De klopjacht op de negroïde werkster |
|
Sadet Karabulut (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat de politie Kennemerland dertig schoonmakers heeft staande gehouden op grond van hun «negroïde uiterlijk» en twaalf van hen inmiddels zijn uitgezet door de Immigratie en Naturalisatiedienst?1 Zijn u vergelijkbare zaken bekend? Zo ja, welke?
De met het vreemdelingentoezicht belaste ambtenaren in deze zaak hebben in het kader van hun controlebevoegdheid de grenzen opgezocht van de juridische mogelijkheden en zijn daar, volgens de Raad van State, bij de controles overheen gegaan. Mij zijn geen vergelijkbare zaken bekend. Ik ben in gesprek met de politie hoe op rechtmatige wijze het vreemdelingentoezicht kan worden geïntensiveerd.
In die gevallen waarin de staandehouding onrechtmatig is geoordeeld en de daaropvolgende detentie ook onrechtmatig is, kan de rechter een schadevergoeding toewijzen. Een eventuele onrechtmatige staandehouding doet echter niet af aan de verplichting van illegale vreemdelingen om Nederland te verlaten.
De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft naar aanleiding van gerichte acties in de regio Kennemerland, zeven personen uitgezet. Daarnaast zijn er twee personen onder toezicht vertrokken. Drie personen hebben zelfstandig Nederland verlaten, al dan niet met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).
Deelt u de mening van de Raad van State dat de politie niet op grond van uiterlijke kenmerken, reizen met de bus en het betreden van een woning in een villawijk de schoonmakers staande had mogen houden en in hechtenis nemen omdat er naar objectieve maatstaven gemeten geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was? Zo ja, welke maatregelen zijn getroffen jegens de verantwoordelijken voor dit politieonderzoek bij de politie Kennemerland en de controleurs van Connexxion? Wat is er gebeurd met de dertig schoonmakers die door dit onrechtmatig handelen zijn opgepakt, vastgepakt en voor een deel uitgezet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het politieonderzoek was gericht op voorkomen van illegale arbeid en uitbuiting? Zo ja, hoe kan het dat toch niet is onderzocht of sprake was van uitbuiting maar wel al twaalf mensen zijn uitgezet? Zo nee, wat was dan wel het doel van het onderzoek en hoe verhoudt dat zich tot de uitspraak van de chef Vreemdelingenpolitie Kennemerland die illegale arbeid en uitbuiting noemt als reden van het politieonderzoek?
Het onderzoek is een bestuursrechtelijk onderzoek geweest dat voortvloeit uit de bestuurlijke taak van de Vreemdelingenpolitie. De doelstelling van het onderzoek was tweeërlei: het tegengaan van illegaal verblijf in Nederland en het doen ophouden van het faciliteren van dit verblijf door de werkgevers van deze personen, al dan niet met behulp van een optreden op grond van de Wet arbeid vreemdelingen.
De Vreemdelingenpolitie heeft bij het onderzoek gebruik gemaakt van de (controle)bevoegdheden die haar toekomen op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Indien een bestuursrechtelijk onderzoek aanwijzingen oplevert dat mogelijk sprake is van uitbuiting, kan (tevens) een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld. Aan het Openbaar Ministerie zijn geen zaken, waarin een vermoeden van arbeidsuitbuiting bestaat, voorgelegd, die zijn te relateren aan de onderhavige zaak.
Wel laat dit zien hoe belangrijk het is dat particulieren die huishoudelijke hulp inhuren, zich vergewissen van de verblijfsstatus en het recht op arbeid van hun personeel.
Zie voor de vraag met betrekking tot de uitzetting van de twaalf personen, het antwoord op vraag 1 en 2.
Welke middelen zijn geoorloofd bij opsporing van illegale arbeid en welke niet? Kunt u dit uiteenzetten voor de politie, de Arbeidsinspectie, controleurs van een busmaatschappij en andere betrokken organisaties?
De Vreemdelingenpolitie komt in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek diverse (controle)bevoegdheden toe op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Indien de Vreemdelingenpolitie een strafrechtelijk onderzoek verricht, komen haar de opsporingsbevoegdheden van het Wetboek van Strafvordering toe.
De Inspectie SZW, voorheen de Arbeidsinspectie, kan gebruik maken van bevoegdheden die geregeld zijn in de Wet arbeid vreemdelingen, de Algemene wet bestuursrecht en het Wetboek van Strafvordering. In het kader van herhaalde recidive kan een onderzoek op basis van de Wet arbeid vreemdelingen ook plaatsvinden als een opsporingsonderzoek. Hiervoor wordt dan gebruik gemaakt van bevoegdheden uit de Wet op de economische delicten. De belangrijkste bevoegdheden zijn het betreden van iedere plaats (artikel 5:15 Awb), het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 Awb), het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs (artikel 5:16a Awb). De Arbeidsinspectie heeft ook de bevoegdheid om een woning tegen de wil van de bewoner binnen te treden (artikel 17 Wav), echter daarbij dient wel de Algemene wet op het binnentreden in acht te worden genomen. Anders is de handeling van de Inspectie SZW alsnog onrechtmatig.
Controleurs van een busmaatschappij controleren in hun hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar op basis van bevoegdheden uit onder meer de Wet personenvervoer. Opsporing van illegale arbeid behoort hier niet toe.
Hoe kan het dat op basis van een onrechtmatig onderzoek wel twaalf schoonmakers zijn uitgezet maar de rechtszaak tegen hun opdrachtgevers is geseponeerd door het Openbaar Ministerie? Deelt u de mening dat dit riekt naar klassenjustitie, deze zaken alsnog moeten worden onderzocht en het recht moet spreken? Zo nee, wat is het volgens u dan wel?
Het Openbaar Ministerie heeft geen zaken geseponeerd. Zoals in het antwoord op vraag 3 vermeld, heeft het Openbaar Ministerie geen zaken voorgelegd gekregen, die te relateren zijn aan de onderhavige zaak. Er is derhalve geen sprake van een strafzaak.
Waarom zijn op basis van het door de Raad van State onrechtmatig verklaarde politieonderzoek wel de door de Arbeidsinspectie aan particuliere opdrachtgevers opgelegde boetes ingetrokken maar is geen werk gemaakt van het onderzoek naar uitbuiting en bescherming van mogelijke slachtoffers van deze uitbuiting, zijnde de schoonmakers? Bent u bereid dit onderzoek alsnog te verrichten?
Het is onjuist dat de Inspectie SZW de opgelegde boetes heeft ingetrokken. Zij heeft weliswaar een drietal boeterapporten opgemaakt tegen drie werkgevers naar aanleiding van ontvangen processen-verbaal van de politie Kennemerland, maar gezien alle feiten en omstandigheden geconcludeerd dat boeteoplegging in deze drie zaken niet aan de orde kon zijn vanwege het oordeel van de Raad van State over het onderzoek van de Vreemdelingenpolitie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2 kan de rechter een schadevergoeding voor een onrechtmatige detentie opleggen. Dat doet echter niet af aan de onrechtmatigheid van het verblijf. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is klopjachten te houden op domestic workers? Wat gaat u doen om mensenhandel, uitbuiting, racisme en discriminatie van deze veelal kwetsbare groep vrouwen te voorkomen?
Ik distantieer mij van de term «klopjachten». De aanpak van mensenhandel is een prioriteit van dit kabinet, omdat het een zeer ernstig misdrijf betreft dat een grote inbreuk maakt op de mensenrechten en leidt tot mensonterende omstandigheden. Er is dan ook een groot aantal maatregelen getroffen om mensenhandel tegen te gaan. Mede onder aanvoering van de Task Force aanpak mensenhandel zal fors worden ingezet op de aanpak van verschillende vormen van mensenhandel, waaronder arbeidsuitbuiting. Zo zal, bijvoorbeeld, aan het eind van deze kabinetsperiode het aantal criminele organisaties, waaronder organisaties die zich met mensenhandel bezighouden, dat wordt aangepakt zijn verdubbeld. Ook zult u op korte termijn een wetsvoorstel ontvangen over de verhoging van de strafmaxima voor mensenhandel.
Voor de bestrijding van discriminatie bestaat generiek beleid. Op 7 juli 2011 is door de ministers van Veiligheid en Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onderwijs, Cultuur en Wetschap, alsmede door de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met aangescherpte maatregelen tegen discriminatie, die ook gelden voor de door u genoemde groep.
Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 3.
De beperkte voorzieningen in de gezinslocatie voor asielzoekers in Katwijk |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat de Tweede Kamer nog steeds niet inhoudelijk is geïnformeerd over de gezinslocaties voor asielzoekers in Katwijk en Gilze, terwijl die al sinds juli jl. operationeel zijn? Bent u bereid met onverwijlde spoed duidelijkheid te verschaffen over de inrichting, het regime, de regels, de plaatsingsvoorwaarden, de voorzieningen etc. van de gezinslocaties?1
Tijdens een algemeen overleg van 10 november 2011 heb ik uw Kamer toegezegd een brief te sturen over de gezinslocaties. Tegelijk heb ik u ook gezegd dat ik een gezinslocatie zou bezoeken. Dit bezoek heeft op 15 december jl. plaatsgevonden. In mijn brief van 21 december 20112 treft u de door u gevraagde informatie betreffende de gezinslocaties aan.
Kloppen de signalen dat alle bewoners, waaronder ook kinderen en jongeren, midden op de dag moeten stempelen waardoor zij hun studie, bijvoorbeeld een universitaire studie, niet meer kunnen voortzetten? Vindt u dat aanvaardbaar?
Voor zover het gaat om minderjarigen, kloppen deze signalen niet. Zoals ik ook in mijn brief aan uw Kamer heb beschreven worden minderjarigen vrijgesteld van de meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie en de inhuisregistratie bij het COA zodat ze naar school kunnen. Een van de uitzonderingen op het koppelingsbeginsel in artikel 10 van de Vreemdelingenwet is immers dat minderjarigen recht hebben op onderwijs in het kader van de leerplicht. Dit geldt niet voor meerderjarige en dus niet-leerplichtige vreemdelingen. Evenwel is vervolgonderwijs nog wel toegankelijk voor vreemdelingen die in een procedure zitten waarmee ze rechtmatig verblijf hebben en kan in die gevallen in een ontheffing van de meldplicht en inhuisregistratie worden voorzien.
Kloppen de signalen dat ook zieke vreemdelingen in de gezinslocaties worden geplaatst? Klopt het dat de medische voorzieningen in de gezinslocaties zeer beperkt zijn? Waarom krijgen deze zieke asielzoekers geen reguliere opvang in een Asiel zoekerscentrum (AZC) op grond van de motie-Spekman2 als zij een medische aanvraag hebben ingediend? Klopt het dat ook betrokken artsen grote bezwaren hebben tegen de beperkte medische voorzieningen in de gezinslocatie in Katwijk?
Wat betreft de (toegang tot) medische zorg op de gezinslocaties en het standpunt van de lokale huisartsen, verwijs ik u naar mijn brief van 21 december 2011 en de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Voortman en Dibi (beiden GroenLinks) met nummer 2011Z22178, Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1383 en de schriftelijke vragen van de leden Gesthuizen en Van Gerven (beiden SP) met nummer 2011Z22180, Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1384
Een aanvraag op medische gronden genereert niet zonder meer een recht op opvang. Opvang in het kader van de motie-Spekman is mogelijk, maar wel onder bepaalde voorwaarden. Ik verwijs u hiervoor naar de brief van de voormalige Staatssecretaris van Justitie aan uw Kamer van 7 december 20094 waarin is toegelicht hoe deze motie is geïmplementeerd.
Kloppen de signalen dat de bewoners van de gezinslocatie geen noodzakelijke ontheffing van de stempelplicht krijgen als zij een afspraak hebben met hun advocaat of met de rechtbank? Vindt u dat aanvaardbaar?
