De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Ik zie dat ook in Nederland agrariërs betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd kunstmest moeten aankopen. Dit speelt met name bij bedrijven met veel grasland, omdat de stikstofgebruiksnorm voor grasland beduidend hoger ligt dan de vanuit de Nitraatrichtlijn verplichte gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare (N/ha). In mindere mate kan dit ook bij andere teelten voorkomen, bijvoorbeeld in de aardappelteelt. Bij de andere teelten, met name de teelt van vollegrondsgroenten, speelt echter ook de praktische toepasbaarheid van dierlijke mest een rol en is het (op dit moment) onvermijdelijk dat kunstmest moet worden aangekocht. Zo wordt in sommige teelten bemest als het gewas al is opgekomen, waardoor het onmogelijk wordt om met de machines waarmee dierlijke mest wordt uitgereden het land op te gaan. Ook speelt voedselveiligheid soms een rol, met name bij gewassen die rauw worden gegeten.
Eurocommissaris Hansen stelt terecht dat op grasland, vanwege een hogere opnamecapaciteit, hogere stikstofgiften te verantwoorden zijn. Deze hogere giften hoeven niet te leiden tot overschrijding van waterkwaliteitsnormen. Mede vanwege het lange groeiseizoen van gras is de stikstofopnamecapaciteit van gras hoog. Daarom zijn in Nederland voor grasland relatief hoge totaal stikstofgebruiksnormen vastgesteld, variërend van 250 kg N/ha tot 385 kg N/ha. Ook in andere noordwestelijke lidstaten gelden vergelijkbare stikstofgebruiksnormen.
Overigens biedt ook biologische landbouw een oplossingsrichting in Nederland. In de biologische landbouw wordt geen kunstmest gebruikt en is men in staat een extensieve maar toch rendabele bedrijfsvoering te hebben. Ik zet mij daarom in lijn met voorgaande kabinetten in om het areaal biologische landbouw te vergroten tot 15% in 2030. Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat dit niet voor elk bedrijf een realistische optie is. Zo moet er immers voldoende markt zijn voor deze producten, waar onder meer via het Actieplan biologische landbouw2 aan wordt gewerkt.
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt door het mestbeleid. Het is in algemene zin moeilijk om eenduidige uitspraken te doen over de effecten op kleinschalige bedrijven ten opzichte van die op grootschalige bedrijven. Of agrariërs op dit moment geraakt worden door de stijgende kunstmestprijzen hangt van meerdere factoren af, waaronder de teelten op een bedrijf en de hoeveelheid kunstmest die bedrijven gebruiken en reeds in voorraad hebben.
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse landbouw, in het bijzonder de melkveehouderij. Daarom vind ik het belangrijk om agrariërs, zowel klein als groot, wel perspectief te geven voor de lange termijn, bijvoorbeeld via opschaling van de mogelijkheid van productie en aanwending van Renure-meststoffen. Ik realiseer me ook dat de investering in deze technieken niet voor alle agrariërs meteen interessant is en dat het opschalen hiervan tijd in beslag neemt. Dit wil ik faciliteren met een subsidieregeling voor de bouw van installaties van Renure-meststoffen.
In de (graas)dierhouderij hangen de effecten van de afbouw van derogatie ook sterk samen met de mate van intensiteit van een bedrijf. Een groot intensief bedrijf kan daardoor meer geraakt worden dan een klein extensief bedrijf, zoals ook is becijferd in het rapport «Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw» van Wageningen Research3.
Ten slotte zorgen de stijgende mestafzetprijzen in de akker- en tuinbouw ervoor dat het inkomen van deze bedrijven kan stijgen door de afname van dierlijke mest. Wanneer deze bedrijven nog meer dierlijke mest ten opzichte van kunstmest kunnen aanvoeren en benutten binnen de wettelijke gebruiksruimte van 170 N/ha, daalt ook de behoefte van deze bedrijven aan stikstofkunstmest. Het is op dit moment onduidelijk hoe deze balans voor deze bedrijven zal uitpakken. In de komende maanden zal hier meer duidelijkheid over ontstaan.
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Ik kijk positief naar innovatie op het vlak van het gebruik van bewerkte dierlijke mest in de plaats van kunstmest. Door de productie van hoogwaardig verwerkte meststoffen op maat kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de milieuopgaven. Daarnaast kan het gebruik van deze verwerkte meststoffen de stikstofbenutting door de gewassen verbeteren en wordt de afhankelijkheid van stikstofkunstmest verminderd.
In mijn ogen is in de EU een belangrijke eerste stap gezet met de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, waarmee het gebruik van enkele Renure-meststoffen boven de gebruiksnorm dierlijke mest wordt toegestaan. De komende evaluatie van de Nitraatrichtlijn biedt mogelijk aanknopingspunten om dit concept verder te ontwikkelen.
In Nederland zie ik nog uitdagingen voor de vergunningverlening van de installaties voor productie van Renure-meststoffen. In september 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het advies van dhr. Knops ten aanzien van vergunningverlening op het gebied van mestverwerking en het vervolg dat het toenmalige kabinet hieraan wilde geven.4
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Ik ben inderdaad van mening dat het verminderen van de importafhankelijkheid wenselijk is in het licht van de geopolitieke ontwikkelingen. In Europees verband worden hierin inmiddels stappen gezet. Zo hebben onder meer het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en de importheffingen op het Russische kunstmest het effect dat er meer productie in de EU plaatsvindt en de productiecapaciteit in de EU behouden blijft.
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
De inzet is om rond de zomer de benodigde nationale regelgeving voor de toepassing van Renure-producten boven de stikstofgebruiksnorm dierlijke mest in werking te laten treden. Tevens zet ik in op het vormgeven van een subsidieregeling voor Renure-installaties van kleinschaligere omvang. Ik verwacht uw Kamer hier later dit jaar nader over te kunnen informeren.
In Europees verband heeft de Europese Commissie begin januari aangekondigd in het tweede kwartaal van dit jaar te komen met een Fertiliser Action Plan. Aanleiding is onder andere de recente prijsschommelingen door de geopolitieke context op dit moment. De focus van het actieplan zal liggen op het vergroten van markttransparantie en het opschalen van gerecyclede nutriënten en alternatieve grondstoffen, ondersteund door (waar nodig) aanpassing van regelgeving. Zoals in het in vraag 1 genoemde artikel is aangegeven heeft Eurocommissaris Hansen aangegeven in april een bijeenkomst met veel partijen te willen organiseren om deze onderwerpen te bespreken. Ik kijk uit naar de resultaten van deze bijeenkomst.
Het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers?1
Ja.
Klopt het dat buitenlandse werknemers met een geldig T-rijbewijs uit bijvoorbeeld Polen of Roemenië niet langer met landbouwvoertuigen de openbare weg op mogen in Nederland?
T-rijbewijzen uit Polen of Roemenië zijn nooit geldig geweest in Nederland. Waarschijnlijk doelt het artikel op het aflopen van de tienjarige overgangsperiode die in 2015 was ingegaan bij de invoering van het T-rijbewijs in Nederland. In deze overgangsperiode was het nog tijdelijk toegestaan om met een ouder B-rijbewijs uit de EU – afgegeven voor 1 juli 2015 – landbouwvoertuigen te besturen. Voor 1 juli 2015 was er geen rijbewijs vereist voor het besturen van een landbouwvoertuig.
Deelt u de zorg dat deze regels leiden tot personeelstekorten tijdens cruciale zaai- en oogstperiodes, met directe gevolgen voor de voedselproductie?
Er loopt overleg met landbouworganisaties waarin gezamenlijk wordt gekeken naar de omvang van dit probleem. Het is in de eerste plaats aan de landbouwsector om binnen de kaders van de regelgeving te zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel. De tienjarige invoeringsperiode die hierboven is genoemd was juist bedoeld om de effecten van de invoering van het T-rijbewijs voor bedrijven en burgers te verzachten, zodat die zich goed konden voorbereiden op de nieuwe situatie. Vanuit het belang voor de verkeersveiligheid is er in 2015 voor gekozen dat na deze overgangsperiode, dus vanaf 1 juli 2025, het niet meer toegestaan is om met een Nederlands of buitenlands B-rijbewijs in Nederland een landbouwvoertuig te besturen. Een landbouwvoertuig dat met rijbewijscategorie T kan worden bestuurd kan namelijk een heel zwaar voertuig zijn met een of meerdere zwaarbeladen aanhangers.
Wetende dat door Europese regelgeving buitenlandse werknemers pas een Nederlands T-rijbewijs kunnen halen na minimaal 185 dagen verblijf in Nederland, acht u dit een realistische oplossing voor seizoensarbeid?
Het is correct dat het T-rijbewijs pas na 185 dagen verblijf in Nederland kan worden bijgeschreven. Dit heeft te maken met de aansluiting bij de EU-rijbewijsregels die bepalen dat een rijbewijs pas mag worden afgegeven als iemand een duurzame binding met Nederland heeft. De rijopleiding en het examentraject bij het CBR kunnen al eerder worden gestart.
Daarnaast kan er vermeld worden dat er bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 is bepaald dat het C-rijbewijs (voor vrachtwagens) gelijkwaardig is aan het T-rijbewijs. Dit kan ook een buitenlands C-rijbewijs zijn, dat de betrokken seizoenarbeiders in het land waar ze woonachtig zijn kunnen behalen. Ook is hier nog relevant dat de rijbewijsplicht niet geldt buiten de openbare weg, zoals op akkers, in boomgaarden en in kassen.
Hoe weegt u het argument van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de RDW dat erkenning te complex en kostbaar zou zijn, tegen de praktische problemen en economische schade voor de landbouwsector?
Het CBR en de RDW hebben als betrokken uitvoeringsorganisaties een goed zicht op de (on)mogelijkheden en de risico’s van het erkennen van T-rijbewijzen uit andere EU-landen. Er is inmiddels ervaring opgedaan met de erkenning van Duitse en Belgische T-rijbewijzen, die per 1 juli 2025 van kracht is geworden. Deze ervaring heeft geleerd dat dit kostbare en langdurige trajecten zijn. Daar komt bij dat in het geval van België en Duitsland de exameneisen dicht bij de Nederlandse eisen lagen, de informatie hierover goed te vinden was en de taalverschillen overkomelijk waren. Voor landen als Polen, Bulgarije en Roemenië is dit mogelijk anders. Bovendien was voor België en Duitsland het frequente grensverkeer van landbouwvoertuigen een belangrijke economische onderbouwing om dit instrument in te zetten. Bij de andere EU-landen speelt dit niet.
Hoe verhoudt de keuze om buitenlandse werknemers met een T-rijbewijs te weren van Nederlandse wegen zich met de realiteit van een Europese interne markt?
Er is geen sprake van het «weren» van buitenlandse werknemers. Er is in Europa bewust voor gekozen om geen Europees T-rijbewijs in te voeren en het aan lidstaten zelf te laten om een nationaal T-rijbewijs in te voeren. Dat is de achtergrond van de vele verschillen tussen de EU-landen op dit vlak. Het uitgangspunt bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 in Nederland was dat iedere bestuurder van een landbouwvoertuig heeft aangetoond aan een minimale set rijvaardigheidseisen en theoriekennis te voldoen. Dit zijn nationale eisen die Nederland vanuit de verkeersveiligheid stelt. Het versoepelen van de rijbewijsplicht voor buitenlandse werknemers zou juist in Nederland woonachtige werknemers, die wel een T-rijbewijs moeten halen, benadelen als zij actief willen zijn op deze arbeidsmarkt.
Kan u uitleggen waarom deze beslissing hier wel noodzakelijk wordt geacht en in buurlanden niet?
Het is onduidelijk welke regels er precies voor buitenlandse werknemers gelden in de buurlanden, maar in ieder geval is tijdens het erkenningentraject met België duidelijk geworden dat België helemaal geen rijbewijs eist voor niet-ingezetenen die een landbouwvoertuig besturen. In Nederland is daar in onze wetgeving rond het T-rijbewijs – die aansluit bij de algemene regels voor de rijbewijsplicht – niet voor gekozen. Een dergelijke vrijstelling staat ook op gespannen voet met het Nederlandse beleid ten aanzien van de verkeersveiligheid. Het instrument van de erkenning, waarbij de buitenlandse eisen voor het T-rijbewijs worden onderzocht aan de hand van de exameneisen, is de enige weg die volgens de wetgeving openstaat.
