De intrekking van de ondersteuning van de jaarlijkse reünie van Indië-veteranen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Ja.
Klopt het dat de steun van Defensie voor deze jaarlijkse reünie, te weten de militaire begeleiding van de herdenkingsceremonie en het vervoer van station Arnhem naar Schaarsbergen voor veteranen slecht ter been, vervalt?
Nee, de steun aan de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers blijft gehandhaafd. Wel wordt de coördinatie van de reünie voortaan door een ander landmachtonderdeel uitgevoerd. Dit is niet tot uiting gekomen in de brief van 11 maart jl. van commandant 11 Luchtmobiele Brigade (AASLT) «7 december» aan het bestuur van de reünievereniging.
De ondersteuning van de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers zal voortaan worden gecoördineerd door het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Een contactpersoon hiervoor zal aan de reünievereniging bekend worden gesteld. Over de precieze invulling van de ondersteuning zal overleg worden gevoerd met de vereniging. Hiermee wordt zeker gesteld dat de ondersteuning uitvoerbaar is en past binnen het jaarprogramma van de ondersteunende eenheid.
Voor het ondersteunen van reünies kent Defensie de regeling reüniefaciliteiten. Daarnaast kunnen militaire ceremoniën en bijeenkomsten door Defensie personeel worden ondersteund, bijvoorbeeld door het leveren van vervoer en militaire begeleiding.
Hoe groot is de besparing van deze voorgenomen bezuiniging?
Er is geen sprake van een (voorgenomen) bezuiniging op reünies voor veteranen.
Wat is de noodzaak van deze voorgenomen bezuiniging?
Zie antwoord vraag 3.
Welke middelen staan u ter beschikking om alsnog steun te verlenen aan deze jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van op welke (jaarlijkse) herdenkingen en reünies voor veteranen nog meer wordt bezuinigd en wat daarvan de financiële voordelen zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Een incident met VN-gezant Serry in Jeruzalem |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het incident in Jeruzalem in de aanwezigheid van VN-gezant Robert Serry, zoals beschreven in het BBC-nieuwsbericht «UN envoy and Israel in Easter ritual access row»?1
Ja.
Kunt u nagaan wat zich op 19 april 2014 heeft afgespeeld?
De weergave van VN-gezant Robert Serry is bekend en wordt onderschreven door andere aanwezigen, maar niet door de Israëlische autoriteiten.
Bent u het met de heer Serry eens dat de vrijheid van godsdienst hier in het geding was en dat sprake was van «onacceptabel gedrag»?
Bij grote religieuze momenten als Pasen in speciale plaatsen als Jeruzalem zijn vraagstukken van vrijheid van godsdienstuitoefening en van veiligheid beide van groot belang. Overleg voorafgaand aan het Paasfeest tussen de Christelijke gemeenschappen en de Israëlische politie heeft tot een verbeterde toegang ten opzichte van vorig jaar geleid. Partijen verschillen nog van mening over de mate waarin de toegang verder verruimd kan worden zodat meer Christenen uit de Palestijnse Gebieden deze voor hen belangrijke religieuze viering kunnen bijwonen.
Hoe beoordeelt u voorts de reactie van de Israëlische autoriteiten dat het oponthoud juist het veiligheidsbelang van de bedevaartgangers diende?
Zie antwoord vraag 3.
Misdrijven plegende Afghaanse diplomaat en de uitzending van PowNews d.d. 17 april 2014 |
|
Lilian Helder (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is de berichtgeving «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrijuit» correct?1 Zo neen, wat is dan wel de juiste en volledige weergave van de gebeurtenissen?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) is gebleken dat een Afghaanse diplomaat in december 2013 betrokken was bij twee incidenten op dezelfde dag. Het eerste incident betreft een onenigheid in het verkeer waarbij woorden zijn gevallen tussen de diplomaat en een Nederlandse man. Hier is ook sprake geweest van een handgemeen. Het tweede incident vond op dezelfde dag plaats, op een andere locatie. De diplomaat heeft toen met zijn auto de weg geblokkeerd voor eerdergenoemde Nederlandse man en hij zou tegen de auto hebben geschopt. Beide partijen hebben aangifte gedaan van hetgeen deze dag is voorgevallen. De Afghaanse diplomaat heeft zich volgens het OM schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling. De diplomaat wordt niet vervolgd vanwege zijn diplomatieke status. De Nederlandse man wordt niet vervolgd omdat hij naar het oordeel van het OM handelde uit zelfverdediging.
Kent u de uitzending van PowNews d.d. 18 april 2014 en meer specifiek het gedeelte waarin de verslaggever wordt mishandeld?2
Ja
Waarom heeft u het gelaten bij het «op het matje roepen van de Afghaanse ambassadeur»? Waarom is de mishandelende en vernielende diplomaat niet uitgewezen?
Het ontbieden van de ambassadeur geldt in het diplomatieke verkeer reeds als een zeer zwaar middel. Het uitwijzen van een diplomaat (verklaren tot «persona non grata») is de uiterste sanctie die een ontvangend land ten opzichte van een diplomaat kan nemen. In dit geval was het gedrag van de betreffende diplomaat weliswaar volstrekt onacceptabel, maar kwalificeerde het niet voor het treffen van een dergelijke zichtbare en politiek beladen sanctie.
Buitenlandse Zaken heeft benadrukt, in een onderhoud met de ambassadeur op 30 januari jl., dat de geloofwaardigheid en daarmee het functioneren van de betreffende diplomaat vis-a-vis de Nederlandse autoriteiten is aangetast.
Hebt u op basis van artikel 32 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de immuniteit van de diplomaat op te heffen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen, een dergelijk verzoek is niet gedaan. Een verzoek om opheffing van immuniteit is niet meer aan de orde, gezien het feit dat het OM de zaak heeft geseponeerd, en gezien het feit dat betrokkene inmiddels Nederland heeft verlaten.
Hebt u op basis van artikel 31 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de diplomaat zelf te vervolgen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het is niet aan Nederland om een dergelijk verzoek aan Afghanistan te doen. Ik ga er van uit dat de ambassadeur zijn autoriteiten heeft geïnformeerd over het gedrag van zijn medewerker. Voorts staat het Afghanistan vrij om de betreffende persoon te vervolgen indien dit volgens de lokale wetten mogelijk is en opportuun geacht wordt.
Kunt u verklaren waarom een misdrijven plegende diplomaat ervan afkomt met een berisping en iedere niet-diplomaat voor dezelfde misdrijven op zijn minst een forse geldboete opgelegd wordt?
Nederland heeft, conform het Verdrag van Wenen, geen rechtsmacht over diplomaten met een absolute immuniteit. Tegelijkertijd worden diplomaten geacht de regels en wetten van Nederland te respecteren. Wanneer dat niet het geval is maakt Nederland een afweging over eventueel te nemen maatregelen. In dit geval wordt betrokkene terug geroepen door de Afghaanse autoriteiten; dat is voor de betrokken diplomaat en zijn gezin een zware maatregel.
Wat heeft u inmiddels gedaan naar aanleiding van de beelden van de auto van dezelfde Afghaanse diplomaat toen die urenlang een invalidenparkeerplaats bezet hield? Heeft u hem zijn diplomatieke kenteken afgenomen? Zo neen, waarom niet?
De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Spelen de islamitische gevoeligheden enige rol bij de manier waarop u deze zaken hebt behandeld, zoals in de berichtgeving wordt gesuggereerd? Gaarne een toelichting.
Religie is in deze casus geen factor van overweging.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar de toepassing van het beleid van de staat New York hier in Nederland, dat tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie door u aan de Kamer is toegezegd?
Aan de sanctie van het niet verlengen van de registratie van diplomatieke kentekens zoals deze in de VS wordt gebruikt, kleven de nodige bezwaren. Deze bezwaren zijn in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april is toegezonden) uiteengezet. Allereerst is van belang op te merken dat met het intrekken van een CD-plaat de onderliggende diplomatieke status van de betrokkene niet verandert. Ook zal het in de praktijk lastig zijn om kentekenplaten daadwerkelijk in te nemen. De Nederlandse wet- en regelgeving op dit terrein is anders opgezet dan bijvoorbeeld in de VS, waar diplomatieke kentekens ieder jaar verlengd moeten worden. Bovendien leidt het intrekken van CD-platen meteen tot effecten in de fiscale sfeer, die vervolgens weer inbreuk kunnen maken op verdragsverplichtingen onder het Verdrag van Wenen. Tot slot geldt dat het intrekken van bijzondere kentekens op gespannen voet staat met het eveneens in het Verdrag van Wenen vastgelegde beginsel van vrijheid van beweging. Dergelijke maatregelen kunnen onmiddellijk leiden tot tegenmaatregelen («reciprociteit») in het betreffende land ten aanzien van Nederlandse diplomaten.
Is dit onderzoek bijna gereed? Zo nee, gaat u er vaart achter zetten nu blijkt dat diplomaten zich nog steeds niets van de Nederlandse wet aantrekken?
Het onderzoek naar de maatregelen die kunnen worden ingezet tegen geprivilegieerden die zich niet aan de Nederlandse wet houden, is inmiddels afgerond. In eerder genoemde brief van 23 april 2014 zijn de bevindingen van dit onderzoek beschreven.
Het bericht dat de grenzen wagenwijd open staan voor buitenlandse bouwers |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel in Cobouw: «Grenzen wagenwijd open voor buitenlandse bouwers»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke belemmeringen Nederlandse bouwbedrijven kunnen ervaren als zij in andere EU-landen willen gaan opereren, die omgekeerd niet gelden voor buitenlandse bouwbedrijven die in Nederland gaan opereren?
In het kader van het vrij verkeer van diensten kan een bedrijf in een andere Europese lidstaat diensten gaan verrichten. Hierbij geldt het uitgangspunt dat een ondernemer zich dient te houden aan de geldende wet- en regelgeving van de lidstaat waar deze ondernemer zijn diensten wenst uit te voeren, indien deze wet- en regelgeving noodzakelijk, evenredig en proportioneel is ter bescherming van het algemeen belang. Daarom worden Nederlandse bouwondernemers in het buitenland geconfronteerd met andere eisen ten aanzien van beroepskwalificaties, afwijkende technische standaarden, of aansprakelijkheidseisen. Het is daarom essentieel dat een grensoverschrijdende ondernemer zich goed laat informeren over de bestaande wet- en regelgeving in andere lidstaten. In sommige gevallen is het niet evident dat bepaalde eisen noodzakelijk en proportioneel zijn. Het kabinet zet zich daarom in de Europese Unie in voor vermindering van disproportionele eisen, bijvoorbeeld in de peer review onder de dienstenrichtlijn en de lopende wederzijdse evaluatie in het kader van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties. Deze peer pressure, ook door middel van landen-specifieke aanbevelingen in het kader van het Europese Semester, dient bij te dragen aan meer kansen voor Nederlandse ondernemers in het buitenland. Dit moet er toe bijdragen dat lidstaten zich actief inspannen op het verminderen van administratieve lasten voor grensoverschrijdende ondernemers.