Nee, die signalen kloppen niet. Ontheffing van de stempelplicht voor een afspraak met een advocaat of een zitting bij de rechtbank is mogelijk.
Klopt het dat er ook vreemdelingen in deze gezinslocatie worden geplaatst die nog een lopende toelatingsprocedure hebben? Hoe verhoudt zich dat met het feit dat de gezinslocaties enkel bedoeld zijn voor uitgeprocedeerde vreemdelingen?
Op 19 september jl.5 heb ik op schriftelijke vragen geantwoord dat gezinnen met minderjarige kinderen die niet meer rechtmatig in Nederland verblijven en waarvan het recht op opvang derhalve is geëindigd, tot de doelgroep behoren. Deze groep gezinnen werd als eerste overgeplaatst naar de gezinslocaties. Daarnaast worden in de gezinslocaties ook gezinnen geplaatst die een procedure hebben lopen voor regulier verblijf, maar waaraan geen recht op opvang is verbonden. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat gezinnen in de gezinslocatie een nieuwe toelatingsprocedure starten. Voor zover daar geen recht op opvang aan is verbonden, zal er geen overplaatsing naar een AZC plaatsvinden.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen binnen een week te beantwoorden?
Dit is niet mogelijk gebleken. Wel heeft uw Kamer mijn brief over gezinslocaties van 21 december 2011 ontvangen.
Bent u bereid te bezien of een Irakees gezin, waarvan de beide ouders en één van de dochters forse medische problemen hebben, en waarvan de dochter geneeskunde studeert aan de VU, opvang verleend kan worden in een nabijgelegen AZC?3
De mij op dit moment bekende informatie over deze individuele casus geeft mij geen aanleiding om af te wijken van de algemene regel dat indien vreemdelingen geen recht op opvang hebben, er geen overplaatsing naar een AZC kan plaatsvinden. Wat betreft de (toegang tot) medische zorg op de gezinslocaties, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3. Indien een arts van oordeel is dat het noodzakelijk is om medische zorg te bieden, zal dit ook gebeuren.
Het bericht dat gemeenten opvang bieden aan illegalen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage van het EO-programma «Dit is de dag» van 6 december 2011 waarin gemeld wordt dat 13 gemeenten in Nederland ruim drie miljoen uitgeven aan de opvang van illegalen?1
Ja.
Was u al op de hoogte van het feit dat een aantal gemeenten tegen de afspraken in illegalen blijft opvangen, kloppen bovenstaande bevindingen, en zijn er eventueel nog meer gemeenten bekend die de afspraken schenden?
Ik ben ermee bekend dat enkele gemeenten expliciet in hun collegeprogramma hebben opgenomen dat de noodopvang wordt gecontinueerd. Ik voer periodiek Bestuurlijk Overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarbij ook het onderwerp noodopvang regelmatig op de agenda staat. Ook onderhoudt de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) intensief contact met individuele gemeenten.
Ik blijf van mening dat het bieden van structurele noodopvang door gemeenten of maatschappelijke organisaties onwenselijk en onnodig is. Door het Rijk zijn in de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om te voorkomen dat (afgewezen) asielzoekers op straat terecht komen, waaronder plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie van afgewezen asielzoekers die na de vertrektermijn van 28 dagen het land nog niet hebben verlaten, het onder voorwaarden verlenen van opvang aan mensen met een medische aanvraag en het realiseren van onderdak in gezinslocaties voor gezinnen met minderjarige kinderen.
Ik heb gemeenten en de VNG duidelijk gemaakt dat indien gemeenten desondanks geconfronteerd worden met vreemdelingen die op straat staan, en die een asielverleden hebben, dan wel van wie de achtergronden niet direct bekend zijn, zij deze zaken kunnen aanmelden bij de DT&V zodat kan worden gezocht naar een oplossing op maat. In de praktijk treden gemeenten ook daadwerkelijk in contact met de DT&V en waar nodig neemt de DT&V hiertoe initiatief.
Op welke wijze wordt het nakomen van de afspraak die de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Justitie op 25 mei 2007 hebben gemaakt, dat gemeenten de noodopvang voor illegalen per 1 januari 2010 moesten beëindigen, gemonitord en gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de overheid/maatschappelijke organisaties geen opvang dienen te verlenen aan uitgeprocedeerde asielzoekers en andere illegalen die niet meewerken aan hun vertrek?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat door het toch onderdak bieden aan illegalen het terugkeerbeleid wordt gefrustreerd en betrokkenen valse hoop wordt geboden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen hebt u ondernomen en/of gaat u ondernemen tegen genoemde gemeenten uit de steekproef van de EO?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat een moeder met kinderen op straat is gezet |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat er nog steeds uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen op straat belanden, terwijl hun terugkeer nog niet is geëffectueerd? Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat deze alsnog opgevangen worden tot ze feitelijk naar hun land van herkomst kunnen terugkeren? Zo nee, wat is dan uw reactie op het bericht dat een moeder met kinderen in de kou op straat is gezet?1
In reactie op deze vragen verwijs ik graag naar het antwoord van de toenmalige minister van Justitie op schriftelijke vragen over het op straat zetten van een gezin met minderjarig kind3. In dat antwoord is vermeld dat naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 27 juli 2010 (dit betrof de tussenuitspraak die vooraf ging aan de uitspraak van 11 januari 2011) geen onderdak van gezinnen met minderjarige kinderen wordt beëindigd. Dit betekent echter niet dat alle gezinnen met minderjarige kinderen daarmee in aanmerking komen voor opvang. Zoals in het desbetreffende antwoord op kamervragen is aangegeven, vormt de uitspraak geen aanleiding om, buiten de geldende regelgeving in relatie tot opvang voor asielzoekers, opvang te bieden aan personen die niet reeds opvang genoten en zal het indienen van een tweede of volgende asielaanvraag geen aanleiding vormen om opvang te verlenen wanneer deze reeds in de algemene asielprocedure is afgewezen. In de in het AD genoemde casus was sprake van een gezin dat zich meldde om een tweede of volgende asielaanvraag in te dienen, en direct daaraan voorafgaand niet reeds in de opvang verbleef. In augustus 2011 heeft het gezin de toen geboden opvang zelf met onbekende bestemming verlaten. Vreemdelingen die een tweede of volgende asielaanvraag willen indienen, komen op grond daarvan niet zonder meer in aanmerking voor opvang. Om de aanvraag in te dienen wordt een afspraak gemaakt. Indien deze aanvraag niet direct in de procedure in het aanmeldcentrum wordt afgewezen, krijgt de aanvrager hangende de behandeling van de aanvraag in de verlengde asielprocedure opnieuw opvang. In dat laatste geval zal, nu het een gezin met kinderen betreft, een eventuele afwijzing van de aanvraag niet tot beëindiging van de opvang leiden.
Een afspraak voor het indienen van de opvolgende asielaanvraag was gepland op 20 december 2011 en wordt op verzoek van de betrokkenen verzet naar januari 2012. Na indiening van de aanvraag zal tevens duidelijk worden of er aanleiding is om het gezin opnieuw in de opvang op te nemen.
Deelt u de mening dat het op straat zetten van uitgeprocedeerde minderjarige asielzoekers in strijd is met de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 11 januari jl?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welke oplossingen ziet u om te voorkomen dat gezinnen met minderjarige kinderen op straat terechtkomen? Welke acties gaat u ondernemen wanneer een gezin op straat wordt gezet, terwijl terugkeer nog niet is geëffectueerd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden?
Zie antwoord vraag 1.
De Iraakse regering die niet langer wil meewerken aan gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers uit Nederland en andere Europese landen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Raymond Knops (CDA) |
|
|
|
|
Waarom wil de Iraakse regering niet langer meewerken aan gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers uit Nederland en andere Europese landen?
Irak accepteert in het algemeen nog steeds gedwongen terugkeer van Iraakse onderdanen, maar heeft de voorwaarden waaronder dit plaatsvindt, aangepast. Ik ben in gesprek met de Iraakse autoriteiten over de reden van het niet langer terugnemen van Irakezen op basis van een zogenaamde EU-staat.
Welke (nieuwe) eisen stelt de Iraakse regering thans aan gedwongen terugkeer? Zijn die eisen voor Nederland acceptabel?
Gedwongen terugkeer kan alleen plaatsvinden met behulp van een reisdocument (paspoort of een laissez-passer). Gedwongen terugkeer van Irakezen die niet in het bezit zijn van een paspoort of laissez-passer kan op dit moment niet plaatsvinden. Nederland is hierover met Irak in gesprek, omdat dit betekent dat Nederland, als vreemdelingen niet zelfstandig vertrekken, een groot deel van de Iraakse vreemdelingen niet kan uitzetten omdat veel Irakezen geen paspoort hebben en Irak tot op heden geen (vervangende) reisdocumenten verstrekt ten behoeve van gedwongen terugkeer.
Is er naar uw oordeel een rechtvaardiging voor een andere behandeling van vrijwillig ten opzichte van gedwongen terugkerende Iraakse asielzoekers?
Nee, het is een volkenrechtelijk uitgangspunt dat landen hun eigen onderdanen terugnemen, ook bij gedwongen terugkeer. Dat neemt niet weg dat van Iraakse vreemdelingen verwacht mag worden dat ze zelfstandig terugkeren, omdat vrijwillige terugkeer mogelijk is.
In geval de Iraakse autoriteiten thans stellen dat terugkerende Iraakse asielzoekers moeten beschikken over een paspoort of een laissez-passer, is de Iraakse diplomatieke vertegenwoordiging dan bereid om aan het verstrekken van laissez-passers voortvarend, met zo min mogelijk bureaucratie en tijdverlies, mee te werken?
De Iraakse vertegenwoordiging verstrekt vooralsnog uitsluitend laissez-passers aan Irakezen die aangeven vrijwillig te willen terugkeren. Ik voer intensief overleg met de Iraakse autoriteiten over de mogelijkheden van gedwongen terugkeer.
Klopt het dat Zweden, Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk destijds een Memorandum of Understanding (MoU) over terugkeer van Iraakse asielzoekers met de Iraakse federale regering zijn overeengekomen?
Denemarken heeft met de Iraakse autoriteiten een MoU gesloten over terugkeer dat ziet op zowel zelfstandige als gedwongen terugkeer. Op basis van het MoU heeft terugkeer plaatsgevonden. Ook het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen hebben een MoU op basis waarvan gedwongen terugkeer plaatsvond. Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben laten weten dat nog niet duidelijk is welke gevolgen het bericht van de Iraakse immigratieautoriteiten heeft voor de bepalingen in het MoU. Van Noorwegen is op dit punt geen nadere informatie ontvangen.
Zien deze MoU’s ook op gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft op basis van deze MoU’s (gedwongen) terugkeer naar Irak plaats gehad en gebeurt dit thans niet meer?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich de door de Kamer aangenomen motie Knops c.s.1, waarin onder andere werd gevraagd om sancties tegen landen die onvoldoende meewerken aan het terugnemen van hun onderdanen?
Ja. Uw Kamer is over de uitvoering van deze motie geïnformeerd in de kamerbrief «Moties aangenomen bij Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2012 (inclusief de onderdelen integratie en volkshuisvesting)» d.d. 15 december 2011.2
Welke contacten, middelen, waaronder eventuele sancties, gaat Nederland, al dan niet in gezamenlijk Europees verband, inzetten om ervoor te zorgen dat Irak ook bij gedwongen terugkeer zal voldoen aan de verplichting om eigen onderdanen terug te nemen?
