat het veldwerk (bedrijvenbezoek) momenteel geen doorgang kan vinden door aangescherpte COVID-maatregelen.
Herinnert u zich dat het feit dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wilde afwachten tot er sluitend wetenschappelijk bewijs was voor de oorzaak-gevolg relatie, nou juist één van de belangrijkste redenen is geweest dat de Q-koortsepidemie zo lang heeft kunnen voortduren en zoveel slachtoffers heeft kunnen maken voordat is ingegrepen?
Zoals in de kabinetsreactie op de evaluatie van de Q-koorts epidemie op de commissie van Dijk is aangegeven ging het bij Q-koorts om een vraagstuk waarbij veel onduidelijk was.15 Betrokken partijen hebben een gezamenlijk leerproces doorlopen, zowel wetenschappelijk, bestuurlijk als in de uitvoering. Bij de afweging van het al dan niet inzetten van maatregelen heeft de volksgezondheid altijd voorop gestaan, maar steeds bleef het moeilijk om in te schatten of een maatregel het gewenste effect voor de volksgezondheid zou hebben.
Waaruit blijkt dat het voorzorgsbeginsel voor u nu wel voorop staat?
De afgelopen jaren hebben diverse provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Holland) vanuit het voorzorgsprincipe een moratorium ingesteld om uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincies. Het kabinet heeft eerder aangegeven dit door de provincies ingezette beleid te ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 237, 24 april 2020). Omdat de oorzaak voor de verhoogde kans op longontsteking niet bekend is, kunnen nog geen gerichte, effectieve maatregelen worden getroffen op nationaal niveau.
Bent u op de hoogte van het feit dat het aantal geiten in de Nederlandse veehouderij na de Q-koortsepidemie tussen 2007 en 2020 bijna is verdubbeld van zo’n 320.000 naar ruim 630.000 geiten en dat deze aantallen zelfs zijn toegenomen in provincies die een «geitenstop» hebben afgekondigd vanwege de risico’s voor de volksgezondheid?
Volgens cijfers van het CBS gaat het inderdaad bijna om een verdubbeling van het landelijk aantal geiten in 12 jaar tijd.16 Sinds het invoeren van beperkende maatregelen op provincie-niveau is de toename veel minder. De stijging was 7,5% landelijk van 2018 tot 2020. De beperkende maatregelen werden ingevoerd in 2017 in Noord-Brabant, Gelderland en in 2018 in Overijssel en Limburg, Z- en N-Holland. Sinds deze moratoria zijn ingesteld is het aantal melkgeiten nog licht toegenomen op basis van vergunningen, die nog voor de verboden waren afgegeven.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit aantal nog altijd verder kan groeien zolang er voor geiten geen zogenaamd productierechtenstelsel wordt ontwikkeld dat een grens stelt aan het aantal dieren in een bepaalde sector, zoals dit wel bestaat voor de varkenshouderij, pluimveehouderij en melkveehouderij?
De omvang van de melkvee-, varkens- en pluimveehouderij worden begrensd door het stelsel van productierechten uit de Meststoffenwet. Invoering van een productierechtenstelsel in de geitenhouderij is mogelijk, maar dan moet ook gekeken worden naar de grondslag. Daartoe kunnen ook de resultaten van het lopende onderzoek gebruikt worden.
Heeft u vernomen dat er nertsenfokkers zijn die nu geiten willen gaan aanschaffen om geitenmelk te gaan produceren, nu het fokken met nertsen is verboden, zoals in Rinsumageest (Friesland), waar de provinciale geitenstop is opgeheven?7
Er zijn berichten in de pers geweest dat nertsenfokkers over willen gaan op het houden van geiten. Het houden van nertsen is vanaf januari 2021 verboden. Voormalig nertsenhouders staat het uiteraard vrij om zich te oriënteren op de toekomst. Daar valt ook het starten van een nieuw bedrijf onder. Een eigenaar dient daarbij vanzelfsprekend aan alle regelgeving – lokaal, regionaal, nationaal en Europees – te voldoen. Het instellen van een moratorium is de bevoegdheid van de provincie. In de provincies Noord-Brabant, Limburg en Gelderland, waar de meeste nertsenhouders zaten, is een moratorium ingesteld.
Is het bij u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend of er tevens plannen zijn om een nieuwe megastal met bijna 2.000 geiten te gaan bouwen bij een woonwijk in Boijl (Friesland), op 200 meter afstand van woonhuizen?8
De vergunningverlening voor het bouwen van een nieuwe stal betreft een provinciale/lokale bevoegdheid, waar de rijksoverheid niet bij betrokken is. In Friesland is geen «geitenstop» ingesteld. In algemene zin geldt dat er een «Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» is opgesteld. Deze handreiking is bedoeld om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden.19 De GGD heeft, in gevallen dat er mogelijk een verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat, een rol als adviseur naar het bevoegd gezag. De handreiking bevat een stroomschema, waaruit volgt in welke gevallen er een GGD-advies moet worden opgevraagd. In het geval van de ontwikkeling van een geitenhouderij, waarbij zich binnen een straal van 2 kilometer woon- en verblijfsruimten van derden bevinden (waar in Boijl volgens deze berichtgeving sprake van is), moet door het bevoegd gezag een GGD-advies worden opgevraagd. Dit advies wordt door het bevoegd gezag vervolgens meegenomen in haar afwegingen.
In 2011 is door GGD Nederland het standpunt naar buiten gebracht dat bij planontwikkeling (nieuwe huizen/gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) bij voorkeur een afstand van minimaal 250 meter wordt aangehouden tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen. Naar aanleiding van de resultaten van het VGO-onderzoek is de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen) vergroot naar 2 kilometer. De handreiking beschrijft dat het voorzorgsprincipe hier leidend dient te zijn.
Is het bij u of ambtenaren van uw ministerie bekend dat in de gemeente Enkhuizen onlangs, ondanks jarenlange bezwaren van onder andere het college vanwege verhoogde gezondheidsrisico’s, een omgevingsvergunning is afgegeven voor de komst van een nieuwe megastal met 2.000 geiten vlak naast een woonwijk?9
Zie het antwoord op de vorige vraag; de vergunningverlening betreft een provinciale/lokale bevoegdheid waar de rijksoverheid niet bij betrokken is. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen voeren in deze casus het bevoegd gezag. Het initiatief was op moment van indienen van de vergunningaanvraag niet in strijd met de op dat moment geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening. Dit betreft een nog lopende procedure. Recent zijn hier vragen over beantwoord op Provinciaal niveau.21
Wat vindt u van het feit dat de Minister van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit niets doet om deze explosieve groei van de geitenhouderij te stoppen?
De groei van de geitenhouderij lijkt op basis van de meest recente cijfers van het CBS af te vlakken (zie ook het antwoord op vraag 8). Diverse provincies hebben naar aanleiding van de resultaten van het VGO-onderzoek op basis van het voorzorgsprincipe moratoria ingesteld voor uitbreiding of nieuwvesting van geitenhouderijen. De bevoegdheid voor dergelijke maatregelen ligt bij de provincies. Het kabinet heeft eerder aangegeven dit door de provincies ingezette beleid te ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 241). Daarnaast laat het kabinet vervolgonderzoeken uitvoeren naar de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking voor omwonenden van geitenhouderijen. Het kabinet laat deze vervolgonderzoeken uitvoeren om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen.
Hoe voelt het voor u om politiek verantwoordelijk te zijn voor de gezondheidsrisico’s die hieruit voortkomen, wetende dat Nederland volgens deskundigen nog steeds niet is voorbereid op een nieuwe uitbraak van een dierziekte die op mensen overdraagbaar is?
Ik neem deze verantwoordelijkheid zeer serieus. Om die reden is er ook staand beleid gericht op het voorkomen van een nieuwe uitbraak van een zoönose en wordt dit beleid, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 februari jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 990) verder versterkt. Daarvoor verkennen we parallel aan de analyse die de expertgroep zoönosen uitvoert hoe de inzet in Europees en mondiaal verband kan worden geïntensiveerd en zetten we in op extra onderzoek. Bovendien evalueren we de zoönosenstructuur naar aanleiding van SARS-CoV-2 onder nertsen. Voor de zomer informeert het Kabinet de Kamer over de uitkomsten van deze trajecten.
Heeft u de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ooit gewaarschuwd voor deze risico’s en gevraagd om een einde te maken aan de groei van de geitenhouderij? Zo ja, wat was haar reactie? Zo nee, waarom niet?
De reeds uitgevoerde onderzoeken binnen het VGO-programma benadrukken het belang van inzicht in de oorzaak van het verhoogde risico op het oplopen van een longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen (Kamerstuk 28 973, nr. 240). Met de vervolgonderzoeken binnen VGO-III laat het kabinet onderzoek uitvoeren naar die oorzaak, om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. De Ministeries van VWS en LNV trekken hierin samen op.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de provinciale geitenstops ook in andere provincies worden opgeheven, nu het onderzoek «Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» pas eind 2024 zal worden afgerond?
Het instellen, opheffen of verlengen van een dergelijk moratorium is een bevoegdheid van de provincie, de rijksoverheid heeft hier geen zeggenschap over. De rijksoverheid heeft via een opdrachtgeversoverleg regelmatig contact met de onderzoekers, betrokken provincies en de geitensector. De provincies worden steeds geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en betrokken in de communicatie met de onderzoekers.
Bent u bereid om te besluiten om per direct een absolute stop in te stellen op de uitbreiding van geitenstallen en de komst van nieuwe geitenstallen? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid tot het instellen van een moratorium om de nieuwvesting en/of uitbreiding van geitenstallen tegen te gaan ligt bij de provincies. Diverse provincies hebben op basis van de resultaten van het VGO-onderzoek vanuit het voorzorgsprincipe maatregelen ingesteld. Zoals in de voorgaande antwoorden aangegeven, ondersteunt het kabinet deze maatregelen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Bij deze ontvangt u de antwoorden.
Het Ierse plan om dit voorjaar tienduizenden kalfjes op het vliegtuig te zetten naar Nederland |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de plannen van de Ierse autoriteiten om dit voorjaar tienduizenden jonge kalfjes op het vliegtuig te zetten naar Nederland?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Heeft u gezien dat dit plan voortkomt uit de kritiek op de verschrikkelijke diertransporten via boot en vrachtwagen die wel veertig uur kunnen duren, waarbij de piepjonge dieren, die nog afhankelijk zijn van melk, alleen toegang hebben tot water via drinknippels die ze vaak niet kennen?
De Ierse autoriteiten en de Ierse sector zijn op zoek naar alternatieven voor de lange transporten van kalveren die deels over de weg en deels met de veerboot worden afgelegd.
Deelt u de mening dat dit een bizar en onzalig plan is dat opnieuw zeer veel dierenleed met zich mee zal brengen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn zijn er zeker vraagtekens te zetten bij het plan om de duizenden kalveren die ieder jaar over de weg en met de veerboot uit Ierland worden vervoerd, in de toekomst met het vliegtuig naar Nederland te vervoeren. Ook al is de vluchtreis relatief kort, de kalveren moeten vanuit de melkveebedrijven en verzamelplaatsen in Ierland naar het vliegveld worden vervoerd en na de vlucht moeten ze vanaf een vliegveld in Nederland per wegtransport naar de bedrijven van bestemming. Dit past niet bij mijn inzet om ongespeende dieren, zoals deze jonge kalveren, alleen over korte afstanden te vervoeren. Daarnaast zijn er zorgen over de extra stressfactoren voor deze jonge dieren, zoals de laad- en losmomenten en onbekende geluiden, geuren en bewegingen die bij vliegverkeer horen.