Bent u bereid om op korte termijn te komen met een tijdelijke ontheffing of overgangsregeling voor arbeidsmigranten, bijvoorbeeld gekoppeld aan seizoenswerk of een aanvullende cursus, zoals voorgesteld in het artikel?
Zie het antwoord op vraag 7. Zoals in antwoord 3 gemeld vindt er overleg plaats met de landbouworganisaties over de omvang van het probleem. Eventuele aanvullende maatregelen worden daarbij beoordeeld aan de hand van de mogelijkheden in de wetgeving rond het T-rijbewijs, een verantwoorde en proportionele besteding van middelen, een gelijk speelveld voor alle bedrijven en bestuurders van landbouwvoertuigen in Nederland en het bestaan van geschikte alternatieven voor buitenlandse werknemers, zoals genoemd bij vraag 4. Deze afweging vindt uiteraard plaats tegen het hoofddoel van de rijbewijsregels: het waarborgen van de verkeersveiligheid. Er vielen in de periode 2014–2023 in Nederland gemiddeld 13 doden per jaar bij ongevallen waarbij landbouwvoertuigen waren betrokken. In bijna 90% van de gevallen betrof dit de tegenpartij van het landbouwvoertuig (bron: SWOV-factsheet landbouwverkeer).
Erkent u dat dit wederom een voorbeeld is van nationale koppen op Europese regels die de Nederlandse landbouw onnodig op achterstand zetten, en bent u bereid deze praktijk te beëindigen?
Er bestaan geen Europese regels voor T-rijbewijzen. De bevoegdheid op dit gebied ligt geheel bij de lidstaten. Er is dus geen sprake van een nationale kop.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
Het bericht dat VanDrie zijn belofte over de import van Ierse kalveren verbreekt |
|
Renate den Hollander (VVD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kalverslachter VanDrie verbreekt belofte over import Ierse kalveren»?1
Klopt het dat VanDrie Group eerder heeft aangekondigd vanaf 2026 te stoppen met de import van kalveren uit Ierland, maar dat het bedrijf nu toch doorgaat met deze import? Kunt u toelichten hoe deze situatie precies zit?
Hoeveel kalveren worden jaarlijks vanuit Ierland naar Nederland vervoerd voor de kalverhouderij? Kunt u aangeven hoeveel transporten het betreft en hoelang deze transporten gemiddeld duren?
In hoeverre voldoen deze transporten aan de huidige Europese regels voor diertransport, met name ten aanzien van transportduur, rusttijden en het verstrekken van voeding aan jonge dieren?
Deelt u de opvatting dat langeafstandstransporten van zeer jonge kalveren vanuit andere Europese Unie (EU) lidstaten (en overige landen) onwenselijk zijn vanuit het oogpunt van dierenwelzijn? Zo ja, welke stappen zet u om deze transporten te beperken? Zo nee, waarom niet?
Worden er momenteel controles uitgevoerd op transporten van jonge kalveren vanuit Ierland naar Nederland? Zo ja, hoe vaak vinden controles plaats en wat zijn de bevindingen van deze controles in de afgelopen jaren?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om op Europees niveau strengere regels te bepleiten voor het transport van jonge kalveren? Wat kan Nederland hier zelf in doen?
Deelt u de mening dat de Nederlandse kalversector toekomstbestendig moet zijn en dat de afhankelijkheid van geïmporteerde kalveren niet past binnen een dierwaardige veehouderij? Welke stappen zet het kabinet om hier een einde aan te maken?
Bent u bereid om met een plan te komen voor het verder verbeteren van dierenwelzijn in de kalverhouderij en hierbij ook in gesprek te gaan met de sector over het beëindigen van langeafstandstransporten van jonge dieren?
Bent u bereid om ook in gesprek te gaan met dierenwelzijnsorganisaties die dit thema al jaren agenderen en ook oplossingen en aanbevelingen hebben?
Het bericht ‘Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht.
Herkent u de zorgen van de sector waar het bedrijfsadres van boeren en agrarische bedrijven zoals transporteurs en verzamelcentra ook vaak het woonadres is? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik begrijp de zorgen van betrokken agrarisch ondernemers. Ik begrijp dat openbaarmaking van gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Hiernaast staat dit jaar een wetsevaluatie van de Wet Open Overheid (Woo) op de planning. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. In deze wetsevaluatie wordt ook expliciet gekeken naar de openbaarmaking van emissiegegevens (zoals bijvoorbeeld bedrijfsadressen van agrarische ondernemers die tevens een woonadres zijn) in relatie tot de uitzonderingsgronden, de zienswijzeprocedure en relevante EU-richtlijnen.
Tegelijkertijd is openbaarmaking van overheidsinformatie een groot goed. Het is belangrijk dat burgers, journalisten en wetenschappers toegang hebben tot overheidsinformatie, zodat zij goed geïnformeerd zijn en van daaruit de overheid kritisch kunnen volgen, kunnen participeren en onderzoek kunnen uitvoeren. Daarnaast kan de toegang tot overheidsinformatie, bijvoorbeeld als het gaat om milieu-informatie en emissiegegevens, van belang zijn om kennis te nemen over de gezondheid van de eigen leefomgeving. Bij de openbaarmaking van informatie kan echter ook sprake zijn van andere belangen, zoals publicatie van informatie die raakt aan de persoonlijke levenssfeer. Zoals ik ook in mijn brief van 15 april 2026 (Kamerstuk 32 802, nr. 140) aangaf, vindt het kabinet het daarom van belangrijk om op zoek te gaan naar een goede balans tussen de verschillende belangen.
Klopt het dat er binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn die toezien op de beoordeling van Wet open overheid (Woo)-verzoeken bij binnenkomst, de afweging om al dan niet gebruik te maken van de verdagingsmogelijkheid van artikel 4.4 Woo of beoordelingscriteria of afwegingskaders die door de RVO worden gehanteerd om te bepalen of een Woo-verzoek «omvangrijk» of «complex» is? Zo nee, op welke gronden vindt de beoordeling van Woo-verzoeken dan plaats?
Binnen de rijksoverheid, en dus ook bij de RVO, wordt gewerkt met een Rijksbrede Woo-instructie voor de behandeling van Woo-verzoeken. Deze instructie bevat een uniforme werkwijze en praktische handvatten voor de procedurele en inhoudelijke beoordeling van verzoeken. Daarnaast wordt binnen organisaties gewerkt met interne werkprocessen en uitvoeringspraktijken die aansluiten bij deze Rijksbrede instructie.
De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van:
Of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot verdaging als bedoeld in artikel 4.4 van de Woo, wordt per verzoek beoordeeld. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het verzoek, in het bijzonder de omvang van het aantal te beoordelen documenten en de gecompliceerdheid van de gevraagde informatie.
Van een vast afwegingskader met limitatieve criteria voor wanneer een verzoek als «omvangrijk» of «complex» wordt aangemerkt, is geen sprake. Dit volgt uit de aard van de wet en jurisprudentie, die vereist dat per individueel verzoek een zorgvuldige beoordeling plaatsvindt.
Kunt u aangeven of deze interne protocollen, richtlijnen en of handreikingen (formeel of informeel) wel aanwezig zijn binnen het Ministerie van LVVN en/of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor de beoordeling van Woo-verzoeken die aan deze organisaties zijn gericht?
Ja. De Rijksbrede Woo-instructie is opgesteld voor de gehele rijksoverheid en wordt toegepast door ministeries, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders, waaronder het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA.
Kunt u aangeven hoe de beoordeling van Woo-verzoeken plaatsvindt indien er geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn?
De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van wettelijke kaders. Dit betekent dat per verzoek wordt beoordeeld of sprake is van een Woo-verzoek, welke documenten onder het verzoek vallen en of uitzonderingsgronden van toepassing zijn. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de Woo, de Awb, de Rijksbrede Woo-instructie en relevante jurisprudentie.
Bent u zich bewust van het feit dat het ontbreken van interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies (formeel of informeel) de schijn van willekeur kan ontstaan? Zo nee, waarom niet?
De behandeling van Woo-verzoeken is gebonden aan wettelijke regels, de Rijksbrede Woo-instructie en jurisprudentie. Dit waarborgt een consistente en zorgvuldige behandeling. Dat per verzoek maatwerk wordt toegepast, volgt uit de aard van de wet en betekent niet dat sprake is van willekeur.
Kunt u aangeven of en hoe vaak termijnen worden overschreden omdat de beoordeling van Woo-verzoeken te lang op zich laat wachten en kunt u dit inzichtelijk maken voor het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA?
Het kerndepartement heeft in 2025 156 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft het kerndepartement 16% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
De NVWA heeft in 2025 309 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft de NVWA 38% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
De RVO heeft in 2025 290 Woo-verzoeken op beleidsterrein van LVVN ontvangen. Van de in 2025 afgehandelde Woo-verzoeken heeft RVO 64% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
Kunt u aangeven hoeveel kosten er in de afgelopen vijf jaar (per jaar en per organisatie) zijn gemaakt omdat de behandeling van het Woo-verzoek te lang op zich liet wachten?
Bij de RVO zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken. Dit betreft alle dwangsommen die zijn betaald door RVO, in de systemen kan geen uitsplitsing gemaakt worden specifiek voor LVVN.
Bij de NVWA zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken:
Bij het kerndepartement zijn de afgelopen jaren de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken2:
Deze bedragen zien op gevallen waarin een dwangsom is verbeurd wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn na een ingebrekestelling. Niet elke termijnoverschrijding leidt tot een dwangsom.
Kunt u alle documenten, interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies per organisatie (het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA) per ommegaande met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
U treft bijgaand aan de Rijksbrede Woo-instructie. Eventuele doorvertalingen op handelingsniveau zijn in lijn hiermee.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en NVWA op 23 april 2026 te beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek waaruit blijkt dat Nederlandse megatrawlers massaal natuurbeschermingswetten overtreden. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente onderzoek en campagne «Stop the Dirty Dozen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat door megatrawlers duizenden uren in Europese mariene beschermde gebieden (MPAs) en Natura 2000-gebieden wordt gevist, terwijl ze daar vaak geen toestemming of vergunningen voor hebben? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat in sommige Natura 2000 (N2000)- en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM)-gebieden wordt gevist. Dit is niet per definitie illegaal omdat niet in alle beschermde natuurgebieden visserijbeperkende maatregelen gelden. Als er in deze natuurgebieden visserijbeperkende maatregelen gelden is dit vaak voor bodemberoerende visserij en niet voor pelagische visserij. Voor de Nederlandse Noordzee zijn op dit moment alleen een aantal gebieden gesloten voor bodemberoerende visserij en niet voor pelagische visserij. Ik heb geen aanwijzingen dat de genoemde vaartuigen in Nederlandse beschermde gebieden onrechtmatig hebben gevist.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de twaalf onderzochte trawlers die worden genoemd in dit onderzoek direct of indirect zijn verbonden met twee Nederlandse bedrijven?
Ik heb kennisgenomen van de conclusies in het onderzoek. Binnen het genoemde onderzoek zijn er twee Nederlands gevlagde vaartuigen, deze vaartuigen beoefenen uitsluitend pelagische visserij.
Kunt u bevestigen dat deze praktijken in strijd met de geldende natuurbeschermingsregels zijn? Zo ja, welke actie heeft u ondernomen tegen de betreffende bedrijven? Zo nee, op welke bronnen baseert u zich dan?
Nee, ik kan dit niet bevestigen. Dit onderzoek gaat grotendeels over niet Nederlands gevlagde vaartuigen en over gebieden die zich niet bevinden binnen Nederlandse jurisdictie. Voor het toezicht, de controle en de handhaving zijn hiervoor in eerste instantie de desbetreffende vlag- of kuststaten verantwoordelijk. In de Nederlandse Noordzee (Nederlandse jurisdictie) gelden voor negen van de twaalf vaartuigen geen visserijbeperkende maatregelen omdat zij enkel pelagisch vissen. Uit de beschikbare data van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA) blijken geen overtredingen van de genoemde vaartuigen in beschermde gebieden op de Nederlandse Noordzee.
