Het verschuiven van de peildatum |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken tijdens het debat van 10 december jl., te weten: «Dat betekent bijvoorbeeld ook dat de peildatum die altijd gehanteerd wordt voor potentiële aspirant-omroepen ook één jaar zal doorschuiven, naar 31 december 2020. Dat is nog niet officieel naar buiten gekomen, omdat ik zelf nog even heb gewacht op de behandeling van dit wetsvoorstel, maar u zult begrijpen dat we, ook met het oog op de tijd, dit besluit nu moeten nemen. Dat is een autonome bevoegdheid die ik vanuit de Mediawet heb. Dat besluit zal deze week dus bekend worden gemaakt»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van uw woordvoerder op 11 december jl., die aangaf dat het opschuiven van de peildatum niet nieuw was?2
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u hierin ook een opmerkelijk verschil? Zo nee, waarom niet?
Ik heb eerder aangegeven dat ik voornemens was de peildatum met een jaar op te schuiven. Bijvoorbeeld in de beantwoording van de vragen over de visiebrief met betrekking tot de toekomst van het publieke omroepbestel3 en in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel houdende verlenging van de lopende concessie en erkenningen van de landelijke publieke mediadienst met een jaar4. Tijdens het debat van 10 december jl. gaf ik aan dat ik dit besluit nu formeel genomen heb.
Ik heb mijn voornemen om de peildatum te verschuiven ook eerder gecommuniceerd aan de huidige omroepen in het bestel. Hier zijn zij dan ook vanuit gegaan. Ook alle nieuwe initiatieven die zich bij het ministerie hebben gemeld, heb ik medegedeeld dat ik voornemens was de peildatum te verschuiven.
Vindt u het correct om zo kort van tevoren de peildatum te veranderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid uw voorgenomen besluit om de peildatum uit te stellen in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe vindt u het overkomen dat u een wetsvoorstel aan de Kamer voorlegt om dan vervolgens, als het u niet snel genoeg gaat of wanneer uw argumenten tekort schieten, dan maar een deel van wat met de wet beoogd wordt te regelen middels het aanwenden van de bevoegdheden die u op basis van de Mediawet heeft?
In het wetsvoorstel stel ik voor de concessie- en erkenningperiode van de landelijke publieke mediadienst met een jaar te verlengen. Het verschuiven van de peildatum maakt geen onderdeel uit van het wetsvoorstel. In artikel 2.27 van de Mediawet is geregeld dat de peildatum door de Minister wordt vastgesteld. Dat heb ik nu gedaan. Gelet op de gewenste zekerheid over de peildatum voor omroeporganisaties, zowel bestaande omroeporganisaties als nieuwe initiatieven, die zich voorbereiden op een aanvraag voor een (voorlopige) erkenning, achtte ik het noodzakelijk om anticiperend op de afronding van het wetsvoorstel nu het besluit te nemen en te publiceren om de peildatum met een jaar te verschuiven.
Een onkostenvergoeding van vrijwilligers bij het Songfestival |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Harry van der Molen (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het ingezonden stuk in de Volkskrant van Lucas Meijs (hoogleraar Strategische Filantropie en Vrijwilligerswerk Erasmus Universiteit) en Joost van Alkemade (directeur Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk) over een onkostenvergoeding voor vrijwilligers van het Songfestival?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een sterke samenleving niet kan bestaan zonder de tomeloze inzet van vrijwilligers, en dat het daarom van belang is om vrijwilligerswerk te waarderen, te stimuleren en te ondersteunen?
Daar ben ik het mee eens. Dat Nederland sterk is in het organiseren van grote evenementen met een bindende rol in de samenleving is mede te danken aan de bereidheid van veel mensen om zich vanuit een passie, maatschappelijke betrokkenheid of gewoon omdat ze het leuk vinden belangeloos in te zetten. Dat verdient ieders respect en waardering.
Wat vindt u ervan dat bij het Songfestival beroepskrachten, zoals presentatoren en technici, wel treinkaartjes en autokilometers mogen declareren, maar vrijwilligers niet? Vindt u dit uit te leggen?
Bent u het ermee eens dat het van belang is dat het Songfestival een goed vrijwilligersbeleid heeft, waarbij ten minste de onkosten van vrijwilligers worden vergoed?
Bent u het ermee eens dat, nu het besluit is genomen om vanuit de Algemene Mediareserve een financiële bijdrage beschikbaar te stellen aan de uitzending van het Eurovisie Songfestival, een goede gelegenheid is ontstaan om ook afspraken te maken over een onkostenvergoeding voor vrijwilligers?
Bent u bereid om afspraken te maken over een onkostenvergoeding voor vrijwilligers van het Songfestival, bijvoorbeeld door dit mee te nemen bij het aangekondigde gesprek waarin u aangeeft nadere afspraken te willen maken met de NPO over de aandacht voor de toegankelijkheid van het Eurovisie Songfestival voor mensen met een beperking en over het betrekken van scholieren bij het Eurovisie Songfestival?2
De overstap van de voormalige voorzitter van het Commissariaat van de Media als lobbyist naar Netflix |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de overstap van de voormalige voorzitter van het Commissariaat van de Media als lobbyist naar Netflix?1
Ja.
Worden hier de regels nageleefd uit de Gedragscode Integriteit van het Commissariaat voor de Media en de rechtspositieregels voor rijksambtenaren? Zo nee, wat zijn hier de consequenties van?2
Deelt u de mening dat hier de schijn van belangenverstrengeling niet tegengegaan wordt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer een voormalig mediatoezichthouder direct overstapt naar een groot mediabedrijf? Zeker wanneer ze in haar nieuwe functie de lobby rondom de implementatie van de audiovisuele richtlijn zal gaan doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om dit te voorkomen?
Het bericht ‘Wie beschermt onze fragiele Oude Kerk’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wie beschermt onze fragiele Oude Kerk»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat door diverse experts wordt aangegeven dat gebouw en orgel schade lijden door onder meer stofneerslag als gevolg van installaties, te zware constructies en onverantwoorde ingrepen? Deelt u de mening dat dergelijk gedrag niet past bij de zorg die van de eigenaar van een monument of cultuurgoed verwacht mag worden?
In algemene zin kan ik mij goed vinden in het museale (neven)gebruik van de kerk. Uiteraard moet dat wel met respect voor het monument gebeuren. Van een eigenaar wordt een zorgvuldige omgang met het rijksmonument verlangd.
Het is in eerste instantie aan de gemeente als vergunningverlener en toezichthouder om daarop toe te zien. Signalen over schade aan het monument neem ik echter serieus en in het geval van de huidige tentoonstelling in de Oude Kerk ging het daarnaast over vermeend brandgevaar. Hierover is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) contact geweest met de gemeente. Daarbij is geconcludeerd dat voldoende brandveiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Ook is er geen schade geconstateerd aan het orgel.
Vindt u het acceptabel dat eigenaren grote risico’s nemen ten aanzien van monumenten die mede op basis van subsidies worden onderhouden en gerestaureerd? Wat doet u om zulke situaties te (kunnen) voorkomen?
Er is in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunningplicht opgenomen ten aanzien van het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument. Ook het laten gebruiken van een rijksmonument is vergunningsplichtig als het rijksmonument hierbij wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Indien bepaald gebruik onacceptabele risico’s met zich meebrengt, zal hiervoor door de gemeente als vergunningverlener geen toestemming worden verleend. Ook in het geval van de installatie Poems for Earthlings van Adrián Villar Rojas in de Oude Kerk heeft de gemeente van te voren het plan beoordeeld. Er is door de gemeente geoordeeld dat er voor deze tentoonstelling geen vergunning nodig was, omdat vergunningen nodig zijn voor blijvende wijzigingen en niet voor deze tijdelijke tentoonstelling.
Is de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed de afgelopen jaren betrokken geweest bij besluiten tot restauratie en aanpassing van de Oude Kerk en bij plannen voor installaties in het monument? Zo ja, welke adviezen zijn gegeven en welke acties zijn ondernomen?
Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht adviseert de RCE namens mij bij ingrijpende wijzigingen. De tijdelijke tentoonstellingen/installaties in de Oude Kerk zijn -als ze al vergunningsplichtig zijn- doorgaans niet adviesplichtig. Desondanks is de RCE de afgelopen jaren op verschillende manieren (zowel in vergunnings- als in subsidietrajecten) betrokken geweest bij de planvorming en uitvoering van werkzaamheden in de Oude Kerk, onder meer met betrekking tot het klinkend erfgoed (het orgel), het natuursteen en het historisch interieur. De adviezen over deze onderwerpen betreffen voornamelijk restauratiewerkzaamheden waarvoor specialistische kennis noodzakelijk is.
Bent u van mening dat het toezicht op monumenten voldoende functioneert wanneer adviezen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed worden genegeerd en wanneer betrokkenen aangeven dat volstrekt onduidelijk is wie besluiten neemt over technische ingrepen als het verlengen van orgelpijpen?
Er is geen reden om aan te nemen dat adviezen van de RCE worden genegeerd. De RCE is de afgelopen jaren op verschillende manieren (zowel in vergunnings- als in subsidietrajecten) als adviseur betrokken geweest bij de Oude Kerk en heeft op diverse vakgebieden expertise ingebracht. Daarbij wordt goed samengewerkt met de deskundigen van de gemeente Amsterdam. Zo ook op het vlak van klinkend erfgoed bij de restauratie van het Vater-Müller orgel. Uitgangspunt van het restauratieplan was dat het orgel zou worden hersteld zonder wijzigingen ten opzichte van de historisch gegroeide toestand. Dat is zo uitgevoerd. Er is gewerkt conform het restauratieplan en de verleende vergunning. Er zijn geen orgelpijpen verlengd.
Als er een wens zou zijn om de orgelpijpen te verlengen, dan zal daar op de gebruikelijke wijze een vergunning voor aangevraagd moeten worden bij de gemeente. Het is niet mijn indruk dat hierover onduidelijkheid is bij betrokkenen.
Bent u bereid contact op te nemen met de verantwoordelijke toezichthoudende instanties en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed om een zorgvuldige omgang met dit toonaangevende rijksmonument te bevorderen?
De RCE is een dienstonderdeel van mijn ministerie. Namens mij onderhoudt deze dienst de contacten met de gemeente die in deze zowel vergunningverlenende als toezichthoudende instantie is.
Misstanden in realityshows |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de misstanden bij realityshows zoals De Villa en Temptation Island?1 2 3
Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Deelt u de mening dat deelnemers makkelijk gemanipuleerd kunnen worden in dit soort programma’s door scenes te creëren en door de druk op deelnemers van contractuele verplichtingen?
Programmamakers hebben een verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met deelnemers aan programma’s. Uiteraard hebben ook deelnemers een eigen verantwoordelijkheid om af te wegen of zij wel of niet aan een reality-programma meewerken of aan de bel te trekken als er naar hun mening sprake is van manipulatie en druk. Vanwege de ontstane ophef over het programma De Villa hebben RTL en de producent van het programma, Blue Circle, samen contact opgenomen met een aantal afzonderlijke deelnemers. Op basis van de bevindingen uit dat gesprek hebben RTL en Blue Circle in gezamenlijkheid besloten dat RTL een externe partij opdracht geeft om een onafhankelijk onderzoek te doen naar de gang van zaken bij de totstandkoming van het programma.
Bent u bereid met het Commissariaat voor de Media in gesprek te gaan zodat er regels opgesteld kunnen worden rondom dit soort contracten en programma’s? Zo nee, waarom niet?
Ik heb contact opgenomen met het Commissariaat voor de Media. Het is niet de taak van het Commissariaat om toezicht te houden op de wijze waarop commerciële omroepen programma’s produceren en inhoud geven. Bovendien valt RTL onder Luxemburgs toezicht. RTL wil een verantwoordelijk mediabedrijf zijn dat oog heeft voor de belangen waarvoor zowel vanuit de politiek als de samenleving bescherming wordt gevraagd. RTL zegt ook geschrokken te zijn en laat zoals gezegd nader extern onderzoek doen.