Het is bij grensoverschrijdende dienstverrichting wel belangrijk dat de rechten van werknemers beschermd worden. Daarover hebben de Europese lidstaten afspraken gemaakt in de Detacheringsrichtlijn. Deze richtlijn bevat een set van arbeidsvoorwaarden, waaraan een dienstverrichter zich heeft te houden wanneer hij met personeel een dienst gaat verrichten in een andere lidstaat. Dit moet ertoe leiden dat een werknemer op een aantal aspecten ongeveer hetzelfde moet worden behandeld als zijn nationale collega. Hierbij gaat het o.a. om minimumloon, verlof en maximale werktijden (op grond van de wet of een eventuele algemeen verbindend verklaarde cao). Lidstaten mogen aan buitenlandse dienstverrichters bepaalde controlevoorschriften opleggen met het doel om beter te kunnen controleren of een dienstverrichter zich houdt aan de bepalingen uit de Detacheringsrichtlijn. Elke lidstaat mag hieraan zelf invulling geven, mits dit niet leidt tot een disproportionele belemmering van het vrij verkeer van diensten. Of dit het geval is wordt, indien dit wordt voorgelegd, beoordeeld door het Europees Hof van Justitie. Lidstaten mogen hier dus op verschillende wijze mee omgaan.
De in Duitsland opgelegde controlevoorschriften aan buitenlandse dienstverrichters zijn gedeeltelijk opgenomen in artikel 9 van de onlangs in Brussel bekrachtigde Europese Handhavingsrichtlijn. Deze nieuwe richtlijn heeft tot doel de naleving van de Detacheringsrichtlijn te bevorderen. De in artikel 9 opgenomen voorschriften kunnen door alle lidstaten aan dienstverrichters worden opgelegd. Nederland beziet thans welke controlemaatregelen zij wenst over te nemen en zal hiervoor een voorstel doen bij de implementatie van de Handhavingsrichtlijn.3
Klopt het dat Nederlandse bouwbedrijven die in Duitsland opereren aan de volgende eisen moeten voldoen, die omgekeerd niet gelden voor Duitse bedrijven in Nederland:2 ieder project moet vooraf zeer secuur worden aangemeld bij de Duitse autoriteiten vanaf het eerste uur tot en met het laatste uur, waardoor eventuele uitloop van een project meteen tot problemen leidt en eventueel een hoge boete; medewerkers moeten volledig worden aangemeld inclusief BSN, met gedetailleerde persoonsgegevens waardoor tussentijdse vervanging van medewerkers bijna onmogelijk is; alle contractgegevens van het werk en de overeenkomsten met het personeel dienen vertaald in het Duits op het werk aanwezig zijn; vooraf moet gemeld worden hoeveel mensen – met naam, toenaam, geboortedatum – op het werk aanwezig zijn. Personeel toevoegen in het geval het werk niet op tijd af komt is lastig; niet aangemeld personeel levert direct een boete – tot € 20.000 euro – en stillegging van het werk op. Datzelfde geldt ook als de contractgegevens niet vertaald op orde zijn; er geldt een verplichte afstorting in het Duitse vakantie fonds van 14,7% van de loonsom; loonstroken moeten ook in het Duits aanwezig zijn, evenals een bewijs van de laatste loonbetaling; in het Duits moet worden aangetoond dat personeel is verzekerd en deze informatie moet aanwezig zijn op het werk; de hoofdaannemer is verantwoordelijk voor alle zaken op het werk, ook die van de opdrachtgever? Kunt u aangeven hoe deze administratieve eisen zich verhouden tot de eisen die Nederland stelt aan buitenlandse bouwbedrijven en tot het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en werknemers in de EU?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten in welke mate er verschil zit in de snelheid en accuratesse waarmee de Duitse en Nederlandse inspectieorganisaties controle houden op de voorschriften omtrent arbeid op bouwplaatsen? Klopt het dat het eerder regel is dan uitzondering dat de Duitse arbeidsinspectie al op de eerste dag van een bouwproject controleert of er aan alle in vraag 3 opgesomde eisen is voldaan?
Er zijn mij thans geen gegevens bekend omtrent vergelijking van de snelheid en accuratesse van de Duitse en Nederlandse inspectiediensten.
Kunt u aangeven op welke wijze u bereid bent om de positie van MKB bedrijven op de Nederlandse en Europese bouwmarkt te verbeteren? Zou directe uitbetaling aan onderaannemers door de opdrachtgever van een bouwproject daar aan kunnen bijdragen? Graag een toelichting hierop.
Het kabinet acht een versterking van de positie van het MKB van groot belang. En marge van de Duits-Nederlandse regeringsconsultatie in Kleef in mei 2013 kwamen de Nederlandse en de Duitse Ministers van Economische Zaken overeen om gezamenlijk concrete problemen voor grensoverschrijdende ondernemers, in het bijzonder voor het MKB, op te lossen. Hierbij is voor een brede benadering gekozen, waarbij onder andere wordt ingezet op stimulering van de kennis van de Duitse taal en cultuur, verbeterde informatieverstrekking aan ondernemers, en indien noodzakelijk betere op het buurland afgestemde wet- en regelgeving.
Directe betaling van loon door de opdrachtgever aan werknemers van een onderaannemer zou kunnen bijdragen aan de verbetering van de positie van kleinere MKB-bouwbedrijven. In de onlangs aanvaarde Aanbestedingsrichtlijn wordt een lidstaat de keuze geboden om rechtstreekse betaling van een onderaannemer door een aanbestedende dienst mogelijk te maken. De Minister van Economische Zaken maakt hierover een afweging bij de implementatie van de Aanbestedingsrichtlijn.
Bent u bekend met het Belgische LIMOSA?3 Zou een vergelijkbaar Nederlands register van (buitenlandse) zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) of (buitenlandse) werknemers die in Nederland een opdracht uitvoeren in uw ogen een begaanbare weg zijn om meer grip te krijgen op de problematiek van belasting- en premieontduiking en -ontwijking, die mede debet is aan de verslechterende concurrentiepositie in Nederland van Nederlandse werknemers en Nederlandse zzp’ers in sectoren als de bouw? Graag een toelichting hierop.
Het invoeren van een Nederlands register van buitenlandse zelfstandigen zonder personeel is thans geen begaanbare weg. Een dergelijk register heeft onderdeel uitgemaakt van het eerder genoemde Belgische LIMOSA-systeem maar het Europees Hof van Justitie heeft bij arrest uitgemaakt dat een registratie voor zelfstandige ondernemers een ontoelaatbare belemmering vormt voor het vrij verkeer van diensten. Voor wat de betreft de registratie van vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers, zie het antwoord op vraag 7.
Hoe staat u tegenover een eventueel experiment met een dergelijk register voor (buitenlandse) werknemers op de bouwplaats? Kunt u dit toelichten?
Bij brief van 30 januari 20145 heb ik uw Kamer laten weten dat de mogelijkheid voor het oprichten van een dergelijk register een onderdeel is van de onlangs bekrachtigde Europese Handhavingsrichtlijn. Een registratiesysteem voor vanuit het buitenland gedetacheerde werknemers (werknemers van buitenlandse dienstverrichters) kan de efficiëntie van de handhaving vergroten. Zoals ik in mijn brief heb aangegeven ben ik voornemens om over de eventuele invoering van een registratiesysteem een afweging te maken bij de implementatie van de nieuwe Handhavingsrichtlijn. Bij de uiteindelijke afweging zal ik onder meer de administratieve lasten van een dergelijke registratieplicht laten meewegen. In de bouwsector vindt inmiddels een verkenning plaats over het invoeren van een identiteitspas voor toegang van werknemers tot de bouwplaats, dit in samenwerking met het zogenoemde project identificatiesysteem ID12. Dit systeem wordt al in enkele andere Europese landen benut onder meer ter voorkoming van belasting- en premieontduiking en oneerlijke concurrentie. Ik heb uw Kamer bij brief van 10 juli 2013 over dit systeem geïnformeerd.6
Het bericht "Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de brief van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag van 30 januari 2014 aan het Nederlandse slachtoffer?2
Ja.
Acht u het bewezen dat de Afghaanse diplomaat meerdere malen met zijn vuist geslagen heeft en schade veroorzaakt heeft aan de auto?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft deze zaak onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er verschillende strafbare feiten zijn gepleegd. Deze kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling en vernieling. Buitenlandse Zaken heeft kennisgenomen van de conclusies van het OM.
Wanneer en op welke wijze heeft u de Afghaanse ambassade op de hoogte gesteld van de mening van de Nederlandse regering? Hoe luidt die mening?
Op 30 januari jl. is de Afghaanse ambassadeur ontboden. In dat gesprek is aangegeven dat:
Heeft de Nederlandse regering ook aan de Afghaanse ambassade gevraagd om de schade aan de auto te vergoeden? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien u niet bereid bent om dit verzoek bij de Afghaanse ambassade neer te leggen, op welke wijze kan het Nederlandse slachtoffer dan zijn schade op de dader verhalen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Afgaanse ambassade van 31/12/2013, waarin de ambassade stelt dat alleen haar staflid aangevallen is en slachtoffer is van mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)(het Afghaanse staflid zou niet aangevallen hebben en niet geprovoceerd hebben)? Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de ambassade in afwachting was van een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Wanneer is het rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken over dit incident uitgebracht en kunt u het rapport, dan wel de inhoud op hoofdlijnen, openbaar maken?
Buitenlandse Zaken heeft het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie op 30 januari jl. gedeeld met de Afghaanse ambassadeur, toen deze ontboden is op Buitenlandse zaken. De teneur van het rapport is weergegeven in het antwoord op de Kamervragen (vraag3 van de leden Helder en De Roon over dezelfde kwestie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2049).
Klopt het dat dezelfde diplomaat en een assistent van hem op 17 februari in PowNews betrapt werden op het langdurig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats en daarvoor ook een bon uitgeschreven kregen?
In verband met de privacy van betrokkenen doen wij geen uitspraken over het aantal uitgeschreven en nog openstaande boetes in individuele gevallen. Enkele administratieve sancties die zijn uitgeschreven aan de Afghaanse delegatie, zijn op dit moment nog niet betaald. Buitenlandse Zaken heeft zoals gebruikelijk contact opgenomen met de ambassade over de betaling.
De betreffende diplomaat beschikte tot het moment van zijn vertrek uit Nederland over een taxfree tankpas. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in dezelfde uitzending van PowNews aankondigde contact op te laten nemen met de Afghaanse ambassade? Wanneer is dat gebeurd en met welke boodschap?
Ja. De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari jl. bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is.
