Een belastingaanslag over wateronttrekking ten behoeve van een installatie voor warmte-koudeopslag |
|
Paulus Jansen (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Was een installatie voor warmte-koudeopslag (WKO), waarbij ten behoeve van gebouwverwarming en -koeling water aan de ondergrond onttrokken wordt, terwijl tegelijkertijd op korte afstand een gelijke hoeveelheid water geïnjecteerd wordt, belastingplichtig op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm)?
Op grond van de tot 1 januari 2012 geldende tekst van de Wet belastingen op milieugrondslag werd grondwaterbelasting geheven ter zake van het onttrekken van grondwater. Daarbij was het onttrekken ten behoeve van koude- en warmteopslag vrijgesteld, mits voldaan was aan drie voorwaarden. Ten eerste moest voor het onttrekken en terugvoeren van het water een vergunning zijn verleend ingevolge de (Grond)waterwet. Ten tweede moest het water worden onttrokken en teruggevoerd in overeenstemming met de in die vergunning gestelde voorwaarden. Ten derde moest het water na de onttrekking in een gesloten systeem volledig worden teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het was onttrokken.
De genoemde beperkingen van de vrijstelling waren destijds uitdrukkelijk in de wet opgenomen. De voorwaarde dat het water in een gesloten systeem volledig teruggevoerd moest worden in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het was onttrokken, diende om te voorkomen dat de onttrekking zou leiden tot vermindering of kwaliteitsverlies van het grondwater in dat watervoerende pakket. De koppeling van de vrijstelling aan een vergunning ingevolge de (Grond)waterwet en aan de daarin gestelde voorwaarden diende om het provinciale toezicht in het kader van het grondwaterbeheer te ondersteunen. Ingeval de vergunning slechts was verleend tot een bepaalde maximum hoeveelheid, vonden onttrekkingen boven dat maximum niet plaats in overeenstemming met de in de vergunning gestelde voorwaarden. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 30 september 2011 (BNB 2011/268) heeft beslist, was in dat geval over de hoeveelheid waarmee het maximum overschreden werd, grondwaterbelasting verschuldigd.
Het is mede gelet op het gelijkheidsbeginsel vast beleid, dat de inspecteur in alle gevallen waarin blijkt dat de vrijstelling is toegepast zonder dat aan de voorwaarden ervoor was voldaan, de verschuldigde grondwaterbelasting naheft. In verband met de fiscale geheimhoudingsplicht kan ik over concrete gevallen geen mededelingen doen. Het is mij echter niet gebleken, dat de inspecteur de wettelijke bepalingen ter zake van de vrijstelling en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie onjuist heeft geïnterpreteerd.
Zo ja, was dit expliciet de bedoeling van de wetgever of is het een interpretatie van de belastinginspecteur? Wat is de ratio om een belasting op te leggen voor grondwateronttrekking terwijl er feitelijk sprake is van een gesloten grondwaterbalans?
Zie antwoord vraag 1.
Zo nee, hoe is het mogelijk dat nietsvermoedende bewoners van 21 ecowoningen met WKO-installatie in Etten-Leur, 9 jaar na oplevering van hun woning, een aanslag op grond van de Wbm ontvangen? Bent u bereid om een instructie te doen uitgaan dat deze interpretatie van de wet niet juist is?
Zie antwoord vraag 1.
Kan een overzicht worden gegeven van de benodigde vergunningen en de fiscale aspecten van een WKO-installatie met ingang van 1 januari 2013?
Voor onttrekking van grondwater door middel van een inrichting voor warmte-koudeopslag is ingevolge de Waterwet een vergunning van de Provincie vereist. De onttrekking is sinds 1 januari 2012 niet meer belast met grondwaterbelasting, aangezien de grondwaterbelasting met ingang van die datum is afgeschaft. Vereenvoudiging of verduidelijking van de fiscale regelgeving is dan ook niet meer aan de orde.
Is de casus Etten-Leur aanleiding voor vereenvoudiging c.q. verduidelijking van de regelgeving? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 17 april 2013?
De antwoorden op de vragen treft u bij dezen aan.
Hulp van Nederland bij de herfinanciering van de staatsschuld van Aruba |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Nederland helpt Aruba bij herfinanciering staatsschuld»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse regering bereid is zich in te schrijven voor obligatieleningen ten behoeve van de Arubaanse staatschuld?
Het financiële protocol is een uitwerking van het overkoepelende samenwerkingsprotocol dat Nederland en Aruba in 2011 sloten met als doel om op basis van een gelijkwaardige relaties en onderling vertrouwen de samenwerking een nieuwe impuls te geven.
Zowel Curaçao als Sint Maarten kennen de mogelijkheid van een lopende inschrijving als daarvoor aan de voorwaarden uit de Rijkswet financieel toezicht is voldaan. Met Aruba is in 2011 afgesproken dat de mogelijkheden tot een lopende inschrijving zullen worden onderzocht. Nederland zal de mogelijkheden voor een door Aruba gevraagde inschrijving (laten) beoordelen op in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingcapaciteit. Nederland behoudt zich bij het niet voldoen aan deze criteria het recht om niet in te schrijven.
Kent u de notitie «feestvierend ten onder gaan» uit 2012, afkomstig van de politieke partij MEP? Wat is uw conclusie naar aanleiding van deze notitie?
Ik heb kennis genomen van de inhoud van de notitie van de oppositiepartij over de financiële situatie van Aruba. Het is aan de regering van Aruba om hierop te reageren.
Kunt u tevens aangeven of u Aruba op dit moment financieel stabiel acht? Ook in het licht van de zorgen van de MEP?
Zoals aangegeven ben ik bekend met de informatie van de oppositie. Aruba is zelf verantwoordelijk voor de financiële stabiliteit. De Arubaanse regering heeft richting Nederland aangegeven begrotingsregels in de Staatsregeling te verankeren en een College van Advies in te stellen dat zal toezien op de naleving van deze regels. Dit kan bijdragen aan beter begrotingsbeheer. Een eventuele inschrijving van Nederland op een obligatielening zal zoals gezegd te zijner tijd beoordeeld worden aan de hand van de criteria zoals ik heb genoemd bij vraag 2. De financiële stabiliteit en de terugbetalingcapaciteit van Aruba zal daar een belangrijk onderdeel van uitmaken.
Is de conclusie gerechtvaardigd dat Aruba bezig is om haar economische groei te creëren door het hebben van een begrotingstekort en het laten oplopen van de staatsschuld?
Aruba is een autonoom land in het Koninkrijk dat een eigen financieel en economisch beleid voert. Het is de verantwoordelijkheid van de regering van Aruba om toe te zien op houdbare overheidsfinanciën, met de staten als controlerend orgaan.
Kunt u garanderen dat de voorwaarden voor deugdelijk financieel beleid daadwerkelijk en kritisch getoetst zullen worden bij elke nieuwe obligatie-uitgifte?
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven óf en zo ja, wanneer Aruba kan gaan beginnen met het aflossen van de staatschuld door deze constructie?
Op dit moment is nog niet bekend wanneer Aruba een verzoek gaat doen op Nederland voor inschrijving op een openbare obligatielening van Aruba. Aruba maakt daar zelf beleidsmatige financieringskeuzes in. De exacte uitwerking van dit protocol moet overigens nog plaatsvinden alvorens daadwerkelijk een eerste verzoek ter beoordeling kan worden aangenomen tot inschrijving op een openbare aanbieding van een obligatielening van het land Aruba.
Is er met deze financieringsconstructie geen risico dat Aruba juist meer schulden gaat maken, omdat de rentelast gaat afnemen?
Onderdeel van de afspraken met Aruba is dat Aruba de door een eventueel rentevoordeel vrijgekomen gelden inzet voor de nominale verlaging van de staatsschuld. Het is correct dat indien een land a priori voldoet aan de rentelastnorm zoals deze bijvoorbeeld geldt voor Curaçao en Sint Maarten, er in opzet meer geleend kan worden bij een lagere rentestand. Het eerdere antwoord op vraag 2 is hier eveneens van toepassing. In de verdere uitwerking zal dan ook moeten blijken in welke mate Aruba al dan niet voldoet aan de in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën.
Heeft u er vertrouwen in dat het nog op te richten College van Advies adequaat zal toezien op naleving van het begrotingsbeleid?
Aruba is zelf verantwoordelijk voor het inrichten van het horizontale toezicht op zijn begrotingsbeleid. Oprichting van instituties en organen in de horizontale keten van Aruba die kunnen bijdragen aan de versterking van een duurzaam begrotingsbeleid beschouw ik als een positieve ontwikkeling.
Waarom hoeft Aruba niet te vallen onder het toezicht van het College Financieel Toezicht?
Aruba is sinds het verwerven van de Status Aparte in 1986 een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Aruba is sindsdien financieel zelfstandig zonder een beroep te hebben gedaan op een traject tot schuldsanering, zoals het geval was bij het voormalige land Nederlandse Antillen teneinde voor de nieuwe landen een gezonde financiële startpositie te creëren. Het land Aruba kent daarmee geen toezichtarrangement zoals geldt voor Curaçao en Sint-Maarten. Ik wil de komende tijd samen met Aruba bekijken hoe we de beoordeling vanuit Nederland van een inschrijving op een openbare aanbieding precies gaan vormgeven.
Het bericht dat Cyprus haar crisisonderzoek heeft gestaakt |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Cypriotische onderzoekcommissie die moet nagaan welke partijen geld hebben weggesluisd voorafgaand aan en tijdens de periode dat het bankverkeer op slot ging, haar werkzaamheden heeft gestaakt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer verdacht is dat de centrale bank van Cyprus niet bereid is om de gevraagde informatie te overhandigen?
Zoals reeds gemeld in de brieven van donderdag 4 april 2013 (kenmerk BFB 2013–2622M en kenmerk BFB 2013 2628M) ligt de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van een oneigenlijke uitstroom van deposito’s en een efficiënt verloop van de operatie om de financiële sector te herstructureren primair bij de Cypriotische autoriteiten, in samenwerking met de Trojka. Het is aan de Cypriotische autoriteiten om gepaste maatregelen te nemen. De Cypriotische autoriteiten hebben in dit kader een onderzoekscommissie opgesteld. Ik wil niet speculeren over of er sprake is geweest van onrechtmatigheden of een oneigenlijke uitstroom van deposito’s en wacht de resultaten van het onderzoek van deze commissie af.
Hoe gaat u voorkomen dat de Cypriotische wantoestanden in de doofpot belanden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het bericht dat topbankiers bij de Bank of Cyprus bewijsmateriaal van deze bank hebben vernietigd?2 Wat zegt u dit?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het naïef en zinloos is om te wachten op een onderzoek van de Cypriotische autoriteiten naar de misdragingen van eigen politici en bankiers?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de toestanden op Cyprus tot op de bodem worden uitgezocht door een onafhankelijke instantie?
Zie antwoord vraag 2.
De opkomst van de Bitcoin als digitale betaaleenheid |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bitcoin is investering met ongekend rendement, maar beperkt betaalmiddel»?1
Ja
Hoe duidt u de opkomst van de digitale betaaleenheid Bitcoin? Deelt u de zorgen over de stormachtige waardeontwikkeling van dit betaalmiddel gekoppeld aan het beperkte toezicht op (de veiligheid van) het betalingssysteem?
De opkomst van de alternatieve virtuele munteenheid Bitcoin lijkt momenteel vooral te worden bepaald door de speculatieve vraag hiernaar.
