Het functioneren van de AIVD |
|
Marcial Hernandez (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Blunderende AIVD liet mol zelf binnen»?1
Ja.
Hoe duidt u dit artikel, waarin aangegeven wordt dat er fouten zijn gemaakt bij sollicitatieprocedures en dat er binnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) slordig wordt omgegaan met gevoelige informatie?
De relatie die in het artikel wordt gelegd tussen de dood van een vermeend medewerker van de AIVD en het Hofstadonderzoek is niet aan de orde.
Betrokkenen in het Hofstad-onderzoek hebben indertijd inderdaad wel aangegeven dat er sprake was van beperkt beschikbare capaciteit voor het onderzoek. Dit is later ook door de CTIVD geconcludeerd in haar rapport inzake de afwegingen van de AIVD met betrekking tot Mohammed B. van 13 februari 2008 (Tweede Kamer Vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 22). In de reactie op het CTIVD rapport heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangegeven dat zij de kritische kanttekeningen die de CTIVD terzake plaatste bij het algemene functioneren van de AIVD in 2004 herkende en onderschreef. Tevens gaf zij aan dat reeds in 2007 een meerjarig programma was gestart, dat heeft geleid tot de nodige verbeteringen in het functioneren van de AIVD. Ook in antwoorden op de schriftelijke vragen die door de Kamer zijn gesteld naar aanleiding van het rapport (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 23) is de minister uitgebreid ingegaan op zowel personele zaken als controlemechanismen en de verbeteringen die de AIVD sinds 2004 heeft doorgevoerd.
Over het lekken van informatie door de in het artikel genoemde audiobewerker heeft de toenmalige minister de Tweede Kamer op 10 november 2004 een brief gestuurd. Daarnaast heeft de minister de CIVD meerdere malen uitvoerig vertrouwelijk geïnformeerd.
Is het waar dat er bij de AIVD dagelijks slechts tot een uurtje of vijf in de middag gewerkt kan worden met gevoelige informatie, omdat deze vóór die tijd in de kluis moet liggen en kluismedewerkers om vier à vijf uur naar huis gaan? Bent u van mening dat er een 24-uurs bereikbaarheid, toegang en opslag tot geheime informatie mogelijk moet zijn? Zo, nee waarom niet?
De AIVD is 24 uur per dag, 7 dagen per week, 365 dagen per jaar operationeel en bereikbaar. De suggestie die in het artikel wordt gedaan, als ware dat niet het geval, is dus onjuist.
Klopt het dat de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) het handelen van de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) slechts toetst aan juridische kaders? Ziet de CTIVD daarnaast ook toe op de wijze waarop sollicitaties plaatsvinden, de manier waarop er met vertrouwelijke informatie wordt omgegaan, de toegang tot interne vertrouwenspersonen is geregeld en de interne bedrijfscultuur? Zo nee, vindt u dat de CTIVD deze taak heeft, of is dit niet nodig omdat er op een andere wijze al toezicht op de AIVD plaatsvindt?
Intern heeft de AIVD bijzondere aandacht voor de personeelszorg, het beveiligingsbeleid en reflectie op de eigen organisatie. Aandacht voor persoonlijke gedragingen en ook het veiligheidsbewustzijn zijn constanten binnen de organisatie. Medewerkers hebben daarnaast toegang tot een vertrouwenspersoon integriteit en de bedrijfsmaatschappelijk werker. De rijksbrede klokkenluidersregeling geldt uiteraard ook voor medewerkers van de AIVD; zij blijven daarbij gehouden aan de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 85 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002.
Voor wat betreft het toezichtstelsel kan het volgende worden aangegeven.
De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten ziet toe op de rechtmatigheid van de taakuitvoering van de AIVD en de MIVD. Het toezichtstelsel is echter breder. De Kamer controleert de AIVD in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) aan de hand van onder meer het geheim gerubriceerde jaarplan, de driemaandelijkse rapportages over de taakuitvoering en de geheime bijlage van het jaarverslag. De Kamer in brede zin voert zijn controlerende rol uit (veelal in de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken) aan de hand van onder meer de openbare versies van het jaarplan en het jaarverslag van de AIVD. Voorts geldt dat er verschillende instanties zijn die, evenals de eerder genoemde CTIVD, externe en onafhankelijke controle op de diensten uitoefenen. Daarbij gaat het om de Algemene Rekenkamer die de rechtmatigheid van in- en uitgaven van de dienst controleert en onderzoek verricht naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Daarnaast onderzoekt de Rijksauditdienst het beheer en de bedrijfsvoering van de AIVD. De burger kan bovendien klachten indienen bij de Nationale ombudsman over de uitvoering van taken door de overheid en dus ook over de taakuitvoering door de AIVD. In het toezichtstelsel past tot slot de controle die de rechter uitoefent. Daarbij gaat het zowel om de bestuurs- straf- en civiele rechter.
In 2005 is in het kader van het onderzoek van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies TNO (CCSS) vastgesteld dat het stelsel van democratische controle in Nederland op de AIVD en de MIVD dekkend is en van hoge kwaliteit. Het rapport is aangeboden aan en besproken met de Tweede Kamer.