Heeft de betreffende diplomaat de boete betaald en staan er nog steeds boetes open? Beschikt hij op dit moment over een tankpas om accijns en btw-vrij te kunnen tanken?
Zie antwoord vraag 9.
Van hoeveel diplomaten is na de aankondiging van januari 2014 dat zij geen tankpas meer zouden hebben bij openstaande schulden, hun tankpas ook daadwerkelijk afgenomen?
Tot heden zijn er nog geen tankpassen geblokkeerd. Ik heb in januari 2014 aangekondigd dat een van de elementen uit het plan van aanpak zal zijn het blokkeren van tankpassen. Deze maatregel, aangekondigd in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april jl. is toegezonden) is onderdeel van een nieuw werkproces, waarmee Buitenlandse Zaken structureler zal inzetten op betaling van verkeersboetes.
Om dit mogelijk te maken moeten onder andere het CJIB en Buitenlandse Zaken hun informatiesystemen over openstaande verkeersboetes op elkaar afstemmen. Het is de bedoeling dat in een nieuw op te zetten database (anders dan nu) de gegevens over openstaande verkeersboetes langdurig beschikbaar en dus opeisbaar blijven. Buitenlandse Zaken en het CJIB zijn deze nieuwe samenwerking aan het opzetten, en de verwachting is dat het nog zeker enige maanden zal duren voor deze geheel operationeel is.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ambassadesecretaris in het AD-artikel dat »de 23-jarige Nederlander diplomaat S. [heeft] beledigd vanwege zijn geloof. Als zoiets in Afghanistan bekend wordt, kan de situatie escaleren. Ik hoop dat er dan niets gebeurt met de Nederlandse ambassade in Kaboel.», terwijl in de processen-verbaal, in het persbericht van de ambassade zelf, in de brief van de rechtbank, in het verslag van de getuige of waar dan ook geen sprake is van belediging vanwege het geloof, terwijl er nu wel met escalatie gedreigd wordt?
Bovenstaande uitspraak komt, indien deze gedaan is, geheel voor rekening van de desbetreffende persoon. De Afghaanse ambassade heeft aan Buitenlandse Zaken schriftelijk laten weten dat er geen sprake is van enige dreiging met escalatie, en dat de betreffende medewerker dergelijke uitspraken niet heeft gedaan. Ten aanzien van de vermeende belediging vanwege het geloof geldt dat Buitenlandse Zaken zich baseert op het gestelde in het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie. Daarin staat niets vermeld over een dergelijke belediging.
Bent u bereid om de ambassade uit te nodigen om aan te geven wanneer de diplomaat vanwege zijn geloof beledigd is of anders de uitspraak terug te nemen?
Indien een dergelijke belediging was geuit had de betrokken diplomaat dit kunnen melden aan de politie. De ambassadeur, in de gesprekken met Buitenlandse Zaken, heeft evenmin melding gemaakt van een dergelijke belediging. Daar waar zowel betrokkene als de ambassade ruimschoots gelegenheid hadden om een dergelijke belediging aanhangig te maken, zie ik het nut niet van een uitnodiging aan de ambassade om specifiek hierover te spreken.
Commerciële mogelijkheden in Myanmar |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «US to help companies invest in Myanmar»?1
Ja.
Wat doet u er aan om de investerings- en handelsmogelijkheden voor Nederlandse bedrijven in Myanmar te bevorderen?
De beginnende democratische en economische transitie van Birma/Myanmar biedt kansen voor Nederlandse bedrijven en ondernemers, met name in de sectoren water, agro en logistiek. Om Nederlandse bedrijven voldoende ondersteuning te geven deze kansen op een maatschappelijk verantwoorde manier te benutten, heeft het kabinet in 2013 besloten de Birma/Myanmar-capaciteit van de Nederlandse ambassade in Bangkok uit te breiden. Voorts is besloten tot opening van een onder de ambassade in Bangkok ressorterend ambassadekantoor («Netherlands Economic Mission») in Rangoon/Yangon. Tijdens mijn bezoek aan Birma/Myanmar in november 2013, vergezeld van een kleine handelsdelegatie, heb ik dit kantoor geopend. De keuze voor deze flexibele en kostenefficiënte vorm van vertegenwoordiging past in de modernisering van de Nederlandse diplomatieke dienst, zoals door het kabinet gepresenteerd in de brief «Voor Nederland, Wereldwijd».
Om het Nederlandse MKB te faciliteren bij eerste stappen op de zich snel ontwikkelende Birmese markt, heb ik tevens besloten Birma/Myanmar toe te voegen aan de landenlijst van het «Dutch Good Growth Fund». MKB-ondernemingen kunnen via het Fonds een beroep doen op financiering van hun ontwikkelingsrelevante activiteiten in Birma. Daarnaast kunnen geïnteresseerde bedrijven gebruik maken van verschillende voor Birma openstaande faciliteiten en fondsen via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de V.S., de kansen voor Nederlandse bedrijven in Myanmar nog verder te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat de ondersteuning van het Nederlands bedrijfsleven in Myanmar vanuit de ambassade in Bangkok adequaat is? Zou een op commercie gerichte Nederlandse vertegenwoordiging in Myanmar de kansen voor het Nederlands bedrijfsleven aanzienlijk kunnen vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Religieuze spanningen in Birma/Myanmar |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wie niet geteld is, telt niet mee in Birma»?1
Het bericht geeft een goed beeld van de complexiteit van de volkstelling in Birma/Myanmar.
Hoe beoordeelt u de weigering van de Birmese regering om de Rohinya minderheid zich te laten registreren als aparte bevolkingsgroep?
Volgens het oorspronkelijk plan voor de volkstelling zouden geïnterviewden kunnen kiezen uit 135 etniciteiten die door de overheid van Birma/Myanmar officieel zijn erkend. Daarnaast was er een categorie «overigen», waarbij geïnterviewden een eigen omschrijving van etniciteit konden vermelden. Deze omschrijving zou niet gelden als een officieel erkende etniciteit, maar zou wel worden meegenomen in de volkstelling waarbij meervoudig genoemde identificaties als aparte groep zichtbaar zouden worden. Dit zou Rohingya de mogelijkheid geven om zich te registreren als «overige» met vermelding van «Rohingya».
Na oplopende spanningen en toenemend verzet van een deel van de bevolking in Rakhine State tegen de mogelijkheid voor Rohingya om zichzelf als zodanig te identificeren hebben de autoriteiten van Birma/Myanmar besloten personen of huishoudens die zichzelf omschrijven als Rohingya niet langer mee te nemen in de volkstelling. Dit heeft er naar verwachting toe geleid dat honderdduizenden Rohingya buiten de telling zijn gebleven. Het kabinet betreurt deze handelswijze van de regering van Birma/Myanmar zeer. Het ondermijnt de toch al kwetsbare positie van de Rohingya.
Wat is uw analyse van de spanning rondom deze volkstelling en het geweld tegen de Rohinya minderheid in het algemeen?
In de afgelopen jaren zijn de spanningen tussen de Rakhine boeddhisten en Rohingya moslims in Rakhine State sterk toegenomen. De Rohingya minderheid wordt door de autoriteiten van Rakhine stelselmatig gediscrimineerd en is veelvuldig slachtoffer van intimidatie, vrijheidsbeperkingen en geweld.
Een geweldsincident in januari jl., waarbij naar verluidt tientallen Rohingya omkwamen, gevolgd door een publieke verklaring van Artsen Zonder Grenzen over de behandeling van slachtoffers van dit incident, gaven aanleiding voor grootschalige protesten tegen de aanwezigheid van NGOs, hulporganisaties en de internationale gemeenschap in Rakhine State. Voorts werd gedemonstreerd tegen de mogelijkheid van Rohingya moslims om zichzelf tijdens de volkstelling als zodanig te identificeren. Vanwege de gewelddadige protesten zijn eind maart jl. internationale NGOs, hulporganisaties en VN-organisaties uit Rakhine geëvacueerd. De Birmese overheid liet weten onder druk van protesten en uit vrees voor verder geweld af te zien van registratie van een ieder die zichzelf identificeerde als Rohingya.
Heeft u gereageerd op de onwil van de Birmese regering om hulpverleners toe te laten tot de gebieden in het westen van het land waar Rohingya’s verblijven? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Het kabinet hecht veel waarde aan ongehinderde en veilige toegang van internationale humanitaire hulporganisaties tot alle delen van Birma/Myanmar, inclusief Rakhine State. Recente berichten over belemmering van die toegang op lokaal niveau zijn dan ook reden tot zorg. De Nederlandse ambassadeur heeft deze zorgen meerdere malen tijdens gesprekken op ministerieel niveau in de hoofdstad Nay Pyi Taw geuit, meest recentelijk op 2 april jl. Ook in EU-verband is bij de autoriteiten van Birma/Myanmar aangedrongen op ongehinderde en veiliger toegang van hulporganisaties in Rakhine. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de ambassadeur van Birma/Myanmar in Brussel aandacht gevraagd voor de precaire humanitaire situatie in Rakhine. Tot slot heeft Nederland zich in EU-verband tijdens de 25ste zitting van de Mensenrechtenraad met succes hard gemaakt voor een duidelijke boodschap over de situatie in Rakhine in de door de Raad aangenomen resolutie over de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar.
Waarom is er enkel een Nederlandse economische missie gevestigd in Birma/Myanmar? Kunt u, in het licht van de fragiele mensenrechtensituatie ter plaatse, uiteenzetten waarom er in Birma/Myanmar gekozen is voor alleen een economische missie en niet voor capaciteit ter plaatse voor mensenrechten?
De beginnende democratische transitie en economische opening van Birma/Myanmar biedt kansen voor Nederlandse bedrijven en ondernemers, met name in de sectoren water, agro en logistiek. Om Nederlandse bedrijven te faciliteren deze kansen op een maatschappelijk verantwoorde manier te verzilveren, heeft het kabinet in 2013 besloten de capaciteit van de ambassade in Bangkok met betrekking tot Birma/Myanmar, uit te breiden. De reeds bestaande capaciteit op het gebied van mensenrechten is eveneens uitgebreid.
Voorts is in november jl. door collega Ploumen tijdens haar bezoek aan Birma/Myanmar in Yangon een ambassadekantoor geopend dat de Nederlandse inspanningen in Birma/Myanmar ondersteunt. De keuze voor deze flexibele en kostenefficiënte vorm van vertegenwoordiging past in de modernisering van de Nederlandse diplomatieke dienst, zoals door het kabinet gepresenteerd in de brief «Voor Nederland, Wereldwijd».