Deelt u de mening dat het – ook vanuit klimaatoogpunt – volstrekt onverantwoord is om levende kalfjes naar Nederland te vliegen om ze hier vet te mesten en vervolgens na zes tot negen maanden als stukjes kalfsvlees weer naar China te vliegen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Vanuit klimaatoogpunt is het plan om de Ierse kalveren voortaan met het vliegtuig te vervoeren geen goed idee.
Heeft u gezien dat Ierland met deze «oplossing» ook u tegemoet denkt te komen, omdat Nederland, als importeur van zo’n 80.000 Ierse kalfjes per jaar, geldt als een cruciale afzetmarkt voor de kalfjes uit de Ierse melkveehouderij?
Dat kan uit de berichtgeving worden afgeleid. Het is echter geenszins het geval dat ik om de overstap naar vervoer met het vliegtuig heb verzocht.
Heeft u de Ierse autoriteiten al kenbaar gemaakt dat het transport van zeer jonge kalfjes per vliegtuig voor Nederland niet acceptabel is? Zo nee, waarom niet?
De zorgen die ik in mijn antwoord op vraag 3 noem, zijn overgebracht aan de Ierse autoriteiten zodra bekend werd dat hieraan wordt gewerkt. De Ierse autoriteiten begrijpen deze zorgen en zullen later dit jaar pilots uitvoeren om te onderzoeken wat de welzijnsimpact is van dergelijke transporten.
Bent u bereid om te besluiten om helemaal te stoppen met de import van kalfjes? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt u dit met uw kringloopvisie?
Ik heb de Nederlandse kalversector laten weten dat ik in het kader van verduurzaming van de sector van ze verwacht dat ze de import van kalveren waarbij de transportduur langer is dan 8 uur (zoals bij importen uit Ierland en de Baltische staten) wordt afgebouwd en uiteindelijk niet meer plaatsvindt. In EU-verband pleit ik voor een verbod op lange transporten van deze jonge kalveren. Een eventueel verbod zou namelijk op Europees niveau moeten worden geregeld.
Kunt u bevestigen dat de voortdurende groei van de Ierse melkveehouderij zorgt voor zo’n groot overschot aan kalfjes dat jaarlijks 30.000 stierkalfjes op een leeftijd van 10 dagen worden geslacht en nog eens 200.000 kalfjes op jonge leeftijd op transport worden gezet naar landen als Nederland?2
Deze berichten zijn me bekend.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Ierse autoriteiten over de noodzaak van het terugdringen van de Ierse melkveehouderij? Zo nee, waarom niet?
Dit is een systeemvraag die bij de Ierse sector en overheid ligt. Het is niet aan mij om met dit soort suggesties te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Brussel wil camera’s op schepen om vissers in de gaten te houden' |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brussel wil camera’s op schepen om vissers in de gaten te houden»?1
Ja.
Wat is uw eerste reactie op het bericht dat het Europees Parlement wil dat er camera’s op vissersschepen komen om te controleren of vissers zich wel aan de bijvangstregels houden?
Het Europees parlement heeft ingestemd met een amendement om vissersvaartuigen vanaf 12 meter lengte van camera’s te voorzien om op deze manier beter toe te zien op naleving van de aanlandplicht. De lidstaten buigen zich nog over een gezamenlijk standpunt, maar ook onder de lidstaten tekent zich een meerderheid af voor verplichte invoering van Remote Electronic Monitoring waar cameratoezicht onderdeel van is, maar dan alleen voor vaartuigen groter dan 24 meter. Het Portugees voorzitterschap streeft ernaar om in juni 2021 tot een Algemene Oriëntatie te komen over het voorstel van de EU Commissie voor een herziening van de Controleverordening waarin het toezicht op naleving van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid wordt aangescherpt.
De inzet van cameratoezicht en andere digitale handhavingstechnieken is een wereldwijde ontwikkeling, waarbij de Europese Unie als voorloper in de discussies over duurzame visserij, niet achter kan blijven. Het belang van de ontwikkeling van nieuwe technieken om de handhaving effectiever en efficiënter te maken, wordt ook onderstreept in het Noordzeeakkoord en de Kottervisie. Ik ben dan ook niet tegen camera’s aan boord. Zoals ik ook in de BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 2679) heb aangegeven, vind ik wel dat er voldoende tijd en ruimte moet zijn voor de lidstaten om met pilotprojecten eerst te onderzoeken of en op welke manier camera’s ook daadwerkelijk een effectief instrument zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving. Daarbij ben ik van mening dat er sprake moet zijn van een gelijk speelveld tussen de lidstaten, maar ook tussen de vlootsegmenten.
Bent u het ermee eens dat deze maatregel te ver gaat en de privacy van de vissers ernstig schaadt, ondanks dat gezichten eventueel onherkenbaar gemaakt kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 2679) en in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, vind ik dat er voldoende tijd en ruimte moet zijn voor de lidstaten om met pilotprojecten eerst te onderzoeken of en op welke manier camera’s en andere middelen voor Remote Electronic Monitoring effectief zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving.
Bent u zich ervan bewust dat de uitvoerbaarheid van de voorgestelde maatregel waarschijnlijk een groot probleem is, zoals in het artikel wordt gesteld door VisNed?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat er eerst gekeken moet worden naar andere innovatieve technologieën die wel werkbaar zijn?
Bij de uitwerking van de ambitie om de effectiviteit en efficiëntie van de handhaving op visserijmaatregelen te verbeteren door inzet van digitale toezicht- en handhavingstechnieken wordt gekeken naar verschillende technologieën. Naast onderzoek van de mogelijkheden van cameratoezicht, zet ik in op toepassing van bijvoorbeeld de blackbox voor continue monitoring van plaatsbepaling en motorvermogen en wordt gekeken naar de mogelijkheden van toezicht bijvoorbeeld via satellietbeelden of de inzet van drones.
Bent u trots op de Nederlandse visserij en vindt u dat we meer voor hen op zouden moeten komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier bent u voornemens voor hen op te komen? Welke concrete acties gaat u ten aanzien van het voorstel voor camera’s op vissersschepen ondernemen?
Ik ben zeker trots op de Nederlandse visserij, in het bijzonder het innovatief vermogen en aanpassingsvermogen aan een continu veranderende Noordzee en steeds hogere maatschappelijke eisen aan de visserijpraktijk. Er wordt veel van de vissers gevraagd ten aanzien van aanpassingen in het ruimtelijke gebied en verdere verduurzaming van de vangstmethoden. Een steeds grotere roep om transparantie van de visserijpraktijk op zee is een nieuwe ontwikkeling hierin. Concreet zet ik mij in de discussies in Brussel over cameratoezicht in voor een gelijk speelveld tussen lidstaten en vlootsegmenten en pleit ik voor voldoende tijd om met pilotprojecten te onderzoeken of en op welke manier camera’s ook daadwerkelijk een effectief instrument zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving. Tegelijkertijd werken de lidstaten van de Scheveningengroep gezamenlijk aan de opzet van een pilotonderzoek om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van Remote Electronic Monitoring (waaronder cameratoezicht) voor toezicht en handhaving te onderzoeken. Ik hecht veel waarde aan die samenwerking in verband met de harmonisatie van het toezicht voor een gelijk speelveld.
Het bericht ‘Geen Q-koortsvergoeding voor een op de vijf slachtoffers' |
|
Tjeerd de Groot (D66), Antje Diertens (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen Q-koortsvergoeding voor een op de vijf slachtoffers»?1
Ja.
Is het u bekend dat ongeveer zeshonderd mensen die als Q-koortsslachtoffer een tegemoetkoming bij de regering hebben aangevraagd, die niet krijgen toegewezen?
Het is ons bekend dat de aanvraag voor een tegemoetkoming Q-koorts bij ongeveer zeshonderd mensen is afgewezen.
Hoe verklaart u het hoge percentage afwijzingen van twintig procent?
De tegemoetkoming is bedoeld voor patiënten en de nabestaande(n) van overleden patiënten die van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 in Nederland zijn besmet met Q-koorts. Een patiënt met chronische Q-koorts, QVS of een QVS gelijkend ziektebeeld kon een tegemoetkoming aanvragen. Dit geldt ook voor de nabestaande(n) van een patiënt die voor 1 oktober 2018 is overleden met chronische Q-koorts. Aanvragen, die niet voldoen aan deze voorwaarden, zijn afgewezen voor een tegemoetkoming. In totaal is 80% van de aanvragen toegewezen, wat neerkomt op meer dan 2000 mensen.
Klopt het dat u signalen heeft ontvangen van slachtoffers dat nadat zij stelden dat de voorwaarden voor een tegemoetkoming oneerlijk waren, de voorwaarden iets zijn versoepeld? Zo ja, hoe zijn de voorwaarden aangepast?
De beleidsregel is aangepast na overleg met uw Kamer.2 Ik heb u met een afzonderlijke brief van 9 juli 2019 (Kamerstuk 25 295, nr.70) geïnformeerd over de aanpassing van de beleidsregel voor de Q-koortstegemoetkoming.
Er is besloten om de voorwaarden van de tegemoetkomingregeling te verruimen. De periode van besmetting is verruimd, evenals de aanvraagperiode. Daarnaast zijn de ervaringen, die met de beleidsregel zijn opgedaan, gebruikt om de onverplichte financiële tegemoetkomingregeling te verbeteren. Zo bleek in de bezwaarfase dat mensen soms hun eigen diagnose niet goed beschreven. Hierdoor konden de artsen bij de bevestiging van de diagnose alleen «nee» antwoorden. Er is toen besloten om het formulier voor de artsen aan te passen, waardoor de artsen uitgenodigd werden om een toelichting te geven, indien het antwoord met «nee» werd ingevuld.
Hoe komt het dat nog steeds een op de vijf slachtoffers na het aanpassen van de voorwaarden buiten de boot valt?
Diegenen, die geen tegemoetkoming hebben gekregen, voldeden niet aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming.
Is het voor een Q-koortspatiënt altijd mogelijk om te achterhalen wanneer een besmetting heeft plaatsgevonden?
Het is voor een Q-koorts patiënt niet altijd mogelijk om precies te achterhalen op welke datum een besmetting heeft plaatsgevonden. Gezien de incubatietijd is wel aannemelijk te maken dat besmetting in een bepaalde periode heeft plaatsgevonden. Er is daarom voor de tegemoetkoming besloten om «bewijs» van besmetting op een bepaalde datum niet als voorwaarde te stellen. Wel is als voorwaarde gesteld dat de besmetting tijdens de Q-koortsuitbraak (1 januari 2005 tot en met 31 december 2012) moet hebben plaatsgevonden.
De aanvrager kon bij de aanvraag voor een tegemoetkoming zelf aangeven dat hij/zij aan de voorwaarden (langdurige klachten, een besmetting opgelopen tijdens de uitbraakperiode en een diagnose voor inwerkingtreding van de beleidsregel) voldeed. Een bevestiging hiervan door de opgegeven arts was afdoende.
Klopt het dat dit een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming?
Een voorwaarde om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming is dat de besmetting met Q-koorts opgelopen moet zijn tijdens de uitbraak. Deze grenswaarden voor «tijdens de uitbraak» zijn na overleg met uw Kamer verder verruimd, van 2007 t/m 2011 naar 2005 t/m 2012, om ook de periode in de aanloop en de nasleep van de uitbraak mee te nemen
Klopt het dat er slachtoffers zijn die de Q-koorts diagnose te laat kregen om aanspraak te kunnen maken op de tegemoetkoming? Zo ja, bent u bereid deze personen alsnog een tegemoetkoming aan te bieden?