Welke maatregelen worden getroffen tegen de genoemde bedrijven?
Er worden geen maatregelen genomen tegen de genoemde bedrijven. Wanneer overtredingen worden geconstateerd zal er worden gehandhaafd volgens het geldende interventiebeleid. In de Nederlandse situatie is de NVWA hier verantwoordelijk voor.
Hoe en hoe vaak wordt er momenteel gecontroleerd of trawlers zich houden aan hun quota’s en dat zij niet vissen in beschermde gebieden waar dit niet is toegestaan? Hoeveel handhavingscapaciteit is hiervoor precies beschikbaar?
Vissers moeten tijdens de visreis hun vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting. Naast de quotumbenutting wordt ook een kruiscontrole uitgevoerd op de gegevens in het logboek en het resultaat van de weging. Op basis van de Controleverordening2 is een tolerantiewaarde toegestaan van 10%, bij een overschrijding van 20% is er sprake van een ernstige inbreuk. De NVWA ziet door middel van regelmatige fysieke en administratieve controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Daarnaast wordt op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota gemonitord door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De individuele vangstmogelijkheden van de trawlers worden op groepscontingent-niveau beheerd door de visserij producentenorganisatie. De benutting van deze groepscontingenten wordt in co-management met de visserij producentenorganisatie door RVO tweewekelijks gemonitord. Verder kan ik geen uitspraak doen over de specifieke handhavingscapaciteit bij trawlers, omdat dit onderdeel is van de risico-gebaseerde inzet van de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de vispraktijken van deze megatrawlers te veel buiten het zicht van handhaving gebeuren en daardoor onvoldoende wordt opgetreden tegen natuurvernietiging door deze schepen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dat?
Nee, ik deel deze opvatting niet. Er zijn geen indicaties vanuit de controle-instanties dat de vaartuigen waarnaar verwezen wordt overtredingen begaan in relatie tot beschermde natuurgebieden. Er wordt door verschillende controlemaatregelen effectief toezicht gehouden op visserijactiviteiten binnen en buiten beschermde gebieden met visserijbeperkingen.
Kunt u aangeven hoe vaak trawlers, verbonden aan Nederlandse bedrijven, visten zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota in de afgelopen vijf jaar? Welke sancties zijn daarbij opgelegd?
Zoals benoemd in vraag 4 kan ik niet bevestigen of er door trawlers in beschermde gebieden is gevist. Daarbij staan in het onderzoek niet overal bronvermeldingen waardoor ik de betrouwbaarheid en correctheid van het genoemde onderzoek niet kan vaststellen. Het onderzoek gaat grotendeels over niet Nederlands gevlagde vaartuigen en over gebieden die zich niet bevinden binnen Nederlandse jurisdictie. Op de Nederlandse Noordzee zijn op dit moment geen gevallen bekend waarbij een van de twaalf genoemde vaartuigen illegaal in beschermde gebieden heeft gevist.
De afgelopen vijf jaar is er drie keer boven de toegestane quota van een bepaalde soort gevist. Op het moment dat een quotum knellend lijkt te worden voor Nederlands gevlagde vaartuigen bekijkt RVO, in samenwerking met de producentenorganisaties van de visserij, of het mogelijk is om aanvullende vangstmogelijkheden bij te ruilen met andere lidstaten, het Verenigd Koninkrijk óf dat er een andere maatregel moet worden getroffen. Daarom wordt voornamelijk bij de afsluiting van het quotumjaar gekeken of het nationale quotum overschreden is en niet meer bijgeruild kan worden. In de gevallen waar dit niet mogelijk was, zijn in lijn met de Controleverordening deze hoeveelheden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden voor Nederland van het volgende jaar, al dan niet met een vermenigvuldigingsfactor waar van toepassing. Waar het ging om overschrijding op een bijvangstbestand, is deze in mindering gebracht op het quotum van de doelsoort met conversiefactor. Waarbij het geen Nederlandse vaartuigen betreft, is de betreffende vlagstaat verantwoordelijk voor het monitoren op quotaverbruik.
Bent u ermee bekend dat Europese mariene beschermde gebieden ook wel «Paper Parks» worden genoemd, omdat enige bescherming op papier is geregeld maar de gebieden in de praktijk nog steeds ernstig worden aangetast door onder meer de visserij? Onderschrijft u dit? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Ik ben met deze term bekend. Alle Europese lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van instandhoudingsmaatregelen om hun ecologisch waardevolle gebieden te beschermen. De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van het beschermingsregime. In niet alle beschermde gebieden gelden visserijbeperkende maatregelen, waardoor vissers in bepaalde beschermde gebieden mogen vissen. In het Nederlandse deel van de Noordzee neemt de Minister van LVVN in afstemming met mij maatregelen voor beschermde gebiedenmiddels beheerplannen en het treffen van visserijbeperkende maatregelen op basis van de artikel 11-procedure van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid conform het Noordzeeakkoord (NZA).
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat «Paper Parks» daadwerkelijk worden beschermd?
Zoals in antwoord 9 aangegeven, werkt de Minister van LVVN in afstemming met mij aan de bescherming van natuurgebieden door middel van uitvoering van het NZA. De NVWA handhaaft de aangewezen beschermde gebieden volgens het geldende interventiebeleid.
Onderschrijft u dat bodemberoerende visserij grote schade aanricht aan mariene ecosystemen doordat ze de zeebodem, en daarmee de leefgebieden van vele diersoorten, ernstig aantasten? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Het is bekend dat bodemberoerende visserij een grote drukfactor is voor het mariene bodemleven. Daarom neemt Nederland, op basis van wetenschappelijke onderbouwing, maatregelen ter bescherming van natuurwaarden om hiermee te voldoen aan internationale afspraken ten behoeve van de bescherming van onze natuur.
Hoe beoordeelt u de ecologische impact van bodemberoerende visserij op mariene ecosystemen met betrekking tot de grote hoeveelheid bijvangst van andere zeediersoorten die door deze netten wordt meegesleept en vaak ernstig gewond of dood worden teruggegooid? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Het is van belang dat de bijvangst bij visserij zo veel mogelijk te verminderen. Ik zet me enerzijds in voor innovatie van vistuigen om dit effect te verminderen en anderzijds voor legalisatie van reeds bewezen duurzamere vangsttechnieken zoals de pulskor. Het is van belang dat de bijvangst bij visserij zo veel mogelijk wordt beperkt. Ik zet me daarom in voor innovatie van vistuigen om dit effect te verminderen. Een goed voorbeeld van innovatie om bijvangst te verminderen is het EU LIFE project CIBBRiNA (Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlantic, Baltic and Mediterranean Regions) om bijvangst van beschermde en bedreigde diersoorten te mitigeren. Daarnaast kijken we ook naar stappen om weer pulsvisserij mogelijk te maken. Ik baseer mij daarbij op de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Bent u van mening dat ecologisch waardevolle gebieden moeten worden beschermd tegen verstoringen door de mens? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het van belang dat we voldoen aan de internationale richtlijnen waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd. De te nemen maatregelen dienen daarbij wetenschappelijk onderbouwd te zijn en zijn afhankelijk van het beschermingsregime van het natuurgebied.
Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen om bodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle gebieden op zee zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Conform het NZA stelt het kabinet het beleidsdoel om in 2030 15% procent van het oppervlakte van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij. Momenteel is 7,2% van de Nederlandse Noordzee gevrijwaard van bodemberoerende visserij. Een voorstel om tot 13,8% bodembescherming te geraken heb ik ingediend bij de Europese Commissie conform de afspraken uit het NZA. In dit voorstel staan naast visserijbeperkende maatregelen ook een halfjaarlijkse beperking voor staandwantvisserij op de Bruine Bank en een verbod op alle vormen van visserij op een gedeelte van het KRM-gebied Friese Front. Op korte termijn zal de Minister van LVVN u informeren over de invulling van de resterende 1,2% bodembescherming in lijn met het verzoek van de vaste Kamercommissie van LVVN. Ik zal me samen met Minister LVVN ervoor inzetten dat in lijn met dat besluit maatregelen worden getroffen zodat in 2030 15% van de bodem van de Nederlandse Noordzee gevrijwaard is van bodemberoerende visserij.
Kunt u aangeven welke rol Nederland speelt binnen de Europese Unie (EU) bij het tegengaan van visserspraktijken, zoals vissen zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota?
Binnen de Europese Unie zijn de lidstaten onder andere verplicht om het overschrijden van quota of het illegaal vissen in beschermde gebieden nationaal te monitoren, te beheren en wanneer nodig te sanctioneren. Nederland geeft hier op basis van de Controleverordening uitvoering door nauwe monitoring van de benutting van de vangstmogelijkheden, door toezicht op afstand via het Vessel Monitoring System (VMS), door toezicht vanuit de lucht en vanaf zee. De Europese Commissie ziet toe op dat lidstaten hun controleverplichtingen onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid nakomen.
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor betere bescherming van mariene beschermde gebieden en een stevige intensivering van handhaving tegen megatrawlers die ernstige natuurschade aanrichten en zich daarmee niet houden aan de Europese regels? Zo nee, waarom niet?
Niet alleen binnen de EU, maar ook internationaal zet ik mij samen met de Commissie in om deze ambitie te realiseren. In de internationale visserij beheer organisaties (RFMO's) pleiten zowel de Commissie als ik consequent om illegale, ongereguleerde en ongecontroleerde visserij te beëindigen. Het streven is om de strenge regels die binnen de EU zelf worden gehanteerd ook voor andere landen in te voeren. Het naleven van de bestaande wettelijke verplichtingen zou moeten leiden tot voldoende bescherming van natuurgebieden. Op het gebied van handhavings- en controlemaatregelen richt ik mij op de implementatie van de herziene Controleverordening. Daarbij zijn per 10 januari 2026 onder andere strengere regels gaan gelden voor de VMS systemen. Op deze manier zal nog effectiever toezicht gehouden kunnen worden op verboden visserijactiviteiten binnen beschermde gebieden. Voor de controles op zee blijf ik inzetten op Europese samenwerking middels de Joint Deployment Plans (JDPs) onder de coördinatie van het Europees Bureau voor Visserijcontrole (EFCA) om op die manier de beschikbare middelen en capaciteit zo efficiënt mogelijk in te zetten en het gelijk speelveld te bewaken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Gezien de benodigde afstemming was ik genoodzaakt uitstel te vragen voor de gestelde termijn voor de beantwoording.
Het MVO rapport van de VanDrie Group en maatregelen rond de import van kalveren uit Ierland |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de VanDrie Group in haar MVO-jaarverslag uit 2020 (uitgebracht op 28 juni 2021, zoals weergegeven op de website van dierenrecht.nl) op pagina 38 bij «Doelen 2021 en verder» het volgende stelde: «Voor 2026 stoppen we met de import van kalveren uit Oost-Europa en Ierland naar Nederland.»?1
Ja, hier ben ik van op de hoogte.
Bent u tevens op de hoogte van het feit dat dit MVO-jaarverslag niet meer is te vinden op site van de VanDrie Group en dat deze ambitie in het MVO jaarverslag van 2024, dat nog wel online staat, is verdwenen?2
Ja, hier ben ik van op de hoogte.
Klopt het dat het niet wenselijk is om achteraf MVO-doelstellingen aan te passen, zonder hierover transparant te communiceren?
We leven in een dynamische wereld waarbij het soms nodig is om aanpassingen te doen. Aanpassingen in MVO-beleid gaan in mijn ogen altijd gepaard met transparantie, actieve betrokkenheid van stakeholders en duidelijke communicatie. Het is echter aan bedrijven en organisaties zelf om te besluiten over hun MVO-doelstellingen. Zij stellen die zelf op en bepalen ook zelf of doelstellingen haalbaar zijn of niet. Over of het klopt dat aanpassingen niet wenselijk zijn kan ik mij niet uitspreken, maar transparantie en betrouwbaarheid zijn voor mij essentieel voor draagvlak en geloofwaardigheid. Dat zal ik dan ook te allen tijde blijven benadrukken in gesprekken met de sector en in onze eigen beleidsvoering.