De alternatieve virtuele munteenheid Bitcoin vertoont deels dezelfde en deels afwijkende kenmerken ten opzichte van traditionele betaalmiddelen. Afwijkend is vooral dat de bij het traditionele betalingsverkeer betrokken partijen zoals banken, clearinginstellingen, toezichthouders en monetaire autoriteiten, bij Bitcoin ontbreken. Het gebruik ervan is niet onderworpen aan enige vorm van financieel toezicht van overheidswege en ook het depositogarantiestelsel is niet van toepassing op Bitcoin. In het algemeen is de ervaring van centrale banken dat alternatieve, al dan niet virtuele munteenheden een onstabiel karakter hebben, hetgeen risico’s met zich brengt voor gebruikers. Naar mijn mening is van risico’s voor de financiële stabiliteit echter vooralsnog geen sprake, vanwege de beperkte omvang, de lage acceptatiegraad en de beperkte relatie van Bitcoin tot de reële economie.
Aangezien op termijn toename van het gebruik van alternatieve (virtuele) munteenheden niet is uitgesloten, worden deze ontwikkelingen door de Nederlandsche Bank – ook in ECB-verband – gevolgd2.
Is u bekend op welke schaal Bitcoins worden gebruikt in Nederland en is er een schatting van de waarde van Bitcoins in het bezit van Nederlanders?
Nee, hier is in Nederland vooralsnog geen onderzoek naar gedaan vanwege het gebrek aan relevantie. Wel gaf de ECB in haar publicatie van oktober 2012 aan dat op dat moment mondiaal 6,5 miljoen Bitcoins werden gedeeld door 10.000 gebruikers3. Uit andere openbare bronnen valt af te leiden dat er momenteel ruim 11 miljoen Bitcoins in omloop zijn voor een tegenwaarde van circa 1 miljard euro. Maximaal kunnen er 21 miljoen in omloop worden gebracht. Uit openbare bronnen4 valt tevens af te leiden dat het aantal Nederlanders dat actief is in de aan- en verkoop van Bitcoins beperkt is; ongeveer 2% van het totaal aantal gebruikers (voor naar schatting ca. € 20 miljoen). Nu daarbij deze activiteiten vooral een speculatief karakter lijken te hebben is het aandeel van de Bitcoin in en eventuele invloed op de reële economie vooralsnog te verwaarlozen.
Wat is uw opvatting en de opvatting van de Nederlandsche Bank (DNB) over het gebruik en opkomst van parallelle betaaleenheden in algemene zin?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er toezicht gehouden en/of opsporing verricht op het mogelijke gebruik van Bitcoins als instrument voor het witwassen van crimineel geld of het oppotten van zwart geld?
Het staat een ieder vrij om alternatieve (digitale) producten te ontwikkelen en/of te gebruiken, zolang dat geen strijd oplevert met de Nederlandse wetgeving, zoals bijvoorbeeld de Wet op de kansspelen.
Naar huidig inzicht is Bitcoin geen elektronisch geld in de zin van de Wet op het financieel toezicht, onder meer omdat Bitcoins niet zijn uitgegeven in ruil voor ontvangen geld en geen vordering op de uitgever vertegenwoordigen. Daarmee voldoet de Bitcoin in ieder geval niet aan twee van de vier in de wet gestelde vereisten. Bitcoin is ook anderszins geen financieel product in de zin van de wet. Ook de (bemiddeling bij de) aan- of verkoop van Bitcoins is geen financiële dienst, zodat de Wet op het financieel toezicht niet van toepassing is.
Voor wat betreft de opsporing heeft de FIOD vanuit zijn opsporingstaak aandacht voor het mogelijk gebruik van Bitcoins in witwaspraktijken. Uit onderzoek zal moeten blijken in hoeverre Bitcoins voor criminele doeleinden gebruikt worden en op welke wijze de FIOD daar in de toekomst op gaat inspelen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met het High Tech Crime Unit van de Politie.
Ook op strategisch niveau is aandacht voor ontwikkelingen op dit gebied. Zo is er het cybercrime overleg waarin, onder voorzitterschap van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het OM, de FIOD en de Nationale Politie zijn vertegenwoordigd.
Is het private partijen onder Europees of nationaal recht toegestaan een alternatieve (digitale) betaaleenheid te ontwikkelen en commercieel (op grote schaal) te gebruiken?
Zie antwoord vraag 5.
Vallen de activiteiten zoals verricht door Bitcoin naar uw mening onder de Wet financieel toezicht (Wft) of is sprake van een besloten kring?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de status van de Bitcoin onder de Nederlandse belastingwetgeving; moet over omzet, loon, winst of vermogen uitgekeerd of aangehouden in Bitcoins belasting worden betaald?
Een belastingplichtige die met activiteiten in het economisch verkeer een bron van inkomsten heeft zoals winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid zal daarover met inachtneming van de bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 belasting moeten betalen. De omstandigheid dat de voordelen uit een dergelijke bron worden berekend aan de hand van een ander stelsel dan het in ons land geldende wettig betaalmiddel maakt dat niet anders. Ook een dergelijk voordeel in de vorm van een resultaat in Bitcoins zal leiden tot belastingheffing. Wel zal de vaststelling van een belast inkomen betekenen dat de waarde van het behaalde resultaat in Bitcoins moet worden omgezet in een bedrag in euro’s. Voor de loon- en omzetbelasting geldt een vergelijkbare benadering.
Ik wijs u tenslotte nog op een eerder uitgebracht beleidsbesluit over de fiscale behandeling van lokale geldstelsels waar gelijke problematiek aan de orde is5.
Mogelijk misbruik van de kennismigrantenregeling |
|
Sietse Fritsma (PVV), Roland van Vliet (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe vaak komt het voor dat vreemdelingen het verblijfsdoel van een bestaande verblijfsvergunning veranderen in «verblijf als kennismigrant»?
In 2010 en 2011 hebben respectievelijk 1.130 en 1.260 vreemdelingen hun beperking gewijzigd in ‘verblijf als kennismigrant’.
Erkent u dat het belastingvoordeel voor kennismigranten of expats, dat maar liefst 30% van het inkomen onbelast laat, is bedoeld ter compensatie van kosten die samenhangen met de verhuizing naar Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om bedoeld belastingvoordeel niet te verlenen aan kennismigranten die reeds op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland waren?
Werknemers die tijdelijk naar het buitenland of naar Nederland worden uitgezonden, krijgen van hun werkgever vaak een vergoeding voor de extra kosten van dat verblijf buiten het land van herkomst, de zogenoemde extraterritoriale kosten. Deze kosten kunnen door de werkgever forfaitair tot maximaal 30% van het loon onbelast worden vergoed of de werkgever kan de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast vergoeden. Verhuiskosten als zodanig vormen geen extraterritoriale kosten. Verhuiskosten kunnen door de werkgever aan de werknemer tot een bepaalde hoogte vrij van belasting worden vergoed of bij toepassing van de werkkostenregeling tot een bepaalde hoogte gericht worden vrijgesteld.
Werknemers die reeds op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland verblijven, komen niet in aanmerking voor de 30%-regeling, tenzij zij in Nederland als student, stagiair of promovendus verblijven. Overigens komen kennismigranten niet automatisch in aanmerking voor de 30%-regeling. Voor de toepassing van de 30%-regeling gelden zelfstandige voorwaarden.
De verdeling van de SHO gelden voor Syrië |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur van 3 april 2013, waarin de verdeling van de SHO-gelden ter sprake kwam?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de SHO een vaste verdeelsleutel voor ontvangen gelden toepassen?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de melding van Nieuwsuur dat twee van de organisaties die meedelen in de gelden, zich niet bezighouden met opvang van of hulp aan Syrische vluchtelingen, te weten Worldvision en CARE Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u gegevens die de mededeling kunnen staven van de twee genoemde organisaties en met name World Vision die inmiddels aangeven wel degelijk en zeer intensief betrokken te zijn bij de hulp aan Syrische vluchtelingen?
De actie «Giro 555» is een initiatief van de Nederlandse Samenwerkende Hulporganisaties (SHO), dat ik gezien de ernst en omvang van de Syrische crisis gaarne ondersteun. Het is, gelijk eerdere acties van SHO, aan de deelnemende NGO’s om de verdeelsleutel te bepalen. Zowel CARE International als World Vision International worden als deelnemende organisaties genoemd in het door UNHCR gecoördineerde hulpverzoek voor Syrische vluchtelingen in de buurlanden («Syria Regional Response Plan»), waarbij World Vision in Libanon actief is en CARE in Jordanië. SHO benadrukt dat alle deelnemende organisaties ervaren en competente NGO’s zijn en ik ga ervan uit dat de opgehaalde fondsen goed zullen worden besteed, welke verdeelsleutel SHO dan ook aanhoudt.
Deelt u de mening dat bij een dergelijke humanitaire ramp het gedoneerde geld volledig terecht moet komen bij de getroffenen voor wie het geld bedoeld is?
Gedoneerd geld dient zoveel als mogelijk bij de behoeftigen terecht moet komen. Uitvoeringskosten voor b.v. logistiek en personele inzet dienen kritisch te worden bekeken, maar vormen wel onderdeel van de activiteit en zullen hieruit gefinancierd moeten worden. Uiteraard onderschrijf ik dat de opbrengst van een actie zoals Giro 555 de doelgroep ten goede komt, in dit geval Syrische vluchtelingen in de buurlanden en behoeftigen binnen Syrië.
Welke bestemming krijgt het door u toegezegde geld voor de hulp aan de Syrische bevolking? Delen SHO of de aangesloten organisaties mee in deze bedragen?
De actie «Giro 555» is een initiatief van de Nederlandse Samenwerkende Hulporganisaties, dat ik gezien de dramatische situatie van de slachtoffers en de grote financiële tekorten toejuich en van harte ondersteun.
Het door mij genoemde bedrag van 4 miljoen euro humanitaire hulp bestaat uit twee onderdelen. Het eerste betreft een ongeoormerkte bijdrage van 3 miljoen euro aan UNICEF, dat zich richt op hulp aan vrouwen en kinderen, en wordt ingezet ten behoeve van zowel de Syrische vluchtelingen in buurlanden als voor hulpbehoevenden binnen Syrië zelf, waarbij UNICEF bepaalt waar het geld het meest nodig is. Het tweede deel betreft een miljoen euro, gericht op de opvang van Syrische vluchtelingen in Libanon, beschikbaar gesteld aan het Libanese Rode Kruis via het Nederlandse Rode Kruis.
Zo ja, hoe gaat u erop toezien dat de overheidsbijdrage uitsluitend gaat naar organisaties die zich bezighouden met de hulp aan de Syrische bevolking?
Zie antwoord vraag 6.
Gemeenten zonder rekenkamer(functie) |
|
Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester moet slaaprekenkamer wakker schudden»1, en herinnert u zich eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja.
Kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van het onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers & Rekenkamercommissies (NVRR) en dat onderzoek van uw reactie voorzien?
Als bijlage bij deze beantwoording zend ik u het onderzoek van de NVRR alsmede de bestuurlijke reactie van de NVRR. Ik beschouw het onderzoek als een waardevolle bijdrage aan de discussie over de – slapende of inactieve – lokale rekenkamers en rekenkamercommissies. Van de aanbevelingen heb ik met belangstelling kennis genomen. Reeds eerder heb ik aangegeven om over het onderzoek in overleg te willen treden met VNG en IPO. Over de uitkomsten van dat overleg zal ik uw Kamer berichten. Voorop staat dat er op lokaal niveau sprake moet zijn van deugdelijke financiële verantwoording. Het overleg zou gericht moeten zijn op de invulling van deze randvoorwaarde en op de rol die de lokale rekenkamer(commissie) hierbij kan en moet vervullen. Daarbij moeten we naar mijn mening ook aandacht hebben voor de oorzaken van de slapende rekenkamers
Deelt u de mening van de NVVR dat gemeenten zonder een (actieve) rekenkamer(functie) «op dit punt in strijd handelen met letter en geest van de Gemeentewet»? Zo ja, welke gevolgen kan het handelen in strijd met de Gemeentewet op dit punt krijgen? Zo nee, waarom niet?
De Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad een rekenkamer kan instellen. Als geen rekenkamer wordt ingesteld, dient voor de rekenkamerfunctie een rekenkamercommissie in het leven te worden geroepen. Als een rekenkamercommissie niet is toegerust om te kunnen functioneren, is dit niet in overeenstemming met de wet. Gemeenten moeten een rekenkamer hebben. Niet alleen omdat dit in de wet staat, maar omdat het belangrijk is. De rekenkamer vormt een wezenlijk onderdeel van het gemeentelijke bestel. Dat belang wordt versterkt door het proces van de decentralisatie. Dat proces vereist vertrouwen in de gemeentelijke financiële verantwoording. Lokale rekenkamers kunnen en moeten hierbij een belangrijke rol spelen.
Uit de evaluaties van de provinciale en gemeentelijke rekenkamers blijkt overigens dat men in het algemeen positief is over hun functioneren. Daar waar gemeenten niet de omvang hebben om een goede rekenkamer te hebben, zal men moeten besluiten tot een gemeenschappelijke rekenkamer.
Ik geloof niet in dwang- of sanctiemaatregelen om de rekenkamerverplichting af te dwingen. Gemeenten moeten overtuigd zijn van het belang. Overigens geeft ook de NVRR aan er geen voorstander van te zijn om bij wet een bepaald budget voor de rekenkamer voor te schrijven. Maar de NVVR heeft laten weten daar een taak te zien. Men heeft de gemeenten met een al dan niet tijdelijke inactieve rekenkamer op de hoogte gesteld van de onderzoeksresultaten en hen de nodige ondersteuning aangeboden. Maar ook de VNG zou hier een rol kunnen spelen. De VNG betuigt zich voorstander van het rekenkamerinstrument. Gemeenten zouden volgens de VNG echter zelf moeten kunnen kiezen of zij het inzetten. Naar mijn oordeel zijn de gemeentefinanciën te belangrijk voor een vrijblijvende publieke verantwoording.
Deelt u de mening dat het ontbreken van «politiek draagvlak» voor een lokale rekenkamer(functie) geen reden mag zijn om die rekenkamer(functie) dan maar niet te activeren? Zo ja, wat kunt u doen om gemeenten waar dit draagvlak ontbreekt aan te zetten tot het activeren van een rekenkamer(functie)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat, zeker nu gemeenten ten gevolge van de decentralisaties meer financiële verantwoordelijkheden krijgen, de controle daarop aan belang zou moeten toenemen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het feit dat gemeenten de afgelopen jaren minder zijn gaan uitgeven aan rekenkamers? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening. Zie de beantwoording van de vragen 3 en 4.
Bent u van plan om het advies van de NVVR op te volgen om de Wet Algemene regels herindeling gemeenten (Arhi) aan te passen «zodat het mogelijk wordt bij gemeentelijke herindeling een daarop toegesneden vorm van rekenkamercontrole mogelijk te maken»? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek blijkt dat ook gemeentelijke herindeling een oorzaak van tijdelijke of permanent inactieve rekenkamers kan zijn. De NVRR is van mening dat juist bij gemeentelijke herindeling een goed functionerende, al dan niet gezamenlijk vormgegeven, rekenkamer een bijdrage kan leveren aan het oordeel over het succes van de herindeling. Deze benadering kan ik volgen. Ook kan ik me voorstellen dat het daarbij een meerwaarde heeft om te komen tot een gezamenlijke rekenkamerfunctie van de bij de herindeling betrokken gemeenten. Maar vooralsnog ben ik er geen voorstander van om hierover verplichtingen op te nemen in de Wet Arhi. Er zijn bij gemeentelijke herindeling velerlei zaken waarvoor tot harmonisatie moet worden gekomen. Ik acht het niet wenselijk dit te zeer in regelgeving te willen vervatten.
De uitzending van Tegenlicht ‘De Tax Free Tour’ |
|
Arnold Merkies (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Tegenlicht «De Tax Free Tour»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het bedrag dat in 2010 in de offshore-industrie omging tussen de 21.000 miljard en 32.000 miljard dollar bedraagt? Indien neen, welke argumenten heeft u om deze berekening te ontkrachten? Heeft u redenen om aan te nemen dat dit bedrag momenteel hoger dan wel lager is? Zo ja, welke?
Nee. Ik ben wel bekend met het rapport «The price of offshore revisited» van James S. Henry dat door Tax Justice Network is gepubliceerd. De conclusies die in dat rapport zijn genoemd zijn niet te verifiëren zonder consensus over wat onder «offshore-industrie» wordt begrepen en zonder consensus over hoe de omvang ervan gemeten zou moeten worden.
Kunt concreet aangeven wat u bedoelt met de uitspraak dat belastingplichtigen onze verdragen en andere goede fiscale regelingen steeds meer zijn gaan gebruiken op een manier die nooit was bedoeld?2 Welk soort gebruik van de Nederlandse verdragen en fiscale regelingen is nooit bedoeld? Valt daaronder het vestigen van een vennootschap in Nederland, zonder enige reële economische activiteiten te ontplooien?
Belastingverdragen zijn er van oorsprong op gericht om situaties op te lossen waarin twee staten beide heffen over een zelfde inkomensbestanddeel. Onderdeel van die oplossing zijn afspraken over hoe de wereldwijde concernwinst toegerekend kan worden aan verschillende landen waarin het concern actief is. Ik denk daarbij aan de invulling van het begrip vaste inrichting en aan beginselen van transfer pricing. Beide onderwerpen laten ruimte voor interpretatieverschillen. De ruimte die dit biedt en het feit dat de nationale rechtssystemen van verschillende landen niet op elkaar zijn afgestemd heeft internationaal opererende ondernemingen de mogelijkheid geboden hun concernstructuren zo op te zetten dat zij over hun wereldwijde inkomen minder belasting betalen.
Het vestigen van een vennootschap in Nederland kan onderdeel van een dergelijke structuur zijn. Daarbij merk ik op dat het opnemen van een Nederlandse vennootschap in een internationale structuur niet het recht inperkt van andere landen om belasting te heffen over winst die aan ondernemingen in die landen toegerekend kan worden.
Ik heb bij verschillende gelegenheden gezegd dat dit een internationaal probleem is dat internationaal aangepakt moet worden en dat ik mij voor die internationale aanpak inzet.
Betekent uw uitspraak dat het misschien wel redelijk is om bij uitbetaling van rente en royalty’s een bronheffing in te houden, dat u voorstander bent van het inhouden van een bronbelasting? Zo nee, waarom niet?3
Nee. Ik ben geen voorstander van het heffen van bronbelasting op rente- en royaltybetalingen. Bronbelastingen leiden vaak tot dubbele belasting omdat zij over de bruto uitbetaling worden berekend en er in het ontvangende land, zo er al verrekening plaatsvindt, slechts verrekening wordt gegeven tegen de winstbelasting over het netto voordeel.
Erkent u dat wanneer bedrijven succesvol zijn in het beperken van hun belastingafdracht, regeringen geneigd zijn andere belastingen te verhogen, zoals bijvoorbeeld de inkomstenbelasting of de btw en dat het succesvol drukken van de belastingafdracht door bedrijven dus indruist tegen de belangen van burgers?
Ja, bij gelijkblijvende uitgaven zal een lagere belastingafdracht door de ene groep belastingplichtigen gecompenseerd moeten worden door een hogere belastingafdracht door een andere groep.
Bij de suggestie dat een lagere belastingafdracht door bedrijven indruist tegen het belang van burgers hoort een nuancering. In de eerste plaats is de hoogte van de belastingdruk voor bedrijven mede bepalend voor de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat. Een aantrekkelijk vestigingklimaat draagt bij aan economische activiteit en werkgelegenheid en dat is weer in het belang van de burgers van een land. In de tweede plaats zal een hogere belastingafdracht door bedrijven altijd worden afgewenteld op burgers, hetzij door een lager rendement van hun beleggingen (al dan niet in pensioenfondsen), hetzij doordat de lonen van de werknemers onder druk komen hetzij in de prijzen die zij als consument betalen. Omdat er, ondanks deze nuanceringen, zorgen bestaan over de vraag of internationaal opererende ondernemingen te veel mogelijkheid hebben om hun belastingdruk te verlagen, doet Nederland actief mee in projecten binnen de OESO en de EU om dit te analyseren en te zoeken naar internationale oplossingen.
Wat is uw opvatting over de zogeheten «economic zones» waarin bedrijven extra belastingvoordelen krijgen?
De beslissing of landen zogeheten «economic zones» willen instellen is geheel aan hen. De vraag of het instellen daarvan verstandig is, hangt volledig af van de plaatselijke feiten en omstandigheden.
Wat is de blijvende meerwaarde voor burgers van landen die «tax holidays» verstrekken aan bedrijven, wanneer deze bedrijven weer vertrekken nadat de «tax holiday» is beëindigd?
Het antwoord op de vraag hoe groot die meerwaarde is hangt ook volledig af van de plaatselijke feiten en omstandigheden.
Worden bedrijven die een «tax ruling» verkrijgen verzocht om niet prijs te geven hoeveel belasting zij afdragen aan de Nederlandse Staat? Zo ja, waarom?
Nee. Nog afgezien van het feit dat de Belastingdienst slechts zekerheid vooraf geeft over de uitleg van regelgeving op voorgenomen rechtshandelingen en niet over de te betalen belasting, eist de Belastingdienst niet dat deze informatie door belastingplichtige niet prijsgegeven wordt.
Hoe verklaart u dat bedrijven afspraken kunnen maken met de Belastingdienst over de wijze van heffen, terwijl burgers zijn gebonden aan bepaalde regels die hen zijn opgelegd? Acht u dit rechtvaardig?
De vraag suggereert enerzijds een tegenstelling die er niet is. Ook bij het geven van zekerheid vooraf aan bedrijven zijn belastingdienst en belastingplichtigen gebonden aan de geldende regels.
Anderzijds gaat de vraag voorbij aan het feit dat toepassing van de regels op complexe internationale structuren meer vragen kan oproepen dan toepassing van de regels die voor natuurlijke personen gelden. Daar komt bij dat er bij zeer grote investeringen meer behoefte bestaat aan zekerheid vooraf.
Overigens kunnen ook burgers aan de Belastingdienst zekerheid vooraf vragen over hun fiscale positie.
Het ontduiken van wetgeving door accountants |
|
Wouter Koolmees (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het item «AFM: accountants ontduiken wetgeving»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat er eind 2012 volgens de Autoriteit Financiële Markten (AFM) zo'n vijftig erg dubieuze contracten zijn afgesloten tussen accountants en hun klanten en dat hiermee nieuwe wetgeving ontdoken wordt?
Wettelijke controles van goede kwaliteit dragen bij aan het vertrouwen in de financiële verslaggeving van ondernemingen. De onafhankelijkheid van de externe accountant is belangrijk voor de kwaliteit van de wettelijke controles. De wettelijke scheiding van controlediensten en andere werkzaamheden draagt wat mij betreft bij aan het versterken van de gewenste onafhankelijkheid.