Om aanspraak te kunnen maken op de tegemoetkoming moet aannemelijk zijn dat de besmetting is opgelopen tijdens de uitbraakperiode en daarnaast moet de diagnose voor de patiënten met QVS of een op QVS gelijkend ziektebeeld gesteld zijn voor inwerkingtreding van de beleidsregel namelijk 1 oktober 2018. Voor patiënten met chronische Q-koorts geldt de voorwaarde dat de diagnose gesteld moet zijn voor 1 oktober 2018 niet. Indien enige twijfel is over deze voorwaarden bij de opgegeven behandelend arts of twijfel over blijkt bij behandeling van de aanvraag, dan wordt het medisch dossier voorgelegd aan een onafhankelijke medische commissie, die daar vervolgens een advies over uitbrengt. Dit advies wordt betrokken bij het nemen van een besluit op de aanvraag. Deze onafhankelijke medische commissie heeft ook een rol gespeeld in de bezwaar- en beroepsprocedures.
Bent u bereid nogmaals naar de afgewezen aanvragen te kijken, zodat zeker is dat aanvragen niet onterecht zijn afgewezen?
Voor de afgewezen aanvragen heeft er bezwaar en beroep opengestaan. Dit is een zeer zorgvuldige procedure. De door u gevraagde controle of aanvragen niet onterecht zijn afgewezen is dus al uitgevoerd.
Het nieuws dat varkens overleden bij een val in een gierput |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen varkens vallen door vloer en belanden in gierput, aantal overleden»?1
Ja.
Bent u bereid om na te gaan wat de oorzaak is geweest van de vloerverzakking bij het betreffende bedrijf in Nunspeet?
Ja, ik heb navraag gedaan bij de gemeente Nunspeet. Vanuit de gemeente is aangegeven dat de oorzaak van de vloerverzakking niet onderzocht is en daarom onbekend is.
Hoe wordt bij inspecties van veehouderijen gecontroleerd op de veiligheid van stalvloeren, hoe vaak vinden deze inspecties gemiddeld plaats en hoeveel fte is hiervoor in totaal beschikbaar?
De constructieve veiligheid van gebouwen is geregeld in het Bouwbesluit 2012 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit besluit is ook van toepassing op stallen en daarin toegepaste stalvloeren. Er gelden zowel eisen voor nieuwe als bestaande gebouwen. Bij nieuwbouw is de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen verantwoordelijk dat voldaan wordt aan het Bouwbesluit. De gemeente is daarbij bevoegd gezag en beoordeelt de vergunning en kan toezicht houden op de bouw. Bij bestaande bouw is de eigenaar verantwoordelijk dat de stalvloeren voldoen. Er geldt daartoe een algemene zorgplicht voor de eigenaar. De gemeente kan hierop toezicht houden en handhaven, zij zijn bevoegd gezag. Gemeenten hebben beleidsvrijheid hoe zij invulling geven aan toezicht en handhaving.
Het Ministerie van SZW stelt via de wetgeving eisen aan het eerlijk, gezond en veilig werken. Inspectie SZW houdt toezicht op de naleving van die wetgeving via programmatische en risicogericht toezicht. De agrarische sector is een van de sectoren waar Inspectie SZW een apart programma voor heeft gezien de risico’s die er spelen. Het programma focust zich in 2021 op eerlijk werk in een aantal prioritaire deelsectoren zoals de glastuinbouw en open teelt zoals in het jaarplan 2021 is opgenomen. Verder gaat de Inspectie SZW via een campagne aanvullende aandacht geven aan de risico’s die het werken met mest met zich meebrengen bij veehouderijen. Inspectie SZW gaat daarnaast controleren in de rundvee- en varkenshouderij op onder andere de aanwezigheid van veiligheidsmaatregelen bij het mixen en verwerken van mest. Over de resultaten en effecten van de inzet van de Inspectie SZW zal uw Kamer via het jaarverslag van de Inspectie SZW worden geïnformeerd.
Bent u bereid om in aanvulling op uw onderzoek naar de veiligheid van emissiearme vloersystemen in de melkveehouderij tevens een risico-inventarisatie op te stellen voor andere veelvoorkomende vloersystemen in de veehouderij?2
Voor de gezondheid en veiligheid van werkenden is het aan de werkgever of zzp-er zelf om te bepalen wat de risico’s van het werk zijn onder andere door een risico inventarisatie en evaluatie (RI&E) te maken. Aan de arbeidsplaats zoals de stal worden naast de bouwwetgeving ook eisen gesteld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. De risico’s van vloersystemen, al dan niet met een mestput eronder, behoren onderdeel van de RI&E te zijn. De branche heeft een arbocatalogus opgesteld voor melkvee en graasdieren waarmee grote delen van de RI&E zijn ingevuld.
Het is aan de werkgever of zzp-er om voor de eigen specifieke situatie te beoordelen wat de risico’s zijn en welke maatregelen getroffen moeten worden om de risico’s weg te nemen of als dit niet kan om deze te beheersen. Het is aan de branche om een aanvulling op het onderzoek te maken als dit voor het opstellen van de RI&E voor gezond en veilig werken nodig is.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Varkens in Nood, dat onder meer vaststelde dat de brandweer in 2019 bijna vijf keer per week moest uitrukken voor meldingen van dieren die in mestputten belandden?3
Stallen en ook vloeren in stallen moeten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Het is bekend dat (stal)vloeren van beton kunnen worden aangetast door chemische stoffen uit onder andere mest. Zoals in mijn antwoord op vraag 3 aangegeven zijn de aanvrager van de omgevingsvergunning of de eigenaar verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen in het Bouwbesluit. Zij moeten er dus voor zorgen dat de gebouwen inclusief de vloeren in een goede staat verkeren.
Dat de brandweer regelmatig moet uitrukken voor meldingen dat dieren in mestputten zijn gevallen, betekent dat de staat van de vloer in die gevallen onvoldoende was. Zoals in mijn antwoord op vraag 3 aangegeven, kan de gemeente toezicht houden en handhaven. De gemeente heeft hierin beleidsvrijheid.
Kunt u per diercategorie registreren hoe vaak veiligheidsdiensten uitrukken voor meldingen omtrent dieren die door stalvloeren zakken of anderszins gewond raken bij incidenten met veehouderijvloeren, zowel bij emissiearme als bij «gangbare» stalvloersystemen?
Nee. In samenwerking met de veiligheidsregio's publiceert het Kenniscentrum Informatiegestuurde Veiligheid van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) iedere maand de Kerncijfers Incidenten van de brandweer in een online dashboard4. Incidenten worden niet op het gevraagde detailniveau geregistreerd.
Deelt u de mening dat diervriendelijke alternatieven zoals vrije uitloop, uitwendige mogelijkheden voor mestopslag en weidegang minder risico’s voor het dierenwelzijn met zich meebrengen dan het geval is bij reguliere huisvesting in stallen? Zo ja, bent u bereid om hier rekening mee te houden bij de uitvoering van de motie-Futselaar (Kamerstuk 28 286, nr. 1162) die vraagt om het stellen van verbeteringen van het dierenwelzijn en de brandveiligheid als harde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv)?4
Ja, de genoemde alternatieven kunnen het dierenwelzijn verbeteren. Op dit moment is het verbeteren van het dierenwelzijn en de brandveiligheid een rangschikkingscriterium in de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). De juridische uitwerking van de motie waarin het verbeteren van dierenwelzijn en brandveiligheid als harde voorwaarde wordt opgenomen om in aanmerking te komen voor de Sbv neem ik mee in de voorbereiding op de openstellingen van de Sbv vanaf de tweede helft van 2021. De voorwaarde moet namelijk juridisch vastgelegd kunnen worden en stand kunnen houden. Daarnaast moet dit op een juiste manier kunnen worden beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, die de subsidieregeling uitvoert en subsidies beschikt.
Het bericht 'Minister laat termijn verstrijken in rechtszaak over vergunningen garnalenvissers' |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister laat termijn verstrijken in rechtszaak over vergunningen garnalenvissers»?1
Ja.
Klopt de constatering dat u de termijn in rechtszaak over de natuurvergunningen van de garnalenvissers heeft laten verstrijken en dat daardoor het beroep van Natuurmonumenten gegrond is verklaard? Zo ja, waarom heeft u de termijn laten verstrijken?
Natuurmonumenten heeft hoger beroep aangetekend tegen de vergunningen die zijn verleend op grond van de Wet natuurbescherming, uitsluitend daar waar het gaat om de garnalenvisserij in het Natura 2000-gebied Westerschelde.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in een tussenuitspraak van 22 november 2020 geoordeeld dat deze vergunningen terecht zijn verleend, maar het Ministerie op het punt van cumulatie óók de eventuele effecten van de Belgische garnalenvisserij in dit gebied had moeten meewegen. Hiertoe heeft de Afdeling het Ministerie in de gelegenheid gesteld die aanvullende effectanalyse binnen de hoge beroepsprocedure in te zenden. Daarmee kon de Afdeling mogelijk direct zelf, finaal, in de zaak voorzien.
De gevraagde aanvulling kon vanwege de vereiste zorgvuldigheid in ecologische onderbouwing pas afgerond worden na het reeds verstrijken van de door de Afdeling gestelde termijn. Per abuis is niet tijdig om verlenging van de termijn verzocht. Opvolgend heeft de Afdeling de beroepsgronden op het punt van cumulatie gegrond verklaard.
Tegelijkertijd heeft de Afdeling het Ministerie alsnog in de gelegenheid gesteld de nieuw beslissingen op bezwaar te nemen met in achtneming van de uitspraak en tussenuitspraak op het punt van cumulatie. Dat zal zo spoedig mogelijk plaatsvinden.
Bent u voornemens om in de nieuwe termijn van acht weken wel een natuurtoets in te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u zich ervan bewust dat deze situatie zorgt voor grote onzekerheid onder de zes garnalenvissers en enkele producentenorganisaties? Zo ja, wat gaat u eraan doen om zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen?
Uitsluitend de beslissingen op bezwaar zijn vernietigd, de primaire besluiten – waarbij de vergunningen zijn verleend – zijn niet vernietigd. De nieuwe beslissingen op bezwaar zullen zo spoedig mogelijk genomen worden. Die besluiten zijn vervolgens rechtstreeks aanvechtbaar in hoger beroep. Ik erken dat daarmee de gewenste rechtszekerheid van de betrokken vissers langer op zich laat wachten. Dat betreur ik ten zeerste.
Vangletsel bij kippen |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de kritiek van de organisatie Wakker Dier op de aankondiging van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat deze strenger gaat handhaven op vangletsel bij kippen, maar de verboden vangmethode zelf ongemoeid laat?1
Ja.
Klopt het dat het conform de Europese Transportverordening verboden is om «dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent» bij het transport? Zo nee, hoe interpreteert u dit artikel dan?2
De EU-transportverordening3bepaalt dat het verboden is om dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen. In de EU-verordening inzake de bescherming van dieren bij het doden4 staat hetzelfde voorschrift, maar daar worden pluimvee, konijnen en hazen uitgezonderd van het verbod om dieren bij de poten op te tillen.
Het lijkt erop dat deze uitzondering mist in de transportverordening. In opdracht van de Europese Commissie zijn dierenwelzijnsrichtlijnen voor diertransport uitgebracht (Animal transport guides5), waarin legkippen en vleeskuikens bij de poten mogen worden opgetild. Ook is het gangbaar in de EU en andere landen dat legkippen en vleeskuikens aan de poten worden opgetild als ze worden gevangen voorafgaand aan transport. Ook in Zweden, ondanks de vaak gebruikte term «Zweedse vangmethode» waarbij kippen rechtop worden gehouden en niet aan hun poten worden opgetild.
