Bescherming van fiscale informatie van burgers |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bericht dat de Belastingdienst/Toeslagen volgens het College bescherming persoonsgegevens (CBP) onvoldoende controleert of de wettelijke regels en procedures ter bescherming van fiscale informatie van burgers worden nageleefd bij het opvragen van belastinggegevens door hulp- en informatiepunten?1
Ja.
Is het waar dat de Belastingdienst bij het opvragen van fiscale gegevens niet controleert of mensen daadwerkelijk toestemming hebben gegeven voor het opvragen van hun fiscale gegevens door een hulp- of informatiepunt en niet wordt vastgelegd door wie deze informatie wordt opgevraagd? Zo ja, wat is de reden voor deze gemakzuchtige gang van zaken?
De Belastingdienst hecht groot belang aan de vertrouwelijkheid van gegevens van burgers, met het oog op de bescherming van de privacy en zeker ook om te voorkomen dat misbruik van gegevens wordt gemaakt. In de overeenkomsten die met hulp- en informatiepunten (HIP) worden afgesloten wordt hieraan nadrukkelijk aandacht besteed. Met het ondertekenen van die overeenkomsten verplichten deze HIPs onder meer om zorgvuldig met alle gegevens om te gaan. Daarnaast is in deze overeenkomsten ook de verplichting opgenomen om te controleren of de burger is wie hij zegt dat hij is voordat wordt overgegaan tot het opvragen van informatie en uiteraard ook of er sprake is van toestemming. Over de afgelopen 5 jaren is één klacht bekend van een toeslaggerechtigde over een individuele HIP. De Belastingdienst heeft indertijd direct actie ondernomen.
De bevindingen van het CBP zien op een controle door de Belastingdienst op de naleving van de overeenkomsten door de HIP. Ook aan deze controle op de naleving hecht de Belastingdienst. Waar het beleid omtrent de HIP de afgelopen jaren vooral gericht is geweest op dienstverlening is de focus het afgelopen jaar verschoven naar kwaliteitsbewaking en controle. De maatregelen die zijn aangekondigd naar aanleiding van de CBP bevindingen sluiten aan op deze verschuiving. Als eerste maatregel zullen (op basis van steekproeven) toeslaggerechtigden worden gebeld voor wie informatie is opgevraagd. Hiermee wordt gecontroleerd of toeslaggerechtigden hiertoe toestemming hebben gegeven.
Voorts is de registratie van contactpersonen bij de HIP geactualiseerd. Tot slot is een deel van de zogenaamde bewerkersovereenkomsten met de HIP aangepast aan de huidige ondersteuning van de HIP. Deze aanpassing wordt in de loop van 2011 afgerond. Met de voltooiing van deze actie zullen alle bevindingen van het CBP door middel van een maatregel zijn opgelost.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat mensen erop kunnen vertrouwen dat vertrouwelijk met hun fiscale gegevens wordt omgesprongen? Is het waar dat u de conclusies van het CBP niet heeft weersproken en maatregelen gaat nemen om de onrechtmatigheden te beëindigen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat, mede in het licht van het antwoord op de vragen van het lid Omtzigt2 over fraude met voorlopige teruggaven, dat ook identiteitsfraude een rol kan spelen bij de in desbetreffend antwoord geconstateerde grote fraudes met Voorlopige Teruggaven, fiscale gegevens uiterst vertrouwelijk moeten worden behandeld?
Zie antwoord vraag 2.
Nederland als vestigingsplek voor het Libische bedrijf Oilinvest |
|
Farshad Bashir , Harry van Bommel (SP), Ewout Irrgang |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Libische Oilinvest en daarmee Tamoil vanuit Ridderkerk bestuurd worden en niet vanuit Italië, omdat Nederland wat de belasting betreft veel voordelen biedt?1
Uit Europese regelgeving volgt dat banken die in Nederland hun (statutaire) zetel hebben en uit dien hoofde een vergunning hebben gekregen van De Nederlandsche Bank (DNB), onder prudentieel toezicht staan van DNB en volledig deelnemen aan het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS).
Banken die hun statutaire zetel in een andere EU- of EER-land hebben, staan op grond van de herziene richtlijn banken hoofdzakelijk onder toezicht van de toezichthouder in hun lidstaat van herkomst en moeten bij de zogenoemde thuisland toezichthouder een bankvergunning aanvragen. Binnen de EER geldt een bankvergunning als een «Europees paspoort». Dat betekent dat EER-banken onder andere bijkantoren kunnen openen in andere EER-lidstaten zonder in de «lidstaat van ontvangst» een nieuwe bankvergunning aan te vragen. Een bijkantoor is een onzelfstandig onderdeel van de desbetreffende buitenlandse bank zonder eigen rechtspersoonlijkheid. In het geval een bank uit een andere EER-lidstaat een bijkantoor opent in Nederland, oefent DNB als gastland toezichthouder alleen toezicht uit op de liquiditeit en integriteit van het Nederlandse bijkantoor.
Dit beperkte toezicht hangt samen met de verdeling van verantwoordelijkheden en taken rond het toezicht op banken in Europees verband, die al begin jaren negentig van de vorige eeuw tot stand is gekomen.
Het artikel in het Parool verwijst naar twee bijkantoren van EER-banken die hun (statutaire) zetel hebben in Frankrijk, de Attijariwafa Bank Europe SA en de Banque Chaabi du Maroc SA, die beide in het bezit zijn van een bankvergunning van de Banque de France. Op basis van die bankvergunning opereren beide in Nederland. Zij zijn dus niet in het bezit van een Nederlandse bankvergunning, waardoor deposito’s bij deze banken niet in aanmerking komen voor dekking onder het Nederlandse DGS.
Voor vragen over integratie verwijs ik u naar de minister voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Heeft Oilinvest of Tamoil afspraken (ook wel rulings genoemd) gemaakt met de Belastingdienst? Zo ja, wat is de aard van die afspraken?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de Belastingdienst geen afspraken maakt met buitenlandse bedrijven en dat daarom in dit geval niet valt uit te sluiten dat de Belastingdienst een afspraak met Oilinvest of Tamoil heeft gemaakt, aangezien dat Nederlandse vennootschappen zijn? Zo nee, kunt u het beleid van de Belastingdienst betreffende rulings met betrekking tot binnenlandse en buitenlandse bedrijven dan nader uiteenzetten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u (in algemene zin) zo gedetailleerd mogelijk uiteenzetten wat er in rulings precies wordt afgesproken, met name op het gebied van het belastingtarief, de grondslag (toerekening van vermogensbestanddelen en activiteiten) en de waardering van de grondslag? Waarover worden de meeste afspraken gemaakt? Hoeveel rulings maakt de Belastingdienst gemiddeld per jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het juist dat de voormalige Nederlandse Antillen door het sluiten van de informatie-uitwisselingsverdragen met de Noordse staten nu op de witte lijst van de OESO staan2, terwijl de voormalige Nederlandse Antillen blijkbaar nog steeds worden gebruikt voor belastingconstructies?
Is het waar dat er tussen Oilinvest en Tamoil een Cypriotische investeringsmaatschappij zit en dat er verder in de organisatiestructuur van deze bedrijven een Nederlandse coöperatie zit en dat er gebruik wordt gemaakt van (een) vestiging(en) op de Nederlandse Antillen?
Komen structuren zoals beschreven in het bij vraag 1 genoemde artikel vaker voor? Is dit een trend van de laatste jaren? Kunt u deze structuur schematisch weergeven en daarbij de belastingvoordelen voor de bedrijven opnoemen?
Klopt het dat als een coöperatie op de juiste manier gestructureerd is, er geen belasting ingehouden hoeft te worden op de uitbetaalde winsten? Zo niet, hoeveel is de minimale belasting die betaald moet worden? Kunt u dit toelichten?
Is het waar dat de Belastingdienst de exacte organisatiestructuur van Oilinvest kent? Zo ja, kunt u deze informatie delen met de Tweede Kamer en daarbij ook meenemen bij wie de inkomsten van Oilinvest uiteindelijk terechtkomen? Zo niet, waarom kent de Belastingdienst de organisatiestructuur niet?
Is het van belang voor de toepassing van een eventuele ruling of voor de Nederlandse vennootschapsbelasting dat het bestuur van een Nederlandse vennootschap in Nederland vergadert dan wel besluiten neemt? Zo ja, hoe wordt gecontroleerd of dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Vindt u het wenselijk dat dictators Nederland gebruiken in belastingroutes? Zo nee, wat gaat u doen om dat in de toekomst te voorkomen? Zo ja, waarom?
Wordt in het onderzoek van het kabinet naar de mogelijkheid om Libische tegoeden en bezittingen in Nederland te bevriezen ook Oilinvest betrokken? Wat zou het bevriezen van bezittingen concreet betekenen voor Oilinvest?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor niet alleen het bevriezen van tegoeden, maar ook van bezittingen van het Libische regime?
Belastingontwijkroutes die worden gebruikt door Kadhafi in Nederland |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel op quotenet waarin staat dat Kadhafi tankt in Nederland met 0,125% belasting?12
Ja.
Is het waar dat de Belastingdienst geen bijzondere afspraken maakt met buitenlandse bedrijven?
De Belastingdienst maakt met zowel binnenlandse als buitenlandse bedrijven afspraken over hun fiscale aangelegenheden in Nederland. Dit zijn geen bijzondere afspraken, maar afspraken waarin op basis van de feiten en omstandigheden van een concrete situatie wordt vastgelegd welke fiscale gevolgen een voorgenomen rechtshandeling of structuur zal hebben, uiteraard binnen de kaders van wet, jurisprudentie en het (uitvoerings)beleid.
Is het waar dat elk bedrijf dat zich in Nederland vestigt, dus ook de zogenoemde «brievenbussen» en multinationals, te allen tijde dezelfde percentages vermogensbelasting en overige belastingen betalen als bedrijven met een beperktere omvang?
Een bedrijf dat zich in Nederland vestigt zal onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en overige belastingen en zal ook hetzelfde tarief betalen als elk ander bedrijf in Nederland met dezelfde belastbare winst. De winst wordt net als voor de overige bedrijven vastgesteld op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving.
Kunt u bevestigen dat er geen sprake is van belastingen op maat, dus aparte afspraken en deals, voor multinationals en hier gevestigde buitenlandse bedrijven?
Voor de multinationals en hier gevestigde buitenlandse bedrijven gelden dezelfde wetten en regels als voor andere in Nederland gevestigde bedrijven. Aangezien de Belastingdienst slechts afspraken maakt binnen de kaders van wet- en regelgeving en internationale afspraken, is er dus geen sprake van aparte afspraken en deals voor de genoemde bedrijven. Uiteraard vallen er wel verschillen te onderkennen in de fiscale vraagstukken die aan de orde zijn bij buitenlandse bedrijven die in of via Nederland activiteiten ontplooien, in vergelijking met binnenlandse bedrijven. Bij buitenlandse bedrijven kan in dit kader bij voorbeeld worden gedacht aan de vraag of sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting vanwege de eventuele aanwezigheid van een in Nederland gelegen vaste inrichting of vanwege het anderszins genieten van inkomsten uit een Nederlandse bron.