Ik merk verder nog het volgende op. Tijdens het wetgevingsoverleg Emancipatie met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 2 december jongstleden is door het lid Jasper van Dijk (SP) van uw Kamer aanvullend gevraagd naar de strafbaarheid en mogelijkheden tot vervolging. Of en door wie er strafbare feiten zijn gepleegd, staat ter beoordeling van het OM op basis van de feiten en alle relevante omstandigheden, dus niet alleen op basis van mediaberichten en beeldfragmenten. Het OM kan de strafbaarheid van gedragingen beoordelen aan de hand van een aangifte.
De onzekerheid bij de Nederlandse Publieke Omroep |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Erkent u dat er nog altijd onduidelijkheid is over de mate waarin de Nederlandse Publieke Omroep (hierna, NPO) het niet gecompenseerde gedeelte van de teruglopende reclame-inkomsten kan opvangen in haar eigen begroting, zonder dat dit ten koste gaat van de makers en programmering? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van uw vraag is het goed om de context te schetsen. De reclame-inkomsten lopen sinds 2016 terug. De daling is tot en met vorig jaar opgevangen met middelen uit de Algemene Mediareserve om het budget van de landelijke publieke omroep op peil te houden. De Algemene Mediareserve raakte hierdoor vorig jaar uitgeput. Het budget voor de landelijke publieke omroep werd hierdoor noodgedwongen met ingang van dit jaar verlaagd. Op verzoek van uw Kamer heeft het kabinet eenmalig extra middelen vrijgemaakt om de verlaging dit jaar op te vangen. Nu is het aan de NPO en de omroepen om structurele maatregelen te nemen om de kosten van de landelijke publieke omroep in balans te brengen met zijn budget. Ik vind het belangrijk dat hierover zo snel mogelijk duidelijkheid wordt gecreëerd. Ik heb daarom met de NPO en de omroepen besparings- en inkomstenopties besproken en hen gevraagd om die nader uit te werken. Ik zal de NPO en het College van Omroepen vragen om in het eerste kwartaal van 2020 mij hierover te informeren. Ik zal dan ook uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat de NPO en de omroepen baat hebben bij duidelijkheid over hun financiële toekomst?
Ja. Het is aan de NPO en de omroepen om zo snel mogelijkheid duidelijkheid te creëren over de maatregelen die zij willen nemen om hun kosten en inkomsten in balans te brengen.
Op welke wijze draagt uw voorgestelde wetswijziging om de NPO reclameluw te (kunnen) maken – zonder de reclame-inkomsten te compenseren – bij aan die duidelijkheid voor de NPO, omroepen en haar makers?
De voorgestelde wetswijziging om de landelijke publieke omroep reclameluw te maken is niet de oorzaak van de budgettaire spanning die de NPO en de omroepen ervaren als gevolg van de teruglopende reclame-inkomsten. De voorgestelde wetswijziging heeft overigens wel als effect dat de landelijke publieke omroep minder afhankelijk wordt van reclame-inkomsten en verkleint daarmee de budgettaire onzekerheid voor de landelijke publieke omroep.
Bent u bereid de berekening en analyse achter uw ruwe inschatting van het besparingspotentieel met betrekking tot de ondersteunende activiteiten van de NPO en de omroepen (onder andere op basis van de VRT en BBC) met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb in de mediabegrotingsbrief 2020 een toelichting gegeven met betrekking tot de berekeningswijze.1 Parallel aan de beantwoording van deze Kamervragen heb ik aan uw Kamer een brief gestuurd waarin ik het een en ander nader heb toegelicht.
Hoe zien de nieuwe besparings- en inkomstenopties eruit, waarvan u in uw Kamerbrief van 15 november 20191 aangeeft dat de NPO en het Commissariaat van de Media deze nader gaan onderzoeken?
De besparings- en inkomstenopties heb ik nader toegelicht in mijn begeleidende brief aan uw Kamer.
Bent u bereid de beantwoording van deze vragen voor het wetgevingsoverleg over de OCW-begroting, onderdeel Media van 25 november 2019 aan de Kamer te doen toekomen?
Ja.
Het weigeren van een lesbisch stel voor KID door het Franciscus Gasthuis in Rotterdam |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Franciscus Gasthuis in Rotterdam lesbische en alleengaande vrouwen weigert voor kunstmatige inseminatie met donorsemen (KID)?
Van het Franciscus Gasthuis heb ik begrepen dat de KID behandeling in hun ziekenhuis niet wordt aangeboden. Om die reden worden alle vrouwen (zowel vrouwen zonder mannelijke partner, als vrouwen met een mannelijke partner) die een KID behandeling willen, door het Franciscus Gasthuis doorverwezen naar een ander ziekenhuis.
Kunt u bevestigen dat de toegang weigeren voor lesbische en alleengaande vrouwen tot de behandeling KID in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling?
Het onderscheid maken in de toegang tot zorg alleen op basis van seksuele geaardheid of leefvorm, is niet toegestaan. In dit geval is er geen sprake van het maken van een dergelijk onderscheid, aangezien dit ziekenhuis alle vrouwen die een KID behandeling nodig hebben, doorstuurt naar een ander ziekenhuis.
Staat u nog steeds voor het standpunt zoals dat is geformuleerd bijna 20 jaar geleden, naar aanleiding van het oordeel van de Commissie gelijke behandeling in 2000, dat voor toegang tot KI-behandelingen geen onderscheid mag worden gemaakt naar leefvorm?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunnen patiënten doen om zich hier tegen te wapenen? Waar kunnen zij zich melden op het moment dat zij hier tegenaan lopen?
Ten algemene kunnen patiënten met een klacht over een ziekenhuis of arts terecht bij de klachtenfunctionaris die het ziekenhuis op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg moet hebben. Daarnaast kunnen personen die geconfronteerd worden met ongelijke behandeling, een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Omdat er in deze casus geen sprake is van ongelijke behandeling, zie ik geen aanleiding om met het Franciscus Gasthuis in overleg te gaan.
Wat kunt u doen om dit tegen te gaan? Wat doet u als er een signaal binnenkomt over ongelijke behandeling op basis van gekozen leefvorm?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het Franciscus Gasthuis over het weigeren van lesbische en alleengaande vrouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er bij u signalen bekend dat op meer plekken lesbische of alleengaande vrouwen de toegang tot KID wordt geweigerd?
Nee.
Kunt u nogmaals bevestigen dat totdat de subsidieregeling KID in werking treedt, zorgverzekeraars bereid zijn behandelingen te blijven vergoeden voor vrouwen die nu al in een traject zitten en vrouwen die zich nog melden voor een traject?
Zoals ik u eerder heb gemeld, vergoeden de zorgverzekeraars gedurende 2019 de KID behandelingen voor alle vrouwen.
Op verzoek van de klinieken heb ik met zorgverzekeraars besproken om dit ook de eerste 3 maanden in 2020 te doen, zodat de klinieken de tijd te hebben om de uitvoering van de subsidieregeling in orde te maken. Daarmee is er voor vrouwen zonder mannelijke partner doorlopend vergoeding beschikbaar.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Zwangerschap en Geboorte van 18 december 2019?
Ja.
De veiligheid van en toezicht op indoor kartbanen |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toezicht kartbanen ontbreekt: gemeenten en autosportbond willen keuring»?1
Ja.
Bent u ermee bekend hoeveel mensen per jaar in het ziekenhuis belanden na een ongeval op een indoor kartbaan?
Het aantal bezoeken aan de Spoedeisende Hulpafdelingen in verband met letsels door karten fluctueert de afgelopen 10 jaar tussen de 350 en 650 per jaar. Dit zijn de totale aantallen voor indoor en outdoor kartbanen. Specifieke cijfers van het aantal mensen dat in het ziekenhuis belandt na een ongeval op een indoor kartbaan zijn niet bekend.2
Kunt u aangeven aan welke wettelijke veiligheidsregels indoor kartbanen die zich niet op attractieparken bevinden, moeten voldoen?
Kartbanen die zich bevinden in attractieparken, moeten voldoen aan het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). Het WAS heeft als doel om bij te dragen aan veilig spelen en bezoeken van attracties. Op zichzelf staande kartbanen vallen niet onder het WAS omdat ze worden gezien als sportbeoefening. Dit is vastgelegd in de Reikwijdtenotitie WAS, welke laatst gewijzigd is in 2007.
De karts zelf zijn machines en moeten voldoen aan de productveiligheidseisen van het Warenwetbesluit Machines. Voor het overige worden momenteel geen eisen gesteld.
Zijn er regels voor deze indoor kartbanen ten aanzien van het parcours, de eisen waaraan karts moeten voldoen, minimumleeftijd, de aanwezigheid van éénduidige veiligheidsinstructies, etc.? Zo ja, welke? Wie stelt deze op? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat geen toezicht wordt gehouden op indoor kartbanen? Zo nee, welke instantie houdt toezicht op indoor kartbanen? Zo ja, waarom niet? Welke bevoegdheden hebben gemeenten in deze?
Er is geen toezicht vanuit de rijksoverheid op de kartbaan anders dan op de karts zelf op basis van de machinerichtlijn. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft mij geïnformeerd dat gemeenten geen bevoegdheid hebben en dus geen toezicht houden op indoor kartbanen.
Kunt u aangeven wanneer de indoor kartbaan aansprakelijk is voor persoonlijk letsel?
De exploitant van kartbanen is verantwoordelijk voor een veilig verloop van deze sportactiviteit. Dit blijkt ook uit jurisprudentie.3 Wanneer de exploitant van een indoor kartbaan wel of niet aansprakelijk is voor persoonlijk letsel, is een privaatrechtelijke kwestie.
Vindt u dat er eenduidige veiligheidsregels en toezicht zouden moeten komen op indoor kartbanen die geen onderdeel zijn van een attractiepark? Zo ja, op welke wijze wilt u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ik wil indoor kartbanen onder het WAS brengen. Activiteiten zoals karten die in het verleden vooral als sport werden beoefend, worden nu vaker aangeboden als losse (eenmalige) ontspanningsactiviteit. Er is een eerste gesprek gevoerd met de autosportfederatie (KNAF). In overleg met de KNAF, gemeenten en aangewezen keuringsinstellingen laat ik bekijken hoe de keuring op veiligheid van kartbanen het beste uitgevoerd kan worden. Deze aanpassing is onderdeel van een aantal voorstellen om de veiligheid van attractie- en speeltoestellen te verbeteren, die ik begin volgend jaar aan uw Kamer zal aanbieden.
De uitzending van Undercover Nederland over de misstanden die plaatsvinden in een legale seksinrichting in Doetinchem. |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Anne Kuik (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Undercover Nederland «Sekswerkers hebben in deze seksclub geen leven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aangetoonde misstanden, zoals dat de exploitant weet dat vrouwen gedwongen worden om als prostituee te werken?
Misstanden in de prostitutiebranche moeten hard aangepakt worden. Als een exploitant er weet van heeft dat prostituees bij hem of haar onder dwang werken, dan betekent dat in veel gevallen dat de vergunning ingetrokken kan worden. Het is hiervoor noodzakelijk dat de misstanden daadwerkelijk zijn vastgesteld. Vergunningverlening en toezicht en handhaving binnen de seksbranche zijn lokale bevoegdheden. Een besluit over een eventuele sluiting is eveneens een lokale aangelegenheid.
Deelt u de mening dat seksinrichtingen zoals in Doetinchem – die willens en wetens misstanden faciliteren – gesloten moeten worden en dat de verantwoordelijken vervolgd dienen te worden?
Indien er sprake is van ernstige overtredingen van vergunningvoorwaarden, ligt het in de rede een inrichting te sluiten. Een besluit over een eventuele sluiting is als gezegd een lokale aangelegenheid. Ik heb contact gehad met de gemeente Doetinchem en heb begrepen dat er zeer regelmatig controles worden uitgevoerd en daar waar nodig handhavend wordt opgetreden. De bestuurlijke controles hebben geen aanleiding gegeven voor een strafrechtelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat controlesystematiek van gemeenten niet moet neerkomen op een afvinklijstje, maar gericht moet zijn op het voorkomen van uitbuiting en misstanden? Zo ja, in hoeverre heeft u een beeld dat dit ook daadwerkelijk de praktijk is en de regelgeving zijn doel dient?
