De toe-eigening door Aegon van € 2,5 miljard uit Optas, bestemd voor indexatie van pensioenaanspraken van havenwerkers en andere Optas-verzekerden |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Pensioenfonds voor Vervoer- en Havenbedrijven (PVH) vanaf 1965 indexatie toepaste en dat de aanspraken van havenwerkers in de periode vanaf 1 januari 1985 tot 1998 met circa 28% zijn geïndexeerd, maar sindsdien niet meer, met enorm koopkrachtverlies tot gevolg?
Is u bekend dat Optas bij de oprichting in 1990 bewust een niet-commercieel karakter kreeg, vrijstelling van vennootschapsbelasting genoot, en statutair en fiscaal (in verband met de vrijstelling vennootschapsbelasting) verplicht was om de winsten uitsluitend ten bate van de verzekerden aan te wenden, onder meer voor indexatie? En is u bekend dat de winsten van Optas statutair en fiscaal niet ten goede konden komen van de aandeelhouder(s) van Optas?1
Is u bekend dat bij de overgang van PVH naar Optas (1990/1996) expliciet is afgesproken dat de winsten aan de verzekerden ten goede komen om de pensioenen waardevast te houden, en dat hierover garanties zijn gegeven, onder meer in de Pensioenkrant van PVH van december 1996 en in de nieuwsbrieven van de vakbonden van december 1996 voorafgaand aan het referendum onder hun leden over de wijzigingen bij PVH en de overgang van PVH naar Optas?
Begrijpt u dat havenwerkers en andere deelnemers van PVH er op basis van deze afspraken en garanties en het niet commerciële karakter van Optas op hebben vertrouwd dat de winsten van Optas aan hen ten goede zouden komen en voor indexatie zouden worden gebruikt?
Realiseert u zich dat deelnemers van een pensioenuitvoerder volgens de nog steeds geldende jurisprudentie van de Hoge Raad op grond van wettelijke bepalingen, statuten, afspraken, garanties, en/of de redelijkheid en billijkheid recht kunnen hebben op de overschotten van de pensioenuitvoerder2 en deze situatie bij Optas van toepassing is?
Is u bekend dat Aegon, als aandeelhouder en feitelijk bestuurder van Optas, ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas om de winst aan te wenden ten bate van de verzekerden, indexatie van de pensioenaanspraken van de Optas-verzekerden vanaf 2007 heeft geblokkeerd en de winsten binnen Optas heeft opgepot?
Bent u op de hoogte van het Fusie Memo uit 2018 van Aegon, waaruit blijkt dat Aegon met Optas wilde fuseren om zich de binnen Optas opgepotte winst van € 2,5 miljard toe te eigenen en Aegon wist dat dit bedrag op grond van de statuten van Optas en de fiscale eisen niet aan Aegon ten goede kon komen?
Is u bekend dat Aegon de Optas-verzekerden voorafgaand aan de fusie – met instemming van De Nederlandsche Bank (DNB) – in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat er door de fusie niets verandert, waardoor de Optas-verzekerden volgens de rechter geen reële mogelijkheid hebben gehad om zich tegen de voorgenomen fusie te verzetten en de rechter het instemmingsbesluit van DNB met de fusie, wegens schending van dit verzetrecht en het geheim houden van stukken door DNB, in 2023 heeft herroepen?3
Realiseert u zich dat de fusie en toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard onrechtmatig is door het ontbreken van de wettelijk vereiste instemming van DNB (nu het instemmingsbesluit is herroepen)?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van Aegon, dat zij ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas indexatie blokkeerde en de winsten binnen Optas oppotte, en zich in 2019 middels de fusie met Optas de winst van € 2,5 miljard heeft toegeëigend, terwijl dit bedrag statutair en op grond van de fiscale regels niet aan Aegon ten goede kan komen?
Hoe beoordeelt u dat DNB heeft ingestemd met de onjuiste mededeling van Aegon aan de verzekerden dat er door de fusie niets verandert, en ondanks waarschuwingen heeft ingestemd met de fusie en de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, en (op verzoek van Aegon) het Fusie Memo en andere essentiële stukken in strijd met haar wettelijke verplichting geheim heeft gehouden?
Realiseert u zich dat deze gang van zaken – de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, het uitblijven van indexatie, de onrechtmatige instemming van DNB en het feit dat de € 2,5 miljard (ondanks herroeping van de instemming) nog steeds in de kas van Aegon zit – tot grote publieke verontwaardiging en aantasting van vertrouwen in het pensioenstelsel leidt, en met name de (oud)havenwerkers geboren voor 1950 spoedeisend belang hebben bij beëindiging van deze misstand?
Bent u gelet op uw toezichtstaak op DNB en het maatschappelijke belang bereid om DNB op te dragen om ervoor te zorgen dat het vermogen van € 2,5 miljard (en de aangroei daarvan) alsnog voor de (voormalige) Optas-verzekerden wordt veiliggesteld en spoedig wordt aangewend voor indexatie en verbetering van hun pensioenaanspraken, en DNB zo nodig op te dragen om Aegon een daartoe strekkende aanwijzing te geven4? Mede gezien uw opmerking bij de beantwoording van de vragen van Joseph en Omtzigt van mei 2025 «dat pensioenvermogen haar pensioenbestemming dient te behouden»5.
Welke andere juridische of beleidsmatige instrumenten ziet u om te zorgen dat de € 2,5 miljard (en aangroei) zijn pensioenbestemming behoudt en alsnog ten goede komt van de rechthebbenden?
Wilt u in uw beantwoording ingaan op de omissie dat eerdere Kamerstukken en uw antwoorden van juni 2025 geen rekening hielden met de feiten en omstandigheden die in deze vragen zijn opgesomd, en er rekening mee houden dat de uitspraken van het Hof Den Haag en de Rechtbank Den Haag uit 2024 door de Optas-verzekerden in rechte worden bestreden, de conclusie van de advocaat-generaal in de cassatieprocedure tegen de uitspraak van het Hof door eisers in cassatie is weerlegd, en de uitspraken uit 2009/2011 in de jaarrekeningenprocedure tegen Optas/Aegon geen bindende kracht hebben voor de Optas-verzekerden en onder andere op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden door hen worden bestreden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
De herbeoordeling van F-35-export Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël is gedaan aan de hand van de acht criteria die in het EU Gemeenschappelijk Standpunt zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet?1
Conform het arrest van de Hoge Raad (d.d. 3 oktober 2025) is de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar Israël opnieuw beoordeeld aan de hand van de geldende kaders voor wapenexportcontrole. Daarbij is de reguliere toets aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toegepast.
Kunt u per criterium de Kamer informeren hoe u tot het oordeel bent gekomen de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de algemene vergunning AV009 te handhaven? Kunt u, kortom, de exporttoets zelf met de Kamer delen, niet enkel de uitkomst ervan, zodat de Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is transparant over de resultaten van het wapenexportbeleid. Over zowel toegewezen als afgewezen vergunningaanvragen wordt openbaar gerapporteerd via rijksoverheid.nl. In aanvulling daarop wordt de Tweede Kamer conform de motie El Fassed c.s. (Kamerstuk 2010–2011, 22 054, nr. 165 en Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181) versneld (binnen twee weken na afgifte van vergunning) per brief geïnformeerd over afgegeven nieuwe vergunningen (niet zijnde een verlenging of vervanging) voor de definitieve uitvoer van volledige wapensystemen met een waarde van meer dan EUR 2 miljoen indien het land van eindbestemming geen EU/NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Japan, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en Australië) betreft. De herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël voldoet niet aan die voorwaarden. Daarnaast omvat de herbeoordeling gevoelige informatie die schadelijk kan zijn voor bilaterale relaties van Nederland. Gelet op bovenstaande is het kabinet niet voornemens af te wijken van de staande praktijk inzake informatievoorziening over de resultaten van het wapenexportbeleid.
Waarom heeft u besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden?
Gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren en de verdere uitwerking van het vredesplan, is er sprake van een situatie die voortdurend in ontwikkeling is. Het kabinet heeft daarom besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Dat het kabinet over de mogelijkheid beschikt om naar eigen inzicht over te gaan tot een herbeoordeling wordt ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025.
Waarom schrijft u dat het staakt-het-vuren standhoudt? Bent u ermee bekend dat Israël vrijwel dagelijks het staakt-het-vuren schendt en talloze aanvallen op Gaza zijn uitgevoerd, waarbij honderden Palestijnen zijn gedood sinds 10 oktober, waaronder veel burgers?
Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Erkent het kabinet dat ook in de nieuwe situatie op de grond die het kabinet beschrijft in de Kamerbrief het lijden van Palestijnse burgers in Gaza onverminderd doorgaat als gevolg van de totale verwoesting, ontheemding, en tekorten aan levensreddende goederen?
Het leed van Palestijnen in de Gazastrook gaat niet aan het kabinet voorbij. Daarom is het van belang dat implementatie van het vredesplan voor de Gazastrook, waar een groot deel van de wereld zich achter geschaard heeft, en VN Veiligheidsraadsresolutie 2803 (2025) slagen. Daar is de inzet van het kabinet op gericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Israël momenteel ongeveer de helft van Gaza bezet houdt?
Het standpunt van Nederland is onverminderd dat Israël de bezettende macht is in de Palestijnse gebieden, inclusief de Gazastrook, en daarom verplichtingen heeft op basis van het bezettingsrecht. Nederland veroordeelt unilaterale stappen die zouden neerkomen op annexatie van de Gazastrook door Israël en staat achter het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk.
Het is voor het kabinet essentieel dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van de Palestijnse Gebieden, mede omdat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas de wapens dient neer te leggen en geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Het vredesplan van president Trump biedt hier aanknopingspunten voor. Het is van belang dat dit plan wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het internationaal recht en de onderhandelingen over de tweede fase spoedig worden voortgezet.