Nederland vraagt de Europese Commissie daarom ook, samen met andere lidstaten zoals Denemarken, Duitsland, Zweden en België, om hier duidelijkheid in te scheppen. Uiteraard geldt te allen tijde dat – ook bij toegestane handelingen met dieren – onnodige pijn en onnodig lijden moet worden voorkomen.
Klopt het dat de techniek van het vangen van kippen bij hun poten om ze vervolgens als trosjes naar vervoerskratten te brengen, nog steeds veel te vaak wordt toegepast, waardoor jaarlijks miljoenen kippen botbreuken, ernstige kneuzingen en bloedingen oplopen en kunt u aangeven hoeveel kippen door deze vangstmethode jaarlijks lijden aan botbreuken of ernstige kneuzingen?
De NVWA is niet aanwezig bij het vangen van kippen en voert in de slachthuizen steekproefsgewijs en risicogericht inspecties op vangletsel uit. Het is daarom lastig om in het algemeen een uitspraak te doen over de precieze wijze van vangen. De NVWA registreert niet het aantal kippen waarbij botbreuken of ernstige kneuzingen worden vastgesteld.
Acht u deze meest gebruikte en dieronvriendelijke vangwijze in de pluimveesector in strijd met deze bepaling uit de Europese Transportverordening? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 2. Over het verbod op vangen bij de poten heerst dus onduidelijkheid. Dat dieren zodanig behandeld moeten worden dat ze onnodige pijn en onnodig lijden wordt bespaard, blijft evenwel overeind.
Indien u deze vangwijze wel in strijd acht met de Europese regelgeving, kunt u dan aangeven waarom de NVWA, ondanks de aankondiging intensiever te gaan handhaven tegen vangletsel, niet handhavend optreedt met betrekking tot de vangmethode, maar alleen optreedt tegen het leed dat ervan komt met een interventienorm van 2%?3
De NVWA handhaaft op dit moment niet tijdens het vangen met de gehanteerde vangmethode. Door beperkte capaciteit bij de NVWA en prioritering van werkzaamheden wordt er niet ingezet op inspecties tijdens het vangen. Bloedingen en kneuzingen zijn moeilijk zichtbaar bij levende kippen en vleeskuikens. Daarom vinden de vangletselinspecties plaats in het slachthuis. Er wordt handhavend opgetreden als de NVWA in het slachthuis letsel aan de dieren constateert dat erop wijst dat de dieren tijdens het vangen onnodige pijn en ernstig lijden is berokkend. Daarmee zijn de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren tijdens het vangen niet nageleefd.
Indien de NVWA constateert dat deze vangstmethode wordt gebruikt, maar de interventienorm onder de 2% blijft, wordt er dan opgetreden? Zo nee, waarom niet en is dit in strijd met de Europese Transportverordening?
De NVWA houdt bij toezicht op vangletsel in de slachthuizen een handhavingsnorm van 2% aan. Bij een telling waarbij het vangletsel onder de 2% blijft wordt geen boete opgelegd.
Ik verwijs u met betrekking tot de gebruikte vangmethode naar mijn eerdere antwoorden.
Klopt het dat de door de NVWA gehanteerde interventienorm van 2% eigenlijk al een soepele handhavingsnorm is en de wet simpelweg geen breuken en kneuzingen acceptabel acht tijdens het vangen? Zo niet, kunt u deze interventienorm juridisch onderbouwen?
Er is hier een zorgvuldige afweging gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met wat in de praktijk realistisch is en level playing field in de EU. Nederland is het enige EU-land dat op dergelijke wijze structurele vangletselinspecties doet. Deze redenering is bevestigd in recente beroepszaken.
Klopt het dat, met een door de NVWA gehanteerde interventiegrens van 2%, bij het jaarlijks slachten van circa 600 miljoen kippen in Nederland, 12 miljoen kippen ernstige kneuzingen en breuken «mogen» oplopen zonder dat de NVWA ingrijpt?4
Nee, dit klopt niet. Deze rekensom is niet zo eenvoudig te maken.
De NVWA handhaaft los van de vangletselinspecties bijvoorbeeld ook wanneer er bij de ante-mortem keuring (de keuring bij levende dieren) welzijnsproblemen worden gezien in de aanvoerhal of op de vrachtwagen. Dit kunnen allerlei soorten problemen betreffen, bijvoorbeeld beknellingen of dieren die op de rug liggen.
Geeft de NVWA op dit moment actief het advies om op andere, diervriendelijkere vangstmethodes, zoals rechtop vangen, over te gaan bij controles of in voorlichting? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de NVWA te verzoeken dit wel te doen? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De NVWA geeft in haar persbericht aan dat bedrijven vangletsel kunnen voorkomen als zij hun dieren vangen met een goed ingestelde vangmachine of als zijn een goed getrainde vangploeg inzetten die dieren vangt volgens de zogenoemde «rechtop vangmethode». De NVWA benadrukt dit ook in contacten met de sector.
Kunt u aangeven waaraan «goed ingestelde vangmachines» – die volgens de NVWA veel vangletsel kunnen voorkomen – moeten voldoen en welke problemen de NVWA ervaart met verkeerd ingestelde vangmachines?
De NVWA is niet aanwezig bij het vangen en hanteert ook geen specifieke vereisten voor vangmachines, anders dan de voorwaarde dat de dieren letsel of onnodig lijden wordt bespaard. Een voordeel van vangmachines is dat de dieren niet ondersteboven aan de poten worden opgetild. Er zijn echter ook andere risico’s bij het gebruik van vangmachines, bijvoorbeeld ten aanzien van de afstand tot de kratten, en de snelheid waarmee de dieren in de kratten terechtkomen. Net zoals bij het handmatig vangen moet het verdelen van de dieren in de krat en het sluiten van de krat zorgvuldig en voorzichtig gebeuren. Hoge snelheid van werken is bij beide vangmethodes een risicofactor.
Welke plannen heeft u om deze problemen met verkeerd ingestelde vangmachines aan te pakken?
Dit jaar wordt een PPS-onderzoek gestart naar oorzaken van en oplossingen voor vangletsel. Hierin is de sector breed vertegenwoordigd. In dit onderzoek wordt de inzet van vangmachines ook meegenomen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Wederom levensgevaarlijke stenenactie Greenpeace in VK-wateren' van de Nederlandse Vissersbond |
|
Agnes Mulder (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wederom levensgevaarlijke stenenactie Greenpeace in VK-wateren»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat Greenpeace wederom kolossale rotsblokken heeft geloosd, dit keer in de zee ten zuiden van Brighton (Verenigd Koninkrijk), en dat dit levensgevaarlijk is voor de vissers?
Ik ben er mee bekend dat de Britse tak van Greenpeace natuurstenen heeft afgezonken, dit keer ten zuiden van Brighton in het Engelse deel van de Noordzee. Hoewel Greenpeace aangeeft dat met het delen van de coördinaten van de locatie van de stenen de veiligheid gewaarborgd is, kan dit tot risico’s leiden voor de (bodem beroerende) visserij als zij dit over het hoofd ziet.
Herinnert u zich de uitspraken nog die u deed tijdens het algemeen overleg Visserij op 12 oktober 2020 waarin u aangaf zeer ontstemd te zijn en dat u het niet zou laten gebeuren dat één partij het hele Noordzeeakkoord zou gijzelen door één zo’n actie? Hoe beoordeelt u deze actie van Greenpeace? Wat betekent dit voor de positie van Greenpeace in het Noordzeeoverleg?2
Ik herinner mij deze uitspraken. Ik verwerp en betreur de acties van Greenpeace dan ook. Greenpeace Nederland wordt vertegenwoordigd in het NZO. Hoewel dit de Britste tak van Greenpeace betreft doet deze actie afbreuk aan het wederzijdse opgebouwde vertrouwen en begrip tussen de partijen in dit overleg.
Nederland heeft de actie van Greenpeace in internationaal overleg aan de orde gesteld. Dit is door vertegenwoordigers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gedaan in het internationale Noordzee visserijoverleg, bekend als de «Scheveningen groep». Hiernaast heeft Greenpeace Nederland haar commitment aan het Noordzeeakkoord onderstreept en verzekerd in Nederland dit soort acties niet van plan te zijn. Hiermee blijft Greenpeace betrokken bij de overleggen over de toekomst van de Noordzee.
Deelt u de mening dat het tijd is dat Greenpeace Nederland afstand neemt van de actie van hun Britse afdeling? Bent u het er tevens mee eens dat er geen reden meer is om geen actie te ondernemen tegen Greenpeace? Zo nee, waarom niet?
Het betreft een actie van de Britse tak van Greenpeace in het Engelse deel van de Noordzee. De Waterwet is hier niet van toepassing. Het betreffende ministerie in het VK (DEFRA) is naar aanleiding van deze actie een onderzoek gestart of er wet- en/of regelgeving is overtreden. Indien dat het geval is, is het aan de Britse autoriteiten om te bepalen of en hoe daartegen wordt opgetreden. Van de Britse autoriteiten heb ik vernomen dat naar aanleiding van een soortgelijke actie van Greenpeace op 22 september 2020 – waarbij natuurstenen zijn afgezonken in het Britse deel van de Doggersbank – door de Britse Marine Management Organisation (MMO) een officiële waarschuwing aan Greenpeace is gegeven.
Een oordeel over de strafbaarheid van dit handelen in Nederland is aan het Openbaar Ministerie. Greenpeace heeft nauwkeurig doorgegeven op welke locatie de stenen zijn afgezonken. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de vorige actie geconcludeerd dat er geen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen omdat er geen sprake is van een directe gevaarzetting.
Het niet verlagen van het afromingspercentage in het fosfaatrechtenstelsel |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u nader onderbouwen waarom u vasthoudt aan een afromingspercentage fosfaat van 20%, gezien het feit dat met 10% afroming nog steeds sprake is van afroming van rechten en dat u eerder heeft toegezegd dat de afroming naar 10% verlaagd zou worden zodra het aantal rechten voor melkvee onder het melkveefosfaatplafond zou komen?1
Zoals aangegeven in mijn brief van 15 februari jl. houd ik vanwege de daarin genoemde onzekerheden het percentage vooralsnog op 20%. Daarbij merk ik op dat ten gevolge van de wetsbehandeling in uw Kamer in artikel 77b van de Meststoffenwet, zoals dat is komen te luiden door het amendement Geurts/Lodders (Kamerstuk 35 208, nr. 10), staat dat uiterlijk twee weken nadat het totaal aantal fosfaatrechten niet meer bedraagt dan het fosfaat productie plafond, bedoeld in de staatssteunbeschikking van de Europese Commissie van 19 december 2017 (C(2017) 8483), bij koninklijk besluit in artikel 32a, eerste lid, «80 procent» wordt vervangen door «90 procent». Het plafond bedraagt 84,9 miljoen kg fosfaat. Het totaal aantal fosfaatrechten (namelijk alle rechten in gebruik bij melkveehouderij en vleesveehouderij) dat op 1 februari 2021 bij RVO is geregistreerd bedraagt circa 85,4 miljoen kg fosfaat. Daarmee is er volgens de wet zoals aangenomen door uw Kamer geen verplichting het afromingspercentage terug te zetten op 10%.
Kunt u aangeven in hoeverre 20% afroming daadwerkelijk heeft geleid tot een verdere reductie van het aantal fosfaatrechten ten opzichte van een afromingspercentage van 10%, in het licht van het feit dat daarmee de handel in fosfaatrechten minder aantrekkelijk werd gemaakt?