Wat vindt u van het feit dat de VanDrie Group blijkbaar haar doelstellingen heeft aangepast ten aanzien van de import van kalveren uit Ierland, zonder transparante communicatie?
De doelstelling om te stoppen met de import van kalveren vanuit Ierland en Oost-Europa, is vanuit het oogpunt van dierenwelzijn een zeer wenselijke en mooie doelstelling. Het staat VanDrie Group vrij om in te spelen op een veranderende markt en daarbij kunnen MVO-doelstellingen ook veranderen. De Europese wet- en regelgeving staat lang transport van ongespeende kalveren ook toe, zij het onder strikte voorwaarden op het gebied van verzorging en rij- en rusttijden. Hieraan moeten ondernemers zich houden. Ik vind het daarbij belangrijk dat bedrijven, in dit geval VanDrie Group, transparant zijn en uitleg geven over aanpassingen van de MVO-doelstelling.
Kunt u deze aanpassing in de ambities van VanDrie Group rijmen met de eerder trots gepresenteerde plannen van de sector ten aanzien van de afbouw van het transport over lange afstanden?
Het actieplan van de sector – Veal Forward – spreekt niet zozeer van het afbouwen van transport van ongespeende kalveren over lange afstanden, maar over het toepassen van het «nee, tenzij principe». Wat betekent dat kalveren alleen over lange afstanden vervoerd zullen worden, wanneer er voldaan wordt aan de in het plan beschreven voorwaarden. De koers waar VanDrie Group voor kiest, kan daar binnen passen. Uit oogpunt van dierenwelzijn vind ik het onwenselijk dat VanDrie Group de eerder getoonde ambitie los heeft gelaten.
Hoe beziet u deze aanpassing in de ambities van VanDrie Group, ook in het licht van de continue berichtgeving over misstanden bij deze transporten, met name ook vanuit Ierland?3
Zoals hierboven al aangegeven, vind ik het vanuit het oogpunt van dierenwelzijn onwenselijk dat VanDrie Group het doel om te stoppen met de import van ongespeende kalveren uit Ierland en Oost-Europa niet terug laat komen in het laatste MVO-verslag. Dat wil niet zeggen dat ze niet meer aan dit doel werken, maar het maakt het in ieder geval een stuk minder transparant. Het is duidelijk dat de maatschappij en Tweede Kamer deze transporten niet meer willen vanwege het effect op het dierenwelzijn onderweg. Maar zolang de Europese wet- en regelgeving toestaat dat ongespeende kalveren over lange afstanden vervoerd mogen worden, volgen deze dierstromen de route van vraag en aanbod. Daarom zet ik in Europa bij de herziening van de Transportverordening alles op alles om lange transporten van ongespeende kalveren te verbieden.
Deelt u de mening van een van uw ambtsvoorgangers, Minister Adema, die in 2024 zei dat de sector blijkbaar stappen wilde zetten in de afbouw van lange afstandstransporten, maar dat hij deze stappen «niet ambitieus genoeg» vond?4 Wat vindt u er van dat deze stappen blijkbaar nog een stukje minder ambitieus zijn geworden?
Ik vind het positief dat de sector zelf aan haar toekomst werkt door middel van een actieplan zoals Veal Forward. Dit plan is sinds de publicatie ervan onveranderd gebleven en niet minder ambitieus geworden.
Deelt u de ambitie van toenmalig Minister Adema die eerder aangaf zich ook in Europa in te zullen zetten om het transport over lange afstanden van kalveren aan banden te leggen? Welke stappen gaat u concreet zetten en wanneer?
Ik vind dierenwelzijn en een goede werking van de interne markt belangrijk. Een betere bescherming van dieren tijdens transport en een goed werkende interne markt kunnen alleen bewerkstellig worden als we binnen de Europese Unie allemaal dezelfde standaarden volgen, ook voor dierenwelzijn. Daarom zet ik mij – net als toenmalig Minister Adema – in voor een verbod op lang transport voor ongespeende dieren én duidelijke regels omtrent voederen en drenken onderweg bij de herziening van de Transportverordening. Deze inzet wordt op ieder mogelijk moment naar voren gebracht bij de Raadswerkgroepen over de herziening van de Transportverordening.
Welke stappen, naast aanpassingen in de transportregels, gaat u zetten om de kalverhouderij in te richten in balans met de belangen van de Nederlandse melkveehouderij, conform de motie-De Groot/Grinwis (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 53)?
De melkvee- en kalversector zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik ben van mening dat door deze beide sectoren bij het ontwikkelen van toekomstig beleid als één sector te zien, recht wordt gedaan aan deze verbondenheid.
Zoals eerder door mijn voorganger beschreven in de Kamerbrief over de inrichting van de kalverhouderij (Kamerstuk 28 624, nr. 372) zijn er een aantal belangrijke stappen te zetten in de kalverhouderij. Dit betreft minder import en korter transport van kalveren, strengere diergezondheidseisen, uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij en emissiereductie. Dat zijn onderwerpen waar ik onverminderd op inzet. Daarnaast zijn er pilots gestart waarin geëxperimenteerd wordt gericht op een gezonde kalverketen. Door Wageningen University and Research (WUR) wordt gewerkt aan het eindrapport over de (monitoring van) de pilots. Hierover wordt uw Kamer na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast heeft de Europese Commissie aangekondigd met herzieningen te komen op meerdere dierenwelzijnsverordeningen. Ook hierbij zal ik mij inzetten op het verbeteren van de welzijn van kalveren.
Momenteel wordt de omvang van de kalversector niet begrenst door dier- of fosfaatrechten. De wens tot het verbreden van de wettelijke basis voor deze rechten naar de kalverhouderij (en de geitenhouderij) staat opgenomen in het coalitieakkoord. Hiervoor ben ik de opties aan het verkennen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de eerder aangekondigde regelgeving rond de dierziekten Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) en Bovine Virus Diarree (BVD)? Bent u bereid hier haast mee te maken?
Met betrekking tot de voortgang van de regelgeving voor IBR verwijs ik naar de brief (Kamerstuk 28 807, nr. 324) die ik op 3 april heb verstuurd. Daarnaast werk ik samen met stakeholders aan een bestrijdingsprogramma voor BVD. Ik doe alles wat binnen mijn mogelijkheden ligt om de regelgeving voor IBR en BVD zo snel mogelijk in werking te laten treden. Voor beide processen ben ik afhankelijk van verschillende verplichte juridische stappen in het proces. Hier heb ik weinig invloed op en versnelling is niet mogelijk. Daarnaast is in het ieders belang dat deze stappen zorgvuldige doorlopen worden. Ik streef er naar dat de Amvb IBR op 1 januari 2027 in werking zal treden. Over het tijdpad voor BVD zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de veehouderij en NVWA van 23 april 2026?
Ja, daartoe ben ik bereid.
Het bericht ‘Afspraken over turfvrije potgrond eindigen met een kater’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afspraken over turfvrije potgrond eindigen met een kater»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
In hoeverre bent u van mening dat het huidige, door de industrie geleide convenant uitvoering geeft aan de in 2021 met een zeer ruime meerderheid aangenomen motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324) die vraagt om een mogelijk turfverbod te onderzoeken?
Met het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten wordt uitvoering gegeven aan de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324), die oproept om te onderzoeken hoe het gebruik van turf en turfproducten kan worden teruggedrongen en vervangen door duurzame alternatieven. Het convenant bevat afspraken om het gebruik van veen (turf) te verminderen en het aandeel hernieuwbare grondstoffen in groeimedia te vergroten.
Het convenant laat zien dat de tuinbouw- en substratensector verantwoordelijkheid neemt voor het verminderen van de milieu-impact van potgrond en substraten. Tegelijkertijd constateer ik dat na het vertrek van Stichting Turfvrij een disbalans is ontstaan in de belangen die partijen vertegenwoordigen binnen het convenant. Ik acht het van belang dat deze balans wordt hersteld en ik zie de noodzaak om de inbreng van verschillende perspectieven te versterken. Daarom zet ik mij, samen met de convenantspartijen, actief in om deze balans te herstellen door gericht relevante maatschappelijke organisaties te benaderen en te betrekken bij het convenant, waarbij ook de input van Stichting Turfvrij wordt betrokken.
Bent u het ermee eens dat een door de industrie geïnitieerd en gedomineerd convenant geen vervanging kan zijn voor een onafhankelijk beleidsonderzoek naar een uitfasering van turfwinning, zoals door de Kamer gevraagd in de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324)?
In de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324) wordt de regering verzocht om, in samenwerking met onder andere gemeenten en de tuinbouwsector, te onderzoeken hoe en op welke termijn het gebruik van turf en turfproducten kan worden uitgefaseerd en vervangen door alternatieven. Mede naar aanleiding van deze motie zijn gesprekken met onder andere de tuinbouwsector gevoerd die hebben geleid tot het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten. Dit convenant vormt een gezamenlijke aanpak om de milieu-impact van groeimedia te reduceren en de transitie naar hernieuwbare grondstoffen te versnellen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan het gebruik van verantwoord gewonnen veen.
In 2023 is Wageningen University & Research (WUR) gevraagd onder andere onderzoek te doen naar de huidige volumes van gebruikte grondstoffen en naar de technisch mogelijke toename van hernieuwbare grondstoffen. Dit onafhankelijke onderzoek heeft mede de basis gevormd voor de doelstellingen van het convenant in 2030: minimaal 50% hernieuwbare grondstoffen in de professionele sector en 85% in de consumentenmarkt.
Kunt u verduidelijken of deelname aan het convenantproces het onafhankelijke onderzoek naar een turfverbod schaadt of vertraagt?
Ik ben van mening dat deelname van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aan het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten een onafhankelijk onderzoek naar een turfverbod niet schaadt of vertraagt. Op dit moment zie ik een dergelijk onderzoek niet als nuttige aanvulling op de reeds gemaakte afspraken binnen het convenant.
Bent u ervan op de hoogte dat een centraal lid van het convenant, de belangrijkste lobbyorganisatie voor substraten, de Vereniging Potgrond- en Substraatfabrikanten Nederland (VPN), sinds enkele maanden tegelijkertijd lobbyt voor uitbreiding en versoepeling van de regelgeving voor turfwinningslocaties en dat dit een belangrijke reden was waarom de enige ngo zich uit het proces heeft teruggetrokken?
De voormalig Minister van LVVN is tijdens een gesprek op 12 november jl. met de voorzitter en secretaris van het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten geïnformeerd over de lage beschikbaarheid van grondstoffen voor potgrond en substraten. Als oorzaken werden onder meer het natte weer in de Baltische staten genoemd en een sterke wereldwijde vraag naar kokosproducten (een bekende hernieuwbare grondstof als toepassing in groeimedia).
Mogelijk houdt dit verband met de in de vraag genoemde lobbyactiviteiten. Ik wil hierover op korte termijn in gesprek gaan met de VPN. Daarbij vind ik het belangrijk dat convenantspartijen zich blijven committeren aan de heldere en meetbare doelstellingen van het convenant.
Tot het moment waarop Stichting Turfvrij zich uit het convenant terugtrok, was ik niet op de hoogte dat dit voor hen een reden was om uit het proces te stappen.
Vindt u het verenigbaar dat partijen die pleiten voor de uitbreiding van de turfwinning een proces aansturen dat wordt gepresenteerd als een proces om het turfgebruik te verminderen?
Indien dit het geval zou zijn, dan vind ik dat niet verenigbaar. Ik heb geen aanleiding dat deelnemende partijen in het convenant zich niet inzetten voor het verminderen van veengebruik.
Bent u bereid alle formele en informele contacten tussen uw ministerie en de substraat-/turflobby openbaar te maken met betrekking tot de regulering van de turfwinning op internationaal niveau?
