Het bericht 'Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies' |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de genoemde verpachtingsregeling zorgt voor een machtspositie voor terrein beherende organisaties, waarbij ten koste van andere welwillende boeren, de overheid bepaalde bedrijfsconstructies bevoordeelt? Indien nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Landbouwgronden worden door diverse grondeigenaren verpacht, zoals door terreinbeherende organisaties en overheden, maar ook door voormalige melkveehouders of akkerbouwers, landgoedeigenaren, verzekeringsmaatschappijen, kerken en andere (particuliere) eigenaren van landbouwgronden.
De voorwaarden waaraan door overheden voldaan moet worden bij het uitgeven van pachtgrond is in de jurisprudentie verder vormgegeven. Uit het Didam I-arrest (2021) volgt dat overheden objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten opstellen voor het selecteren van een nieuwe pachter in een openbare inschrijving. Particuliere verpachters zoals Natuurmonumenten en andere particuliere natuurbeheerders zijn niet gebonden aan de Didam I voorwaarden en hebben meer vrijheid in het bepalen op welke wijze zij hun gronden uitgeven.
Staatsbosbeheer is als overheidsorganisatie bij het verpachten van grond wel gebonden aan de Didam-I voorwaarden. Staatsbosbeheer hanteert onder andere criteria op het gebied van afstand, kennis en opleiding, certificaten, ervaring met agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) of met particulier natuurbeheer (SNL) en het meedoen aan ecoactiviteiten, omdat ze beheer van natuurpercelen over willen laten aan agrariërs die hier ervaring mee hebben en het ook in hun eigen bedrijfsvoering willen toepassen.
Klopt het beeld dat door de gunning van pachtrechten aan specifieke boeren (biologisch, extensief, et cetera) in gebieden aangrenzend aan Natura 2000-gebieden er de facto een subsidieregeling voor deze boeren is gecreëerd in plaats van een maatregel om doorsnee boeren te compenseren voor geleden derving van inkomsten door overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Dat beeld klopt niet. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2 is de regelgeving rond gunning van pacht voor overheden strenger dan voor andere organisaties en particulieren. Zowel overheden als andere organisaties vragen een marktconforme pachtprijs gekoppeld aan de beheervereisten op de natuurpercelen en er is dus geen sprake van een verkapte subsidie. Alleen de gunning zal door overheden via openbare inschrijving en zo nodig een puntensysteem worden vormgegeven. Bij Staatsbosbeheer zijn de criteria voor pacht van natuurpercelen mede gerelateerd aan de ervaring met natuurinclusieve landbouw.
Deelt u de mening dat de subsidie is vastgesteld voor de inkomstenderving van een gemiddeld bedrijf van 121 melkkoeien op 60 hectare, maar in de praktijk dus uitgekeerd wordt aan boeren die door hun bedrijfskeuzes die inkomstenderving niet kennen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de berekening van de WUR voor de vergoedingen in de subsidieregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden is gebaseerd op een gemiddeld melkveehouderijbedrijf in de zone rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het gemiddelde bedrijf heeft 2 melkkoeien per hectare en berekend is dat bij 150 kg N/ha in productie- en bemestingsvolume dit teruggaat naar gemiddeld 1 melkkoe per hectare en bij 100 kg N/ha naar gemiddeld 0,7 melkkoe per hectare.
Ook biologische bedrijven kunnen gederfde inkomsten per hectare hebben doordat zij een stap zetten van gemiddeld 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha, maar de inkomstenderving per hectare is minder dan voor een gangbare boer. Een deel van de aanvragers is inderdaad biologisch. Bij de Natura 2000 overgangsgebieden ging het om ca. 55% van de aanvragers bij de eerste openstelling. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording van de vragen van de SGP.2 Na deze beantwoording heeft een aanscherping plaatsgevonden en zijn ook minimale reductievereisten opgenomen voor productie- en bemestingsvolume per hectare.
Deelt u de mening dat het beeld over de goede inkomens van deze zogenaamde «voorbeeldboeren' zwaar is vertroebeld door de grote hoeveelheid (verkapte) subsidie die zij door overheidskeuzes ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. In 2025 waren er 544 biologische melkveehouderijbedrijven (ca. 4,1%). Ongeveer een vijfde daarvan doet mee met de eerste openstelling van de regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden. Daarnaast is subsidie via verpachten niet aan de orde, zie het antwoord bij vraag 2.
Deze regeling is tijdelijk (t/m 2028). Het is een bewuste keuze dat ook koplopers, zoals biologische bedrijven, in een samenwerkingsverband mee kunnen doen. De inschatting vooraf was dat koplopers de trekker zullen zijn van de samenwerkingsverbanden en daarin anderen ook meenemen.
Kunt u aangeven welk doel de subsidie «Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangegebieden. Categorie 3: Extensivering in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden» exact dient? Bent u van mening dat dit doel daadwerkelijk wordt behaald en is er geen sprake is van vertroebeling van het subsidiedoel?
Het doel bij stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is de reductie van de veldemissies van ammoniak door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en daarmee de biodiversiteit in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden te versterken. Door de extensievere bedrijfsvoering komt er meer ruimte op de percelen en op het bedrijf voor meer en zwaardere pakketten agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
De rangschikking van de samenwerkingsverbanden hangt onder andere af van:
De monitoring van de effecten van deze regeling zal zich hier dan ook op richten. De verwachting is dat de doelen gehaald gaan worden, omdat alle deelnemende bedrijven een reductie bereiken in de veldemissies ammoniak en ongeveer de helft van de bedrijven van gangbare naar extensieve bedrijfsvoering omschakelen.
Wat is uw reactie op de analyse van Stichting Agri Facts over uw reactie dat «Bij het opstellen van de regeling is bewust gekozen voor openstelling in de overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, omdat juist daar de opgave voor extensivering het grootst is. Van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden wordt de komende jaren juist meer gevraagd dan van andere agrariërs. De regeling biedt daarom geen voordeel, maar is bedoeld om deze extra opgave te ondersteunen en de overgang naar een meer extensieve bedrijfsvoering mogelijk te maken»? Indien de analyse in uw ogen niet juist is, kunt u dit dan specifiek toelichten?
De analyse is deels juist, maar het was een bewuste keuze, zoals al in antwoord 5 is toegelicht. Ongeveer de helft van de deelnemers in de Natura 2000 overgangsgebieden is biologisch. Ook zij moeten nog een stap zetten van 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha. Dat is minder gederfde inkomsten per hectare dan voor gangbare boeren. De biologische en gangbare boeren werken in de samenwerkingsverbanden juist samen om hun kennis en ervaring met extensieve landbouw te delen.
Welke maatregelen gaat u nemen om deze onterechte bevoordeling van deze «voorbeeldboeren' ten opzichte van gemiddelde boeren op te heffen?
De subsidie is gericht op samenwerkingsverbanden waarin zowel koplopers als gangbare boeren kunnen zitten. Het is een bewust keuze geweest om koplopers aan deze tijdelijke regeling te laten deelnemen. De regeling is bij de tweede tranche al aangepast door op bedrijfsniveau ook minimale reductievereisten op te nemen. Er is nu geen aanleiding om de vergoedingensystematiek aan te passen.
Welke (verdere) maatregelen gaat u nemen om de achtergestelde marktpositie van boeren die verder van een Natura 2000-gebied hun bedrijf uitbaten te vereffenen met de marktpositie van de genoemde voorbeeldboeren?
Pacht is geen subsidie, want er wordt een marktconforme pachtprijs gevraagd, passend bij de beperkingen in het gebruik van de grond die worden gesteld. De gunning bij verpachten van natuurpercelen is aan de verpachter. Ik zal daarom geen verdere maatregelen nemen.
Wilt u deze vragen beantwoorden minimaal één dag voor aanvang van het commissiedebat ontwerpNatuurplan op 3 september aanstaande?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Ecoregelingen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Negatieve beschikkingen eco-regeling 2025: LTO blijft aandringen op herbeoordeling»1 waaruit blijkt dat maar weinig herbeoordelingen van afgewezen eco-regelingen leiden tot het terugdraaien van een afwijzing?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Hoeveel van de toegezegde 1345 herbeoordelingen zijn intussen gedaan?
N.a.v. motie Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789) heeft RVO inmiddels alle 1.345 van de toegezegde herbeoordelingen uitgevoerd. De motie verzocht om beschikkingen opnieuw te beoordelen die hadden geleid tot substantiële verlagingen of afkeuringen van vergoedingen binnen de Eco-regeling, waarbij menselijke beoordeling een zwaardere rol krijgt. Aanvullend heeft RVO ook de dossiers waarin de eco-activiteit «Groenbedekking» was afgekeurd door doodgevroren gewas en dit financiële gevolgen had, opnieuw beoordeeld.