Ik heb met de Iraakse ambassadeur in Nederland gesproken over de ontstane situatie en over mogelijkheden om de gedwongen terugkeer van ongedocumenteerde vreemdelingen te effectueren. Daarbij heb ik benadrukt dat Nederland de samenwerking met Irak op het gebied van terugkeer beschouwt als integraal onderdeel van de bilaterale betrekkingen. Nederland is daarom bereid om met Irak afspraken te maken over terugkeer in breder verband. Hierbij zal welwillend worden gekeken naar eventuele wensen van Iraakse zijde. De ambassadeur heeft toegezegd zich met deze boodschap tot zijn autoriteiten in Bagdad te wenden en zich in te spannen om tot een oplossing te komen. Ook de Nederlandse ambassadeur in Bagdad heeft de urgentie om tot een oplossing te komen onder de aandacht gebracht van de Iraakse autoriteiten. Als resultaat uitblijft, is Nederland ook bereid om te bezien of sancties effectief zijn.
Verder heeft de Raad van de Europese Unie op 22 december 2011 ingestemd met ondertekening van de Partnerschaps- en Samenwerkingovereenkomst met Irak. Deze overeenkomst zal afspraken bevatten over de samenwerking inzake migratie en asiel. Onderdeel daarvan zijn bepalingen waarin de verdragspartijen overeenkomen hun illegaal verblijvende onderdanen terug te nemen.
De uitspraken van de gedoogpartner dat Nederland een opt-out moet eisen op immigratiegebied |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van PVV-leider Geert Wilders dat Nederland – net als Denemarken – een opt-out moet eisen op immigratiegebied?1 Zo ja, wat is uw reactie?
Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben hun uitzonderingsposities op het terrein van immigratie en asiel bedongen voordat deze lidstaten konden worden gebonden aan de EU-wetgeving ter zake. In theorie zou het voor andere lidstaten ook mogelijk zijn een uitzonderingspositie te verkrijgen door middel van aanpassing van de EU-verdragen. Echter zullen alle lidstaten akkoord moeten gaan met deze verdragswijziging en moet deze ook in alle lidstaten geratificeerd worden.
Een Nederlandse opt-out op het gebied van immigratie en asiel is nu niet aan de orde. Mijn inzet is aanpassing van EU-wetgeving op de punten die ik heb aangegeven in het position paper binnen de kaders van het huidige Verdrag waaraan Nederland gebonden is.
Bent u een voorstander van het bedingen van een opt-out voor Nederland in de Europese Unie op het gebied van immigratie en asiel? Zo ja, is het überhaupt nog mogelijk om een opt-out te bedingen na de totstandkoming van de hieraan gerelateerde Europese Verdragen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van plan gehoor te geven aan deze wens van de gedoogpartner van dit kabinet? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw mening over het Groenboek van Eurocommissaris Cecilia Malmström voor een Europees migratiebeleid en ziet u daarin kansen en/of bedreigingen voor de migratieplannen uit het Regeer- en Gedoogakkoord? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom niet?
In het proces van het Groenboek wil ik, zoals eerder aan uw Kamer gecommuniceerd, met zoveel mogelijk lidstaten samen optrekken in een reactie richting de Commissie. Woensdag 14 december jl. is daartoe een consultatiebijeenkomst op ambtelijk niveau georganiseerd, waarbij alle lidstaten waren uitgenodigd. Daarbij is door 19 lidstaten gesproken over de betekenis van gezinsmigratie en de knelpunten en mogelijke oplossingen in het migratiebeleid. Door zoveel mogelijk afgestemde reacties naar de Commissie te sturen, bestaat er meer kans dat de Commissie daadwerkelijk tot de conclusie komt dat de huidige richtlijn onvoldoende aansluit bij de uitdagingen van vandaag en dat aanpassing noodzakelijk is. Op 1 maart a.s. zal bekend zijn welke reacties de Commissie heeft ontvangen. Vervolgens is het aan de Commissie om het initiatief te nemen tot herziening van de huidige richtlijn.
Deelt u de mening dat immigratiebeleid niet alleen een nationale aangelegenheid is, maar vooral ook op Europees niveau geregeld moet worden? Zo ja, welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in de Europese Unie? Zo nee, wat betekent dit voor de Nederlandse inzet in de Europese Unie?
Ja. Ik heb in mijn functie als minister voor Immigratie, Integratie en Asiel al meerdere gesprekken gevoerd met mijn collega’s zowel in de JBZ-Raad, en marge van de JBZ-Raad en tussen de Raden. Ik merk dat positief wordt gereageerd, zowel ten aanzien van de open houding die ik heb aangenomen in het neerleggen van de Nederlandse standpunten in het position paper, als de houding die ik aanneem in het willen luisteren naar de standpunten van andere lidstaten. Ik ben verheugd dat ik een bijdrage kan leveren aan de noodzakelijke dialoog over de problemen die lidstaten tegenkomen op het terrein van migratie en asiel en de mogelijke oplossingen die op Europees of nationaal niveau nodig zijn.
Bent u van mening dat dergelijke uitspraken van de gedoogpartner een verkeerd beeld geven van Nederland op het internationale toneel? Zo ja, bent u bereid om met de gedoogpartner in gesprek te gaan over het imago van Nederland in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Mijns inziens bestaat hiertoe geen noodzaak. In geen van de gesprekken met mijn buitenlandse collega’s heb ik overigens vragen gekregen over het imago van Nederland of anderszins te maken gehad met een negatieve beeldvorming.
De Rapportage Vreemdelingenketen over januari tot juli 2011 |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de verklaring voor het feit dat in het laatste half jaar van 2010 56% van in de Algemene Asielprocedure afgedane asielaanvragen is ingewilligd, en dit in de eerste helft van 2011 44% is? Is er een aanscherping van de toelatingsregels die zorgt voor deze daling? Zo ja, welke? Is er een aanscherping van de toets van de geloofwaardigheid die zorgt voor deze daling? Zo ja, welke?
Er zijn geen aanscherpingen in het beleid geweest die een verklaring kunnen vormen voor deze daling.
Wat zijn er de oorzaken van dat grote landen met veel inwoners zoals bijvoorbeeld Polen, Spanje, Tsjechië, Portugal en Bulgarije relatief veel minder asielaanvragen te verwerken krijgen?
Oorzaken van de geschetste situatie zijn niet aan te geven. Er is geen onderzoek bekend dat daar specifiek op ingaat. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de hoogte van de instroom van asielzoekers bepaald wordt door een complex geheel van push-factoren in de landen van herkomst en pull-factoren in de landen van bestemming.
Op welke wijze is de opname van de ruim 2000 extra «Griekse Dublinclaimanten» in de Nederlandse asielprocedure in de toelatingscijfers verwerkt?
Van de ruim 2000 extra zaken zijn er ruim 200 via de Algemene Asielprocedure afgedaan, de rest via de Verlengde Asielprocedure. Ongeveer 30% van de zaken was nog openstaand, de overige 70% kwam terug uit (hoger) beroep.
Eind november 2011 was ruim 90% van de asielaanvragen behandeld, waarvan ruim 60% met een inwilliging is afgesloten.
Wat is er de oorzaak van dat de werkvoorraad asiel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een jaar tijd is verdubbeld? Hoe komt het dat de gemiddelde doorlooptijden bij de Raad van State als het gaat om asielzaken onder druk staan? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat deze naar een gewenst niveau worden teruggebracht en de werkvoorraad kan afnemen?
De verdubbeling in de onderhanden werkvoorraad Asiel (AA en VA) is veroorzaakt door een structureel hoger aanbod van nieuwe zaken. Met name de maanden november (2010), december (2010) en januari (2011) lieten een fors hogere instroom dan gemiddeld zien. Voor de afdoening van dit structureel verhoogde aanbod moet de productiecapaciteit verder worden bijgesteld, wat enige tijd nodig heeft. De eerste resultaten van deze opschaling zijn zichtbaar in de verhoogde productiecijfers, maar een daling van de onderhanden werkvoorraad kon, door het nog sterker verhoogde aanbod, niet worden bewerkstelligd.
De sterke druk op de doorlooptijd Asiel wordt beïnvloed doordat het aanbod de productie al langere tijd overtreft en doordat het aanbod AA hiervan meer dan verdubbeld is en om extra productiecapaciteit vraagt. Door het meer in balans brengen van de productiecapaciteit benodigd voor het structureel hogere aanbod en door het waar mogelijk nog verder optimaliseren van de werkprocessen wordt getracht het onderhanden werk weer op een gewenst niveau te brengen.
Hoe vaak heeft u hoger beroep ingesteld bij de Raad van State in vreemdelingenzaken? Hoe verhoudt dat aantal zich tot 2010? In hoeveel van die zaken ging het om hoger beroep dat noodzakelijk was voor het waarborgen van de rechtseenheid?
De Raad van State heeft mij gemeld dat in de eerste helft van 2011 circa 4400 zaken zijn behandeld. Hiervan zijn circa 500 te herleiden, die door mij als minister aanhangig waren gemaakt. In 2010 zijn van de circa 7700 afdoeningen circa 1650 te herleiden, die door mij aanhangig waren gemaakt. Er is geen geautomatiseerd te genereren informatie beschikbaar over het aantal zaken waarbij hoger beroep is ingesteld met als belangrijkste grond het waarborgen van de rechtseenheid.
Aan hoeveel Somalische, hoeveel Afghaanse, hoeveel Irakese en hoeveel Iraanse asielzoekers is een vergunning verleend?
In 2010 en 2011 zijn er de volgende aantallen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd verleend aan asielzoekers uit de genoemde landen. De cijfers zijn op tientallen afgerond.
Afghanistan
750
Irak
1 450
Iran
460
Somalië
3 590
Afghanistan
620
Irak
700
Iran
320
Somalië
1 340
Hoe vaak hebben vreemdelingen onderscheidenlijk in 2009, 2010 en 2011 een aanvraag om gezinshereniging voor verblijf bij kennismigrant gedaan?
Tijdens de begrotingbehandeling op 17 november jl. heb ik toegezegd dat door te exerceren op de precieze analyse van een mogelijk verband tussen de stijging van het aantal aanvragen voor gezinshereniging en het aantal aanvragen voor de Kennismigrantenregeling. Een van de aspecten die zal worden geanalyseerd, is hoeveel aanvragen om gezinshereniging voor verblijf bij kennismigranten zijn gedaan. In het voorjaar van 2012 zullen de resultaten van de analyse aan uw Kamer worden gezonden.
Hoe vaak is in 2010 en het eerste half jaar van 2011 door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) een mvv-vrijstelling verleend, waardoor in Nederland een verblijfsvergunning regulier kon worden aangevraagd? Wat zijn de belangrijkste categorieën redenen waarom deze vrijstellingen zijn verleend?
In het IND-systeem vindt geen aparte registratie plaats van de vrijstelling mvv-vereiste. Er wordt alleen geregistreerd of een aanvraag om een verblijfsvergunning is ingewilligd of afgewezen. Gelet hierop kan niet met zekerheid worden aangegeven in hoeveel gevallen vrijstelling van het mvv-vereiste is verleend in de vermelde periode. Het kan namelijk voorkomen dat vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend, maar dat de aanvraag om een verblijfsvergunning vervolgens wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan de overige verblijfsvoorwaarden. Om bovengenoemde reden kan evenmin worden nagegaan wat de belangrijkste categorieën redenen zijn voor verlening van vrijstelling van het mvv-vereiste.
Uit het IND-systeem blijkt wel het volgende. In 2010 en de eerste helft van 2011 zijn ongeveer 5340 respectievelijk ongeveer 2440 aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd ingewilligd, die ingediend zijn door vreemdelingen die op grond van hun nationaliteit mvv-plichtig zijn, maar die niet in het bezit waren van een geldige mvv. Hieruit kan worden geconcludeerd dat vrijstelling van het mvv-vereiste in ieder geval is verleend in bovengenoemde gevallen. Het merendeel van deze inwilligingen betrof aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel «gezinshereniging bij ouders». Hieronder kunnen onder meer minderjarige kinderen van twaalf jaar of jonger vallen die in Nederland zijn geboren, vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn en feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van een van de ouders die sinds de geboorte van het kind in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning.
Tevens kunnen hieronder minderjarige kinderen vallen die schoolgaand zijn, drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland hebben en een aanvraag hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning. Deze vreemdelingen worden vrijgesteld van het mvv-vereiste bij een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd.