Ja, die mening deel ik. Mijn indruk is dat gemeenten en politie regelmatig controleren op de prostitutiebranche en dat daarbij veel oog is voor mogelijke signalen van mensenhandel en voor andere misstanden. Omdat er echter geen sprake is van een uniform vergunningstelsel en gemeenten hier zelf invulling aan kunnen geven, doen zich lokale verschillen voor en kan het zijn dat eisen aan een seksinrichting – bijvoorbeeld met betrekking tot toegestane werktijden – in de ene gemeente strenger zijn dan in de andere. Het wetsvoorstel regulering sekswerk dat momenteel ter consultatie ligt, gaat hier verandering in brengen door een uniforme, landelijke vergunningplicht.
Wat is uw reactie op de beantwoording van de gemeente dat voor de uitzending van Undercover Nederland controles zijn gedaan, maar dat er onvoldoende mogelijkheden waren om actie te ondernemen?
De gemeente Doetinchem heeft aan mij laten weten dat er tijdens de controles die regelmatig plaatsvinden tot op heden geen misstanden of overtredingen zijn geconstateerd.
Kunt u aangeven hoeveel keer exploitanten van seksinrichtingen signalen van gedwongen prostitutie aan de politie en/of gemeenten melden? Zo ja, hoe duidt u dit aantal? Zo, nee wilt u een inventarisatie uitvoeren?
Exploitanten mogen geen persoonsgegevens van sekswerkers delen met gemeenten; hiervoor is geen grondslag onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Meldingen bij de politie zijn wel altijd mogelijk. Er wordt bij de politie niet geregistreerd op een wijze die het mogelijk maakt een landelijk beeld te geven.
Op welke manier kan gegarandeerd worden dat prostituees in een seksinrichting hulpverlening mogen vragen en accepteren, gelet op het feit dat in de uitzending van Undercover Nederland duidelijk wordt dat vrouwen ondanks bedreigingen geen contact mogen hebben met de politie?
Het is niet aan een seksinrichting om te bepalen of een sekswerker contact heeft met hulpverlening of politie. Veel hulpverleningsorganisaties gericht op sekswerkers werken outreachend en weten op die manier sekswerkers op verschillende plaatsen te bereiken, zowel op als buiten de werkplek.
Heeft u signalen dat deze misstanden bij legale seksinrichtingen niet op zichzelf staan, maar vaker voorkomen in Nederland? Zo ja, welke acties gaat u daarop nemen? Zo nee, op welke manier heeft u hier een beeld van gevormd?
Aangezien toezicht op legale seksinrichtingen een lokale bevoegdheid is en misstanden niet landelijk worden geregistreerd, heb ik geen overzicht van aard en omvang van misstanden bij seksinrichtingen. Wel spreek ik regelmatig met gemeenten over de lokale situatie en weet ik dat de gemeenten die een vergunningstelsel hanteren voor seksinrichtingen regelmatig controles uitvoeren, al dan niet samen met politie.
Veel gemeenten maar ook hulverleningsorganisaties geven aan dat zich in het vergunde, zichtbare deel van de branche minder misstanden voordoen dan in het onvergunde en het illegale deel van de branche. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor geweldsincidenten en de prevalentie van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Omdat exploitanten met een vergunning deze niet kwijt willen raken, zijn ze geneigd zich aan de vergunningvoorwaarden te houden. Het onvergunde deel van de branche onttrekt zich veel meer aan het zicht.
Het is mede daarom dat het wetsvoorstel regulering sekswerk beoogt de gehele prostitutiebranche vergunningplichtig te maken, zodat hier zicht op is en toezicht en handhaving goed kan plaatsvinden.
Bent u bereid met gemeenten in gesprek te gaan over de effectiviteit van de regelgeving en handhaving om misstanden tegen te gaan in legale seksinrichtingen?
Ja. Hier ben ik reeds over in gesprek met gemeenten, onder andere naar aanleiding van de constatering dat op grond van de AVG bepaalde persoonsgegevens niet of niet meer geregistreerd of gedeeld kunnen worden, wat in sommige situaties toezicht kan bemoeilijken. In het wetsvoorstel regulering sekswerk wordt hier een wettelijke grondslag voor gecreëerd waardoor dit knelpunt in de toekomst weg zal vallen.
Hoe verklaart u dat ondanks dat de zedenpolitie signalen van misstanden heeft ontvangen, er geen actie ondernomen is ten aanzien van de seksinrichting?
Vanuit de politie is actie ondernomen. De signalen die zijn ontvangen, hebben geen bevestiging gevonden in de controles die door de politie zijn uitgevoerd. Als gevolg daarvan was er geen aanleiding voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek en een daarop volgende strafrechtelijke vervolging.
Indien de inrichting gesloten wordt, op welke wijze wordt dan zorg gedragen voor de vrouwen die er werkzaam waren? Wordt hen een uitstapprogramma aangeboden als zij uit de prostitutie willen stappen?
Onder de Regeling Uitstapprogramma’s III (RUPS III) is een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s gerealiseerd. Dit betekent dat er voor iedere prostituee die daar gebruik van wil maken, een uitstapaanbod beschikbaar is.
Daarnaast hecht de politie veel waarde aan een goede en professionele dienstverlening richting de burger. Zij biedt de prostituees, indien zij dat willen, de mogelijkheid tot het doen van een melding of aangifte, en geleidt hen door naar de hulpverlening. De politie doet dit voor slachtoffers zo laagdrempelig mogelijk en ondersteunt slachtoffers zo goed mogelijk bij het doen van aangifte.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het aanstaande algemeen overleg mensenhandel van 5 december aanstaande?
Ja.
700 miljoen euro voor schaamteloze EU-propaganda |
|
Vicky Maeijer (PVV), Roy van Aalst (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe gratis reis door Europa voor 18-jarigen»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de Europese Commissie dat het een goed idee is om «gratis» treinkaartjes uit te delen tegen zogenaamde misinformatie over Europa en de opkomst van populisme?2 Zo nee, waarom niet?
Het huidige DiscoverEU is een pilotprogramma dat 18-jarigen, met specifieke focus op jongeren met minder mogelijkheden, de gelegenheid moet geven te reizen door Europa. Momenteel heroverweegt de Europese Commissie de invulling van deze pilot, waarbij de Europese Commissie en het Europees parlement voorstellen dat het onderdeel wordt van het toekomstige Erasmus-programma. Voor de kabinetsappreciatie van dit voorstel, verwijs ik u graag naar het op 10 juli 2018 aan uw Kamer verzonden BNC-fiche over Erasmus (Kamerstuk 22 112, nr. 2624).
Het kabinet is kritisch over DiscoverEU in de huidige vorm van het pilotprogramma. Alvorens een beoordeling plaats kan vinden over het voorstel voor de toekomst van DiscoverEU, wil het kabinet meer duidelijkheid over de leereffecten, het selectieproces, en hoe de impact van het programma gemeten wordt.
De toekomst van DiscoverEU is momenteel opgenomen als beslispunt in de zogeheten negotiation box (onderhandelingsdocument) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027. Daar maakt het onderdeel uit van een vernieuwingspakket, waar ook Europese Universiteiten en Excellentiecentra voor beroepsonderwijs en -opleiding onderdeel van zijn. Het Finse voorzitterschap heeft voorgesteld de discussie te heropenen over dit vernieuwingspakket. Indien lidstaten hiermee akkoord gaan, wordt dit pakket onderdeel van de onderhandelingen met het Europees parlement in het kader van de triloog over het Erasmus-programma. Indien lidstaten hier niet mee akkoord gaan, zal de discussie in het voorjaar van 2020 plaatsvinden als er weer over het MFK wordt gesproken.
Welke andere EU-plannen zijn of worden er ingevoerd tegen zogenaamde misinformatie en populisme? Hoeveel kosten deze plannen?
Binnen de kaders van het bredere Erasmus+ programma moet het DiscoverEU initiatief erop gericht zijn om via onderwijs en cultuur de Europese identiteit van jongeren te versterken. De website youdiscover.eu waarnaar wordt verwezen is in het beheer van een Europese politieke partij, de Europese Volkspartij (EVP).
Deelt u de mening dat een campagne van maar liefst 700 miljoen euro, zoals de Europese Commissie heeft voorgesteld, voor promotie van de EU een wanstaltig bewijs is van schaamteloze verspilling van (Nederlands) belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wil meer duidelijkheid over het voorstel voor de toekomst van DiscoverEU alvorens erover te oordelen. Er moet duidelijk worden wat de leereffecten van het programma zijn, wat voorwaarden voor het selectieproces zijn, en hoe de impact van het programma wordt gemeten.
Bent u bereid om tijdens de onderhandelingen over de nieuwe meerjarenbegroting van de EU te eisen dat kostbaar Nederlands belastinggeld niet wordt ingezet voor dit soort flauwekul, maar terugvloeit naar de Nederlandse staatskas? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal zich, in lijn met de kabinetsappreciatie van 1 juni 2018 (Kamerstuk 21 501–20 nrs. 1349 en 1379), in de komende onderhandelingen blijven inzetten voor een financieel houdbaar en ambitieus gemoderniseerd MFK. Nederland ziet de begroting in de context van Brexit en de discussie over de toekomst van de EU. Brexit dicteert, met het verlies van een grote netto betaler, dat de begroting neerwaarts moet worden bijgesteld. Middelen moeten effectief en efficiënt besteed worden, op terreinen waar Europese financiering toegevoegde waarde heeft. Dit vraagt scherpe keuzes én bezuinigingen. De inzet is om via bezuinigingen op bestaand beleid versterkte of nieuwe prioriteiten te financieren, als ook de financiële gevolgen van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk op te vangen.
Het rapport 'FC Twente, Feyenoord en de Europese regels voor staatssteun' |
|
Nevin Özütok (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport FC Twente, Feyenoord en de Europese regels voor staatssteun», gepubliceerd op 4 november 2019, van de onderzoeker Van den Burg van de University of Twente?1
Ja
Erkent u dat het niet uit te leggen is dat gemeenten met grote tekorten op het sociaal domein, zich soms gedwongen voelen om tientallen miljoenen over te maken naar betaald voetbalorganisaties?
Ik herken mij niet in de suggestie dat gemeenten gedwongen zouden worden om tientallen miljoenen over te maken naar betaald voetbalorganisaties. De gemeenten zullen binnen de kaders van wet- en regelgeving per geval moeten afwegen of de steun al dan niet zal worden verleend.
Bent u het eens dat staatssteun aan betaald voetbalorganisaties leidt tot een oneerlijk voordeel op sportief vlak in de voetbalcompetities?
Nee, deze mening deel ik niet. Op basis van de door u aangehaalde voorbeelden (FC Twente, Feyenoord) zie ik geen reden om tot een dergelijke conclusie te komen.
Heeft u kennisgenomen van de constatering in bovengenoemd rapport dat er in het geval van FC Twente sprake is van onrechtmatige steun?
Ja
Heeft u kennisgenomen van de conclusie in het rapport dat de Europese Commissie rechtsongelijkheid creëert omdat in het geval van FC Twente niet wordt ingegrepen?
Ja
Bent u het eens dat er een lacune is wanneer de Europese Commissie alleen de klachten van profvoetbalclubs en gemeenten in behandeling neemt, en niet meer de klachten van bijvoorbeeld burgers of organisaties die geraakt worden door de financiële keuzes vanwege (onrechtmatige) steun aan voetbalclubs?
Ja, er zou een lacune zijn als de Europese Commissie alleen de klachten van profvoetbalclubs en gemeenten in behandeling zou nemen, maar dat doet ze niet.