Op 1 januari 2013 is de wettelijke scheiding tussen controlediensten en andere werkzaamheden in werking getreden. Het was duidelijk dat dit de nodige impact zou hebben op accountantsorganisaties en hun controlecliënten. Om de overgang naar de nieuwe situatie niet al te abrupt te laten verlopen is er dan ook een overgangsregeling van twee jaar gecreëerd. Bij de plenaire behandeling van de Wet op het accountantsberoep in de Eerste Kamer op 27 november 2012 heb ik aangegeven dat deze periode van twee jaar het mogelijk moet maken om lopende adviezen af te maken. De achtergrond van deze overgangsregeling is niet geweest om op het laatste moment nog geheel nieuwe adviescontracten voor een duur van twee jaar af te sluiten. Mocht dit laatste wel het geval zijn, dan is dit inderdaad zorgelijk te noemen. De verplichte scheiding van controlediensten en andere werkzaamheden dient immers de onafhankelijkheid van de externe accountant en met het oog hierop wordt van de accountantssector hoe dan ook een gedragsverandering verlangd.
Wat betekent dit voor de beoogde scheiding tussen advies en controle en de onafhankelijkheid van de accountantscontrole?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de AFM dat het zorgelijk is als er een loopje wordt genomen met de wetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen kan de AFM of kunt u nemen tegen accountantskantoren die de nieuwe wetgeving ontwijken? Kunnen contracten die gesloten zijn om nieuwe wetgeving te omzeilen nietig worden verklaard?
Het is aan de AFM om toezicht te houden op de naleving van de wettelijke scheiding tussen controlediensten en andere werkzaamheden en de hierbij opgenomen overgangsregeling. De maatregelen die de AFM in dit kader kan nemen variëren van een goed gesprek met een betrokken accountantsorganisatie in meer informele sfeer tot het nemen van een formele bestuursrechtelijke maatregel. Hierbij moet worden gedacht aan het geven van een aanwijzing waarin de betrokken accountantsorganisatie wordt verplicht om binnen een gestelde termijn een bepaalde gedragslijn te volgen. Door middel van een dergelijke aanwijzing kan de AFM een accountantsorganisatie ertoe bewegen bepaalde werkzaamheden die worden verricht naast controlediensten te staken. De AFM heeft geconstateerd dat in december 2012 door alle Big 4-kantoren contracten zijn afgesloten voor niet-controlediensten die naar de mening van de AFM niet onder de overgangsregeling zouden behoren te vallen. De AFM heeft een dringend beroep gedaan op de kantoren om alle vlak voor 1 januari 2013 afgesloten contracten te (her)beoordelen en die contracten die niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever te beëindigen of te beperken tot de redelijkerwijs nog noodzakelijk uit te voeren werkzaamheden. De Big 4-kantoren hebben aangegeven contracten die evident op gespannen voet staan met de overgangsregeling alsnog te hebben ingetrokken dan wel deze niet te zullen uitvoeren. Het eventueel nietig verklaren van betreffende contracten is hiermee niet meer aan de orde, en behoort overigens ook niet tot de bevoegdheden van de AFM. De Big 4-kantoren en de AFM zullen de naar eigen zeggen constructieve dialoog over de bevindingen van de AFM continueren.
Wat is uw oordeel over het zelfreinigend vermogen van de accountantsbranche?
Het maatschappelijk verkeer wil een onafhankelijk oordeel horen over de kwaliteit van de financiële verslaggeving van ondernemingen. Dit oordeel moet afkomstig zijn van een onafhankelijke deskundige, de externe accountant. Na de begin 2012 gehouden consultatie accountancy2 bleek dat alle respondenten het er over eens waren dat het maatschappelijk verkeer niet is overtuigd van de onafhankelijkheid van de accountant vandaag de dag. De accountantsbranche heeft inmiddels te maken met de nodige nieuwe wetgeving ter versterking van de gewenste onafhankelijkheid. Duidelijk is dat hiermee een gedragsverandering wordt verlangd van de accountantssector. Aangezien vertrouwen in controle door en verklaringen van accountants cruciaal is, moet hier met grote urgentie door de sector aan worden gewerkt.
Nieuwe bezuinigingen op het infrastructuurfonds |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouwend Nederland: Kabinet pleegt roofbouw op infrastructuur»?1
Ja.
Klopt het dat het infrastructuurfonds wordt gekort door het niet toekennen van de inflatiecorrectie? Klopt het dat het weglaten van de inflatiecorrectie tot 2028 optelt tot een bezuiniging van € 2,6 mrd.?
Onderdeel van het voorgenomen pakket maatregelen van het kabinet zoals opgenomen in de brief van de Minister van Financiën naar aanleiding van de CPB cijfers, is het niet uitkeren van de prijsbijstelling tranche 2013. Het aandeel van de IenM begrotingen (HXII, Deltafonds en Infrafonds) in die maatregel bedraagt € 160 mln per jaar (uitgaande van het jaar 2014). Het maximale effect voor alle IenM begrotingen tot en met 2028 bedraagt daarmee € 2,6 mld (16 x € 260 mln).
Het aandeel van het Infrastructuurfonds hierin is € 100 mln per jaar. Het maximale effect van de maatregel op het Infrastructuurfonds is daarmee 1,6 miljard euro voor de totale periode tot en met 2028. Dat bedrag heb ik ook in mijn brief genoemd als reactie op de vraag van uw kamer van 13 maart (Kamerstuknummer 2013Z04639).
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de planning van MIRT-projecten? Klopt het dat deze nieuwe bezuiniging nog niet is meegenomen in de toelichting op de invulling van de bezuinigingen op het infrastructuurfonds van 13 februari 2013?2
Zoals ik in de brief van d.d. 28 maart als reactie op uw verzoek van 13 maart (Kamerstuknummer 2013Z04639) heb aangegeven heeft het niet uitkeren van de prijsbijstelling nu nog geen effect op het huidige MIRT programma en is dit niet meegenomen in de brief van 13 februari jongstleden omdat de consequenties pas op een later tijdstip duidelijk zullen worden (TK 33400-A, nr. 48).
Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen en intensiveringen op het infrastructuurfonds sinds het regeerakkoord van het vorige kabinet uit 2010?
In totaal is er voor ongeveer € 19,5 miljard bezuinigd sinds het Regeerakkoord uit 2010. Daartegenover is er in totaal voor ongeveer € 9 miljard extra investeringsmiddelen beschikbaar gesteld. Per saldo is daarmee sprake van een totale bezuiniging tot en met 2028 van ruim € 10 miljard.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de werkgelegenheid in manjaren per jaar tot 2028 van de bezuinigingen op het infrastructuurfonds sinds 2010 en specifiek van het niet toekennen van de inflatiecorrectie?
De gevolgen voor de werkgelegenheid kan ik niet precies aangeven aangezien er veel meer factoren van invloed zijn op de werkgelegenheid dan de investeringen van het Rijk. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft becijferd dat een structurele bezuiniging van € 500 miljoen zou kunnen leiden tot een werkgelegenheidsverlies oplopend naar ruim 3.200 manjaren per jaar ten opzichte van het basispad in de periode tot en met 2017.3 Als ik de bezuinigingsopgave van € 10 miljard sinds 2010 zou omrekenen naar een platte reeks per jaar dan komt deze bezuiniging per jaar ongeveer neer op € 500 miljoen en daarmee op een mogelijk werkgelegenheidsverlies van 3.200 manjaren per jaar. In dit effect is het niet toekennen van de prijscompensatie meegenomen.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 5 april 2013 te beantwoorden in verband met het geplande notaoverleg MIRT op 8 april 2013?
Ja.
Gewelddadige roofoverval op een gelddepot van waardetransporteur Brinks |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een gewelddadige roofoverval op een gelddepot van waardetransporteur Brinks?1
Ja.
Hoe ontwikkelt het aantal overvallen op gelddepots, waardetransporten, bankkantoren en pinautomaten zich de laatste jaren? Is het beeld juist dat de overvallen steeds vaker met zwaar geweld gepaard gaan?
In 2011 werden 117 ram- en plofkraken op geldautomaten begaan, in 2012 waren dat er 131. In de eerste maanden van 2013 (in de periode van januari t/m 22 april 2013) zijn in totaal 47 ram- en plofkraken op geldautomaten begaan. Dit betekent een stijging ten opzichte van dezelfde periode in 2012, waarin 24 ram/plofkraken op geldautomaten hebben plaatsgevonden, maar ongeveer gelijk aan het aantal in de eerste vier maanden van 2011 (45).
In 2011 hebben twee overvallen plaatsgevonden op gelddepots, in 2012 is één gelddepot overvallen en in 2013 (in de periode van januari tot heden) heeft er eveneens één overval op een gelddepot plaatsgevonden. Zowel in 2011 als in 2012 zijn er drie overvallen geweest op bankkantoren. Tot nu toe heeft er in 2013 geen overval plaatsgevonden op een bankkantoor. Met betrekking tot de overvallen op waardetransporten is er sinds 2011 een afname te zien. In 2011 zijn er 21 overvallen gepleegd op waardetransporten, in 2012 is dat aantal afgenomen naar 10. In 2013 zijn er tot heden twee overvallen gepleegd op een waardetransport.
Het beeld dat de overvallen steeds vaker met zwaar geweld gepaard gaan klopt voor wat betreft de ram- en plofkraken. Men probeert zich tegenwoordig ook door middel van voertuigen, het veroorzaken van een gasexplosie en soms zelfs gebruik makend van explosieven, toegang tot het geld te verschaffen. Voor de overige overvallen is dit beeld niet juist en is de mate van geweld bij deze overvallen nagenoeg gelijk gebleven.
Op welke wijze wordt getracht om het overvalrisico rond het transport en opslag van contant geld te beperken en de risico's voor de medewerkers te minimaliseren? Bent u bereid om in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer te bezien welke aanvullende maatregelen door banken, waardetransporteurs en de overheid gewenst zijn?
Al sinds een aantal jaren wordt zwaar ingezet op de aanpak van overvallen. Mijn ambities op dit terrein zijn u bekend. De zware overvallen op depots en geld- en waardetransporten vormen een aparte categorie: het geweld dat hierbij wordt gebruikt is buitensporig en de mate van georganiseerdheid is hoog. De aanpak wordt op deze bijzondere kenmerken afgestemd.
Zowel op preventief als repressief terrein staat de aanpak op scherp. Zo zijn de gelddepots aangesloten op het systeem Liveview waardoor de beelden van een overval rechtstreeks doorgezet kunnen worden naar de meldkamer van de politie en worden er op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus strikte eisen gesteld aan de beveiliging van geldtransport. Ook vindt er periodiek overleg plaats tussen de politie, banken en de branche van waardetransporteurs waarbij informatie en kennis wordt gedeeld. Met dit laatste wordt al tegemoet gekomen aan de wens om in gezamenlijkheid naar een verdere aanscherping van de aanpak te kijken. Betrokken partijen komen daarvoor al periodiek bij elkaar sinds 2011.
Maatregelen op repressief terrein zijn de verscherpte inzet van helikopters en van arrestatieteams die speciaal getraind zijn voor het zwaarste geweldsspectrum, samenwerking met buurlanden en een zware coördinatie op het bij elkaar brengen van de informatie uit verschillende lopende strafrechtelijke onderzoeken.
In het belang van de operationele strategie kan ik in deze brief niet ingaan op álle maatregelen die genomen worden om deze zware overvallen tegen te gaan. Potentiële overvallers zouden hierop in kunnen spelen. De inzet van een drone ter ondersteuning van een achtervolging is in principe een mogelijkheid, indien een drone in de nabijheid al in de lucht is. Wanneer dit niet het geval is dan lijkt het gebruik van een drone gelet op snelheid waarmee dit soort overvallen zich voltrekt, de tijd die benodigd is om het toestel operationeel in de lucht te kunnen krijgen en het beperkte bereik ervan praktisch weinig geschikt.