Indien er wel sprake is van aparte overeenkomsten, deelt u de mening dat dit leidt tot fiscale ontwijking en dat Nederland daarom gezien wordt als belastingparadijs?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich de Kamervragen die op 14 januari zijn gesteld over de € 12 300 000 000 000 die via bijzondere financiële instellingen door Nederland loopt en waarover maar 0,008% aan belasting wordt betaald? Aanvullend op deze vragen: is duidelijk wie er profiteert van deze fiscale ontwijkroutes? Wordt er misbruik gemaakt van deze fiscale ontwijkroutes door dictators of door vijandige regimes?2
Ja, in mijn brief van 16 maart 2011, IFZ2011/073M, heb ik in het antwoord op de desbetreffende vraag aangegeven dat dit bedrag niets te maken heeft met belastbare winsten en dat in dit bedrag ook bijvoorbeeld de waarden van leningen en deelnemingen zijn opgenomen. Ik heb daarbij aangegeven dat uit een nadere DNB publicatie blijkt dat in 2009 door BFI’s (Bijzondere Financiële Instellingen) per saldo ruim € 3 mrd meer is ontvangen dan is betaald. Daarbij heb opgemerkt dat dit zich niet één op één laat vertalen in een fiscaal belastbaar bedrag (deze statistische gegevens worden niet voor fiscale doeleinden opgesteld). In beginsel kan elk bedrijf dat activiteiten in of via Nederland ontplooit, gebruik maken van het Nederlandse juridische, financiële en fiscale stelsel. Echter, in de APA/ATR-praktijk is één van de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over fiscale structuren, dat informatie wordt verstrekt met betrekking tot de wereldwijde organisatiestructuur (waaronder informatie over de uiteindelijke gerechtigdheid van het vermogen van degene die zekerheid vooraf verzoekt). Daarnaast zal geen zekerheid vooraf worden verstrekt indien sprake is of kan zijn van vermoedens over betrokkenheid bij activiteiten als witwassen, steekpenningen, ernstige vermogensdelicten en/of terrorismefinanciering of een internationale boycot. Mocht de Belastingdienst, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de aangifte of een eventueel boekenonderzoek, stuiten op de hiervoor genoemde activiteiten, dan zal de Belastingdienst deze melden bij andere overheids- en toezichtsinstanties, zoals het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, de Autoriteit Financiële Markten, en De Nederlandsche Bank.
Welke middelen heeft Nederland om sancties te treffen in die gevallen dat dictators of vijandige regimes tegoeden of bezittingen hebben in Nederland?
De Sanctiewet 1977 biedt de grondslag voor het treffen van sancties ten dienste van de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Dergelijke sancties worden in internationaal verband overeengekomen, hetzij door de VN hetzij door de EU. De Veiligheidsraad heeft inmiddels sancties tegen Libië uitgevaardigd; deze sancties zijn door de EU overgenomen en uitgebreid. Sindsdien heeft de EU o.a. naar aanleiding van VNVR resolutie 1973 eveneens de tegoeden en bezittingen van belangrijke Libische staatsentiteiten, waaronder de Centrale Bank van Libië, de Libyan Foreign Bank en de Libyan Investment Authority (LIA) en de National Oil Corporation (NOC) bevroren. Reden voor deze bevriezing is de controle die Qaddafi en zijn familie op deze entiteiten uitoefenen.
Bent u bereid deze middelen in te zetten in het geval van dictators, teneinde deze gelden toe te kennen aan de rechtmatige eigenaren, te weten de burgers van Libië?
Zie antwoord vraag 7.
Wat betekent de stelling uit het artikel dat de Belastingdienst amoreel is precies? Welke verantwoordelijkheid heeft de Belastingdienst als zij misstanden aantreft? Welke verantwoordelijkheid heeft de Belastingdienst ten opzichte van inwoners van Nederland? Welke verantwoordelijkheid heeft de Belastingdienst ten opzichte van inwoners van dictatoriale regimes die de dupe zijn van ons fiscaal beleid? Vindt u dit toelaatbaar? Waar ligt volgens u de morele grens?
Belastingen worden geheven «zonder aanzien des persoons». Dit betekent dat de feiten en omstandigheden van een specifieke situatie bepalen op welke wijze volgens de wet- en regelgeving belasting wordt geheven. Mocht de Belastingdienst, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de aangifte of een eventueel boekenonderzoek, stuiten op de in de vraag bedoelde onregelmatigheden, dan zal de Belastingdienst deze melden bij andere overheids- en toezichtsinstanties, zoals het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, de Autoriteit Financiële Markten, en De Nederlandsche Bank.
Bent u bekend met artikel 54 van de Pensioenwet waarin ex-werknemers de mogelijkheid geboden wordt om hun pensioenregeling vrijwillig voort te zetten?
Ja.
Als civielrechtelijk een Zzp’er nog tien jaar pensioen mag opbouwen en fiscaal maar drie jaar wordt gefaciliteerd, deelt u de mening dat de civiele regeling voor zeven jaar effectief daarmee een «wassen neus» is en dat fiscale en civiele regelingen parallel dienen te lopen, in lijn met het SER-advies?1
Ik deel uw mening dat het ophouden van de fiscale facilitering na 3 jaar, niet bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de voortzetting van de pensioenopbouw bij de oude pensioenuitvoerder. Hoewel er vanuit de fiscaliteit goede redenen bestaan om grenzen te stellen aan de mate waarin van de omkeerregel gebruik kan worden gemaakt, vind ik het in deze situatie wenselijk om te faciliteren wat op grond van de Pensioenwet mogelijk is.
Kunt u nog vóór de kabinetsreactie op het SER-advies aangeven of u van plan bent om de voorgestelde verlenging daadwerkelijk te realiseren? Zo ja, wanneer?
Ik ben bereid de fiscale begeleiding van vrijwillige voortzetting te verlengen van 3 naar 10 jaar, zodat de in de Pensioenwet genoemde mogelijkheid ook fiscaal wordt gefaciliteerd. Voor de budgettaire dekking van deze maatregel, die ik met het Belastingplan 2012 wil realiseren, heb ik wel de steun nodig van uw Kamer.
Bij de invulling van de verlenging van de vrijwillige voortzetting wil ik nog onderzoeken of mogelijk is de pensioengrondslag na het derde jaar te maximeren op het actuele inkomen en met als bovengrens het laatstverdiende loon van de gewezen werknemer.
Het is de bedoeling dat vanaf 2012 gebruik kan worden gemaakt van de uitbreiding van de fiscale facilitering bij vrijwillige voortzetting.
Een onbedoeld effect van de wijzigingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting |
|
Roos Vermeij (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het nieuwsbericht van AWVN over het nieuwe artikel 12.2a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011) voor regelingen van vervroegde uittreding (RVU) die in de periode 2006 tot 2011 bij een verzekeraar zijn ondergebracht?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom dit artikel is opgenomen en in uitvoering lijkt af te wijken van artikel 12.2 Uitvoeringsbesluit loonbelasting (UBLB) dat ziet op de periode vóór 2006?2
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat bedoeld wordt artikel 12.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (hierna: URLB 2011).
Om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen en de vervroegde uittreding te ontmoedigen is per 1 januari 2005 bij de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (hierna: Wet VPL) 3 een zogenoemde VUT-heffing geïntroduceerd. De VUT-heffing rust op de inhoudingsplichtige (werkgever of verzekeraar) en wordt geheven over de op hem drukkende VUT-uitkeringen. Bij uitvoering door een andere inhoudingsplichtige (hierna:verzekeraar) vindt de VUT-heffing tevens plaats over de op de werkgever drukkende bijdrage aan de verzekeraar. Om in de laatstgenoemde situatie cumulatie van VUT-heffingen te voorkomen, is met de in artikel 32ba, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) opgenomen anticumulatiebepaling onder meer geregeld4 dat bij de verzekeraar geen VUT-heffing over de VUT-uitkering plaatsvindt voor zover reeds VUT-heffing is geheven over de werkgeversbijdrage aan de verzekeraar (saldomethode); de VUT-uitkering wordt geacht in zoverre niet op de verzekeraar te drukken. Het tarief voor de VUT-heffing bedroeg 26% in de periode tot en met 31 december 2010. Vanaf 1 januari 2011 geldt voor de VUT-heffing – op grond van de per 1 januari 2005 geldende Wet VPL – het tarief van 52%.
Artikel 106 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001), dat per 1 januari 2011 is vervangen door artikel 12.2 van de URLB 2011, is per 1 januari 2005 in werking getreden om te bereiken dat de VUT-heffing ook geheven zou worden in de gevallen waarin nog voor de invoering van de VUT-heffing een werkgeversbijdrage aan de verzekeraar is betaald, in welke gevallen derhalve geen VUT-heffing over die werkgeversbijdrage heeft plaatsgevonden. Indien in die situatie bij de verzekeraar toch de anticumulatiebepaling zou worden toegepast met betrekking tot die werkgeversbijdragen, zou ten onrechte niet de beoogde VUT-heffing van 26% plaatsvinden over de uitkeringen die in de periode tot 2011 door de verzekeraar werden gedaan. Om dit te voorkomen is in artikel 106, tweede lid, van de URLB 2001 geregeld dat de genoemde werkgeversbijdragen bij de toepassing van de anticumulatiebepaling buiten aanmerking bleven.
Artikel 12.2a van de URLB 2011 heeft een vergelijkbare strekking als artikel 12.2 van de URLB 2011 (en artikel 106 van de URLB 2001). Ook artikel 12.2a van de URLB 2011 beoogt te voorkomen dat de toepassing van de genoemde anticumulatiebepaling tot een onbedoeld voordeel zou leiden. Van een onbedoeld voordeel is sprake bij constructies waarbij met betrekking tot regelingen voor vervroegde uittreding een ongebruikelijke voorfinanciering heeft plaatsgevonden die slechts tot doel had gebruik te maken van de hiervoor genoemde anticumulatiebepaling en daarmee de toepassing van het per 1.1. 2011 voor de VUT-heffing geldende tarief van 52% in zoverre te ontlopen.
Artikel 12.2a van de URLB 2011 heeft op grond van de huidige tekst echter ook gevolgen voor situaties waarin geen sprake is van het hiervoor bedoelde oneigenlijk gebruik. Dat is uiteraard niet beoogd. Ik heb daarom besloten artikel 12.2a van de URLB 2011 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 zodanig aan te passen dat artikel 12.2a van de URLB 2011 slechts van toepassing is in situaties waarin de inspecteur kan aantonen dat er sprake is van een ongebruikelijke voorfinanciering die samenhangt met de verhoging van het tarief van de VUT-heffing per 1 januari 2011.
Gegeven het feit dat de rechten (de uitkeringen) en verplichtingen (de koopsom voor de uitkeringen) van de werknemer direct tegenover elkaar staan en er in die situatie geen sprake is van extra premiestortingen, deelt u dan de mening dat oneigenlijk gebruik van het overgangsrecht zich niet voordoet bij een RVU die – in het kader van ontslag – wordt verzekerd?
Voor zover hier wordt gedoeld op ontslaguitkeringen die ineens worden afgestort bij een verzekeraar is uiteraard geen sprake van een ongebruikelijke voorfinanciering die samenhangt met de verhoging van het tarief van de VUT-heffing. Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, zal de tekst van artikel 12.2a van de URLB 2011 zodanig worden aangepast dat dit artikel in die situatie niet van toepassing is.
Hoe werkt artikel 12.2a UBLB volgens u uit in de volgende situatie? Een werknemer wordt in 2008 ontslagen en brengt zijn ontslagvergoeding van € 100 000 onder bij een verzekeraar waarbij sprake is van een RVU en er wordt een periodieke uitkering aangekocht van € 24 000 per jaar voor de periode 2009–2013.
Ik ga bij de beantwoording van deze vraag ervan uit dat hier bedoeld wordt artikel 12.2a van de URLB 2011.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven wordt artikel 12.2a van de URLB 2011 zodanig aangepast dat die bepaling in de bij deze vraag bedoelde situatie niet van toepassing is. Bij een in het jaar 2008 bij een verzekeraar ondergebrachte ontslagvergoeding van € 100 000 die in de periode 2009–2013 tot een jaarlijkse uitkering van € 24 000 leidt, kan niet worden gesproken van een ongebruikelijke voorfinanciering die met de verhoging van het tarief van de VUT-heffing per 1 januari 2011 samenhangt.