Hoeveel van de herbeoordelingen leiden tot een positieve beschikking waar die eerder negatief was?
Van de inmiddels herbeoordeelde dossiers heeft RVO in 386 gevallen vastgesteld dat het herbeoordelen van de eco-activiteit Groenbedekking alsnog heeft geleid tot een hogere vergoeding
Hoeveel andere bezwaren op de (pro-forma) beschikkingen 2025 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) intussen ontvangen en wat is de stand van zaken (aandeel ingediend versus afgehandeld) van de ingediende bezwaren 2025?
RVO heeft inmiddels 5.306 bezwaren ontvangen tegen de beschikkingen over 2025. Daarvan zijn 168 bezwaren afgehandeld en zijn 5.138 bezwaren nog in behandeling. RVO registreert in de bezwaarprocedure niet op welke specifieke onderdelen van een beschikking bezwaar wordt gemaakt. Een bezwaar kan bovendien betrekking hebben op meerdere onderdelen van een aanvraag. Daardoor kan niet worden aangegeven welk deel van de bezwaren specifiek betrekking heeft op specifieke activiteiten.
Is beheer (maaien en klepelen) van percelen waarvoor de eco-regeling minimaal 80 procent groenbedekking vereist is, toegestaan?
Of beheer van een perceel is toegestaan, hangt af van de betreffende eco-activiteit en de daarbij behorende subsidievoorwaarden. Voor verschillende eco-activiteiten is beheer, waaronder maaien en klepelen, toegestaan. Voor de eco-activiteit Groene braak geldt dat het perceel gedurende de vereiste periode minimaal 80% zichtbaar bedekt moet zijn met het aangegeven gewas. Maaien of klepelen is daarbij toegestaan, maar het maaisel moet op het perceel blijven liggen en mag niet worden afgevoerd. Het uitvoeren van beheer laat de verplichting om gedurende de vereiste periode aan de voorwaarden voor bedekking te voldoen onverlet.
Is het AMS-systeem in staat om voldoende bodembedekking door droog/afgestorven/afgevroren/gemaaid/geklepeld gewas te herkennen en te beoordelen?
Het AMS is ontwikkeld om op basis van satellietbeelden en algoritmen te beoordelen of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In specifieke situaties, bijvoorbeeld bij doodgevroren, verdroogd of gemaaid gewas, kan de interpretatie van satellietbeelden complex zijn. Door AMS als afwijkend beoordeelde («rode») percelen worden daarom alsnog door een medewerker beoordeeld, die naast satellietdata ook andere gegevens bij de beoordeling kan betrekken. En aanvullend houdt RVO rekening met vorstgevoelige gewassen en vorstperiodes bij de eco-activiteit Groenbedekking. Bij de eco-activiteit Groene braak is de werkwijze aangepast om beter rekening te houden met onder andere maaien, droogte en klepelen. De wijze waarop beelden worden geïnterpreteerd en wanneer aanvullende menselijke beoordeling nodig is, wordt door RVO continu verder ontwikkeld en verbeterd.
Het AMS-systeem en de praktijk lijken niet overeen te komen. Hoe gaat u om met deze zorg en hoe kalibreert u het AMS-systeem op de praktijk (inclusief weersomstandigheden/klimaat/groeiverloop/et cetera)?
Het AMS wordt jaarlijks gevalideerd aan de hand van onder meer veldwaarnemingen, controles ter plaatse en analyses van de uitkomsten. De resultaten van de herbeoordelingen van Groenbedekking geven geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. Wel blijkt dat menselijke beoordeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij mogelijke gewasschade door weersomstandigheden, van meerwaarde blijft. Samen met RVO blijf ik daarom bezien hoe de toepassing van AMS en de aanvullende menselijke beoordeling verder kunnen worden verbeterd, waarbij ook rekening wordt gehouden met weersomstandigheden, het groeiverloop en andere agronomische omstandigheden.
Veel boeren ontvingen de beschikking 2025 pas laat in het voorjaar van 2026, toen de betreffende percelen alweer in gebruik waren voor het bouwjaar 2026. Als die boeren bezwaar willen maken, maar geen foto of satellietmateriaal of andere data beschikbaar hebben om hun gelijk te onderbouwen, wat kunnen zij dan wel doen om het bezwaar te onderbouwen?
Ook wanneer een agrariër niet beschikt over eigen foto’s of andere bewijsmiddelen, kan deze bezwaar maken tegen een beschikking. RVO betrekt bij de beoordeling van het bezwaar de beschikbare gegevens die relevant zijn voor de beoordeling, waaronder de satellietbeelden en andere gegevens die bij de oorspronkelijke beoordeling zijn gebruikt.
Agrariërs kunnen daarnaast zelf beschikbare informatie aanleveren die hun bezwaar ondersteunt, zoals teeltregistraties, gegevens over uitgevoerde werkzaamheden of andere relevante bedrijfsgegevens. Satellietdata, in de vorm van luchtfoto's, zijn openbaar en te vinden via het satellietdataportaal van de Netherlands Space Agency (NLSA). De aanvullende beoordeling van de beschikbare gegevens kan bij RVO worden opgevraagd.
Als een boer die bezwaar maakt tegen een beschikking vraagt om de satellietbeelden van de RVO, krijgt de boer die dan altijd ook voor de hele periode waarop de beschikking betrekking heeft? Zo nee, waarom niet? Wat kan een boer in dat geval doen?
Een agrariër kan RVO verzoeken om de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan de beoordeling van een eco-activiteit, waaronder de gebruikte satellietbeelden. RVO verstrekt de beelden en gegevens die bij de beoordeling van de betreffende eco-activiteit zijn gebruikt en die betrekking hebben op de relevante verplichtingsperiode.
Als een agrariër van mening is dat bepaalde relevante gegevens ontbreken, kan hij of zij dit bij RVO aangeven en deze informatie betrekken bij een bezwaarprocedure.
Klopt het dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling met ruim 6 procent is gedaald ten opzichte van 2025? Wat vindt u hiervan? Wat wilt u doen om deze trend te keren?
Van de 43.276 GLB-deelnemers, hebben 32.052 boeren gekozen voor deelname aan de Eco-regeling. Dat is circa 6% minder dan in 2025. Ik neem deze daling uiteraard serieus. Uit een analyse van RVO blijkt dat de oorzaken divers zijn. Een deel van de voormalige deelnemers heeft in 2026 geen GLB-aanvraag meer ingediend, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsbeëindiging of bedrijfsoverdracht. Daarnaast is er een groep die wel een GLB-aanvraag heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen niet meer deel te nemen aan de Eco-regeling. Bij een deel van deze groep kan een lagere beschikking dan aangevraagd invloed hebben gehad op deze keuze. Ik vind het belangrijk dat de Eco-regeling aantrekkelijk blijft voor agrariërs. Daarom werk ik aan de aangekondigde aanpassingen van de regeling in 2027, waaronder een flexibelere puntensystematiek en uitbetaling op basis van de daadwerkelijk behaalde waarde van eco-activiteiten (Kamerstuk 28 625, nr. 383).
Boeren worden in 2026 opnieuw geconfronteerd met grote hitte en droogte. De RVO heeft de peildatum voor enkele eco-activiteiten uitgesteld naar 1 juli. De hitte en droogte duren echter voort en dit heeft grote invloed op de mate waarin boeren de eisen aan deelname aan de eco-regeling kunnen naleven. Wilt u toezeggen om bij de controles op de naleving van de eco-activiteiten in 2026 hier mee rekening te houden en coulance te betrachten bij afwijkingen? Wat kan u praktisch doen om een herhaling van 2025 te voorkomen? Wilt u toezeggen om controles voor een bepaalde tijd op te schorten als de boer aangeeft dat het moment bijzonder ongelukkig gekozen is gezien de droogte?
Ik heb voor dit jaar, vanwege de droogte, reeds besloten om voor drie eco-activiteiten de beoordelingsdatum te verschuiven naar 1 juli. Ook hanteert RVO dit jaar voor controles van verschillende activiteiten een langere periode voor het insturen van een geotagfoto, zodat agrariërs langer de gelegenheid hebben om een representatieve foto van de uitvoering van een activiteit aan te leveren. De Europese GLB verordeningen bieden verder ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Van die ruimte wil ik gebruik maken door heel Nederland aan te wijzen als gebied waar sprake is van extreme droogte en daarbij overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling.
Welke lessen leert u naar aanleiding van de vele problemen met de eco-regeling voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034? Wilt u toezeggen hierover met de sector te blijven overleggen?