Het is niet mogelijk te achterhalen hoeveel handel en daarmee afroming plaatsgevonden zou hebben bij een blijvend percentage op 10%. Veel handel vindt aan het eind van het jaar plaats wanneer ondernemers zicht hebben op het totaal aantal rechten wat benodigd is om hun productie te verantwoorden. In 2018 is ca. 420.000 kg fosfaat afgeroomd bij een afromingspercentage van 10%. In 2019 betrof dit 252.000 kg bij wisselende percentages (10% tot 13 juni 2019 en 20% vanaf 13 juni 2019). In 2020 is 483.000 kg fosfaat afgeroomd bij een percentage van 20%.
Heeft de Europese Commissie inmiddels duidelijkheid gegeven over het al dan niet meetellen van de fosfaatproductie c.q. fosfaatrechten van vleesvee bij het melkveefosfaatplafond?
Nee, de Europese Commissie heeft hier geen nadere uitspraken over gedaan.
Gaat u gebruik maken van de fosfaatbank om knelgevallen tegemoet te komen, mede gelet op de aangenomen motie-Geurts/Lodders?2
Overeenkomstig de Meststoffenwet (art 38a) is de fosfaatbank geen instrument om knelgevallen tegemoet te komen, maar een milieumaatregel ter bevordering van de grondgebondenheid of het stimuleren van jonge landbouwers in Nederland. Een vrijstelling of ontheffing wordt uitsluitend gegeven voor milieudoelstellingen die verder gaan dan die welke op grond van de voor de betrokken ondernemingen verplichte Unie-normen zouden zijn bereikt. Ik heb vanwege het totaal aantal fosfaatrechten in relatie tot het productieplafond, nog geen besluit genomen over de openstelling van de fosfaatbank en de bijbehorende voorwaarden. Dit laat ik aan mijn ambtsopvolger.
Wat gaat u nog doen om te voorkomen dat knelgevallen die geen aanspraak konden maken op de minimale knelgevallenregeling in de kou blijven staan, in het licht van de toeslagenaffaire en de lessen die daaruit getrokken zijn en de uitspraken van staatsraad Van Ettekoven hierover?3
Er is meerdere keren uitgebreid gesproken met uw Kamer over knelgevallen. Dit heeft geleid tot de knelgevallenregeling zoals deze in de wetgeving is opgenomen.
Daarnaast geldt dat als een melkveehouder wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden die niet voor alle veehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de maatregel, er sprake kan zijn van een individuele disproportionele last. Het bedrijf kon/kan dan in het kader van zijn bezwaar en beroep extra rechten toegekend krijgen in de vorm van een ontheffing.
De recente ontwikkelingen waar u naar verwijst zijn geen aanleiding om wijzigingen in de toekenning van rechten aan te brengen. De procedures over de toekenning van fosfaatrechten zijn bovendien bijna afgerond.
Deelt u de mening dat het verlagen van de afroming naar 10% een stimulans is voor de handel in fosfaatrechten en dat het voor knelgevallen goedkoper en aantrekkelijker wordt om fosfaatrechten bij te kopen of te leasen?
Ik verwijs naar de beantwoording op vraag 2. Uit de cijfers blijkt niet dat het verhogen van het afromingspercentage heeft geleid tot een grote rem op de handel.
Bent u bereid het afromingspercentage voor fosfaatrechten alsnog te verlagen naar 10%?
Nee. Ik verwijs voor een nadere toelichting naar het antwoord op vraag 1.
Bent u voornemens het wetsvoorstel betreffende het mogelijk maken van afromingsvrije lease van fosfaatrechten op zeer korte termijn naar de Kamer te sturen?
Hierover kan ik melden dat het wetsvoorstel in voorbereiding is en dat binnenkort in verband met eventuele staatssteunaspecten ambtelijk overleg plaatsvindt met de Europese Commissie. Nadat dit is doorlopen en nader rapport over het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel is uitgebracht, kan ik het wetsvoorstel aan uw Kamer voorleggen.
De oproep van de NVWA om te stoppen met het kopen van puppy’s omdat het probleem van malafide hondenhandel te groot is |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tweet van de Inspecteur Dierwelzijn van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de organisatie die verantwoordelijk is voor het toezicht op dierenwelzijn bij bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren, «het probleem is veel te groot om overal langs te gaan. STOP met het kopen van pupjes. Dan is de malafide handel afgelopen. Retweet aub zo vaak als het maar kan...»?1
Ja. Op 16 februari 2021 hebben inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) samen met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de (dieren)politie 79 honden weggehaald bij een hondenfokker in Limburg. In het bovengenoemde twitterbericht attendeert de inspecteur haar volgers op een nieuwsbericht van de NVWA over dit optreden door de toezichthouders. De oproep moet daarom ook gezien worden als een oproep om geen hond te kopen bij malafide hondenhandelaren.
Erkent u dat deze oproep om te stoppen met het kopen van puppy’s het beeld bevestigt dat de situatie rond de malafide hondenhandel en de broodfokkers uit Oost-Europa op dit moment totaal uit de hand loopt?
De oproep om te stoppen met het kopen van puppy’s via de malafide handel is gedaan om (toekomstige) kopers te wijzen op hun verantwoordelijkheid. Kopers dienen zich te realiseren dat de aanschaf van een hond ook een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt en dat de koper een belangrijke rol speelt bij het voorkomen van welzijnsaantasting die plaatsvindt als gevolg van de slechte omstandigheden waaronder puppy’s worden gefokt, grootgebracht en verkocht en om de illegale handel te voorkomen.
Vanwege een toename van de vraag naar jonge honden tijdens de eerste lockdown heeft de NVWA al op 22 juni 2020 op haar website een waarschuwing geplaatst om potentiële hondenkopers tips te geven hoe zij kunnen voorkomen dat zij (ongewild) meewerken aan illegale hondenhandel. Sindsdien heeft de NVWA deze boodschap via verschillende sociale-mediakanalen en media-uitingen herhaald.
Trekt u het zich aan dat het zover heeft kunnen komen dat de toezichthouder zich genoodzaakt voelt om deze oproep te doen via sociale media en kunt u dit toelichten?
Ik vind het goed dat de NVWA haar taak als toezichthouder breed opvat en niet alleen optreedt tegen overtredingen, maar (toekomstige) hondeneigenaren ook actief informeert over hoe zij misstanden en het ongewild meewerken aan illegale hondenhandel kunnen voorkomen.
Heeft de NVWA ook bij u aan de bel getrokken over het feit dat deze toezichthouder het probleem van de puppyhandel niet aankan? Zo ja, wanneer was dat en wat was uw reactie? Zo nee, hoe verklaart u dat?
Er zijn regelmatig overleggen met de NVWA, waarin ook gesproken wordt over de stijgende vraag naar honden en de daarmee gepaard gaande stijgende import. In deze overleggen wordt besproken wat de mogelijkheden zijn om op te treden tegen de welzijnsproblemen in de illegale hondenhandel.
Om de problematiek rondom de hondenhandel effectiever aan te kunnen pakken is een taskforce Hondenhandel opgericht met als deelnemers de NVWA, de (dieren)politie, de LID en beleidsmedewerkers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Het voorkomen van de problematiek is uit oogpunt van dierenwelzijn het meest effectief, naast het (achteraf) aanpakken van de problemen. Kopers vervullen een belangrijke rol bij het voorkomen van misstanden, het ongewild meewerken aan illegale hondenhandel en bij het melden van vermoedens van illegale handel.
Daarbij hoort een goede oriëntatie door kopers alvorens ze een hond aanschaffen. Er is voldoende informatie te vinden over waar men op moet letten bij de aanschaf van een hond op onder andere de website van de Dierenbescherming, het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) en de Hondenbescherming.
Het LICG heeft, naast een puppy checklist, stappenplannen opgesteld over «herken de foute fokker» en «de aanschaf van een puppy via internet». Deze stappenplannen helpen een koper om malafide fokkers/handelaren te herkennen en te vermijden. Zolang mensen toch pups blijven kopen bij de foute fokkers en handelaren blijft deze markt in stand.
De NVWA is op verschillende platformen actief om de bewustwording rondom het aanschaffen van een hond te vergroten. Via de NVWA-website, social media (Twitter, LinkedIn, Facebook en Instagram), en via medewerking aan een reportage door NOSstories, is de NVWA actief in berichtgeving over de aanschaf van een hond en waarop gelet dient te worden.
Ook ben ik aan het onderzoeken of en hoe een verplichte bedenktijd voor de aanschaf van huisdieren bij kan dragen aan het terugdringen van het aantal impulsaankopen van dieren, mede ter uitvoer van uw motie (Kamerstuk 28 286, nr. 1009). Als dit is afgerond, wordt uw Kamer hierover bericht.
Kunt u bevestigen dat in Nederland jaarlijks 150.000 puppy’s worden verkocht, waarvan er zo’n 80.000 uit Oost-Europa worden gehaald, en dat dit aantal in coronatijd nog verder is opgelopen? Zo nee, om hoeveel dieren gaat het dan?2
Bureau Beke stelt in hun rapport «Zo ziek als een hond» (2019) dat het moeilijk is de exacte omvang van de internationale puppyhandel te achterhalen. Eerdere schattingen laten zien dat het hoogstwaarschijnlijk om tienduizenden puppy’s per jaar gaat die internationaal (en deels illegaal) worden verhandeld.
Uit het huisdierenpopulatie-onderzoek dat brancheorganisatie Dibevo en de Nederlandse Voedingsindustrie Gezelschapsdieren (NVG) jaarlijks laten uitvoeren, blijkt dat het huisdierbezit tijdens de coronacrisis flink is toegenomen.3
In het jaar 2020 is een groter aantal importen geregistreerd in de aangewezen databanken dan de voorgaande jaren. In de jaren 2017, 2018 en 2019 is er een continue stijging te zien, toen zijn er respectievelijk 28.554, 30.279 en 31.022 honden geïmporteerd, terwijl dit in 2020 ongeveer 39.393 honden betrof.
Kunt u bevestigen dat uit een onderzoek van Deloitte bleek dat de NVWA al vóór de coronacrisis onvoldoende capaciteit had om het toezicht op de hondenhandel en fokkerij naar behoren uit te voeren, dat er onvoldoende capaciteit was om grote zaken uit te voeren en ook dat het toezicht niet goed risicogericht kon worden uitgevoerd?3
Afgelopen jaren steeg het aantal meldingen dat binnenkwam over gezelschapsdieren. Het is voor de NVWA ondoenlijk om alle fokkers en handelaren in Nederland continu in de gaten te kunnen houden en te controleren. Daarom houdt de NVWA zogenoemd risicogericht toezicht. Risicogericht toezicht betekent dat vooral daar inspecties worden uitgevoerd waar de kans op overtreding van de regels door de handel in gezelschapsdieren het grootst wordt geacht. Deze kans wordt bepaald op basis van meldingen, gegevens uit eerdere inspecties en risico-inventarisaties.
Daarnaast worden projecten uitgevoerd, zoals eind 2019 de pilot «kortsnuitige honden», waar fokkers van kortsnuitige honden zijn gecontroleerd en schriftelijke waarschuwingen zijn opgemaakt.
Klopt het dat de NVWA geen onderzoek doet in Hongarije, terwijl veel Nederlandse dierenartsen twijfelen aan de documenten die dierenartsen daar verstrekken?
Hongarije is een land binnen de Europese Unie. Dat betekent dat honden van Hongarije naar Nederland vervoerd mogen worden als aan de Europese regels is voldaan. De NVWA controleert of handelaren die honden in Nederland invoeren en te koop aanbieden, zich houden aan de regels, en treedt op tegen overtredingen.
In 2016 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven twee uitspraken5 gedaan in zaken waarbij geïmporteerde pups in bewaring waren genomen, omdat de leeftijd in het paspoort van de pups volgens Nederlandse dierenartsen niet overeen leek te komen met de werkelijke leeftijd. In de uitspraken is gesteld dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de bevoegde autoriteiten afgegeven documenten.