Elke belanghebbende kan een klacht bij de Europese Commissie indienen over mogelijk onrechtmatige steun. Op grond van de verordening over de procedurele voorschriften voor de staatssteunregels wordt als belanghebbende beschouwd een lidstaat, een persoon, een onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van de steun kunnen worden geraakt (Verordening (EU) 2015/1589). Derhalve kan de Europese Commissie ook klachten in behandeling nemen van bijvoorbeeld concurrerende ondernemingen en van beroepsverenigingen die door de steunverlening in hun belangen worden geraakt.
Bent u het eens dat uw huidige uitgangspunt dat «het correct naleven van de staatssteunregels primair aan gemeenten zelf is» (antwoorden op schriftelijke vragen, nr 2019Z07288), niet leidt tot deugdelijk onderzoek naar mogelijke staatssteun door de Europese Commissie, aangezien gemeenten dit niet altijd zelf aangeven zoals in het geval van FC Twente?2
Nee. Onderzoek naar mogelijke staatssteun door de Europese Commissie kan ook geschieden als de gemeente niet uit eigen beweging de Commissie informeert over de steunmaatregel. De Europese Commissie is bevoegd om ambtshalve een onderzoek te starten naar de naleving van de staatssteunregels. Ook kan de Europese Commissie naar aanleiding van een klacht onderzoek doen naar mogelijke staatssteun. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u het eens dat wanneer gemeenten zelf primair verantwoordelijk zijn om onderzoek te vragen naar mogelijke staatssteun aan de Europese Commissie wanneer zij besluiten steun te geven aan een lokale voetbalclub, hier een risico bestaat dat «de slager zijn/haar eigen vlees keurt» of beter gezegd, dat de slager mag beslissen of het vlees al dan niet gekeurd wordt?
De systematiek van de staatssteunregels houdt in dat de gemeente dient te onderzoeken of met de steunverlening staatssteun is gemoeid. Dit betekent dat een steunmaatregel moet worden getoetst aan de vier criteria van staatssteun die zijn opgenomen in artikel 107, eerste lid, VWEU. Als aan alle vier criteria wordt voldaan is er sprake van staatssteun en dient de gemeente de steun ter goedkeuring voor te leggen aan de Europese Commissie. Steun die op basis van een vrijstellingsverordening (bijvoorbeeld de Algemene Groepsvrijstellingsverordening) wordt verleend, is vrijgesteld van de aanmeldplicht. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Indien een gemeente in strijd met de staatssteunregels handelt, bestaat het risico dat de verleende steun op last van de Europese Commissie of van de nationale rechter moet worden teruggevorderd. De nationale rechter heeft de taak om na te gaan of de verplichting om een steunmaatregel vooraf bij de Europese Commissie te melden, is nageleefd. Het toezicht door de Europese Commissie en de nationale rechter op de naleving van de staatssteunregels heeft aldus disciplinerende werking.
Bent u het eens dat het goed zou zijn als gemeenten de wettelijke plicht krijgen om een steunconstructie voor advies aan te melden bij de Europese Commissie?
Op de steunverlener rust op grond van de staatssteunregels reeds de verplichting om de steunmaatregel bij de Europese Commissie aan te melden, voordat de steun wordt verleend. Deze verplichting, het zogenoemde standstill beginsel, is opgenomen in art. 108, derde lid, VWEU. Een uitzondering op deze verplichting geldt voor staatssteun die op grond van een vrijstellingsverordening wordt verleend. Onder de vrijstellingsverordeningen zijn bepaalde steuncategorieën vrijgesteld van de aanmeldplicht en kan worden volstaan met het verstrekken van bepaalde informatie over de steunverlening aan de Europese Commissie.
Vindt u dat het Rijk op dit moment «de goede naleving van de staatssteunregels bevordert en faciliteert» zoals u stelde in antwoord op eerdere schriftelijke vragen?3
Ja. Het Coördinatiepunt Staatssteun Decentrale Overheden van mijn ministerie spant zich samen met het Kenniscentrum Europa decentraal in om het staatssteunbewustzijn bij gemeenten te bevorderen. Het Kenniscentrum Europa decentraal is opgericht door het Ministerie van BZK, de VNG, het IPO en de UvW met als doel de kennis en expertise over Europees recht en beleid en de juiste toepassing ervan bij de decentrale overheden te vergroten en het Europabewustzijn te bevorderen. Decentrale overheden kunnen kosteloos gebruik maken van de diensten van het Kenniscentrum.
Meent u dat dit bevorderen en faciliteren door het Rijk op dit moment effectief is en in voldoende mate zorgdraagt dat staatssteunregels niet worden overtreden door gemeenten?
Ja. Gemeenten zijn zich steeds meer bewust van het belang van de goede naleving van de staatssteunregels. Cijfers van het Kenniscentrum Europa decentraal tonen dat het aantal vragen dat door gemeenten wordt gesteld over de toepassing van de staatssteunregels is gestegen. Ook is het aantal steunmaatregelen van gemeenten dat op grond van de Algemene groepsvrijstellingsverordening aan de Europese Commissie wordt kennisgegeven, toegenomen. Meer informatie over de steunmaatregelen van de gemeenten is te vinden op www.europadecentraal.nl
Hoe borgt u dat gemeenten bij een verzoek tot steun aan voetbalclubs niet bijna gedwongen zijn om hiermee in te stemmen omdat zij anders met (financiële) problemen achterblijven, zoals een onverkoopbaar en/of onbruikbaar stadion?
Het is in het kader van de autonomie van decentrale overheden, zoals verankerd in de Grondwet en organieke wetten, aan de gemeente zelf om te bepalen welk beleid zij hanteert met betrekking tot steun aan voetbalclubs. De verantwoordelijkheid om daarbij de staatssteunregels correct na te leven rust primair op de gemeente zelf. Het is daarom van belang dat de gemeente bij de staatssteuntoets en de afweging om wel of geen steun te verlenen eventuele toekomstige gevolgen van de steunverlening meeweegt.
Bent u bereid bij de Europese Commissie aan te kaarten dat de huidige procedure waarbij de Europese Commissie alleen klachten van gemeenten en profvoetbalclubs in behandeling neemt, niet leidt tot de gewenste kritische onderzoekshouding van de Europese Commissie ten aanzien van staatssteun aan voetbalclubs?
De Europese Commissie neemt niet alleen klachten van gemeenten en profvoetbalclubs in behandeling. Een aantal jaar geleden heeft de Europese Commissie naar aanleiding van klachten van burgers en berichten in de pers onderzoek gedaan naar mogelijke staatssteun aan een aantal Nederlandse voetbalclubs. De Europese Commissie concludeerde dat aan twee voetbalclubs geen staatssteun was verleend. De steun aan de andere voetbalclubs is als zijnde herstructureringssteun door de Europese Commissie goedgekeurd4.
De huidige procedure biedt elke belanghebbende de mogelijkheid om een klacht over mogelijk onrechtmatige steun in te dienen bij de Europese Commissie. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen gemeenten te verplichten tot het aanmelden van een steunconstructie voor advies bij de Europese Commissie?
Zie het antwoord op vraag 9
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór 29 november, in verband met het Wetgevingsoverleg Sport op 2 december a.s?
Ja
Het bericht ‘70 amateurvoetbalclubs zien signalen van criminaliteit op de vereniging’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «70 voetbalclubs zien signalen van criminaliteit op de vereniging»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Zijn de signalen van criminaliteit bij de 70 amateurvoetbalclubs bij u bekend? Zo ja, welke acties zijn tot nu toe ondernomen en welke acties bent u voornemens te ondernemen?
De sportsector vormt helaas geen uitzondering op maatschappelijke problematiek en ook hier komt criminele inmenging voor. Ik heb kennisgenomen van de signalen over criminaliteit bij het amateurvoetbal. Het is zorgelijk dat dit kan gebeuren. Voordat ik eventuele maatregelen afkondig is nader onderzoek nodig. Samen met de Minister van Medische Zorg en Sport ga ik onderzoek doen naar de inmenging van criminelen bij sportverenigingen. Hiermee geeft het kabinet invulling aan de motie van de Kamerleden Pater-Postma, Diertjens en Heerema (vergaderjaar 2018–2019; kst-30234-217). Het onderzoek maakt onderdeel uit van het Brede Offensief Tegen Ondermijnende Criminaliteit2. Hierbij wordt ingezet op versterking van de aanpak van de criminele (drugs)industrie en het weerbaarder maken van de samenleving tegen het gif van crimineel geld, bedreigingen, intimidaties en liquidaties waardoor ondermijning dreigt.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat criminelen over de rug van amateurvoetbalclubs en dus sportende kinderen hun criminele activiteiten uitoefenen? Zo ja, welke maatregelen acht u nodig om de strijd aan te gaan tegen deze criminelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze worden de amateurvoetbalclubs ondersteund, zodat zij op tijd criminele bemoeienis herkennen en daartegen op kunnen treden?
Het rapport van de Taskforce Brabant Zeeland komt met goede aanbevelingen en voorbeelden voor sportclubs en gemeenten om criminele inmenging in sportclubs tegen te gaan. Een belangrijke component daarin is preventie waaronder het zorgen voor een integer bestuur in sportclubs. Via het Nationaal Sportakkoord wordt ingezet op verenigingsbegeleiding, bestuurscoaching en het vernieuwen en implementeren van de Code Goed Bestuur. Daarnaast wordt vanuit VWS – samen met de KNVB en NOC*NSF – gekeken hoe de weerbaarheid van bestuurders van sportverenigingen tegen criminele inmenging in de lokale sportakkoorden een plaats kan krijgen.
Bent u bereid om met de KNVB, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de politie in gesprek te gaan over dit probleem? Zo ja, op welke termijn zal dit gebeuren en wanneer verwacht u een terugkoppeling hiervan naar de Tweede Kamer te kunnen sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn dergelijke signalen ook bekend bij andere sportverenigingen? Zo ja, kunt u aangeven hoe groot dit probleem is en wat er gedaan wordt tegen criminele inmenging? Zo nee, bent u bereid om onderzoek te doen naar de mogelijke omvang en aard van criminele beïnvloeding in de sport?
Ik sluit niet uit dat deze problematiek ook bij andere sporten voorkomt. Zoals ik in mijn antwoord op vragen 2 en 3 heb aangekondigd, ga ik met de betrokken partijen een onderzoek doen naar criminele inmenging bij sportverenigingen.
De invloed van criminelen op het amateurvoetbal |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «70 voetbalclubs zien signalen van criminaliteit op de vereniging»1 en herinnert u zich uw antwoorden op vragen van het lid Kuiken over het bericht dat criminelen amateurvoetbalclubs infiltreren d.d. 28 augustus 2019?2
Ja.
Deelt u de mening dat als 70 voetbalclubs aangeven signalen van criminaliteit binnen hun club te zien en het gegeven dat clubs niet gemakkelijk in de openbaarheid zullen treden met het melden van deze problematiek, achter het getal van 70 wellicht nog veel meer clubs zijn die vermoedens van criminaliteit hebben? Zo ja, waarom en hoe groot schat u het probleem werkelijk in? Zo nee, waarom niet?
De signalen van criminaliteit bij voetbalclubs zijn zorgelijk en dit moet actief aan worden gepakt. Recentelijk hebben de Taskforce Brabant Zeeland en RTL 4 onderzoek gedaan naar criminele inmenging bij amateurvoetbalclubs. Op basis van deze onderzoeken kan echter geen landelijk beeld worden geschetst. Om deze problematiek goed in kaart te brengen ga ik samen met de Minister van Medische Zorg en Sport onderzoek doen naar de inmenging van criminelen bij sportverenigingen. Hiermee geeft het kabinet ook invulling aan de motie van de Kamerleden Pater-Postma, Diertjens en Heerema (vergaderjaar 2018–2019; kst-30234–217).
Kent u signalen dat er naast amateurvoetbalclubs ook binnen betaald voetbalclubs sprake is van het binnendringen van criminaliteit? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
U ontvangt op korte termijn een brief over voetbal en veiligheid. In deze brief zal ik uw Kamer onder andere informeren over drie werkgroepen. Vanuit de Regiegroep Voetbal en Veiligheid zijn deze werkgroepen rondom de onderwerpen financieringsstromen, oneigenlijke invloed harde kern en georganiseerde criminaliteit opgezet. Deze hebben tot doel om een concreet handelingsperspectief op te stellen om ondermijnende activiteiten tegen te gaan. De werkgroepen hebben aanbevelingen en een handelingsperspectief geformuleerd waarmee de partners de komende tijd aan de slag gaan.