Gaat u het conform het gedoogakkoord onmogelijk maken om in Nederland een verblijfsvergunning regulier aanvragen?
Het uitgangspunt van het kabinet is dat alle aanvragen voor verblijf in Nederland buiten Nederland worden gestart en afgewacht. Uitzondering hierop betreft vreemdelingen die recht hebben op bescherming. Begin 2012 ontvangt u van mij een uitwerking van de maatregelen van het programma Stroomlijning Toelatingsprocedures. In dit programma zijn maatregelen uitgewerkt om, kort gezegd, doorlooptijden te verkorten en het stapelen van procedures tegen te gaan. In het nieuwe systeem wordt zuiverder de scheiding gelegd tussen enerzijds regulier (vanuit het buitenland) en anderzijds bescherming (mag vanuit Nederland). Bescherming moet dan breed worden opgevat: asiel én regulier-humanitair. Het uitgangspunt dat reguliere aanvragen alleen vanuit het buitenland mogen worden opgestart zal dan nog helderder en beter handhaafbaar worden.
Hoeveel procent van Somalische, van de Irakese en van de Afghaanse afgewezen asielzoekers in behandeling bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) zijn teruggekeerd naar het land van herkomst?
In de eerste helft van 2011 zijn ca. 200 Afghanen middels een vorm van vertrek uitgestroomd bij de DT&V waarvan circa 17% aantoonbaar naar het land van herkomst is teruggekeerd. In dezelfde periode zijn ca. 330 Somaliërs middels een vorm van vertrek uitgestroomd waarvan circa 1% aantoonbaar naar het land van herkomst. In de genoemde periode zijn circa 810 Irakezen vertrokken waarvan circa 37% naar het land van herkomst.
Hoe groot is de groep Alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV)’s die nog onder het oude AMV-beleid vielen en die (nog) geen verblijfsrecht (meer) hebben? Hoeveel van hen bevindt en zich langer dan vijf jaar in Nederland zijn onder de 21 jaar? Hoeveel van hen, waaronder de deelnemers aan het Perspectief-experiment, zijn in beeld bij de overheid?
Er is geen sluitende registratie van amv’s die volgens het bestaande amv-beleid (nog) geen verblijfsrecht (meer) hebben en zich nog in Nederland bevinden. Dat geldt eveneens voor het aandeel van hen dat langer dan 5 jaar in Nederland is en dat jonger is dan 21 jaar.
De onderzoeksgegevens van het CVO betreffende het Experiment Perspectief geven de mogelijkheid, in combinatie met het aantal ex-amv’s dat gedurende de looptijd van het experiment in beeld was bij de DT&V, een indicatie te geven over de omvang van de groep ex-amv’s die nog in Nederland verblijven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 19 637, nr. 1461). Op het eind van de onderzochte periode (1 oktober 2009 tot 1 april 2011) verbleven ongeveer 1000 ex-amv’s nog steeds in Nederland zonder verblijfsrecht. Het rapport van het CVO bevat voorts gegevens over de verblijfsduur in Nederland van de ongeveer 730 ex-amv’s die hebben deelgenomen aan het Experiment Perspectief en over hun leeftijd. Zo blijkt uit het rapport van het CVO dat deze ex-amv’s gemiddeld al bijna zeven jaar in Nederland verbleven op het moment dat zij hulp zochten bij de steunpunten. De gemiddelde leeftijd waarop de deelnemers bij de steunpunten terecht kwamen, was 22 jaar. Bij bovenstaand cijfer dient wel een kanttekening te worden gemaakt. Het betreft een momentopname. In dit cijfer kunnen zich inmiddels wijzigingen hebben voorgedaan.
Hoeveel vreemdelingen die in de Europese Unie (EU) toelating vragen komen via de oostgrens van Europa de EU binnen? Hoeveel komen er via de zuidgrens de EU binnen? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen asielzoekers en overige vreemdelingen?
De gevraagde informatie wordt, in ieder geval in Nederland, niet geregistreerd en is derhalve niet geautomatiseerd uit de systemen te halen. Ook in de data van Eurostat is deze informatie niet beschikbaar. Het zou uitgebreid onderzoek vergen deze complexe vraag te beantwoorden, zowel in Nederland als in de andere lidstaten van de EU.
Het op straat zetten van vreemdelingen in de vrieskou |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Woede over in de kou zetten van groep asielzoekers»?1
Ja.
Respecteert u het uitgangspunt om tijdens de vrieskou geen vreemdelingen op straat te zetten?
Ja. Wanneer er sprake is van een situatie van vrieskou en niet is gebleken dat de vreemdeling zelf voor een alternatief kan zorgen, zal geen beëindiging van de COA-opvang plaatsvinden. Dat geldt derhalve, evenals vorig jaar, voor een eventuele komende periode van vrieskou, ongeacht de periode tijdens welke de vrieskou optreedt. Of de vreemdeling een alternatief heeft gevonden of niet, wordt aangenomen aan de hand van door hem afgelegde verklaringen.
Is uw beleid voor het op straat zetten van vreemdelingen in de vrieskou de aankomende winterperiode hetzelfde als voor de vorige winter, zoals u in uw brief van 15 december 2010 hebt beschreven?2 Van wanneer tot wanneer geldt deze regeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat, wanneer er sprake is van vrieskou en vreemdelingenbewaring of plaatsing in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) niet aan de orde zijn, een vreemdeling niet op straat wordt gezet, als gebleken is dat hij geen alternatief heeft? In welke situaties wordt dat laatste aangenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaan uw diensten in de praktijk om met het op straat zetten van uitgeprocedeerde vreemdelingen in de kou? Kunt u dit aangeven voor de verschillende locaties vanwaar uit vreemdelingen mogelijk op straat kunnen belanden, zoals asielzoekerscentra, de VBL, de gezinslocaties en de detentiecentra? Wat is de inhoud van de werkinstructies die gelden voor die diensten als het gaat om het op straat zetten van vreemdelingen in de vrieskou?
De diverse diensten handelen conform de werkwijze die in mijn brief van 15 december 20103 is weergegeven. Deze brief is binnen de diensten genoegzaam bekend. Vanuit het departement zijn er geen separate werkinstructies uitgevaardigd. Voor de categorie vreemdelingen waarvan de bewaring, anders dan vanwege uitzetting naar het land van herkomst, wordt opgeheven, heb ik niet de wettelijke bevoegdheid om de opheffing van de bewaring uit te stellen tijdens vorstperiodes. Het betreft hier immers een vrijheidsontnemende maatregel die slechts kan worden toegepast voor zover noodzakelijk voor de uitzetting. Dit geldt overigens ook voor situaties waarin een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. In tijden van vrieskou zullen de uitvoerende diensten hier verstandig mee omgaan, bijvoorbeeld door de vreemdeling te informeren over instanties waar hij terecht kan.
Mogen gemeenten en opvangorganisaties zich over in de kou op straat gezette vreemdelingen ontfermen, in de vorm van het bieden van onderdak?
Ik heb richting gemeenten en opvangorganisaties altijd aangegeven dat ik het bieden van vormen van noodopvang onwenselijk en onnodig acht. Indien gemeenten worden geconfronteerd met vreemdelingen zonder opvang, kunnen zij contact opnemen met de Dienst Terugkeer en Vertrek, zodat kan worden bezien welke maatregelen mogelijk zijn.
Zelfmoorden onder Hindoestaanse, Turkse en Marokkaanse meisjes |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht over zelfmoorden onder Hindoestaanse, Turkse en Marokkaanse meisjes en de website «je staat niet alleen»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht en ik herinner mij de eerder door u gestelde schriftelijke vragen over suïcidaal gedrag van jonge migranten vrouwen in Nederland die door de voormalige bewindslieden van VWS in 2009 zijn beantwoord (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, Aanhangsel 244).
Herinnert u zich mijn eerdere schriftelijke vragen over zelfmoorden onder Hindoestaanse meisjes?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u een beeld van de omvang van dit probleem? Om hoeveel meisjes gaat het, en onder welke bevolkingsgroepen doet dit verschijnsel zich voor? Zo nee, bent u bereid onderzoek hiernaar te doen?
Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar van het aantal suïcidepogingen onder bepaalde groepen migranten jonge vrouwen. Wél zijn er op regionaal niveau gegevens beschikbaar over suïcidepogingen onder deze groepen. Uit een vergelijkende studie «Suïcidaal Gedrag van Jonge Migranten Vrouwen in Nederland» (2009) blijkt dat er sprake is van verhoogde suïcidaliteit onder bepaalde allochtone groepen jonge vrouwen. In deze studie is gebruik gemaakt van gegevens uit Rotterdam en deze studie heeft betrekking op suïcidepogingen en niet op geslaagde suïcides.
Uit deze gegevens blijkt onder meer dat er sprake is van een verhoogd percentage van Turkse meisjes (14,6 procent) en van Hindoestaanse meisjes (19,2 procent) ten opzichte van Nederlandse meisjes (8,8 procent) die een suïcidepoging hebben ondernomen. Onder meisjes van Marokkaanse afkomst ligt het percentage suïcidepogingen daarentegen juist lager (6,2 procent) ten opzichte van Nederlandse meisjes. Ook cijfers van de gemeente Den Haag over de periode 2008 en 2009 laten een verhoogde suïcidaliteit zien onder Turkse en Hindoestaanse meisjes.
Ik zie geen toegevoegde waarde om verder onderzoek te laten verrichten naar de exacte omvang van deze groepen.
Deelt u de mening dat deze meisjes te lang met problemen lopen en niet bij de reguliere hulpverlening terecht kunnen?
Voor de toegankelijkheid van de ggz voor allochtone meisjes en jonge vrouwen verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 en 5 van de eerder door u gestelde schriftelijke vragen over suïcidaal gedrag van jonge migranten vrouwen in Nederland die door de voormalige bewindslieden van VWS in 2009 zijn beantwoord (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, Aanhangsel 244). In dit antwoord wordt verwezen naar de Trendrapportage GGZ 2008 van het Trimbos-instituut waaruit onder andere blijkt dat allochtone vrouwen sterk emanciperen wat betreft zorggebruik bij psychische problemen.
In een recent verschenen proefschrift van dr. T. Fassaert «Ethnic differences and similiarities in care for anxiety and depression in the Netherlands» (2011) worden evenwel enkele belangwekkende conclusies gepresenteerd ten aanzien van de toegankelijkheid van de ggz voor bepaalde etnische groepen. In dit proefschrift worden Nederlanders vergeleken met Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen die in Nederland wonen, voor wat betreft de stand van de wetenschap op het gebied van de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor angst en depressie. Onderzocht is of er verschillen zijn tussen deze etnische groepen in Nederland.
In het proefschrift wordt geconcludeerd dat er geen bewijs is voor de stelling dat minder vaak aan de zorgbehoefte werd voldaan van Nederlanders met een niet-Westerse achtergrond (bij vergelijkbare ziektelast). De ervaren behoefte aan zorg voor psychische klachten was hoger bij Turkse personen, hetgeen vooral verklaard kon worden door de hogere prevalentie van stoornissen in die groep, terwijl Marokkaanse personen juist minder behoefte hadden aan zorg dan Nederlanders, zo werd geconcludeerd in dit proefschrift.
Verder is geconcludeerd voor wat betreft het verband tussen etnische achtergrond en zorggebruik voor angst en depressie dat vooral personen met een Marokkaanse achtergrond, in verhouding tot Nederlanders, minder gebruik leken te maken van eerstelijnszorg voor psychische klachten. Een mogelijke verklaring die hiervoor wordt gegeven, is de lagere ervaren behoefte aan zorg voor psychische klachten, die een sleutelrol vervult in het hulpzoekproces.