De ervaringen met de huidige Eco-regeling laten zien dat onder andere voorspelbaarheid en doenbaarheid belangrijke voorwaarden zijn voor een succesvolle Eco-regeling. Ik zet mij daarom in voor een GLB waarin doelgerichtheid en werkbaarheid hand in hand gaan. Daarbij vind ik het van belang dat agrariërs voldoende handelingsperspectief hebben en dat de administratieve lasten beperkt blijven. Ik blijk hierover nadrukkelijk in gesprek met sectorpartijen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen, zowel bij de verdere uitwerking van de Eco-regeling vanaf 2027 als in de Nederlandse inzet voor het GLB na 2027.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
De klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) nog circa 24 megaton CO₂-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie ook antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in CO₂-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale uitstoot in Nederland?
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8 megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen aan de landbouw- en veehouderijsector?
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog 4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen en in megatonnen CO₂-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor landbouw en veehouderij?
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan in 2030 ten opzichte van 2020.
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn. Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na 2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025 geactualiseerd.4
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling, de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket die later dit jaar worden verwacht.
Kunt u aangeven hoeveel CO₂-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden doorgerekend.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert het kabinet op dit punt?
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen. Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [.] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen daar op dit moment onder vallen?
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis van gevalideerde praktijkdata)?
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties onvoldoende of te laat leveren?
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel. De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting 2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen. Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme. Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050 niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft op de ambitie en inzet richting 2030?
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan. Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie uit organische veenbodems.
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren, betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale maatregelen uitblijven?
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel financieel als juridisch?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR, kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden tot geldboetes voor de overheid.
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3 effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u dat?
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren. Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Ja.
De oversterfte onder dieren in de veehouderij door de hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat in het nieuws is gekomen dat op Franse pluimveebedrijven massale sterfte onder kippen heeft plaatsgevonden tijdens de hittegolf van eind juni 2026?1 2
Dit heb ik gezien.
Heeft u gezien dat ook is gemeld dat varkens zijn omgekomen nadat de ventilatie in hun stal was uitgevallen?3
Ja.
Deelt u het sterke vermoeden dat ook in Nederland in tijden van hitte (veel) meer dieren op veehouderijbedrijven sterven dan gebruikelijk? Zo nee, waarop baseert u zich als u denkt dat er zich geen oversterfte onder dieren in de Nederlandse veehouderij voordoet gedurende hete perioden?
Het spreekt voor zich dat in hitteperiodes kwetsbare dieren meer risico lopen. Zoals in voorgaande jaren is gemeld in Kamerbrief van 23 oktober 2020 (Kamerstuk 28 286 nr. 1130) en beantwoording van Kamervragen in 2020 en 2021, is gebleken uit cijfers van meldingen bij de NVWA en van sectororganisaties, dat tijdens hitteperiodes sterfte onder dieren op het primair bedrijf plaatsvond. De oorzaken daarvoor leken vooral bij factoren zoals stalventilatie of koelsystemen die uitvielen te liggen. Sindsdien zijn interventies hierop gepleegd vanuit het Plan van Aanpak Hittestress (Kamerstuk 28 286, nr. 1296) door bijvoorbeeld invoering van de verplichting om een noodaggregaat en alarmsysteem in stallen met ventilaties aanwezig te hebben en door hitteprotocollen die de sector heeft opgesteld.
Kunt u de Kamer informeren over de (vermoedelijke) oversterfte onder dieren in de veehouderij tijdens de periodes van hitte dit jaar en welke specifieke omstandigheden daarbij aan de orde waren, zoals het uitvallen van ventilatie of benodigde inzet van de brandweer?
Oversterfte zoals deze humaan gemeld wordt is een statistische (voorspel-) berekening gebaseerd op data van voorgaande jaren en verschillende (goed bijgehouden) parameters. Voor de veehouderij is een dergelijke statistische onderbouwde duiding niet op te maken.
Sterftecijfers op primaire bedrijven worden voor runderen, schapen en geiten op dierniveau geregistreerd in het I&R systeem. Hierbij wordt alleen geregistreerd om welke diersoort het gaat en de leeftijd van het dier, niet om welk type bedrijf (bijvoorbeeld vleesrunderen versus melkrunderen). Houders van varkens dienen de aantallen gestorven varkens te registreren in I&R. Voor pluimvee worden sterftecijfers niet in I&R geregistreerd. Wel moeten houders die 250 of meer vogels houden verplaatsingen van kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden melden. Ook bestaat voor houders van pluimvee een meldplicht bij verhoogde sterfte gedurende enkele dagen.
Omdat in het I&R systeem niet geregistreerd wordt wat de reden voor de sterfte van dieren is, is het vaststellen van oversterfte als gevolg van hitte niet mogelijk.
De NVWA wil doeltreffender en doelmatiger (risicogericht en kennis gedreven) invulling geven aan haar toezicht. Voor een aantal van deze taken is permanente toegang tot actuele (real time) gegevens nodig. Voorbeelden hiervan zijn realtime gegevens van Rendac Son B.V. (hierna: Rendac) over afwijkende sterftecijfers op bedrijven (onder andere voor hittestress) en afvoer van kadavers vanaf verzamelplaatsen of slachthuizen.
Momenteel ontbreekt er in de wetgeving een duidelijke grondslag (bevoegdheid) voor de NVWA voor het opvragen van gegevens bij derden.
Ik werk dan ook aan de toezegging van mijn voorganger (Kamerstuk 28 286, nr. 1335) om te onderzoeken of, hoe en onder welke voorwaarden (o.a. vanwege de bescherming van persoonsgegevens) de bevoegdheid vormgegeven kan worden. Ik informeer de Kamer over de voortgang begin 2027.
Voormalig Minister LNV heeft in 2021 in de Kamerbrief dierenwelzijn en hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 1210) veehouders opgeroepen om een melding te maken bij de NVWA als men duidelijke aanwijzingen heeft dat dieren door verstikking of door uitval van systemen om het leven zijn gekomen. Bij de NVWA zijn geen meldingen bekend. Deze oproep herhaal ik daarom bij deze.
Kunt u reflecteren op het waterverbruik door de veehouderij, alleen al vanwege het simpele feit dat dieren gedurende hun leven steeds zullen moeten drinken en de extra waterbehoefte gedurende hete perioden ten behoeve van de benodigde koeling voor de dieren in het licht van de droogte waar Nederland steeds vaker mee kampt en het feitelijke watertekort dat nu dreigt?4
Houders van dieren hebben een plicht om hun dieren goed te verzorgen. Daar hoort bij dat dieren ook voldoende te drinken krijgen. Er is op dit moment geen tekort aan drinkwater.
Hoe zouden de zogenaamde klimaatplannen van veehouders eruit moeten gaan zien en welke consequenties zullen die hebben voor de vraag naar stroom en water door de veehouderij gedurende hete perioden als voor beide terreinen al geldt dat we keuzes moeten gaan maken?
In de AMvB dierwaardige veehouderij ben ik voornemens een maatregel op te nemen die het hebben van een klimaatplan verplicht. Hierin dient een houder maatregelen op te nemen ter voorkoming van hitte- en koudestress. Het doel van de verplichting is dat de veehouder zich bewust is van periodes waarin dieren hitte- of koudestress kunnen ervaren en dat hiervoor bedrijfsspecifiek handelingsperspectief op papier staat. Het plan beschrijft hoe een veehouder het beste kan handelen in voorbereiding op- en tijdens warme en koude periodes zodat de dieren de mogelijkheid hebben zich hierop aan te passen om hitte- en koudestress tot een minimum te beperken. Het is aan de veehouder zelf om keuzes te maken die het best aansluiten bij diens bedrijfsvoering en houderijsysteem, waar de vraag naar en het gebruik van stroom en water in meegenomen kan worden.
Onderschrijft u de analyse dat de risico’s voor het welzijn van dieren aanmerkelijk zijn toegenomen nu de klimaatcrisis resulteert in frequentere, langdurigere en hevigere hittegolven?
Zoals ook in het Plan van aanpak hittestress staat (Kamerstuk 2023D25025), is het voorkomen van hittestress bij dieren een toenemend aandachtspunt aangezien de KNMI’14 klimaatscenario’s5 al voorspelden dat de temperatuur verder stijgt en dat Nederland steeds meer te maken zou krijgen met hete zomers.
Erkent u dat het voor het dierenwelzijn veel beter is om uit voorzorg veel minder dieren te fokken in aanloop naar de maanden waarin de kans tegenwoordig groot is dat het (zeer) warm wordt in Nederland, in plaats van stallen vol met dieren proberen te koelen met schaarse stroom en water?
De beladingsgraad in wagens, maar ook de beschikbare staloppervlakte voor de dieren hebben impact op de mogelijkheid voor dieren om af te kunnen koelen. Meer ruimte creëren voor deze dieren in de zomermaanden kan een goede manier zijn om hittestress te helpen voorkomen.