Deelt u de opvatting dat export van onderdelen van de F-35 naar Israël uitgesloten dient te blijven zolang de dreiging blijft bestaan dat dit wapensysteem ingezet wordt voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdaden in Gaza (of elders in de regio) en Israël de kuststrook deels bezet? Zo nee, waarom niet?
De internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van wapenexportcontrole van Nederland (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag) zijn leidend bij besluitvorming over wapenexport. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 3 oktober 2025. Op grond van die verplichtingen geldt dat het kabinet geen vergunningen verleent voor de uitvoer van militaire goederen, indien een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen kunnen worden gebruikt bij het begaan of faciliteren van ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Bent u, nu u tot het oordeel komt dat de levering van F-35-onderdelen aan Israël voorlopig niet plaats mag vinden, eveneens van mening dat landen die dergelijke onderdelen van of via Nederland geleverd krijgen, deze onderdelen ook niet zouden moeten doorleveren aan Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het bevel van de Hoge Raad en in het verlengde daarvan de uitgevoerde herbeoordeling ziet niet op de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar andere landen.
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar andere F-35 partnerlanden, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk welke onderdelen uiteindelijk bij welke F-35 gebruiker terechtkomen. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland aan het andere F-35 partnerland, en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel door het andere F-35 partnerland daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd. Voor dergelijke projecten met EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) geldt binnen de Nederlandse exportcontrole bij de uitvoer van componenten naar producenten al langere tijd het ontvangende land als land waaraan getoetst wordt, als op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat op 11 december over de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december?
Ja.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘3000 medewerkers Openbaar Ministerie sturen brandbrief over ICT-problemen’ |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe dit probleem rondom de ICT zo uit de hand heeft kunnen lopen? Waar heeft men het de afgelopen jaren laten liggen?1
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) inzichtelijk hoeveel procent van de tijd medewerkers van het OM bezig zijn met ICT-gerelateerde zaken in plaats van het werk waarvoor zij eigenlijk zijn ingehuurd? Zo ja, kunt u dit met ons delen?
Op welke wijze werkt het OM aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur?
Hoe verhoudt dit zich tot de brandbrief waarin gesteld wordt dat er investeringen nodig zijn voor de ICT-infrastructuur?
Deelt u de mening van de indieners van de brandbrief dat er investeringen nodig zijn in de ICT-infrastructuur? Zo ja, welke investeringen zijn er nodig om op zo kort mogelijke termijn de ICT-infrastructuur op orde te krijgen en hoe valt dit te rijmen met de eerder gealloceerde middelen?
Heeft de verhoogde werkdruk binnen het OM ook effect op de verzuimcijfers? Zo ja, hoe ziet deze ontwikkeling eruit? En wat doet het OM concreet om dit te mitigeren?
In hoeverre hebben de problemen rondom de ICT consequenties voor de strafbeschikkingen die bij het OM lopen?
Welke maatregelen worden er getroffen om fouten te voorkomen? En in hoeverre wordt er gekeken naar extra maatregelen om het risico op fouten zoveel mogelijk in te dammen? Zo ja, welke?
Hoe kijkt u aan tegen het verwijt van de indieners van de brandbrief dat er een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» ontbreekt vanuit de top van het OM?
Ziet u voor zichzelf een rol om een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» te laten horen richting de medewerkers van het OM? Zo ja, hoe wilt u dit invullen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Het bericht ‘Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers’ |
|
Harmen Krul (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksondernemers en instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Douane meer illegale handel in sigaretten zien? Wat zijn hierover de meest recente cijfers?
De laatste bekende cijfers over de illegale markt in sigaretten zijn afkomstig uit het pakjesraaponderzoek uit 2024 (Empty Pack Survey, EPS), in juni met uw Kamer gedeeld.2 Bij dit pakjesraaponderzoek in Nederland is een bepaalde hoeveelheid sigarettenverpakkingen op straat geraapt in tien grote steden en 20 gemeenten aan de grens. Het aandeel nagemaakte sigarettenverpakkingen en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden, omdat ze niet geregistreerd staan in de EU-database (illicit whites) was in 2024 gezamenlijk 11,1%. Daarnaast is in 2024 30,1% van de geraapte pakjes in het buitenland veraccijnsd. Uit dit onderzoek valt niet op te maken of deze pakjes voor eigen gebruik zijn meegenomen uit het buitenland of dat ze in Nederland verder illegaal verhandeld zijn.
Kunt u, voor zover bekend, aangeven in hoeverre de productie van illegale sigaretten in Nederland plaatsvindt? Hoe verhoudt de illegale productie in Nederland zich cijfermatig met illegale handel per luchtvracht, via de Rotterdamse haven of door import uit andere Europese landen? Ziet u een toename van illegale productie in Nederland?
Ik verwijs graag naar de jaarrapportage 2024 van de Douane die in juni 2025 aan uw Kamer is aangeboden3, waarin staat dat illegale productie van sigaretten ook in Nederland plaatsvindt.
In 2024 zijn in Nederland twee illegale sigarettenfabrieken opgerold in Bunnik en Bladel. Verder is één fabriek in opbouw aangetroffen in Hulst en zijn in samenwerking met België twee trailers met tabaksmachines inbeslaggenomen.
Daarnaast is één illegale productielocatie voor waterpijptabak opgerold in Aalten. Ter vergelijking: in 2023 werden tien illegale fabrieken/productielocaties opgerold. Ook in 2025 zijn enkele illegale fabrieken opgerold; exacte cijfers over 2025 volgen in het eerste kwartaal van 2026.
Ik heb van de Douane begrepen dat in 2024 68% van de grotere inbeslagnames van sigaretten aan de maritieme buitengrens van de EU hebben plaatsgevonden. Slechts 1% van de inbeslagnames vond plaats per luchtvracht en 31% van de inbeslagnames vond plaats in het binnenland (illegale productie en opslag).
Welke effecten ziet u van de uitgebreidere bevoegdheden en extra middelen voor toezichthouders en opsporingsdiensten om te handhaven op illegale handel in sigaretten en vapes? Is dit voldoende om een vuist te maken tegen illegale handel en zo nee, wat zou er nog meer nodig zijn?
De Douane is de toezichthouder als het gaat over illegale handel in accijnsgoederen zoals sigaretten en tabak. Vapes (e-sigaretten) zijn op dit moment geen accijnsgoederen. De NVWA is de toezichthouder voor vapes.
De Douane draagt ook bij aan het verstoren van criminele werkprocessen en er worden barrières opgeworpen tegen crimineel handelen. Eén van die barrières is de ingevoerde vergunningplicht voor tabaksmachines. Omdat de EU-regelgeving met betrekking tot een vergunningplicht voor tabaksmachines op zich laat wachten, heeft Nederland in 2023 als eerste land in de EU zelfstandig deze vergunningplicht ingevoerd. Illegale sigarettenfabrieken kunnen hierdoor ook in de opbouw- en afbouwfase worden aangepakt. Deze aanpak lijkt inmiddels vruchten af te werpen, zoals ook blijkt in het antwoord op vraag 3. Ten aanzien van de illegale fabrieken wordt nog opgemerkt dat interventies leiden tot volledige ontmanteling en verlies van de productielijn(en). Aanwezige machines ten gunste van de fabricage worden in beslag genomen en vernietigd.
Voor het kerstreces zal ik een factsheet delen met uw Kamer waarin wordt beschreven hoe het toezicht door de NVWA op het verbod op smaakjes van vapes4 is verlopen tussen juli 2024 en juli 2025. Daarbij wordt ook ingegaan op de nieuwe bevoegdheid tot inbeslagname in artikel 13e van de Tabaks- en rookwarenwet (vanaf 1 januari 2025). In de praktijk is het bij het toezicht op de naleving van het smaakjesverbod voor de NVWA niet altijd gemakkelijk om aan te tonen dat een e-sigaret met een smaak anders dan tabak in de handel wordt gebracht. Om deze reden werk ik aan een wetsvoorstel dat het in voorraad hebben van producten die niet voldoen aan de product- en verpakkingseisen van de Tabaks- en rookwarenwet verbiedt. Hierbij is gelet op het Europees recht een uitzondering opgenomen voor doorvoer. Dit wetsvoorstel zal binnenkort in internetconsultatie komen. Ik verwacht dat de NVWA hierdoor efficiënter en effectiever kan handhaven. Verbeterd toezicht is echter maar een deel van de oplossing om de illegale handel te stoppen. Er moet ook worden ingezet op het verminderen van de vraag naar deze producten. Ik werk daarom parallel aan het uitrollen van de preventieve maatregelen die genoemd zijn in het Actieplan tegen Vapen5 en de Samenhangende preventiestrategie.6
Zijn er op dit moment praktische problemen in het opsporen en handhaven van illegale tabakssmokkel? Zo ja, hoe kan de opsporing efficiënter worden ingericht?
De Douane heeft, op basis van de Wet op de Accijns en het Douanewetboek van de Unie, voldoende handvatten om handhaving uit te voeren op illegale tabakssmokkel. De Douane werkt op dit gebied ook samen met de FIOD in het combi-team SMOKE.
Daarnaast is de Douane aangewezen als toezichthouder voor een aantal artikelen in de Tabaks- en rookwarenwet. De voorziene implementatie van het bijbehorende boeteproces vindt naar verwachting plaats in 2026 en hiermee wordt handhaving nog efficiënter.
Er ligt inmiddels ook een voorstel van de Europese Commissie om in de gehele Europese Unie enkele maatregelen in te voeren die onder meer te maken hebben met de strijd tegen fraude en belastingontduiking. Onderhandelingen over dit voorstel zijn inmiddels gestart.