Voor wat betreft het gebruik van de tweedelijns ggz wordt geconcludeerd dat dit vergelijkbaar was tussen Nederlanders en personen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. In dit proefschrift wordt geconcludeerd dat de ggz niet ontoegankelijker is en geen kwalitatief minder goede zorg levert aan personen met een niet-Westerse achtergrond.
Daarnaast kan (anonieme) e-mental health een belangrijke bijdrage leveren een het aanbieden van een laagdrempelige vorm van hulpverlening voor deze groep meisjes. In de praktijk blijkt er ook er verschillende websites en fora te zijn die voorzien in hulpverlening aan allochtone jongeren, hetzij op het gebied van ggz-problematiek of andere hulpvragen die samenhangen met hun etniciteit.
Gelet op dit aanbod en gelet op de conclusies uit het hierboven vermelde proefschrift, deel ik uw mening niet dat met name de ggz niet in staat zou zijn adequaat hulp te bieden aan personen van niet-westerse afkomst en daarmee aan de allochtone meisjes aan wie u refereert.
Deelt u de mening dat veel hulpverleningsinstanties zoals jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg nog steeds niet in staat zijn adequate hulp te bieden aan deze categorie meisjes, en met name de geestelijke gezondheidszorg nog steeds niet toegankelijk is voor deze groepen? Zo nee, bent u bereid uw mening met argumenten en feiten te onderbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op het bericht dat onjuiste en onvolledige informatie is verschaft door uw eigen ambtenaren?1
In het rapport van de Commissie van onderzoek COA wordt in paragraaf 5.5 en bijlage 5 uitgebreid ingegaan op de wijze waarop de contacten tussen het COA en het departement over de vaststelling van de beloning hebben plaatsgevonden. Op zichzelf zijn de normbedragen voor topinkomens helder. Het bedrag waarover herhaaldelijk de discussie met het ministerie werd aangegaan was zo’n € 2000 bruto per jaar2, die óf onder het salaris kon blijven vallen, óf overgeheveld had moeten worden naar de onkostenvergoeding, geredeneerd vanuit de verstrekte informatie. Dat was een technische discussie, waarin het departement de oorspronkelijke lijn herbevestigde. De inconsistentie in de door de algemeen directeur verstrekte informatie betrof daarentegen ruim € 20 000 per jaar3.
Was u bekend met de excuusmail d.d. 23 september jl. van directeur-generaal Loes Mulder aan de heer Loek Hermans, de voorzitter van de Raad van Toezicht van het COA? Welke consequenties heeft dit voor de schorsing van bestuursvoorzitter Nurten Albayrak?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat niet duidelijk was of een hoger brutosalaris kon worden gecompenseerd met een lagere onkostenvergoeding? Zo ja, hoe is deze verwarring ontstaan? Zo nee, op welk onderdeel was er foutieve informatie verstrekt en hoe kwam dat?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er al enige jaren verwarring is over verschillende inkomensnormen met betrekking tot topinkomens? Hoe komt dat?
Zie antwoord vraag 1.
Gaat u deze bevindingen meenemen in het onafhankelijk onderzoek naar de misstanden bij het COA?
Zie antwoord vraag 1.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in deze kwestie?
Zie antwoord vraag 1.
De opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers in Katwijk |
|
Linda Voortman (GL), Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers in het asielzoekerscentrum (AZC) in Katwijk inhumaan zou zijn en dat huisartsen die er spreekuur houden de samenwerking met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hebben opgezegd?1
Ja.
Bent u van mening dat na opzeggen van de samenwerking goede zorg in het AZC Katwijk gegarandeerd is? Zo nee, welke maatregelen kunt en wilt u nemen om die goede zorg wel te kunnen garanderen?
Ja, ik ben van mening dat goede zorg in de gezinslocatie Katwijk gegarandeerd is en blijft. Het leveren van verantwoorde huisartsenzorg is een verantwoordelijkheid van het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A) en de door GC A gecontracteerde huisartsen. Tot 1 januari 2012 wordt die zorg geleverd door de op dit moment gecontracteerde huisartsen uit Katwijk, voor de periode daarna wordt een andere huisarts gecontracteerd.
Nadat in juli 2011 de eerste signalen van huisartsen kwamen over knelpunten in de overdracht van medische dossiers van vreemdelingen zijn het GC A en COA in gesprek gegaan met de betrokken huisartsen. De uitkomsten van die gesprekken waren naar tevredenheid van betrokken partijen en hebben ertoe geleid dat de zorg altijd geborgd is geweest.
COA, CG A en de gecontracteerde huisartsen hebben afspraken gemaakt om verantwoorde huisartsenzorg altijd te garanderen. Het GC A heeft in de periode van de verhuizing van de asielzoekers extra uren Praktijkverpleegkundigen ingezet om de zorg, zoals die op de vorige woonplaats was georganiseerd, opnieuw te organiseren in de regio Katwijk. In september 2011 zijn de afspraken met de huisartsen geëvalueerd. Hieruit bleek geen noodzaak tot het inzetten van aanvullende maatregelen.
Wat is er door het COA en Zorgverzekeraar Menzis in de tussentijd ondernomen om goede zorg aan asielzoekers in het betrokken centrum te garanderen? Vindt u dit voldoende?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg waarin de Inspectie haar zorg uitspreekt over de medische zorg in AZC Katwijk in verband met de statuswijziging van dit asielzoekerscentrum? Zo ja, is er naar aanleiding van deze brief actie ondernomen?
De inspectie heeft het GC A per brief op de hoogte gesteld van het signaal van lokale huisartsen. Zoals in mijn antwoord op vraag 3 vermeld, hebben GC A en COA samen overleg gevoerd met de lokale huisartsen.
Na de signalen van de huisartsen en de brief van de IGZ hebben het COA en GC A voor de langere termijn afspraken gemaakt over de medische aspecten bij verhuizingen in een situatie waarin een opvanglocatie in korte tijd van bewoners wisselt en een andere status krijgt. De afspraken hebben betrekking op onder meer de duur en invulling van de voorbereidingsperiode voor GC A om zorg te blijven garanderen voor bewoners die zorg nodig hebben. Bewoners die niet zorgbehoevend zijn, kunnen bijvoorbeeld met voorrang overgeplaatst worden, zorgbehoevenden later.
Wat is uw reactie op de stelling van betrokken huisartsen dat er geen fatsoenlijke overdracht plaats heeft kunnen vinden van medische dossiers van mensen met psychische en medische problemen? Deelt u de mening dat er te allen tijde een warme overdracht van zorgdossiers hoort te zijn bij overplaatsing van asielzoekers naar een andere opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u de gang van zaken zoals deze in het bericht geschetst wordt?
Het COA heeft bij de uitvoering van zijn taak en de inrichting van de opvang rekening te houden met vele aspecten die hierbij aan bod komen. Gezinnen met minderjarige kinderen tracht het COA zoveel mogelijk in vakantieperiodes over te plaatsen, zodat de kinderen niet midden in een schooljaar hoeven te verhuizen. Bij de overgang van de locatie Katwijk van regulier centrum naar gezinslocatie was dit ook het uitgangspunt en zijn verhuisbewegingen zoveel mogelijk tijdens de zomervakantie gepland. Zodra signalen zijn ontvangen dat het tempo van overplaatsen de overdracht van medische dossiers bemoeilijkte, is het COA hierover in gesprek gegaan met het GC A en de betrokken huisartsen. Zoals hiervoor is aangegeven is de verlening van zorg altijd gewaarborgd geweest en is er bij overplaatsingen steeds sprake geweest van aandacht voor medische aspecten.
Ik deel de mening dat een warme overdracht de voorkeur heeft. De afspraken die COA en GC A hebben gemaakt rondom de medische aspecten bij verhuizingen in een situatie waarin een opvanglocatie in korte tijd van bewoners wisselt en een andere status krijgt, geven hier invulling aan. Daarnaast heb ik expliciet de opdracht gegeven dat een overplaatsing pas zal plaatsvinden nadat het continueren van de medische behandeling op de nieuwe locatie is gewaarborgd.
Kunt u zich uw antwoord op Kamervragen, over de gevolgen van de omvorming van de AZC’s in Katwijk, Venlo en Gilze tot een opvanglocatie voor gezinnen van vreemdelingen herinneren?2 Bent u nog steeds van mening dat zorgvuldig wordt en is omgegaan met de verplaatsing van bewoners van en naar het asielzoekerscentrum Katwijk of Gilze?
Ja. Het COA heeft ter voorbereiding op de verplaatsing de bewoners van azc Katwijk en azc Gilze op voorhand gemeld dat zij zouden verhuizen. Vervolgens zijn de bewoners uiterlijk twee weken voor vertrek ingelicht over het azc waarnaar ze overgeplaatst zouden worden. Dit heeft de bewoners de tijd gegeven het vertrek voor te bereiden. Ook bij de overplaatsingen van de gezinnen naar de gezinslocaties stond zorgvuldigheid voorop. Met de bewoners op de VBL en het azc zijn door de DT&V gesprekken gevoerd ter voorbereiding op de overplaatsing.
Deelt u de mening dat gezinnen zich op een overplaatsing naar een ander AZC voor moeten kunnen bereiden? Zo ja, wat is uw reactie op de stelling dat bewoners slechts enkele dagen van tevoren een bericht krijgen dat ze gaan verhuizen?
Ja, gezinnen dienen zich voor te kunnen bereiden op hun overplaatsing naar een ander azc. Zoals blijkt het antwoord op vraag 6 is dit gebeurd met de bewoners van azc Katwijk en azc Gilze.
Wat is uw reactie op de stelling dat de huisartsen zich zorgen maken over de manier waarop gezinnen in Katwijk worden behandeld? Bent u nog steeds met ons van mening dat voor de zorg aan asielzoekers grotere inspanningsverplichtingen nodig zijn, gezien de speciale positie waar zij in verkeren?
De toegang tot medische zorg op de gezinslocaties is gewaarborgd. Minderjarige kinderen krijgen dezelfde zorg als asielzoekers op een regulier asielzoekerscentrum. Volwassenen in de gezinslocatie hebben, in overeenstemming met het koppelingsbeginsel in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, recht op medisch noodzakelijke zorg. Dit is de zorg die de medische professional noodzakelijk acht en sluit dus niet bepaalde vormen van zorg op voorhand uit of in. Het betreft nagenoeg alle zorgvormen die zijn opgenomen in het Nederlandse wettelijke sociale verzekeringspakket onder de voorwaarde dat de vraag of de zorg nu en hier moet worden verleend, positief wordt beantwoord door de behandelend arts. De situatie van gezinnen in de gezinslocatie verschilt dus niet van andere vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven of bijvoorbeeld rechtmatig verblijf hebben op grond van het indienen van een reguliere aanvraag.
Daar waar sprake is van voormalige asielzoekers die in behandeling zijn bij hulpverleners zouden zich mogelijk problemen rond de continuïteit en effectiviteit van de zorg kunnen voordoen. De inspanningen zijn er steeds op gericht geweest deze te minimaliseren. Zoals ik bovendien heb gemeld in antwoord op vraag 5 is het uitgangspunt dat een overplaatsing pas zal plaatsvinden nadat het continueren van de medische behandeling op de nieuwe locatie is gewaarborgd.
Waarop baseert u uw stelling dat dit een interne kwestie is bij het COA? Wat zijn uw verantwoordelijkheden in deze? Welke maatregelen kunt en wilt u nemen om goede zorg aan asielzoekers te garanderen?
Ik heb het COA opdracht gegeven om de gezinslocaties in te richten volgens een kader dat, na overleg met betrokken partijen door mij is vastgesteld, ook wat betreft de medische zorg. Het is de verantwoordelijkheid van het COA om deze afspraken vorm te geven.
De opvang van een Afghaans asielzoekersgezin in de gezinslocatie in Katwijk |
|
Hans Spekman (PvdA), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Asielzoekertje naar Katwijk»?1
Ja.