Bent u bij of na uw aantreden gebriefd over de aantallen dieren die jaarlijks sterven op veehouderijbedrijven in Nederland? Zo ja, wanneer was dat en op welke registratie(s) baseert u zich daarbij?
Zoals ik in vraag 4 heb geantwoord, worden de sterftecijfers van runderen, geiten en varkens in het I&R systeem geregistreerd. De veehouders hebben de verplichting om voor deze diersoorten hun dieren af te melden met een doodmelding aan het I&R systeem. Doordat de meldtermijnen variëren van 2 tot 7 werkdagen, afhankelijk per diersoort, is een actueel, dagdagelijks beeld niet uit het I&R systeem te verkrijgen. Verplichte registratie in I&R vindt plaats vanwege het belang van tracering van dieren met het oog op diergezondheid en dierziektebestrijding. I&R gegevens worden tevens gebruikt in de basismonitoring diergezondheid om vroegtijdig signalen van dierziekteproblematiek op te sporen.
De NVWA kan sterftecijfers op bedrijfsniveau opvragen in I&R. Deze worden waar nodig benut voor het opmaken van een retrospectief sterftesjabloon van het bedrijf ten behoeve van handhaving en toezicht.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van stichting Wakker Dier, dat cijfers combineerde van de Gezondheidsdienst voor Dieren, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, het Centraal Bureau voor de Statistiek en de sector zelf om de vroegtijdige sterfte van dieren (uitval) te berekenen die in geheel 2023 heeft plaatsgevonden in de Nederlandse veehouderij?5
Ja.
Kunt u bevestigen dat die berekeningen erop uitkomen dat behalve het (in ovo) uitselecteren en vergassen van 25 miljoen haantjes in de legkippenhouderij er jaarlijks meer dan 20 miljoen dieren sterven op de veebedrijven in Nederland, dieren die het slachthuis dus niet eens halen?
Ik kan dit niet bevestigen, omdat door de overheid of een NGO niet van alle diersoorten een representatief beeld kan worden verkregen van sterftecijfers op veehouderijbedrijven vanwege beperkte toegang tot de (sterfte)data.
Hoe beoordeelt u de berekeningen van Wakker Dier? Vindt u de sterftecijfers van dieren op veehouderijbedrijven waar zij op uitkomen plausibel? Zo nee, op basis van welke cijfers en gegevens denkt u van niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4 en 11.
Kunt u bevestigen dat een veehouder de dieren die zijn gestorven op zijn bedrijf (dagelijks) moet verzamelen en vervolgens moet aanbieden voor destructie door ze langs de kant van de weg te plaatsen, waarna het destructiebedrijf ze ophaalt? Zo nee, hoe zit het dan?
De houder moet gestorven dieren aan Rendac melden uiterlijk op de werkdag nadat het dier is overleden. Rendac moet vervolgens op de eerste werkdag na deze melding het kadaver ophalen en de houder moet het kadaver op zijn erf langs de weg aan Rendac aanbieden. Hierop zijn 2 uitzonderingen vastgesteld, namelijk dat de houder en Rendac overeen kunnen komen om de dieren op een andere plaats (op het erf) aan te bieden resp. op te halen en dat kleine kadavers (<25kg en varkens <200kg) gekoeld kunnen worden bewaard en één keer in de twee weken (pluimvee vier weken) op een vaste werkdag worden gemeld en aangeboden7.
Hoe worden door respectievelijk de veehouder en het destructiebedrijf de aantallen gestorven dieren geregistreerd? Hoe en aan wie wordt dit gerapporteerd en met wie worden deze gegevens gedeeld?
Sterfte bij runderen wordt door de veehouder doorgegeven aan Rendac. Rendac meldt voor de veehouder een doodmelding aan het I&R systeem. Een doodmelding bij schapen en geiten meldt de veehouder aan het I&R systeem. Rendac heeft hier geen rol. Varkenshouders zijn verplicht sterfte bij varkens te (laten) melden aan het I&R systeem. Hierbij moeten aantallen en soort varkens gemeld worden.
Jaarlijks worden aantallen doodmeldingen van runderen, schapen, geiten en varkens gerapporteerd via de jaarrapportage I&R. Deze rapportage wordt gepubliceerd op de website van RVO. Sterftecijfers van pluimvee worden niet doorgeven aan het I&R systeem. Er is enkel sprake van aan- en afvoermeldingen van pluimveekoppels in I&R. Gestorven pluimvee wordt opgehaald in kadavertonnen die gemeld dienen te worden bij Rendac.
Vindt u het passen bij de intrinsieke waarde van het dier om sterfte onder dieren in de veehouderij te registreren of rapporteren in gewicht, in plaats van in individuele aantallen dieren?
Er is geen sprake van registratie van sterfte van dieren in I&R op basis van gewicht. Registratie van gewicht speelt enkel een rol bij de facturering ten behoeve van destructie.
Deelt u de mening dat er een publiek belang mee gemoeid is om de sterfte van dieren op Nederlandse veehouderijbedrijven adequaat te registreren en inzichtelijk en toegankelijk te maken voor handhavers, journalisten, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers? Zo nee, waarom vindt u het niet nodig dat onafhankelijk kan worden gemonitord en gecontroleerd welke sterfte zich voordoet onder dieren in de Nederlandse veehouderij? Zo ja, bent u bereid hier de nodige stappen toe te zetten?
Ik vind het belangrijk om goed zicht te hebben op de sterfte van dieren op veehouderijbedrijven. Daarom wordt de sterfte van dieren voor de aangewezen diersoorten via het I&R systeem geregistreerd en jaarlijks door RVO gerapporteerd op de website. Het I&R systeem is toegankelijk voor organisaties die door mij zijn aangewezen voor handhaving in Nederland. Dit betreft voor I&R in de veehouderij, de NVWA. Er zijn geen andere organisaties die rechtstreeks toegang hebben tot de door de overheid ingewonnen I&R data en dus de sterftecijfers.
Gegevens over sterfte bij de aangewezen diersoorten I&R kunnen op elk moment worden opgevraagd door externe partijen, maar zijn door de registratietermijnen die variëren van 2–7 werkdagen niet actueel. Als het verzoek tot leveren van data voldoet aan de gestelde eisen zal RVO deze data leveren.
Het is voor de NVWA dus niet mogelijk om via I&R een volledig en actueel beeld te verkrijgen van sterftecijfers.
Daarom wil ik de NVWA in staat stellen om afwijkende sterftecijfers op bedrijven beter te kunnen monitoren. Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, onderzoek ik of de mogelijkheid bestaat voor een wettelijke grondslag voor het opvragen van gegevens van derden, zoals gegevens van Rendac. Op die manier kan de NVWA effectiever en efficiënter toezicht houden.
Op welke termijn mogen we adequate registraties verwachten die inzichtelijk en toegankelijk zijn voor handhavers, journalisten, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers?
De registraties rondom sterfte, geboorte, verplaatsingen, etc. zijn beschikbaar in I&R. Ook worden alle data rondom de meldingen aan het I&R-systeem jaarlijks in een rapportage gepubliceerd op de website van RVO. De NVWA en de LID hebben rechtstreekse toegang tot het I&R-systeem in het kader van handhaving.
Ik werk aan de toezegging van mijn voorganger (Kamerstuk 28 286, nr. 1335) om te onderzoeken of, hoe en onder welke voorwaarden voor de NVWA de wettelijke grondslag (bevoegdheid) vormgegeven kan worden voor het opvragen van gegevens van derden. Ik informeer de Kamer over de voortgang begin 2027.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Omrop Fryslân: Honderden meldingen over gezondheidsproblemen bij Friese paarden: «Mensen beseffen niet hoe ernstig het is»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard ontbreekt, doordat melding van sterfgevallen bij het Koninklijk Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) niet verplicht is?
Ik vind het belangrijk dat gezonde dieren worden gefokt. Hierbij is samenwerking in de keten essentieel en dient elke partij haar verantwoordelijkheid te nemen. Waar de overheid zich inzet voor de borging van de juiste randvoorwaarden voor behoud van dierlijke genetische bronnen, ligt het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging, zoals KFPS.
Het KFPS stelt de foktechnische richtlijnen op voor het Friese paard in een fokprogramma volgens de Fokkerijverordening.2 Hierbij merk ik op dat een meldpunt voor sterfgevallen geen verplichting is uit de Fokkerijverordening.