Is er overleg geweest met belangenorganisaties van werkgevers en werknemers of met het Verbond van Verzekeraars over de invoering van deze anti-misbruik maatregel? Hoe kwalificeert u de opmerking uit het nieuwsbericht van AWVN dat deze regeling «geheel onverwacht» is ingevoerd?
De in het antwoord op vraag 2 aangekondigde wijziging van artikel 12.2a van de URLB 2011 zal ertoe leiden dat die bepaling slechts in situaties van oneigenlijk gebruik van het overgangsrecht toegepast zal worden. Daarmee zal in zoverre ook het bezwaar van onverwachte invoering van artikel 12.2a van de URLB 2011 weggenomen worden. Dat bezwaar speelt in situaties van gebruikelijke financieringen van regelingen voor vervroegde uittreding immers geen rol meer, omdat artikel 12.2a van de URLB 2011 in die situaties buiten toepassing blijft. In de situaties van oneigenlijk gebruik die in de lijn van de bedoeling van de wetgever wel getroffen worden door artikel 12.2a van de URLB 2011 is niet van belang of de invoering van die bepaling al dan niet verwacht kon worden.
Deelt u de mening dat voor getroffen houders van stamrechten een ongewenste en onvoorziene situatie is ontstaan, waarbij deze houders plotseling substantieel minder geld krijgen dan verwacht kon worden op basis van de gemaakte afspraken?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 volgt, zal artikel 12.2a van de URLB 2001 geen gevolgen hebben voor de in vraag 6 en vraag 7 bedoelde houders van stamrechten.
Bent u bereid deze situatie voor verzekerde rechten waar rechten en verplichtingen direct tegenover elkaar staan, en geen sprake is van extra premiestortingen, ongedaan te maken?
Zie antwoord vraag 6.
Gemeenten die regels voor het afhandelen van WOZ-bezwaarschriften aan de laars lappen |
|
Roland van Vliet (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bezwaarschriften woz standaard afgewezen»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat veel gemeenten een woz-bezwaarschrift niet serieus afhandelen maar gewoon standaard afwijzen en er pas serieus werk van wordt gemaakt als burgers in beroep gaan bij de rechter? Bent u het er mee eens dat een dergelijk «knijp en piep-systeem» onbehoorlijk bestuur is en dat dit dus niet zo hoort te gaan?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat gemeenten bij het verlenen van vergunningen burgers onder druk zetten of intimideren zodat de burger afziet van een woz-procedure? Bent u het ermee eens dat dit misbruik van bevoegdheid («detournement de pouvoir») is en dat dit ontoelaatbaar is?
Deelt u de mening dat deze manier van werken van gemeenten rechtsongelijkheid in de hand werkt, onrechtmatig is en het vertrouwen van de burger in de overheid schaadt?
Bent u bereid een onderzoek te instellen om de aard en omvang van dit probleem in kaart te brengen? Welke plaats ziet u voor de Waarderingskamer in deze om dit soort zaken te monitoren? Op welke wijze denkt u dat hierover door de Waarderingskamer kan worden gerapporteerd?
Welke maatregelen gaat u treffen tegen gemeenten die onzorgvuldig en onrechtmatig handelen bij de behandeling van woz-bezwaarschriften en hoe gaat u dit in de toekomst voorkomen? Is het daarbij een optie om de uitvoering van de Wet woz in de toekomst bij de rijksbelastingdienst onder te brengen?
Zou het wettelijk geregeld kunnen worden om de afhandeltermijn voor alle bezwaren tegen gemeentelijke belastingen Awb-conform te maken (dus een afhandeling binnen zes weken na afloop van de bezwaartermijn) en de termijn voor woz-bezwaren terug te brengen naar maximaal zes maanden?
Hoe staat u tegenover de gedachte om de gemeentewet zo te wijzigen dat na verloop van de afhandeltermijn de «Lex Silencio Positivo» van toepassing wordt en het bezwaar van rechtswege wordt toegewezen?
De zoektocht van de fiscus naar zwartspaarders |
|
Farshad Bashir |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Kunt u het bericht dat zwartspaarders snel een brief krijgen en de kans hebben zich vrijwillig bij de Belastingdienst te melden bevestigen?1
Hoeveel van de Nederlanders die op de cd-rom staan hebben hun banktegoed op de betreffende rekeningen doorgegeven aan de fiscus? Valt uit de cijfers op te maken dat een groot deel van de Nederlanders op de cd-rom de belasting ontduikt?
Na ontvangst van in dit geval de gegevens uit Frankrijk worden die gegevens door de Belastingdienst uitvoerig geanalyseerd, veredeld en vergeleken met bij de Belastingdienst reeds bekende gegevens. Deze werkzaamheden hebben in elk geval tot de conclusie geleid dat er in een groot aantal gevallen aanleiding is om een brief te sturen met een verzoek om nadere informatie over de betrokken rekening(en). Het onderzoek door de Belastingdienst bevindt zich nog in de beginfase. Conclusies over aantallen belastingplichtigen die al dan niet een juiste aangifte hebben gedaan kunnen op dit moment dan ook nog niet worden getrokken.
Wat houdt het in dat in het persbericht van het ministerie van Financiën2 staat dat analyse heeft uitgewezen dat de informatie voldoende betrouwbaar is om de rekeninghouders aan te schrijven? Wil dat zeggen dat de rekeninghouders ook daadwerkelijk worden aangeschreven en wat houden die aanschrijvingen concreet in?
Zie antwoord vraag 2.
Worden alle Nederlanders op de cd-rom, afkomstig van het Franse ministerie van Financiën, beboet voor zover uit de administratie van de Belastingdienst blijkt dat ze hun buitenlandse banktegoeden niet hebben opgegeven of hebben ze de mogelijkheid zich eerst vrijwillig te melden en dus in te keren?
Indien uit de nader van belastingplichtige ontvangen informatie blijkt dat de buitenlandse tegoeden ten onrechte niet zijn begrepen in de ingediende belastingaangifte(n) zal, naast de alsnog verschuldigde extra belasting, een boete worden opgelegd overeenkomstig de daarvoor geldende regels. Inkeer is niet meer mogelijk vanaf het moment dat de zwartspaarder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn eerder ingediende aangifte bekend is of zal worden.
Deelt u de mening dat deze mensen betrapt zijn en dus beboet moeten worden en dus niet meer vrijwillig mogen kunnen inkeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel denkt de Belastingdienst extra op te kunnen halen met behulp van de van Frankrijk verkregen informatie over ondergebracht vermogen in een Stichting Particulier Fonds (SPF)?
Gelet op de fase waarin het onderzoek door de Belastingdienst verkeert kan over een mogelijke opbrengst nog niets met zekerheid worden gezegd.
Hoe kan het dat de aangescherpte wetgeving met betrekking tot afgezonderd particulier vermogen deze belastingontduiking met behulp van SPF’s niet heeft kunnen voorkomen?
Als gevolg van de nieuwe wetgeving is belastingontwijking (van ontduiking is sprake als de regels zijn overtreden) door Nederlandse belastingplichtigen met behulp van afgezonderde particuliere vermogens (zoals SPF’s) vanaf 1 januari 2010 niet meer mogelijk: dit vermogen wordt vanaf die datum belast bij de inbrenger(s) of diens erfgenamen.
De Belastingdienst heeft geconstateerd dat vlak voor de inwerkingtreding van deze nieuwe wetgeving op zeer grote schaal trusts en buitenlandse stichtingen zijn ontmanteld of leeggehaald (volgens schatting enige honderden, waarvan één met een vermogen van bijna 100 mio euro). De ontmanteling van SPF structuren heeft tot gevolg dat ook in die gevallen het vermogen in de belastingheffing moet worden betrokken. Als de inbrenger bewust nalaat dit op te nemen in zijn aangifte is er sprake van een bewust onjuiste aangifte en daarmee van een beboetbaar of strafrechtelijk vervolgbaar feit. Vanzelfsprekend beoordeelt de Belastingdienst of de ontmanteling ook gevolgen heeft voor de belastingheffing in de jaren vóór 2010. Ook is het bestaan van SPF’s of de identiteit van de inbrenger niet in alle gevallen bij de Belastingdienst bekend. Zo tracht de Belastingdienst bijvoorbeeld samen met de overheid van Curaçao te achterhalen welke Nederlandse belastingplichtigen betrokken zijn bij de aldaar gevestigde SPF’s.
Is er voor de informatie, afkomstig van het Franse ministerie van Financiën, betaald? Zo ja, hoeveel?
De informatie is, op verzoek van Nederland, door het Franse ministerie van Financiën verstrekt op basis van een Europese richtlijn voor administratieve samenwerking. Voor het verstrekken van die informatie wordt niet betaald.
Fraude met voorlopige teruggaaf |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het tegengaan van fraude met Voorlopige Teruggaaf (VT) tot de beleidsprioriteiten van de Belastingdienst hoort in 2011?1
Ja. Ook in 2010 was dit het geval.
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren verschillende gevallen van grote fraude met VT’s aan het licht zijn gekomen in combinatie met identiteitsfraude?2 En dat hierbij vaak gebruik werd gemaakt van mensen in een kwetsbare positie zoals buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering, dat wil zeggen mensen van wie zeer moeilijk terugvordering plaatsvindt bij geconstateerde fraude? Hoe groot is het bedrag van geconstateerde fraude met de voorlopige teruggave geweest in 2007, 2008, 2009 en 2010?
In de afgelopen jaren zijn enkele fraudegevallen behandeld door de strafrechter waarbij o.a. sprake was van fraude met VT’s in combinatie met identiteitsfraude. Deze vorm van fraude is één van de verschijningsvormen van hetgeen nu aangeduid wordt met de term «systeemfraude». Hieronder wordt verstaan elke poging tot het laten uitbetalen door de Belastingdienst van een bedrag dat is gebaseerd op gefingeerde gegevens. Wanneer na verloop van tijd de definitieve aanspraak wordt vastgesteld blijkt dat de «rechthebbende» niet of moeilijk in staat is het te veel of ten onrechte betaalde terug te betalen of dat de voorlopige betaling is uitbetaald aan iemand die heeft gemanipuleerd met de fiscale identiteitgegevens van de aanvrager. Systeemfraude in combinatie met ID-fraude – dan «profiteert» een ander dan de aanvrager – komt aanzienlijk minder vaak voor dan systeemfraude waarbij geen ID-fraude wordt gepleegd en waarin de aanvrager zelf – in ieder geval voor een aanzienlijk deel – «profiteert».
Het is juist dat deze fraude vaak voorkomt bij mensen die in een kwetsbare positie zitten of geen ervaring hebben met het fenomeen voorlopige teruggave in die zin dat aan hen niet duidelijk wordt gemaakt dat na verloop van tijd moet worden «afgerekend». In veel gevallen blijkt dan ook nog dat de aanvragers «provisie» hebben betaald aan degenen die namens hen de aanvraag hebben ingediend. Terugvordering van de ten onrechte betaalde voorlopige teruggaaf is in deze gevallen inderdaad moeilijk.
Het fenomeen «systeemfraude» is in de afgelopen jaren toegenomen en daarom heeft de Belastingdienst in 2009 de inzet op het voorkomen en bestrijden ervan geïntensiveerd en geconcentreerd. Om die reden zijn vanaf medio 20093 gegevens apart bijgehouden over de omvang van deze fraude. Gegevens over eerdere jaren zijn niet beschikbaar. Bovendien zijn alleen de gegevens beschikbaar over de gehele periode, uitsplitsing over 2009 en 2010 is niet mogelijk. Dit levert het volgende beeld op.