Wetenschappelijk onderzoek waarmee aan de hand van het gebit de juiste leeftijd van de pup aangetoond kan worden, ontbreekt. Zonder deze wetenschappelijke onderbouwing kan de juistheid van de afgegeven documenten inzake de leeftijd juridisch niet weerlegd worden. Om deze reden zal onderzoek worden gestart waarmee de leeftijd aan de hand van het gebit voortaan wetenschappelijk kan worden vastgesteld. De resultaten van het onderzoek zal de basis vormen om fraude met leeftijd aan te kunnen pakken.
Tot dat moment zal de NVWA niet kunnen optreden tegen vermeende leeftijdsfraude als een document, dat is afgegeven door de bevoegde autoriteten in bijvoorbeeld Hongarije, een leeftijd vermeldt waarvan aangenomen wordt dat deze niet in overeenstemming lijkt te zijn met de daadwerkelijke leeftijd van het dier.
De NVWA meldt eventuele twijfel over gezondheidscertificaten wel altijd aan andere lidstaten, zodat de autoriteit van die lidstaat verder onderzoek kan doen en eventueel maatregelen kan opleggen. De NVWA adviseert mensen die een hond willen kopen ook altijd om de hond voor de koop te laten keuren door een dierenarts. Dierenartsen kunnen bij twijfel een melding doen bij de NVWA die bij voldoende aanknopingspunten doorgezet kan worden naar de desbetreffende autoriteit van die lidstaat.
Hoe beoordeelt de NVWA de betrouwbaarheid van de informatie die wordt verstrekt door dierenartsen uit Hongarije?
De dierenartsen en inspecteurs van de NVWA gaan tijdens inspecties na of de verkoper voldoet aan de geldende wet- en regelgeving zoals het Besluit houders van dieren en kijken onder andere naar de verstrekte documentatie en of er afwijkingen te zien zijn. Bij twijfel kan het Expertisecentrum Identiteitsfraude en Documenten (ECID) worden geraadpleegd. Dat is hét landelijke aanspreekpunt voor identiteitsfraude en fraude met documenten.
Gaat u per direct een verbod instellen op de verkoop van dieren via internet? Zo nee, erkent u dat u hiermee deze situatie in stand houdt?
Nee. De mogelijkheid van het kopen van een hond zonder de verkoper en het gezelschapsdier in levenden lijve te hebben gezien, hoeft als zodanig niet problematisch te zijn. Ook wanneer de koper de verkoper en de hond niet heeft gezien, kan de hond onder de juiste omstandigheden zijn gehouden en kan de hond fysiek en mentaal gezond zijn. Daartegenover staat dat als de koper de verkoper en de hond wel heeft gezien, het nog steeds zo kan zijn dat de hond niet onder de juiste omstandigheden wordt gehouden en de hond fysiek en mentaal juist niet gezond is. In beide gevallen kunnen de dieren door slechte huisvesting en verzorging ziek zijn en door onjuiste socialisatie de rest van hun leven last hebben van mentale problemen zoals angsten of agressiviteit.
Gaat u per direct een verbod instellen op de invoer van buitenlandse puppy’s uit fokschuren? Zo nee, erkent u dat u hiermee deze situatie in stand houdt?
De handhaving van een verbod op de invoer van puppy’s van bepaalde fokkers in Oost-Europa is niet goed uitvoerbaar. Ik beschik niet over de mogelijkheid om fokkers in andere landen regelmatig te controleren.
Het naleven van de geldende regelgeving is een verantwoordelijkheid van die fokkers en de overheden van deze landen. Ook de importeurs hebben hierin hun verantwoordelijkheid te nemen, waarop de NVWA zal toezien. Nederlandse consumenten hebben in deze ook een verantwoordelijkheid. Kopers kunnen met een goede oriëntatie vooraf helpen voorkomen dat de malafide handel in stand blijft.
Ik richt mij op voorlichting aan (potentiële) kopers, op een sluitend I&R-systeem, op het verduidelijken van wat de juiste manier van houden van een pup zou moeten zijn en op de aanpak van het fokken van pups met ernstige aangeboren afwijkingen. Met het nieuwe identificatie en registratiesysteem (I&R) voor honden is het straks zichtbaar waar de hond vandaan komt en van wie de hond een chip en een paspoort kreeg. Samen met een aantal andere lidstaten wil Nederland aanbevelingen opstellen voor een geschikt systeem voor de identificatie en registratie van honden in de EU-lidstaten. Deze aanbevelingen zijn nog in ontwikkeling en zullen nog besproken worden met een aantal Oost-Europese EU-lidstaten. In aanvulling op het nieuwe I&R-systeem zal een besluit worden genomen over het opzetten van een DNA-databank en DNA-onderzoek om daarmee onder andere beter grip te krijgen op deze ongewenste handel.
Het blijft in alle gevallen van belang dat mensen zich goed oriënteren alvorens ze een hond aanschaffen.
Wat gaat u doen om de oproep van de Inspecteur Dierwelzijn van de NVWA om te stoppen met het kopen van puppy’s bij een breder publiek bekend te maken?
De oproep ging niet om een algemeen advies om geen (jonge) honden te kopen, maar om een advies aan (potentiële) hondeneigenaren over hoe zij kunnen voorkomen dat zij ongewild meewerken aan illegale hondenhandel.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 4.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het lukt vanwege afstemming niet de vragen eerder dan heden te beantwoorden.
Het bericht ‘Steekproef: Veel vishandelaren maken er een potje van en informeren hun klanten slecht’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steekproef: Veel vishandelaren maken er een potje van en informeren hun klanten slecht» en de actie van de Consumentenbond?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de bevindingen van de Consumentenbond dat 99% van de bezochte vishandelaren zich niet aan de wetgeving omtrent etikettering houdt?
Voor vishandelaren gelden verschillende etiketteringsverplichtingen, zoals voor voedselveiligheid en een veilige toepassing van de producten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de houdbaarheidsdatum en informatie over allergenen. Daarnaast gelden er etiketteringsverplichtingen op grond van de Gemeenschappelijke Marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om informatie over de wetenschappelijke benaming, herkomst, vangstmethode en of het product ontdooid is geweest. De beperkte middelen voor controle en handhaving worden zo effectief mogelijk ingezet op basis van een risico-categorisering. Bij de controles bij vishandelaren ligt de focus op voedselveiligheid. De controles op de legaliteit van de vangst (herkomstgebied en vangstmethode) vindt plaats bij inspecties op zee en bij aanlanding of import.
De constatering van de Consumentenbond dat 99% van de bezochte vishandelaren zich niet aan de wetgeving omtrent etikettering houdt, heeft betrekking op de consumenteninformatie die op grond van de Gemeenschappelijke Marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten verschaft moet worden. Dat betekent dat, volgens het onderzoek van de Consumentenbond, de consument bij viswinkels en marktkramen vaak niet de informatie krijgt waar hij recht op heeft. Ik vind het belangrijk dat de sector hier verbetering in brengt en ik wil onderzoeken op welke manier het Europees Maritiem Visserijfonds (EMVAF) hierin kan ondersteunen om hier verbeteringen in te brengen. Ik zal de mogelijkheden hieromtrent met de sector bespreken.
Kunt u bovendien reflecteren op de bevinding van de Consumentenbond dat waar in supermarkten 60% van het assortiment een keurmerk kent, dit bij vishandelaren slechts 1% is? Hoe verklaart u dit verschil?
De keuze voor het toepassen van een keurmerk is een private keuze waarmee bedrijven zich kunnen onderscheiden in de markt. Het artikel van de Consumentenbond geeft aan dat de veelal kleinere speciaalzaken het voeren van keurmerken zien als een (tijds)investering die geen extra winst oplevert, omdat consumenten vooral zouden kijken naar waarneembare kwaliteit, soort vis en prijs. Onderzoek uit april 2018 van de universiteit van Wageningen2 vermeldt daarnaast het voordeel dat supermarkten hebben vanwege hun grotere mate van samenwerking in het aanvragen van certificering als mogelijke reden dat supermarkten meer vis met keurmerk in hun assortiment voeren.
De Vereniging van Nederlandse Visspecialisten heeft in een reactie op het artikel aangegeven informatie over het MSC en ASC keurmerk met de leden te delen en de vereniging zal meer inzetten op het bieden van hulp bij de informatievoorziening richting de consument.3
Deelt u de mening dat een goede informatievoorziening van essentieel belang is voor het maken van duurzame en diervriendelijke keuzes die niet bijdragen aan overbevissing of schade berokkenen aan kwetsbare ecosystemen?
Ja, om een weloverwogen keuze te kunnen maken is een goede informatievoorziening belangrijk voor consumenten. Voor een deel wordt deze informatie verplicht voorgeschreven in de Gemeenschappelijke Marktordening voor Visserij- en Aquacultuurproducten, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Aanvullend op de verplichte etiketteringseisen kunnen bedrijven de keuze maken om vrijwillig een duurzaamheidskeurmerk te hanteren om consumenten meer mogelijkheden te bieden om een keuze te maken, op basis van aanvullende duurzaamheidsvoorwaarden zoals dierenwelzijn.
Om overbevissing en schade aan kwetsbare ecosystemen te voorkomen, worden op Europees niveau regels afgesproken over bijvoorbeeld visquota, vangstmethoden en vangstgebieden. Hier dient de visserijsector zich aan te houden en hierop wordt gecontroleerd bij inspecties op zee en bij aanlanding. Ook bij de import van visproducten moeten de bedrijven zich ervan zeker stellen dat deze producten aan alle duurzaamheidsverplichtingen voldoen.
Kunt u aangeven met welke regelmaat vishandelaren worden gecontroleerd of zij zich aan de wetgeving houden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
De NVWA houdt risicogericht toezicht op de voedselveiligheid bij vishandelaren met de frequentie van ca. één keer per twee á drie jaar. Dat kan vaker zijn naar aanleiding van consumentenmeldingen of specifieke projecten (bv monsteronderzoeken).
Herkent u de cijfers uit het onderzoek van de Consumentenbond in eerdere handhavingsacties van de NVWA?
De controles van de NVWA bij vishandelaren richten zich vooral op naleving van de voedselveiligheidsvoorschriften en niet op de etiketteringsvoorschriften die volgen uit de Gemeenschappelijke Marktordening over duurzaamheid, omdat deze een lager risiconiveau hebben. De middelen voor controle en handhaving worden zo effectief mogelijk ingezet op basis van een risico-categorisering. Hierbij ligt de focus op voedselveiligheid.
Bent u van mening dat de voedselveiligheid van vishandelaren te garanderen is met de huidige handhavingsfrequentie?
De producent van levensmiddelen is primair verantwoordelijk voor het op de markt brengen van voor de consument veilige levensmiddelen. De veiligheid van voedsel wordt gewaarborgd via meerdere (etiketterings)eisen, zoals regelgeving over houdbaarheidsdata, microbiële criteria en hygiëne regelgeving. De eisen en regelgeving voor voedselveiligheid moeten door de vishandelaren worden gewaarborgd en deze worden gehandhaafd door de NVWA. Zie voor de handhavingsfrequentie het antwoord op vraag 5.
Geven de resultaten uit dit onderzoek aanleiding om hier een handhavingsactie op te verrichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de Kamer hiervan actief op de hoogte worden gehouden?