Hoe komt het dat de CTIVD of de AIVD zelf de minister van BZK niet eerder gewaarschuwd heeft voor de cultuur binnen de AIVD (die in het aangehaalde artikel «verontrustend» wordt genoemd) en de slordige wijze van omgaan met informatie? Heeft de AIVD voldoende zelfreinigend vermogen? Beschikt de AIVD over een afdoende klokkenluidersregeling?
Zie antwoord vraag 4.
Welke van de in het artikel genoemde feiten waren reeds bekend binnen de AIVD en op welke wijze is daarop gereageerd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een nader onderzoek in te stellen en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Het plaatsen van Boko Haram op de lijst van terroristische organisaties van de EU |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw analyse over het toenemende geweld tegen Christenen door Boko Haram zoals blijkt uit de artikelen «Bloody Christmas»1 en «Zeker acht doden bij aanslag op bar in Nigeria»?2
Het aantal aanslagen gepleegd door de radicaal-islamitische groepering Boko Haram is de afgelopen maanden toegenomen. Hierbij zijn honderden doden gevallen. Daar waar het geweld eerder vooral plaatsvond in de noordoostelijke deelstaten, vonden in juni en augustus en recentelijk rond kerst ook terreuraanslagen plaats in Abuja. Bovendien richt het geweld zich steeds nadrukkelijker tegen christenen, volgens de vermeende leider van Boko Haram als vergelding voor het geweld tegen moslims in Nigeria.
Boko Haram is in 2002 in de stad Maiduguri opgericht door Ustaz Mohammed Yusuf. De organisatie heeft als verklaarde doelstelling de invoering van de sharia in de noordelijke deelstaten en omverwerping van het Nigeriaanse federale democratische stelsel. Er is echter onduidelijkheid over de structuur en omvang van de organisatie en zelfs of er wel sprake is van één organisatie. Zo bestaat het vermoeden dat bepaalde fracties criminele activiteiten ontplooien zonder hierbij het ideologische gedachtegoed van Boko Haram te delen. Het recente geweld wordt niet alleen veroorzaakt door religieuze tegenstellingen. Wel wordt religie door Boko Haram gebruikt wordt om het land te destabiliseren. Ook de sociaaleconomische ongelijkheid in Nigeria, en in het bijzonder tussen het noorden en het zuiden van het land, speelt hierbij een belangrijke factor. De hoge werkloosheid onder jongeren biedt hierbij een vruchtbare bodem voor extremistische organisaties zoals Boko Haram.
Om deze problemen tegen te gaan is een structurele aanpak nodig. Nederland steunt initiatieven van de internationale gemeenschap om deze oorzaken structureel aan te pakken, zowel op het gebied van bescherming van de mensenrechten als op het terrein van ontwikkelingsproblematiek.
Kunt u aangeven hoeveel mensen exact om het leven zijn gekomen tijdens de eruptie van sektarisch geweld rond de feestdagen in Nigeria?
Bij de terreuraanslagen op drie kerken op 25 december 2011 kwamen ongeveer 50 mensen om het leven en vielen vele gewonden. Bij andere aanvallen op christenen in de afgelopen weken vielen minstens 30 burgerslachtoffers, alsmede een onbekend aantal doden onder de Nigeriaanse veiligheidstroepen en onder militanten van Boko Haram. Het totaal aantal slachtoffers wordt op meer dan 100 geschat. Precieze cijfers zijn niet bekend.
Intussen vond op 20 januari een serie gecoördineerde aanslagen op overheidsgebouwen in de noordelijke stad Kano plaats. Hierbij werden tenminste 185 mensen gedood.
Kunt u aangeven wat de actuele situatie is met betrekking tot de honderden gevluchte christenen in het Noorden van Nigeria, die op de vlucht zijn geslagen nadat tientallen mensen waren omgekomen door een serie aangeslagen gepleegd door aanhangers van de Boko Haram groepering? Kunt u eveneens aangeven in hoeverre er sprake is van vergeldingsacties op de Moslimgemeenschap?
Een woordvoerder van Boko Haram stelde op 1 januari een driedaags ultimatum aan christenen om het noorden te verlaten. Tevens werden moslims opgeroepen juist naar het noorden te trekken. Sindsdien zijn er naar schatting honderden tot enkele duizenden christenen uit het noorden vertrokken uit angst voor aanslagen.
Op 28 december 2011 werd getracht een Arabische school in de Nigerdelta in brand te steken. Op 10 januari werden een moskee en een Islamitisch centrum in de zuidelijke stad Benin City aangevallen, waarbij ten minste vijf moslims omkwamen. Er wordt geschat dat enkele duizenden moslims reeds het zuiden hebben verlaten uit angst voor represailles.
Kunt u een analyse geven van de Boko Haram groepering die de laatste tijd steeds nadrukkelijker van zich laat horen en verantwoordelijk is voor het oplaaien van het geweld in Nigeria? Deelt u de mening dat Nigeria internationale steun nodig heeft om de groeiende invloed van Boko Haram tot stilstand te brengen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om in EU verband te pleiten voor het toevoegen van Boko Haram aan de lijst van terroristische organisaties?