Het aantal signalen van systeemfraude dat tot nu toe in dat kader is onderzocht bedraagt 29 000. Ruim 16 000 signalen zijn op dit moment in onderzoek. Het bedrag aan teruggaven dat op deze totaal 45 000 gevallen betrekking heeft, is ca. € 135 miljoen. Het beleid om de controle «aan de poort» te versterken heeft ertoe geleid dat uitbetaling van een totaalbedrag ter grootte van ca. € 90 miljoen is «tegengehouden». Ca. € 45 miljoen is ten onrechte wel uitbetaald. Zoals hiervoor aangegeven, worden ten onrechte uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Dit vindt plaats in het reguliere invorderingsproces waarover extracomptabel geen bestuurlijke informatie wordt bijgehouden. Het genoemde bedrag van € 45 miljoen is dus een maximum bedrag. Het uiteindelijke «schadebedrag» (ten onrechte uitgekeerde teruggaven die niet kunnen worden ingevorderd) zal lager zijn.
Omdat ik wil weten in hoeverre de aanpak van deze fraude succesvol is heb ik de Belastingdienst opgedragen de invordering van deze fraudeposten apart te monitoren, zodat in beeld kan worden gebracht hoe groot het uiteindelijke schadebedrag is.
Indien iemand een VT invult met bijvoorbeeld een nieuwe claim tot aftrek van hypotheekrente, is het dan mogelijk om te controleren of die persoon ook daadwerkelijk een hypotheekschuld heeft of is de omvangrijke automatisering van de Belastingdienst daartoe nog niet in staat?
Het is wel mogelijk om vooraf te controleren of er sprake is van een hypotheekschuld, maar dit is geen geautomatiseerde controle. Het inbouwen van een dergelijke controle vereist een ingrijpende aanpassing van de systemen van de Belastingdienst en ook een ingrijpende wijziging in de aanlevering van gegevens door geldverstrekkers.
Heeft de Belastingdienst een mechanisme waarbij vooral grote persoonsgebonden aftrekposten zoals giften, buitengewone uitgaven en studiekosten ook vooraf getoetst worden of worden zij slechts achteraf gecontroleerd?
Vanwege de aard van de persoonsgebonden aftrekposten is het niet mogelijk deze anders dan marginaal vooraf te toetsen nadat een verzoek om een voorlopige teruggaaf is ingediend. Extra controles vooraf leiden ertoe dat het langer gaat duren voordat een teruggaaf wordt toegekend.
Is de belastingdienst in staat om middels de polisadministratie een goede schatting te maken of het opgegeven bedrag aan geschatte loonbelasting ongeveer klopt? En kan zij dat bijvoorbeeld halverwege het jaar de VT-uitbetaling stopzetten als er een grote discrepantie is tussen de bij de VT opgegeven loonbelasting en de afgedragen loonbelasting?
Bij het beoordelen van een verzoek tot voorlopige teruggaaf geldt als uitgangspunt het daarin aangegeven loon. Bij substantiële afwijkingen wordt de aanvraag niet zonder meer gehonoreerd, maar vindt nader onderzoek plaats. Dan fungeert de informatie uit de polisadministratie als contra-informatie. Dit is een controle die niet automatisch plaatsvindt.
Welke maatregelen heeft u genomen en welke maatregelen gaat u nemen om VT-fraude, al dan niet in combinatie met identiteitsfraude te voorkomen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen, zoals de groepen genoemd in vraag 2, beter beschermd worden?
De in vraag 2 bedoelde «kwetsbare groepen» zijn in veel gevallen niet alleen als «slachtoffer» aan te merken, maar ook als dader. Zij werken eraan mee dat met hun gegevens ten onrechte aanvragen voor een teruggaaf worden ingediend. In veel gevallen zal er bij de «slachtoffers» ook sprake zijn van in ieder geval een vermoeden dat deze werkwijze niet correct kan zijn. Aanvragen uit dergelijke groepen worden waar mogelijk extra goed beoordeeld voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Daarnaast probeert de Belastingdienst in contact te komen met organisaties die ervaring hebben met buitenlandse werknemers, asielzoekers en mensen in de schuldsanering met de bedoeling dat die organisaties deze groepen ervoor waarschuwen niet in zee te gaan met belastingadviseurs die een snelle uitbetaling van de fiscus «aanbieden».
Er zijn, zoals hiervoor al opgemerkt, al veel concrete maatregelen ingevoerd om systeemfraude «aan de poort» te onderkennen waardoor veel pogingen tot het doen van onterechte aanvragen worden ontdekt en uitbetaling wordt voorkomen. Vanwege het strategische karakter van deze maatregelen is het niet opportuun om ze concreet te noemen.
Ten onrechte uitbetaalde bedragen worden altijd teruggevorderd en als er sprake is van een vorm van georganiseerde criminaliteit wordt de FIOD ingeschakeld die ter zake proces-verbaal opmaakt. Het openbaar ministerie vervolgt de daders. Diverse verdachten zijn in de afgelopen maanden veroordeeld in sommige gevallen tot forse gevangenisstraffen.
Binnen de Belastingdienst wordt deze fraude in samenhang met soortgelijke fraude bij andere middelen en toeslagen geconcentreerd aangepakt. In totaal zijn ongeveer 150 medewerkers bezig met deze taak.
De Belastingdienst werkt ook samen met Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude. Dit meldpunt neemt contact op met de Belastingdienst na een melding van ID-fraude – waarbij de identiteitsgegevens van een andere persoon worden gebruikt zonder dat die ander daarvan op de hoogte is – die mogelijk ook betrekking heeft op belastingen of toeslagen.
Ik heb de Belastingdienst opgedragen de aanpak van deze fraude hoog op de agenda te houden en nog meer in te zetten op het voorkomen ervan via controle aan de poort. Ik ben me ervan bewust dat dit kan leiden tot aanpassingen in de systemen en processen, hetgeen kosten met zich mee brengt en ook het niveau van dienstverlening negatief kan beïnvloeden. Naar mijn overtuiging is dit alleszins gerechtvaardigd wanneer daarmee deze brutale fraude kan worden ingedamd.
Ik beraad mij op dit ogenblik nog op het nemen van aanvullende maatregelen, mogelijk ook in de wetgeving. Daarbij staat bij mij voorop dat goedwillende burgers – het overgrote deel van de belastingplichtigen – hier zo weinig mogelijk van moeten merken. Ondanks dat uitgangspunt zal dat toch niet helemaal uitgesloten kunnen worden.
Over enkele weken zal ik u een brief doen toekomen waarin ik meer gedetailleerd zal ingaan op de genomen en te nemen maatregelen.
Aftrekbaarheid van boetes |
|
Wouter Koolmees (D66) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Schikkingen deels fiscaal aftrekbaar»1, «Belastingbetaler draagt bij aan schikking»1 en «Hoge Raad beslist dat NMa-boetes niet aftrekbaar zijn»?2
Ja.
Vindt u het terecht dat de belastingbetaler bijdraagt aan een deel van schikking? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eerste twee krantenartikelen hebben betrekking op het vastgoedfraudeonderzoek Klimop. In dit omvangrijke onderzoek wordt ernaar gestreefd met de beschikbare capaciteit bij de opsporingsdiensten, het Openbaar Ministerie en de zittende magistratuur (ZM) een maximaal effect te bereiken door een aanpak waarbij aan zoveel mogelijk verdachten een sanctie kan worden opgelegd en maximaal herstel van de schade voor de benadeelde partijen wordt behaald. Dat heeft geleid tot een gedifferentieerde afdoening waarbij voor de openbare terechtzitting is geconcentreerd op de natuurlijke personen die als hoofdverdachte kunnen worden gekwalificeerd vanwege hun actief sturende rol en de omvang van het genoten voordeel. De zaken van een aantal andere verdachten worden met een transactie afgedaan.
Het OM kan bij een transactie op grond van artikel 74 Wetboek van Strafrecht onder andere overeenkomen dat een bedrag wordt betaald als boete, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel of als schadevergoeding. Een bedrag dat wordt betaald als boete is niet aftrekbaar. Dit is geregeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De boete is namelijk gericht op leedtoevoeging. Dit geldt voor alle soorten boeten, dus ook voor de boeten die opgelegd worden door de Nederlandse Mededelingsautoriteit (NMA) en boeten die betaald worden in het kader van een veroordeling of een transactie.
Het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel en het laten betalen van een schadevergoeding zijn erop gericht de rechtmatige toestand te herstellen. Het profijt wordt weggenomen dat de verdachte door zijn strafbare handelen heeft gehad. In beide gevallen zijn de gebruikelijke regels voor winstbepaling van toepassing. Deze zijn identiek voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen.
Tegenover het belaste profijt staat dan het bedrag dat de verdachte aan de Staat betaalt Daardoor zijn de inkomsten voor de verdachte per saldo nihil en is uiteindelijk geen winstbelasting verschuldigd. De belastingbetaler draagt dan ook niet bij aan deze onderdelen van een transactie of veroordeling.
Voor de betreffende vier transacties uit het Klimoponderzoek verwijs ik verder naar de antwoorden op vragen van de leden Gesthuizen en Bashir van uw Kamer (2011Z00501). Door een aan deze transacties gestelde voorwaarde zijn de benadeelde partijen vroegtijdig schadeloos gesteld. Met de drie rechtspersonen zijn boetes overeengekomen en met de natuurlijke persoon een boete en een taakstraf (www.om.nl, persbericht van 10 januari 2011).
Welke vormen van boetes en schikkingen zijn fiscaal aftrekbaar?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een bedrijf dat wordt veroordeeld dan wel een schikking treft zelf voor het volledige boetebedrag en overige kosten moet opdraaien, en dat het onterecht is dat dit bedrag aftrekbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te regelen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat 2011 een duur jaar belooft te worden voor ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (MKB) |
|
Erik Ziengs (VVD), Brigitte van der Burg (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren waarom de gemeentelijke belastingen voor kleinere ondernemers in 2011 gemiddeld met 3,5 tot 4,8 procent stijgen?1
Het is te vroeg om te stellen dat de gemeentelijke belastingen voor kleine ondernemers gemiddeld met dit percentage stijgen. De gemeentelijke lasten worden periodiek en generiek gemeten waarna op basis van gegevens die voor het gehele land gelden een beoordeling kan worden gemaakt. Dit zijn de realisatiecijfers die worden verzameld door het CBS. Het CPB gebruikt deze gegevens voor de ramingen ten aanzien van de lastenontwikkeling.
Gemeenten hebben daarnaast een autonome bevoegdheid tot het vaststellen van de gemeentelijke heffingen, binnen de door de wet gestelde kaders. Daarnaast is er voor de OZB de zogenoemde macronorm aan de hand waarvan mede getoetst wordt of de generieke lastenontwikkeling in de pas loopt met de budgettaire doelstelling voor medeoverheden. Het onderzoek waaruit de door de vraagsteller gememoreerde percentages naar voren komen is incidenteel van aard en maakt geen deel uit van reguliere toetsing. Deze cijfers kunnen dan ook niet dienen als basis van een beoordeling van de ontwikkeling van de lokale lasten. Met de vraagstellers ben ik van mening dat het zonder meer afwentelen van financiële problemen op het lokale bedrijfsleven niet gewenst is.2
Deelt u de mening dat het niet gewenst is wanneer gemeenten hun eventuele financiële problemen afwentelen op het lokale bedrijfsleven?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de gemeenten vooral in eigen vlees moeten snijden?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een dergelijke lastenverzwaring funest is voor het ondernemersklimaat in Nederland en het economische herstel?