Bent u van mening dat de handhaving van illegale online webshops waarop sigaretten worden verkocht, goed genoeg verloopt? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De handhaving van het verbod op de online verkoop is belegd bij de NVWA. Na de invoering van het verbod op verkoop op afstand zijn veel reguliere webshops gestopt met de verkoop van rookwaren zoals sigaretten en vapes. Een ander, kleiner deel van de webshops heeft de verkoop voortgezet. Dit betreft veelal bewuste overtreders. De NVWA blijft hier toezicht op houden, waarbij de afgelopen periode de focus met name op de verkoop op afstand van vapes lag. Om handhaving en maatregelen van de NVWA te ontlopen, voeren deze winkels veelal anoniem hun werkzaamheden uit of vestigen zij zich in het buitenland. In die gevallen is niet altijd te achterhalen wie er achter de website zit, waardoor geen boete kan worden opgelegd. Indien de website in het buitenland gevestigd is, maar de verkoop daarop zich richt op Nederland, dan handhaaft de NVWA ook. In de praktijk blijken niet alle buitenlandse bedrijven op de opgelegde maatregelen te reageren. Er wordt daarbij dan gevraagd om bijstand vanuit andere EU-lidstaten. Ook wanneer testaankopen door de NVWA worden gedaan, valt niet altijd te achterhalen wie er verantwoordelijk is voor de niet-toegestane verkoop op afstand. De NVWA gaat doorlopend na hoe dit toezicht kan worden doorontwikkeld om deze verkopers aan te pakken.
Hoeveel websites waarop illegale sigaretten worden aangeboden en verkocht zijn de afgelopen maanden offline gehaald?
In het kader van het toezicht op de naleving op de regels over de online verkoop door de NVWA, met name gericht op websites met vapes, zijn er in 2025 131 online webshops geïnspecteerd. Daarbij is 25 keer opgetreden (12 officiële waarschuwingen en 13 boetes). Dit betreffen de webshops waarbij de eigenaar kon worden achterhaald. Daarnaast zijn er ook nog 35 webshops geïnspecteerd waar de eigenaar niet te achterhalen viel. Vanwege het ontbreken van gegevens over de eigenaar, konden deze controles niet in het inspectieregistratiesysteem van de NVWA worden geregistreerd. Hiervoor is recentelijk een oplossing gevonden en deze bedrijven zullen vanaf volgend jaar ook kwantitatief meegeteld worden.
Websites gevestigd in het buitenland, maar gericht op verkoop in Nederland, worden ook door de NVWA geïnspecteerd. Contact leggen met deze webshops is heel moeilijk. Er wordt in dat kader dan ook vaak gevraagd om bijstand van andere EU-lidstaten.
Het offline halen van een website is complex en zeer tijdrovend. In het verleden is gebleken dat een website die offline was gehaald, zeer snel weer online was. Daarbij was de naam van de website slechts minimaal aangepast. In dat geval moet weer opnieuw het traject gestart worden om de website offline te halen. De afgelopen maanden zijn geen websites offline gehaald.
Welke maatregelen gaat u nemen om illegale handel in sigaretten op groepspagina’s en marketing gericht op jongeren tegen te gaan?
Het online verkopen van sigaretten en aanverwante producten is, afhankelijk van het product, sinds juni 2023/januari 2024 verboden. Op dit moment is een besluit in voorbereiding waarbij ook het online aanbieden van tabaksproducten en aanverwante producten verboden wordt, omdat dit de handhaving vergemakkelijkt. De NVWA hoeft dan niet meer aan te tonen dat er daadwerkelijk online wordt verkocht, het enkel aanbieden is al een overtreding. De NVWA controleert of bedrijven zich aan de regels houden. Bij een overtreding wordt een waarschuwing of boete gegeven of een andere maatregel opgelegd. In het kader van het toezicht zoekt de NVWA naar posts waarin deze producten worden gepromoot (marketing) of aangeboden vanuit of specifiek gericht op Nederland en laat deze posts door de platformen verwijderen. Sporadisch is te achterhalen wie er achter deze posts zit. In dat geval wordt dit doorgegeven aan de Douane en kan indien mogelijk een controle plaatsvinden en opgetreden worden met een maatregel als de wet wordt overtreden. Daarnaast heeft de NVWA gesprekken gevoerd met verschillende platforms of zij zelf geautomatiseerd kunnen scannen op posts met aanbod van deze producten en of zij deze posts snel en effectief zelf kunnen verwijderen. Zo kan worden voorkomen dat op de publieke functies van de platforms gehandeld wordt in vapes en sigaretten.
Deelt u de mening dat accijnsverhogingen ondanks een toename in illegale handel en smokkel nog steeds een effectief middel zijn om roken te ontmoedigen?
Accijnsverhoging wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om het aantal rokers terug te dringen.7 Na de laatste accijnsverhoging in 2024 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar het effect van deze verhoging op het rookgedrag van ondervraagde rokers, waaronder stoppen met roken, minder roken en het doen van aankopen over de grens.8 Ook de Douane heeft met het eerder genoemde pakjesraaponderzoek (EPS) onderzoek gedaan naar de herkomst van in Nederland gerookte sigaretten.9
Het RIVM-rapport wijst uit dat de accijnsverhoging in 2024 gedragsveranderingen bij rokers teweeg heeft gebracht en een rol heeft gespeeld bij het stoppen of minderen met roken. Tegelijkertijd benoemt het rapport dat het aantal stoppers kleiner is dan bij de accijnsverhoging van 2023 en dat het belangrijkste gedragseffect van de accijnsverhoging in 2024 is dat een aanmerkelijk grotere groep rokers in het buitenland rookwaren is gaan kopen. De bevindingen uit het EPS van 2024 tonen ten aanzien van het kopen van rookwaren in het buitenland een vergelijkbaar beeld en laten zien dat sinds de vorige meting een toename heeft plaatsgevonden in het aantal niet in Nederland veraccijnsde pakjes. Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven, is een gedeelte daarvan illegaal. Dat zijn namaakpakjes en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden. Het grootste gedeelte van de niet in Nederland veraccijnsde pakjes is in een andere lidstaat legaal aangekocht.
Het RIVM geeft aan dat het lijkt dat in de Nederlandse context, van altijd nabije grenzen, het accijnsbeleid op tabak tegen zijn grenzen is aangelopen. Daarom streeft Nederland in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Hiernaast zet Nederland zich ook in voor strengere regels over de hoeveelheid rookwaar die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen.
Het is aan het volgende kabinet om te besluiten over te gaan tot wijzigingen ten aanzien van de accijns.
Deelt u de mening dat een automatische stapsgewijze verhoging van de accijns veel beter is dan schoksgewijze verhogingen, omdat het een effectieve maatregel is om roken te ontmoedigen en ook meer duidelijkheid aan ondernemers geeft? Zo ja, bent u bereid dit te overwegen?
Vanuit de wetenschap wordt advies gegeven over hoe tabaksaccijns het beste ingezet kan worden om roken te ontmoedigen. Deze aanbevelingen zijn volgens het Trimbos-instituut als volgt samen te vatten:10
Daarnaast streeft Nederland, zoals genoemd in mijn beantwoording bij vraag 9, in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Het kabinet is ook voorstander van een driejaarlijkse indexatie van de minimumaccijnstarieven, zoals voorgesteld door de Commissie.
Het is, tot slot, niet aan dit demissionaire kabinet om nieuwe toezeggingen te doen met betrekkingen tot de accijns op tabaksproducten.
Wat doet u om in Europa samen met andere lidstaten te werken aan tabaksontmoedigingsbeleid, waarvan accijnsverhogingen onderdeel zijn?
Om het Nederlandse gezondheids- en tabaksontmoedigingsbeleid en de strijd tegen illegale handel en productie te versterken heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen de Richtlijn tabaksaccijns te moderniseren.11
Nederland is dan ook blij met de publicatie van het herzieningsvoorstel voor de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) van 16 juli 2025. Zoals al genoemd in mijn beantwoording bij de vragen 9 en 10 streeft Nederland naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven en strengere regels over de hoeveelheid rookwaren die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen. Hiernaast is Nederland ook groot voorstander van de door de Commissie voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn tabaksaccijns naar andere tabaks- en tabakgerelateerde producten, zoals bijvoorbeeld vapes (e-sigaretten). U kunt meer lezen over de Nederlandse inzet ten aanzien van de herziening van de richtlijn in de bijlage «Beoordeling richtlijn tabaksaccijns» bij de Kamerbrief «informatievoorziening over nieuwe commissievoorstellen» die op 19 september 2025 aan uw Kamer is gestuurd.12
Ook streeft Nederland naar een spoedige herziening van de tabaksproductenrichtlijn (TPD) en de richtlijn inzake tabaksreclame (TAD). Nederland heeft als trekker in maart 2025 namens 11 andere lidstaten een gezamenlijke brief opgesteld en hier bij de Commissie op aangedrongen.13
Wat doet u specifiek om onze buurlanden Duitsland, Luxemburg en België te bewegen ook tabaksproducten duurder te maken, om smokkel en illegale handel tegen te gaan en een gelijk speelveld te bevorderen?
Nederland heeft goed contact met België over het tabaksontmoedigingsbeleid. België kent, net als Nederland, relatief hoge tabaksaccijns, in tegenstelling tot Duitsland en Luxemburg. In de context van de Benelux heeft Nederland ook contact over verwachte wijzigingen in het accijnsbeleid. Uiteraard kan Nederland geen directe invloed uitoefenen op de politieke keuzes die in onze buurlanden worden gemaakt. De herziening van de Richtlijn tabaksaccijns is daarvoor wel een geschikt instrument.
Het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere sectoren ook niet worden toegepast»?
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat, welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de orde?
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector, dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade ondervonden?
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke concurrentieverhoudingen?
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector, uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf geen invloed op hebben?
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
De verkoop van het cloudbedrijf van DigiD en MijnOverheid en de dreiging voor onze digitale autonomie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Financieele Dagblad van 12 november jongstleden over de verkoop van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity aan Kyndryl, een Amerikaanse partij, en de daaruit voortvloeiende onrust bij overheden die afhankelijk zijn van de diensten van Solvinity, zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de zorg dat door deze overname essentiële overheidsdiensten, waaronder DigiD en MijnOverheid, feitelijk in buitenlandse handen komen, met alle risico’s van dien, bijvoorbeeld op het gebied van digitale soevereiniteit en (data)veiligheid?