De Regiegroep Voetbal en Veiligheid bestaat uit de KNVB, politie, OM en gemeenten en komt onder leiding van mijn departement regelmatig bijeen om uiteenlopende onderwerpen op voetbalveiligheidsgebied te bespreken. In het algemeen kan gesteld worden dat ook betaalde voetbalclubs soms met situaties geconfronteerd worden waarbij de weerbaarheid in het geding komt. Wanneer daar sprake van is ondernemen het OM en de politie de nodige actie. Op het gebied van preventie en advisering ondersteunt de KNVB deze clubs actief door bijvoorbeeld met betaalde voetbalclubs in gesprek te gaan wanneer er een nieuw bestuur wordt aangesteld.
Acht u het wenselijk dat het verplicht zou moeten worden dat natuurlijke personen en rechtspersonen die een sportvereniging willen sponsoren dat alleen mogen doen als zij een verklaring omtrent gedrag (VOG) kunnen overleggen? Zo ja, waarom en op welke termijn gaat u dit vastleggen? Zo nee, waarom niet?
Ik moedig sportverenigingen aan om sponsoren een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen. Dit kan namelijk een drempel zijn voor malafide sponsoren en kan daarmee de mogelijkheden tot criminele inmenging bemoeilijken. Dat is belangrijk. Ik wil dit echter niet verplichten. Een verplichte VOG kan ertoe leiden dat bedrijven en organisaties afzien van sponsoractiviteiten, terwijl sportverenigingen deze sponsorgelden tegelijkertijd hard nodig hebben om voort te kunnen bestaan. Amateurvoetbalclubs zijn daarnaast reeds gehouden aan het reglementair kader van de KNVB, waar integriteit een belangrijk onderdeel van uitmaakt. Zo schrijft de KNVB voor dat sponsoren zich niet mogen mengen in het beleid van de club en dat sponsoring dient te worden verantwoord in de boekhouding van de sportvereniging. Als een vereniging – of bepaalde personen binnen de club – zich niet aan het reglementair kader houdt, heeft de KNVB de mogelijkheid om passende maatregelen te treffen.3
Deelt u de mening dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning of subsidie aan een sportvereniging standaard een onderzoek naar de integriteit van de aanvrager zouden moeten laten doen door middel van een Bibob-toets? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen. Dat wil zeggen dat bestuursorganen zelf bepalen of, en in welke gevallen, zij dit instrumentarium toepassen. Die keuze wil ik ook bij hen laten, omdat zij zich in de optimale positie bevinden om op grond van signalen en/of lokale informatie een afweging te maken of de inzet van een Bibob-toets proportioneel is. Beschikkingen voor vergunningen en subsidies vallen onder de reikwijdte van de Wet Bibob. Dit betekent dat als bestuursorganen het instrument inzetten, zij onderzoek kunnen doen of er een ernstig gevaar bestaat dat een aanvrager de beschikking mede zal gebruiken om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of om strafbare feiten te plegen. De Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) hebben de taak om bestuursorganen te ondersteunen bij de afweging en uitvoering hiervan. Tevens kunnen bestuursorganen een aanvraag om advies indienen bij het Landelijk Bureau Bibob wanneer ondersteuning bij een bepaalde casus gewenst is.
Welke rol ziet u weggelegd voor de KNVB om het binnendringen van criminaliteit in voetbalclubs te voorkomen?
Een sportbond heeft als taak haar verenigingen te adviseren en te ondersteunen. De KNVB zet in op voorlichting aan bestuurders over de bewustwording van de risico’s en dreigingen rondom sponsoring en investeringen. Daarnaast kunnen clubs bij twijfel of vragen terecht bij verenigingsadviseurs van de KNVB. Tevens wordt procesbegeleiding aangeboden om een bestuur bewust te maken van haar taken en rollen als het gaat om de identiteit van de club en de gewenste waarden en normen binnen de vereniging. Bovendien investeert de Minister voor Medische Zorg en Sport via het Nationaal Sportakkoord in integer bestuur van sportverenigingen, onder andere door verenigingsbegeleiding, bestuurscoaching en het vernieuwen en implementeren van de Code Goed Bestuur. Daarnaast wordt vanuit VWS – samen met de KNVB en NOC*NSF – gekeken hoe de weerbaarheid van bestuurders van sportverenigingen tegen criminele inmenging in de lokale sportakkoorden een plaats kan krijgen.
Zijn er belemmeringen ten aanzien van de informatie-uitwisseling tussen clubs, gemeenten, de KNVB, politie en het openbaar ministerie waardoor het bestrijden van criminaliteit binnen het voetbal moeilijker wordt gemaakt? Zo ja, welke belemmeringen zijn dat en wat gaat u doen om tot een betere informatie-uitwisseling te komen? Zo nee, waarom niet?
In het onderzoek waar ik naar verwees in het antwoord op vraag 3, zal deze vraag of sprake is van belemmeringen ten aanzien van de informatie-uitwisseling worden meegenomen.
Het Songfestival |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Politiek stemt op 25 november over Songfestival-budget»1 en «Wie gaat het miljoenen slurpende songfestival van 2020 betalen?»?2
Ja.
Bent u bekend met de mogelijkheid om een budgetneutraal draaiboek te hanteren en/of zelfs forse winst te maken op het Songfestival, net zoals Finland deed?
Ik ben niet bekend met een mogelijk budgetneutraal draaiboek van de EBU. De EBU-regels bieden alleen de mogelijkheid dat het Songfestival in een ander EBU-land wordt georganiseerd in het extreme geval dat de publieke omroep van een winnend land niet de middelen heeft of ter beschikking kan krijgen om het festival te organiseren. De organisatie van het Songfestival van 2007 in Finland was voor de Finse publieke omroep YLE niet winstgevend. Er zijn wel veel inkomsten binnengehaald met onder meer sponsoring, kaartverkoop, merchandising en bijdragen van deelnemende omroepen.3 Die inkomsten zijn er – voor zover de regels van de Mediawet 2008 omtrent onder meer sponsoring dat toelaten – ook in Nederland en dienen ter dekking van de kosten.
Deelt u de analyse dat een slimme organisator miljoenen kan verdienen aan het organiseren van een songfestival en dat als een partij (zoals de NPO) het Songfestival mag organiseren, dit een buitengewoon royale gunst is? Zo nee, hoe ziet u dit in het licht van onder andere het Finlandscenario?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat er dus helemaal geen extra geld naar de publieke omroep overgemaakt hoeft te worden en dat het omgekeerde meer in de lijn der redelijkheid ligt, namelijk om de publieke omroep een vergoeding van enkele miljoenen te vragen om het Songfestival überhaupt te mogen organiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of het Songfestival vergund kan worden aan de partij (de publieke omroep of een marktpartij) die hier het hoogste bedrag voor zou willen betalen? Zo nee, waarom niet? Vindt u dan dat de belastingbetaler dit maar moet ophoesten?
Nee. Het Songfestival is een evenement van de EBU en de publieke omroepen van de deelnemende landen. De reglementen van de EBU bepalen dat het evenement georganiseerd wordt door de publieke omroep van het winnende land.
Het bericht dat AstroTV in 2020 van tv verdwijnt |
|
Mahir Alkaya (SP), Joost Sneller (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «AstroTV verdwijnt in 2020 van de buis»?1
Ja.
Klopt het dat AstroTV van de tv verdwijnt, maar dat het programma wel online, telefonisch en via de app verdergaat?
Ik heb inderdaad begrepen dat AstroTV vanaf 1 januari 2020 niet langer op NET5 of één van de andere zenders van Talpa te zien zal zijn. Ook heb ik begrepen dat de producent van AstroTV, SMS B.V., op dit moment het voornemen heeft om het programma via telefoon, app en online voort te zetten. Talpa is hierbij niet langer betrokken.
In hoeverre heeft u deze beslissing van Talpa zien aankomen?
Media-instellingen gaan zelf over de programmatische keuzen die zij maken. Er is geen sprake van voorafgaand toezicht of afstemming.
Bent u het ermee eens dat toezicht op dergelijke programma’s van belang is en blijft, ongeacht welk medium gebruikt wordt? Op welke wijze wordt toezicht op AstroTV via deze andere media georganiseerd?
Ik ben het met u eens dat toezicht op programma’s van belang blijft, ongeacht het gebruikte platform. Deze programma’s dienen zich te houden aan de bepalingen over consumentenbescherming, waaronder die over oneerlijke handelspraktijken. Het is uiteindelijk aan de Reclame Code Commissie, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de rechter om te bepalen of en zo ja, welke praktijken misleidend zijn. Deze bepalingen gelden ongeacht het platform van waaruit wordt geopereerd.
Kunt u zich de antwoorden op Kamervragen herinneren2, waar werd gesteld dat RTL naar aanleiding van deze vragen over het programma «Dit is mijn toekomst» en het advies betreffende financiële voorspoed dat mensen hierin werd gegeven, maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen?
Ja. Zoals ik in antwoord op de door u aangehaalde Kamervragen reeds naar voren heb gebracht, heeft RTL mij laten weten dat uitvoerig met de makers van het programma is gesproken en heeft RTL strikte kaders afgesproken waarbinnen er adviezen mogen worden gegeven (liefde-werk-relaties). Dit heeft ertoe geleid dat er geen adviezen meer mogen worden gegeven die op enige manier gerelateerd kunnen worden aan de persoonlijke financiële omstandigheden van de gebruikers van de diensten. Ook is afgesproken dat indien een beller vragen heeft over zijn of haar gezondheid altijd wordt doorverwezen naar een medisch specialist. Daarnaast worden bellers op de website van «Dit is Mijn Toekomst» geïnformeerd over de voorwaarden van de dienst om het eventuele risico van misleiding te vermijden.
Welke maatregelen zijn door RTL destijds genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de uitkomst geweest van het gegeven dat, zoals door u in de antwoorden op de genoemde Kamervragen gesteld, RTL zich over de toekomst van «Dit is mijn toekomst» heeft beraden?
Gegeven het feit dat RTL zijn beleid heeft aangescherpt, ziet men vooralsnog geen noodzaak om te stoppen met de uitzending van het programma.
Kunt u zich herinneren dat u de betreffende uitzending onder de aandacht zou brengen bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)? Wat is hier vervolgens mee gebeurd?
Ja. De betreffende uitzending is onder de aandacht gebracht bij de ACM. De ACM kan bij overtredingen van het generieke consumentenrecht handhavend optreden en publiceert haar handhavingsbeslissingen. Over eventuele lopende onderzoeken doet de ACM geen mededelingen.
Heeft het Commissariaat voor de Media op enige wijze nog iets gedaan met adviezen gegeven door AstroTV, «Dit is mijn toekomst» en andere dergelijke programma’s?
De vorm en inhoud van het media-aanbod vallen onder verantwoordelijkheid van de media-instellingen. Het Commissariaat voor de Media heeft hier in beginsel geen bemoeienis mee. De Mediawet 2008 bevat ook geen inhoudelijke regels inzake de dienstverlening zoals aangeboden door programma’s als AstroTV of «Dit is mijn toekomst».
Het bericht dat de inhuurkosten van externen bij de NPO vier keer hoger dan de Roemernorm is |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) geen geschikt talent zou kunnen aantrekken om in vaste dienst te nemen?1
De arbeidsmarkt rondom specialistische competenties voor de omroep is op dit moment krap, zodat het vinden en vasthouden volgens de NPO een continue uitdaging is. Daarnaast kan de NPO als publieke organisatie niet altijd concurreren met commerciële organisaties voor wat betreft primaire arbeidsvoorwaarden.
Hoe verklaart u de toegenomen inhuur van adviesbureaus de afgelopen jaren?