Een onevenredige lastenverzwaring kan een negatieve invloed hebben op ondernemers in het midden- en kleinbedrijf. Ik ga er vanuit dat in de eerste plaats de lokale besluitvorming waarborgen biedt ter voorkoming hiervan. De lokale democratische verantwoording vormt een stok achter de deur; daarnaast maken grote lastenstijgingen voor bedrijven het lokale vestigingsklimaat onaantrekkelijk. Het Kabinet houdt zelf ook een vinger aan de pols. De lokale lasten worden als onderdeel van het geheel aan lasten worden gemonitord en op macroniveau gecompenseerd indien deze het vastgestelde kader zouden overstijgen. Ik wacht vooralsnog een beoordeling van het totaalbeeld af. Het Kabinet voert daarnaast op dit moment bestuurlijk overleg met de direct betrokkenen (provincies en gemeenten), in het kader van de nieuwe Bestuursakkoorden tussen Rijk en decentrale overheden. Hierin komt ook de lokale lastenontwikkeling aan de orde. Het Kabinet zal hierin uw en onze zorgen over de lastenontwikkeling voor bedrijven meenemen. De inzet van het kabinet bij het tot stand komen van het Bestuursakkoord is dat de lokale lastenontwikkeling gedurende deze kabinetsperiode gematigd zal zijn.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat gemeenten hun financiële problemen ten koste van het midden- en kleinbedrijf, proberen op te lossen?
Zie antwoord vraag 4.
Belastingontwijkroutes |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid om te onderzoeken of over de door u genoemde 12.300.000.000.000,00 euro meer dan 0,008 procent aan belasting betaald zou kunnen worden, teneinde elders de lasten te verlichten?1
Ik kan me uw zorg ten aanzien van dit indrukwekkende bedrag voorstellen, daarom heb ik ook navraag laten doen bij DNB hoe we dit bedrag moeten duiden. Navraag bij DNB leert dat het bedrag uit de beantwoording waar u aan refereert, niets te maken heeft met belastbare winsten. In dit bedrag zijn ook bijvoorbeeld de waarden van leningen en deelnemingen opgenomen. Dit bedrag is afkomstig uit statistische rapportages van DNB over 2008. In de bijgevoegde publicatie uit het statistisch bulletin van DNB (december 2010)2 ligt de nadruk op inkomsten zoals dividenden en interest. Op bladzijde 27 is aangegeven dat in 2009 door BFI’s (Bijzondere Financiële Instellingen) per saldo ruim € 3 mrd meer is ontvangen dan is betaald. Daar moet bij worden opgemerkt dat dit zich niet één op één laat vertalen in een fiscaal belastbaar bedrag (deze statistische gegevens worden niet voor fiscale doeleinden opgesteld), maar het komt wel meer in de buurt dan het in de vraag gesuggereerde bedrag.
U geeft in uw beantwoording aan dat deze geldstromen werkgelegenheid opleveren (voor financiële professionals); deelt u de mening dat gezien het grote bedrag dat via deze entiteiten door Nederland stroomt deze een relatief lage werkgelegenheidsopbrengst met zich meebrengt? Kunt u dan wellicht bij het eventuele onderzoek de vraag betrekken of een hogere lastendruk op deze geldstromen niet meer werkgelegenheid oplevert, wanneer men dit laat terugvloeien middels een lastenverlaging op de factor arbeid?
In Nederland kan zekerheid vooraf worden gekregen voor de fiscale gevolgen van het opzetten van (internationale) structuren. Afhankelijk van de aard, omvang van het risico van de activiteiten worden ook afspraken gemaakt over de beloning in Nederland. Bij het vaststellen van die zakelijke beloning gelden internationale verrekenprijs spelregels waaraan de OESO landen, waaronder Nederland, zich houden. Net als voor andere bedrijfsmatige activiteiten wordt de werkgelegenheid die er mee gemoeid is, bepaald door het bedrijf dat voor zijn keuzes wordt afgerekend door de tucht van de markt. Dit geldt zowel voor directe werkgelegenheid die met een activiteit is gemoeid, als voor de indirecte werkgelegenheid (in dit geval voor de juridische en financiële dienstverlening). Aangrijpingspunt voor de winstbelasting is niet het balanstotaal of aantallen werknemers, maar de belastbare winst die met de activiteiten wordt behaald.
Wel heeft Nederland een bepaling in de wet3 opgenomen om te voorkomen dat structuren via Nederland worden geleid zonder dat hier enige activiteit plaatsvindt of zonder dat hier enig risico wordt gelopen. Hieruit blijkt dat Nederland geen fiscaal gefacilieerd onderdak wil bieden aan substanceloze structuren. Tot slot kan nog worden opgemerkt dat gegeven de mobiliteit van de grondslag het waarschijnlijk is dat een hogere belastingdruk leidt tot verdwijnen van activiteiten waardoor er geen ruimte ontstaat om elders de lasten te verlichten.
U geeft aan dat «multinationale ondernemingen zelf moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid»; kunt u hiervan voorbeelden geven vanuit het kabinet? Zijn er bedrijven aangesproken? Kunt u concrete voorbeelden van bedrijven noemen die door u zijn aangesproken in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen, of wellicht in het kader van belastingontwijking ten nadele van ontwikkelingslanden?
Nee, omwille van de geheimhoudingsverplichting kan ik geen concrete voorbeelden van bedrijven noemen waarbij deze thema’s aan de orde zijn geweest in het overleg tussen de Belastingdienst en bedrijven. Wel kan ik in algemene zin aangeven dat dergelijke thema’s meer dan in het verleden onderwerp van gesprek zijn. In 2005 heeft de Belastingdienst aan zijn vormen van toezicht het zogenoemde horizontale toezicht toegevoegd. Horizontaal toezicht gaat uit van wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie. De Belastingdienst streeft ernaar om met ondernemingen handhavingsconvenanten te sluiten, op grond waarvan ondernemingen zelf meer verantwoordelijkheid krijgen. Concreet betekent dit dat de bedrijven zelf de fiscale risico’s in beeld brengen en deze melden bij de Belastingdienst. Gebleken is dat bedrijven zich mede hierdoor in toenemende mate onthouden van agressieve structuren en dat ook afspraken worden gemaakt met bedrijven om zich hiervan te onthouden. Waar nodig bestrijdt de Belastingdienst uiteraard ook gericht constructies van bedrijven waarbij gepoogd wordt belasting te ontwijken. In dit verband wijs ik ook op mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 december 2010 inzake Btw-ontwijkende structuren en financiële instellingen. Ook in internationaal verband wordt aandacht besteed aan maatschappelijk verantwoord ondernemen in relatie tot belastingen zoals bij het verder ontwikkelen van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen en in het Forum on Tax Administration van de OESO.
U stelt dat het doorlichten van het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven op het gebied van belastingontwijking ten koste van ontwikkelingslanden weinig oplevert daar dit bij uitstek een internationaal probleem is; zou u om dat te onderbouwen willen aangeven hoe het bedrag van 12,3 biljoen euro in Nederland zich verhoudt tot deze geldstromen door andere OESO lidstaten? Hoe verhoudt zich dit tot het BBP van deze landen?
DNB heeft geen gegevens over de omvang van de geldstromen in andere OESO landen, en heeft dus ook geen inzicht in de verhoudingen van dat bedrag met het BBP. Voor zover bekend is er ook geen andere instantie (in Nederland) die deze informatie beschikbaar heeft. Het lijkt erop dat de geldstromen die via BFI’s stromen in het buitenland niet zoals in Nederland separaat worden gepubliceerd, maar mogelijk worden deze stromen ook niet separaat bijgehouden. Voor fiscale doeleinden lijkt de relevantie van het genoemde bedrag beperkt. Zoals aangegeven bij het antwoorden op de vragen 1 en 2, zegt het bedrag namelijk niets over belastbare winsten. Zoals reeds in de eerdere beantwoording aan u is uiteengezet heeft een specifiek op Nederland gericht onderzoek, vanwege het internationale karakter van de problematiek, weinig toegevoegde waarde. Belangrijker is dat in internationaal verband, zoals in het kader van de OESO Taskforce Tax & Development, met ontwikkelingslanden, NGO’s en bedrijfsleven wordt gewerkt aan een verbetering van de positie van ontwikkelingslanden. Dat de belangen van ontwikkelingslanden wel degelijk mijn bijzondere aandacht hebben, blijkt daarnaast ook uit de notitie fiscaal verdragsbeleid die recent aan de Tweede Kamer is gezonden4.
In uw antwoorden stelt u dat het faciliteren van royaltybetalingen van groot belang is voor innovatie; kunt u aangeven wat de betaling van royalty’s voor het voeren van een biermerk (Grolsch) dat al sinds 1615 bestaat – zoals in de SAB-Miller casus – te maken heeft met innovatie?
In de beantwoording van de vraag is geen relatie gelegd met een specifieke belastingplichtige. Innovatie kent vele schakeringen zoals onderzoek op het gebied van voeding, medicijnen, biotechnologie, technische toepassingen en het ontwikkelen van een merk(naam). Niet alleen de ontwikkeling van innovatie maar ook het onderhouden van rechten kan arbeidsintensief zijn en veel kosten met zich meebrengen. Innovatie is een item dat zowel door het bedrijfsleven als door de overheid belangrijk wordt geacht. Hoge bronheffingen op royalty’s kunnen een belemmering vormen voor het aantrekken van buitenlandse investeringen in innovatie.
Deelt u de mening dat de eisen voor royaltybetalingen zoals het intellectueel eigendom moet worden aangescherpt, om misbruik of oneigenlijk gebruik te voorkomen?
Nee. Het is zakelijk om voor het gebruik van intellectueel eigendom te betalen, ongelieerde partijen doen dat ook. De markt bepaalt de prijs. Voor gelieerde transacties gelden de internationale verrekenprijs spelregels van de OESO, die in de Nederlandse wet verankerd zijn in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Onzakelijke voorwaarden en prijzen bij transacties tussen groepsmaatschappijen kunnen worden gecorrigeerd. Verder kunnen misbruiksituaties worden bestreden met fraus legis. Het gaat dan om gevallen waarin de doorslaggevende beweegreden voor het aangaan van de rechtshandeling verijdeling van belastingheffing is en dat de gekozen wijze waarop een en ander is vormgegeven strijdig is met doel en strekking van de van de wet. Ik zie geen aanleiding om het instrumentarium uit te breiden voor royaltybetalingen. Tot slot wil ik nog melden dat bij de OESO recent een project is gestart over intellectuele eigendom in haar werkgroep over verrekenprijzen. Nederland zal zich daarbij inzetten dat ook rekening wordt gehouden met de belangen van niet OESO landen (waaronder de ontwikkelingslanden).
Het toeslagensysteem van de Belastingdienst |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel «Uitstel toeslagensysteem Belastingdienst kost 4 miljoen per maand» over de zevende halfjaarrapportage van de Belastingdienst?1
Ja.
Hoeveel van de verzoeken gedaan in januari 2010 zijn ook daadwerkelijk doorgestuurd in 2010?2
In januari 2010 zijn in totaal 96 verzoeken ontvangen en verstuurd. Hiervan zijn er 86 correct in het buitenland ontvangen. De overige tien verzoeken zijn door het buitenland geweigerd. Dit is gebleken in september 2010. De verzoeken zijn toen opnieuw ingediend, maar hebben opnieuw tot foutmeldingen geleid. Deze verzoeken worden door de Belastingdienst individueel behandeld in overleg met de ondernemers en de betrokken lidstaten.
Welke problemen, die in de zevende halfjaarrapportage zijn beschreven in hoofdstuk 4.3, waren op 1 mei 2010 al bekend bij de Belastingdienst?3 Zo er geen bekend waren, hoeveel verzoeken tot teruggave van BTW waren voor die datum correct verwerkt?
In antwoord op schriftelijke vragen van het Kamerlid Aptroot, die aan de Tweede Kamer zijn toegezonden op 24 juni 2010, heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat na de invoering van het nieuwe proces in 2010 sprake is geweest van opstartproblemen in de ondersteunende systemen in Nederland en op EU-niveau. Ook is aangegeven welke maatregelen de Belastingdienst heeft genomen om deze problemen te verhelpen4. In paragraaf 4.3. van de zevende halfjaarsrapportage wordt hieraan gerefereerd.