Nee. Overtredingen op de wettelijke etiketteringsverplichtingen uit de Gemeenschappelijke Marktordening, leveren geen risico op voor veiligheid of gezondheid van mensen, dieren of het ecosysteem. De legaliteit van vangsten wordt immers tijdens inspecties op zee en bij aanlanding of import gecontroleerd. Een handhavingsactie is daarom niet opportuun. wordt niet zodanig ingeschat
Geven de resultaten uit dit onderzoek aanleiding om in overleg te treden met brancheorganisaties van vishandelaren over informatievoorziening, etikettering en labels? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de Kamer hiervan actief op de hoogte worden gehouden?
Ja, ik zal de Europese verplichtingen omtrent informatievoorziening aan consumenten nadrukkelijk bij de brancheorganisaties in de visserijsector onder de aandacht te brengen en daarbij aangeven dat het belangrijk is dat de sector hierin verbeteringen aanbrengt. Het Europees Maritiem, Visserij- en Aquacultuur Fonds (EMVAF) biedt mogelijkheden om de sector hierbij te ondersteunen. Daarbij kan ook gekeken worden naar hoe vishandelaren kunnen bijdragen aan het verder verbeteren van de duurzaamheid in de visserijketen, zoals het voeren van keurmerken. Wanneer er ontwikkelingen zijn op dit gebied, zal ik de Kamer daarover informeren.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De ontdekking dat het vogelgriepvirus H5N8 op mensen is overgesprongen en de rol van Nederland bij het vergroten van de wereldwijde risico’s op zoönose-uitbraken |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u meegekregen dat zeker zeven mensen in Rusland besmet zijn geraakt met het vogelgriepvirus, nadat virusvariant H5N8 van dier op mens is overgesprongen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat hiermee voor het eerst is vastgesteld dat niet alleen de vogelgriepvarianten H5N1, H7N9 en H9N2 voor mensen gevaarlijk zijn, maar ook de variant H5N8?
Nee. Het hoogpathogene vogelgriep (HPAI) serotype H7N7, dat in 2003 in Nederland veel uitbraken veroorzaakte, was voor mensen niet ongevaarlijk. Het is wel voor het eerst dat H5N8 bij mensen gevonden werd.
Heeft u gelezen dat Dr. Anna Popova, hoofd van de Russische gezondheidsdienst Rospotrebnadzor, waarschuwt dat het een kwestie van tijd is dat het virus zodanig verder muteert dat het van mens op mens overdraagbaar wordt?
Ja.
Herinnert u zich dat onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarschuwt dat de mortaliteit van vogelgriepvirusvariant H5N1 onder mensen 60% is?
Ja, de WHO geeft aan dat wanneer mensen zijn geïnfecteerd met dit specifieke virus, de mortaliteit ongeveer 60% is.
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren vogelgriepvarianten H5N1, H7N9 en H5N8 in de Nederlandse pluimveehouderij zijn rondgegaan?
Ja. HP H5N1 is op 1 bedrijf gevonden in 2020. Er is 1 keer een H7N9 besmetting geweest in 2016 en dat betrof laag pathogene vogelgriep (LPAI). H5N8 is op meerdere bedrijven gevonden in 2016–2017 en 2020–2021. Geen van deze virussen was verwant aan zoönotische stammen.
Kunt u bevestigen dat de variant H5N8, hetzelfde virus dat in Rusland mensen heeft besmet, sinds oktober 2020 ook weer in de Nederlandse pluimveehouderij rondwaart en heeft gezorgd voor diverse uitbraken in kippen- en eendenstallen, zoals afgelopen zaterdag nog in Noord-Brabant?2
De in Nederland gevonden virussen betreffen inderdaad een HPAI H5N8 virus. De virussen die dit seizoen in Nederland zijn gevonden, vallen echter in een ander genetisch cluster dan de recent in Rusland gevonden virussen met verschillen in opbouw van eiwitten. Het zijn verschillende varianten van H5N8 en de bevindingen in Rusland zijn niet zo maar door te trekken naar de situatie in Nederland. Er zijn geen aanwijzingen dat de stam die in Nederland heeft gecirculeerd besmettelijker is voor mensen dan bij aanvang van de uitbraken in 2020 door het RIVM is ingeschat, namelijk «laag». De internationale berichtgeving rept niet van ziekte bij betrokken werknemers.
Heeft u het artikel «De volgende pandemie wordt uitgebroed in kolossale kippenstallen» gelezen, waarin vogelgriepexpert professor Thijs Kuiken de journalist «een spoedcursus» geeft over het ontstaan van dodelijke vogelgriepvirussen en wat we daaraan kunnen doen?3 Wanneer heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kennisgenomen van dit artikel?
Ja. Op 25 november 2020 is kennisgenomen van het artikel.
Vindt u dat het artikel een juiste weergave van de feiten over vogelgriep is en vindt u dat de analyse van het risico op het ontstaan van een nieuwe zoönotische pandemie in de pluimveehouderij klopt? Zo nee, welke feiten en welke onderdelen van de analyse kloppen volgens u niet?
De aannames en analyses die in het artikel staan kan ik niet allemaal verifiëren. De expertgroep zoönosen, die onlangs onder leiding van dhr. drs. Henk Bekedam van start is gegaan, zal ook de zoönotische risico’s van vogelgriep beoordelen en wegen. Mede op basis van het rapport van deze expertgroep zal het kabinet reageren op vragen over het risico op het ontstaan van een nieuwe zoönotische pandemie.
Kunt u bevestigen dat vanwege H5N8-uitbraken in Nederland sinds oktober 2020 inmiddels meer dan 733.000 dieren zijn vergast bij vijftien bedrijven en één hobbydierhouder?4
In totaal zijn er 733.420 dieren geruimd ten gevolge van uitbraken met vogelgriep sinds oktober 2020. Dit betrof naast uitbraken met H5N8, een uitbraak met H5N1 en een uitbraak met LPAI H5N2. Drie bedrijven werden preventief geruimd.
Kunt u bevestigen dat de belastingbetaler een groot deel van de kosten van het monitoren en bestrijden van dierziekten moet betalen, via het zogenaamde «Diergezondheidsfonds»? Wat zijn tot nu toe de totale kosten van het vergassen van deze dieren en de vergoedingen die worden betaald aan de betrokken pluimveebedrijven? Hoe hoog is het bedrag dat door de belastingbetaler wordt betaald?
Het Diergezondheidsfonds is ingesteld om dierziekten effectief te bestrijden en zo verspreiding van de ziekte te voorkomen. De kosten voor het testen van ogenschijnlijk gezonde dieren (monitoring) en verdachte dieren (verdenkingen), en het doden en vernietigen van besmette dieren (bestrijding) van professionele houders worden – na aftrek van de Europese subsidie en tot het plafondbedrag – volledig gedragen door de pluimveesector. De overheid vergoedt wel de kosten voor het testen en doden van hobbymatig gehouden dieren. De kosten van het testen van dieren bij geringe verhoogde sterfte, zonder duidelijke verdenking op vogelgriep (early warning) wordt gedeeld tussen EU, overheid en pluimveesector. De kosten voor het doden van besmette dieren en de tegemoetkoming in schade tijdens de huidige HPAI uitbraak (tot en met de uitbraak van in Sint-Oedenrode op 20 februari jl.) worden geschat op € 4.752.827,=. De bijdrage van het Ministerie van LNV is naar verwachting maximaal € 100.000,=. Deze overige kosten worden – na aftrek van de Europese subsidie – gedragen door de pluimveesector.
Kunt u bevestigen dat stallen die vanwege vogelgriep zijn «geruimd», dat wil zeggen: waarin alle dieren zijn vergast, doorgaans gewoon weer worden volgezet met nieuwe dieren? Vindt u dat verantwoord? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Als een stal door de NVWA op basis van voorgeschreven en op Europese regelgeving gebaseerde protocollen is vrijgegeven en er gelden geen vervoersbeperkingen meer in dat gebied, betekent het dat er opnieuw kippen kunnen worden opgezet. Dat is een verantwoorde werkwijze. Het is in Nederland niet voorgekomen dat er ten gevolge van een onvoldoende reiniging en ontsmetting, herbesmetting optrad.
Bent u bereid te besluiten dat deze stallen niet opnieuw mogen worden gevuld? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, aangezien de voorgeschreven procedures erop gericht zijn dat geen herbesmetting optreedt.
Was of is het u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat Nederlandse «vermeerderingsbedrijven» (waar hennen en hanen worden gebruikt om bevruchte eieren te leggen waar plofkippen, leghennen of ouderdieren voor de vleeskuiken- of eiersector uitkomen) per jaar ongeveer 540 miljoen van deze broedeieren exporteren en dat Rusland de grootste afzetmarkt is buiten de Europese Unie (EU)?5 Zo ja, sinds wanneer?
Dit type informatie is openbaar en wordt bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het Ministerie van LNV is hier specifiek van op de hoogte omdat voor deze exporten gezondheidscertificaten moeten worden afgegeven. De NVWA en haar voorgangers geven, indien de broedeieren aan alle gestelde voorwaarden voldoen, deze gezondheidscertificaten af.
Kunt u bevestigen dat Nederland daarmee actief meewerkt aan het opbouwen dan wel in de benen houden van pluimvee-industrieën in andere landen?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. Ik kan niet beoordelen of en in hoeverre het wegvallen van de export van broedeieren uit Nederland van invloed zou zijn op pluimveesectoren in andere landen.
Was of is het u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat Rusland al jaren te maken heeft met veelvuldige uitbraken van het vogelgriepvirus en dat daar in de afgelopen jaren veel grote pluimveebedrijven, onder andere bedrijven met ouderdieren, zijn «geruimd»? Zo ja, sinds wanneer?
Ja, dat is bekend. Landen die lid zijn van de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) melden uitbraken van belangrijke dierziekten aan de OIE. Deze informatie is beschikbaar voor de leden. Ook via andere bronnen kunnen uitbraken van vogelgriep wereldwijd worden gevolgd, bijvoorbeeld via ProMED (https://promedmail.org/). Deze informatie is zowel bekend bij het Ministerie van LNV als het Ministerie van VWS.
Is het u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat Nederlandse bedrijven in 2018 al 242 miljoen broedeieren naar Rusland exporteerden en dat dit aantal mede door de uitbraken sinds 2019 nog verder is toegenomen?6 7
Nee, deze specifieke informatie is wel bekend bij het Ministerie van LNV.
Is het u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat door de vogelgriepuitbraken in de Nederlandse pluimveehouderij dit najaar de export van Nederlandse broedeieren en eendagskuikens naar landen buiten de EU grotendeels instortte?
Ja. Een uitbraak van HPAI in Nederland heeft gevolgen voor de export van eendagskuikens en broedeieren en van pluimveevlees naar landen buiten de EU. Aan de exportvoorwaarden, die zijn vastgelegd in exportcertificaten, kan in zo’n geval niet worden voldaan waardoor de NVWA niet certificeert voor bepaalde bestemmingen. Daarnaast sluiten sommige derde landen hun grenzen voor producten uit Nederland of uit delen van Nederland. De gevolgen voor de export van betrokken bedrijven in Nederland zijn ingrijpend.
Is het u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit actief is gaan lobbyen om de handelsbelemmeringen op te heffen, toen ook Rusland onze broedeieren niet meer wilde hebben?
Ja, LNV zet zich in om handelsbelemmeringen met derde landen, die het gevolg zijn van dierziekte-uitbraken, op te lossen. Daarbij zijn de afspraken en standaarden die zijn vastgelegd door de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) voor een veilige handel het uitgangspunt.
Erkent u dat Nederland door het in de benen houden van de Russische pluimveehouderij, een beruchte brandhaard voor het vogelgriepvirus, rechtstreeks de kans heeft vergroot op het ontstaan van nieuwe uitbraken van het vogelgriepvirus, dat via trekvogels in oktober 2020 opdook in de Nederlandse pluimveehouderij, en waardoor dit als een boemerang terug is gekomen?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 14 kan ik niet beoordelen of en in hoeverre de export van broedeieren uit Nederland van invloed zou zijn op pluimveesectoren in andere landen.