Ik heb begrip voor de zorgen van de Tweede Kamer over de voorgenomen overname van het bedrijf Solvinity door een Amerikaans bedrijf. Solvinity is betrokken bij belangrijke diensten van de overheid zoals bijvoorbeeld DigiD.
Het is belangrijk dat de veiligheid van vertrouwelijke gegevens van en de dienstverlening aan burgers niet in het gedrang komen door deze overname. Daarom wordt momenteel, naast de onderzoeken van de wettelijke toezichthouders, onder mijn regie onderzoek gedaan naar de operationele, juridische en contractuele gevolgen van de voorgenomen overname. Als het onderzoek naar de gevolgen van de beoogde overname een onacceptabel risico laat zien, worden passende maatregelen genomen. De veiligheid en bescherming van essentiële gegevens van Nederlandse burgers staan voorop.
Welke juridische en bestuurlijke instrumenten staan u ter beschikking om dergelijke overnames van strategisch vitale ICT-dienstverleners te reguleren of te keren? Zijn er mogelijkheden om een overname te verbieden of voorwaarden te stellen?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Bent u vooraf betrokken geweest bij de overnamebesprekingen, en is er door de departementen gemonitord wat de gevolgen zijn van de overname specifiek voor overheidsklanten zoals DigiD, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en andere kritieke publieke diensten?
Nee, ik ben niet betrokken geweest bij overnamebesprekingen. Voor de zomer van 2025 heeft Solvinity bij Logius aangegeven dat een overname op handen was zonder details van de overnamekandidaat te delen. Onder regie van BZK wordt op dit moment het totale risicobeeld bij overheidsorganisaties geïnventariseerd.
Hoe beoordeelt u de kans dat door deze overname buitenlandse entiteiten inzage of controle zouden kunnen krijgen in kritische overheidsdata, bijvoorbeeld op grond van buitenlandse wetgeving zoals de Cloud Act of andere wet- en regelgeving?
Ten tijde van het afsluiten van de contracten zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De wettelijke Amerikaanse instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Wat is op dit moment de eigendomsstructuur van de IT-diensten achter DigiD, MijnOverheid en Digipoort? Welke onderdelen zijn in handen van Solvinity, en wat betekent de overname praktisch voor de eigendom en exploitatie van deze cruciale infrastructuur?
Voorzieningen zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort zijn specifieke applicaties ontwikkeld door en voor Logius. De applicaties DigiD en MijnOverheid draaien op het door Solvinity beheerde ICT-infrastructuurplatform «PICARD». Op dit platform kunnen de gebruikersrechten en het beheer per laag (infrastructuur, applicatie, netwerk) verschillen en/of door verschillende partijen worden uitgevoerd.
Het uitgangspunt is dat de Staat der Nederlanden eigenaarsrechten van de software en data van voorzieningen als DigiD, MijnOverheid en Digipoort bezit. Leveranciers hebben, afhankelijk van de dienstverlening, gebruikersrechten om toegang te krijgen om hun beheertaken te kunnen uitvoeren. Er zijn twee vormen van beheer te onderscheiden: technisch beheer en applicatiebeheer. Het technische beheer (o.a. infrastructuur, servers) van het «PICARD» ICT-platform is uitbesteed aan Solvinity.
Het applicatiebeheer dat zich richt op de werking van de applicatie zelf wordt uitgevoerd door eigen Logius medewerkers, eventueel aangevuld met inhuur of uitbesteed. Dit verschilt per voorziening. Beide vormen van beheer zijn uitvoerende taken en staan los van eigendomsrechten t.a.v. software en data.
Hoe waarborgt u dat andere belangrijke overheidsdiensten, die nu in Nederlandse handen zijn, niet op termijn eveneens kunnen worden overgenomen door buitenlandse partijen? Welke preventieve strategie wordt hierbij door het kabinet gehanteerd?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
De nieuwe Rijksbrede Strategie IT-sourcing, onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), geeft aandacht aan het verkrijgen van een sterkere regie op digitale autonomie, soevereiniteit en veiligheid. Voor situaties waarin leveranciers worden overgenomen door buitenlandse partijen wordt een handreiking ontwikkeld om de afnemers te helpen met het in kaart brengen van de mogelijke risico’s die daarmee gepaard gaan en de mogelijkheden tot mitigatie.
Erkent u de bredere zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders die in het artikel naar voren worden gebracht? In hoeverre heeft het kabinet concrete stappen gezet om te investeren in digitale autonomie, bijvoorbeeld op het gebied van een nationale of «soevereine» overheidscloud?
Het kabinet erkent de zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders. De Rijksoverheid streeft dan ook naar het tot stand komen van een «soevereine overheidscloud» voor kritieke overheidsdienstverlening. Binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien; dit geldt als belangrijke prioriteit. Tevens recent de Visie Digitale Autonomie vastgesteld. Naast het onderstrepen van het belang van digitale autonomie, worden ook de strategische bouwstenen benoemd die nodig zijn om te komen tot een digitale overheid die grip heeft op autonomie, zeggenschap heeft over haar data (soevereiniteit) en cyberveilig en weerbaar is. Deze casus onderstreept het belang van de NDS.
Hoe verhoudt deze overname zich tot het bestaande Rijksbreed Cloudbeleid? Worden er in dat beleid mechanismen opgenomen om toekomstige overnames van (voormalig-) Nederlandse cloudleveranciers door buitenlandse partijen te beperken?
In het Rijksbreed cloudbeleid is een risicoanalyse verplicht. Hierin moeten ook de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging op de dienstverlening op het gebied van vertrouwelijkheid en beschikbaarheid worden meegewogen. Waar nodig moeten die risico’s worden gemitigeerd, dan wel moet een andere leverancier worden gezocht. Deze risico’s gelden niet voor elke overheidsdienst waardoor een risico-gebaseerde aanpak het gehanteerde mechanisme is.
Bent u bereid de Kamer halfjaarlijks te informeren over de risico-inschatting, de maatregelen die worden genomen én de mogelijke vervolgacties in het kader van digitale autonomie over Nederlandse overheidswebsites?
Het Forum Standaardisatie voert periodiek onderzoeken3 uit naar de toepassing van open standaarden, de naleving van de «pas toe of leg uit»-lijst en de informatiebeveiliging bij overheidsorganisaties, waarmee zij inzicht geeft in de interoperabiliteit en digitale weerbaarheid van de Nederlandse overheid om daarmee vendor lock-in te voorkomen en kwetsbaarheden in kaart te brengen.
Daarnaast wordt in de eerste helft van 2026, vanuit het NDS Programma, een verkenning uitgevoerd naar realisatie van een overheidsbrede soevereine cloudvoorziening. Deze cloudvoorziening is een belangrijke prioriteit van het NDS programma. Ik zal de uitkomsten van deze verkenning met uw Kamer delen.
Het bericht ‘Consortium wil wettelijke bezorgtaak van PostNL overnemen’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van het FD dat verschillende partijen de wettelijke bezorgtaak van PostNL willen overnemen?1
Kunt u een tijdslijn geven van de gesprekken met PostNL over de bezorgplicht en wanneer Spotta en BusinessPost contact met het ministerie hebben gezocht?
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de postbezorging wanneer de Universele Postdienst (UPD) wordt opgeknipt in meerdere uitvoerders? Kunt u dit per risico – logistiek, kwaliteitscontrole, arbeidsmarkt, aansprakelijkheid – uiteenzetten?
Zijn er juridische of logistieke belemmeringen voor meerdere partijen om gezamenlijk de UPD uit te voeren, bijvoorbeeld rond aansprakelijkheid, foutafhandeling, uniforme tarieven en landelijke dekking?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, mochten deze gesprekken toch plaatsvinden, de werknemerspositie van zowel de huidige postbodes als de nieuwe werknemers hetzelfde blijven en waar mogelijk versterkt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige postbodes hun baan behouden ongeacht welk effect dit heeft voor PostNL?
Hoe verantwoordt u concurrentie rondom de UPD als dat een belangrijk onderdeel is van de taken van het Rijk? Bent u bereid de concurrentie tegen te gaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Hoe beschermt u de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een markt die alleen maar verder concurreert? Bent u bereid hier stappen in te ondernemen als blijkt dat werknemers de dupe zijn van de concurrentiestrijd?
Deelt u de analyse dat de voortdurende problemen met PostNL – zoals verlieslatende uitvoering, druk op arbeidsvoorwaarden, teruglopende kwaliteit en het herhaaldelijk vragen om staatsteun – laten zien dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt mislukt is? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat essentiële en publieke diensten, zoals de postbezorging, geborgd moeten worden door te functioneren zonder winstoogmerk en concurrentie in plaats van afhankelijk te zijn van commerciële belangen die primair gericht zijn op winst in een krimpende markt?
Bent u bereid te onderzoeken hoe de UPD zou functioneren in publieke handen of als een niet-commerciële organisatievorm, bijvoorbeeld een publiek bedrijf, zodat continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden voorop staan? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat binnen scherpe marktomstandigheden, zoals op de postmarkt, concurrentie lage prijzen tot gevolg heeft die zullen worden ingelost op arbeid, zoals bijvoorbeeld CNV aangaf bij de intrede van Spotta op de postmarkt?2 Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Raad voor de Rechtspraak dat de postbezorging miljoenen brieven te laat gaat bezorgen door het opheffen van de Postwet en zelfs in strijd is met Europese eisen en rechtsbescherming?3, 4 Zo ja, volgt u de adviezen van de ACM op? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u de negatieve ketteneffecten die het opheffen van de UPD zullen hebben op de betrouwbaarheid van de postbezorging? Zo ja, hoe vangt u deze op? Zo nee, waarom niet?
MKB-ondernemers die nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
Erkent u dat veel (MKB) ondernemers nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie?