Het KFPS moet aan de Fokkerijverordening voldoen en geeft daaraan uitvoering in zijn reglementen. Het is aan het stamboek om een fokprogramma op te stellen dat voldoet aan eisen van de Fokkerijverordening. Dit wordt beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het KFPS biedt momenteel de mogelijkheid aan paardenhouders om te melden als er een probleem met het veulen of paard is. Dit is echter niet verplicht waardoor niet met zekerheid vast te stellen is of het KFPS op de hoogte is van alle afwijkingen binnen de totale populatie. Een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard kan bovendien niet worden verkregen op basis van meldingen van sterfgevallen alleen, want niet alle erfelijke gezondheidsproblemen zullen leiden tot sterfte.
Het KFPS is in samenwerking met Wageningen University en Research (WUR) bezig met het uitbreiden van een database met DNA-informatie en status van erfelijke gebreken voor het maken van een genetisch management plan. Dit plan heeft als doel selectie van fokdieren ter voorkoming van erfelijke gebreken, nieuwe gebreken voorkomen en tegelijkertijd de genetische diversiteit behouden. Ten slotte constateer ik dat er ook private initiatieven op dit vlak zijn ingericht. Een voorbeeld hiervan is het Meldpunt Gebreken Friese paard.3
Is er op dit moment enige wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokdieren te registreren en te melden bij een toezichthoudende instantie? Zo nee, ziet u aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren, gelet op het belang van diergezondheid en dierenwelzijn?
Er geldt op dit moment geen wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokprogramma’s te registreren of te melden bij de toezichthouders. De Europese regelgeving schrijft dit ook niet voor. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging zoals KFPS en zie ik verscheidene private initiatieven om de situatie te verbeteren.
In hoeverre vindt er op dit moment toezicht plaats op stamboekorganisaties als het KFPS als het gaat om de gevolgen van fokkerijbeleid voor de gezondheid van het ras? Welke instantie is hiervoor verantwoordelijk?
Het toezicht op stamboekorganisaties is belegd bij RVO. RVO beoordeelt of stamboeken voldoen aan de regels voor de erkenning van stamboekverenigingen, zoals beschreven in artikel 4 van de Fokkerijverordening. Daarnaast beoordeelt RVO een of meer fokprogramma's die door het stamboek zijn ingediend, zoals beschreven in artikel 8 van de Fokkerijverordening. RVO voert de administratieve controles op deze voorschriften uit, RVO kan hiertoe aanvullend een controle ter plaatse uitzetten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In de Fokkerijverordening zijn geen concrete normen vastgesteld welke fokkerij wel en niet is toegestaan. Er staat geen verbod op fokken met dieren met een genetisch defect. De verordening geeft juist aan dat genetische defecten in het fokprogramma worden vermeld in relatie tot het ras en de raszuivere fokdieren en het fokbeleid. Dit met het oog op fok- en selectiedoelen en voorkómen van verlies aan genetische diversiteit. Uitsluiten van fokdieren met een genetisch defect kan ook zorgen voor ongewenst verlies aan genetische diversiteit in de populatie. Met fok- en selectiedoelen moet worden voorkomen dat de populatie genetische diversiteit verliest.
Erkent u het risico dat een gesloten stamboek, waarbij uitsluitend gefokt mag worden met dieren van hetzelfde ras, op termijn kan leiden tot een te smalle genetische basis en een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen? Welke rol ziet u hierbij voor uzelf of voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en/of de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Hier is geen eenduidig antwoord op te geven omdat dit afhankelijk is van de grootte van de populatie, met hoeveel dieren hiervan actief wordt gefokt, en het fokbeleid dat wordt toegepast. Denk hierbij aan DNA testen, genomische selectie, dekbeperkingen etc. Veel stamboeken fokken uitsluitend met dieren van hetzelfde ras. Dit hoeft geen problemen met zich mee te brengen, maar dit is uiteraard afhankelijk van het gevoerde fokbeleid, de aandacht daarin voor inteeltbeperking en het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken.
In het algemeen onderstreep ik dat genetische diversiteit essentieel is voor een veerkrachtige en duurzame dierhouderij en voor duurzaam beheer en behoud van dierpopulaties. Nederland is immers gecommitteerd aan mondiale en EU-verplichtingen met betrekking tot behoud en duurzaam gebruik van dierlijke genetische bronnen, in het bijzonder de Convention on Biological Diversity, het FAO-actieplan voor dierlijke genetische bronnen, de Fokkerijverordening en de Diergezondheidswetgeving.4
Daarom is er een complementair systeem voor het behoud van dierlijke genetische bronnen, dat bestaat uit «in situ» en «ex situ» behoud. In situ behoud betreft de instandhouding en het beheer van fokpopulaties, rassen of selectielijnen van landbouwhuisdieren. Nederlandse fokkerijbedrijven en stamboeken zijn wereldwijd leidend en exporteren hoogwaardige genetica. Hier is de verantwoordelijkheid van partijen zoals KFPS leidend. Het ex situ behoud is voor een belangrijk deel belegd bij de nationale genenbankcollectie van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Het CGN beheert de nationale ex situ genenbankcollectie voor landbouwhuisdieren.
Voor de rol van RVO en NVWA in het toezicht verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorg van de geïnterviewde dierenarts dat het ontbreken van goede, centrale data onderzoekers en fokkers belemmert om patronen in erfelijke aandoeningen te herkennen en daarmee gerichte fokmaatregelen te nemen? Welke mogelijkheden ziet u om deze dataverzameling te verbeteren of te verplichten?
Ik deel de zorg niet aangezien er verscheidene private initiatieven door KFPS zijn en worden ontplooid om de nodige data te verzamelen en gezonde fok te bevorderen. Hieronder licht ik de voornaamste initiatieven op dit vlak toe.
Ik zie dat het KFPS diverse initiatieven heeft ontplooid om beter zicht te krijgen op het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken binnen het ras en fokkers te ondersteunen bij de keuze van een hengst en een merrie om inteelttoename te voorkomen en de kans op erfelijke aandoeningen terug te brengen.
Het KFPS biedt bij haar aangesloten fokkers de mogelijkheid om inteeltberekeningen/proefparingen te doen voordat tot dekking wordt overgegaan.
Daarnaast loopt bij het KFPS het project Behoud van Friese Paard 2023–2027, waarbij ook een enquête is gehouden. Onderdelen van het project zijn een Genetisch Management Plan Selectie tegen erfelijke gebreken, het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken en het behoud van genetische diversiteit.
Binnen dit project wordt onderzocht hoe de genetische diversiteit binnen het Friese ras is verdeeld. Onderdeel hiervan is dat sinds 2023 bij alle veulens haarmonsters worden afgenomen en het DNA in kaart wordt gebracht met als doel een rasspecifiek referentiegenoom te ontwikkelen en verborgen letale mutaties te detecteren.
Bovenstaande zal leiden tot een genetisch management plan waarvan selectie tegen erfelijke gebreken en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken het doel is met behoud van genetische diversiteit.
Verder loopt er op dit moment een publiek-private samenwerking waarbij WUR, Koepel Fokkerij, KFPS en het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) betrokken zijn getiteld «Behouden paard». De focus hiervan ligt op het verbreden van toepassing van sleuteltechnologie genomics in het fokprogramma van grote en kleine paarden- en ponystamboeken waaronder het KFPS, ter bevordering van welzijn en gezondheid (onder andere door het voorkomen van inteelt en erfelijke gebreken) bij paardachtigen.
Daarnaast is het relevant om te vermelden dat het KFPS in 2003 is overgegaan tot het instellen van dekbeperkingen en de publicatie van verwantschapspercentages.
Verder heeft het KFPS in 2021 het fokdoel aangepast en expliciet verwoord dat de gezondheid van het Friese Paard voorop staat. Onderdeel hiervan is de ambitie het verder laten dalen van de inteelt coëfficiënt naar maximaal 0,5%, waar de FAO een maximum van 1% adviseert.
Bestaan er voor het Friese paard, net als voor sommige andere paardenrassen of gezelschapsdieren, al verplichte genetische tests voorafgaand aan de goedkeuring van fokhengsten? Zo ja, welke aandoeningen worden hierbij getest en acht u dit pakket toereikend in het licht van de signalen uit dit onderzoek?
Onderdeel van het goedkeuringsproces van dekhengsten bij KFPS is onder meer het verrichten van genetische tests op verscheidene aandoeningen, te weten: dwerggroei, waterhoofd en cornage. Daarnaast is een uitgebreid medisch en verrichtingsonderzoek onderdeel van het keuringsproces van een potentiële dekhengst.5
Ik verwacht dan ook van KFPS dat het op basis van deze processen dekhengsten indien nodig uitsluit voor de fokkerij.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het KFPS over het instellen van een verplicht, centraal en openbaar meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen bij Friese paarden, zoals door zowel de oud-fokker als de dierenarts wordt bepleit?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2, een meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen is op grond van de Fokkerijverordening niet verplicht. In dit kader ben ik ook niet bereid verder te gaan dan wat de Europese regelgeving vereist. Ik ben van mening dat elke partij in de keten haar verantwoordelijkheid dient te nemen om de gezondheid van Friese paarden te waarborgen.