Het Ministerie van LVVN onderhoudt, zoals gebruikelijk, zowel formele als informele contacten met een breed scala aan stakeholders, waaronder vertegenwoordigers uit de potgrond- en substraatsector, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Deze contacten vinden plaats in het kader van kennisuitwisseling en het afstemmen van acties voor het behalen van de doelstellingen uit het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten.
Voor zover er contacten zijn waarin internationale aspecten aan de orde komen, maken deze doorgaans deel uit van bredere overleggen over de verduurzaming van de sector. Daarbij wordt onder meer gesproken over de beschikbaarheid van grondstoffen, de ontwikkeling en toepassing van hernieuwbare alternatieven en verantwoorde veenwinning in het buitenland. In dat kader is tevens aandacht voor internationale ontwikkelingen, het beperken van de ecologische schade van veenwinning en het terugdringen van CO2 uitstoot. Er vinden geen afzonderlijke, structurele overleggen plaats die specifiek gericht zijn op de internationale regulering van veenwinning.
Bent u ervan op de hoogte dat pogingen om de deelname van bepaalde ngo's, zoals Urgenda, bij het convenant om daarmee meer gelijk gewicht aan tafel te krijgen door het secretariaat zijn afgewezen en dat er inmiddels helemaal geen ngo's of andere natuurorganisaties meer aan de tafel zitten?
Ik ben op de hoogte van pogingen van de stuurgroep van het convenant om een tweede niet-gouvernementele organisatie (NGO) aan het convenant te laten deelnemen.
De leden uit de stuurgroep hebben op basis van een lijst met relevante NGO’s gesprekken gevoerd over mogelijke deelname. Deze lijst is opgesteld in overleg met de stuurgroep, waar Stichting Turfvrij destijds onderdeel van was. De volgorde waarin organisaties zijn benaderd, hing samen met hun activiteiten en expertise.
Ik ben er tevens van op de hoogte dat sinds het vertrek van Stichting Turfvrij geen NGO’s of andere natuurorganisaties meer deelnemen aan het convenant.
Bent u het ermee eens dat, wil een overeenkomst publieke legitimiteit hebben, kritische maatschappelijke actoren en onafhankelijke wetenschappers op zinvolle wijze moeten zijn vertegenwoordigd?
Ja, ik vind het belangrijk dat er een goede balans bestaat in de vertegenwoordiging van partijen binnen het convenant. In de subsidiebeschikking en begroting voor de uitvoering van het convenant voor de periode 2026–2028 is ook uitgegaan van deelname van twee NGO’s. NGO’s vervullen een belangrijke rol vanuit het maatschappelijk belang en kunnen bijdragen aan het versnellen van transities. Dat geldt ook voor de transitie naar hernieuwbare grondstoffen voor potgrond en substraten.
Bent u ervan op de hoogte dat er momenteel geen echte koplopers uit de industrie, bijvoorbeeld telers die al volledig turfvrij telen, structureel zijn vertegenwoordigd bij het convenant en vindt u hun afwezigheid verenigbaar met een evenwichtig en toekomstgericht beleidsproces?
Telers worden binnen het convenant vertegenwoordigd door sectororganisaties zoals Glastuinbouw Nederland en Plantum. Koplopers uit de sector maken onderdeel uit van deze organisaties en worden daarmee in het convenant vertegenwoordigd.
Gaat u ervoor zorgen dat toekomstige processen over beleid rondom het gebruik van turf in de Nederlandse tuinbouwsector onafhankelijk worden voorgezeten en een evenwichtige vertegenwoordiging wordt gegarandeerd?
Ja, samen met de convenantspartijen zorg ik voor een evenwichtige vertegenwoordiging van partijen binnen het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten. Het convenant wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter.
Kunt u bevestigen dat de levenscyclusanalyse (LCA), die het centrale evaluatie-instrument van het convenant vormt, is gefinancierd door de lobby van de turfindustrie (Growing Media Europe, GME), dat de turflobby centraal is vertegenwoordigd in de expertcommissies van de LCA en dat de LCA gebruikmaakt van door de sector aangeleverde gegevens en dat er geen transparantie is over de gegevens waarop het instrument is gebaseerd?
De levenscyclusanalyse (LCA) is een belangrijk instrument om de milieu-impact van producten inzichtelijk te maken. De gebruikte methodiek sluit aan bij de Product Environmental Footprint Category Rules (PEFCR)-methodologie van de Europese Commissie (EC), die bedoeld is om duurzaamheidsprestaties op een gestandaardiseerde en transparante manier te berekenen. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende, niet-vergelijkbare methoden naast elkaar bestaan en wordt het mogelijk om producten binnen een productgroep objectief te vergelijken. De methoden zijn gebaseerd op LCA’s en worden ontwikkeld in samenwerking met sectoren en belanghebbenden.
Voor sierteeltproducten wordt gewerkt met de FloriPEFCR en voor groente en fruit met de FreshProducePEFCR. Deze methoden berekenen op basis van zestien indicatoren de milieu-impact van respectievelijk snijbloemen en potplanten en groente en fruit. Om de impact van het gebruikte substraat te kunnen berekenen heeft Growing Media Europe (GME) samen met Blonk Consultants in 2018 een LCA methodiek voor substraten ontwikkeld, die aansluit op de PEFCR methodiek van de EC. Begin 2024 is de FloriPEFCR goedgekeurd door de EC. De FreshProducePEFCR zal naar verwachting dit jaar ter goedkeuring worden ingediend.
De ontwikkeling van de rekenmethodiek voor substraten heeft plaatsgevonden met betrokkenheid van sectorpartijen, waarbij gebruik wordt gemaakt van sectorspecifieke data. Tegelijkertijd wordt ingezet op het versterken van transparantie en onafhankelijk van de methodiek. In 2024 is de methodiek voor substraat geactualiseerd in samenwerking met producenten en kennisinstellingen, waaronder WUR en het Europese kenniscentrum voor substraten (RHP). De onderliggende database en richtlijnen worden verder ontwikkeld en zullen naar verwachting in 2026 openbaar beschikbaar worden gesteld. Daarnaast zullen zowel de database als de methodiek extern worden geverifieerd.
Met deze stappen wordt toegewerkt naar een transparante, controleerbare en wetenschappelijk onderbouwde methode voor het berekenen van de milieu-impact van potgrond en substraten.
Vindt u het gepast dat de onderzochte sector de financiering verzorgt, de gegevens aanlevert en deelneemt aan het beheer van het instrument dat zijn eigen milieuprestaties meet?
De betrokkenheid van de sector bij de ontwikkeling van de LCA methode is in de praktijk gebruikelijk, omdat de benodigde data en praktijkkennis grotendeels bij deze partijen aanwezig zijn. Tegelijkertijd vind ik het van belang dat de methode betrouwbaar, controleerbaar en onafhankelijk toepasbaar is. Daarom werk ik samen met de convenantspartijen toe naar een situatie, waarin de methodiek breed gedragen en onafhankelijk geborgd is. Dit wordt gedaan door de stappen die ik in antwoord 12 heb toegelicht en door aansluiting op de PEFCR methode. Tegen deze achtergrond acht ik de huidige werkwijze, in deze fase van ontwikkeling, gepast.
Bent u van plan een onafhankelijke, door de overheid gefinancierde LCA te laten uitvoeren met volledige datatransparantie en openbare toegang tot datasets en methodologische uitgangspunten?
Indien daartoe aanleiding bestaat nadat de database openbaar beschikbaar is gesteld en de externe verificatie van de rekenmethodiek en database heeft plaatsgevonden, ben ik bereid te onderzoeken of een aanvullende onafhankelijke LCA wenselijk is.
Bent u het ermee eens dat het aanvoeren van voedselzekerheid als algemene rechtvaardiging voor turfgebruik misleidend kan zijn als minder dan 25 procent van de substraten in de praktijk wordt gebruikt voor voedselproductie?
Ja. De bijdrage aan voedselzekerheid mag geen rechtvaardiging zijn om op lange termijn veen te blijven gebruiken in potgrond en substraten. Met het ondertekenen van het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten onderschrijf ik het belang om veen in groeimedia te vervangen en gezamenlijk toe te werken naar een CO2-neutrale substraatketen. Het doel in 2050 is dat potgrond en substraten, gemiddeld over het totale ketenvolume, voor minimaal 90% uit hernieuwbare grondstoffen bestaan.
Bent u van plan in nieuw beleid onderscheid te maken tussen essentiële voedselproductie en niet-essentiële of luxe toepassingen van turf?
Nee, op dit moment zie ik geen aanleiding om een dergelijk onderscheid te maken in nieuw beleid. De opgave vraagt om verduurzaming over de volle breedte van de potgrond- en substratensector. Samen met de betreffende sectoren werken we, volgens de doelstellingen van het convenant, toe naar een keten waarbij minimaal 90% van het totale ketenvolume bestaat uit hernieuwbare grondstoffen.
Bent u ermee bekend dat in verschillende Europese landen al succesvolle grootschalige turfvrije tuinbouwsystemen bestaan en bent u bereid om actief in overleg te treden met onafhankelijke koplopers op dit gebied, zowel nationaal als internationaal, en op basis hiervan nationaal beleid vast te stellen?
Ja. Ik ben bekend met verschillende succesvolle, veenvrije tuinbouwsystemen in Europa. Ook in Nederland zijn er goede voorbeelden van telers die volledig veenvrij telen. Uit het eerdergenoemde onderzoek van WUR blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen gewassen in de mate waarin veen kan worden vervangen voor hernieuwbare grondstoffen. Zo wordt bij de teelt van orchideeën al een hoog percentage hernieuwbare grondstoffen toegepast, terwijl bij sommige groenteteelten de omschakeling trager verloopt, omdat de nieuwe mengsels nog niet volledig uniform zijn en dit doorwerkt in de doorlopende teelt. Een geschikte voedingsbodem blijft daarbij essentieel voor een goede plantengroei en vormt het fundament voor de weerbaarheid van gewassen. Nederlandse telers en kennisinstellingen werken daarom gezamenlijk aan de ontwikkeling en toepassing van nieuwe, stabiele potgrond- en substraatmengsels.
Het Ministerie van LVVN staat in contact met koplopers op dit gebied. Ik ben bereid om dit verder te intensiveren en actief in overleg te treden met onafhankelijke koplopers, zowel nationaal als internationaal.
Bent u het ermee eens dat het uitsluiten van succesvolle turfvrije telers van structurele participatie in convenant- en beleidsprocessen het risico met zich meebrengt van een vertekend beeld van de technische haalbaarheid?
Ik ben het ermee eens dat het uitsluiten van succesvolle veenvrije telers kan leiden tot een vertekend beeld van de technische haalbaarheid. Ik ben ook van mening dat hiervan binnen het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten geen sprake is.
Klopt het dat certificeringssystemen zoals Responsibly Produced Peat (RPP) certificaten afgeven voor grotere volumes dan ze certificeren via hun Chain of Custody, en dat RPP scenario's toestaat die na gebruik nog steeds kunnen leiden tot voortdurende drainage en de daarmee samenhangende CO2-uitstoot? Bent u bereid dit nader te onderzoeken en hierover met betrokken partijen het gesprek aan te gaan?
In Europa vindt verantwoorde veenwinning plaats onder het Responsibly Produced Peat (RPP)-keurmerk. Een belangrijke voorwaarde voor de certificering is dat veen niet wordt gewonnen in waardevolle natuurgebieden, maar in gebieden die reeds ontwaterd zijn. Daarnaast wordt van exploitanten verwacht dat zij maatregelen treffen om de natuurlijke omstandigheden van afgegraven gebieden te herstellen.
Het Chain of Custody (CoC) systeem van RPP volgt gecertificeerde veen vanaf de winning tot en met de productie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een zogenoemd massabalanssysteem. Dit betekent dat gecertificeerd en niet-gecertificeerd materiaal in de praktijk gemengd kunnen worden, zolang de totale hoeveelheid gecertificeerde veen die wordt ingekocht overeenkomst met de hoeveelheid die als zodanig wordt verkocht. Dit systeem biedt daarmee een administratieve borging op totaalniveau, maar geen volledige fysieke traceerbaarheid van gecertificeerde veen in individuele eindproducten. Dit systeem zegt iets over het inkoopbeleid van een bedrijf, en niet perse over de exacte inhoud van de specifieke zak potgrond.