Ja, ik zie dat het versterkingen van gebouwen van mkb-ondernemers complex is en meer aandacht vraagt dan reguliere versterking. In mijn Kamerbrief van 25 juni jl.1 geef ik dan ook aan dat ik zie dat er meer aandacht is voor deze doelgroep vanuit uitvoeringsorganisaties en partijen die ondersteuning bieden.
Erkent u dat er veel vertraging is en plannen steeds wijzigen, bijvoorbeeld rondom het Koopmansplein in Ten Boer, waardoor ondernemers in grote onzekerheid zitten?
Ja, ik zie dat mkb-ondernemers vaker vastlopen vanwege de complexiteit van de dossiers. Mkb-ondernemers hebben daarom mijn speciale aandacht.
Hoeveel MKB-ers wachten nog op versterking? Wat is hiervan de planning?
Op dit moment zijn er 113 mkb-adressen in het mkb-programma van NCG die nog nog niet in de planvormingsfase zitten, bijvoorbeeld omdat het versterkingsadvies nog niet is gedeeld. Voor 243 mkb-adressen geldt dat zij wel in de planvormingsfase zitten. Dit betreft enkel de adressen waarbij de onderneming afhankelijk is van het te versterken pand en om die reden in het mkb-programma zijn opgenomen.
Erkent u dat ook wanneer de versterkingsoperatie al wel zou beginnen en de zaak gesloten is, de werkzaamheden alsnog niet van start gaan? Kent u bijvoorbeeld het bericht «Boze teksten op eetcafé De Brug in Nieuwolda. Eigenaar Peter (55): «De overheid hoort je te helpen»» wat hier een voorbeeld van is?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als bij gedeeltelijke sloop van het gebouw toch duidelijk wordt dat er constructieve gebreken zichtbaar worden die nieuwe berekeningen vragen.
Bij hoeveel ondernemers is de versterking officieel gestart maar liggen de werkzaamheden stil?
NCG heeft persoonlijk contact met alle projecten die versterkt worden. Ik hecht eraan uw Kamer mee te geven dat NCG er alles aan doet om tijdig in kaart te brengen hoe de bedrijfssituatie er uit ziet. Het regelen van tijdelijke huisvesting, mogelijke tijdelijke bedrijfsruimte of tijdelijke sluiting en vergoedingen die daar verband mee houden, komt in samenspraak met de ondernemer tot stand. Uw Kamer kan erop vertrouwen dat ik aandacht voor de voortgang heb, zodat ondernemers altijd weten waar ze aan toe zijn.
Begrijpt u de woorden van ondernemer Peter Wedda die over de overheid zegt: «Zij krijgen keurig betaald van 9 tot 5, met hun Tesla’s en Van Bommel-schoenen. Petra en ik zitten hier zeven dagen per week middenin.»? Erkent u dat de versterkingsoperatie ondernemers veel energie en vaak ook geld kost, en ze vaak het gevoel hebben geen grip te hebben?
Ik begrijp goed dat ondernemers de situatie waarin ze terecht gekomen zijn, als zeer frustrerend ervaren. Deze mensen willen aan de slag met hun bedrijf en niet met de versterking.
Erkent u dat MKB-ers cruciaal zijn voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied? Zo ja, kunt u daarom kiezen voor een aanpak waarbij MKB-ers beter worden ondersteund?
Ja, mkb’ers zijn cruciaal voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied.
NCG is met betrokken partijen in gesprek over hoe zij zo vroeg en volledig mogelijk inzicht kunnen geven in de vergoedingen om schade als gevolg van versterken te vergoeden.
De resultaten van het onderzoek van Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen over het mkb van vorig jaar biedt NCG verdere waardevolle inzichten om de dienstverlening voor het mkb verder te verbeteren. Een aantal aanbevelingen heeft NCG al in gang gezet. Zo is het onderzoek voor NCG mede aanleiding geweest om vaker en eerder met ondernemers in gesprek te gaan.
Daarnaast is er sinds mei dit jaar een provinciale investeringsregeling voor mkb-ondernemers in het aardbevingsgebied. De regeling is bedoeld om de hardst getroffen groep, micro-ondernemers met schade of versterking, te helpen bij het werken aan de toekomst van hun bedrijf. Daarnaast is er ondersteuning vanuit het provinciale mkb-programma en ook kunnen ondernemers bij Stut en Steun terecht.
Steeds vaker worden er signalen ontvangen van zowel MKB-ers als bewoners dat er een schaarste ontstaat aan tijdelijke huisvesting, kunt u dit bevestigen of ontkrachten? Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) heeft eerder (Beoordeling Meerjaren Versterkingsplan) aangegeven dat het gebrek aan tijdelijke huisvesting één van de bottlenecks kan zijn waardoor de versterkingsoperatie kan vertragen, wat is hiermee gedaan?
Ik herken deze signalen niet. NCG past maatwerk toe bij het vinden van passende tijdelijke huisvesting. Daarbij wordt in overleg met de ondernemer vaak gezocht naar mogelijkheden op dezelfde locatie, zodat er niet uitgeweken hoeft te worden naar tijdelijke huisvesting elders. Ook voor bewoners is er afdoende tijdelijke huisvesting.
Bij hoeveel MKB-ers is er een conflict over de verduurzamingssubsidies? Zou u willen kiezen voor een voortvarende aanpak en het ruime bedrag willen toekennen, en gesteggel over voor welke ruimtes wel en niet in aanmerking komen voorkomen?
Het is mij niet bekend om hoeveel adressen dit in totaliteit gaat. Tegelijkertijd heeft het wel doorlopend mijn aandacht. Juist bij ondernemers die wonen- en werken in het zelfde gebouw is het belangrijk om precies te zijn bij het uitkeren van subsidies. Bij subsidies aan bedrijven zijn er duidelijke regels omtrent staatssteun, waarbij ik wil benadrukken dat een te ruimhartige opstelling kan leiden tot het moeten terugvorderen van de subsidie, waarmee de ondernemer niet geholpen is.
Veel MKB-ers zijn huurder en hebben daardoor minder rechten dan eigenaren, erkent u dat dit een probleem kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u hieraan doen? Bent u bereid de regeling voor technische, juridische en financiële steun ook beschikbaar te maken voor huurders waaronder MKB-ondernemers?
Het klopt dat de situatie van een hurende mkb’er anders is dan van een eigenaar. Ook een hurende mkb’er kan ondersteuning krijgen. Voor juridische, planologische, bedrijfskundige of psychologische ondersteuning kunnen gedupeerde ondernemers sinds 29 januari 2024 voor € 10.000 subsidie aanvragen via de deskundigenregeling bij de provincie. Daarnaast heeft de provincie mkb-consulenten in dienst om ondernemers – dus ook mkb-huurders – bij te staan.
In 2024 en 2025 werden drie zeer kritische rapporten gepubliceerd over de situatie van MKB-ers in het gaswinningsgebied, welke lessen heeft u hieruit getrokken?2 3 4
De rapportages vanuit Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen, Gronings Perspectief en Ipsos I&O hebben er mede toe geleid dat ik de toegankelijkheid van regelingen aanhoudend blijf verbeteren. Ik zorg er voor dat ondernemers niet van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Een belangrijke maatregel hiervoor is het beter inzetten van Stut en Steun en mkb-consulenten, die ondernemers kunnen begeleiden. Daarnaast is om gedupeerde ondernemers weer op weg te helpen na afronding van de afhandeling van schade of uitvoering van de versterking de investeringsregeling mkb van de provincie gestart. Zie voor de beantwoording ook het antwoord op vraag 7.
Wat heeft u gedan met de conclusie van Ipsos I&O dat MKB-bedrijven in het aardbevingsgebied slechter presteren, hun omzet minder groeit en het gat met ondernemingen elders waarschijnlijk is toegenomen?5
Ik richt mij op het efficiënter inrichten van procedures en toegankelijker maken van regelingen samen met NCG, IMG en Provincie. Met name de investeringsregeling voor micro-MKB van de Provincie Groningen sluit goed aan bij de conclusies van het Ipsos I&O onderzoek. Daarom heeft het Rijk 30 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze regeling zorgt ervoor dat micro-ondernemers die de laatste jaren minder of niet in hun bedrijf hebben kunnen investeren een steun in de rug krijgen.
Wat heeft u gedaan met de conclusie van het kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen dat het bestaande hulpsysteem te complex is?6
Het Kennisplatform benoemt dat mkb-ondernemers vaak last hebben van een stapeling van problemen. Ik heb een verkenning laten uitvoeren naar complexe casuïstiek, waar veel mkb-problematiek in voorkomt. Bij de oplossing voor deze complexe casuïstiek zijn vaak meerdere organisaties betrokken. Ik bekijk hoe alle partijen beter integraal kunnen samenwerken door ze zo vroeg mogelijk in de schadeafhandeling en versterkingsoperatie om tafel te zetten. Dat gezegd hebbende, het moet wel een verbetering zijn, dus dit kost tijd.
Wat heeft u gedaan met hun advies voor maatwerk, betere samenwerking, vaste contactpersonen en lagere drempels voor ondersteuning? Hoe zet u behoeften van ondernemers centraal in plaats van de systeemwerkelijkheid?
Zie hiervoor de antwoorden op vraag 7 en 11.
Erkent u, gezien MKB-ers aangeven nog steeds tegen dezelfde problemen aan te lopen, dat er meer maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat heeft u gedaan met de conclusie van Gronings Perspectief dat ondernemers kampen met omzetverlies door de hersteloperatie, extra personeelskosten en fiscale problemen door waardedaling van bedrijfspanden?7
Nee, er zijn op dit moment al veel mogelijkheden. Ik wil inzetten op optimaliseren van de regelingen en het intensiveren van een persoonlijke begeleiding. De schade die ondernemers hebben, wordt reeds vergoed met verschillende regelingen vanuit IMG en NCG.
Deelt u onze mening dat de conclusie van Gronings Perspectief nog steeds geldt dat de financiële kwetsbaarheid door de versterkingsoperatie zorgt voor stress en frustratie, en daarmee druk op het mentale welzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen wilt u zetten?