De Nederlandse regering is van mening dat toevoegen van Boko Haram aan de lijst van terroristische organisaties moet worden overwogen en zal dit binnen de EU aan de orde stellen.
U heeft in het voorjaar van 2011 aangegeven3 dat de Nederlandse ambassade in de contacten met de Nigeriaanse overheid actief aandacht vraagt voor de geweldsescalatie in Nigeria en ook binnen de EU en de VN aandacht blijft geven aan de zorgwekkende situatie; kunt u aangeven in hoeverre dit is bereikt?
Naar aanleiding van de recente aanslagen heb ik in een brief aan mijn Nigeriaanse ambtgenoot mijn condoleance aangeboden en mijn medeleven uitgesproken. Daarbij heb ik het geweld veroordeeld en aangedrongen op het bevorderen van de dialoog tussen verschillende religies.
De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, heeft namens alle EU-landen de aanslagen op kerstdag veroordeeld en steun betuigd aan de Nigeriaanse overheid om burgers bescherming te bieden. Daarnaast heeft Nederland aangedrongen op bespreking van mogelijke steun in EU-verband om het geweld in Nigeria tegen te gaan en de Nigeriaanse autoriteiten hierop te blijven aanspreken. In de politieke dialoog met Nigeria dringt de EU aan op het voeren van beleid gericht op goed bestuur, mensenrechten, corruptiebestrijding en economische hervormingen. Deze thema’s worden gesteund met een programma van € 677 miljoen voor de periode 2009–2013.
Tijdens hun informele overleg («Gymnich») op 9 en 10 maart a.s. zullen de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU onder andere spreken over het beleid van de EU ter bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Daarbij zal de situatie in Nigeria naar verwachting ook aan de orde komen.
Ook in VN-verband dringt Nederland aan op een krachtige stellingname tegen het geweld en op verbetering van de sociaaleconomische omstandigheden in Nigeria.
Het recente geweld werd door de secretaris-generaal van de VN sterk veroordeeld en de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten riep op 12 januari de Nigeriaanse overheid en religieuze leiders op om gezamenlijk het geweld een halt toe te roepen.
Door welke Islamitische regeringsleiders is het geweld in Nigeria veroordeeld? Heeft ook de Organisation for Islamic Cooperation (OIC) het geweld veroordeeld?
De secretaris-generaal van de Organisation for Islamic Cooperation, professor Ekmeleddin Ihsanoglu, veroordeelde in een verklaring van 22 januari de dreiging van Boko Haram en riep op tot vreedzaamheid en eenheid in Nigeria. Daarnaast hebben zowel Nigeriaanse islamitische leiders als ook vertegenwoordigers van diverse islamitische organisaties in de wereld de aanslagen sterk veroordeeld.
Het censureren van internet |
|
Jhim van Bemmel (PVV), Louis Bontes (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIP Internet: Brein = censuurdictator»?1
Ja.
Deelt u de mening dat providers dwingen om websites te blokkeren censuur is en dat het blokkeren van deze websites in strijd is met het recht op vrije toegang tot internet? Deelt u de mening dat het blokkeren van websites ten koste gaat van de vrijheid van burgers, en dat dit ook het geval is wanneer via deze websites onder andere auteursrechtelijk beschermd materiaal gedownload kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bij brief heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2012 en heb ik aangegeven dat ik mij onthoud van commentaar op deze zaak, omdat deze onder de rechter is. In aanvulling hierop merk ik op dat de huidige wetgeving en jurisprudentie mogelijkheden biedt voor schadevergoeding indien een partij schade lijdt door de tenuitvoerlegging van een vonnis dat later in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd.2
Vindt u het niet vreemd dat Nederland zes euro investeert in vrije communicatie via internet in andere landen terwijl in Nederland censuur wordt toegepast?2 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om minister Rosenthal te vragen dit geld alsnog in te zetten voor vrij internet in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nederland maakt zich internationaal sterk voor de bevordering van internetvrijheid, waarbij tevens illegaal en crimineel gebruik van internet wordt bestreden. Censuur van internet wordt door Nederland internationaal bestreden, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van de 8-9 december 2011 gehouden conferentie in Den Haag over Internetvrijheid.4 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft 5,9 miljoen euro beschikbaar voor de bevordering van internetvrijheid. Hiervan wordt vanuit het Mensenrechtenfonds 4,9 miljoen euro besteed aan projecten die bijdragen aan een vrijer en toegankelijker internet. De projecten die worden gefinancierd leggen zich toe op training en technische ondersteuning van bloggers en cyberactivisten. Daarnaast zijn er projecten die zich richten op betere bescherming van internetactivisten en mensenrechtenverdedigers in nood. Tijdens de conferentie Freedom Online van 8 en 9 december heeft minister Rosenthal nog 1 miljoen euro toegezegd om noodinternet te faciliteren in repressieve landen als Syrië en Iran. Deze uitgaven zijn naar mijn mening geenszins strijdig met het Nederlands binnenlands beleid, dat is gericht op het bevorderen van een vrij en open internet. Dit houdt in dat ook in Nederland censuur in voorkomende gevallen actief zal worden bestreden. Ik zie dan ook geen reden om de Minister van Buitenlandse Zaken te vragen dit geld in te zetten voor vrij internet in Nederland.