Ik ben bereid in gesprek te gaan met de betrokken partijen over de werking van dit certificeringssysteem en de mogelijke effecten na veenwinning onder het RPP keurmerk.
Vindt u het wenselijk dat wij in Nederland, onder andere omwille van het klimaat, actief inzetten op herstel van veengebied en hervernatting, terwijl Nederland doorgaat met de import van turf met alle (klimaat)schade in winningsgebieden van dien?
Nee. Ik vind het op lange termijn niet wenselijk dat veen wordt geïmporteerd voor toepassing in potgrond en substraten. Juist daarom blijft mijn ministerie zich inzetten voor het behalen van de doelstellingen uit het convenant.
Bent u bereid om een duidelijk en ambitieus afbouwpad op te stellen voor turfwinning?
Het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten bevat doelstellingen voor 2025, 2030 en 2050 om het aandeel hernieuwbare grondstoffen in potgrond en substraten te vergroten. Hiermee wordt gewerkt aan een geleidelijke vermindering van het gebruik van veen.
Bent u het ermee eens dat consumenten momenteel onvoldoende transparantie hebben (bijvoorbeeld op het gebied van etikettering of ingrediëntenlijsten) bij de aankoop van planten, waardoor het maken van weloverwogen, duurzame keuzes in de praktijk onmogelijk is en bent u van plan dit aan te pakken?
Ja. Ik ben het ermee eens dat consumenten op dit moment beperkt in staat zijn om bij de aankoop van bijvoorbeeld planten een weloverwogen keuze te maken op basis van duurzaamheid. Samen met de convenantspartijen wordt daarom ingezet op betere consumentenvoorlichting en meer transparantie in de markt.
Heeft u kennisgenomen van de gedelegeerde verordening van de Europese Commissie (EC) van 2 februari 2026 tot wijziging van Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 inzake noodslacht van gedomesticeerde hoefdieren buiten het slachthuis (Kamerstuk 28 286, nr. 1429)?1
Ja
Klopt het dat deze wijziging expliciet beoogt interpretatieverschillen tussen lidstaten te harmoniseren en te voorkomen dat vlees van dieren die niet transportwaardig zijn, maar geen risico vormen voor de volksgezondheid, onnodig uit de voedselketen verdwijnt?
Ja
Kunt u bevestigen dat deze verordening rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten en geen omzetting in nationale regelgeving vereist?
Ja
Waarom bent u voornemens om middels een aanpassing van het Besluit aanwijzing dierenartsen ex. artt. 30 en 31 Verordening officiële controles de aanwijzing van practici als officiële dierenarts te beperken tot slechts een deel van de gevallen die op grond van de aanpassing van de Verordening (EG) nr. 853/2004 straks in aanmerking komt voor noodslacht?
De aanpassing van dit Besluit is tijdelijk en heeft als einddatum 1 januari 2027. De tijdelijke aanpassing is noodzakelijk omdat de praktiserende dierenartsen die nu noodslachtingen keuren nog onvoldoende vertrouwd zijn met de uitgebreidere categorieën dieren die straks op grond van de verordening van 2 februari 2026 aangeboden mogen gaan worden voor antemortem keuring en de bredere toetsingskaders die gaan gelden.
Een noodslachting is het slachten van een voor het overige gezond dier buiten een slachthuis, dat door een ongeval (zoals een gebroken poot) niet meer levend naar een slachthuis vervoerd kan worden, maar wel geschikt is voor menselijke consumptie. De gewijzigde verordening verruimt die voorwaarden. Het wordt mogelijk om dieren die slachtwaardig zijn, maar niet transportwaardig, in aanmerking te laten komen voor een noodslachting. Het wordt niet langer een vereiste dat het dier een ongeval heeft gehad. De wijziging van de Verordening zorgt ervoor dat meer dieren op het bedrijf van herkomst kunnen worden geslacht in het kader van nood in plaats van dat deze dieren afgevoerd worden via het destructiebestel.
Volgens de EU-regelgeving zijn officiële dierenartsen bevoegd om antemortem- en postmortemkeuringen uit te voeren en daarover besluiten te nemen. In Nederland zijn voor de uitvoering van de antemortemkeuring bij noodslacht ook private dierenartsen bevoegd middels het Besluit aanwijzing dierenartsen.
Private dierenartsen die deze keuring uitvoeren, moeten weten waar zij extra op moeten letten. In de wijziging van Vo (EG) 853/2004 worden de toetsingskaders voor het keuren van dieren in het geval van noodslacht uitgebreid naar bredere toetsingskaders uit de transport- en controleverordeningen waarnaar in gewijzigde Bijlage III van Verordening (EG) nr. 853/2004 wordt verwezen. Dit betekent dat dierenartsen die deze keuring uitvoeren ook kennis nodig hebben van deze wettelijke vereisten en van de werkzaamheden en omstandigheden in het slachthuis, en dit is op dit moment nog niet zo.
Zo lang dit nog niet goed geregeld is, is de voedselveiligheid niet voldoende geborgd. Daarom zorgt de NVWA in 2026 voor uitwerking van kaders, werkwijzen en ondersteuning, met als doel dat de private dierenartsen zodanig gefaciliteerd worden dat zij dieren die voor noodslacht worden aangeboden per 1 januari 2027 op uniforme wijze ante mortem kunnen keuren. Tot deze datum wordt de aanwijzing van private dierenartsen tijdelijk beperkt tot de «oude» categorie.
De aanpassing van het Besluit aanwijzing dierenartsen beperkt niet de officiële dierenartsen. Deze blijven in alle gevallen bevoegd om antemortem en postmortem keuringen uit te voeren en daarover besluiten te nemen.
Waarom kiest de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ervoor om de toepassing van deze verruiming feitelijk uit te stellen, terwijl de EC juist harmonisatie en ruimere toepassing beoogt?
Er is geen sprake van uitstel. De verruiming gaat in op het moment dat de verordening van de Europese Commissie in werking treedt. Er mag dan in meer gevallen dan voorheen noodslacht op het bedrijf plaatsvinden.
Op welke juridische grondslag kan een ministerieel besluit de feitelijke werking van een rechtstreeks toepasselijke Europese verordening beperken?
De nieuwe verordening voorziet in een verruiming van de voorwaarden waaronder noodslacht op het bedrijf is toegestaan. Die regels zijn rechtstreeks werkend. Zij kunnen en worden dus niet beperkt door Nederland. Naast de regels over noodslacht op het bedrijf gelden ook de regels over de uitvoering van de vleeskeuring, waaronder de antemortemkeuring. De hoofdregel is dat deze keuring wordt uitgevoerd door de officiële dierenarts, dus een ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (zie bijlage III, sectie I, hoofdstuk VI, punt 2, van verordening 853/2004, en artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2019/624). Artikel 30 van de officiële controleverordening (2017/625) laat de bevoegde autoriteit ruimte om dergelijke controles door natuurlijke personen, bijvoorbeeld private dierenartsen die niet zijn aangesteld door de NVWA, te laten uitvoeren. Dat is voor de huidige noodslacht geregeld in een ministerieel besluit. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Begrijpt u dat het beperken van noodslacht tot uitsluitend «ongeval»-situaties, terwijl dat criterium in de Europese regelgeving juist is losgelaten, de indruk wekt dat Nederland restrictiever beleid voert dan Europees vereist en dat daarmee dus een nieuwe nationale kop op Europees beleid ontstaat?
Nee. Zie mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Zo ja, hoe verhoudt dan het toevoegen van een nationale beperking bovenop rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving zich tot de plannen van het huidige kabinet om regeldruk te verminderen, in het bijzonder voor ondernemers in de agrarische sector?
Zie mijn antwoord op de vragen 4 en 6.
Zo ja, kunt u dan toelichten waarom ondanks de, in het coalitieakkoord beschreven, ambitie om nationale koppen te schrappen, mogelijk een nieuwe nationale kop op Europese beleid wordt gezet?
Zie het antwoord op de vragen 4 en 6.
Waarom wekt de NVWA in het hun nieuwsbericht van 23 februari 2026 de indruk dat slechts dierenartsen in dienst van de NVWA officiële dierenarts zijn, terwijl het aan de Minister is om te bepalen welke dierenartsen worden aangewezen als officiële dierenarts en de Minister middels het Besluit aanwijzing dierenartsen ex artt. 30 en 31 Verordening officiële controles er ook expliciet voor heeft gekozen om practici aan te wijzen als officiële dierenarts?2
Officiële dierenartsen zijn dierenartsen die door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen (artikel 3, onderdeel 32, en artikel 5, tweede lid, van verordening 2017/625). Bevoegde autoriteiten mogen alleen dierenartsen die geslaagd zijn voor een proef die voldoet aan de voorschriften in bijlage II van Vo (EU) 2019/624 benoemen als officiële dierenarts. In Nederland voldoen alleen dierenartsen van de NVWA die hiervoor een uitgebreide theoretische en praktische opleiding hebben gehad aan deze voorwaarden.
In aanvulling daarop mag de bevoegde autoriteit de uitvoering van controletaken ook beleggen bij natuurlijke personen (artikel 30 van verordening 2017/625). Dat is voor de antemortemkeuring bij noodslacht op het bedrijf geregeld. Hierbij is er sprake van aanwijzing van private dierenartsen tot natuurlijke personen die bepaalde taken in verband met officiële controles mogen uitvoeren, zij worden geen officiële dierenartsen. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om te onderzoeken of in Nederland praktiserend dierenartsen voor meer taken als officiële dierenarts kunnen worden aangewezen en welk effect dit zou hebben op de kosten voor het uitvoeren van deze taken in vergelijking met de kosten die de NVWA in rekening brengt?
Het uitgangspunt is dat officiële controles en andere officiële activiteiten door de bevoegde autoriteit zelf worden uitgevoerd. Met name ingeval van capaciteitsgebrek bij de bevoegde autoriteit of vanwege benodigde bijzondere deskundigheid, kan er reden zijn om de uitvoering van taken te beleggen bij een private instantie of een natuurlijke persoon. Mits is voldaan aan de vereisten die verordening 2017/625 stelt en het te beschermen belang, in dit geval de voedselveiligheid, geborgd blijft. De aanwijzing van de private dierenartsen voor het uitvoeren van de antemortem keuring van noodslachtingen is een voorbeeld hiervan en komt voort uit het capaciteitsprobleem bij de NVWA. Waar dat aan de orde is, is hierin nu voorzien. Ik acht een dergelijk onderzoek dan ook niet nodig.
Waaruit blijkt dat praktiserend dierenartsen (die geregistreerd staan in het Diergeneeskunderegister en geborgd zijn via de Stichting Geborgde Dierenarts) hun verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid niet adequaat zouden kunnen dragen en de NVWA kan stellen dat de voedselveiligheid nog niet zou zijn voldoende geborgd onder de nieuwe werkwijze?
Artikel 30 van de officiële controleverordening (2017/625) laat de bevoegde autoriteit ruimte om controles door natuurlijke personen, bijvoorbeeld private dierenartsen die niet zijn aangesteld door de NVWA, te laten uitvoeren. Mits is voldaan aan de vereisten die verordening 2017/625 stelt en het te beschermen belang, in dit geval de voedselveiligheid, geborgd blijft. De kennis die private dierenartsen nodig hebben om de verruimde keuring uit te voeren is volgens de bevoegde autoriteit, in deze de NVWA, nog niet op voldoende niveau. Dit vereist opleiding en ondersteuning vanuit de NVWA zodat private dierenartsen deze nieuwe keuringswerkzaamheden adequaat kunnen uitvoeren.
Impliceert het standpunt van de NVWA dat hun vertrouwen in deze geborgde dierenartsen tekortschiet? Zo nee, waarom worden hun bevoegdheden dan tijdelijk beperkt?