Deelt u de mening dat het betalingsverkeer niet mag worden verstoord door deze vorm van criminaliteit? Deelt u ook de mening dat het een slechte zaak zou zijn indien banken mede in reactie op het stijgende aantal ram- en plofkraken het aantal pinautomaten reduceren?2
De continuïteit van het betalingsverkeer mag uiteraard niet in het gedrang komen. Banken moeten zich echter in het kader van hun streven om het aantal plof- en ramkraken te reduceren ook een oordeel vormen over de uit het oogpunt van veiligheid meest wenselijke plaatsing van geldautomaten. Dat dit zo min mogelijk ten koste moet gaan van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van contant geld is permanent onderwerp van overleg in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waarin de koepelorganisaties van winkeliers en banken, organisaties van mensen met een functiebeperking en de Consumentenbond onder voorzitterschap van DNB overleggen over het betalingsverkeer. Periodiek publiceert het MOB in dat kader een zeer gedetailleerde «Bereikbaarheidsmonitor». Een nieuwe versie van de monitor verschijnt dit jaar.
Op welke wijze gaat u de pakkans vergroten van de professionele bendes die hierachter schuil gaan? Bent u bereid de inzet van «drones» te overwegen, zoals bepleit door de politievakbond ACP, zodat daders in beeld blijven indien de achtervolging door de politie vanwege te grote risico's moet worden gestaakt?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht “ING-top: salarissen moeten omhoog” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ING-top: salarissen moeten omhoog»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat volgens de Raad van Commissarissen van ING de beloning van de ING-top significant beneden het marktgemiddelde ligt en dat dit voor de langere termijn geen houdbare situatie is omdat bekwame bestuurders zich niet met een laag salaris laten afschepen?
In algemene zin klopt het dat beloningen van bestuurders in Nederland, binnen en buiten de financiële sector, onder de Europese mediaan liggen.2 Dit betekent echter niet dat de beloningen in Nederland omhoog zouden moeten. Gezien de diverse uitdagingen waar de sector voor staat is het niet meer dan logisch dat zowel voor de top als de rest van een onderneming de arbeidsvoorwaarden versoberd worden. Dit is ook redelijk gezien het forse aandeel aan steun dat de Nederlandse Staat aan de financiële sector heeft verleend.
In het concrete geval van ING constateer ik dat de beloningen van de top inderdaad onder de door ING zelf vastgestelde Europese peer group liggen. Desondanks ben ik van mening dat ook bij ING de beloningen omlaag kunnen gelet op de uitdagingen in de financiële sector.
Klopt het dat de commissarissen geen salarisverhoging voor de huidige bestuurders hebben voorgesteld? Zo ja, kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot het bericht dat de vaste salarissen voor ING-medewerkers met 9% zijn gestegen afgelopen jaar?2
Van ING heb ik begrepen dat het klopt dat de raad van commissarissen geen salarisverhoging van de huidige bestuurders heeft voorgesteld. Zoals u weet zijn variabele beloningen voor deze bestuurders als gevolg van het wettelijk bonusverbod bij staatssteun reeds sinds 26 oktober 2011 niet meer toegestaan.
Ten aanzien van de vaste beloningen van medewerkers van ING Bank heeft ING aan mij het volgende aangegeven. 99% van medewerkers van ING Bank in Nederland valt onder de ING Bank CAO. Voor het overgrote deel, ongeveer 18.000 werknemers, is de variabele beloning afgeschaft.
De variabele beloning bedroeg onder de CAO maximaal 18%, de exacte hoogte was onder meer afhankelijk van het functieniveau van de betrokken medewerker. Ter compensatie voor het afschaffen van de variabele beloning stijgt de vaste beloning met 9% over een periode van drie jaar (2% per 1 oktober 2012; 1,5% per 1 januari 2013; 2% per 1 augustus 2013; 1,5% per 1 januari 2014; 2% per 1 augustus 2014).
Voor momenteel 5% van de werknemers onder de CAO geldt dat afwijkende beloningsafspraken van toepassing zijn, deze personen komen momenteel nog in aanmerking voor een variabele beloning. De intentie van ING is deze groep de komende jaren kleiner te laten worden.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat staatsgesteunde instellingen de vaste salarissen van hun bestuurders verhoogt omdat ze vanwege staatssteun geen bonussen meer mogen betalen?3
Een verhoging van het vaste salaris is wettelijk toegestaan. In het bonusverbod bij staatssteun, dat op 14 februari 2012 door uw Kamer met algemene stemmen is aangenomen, is opgenomen dat voor financiële ondernemingen die op het moment dat mijn ambtsvoorganger het bonusverbod aankondigde al steun ontvingen, de mogelijkheid bestaat om de vaste beloningen eenmalig met maximaal 20% te verhogen.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkelingen niet bijdragen aan het herstel van vertrouwen in de financiële sector door de maatschappij? Zo ja, wat bent u bereid hieraan te doen? Kunt u toelichten hoe deze uitspraak past bij uw oproep om de lonen te matigen in het bankwezen?
Zie het antwoord op vraag twee.
Grote winstmarges voor banken op hypotheken |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van de Vereniging Eigen Huis (VEH) dat, hoewel de banken de hypotheekrente met enkele tienden van procenten hebben verlaagd, tegelijkertijd hun winstmarge tussen januari 2012 tot en met januari 2013 verder steeg?1
Ja.
Deelt u de analyse van VEH dat de oorzaak van de extra winststijging is dat de financieringskosten van de banken op de kapitaalmarkten (de inkoopkosten) harder dalen dan de renteverlagingen die zij aan hun klanten presenteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De algemene conclusie van VEH, dat de marges op hypotheken zijn gestegen, wordt onderschreven in een recente studie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Deze studie betreft een update van een eerdere sectorstudie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit over de margeontwikkelingen op de hypotheekmarkt (2011). In haar studie concludeert de ACM dat de marges op hypotheken sinds februari 2011 opgelopen zijn. De studie van de ACM wordt u gelijktijdig toegezonden met deze antwoorden.
Klopt het dat de kosten die banken maken voor het lenen van geld op de kapitaalmarkten, daalden met ruim 1 procentpunt van 4,14% in januari 2012 naar 3,03% een jaar later?
Uit de studie van de ACM blijkt dat sinds februari 2011 de marges op hypotheken zijn gestegen en dat gemiddeld genomen de marges na de kredietcrisis hoger liggen dan daarvoor. Het berekenen van de absolute hoogte van de marge wordt omgeven door onzekere factoren en aannames aangezien de operationele kosten en risico-opslagen moeilijk precies te meten zijn. Ook kunnen de marges per berekenmethode verschillen.
Op basis van de analyse van de ACM kan gesteld worden dat de banken momenteel een hogere marge hanteren op hypotheken dan vóór de crisis, maar kunnen geen uitspraken worden gedaan over de kwantitatieve conclusies van de VEH. Hoeveel en of de absolute marge hoger is zal per aanbieder en consument verschillen. De ACM heeft wel op basis van haar eigen onderzoek kwantitatieve conclusies getrokken die een indicatie geven van de stijging van de winstmarges, daaruit blijkt dat de winstmarges op hypotheken na de kredietcrisis in 2008 zijn gestegen met gemiddeld 0,24 tot 0,74 procentpunt. Voor een consument die na de crisis een hypotheek heeft afgesloten van 200.000 euro heeft de ACM berekend dat de hypotheeklasten gemiddeld 40 tot 123 euro per maand hoger zijn (bruto). Tegelijkertijd merkt ook de ACM op dat de absolute hoogte van de marge onzeker is en dat uitspraken over de hoogte van de marge vooral betrekking hebben op het relatieve verloop van de marge.
Klopt het dat de hypotheekrente die klanten betaalden in dezelfde periode daalde met 0,2 procentpunt?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de zogenaamde «overwinst» van de banken op de hypotheekrente naar 1,62 procentpunt is gestegen voor hypotheken met de veelvoorkomende tien jaar vaste renteperiode? Wat is uw mening hierover en kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat als gevolg van deze ontwikkeling voor een huishouden met een hypotheek van 250.000 euro de hoge extra winstopslag van hun bank een verhoging van de bruto-maandlast van ruim 300 euro met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre onderschrijft u de stelling van VEH dat over alle hypotheekvormen, de Nederlandse banken in januari 2013 gemiddeld 1,35 procentpunt aan extra winst berekenen, daarmee duidend op de winst die bovenop de gebruikelijke winstopslag komt die de banken voor de crisis aan klanten berekenden?
Zie antwoord vraag 3.
Als u de winstmarges op hypotheken in 2013 afzet tegen die uit 2008, kunt u dan aangeven hoe groot het surplus aan hypotheekrenteaftrek is, die als gevolg van deze toename in winstmarges door de Staat is uitgekeerd aan de hypotheekhouders in Nederland? Kunt u dit toelichten?
Zie hiervoor de eerdere antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 van de leden Tony van Dijck en Van Klaveren (beiden PVV) welke naar uw Kamer gezonden zijn op 25 maart 2013.
Kunt u aangeven wat de invloed is op de doorstroming binnen de koopmarkt en vanuit de huur- naar de koopmarkt als gevolg van deze hypotheekmarges? Bent u het eens met de stelling dat deze winstmarges het kopen van een eigen woning voor veel middengroepen moeilijker maakt?
De woningmarkt is gebaat bij lage financieringskosten. Een hoger rentetarief maakt de aankoop van een woning duurder. Dat geldt voor alle (potentiële) kopers. De studie van de ACM laat zien dat capaciteitsrestricties en verminderde mogelijkheden tot toetreding de belangrijkste verklaringen voor de stijging van de hypotheekmarges zijn. De ACM heeft aangegeven nog dit jaar nader onderzoek te zullen verrichten naar mogelijkheden voor verbeteringen van de marktwerking in de bancaire sector, waaronder de hypotheekmarkt. Daarbij zal specifiek aandacht worden besteed aan de toetredingsdrempels en capaciteitsrestricties op de markt.
Het bericht dat Griekenland Griekse delen van Cypriotische banken gaat kopen |
|
Teun van Dijck (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Cypriotische bijkantoren worden verkocht aan Griekenland?1
Hoe is het mogelijk dat Griekenland deze Cypriotische banken kan kopen, terwijl Griekenland 240 miljard euro aan noodsteun heeft ontvangen om het bankroet van het land en de financiële sector te voorkomen? Wordt deze aankoop niet gewoon betaald uit onze noodsteun, waardoor feitelijk de Nederlandse belastingbetaler deze aankoop financiert?
Gaat u deze aankoop blokkeren, zolang Griekenland de noodsteun niet heeft terugbetaald? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt u tot inkeer en stopt u met het pompen van miljarden van Nederlands belastinggeld in de Zuid-Europese bodemloze putten?
Belastingontwijking door microkredietfondsen |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Microkredietfondsen ontwijken belasting»? 1
Ja.
Klopt het bericht dat microfinancieringsorganisaties belasting ontwijken in ontwikkelingslanden en dat Nederland een spil vormt in de gebruikte fiscale constructies?