Bent u bereid om, eventueel in samenwerking met de Faculteit Diergeneeskunde of andere onafhankelijke experts, onderzoek te laten doen naar de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen binnen het Friese paardenras en de rol die de fokkerijstructuur daarbij speelt?
Aangezien de verantwoordelijkheid van het fokken van gezonde paarden primair bij de fokker belegd is, wil ik u verwijzen naar de initiatieven die het KFPS heeft opgestart (zie mijn antwoord op vraag 6).
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van bovenstaande vragen en eventuele vervolgstappen?
Ik verwijs u naar de beantwoording op deze vragen.
Het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
Ik ben op de hoogte van de algemene omstandigheden waarin konijnen leven in de houderijen. De omstandigheden waaronder konijnen worden gehouden, kunnen per houderij verschillen, maar ik ga er wel van uit dat houderijen minimaal voldoen aan de standaarden die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Voor de standaarden in houderijen verwijs ik naar de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze wet- en regelgeving stelt minimumeisen aan huisvesting, verzorging en hantering van dieren, met als doel onnodig lijden te voorkomen. Voor konijnen zijn specifieke voorschriften opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder eisen aan de ruimte, verlichting, verrijking en voer en water.
Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis?1 2
Ja.
Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
Ja.
Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van vier á vijf lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soortgenoten?
Ja.
Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
Ja.
Wat vindt u van dit alles?
Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
Dieren zijn meer dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens eraan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Tijdens de verplaatsing van dieren moet letsel en lijden voorkomen worden en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. Dit vereist een rustige en zorgvuldige manier van werken.
De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.
Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
Op 1 april 2026 zijn 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd.
Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
Ja, we hebben gezien dat bij 16 bedrijven is gefilmd. Er is een grote hoeveelheid aan beeldmateriaal.
Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig Minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor «geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn»?3
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Schouten op de beelden van toen.
Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig Minister Adema aangaf dit «verschrikkelijk» te vinden?4
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Adema op de beelden van toen.
Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 en 2025 geen enkele controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015–2017 als 2021–2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20225 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.
Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot en bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
De NVWA richt het toezicht op de locaties en sectoren waar de risico’s het grootst zijn en waar meldingen en signalen aanleiding geven voor inspecties. Omdat uit de inspecties uit 2021/2022 bleek dat er geen sprake was van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd. In 2027 staat opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden.
Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 12.
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
De draagtijd van een konijn bedraagt gemiddeld 31 dagen. De vleeskonijnen gaan rond 11 weken leeftijd naar de slacht. In het handboek van de sector van 2019–2020 staat dat moederkonijnen gemiddelde 6,8 worpen per jaar hebben. De gevraagde gegevens over het aantal keer per jaar dat de konijnen op een gemiddeld bedrijf naar de slacht worden afgevoerd, worden niet door de overheid bijgehouden.
Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van één van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze echt geschrokken waren van de beelden, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
Op basis van het bericht over de beelden kan ik geen oordeel geven over de geloofwaardigheid van een individuele reactie van een houder.
Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
Ik kan geen oordeel vellen over de mate van betrokkenheid van specifieke konijnenhouders bij het vang- en laadproces. De konijnenhouder blijft hoe dan ook zelf verantwoordelijk voor het welzijn van de dieren op diens bedrijf en heeft zich aan de regels te houden. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.,
Deelt u het vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden naar buiten zijn gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie kan ik geen oordeel geven over de reacties van individuele konijnenhouders.
Denkt u dat een «stevig gesprek», dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
In het gesprek met de sector met LVVN en NVWA op 16 juli jl. is besproken dat de LTO in samenwerking met een onafhankelijke kwartiermaker een verbeterplan maakt dat uiterlijk in oktober door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met «verbeterplannen» te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.
Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij deze zorgen van burgers voorstellen. Subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen, zoals de Lbv-regelingen6 en de in voorbereiding zijnde Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) kennen een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het Openbaar Ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zo omgaan met dieren?
Zie mijn antwoord op vraag 12 en 24. In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.
Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.
Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Ik deel dat het laden en doden van de konijnen op de videobeelden op een dieronwaardige manier gebeurt en keur dit af. Echter, zoals aangegeven loopt het onderzoek van de beelden nog.
De konijnenhouder is verantwoordelijk dat tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden voorkomen wordt en opwinding en stress tot een minimum wordt beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. De konijnensector gaat een verbetertraject opzetten met een onafhankelijke kwartiermaker. Dit proces zal nauwlettend gevolgd worden.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
De Wet dieren en het Besluit houders van dieren is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, zoals Richtlijn 98/58/EG betreffende de bescherming van landbouwhuisdieren. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van dieren, voor zover deze verenigbaar zijn met de economische en praktische haalbaarheid in de houderijen.
Of er sprake is van structureel lijden is niet te zeggen omdat de omstandigheden variëren per bedrijf. Wel is het van belang om te benadrukken dat de huidige wetgeving minimumeisen stelt, maar dat er ruimte is voor verbetering in het kader van het welzijn van de konijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek van onder andere de European Food Safety Authority (EFSA)1 blijkt dat konijnen behoeften hebben die in lijn liggen met hun natuurlijke gedrag.
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), werk ik aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen en dat de concept-AMvB na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus ligt in de AMvB die reeds wordt opgesteld bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken. Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.
Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen, omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden?5 Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
In totaal zijn in 2025 iets meer dan 246.000 konijnen gefokt (gespeende vleeskonijnen en voedsters). Cijfers over de sterfte van konijnen worden niet centraal geregistreerd.
Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen?6 7
Ja, hier ben ik mee bekend; dit is de Zorgwijzer. De LTO konijnenhouderij is dit samen met Wageningen Economic Research (WEcR) gestart. Het is een centrale registratie van data die inzicht geeft in een aantal duurzaamheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de sterftecijfers. De Zorgwijzer is reeds toegepast voor 2023 en 2024 en zal dit najaar worden ingezet om de sterftecijfers van 2025 en 2026 vast te stellen.
Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over deze cijfers. De Zorgwijzer is een private tool en deelname van konijnenhouders is vrijwillig. Niet alle konijnenhouders nemen deel aan de Zorgwijzer en het is niet bekend of de totaalcijfers representatief zijn.
Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
Zie mijn antwoord op vraag 27.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen?8
Ja.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
Ja.
Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
Ja, ik onderschrijf dat konijnen gevoelig zijn voor hittestress. Momenteel wordt bij hoge temperaturen de koeling ingeschakeld. Deze koeling kan worden uitgevoerd door de toepassing van PAD-cooling, mechanische koeling of grondbuizen.
Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
Nee, zij maken enkel gebruik van verkoelingsmogelijkheden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?
Zie mijn antwoord op vraag 21.
Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?1
De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20222 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.
Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Daarnaast werk ik, zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij die na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus in de AMvB die reeds wordt opgesteld ligt bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden?
Zie het antwoord op uw derde vraag. De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.
Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.
Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk?
De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde «Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen». Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.
In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.
Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?
De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Het bericht dat naar verluidt minimaal 41 wolven in Nederland zijn gestroopt |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent verschenen onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals Terug in het vizier: Wolvenstroperij in Nederland?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoeksresultaat dat tussen oktober 2021 en maart 2026 naar verluidt minimaal 41 wolven zijn gestroopt en waarschijnlijk nog veel meer? Voelt u een verantwoordelijkheid om met maatregelen te komen? Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een bekend fenomeen dat van tijd tot tijd op verschillende locaties de kop opsteekt. Uit navraag bij BIJ12 en politie is niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven.
Hoeveel capaciteit wordt er vrijgemaakt bij het Openbaar Ministerie om de gegevens verder te onderzoeken?
Er is geen concreet cijfer te plakken op de capaciteit die hiervoor wordt vrijgemaakt. In algemeenheid wordt de inzet en prioritering van capaciteit met betrekking tot de strafrechtelijke aanpak van stroperij bepaald aan de hand van – onder andere – de concrete feiten en omstandigheden, de bewijsbaarheid, de opsporingsmogelijkheden en de beschikbare capaciteit. Serieuze signalen over mogelijke stroperij worden zorgvuldig beoordeeld en, waar daartoe voldoende aanleiding bestaat, strafrechtelijk opgevolgd.
Kunt u nog eens expliciteren wat u vindt van het illegaal afschieten van wolven?