De toegenomen inhuur van adviesbureaus de afgelopen jaren is volgens de NPO te verklaren door de hogere behoefte aan specialistische kennis op het gebied van organisatie-, juridisch, fiscaal en technisch advies. De NPO geeft aan dat de afgelopen jaren specialistische kennis bij een groot aantal projecten nodig was; o.a. de start van het Radiohuis, de oprichting van de coöperatie Dutch Core en de lancering van NPO Start. Daarnaast heeft de NPO afgelopen jaren ook aangescherpte governance- en privacyregels bij de publieke omroep doorgevoerd waarvoor specialistische kennis werd ingehuurd.
Overigens zijn de inhuurkosten bij de NPO de afgelopen jaren al sterk gedaald, mede door afronding van de genoemde projecten.
Bent u bereid met de NPO afspraken te maken dat de externe inhuur bij de NPO onder de 10% zou moeten vallen (de Roemernorm)? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de NPO om zelf te bepalen hoe hij het beschikbare budget zo verstandig mogelijk inzet en in welke mate hij bijvoorbeeld gebruik maakt van (extern) advies en inhuur. De verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzet van de gelden voor de NPO-organisatie ligt bij de raad van bestuur en de raad van toezicht van de NPO gezamenlijk.
Het rapport 'Politiek en Sociale Media Manipulatie' |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Steunt u het onderverdelen van nieuwsmedia in de categorieën «vuilnis» versus «mainstream»?1 Zo ja, waarom?
Zo nee, neemt u dan afstand van dit onderzoek?
Bent u van mening dat de staat een gevaarlijk pad richting censuur bewandelt als het onderzoek laat doen waarin in dergelijke bewoordingen onderscheid tussen media wordt gemaakt?
Bent u het ermee eens dat het waarheidsgehalte van de sectie over «trollen» in twijfel getrokken moet worden nu blijkt dat het rapport in ieder geval één echte gebruiker – met een mening die de auteurs onwelgevallig is – als «verdacht» of «nep-achtig» heeft weggezet, terwijl deze gebruiker simpelweg zijn mening gaf?2
Vindt u het geven van een mening die tegen de mainstream indruist maar geheel binnen de kaders van de Nederlandse wet valt «verdacht»? Zo nee, bent u van mening dat het nooit meer mag voorkomen dat auteurs zich in een van overheidswege gefinancierd document in dergelijke termen uitlaten over Nederlanders die volledig binnen de kaders van de wet hun mening geven?
In het rapport stellen de onderzoekers: «Generally, the junk news sites, of which hyperpartisan sites are the largest constituent, can be characterized as right-wing, anti-immigrant, anti-EU (...).» (Rogers & Niederer 2019, 59)3; bent u het eens met deze stelling – dat «vuilnis»-nieuws zich met name ter rechterzijde van het politieke spectrum zou bevinden? Zo ja, hoe verklaart u dat? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat dit rapport bepaalde nieuwsmedia als vuilnis bestempelt, maar dat bewegingen en individuen in dit rapport tegelijkertijd in diskrediet worden gebracht als ze de objectiviteit van de gevestigde media in twijfel trekken, zoals uit de passage «Designating a news organization as fake (...) however, has a darker history, associated with authoritarian regimes or populist bombast diminishing the reputation of «elite media», blijkt?4 Bent u van mening dat het bevragen van de objectiviteit van gevestigde media een «donkere geschiedenis» heeft? Zo ja, welke «donkere geschiedenis» dan? Zo nee, waarom niet?
Hoe past uw eigen waarschuwen voor «fake news» in deze al dan niet «donkere» geschiedenis?
Een sterke en pluriforme mediasector is – even als een mediawijze bevolking – een groot goed in een democratische samenleving, ook bij het tegengaan van de verspreiding van desinformatie. Nederland kent een kwalitatief sterke en pluriforme nieuwsvoorziening. Het kabinet ondersteunt deze onder meer via het publieke mediabestel en de Samenwerkingsagenda Nederlandse Mediasector. Daarnaast wordt innovatie in de sector ondersteund door het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.
Bent u het ermee eens dat een pluriform media-aanbod essentieel is in een democratie, en dat alternatieve, kritische media hier een belangrijke bijdrage in leveren?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u garanderen dat u in de toekomst geen maatregelen treft die de journalistieke vrijheid of de verspreiding van als «vuilnis» betitelde media in dit rapport beperken, zowel online als offline? Op welke wijze kunt u die garanties gestand doen?
Bij de uitgangspunten van beleid staan de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting (artikel 19 VN-Verdrag inzake burger- en politieke rechten, artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 7 Grondwet) voorop, zoals ook gemeld aan uw Kamer in onder andere de brief van 18 oktober. Eventuele maatregelen dienen deze vrijheden niet onrechtmatig te beperken, het uitgangspunt van dit juridisch kader is dat preventieve censuur ontoelaatbaar is. Het kabinet is voorstander van het bevorderen van meer transparantie over de herkomst van informatie en behoud van een pluriform medialandschap.
Waarom is dit onderzoek, dat betrekking heeft op Nederlandstalige inhoud, in het Engels uitgevoerd?
De hoofdonderzoeker is van oorsprong Engelstalig. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is akkoord gegaan met het opstellen van het rapport in het Engels, dit is voor het ministerie een uitzondering. Er is een uitgebreide Nederlandse samenvatting aan het rapport toegevoegd. Zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken op 31 oktober jl. zal het gehele rapport ook in het Nederlands gepubliceerd worden.
Is dit rapport in de ministerraad besproken, en welke conclusies zijn daar getrokken?
De ministerraad heeft op 18 oktober ingestemd met verzending van de brief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie aan de Tweede Kamer. Hiermee is ook voldaan aan de toezegging om de brief voor de begrotingsbehandeling naar de Tweede Kamer te sturen.
Wat is de status van dit rapport, en trekt u er beleidsconsequenties uit? Zo ja, welke?
Het rapport is gepubliceerd als wetenschappelijk onderzoek. Bevindingen van de onderzoekers ondersteunen dat de aard van de dreiging in Nederland nu beperkt is. Daarom zet het kabinet in op preventieve acties, zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie.7
Hoeveel geld heeft het ministerie aan dit onderzoek uitgegeven?
Het onderzoek heeft € 136.623,52 gekost.
Zult u na verschijnen van dit rapport nu voortaan niet meer suggereren dat Rusland of andere vreemde mogendheden in onze verkiezingen proberen te interfereren als daarvoor geen hard bewijs is? Gaat u excuses maken voor eerdere beschuldigingen?
De Minister van BZK heeft uw Kamer voor het zomerreces al gemeld geen aanwijzingen te hebben dat er bij onze provinciale staten en Europees parlementsverkiezingen door statelijke actoren grootschalig desinformatie is verspreid.8 Wel is blijvende waakzaamheid geboden die verder reikt dan de context van verkiezingen, nu desinformatie zich ook bij actuele maatschappelijke discussies of economische aangelegenheden kan voordoen.
Zoals ik ook schreef in de Kamerbrief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie9constateert de AIVD dat er sprake is van voortdurende (online) beïnvloedingsactiviteiten op sociale media vanuit Rusland. De Russische Federatie beschikt hiertoe over steeds meer geavanceerde technische capaciteiten en IT-systemen. De invloed van de online beïnvloedingsactiviteiten op het publiek-maatschappelijke debat in Nederland is waarschijnlijk niet significant. De AIVD heeft al eerder gemeld dat uit Rusland, met beperkt effect, pogingen zijn gedaan tot online beïnvloeding in het Nederlands op sociale media.
Heeft de rijksoverheid contact gehad met techgiganten als Facebook en Google over het tonen of niet tonen van bepaalde inhoud aan gebruikers in Nederland? Zo ja, over welke types inhoud ging dit, wanneer vonden deze gesprekken plaats, wat was de aard van deze gesprekken en welke conclusies zijn daaruit getrokken?
In de contacten die mijn ministerie heeft gehad met de internetdiensten over de uitvoering van de gedragscode desinformatie worden geen afspraken gemaakt over het wel of niet tonen van informatie. Met het uitvoeren van de Europese gedragscode tegen desinformatie hebben enkele internetdiensten al goede stappen gezet in het verbeteren van transparantie op hun platforms. Maar verbetering is nodig. Daarnaast is de gedragscode niet ondertekend door alle internetdiensten die politieke advertenties plaatsen en mogelijk een verspreidingsbron vormen voor desinformatie. Gezien het belang van transparantie op deze platforms en de wens om burgers online meer middelen te geven om informatie op waarde te kunnen schatten, vindt het kabinet het opportuun om transparantie van deze platforms te kunnen afdwingen, en wil het de invulling hiervan de komende periode nader verkennen.
Kunt u garanderen dat de overheid geen invloed probeert uit te oefenen op het algoritme van techgiganten om zo te beïnvloeden welke politiek beladen berichten of websites gebruikers wel of niet te zien krijgen? Zo nee, hoe beziet u dit in het licht van de democratische rechtsstaat, de pluriformiteit van de media en de vrijheid van meningsuiting?
De overheid oefent geen invloed uit op de techbedrijven om via hun algoritmes bepaalde politieke meningen te bevoordelen of te benadelen. Algoritmes van de techbedrijven zijn hun (intellectueel) eigendom. Zij bepalen zelf hoe ze hun algoritmes vormgeven.
Op diverse onderwerpen werkt de overheid samen met de techbedrijven. Bijvoorbeeld werken aan de bestrijding van strafbare feiten zoals de verspreiding van kinderporno. Techbedrijven hebben zich via de Europese gedragscode inzake illegale content gecommitteerd om strafbare content zoveel mogelijk tegen te gaan op hun platform.
Welke media ontvangen geld van de overheid, en hoeveel per medium?
Landelijke en regionale publieke omroepen worden door het Rijk gefinancierd uit de Mediabegroting. Lokale publieke omroepen worden gefinancierd uit het Gemeentefonds. In de mediabegroting10 vindt u een toelichting bij inkomsten en uitgaven; in de begroting van de NPO is een verdeling opgenomen van de totale kosten per zender en per genre. Zowel de NPO als de publieke omroepen publiceren daarnaast hun jaarverslagen.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Burgemeesters op de bres voor kortebaandraverijen' |
|
Helma Lodders (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Burgemeesters op de bres voor kortebaandraverijen»?1
Ja.
Hoeveel kortebaandraverijen zijn er in Nederland? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen tien jaar over de ontwikkeling van het aantal kortebaandraverijen in Nederland?
De Bond van Harddraverijverenigingen en -Stichtingen in Nederland (hierna Kortebaanbond) behartigt de belangen van alle organisaties van zogenoemde kortebaandraverijen: drafwedstrijden over een sprintafstand van circa 300 meter, veelal gehouden op een speciaal afgezet en ingericht stuk openbare weg. Er vinden verdeeld over Nederland jaarlijks circa 28 kortebaandraverijen plaats, vaak als onderdeel van een groter programma (feestweek, dorpsfeest en dergelijke). Wij beschikken niet over het gevraagde overzicht van de ontwikkelingen in de afgelopen tien jaar.
Hoeveel van deze kortebaandraverijen zijn immaterieel erfgoed? Bent u zich ervan bewust dat kortebaandraverijen belangrijk zijn voor het behouden van de waarden en functies voor de betrokken gemeenschap? Zo nee, waarom niet?
De draverijen in Stompwijk, Medemblik en Voorschoten zijn opgenomen in de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed in Nederland. Meer aanvragen zijn in voorbereiding.2 Het kabinet is zich bewust van de waarde van immaterieel erfgoed voor de gemeenschap en voert een actief beleid in het op eigentijdse wijze behouden en ontwikkelen ervan. Het samenstellen van een inventaris immaterieel erfgoed is een verplichting van het Unesco-verdrag inzake de bescherming van immaterieel cultureel erfgoed, waarvan Nederland partij is. Dat iets op de inventaris is opgenomen wil zeggen dat de erfgoedgemeenschap de cultuuruiting erkent als immaterieel erfgoed en de kennis en vaardigheden die erbij horen wil doorgeven aan volgende generaties. Het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland beheert de inventaris. De inventaris komt via een bottom up procedure tot stand en is van, voor en door het veld van de erfgoedgemeenschappen.