Het is goed bij microfinancieringsorganisaties onderscheid te maken tussen microfinancieringsinstellingen (MFI’s; de in het (ontwikkelings-)land actieve microkredietorganisaties) en de verstrekkers van kapitaal voor microkrediet, waaronder Nederlandse organisaties en fondsen. Uit contact met een aantal Nederlandse organisaties die actief zijn op het gebied van microfinanciering krijg ik de indruk dat de MFI’s allemaal lokaal belasting betalen over de winsten die zij in die landen realiseren, tenzij zij hier van zijn vrijgesteld door het betreffende land vanwege hun sociale doelstelling. Het is mij eveneens duidelijk dat sommige verstrekkers van kapitaal voor microkrediet uit voornamelijk logistieke overwegingen gebruik maken van speciaal daartoe opgezette rechtspersonen in derde landen, bijvoorbeeld omdat organisaties uit verschillende landen samen in een fonds participeren om microfinancieringsorganisaties in één of meerdere ontwikkelingslanden met kapitaal, leningen en/of garanties te ondersteunen. Zij doen dit dan bij voorkeur in jurisdicties, die hiervoor het meest geschikt zijn (goede rechtszekerheid; lage administratieve kosten) en waar het deelnemen via een gezamenlijk fonds niet leidt tot extra/hogere belastingheffing. Ik beschik niet over kwantitatieve gegevens in hoeveel gevallen Nederland hiervoor als intermediair land wordt opgenomen, en kan dus ook geen antwoord geven op de vraag of Nederland in deze een spilfunctie vervult. Op korte termijn zal ik in overleg treden met vertegenwoordigers van de sector en het Platform for Inclusive Finance (NPM), om meer inzicht te krijgen in de huidige praktijken en te onderzoeken wat we aan eventuele belastingontwijking kunnen doen.
Welke microfinancieringsorganisaties hebben een vestiging in Nederland?
Er bestaat geen register van in Nederland gevestigde microfinancierings-organisaties. Ons ministerie onderhoudt contact met NPM en haar leden. Van dit platform zijn de grotere Nederlandse organisaties lid die actief zijn op gebied van microfinanciering, bijvoorbeeld de MFS-organisaties, fondsen die investeren in MFI’s en banken.
Kunt u een inschatting geven hoeveel inkomsten ontwikkelingslanden mislopen vanwege belastingontwijking via Nederland door microfinancieringsorganisaties? Zo ja, welke instellingen betreft het en om hoeveel euro gaat het? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb hierover geen gegevens. Hiervoor is overigens ook nodig dat eerst antwoord wordt gegeven op de vraag wanneer sprake is van belastingontwijking. Zoals uit verschillende brieven en antwoorden op Kamervragen van de staatssecretaris van Financiën blijkt is dat een ingewikkeld vraagstuk dat een zorgvuldige analyse en een bij voorkeur internationale benadering vereist. Artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen staat ons niet toe informatie te verschaffen over de belastingpositie van individuele belastingplichtigen.
Deelt u de opvatting dat belastingontwijking door microfinancieringsorganisaties in tegenstelling is met de doelstelling van microfinanciering, zijnde duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze voorkomt u dat de microfinancieringsorganisaties via Nederland belasting ontwijken?
Ik sta op het standpunt dat kostenbeheersing door microfinancieringsorganisaties niet mag leiden tot belastingontwijking in de ontwikkelingslanden. Ik zie wel een dilemma. Immers verstrekkers van kapitaal voor microkrediet kunnen kostenbeheersing ook gebruiken om tegen lagere rentes te lenen, om (langdurige) verliezen in het ene land te compenseren met in andere landen gemaakte winst, of om winsten te herinvesteren met als doel meer klanten te kunnen bereiken.
Belastinginkomsten zijn voor ontwikkelingslanden hard nodig. Daarom heb ik met staatssecretaris Weekers afgesproken dat we ontwikkelingslanden helpen bij het verbeteren van hun belastingstelsels en dat we belastingverdragen met een aantal ontwikkelingslanden tegen het licht gaan houden en dat het ministerie van Financiën zo nodig met de betrokken landen het gesprek zal aangaan. Die verdragen gelden niet alleen voor het bedrijfsleven, maar ook voor ngo’s en microfinancieringsinstellingen. Belastingverdragen moeten dubbele belasting voorkomen, niet er toe leiden dat belasting op ongewenste wijze wordt ontweken. Daarom zal ik met vertegenwoordigers van de sector en het NPM in gesprek gaan en onderzoeken wat we aan eventuele belastingontwijking kunnen doen.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse microfinancieringsorganisaties belasting ontwijken in ontwikkelingslanden? Zo ja, op welke wijze spreekt u hen hierop aan en kunt u voor het zomerreces de Kamer op de hoogte brengen van de geboekte resultaten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 5. Het NPM is bereid gevonden dit onderwerp zo spoedig mogelijk te agenderen. Ik ben gaarne bereid uw Kamer nader te informeren op het moment dat het overleg tot resultaat heeft geleid.
Deelt u de mening dat zelfregulering niet optimaal werkt wanneer belasting wordt ontweken, terwijl belasting in ontwikkelingslanden juist kan bijdragen aan ontwikkeling en armoedebestrijding? Zo ja, op welke wijze draagt u bij aan een betere werking van zelfregulering? Zo nee, waarom niet?
De microfinancieringssector heeft de afgelopen jaren een enorme groei doorgemaakt waarbij er voor vele armen en achtergestelde groepen in ontwikkelingslanden een verbeterde toegang tot financiële diensten is gerealiseerd. Zonder deze sector was dit nimmer gelukt, juist omdat zij in een behoefte voorziet die traditioneel niet door de reguliere banken wordt aangeboden. Dat bepaalde microfinancieringsorganisaties winst maken biedt de mogelijkheid voor hen om de dienstverlening uit te breiden. Echter dit dient wel op een maatschappelijk verantwoorde wijze te gebeuren. Sinds 2005 is de microfinancieringssector via zelfregulering bezig om meer sociale aspecten te incorporeren in de bedrijfsvoering onder andere op het vlak van meer transparante bedrijfsvoering en bescherming en eerlijke behandeling van klanten. Hieruit zijn op succesvolle wijze enkele standaarden voortgekomen bijvoorbeeld de Principles for Investors in Inclusive Finance (PIIF), Client Protection Principles (CPP), de Universal Standards for Social Performance van de Social Performance Task Force (SPTF), en het inzichtelijk maken van rentepercentages via Microfinance Transparency (MFT). Belastingontwijking is een nieuw element in de discussie over standaarden. In gesprekken met de sector hoop ik helderheid te krijgen of de sector bereid is te ijveren voor het opnemen van het vermijden van ongewenste belastingontwijking in deze internationale standaarden.
Welke voorwaarden stelt u aan microfinancieringsorganisaties die met Nederlands geld worden gefinancierd, rechtstreeks vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking of via Nederlandse organisaties? Is het tegengaan van belastingontwijking daar ook een voorwaarde bij? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Maatschappelijke organisaties die subsidie ontvangen van het ministerie dienen te voldoen aan algemene principes van goed bestuur, transparantie en verantwoording. Het tegengaan van belastingontwijking is geen apart criterium voor subsidies aan maatschappelijke organisaties. Voor bedrijven geldt echter dat zij de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen moeten onderschrijven. Deze richtlijnen bevatten een apart hoofdstuk over het betalen van belastingen. Zoals hierboven aangegeven, ga ik nu eerst met de sector in overleg en ik zal u over de uitkomsten hiervan informeren.
Het bericht dat de Amerikaanse autoriteiten onderzoek doen naar de mogelijke corruptie bij Microsoft |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Onderzoek corruptie bij Microsoft»1, waarin wordt belicht dat de Amerikaanse autoriteiten onderzoek doen naar mogelijke corruptie bij Microsoft?
Het is een goede zaak dat de Amerikaanse autoriteiten een vermoeden van fraude onderzoeken.
Sluit u uit dat Microsoft ook in Nederland overheidsfunctionarissen heeft omgekocht of benaderd om software-contracten binnen te slepen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Van omkoping is mij niets bekend. Overigens is contact tussen overheidsfunctionarissen en bedrijven een normale zaak.
Heeft u reeds contact gehad met buitenlandse collega-ministers en/of de Amerikaanse overheid om informatie in te winnen over dit mogelijke corruptieschandaal?
Nee. Lopende het Amerikaanse onderzoek is er geen aanleiding om informatie in te winnen.
Kunt u aangeven welke invloed Microsoft heeft gespeeld bij Nederland Open In Verbinding (NOiV)? Is er contact geweest en zo ja, welk?
Het programmabureau NOiV heeft contact gehad met zeer veel bedrijven over het NOiV-beleid, waaronder ook Microsoft. In overleg met leveranciers is het Leveranciers Manifest Open Standaarden opgesteld. Dit is door bijna 40 leveranciers ondertekent, Microsoft behoort daar niet toe.
De stijging van de waterschapslasten in 2013 met meer dan 5% |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het overzicht van de waterschapsbelastingen in 2013 van de Unie van Waterschappen?1
Ja.
Herinnert u zich de motie van het lid Van Veldhoven2 waarin de regering wordt verzocht om er op toe te zien dat de hoogte van de waterschapsbelasting zich slechts in lijn met de inflatie ontwikkelt en om de Kamer tijdig te informeren indien de lasten in een waterschap met meer dan 5% jaarlijks dreigen te stijgen?
Ja. Met deze brief die antwoord geeft op de vragen wordt eveneens voor de tweede keer uitvoering gegeven aan het verzoek in de motie om u te informeren.
Ik wil hierbij benadrukken dat het niet aan mij, maar aan de besturen van de waterschappen zelf is om de tarieven vast te stellen en te bepalen wat nodig en aanvaardbaar is.
Heeft u gezien dat voor een meerpersoonshuishouden de waterschapsbelasting in de waterschappen Vallei & Veluwe en Aa & Maas in 2013 met meer dan 5% stijgt?
Ja.
Zijn er ook waterschappen waar eenpersoonshuishoudens met een belastingstijging van meer dan 5% geconfronteerd worden? Zo ja, welke waterschappen zijn dat en hoeveel is deze belastingstijging?
Het overzicht van de waterschapsbelastingen in 2013 van de Unie van Waterschappen gaat niet specifiek in op veranderingen voor eenpersoonshuishoudens. In het verleden is namelijk gekozen om te rapporteren over zes groepen (profielen) huishoudens en bedrijven die het meest representatief zijn, eenpersoonshuishoudens zitten niet in deze selectie. De Unie van Waterschappen heeft de informatie voor eenpersoonshuishoudens op dit moment ook niet beschikbaar. Het doorrekenen zou ook meer tijd kosten dan nu beschikbaar is (zie vraag 7).
Kunt u uitleggen waarom de lasten in deze waterschappen in 2013 met meer dan 5% gestegen zijn?
Op de website van Belastingsamenwerking Oost-Brabant (http://www.bs-ob.nl) wordt uitgebreid ingegaan op de verhoging van de tarieven van de waterschapsbelasting 2013 van waterschap Aa en Maas. Onder meer wordt ingegaan op landelijke autonome ontwikkelingen die buiten de macht van het waterschap liggen (landelijke cao afspraken, BTW-tarieven e.d.), economische ontwikkelingen (waardeontwikkeling onroerende zaken/Wet WOZ) en bedrijfseconomische ontwikkelingen. Specifiek voor de situatie bij waterschap Aa en Maas is het in het verleden afbouwen van overtollige reserves. Waar het waterschap in voorgaande jaren nog kon putten uit reserves om de waterschapsbelastingen laag te houden, kan dat in 2013 niet meer omdat de reservepot inmiddels leeg is.
Waterschap Vallei en Veluwe is dit jaar uit een fusie van twee waterschappen ontstaan. Het waterschap geeft hierover op zijn website zelf aan dat de fusie positieve effecten in de vorm van besparingen zal brengen door doelmatiger waterbeheer, alsmede in de organisatie zoals lagere bestuurskosten, reductie van personeel en huisvesting. Bij een fusie is het wel zo dat de kosten voor de baten uitgaan. De besparingen worden dan ook niet allemaal direct al in het fusiejaar gerealiseerd.