Nee. De NVWA heeft juist veel vertrouwen in private dierenartsen, waardoor zij deze officiële taak ook heeft belegd bij deze dierenartsen. Voor zover bekend is Nederland een van de weinige lidstaten die hiervan gebruik maakt in het kader van keuring bij noodslachtingen.
De NVWA wil de private dierenartsen, in het belang van de bescherming van voedselveiligheid, optimaal faciliteren zodat zij ook de AM-keuring van de nieuwe groep dieren kan uitvoeren. De NVWA heeft tijd nodig om kaders, afspraken en ondersteuning in te regelen voordat de bevoegdheden voor private dierenartsen verder kunnen worden uitgebreid. Dus de bevoegdheden van private dierenartsen worden niet tijdelijk beperkt, deze blijven hetzelfde in 2026 en worden in 2027 verruimd.
Deelt u de opvatting dat als voedselveiligheid het grootste issue zou zijn, dat juist kan worden geborgd door samen met de Stichting Geborgde Dierenarts aanvullende instructies te organiseren, in plaats van de verruiming uit te stellen?
Dit is een van de opties die in 2026 nader uitgewerkt wordt door de NVWA. De eerste gesprekken met de Stichting Geborgde Dierenarts zijn gepland.
Speelt het capaciteitsprobleem bij de NVWA een rol bij het uitstellen van de verruimde toepassing? Zo ja, waarom wordt dit organisatorische probleem afgewenteld op veehouders, de veelogistieke sector en praktiserend dierenartsen?
Er is geen sprake van uitstel, de nieuwe verordening die voorziet in de verruiming is rechtstreeks werkend. Dieren die in 2026 aangeboden worden voor noodslacht, en geen ongeluk gehad hebben, kunnen antemortem gekeurd worden door een officiële dierenarts. De verwachting is wel dat een groei in aanvragen voor antemortem keuring van dieren die aangeboden worden voor noodslacht onder de nieuwe voorwaarden niet in zijn geheel gehonoreerd kan worden. De NVWA beoordeelt aanvragen volgens haar planningskader, waarbij de bedrijven met de grootste publieke belangen, zoals grote slachthuizen, voorrang krijgen. Ik vind dit vervelend voor de sector maar benadruk dat het om een tijdelijke situatie gaat die nodig is om de voedselveiligheid te borgen.
Welke concrete stappen zet u om ervoor te zorgen dat de nieuwe Europese regels niet pas «in de tweede helft van 2026», maar zo spoedig mogelijk in de praktijk worden gebracht?
De nieuwe Europese regels worden in de praktijk gebracht zodra de gedelegeerde verordening van de Europese Commissie van 2 februari 2026 tot wijziging van Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 inzake noodslacht van gedomesticeerde hoefdieren buiten het slachthuis van kracht wordt. Mijn doel is om begin 2027 alle aanvragen te kunnen honoreren. De antemortemkeuring van noodslachtingen op primaire bedrijven zal namelijk per 1 januari 2027 door private dierenartsen worden uitgevoerd. Deze datum is dan ook in de wijziging van het Besluit aanwijzing dierenartsen opgenomen.
Bent u bereid om in overleg met de sector en de Stichting Geborgde Dierenarts binnen drie maanden een uitvoerbare implementatie vast te stellen, zodat dieren die niet transportwaardig zijn maar wel geschikt voor consumptie, niet langer onnodig uit de voedselketen verdwijnen?
Nee, dat ben ik niet, want dat is niet nodig. Zie het antwoord op mijn vorige vragen.
Kunt u een overzicht ter beschikking stellen aan de Kamer van de Ante-Mortum (AM)-keuringskosten door officiële dierenartsen in dienst van de overheid voor noodslachting en de Mobiele Dodingsunit (MDU) in Nederland en de aangrenzende Duitse en Belgische regio’s? Hoe kunnen de verschillen in kosten worden verklaard, als die er zijn?
De tarieven voor de NVWA staan op de website: NVWA-tarieven toezicht op keuren / AM keuring / PM keuring 2026 | NVWA
Ik beschik niet over informatie over de keuringskosten in aan Nederland
Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, ook wel spuitlicentie genoemd, is nodig om professionele gewasbeschermingsmiddelen te mogen gebruiken. Dit is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarop het bijbehorende besluit en regeling is gebaseerd. Er zijn regels vastgesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen uit bijlage I van richtlijn 2009/128/EG, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Om een bewijs van vakbekwaamheid te halen, dient er een lesprogramma en een examen succesvol afgerond te worden. Het examen toetst verscheidene criteria, deze criteria zijn te vinden in kwalificatiedossiers op de website van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)1. Een bewijs van vakbekwaamheid is 5 jaar geldig. Hierna dient de houder nascholingsbijeenkomsten te volgen om het bewijs van vakbekwaamheid te verlengen. De onderwerpen die tijdens een nascholingsbijeenkomst behandeld worden verschillen per type bewijs van vakbekwaamheid, en zijn terug te vinden in het Examendocument Gewasbescherming2.
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Een bewijs van vakbekwaamheid geldt in de basis voor het veilig en verantwoord toepassen van professionele gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen, en is niet strikt beperkt tot één specifiek middel of één specifieke teelt.
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Ja, er worden nascholingsbijeenkomsten georganiseerd waarin de meest actuele ontwikkelingen en trends binnen het vakgebied worden behandeld. Het reguliere lesprogramma besteedt hier ook aandacht aan, met een focus op het correct en effectief toepassen van gewasbeschermingsmethoden. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, zodat de deelnemers op de hoogte zijn van de laatste normen en eisen.
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In de scholing wordt expliciet aandacht besteed aan zorgvuldig middelengebruik, waarbij de nadruk ligt op aspecten zoals tankmengsels, etiketvoorschriften, blootstellingsroutes, driftreductie en geïntegreerde gewasbescherming. Combinaties van middelen en cumulatieve blootstelling maken deel uit van de risicobeheersing die in het lesprogramma aan bod komt. In de scholing wordt deelnemers geleerd dat zij enkel mogen werken conform de toelatingen en de voorschriften op het etiket. Het uitvoeren van eigen experimenten of afwijkingen van de vastgestelde richtlijnen is niet toegestaan, waarmee de veiligheid en naleving van regelgeving strikt gewaarborgd blijven.
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
De opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid is gericht op veilig gebruik binnen de vastgestelde toelatingskaders. Deelnemers leren over gevaar, risico, dosering, blootstelling, en het gebruik van beschermingsmiddelen, evenals het proces van risicobeoordeling. Wetenschappelijke inzichten worden voortdurend verwerkt in de verplichte nascholing, waardoor het systeem actueel blijft. De opleiding benadrukt dat meetbaarheid geen direct risico aanduidt; risico is afhankelijk van dosis, blootstelling en toxicologische eigenschappen. Gevolgen op lange termijn bij veilig gebruik worden niet expliciet behandeld, omdat de focus ligt op de actuele wetenschappelijke risicobeoordeling.
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In zowel het reguliere lesprogramma als de nascholingsbijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheid van de teler in een maatschappelijk sensitieve context. Onderwerpen zoals het toepassen van drift reducerende technieken, het instellen van bufferzones, het monitoren van weersomstandigheden en het zorgvuldig plannen van gewasbescherming worden behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op hoe telers effectief kunnen omgaan met vragen of bezorgdheden van omwonenden. Transparantie en communicatie worden gepositioneerd als belangrijke aspecten van professioneel vakmanschap, gezien de teler opereert in een open landschap waar maatschappelijke acceptatie van wezenlijk belang is voor de verdere ontwikkeling van de sector. Er is ook een handreiking beschikbaar op de rijksoverheid website die praktische mogelijkheden biedt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goed nabuurschap voor onder andere omwonenden.3
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
De eisen waar de kennisaanbieder aan moet voldoen staan beschreven in het Examendocument gewasbescherming 2. De kennisaanbieder moet onder andere zelf een bewijs van vakbekwaamheid in bezit hebben, en een percentage van de bijeenkomsten wordt bezocht om te inspecteren of ze aan de vooraf opgegeven doelstellingen voldoen.
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
In de tweede helft van 2026 zullen de onderwerpen rond het verminderen van het gebruik van hoog risicomiddelen en het verbeteren van de naleving van gebruikersvoorschriften verplicht aan bod komen in het nieuwe nascholingsaanbod voor de bewijzen van vakbekwaamheid. Ik zal uw Kamer hierover blijven informeren.
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid is mogelijk. Indien tegen de houder van een bewijs van vakbekwaamheid herhaaldelijk overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden of van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn geconstateerd, kan de Minister het bewijs van vakbekwaamheid maximaal één jaar intrekken. De NVWA heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van deze interventiemogelijkheid, omdat het destijds minder perspectief leek te hebben. Het bewijs van vakbekwaamheid is namelijk op naam gesteld en het is zeer moeilijk te bewijzen dat dezelfde persoon herhaaldelijk de aangetoonde overtredingen heeft begaan. Verder is het voor een bedrijf eenvoudig om een andere medewerker in te zetten. Dit geldt vooral voor bedrijven met meerdere medewerkers. De NVWA onderzoekt opnieuw de mogelijkheden van het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, als één van de sanctie-instrumenten.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Ja.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het niet meer individueel onderzoeken van alle DNA-monsters van wolven |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Wageningen Environmental Research (WENR) wegens capaciteitsproblemen niet langer alle DNA-monsters die worden afgenomen na aanvallen op vee onderzoekt op welk individuele wolf het betreft?
Bij aanvallen op gehouden dieren doet Wageningen Environmental research (WEnR) in opdracht van de provincies in alle gevallen DNA-onderzoek naar de veroorzakende diersoort. Het provinciaal beleid ten aanzien van afname en testen van monsters, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025 is ongewijzigd.1 Navraag bij de provincies als bevoegd gezag heeft dit bevestigd. Het DNA-onderzoek waarbij ook wordt bepaald welk individu van de betreffende veroorzakende soort betrokken was, is wel verminderd door een sterk toenemend aantal schadegevallen. Volgens de provincies is de huidige capaciteit bij WEnR voldoende om conform het provinciale Monitoringplan Wolf te voldoen aan de monitoringsverplichting die volgt uit de Habitatrichtlijn en eventuele juridische onderbouwing van de omgang met probleemwolven.
Klopt het dat hierdoor een deel van de monsters alleen nog wordt onderzocht op diersoort, maar niet meer op individueel dier?
Ja, dit is bevestigd door de provincies.
Zo ja, hoe kan dan nog worden bijgehouden welke wolven herhaaldelijk vee aanvallen en mogelijk als probleemwolf moeten worden aangemerkt?
Provincies hebben aangegeven dat het DNA-onderzoek waarbij ook wordt bepaald welke individuele wolf bij een aanval op vee betrokken was, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025, nog steeds plaatsvindt bij een schademelding. Ongeacht of het vee achter wolfwerende rasters was gehuisvest.
Klopt het dat DNA-onderzoek op individueel dier bij aanvallen achter een goedgekeurd raster alleen nog plaatsvindt wanneer het raster volledig foutloos is bevonden?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat hiermee juist waardevolle informatie verloren gaat over wolven die ook rasters weten te omzeilen?
Die opvatting deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat voor de nieuwe aanbesteding voor DNA-onderzoek slechts WENR en één commercieel laboratorium hebben ingeschreven en dat het commerciële bedrijf zijn afgewezen omdat zij niet aan de gestelde eisen voldeden?
Het bepalen of er in een specifiek geval sprake is van een probleemwolf, is de bevoegdheid van de provincies. Conform de interventierichtlijnen uit het Wolvenplan 2025 wordt een wolf onder meer als probleemwolf aangemerkt als deze in een gebied in een gemeente of in een aangrenzende gemeente binnen een periode van tenminste twee weken tenminste twee keer vee aanvalt dat wordt beschermd door een goed functionerend raster dat voldoet aan de technische eisen uit de adviesnorm uit de provinciale faunaschade preventiekit wolven. Deze formulering is in lijn met de door u genoemde aangehouden motie. Het is aan de provincies als bevoegd gezag om te bepalen hoe kan worden vastgesteld of aan deze criteria wordt voldaan.