Welke stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat providers in de toekomst gedwongen kunnen worden om websites te blokkeren? Indien u niet van plan bent stappen te ondernemen, kunt u dan aangeven waarom u dat niet van plan bent?
Zie antwoord vraag 2.
Indien de getroffen providers schade ondervinden van de uitspraak van de rechter doordat abonnementen worden opgezegd, bent u dan bereid deze providers te compenseren wanneer de uitspraak van de rechter vernietigd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid de aangenomen motie tegen een downloadverbod3 uit te voeren en zodoende met maatregelen te komen om het legale aanbod te bevorderen?
Ik beraad mij nog op een reactie op de motie Bontes en zal uw Kamer daar zo spoedig als mogelijk over informeren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Nederlandse rechter wanneer u deze vergelijkt met de uitspraak in de zaak Scarlet/SABAM van het Hof van Justitie waarin staat dat providers het internetverkeer van klanten niet hoeven te filteren op auteursrechteninbreuk?4
Ik verwijs hier naar het antwoord gegeven op de vragen 2, 4 en 5, alsmede naar de brief waarin Uw Kamer is geïnformeerd over de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Scarlet/Sabam.7
Gebruik van andermans naam op sociale media |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente voorvallen met het gebruik van andermans naam op sociale media, zoals Twitter?
Kunt u – mede op basis van relevante jurisprudentie – inzicht geven in de huidige wet- en regelgeving die van toepassing is om misbruik van andermans naam op sociale media tegen te gaan?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen van het lid Kooiman van uw Kamer (ingezonden 12 januari 2012, kenmerk 2012Z00283*).
Zijn de huidige mogelijkheden naar uw mening afdoende? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zou naar uw mening ook strafrechtelijke vervolging mogelijk moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten wanneer bij misbruik van andermans naam op sociale media sprake is van identiteitsfraude?
De vertraging en het nut van een Nationaal Noodnet voor communicatie bij rampen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Opnieuw vertraging noodnet» en «Het nut van noodnet»?1
Bij mij is bekend het artikel «Rampennet loopt weer bijna jaar vertraging op» uit het Nederlands Dagblad van 11 januari 2012.
Is het waar dat er met het in gebruik nemen van een nieuw nationaal noodnet sprake is van een vertraging? Zo ja, wanneer had volgens het oorspronkelijke plan het systeem operationeel moeten zijn en wanneer zal het naar verwachting daadwerkelijk operationeel zijn? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dat bericht?
De uitrol van de opvolger van het Nationaal Noodnet (NN), de Noodcommunicatievoorziening (NCV), is gestart in het najaar van 2010. Zoals aan de Kamer is gemeld in de 3e brief Nationale Veiligheid (TK 2009–2010 30 821, nr. 10) is de NCV met ingang van 1 mei 2011 operationeel en bruikbaar voor de gemigreerde gebruikers. Gedurende de migratie van gebruikers van NN naar NCV blijft ook het oude NN in functie.
Verwacht werd dat de meeste gebruikers van het NN na het in gebruik nemen van NCV op korte termijn opdracht zouden geven voor migratie naar de NCV. In de praktijk blijkt de migratie meer tijd te kosten. Een groot aantal gebruikers benut de beëindiging van de overeenkomst met het NN om een zorgvuldige heroverweging te maken en de vraag te beantwoorden welke partijen moeten worden aangesloten. Daarnaast zijn voorgenomen herindelingen van gemeenten en plannen ten aanzien van samenvoegen van meldkamers aanleiding om geen overhaaste beslissing te nemen. Ook waren er veel vragen over, met name de extra functionaliteiten die in de NCV beschikbaar zijn. Al deze factoren zijn redenen waarom de migratie trager op gang gekomen is. De noodcommunicatievoorziening is echter niet in gevaar gekomen omdat het NN nog functioneert.
De Kamer is niet eerder geïnformeerd omdat er sinds de ingebruikneming van de NCV geen sprake is van beschikbaarheidverlies van functionaliteit van de noodcommunicatie en er geen sprake is van enige verhoging van de kosten. Het beeld dat geschetst wordt in het artikel in het Nederlands Dagblad komt dan ook niet overeen met het beeld en de feiten waarover ik beschik.
Wat is de oorzaak of wat zijn de oorzaken van de bovengenoemde vertraging?
Zie antwoord vraag 2.
Had de Kamer al eerder op de hoogte kunnen zijn van deze vertraging? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Welke betrokken bedrijven en/of overheidsinstanties zijn betrokken bij de aanleg en het in gebruik nemen van het nieuwe noodnet? Wat is de rol van deze partijen bij de ontstane vertraging?
De minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de continuïteit van de crisisbeheersing. Communicatie is hierbij een essentieel onderdeel en wordt sinds 1991 gegarandeerd door middel van het NN. KPN, de beheerder van het NN, heeft echter aangegeven dat dit netwerk op termijn niet in stand kan worden gehouden, vanwege veroudering en het ontbreken van geschikte onderdelen. Om die reden heeft het ministerie van VenJ, na een Europese aanbesteding, aan KPN opdracht gegeven om een opvolger te realiseren en in stand te houden in de vorm van een dienst. Tot het moment waarop de laatste NN-gebruiker is gemigreerd zal het NN operationeel blijven.
De gebruikers van de dienst zijn klant van KPN. Hoewel de minister van Veiligheid en Justitie de zorg draagt voor de voorziening, zijn -evenals bij het «oude» NN- de beoogde gebruikers zelf verantwoordelijk om zich aan te sluiten. Conform de toezegging tijdens het overleg van 8 februari 2012 inzake de wijziging van wet Veiligheidsregio’s, in verband met de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid, zal ik u de Tweede Kamer nader informeren over het beheer de monitoring en de uitvoering van verschillende ICT-projecten. Ik zal het noodnet hierin meenemen.
Er is geen sprake van een verplichting. De gebruikers van het NN zijn herhaaldelijk schriftelijk attent gemaakt op de beschikbaarheid van de NCV en gestimuleerd om over te stappen naar deze dienst. De migratie van alle aansluitingen blijkt langer te duren dan ik gewenst acht en om die reden heb ik er samen met KPN, als beheerder van zowel het oude – als nieuwe netwerk, voor gekozen om vanaf 1 januari 2012 dezelfde werkwijze te hanteren als bij de ontmanteling van de centrale in Groningen (zie ook het antwoord op vraag 7). Gebleken is dat dit een goede aanpak is die snel tot resultaat leidt.
Welke bewindspersoon is verantwoordelijk voor de aanleg en het in gebruik nemen van het nieuwe noodnet? Wat heeft deze bewindspersoon gedaan om er voor te zorgen dat het noodnet wel op tijd in gebruik zou zijn genomen en waarom is die bewindspersoon daarin niet geslaagd?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat alleen Groningen en Drenthe overgezet zijn naar het nieuwe noodnetsysteem? Zo ja, wanneer volgt de rest van het land en hoe kunnen zij met andere delen van het land als zij moeten terugvallen op het oude systeem? Zo nee, wat is de stand van zaken dan wel?
Nee.
Voor de gebruikers in Groningen en Drenthe geldt dat zij in december 2011 moesten worden overgezet naar de nieuwe NCV. De reden hiervoor is dat het beschermd onderkomen (bunker) waar de NN-centrale was geplaatst, vanwege sloop moest worden verlaten.
Voor alle huidige gebruikers geldt dat zij vanaf het moment dat de NCV beschikbaar was, hun oude NN-aansluiting konden migreren naar de NCV. Een gedeelte daarvan heeft hiervoor inmiddels opdracht gegeven. Doordat beide systeem tijdens de migratieperiode met elkaar zijn gekoppeld, kunnen NN-gebruikers zonder problemen communiceren met gebruikers die zijn overgaan op de NCV.
Begin januari 2012 is 26% van de (5560) NN-aansluitingen gemigreerd of is hiervoor opdracht ontvangen. Van 14% van de aansluitingen is het abonnement opgezegd. Via een strakke planning die gebaseerd op de migratie van aansluitingen per NN-centrale (bunker) zullen in 2012 de overige aansluitingen worden gemigreerd.
Hoe vaak is het oude nu nog bestaande noodnet sinds de ingebruikneming daarvan gebruikt?
Nederland kent gelukkig weinig rampen waarbij eveneens de openbare telefoonvoorzieningen niet te gebruiken zijn. Op grote schaal is het NN dan ook weinig ingezet. Sinds 2004 is het NN op kleinere schaal gebruikt bij de politie-inval in het Haagse Laakkwartier (Hofstadgroep, november 2004) en de elektriciteitsuitval in de Bommelerwaard (december 2007). Dagelijks wordt het NN gebruikt om de mobiele 112-oproepen die standaard bij het KLPD binnenkomen door te verbinden met de regiomeldkamers. Ook het Hare Majesteitsnet is onderdeel van het NN en wordt dagelijks gebruikt.
Is er ooit met het oude systeem geoefend? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Er wordt periodiek (4x per jaar) met het NN geoefend. Voorbeelden daarvan zijn oefening Verbindingen In Gemeenten En Provincies (VIGEP) waarmee de (nood)verbindingen tussen de crisiscentra van diverse organisaties wordt getest. Bij deze VIGEP-oefeningen is gebleken dat het NN aan de verwachtingen voldoet en zijn alle verbindingen zonder problemen tot stand gekomen.
Waaruit blijkt uit de praktijk van rampenbestrijding dat er behoefte is aan een noodnet?