Klopt het dat de ouders van dit gezin in de opvang in Katwijk gescheiden wonen van de kinderen? Waarom is hier voor gekozen? Waarom is ’s nachts geen contact mogelijk tussen ouders en hun kinderen? Geldt dit regime op deze wijze ook voor andere gezinnen?
Uitgangspunt van het COA is dat gezinnen op de gezinslocatie bij elkaar worden geplaatst, voor zover de inrichting en de bezetting dit toelaat. Dit uitgangspunt wijkt niet af van dat in asielzoekerscentra.
Het Afghaanse gezin waarover in het artikel wordt gesproken bestaat uit zes personen. Op de gezinslocatie Katwijk zijn woonunits voor vier en twee personen beschikbaar. Aangezien ten tijde van de plaatsing van het gezin geen vierpersoonsunit beschikbaar was, is het gezin drie naast elkaar gelegen tweepersoonskamers aangeboden. Hiermee heeft het COA het gezin zoveel mogelijk bij elkaar willen huisvesten. Het gezin heeft echter aangegeven een vierpersoonsunit te willen. Het COA heeft hen aangegeven dat deze weliswaar beschikbaar was, maar dat een naastgelegen tweepersoonskamer niet beschikbaar was. De familie heeft hiermee ingestemd en heeft daarmee zelf de keuze gemaakt gescheiden te wonen. Dit sluit overigens niet uit dat er tussen ouders en kinderen »s nachts contact mogelijk is.
Op welke wijze zijn de voorzieningen in de gezinslocatie Katwijk extra geschikt gemaakt voor kinderen? Is in Katwijk gewaarborgd dat zij voldoende leef- en speelruimte hebben, en dat zij de volledige mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen (basis- of voortgezet onderwijs)?
Al voordat het azc Katwijk werd ingericht als gezinslocatie was het een locatie waar veel kinderen verbleven. De locatie beschikte daarom over voldoende leef- en speelruimte voor kinderen. In het kader van het project «Kind in de Opvang» komen er op de locatie Katwijk bovendien extra en nieuwere speelvoorzieningen.
De kinderen op de locatie Katwijk hebben zonder meer de mogelijkheid om onderwijs te volgen.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de 14-jarige zoon in het gezin, die in Musselkanaal in 4 HAVO zat, daar gedwongen vanaf moest en inmiddels twee weken geen onderwijs heeft kunnen volgen, omdat de middelbare scholen in Katwijk en omgeving vol zijn? Bent u bereid een voorziening te treffen, zodat kinderen die in de gezinslocatie in Katwijk verblijven, ook voortgezet onderwijs kunnen volgen?
Het gezin heeft eerder verbleven op de vrijheidsbeperkende lokatie (VBL) in Vlagtwedde. Bij een overplaatsing gaan in de regel leerplichtige kinderen direct van een onderwijsvoorziening op de ene locatie naar een onderwijsvoorziening op een andere locatie. Ook in deze situatie heeft het COA er hard aan gewerkt om het onderwijs aansluitend aan de verplaatsing van Vlagtwedde naar Katwijk doorgang te laten vinden. Voor het juiste onderwijs kijkt het COA niet alleen naar onderwijsvoorzieningen in Katwijk, maar ook naar onderwijsvoorzieningen in de omliggende gemeenten. Op het moment van de overplaatsing gaven alle scholen aan vol te zitten, maar inmiddels is een onderwijsvoorziening voor de betreffende jongen gevonden in Katwijk. Het vinden van een onderwijsvoorziening werd bemoeilijkt doordat er sprake zou zijn van een verplaatsing van Katwijk naar Gilze en Rijen in verband met de aangekondigde nieuwe asielaanvraag.
Klopt het dat dit gezin met drie jonge kinderen op 17 november a.s. opnieuw wordt verhuisd naar de gezinslocatie in Gilze? Wat is hier de reden van? Waarom worden zij, gelet op hun lopende nieuwe asielaanvraag, niet in een regulier asielzoekerscentrum (AZC) geplaatst, bij voorkeur diegene in Musselkanaal, waar het gezin met de kinderen jarenlang gewoond hebben? Kunt u in elk geval garanderen dat zij na afloop van de procedure, indien de herhaalde asielaanvraag niet wordt ingewilligd, in AZC Musselkanaal worden geplaatst?
Het gezin had eerder te kennen gegeven opnieuw een asielaanvraag te willen indienen. De afspraak die daarvoor gepland stond bij de IND op 17 november 2011 is echter van de zijde van de vreemdeling afgezegd. De familie is derhalve in de gezinslocatie Katwijk gebleven. Aangezien er geen opvolgende asielprocedure die recht op opvang zou geven, is opgestart, blijft de familie verwijderbaar.
Van een geplande verhuizing naar de gezinslocatie in Gilze en Rijen is nooit sprake geweest. Wel zou het gezin in verband met de nieuwe asielaanvraag naar de POL (Proces opvang locatie) in Gilze en Rijen zijn verplaatst.
Het bericht dat huisartsen aan de bel trekken over de situatie van vreemdelingen in de opvang |
|
Henk van Gerven (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over inhumane opvang en medische zorg van uitgeprocedeerde asielzoekersgezinnen en huisartsen die hierover de noodklok luiden?1
Ja.
Klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) overheidstaken uitvoert, die zijn vastgelegd in een contract met zorgverzekeraar Menzis? Heeft u inzicht in dit contract?
In artikel 3 van de Wet COA is bepaald dat het COA belast is met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers in een opvangcentrum. Daartoe behoort de dekking van ziektekosten. Dit is opgenomen in artikel 9 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Het COA dient een ziektekostencontract af te sluiten ter dekking van de kosten van het door mij vastgestelde pakket medische voorzieningen (de Regeling Zorg Asielzoekers). Het COA heeft aan deze wettelijke verantwoordelijkheid voldaan en aan de hand van een openbare aanbesteding voor de curatieve zorg een overeenkomst gesloten met zorgverzekeraar Menzis. Ik ben bekend met deze overeenkomst.
Wat vindt u ervan dat het COA u verantwoordelijk houdt voor het beleid met betrekking tot de medische zorg? Acht u het wenselijk dat huisartsen door het COA naar u worden doorverwezen, terwijl u de huisartsen weer terugverwijst naar het COA? Kunt u toelichten wat hier is misgegaan en wat u hieraan kunt doen?
De inrichting van de gezinslocatie is in samenspraak tussen het COA en mij tot stand gekomen. Het COA heeft hier vervolgens uitvoering aan gegeven en dit als zodanig de huisartsen ook medegedeeld. Daar waar de huisartsen door het COA zijn verwezen naar mij en andersom is waarschijnlijk sprake geweest van miscommunicatie.
Klopt het dat er een gesprek plaatsvindt tussen Menzis en het COA? Bent u bereid om de resultaten hiervan met het COA te bespreken of hierover de Kamer te informeren? Zo nee, waarom niet?
Het COA en Menzis (Menzis COA Administratie (MCA) en het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A) zijn continu met elkaar in gesprek. Zodra een van beide organisaties bemerkt dat er belemmeringen optreden in de uitvoering van de medische zorg, bespreken zij dat met elkaar. Dit is voor de wijzigingen op het centrum in Katwijk niet anders.
Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 3 en 4 van de leden Dibi en Voortman.
Is er inmiddels voor gezorgd dat de uitgeprocedeerde asielzoekers toegang hebben tot medische zorg? Hoe is dit geregeld na het einde van het contract met Menzis?
De toegang tot de medische zorg is vanaf de start van de gezinslocatie overeenkomstig het huidige zorgmodel geborgd geweest. Dit betekent dat asielzoekers voor de toegang tot de zorg gebruik kunnen maken van het inloopspreekuur bij een huisarts of praktijkondersteuner op het asielzoekerscentrum, zelfstandig een afspraak maken met de huisarts van het centrum of via de praktijklijn van het GC A (7 dagen in de week, 24 uur per dag) een afspraak maken.
Daarnaast kan in nood- of spoedeisende gevallen gebruik worden gemaakt van 112. Via het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVcN) kunnen professionele tolken worden ingeschakeld.
Het huidige contract met zorgverzekeraar Menzis heeft een looptijd tot 1 januari 2014. Conform Europese richtlijnen is het COA verplicht de desbetreffende dienstverlening aan te besteden. De voorbereidingen voor deze aanbesteding starten in 2012.
Erkent u dat er eerder door Menzis COA Administratie (MCA) en Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) is getracht om bij het COA aan te geven dat de medische zorg schromelijk tekortschiet of zal schieten door de statuswijzigingen van zowel AZC Katwijk (nu een gezinsopvanglocatie (GOL)) en van AZC Vught (nu een vrijheidsbeperkende locatie (VBL))?2 Wat is hierop de reactie geweest van het COA? Hebben zij de zorgen van Menzis serieus genomen? Bent u op de hoogte gebracht van de gezondheidsrisico’s die Menzis en de huisartsen aan hebben willen kaarten?
Zoals eerder aangegeven zijn COA en Menzis continu met elkaar in gesprek. Daarbij worden ook belemmeringen in de uitvoering van de zorg duidelijk. Het COA en Menzis hebben afspraken gemaakt hoe in het vervolg om te gaan met wijzigingen, binnen de opdracht die het COA heeft ten aanzien van het uit te voeren beleid.
Na de signalen van de huisartsen en de brief van de IGZ hebben het COA en GC A voor de langere termijn afspraken gemaakt over verhuizingen in een situatie waarin een opvanglocatie in korte tijd van bewoners wisselt en een andere status krijgt. Deze afspraken hebben ten doel de medische risico’s te ondervangen die aan de orde kunnen zijn bij de uitzonderlijke situatie van een plotselinge statuswijziging van een asielzoekerscentrum. De afspraken hebben betrekking op onder meer de duur en invulling van de voorbereidingsperiode voor GC A om zorg te blijven garanderen, voor die bewoners die zorg nodig hebben. Bewoners die niet zorgbehoevend zijn kunnen dan bijvoorbeeld met voorrang overgeplaatst worden, zorgbehoevenden later. Daarnaast heb ik expliciet de opdracht gegeven dat een overplaatsing pas zal plaatsvinden nadat het continueren van de medische behandeling op de nieuwe locatie is gewaarborgd.
Het feit dat het COA en Menzis regelmatig met elkaar overleggen en de wijze waarop voornoemde afspraken tussen beide partijen tot stand zijn gekomen overtuigt mij ervan dat COA en Menzis hun verantwoordelijkheid waarmaken en elkaars rol serieus nemen.
Wat is uw reactie op de noodkreten van Menzis COA Administratie en Gezondheidscentrum Asielzoekers en de zorgen die zij hebben geuit in hun brieven?2
Ik neem deze signalen serieus en ik stel vast dat het COA dit ook doet. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 6 hebben het COA en GC A voor de langere termijn afspraken gemaakt in een situatie waarin een locatie in korte tijd van bewoners wisselt en een andere status krijgt.
Met het COA heb ik bevestigd dat het uitgangspunt moet zijn dat de continuïteit van de medische behandeling steeds moet zijn gegarandeerd alvorens een gezin te verhuizen.
Hoe komt het volgens u dat in beide genoemde gevallen problemen zijn ontstaan met de overdracht van de dossiers van bewoners?
Ik verwijs hier in dit verband naar de hierboven opgenomen beantwoording van de kamervragen van de heer Voortman en de heer Dibi, in het bijzonder mijn antwoord op vraag 5.
Klopt de uitspraak van Menzis dat er op genoemde locaties alleen sprake is van de medisch noodzakelijke zorg? Wat verstaat u daaronder?
Ja, in overeenstemming met het koppelingsbeginsel in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 heb ik met het COA afgesproken de medische zorg op de gezinslocaties zodanig te regelen dat volwassenen toegang hebben tot medisch noodzakelijke zorg. Kinderen op de gezinslocaties hebben, uiteraard op indicatie van de zorgverlener, recht op alle voorzieningen van de Regeling Zorg Asielzoekers.