Het waterschap Vallei en Veluwe gaat op zijn website verder in op de stijging van de belastingdruk in 2013 (5,1%) en de verwachtingen en investeringen voor de komende jaren. Het waterschap geeft aan dat zij, om in de toekomst de taken adequaat uit te voeren op een duurzame, veilige en efficiënte wijze, genoodzaakt is te blijven vernieuwen en te investeren.
Vindt u het ook een zorgelijke ontwikkeling dat de stijging van de belastingdruk in sommige waterschappen in 2013 wederom boven de 5% uitkomt? Indien u dit niet vindt, kunt u uitleggen waarom?
Als we in het overzicht van de waterschapsbelastingen in 2013 van de Unie van Waterschappen (tabel blz. 16) kijken naar de ontwikkeling van de belastingopbrengsten van de waterschappen in het perspectief van de overige decentrale overheden over meerdere jaren, kennen deze de laagste stijging.
Wat betreft de stijging van de lastendruk bij de waterschappen in 2013 geldt in zijn algemeenheid dat deze zich gemiddeld rond het voor 2013 verwachte inflatieniveau van 2,75% bevindt. In genoemd overzicht van de Unie van Waterschappen is op blz. 11 te zien dat de stijging van de gemiddelde belastingdruk in vier van de zes groepen onder het inflatieniveau ligt. Voorts is in bijlage 2 van het overzicht voor drie standaardprofielen de procentuele wijziging van de lastendruk in elk waterschap ten opzichte van 2012 vermeld. Zoals is te zien blijven de meeste waterschappen onder de 5% stijging, met enkele uitschieters naar zowel boven als beneden en zelfs bij twee waterschappen een nominale daling.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de Wijziging van de Waterwet (doelmatigheid en bekostiging hoogwaterbescherming) (Kamerstukken 33 465)?
Het streven is deze vragen vóór de behandeling van bovengenoemd wetsvoorstel te beantwoorden.
Beleggingen van het ABP in Hospira |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pensioenfonds onder vuur om executiemiddel»?1
Ja.
Wat is uw mening als betrokken werkgever bij het pensioenfonds ABP over de belegging in het farmaceutische bedrijf Hospira, dat een injectiestop levert die in de Verenigde Staten wordt gebruikt bij het uitvoeren van de doodstraf?
Het pensioenfondsbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van een pensioenregeling en het beleggingsbeleid. Bestuursleden worden benoemd door de sociale partners en besturen zonder last en ruggespraak. Daarbij moeten zij handelen in het belang van de deelnemer en binnen de wettelijke kaders die voor alle beleggers gelden. Zolang de beleggingen in het farmaceutische bedrijf Hospira binnen het wettelijke kader vallen, is het aan het bestuur om het beleggingsbeleid te bepalen. Als coördinerend minister voor het arbeidsvoorwaardenbeleid in de publieke sector vervult de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daar geen rol in.
Op welke manier kan de overheid als werkgever invloed uitoefenen op het (maatschappelijk verantwoord) beleggingsbeleid van het pensioenfonds ABP?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven dat zij in het buitenland de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen naleven. De in de UN Guiding Principles on Business and Human Rights beschreven verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren is onder Nederlands voorzitterschap in de herziene OESO Richtlijnen opgenomen in mei 2011. Naast toevoeging van een hoofdstuk over mensenrechten en bedrijfsleven betrof dit de beschrijving van «due diligence» als een algemeen principe voor een maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering.
Het ABP is een geprivatiseerd pensioenfonds. Dat betekent dat de overheid/het kabinet daar geen directe invloed op uitoefent. Het ABP-bestuur is verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid en legt daarover verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers, gepensioneerden en werkgevers.
Het ABP heeft specifiek beleid inzake verantwoord beleggen. Zij hebben daartoe ESG-criteria opgesteld, waarbij ESG staat voor environment, social en governance. Dit beleid is gebaseerd op nationale en internationale wet- en regelgeving en internationale standaarden. Deze hebben betrekking op duurzaamheid en goed ondernemingsbestuur. Daarbij gaat het onder andere om thema’s op het gebied van milieu en mensenrechten. Eén van die standaarden is de UN Global Compact. Het ABP verwacht van de bedrijven waarin het belegt dat deze bedrijven de uitgangspunten uit deze Global Compact naleven.
In het verantwoordingsorgaan wordt regelmatig met het ABP-bestuur gesproken over de vraag of de beleggingen voldoen aan haar eigen ESG-criteria en die waaraan Nederland zich ook in internationale context verbonden heeft. In dit orgaan participeert onder andere de sectorwerkgever Rijk.
Welke inbreng heeft u als werkgever gehad bij het opstellen van het mensenrechtenbeleid bij het fonds?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u het ABP inmiddels laten weten niet betrokken te willen zijn bij beleggingen waarbij mensenrechten in het geding zijn, zoals nu bij Hospira het geval is? Zo nee, op welke termijn gaat u met het ABP in gesprek?
Het ABP heeft er voor gekozen om de nationale wetgeving en internationale gedragsverplichtingen van de Nederlandse overheid als norm te nemen om te beoordelen waar het fonds wel en niet in belegt. Beleid van het ABP is daarmee dat het niet wil beleggen in ondernemingen die in strijd met mensenrechten handelen. In het algemeen geldt dat het ABP een engagement traject (een dialoog met de onderneming) met ondernemingen aangaat wanneer zij niet aan de nationale en internationale wet- en regelgeving en internationale standaarden voldoen, om op die manier het beleid van de ondernemingen te veranderen. Mocht een engagement traject niet leiden tot een verandering van het beleid van Hospira, dan kan de ultieme consequentie van het engagement proces zijn om niet meer in de onderneming te beleggen.
Het ABP heeft kenbaar gemaakt de afgelopen weken intensief contact gehad te hebben met Hospira. Mede naar aanleiding van deze contacten heeft Hospira aangegeven dat Hospira in de week van 25 maart is gestart met het opleggen van restricties aan haar distributeurs. Deze distributeurs dienen een contract te ondertekenen waarin zij aangeven drie stoffen van Hospira die gebruikt kunnen worden voor injecties ten behoeve van de doodstraf niet meer te leveren aan US State Prison Hospitals. Hospira heeft het ABP aangegeven maatregelen te nemen wanneer distributeurs zich niet willen committeren aan deze afspraak. Het ABP zal de komende tijd nauw contact onderhouden met Hospira om de naleving van deze afspraken te controleren.
Het beleid van het ABP, dat stelt dat producten van Hospira (waaronder Propofol) niet worden gebruikt bij executies, maar alleen voor medische doeleinden, sluit hiermee aan op het kabinetsbeleid. Met het ABP-bestuur vindt regelmatig overleg plaats. Tijdens deze overleggen komt ook het onderwerp maatschappelijk verantwoord beleggen aan de orde.
Zijn er u meer oproepen bekend van belangenorganisaties om niet te beleggen in bepaalde bedrijven? Zo ja, welke zijn dit en op welke manier heeft u hierbij gehandeld?
Met enige regelmaat krijgen leden van het kabinet oproepen van belangenorganisaties en vragen vanuit uw Kamer over beleggingen van pensioenfondsen. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld over kernwapens, duurzaamheid en de mensenrechtensituatie bij plantages in Mozambique.
Uitgangspunt in de reactie daarop is dat het kabinet zich in haar wetgevende rol terughoudend opstelt ten aanzien van de wijze waarop individuele fondsen invulling geven aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Pensioenfondsen moeten de ruimte hebben om hun verantwoordelijkheid zelf waar te kunnen maken en zoals onder meer blijkt uit de onderhavige casus hebben fondsen meerdere instrumenten om effectief op te treden. Dat uitgangspunt laat onverlet dat het kabinet in enkele gevallen de door uw Kamer aangedragen vragen over specifieke beleggingen onder de aandacht van pensioenfondsen heeft gebracht. In één uitzonderlijk geval is de regering gekomen tot een verbod. Directe investeringen in bedrijven die clustermunitie produceren, zijn verboden met het oog op het onaanvaardbaar humanitair leed dat clustermunitie veroorzaakt.
Het Rijk is naast wetgever ook werkgever. Met het ABP-bestuur vinden zoals gezegd in dat kader regelmatig overleggen plaats, waarin ook het onderwerp maatschappelijk verantwoord beleggen aan de orde komt. In het geval van de investeringen van het ABP in plantages in Mozambique heeft de sectorwerkgever Rijk bijvoorbeeld een vraag over de gevolgen van deze investering voor de mensenrechten ingebracht in een overleg over verantwoord beleggen tussen het verantwoordingsorgaan en het bestuur van het ABP (Kamerstukken II 2012/13, Aanhangsel van de handelingen, nr. 693).
Het bericht ‘Banken te laks met de aanpak van cybercrime’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Banken te laks met aanpak van cybercrime»?1
Ja.
Waarom werken de banken volgens u onvoldoende mee aan het tegengaan van cybercriminaliteit terwijl de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aangeeft zich niet in uw kritiek te herkennen? Kunt u de verschillen in opvatting verklaren?
De samenwerking met de bankensector is goed. Er zijn geregeld contacten, ook op technisch niveau, als het gaat om detectie. Technische maatregelen leveren ook successen op: de Nederlandse Vereniging van Banken heeft op 2 april 2013 bericht dat de fraude met internetbankieren in de tweede helft van 2012 met 60% is gedaald ten opzichte van de eerste helft van 2012.2
Gezien de ernst van de dreiging van cybercrime moet evenwel over de hele linie een nog grotere inspanning dan nu al het geval is worden geleverd, ook door de bancaire sector. Ik wil de samenwerking verder uitbouwen en gezamenlijk optrekken om de huidige en komende problemen het hoofd te bieden. Er is met name winst te behalen in de operationele samenwerking met het bedrijfsleven. Samen met het bedrijfsleven, waaronder de banken, ga ik daarom de komende jaren investeren in verbeterde signalering, detectie en informatie-uitwisseling. Er is hierover geen verschil van opvatting, zoals onder andere mag blijken uit de brief die de Minister van Financiën en ik uw Kamer op 16 april 2013 stuurden naar aanleiding van de recente DDOS-aanvallen op enkele Nederlandse banken en de operationele maatregelen die wij naar aanleiding daarvan in ons onderlinge overleg van 15 april 2013 hebben genomen. Zoals vermeld in deze brief zal door de banken een liaison in het Nationaal Cyber Security Centrum worden geplaatst om de intensieve samenwerking te bestendigen.
Met de groep publieke en private partijen die in het in vraag 1 aangehaalde bericht wordt genoemd, doelde ik op de bestaande Electronic Crimes Taskforce (ECTF).
Wat is voor u de aanleiding geweest een werkgroep in te richten om digitale aanvallen op bankrekeningen van consumenten tegen te gaan terwijl sinds 2011 de Korps landelijke Politiediensten (KLPD), het Landelijk Parket, de banken en Centre for Protection of the National Infrastructure (CPNI.NL) samenwerken in de Electronic Crimes Taskforce (ECTF) die zich richt op het voorkomen en aanpakken van digitale criminaliteit zoals fraude met internetbankieren? Wat is de toegevoegde waarde van de werkgroep? Waarom bent u niet tevreden over de houding van de banken in dit overleg?
Zie antwoord vraag 2.