Het illegaal afschieten van alle beschermde diersoorten keur ik ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Wat vindt u ervan dat mensen pogingen van wolfvergiftiging hebben geregistreerd? Wat vindt u ervan dat mensen hebben geregistreerd dat kadavers worden weggewerkt door ze te begraven, in mestkelders te dumpen, te verbranden of in water te dompelen, en dit in Facebookgroepen wordt besproken?
Wanneer er sprake is van het waarnemen van illegale activiteiten, dan kunnen getuigen hiervan aangifte doen bij de bevoegde instanties. De positie van de getuige is wettelijk geregeld en beschermd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via Meld Misdaad Anoniem melding te doen van strafbare feiten.2
Kunt u erkennen dat georganiseerde vervolging van wolven in Nederland een probleem is? Zo nee, waarom niet? Welke verklaring heeft u dan ervoor dat tijdens de onderzoeksperiode 38 van de in Nederland genetisch bevestigde wolven zonder verklaring uit de monitoringsgegevens zijn verdwenen?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat er sprake is van georganiseerde vervolging van wolven in Nederland. Wolven kunnen om meerdere redenen van de radar verdwijnen. Bijvoorbeeld doordat ze over de grens naar andere landen trekken of doordat ze zich schuilhouden en daardoor niet zichtbaar zijn voor mensen.
Vindt u het wenselijk dat groepen plattelandsbewoners, waaronder boeren en jagers, ’s nachts patrouilles uitvoeren om wolven op te sporen en te achtervolgen, waarbij ze worden geholpen door realtime waarschuwingen die stichting No Wolves Benelux en GeenWolf online verspreiden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik vind het zeer onwenselijk als mensen actief contact zoeken met wolven. Het is belangrijk dat wolven met rust worden gelaten zodat zij hun schuwheid behouden. Via voorlichting, onder meer door het Landelijk Informatiepunt Wolven, worden mensen opgeroepen wolven met rust te laten.
Bent u op de hoogte van de schokkende beelden van dode en opgejaagde wolven die worden gedeeld op social media, zoals de anti-wolf campagneposter gepubliceerd door Stichting Annemieke, die ook als paginagrote advertentie in de Telegraaf verscheen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?2 3
Ja. Het heeft niet mijn voorkeur, maar het mag. Ik wil de polarisatie tegengaan door stevig landelijk beleid. Daarom wil ik de regie nemen en een Nationaal Wolvenberaad organiseren om daar met betrokkenen het goede gesprek te voeren over wolven in Nederland.
Bent u ervan op de hoogte dat waarschuwingen over waarnemingen van wolven kunnen worden geïnterpreteerd door mensen als aansporing om op wolven te jagen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Waarnemingen van wolven spelen een belangrijke rol in de monitoring van de soort en bij het voorkomen van incidenten. Dat deze waarnemingen op een andere manier geïnterpreteerd worden, valt niet uit te sluiten. Dit vormt voor mij geen reden om op te treden.
Ziet u in dat het niet nemen van maatregelen voor voldoende bescherming van de wolf indirect ervoor zorgt dat het aantrekkelijker en gemakkelijker is voor wolvenvervolgers om op jacht te gaan, omdat er sprake is van een beleidssignaaleffect? Zo nee, waarom niet?
Wolven zijn een nationaal beschermde soort waarvoor beschermingsmaatregelen moeten worden genomen door het bevoegd gezag. Ik ben ervan overtuigd dat er voldoende maatregelen worden genomen door het bevoegde gezag en zie geen reden voor een ongewenst beleidssignaaleffect.
Bent u het eens dat Landbouw- en Tuinbouworganisatie (LTO)-voorman Wim Brouwer, die begrip uit voor wolvenstroperij in een interview met de Barneveldse Krant, dit beleidssignaaleffect bevestigt?4 Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een strafbaar feit. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u geen enkel begrip hebt voor eventuele wolvenstroperij onder geen enkel beding en dat wolvenstroperij hard moet worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ik keur stroperij ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Welke maatregelen treft u om het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven, bijvoorbeeld met informatiecampagnes rondom de positieve kanten van de aanwezigheid van de wolf, te vergroten?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven, dat vanuit mijn ministerie wordt ondersteund, wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven en hoe mensen daarmee om kunnen gaan. Deze informatie draagt bij aan het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven.
Kunt u ingaan op elk van de acht aanbevelingen van het onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals? Welke gaat u doorvoeren en hoe? Welke niet en waarom? Kunt u dit onderbouwen?
Advies «Erken de omvang van de wolvenvervolging en kom in actie.».
Zoals hierboven aangegeven, wordt er voldoende inzet gepleegd en zie ik geen reden om hier extra op in te zetten.
Advies «Herstel de natuurhandhavingscapaciteit in het buitengebied.».
Zoals hierboven aangegeven is er geen reden om de handhavingscapaciteit te vergroten.
Advies «Richt het Landelijk Deskundigenteam Wolf zonder verder uitstel op.».
Provincies zijn bezig dit team in te richten. Naar verwachting zal het team in 2027 operationeel zijn.
Advies «Verhoog de financiering aan provincies voor de bescherming van vee.» en
Advies «Zorg voor structurele financiering van initiatieven die wolfwerende rasters ondersteunen.».
Via het landelijk initiatief veebescherming ondersteun ik de provinciale initiatieven voor de bescherming van vee, waaronder het gebruik van wolfwerende rasters.
Advies «Initieer een oprechte, blijvende dialoog met de getroffen plattelandsgemeenschappen.»
Ik organiseer in december een eerste Nationaal Wolvenberaad. Dit is bedoeld om het gesprek aan te gaan met betrokkenen over wolven in Nederland en de samenwerking te versterken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
Advies «Erken dat het verzwakken van de bescherming van wolven het risico op vervolging vergroot.»
Wolven zijn een nationaal beschermde soort. Ik zie geen reden voor een groter risico op vervolging door deze beschermingsstatus. Illegale vervolging van wolven is strafbaar.
Advies «Ontwikkel een langetermijnvisie op landgebruik die ruimte maakt voor het samenleven met de wolf.»
In 2025 is vanuit LVVN gestart met het verkennen van de mogelijkheden voor ruimtelijk beleid ten aanzien van wolven. Ik heb vastgesteld dat een aantal belangrijke bouwstenen waarop ruimtelijke keuzes gebaseerd dienen te worden, nog in ontwikkeling is. Begin 2027 verwacht ik beter zicht te hebben op wanneer deze bouwstenen gereed zullen zijn.
Kunt u uitleggen waarom adviezen uit het verleden, zoals van de Wolvencommissie Gelderland5, Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)6, Landelijk Overleg Wolf7 en experts8 niet worden opgevolgd? Bent u alsnog bereid om deze adviezen uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Over de opvolging van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden heeft mijn ambstvoorganger uw Kamer geïnformeerd (Kamerstukken II 2023/24, 33 576, nr. 376). De adviezen van de Wolvencommissie Gelderland en van het Landelijk Overleg Wolf zijn niet gericht aan mijn ministerie. Het is aan de betreffende bevoegde overheden om te besluiten over opvolging van deze adviezen. Daarbij zijn de adviezen niet bindend en ben ik verantwoordelijk voor het beleid.
Bent u bereid om zo snel mogelijk te onderzoeken hoe strenger en steviger op wolvenvervolging kan worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in kaart brengen welke middelen u hiervoor vrijmaakt?
Zoals hierboven aangegeven, is er voldoende handhaving en is er voor mij geen aanleiding om de handhaving uit te breiden.
Bent u nu wel bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de huidige status van genetisch geïdentificeerde wolven in Nederland? Kan daarbij worden vastgesteld welke doodsoorzaken zijn geconstateerd en, indien onbekend, welke oorzaken het meest waarschijnlijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om hier onderzoek naar te doen. Doodsoorzaken van wolven worden in opdracht van BIJ12 onderzocht bij het Dutch Wildlife Health Centre in Utrecht in samenwerking met Wageningen Environmental Research. De uitkomsten van dit onderzoek worden gedeeld met BIJ12 en de provincies. BIJ12 publiceert een overzicht van aangereden of dood gevonden wolven op haar website.10
Bent u nu wel bereid om aanvullende maatregelen te treffen, zoals betere bescherming van ecologen, strengere handhaving tegen bedreigingen en actieve signalering van intimidatie binnen de natuurbeschermingssector? Zo nee, waarom niet?
Ik zie hier geen reden toe. In geval van intimidatie of bedreiging kan eenieder, ongeacht diens achtergrond of functie, te allen tijde aangifte doen. Uit de registratiesystemen van de politie is niet op te maken of er aangiftes zijn gedaan of signalen bekend zijn van bedreigingen aan het adres van ecologen of natuurbeschermers die zich uitspreken over wolven. In die systemen wordt niet systematisch vastgelegd of een betrokkene ecoloog of natuurbeschermer is.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Ja.