De beoordeling of medische zorg noodzakelijk is, komt toe aan de medische professional. Het gaat om elke vorm van zorg die de medische professional noodzakelijk acht en daarbij is geen enkele vorm van zorg op voorhand uitgesloten.
Gaat u alsnog onderzoek laten verrichten naar de invulling die door het COA wordt gegeven aan de medische zorg in een VBL danwel GOL of in ieder geval naar de mogelijkheden die het COA aan huisartsen en andere medici biedt om uitgeprocedeerde asielzoekers de nodige medische zorg te verschaffen? Zo nee, wat moet er nog gebeuren alvorens het COA overgaat tot actie of u het COA daartoe maant?
Zoals blijkt uit mijn beantwoording op vraag 5 is de toegang tot medische zorg gewaarborgd. Ik treed niet in de beoordeling die vervolgens moet plaatsvinden, namelijk of medische zorg noodzakelijk is. Deze beoordeling komt toe aan de medische professional. Ik zie dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen.
Herkent u de schrijnende situatie in de gezinslocaties? Klopt het beeld dat de huisartsen geven over de inhumane leefomstandigheden? Zo ja, wat is uw verklaring? Zo nee, waarom denkt u dat zij dit beeld op deze manier hebben geschetst?
Nee, ik herken het beeld van de schrijnende situaties op de gezinslocatie niet. De opvang van gezinnen op de gezinslocatie geschiedt op locaties die voorheen werden gebruikt als asielzoekerscentrum. Aan de inrichting van deze locaties is niets veranderd. Ik heb begrepen dat de gezinslocaties ten tijde van de verhuizingen een rommelige aanblik hadden omdat op korte termijn een grote groep vreemdelingen naar een andere plaats moest worden overgeplaatst, maar zoals ik zelf heb kunnen vaststellen tijdens mijn werkbezoek aan de gezinslocatie Katwijk op 15 december jl., is dat inmiddels voorbij.
De weigering door Nederland om op instigatie van het Internationaal Strafhof vier Congolese getuigen toe te laten tot de Nederlandse asielprocedure |
|
Hans Spekman (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Getuigen ICC uit asielprocedure geweerd»?1
Ja.
Klopt het dat deze vier Congolese getuigen niet zijn toegelaten tot de Nederlandse asielprocedure? Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst(IND) eerder heeft aangegeven dat deze vier Congolezen wel tot de asielprocedure zouden worden toegelaten? Klopt het dat het Internationaal Strafhof Nederland meerdere malen heeft opgedragen deze Congolezen in de asielprocedure op te nemen? Waarom worden deze vier getuigen niet toegelaten tot de Nederlandse asielprocedure?
Het is niet juist dat het Internationaal Strafhof (hierna «ISH» of «Hof») Nederland heeft opgedragen de vier Congolese getuigen in de Nederlandse asielprocedure op te nemen. Het Hof heeft bepaald dat deze gedetineerde getuigen na afloop van hun getuigenis dienen terug te keren naar de Democratische Republiek Congo («DRC») in overeenstemming met het ISH Statuut en de toepasselijke afspraak tussen het Hof en de DRC. Hierbij heeft het ISH maatregelen opgelegd ter bescherming van de getuigen tegen represailles na terugkeer in de DRC vanwege hun getuigenis. De getuigen hebben het ISH echter laten weten asiel te willen aanvragen in Nederland. Het ISH heeft Nederland hierop uitgenodigd om te reageren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de contacten onderhoudt met het ISH en met de DRC, heeft daarop aangegeven dat de verzoeken in behandeling zullen worden genomen. Hierbij zal worden getoetst aan het verbod op refoulement onder het internationaal recht, waaronder artikel 3 van het EVRM. De Nederlandse Vreemdelingenwet 2000 is op de getuigen niet van toepassing (zie ook het antwoord op vraag 5). Het betreft hier namelijk getuigen die in de DRC terecht staan en daar gedetineerd zijn. In overeenstemming met eerdergenoemde afspraak tussen het ISH en de DRC bevinden zij zich in het ISH Detentie Centrum. Op grond van het zetelverdrag tussen Nederland en het ISH, en de Nederlandse uitvoeringswetgeving ISH, verkeren zij buiten de Nederlandse rechtsmacht.
De positie van Nederland is hierin consistent geweest en in overeenstemming met de positie die Nederland ten tijde van de vestiging van het ISH in Nederland heeft ingenomen ten aanzien van ISH en asiel. Ik verwijs in dit verband naar de brief van de toenmalige Minister van Justitie aan uw Kamer van 3 juli 2002 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2001–2001, 28 098 (R1704), nr. 13).
Vindt u het verantwoord om deze Congolezen uit te zetten terwijl zij onder meer verklaringen hebben afgelegd over de betrokkenheid van president Kabila bij grootschalige mensenrechtenschendingen? Deelt u de mening dat Nederland artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden(EVRM) zou schenden door de Congolezen uit te zetten?
De vier Congolese getuigen zijn op verzoek van het ISH naar Nederland gekomen om hier te getuigen in strafprocessen voor het ISH. Getuigenbescherming is essentieel voor het functioneren van het ISH. Het ISH is hiervoor verantwoordelijk en neemt die verantwoordelijkheid zeer serieus. Dit blijkt ook uit de gang van zaken bij het ISH ter zake van deze getuigen en de door het ISH opgelegde beschermende maatregelen bij terugkeer van de getuigen naar de DRC. De procedure in Nederland loopt nog en er is in dit stadium van die procedure nog geen oordeel te geven over de vraag of de getuigen bij terugkeer een reëel risico lopen te worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling of dat anderszins sprake zal zijn van schending van het non-refoulementsbeginsel.
Deelt u de mening dat Nederland, door de uitspraak van het Internationaal Strafhof te negeren, de internationale rechtsorde schoffeert?
Zie antwoord vraag 2.
Wat houdt de alternatieve procedure met betrekking tot behoefte om bescherming in, die de Congolezen nu door de IND zou zijn aangeboden?
De omstandigheid dat de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is, laat onverlet dat in de onderhavige procedure getoetst zal worden aan het geldende internationale kader inzake non-refoulement. Bij de behandeling van de verzoeken door Nederland, is de Nederlandse overheid – handelend als een bestuursorgaan – gehouden aan de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is ook gedeeld met de gemachtigden van deze personen. Daarmee is een zorgvuldige procedure gewaarborgd en is ook de toegang tot de Nederlandse rechter verzekerd.
Wat is de rol van het ministerie van Buitenlandse Zaken in het, na een eerdere toezegging van de IND om de Congolezen wel toe te laten tot de Nederlandse asielprocedure, nu niet toelaten van de Congolezen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het essentieel is voor het kunnen functioneren van het Internationaal Strafhof, dat getuigen voldoende worden beschermd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de uitspraak van het Internationaal Strafhof alsnog te respecteren en de Congolezen alsnog toe te laten tot de Nederlandse asielprocedure?
Zie antwoord vraag 2.
Nog steeds ontbrekende voorzieningen voor leerlingen zonder verblijfsvergunning die op stage moeten |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het oprichten van het zogenaamde «stoutfonds», dat boetes wil vergoeden van werkgevers die leerlingen zonder verblijfsvergunning stage laten lopen?1
Ik vind het ongepast dat personen of instellingen wetsovertreding uitlokken door het vergoeden van boetes. Hierdoor wordt de schending van democratisch tot stand gekomen regels bevorderd.
Bent u zich ervan bewust dat deze ludieke actie voorkomt uit onvrede over de trage voortgang inzake het wettelijk regelen van de positie van jongeren die stage moeten lopen, maar het niet kunnen vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning?
Het kabinet zal geen voorstellen indienen om het mogelijk te maken dat jongeren die illegaal in Nederland verblijven stage kunnen lopen. Het kabinet wil het niet mogelijk maken dat mensen die illegaal in Nederland verblijven op legale wijze arbeid kunnen verrichten als voorzien in de Wet arbeid vreemdelingen.
Wanneer wordt dit vraagstuk door u ter hand genomen en opgelost? Wanneer kan de Kamer de voorstellen hiertoe verwachten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tot die tijd een tijdelijke regeling of afspraken maken, die in een oplossing voor deze tekortkoming van de wet arbeid vreemdelingen voorzien?
Omdat het kabinet geen voorstellen zal indienen om het mogelijk te maken dat jongeren die illegaal in Nederland verblijven stage kunnen lopen, zal het geen tijdelijke regeling of afspraken maken om in deze situatie te voorzien.
De uitzetting van een Afghaans asielzoekersgezin en de verwijdering van hun oudste zoon uit zijn schoolklas |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Hans Spekman (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de uitzetting van de in het bericht genoemde Afghaanse familie Sultani?1
Ja.
Klopt het dat de minderjarige asielkinderen Feroz (geboren: 1998), Weys (geboren: 2000) en Arezo (geboren: 2004) hun gehele danwel vrijwel gehele leven in Nederland verblijven?
Bent u bekend met het thematisch ambtsbericht van 29 maart 2011 aangaande schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) in Afghanistan?1 Erkent u dat hierin staat vermeld dat schoolgaande kinderen met gevaarlijke risico’s en uitdagingen worden geconfronteerd, die bij meisjes nog groter zijn dan bij jongens?
Erkent u dat alle drie de kinderen dusdanig verwesterd zijn, dat zij niet zullen kunnen aarden in Afghanistan of hierbij in ieder geval problemen zullen ondervinden? Zo nee, welke waarde hecht u dan onder andere aan de inhoud van bovengenoemd ambtsbericht?
Bent u bekend met de brief van een levensgevaarlijke Afghaanse organisatie aan de vader van het gezin, waarin wordt vermeld dat hij zal worden vermoord indien hij zijn bijna 8-jarige dochter niet zal uithuwelijken aan een 24-jarige man? Zo ja, welke consequenties hecht u aan deze brief? Erkent u dat uitzetting een schending zal opleveren van artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), aangezien het gezin, en met name de vader, een reëel risico loopt op folteringen, onmenselijke of vernederende handelingen of bestraffingen?
Deelt u de mening dat het uitzetten van in ieder geval de verwesterde dochter veiligheidsrisico’s met zich meebrengt, die leiden tot schending van onder andere artikel 3 EVRM? Zo nee, waarom denkt u dan dat betreffend ambtsbericht niet van toepassing is op onderhavig geval?
Deelt u de mening dat de dochter voldoet aan de Sahar-regels, vastgesteld in uw brief d.d. 8 april 2011?2 Zo ja, gaat u daarmee over tot het toekennen van een verblijfsvergunning? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de oudste zoon zonder vooraankondiging en op dwingende wijze binnen één dag van de Regionale Scholengemeenschap Ter Apel is verwijderd? Zo nee, hoe dan? Zo ja, waarom heeft u zich niet gehouden aan de normale procedure, zoals omschreven in artikel 13 tot en met 15 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs?
Ten aanzien van een verwijdering van de oudste zoon van diens school zijn mij geen feiten bekend. Mij is bericht dat de Dienst Terugkeer en Vertrek noch de Vreemdelingenpolitie met dit voorval van doen hebben gehad.
Het door ontwikkelingsorganisatie Cordaid ondersteunen van illegale vreemdelingen |
|
Johan Driessen (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat ontwikkelingsorganisatie Cordaid een protestactie van illegalen ondersteunt?1
Ja.
Zo ja, deelt u de mening dat het bericht van Cordaid (waarin dit bekend wordt gemaakt) misleidend is, omdat bijvoorbeeld wordt gesproken over «vluchtelingen» (terwijl die status bij deze vreemdelingen juist niet is vastgesteld) en dat ook wordt gesproken over «gedwongen op straat leven» (terwijl deze mensen juist terug dienen te keren naar hun land van herkomst)?