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat WENR momenteel al kampt met capaciteitsproblemen en dat ook voldoende capaciteit een eis zou moeten zijn?
Uit navraag bij de provincies is naar voren gekomen dat zij op dit moment een aanbestedingsprocedure hebben lopen. Tijdens de marktconsultatie via tendernet hebben zich twee partijen gemeld, waarvan een zich gedurende de procedure heeft teruggetrokken.
Kunt u toelichten op welke punten het commerciële laboratorium niet voldeed en welke oplossingen u ziet om te zorgen dat wél alle DNA-monsters volledig onderzocht kunnen worden, bij dit commerciële bedrijf of elders?
Zoals bij de beantwoording op vraag 1 is aangegeven, is volgens de provincies de huidige capaciteit bij WEnR voldoende om te voldoen aan de wettelijke monitoringsverplichting en eventuele juridische onderbouwing van de omgang met probleemwolven. Dit zal uiteraard ook in de toekomst gecontroleerd blijven worden.
Voldoet Nederland nog aan de monitoringsverplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn wanneer niet langer van alle monsters wordt vastgesteld om welk individueel dier het gaat, gezien het feit dat Nederland ervoor heeft gekozen om via DNA-monitoring invulling te geven aan deze verplichtingen? Kunt u hierop een juridische toelichting geven?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Deelt u de zorg dat bij een verdere toename van het aantal wolven en het aantal aanvallen op vee dit systeem volledig onhoudbaar wordt als de capaciteit niet wordt uitgebreid?
Ja, Nederland voldoet voor het monitoren van wolven aan de vereisten van de Habitatrichtlijn. Het provinciale beleid, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025, is ongewijzigd en daarmee test Nederland meer dan is vereist voor verplichtingen vanuit de Habitatrichtlijn. Dna-monitoring is geen Europese verplichting.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de toezegging en wanneer daadwerkelijk meer wolven zullen worden gezenderd, gezien het feit dat u heeft eerder toegezegd dat zoveel mogelijk wolven in Nederland zouden worden gezenderd?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 1, is er op basis van de door de provincies verstrekte informatie voor mij geen aanleiding tot zorg.
Klopt het dat in Nederland nog geen vergunningen worden afgegeven voor het gebruik van de soft-close pootklem voor het vangen van wolven voor onderzoek, terwijl deze methode in andere Europese landen wel veelvuldig wordt toegepast?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vragen van uw Kamer (Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 580) is het aan de provincies of RVO om structurele zenderprogramma’s door middel van vergunningen of maatwerkvoorschriften mogelijk te maken. Momenteel lopen bij de provincies Utrecht en Gelderland aanvragen voor zenderonderzoek. Ik volg deze ontwikkelingen met grote interesse.
Welke Europese regelgeving belemmert dit precies en waarom wordt het gebruik van soft-close pootklemmen in andere lidstaten door deze regelgeving niet belemmerd maar in Nederland wel?
Ja, dat is correct.
Bent u bereid te bezien hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen, zodat de meest diervriendelijke vangmethode kan worden ingezet om wolven te zenderen en daarmee de druk op DNA-monitoring kan verminderen?
De EU heeft een verbod ingesteld op het gebruik van wildklemmen voor het vangen van wilde dieren (Verordening (EEG) nr. 3254/91). Dit verbod is neergelegd in artikel 11.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt in principe ook voor het gebruik van pootklemmen voor het vangen van wolven. Volgens de Europese Commissie kan evenwel bij uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek of monitoring van diersoorten – waaronder zenderen kan worden begrepen – het gebruik van pootklemmen worden toegestaan, in het licht van de doelstelling van Verordening (EEG) 3254/91 om de instandhouding van diersoorten te verbeteren.2 De pootklem kan dus niet worden gebruikt om dieren te vangen met als doel om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden. Mij zijn geen gegevens bekend over het gebruik van pootklemmen bij wolvenonderzoek in andere lidstaten.
Het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd |
|
Ines Kostić (PvdD), Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD), VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden kan worden?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025, nr. 15, item 8).
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Ja, dit erken ik.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid, extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»3.
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie. Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen) schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee, waarom niet?3
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk 28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025 gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028, die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd, zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving. De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten. Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd, zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en ontbrekende haarbedekking?
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Eieren |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Mag een boer aangeven op zijn doosje eieren dat zijn kippen niet met een mRNA-vaccin zijn gevaccineerd?
Er zijn zowel voor klasse A als klasse B eieren vereisten voor de informatie die op de verpakking moet staan (art. 11 Verordening (EU) 2023/2465). Ook bij verkoop van losse eieren moet de informatie die normaal op de verpakking staat beschikbaar zijn voor de consument (art. 14 Verordening (EU) 2023/2465). Gegevens over vaccinaties zijn geen onderdeel daarvan. De vaccinatieverordening (EU) 2023/361 bevat geen voorschriften over labelen / etiketteren / meldingen, en ook geen verbod om iets op te nemen op een ei/verpakking. Een houder moet wel eerlijke en duidelijke voedselinformatie geven (artikel 7 van Verordening (EU) 1169/2009). Kortom, op een doosje eieren mag staan dat de kippen niet met een mRNA-vaccin zijn gevaccineerd, mits dit correcte informatie is.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Femke Wiersma (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Ja.
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Als een aangever goederen wil in-, uit- of doorvoeren, moet hiervoor een aangifte worden gedaan bij de Douane. Hierbij moet een aangever ook de goederencode (zogenaamde GN-code) van het goed opgeven. Deze goederencodes worden op Europees niveau vastgesteld en geven aan welke invoer- of uitvoertarieven voor een bepaald goed gelden. In deze indeling bestaat echter geen afzonderlijke goederencode voor honden. Honden vallen onder de categorie «andere levende dieren». Hierdoor vallen honden voor de aangifte onder dezelfde GN-code als bijvoorbeeld katten.
Om het aantal uitgevoerde honden te bepalen is het derhalve niet voldoende om enkel naar deze goederencode te kijken. Om de vraag te beantwoorden, is daarom gekeken naar de tekstuele goederenomschrijving in de aangiften ten uitvoer binnen de categorie «andere levende dieren». In dit veld moet de exporteur een handelsbenaming opgeven ten aanzien van de uit te voeren goederen. Voor de invulling van de handelsbenaming bestaat geen verplichte of voorgeschreven vorm of systematiek. De omschrijving «hond» volstaat hiervoor, maar dit kan ook specifiek een hondenras zijn of een andere beschrijving. De hieronder genoemde aantallen zijn tot stand gekomen door in de aangiftegegevens met betrekking tot de uitvoer van levende dieren onder de bovengenoemde GN-code met een goederenomschrijving met daarin de termen «hond» of «honden» te kijken. Het daadwerkelijke aantal uitgevoerde honden kan daarom hoger liggen.
Het is voor de Douane niet mogelijk om, zonder strafrechtelijke vordering, data over uitvoeraangiften van meer dan vijf jaar terug op te leveren. Hieronder zijn daarom de aantallen aanvragen voor de uitvoer van honden naar Israël voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. Onderstaande uitgesplitste cijfers slaan op de aanvragen ten uitvoer per maand. Daarnaast is er per het totaal aantal honden aangegeven dat daadwerkelijk de EU uit is gegaan via Nederland.
Januari
11
Januari
2
Januari
7
Februari
7
Februari
16
Februari
8
Maart
8
Maart
0
Maart
9
April
2
April
1
April
0
Mei
6
Mei
14
Mei
8
Juni
16
Juni
2
Juni
0
Juli
5
Juli
0
Juli
1
Augustus
2
Augustus
14
Augustus
25
September
September
1
September
5
Oktober
9
Oktober
0
Oktober
0
November
4
November
18
November
4
December
13
December
1
December
14
Januari
0
Januari
10
Februari
12
Februari
8
Maart
11
Maart
1
April
10
April
15
Mei
2
Mei
5
Juni
6
Juni
0
Juli
5
Juli
4
Augustus
18
Augustus
0
September
13
September
7
Oktober
4
Oktober
0
November
14
November
3
December
3
December
0
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Op basis van de uitvoeraangiften is het voor de Douane niet altijd met zekerheid te bepalen of de aangever een particulier of een bedrijf of ander rechtspersoon is. Ook zijn er bijvoorbeeld logistiek dienstverleners die voor particulieren uitvoeraangiften doen. Op basis van de entiteit die de uitvoeraangifte heeft gedaan, kan daarom niet met zekerheid worden gesteld of honden die worden uitgevoerd uiteindelijk bestemd zijn van particulieren of bedrijven of andere rechtspersonen. De NVWA houdt dergelijke gegevens niet bij.
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
De Douane heeft geen veterinaire taak bij uitvoerzendingen van honden en houdt daarvan dus geen documenten of gegevens bij. In de taakbijlagen voor zowel niet-commercieel verkeer van Gezelschapsdieren als de commerciële veterinaire zendingen staat beschreven dat de Douane alleen bij binnenbrengen en/of invoer een controletaak heeft.
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Het is niet wettelijk verplicht om bij de uitvoer van honden naar Israël het doel van de dieren te registreren. Deze beoordeling vindt niet plaats. De huidige wet- en regelgeving met betrekking tot exportcontrole is vastgelegd in Europese wetgeving en gericht op goederen die onder specifieke controlelijsten vallen. Het kabinet heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de inzet om honden alsnog toe te voegen aan de controlelijst van de EU Dual-Use verordening. De uitkomst van deze gesprekken was dat de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie geen mogelijkheid zien om honden aan te merken als dual-use «producten».
Er wordt op verzoek van de Kamer nog een verkenning uitgevoerd naar andere maatregelen om de uitvoer van honden te reguleren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.2
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Ik deel niet de veronderstelling dat een bedrijf door zichzelf op te heffen kan voorkomen dat onderzoek wordt verricht naar mogelijke misstanden.
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Vanuit het Programma Ondersteuning Buitenland Beleid (POBB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er eenmalig financiële steun verleend met als doel het versterken van de havenbeveiliging en de samenwerking tussen de autoriteiten van Costa Rica en Nederland, om illegale drugshandel naar Nederland te verminderen. Het POBB richt zich op de financiering van activiteiten die de doelstellingen van het Nederlands buitenlandbeleid ondersteunen. De projecten dienen, direct of indirect, een bijdrage te leveren aan het behalen van de geopolitieke doelstellingen van dit beleid. Als onderdeel van het project «K9 Detection Dogs» heeft Four Winds K9 tien honden aangekocht met de financiële steun uit het POBB. De honden zijn vervolgens gedoneerd aan de drugspolitie van Costa Rica. Dit initiatief is in lijn met één van de prioriteiten van de Nederlandse samenwerking met Latijns-Amerika en de Caribische regio, namelijk het bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Zie het antwoord op vraag 8.
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Zie het antwoord op vraag 8 en 9. Er zijn geen honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd door Nederland aan andere landen dan Costa Rica.
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
In het geval van Costa Rica heeft Nederland via het POBB-programma bijgedragen aan de aanschaf van honden ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de drugspolitie. De ambassade ontvangt ook regelmatig terugkoppeling over de hoeveelheden drugs die de gedoneerde honden hebben onderschept. Er was geen reden tot het uitvoeren van een specifieke mensenrechten- en eindgebruikerscheck. Costa Rica is een gelijkgezind land, onder meer ten aanzien van mensenrechten en democratie.
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Ja.
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar aanleiding van de motie-Teunissen d.d. 10 april 2025 gesproken met een viertal bedrijven, waaronder Four Winds K9. In dat gesprek zijn de activiteiten van dit bedrijf, en ook de samenwerking met Four Winds DiagNose UAE, aan de orde gekomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Nederlandse toezichthouders hebben verder geen zicht in welke mate Four Winds K9 contact heeft met andere overheden. Four Winds K9 is door BZ gewezen op hun eigen verantwoordelijkheden inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals vastgelegd in de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken.5 De gesprekken hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten gekozen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie antwoord vraag 7.
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in de KRW-doelen.
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten toegepast.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies over aan het volgende kabinet.