Deelt u de mening dat de kortebaandraverijen omwille van deze wetswijziging niet mogen omvallen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Aan deze vraag ligt de veronderstelling ten grondslag dat de inkomsten van de organisaties van de jaarlijkse 28 kortebaandraverijen zozeer worden aangetast door deze wetswijziging dat het niet meer mogelijk zal zijn om deze draverijen te organiseren. De wetswijziging zal naar verwachting op een indirecte wijze een daling van de inkomsten tot gevolg hebben die per organisatie verschillend kan uitpakken.
Hoe zijn de gesprekken met de kortebaandraverij verlopen die u tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 20192 heeft toegezegd en waarover u de Kamer voor 1 april zou informeren? Hoeveel gesprekken hebben er plaatsgevonden en wat waren de uitkomsten van de gesprekken?
Ik heb de Kamer over deze gesprekken geïnformeerd in mijn brief van 4 april 2019.4 Er hebben, ook daarna, verschillende gesprekken plaatsgevonden zowel tussen de NDR, de Kortebaanbond en ZE-Betting en de drie meestbetrokken ministeries (Financiën, VWS en Justitie en Veiligheid) als van de NDR met NOC*NSF. In deze gesprekken komen verschillende aspecten aan de orde zoals de hoogte van de verplichte afdracht en de route en hoogte van een eventuele compensatie. Deze gesprekken zijn nog niet afgerond. Inzet is om de budgettaire inpassing van een compensatie in de voorjaarsnotabesluitvorming te regelen. Daarmee is nog voldoende tijd tot de inwerkingtreding van de wijzigingen in de kansspelbelasting naar verwachting per 1 januari 2021. Ook de sector heeft nog tijd om zich hierop aan te passen.
Bent u op de hoogte van de negatieve neveneffecten van de Wet Kansspelen op afstand (Wet KOA) op het voortbestaan van de op vrijwilligers draaiende organisaties van kortebaandraverijen?
Ja.
Klopt het dat de kortebaandraverijsector al voor de invoering van de wet KOA bij u aan de bel trok over mogelijk desastreuze gevolgen voor de sector? Zo ja, wat heeft u met deze zorgen gedaan? En op welke manier heeft u bepaalde zorgen bij de sector weg kunnen nemen? Zo nee, hoe verklaart u dan de signalen die hierover zijn ontvangen?
De Kortebaanbond heeft zich in het najaar 2018 gemeld vanwege de zorg over de gevolgen van het wetsvoorstel Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen en met het oog op mogelijke compensatie. Deze bond is direct uitgenodigd om deel te nemen aan de lopende gesprekken met ZE-betting (voorheen: Sportech/Runnerz) en de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (NDR) met de meestbetrokken ministeries.
Kloppen de berichten dat de enige aanbieder van weddenschappen op kortebaandraverijen, Runnerz, twijfelt over het blijven aanbieden van deze weddenschappen? Zo ja, bent u in gesprek met Runnerz en op welke manier zet u zich in voor het voortbestaan van de kortebaandraverij in Nederland? Zo nee, waarom is dit niet het geval?
In de gesprekken met ZE-betting, de NDR en de Kortebaanbond is dit ook wel aan de orde gekomen. In de reactie van ZE-Betting en van de Kortebaanbond in de internetconsultatie op de ontwerpRegeling kansspelen op afstand en Uitvoeringsregeling kansspelen is hierover niets opgemerkt.
Wat zijn de consequenties als er geen oplossing komt voor de sector?
De jaarlijkse begroting – de hoogte van de inkomsten en uitgaven – is (sterk) verschillend per organisatie van een kortebaandraverij. De afdrachten van ZE-Betting aan de Kortebaanbond zijn een deel van de inkomsten van de organisaties van de 28 kortebaandraverijen, naast sponsorwerving, contributies van verenigingsleden en in sommige gevallen entree- of pachtgelden. Van deze inkomsten worden betaald prijzengeld en reisvergoedingen voor deelnemers, fokpremies, de kosten van het inhuren van de NDR voor wedstrijdleiding en toezicht op de integriteit van de sport, maar daarnaast ook voor de fysieke inrichting van de wedstrijdvoorzieningen zoals baanaanleg, afzettingen en wegomleidingen die men aan de lokale overheid verplicht is op grond van verleende vergunningen en tal van andere kosten die specifiek samenhangen met de inrichting van een tijdelijke sportaccommodatie op een afgezet stuk openbare weg.
Toeschouwers hebben de gelegenheid een gokje te wagen op de prestaties in de kortebaandraverij. De wetswijziging zal vermoedelijk in lagere afdrachten uitmonden waardoor organisaties op zoek moeten naar mogelijkheden om andere inkomsten te verhogen of uitgaven te verlagen. Van de inzetten op de weddenschappen op kortebaandraverijen wordt nu circa 75% uitgekeerd aan de spelers.5 Een lager uitkeringspercentage dan 75 zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat onder de streep voldoende resteert voor het op peil houden van de afdrachten.
Daarnaast geldt, zoals vermeld in het antwoord op vraag 5, dat de gesprekken over de route en hoogte van mogelijke compensatie nog niet zijn afgerond.
Bent u bereid zich maximaal in te spannen om te komen tot een werkbare oplossing met betrekking tot het voortbestaan van de sector?
Zie antwoord vraag 9.
Wordt implementatie op 1 juli 2020 van de Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen, zoals werd verwacht in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel3, gehaald?
Nee. De implementatie van de Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen is te verwachten per 1 januari 2021.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en voor het eerste wetgevingsoverleg over het pakket Belastingplan 2020 op 28 oktober?
Aan dit verzoek is voor zover mogelijk voldaan. Verzending van de antwoorden voor het eerste wetgevingsoverleg is niet mogelijk gebleken.
De rechten van LHBTI-gemeenschap en persvrijheid in Polen |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cruder than the Communists: Polish TV goes all out for rightwing vote»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat in Polen, in aanloop naar de verkiezingen van aankomende zondag, de zittende regeringspartij PiS openlijk anti-LHBTI-retoriek bezigt?
Het beschermen en bevorderen van gelijke rechten voor lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseks personen (LHBTI’s) is een van de speerpunten van het Nederlands mensenrechtenbeleid, zoals onder meer uiteengezet in de actualisering van het mensenrechtenbeleid d.d. 28 mei 2018.
Het mag dan ook duidelijk zijn dat het kabinet van de genoemde anti-LHBTI uitspraken op nationaal en lokaal niveau met zorg kennis heeft genomen. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat er een evident verschil is tussen electorale retoriek en concrete beleidsmaatregelen. Het is onduidelijk of voor dit laatste voldoende maatschappelijk draagvlak zou zijn, gelet op de toenemende acceptatie van LHBTI’s binnen de Poolse samenleving, de gemengde uitslag van de parlementaire verkiezingen op 13 oktober jl. en de tegenstem van Poolse politieke partijen en organisaties, die zich juist actief inzetten voor de positie van LHBTI’s.
Dat laat onverlet dat genoemde uitspraken en verklaringen het klimaat voor LHBTI’s in Polen niet ten goede komen. Dit verhoudt zich slecht met de waarden waarop de EU berust en waaraan ook Polen zich heeft gecommitteerd, zoals gelijkheid en de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren3. Daarnaast is Polen lid van de Raad van Europa, OVSE en VN en heeft het land regelgeving die enkele waarborgen biedt. Op het punt van wetgeving en rechtsbescherming volgt het kabinet de ontwikkelingen in Polen nauwlettend, ook vanwege de zorg over de hervormingen van de Poolse rechtsstaat.
Hoe oordeelt u over uitspraken van Jaroslaw Kaczynski, zittend partijleider van de Poolse regeringspartij PiS, waarin hij de LHBTI-gemeenschap afschildert als een bedreiging voor het traditionele gezin, de Poolse identiteit en de staat?2
Zie antwoord vraag 2.
Hoe oordeelt u over het feit dat lokale PiS-politici deze zomer zeker dertig gemeenten «LHBT-vrij» verklaarden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk en zorgelijk is dat in een van de grootste EU-lidstaten de rechten, vrijheid en veiligheid van LHBTI-gemeenschap zo ernstig worden geschonden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat dit niet past binnen de waarden van de EU? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u uw zorgen over de positie van de LHBTI-gemeenschap in Polen uitgesproken tegen uw Poolse ambtsgenoot? Hebt u zich hierover uitgesproken in EU-verband? Bent u van plan dit op korte termijn te doen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het gesprek met Polen over de rechtsstaat spitst zich toe op de zorgen die Nederland heeft op meerdere terreinen. Nederland is daarin volstrekt helder: Polen dient zich te houden aan de afspraken die het gemaakt heeft in het kader van niet alleen de EU, maar ook bijvoorbeeld de Raad van Europa, OVSE en VN.
Er is een kabinetsbrede inzet voor gelijke rechten van LHBTI’s, ook in EU-verband. Zo heeft Minister Grapperhaus op Coming Out Day 2018 een statement gemaakt over het belang van gelijke rechten voor LHBTI’s in de EU. Ook werkt het kabinet samen met maatschappelijke organisaties op dit terrein, waaronder het Forum for Christian LGBT in Europe, en het maatschappelijk middenveld in Polen voor het tegengaan van discriminatie en het bevorderen van sociale acceptatie.
Nederland vraagt ook op verschillende manieren aandacht voor de positie van LHBTI’s in Polen. De Nederlandse ambassade in Warschau neemt als onderdeel van die inzet onder meer deel aan de jaarlijkse Warschau Prideen steunt vanuit Publieke Diplomatie-middelen met regelmaat activiteiten van Poolse LHBT-organisaties. Zo faciliteerde de ambassade tijdens de laatste Pride het bezoek van wethouder Groot Wassink van Amsterdam, inclusief een discussie met LHBT-organisaties en de burgemeester van Warschau.
Maakt u zich zorgen over de staat van de persvrijheid in Polen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de sterk gepolariseerde Poolse samenleving blijft ook de media niet buiten schot; ook deze is gepolariseerd, met een minder positief beeld van de journalistiek onder de samenleving tot gevolg. Polen kent desondanks nog altijd een gevarieerd media-aanbod, met publieke en commerciële omroepen en kranten. Het kabinet volgt ontwikkelingen in Polen die deze diversiteit kunnen raken en betrekt die bij zorgen die Nederland nu al actief uit in bilateraal, EU- en multilateraal verband over de rechtsstaat.
Om het belang dat Nederland hecht aan een onafhankelijke media en persvrijheid kracht bij te zetten worden mediabezoeken van Poolse journalisten aan Nederland georganiseerd. Uitwisseling van kennis, ervaring en inzichten kan het wederzijds begrip en het belang van onafhankelijk media in de EU versterken.
Hebt u met uw Poolse ambtsgenoot gesproken over de enorme achteruitgang met betrekking tot persvrijheid in Polen? Hebt u zich hierover uitgesproken in EU-verband? Bent u van plan dit op korte termijn te doen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen binnen een termijn van drie weken beantwoorden?
Zorgvuldige afstemming van deze antwoorden maakte het helaas niet mogelijk om de vragen binnen drie weken te beantwoorden.
De documentaire TURN!, 2Doc, 8 oktober 2019 |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire TURN! over de prestatiedruk op jonge kinderen in de turnsport?
Ja.
Bent u ook geschrokken van de inhoud van de documentaire waaruit blijkt dat zeer jonge turners worden gedwongen om heel hard te trainen, tot huilens aan toe?
Ja, de documentaire heeft veel reacties opgeroepen. Ook ik vond sommige beelden aangrijpend.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kinderen zoveel en op zo’n manier moeten trainen?