De NCV zorgt ervoor dat bij verstoringen van de openbare voorzieningen toch nog communicatie mogelijk is tussen overheidsorganisaties onderling en met bedrijven die deel uitmaken van de vitale infrastructuur. Juist omdat het een «last resort» communicatievoorziening is, wordt er net als bij het eerdere Noodnet veel aandacht besteed aan de betrouwbaarheid en weerbaarheid tegen fysieke en niet fysieke dreigingen. Zo blijft het nieuwe netwerk beschikbaar als het gewone vaste telefoonverkeer tijdens een ramp uitvalt door overbelasting of stroomuitval.
Is het waar dat het nieuwe noodnet niet veel meer zal kunnen dan het oude, sterk verouderde systeem? Zo ja, waarom is er dan in de praktijk een nieuw systeem nodig? Zo nee, wat kan het nieuwe systeem dan meer dan het oude?
De NCV heeft meer functionaliteiten dan het oude NN. De primaire noodzaak voor vervanging van het Noodnet is gelegen in het feit dat de gebruikte apparatuur van het NN verouderd raakt en in de nabije toekomst onvoldoende onderhouden kan worden, bijvoorbeeld als gevolg van het ontbreken van reserveonderdelen.
Het nieuwe systeem is gebaseerd op IP-technologie. Dit systeem is na volledige ingebruikname ook geschikt voor email, mobiel gebruik, videoconferencing, internet, etc. Deze functionaliteiten komen beschikbaar nadat het gehele NN gemigreerd is.
Is het waar u te weinig heeft gedaan om het nieuwe systeem bij de gebruikers te promoten? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd? Zo nee, wat heeft u dan wel gedaan?
Zie antwoord op vraag 5 en 6
Deelt u de verwachting dat als gebruikers niet op het nieuwe systeem zitten te wachten, zij dan in het uitzonderlijke geval dat het systeem mogelijk gebruikt zou kunnen worden dat dan toch niet zullen doen? Zo ja, hoe gaat u met dit gegeven om? Zo nee, waarom niet?
Omdat het gebruik van de NCV niet verplicht is, kunnen gebruikers na de beëindiging van het NN kiezen voor de NCV of geen noodcommunicatie. Hoewel ik van mening ben dat een «last resort» voorziening noodzakelijk is om de continuïteit van de communicatie te garanderen (bijvoorbeeld bij langdurige stroomuitval), is en blijft het de eigen verantwoordelijkheid van gebruikers om aangesloten te zijn en hiervan in voorkomend geval gebruik te maken. Via diverse brieven heb ik mijn mening kenbaar gemaakt bij de veiligheidsregio’s en hun crisispartners. Ik merk hierbij op dat het merendeel van de gebruikers heeft aangegeven ook van de NCV gebruik te zullen gaan maken. Ik vertrouw er dan ook op dat de NCV in voorkomend geval daadwerkelijk gebruikt zal worden.
Lopen de kosten van het nieuwe noodnet door de opgelopen vertraging hoger op dan de genoemde 6,5 mln. euro? Zo ja, met hoeveel?
De kosten voor de begeleiding van de migratie zijn vast en bedragen EUR 155 per aansluiting. In deze kosten is voorzien en zijn voor rekening van het ministerie van VenJ. Er is geen sprake van toename van kosten indien de migratie langer duurt dan voorzien.
De kosten voor de realisatie van de nieuwe noodcommunicatievoorziening zijn voor rekening van KPN. Om KPN de mogelijkheid te bieden de kosten voor de NCV-dienst terug te verdienen, heeft de overheid zich contractueel verbonden met KPN gedurende 11,5 jaar.
Hoewel ik mij realiseer dat de NCV niet vaak ingezet zal (behoeven te) worden, biedt het kunnen beschikken hierover zekerheid voor de continuïteit van communicatie. Het ontbinden van de overeenkomst vind ik dan ook zeer ongewenst. Dit zou betekenen dat de continuïteit van de crisisbeheersing in gevaar komt bij uitval van de openbare telecommunicatievoorzieningen. Bovendien kan het aanzienlijke kosten tot gevolg hebben. De totale contractwaarde voor de basisaansluitingen bedraagt voor KPN circa EUR 34,5 mln.
Is het nog mogelijk om helemaal af te zien van een nieuw noodnet? Zo ja, op welke wijze en wat zouden daar de operationele en financiële gevolgen van zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
De zoveelste gewelddadige straatroof |
|
Hero Brinkman (PVV), Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Leers , Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Clown Chipo lacht niet meer na overval bontkraagjes»?1
Ja.
In hoeverre heeft u, gezien de inmiddels structurele straatterreur door «bontkraagjes» in Utrecht, en het uitblijven van een keiharde aanpak van dit probleem, alle vertrouwen in PvdA-faalburgemeester Wolfsen verloren?
Het is primair aan de gemeenteraad om te oordelen over het functioneren van een burgemeester. Over de maatregelen die het kabinet neemt ter ondersteuning van burgemeesters bij de aanpak van problematische jeugdgroepen verwijs ik u naar het antwoord op eerdere vragen, bijvoorbeeld die van het lid Marcouch (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 812) of die van het lid Van Klaveren (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 398).
Deelt u de mening dat zware straffen, denaturalisatie en uiteindelijk uitzetting van criminelen met een dubbele nationaliteit de problemen met straatterreur in Utrechtse wijken bijna volledig op zal lossen?