Ja. In zijn algemeenheid ervaren sommige inwoners van Groningen stress en frustratie. Voor ondernemers is dit niet anders. Daar komt bij dat de tijd die ondernemers in de aardbevingsproblematiek steken, deze niet in hun onderneming kunnen steken. Dit heeft invloed op hun mentale welzijn. Er zijn veel welzijnsorganisaties actief in het gebied, waarvan er één specifiek gericht op aardbevingsleed: Geestelijke Verzorging Aardbevingsgebied Groningen.
Daarnaast staan naast de begeleiders vanuit NCG en IMG, Stut en Steun en ook de consulenten van het MKB programma klaar om hen te ondersteunen bij hun schade of versterkingstraject.
In mijn antwoord op vraag 7, 10, 11, 13 en 15 ziet u welke (verdere) concrete stappen ik neem.
Kunt u zorgen voor één plek waar alle regelingen voor MKB-ers overzichtelijk gepresenteerd worden?
Hiervoor kunnen mkb-ondernemers terecht bij de mkb-consulenten van de provincie.
Kunt u zorgen dat ondernemers die nu geen gebruik kunnen maken van specifieke regelingen omdat ze nog wachten op de versterking, later alsnog gebruik kunnen maken van die regelingen?
De regelingen van het NCG en IMG zijn beschikbaar zo lang als nodig is voor ondernemers die te maken hebben met schade en/of versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
Risico’s op schijnconstructies bij gemeenten via zzp-opdrachten |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het Financieele Dagblad1 dat gemeenten vacatures voor opdrachten aanbieden waarbij geïnteresseerden kunnen kiezen om deze als gedetacheerde in loondienst te doen, of als zelfstandigen zonder personeel (zzp’er)?
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven voorbeelden. Tot nu toe zijn mij geen signalen bekend in hoeverre dit een wijdverspreid fenomeen is.
In hoeverre deelt u de opvatting van de FNV en CNV dat dit soort hybride constructies schijnzelfstandigheid in de hand werken?
Organisaties, met inbegrip van (decentrale) overheden, beoordelen zelf of een bepaalde functie op grond van wet- en regelgeving kan worden gedaan door een zelfstandige. Het is voorstelbaar dat bepaalde werkzaamheden door een zelfstandige of een werknemer kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook bevestigd door de Hoge Raad in antwoord op prejudiciële vragen in de Uber-zaak. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als bepaalde samenwerkingen anders worden ingericht afhankelijk van de arbeidsverhouding die tussen partijen tot stand komt. Dergelijke vacatures werken schijnzelfstandigheid dus niet noodzakelijkerwijs in de hand.
Aan de andere kant herken ik wel het risico dat de vakbonden beschrijven. Als een organisatie een opdracht voor een zelfstandige en een werknemer op exact dezelfde wijze invult, dan vormt dat inderdaad een nadrukkelijk risico op schijnzelfstandigheid. Dat is echter op grond van een vacaturetekst niet te beoordelen. Het is daarom van belang dat de inhurende organisatie goed beoordeelt welke arbeidsverhouding tot stand komt, hoe die in de praktijk vorm krijgt en hoe die zich over tijd ontwikkelt om schijnzelfstandigheid te voorkomen.
Deelt u de opvatting dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven aangaande schijnzelfstandigheid, zeker met de opheffing van het handhavingsmoratorium? Zo ja, op welke manier gaat u zorgen dat overheden schijnzelfstandigheid en daaraan grenzende constructies terugdringen? Zo nee, waarom niet?
De overheid moet zich, net als alle andere organisaties, aan de wet houden. Ook moeten alle overheidsorganisaties zich bewust zijn van het risico dat ze lopen als ze een zelfstandige inhuren voor vacatures waarvan het duidelijk is dat die niet door een zelfstandige kan worden uitgevoerd, of daar vraagtekens bij te plaatsen zijn. In de eerstbedoelde situatie is het aan de overheidsorganisatie om deze werkende een arbeidsovereenkomst aan te bieden of de samenwerking te beëindigen. In de laatstbedoelde situatie kunnen (overheids-)organisaties maatregelen nemen om schijnzelfstandigheid te voorkomen, bijvoorbeeld door de samenwerking anders vorm te geven of (vaker) te evalueren of er in de praktijk ook daadwerkelijk als zelfstandige wordt gewerkt.
De opheffing van het handhavingsmoratorium heeft overigens niet geleid tot een wijziging in de wet- en regelgeving ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelaties. Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium dienden (overheids-)organisaties zich aan wet- en regelgeving te houden.
Het kabinet vindt het van groot belang dat de rijksoverheid het goede voorbeeld geeft als het gaat om de aanpak van schijnzelfstandigheid en zorgt voor een snelle afbouw van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen naar nul, uiterlijk per 1 januari 2026. Daarbij vindt het kabinet ook dat het onwenselijk is als overheidsorganisaties zzp’ers categorisch zouden uitsluiten van bepaalde opdrachten zonder dat daarvoor aanleiding is.
Om ook breder organisaties en werkenden bewust te maken van wanneer gewerkt kan worden met of als zelfstandige(n), en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid, loopt sinds 24 november en tot 21 december het tweede deel van de publiekscampagne «ZZP ja of nee». In deze campagne wordt ook handelingsperspectief geboden wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. De campagne bestaat onder meer uit advertenties op sociale media, radiospotjes bij radiozenders en podcasts, en het plaatsen van artikelen op nieuwssites. Conform de motie Aartsen (VVD) c.s.2 heeft het kabinet ook aandacht voor wanneer wél als zelfstandige gewerkt kan worden. Ook in gesprekken met de markt, bij voorlichtingsbijeenkomsten en webinars is er vanuit het Ministerie van SZW en de Belastingdienst enerzijds aandacht voor de risico’s van schijnzelfstandigheid en anderzijds voor wat wél kan als zelfstandige, om onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers te voorkomen. Ook na 1 januari 2026 zullen het Ministerie van SZW en de Belastingdienst voorlichting blijven geven. Daarbij kunnen ook praktijkvoorbeelden worden toegevoegd aan hetjuistecontract.nl.
Heeft u een beeld van het aantal gemeenten dat het risico op schijnzelfstandigheid niet op orde heeft? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Er wordt niet centraal bijgehouden in hoeverre gemeenten het risico op schijnzelfstandigheid op orde hebben. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) houdt dit niet bij.
De VNG ondersteunt gemeenten uiteraard wel bij het tegengaan van schijnzelfstandigheid door voorlichting, onder andere in de vorm van webinars die hebben plaatsgevonden in samenwerking met de Belastingdienst en het Ministerie van SZW.
In hoeverre ziet u gemeentelijke flex-pools als oplossing voor detacherings- en zzp-constructies, en welke rol ziet u voor zichzelf in het realiseren daarvan?
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het is dus aan gemeenten zelf om te beoordelen of flexpools een oplossing kunnen zijn voor de personeelsvraag waarvoor zij zich gesteld zien. Van verschillende gemeenten is bekend dat zij met een dergelijke flexpool werken. De VNG heeft een «handreiking flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» op haar website geplaatst, waarin voor gemeenten de wetgeving en mogelijkheden op een rij zijn gezet. Het is aan gemeenten zelf om hier keuzes in te maken.
Kunt u het gesprek aan gaan met VNG om tot oplossing te komen?
Er zijn goede contacten met de VNG over het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Het kabinet blijft in gesprekken, zoals met de VNG, aandacht besteden aan schijnzelfstandigheid, maar ook aan wat er wél mogelijk is buiten dienstbetrekking. Niettemin gaan decentrale overheden zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het is van belang dat zij daarbij kennisnemen van de eerdergenoemde «handreiking flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» van de VNG.
Kunt u aangeven of de Belastingdienst in zijn prioriteitstelling ook bij gemeente extra controleert, of naar aanleiding van het eerdergenoemde FD-artikel voornemens is om dit te doen? Waarom wel of niet?
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst risicogericht. De Belastingdienst zal bij het toezicht gebruik maken van alle mogelijke signalen. Risico’s die daaruit voortvloeien, kan de Belastingdienst afhankelijk van de prioritering in behandeling nemen. Overigens heeft het kabinet in diverse Kamerbrieven over het werken met en als zelfstandige(n) aangegeven dat ook de rijksoverheid als opdrachtgever zelf actiever aan de slag moet gaan met de verdere beheersing van de processen rondom het werken met zelfstandigen. Daarom zal de Belastingdienst in 2026 extra aandacht geven aan overheidsorganisaties: goed voorbeeld doet goed volgen. Dit is ook opgenomen in het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 dat binnenkort wordt gepubliceerd op de website van de Belastingdienst.
Overigens brengen we graag onder de aandacht dat het enkel verbeteren van de handhaving niet de oplossing is van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Dit is eerder aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten Algemene Rekenkamer (ARK) en Auditdienst Rijk (ADR) en daaropvolgende voortgangsbrieven werken met en als zelfstandige(n). Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving (lijn 3), een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Het bericht ‘PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de positieve conclusie van PostNL ook geldt ten aanzien van het bezorgen van verkiezingspost uit het buitenland?
Op dit moment zie ik geen aanleiding te veronderstellen dat het proces van kiezen vanuit het buitenland niet goed zou zijn verlopen. Bij de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing zal dit proces van stemmen uit het buitenland worden meegenomen. Dat geldt indien opportuun ook voor de geschetste casuïstiek.
Hoeveel verkiezingspost uit het buitenland is door PostNL niet tijdig bezorgd? Wat zijn de redenen daarvoor?
Bij de Tweede Kamerverkiezing 2025 zijn er vanuit het buitenland 86.894 stemmen uitgebracht, die tijdig zijn gearriveerd bij het nationaal briefstembureau. Daarnaast zijn er 2.298 stemmen na de deadline binnengekomen. 2.192 van deze te laat gearriveerde stemmen werden via de reguliere post ontvangen. Het is niet bekend wat de redenen hiervan zijn.