Welke afspraken zijn er gemaakt tussen de overheid en de banken over de aanpak van cybercrime? Komen de banken de gemaakte afspraken na? Zijn volgens u de gemaakte afspraken voldoende om cybercrime te bestrijden, zo nee, op welke onderdelen zouden de afspraken moeten worden aangepast?
Banken en overheid werken in de strijd tegen cybercrime op vele verschillende fronten met elkaar samen, onder andere in verbanden zoals de ECTF en het skimmingpoint. De daar gemaakte afspraken worden nagekomen door de deelnemende partijen. Daarnaast wordt door de financiële sector op constructieve wijze samengewerkt binnen het Information Sharing and Analysis Centre (ISAC) voor de financiële sector. Deze Financial-ISAC, waarbinnen publieke en private partijen samenwerken door het delen van informatie en kennis over ICT-kwetsbaarheden en -dreigingen in het digitale domein, is aangesloten bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC).
Een terrein waar nog winst te boeken valt is het werken met zogenaamde barrièremodellen. Bij het werken met barrièremodellen heeft de overheid een leidende rol. Binnen een barrièremodel wordt gedetailleerd bekeken hoe een criminele organisatie of een crimineel verdienmodel werkt. Hierdoor kan worden nagegaan waar de criminele organisatie of het criminele model het meest kwetsbaar is. Op basis daarvan kan worden bepaald welke partij uit het samenwerkingsverband zo effectief mogelijk kan ingrijpen. Opsporing en vervolging zijn ultimum remedium. Eerst moeten we er met elkaar alles aan hebben gedaan om zaken veiliger te maken en gebruikers bewuster. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Klopt het dat sinds vorig jaar banken datalekken en hackersaanvallen verplicht moeten melden? Zo ja, hebben de banken zich aan de meldplicht gehouden? Heeft u zich al een keer genoodzaakt gezien uw bevoegdheden aan te wenden omdat banken zich niet hielden aan de meldplicht, zo ja, kunt u toelichten in welke situaties hier sprake van is geweest?
Banken moeten al geruime tijd op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) incidenten verplicht melden aan De Nederlandse Bank (DNB). Een incident op grond van de Wft is een gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere bedrijfsuitoefening. Datalekken en hackersaanvallen die kwalificeren als incident, moeten dus worden gemeld aan DNB. Voor zover DNB kan overzien wordt de meldplicht door de banken nageleefd. DNB ontvangt enkele meldingen per jaar van DDOS-aanvallen op Nederlandse banken.
In aanvulling op de hiervoor beschreven meldplicht wordt momenteel door het ministerie van Veiligheid en Justitie gewerkt aan twee wetsvoorstellen. In het eerste wetsvoorstel worden onder andere banken verplicht om datalekken (inbreuken op beveiligingsmaatregelen voor persoonsgegevens) te melden aan het College bescherming persoonsgegeven (CBP). In het tweede wetsvoorstel worden banken verplicht om inbreuken op de veiligheid en integriteit van hun informatiesystemen die het betalings- of effectenverkeer onderbreken en een (potentieel) maatschappelijk ontwrichtende werking hebben, te melden aan het NCSC (dit betreft de security breach notification).
Vormt naming en shaming een risico ten opzichte van het belang via het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) te weten welke aanvallen en lekken er zijn om gerichter de cybercrime te kunnen aanpakken en meer kennis te kunnen vergaren? Is het te verkiezen dat bedrijven in vertrouwen hun lekken kunnen melden in plaats van verzwijgen uit angst voor negatieve publiciteit?
Naming en shaming zijn geen onderdeel van uitgangspunten van de security breach notification die ik naar aanleiding van de motie Hennis-Plasschaert3, in samenwerking met het Ministerie van Financiën, aan het uitwerken ben. Het is van belang om informatie te delen met het NCSC zodat gewerkt kan worden aan het verminderen van kwetsbaarheden en indien noodzakelijk hulp geboden kan worden. In mijn brief van 6 juli 20124 heb ik dan ook aangegeven dat vertrouwelijkheid en de door het NCSC te bieden hulp belangrijke uitgangspunten zijn bij de uitwerking van de wettelijke meldplicht. Het wetsvoorstel hieromtrent zal spoedig in consultatie gebracht worden.
Het aanvragen van de voorlopige aanslag |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat over 2012 voor ruim 4 miljoen mensen de fiscus de belastingaangifte geheel vooraf invult en dat dit bij de andere helft al grotendeels gebeurt?1
Ja.
Is de doelstelling daarvan vooral om het invullen van de aangifte voor de mensen te vergemakkelijken en het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting te vereenvoudigen?
Met het vooraf invullen van gegevens worden meer doelen gediend. Het dienstverleningsaspect speelt zeker een grote rol: het doen van aangifte wordt inderdaad gemakkelijker; daardoor boeken burger en Belastingdienst tijdwinst. De Consumentenbond heeft in een enquête vastgesteld dat 95% van de burgers de vooringevulde aangifte als een gemak ervaart.
Door het voorinvullen wordt bovendien voorkomen dat bij het invullen van de aangifte fouten worden gemaakt; daardoor wordt het proces bij de Belastingdienst efficiënter (er is geen foutherstel en geen correspondentie met de burger nodig). En ten slotte is er een toezichtsaspect: goed en volledig ingevulde aangiften kunnen snel worden afgehandeld (en zelfs direct een definitieve aanslag krijgen), zodat er meer aandacht kan worden besteed aan de slechte aangevers.
Kunt u bevestigen dat mensen, die in het verleden automatisch een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering van de Belastingdienst ontvingen, deze voor het jaar 2013 individueel moeten aanvragen en invullen?
Eind 2012 en begin 2013 zijn – zoals elk jaar – ongeveer 3,9 mln. eerste voorlopige aanslagen Inkomstenbelasting 2013 opgelegd en verzonden. Anders dan in andere jaren kon in ongeveer 0,1 mln. gevallen geen eerste voorlopige aanslag worden opgelegd. Door de wijzigingen in het inkomen als gevolg van de Wet uniformering loonbegrip was er volgens de gegevens van de Belastingdienst geen recht meer op een voorlopige aanslag of kon de Belastingdienst op grond van de gegevens waar hij over beschikte niet tot een juiste aanslag komen. Daarom is besloten in deze gevallen geen eerste voorlopige aanslag op te leggen, maar deze burgers per brief te vragen – als zij menen toch recht te hebben op een eerste voorlopige aanslag – een nieuwe aanvraag in te dienen.
Waarop baseerde de Belastingdienst deze voorlopige aanslag toen deze nog automatisch werd opgelegd?
Zie antwoord vraag 3.
Waar worden de mensen, die voor het jaar 2013 een voorlopige aanslag willen aanvragen, geacht zich op te baseren bij hun aanvraag? Kunnen zij zich daarbij baseren op de vooringevulde aanslag en dezelfde gegevens gebruiken?
Lopende het jaar moet uitgegaan worden van een geschat inkomen, want de Belastingdienst ontvangt de meeste gegevens voor het vaststellen van het inkomen pas na afloop van het jaar. De burger is daarom ook altijd zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van een schatting van zijn inkomen gedurende het jaar indien zijn inkomen wijzigingen ondergaat.
Waar burgers zich op kunnen baseren is afhankelijk van het moment waarop zij de aanvraag indienen. Als burgers een verzoek hebben ingediend voor 1 maart 2013, dan konden zij zich baseren op de gegevens uit de aangifte of aanslag inkomstenbelasting 2011. Ook konden zij gebruik maken van hun loonstrook die zij in 2013 hebben ontvangen.
Dienen burgers na 1 maart 2013 een aanvraag in, dan kunnen zij gebruik maken van de – al dan niet gedownloade – gegevens die zij gebruiken voor de aangifte 2012.
In beide situaties geldt dat de burger goed moet controleren of de gebruikte gegevens voor de aanvraag nog steeds actueel zijn. In 2013 kunnen de omstandigheden immers gewijzigd zijn als gevolg van bijvoorbeeld een andere dienstbetrekking, ontslag of verhuizing.
Kunt u bevestigen dat mensen tot 2013 tevens de mogelijkheid hadden om de voorlopige aanslag te wijzigen indien zij (wezenlijke) wijzigingen in hun inkomenspositie in het belastingjaar verwachtten? Hoeveel mensen deden dat daadwerkelijk in 2011, zowel absoluut als relatief?
Mensen kunnen het programma «verzoek of wijziging voorlopige aanslag» gebruiken om hun voorlopige aanslag te wijzigen. Die mogelijkheid bestond altijd al en bestaat nog steeds. In de toelichting bij de voorlopige aanslag en in de brief «geen automatisch voorlopige aanslag» werden zij hier ook expliciet op gewezen. Er wordt geen onderscheid gemaakt in een eerste aanvraag of een wijziging. Ongeveer 900.000 voorlopige aanslagen IH 2011 (ca. 20%) zijn opgelegd naar aanleiding van een ingediend verzoek of wijzigingsverzoek.
Waarom stelt u tegenover het vergemakkelijken en het vereenvoudigen van de aangifte juist een verzwaring van de administratieve last met betrekking tot de voorlopige aanslag?
Er is geen sprake van een structurele verzwaring van de administratieve last. Zoals uit het antwoord op de vragen 3, 4 en 8 blijkt was de wijziging van het inkomen als gevolg van de Wet uniformering loonbegrip de reden waarom er dit jaar voor een kleine groep geen juiste automatische voorlopige aanslag opgelegd kon worden.
Heeft u bij deze wijziging van de werkwijze met betrekking tot de voorlopige aanslag er tevens rekening mee gehouden dat mensen daardoor na afloop van het belastingjaar 2013 opeens geconfronteerd kunnen worden met een (extra) fors bedrag aan belastingaanslag, waarmee zij geen rekening hebben gehouden en dat zij anders gespreid hadden kunnen betalen, en daardoor in betalingsproblemen kunnen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u de werkwijze met betrekking tot de voorlopige aanslag herzien op zodanige wijze dat mensen een automatische aanslag krijgen opgelegd en een wijziging daarvan kunnen aanvragen indien zij een wezenlijke wijziging in hun inkomenspositie voorzien in het desbetreffende belastingjaar? Zo neen, waarom niet?
Zoals eerder is geantwoord zijn ongeveer 3,9 mln. eerste voorlopige aanslagen opgelegd. In de toelichting worden burgers er op gewezen om bij wijziging van het inkomen zelf een wijzigingsverzoek voor een aangepaste voorlopige aanslag in te dienen. Burgers waarvan de eerste voorlopige aanslag niet is verlengd hebben een brief gekregen, met een soortgelijk verzoek.
Is er al een stabiele koppeling mogelijk met de basisadministratie inkomensgegevens? Zo neen, waarom niet?
De basisregistratie inkomen (BRI) wordt voor de burgers die aangifte doen gevuld met het verzamelinkomen zoals bepaald na afloop van het belastingjaar in bijvoorbeeld hun definitieve aanslag. Voor de mensen die geen aangifte doen wordt in de basisregistratie inkomen het fiscale jaarloon gebruikt.
Hoeveel geld is er inmiddels uitgegeven aan de opzet en uitvoering van de basisadministratie inkomensgegevens?
De BRI maakt onderdeel uit van het project Basisregistraties. Het project Basisregistraties is één van de ICT-projecten waarover aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en via het Rijks ICT-dashboard. De investeringskosten van de BRI zijn binnen het project Basisregistratie niet separaat geadministreerd, maar worden in zijn totaliteit geschat op circa € 20 mln. Met de uitvoering van de BRI, inclusief de kosten van beheer en onderhoud, is circa € 2,5 mln. per jaar gemoeid.