Ik vind het allerbelangrijkste dat plezier in de sport voorop staat. Echter om een talent te ontwikkelen, het maximale uit zichzelf te laten halen en toe te werken naar de absolute top, is veel training en doorzettingsvermogen vereist. Daarbij moet dan wel goed op het welzijn van de jonge sporter worden gelet. Het is hierbij essentieel dat trainers, coaches, ouders en begeleiders altijd alert zijn op hun eigen gedrag en de invloed daarvan op het welzijn en het sportplezier van de jonge sporter.
In het geval van topsport is de gedachte dat de reis naar topsport begint op het moment dat topsporters acht jaar later kunnen presteren in het mondiale seniorenveld. In een paar uitzonderlijke sporten, waaronder turnen, wordt al voor 12-jarige leeftijd veel getraind. Samen met sportbonden en NOC*NSF vind ik het cruciaal dat plezier bovenaan blijft staan en dat de focus op plezier in sport ligt en niet op het resultaat op jonge leeftijd. Goede begeleiding van jonge sporters is daarbij essentieel en daar steun ik de sportsector (financieel) bij.
Waarom kan dit voorkomen terwijl er toch is ingezet op een veilig sportklimaat onder andere met het Centrum Veilige Sport? Wat zijn de resultaten van dit centrum?
Het realiseren van een positieve sportcultuur vergt een lange adem waarbij de verantwoordelijkheid bij alle betrokkenen ligt. Niet alleen trainers, coaches en bestuurders van een sportclub hebben een belangrijke rol, maar ook ouders
en de thuisomgeving hebben een grote invloed op het sportplezier van kinderen. Via het Nationaal Sportakkoord wordt geïnvesteerd in tal van maatregelen om bij te dragen aan een positieve sportcultuur. Afhankelijk van de lokale afspraken en behoeften zijn onder andere: verenigingsbegeleiding, bijscholing voor trainers/coaches en thema-avonden voor ouders beschikbaar. Daarnaast ondersteunt het Centrum Veilige Sport sportbonden en -verenigingen bij het opzetten van een effectief preventiebeleid ter voorkoming van ongewenst gedrag en voor het creëren van een pedagogisch sportklimaat. Het Centrum Veilige Sport is in april dit jaar gestart en heeft inmiddels meer dan 40 signalen van grensoverschrijdend gedrag voor onderzoek doorgezet naar het Instituut voor Sportrechtspraak. Ik zal u volgend jaar voorafgaand aan het AO nader informeren over de voortgang van het Centrum Veilige Sport.
Wat doet dit kabinet, wat doet de NOC*NSF en wat doet de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU) om te zorgen dat dit soort onwenselijk grote druk op kinderen niet kan voorkomen? Wie heeft hierbij welke verantwoordelijkheid?
Dit kabinet ondersteunt de sportsector financieel om alles in het werk te stellen voor het creëren van een positief sportklimaat. Via het Centrum Veilige Sport worden sportverengingen en -bonden ondersteund bij het opzetten van preventiebeleid en het aanpakken van situaties die een plezierige sportomgeving kunnen ondermijnen. De sportsector werkt daarnaast aan een bewustwordingscampagne. Via het Sportakkoord, pijler positieve sportcultuur, worden door sportbonden en NOC*NSF samengewerkt aan het uitbreiden van de pedagogische vaardigheden van trainers en coaches. Daarnaast worden trainers/coaches in de talentenprogramma’s op de Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO’s) getraind. Met als doel dat zij jonge talentvolle sporters goed kunnen begeleiden en leren omgaan met de uitdagingen in hun sport maar ook met andere aspecten in hun leven tijdens hun reis naar de top.
De KNGU is gestart met een intensief meerjarenprogramma «Pedagogische visie» waarin verantwoorde training en omgang met ouders een belangrijk onderdeel is.
Daarnaast heeft de KNGU de laatste jaren al een groot aantal aanpassingen gedaan in hun talentontwikkelings- en topsportprogramma op landelijk niveau. Zo is er geen talentselectie (meer) in de oude vorm. Talentvolle sporters komen met hun trainer naar districtstrainingen, zodat zowel de ontwikkeling van de sporter als het pedagogisch gedrag en de trainingsmethode van de trainers kan worden gevolgd. Ook wordt niet meer gerefereerd naar Oranje, Olympische Spelen of Nederland. En er wordt onder de 12/13 jaar niet gesproken over «topsporters». Daarnaast zijn de oefen- en trainingsstof en turntoestellen aangepast om de jongste leeftijdscategorieën fysiek minder te belasten («soft methodisch trainen»). Bovendien voert de KNGU internationaal een lobby om de seniorenleeftijd omhoog te krijgen van 16 naar 18 jaar.
Ik zie dat de sportsector hier enorme stappen maakt en dit onderwerp prioriteit geeft. Ik blijf nauw met de betrokken partijen in overleg over de voortgang.
Zie ook het antwoord op vraag 4 en 6.
In hoeverre moeten sporttrainers van kinderen in de topsport pedagogische training volgen of gevolgd hebben, zodat ze zich bewust zijn van het feit dat (jonge) kinderen niet als volwassenen behandeld kunnen worden? Waarom lukt het niet om de pedagogische visie van de KNGU in samenwerking met de KNVB daadwerkelijk overal te effectueren?
De KNGU maakt zich, met andere betrokkenen in de (gym)sportwereld, al langer sterk voor het pedagogisch versterken van het sportklimaat. Dat is ook de reden waarom de KNGU onlangs is gestart met de uitrol van een intensief meerjarenprogramma «Pedagogische visie». Dit kost tijd en moet gebeuren vanuit een integrale visie gericht op cultuur- en systeemverandering op alle niveaus. Het gesprek met clubs over bijvoorbeeld hun rol in verantwoorde trainingssituaties en omgang met ouders maakt hier belangrijk onderdeel van uit. De KNVB heeft hierin al vele stappen gemaakt, bijvoorbeeld door integratie van het thema in opleidingen en wedstrijdsystemen. De KNVB en de KNGU leren over en weer van elkaar.
Het begeleiden van kinderen en tieners vraagt bijzondere competenties van trainers/coaches. Pedagogiek, maar ook didactiek, communicatie, ethiek en psychologie spelen allemaal een belangrijke rol om ervoor te zorgen dat kinderen en tieners een plezierige reis afleggen binnen de sport en topsport. In de huidige trainer/coach opleidingen zijn dit belangrijke thema’s. In het nieuwe beroepscompetentie- en kwalificatieprofiel voor de topsport- en talentcoach zijn deze competenties nadrukkelijk opgenomen en uitgewerkt. Het is aan de sportbonden om te sturen op de juiste profielen en competenties van topsport- en talentcoaches.
Welke voorlichting is er voor ouders beschikbaar c.q. wordt er gegeven over wat de gevolgen zijn van topsport voor het leven van hun kind, als een kind begint met topsport? Waar kunnen jonge sporters en hun ouders negatieve ervaringen melden? Wat wordt hiermee gedaan en aan hoeveel meldingen is het afgelopen jaar opvolging gegeven?
Via NOC*NSF wordt een workshop aangeboden aan sportbonden specifiek gericht op ouders wiens kinderen talentvol zijn en in opleidingsprogramma’s van een sportbond zitten. Deze workshop wordt vanuit de sportbonden verder aangevuld en ingezet. Steeds meer sportbonden ontwikkelen hiermee een voor hen passende werkwijze om op een positieve manier met ouders contact te onderhouden en ze op verschillende wijzen kennis en kunde mee te geven over het omgaan met hun talentvolle kinderen.
Negatieve ervaringen kunnen sporters en ouders melden bij de vertrouwenscontactpersoon van de club, de vertrouwenscontactpersoon van de KNGU of het Centrum Veilige Sport. Ook is het mogelijk om via de website van de KNGU en SpeakUp ongewenst gedrag te melden. Om het contact zo laagdrempelig mogelijk te maken werkt het Centrum Veilige Sport samen met Fier (het landelijk expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties) waar ’s avonds en ’s nachts een chatfunctie beschikbaar is. Voor al deze meldingen geldt dat er adequaat opvolging aan wordt gegeven. Binnen het Centrum Veilige Sport zorgen casemanagers voor de opvolging van meldingen en de monitoring daarvan. Hiervoor wordt momenteel proefgedraaid met een zogeheten casemanagementsysteem om dit te monitoren. Cijfers over de opvolging van meldingen zijn op dit moment nog niet bekend.
Kunt u aangeven wanneer het landelijk toetsingskader voor een positief (top)sportklimaat aangescherpt zal zijn, zoals u aangaf in het antwoord op eerdere schriftelijke vragen van het lid Westerveld over misstanden in de turnsport?1
De KNGU heeft aangegeven het nieuwe landelijke toetsingskader eind dit jaar af te ronden en zal naar verwachting dit kader vanaf 2020 gaan implementeren.
In hoeverre wordt de mening van kinderen zelf meegenomen bij de Pedagogische visie en het toetsingskader? En in het algemeen, zijn er waarborgen zodat kinderen zelf hun mening kunnen geven over hoe hun veiligheid het beste geborgd kan worden?
De KNGU geeft aan op verschillende manieren de input van jonge sporters mee te nemen in hun beleid. Zo worden via enquêtes vragen voorgelegd over de rol van de trainer of ouders. Binnen programma’s voor talentontwikkeling en topsport wordt aandacht besteed aan de empowerment en inbreng van sporters zelf. Daarnaast vinden exit-onderzoeken plaats op het moment dat een jong talent uitstroomt. De komende jaren zal de KNGU in het kader van de pedagogische
visie zoveel mogelijk de stem van de (jonge) sporter meenemen. Gezien de jonge leeftijd van de sporters moet zorgvuldig worden omgegaan met de wijze waarop dat gebeurt.
Hoe ziet de KNGU toe op de naleving van afspraken op het gebied van communicatie, verantwoordelijkheden, preventie, coaching en intervisie met als doel incidenten in de toekomst te voorkomen, zoals u aangaf in de genoemde antwoorden (vraag2?
De KNGU laat weten dat zij de verantwoordelijkheid draagt voor onderdelen van clubs die deel uitmaken van een talentontwikkelings- en/of topsportprogramma. Op basis van het toetsingskader (zowel het huidige als het vernieuwde kader, zie antwoord 6) kan de KNGU toezien op naleving van afspraken bij de KNGU aangesloten topsportclubs (met een talentontwikkelings- en/of topsportprogramma). Dit toetsingskader is een uitgangspunt voor clubs die de ambitie hebben om op dit topniveau te komen. Clubs moeten aan de gestelde eisen voldoen om toe te treden tot de gymsportinfrastructuur. Bij de overige clubs is het clubbestuur eindverantwoordelijk.
Bent u van mening dat dit kabinet voldoende doet om een veilig (top)sportklimaat te garanderen voor alle kinderen, in het bijzonder in de turnsport? Heeft u sinds de beantwoording van de eerdere vragen naar aanleiding van wangedrag in de turnsport (juni 2019) stappen genomen om de veiligheid in de (top)sport voor kinderen te bevorderen?
Ja, één van de prioriteiten binnen het Nationaal Sportakkoord is een positieve sportcultuur. Hierbij is mijn ambitie dat in de toekomst op alle sportclubs in Nederland aandacht is voor een positieve sportcultuur waarbij het welzijn van het kind boven het winnen staat en waarbij ouders positieve supporters zijn. Dit is het streven waarvoor ik mij samen met de sportsector en alle betrokkenen inzet.
Zo worden er, sinds de beantwoording van de eerdere vragen naar wangedrag in de turnsport, steeds meer lokale sportakkoorden afgesloten waarin het thema positieve sportcultuur nadrukkelijk aan de orde is. En maakt de KNGU stappen bij het uitrollen van het meerjarenprogramma «Pedagogische visie», zie antwoord 6.
Wat is de visie van dit kabinet op deelname aan topsport door (zeer) jonge kinderen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vanaf welke leeftijd vindt het kabinet dat kinderen aan de slag kunnen met topsport en selectie voor topsportteams? Kunt u dat voor verschillende sporten, in ieder geval turnen, voetbal, hockey en zwemmen, aangeven?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Sport op 2 december 2019?
Ja.