In de afgelopen jaren heeft de ambassade Bangkok met goed gevolg invulling gegeven aan de bevordering van de mensenrechten in Birma/Myanmar. De ambassade steunt vanuit het Mensenrechtenfonds diverse betekenisvolle projecten, levert tijdige adviezen ter beïnvloeding van het internationale mensenrechtenspeelveld en heeft zeer frequent in Birma/Myanmar contact met regeringsvertegenwoordigers, Birmese en internationale NGO’s en mensenrechtenverdedigers. De nieuwe vertegenwoordiging in Yangon dient hiervoor mede als uitvalsbasis. Het kabinet acht de huidige mensenrechtencapaciteit met betrekking tot Birma/Myanmar op dit moment toereikend.
Bent u bereid de Nederlandse inzet op mensenrechten in Birma/Myanmar te intensiveren? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een mensenrechtenspecialist in het land zelf te plaatsen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Nieuwe voorstellen tot ‘landhervorming’ in Zuid-Afrika |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Radikale landbougrondvoorstelle vir SA» en «Oopmaak van grondeise fataal vir toekoms»?1 en2
Ja.
Deelt u de angst van Zuid-Afrikaanse boeren dat het doorzetten van de landhervorming (waarbij boeren de helft van hun land moeten afstaan) de voedselvoorziening in het land in gevaar kan brengen?
Een veelvoud aan factoren kan van invloed zijn op de voedselvoorziening in Zuid-Afrika. In de laatste jaren is als gevolg van efficiëntere verbouwingstechnieken de voedselproductie in Zuid-Afrika gestegen. In Zimbabwe hebben de landhervormingen een negatieve uitwerking gehad, waarbij gebrek aan kennis bij boeren heeft geleid tot voedseltekorten. In Zuid-Afrika kan dit voorkomen worden, als de overdracht van landbouwland wordt ondersteund met goed flankerend beleid ten aanzien van financieringsfaciliteiten, onderwijs en training (zie antwoord vraag 5).
Deelt u de observatie van ANC-minister Nkwinti dat 90 procent van de herverdeelde boerderijen inderdaad niet succesvol is?3
Het proces van landoverdracht sinds 1994 verloopt langzamer dan was gepland (tot heden ca. 15,5%). De overdrachten zijn tot heden op vrijwillige basis verlopen. Het grootste deel ervan is weinig succesvol geweest, met name doordat de nieuwe boeren (gemeenschappen) vaak onvoldoende vakkennis en ervaring hebben, en onvoldoende toegang hebben tot landbouwkrediet en afzetmarkten. De Zuid-Afrikaanse regering onderkent de noodzaak voor flankerend beleid ten aanzien van kennisontwikkeling en «mentorship» rond de overdracht van boerenbedrijven aan nieuwe gebruikers of eigenaren.
Deelt u de mening dat het in beslag nemen van landerijen kan leiden tot een herhaling van de dramatische gebeurtenissen in Zimbabwe, waarbij de landhervorming van Robert Mugabe leidde tot een implosie van de landbouw, gevolgd door hongersnood?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de ontwikkelingshulp aan Zuid-Afrika onmiddellijk dient te worden gestaakt, aangezien Nederlands belastinggeld niet mag dienen om hongersnood te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Tot het einde van 2011 was Zuid-Afrika voor Nederland een partnerland in ontwikkelingssamenwerking. Inmiddels kent het land de status van middeninkomensland en is Zuid-Afrika voor Nederland een transitieland. De afbouw van de bilaterale OS-programma’s wordt in 2014 voltooid. Tot en met 2017 worden transitie-activiteiten gefinancierd ter versterking van de economische samenwerking. Nederland ondersteunt Zuid-Afrika in de sectoren water, transport en logistiek, landbouw en duurzame energie met Nederlandse expertise, om zowel het ondernemingsklimaat te verbeteren als Nederlandse bedrijven te helpen met markttoegang. Capaciteitsopbouw is daartoe een belangrijk middel, ook in de landbouwsector. Door middel van curriculumontwikkeling en trainingen, maar ook demonstratieprojecten in de agrarische sector draagt Nederland bij aan de verbetering van kennis en productiviteit bij Zuid-Afrikaanse boeren.
De hedendaagse veiligheidsrisico’s bij een amfibische operatie |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Marines seek new tech to get ashore vs. missiles; reinventing amphib assault»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit artikel.
Hoe beoordeelt u de toenemende veiligheidsrisico’s bij amfibische operaties veroorzaakt door de proliferatie van geavanceerde wapens zoals sensorgeleide anti-schip lange afstandsraketten?
In zijn algemeenheid nemen met de proliferatie van moderne wapensystemen de risico’s en de complexiteit van militaire operaties toe. Zoals ik in mijn nota «In het belang van Nederland» heb aangegeven, blijkt uit de veiligheidsanalyse dat toekomstige dreigingen en bijbehorende risico’s zich moeilijk exact laten voorspellen. Wanneer het voornemen bestaat eenheden in te zetten, volgt een dreigingsanalyse die toegespitst is op de te bereiken doelstelling, het specifieke inzetgebied en de capaciteiten van mogelijke tegenstanders. De proliferatie van moderne wapen- en sensortechnologieën is dan één van de factoren van die dreigingsanalyse. In de militaire professie worden op basis van die analyse modus operandi ontwikkeld die rekening houden met de onderkende risico’s.
Kunt u aangeven of en in welke mate de marine rekening houdt met de commercieel verkrijgbare 25-zeemijl radar en het risico dat mariniers bij een landing daarmee eenvoudig gedetecteerd kunnen worden door bijvoorbeeld kleine niet-statelijke actoren?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat amfibische operaties wegens tactische en veiligheidsredenen over steeds grotere afstanden moeten plaatsvinden? Zo ja, hoe gaat
Defensie hiermee om? Zo nee, waarom niet? Zijn de landingsvaartuigen van de marine nog steeds in staat om mariniers en materieel veilig naar het strand te verplaatsen nu de afstanden waarbinnen operaties plaatsvinden steeds groter worden?
Overweegt u maatregelen om de landingsvaartuigen aan te passen om ze zodoende veiliger en sneller te maken en hun actieradius te vergroten?
Kunt u gezien de toenemende aandacht voor maritieme en amfibische operaties in kustwateren aangeven of en welke aanpassingen er nodig zijn voor wat betreft het materieel alsook het tactische aspect?
De uitkomsten van de Nederlandse ‘subsidiariteitsexercitie’ |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Europese bluf van een Hollandse muis»1, waarin wordt geconcludeerd dat «de successen onder de 54 actiepunten letterlijk op de vingers van één hand te tellen» zijn?
Ja.
Klopt het dat de successen zich beperken tot minder hoge eisen voor het bijhouden van statistieken in de handel, de aanpassing van een nieuwe regeling voor betaalrekeningen, zeggenschap over het kustbeheer, minder gedetailleerde milieu-effectrapportages en flexibelere metingen van de kwaliteit van het oppervlaktewater? Zo neen, wat heeft u nog meer binnengehaald? Zo ja, wat vindt u van deze uitkomst?
Nee. Zoals aangekondigd tijdens de presentatie van de lijst, zet Nederland zich tijdens de (in veel gevallen nog lopende) onderhandelingen in om geconstateerde bezwaren aan te pakken. Dit betekent niet altijd dat de voorstellen in hun geheel van tafel gaan. Soms is het voldoende dat de reikwijdte van een richtlijn of verordening wordt beperkt, dat meer ruimte wordt gecreëerd voor nationale toepassing of dat door aanpassing van de richtlijn de bijkomende administratieve lasten worden ingeperkt. Belangrijker dan de voorlopige resultaten op deelterreinen is echter de bredere gedragsverandering waar het kabinet op inzet: een meer terughoudende opstelling van de Commissie met een focus op een aantal, mede op aangeven van de Raad, als prioritair gedefinieerde terreinen, vanuit de gedachte «Europees wat moet, nationaal wat kan».
Vindt u dat uw belofte «de tijd van een ever closer union in de EU is voorbij» is waargemaakt? Zo neen, wanneer zal dat het geval zijn?
De stelling was dat de tijd van een «ever closer union op alle beleidsterreinen» voorbij is. De brede steun onder lidstaten en instellingen voor de wens om tot een betere focus van de EU te komen bevestigt deze stelling.
Deelt u de mening dat deze uitkomsten van de «subsidiariteitsexercitie» op gespannen voet staan met de volgende, hoge verwachting wekkende aankondiging van de minister-president op 21 juni 2013: «Het gaat het kabinet om taakverdeling: is alles wat de Europese Unie op dit moment doet wel echt nodig?»
Die mening deel ik niet. De Nederlandse inzet was steeds gericht op een inclusief proces gericht op een hervorming en een gedragsverandering van binnenuit. De discussie die nu, niet in het minst dankzij de Nederlandse inspanningen, op Europees niveau gevoerd wordt richt zich exact op de vraag of alles wat de EU doet wel echt nodig is.
Hoe beoordeelt u de magere opbrengst van de exercitie in het licht van uw uitspraak in Berlijn dat een kernprobleem van Europa «overpromise and underdeliver» is? Is dit niet precies hetzelfde, namelijk verwachtingen creëren die niet kunnen worden waargemaakt?
Gezien het bovenstaande ben ik niet van mening dat sprake is van een magere opbrengst. De positieve respons van andere lidstaten op en deelname aan de discussie die mede door Nederland in gang is gezet en waarin Nederland een belangrijke rol zal blijven spelen is een belangrijk eerste resultaat. Het is zaak dat dit nu wordt omgezet in tastbare veranderingen in EU-verband.
Kunt u reageren op de stelling dat u met de lijst van 54 actiepunten «grote verwarring stichtte onder de Europese lidstaten»?
Lidstaten hebben positief gereageerd op de Nederlandse oproep tot een discussie over een betere prioriteitstelling van de Europese Unie. In contacten op ambtelijk en politiek niveau is belangstellend geïnformeerd naar de Nederlandse ideeën op dit vlak.
Vindt u dat deze exercitie, met de energie en tijd die er is ingestoken door departementen, ambtenaren en bewindslieden, is geslaagd?
Het doel is een blijvende gedragsverandering. Dit is niet iets dat van de ene op de andere dag tot stand komt. De eerste stappen in de goede richting zijn gezet. Het kabinet blijft zich actief inzetten om een betere prioriteitstelling op de Europese agenda te zetten en te houden.
Moderne antitankwapens in handen van Syrische rebellen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Syrian opposition fighters obtain U.S.-made TOW anti-tank missiles»1?
Ja.
Klopt dit bericht? Is er iets bekend over het aantal van die raketten?
In Syrië is onlangs voor het eerst de inzet van een Amerikaans antitankwapensysteem waargenomen, te weten de BGM-71 TOW. Deze antitankraket zou in gebruik zijn bij de gematigde oppositiebeweging Hazm Brigade. Wie dit raketsysteem heeft geleverd, staat niet vast.
Kunt u aangeven welke strijdgroep(en) in Syrië deze wapens heeft/hebben verkregen?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u aan de Verenigde Staten vragen of zij deze wapens hebben geleverd, wanneer en aan wie?