Tot 1 mei 2010 zijn aan het buitenland 3 899 verzoeken verzonden, waarvan 1 598 verzoeken correct zijn ontvangen. Op peildatum 31 december 2010 zijn 3 709 verzoeken correct ontvangen. De overige 190 verzoeken hebben geleid tot diverse foutmeldingen. Deze meldingen worden individueel behandeld in overleg met de ondernemers en de betrokken lidstaten. Tot 1 mei 2010 zijn van het buitenland 1 314 verzoeken ontvangen. Deze zijn in 2010 afgehandeld.
Welke andere landen hebben minstens vergelijkbare problemen gehad met de teruggave van intercommunautaire BTW?
Na inventarisatie van antwoorden vanuit de lidstaten op vragenlijsten van de Europese Commissie heeft de Europese Commissie in de eerste helft van 2010 geconcludeerd dat de systemen van veel lidstaten technische onvolkomenheden vertoonden. Dit gold ook voor de onderlinge communicatie tussen de systemen.
De verstoring die na de zomer van 2010 is geconstateerd, betrof specifiek het ondersteunende systeem voor BTW-teruggaaf dat door de Nederlandse Belastingdienst wordt gebruikt. Deze verstoring is verholpen waardoor het teruggaafproces thans zonder noemenswaardige stagnatie verloopt. De technische afstemming met de meest betrokken lidstaten (België, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg) is geïntensiveerd.
Aan hoeveel ondernemers wordt coulancerente betaald? Hoeveel coulancerente wordt er in totaal betaald? Hoe lang heeft de Belastingdienst gemiddeld gewacht met het doorsturen van de teruggaafverzoeken, waarvoor nu coulancerente betaald wordt?
Voor betaling van de coulancerente zijn thans de voorbereidingen gaande. In de tweede helft van januari 2011 wordt de procedure (waaronder de te gebruiken criteria) voor de betaling van coulancerente vastgesteld. De hoogte van de uit te betalen coulancerente zal mede afhankelijk zijn van het door het buitenland toegekende teruggaafbedrag. Het aantal betrokken ondernemers is afhankelijk van de te bepalen termijn waarover coulancerente wordt betaald. Naar verwachting gaat het om circa 5000 ondernemers.
Ongeveer 90% van de desbetreffende teruggaafverzoeken is verstuurd binnen 15 dagen, zulks in overeenstemming met de EU-bepalingen. De overige teruggaafverzoeken zijn vanwege de eerdergenoemde technische problemen later verzonden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 10 januari in verband met het Algemeen Overleg Belastingdienst op 13 januari 2011?
Ja.
Informatie over Nederlandse charitatieve instellingen |
|
Helma Neppérus (VVD), Brigitte van der Burg (VVD), Pieter Omtzigt (CDA), Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de internetpagina’s: http://www.belastingdienst.nl/giften/anbi_zoeken/ over in Nederland geregistreerde ANBI’s, die als goed doel belastingfaciliteiten genieten en met http://www.charity-commission.gov.uk?
Ja.
Kunt u aangeven waarom hier slechts de vestigingsplaats van de instelling genoemd wordt en niet een internetpagina, postadres en/of contactpersoon?
Bij de wijziging van de ANBI-regeling in 2008 is in nauw overleg met de koepelorganisaties van de goede doelensector ervoor gekozen om alleen de naam en de vestigingsplaats van ANBI’s te vermelden op de website van de Belastingdienst. Ik ben bereid om in overleg met de koepelorganisaties opnieuw te bezien of uitbreiding met andere gegevens mogelijk is.
Kunt u een vergelijking maken van de informatie die Engelse charitatieve instellingen openbaar moeten maken en die Nederlandse charitatieve instellingen openbaar moeten maken voor het publiek?
Voor de Nederlandse charitatieve instellingen geldt dat zij, naast de eisen die in de ANBI-regeling worden gesteld met betrekking tot de status van algemeen nut beogende instelling, dezelfde verplichtingen ten aan zien van openbaarmaking hebben als andere stichtingen en verenigingen. In het Verenigd Koninkrijk geldt dat «civil society»-organisaties open en transparant moeten zijn in het rapporteren over hun activiteiten en waar mogelijk moeten laten zien wat de meerwaarde is van hun programma's en diensten op sociaal en economisch gebied en op de leefomgeving.
Vindt u dat het Engelse voorbeeld navolging verdient, bijvoorbeeld in het kader van de nieuwe Geefwet? Bent u bereid dit toe te zeggen? Zo nee, waarom niet?
In overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie (V&J) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) wordt thans intensief gesproken over de Geefwet en de mogelijke invulling daarvan. Het Engelse systeem biedt daarbij interessant vergelijkingsmateriaal. De manier waarop goede doelen transparanter kunnen opereren maakt tevens nadrukkelijk deel uit van de verkenning. Ik ben dan ook bereid om met mijn collega’s van V&J en OCW het aspect van openbaarheid van de beoordeling van ANBI’s hierbij te betrekken.
Deelt u de mening dat de rapportage op basis waarvan de Belastingdienst tot het oordeel komt of organisaties voldoen aan de vereisten van de ANBI status inzichtelijk moeten worden voor een ieder, het liefst via internet?1 Wilt u dit voorstel uitwerken in de startnotitie in het onderdeel Geefwet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De vrijwilligersvergoeding voor vrijwilligerswerk |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op vragen van de leden Omtzigt, Willemse-van der Ploeg en Van Vroonhoven-Kok over Vrijwilligerswerk en maatschappelijke organisaties?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat vele goede doelen (ANBI’s) niet in staat zijn de vrijwilligersvergoeding uit te keren, maar dat de mensen die recht zouden hebben op zo’n vergoeding wel een verklaring geven dat zij recht hebben op de aftrekbaarheid van die vergoeding als gift?
Het is mij bekend dat goede doelen (ANBI’s) in bepaalde gevallen aan hun vrijwilligers een verklaring geven op grond waarvan de vrijwilliger denkt dat hij recht heeft op giftenaftrek tot het in de verklaring genoemde bedrag. Het recht op giftenaftrek kan echter niet louter voortvloeien uit een verklaring van de ANBI, maar is afhankelijk van het voldoen aan de daarvoor geldende fiscale voorwaarden. Uit het antwoord op de vragen 4 en 5 blijkt welke voorwaarden in dit kader van belang zijn.
Deelt u de mening dat rechtsongelijkheid, waarbij verschillende belastinginspecteurs exact dezelfde verklaringen in het ene geval wél toestaan en in het andere geval niet toestaan, onwenselijk is en dat dit binnen een goed doel zeer vervelend kan zijn?2
Het is uiteraard niet wenselijk dat vrijwilligers die in gelijke omstandigheden verkeren een ongelijke behandeling krijgen bij de giftenaftrek. Uit het antwoord op de vragen 4 en 5 blijkt dat de hier aan de orde zijnde aftrek voor een groot deel een beoordeling van feitelijke aard vergt. Daardoor is het mogelijk dat de vrijwilliger die van de ene ANBI een «vrijwilligersverklaring» krijgt wel recht heeft op giftenaftrek, terwijl de vrijwilliger die van een andere ANBI een gelijkluidende verklaring krijgt geen recht heeft op giftenaftrek. Daarnaast kan de Belastingdienst niet iedere concrete situatie toetsen. Daarom kan het voorkomen dat bij degene die niet is gecontroleerd de aftrek is verstrekt, terwijl deze aftrek bij expliciete toetsing niet verstrekt zou zijn.
Kunt u aangeven hoe een en ander zich verhoudt tot het door u op voornoemde vragen gegeven antwoord dat de vrijwilligers de niet-ontvangen vrijwilligersvergoeding als gift kunnen aftrekken, mits er daadwerkelijk sprake is van het afzien van de vergoeding?
Voor de beoordeling van de vraag of vrijwilligers recht hebben op giftenaftrek is het van belang onderscheid te maken tussen (A) het afzien van een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten en (B) het afzien van een vrijwilligersvergoeding die niet gebaseerd is op werkelijk gemaakte kosten.
(A) Afzien van een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten.
Giftenaftrek is mogelijk als men kosten met succes bij de ANBI zou kunnen declareren, maar daarvan vrijwillig afziet. Giftenaftrek is ook mogelijk als het gaat om kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, maar waarvoor geen vergoedingsregeling is getroffen door de slechte financiële positie van de instelling of waarbij de belastingplichtige bij voorbaat van vergoeding heeft afgezien. Bij deze naar maatschappelijke opvattingen te vergoeden kosten valt te denken aan kosten van vervoer van de vrijwilliger.
(B) Afzien van vrijwilligersvergoeding die niet gebaseerd is op werkelijk gemaakte kosten.
In deze situatie gaat het niet om de vraag hoe de vrijwilliger giftenaftrek kan krijgen voor gemaakte kosten. Hier gaat het om ANBI’s die de inzet van de vrijwilliger willen belonen en die dat willen bereiken door de vrijwilliger een giftenaftrek te bezorgen met behulp van een «vrijwilligersverklaring». De vrijwilliger zou in dat geval worden beloond doordat hij een belastingteruggave ontvangt. Zoals is meegedeeld in de in vraag 1 aangeduide antwoorden, is in de verklaring van bepaalde ANBI’s vastgelegd dat de vrijwilliger het behaalde belastingvoordeel moet afstaan aan de ANBI. Dan zou de ANBI niet alleen beter worden van de werkzaamheden van de vrijwilliger, maar ook van de belastingteruggave van de vrijwilliger.
Het recht op giftenaftrek kan niet louter worden geëffectueerd door het afgeven van een «vrijwilligersverklaring». Als dat wel het geval zou zijn dan zouden alle vrijwilligers die zich inzetten voor een ANBI binnen de kortste keren een giftenaftrek krijgen. Giftenaftrek komt echter pas in beeld als de vrijwilliger daadwerkelijk afziet van de vergoeding. Dat betekent dat de Belastingdienst dient te toetsen:
De financiële situatie en de kennelijke bedoeling van de ANBI moeten worden getoetst. Als er inderdaad vergoedingen betaalbaar zijn, dan is van belang dat de vrijwilliger de vergoedingen zelf moet kunnen genieten en dus de volledige vrijheid heeft om de vergoeding zelf te houden.
Kunt u aangeven onder welke omstandigheden een vrijwilligersvergoeding, die gedoneerd wordt aan het goede doel, aftrekbaar is en onder welke omstandigheden niet? Kunnen ook wat armere goede doelen hiervan gebruik maken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat nu nog aangiftes over voorgaande jaren in verschillende mate herzien lijken te worden op dit punt? Zo ja, wat is het beleid in dezen?
Ja. Indien bij de behandeling van de aangifte van een bepaald jaar blijkt dat een onjuiste giftenaftrek is toegepast, kan de Belastingdienst ook de voorgaande jaren aan een nadere beoordeling onderwerpen. Met inachtneming van de regels inzake de navorderingsbevoegdheid kan dat leiden tot een herziening van de aangiften over voorgaande jaren.
Bent u bereid de antwoorden op deze vragen hetzij aan de inspecteurs te sturen hetzij vast te leggen in een beleidsbesluit ten einde zekerheid vooraf te verschaffen?
Het beoordelingskader zoals geschetst in het antwoord op de vragen 4 en 5 is in maart 2009 breed bekend gemaakt aan de inspecteurs. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om het antwoord op deze vragen via de daartoe geëigende kanalen nogmaals uitdrukkelijk onder hun aandacht te brengen.
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot aanpassing van de kinderopvangtoeslag |
|
André Rouvoet (CU), Emile Roemer , Job Cohen (PvdA), Femke Halsema (GL), Marianne Thieme (PvdD), Alexander Pechtold (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet bezuinigt op de kinderopvangtoeslag?1
Ja.