Om overlast en criminaliteit op straat op een structurele manier aan te pakken, is de combinatie van repressieve en preventieve maatregelen onontbeerlijk. Preventieve maatregelen zoals o.a. opvoedondersteuning zijn gericht op het voorkomen van afglijden van broertjes en zusjes van betrokkenen. Wat het opleggen van zware straffen betreft, is het aan het oordeel van de rechter of dit gelet op het delict, de persoon van de dader(s) en het aangedane leed passend is.
De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor commune misdrijven is op dit moment niet mogelijk. Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor dat regelt dat het Nederlanderschap van rechtswege vervalt indien binnen vijf jaar na verkrijging een onherroepelijke veroordeling plaatsvindt voor een misdrijf waar twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat.
Welke maatregelen gaat u richting burgemeester Wolfsen nemen ten einde de anarchie in Utrechtse wijken te beëindigen en het gevoel van veiligheid van burgers te herstellen?
Zie antwoord vraag 2.
Identiteitsfraude op sociale media |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zienswijze dat het aannemen van andermans identiteit op sociale media mogelijk grote schadelijke gevolgen kan hebben?1 Deelt u de mening dat het niet altijd eenvoudig en snel te regelen is het gebruik van eigen naam door een ander te doen stoppen?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen van de leden Elissen en Van Bemmel (ingezonden 12 januari 2012, kenmerk 2012Z00281*).
Ik beschik niet over een overzicht van de manier waarop en de snelheid waarmee sociale mediasites reageren op verzoeken om het gebruik van de eigen naam door een ander te doen stoppen.
Welke mogelijkheden heeft een gedupeerde, van wie de identiteit wordt gebruikt door anderen op bijvoorbeeld Twitter of Facebook, in het civiele recht om de identiteitsfraudeur aan te spreken?
Voorop staat dat een gedupeerde de sociale mediasite kan verzoeken het gebruik van de eigen naam door een ander te doen stoppen door het nepaccount af te sluiten. Alle bekende sociale mediasites beschikken daartoe over een misbruikregeling. Een consument moet ervan uit kunnen gaan dat die wordt toegepast als er een beroep op wordt gedaan. Als dat traag of niet gebeurt, kan hij het bedrijf daarop aanspreken.
Wat effectief zou kunnen zijn totdat het nepaccount is gesloten, is dat de gedupeerde via dezelfde sociale mediasite duidelijk maakt dat het desbetreffende account niet van hem is en een nepaccount betreft.
Een gedupeerde die door het gebruik van zijn identiteit door een ander aantoonbare schade heeft geleden, kan degene die zijn identiteit heeft gebruikt civielrechtelijk aansprakelijk stellen wegens het plegen van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Deze mogelijkheid is echter in de praktijk beperkt omdat het voor de gedupeerde doorgaans moeilijk of onmogelijk zal zijn de identiteit van de gebruiker van zijn naam te achterhalen.
Het openbaar ministerie en uiteindelijk de rechter zullen per geval moeten beoordelen of sprake is van strafbaar gedrag. Als het gebruiken van de identiteit van de ander bijvoorbeeld leidt tot het vermoeden van bedreiging van die ander, kan een op die bedreiging gericht strafrechtelijk onderzoek worden gestart op grond van artikel 284 en volgende van het Wetboek van Strafrecht. Ook dan kan het, ondanks de opsporingsbevoegdheden die kunnen worden ingezet, problematisch zijn om de identiteit van de pleger te achterhalen. Ik verwijs voor een toelichting naar mijn antwoord op vragen 4 tot en met 6.
Welke mogelijkheden biedt het strafrecht? Indien er geen sprake is van oplichting, valsheid in geschrifte, smaad of enig ander artikel uit het Wetboek van Strafrecht, maar deze identiteitsfraude wel overduidelijke schadelijke gevolgen of dreiging met zich meebrengt, hoe is hier dan tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn deze mogelijkheden naar uw mening voldoende of schieten deze tekort?
Ik heb de indruk dat deze mogelijkheden voldoende zijn. Ik verwijs in dit verband ook naar mijn antwoord op de eerder genoemde vragen van de leden Elissen en Van Bemmel, waarin ik heb toegelicht waarom ik de voorgestelde strafbaarstelling niet onderschrijf. Daar komt bij dat de handhaafbaarheid en daarmee de effectiviteit van de voorgestelde strafbepaling gering zal zijn gezien de anonimiteit waarmee op het internet geopereerd kan worden. Als een sociale mediasite niet vereist dat de aanmaker van een account persoonsgegevens invoert en/of die persoonsgegevens niet verifieert, zal door opsporingsdiensten gerechercheerd moeten worden om de identiteit van die persoon te achterhalen. Als de bedrijven achter de sites in het buitenland gevestigd zijn, zal dat moeten gebeuren door middel van een rechtshulpverzoek. Nederland kan in het buitenland gevestigde bedrijven niet verplichten mee te werken aan het onthullen van de identiteit van de aanmaker van het account. Dat kan alleen het land van vestiging als het daartoe een wettelijke plicht heeft gecreëerd. Naar mijn verwachting valt van de inzet van het strafrecht kortom geen adequate oplossing te verwachten om het gebruik van andermans naam op sociale mediasites te stoppen.