De VS heeft desgevraagd aangegeven de gematigde oppositie in Syrië te steunen met financiële middelen en bij capaciteitsopbouw. Daaronder valt ook steun aan leden van de gematigde gewapende oppositie. Meer detail over specifieke leveranties aan specifieke groeperingen heeft de VS ook bij navraag niet beschikbaar gesteld. Deze is evenmin beschikbaar uit eigen Nederlandse bronnen. Garanties dat wapens alleen tegen het leger van Assad worden ingezet zijn niet te geven.
Wilt u aan de Verenigde Staten vragen of derde landen aan wie de VS dergelijke wapens hebben geleverd, de verplichting hebben om van doorlevering van die wapens bericht aan de VS te geven?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u aan de VS vragen of enig land een dergelijke notificatie heeft gedaan? Zo ja, welk(e) land(en)?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u nagaan op welke wijze en via welke route die wapens in Syrië zijn terechtgekomen?
Zie antwoord vraag 4.
Is er enige garantie dat deze wapens alleen tegen het leger van Assad zullen worden ingezet?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u de beschikbaarheid van deze wapens bij strijdgroepen in Syrië een bijdrage aan een spoedige vreedzame oplossing?
De toestroom van wapens heeft tot op heden een oplossing van het conflict niet dichterbij gebracht. De oplossing van de crisis in Syrië zal uiteindelijk via diplomatieke weg moeten worden gevonden.
Concurrentie tussen verschillende VN-instanties |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ruzie maken om wie de vluchtelingen te eten mag geven»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de mandaten in het huidige VN-systeem gebaseerd zijn op de problemen van enkele decennia geleden en dat veel crises nu zogenoemde «complex political emergencies» zijn die vragen om een andere aanpak en verdeling van verantwoordelijkheden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw inzet op dit punt?
Ik deel uw mening dat de zgn. «complex political emergencies» een uitdaging vormen voor humanitaire hulpverlening. Het betreft hier vaak gewelddadige conflicten met grootschalige humanitaire consequenties. Het is correct dat de internationale gemeenschap worstelt met deze materie en dat de humanitaire hulp niet altijd een afdoend antwoord geeft. Dit ligt echter niet zozeer aan tekortkomingen in het humanitaire systeem, maar het onvermogen om te komen tot politieke oplossingen van het conflict. Syrië is hiervan een duidelijk voorbeeld.
Veelal is sprake van een combinatie van geweld en onveiligheid, regeringen die de hulpverlening bewust dan wel onbewust belemmeren, onvoldoende financiering van humanitaire programma’s, etc. In deze context opereren de VN-organisaties naar beste kunnen en passen zij zich geregeld aan op basis van geleerde lessen. Ik vind vooral dit laatste belangrijk en zal daar in alle relevante fora blijvend aandacht voor vragen. De mandaten van de verschillende organisaties in het VN-systeem zijn in de loop der jaren aangepast, al naargelang nieuwe situaties in de wereld zich voordeden, maar er is op enkele terreinen nog steeds sprake van overlappende mandaten. Voor de coördinatie van humanitaire hulp is in 1998 de United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) opgericht. OCHA heeft zich in de loop van de tijd aangepast en is meeveranderd met de uitdagingen die humanitaire hulpverlening kent.
Herkent u het beeld van concurrerende VN-instanties dat geschetst wordt in dit artikel door zowel de auteur als door medewerkers van de verschillende instanties? Zo ja, hoe beoordeelt u de situatie en de samenwerking tussen deze instanties? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de VN een adequaat ingericht systeem heeft voor humanitaire hulp. Mede op aandringen van Nederland is in 2011 de implementatie van de humanitaire hervormingen begonnen, de zgn. Transformatieve Agenda van de OCHA Inter-Agency Standing Committee (IASC). Er is ingezet op versterkt leiderschap in het veld ten tijde van een humanitaire crisis door Humanitarian Coordinators (HC). Tevens wordt gestreefd naar betere coördinatie van humanitaire hulp door een flexibeler clustersysteem, waarbij ook NGO’s betrokken zijn. De HC, samen met het Humanitarian Country Team (HCT), is verantwoordelijk voor het aanwijzen van een organisatie die leider is van een cluster. Het HCT bestaat uit clusterleiders en de belangrijkste NGO’s. Het HCT is ook verantwoordelijk voor de verdeling van de fondsen van het multi-donor trustfund voor een specifieke crisis (Common Humanitarian Fund), op basis van grootste noden; tevens wordt door hen bepaald of een beroep wordt gedaan op het UN Central Emergency Response Fund (CERF). Nederland geeft jaarlijks een wereldwijd in te zetten bijdrage aan het CERF van 40 miljoen euro.
De VN-organisaties hebben de volgende standaard taakverdeling met betrekking tot specifieke onderdelen van humanitaire interventies:
bescherming en noodonderdak: UNHCR;
kampcoördinatie en -management: UNHCR en IOM;
logistiek en noodtelecommunicatie: WFP;
voedselzekerheid: WFP en FAO;
water, sanitatie, hygiëne en voeding: UNICEF;
begin wederopbouw: UNDP;
onderwijs: UNICEF; en
gezondheid: WHO.
Helaas wil dit alles niet zeggen dat het systeem altijd en overal optimaal functioneert. Sommige clusters en clusterleiders functioneren beter dan andere. Wel zijn op dit punt de laatste jaren flinke stappen voorwaarts gezet, mede onder druk van donoren.
Herkent u het beeld dat het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs van de Verenigde Naties (OCHA) in het veld vaak niet serieus genomen wordt en daardoor zijn opdracht, het mobiliseren en coördineren van hulp, niet goed kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw verdere inzet op dit punt?
Bovenstaand zijn de mechanismen geschetst die in humanitaire crises worden ingezet. OCHA is hiervan de coördinator en wordt in die rol doorgaans gerespecteerd en gewaardeerd. Dat neemt niet weg dat grote uitvoerende organisaties in de praktijk soms moeite hebben om te worden gecoördineerd door OCHA, als gevolg waarvan zich spanningen kunnen voordoen, die niet bijdragen aan optimale hulpverlening. Doorgaans is men zich echter zeer bewust van het belang van een neutrale, gespecialiseerde honest broker. Die is ook niet voor niets gecreëerd. Wèl is het belangrijk dat de internationale gemeenschap hier in relevante fora niet aflatend aandacht voor vraagt, zoals Nederland ook doet. Het feit dat de Emergency Relief Coordinator van OCHA beslist over de allocatie van fondsen uit CERF, op aanvraag van de HC in een land of regio, versterkt het gezag van die HC en dus van OCHA.
In 2013 heeft de onafhankelijke interne VN Office for International Oversight and Evaluation een evaluatie van het functioneren van OCHA uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat OCHA haar coördinatie mandaat goed uitvoert, maar dat de vraag rijst hoe OCHA gezien groeiende humanitaire behoeften en toenemende complexiteit deze coördinatie zo effectief mogelijk kan blijven uitvoeren; hiervan is OCHA zich bewust. Nederland blijft – samen met andere landen – in dialoog met OCHA om deze uitdagingen het hoofd te bieden.
Zijn er bij u situaties bekend, in de afgelopen 5 jaar, waarbij gebrekkige onderlinge samenwerking tussen VN-instanties leidt tot belemmering van of zelfs acute problemen met de uitvoering van de werkzaamheden van deze instanties? Zo ja, kunt u deze situaties beschrijven en aangeven waar de verbeterpunten liggen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de VN in het algemeen goede afspraken maakt over taakverdeling en coördinatie. Naar aanleiding van twee crises in 2010, de aardbeving in Haïti en de watersnood in Pakistan, ontstond destijds kritiek op de respons van de VN. Deze richtte zich vooral op onvoldoende leiderschap, waardoor de respons vertraagd werd en de hulpverlening niet alle sectoren afdekte. Hieruit zijn echter lessen getrokken. Wanneer een crisis uitbreekt, moet snel worden gehandeld. Vanwege de chaos lijkt in de eerste periode vaak sprake van relatief ongecoördineerde acties (veldcapaciteit moet worden opgebouwd; communicatie is vaak nog een probleem). Maar het humanitaire VN-systeem is in de loop der jaren steeds beter in staat gebleken relatief snel en gecoördineerd op te treden. Er is uiteraard verdere verbetering mogelijk, OCHA erkent dat, en ik zal dat waar relevant blijven benadrukken.
Is het volgens u noodzakelijk om te streven naar betere afspraken tussen de verschillende VN-instanties om deze vorm van concurrentie te voorkomen? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om dit proces te bevorderen en te versnellen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn afdoende afspraken over de coördinatie en het voorkomen van concurrentie. Het probleem is dat, in crisissituaties en onder hoge druk, de naleving van deze afspraken soms nog voor verbetering vatbaar is. Het is de verantwoordelijkheid van alle betrokken VN-organisaties om goed samen te werken en de coördinatie door OCHA te ondersteunen. Bij Uitvoerende Raden van VN-organisaties en andere relevante fora wordt door Nederland en andere landen aangedrongen op het belang van coördinatie door OCHA.
Bent u van mening dat het voorbeeld in het artikel, over de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR), een correct beeld geeft van de problemen die er zijn in de verdeling van taken tussen de verschillende VN-instanties? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de (verdeling van de) Nederlandse hulp aan de CAR? Zo nee, waarom niet?
De VN humanitaire interventie in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) is zeer gecompliceerd door de chaotische situatie en de moeilijke toegang, die een inschatting en beoordeling van de noden uiterst moeilijk maken. Daarbij is de monitoring van de hulpverlening zeer gecompliceerd. OCHA heeft de complexiteit van deze crisis onderkend en heeft in december 2013 een Level 3 Emergency status toegekend aan de CAR. In dat kader is tijdelijk de ervaren leider van het OCHA-kantoor in de DRC naar CAR gezonden als tijdelijk Humanitarian Coordinator. De VN-organisaties die daar actief zijn, werken onder uiterst moeilijke omstandigheden aan een probleem van grote omvang. De aanvangsfase van deze humanitaire interventie was problematisch, mede als gevolg van de heersende chaos, maar inmiddels verloopt de humanitaire interventie beter (zij het met name in/rond Bangui), voor zover ontoereikende middelen en onveiligheid/gebrek aan toegang dit toelaten.
Nederland heeft sinds het uitbreken van de huidige crisis totaal 5 miljoen euro beschikbaar gesteld aan het Common Humanitarian Fund voor de CAR, zodat ter plaatse door de HC samen met het HCT, bepaald kan worden waar de Nederlandse fondsen het beste kunnen worden ingezet. Dit betreft twee maal 2 miljoen euro eind 2013 en begin 2014 en, gezien de ernst van de situatie, nogmaals 1 miljoen euro medio april, waarover ik uw Kamer, zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg over noodhulp op 27 maart jl., hierbij informeer.