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr. 173) heb ik mijn beleid voor de transitie naar proefdiervrije innovatie (TPI) en dierproeven uiteengezet. Zoals ik in die brief heb aangegeven zijn er voor bepaalde onderzoeken nog steeds dierproeven nodig. Het is gebruikelijk dat de rijksoverheid in het kader van transparantie voorlichting geeft over beleid op verschillende terreinen. De video is onderdeel van de publieksvoorlichting van de rijksoverheid over dierproeven. Het doel van de video is transparante en zorgvuldige informatie over dierproeven en proefdieren te bieden voor een breed publiek.
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik gebruik die term zelf niet en deze wordt ook niet in de video gebruikt.
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Ja, ik ben bekend met deze overtuiging en ik sta er ook achter om die bewoording niet te gebruiken. De video maakt inzichtelijk dat er nog dierproeven nodig zijn zolang nog niet voor alle vraagstukken gevalideerde en geaccepteerde dierproefvrije modellen beschikbaar zijn. De video belicht ook welke waarborgen er zijn voor het uitvoeren van dierproeven en verzorgen van de proefdieren. Het is ook mijn verantwoordelijkheid daar naar het brede publiek transparant over te zijn. De kern van mijn beleid is om in te blijven zetten op de opbouw van proefdiervrije innovatie en dierproeven uiteindelijk steeds meer overbodig te maken, zoals ik toelicht in mijn recente Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173). Ik communiceer ook heel geregeld over het TPI-beleid. Dat doe ik o.a. via de website van TPI, het TPI LinkedIn-account en andere communicatie voor burgers, zoals de vorig jaar georganiseerde Helpathon Proefdiervrij onderzoek.
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf dit en ik refereer dan ook niet naar dierproeven als de «gouden standaard», maar ben wel transparant over het feit dat we in Nederland nog dierproeven doen en hoe we dat doen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
De webpagina’s over dierproeven op rijksoverheid.nl bieden genuanceerde publieksinformatie over de kaders waarin dierproeven in Nederland gedaan mogen worden. De website licht ook toe welke bezwaren er zijn rondom de ethiek en de vertaalbaarheid van resultaten van dierproeven naar de mens. Ook is er informatie te vinden over proefdiervrije oplossingen met een verwijzing naar de website van het programma TPI. Deze website maakt inzichtelijk wat het TPI-beleid is en hoe ik dat samen met de TPI-partners uitvoer. Daar zijn onder andere voorbeelden te vinden van succesvolle proefdiervrije innovaties, een video over het doel van TPI en verslagen van de Labtours die we organiseren voor een breed publiek. De video «waarom dierproeven nog nodig zijn» is daarmee één van de communicatie-uitingen in een groter geheel. Ik ben van mening dat alle informatie tezamen een goed gebalanceerd beeld geeft van de huidige situatie en het beleid.
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Ja, daar ben ik mee bekend en dat is en blijft de kern van mijn beleid. In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) heb ik uiteengezet hoe ik met mijn beleid werk aan die voorloperpositie en hoe Nederland daar bijvoorbeeld met het unieke groeifondsproject Ombion invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 ben ik van mening dat er sprake is van gebalanceerde en transparante communicatie en deel ik de mening niet dat er op rijksoverheid.nl eenzijdig gecommuniceerd wordt. Er is voor de transitie naar proefdiervrije innovatie een specifiek voor dat onderwerp ingerichte website en een apart LinkedIn-account om effectief over de transitie naar proefdiervrije innovatie te communiceren, zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat met deze video op transparante en genuanceerde wijze het brede publiek kennis kan nemen van hoe en waarom dierproeven gedaan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 staat de video niet op zichzelf, maar is deze geplaatst in een bredere context. Ik ben dan ook niet van plan de video offline te halen.
Ik hecht veel waarde aan goede communicatie en een volledig beeld van mijn beleid, zowel voor proefdiervrije innovatie als voor dierproeven. Naast mijn al bestaande publiekscommunicatie over TPI heb ik daarom opdracht gegeven om ook een video te laten maken over proefdiervrije innovatie. Deze video zal op rijksoverheid.nl worden geplaatst.
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals opgenomen in mijn antwoord op vraag 9 ben ik niet voornemens de video te verwijderen. Wel ben ik van mening dat gebalanceerde communicatie van belang is, waarbij dus ook het belang van de transitie naar proefdiervrije innovatie goed aan bod komt. Deze communicatie bestaat al en, samen met de partners van het TPI-partnerprogramma, wordt via de website van TPI en het daarbij behorende LinkedIn-account over het beleid voor de transitie naar proefdiervrij onderzoek, inclusief de ambities, initiatieven en doorbraken, gecommuniceerd. Aanvullend op deze informatie komt er op rijksoverheid.nl nog een video over proefdiervrije innovaties, zoals ook toegelicht in mijn beantwoording van vraag 9.
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Ik heb mijn inzet voor die voorloperpositie in mijn Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) uiteengezet. Ik verwacht in september een transitieadvies van het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) te ontvangen. Ik verwacht dat dat rapport ook adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie en zal de Kamer te zijner tijd mijn appreciatie op dat advies doen toekomen.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja, hierbij ontvangt u mijn reactie op uw vragen.
Het doden van een groep gezonde stokstaartjes door Diergaarde Blijdorp |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Diergaarde Blijdorp een groep gezonde stokstaartjes heeft gedood, omdat er volgens de dierentuin geen plek was voor deze dieren binnen de dierentuin en ook geen plek kon worden gevonden bij een andere dierentuin?1
Ja.
Bent u bekend met het zogenoemde «breed-and-cull-beleid» dat volgens Diergaarde Blijdorp wordt gehanteerd, waarbij stokstaartjes worden gefokt om vervolgens te worden gedood omdat er te veel van zouden zijn?
Ik ben ermee bekend dat er in Diergaarde Blijdorp stokstaartjes zijn gedood.
Wat vindt u hiervan?
Ik vind het belangrijk dat, gegeven de intrinsieke waarde van het dier, dierentuinen alleen in uiterste gevallen een gezond dier doden, waarbij die keuze op een zorgvuldige, transparante en navolgbare wijze wordt gemaakt. Het mag zeker geen dagelijkse praktijk zijn. Dit neem ik mee in de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) die vraagt om een plan van aanpak te ontwikkelen voor een einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen.
Erkent u dat het fokken van «overtollige» dieren om ze vervolgens te doden, omdat er geen plek voor is, de intrinsieke waarde van deze dieren ernstig schendt? Zo nee, waarom niet?
Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Dierentuinen moeten hierbij de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van het dier en het belang van de groep en soortbehoud. Omdat dierentuinen op deze verschillende niveaus opereren, moeten zij soms moeilijke keuzes maken. Ik verwacht van de Nederlandse dierentuinen dat zij zorgvuldige keuzes maken en niet zomaar met dieren fokken zonder na te denken over de consequenties. Daarom werk ik momenteel aan de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69).
Bij welke andere diersoorten hanteert Diergaarde Blijdorp een «breed-and-cull-beleid»?
De overheid registreert deze informatie niet. In het kader van de dierentuinvergunning zijn dierentuinen ook niet verplicht om dit te melden.
Welke andere Nederlandse dierentuinen hanteren een vergelijkbaar beleid en voor welke diersoorten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Deelt u de opvatting dat wanneer iemand zo nodig wilde dieren wil fokken in gevangenschap, diegene ten minste de verantwoordelijkheid heeft om een plan te hebben voor hoe de nakomelingen kunnen worden verzorgd en gehuisvest en dat het doden van dieren omdat er geen plek voor is daar niet onder valt? Zo nee, waarom niet?
Ik wil dat dierentuinen vooraf stilstaan bij de consequenties van hun fokbeleid. Daarbij hoort ook het nadenken over huisvesting voor de nakomelingen en sociale structuur in de groep.
Kunt u bevestigen dat de Kamer heeft verzocht een einde te maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69)?
De Kamer heeft verzocht om een plan van aanpak te ontwikkelen voor een einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen.
Wanneer gaat u dit plan naar de Kamer sturen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69).
Bent u bereid om intussen Diergaarde Blijdorp op te roepen per direct te stoppen met het fokken van stokstaartjes en het «breed-and-cull-beleid» meteen te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment acht ik het niet passend om specifiek en alleen Diergaarde Blijdorp op te roepen om hun beleid aan te passen. Ik roep alle dierentuinvergunningshouders in Nederland op om goed na te denken bij het maken van keuzes rondom het fokken en het doden van (surplus) dieren. In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector over dit onderwerp. Tijdens deze gesprekken is deze boodschap ook benadrukt.