Klopt het dat bij een aantal van de voorgedrukte oranje enveloppen sprake zou zijn van een fout in het adres? Zo ja, hoe is met deze post omgegaan en wat is gedaan om deze alsnog tijdig te bezorgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat PostNL in reactie op klachten aangegeven heeft dat tracering van post slechts tot de grens mogelijk zou zijn en dat niet kan worden vastgesteld of de brieven zijn bezorgd? Hoe is dit verweer te verenigen met de constatering van een buitenlandse kiezer op basis van track and trace dat de post van betrokkene reeds op 10 oktober jl. in Rotterdam was bezorgd? Hoe komt het dat zulke post blijkens een mededeling van PostNL niet alsnog tijdig is bezorgd in de ruime periode totaan de verkiezingsdatum?
Voorafgaand aan een verkiezing worden kiesgerechtigden in het buitenland door de rijksoverheid en de gemeente Den Haag geïnformeerd over de geldende procedure voor stemmen vanuit het buitenland. Ook worden deze kiezers geïnformeerd over het moment waarop hun briefstem door het briefstembureau van de gemeente Den Haag moet zijn ontvangen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezing was dit op 29 oktober (de dag van de stemming) om 15 uur. Briefstemmen die later zijn ontvangen door het briefstembureau worden ter zijde gelegd en niet meegeteld.
Om de kans zo klein mogelijk te maken dat een briefstem te laat binnenkomt bij het briefstembureau worden kiesgerechtigden voorafgaand aan een verkiezing geadviseerd welke maatregelen zij kunnen nemen om dit risico zo klein mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is dat de kiesgerechtigden erop worden gewezen dat de postbezorging gemiddeld tussen de 5 en 15 dagen duurt, afhankelijk van het land van waaruit de briefstem is verstuurd. Ten aanzien van de track & trace-informatie wordt vermeld dat deze niet verder dan de landsgrens gaat.
Wat wordt gedaan met verkiezingspost die niet tijdig is bezorgd en hoe worden de belangen van betrokkenen hierbij maximaal beschermd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid over het bovenstaande in gesprek te gaan met PostNL en te bezien op welke wijze problemen in de toekomst kunnen worden voorkomen?
In de reguliere gesprekken van mijn ministerie met PostNL over verkiezingspost zal ook aandacht zijn voor de bezorging van briefstemmen uit het buitenland. In overleg wordt bezien of er mogelijkheden zijn om dit proces verder te versterken.
Het verwijderen van het dorp Moerdijk ten behoeve van de energietransitie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over het opheffen van het dorp Moerdijk?1
Deelt u de zorgen van onder andere bewoners dat het opheffen van dit (eeuwenoude) dorp een buitengewoon ingrijpende maatregel is?
Acht u het wenselijk dat (eeuwenoude) dorpen in Nederland verdwijnen om ruimte te maken voor de energietransitie?
Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, kunt u aangeven hoe vaak dit naar verwachting nog zal voorkomen?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat dit gestelde precedent navolging krijgt in de toekomst?
Hoe verhoudt het verwijderen van een dorp zich tot het huidige kabinetsbeleid dat inzet op leefbare woonomgevingen, het behoud van gemeenschappen, het oplossen van de wooncrisis en het behoud van erfgoed?
Deelt u de mening dat het verwijderen van een dorp in strijd is met het eigendomsrecht?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom is het verwijderen van een dorp volgens u niet in strijd met het eigendomsrecht?
Vindt u dat de energietransitie zo ver mag gaan dat dorpen verwijderd mogen worden?
Erkent u de dat bewoners in de praktijk geen mogelijkheden hebben om zo’n besluit te voorkomen, terwijl het gaat over het verlies van hun woonplaats en gemeenschap?
Bent u van mening dat het democratisch onwenselijk is dat een gemeentebestuur – in samenwerking met provincie en Rijk – zulke beslissingen kan nemen zonder bindende inspraak, zoals een referendum, onder de bewoners?
Vindt u het in het algemeen belang om (eeuwenoude) dorpen te verwijderen?
Indien het antwoord op vraag 12 bevestigend luidt, waarom is dit in het algemeen belang?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, deelt u de mening idat het in het algemeen belang is om historie, cultuur en erfgoed te beschermen en zodoende te staan voor het behoud van een (eeuwenoud) dorp?
Welke criteria zijn gehanteerd door het gemeentebestuur in samenwerking met het Rijk om te bepalen dat het verwijderen van het dorp Moerdijk noodzakelijk is?
In hoeverre is er sprake van een systematisch onderzoek waarin alternatieve locaties voor nieuwe energie-infrastructuur met elkaar zijn vergeleken?
In hoeverre en op welke manier zijn bewoners van het dorp Moerdijk bij dit besluit betrokken geweest?
Welke wettelijke grondslag is er voor het verwijderen van het dorp en hoe zal dit eruit komen te zien in de praktijk?
Indien tot verwijdering van het dorp wordt overgegaan, hoe worden de 1100 bewoners dan concreet gecompenseerd en wordt hierin (im)materiële schade door ontheemding meegenomen, denk aan psychische belasting, verlies van gemeenschap, voorzieningenverlies en de effecten op het woon-werkverkeer?
Hoe wordt er – nota bene tijdens een wooncrisis – gezorgd voor een nieuwe, passende woonruimte voor 1.100 bewoners?
Zijn er plannen om in de toekomst andere woongebieden te verwijderen ten behoeve van de energietransitie?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, kunt u aangeven om welke plannen dit gaat?
Bent u bereid te onderzoeken of – samen met provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk – alternatieven ontwikkeld kunnen worden die het behoud van het dorp Moerdijk waarborgen?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De Amerikaanse overname van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onrust bij overheden over verkoop cloudbedrijf aan Amerikaanse IT-gigant»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de overname van het cloudbedrijf Solvinity door het Amerikaanse techbedrijf Kyndryl?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Was u vooraf op de hoogte van de overname van Solvinity? Zo ja, sinds wanneer wist u dat het bedrijf door een Amerikaanse onderneming zou worden overgenomen?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Heeft u voorafgaand aan de overname van Solvinity gepoogd om het bedrijf in Nederlandse handen te houden? Heeft Solvinity hierover gesprekken gehad met de Nederlandse overheid?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
Het management van Solvinity en het management van Kyndryl voeren, na de openbare aankondiging, met verschillende contracthouders gesprekken over de voorgenomen overname.
Welke diensten neemt de rijksoverheid momenteel van Solvinity af? In welke kritieke processen spelen de clouddiensten van Solvinity momenteel een aanzienlijke rol?
Bekend is dat Solvinity diensten levert aan meerdere departementen, waaronder BZK (Logius), JenV, SZW, VWS, Financiën. Momenteel wordt geïnventariseerd of er kritieke processen afhankelijk zijn van de dienstverlening door Solvinity. Door deze inventarisatie wordt inzicht in het totale risicobeeld verkregen. Op basis hiervan kunnen afwegingen gemaakt worden ten aanzien van het handelingsperspectief. De verwachting is dat de inventarisatie in de komende twee weken wordt afgerond.
Levert Solvinity momenteel diensten gebaseerd op Amerikaanse Platform-as-a-Service (PaaS) producten zoals Azure? Bestaat er in de huidige situatie al een mogelijk weglekken van overheidsinformatie naar Amerikaanse partijen? Kunt u onderbouwen dat dit (niet) het geval is?
Voor enkele departementen levert Solvinity toegang tot de genoemde PaaS diensten op Microsoft Azure. Bij gebruik van dit soort cloud diensten is er vrijwel altijd een risico dat data mogelijk wordt opgevraagd door Amerikaanse autoriteiten. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld in reactie op de Initiatiefnota «Wolken aan de horizon», is op basis van onderzoek vastgesteld dat de kans laag is dat gegevens van Europese burgers op basis van de CLOUD Act verstrekt zullen worden aan de Amerikaanse overheid3. De mogelijke overname van Solvinity door Kyndryl maakt geen verschil met betrekking tot dit risico.
Is voor de overheidsdiensten die nu geleverd worden door Solvinity een exitstrategie opgesteld? Zo ja, treedt deze in werking nu er een Amerikaanse overname dreigt? Zo nee, waarom is er geen exitstrategie opgesteld / treedt deze niet in werking?
Het rijksbreed cloudbeleid vereist dat er een exitstrategie opgesteld wordt bij het gebruik van clouddiensten. Organisaties stellen risicoanalyses op ten aanzien van de afgenomen dienstverlening, hierin worden onder meer de gevoeligheid van de data en de toepassing meegenomen.
Logius heeft eisen gesteld aan de retransitie4 en een retransitieplan opgesteld dat gevolgd moeten worden als het contract met Solvinity wordt beëindigd. Dit ziet niet specifiek op overnames. Verder heeft Logius, in lijn met de NDS, begin 2025 een nieuwe visie voor infrastructuur opgesteld. Daarbij heeft Logius de voorkeur uitgesproken om haar infrastructuurdienstverlening af te nemen bij een andere overheidsorganisatie en in uiterste geval – indien de Overheidscloud niet tijdig beschikbaar is – het beheer van de dienstverlening die door Solvinity wordt geleverd opnieuw Europees aan te besteden.
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Welke gevolgen heeft de overname van Solvinity door een Amerikaans bedrijf voor de vertrouwelijkheid en veiligheid van overheidsinformatie die bij dit bedrijf worden ondergebracht, en het bedrijf vermoedelijk onder Amerikaanse wetgeving zoals de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA)2 en Executive Order 12333 komt te vallen?
Er zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De drie genoemde wettelijke instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Vindt u het acceptabel dat, met de Amerikaanse overname van Solvinity, nog meer overheids-ict onder Amerikaanse surveillancewetgeving komt te vallen?
Door toenemende digitalisering en oplopende geopolitieke spanningen moeten we alert zijn op de weerbaarheid van overheidsorganisaties. In dit kader is het bovendien belangrijk om het bredere belang van digitale autonomie te benadrukken. Overheidsorganisaties zijn sterk afhankelijk van digitale infrastructuur en technologieën, die vaak buiten Europa worden ontwikkeld of beheerd. Het versterken van digitale autonomie vergt daarom een Europese aanpak.