Verlenging van het mandaat van VN-missie MINURSO (Missie van de VN voor het Referendum in de Westelijke Sahara) |
|
Harry van Bommel |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het bericht «UN peacekeeping force in Western Sahara must monitor human rights»?1
Ja.
Is het waar dat later deze maand in de VN-Veiligheidsraad wordt besloten over verlenging van de VN-missie MINURSO in de Westelijke Sahara? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Op 29 april jl. heeft de VN-Veiligheidsraad besloten het mandaat van MINURSO voor 1 jaar te verlengen.
Kunt u aangeven of u er voorstander van bent dat, anders dan nu de praktijk is, mensenrechtenmonitoring onderdeel gaat uitmaken van het mandaat van de VN-missie? Indien neen, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in de Westelijke Sahara is nauw verweven met het conflict tussen Marokko en Frente Polisario in het gebied. Dat maakt monitoring een complexe en gevoelige zaak. Bij de verlenging van het MINURSO-mandaat vorig jaar is gebleken dat er in de VNVR geen draagvlak is voor het opnemen van monitoring in het mandaat. Tijdens die discussie is ook gebleken dat het aanzwengelen van een debat het vinden van een oplossing eerder hindert dan bevordert.
Bij de mandaatsverlenging dit jaar zijn voor het eerst wel drie paragrafen over mensenrechten in het algemeen toegevoegd. Deze benadrukken het belang van verbetering van de mensenrechtensituatie en stimuleren partijen verder te gaan in de bevordering en bescherming van mensenrechten in de Westelijke Sahara.
Bent u bereid om in uw contacten met collega’s van landen die momenteel in de VN-Veiligheidsraad zitten, te bepleiten dat monitoring van mensenrechten onderdeel van het VN-mandaat gaat uitmaken? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Indien monitoring van mensenrechten wederom geen onderdeel gaat uitmaken van de VN-missie, ziet u dan mogelijkheden om bilateraal of in EU-verband bij te dragen aan monitoring van mensenrechtenschendingen in de Westelijke Sahara? Kunt u uw antwoord toelichten?
Monitoring door de VN vindt de facto plaats door middel van haar speciale rapporteurs. Marokko heeft recent de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten uitgenodigd een bezoek aan Marokko af te leggen, waarbij haar stafleden ook de Westelijke Sahara zullen bezoeken. Daarnaast bezochten het afgelopen jaar verschillende Westerse diplomaten, parlementariërs en journalisten het gebied. Voorts vormen mensenrechten en de Westelijke Sahara onderdeel van de politieke dialoog tussen de EU en Marokko in het kader van het EU-Marokko Associatieakkoord. In de EU-verklaring voor de elfde Associatieraad die op 16 december 2013 plaatsvond, wijst de EU alle partijen op hun verantwoordelijkheid voor mensenrechten. De EU verwijst tevens naar de in de grondwet verankerde, en onlangs versterkte rol van de Marokkaanse Nationale Mensenrechtencommissie (CNDH) bij mensenrechtenmonitoring, waaronder in de Westelijke Sahara via haar commissies in Laayoune en Dakhla.
Kunt u aangeven hoe u zich er het afgelopen jaar voor heeft ingezet zodat de mensenrechtensituatie in het gebied de aandacht van de internationale gemeenschap blijft houden?2
Nederland blijft de kwestie Westelijke Sahara met verschillende Europese partners bespreken. Daarbij is gebleken dat, gezien de complexiteit en gevoeligheid van het conflict in de Westelijke Sahara, de EU lidstaten er de voorkeur aan blijven geven om deze kwestie binnen de reeds genoemde kaders te behandelen.
Door Israël vernielde gebouwen in Palestijns gebied |
|
Harry van Bommel |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het bericht «Israel demolishes EU-funded West Bank housing shelters»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Israël eerder deze maand drie gebouwen in Palestijns gebied heeft vernield die (deels) met EU-geld waren gefinancierd? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Ja.
Kunt u verder bevestigen dat vijftien andere (deels) met EU-geld gefinancierde gebouwen in hetzelfde gebied met sloop worden bedreigd? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de Israëlische autoriteiten de EU financieel moeten compenseren voor alle schade die wordt toegebracht aan gebouwen in Palestijns gebied die (deels) met EU-geld zijn gefinancierd? Indien neen, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat alle gevallen van schade aan door de EU en/of Nederland gefinancierde projecten aan de orde moeten worden gesteld bij de Israëlische autoriteiten.
Bent u bereid bij de Israëlische autoriteiten compensatie te eisen voor de toegebrachte schade en u ervoor in te spannen dat de andere gebouwen niet door Israël worden vernield?
Aangezien het in dit geval gebouwen betreft die met EU-geld zijn gefinancierd, is de Europese Commissie met Israël in overleg getreden over de ontstane situatie. De Europese delegatie in Tel Aviv heeft de kwestie van de sloop van Palestijns eigendom herhaaldelijk met de Israëlische autoriteiten opgenomen. Israël is niet bereid tot compensatie, omdat het slopen in de optiek van Israël legaal is.
In haar verklaring van 18 april jl. riep de EU Hoge Vertegenwoordiger Israël op om een halt toe te roepen aan de sloop van Palestijns onroerend goed in area C en Oost Jeruzalem, evenals de inbeslagname van humanitaire hulpgoederen ten behoeve van Palestijnse gemeenschappen. Ook Nederland blijft de Israëlische regering aanspreken op het slopen van onroerend goed in area C.
Kunt u ook aangeven wat u vindt dat moet gebeuren indien Israël niet bereid is de aangebrachte schade te compenseren?
Zie antwoord vraag 5.
De sluiting van het consulaat in Osaka/Japan |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de cijfers van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) waaruit blijkt dat er in 2013 15 investeringsprojecten uit Japan naar Nederland zijn gekomen die in totaal 673 banen hebben opgeleverd?1
Ja.
Deelt u de mening dat het in de derde economie ter wereld te betreuren zou zijn als er slechts één Nederlandse officiële vertegenwoordiging aanwezig is?
De grootte van een economie en het aantal vertegenwoordigingen hoeven niet samen te hangen. Het gaat om de meerwaarde van een post, gegeven belangen, de lokale situatie en de beschikbare middelen.
Zijn er mogelijkheden om het consulaat in afgeslankte vorm open te houden?
Met een halvering van de structurele korting op het postennet en bij voortzetting van de voorgenomen besparingen is het mogelijk CG Osaka in afgeslankte vorm, toegespitst op investeringsbevordering, open te houden. Hierover wordt nauw contact onderhouden met de Dutch Trade Board.
Bent u bereid om het consulaat in Osaka open te houden met het oog op het belang van de economische diplomatie in Japan en hierover in overleg te treden met werkgeversorganisaties?
Zie antwoord vraag 3.
De permanente detentie van migranten in Griekenland |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Artsen zonder Grenzen (AzG) over de permanente detentie van asielzoekers en andere migranten in Griekenland?1 Wat is uw reactie op dit bericht en in welke mate herkent u de signalen van AzG?
Ja, ik ben bekend met dit persbericht. Het persbericht gaat over een advies van de juridische raad van de Griekse overheid, en over een rapport van Artsen zonder Grenzen. Het advies van de juridische raad dateert van 20 maart 2014 en ziet op het verlengen van de duur van detentie van en/of toezicht op vreemdelingen die illegaal op Grieks grondgebied verblijven. De adviesvraag was gesteld door het hoofdkantoor van de Griekse politie. Het rapport van Artsen zonder Grenzen dateert van 1 april 2014 en beschrijft onder andere detentieomstandigheden voor vreemdelingen in Griekenland. In mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 ga ik nader op deze beide stukken in.
Klopt het dat in Griekenland een besluit is genomen om migranten oneindig te detineren totdat zij gedwongen of vrijwillig het land verlaten?2 Zo ja, is dit een besluit van Griekse regering? Hoe verhoudt dit besluit zich tot het Europese asielbeleid en dan met name tot Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), op basis waarvan een vreemdeling maximaal (en in slechts uitzonderlijke gevallen) 18 maanden gedetineerd mag worden?
Het is mij bekend dat de juridische raad van de Griekse overheid op 20 maart 2014 een advies heeft uitgebracht over het in detentie houden van vreemdelingen die niet willen meewerken aan een terugkeer naar het land van herkomst. Ik ben echter niet bekend met besluitvorming door Griekenland.
De Europese Commissie ziet toe op de naleving van de Terugkeerrichtlijn, nr. 2008/115/EG, door de lidstaten. Op 17 april 2014, tijdens een plenair debat van het Europees Parlement, heeft de Europese Commissie desgevraagd haar (eerste) reactie gegeven. In die reactie benadrukt de Commissie allereerst dat een vreemdelingendetentie op basis van de EU-Terugkeerrichtlijn maximaal 18 maanden kan duren. In de nationale wetgeving van Griekenland wordt deze termijn gerespecteerd. De Commissie is niettemin bezorgd over de strekking van het advies van de juridische raad dat na afloop van deze 18 maanden de vreemdeling in een gesloten centrum kan verblijven, indien deze weigert mee te werken aan een terugkeer naar zijn herkomstland. Het advies is, naar lezing van de Commissie, enigszins tegenstrijdig en het is nog niet duidelijk op welke wijze het in de praktijk zal worden gebracht door de Griekse overheid. De Commissie gaat de Griekse regering bevragen hoe zij het advies van de juridische raad gaat overnemen. De Commissie zal vervolgens bezien of de praktijk in Griekenland in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, en zo niet, welke (juridische) vervolgstappen zij gaat zetten.
In haar reactie gaat de Commissie ook nog in op het rapport van Artsen zonder Grenzen over detentieomstandigheden in Griekenland. Het verbeteren van de omstandigheden in detentiecentra is een belangrijk onderdeel van het Griekse Nationale Actieplan Asiel en Migratiemanagement. De implementatie van dit plan wordt door de Commissie nauwlettend gevolgd. De Commissie meldt dat de Griekse regering inmiddels een aantal van de in het rapport bekritiseerde centra gesloten heeft. Tegelijkertijd zijn in Griekenland moderne centra geopend en worden andere centra gerenoveerd. De Commissie geeft daarbij wel aan dat er ruimte is voor verdere verbeteringen. Op korte termijn bezoekt de Commissie het in het rapport stevig bekritiseerde centrum van Komotini.
Deelt u de mening dat deze vorm van systematische en oneindige detentie in Griekenland in Europees verband onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid voor dit standpunt in de EU medestanders te zoeken en de regering in Griekenland zo snel mogelijk en met klem aan te spreken? Kan Griekenland hierbij tevens worden verzocht om vreemdelingen die in strijd met de Terugkeerrichtlijn oneindig gedetineerd zijn, vrij te laten?