Wat vindt u ervan dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het niet nodig vindt om met u te overleggen over de inspanningen van haar ministerie om de export van broedeieren naar Rusland weer op gang te krijgen, terwijl het vogelgriepvirus nog volop rondwaart?8
Ik overleg intensief met mijn collega van LNV over zoönosen, ook over vogelgriep.
Vindt u het verantwoord dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Buitenlandse Zaken economische activiteiten blijven najagen die rechtstreeks gevaren kunnen opleveren voor de volksgezondheid in Nederland, aangezien u politiek verantwoordelijk bent op het moment dat een nieuwe voor de mens gevaarlijke infectieziekte (zoönose) ontstaat? Kunt u dit toelichten?
Nederland volgt bij de handel met derde landen de standaarden van de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) en relevante dierziekten en zoönosen worden in Nederland bestreden in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Unie.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toezicht moet houden op de preventie en de monitoring van dierziekten?
Deels kan ik dat. De NVWA handhaaft de wettelijk voorgeschreven preventie- en monitoringregels. Veehouders hebben naast de naleving van wettelijke preventieregels ook een grote eigen verantwoordelijkheid wat betreft de gezondheid van hun dieren.
Kunt u bevestigen dat de NVWA volgens recent onderzoek van Deloitte onvoldoende capaciteit en kwaliteit heeft om deze taken uit te voeren, waardoor er volgens Deloitte een grotere kans is dat er een dierziekte uitbreekt, dat een dierziekte pas later ontdekt wordt en dat een dierziekte zich verder kan verspreiden?9
Deloitte heeft een onderzoek uitgevoerd naar de taken en middelen van de NVWA. Deloitte geeft aan dat met de thans beschikbare middelen de maatschappelijke opdracht van de NVWA op 100 van de 152 taken niet naar verwachting of conform eis kan worden uitgevoerd, onder meer op het gebied van dierziekten (zie Kamerstuk 33 835, nr. 171 d.d. 16 oktober 2020).
Een 24/7 beschikbaarheid van de NVWA en alle contractpartijen die voor de dierziektebestrijding nodig zijn, draagt zorg voor een snelle en zorgvuldige ruiming van het besmette bedrijf en het nemen van andere maatregelen zoals in de beleids- en uitvoeringsdraaiboeken is vastgelegd. Dit vraagt veel capaciteit.
Daarom wordt gewerkt aan verschillende opties om de geconstateerde ontoereikendheid te verkleinen. Enerzijds door te kijken naar mogelijkheden voor extra capaciteit, maar ook door te kijken naar het huidige takenpakket van de NVWA en de handhaafbaarheid van huidige wet- en regelgeving (zie Kamerstuk 33 835, nr. 179 d.d. 29 januari 2021).
Heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het najaar van 2020 met u overlegd voordat zij ook de NVWA inzette om de exportmarkten voor broedeieren weer te openen? Zo ja, wat was uw reactie? Zo nee, hoe kan dat, aangezien de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van Volksgezondsheids, Welzijn en Sport samen verantwoordelijk zijn voor de NVWA?
Nee, het is niet nodig dat de Minister van LNV specifiek hierover met mij overlegt.
Zou het niet beter zijn als de NVWA onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport komt te vallen? Zo nee, hoe voorkomt u dan dat de dienst wordt ingezet voor de economische belangen van de veehouderij, terwijl zij de wettelijke taken moeten uitvoeren die van belang zijn om onder meer dierziekten te kunnen opsporen?
De NVWA houdt toezicht op het naleven van wet- en regelgeving die belangrijke publieke waarden als voedselveiligheid, dierenwelzijn en diergezondheid borgt. Dat is niet anders in geval de NVWA onder verantwoordelijkheid van een ander ministerie zou vallen.
Kunt u zich herinneren dat de Kamer u als gevolg van de aangenomen motie Ouwehand doorzettingsmacht heeft gegeven bij niet alleen de bestrijding, maar ook de preventie van besmettelijke dierziekten die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid?10
Ja. In de brief van 28 mei 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1096) is aangegeven dat het Kabinet deze motie heeft ontraden omdat met de huidige werkwijze al invulling wordt gegeven aan de motie. Als er een bedreiging van de volksgezondheid uitgaat van dierhouderijen, zoals recent bij de uitbraak van SARS-CoV-2 bij nertsen, dan wordt gewerkt conform de zoönosenstructuur. Hierbij coördineert VWS de beleids- en besluitvorming. Dat gaat in samenwerking met het Ministerie van LNV, het RIVM, lokale bestuurders en GGD’en. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geeft het Kabinet de bevoegdheid om voor de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten ter bescherming van de volksgezondheid maatregelen te treffen. De beide ministers besluiten in goed onderling overleg en behouden daarbij hun eigen beleidsverantwoordelijkheid, waarbij in alle gevallen de volksgezondheid voorop staat. Op deze wijze is de bescherming van de volksgezondheid zowel uitgangspunt als doel van alle genomen besluiten.
Zet u zich in voor de preventie van besmettelijke dierziekten en is daarbij voor u het voorzorgsbeginsel leidend? Zo ja, waar zie we daar bewijs van? Geldt dit volgens u ook voor uw collega’s van landbouw en buitenlandse handel?
Het beleid voor besmettelijke dierziekten, die geen zoönosen zijn, wordt gemaakt door het Ministerie van LNV. De preventie van dierziekten is erg belangrijk. Voor bepaalde ernstige dierziekten zijn daarover internationale afspraken gemaakt en zijn wettelijke voorschriften gemaakt. Voor de preventie van de meeste dierziekten is de houder zelf de primair verantwoordelijke. Zie ook het antwoord op vraag 21.
Bent u bereid te besluiten om te stoppen met de export van broedeieren en eendagskuikens? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie voor de motivatie het antwoord op vraag 21.
Kunt u bevestigen dat het kabinet, als gevolg van de aangenomen motie Ouwehand, voor het eind van 2020 een analyse klaar had moeten hebben van de grondoorzaken van het ontstaan van zoönosen, maar dat de expertgroep die deze analyse gaat uitvoeren pas half februari 2021 in het leven is geroepen en dat de resultaten hiervan pas voor de zomer van 2021 worden verwacht?11
Nee, er is toegezegd dat eind 2020 het plan van aanpak gereed zou zijn. Onder andere in de Kamerbrief van 21 november 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1138) is aangegeven dat het kabinet, gelet op de ontwikkelingen en de impact van zoönosen op mens, dier en maatschappij, vooruit wil blikken en breder gaat bezien wat nodig is om zoönosen in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Het kabinet gaf toen aan daartoe, samen met een expertgroep die ingesteld wordt, in beeld te brengen wat nodig is in de breedte van volksgezondheid, diergezondheid en milieu om het risico op het ontstaan van zoönosen zoveel mogelijk te verkleinen. In de Kamerbrief van 31 december 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1166) is het plan van aanpak uiteengezet, waarmee ook de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 25 295, nr. 452) wordt uitgevoerd. In de Kamerbrief van 12 februari jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 990) is uw Kamer geïnformeerd over het staande beleid en de aanvulling die hierop gedaan wordt.
Vindt u het verantwoord om rustig af te wachten tot de zomer van 2021 terwijl wetenschappers al jaren waarschuwen dat 75% van de nieuwe infectieziekten die de mens bedreigen ontstaat door de manier waarop de mens omgaat met dieren en de natuur, en dat een nieuwe zoönotische pandemie elk moment kan ontstaan als we bewezen risico’s als de veehouderij niet aanpakken? Zo ja, kunt u dat uitleggen? Zo nee, wat gaat u in de tussentijd doen om de risico’s op het ontstaan van nieuwe zoönosen te verkleinen?
Het kabinet wacht niet rustig af, zie het antwoord op vraag 29. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 februari jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 990) is er staand beleid dat wordt versterkt. Zo verkennen we parallel aan de analyse die de expertgroep uitvoert hoe de inzet in Europees en mondiaal verband kan worden geïntensiveerd en zetten we in op extra onderzoek. Bovendien evalueren we de zoönosenstructuur naar aanleiding van SARS-CoV-2 onder nertsen. Het kabinet zal de reactie op de uitkomsten van de evaluatie van de zoönosenstructuur en de expertgroep in gezamenlijkheid bezien en voor de zomer de Kamer informeren over de uitkomsten.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Tot mijn spijt is dit vanwege zorgvuldige afstemming niet haalbaar gebleken.
Het nieuws dat Duitse haantjes niet meer in de hakselaar hoeven |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse haantjes hoeven niet meer in de hakselaar»?1
Ja.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de afspraken die u met de pluimveesector heeft gemaakt in het kader van de Uitvoeringsagenda Pluimveesector over het vinden van alternatieven voor het doden van hanenkuikens?2
Medio februari heeft mijn ministerie een gesprek gevoerd met de sector over de stand van zaken op dit onderwerp. De Nederlandse pluimveesector heeft zich in de Uitvoeringsagenda Pluimveesector immers gecommitteerd om toe te werken naar maatschappelijk geaccepteerde oplossingen voor het doden van eendagshaantjes. De sector ziet daarbij twee mogelijkheden. Geslachtsbepaling in het ei en het afmesten van haantjes. De geslachtsbepaling in het ei vindt op relatief kleine schaal plaats. Op jaarbasis worden de bij de geslachtsbepaling in het ei gebruikte technieken op zo’n 7 miljoen eieren toegepast. De technieken laten kinderziektes zien en er is tijd en geld nodig om de capaciteit van deze technieken op te schalen. Er bestond onduidelijkheid over de benutting van de uitgeselecteerde eieren. Inmiddels worden deze gebruikt in petfood.
Het afmesten van haantjes wordt door de sector gezien als tussenoplossing. In 2020 zijn 5 tot 7 miljoen haantjes afgemest. De sector heeft de voorzichtige verwachting uitgesproken dit jaar een verdubbeling van het aantal afgemeste haantjes te zien.
Voor beide opties blijft het van belang dat er voldoende afzetmarkt bestaat. Mijn ministerie zal de ontwikkelingen in Duitsland en Frankrijk blijven volgen en in gesprek blijven met de sector over de ontwikkelingen op het gebied van afzet en technieken.
Bent u met de supermarktketens in gesprek om te onderzoeken in hoeverre er voldoende afzetmarkt bestaat voor pluimveeproducten waarbij geen kuikens vroegtijdig gedood behoeven te worden?
De sector als marktpartij is in gesprek met de retail.
Welke maatschappelijk geaccepteerde oplossingen ziet u momenteel als het meest perspectiefrijke alternatief voor het doden van hanenkuikens en welke technische mogelijkheden horen daarbij?
Uit recent gesprek met de pluimveesector lijken het afmesten van haantjes en de geslachtsbepaling in het ei de meest perspectiefrijke alternatieven te zijn. Ook in Duitsland zijn dit de routes die verder worden uitgewerkt. Er zijn meerdere technische mogelijkheden voor de geslachtbepaling in het ei.
Zijn er volgens u nog belemmeringen die het invoeren of verplicht stellen van deze alternatieven voor doding van kuikens verhinderen en zo ja, welke zijn dit?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2. De belemmeringen betreffen zowel de afzet als de nog beperkte capaciteit van de technieken voor geslachtsbepaling in het ei.
Bent u nog steeds van mening dat er onvoldoende commercieel toepasbare oplossingen voor handen zijn om over te gaan tot een verbod op het doden van eendagskuikens?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2 en 5.