Wat zijn de nominale effecten op de uitkeringen van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
Ik heb tijdens het wetgevingsoverleg kinderopvang van 22 november 2010 toegezegd alle kindregelingen te bekijken op samenhang, transparantie en effectiviteit en de Kamer hierover te informeren bij de nadere uitwerking van de bezuinigingsopgaaf. Hierbij zullen ook de nominale effecten op de uitkeringen worden aangegeven.
Wat zijn de budgettaire effecten van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
De budgettaire effecten zijn als volgt (zie ook de financiële bijlage bij het regeerakkoord, pagina 13 en begroting OCW 2011) (in miljarden euro’s; + = besparing, – = intensivering):
Budgettaire effecten (€ mld)
2011
2012
2013
2014
2015
Ingeboekt bij voorjaarsnota 2010 (ingevuld)
0,23
0,29
0,36
0,36
0,38
Ingeboekt bij Miljoenennota (nog niet ingevuld)
Ingeboekt bij Regeerakkoord (nog niet ingevuld)
Wat is het doel van de kinderopvangtoeslag, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
De doelstellingen van het kabinetsbeleid op basis van het regeerakkoord zullen worden verwerkt in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting 2012.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de effecten van deze bezuinigingen op de effect- en prestatie-indicatoren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Er wordt een wetsvoorstel voorbereid, tevens zal de AMvB worden aangepast.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
Het wetsvoorstel moet op 1 januari 2012 ingaan.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 9.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Het kabinet legt jaarlijks verantwoording af over het beleid via het Jaarverslag op Verantwoordingsdag.
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot de afbouw van de algemene overdraagbare heffingskorting in referentieminimumloon |
|
Emile Roemer , Alexander Pechtold (D66), André Rouvoet (CU), Kees van der Staaij (SGP), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA), Femke Halsema (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting doorvertaalt naar de uitkeringen (exclusief AOW)?1
Ja.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
De doelstellingen van het kabinetsbeleid op basis van het regeerakkoord zullen worden verwerkt in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting 2012.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de nominale effecten op de uitkeringen van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
Het voornemen is de maatregel per 1 januari 2012 te laten ingaan. In 2011 zijn er dus geen effecten. Daarna zal de maatregel de stijging van de uitkeringen afvlakken. De uitkeringen zijn gekoppeld aan de lonen en de afbouw van de dubbele heffingskorting wordt verspreid over 20 jaar. Hoewel de exacte hoogte van de indexering niet bekend is, omdat deze halfjaarlijks wordt vastgesteld, zullen de uitkeringen overigens naar verwachting nominaal blijven stijgen.
Wat zijn de verwachte koopkrachteffecten van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
De inkomenseffecten van de maatregel – afbouw dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon – zijn negatief. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel zal nader worden ingegaan op de koopkrachteffecten.
Wat zijn de budgettaire effecten van de bezuinigingen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en structureel?
De budgettaire effecten zijn als volgt (zie ook de financiële bijlage bij het regeerakkoord, pagina 2 (in miljarden euro’s; + = besparing, – = intensivering):
2012
2013
2014
2015
structureel
AHK
0,06
0,11
0,16
0,21
1,00
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Het kabinet zal in het voorjaar een wetsvoorstel indienen waarin de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting in het referentieminimumloon geregeld wordt.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
De wet wordt met ingang van 2012 ingevoerd.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 9.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Het kabinet legt jaarlijks verantwoording af over het beleid via het Jaarverslag op Verantwoordingsdag.
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot het bevriezen van de doelgroep van zorgtoeslag |
|
Emile Roemer , André Rouvoet (CU), Femke Halsema (GL), Kees van der Staaij (SGP), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA), Alexander Pechtold (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet de doelgroep van de zorgtoeslag wil bevriezen?1
Het kabinet heeft budgettaire doelen gesteld; gevolg hiervan is dat de doelgroep van de zorgtoeslag niet sterk zal toenemen. In het regeerakkoord is besloten om de percentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen te verhogen. Met deze maatregel wordt voorkomen dat het aantal huishoudens dat zorgtoeslag ontvangt sterk oploopt. Er staat geen doel in het regeerakkoord ten aanzien van het aantal zorgtoeslaggebruikers.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren? Welk percentage van de Nederlandse bevolking moet op 1 januari 2015 recht hebben op zorgtoeslag? Welke andere prestatie-indicatoren hanteert het kabinet?
Zoals in (de Financiele Bijlage van) het Regeerakkoord is aangegeven zijn de bedragen in de Financiële bijlage leidend. Dat betekent dat de maatregel de budgettaire besparing moet realiseren zoals opgenomen in de Financiële bijlage van het Regeerakkoord.
Welk percentage van de Nederlandse bevolking heeft per 1 januari 2011 recht op zorgtoeslag? Wat zijn voor de andere prestatie-indicatoren, zoals bedoeld in vraag 2, de nulmetingen per 1 januari 2011?
Het aandeel van de bevolking dat recht heeft op zorgtoeslag in 2011 valt pas vast te stellen op basis van de belastingaangifte 2011 (in 2012).
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstellingen op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
De (budgettaire) doelstellingen voor 2012, 2013, 2014 en 2015 zijn vermeld in de financiële bijlage bij het regeerakkoord.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Komend jaar zal een AMVB aan de Kamer worden aangeboden (ter voorhang) waarin het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord zal uitwerken.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
Het moment waarop de AMVB wordt aangeboden is mede afhankelijk van het verloop van de besluitvorming over de Wet Uniformering Loonbegrip, waarin ook wijzigingen van de zorgtoeslag zijn voorzien. Pas na behandeling van die wet in de Tweede Kamer kan en goed tijdschema voor de AMVB worden opgesteld.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
In het regeerakkoord staan de instrumenten genoemd: de normpercentages en afbouwpercentages voor een- en meerpersoonshuishoudens.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Het kabinet zal binnen de reguliere cyclus verantwoording afleggen.
Afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot administratieve lasten |
|
Emile Roemer , André Rouvoet (CU), Kees van der Staaij (SGP), Marianne Thieme (PvdD), Job Cohen (PvdA), Femke Halsema (GL), Alexander Pechtold (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet de administratieve lasten en regeldruk voor bedrijven in 2012 ten opzichte van 2010 met 10% wil doen laten afnemen en vanaf 2012 een jaarlijkse reductie van 5%?1
De vraag over omtrent de afrekenbaarheid en controleerbaarheid van kabinetsdoelen met betrekking tot administratieve lasten en regeldruk, zal separaat beantwoord worden in de Regeldrukbrief die ik in de eerste helft van februari aan uw Kamer zal toesturen.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd voor het meten van deze doelstelling?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het uitgangspunt per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
Zie antwoord vraag 1.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie antwoord vraag 1.
Zal via rapporten van Actal de Kamer elk kwartaal op de hoogte worden gehouden van de voortgang? Op welke andere manieren en momenten gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat de Monumentenwacht oneerlijk zou concurreren en belasting zou ontwijken |
|
|
|
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Inspecteurs monumenten klussen bij»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de aangifte bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) tegen de Monumentenwacht?
Ja.
In hoeverre ziet u de aanvullende activiteiten van Monumentenwacht als een kerntaak van de Monumentenwacht?
De kerntaak van de Monumentenwacht is het -op basis van afgesloten abonnementen- inspecteren, rapporteren en verrichten van kleine werkzaamheden aan monumentale gebouwen.
Voor de aanvullende activiteiten zijn, sinds 1988, de provinciale besturen verantwoordelijk.
In hoeverre is het aanbieden van aanvullende activiteiten in dezelfde organisatie in strijd met Europese en Nederlandse regels inzake concurrentievervalsing?
Het is niet aan mij om daarover te oordelen, maar aan de NMA en/of de Europese Commissie.
Was u bekend met de «aanvullende diensten» die zonder BTW aangeboden worden sinds 2000 en de gevolgen voor concurrerende bedrijven in dezelfde sector? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zijn de door Monumentenwacht als zodanig verrichte kerntaken (inspecteren, rapporteren en verrichten van kleine onderhoudswerkzaamheden aan monumentale gebouwen) vrijgesteld van BTW.
Genoemd artikel bevat een vrijstelling voor leveringen en diensten van sociale of culturele aard die door de betreffende ondernemers als zodanig worden verricht, mits daarmee geen winst wordt beoogd en geen sprake is van een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen ten opzichte van ondernemers die wel winst beogen.
De 11 provinciale Stichtingen Monumentenwacht Nederland en de overkoepelende Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland zijn aangewezen voor toepassing van deze vrijstelling. Dit betekent dat zij ter zake van de leveringen en diensten die zij als zodanig verrichten geen BTW verschuldigd zijn. Indien en voor zover prestaties worden verricht die dit kader overstijgen, bijvoorbeeld werkzaamheden die ook door reguliere ondernemers zoals aannemers, architecten of bouwkundig adviseurs worden aangeboden, dient ter zake BTW in rekening te worden gebracht.
Bij de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed was bekend dat de Monumentenwacht ook andere diensten levert aan particulieren. Vanuit de dienst is dit een aantal malen gemeld bij de bestuurlijke en ambtelijke vertegenwoordigers van het IPO-Cultuur. Het rijk heeft de verantwoordelijkheid in 1988 overgedragen en heeft geen zeggenschap over de aanvullende diensten.
In een aantal gevallen is duidelijk dat door Monumentenwacht ter zake van aanvullende diensten, conform de regelgeving, BTW in rekening wordt gebracht. Naar aanleiding van de thans ontvangen signalen wordt door de Belastingdienst nader bezien in hoeverre Monumentenwacht werkzaamheden verricht waarover BTW is verschuldigd zonder dat deze in rekening wordt gebracht. Daarmee zou met name een verstoring van concurrentieverhoudingen kunnen optreden. Als dat het geval is, ziet de Belastingdienst er actief op toe dat de fiscale regelgeving ook in die situaties op correcte wijze wordt toegepast.
Kunt u inzage geven in de gehanteerde BTW door Monumentenwacht?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre strookt het beeld dat Monumentenwacht zijn eigen geleverde diensten inspecteert met de werkelijkheid?
De ervaring van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met de Monumentenwacht is overwegend positief. Er is veel bouwkundige kennis aanwezig, de rapporten zijn inzichtelijk en bruikbaar voor de particulieren die geabonneerd zijn. Ik heb niet de indruk dat er structureel misstanden zijn bij de Monumentenwacht. Het geschetste totaalbeeld is voor rekening van de Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie en de Vereniging Adviesbureaus Monumentenzorg.
Bent u voornemens de strikte scheiding tussen inspectie en aanvullende activiteiten als voorwaarde te stellen aan Monumentenwacht? Zo nee, wat zijn uw beweegredenen? Zo ja, hoe bent u van plan hier vorm aan te geven en hoe gaat u dit controleren?
Nee, dat ben ik niet van plan. De reden hiervoor is dat het private stichtingen zijn die geen rijkssubsidie ontvangen. De provincies kunnen dergelijke voorwaarden stellen. Tenslotte hoort iedere organisatie, binnen en buiten de monumentenzorg, correct te handelen binnen de algemene kaders. De NMA verzorgt toezicht. Ik ben niet van plan daarboven op nog weer nieuwe regels te bedenken, zeker niet in een tijd van deregulering en voorgenomen vermindering van het aantal ambtenaren.
In hoeverre leidt het geschetste beeld, dat Monumentenwacht geen BTW over eigen organisatie hoeft te heffen, tot oneerlijke concurrentie?
Het is aan de NMA of de Europese Commissie om dat te beoordelen.
Het bericht "Concerns ontwijken Afrikaanse fiscus' |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Concerns ontwijken Afrikaanse fiscus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat landen die ontwikkelingshulp krijgen van Nederland ter stimulering van de economie, tegelijkertijd belastingopbrengsten over winsten gerealiseerd in deze landen zien wegvloeien naar Nederland?