Uiteraard vind ik het belangrijk dat het asiel- en detentiestelsel in iedere EU-lidstaat voldoet aan de in het EU-recht vastgelegde basisstandaarden. Tegelijkertijd vind ik het ook belangrijk om te accentueren dat het aan de Commissie en uiteindelijk het Hof van Justitie is om te beoordelen of de situatie in een lidstaat in overeenstemming is met het EU-recht. Uit de in antwoord 2 opgenomen reactie van de Commissie, maak ik op dat zij deze verantwoordelijkheid in deze situatie ook daadwerkelijk invult. Onder deze omstandigheden past de Nederlandse regering terughoudendheid.
Wat is de verdere stand van zaken in Griekenland met betrekking tot de asielprocedure en de opvang voor asielzoekers? In welke mate zijn de doelstellingen van het Griekse Nationale Actieplan Asiel en Migratiemanagement (het Actieplan) gerealiseerd en welke aandachtspunten zijn er nog? Wanneer zal naar verwachting het Actieplan volledig geïmplementeerd zijn? Hoe verhoudt het besluit van Griekenland met betrekking tot detentie zich tot de inspanningen uit het Actieplan om het Griekse asielsysteem op orde en in overeenstemming met geldende EU-normen te brengen?
Het in januari 2013 opgestelde (aangepaste) Griekse Nationale Actieplan Asiel en Migratiemanagement loopt tot eind 2014. De Commissie heeft laten weten dat al veel verbeteringen zijn gerealiseerd in het Griekse stelsel. Zo functioneert er nu een asieldienst en zijn er meerdere opvangcentra voor asielzoekers geopend. Tegelijkertijd zijn er nog wel zorgen over onder andere de omstandigheden in enkele detentiecentra. Naar verwachting wordt de stand van zaken van het Griekse stelsel geagendeerd voor de JBZ-raad van 9 en 10 oktober 2014.
Het bericht dat Rusland af wil van het huidige belastingverdrag met Nederland |
|
Arnold Merkies |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Rusland wil af van huidig belastingverdrag met Nederland»?1
De Russische staatssecretaris van Financiën, Sergey Shatalov, heeft mij per brief van 30 december 2013 benaderd over een partiële herziening van het Russisch-Nederlandse belastingverdrag uit 1996. Als beweegreden heeft Rusland aangevoerd van mening te zijn dat de ontwikkelingen op het gebied van internationale belastingheffing die na het overeenkomen van het onderhavige verdrag zich hebben voorgedaan vragen om aanpassing in lijn met de actuele versie van het OESO-modelverdrag. Het is heel gebruikelijk dat een verdragsland een ander verdragsland benadert over een aanpassing van een bestaand bilateraal (belasting)verdrag. Dit geldt te meer indien het desbetreffende verdrag niet meer van recente datum is, zoals het onderhavige belastingverdrag met Rusland dat op 16 december 1996 is ondertekend. In reactie op het verzoek uit Rusland heb ik dan ook voorgesteld dat op ambtelijk niveau besprekingen worden aangegaan over een mogelijke aanpassing van het belastingverdrag tussen de beide landen. Inmiddels is voor juni van dit jaar een (eerste) ambtelijke onderhandelingsronde gepland.
Uw Kamer wordt door de Minister van Buitenlandse Zaken door middel van periodiek verstrekte lijsten op de hoogte gesteld van in onderhandeling zijnde ontwerp-verdragen, bilaterale belastingverdragen daaronder begrepen. In de lijst van per 31 maart 2014 in onderhandeling zijnde ontwerp-verdragen die per brief van 7 april 2014 naar Uw Kamer is verzonden_, is ook de herziening van het bilaterale belastingverdrag met de Russische Federatie vermeld.
Kunt u uiteenzetten welke redenen Rusland heeft aangevoerd om het verdrag aan te passen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer heeft Rusland Nederland benaderd om aanpassingen in het verdrag aan te brengen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer was het kabinet van plan om de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 1.
Welke reactie heeft u gegeven op het verzoek van Rusland om het verdrag aan te passen?
Zie antwoord vraag 1.
De extra miljoenen voor de EU en ontwikkelingshulp |
|
Joram van Klaveren (Van Klaveren) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Flink meer kosten voor EU en ontwikkelingshulp»?1
Ja.
Klopt het dat het nettobedrag dat uitgegeven wordt aan zowel de EU als ontwikkelingshulp gaat stijgen?
De becijfering van de gevolgen van de herziene methodologie voor de berekening van macro-economische grootheden is nu nog niet bekend.
Het effect van de aanpassing van het bbp op de EU-afdrachten hangt af van de relatieve ontwikkeling van het Nederlandse bni ten opzichte van het bni van andere EU-lidstaten. Op dit moment is het precieze effect nog onduidelijk, omdat de benodigde gegevens over het bbp van andere lidstaten ontbreken. In het najaar is deze informatie beschikbaar. Het kabinet zal de Kamer in de Voorjaarsnota informeren over wijzigingen die zich dit begrotingsjaar in de EU-afdrachten voordoen ten opzichte van de Miljoenennota 2014. In de Miljoenennota 2015 zal het kabinet ingaan op mutaties die zich voordoen in het begrotingsjaar 2015. Over de mogelijke gevolgen van de aanpassing van het bnp voor de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking zal de Kamer uiterlijk bij Miljoenennota 2015 nader worden geïnformeerd.
Voor nadere informatie over de revisie van het bbp/bni wordt verwezen naar de binnenkort te verschijnen brief van de Ministers van Financiën en Economische Zaken en naar de eerdere brief van 6 maart 2014 (Nadere informatie revisie CBS).
In hoeverre is de genoemde stijging van de uitgaven een gevolg van een nieuwe Europese rekenmethode?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven om welke bedragen het gaat (zowel qua afdracht aan de EU als voor ontwikkelingshulp)?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre begrijpt u dat velen in ons land de miljarden die in de EU en ontwikkelingshulp gestoken worden liever besteed zien worden aan de broodnodige lastenverlichting in eigen land?
Dergelijke opvattingen zijn begrijpelijk, maar wij delen deze niet. Europese samenwerking en ontwikkelingssamenwerking zijn hoekstenen van het Nederlandse buitenlandbeleid. Met de uitgaven die daarmee samenhangen wil het kabinet groei, banen en veiligheid in Nederland bevorderen en duurzame economische groei in ontwikkelingslanden stimuleren. Daarnaast wil het kabinet werken aan de stabiliteit en veiligheid in de wereld en de waarborg van mensenrechten.
Heeft u kennisgenomen van een nieuwe publicatie van de beroemde Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh, «The Red Line and the Rat Line», waarin deze onder meer beweert dat Turkije betrokken is bij wapenleveranties aan de Syrische rebellen, steun aan de terroristische organisatie Al Nusra verleent en zelfs betrokken zou zijn bij de chemische aanval op Ghouta?1
Ja.
Klopt het dat vorig jaar mei tien leden van Al Nusra gearresteerd zijn in Zuid-Turkije met, aldus de Turkse politie in een persconferentie, twee kilo sarin?
De Turkse politie heeft vorig jaar twaalf mensen gearresteerd in Istanbul, Mersin, Adana en Hatay op verdenking van banden met een terroristische organisatie. Zes van de twaalf verdachten zijn na een eerste verhoor vrijgelaten in afwachting van hun proces. Bij de arrestaties zijn chemicaliën in beslag genomen. De Turkse autoriteiten hebben niet meegedeeld welke chemicaliën het hier betreft.
Het Turkse Openbaar Ministerie probeert in de lopende rechtszaak tegen de verdachten vast te stellen of deze lid zijn van een terroristische organisatie en of ze van plan waren aanslagen te plegen. De hoofdverdachte is op 30 oktober vrijgelaten na de eerste zitting in deze zaak. Het is nog niet bekend wanneer de volgende zitting zal plaatsvinden.
Klopt het dat deze groep aangeklaagd is voor pogingen tot verwerving van zekeringen en buizen voor de constructie van mortieren, alsmede materialen voor de productie van het zenuwgas sarin?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat vijf van deze arrestanten na een korte detentie vrijgelaten zijn, en de rest, onder wie de leider, tegen wie de aanklager een gevangenisstraf van 25 jaar had geëist, vrijgelaten zijn hangende de rechtszaak?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de uitspraak nadien van de Turkse ambassadeur in Moskou, die de arrestaties afwees en claimde dat het niet sarin betrof dat de gearresteerde groep in bezit had, maar «anti-vries» middel?
Het kabinet heeft geen informatie die het in staat stelt een eigenstandig oordeel te geven over de beweringen die Hersh in zijn artikel doet. Overigens heeft Turkije de beschuldiging van Hersh, dat het achter de gifgasaanval zit, fel van de hand gewezen, onder andere bij monde van vice-premier Arinç. De Verenigde Staten hebben ook de claims in het artikel van de hand gewezen.
Vindt u deze gang van zaken ook verdacht en een mogelijke aanwijzing dat Turkije betrokken was bij de leverantie van sarin aan Al Nusra?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het bericht dat de heer Hersh beweert over een inlichtingendocument te beschikken van de US Defense Intelligence Agency, gedateerd 20 juni 2013, getiteld «Al Nusrah Front associated sarin production cell is the most advanced sarin plot since Al Qaida’s pre-9/11 efforts»?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit document spreekt over een cel van Al Nusra die opereert bij de Syrische stad Aleppo en ondersteund wordt door personen in Turkije die chemicaliën kopen, inclusief zenuwgas, componenten, materialen en hardware?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de bewering dat de Turkse gendarmerie materialen voor chemische wapens in trucks vanuit Turkije Syrië ingereden heeft tot aan Aleppo?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de bewering dat de Amerikaanse inlichtingendiensten in 2013 ontdekten dat de Turkse regering, via de inlichtingendienst MIT en de gendarmerie, direct samenwerkte met Al Nusra en bondgenoten om chemische wapencapaciteit te ontwikkelen, inclusief logistiek, advies en training?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de bewering dat de regering Erdogan betrokken zou zijn bij de chemische aanval op Ghouta, om de Amerikaanse president Obama over diens «rode lijn» te trekken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid opheldering te vragen bij de Turkse regering over deze schokkende beweringen?
Op regelmatige basis vinden er gesprekken plaats tussen Nederland en Turkije onder meer over de crisis in Syrië, laatstelijk op 5 april met de Turkse Minister van EU-zaken Çavuşoğlu. Çavuşoğlu heeft daarin ontkend dat Turkije jihadistische groeperingen in Syrië steunt. De Turkse autoriteiten hebben herhaaldelijk in het openbaar verklaard dat zij zich juist grote zorgen maken over de Turkse binnenlandse veiligheid ten gevolge van activiteiten van jihadistische groeperingen in de grensregio, en dat zij hiertegen maatregelen treffen.