Geeft de recente Amerikaanse overname van Zivver en Solvinity aanleiding om meer kerntaken van de digitale overheid, zoals het beheren van burgerinformatie, in publiek beheer te brengen?
De Rijksoverheid streeft naar vermindering van de afhankelijkheid van techgiganten, binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien. Een voorbeeld hiervan is de casus omtrent de migratie van SSC-ICT, waar documenten en mail in de eigen datacenters zijn blijven staan.
Bent u bereid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat kritieke processen, zoals Logius, DigiD en de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder Amerikaanse surveillancewetgeving gaan vallen?
Ik ben bereid passende maatregelen te treffen op basis van een zorgvuldige risico-gebaseerde aanpak. Zodra de kritieke processen geduid worden als een «te beschermen belang» is aanvullende regelgeving van kracht.
Is in de lopende contracten met Solvinity een ontbindende voorwaarde opgenomen in het geval het bedrijf wordt overgenomen door een bedrijf dat onder niet-Europese surveillancewetgeving valt?
Op dit moment worden verschillende contracten beoordeeld door de Landsadvocaat.
Zijn er andere mogelijkheden om de contracten met Solvinity te ontbinden, als inderdaad blijkt dat door de Amerikaanse overname de vertrouwelijkheid en veiligheid van kritieke overheidsinformatie in het geding komt?
Indien de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022)6 van toepassing verklaard is op de overeenkomst is er een ontbindingsgrond als er sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap (wat het geval kan zijn bij fusies en overnames) met betrekking tot de onderneming van de wederpartij/opdrachtnemer. Door de landsadvocaat wordt momenteel onderzocht in hoeverre dit het geval is.
Indien door de overname de nakoming van de verwerkersovereenkomst en de naleving van de AVG wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt, kan dit een grond vormen om de dienstverleningsovereenkomst respectievelijk de verwerkersovereenkomst te ontbinden.
Dit laat overigens onverlet de mogelijkheid om in een concreet geval een overeenkomst op basis van de Algemene Rijksvoorwaarden op te kunnen zeggen.
Indien de overname door een niet-Europese partij geen ontbindende voorwaarde is, bent u dan bereid om dit voortaan altijd als voorwaarde op te nemen in contracten met Europese cloudleveranciers?
Een bepaling in het contract opnemen m.b.t. «change of control» door een niet-Europese partij is een aanvullende optie en moet worden onderzocht. Per aanbesteding wordt bekeken of dit proportioneel is, gelet op de inhoud van de opdracht.
In de Verzamelbrief Aanbesteden7 is aangegeven dat de voorkeur ligt bij de gerichte inzet van kwalitatieve eisen om de vraag naar producten van EU-bedrijven te bevorderen in strategische sectoren. Doelstelling in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is het zorgen voor een overheidsbrede samenwerking waarmee mogelijkheden ontstaan om (soevereine) overheids ICT diensten overheidsbreed te kunnen gebruiken en elkaar te helpen bij de implementatie hiervan. Hiervoor is een visie in ontwikkeling.
Daarnaast moet ermee rekening gehouden worden dat het afbouwen van de huidige ongewenste afhankelijkheden een traject is dat de nodige tijd in beslag zal nemen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en met spoed beantwoorden?
Ja. Op 11 december jl. heb ik uw Kamer bericht over de uitstel van de beantwoording.
De beoogde AI fabriek in Groningen |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de 200 miljoen euro die de regering voornemens is in de AI (kunstmatige intelligentie)-fabriek te investeren, besteed zal worden?1
Een groot deel van de investering gaat naar de hardware en alle operationele kosten van de AI-geoptimaliseerde supercomputer. In totaal gaat dit om ruim 150 miljoen euro. Het overige deel van de investering, 50 miljoen euro, zal naar het expertisecentrum gaan, die samen met de supercomputer de AI-fabriek zal vormen om geavanceerde AI-modellen te trainen.
Kunt u een toelichting geven over de technische specificaties van de beoogde AI-fabriek in Groningen?
De AI-fabriek bestaat uit een AI-geoptimaliseerde supercomputer waarin grafische processor units (GPU’s) centraal staan. Deze supercomputer wordt speciaal ontworpen voor high-performance AI-training en efficiënte, laag-latente inferentietaken. Dit wordt ondersteund door een veilig, hoogsnelheidsnetwerk en door dataopslagsystemen. Hoe de supercomputer er precies technisch uit zal komen te zien, is nog afhankelijk van de aanbesteding die door de EuroHPC Joint Undertaking (EuroHPC JU) zal worden uitgevoerd in samenwerking met SURF namens het consortium.
Naast de supercomputer bestaat de AI-fabriek uit een expertisecentrum dat erop is gericht om het verantwoord gebruik van de supercomputer zo goed mogelijk te organiseren, ondersteunen en stimuleren, met het leveren van expertise aan (potentiële) gebruikers, en het organiseren van processen voor toegang tot rekenkracht en kennisdeling binnen het brede nationale AI-ecosysteem.
Hoe bent u van plan de High Performing Computing (HPC) (supercomputers) te realiseren die noodzakelijk zijn om geavanceerde AI-modellen te ontwikkelen?
De investering in de AI-fabriek in Groningen zal onderdeel worden van het Europese netwerk van AI-geoptimaliseerde (high performance) supercomputers bestaande uit GPU’s, met bijdragen van EuroHPC. Een dergelijk netwerk van krachtige supercomputers en expertisecentra is nodig voor de ontwikkeling van geavanceerde AI-modellen in Nederland en Europa.
Hoe beziet u de Tsjechische AI-fabriek waar gekozen is voor de installatie van een supercomputer genaamd Karolina, met circa 1.600 centrale verwerkingseenheden (CPU’s) en circa 500 grafische processor units (GPU’s), overwegende dat juist GPU’s voornamelijk gebruikt worden voor het ontwikkelen van geavanceerde AI-modellen? Ziet u deze setup als voorbeeld voor de implementatie van de hardware in Groningen? Zo ja, waarom?
De beoogde supercomputer in Groningen zal net als de Tsjechische AI- supercomputer beschikken over zowel GPU’s als CPU’s. Het precieze aantal is nog afhankelijk van de aanbesteding van de supercomputer, maar in het ontwerp zal de supercomputer in ieder geval over meer GPU’s beschikken dan CPU’s.
Heeft u invloed op de technische uitwerking van AI-fabriek Groningen? Zo nee, wie beslist hierover? Zo ja, aan welke criteria moet de AI-fabriek Groningen voldoen?
De verantwoordelijkheid voor de technische uitwerking van de AI-fabriek Groningen ligt bij het consortium bestaande uit de Stichting Nederlandse AI-fabriek, SURF BV, Stichting AIC4NL, Samenwerking Noord en TNO. Zoals in de beantwoording van vraag 2 benoemd, zal de EuroHPC JU de aanbesteding uitvoeren in afstemming met SURF. SURF heeft veel ervaring met het ontwerpen, inkopen en exploiteren van high performance computers voor onderzoek en innovatie, zoals de nationale supercomputer Snellius. SURF heeft ook veel ervaring met deelname in EuroHPC.
Kunt u aangeven of het klopt dat een gebruiker van de AI-fabriek deel moet zijn van het EU Horizon 2020 programma? Zo ja, kunnen nieuwe bedrijven zich hier nog voor aanmelden en hoe? Zo nee, welke personen en bedrijven kunnen in aanmerking komen voor het gebruik van een EU AI-fabriek?
De Nederlandse AI-fabriek maakt onderdeel uit van het EuroHPC-programma, dat Europese samenwerking op het gebied van supercomputing en AI faciliteert. De financiering en het eigenaarschap zijn verdeeld tussen nationale en Europese bijdragen. Een deel van de AI-fabriek wordt nationaal beheerd. Dit betekent dat het consortium en de nationale en regionale financiers bepalen hoe dit deel van de supercomputer en het bijbehorende expertisecentrum gebruikt wordt. Het andere deel valt onder de EuroHPC Joint Undertaking (JU). Voor dit deel gelden de regels en criteria van EuroHPC. Voor zover bekend is het geen verplichting voor een gebruiker van de AI-fabriek om deelnemer te zijn van het Horizon 2020 programma. Voor het nationale deel kunnen innovatieve mkb-bedrijven, onderzoekers en overheden toegang aanvragen. De toegang verloopt via een call-mechanisme, dat nog moet worden ingericht. Dit mechanisme bepaalt hoe aanvragen worden ingediend, beoordeeld en ondersteund.
Kunt u toelichten waarom de verleende subsidie door zes verschillende ministeries wordt verstrekt?
De AI-fabriek in Groningen richt zich op het ontwikkelen en beschikbaar stellen van hoogwaardige rekenkracht en AI-expertise die relevant is voor meerdere maatschappelijke en economische sectoren. De zes ministeries (en regio Groningen en Noord-Drenthe) die bijdragen aan deze subsidie hebben ieder een specifiek belang bij de toepassingen van AI binnen hun beleidsdomeinen, zoals economie/industrie, defensie/veiligheid, gezondheidszorg, landbouw, publieke diensten en onderzoek en onderwijs. Door gezamenlijk te investeren, kunnen de ministeries de benodigde schaal en impact van de AI-fabriek realiseren, die afzonderlijk door één ministerie niet mogelijk zouden zijn.
Mag de Nederlandse overheid aanspraak maken op het gebruik van de AI-fabriek in Groningen? Zo ja, in welke hoedanigheid?
Ja, de Nederlandse overheid kan gebruik maken van de AI-fabriek in Groningen. Dat kan op verschillende manieren. Via de inhoudelijke calls voor aanvragen voor rekenkracht, door het aanvragen van rekenkracht voor AI-modeltraining en door gebruik te maken van de mogelijkheden van het AI-expertisecentrum.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.