Voorop staat dat de Nederlandse regering de standpunten geuit in deze demonstratie niet deelt. Feitelijk is het bericht van Cordaid dat vluchtelingen op straat worden gezet onjuist. Terecht wordt in de vraag het onderscheid gemaakt tussen vluchtelingen en vreemdelingen die geen verblijf krijgen op grond van een vluchtelingenstatus.
Vluchtelingen krijgen bescherming en huisvesting van de Nederlandse overheid en worden dus juist niet op straat gezet. Vreemdelingen die geen verblijf hebben gekregen dienen Nederland te verlaten, bij voorkeur zelfstandig en als het moet gedwongen. De overheid helpt de vreemdeling daar waar mogelijk bij dit vertrek. Het is en blijft echter de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf om zijn vertrek ter hand te nemen. Daar waar de vreemdeling de eigen verantwoordelijkheid niet neemt kan de overheid de voorzieningen, dus ook de opvang, beëindigen. Als de vreemdeling tijdig terugkeert is dit echter niet aan de orde.
Hoe beoordeelt u het dat een met belastinggeld gesubsidieerde organisatie zich actief inzet om staand regeringsbeleid (dat er op gericht is dat mensen zonder verblijfsrecht niet in Nederland mogen zijn) te dwarsbomen?
CORDAID is een maatschappelijke organisatie met een eigenstandige rol in de Nederlandse samenleving. Deze rol kan zij spelen vanwege de steun van 370 000 burgers c.q. donateurs. Het is van groot belang dat maatschappelijke organisaties met een duidelijke achterban in dialoog blijven met de Nederlandse regering op allerlei beleidsthema’s. Een dergelijke open dialoog is namelijk onmisbaar voor een actieve dynamische en veerkrachtige samenleving. De ondersteuning die CORDAID verleent aan genoemde protestactie dient dan ook niet als dwarsbomen van het regeringsbeleid beschouwd te worden maar als een reactie vanuit het maatschappelijk middenveld op het regeringsbeleid.
Voor de uitvoering van specifieke programma’s gericht op structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden ontvangt CORDAID subsidie. Deze activiteiten mogen niet strijdig zijn met het Nederlands buitenlands beleid. Deze subsidies staan echter geheel los van de steun van CORDAID aan de protestactie.
Bent u bereid om er zorg voor te dragen dat de voor Cordaid bestemde subsidie wordt ingetrokken daar het niet de bedoeling is dat de burger belasting betaalt voor het saboteren van democratisch tot stand gekomen regeringsbeleid? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet ziet geen reden de samenwerking met CORDAID te herzien. CORDAID is een gewaardeerde ontwikkelingsorganisatie die met behulp van subsidie mede uitvoering geeft aan het Nederlands beleid voor internationale samenwerking. In ontwikkelingslanden wordt met partners succesvol gewerkt aan het verbeteren van de levensomstandigheden van de armen.
Het besluit van de gemeente Den Haag om Turkse inburgeringsweigeraars hun boetes kwijt te schelden |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het besluit van de gemeente Den Haag om Turkse inburgeringsweigeraars hun op basis van de wet Inburgering verstrekte boetes met terugwerkende kracht kwijt te schelden als gevolg van de rechterlijke uitspraak dat Turken niet verplicht kunnen worden in te burgeren?
Ja.
Klopt het in de berichtgeving hierover weergegeven standpunt van uw ministerie, dat boetes die nog niet betaald zijn niet meer geïnd moeten worden, maar dat eerder verstrekte en betaalde boetes rechtsgeldig waren en dus niet terugbetaald hoeven te worden? Zo nee, wat is precies uw standpunt over het kwijtschelden of terugbetalen van aan Turken verstrekte boetes?
Ik heb gemeenten via een brief als volgt geadviseerd: «Voor boetes die in het verleden in het kader van de handhaving reeds zijn opgelegd en betaald en waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan geldt dat zij formele rechtskracht hebben. Terugbetaling aan de inburgeraars is derhalve in beginsel niet aan de orde. Ik adviseer u nog niet geïnde boetes niet te innen.»
Klopt het dat onder andere in Duitsland Turken verplicht zijn taalles te volgen ondanks het feit dat Duitsland aan hetzelfde Associatieverdrag EEG/Turkije gebonden is als Nederland? Zo ja, hoe heeft Duitsland deze verplichting juridisch geregeld en waarom past die regeling wel binnen het Associatieverdrag?
Turkse burgers zijn in beginsel verplicht taalles te volgen in Duitsland. In Duitsland zijn op grond van de Associatieovereenkomst alleen die Turkse burgers van inburgeringsplicht vrijgesteld die op basis van arbeid naar Duitsland komen, alsmede hun familieleden voor zover deze ook een aanspraak kunnen maken op het associatieverdrag.
Zoals ik in het antwoord op de kamervragen van het lid Van Klaveren van 23 september 2011 heb geantwoord, was het kabinet van mening dat de inburgeringsplicht buiten de werkingssfeer van het Associatieakkoord EU-Turkije valt. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 augustus jl. blijkt, dat de Centrale Raad van Beroep mijn mening echter niet deelt. Ik ben daarom genoodzaakt geweest om mijn inburgeringsbeleid op dit punt aan te passen.
Kan uw eerdere opmerking, dat u gaat kijken naar de mogelijkheid van een leerplicht, zo worden geïnterpreteerd dat u ook wilt dat Turken alsnog verplicht worden Nederlands te leren? Wilt u dat dit ook gaat gelden voor deze groep Turken die niet zijn is komen opdagen bij een inburgeringscursus? Is het mogelijk deze inburgeringsweigeraars alsnog te beboeten als ze bij een in te voeren leerplicht opnieuw niet op komen dagen op taalles?
Het concept van de leeftijdsonafhankelijke leerplicht wordt thans verkend. Bij de uitwerking ervan wordt in ieder geval gekeken of iemand die een beroep doet op de sociale zekerheid een leerplicht kan worden opgelegd. De inhoud van die plicht is dan gerelateerd aan vergroting van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het spreken van de Nederlandse taal kan daar deel van uitmaken. Het betreft dan een aanscherping van wat nu in de sociale zekerheidswetgeving mogelijk is.
Een dergelijke plicht is uitdrukkelijk een plicht die voor iedereen zal gelden, ook voor autochtonen, Europeanen en derdelanders, waaronder Turken. Het ligt voor de hand om, daar waar er een plicht is, ook sancties aan het niet nakomen ervan te verbinden.
De strafbaarstelling van illegaliteit |
|
Gerard Schouw (D66), Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het antwoord van de Europese Commissie op de vraag van het lid van het Europees Parlement Judith Sargentini, met als titel «strafbaarstelling illegaliteit in Nederland»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Europese Commissie dat met inachtneming van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak «El-Dridi» van 28/04/2011(C-61 / 11 PPU), artikel 15 en 16 van richtlijn 2008/115/EC (Terugkeerrichtlijn) uitsluiten dat lidstaten wetgeving mogen hebben die het mogelijk maakt vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan illegale derdelanders enkel omdat zij illegaal verblijven in een lidstaat? Zo nee, waarom niet?
Bent u zich bewust van het feit dat, zolang de vrijheidsbeperkende maatregel niet wordt opgelegd met het oog op terugkeer, elke vorm van (vervangende) hechtenis in strijd is met de Terugkeerrichtlijn?
Kunt u aangeven welke maatregel u wil laten opleggen in het geval een illegale derdelander een aan hem of haar, in het kader van zijn of haar illegaal verblijf in Nederland, opgelegde geldelijke boete niet kan of wil voldoen?
Kunt u uitleggen in hoeverre u nog het kabinetsplan om illegaliteit strafbaar te stellen praktisch uitvoerbaar acht, in ogenschouw nemend dat het niet aannemelijk is dat in het merendeel van de gevallen een opgelegde geldelijke boete voor illegaal verblijf kan of zal worden voldaan?
Kunt u aangeven waarom de Terugkeerrichtlijn nog steeds niet volledig is geïmplementeerd in de Nederlandse wet?
Het wetsvoorstel tot implementatie van de Terugkeerrichtlijn is door mijn ambtsvoorganger, de toenmalige minister van Justitie, op 17 juni 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Na mijn aantreden als minister voor Immigratie en Asiel heb ik op 6 december 2010 een tweede nota van wijziging ingediend. Dit was voor de algemene commissie voor Immigratie en Asiel reden om op 28 januari 2011 een nader verslag uit te brengen2 dat ik binnen twee maanden, bij nota van 23 maart 2011, heb beantwoord3. Vervolgens heeft de algemene commissie besloten voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Deze voorlichting is op 10 juni 2011 uitgebracht4. Op 22 juni 2011 heeft de algemene commissie voor Immigratie en Asiel besloten het wetsvoorstel aan te melden voor plenaire behandeling. De plenaire behandeling heeft nog niet plaatsgevonden.
Misstanden rond het functioneren van de bestuursvoorzitter van het COA |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Is het waar dat de bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) een inkomen heeft (van 273 000 euro per jaar) dat de afgesproken Balkenende-norm ver overstijgt en ook nog een dienstauto heeft besteld die duurder is dan de richtlijnen toestaan? Zo ja, deelt u de mening dat iemand die zichzelf bewust teveel belastinggeld toe-eigent, de burger minacht en daarom zo snel mogelijk uit zijn/haar functie ontheven moeten worden? Zo ja, welke stappen gaat u hiertoe ondernemen?1
Het is juist dat het inkomen van de bestuursvoorzitter van het COA boven het voor de publieke sector geldende maximum inkomen lag. Ik acht dit niet wenselijk, en heb daarom begin dit jaar richting de bestuursvoorzitter en de Raad van Toezicht aangegeven dat de bezoldiging van de bestuursvoorzitter dient te worden bijgesteld tot onder de voor de publieke sector geldende maximum inkomensnorm. Met de Raad van Toezicht heb ik afgesproken dat de bezoldiging structureel aan deze norm zal voldoen.
De afgelopen maanden heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden over de bezoldiging van de bestuursvoorzitter in het kader van de benoeming bij de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet centrale opvang asielzoekers. Met de Raad van Toezicht van het COA heb ik moeten constateren dat er sprake is van inconsistentie in de informatie die ons is geleverd over de bezoldiging van de Bestuursvoorzitter van het COA. De vragen die dit bij de Raad van Toezicht en mij heeft opgeroepen hebben er toe geleid dat de Raad van Toezicht de bestuurvoorzitter op non-actief heeft gesteld. Ik heb de Raad van Toezicht verzocht mij op de kortst mogelijke termijn volledig en correct over alle openstaande vragen te informeren. De door uw Kamer gevraagde brief van de Raad van Toezicht ontvangt u op dat moment.
Wat is uw reactie op de gepresenteerde stelling dat door toedoen van genoemde bestuursvoorzitter teveel belastinggeld is verspild, bijvoorbeeld door het open houden van teveel opvangcapaciteit? Hoe kunnen, naast het vertrek van de bestuursvoorzitter, problemen rond de bedrijfsvoering van het COA worden verbeterd?
In beginsel past bij een krimpende organisatie dat er tijdelijk sprake is van overcapaciteit, die vervolgens wordt afgestoten. Het feit dat er opvangplekken leeg staan vormt dan ook geen aanleiding om op voorhand te concluderen dat er belastinggeld verspild wordt. Wel is de vraag reëel of de systematiek waarop het COA wordt bekostigd nog actueel is. Nu de instroom van asielzoekers al langere tijd dalende is, worden de marges in de opvangcapaciteit steeds kleiner. Tegen die achtergrond verbreed ik mijn lopende onderzoek naar verbeteringen in de financieringssystematiek van het COA, naar een extern onderzoek naar de actualiteit, houdbaarheid en doelmatigheid van de huidige financieringssystematiek, die gebaseerd is op Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uit 2004.
Kunt u aangeven hoe de genoemde misstanden hebben kunnen ontstaan, en onder wiens verantwoordelijk ze zijn ontstaan?
Zie antwoord vraag 2.