Bent u bereid in internationaal verband te pleiten voor hernieuwd onderzoek naar de toedracht en schuldvraag van de chemische aanval op Ghouta en alle andere chemische aanvallen in Syrië?
Er is vooralsnog geen aanleiding om de toedracht van de chemische aanval op Ghoutta opnieuw te onderzoeken.
Hoe beoordeelt u de beweringen van Hersh in het licht van de recent uitgelekte audiotapes over een «valse vlag operatie» die de regering Erdogan tegen Syrië zou willen ontkenenen?
Het kabinet kan de authenticiteit van de audiotapes niet beoordelen en zich dus ook geen oordeel vormen over de inhoud ervan in relatie tot de beweringen van Hersh.
Herinnert u zich dat de minister van Buitenlandse Zaken op 26 maart jl. in het Algemeen overleg NAVO toegezegd heeft om contact op te nemen met de Israelische regering over de bewering van de chef van de militaire inlichtingendienst van Israël, generaal Kochavi, dat Al Qaeda beschikt over bases in Turkije voor jihadstrijders die naar Syrië afreizen?
Ja.
Heeft u contact opgenomen met de Israelische autoriteiten? Hoe beoordeelt u het bewijs/de aanwijzingen die zij met Nederland gedeeld hebben?
Syrië en de rol van diverse spelers is doorlopend onderwerp van gesprek met de Israelische autoriteiten. Ook over dit onderwerp is contact met hen opgenomen.
Heeft Nederland zelf of via bevriende regeringen of inlichtingendiensten informatie ontvangen dat er zich trainingskampen en/of bases van strijders in Syrië bevinden of bevonden in Turkije? Zo ja, kunt u daar enige informatie over verschaffen?
Over het delen van informatie tussen de inlichtingendiensten kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Heeft Nederland zelf of via bevriende regeringen of inlichtingendiensten informatie ontvangen dat er zich trainingskampen en/of bases van strijders in Syrië bevinden of bevonden in Jordanië? Zo ja, kunt u daar enige informatie over verschaffen?
Zie antwoord vraag 17.
Heeft Nederland zelf of via bevriende regeringen of inlichtingendiensten informatie ontvangen dat er wapens via Turkije naar Syrië vervoerd worden/werden? Zo ja, kunt u daar enige informatie over verschaffen, per incident waarover u informatie heeft?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, met het oog op het Algemeen overleg over Turkije van woensdag 16 april a.s?
Ja.
Het aftreden van de regering in Mali |
|
Jasper van Dijk |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de voltallige regering van Mali haar ontslag heeft aangeboden?1
Na de parlementaire verkiezingen, waarvan de tweede ronde op 15 december 2013 plaatsvond, waren de nieuwe verhoudingen in het Malinese parlement nog niet vertaald naar de samenstelling van de regering. Om de nieuwe politieke realiteit te reflecteren moest de regering worden herschikt. In het Malinese politieke bestel is het dan gebruikelijk dat de hele regering bij monde van de premier zijn ontslag aanbiedt.
Wat is uw oordeel over het feit dat voormalig premier Ly zijn aftreden wijt aan het disfunctioneren van het regeringsapparaat?2
Uit de informatie die hierover naar buiten kwam, valt af te leiden dat er onoverbrugbare meningsverschillen tussen president Keïta en premier Ly waren ontstaan. President Keïta zou geweigerd hebben een aantal ministers te ontslaan die in de ogen van premier Ly onvoldoende functioneerden. Meerdere malen is in de Malinese pers gewezen op het gebrek aan cohesie binnen de regering.
Hoe groot is het draagvlak voor de nieuwe regering en hoe is er vanuit de Toeareg-gemeenschap gereageerd op de regeringswissel?
De nieuwe regering is nog maar net benoemd. De nieuwe premier Moussa Mara is jong en staat bekend als een goede communicator, daadkrachtig en integer.
De algemene houding van de bevolking is afwachtend, maar met vertrouwen in de premier. De vraag is hoeveel speelruimte hij krijgt of weet te creëren.
De Toearegs vormen geen hechte gemeenschap, maar bestaan uit clans en subclans. De MNLA, die maar een klein deel van de Toearegs vertegenwoordigt, heeft opmerkingen gemaakt over het feit dat er geen Toeareg meer in de regering zit.
Welke gevolgen heeft de regeringswissel voor de onderhandelingen over het verzoeningsproces tussen het noorden en zuiden van Mali?
Afgaande op de eerste uitspraken van de nieuw benoemde premier Moussa Mara blijven de belangrijkste prioriteiten van de nieuwe regering de veiligheid van alle Malinezen in heel Mali en het verzoeningsproces. Het herstel van de sociale cohesie binnen de Malinese samenleving ziet Mara daarbij als essentieel. Het kabinet verwacht dat de regeringswissel geen fundamentele koerswijziging van het tot nu toe gevoerde beleid zal betekenen.
Verder beoogt de nieuwe premier een sterkere regering, betere openbare dienstverlening en een betere relatie tussen burger en staat.
Decentralisatie is van cruciaal belang bij de onderhandelingen en in het streven naar verzoening. Met de benoeming van een nieuwe minister voor Verzoening heeft dit dossier meer profiel gekregen. Deze nieuwe minister speelde in zijn vorige capaciteit een positieve rol bij de onderhandelingen.
Kunt u een update geven van de onderhandelingen inzake het verzoeningsproces? Wat wordt ondernomen om uw zorgen hierover weg te nemen?3 4
Onderhandelingen zijn een belangrijke voorwaarde voor het verzoeningsproces. De onderhandelingen tussen de Malinese regering en de noordelijke groeperingen Mouvement National de Libération de l’Azawad(MNLA), de Haut Conseil pour l’Unité de l’Azawad(HCUA) en de Mouvement Arabe de l’Azawad(MAA) verlopen moeizaam. Een belangrijke factor is de verbrokkeling van de noordelijke groepen, in het bijzonder de MNLA. De noordelijke groeperingen trachten onderling, tot nu toe met gering succes, hun politieke en militaire posities te consolideren en tot een meer gezamenlijke inzet voor onderhandelingen te komen. Tegen deze achtergrond voelt de Malinese regering zich op dit moment niet genoodzaakt daadwerkelijke concessies te doen op het gebied van machtsdeling.
MINUSMA heeft recentelijk een aantal workshops inzake «lessons learnt», «cantonnement» (inkwartiering van gewapende rebellengroepen) en de Ouagadougou-akkoorden georganiseerd, waarbij alle partijen voor het eerst rond de tafel zaten. Het kabinet hoopt dat hieruit geleidelijk een vertrouwensbasis groeit, die uitmondt in definitieve inclusieve onderhandelingen tussen de Malinese regering en de noordelijke groeperingen. Ook het akkoord van het Malinese parlement op de instelling van de Commissie voor Waarheid, Recht en Verzoening acht het kabinet een stap in de goede richting.
Wat is uw reactie op het bericht «Mensen in Mali zien effect VN-missie niet»? Is het waar dat de prostitutie is toegenomen door de aanwezigheid van militairen?5
Bij aanvang van de Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA) waren de verwachtingen bij de bevolking hooggespannen. Het gaat te ver om te zeggen dat de mensen in Mali de inspanningen van de missie en het effect daarvan niet zien. Het draagvlak voor de missie is groot. De missie heeft de organisatie van verkiezingen effectief gesteund. Er is meer veiligheid in het noorden, waardoor economische activiteit is toegenomen en scholen zijn heropend. Humanitaire steun is op gang gekomen en basisdiensten zijn beter beschikbaar, hoewel op dat terrein nog veel werk te doen is. Impact zichtbaar maken is tegelijk een uitdaging. Ten eerste omdat de Malinese overheid primair verantwoordelijk is en de missie slechts ondersteunend is. Ten tweede omdat veel doelstellingen en taken in het mandaat, zoals het opbouwen van de capaciteit van de overheid, tijd kosten. Daarnaast zijn landen terughoudend met troepen leveren, waardoor het moeite kost om de missie op volle sterkte te brengen. Naar verwachting krijgt de ontplooiing van de missie in de komende maanden een impuls. Dit zal de realisatie van resultaten positief beïnvloeden. Tot slot zou de missie beter moeten uitleggen aan de bevolking wat MINUSMA voor hen betekent. Aan een externe communicatiestrategie wordt momenteel gewerkt, met plannen als het opzetten van een «Radio MINUSMA».
Het kabinet zijn geen gegevens bekend over toegenomen prostitutie in Mali. Als deze ontwikkeling plaatsvindt, is het aan MINUSMA om de eigen militairen nog nadrukkelijker te instrueren op wenselijk gedrag en maatregelen te nemen om misstanden te voorkomen en, indien zij zich voordoen, te adresseren.
Hoe oordeelt u over deze uitspraak van de directeur van Oxfam: «Mijn zorg is dat MINUSMA op korte termijn iets oplevert, maar daarna niet. Er moet geïnvesteerd worden in een politieke oplossing en in ontwikkelingshulp, want tot nu toe is de bijdrage van donoren niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.»?
Zie het antwoord op vraag 6. Het is juist dat MINUSMA zich in de beginfase, ook door de beperkte capaciteit, heeft geconcentreerd op verkiezingen ondersteunen, stabiliteit in het noorden en humanitaire hulp faciliteren. Daarnaast was de missie actief bij de besprekingen met en in het noorden (de «politieke oplossing»). Dat is een complex proces en sterk afhankelijk van de primaire spelers, zoals de overheid en de verschillende groepen in het noorden. De Malinese regering is verantwoordelijk voor het verzoeningsproces en structurele ontwikkeling, daarbij gesteund door de internationale gemeenschap en donoren, waaronder Nederland. Nu de capaciteit van de missie geleidelijk toeneemt, de gezamenlijke ontwikkelingsstrategie van de regering, het VN landenteam en MINUSMA vorm krijgen en de behoeften aan ondersteuning concreter in kaart worden gebracht, ontstaat er meer ruimte voor investeringen in ontwikkeling in het noorden. In de afgelopen maanden heeft MINUSMA overigens bijgedragen aan een aantal positieve ontwikkelingen zoals het heropenen van scholen, rechtbanken en gevangenissen, en het trainen van politiepersoneel.
Het kabinet heeft gekozen voor een geïntegreerde benadering als uitgangspunt voor de inzet in Mali, waarbij de Nederlandse inzet in MINUSMA zo veel mogelijk aansluit bij het bilaterale ontwikkelingsprogramma: substantiële, meerjarige investeringen in veiligheid en rechtsorde, gericht op conflictpreventie, verzoening en rechtsbesef.
In mei vorig jaar brachten donoren tijdens de grote donorbijeenkomst in Brussel 3,25 miljard euro bijeen voor 2013 en 2014. Het is zaak de hulp op een verantwoorde en transparante manier in te zetten in nauw overleg met de Malinese autoriteiten, maatschappelijke organisaties en de private sector.