Nederland heeft een aantrekkelijk (fiscaal) vestigingsklimaat voor internationaal opererende bedrijven met reële aanwezigheid in Nederland («rokende schoorstenen»). Heel belangrijk voor internationaal zakendoen is dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen en bronheffingen worden gereduceerd. Belangrijke pijlers zijn: deelnemingsvrijstelling, het uitgebreide verdragennetwerk, de afwezigheid van bronheffing op uitgaande rente- en royaltystromen.5 Verder biedt de Nederlandse belastingdienst een grote mate van zekerheid over de toepassing van fiscale regels. Deze regels kunnen ertoe leiden dat ook bedrijven met een relatief beperkte aanwezigheid in Nederland van het aantrekkelijke vestigingsklimaat gebruik maken.
De belastingheffing van multinationals kan door de internationale vervlechting niet slechts nationaal worden beoordeeld. Voor multinationals bestaat het Nederlandse fiscale stelsel niet als een geïsoleerd fenomeen, maar is het een onderdeel van een internationaal netwerk van landen, jurisdicties en verdragen. Het heeft daarom niet zoveel zin om de problematiek waar ontwikkelingslanden zich voor gesteld zien alleen vanuit Nederland te bezien. Belastingplanning is mogelijk doordat verschillende fiscale systemen niet op elkaar aansluiten. Voor ontwikkelingslanden geldt in het bijzonder nog dat deze vaak speciale faciliteiten (belastingvrijstellingen) aanbieden waardoor de belastinggrondslag wordt uitgehold. Eenzijdig door Nederland te nemen maatregelen om belastingvlucht uit ontwikkelingslanden te beperken, zullen dus geen of slechts een beperkt effect hebben en zijn bovendien schadelijk voor onze reële economie. Het bijvoorbeeld introduceren van een Nederlandse bronheffing op royalty’s is daarom ongewenst en onevenwichtig. In het in de Volkskrant beschreven geval heeft Ghana ervoor gekozen om in het verdrag met Nederland te opteren voor een bronheffing van 8% op uitgaande royaltybetalingen aan Nederland.
Dat belastingplichtigen profiteren van verschillen tussen belastingstelsels is van alle tijden en daar hebben alle landen mee te maken. Het is van belang dat landen zich daar zelf tegen kunnen wapenen. Dat geldt voor een ontwikkeld land zoals Nederland, maar ook voor ontwikkelingslanden.
Het kabinet neemt de problematiek van belastingontduiking en -ontwijking zeer serieus. Dit geldt op nationaal niveau, zie bijvoorbeeld de door dit kabinet ondernomen activiteiten tegen zwartspaarders, maar ook op internationaal niveau. Nederland heeft in het kader van de in april 2009 gehouden G20 top in Londen ondernomen initiatieven voor internationale afspraken tegen belastingontduiking en -ontwijking van harte ondersteund en bilateraal meerdere belastingverdragen met diverse landen over onder meer informatie-uitwisseling afgesloten. Bij de laatste top in Korea hebben de G20-landen een oproep gedaan om ontwikkelingslanden bij het voeren van belastingpolitiek en het opbouwen van capaciteit te steunen. Het is voor het kabinet vanzelfsprekend dat ontwikkelingslanden bij deze ontwikkelingen worden betrokken en daarbij worden ondersteund. Hernieuwde aandacht voor verbeterde belastingheffing vormt een van de kernonderdelen van de modernisering van het ontwikkelingsbeleid. Om aan deze agenda inhoud te geven hebben de toenmalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de toenmalige staatssecretaris van Financiën in 2009 een intentieverklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat gezamenlijk wordt gewerkt aan een actieve Nederlandse aanpak van deze problematiek.
Het gaat om maatwerk gericht op de behoeften van elk afzonderlijk land. Een dergelijke aanpak vereist maatregelen op verschillende terreinen.
Allereerst zal de capaciteit van overheden in ontwikkelingslanden op het gebied van belastingheffing en belastingbeleid moeten worden versterkt. Dit wordt in internationaal verband georganiseerd (OESO, IMF, Wereldbank en VN). Nederland speelt daarbij een vooraanstaande rol. De internationale en Nederlandse inzet richt zich op het versterken van de positie van ontwikkelingslanden zodat zij zelf een evenwichtige afweging kunnen maken hoe zij hun fiscale stelsel willen inrichten en dat ze goed geëquipeerde mensen hebben om de wetgeving te kunnen uitvoeren.
Er lopen meerdere initiatieven binnen de OESO die zich richten op verbetering van transparantie in financiële stromen en uitwisseling van informatie tussen landen, ter voorkoming van onder andere belastingontduiking en -ontwijking, die specifiek gericht zijn op ontwikkelingslanden. Zo is onlangs deelname aan het Global Forum on Tax Transparancy and Exchange of Information opengesteld voor ontwikkelingslanden en wordt gewerkt aan multilaterale mechanismen voor alle landen, inclusief ontwikkelingslanden, op het gebied van uitwisseling van informatie. Door middel van het Global Relations programma van de OESO worden trainingen gegeven aan ontwikkelingslanden, o.a. op het gebied van uitwisseling van informatie en verrekenprijzenmethodieken. Mede op Nederlands initiatief is in de OESO besloten tot een gezamenlijke aanpak door het Ontwikkelingscomité, het Comité voor Fiscale Zaken en het Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes. Een daarvoor in mei 2010 in het leven geroepen OECD Informal Taskforce on Tax and Development, met daarin overheden uit OESO- en ontwikkelingslanden, non-gouvernementele organisaties, internationale instellingen en internationaal bedrijfsleven zal begin 2011 met een breed programma van start gaan. De Taskforce, onder co-voorzitterschap van Nederland en het African Tax Administration Forum,zal werken aan concrete en voor ontwikkelingslanden bruikbare voorstellen op het gebied van uitwisseling van informatie, transfer pricing, country by country reportingen capaciteitsversterking. De G20 heeft recent aan de Taskforce verzocht om samen met de VN, het IMF en de Wereldbank daarover in 2011 te rapporteren.
Ten slotte zullen multinationale ondernemingen zelf moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
In de motie Vendrik6 is gevraagd om het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven door te lichten op het punt van belastingontduiking en -ontwijking ten koste van ontwikkelingslanden.
Uit het voorgaande volgt dat het doorlichten van het Nederlandse fiscale stelsel alleen weinig oplevert. Belastingontwijking of -ontduiking is bij uitstek een internationaal fenomeen en staat daarom hoog op de agenda van de OESO. Uiteindelijk kunnen belastingontduiking en -ontwijking in ontwikkelingslanden alleen effectief worden tegengegaan door versterking van belastingstelsels in de betrokken landen zelf, aangevuld met sluitende internationale afspraken over informatie-uitwisseling, fraudebestrijding en het tegengaan van belastingparadijzen.
Deelt u de mening dat ontwikkelingslanden de dupe zijn van het Nederlandse belastingstelsel? Bent u het eens met de in dit artikel aangehaalde stelling «Veruit de grootste bijdrage die ondernemingen kunnen leveren aan ontwikkeling van landen is door doodgewoon hun werk te doen: leveranciers betalen, lonen betalen, belastingen betalen»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bedrijven zoveel mogelijk de winstbelasting zouden moeten betalen in het land waar de winst eigenlijk gemaakt wordt?
Bedrijven dienen zich aan de wetten te houden. In de wetgeving komt tot uiting hoe landen de winsten willen belasten. De nationale parlementen kunnen de wetgeving tot op grote hoogte zelf inrichten (zij zullen daarbij rekening houden met de behoeften van het land), zolang zij zich houden aan de internationale spelregels. In de Europese context valt te denken aan het EU verdrag, de regels inzake verboden staatsteun en de gedragscode tegen schadelijke belastingconcurrentie. Ook de OESO heeft richtlijnen op het gebied van schadelijke belastingconcurrentie7.
Bent u bereid de mogelijkheid te onderzoeken om de belastingmogelijkheden ten aanzien van royalty’s te veranderen zodat (ontwikkelings-)landen niet meer de dupe zijn van dit Nederlandse systeem?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u dit verband aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Vendrik2 van ruim een jaar geleden die ook verzoekt om een doorlichting van het Nederlands fiscaal stelsel met het oog op dit soort ontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de bevindingen van professor Geert Michielse die stelt dat het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting van multinationals rond de 5% is?1 Zo nee, bent u dan bereid om te onderzoeken wat de effectieve belastingdruk van multinationals in Nederland is?
Nee. Voor wat betreft de belastingdruk van multinationals in Nederland geldt dat de Nederlandse belastingregels geen onderscheid maken tussen grote en kleine bedrijven. Over de verdeling van de vennootschapsbelasting is mijn ambtsvoorganger in een brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 oktober 2009 (DB/2009/624M) uitvoerig ingegaan.
Kunt u aangeven hoeveel belasting er in Nederland in totaal wordt betaald over winsten uit aan Nederlandse vennootschappen betaalde royalty’s? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dat verhoudt tot de totale omzet van statutair in Nederland gevestigde vennootschappen?
Nee, dat is niet mogelijk. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft innovatie al jaren hoog in het vaandel staan. Enkele concrete voorbeelden zijn onderzoek op het gebied van voeding, medicijnen, biotechnologie, technische toepassingen en het ontwikkelen van een merk(naam). Naast het zelf ontwikkelen van intellectueel eigendom door in Nederland gevestigde bedrijven, wordt door in Nederland gevestigde ondernemingen ook intellectueel eigendom gekocht. De kosten welke verband houden met het zelf ontwikkelen van intellectueel eigendom en de aankoop van intellectueel eigendom verminderen over het algemeen het fiscale resultaat. Een complicerende factor hierbij is dat de huidige kosten voor een aanzienlijk deel zien op huidige ontwikkelingen van toekomstig te exploiteren intellectueel eigendom. Waarbij ook niet vooraf bekend is of en in hoeverre de ontwikkeling succesvol zal zijn. De opbrengst van het intellectuele eigendom bestaat niet alleen uit ontvangen royalty’s van zowel derde partijen als groepsvennootschappen, maar ook uit eigen opbrengsten door middel van verkoop van producten en/of diensten door de Nederlandse eigenaar van het intellectueel eigendom (bespaarde royalty).
Kunt u ingaan op de stelling in het artikel dat er jaarlijks 8000 miljard euro door Nederland spoelt via brievenbusmaatschappijen die hier vooral om fiscale redenen zitten? Klopt deze schatting volgens u? Kunt u ook in gaan op de schatting dat dit de Belastingdienst jaarlijks zo’n 2 miljard euro oplevert? Zou dit eventueel ook verder onderzocht kunnen worden?
Uit gegevens van DNB over 2008 kan worden vastgesteld dat de bruto gesommeerde geldstroom via zogenaamde bijzondere financiële instellingen 12 300 miljard euro bedroeg. Bijzondere financiële instellingen zijn entiteiten die in Nederland zijn opgericht door buitenlandse multinationale concerns als doorvoerkanaal van financiële stromen tussen buitenlandse concernmaatschappijen.
Voor wat betreft de rol van Nederland als financieel knooppunt verwijs ik naar de beantwoording op de vragen 2, 3, 5 en 6. Deze rol levert Nederland werkgelegenheid op en levert de schatkist geld op. De toegevoegde economische waarde is naar schatting € 1,5 miljard per jaar. Ongeveer € 1 miljard in de vorm van belastingen en € 0,5 miljard in de vorm van vergoedingen voor financiële professionals. 8
Vindt u het wenselijk dat het Nederlandse belastingstelsel door buitenlandse multinationals wordt gebruikt om via brievenbusfirma’s winsten door te sluizen?
Zie antwoord op vragen 2 en 3.