Hij die zich wederrechtelijk de unieke identiteit van een persoon toe-eigent, deze identiteit digitaal of anderszins misbruikt door deze als echt en onvervalst te gebruiken, te doen gebruiken, te exploiteren, te doen exploiteren, digitaal of anderszins, met welk oogmerk dan ook, wordt, als schuldig aan diefstal van identiteit, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie» (Bénédicte Ficq)
Ziet u aanleiding maatregelen te nemen? Zo ja, welke? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het voorstel van Bénédicte Ficq om het strafbaar te stellen zich op sociale media uit te geven onder de naam van iemand anders? Wat is uw reactie op het voorstel voor een nieuw artikel 310a in het Wetboek van Strafrecht van Bénédicte Ficq?2 Kunt u in uw antwoord eveneens ingaan op de handhaafbaarheid van een dergelijk voorstel en de verplichting van sociale media, zoals Twitter en Facebook, mee te werken aan het onthullen van de identiteit?
Zie antwoord vraag 4.
Het artikel 'Man steekt twee agenten in gezicht' |
|
Hero Brinkman (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Man steekt twee agenten in gezicht»?1
Ja.
Klopt het dat een 37-jarige man twee agenten in het gezicht heeft gestoken en een derde agent een kopstoot heeft gegeven?
Ja.
Deelt u de mening dat deze delicten, gezien de ernst van de gepleegde feiten, hard bestraft moeten worden, zeker gezien de overheidscampagne om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Geweld tegen mensen in een publieke functie, zoals de agenten in deze kwestie, kan niet getolereerd worden. Zij moeten hun werk op een veilige wijze kunnen uitvoeren. Het Openbaar Ministerie eist in voorkomend gevallen, waaronder in deze casus, een verhoging van 200% bovenop de gebruikelijk gevorderde strafeis.
Kunt u garanderen dat deze dader tot aan zijn veroordeling in voorlopig hechtenis blijft? Zo ja, kunt hij daar persoonlijk op toezien?
De verdachte is in bewaring gesteld en is op 25 januari jongstleden voor de Raadkamer verschenen. De officier van justitie heeft verzocht om de voorlopige hechtenis te laten voortduren totdat de zaak ter zitting behandeld wordt. De Raadkamer heeft besloten de voorlopige hechtenis met 90 dagen te verlengen. Omdat de datum waarop de zaak ter zitting behandeld wordt nog niet bekend is kan ik niet met zekerheid zeggen dat de voorlopige hechtenis tot dan zal voortduren.
Hoe gaat u er voor zorgen dat de urgentie bij het Openbaar Ministerie en rechterlijke macht doordringt omtrent delicten zoals deze tegen gezagsdragers zodat dit delict streng bestraft zal worden?
Zoals bekend zijn per 31 december 2010 de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie (OM) nog verder verhoogd voor zaken van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Jaarlijks wordt bijgehouden in hoeverre rechters deze hogere strafeisen van het OM volgen. De cijfers over 2010 tonen aan dat de hoogte van de gemiddelde opgelegde straf 93% was van de hoogte van de gemiddelde strafeis van het OM. Dit is een duidelijke aanwijzing dat OM en rechters het belang van strengere straffen in dergelijke zaken inzien. De Raad voor de rechtspraak is op mijn verzoek een onderzoek gestart naar de cijfers over 2011. Hierbij wordt zowel onderzocht in hoeverre het OM in de praktijk de richtlijnen volgt als in hoeverre de rechters deze eisen volgen. Ik heb uw Kamer toegezegd de resultaten van dit onderzoek voor de zomer van 2012 toe te zenden.
Kunt u garanderen dat deze dader geen taakstraf maar een lange gevangenisstraf zal krijgen? Kunt u er zorg voor dragen dat de taakstraf als hoofdstraf wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het OM om, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, te bepalen welke straf wordt geëist, en aan de rechter om te bepalen welke straf wordt opgelegd.
Wat betreft het afschaffen van de taakstraf als hoofdstraf is het kabinet van mening dat de taakstraf in het sanctiestelsel behouden moet blijven. De taakstraf is effectief waar het gaat om het voorkomen van recidive. Wel acht het kabinet een taakstraf ongeschikt voor de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. De legitimiteit van en het maatschappelijk draagvlak voor taakstraffen worden ondergraven als taakstraffen worden opgelegd voor dergelijke ernstige misdrijven. Het kabinet streeft daarom naar een duidelijke positionering van de taakstraf als passende straf voor plegers van naar verhouding lichtere delicten. De wettelijke regeling die de mogelijkheden beperkt om een taakstraf op te leggen voor dergelijke misdrijven is onlangs van kracht geworden. Bij de evaluatie van deze wetswijziging zal de vraag worden betrokken of de taakstraf, in plaats van een hoofdstraf, een bijkomende straf zou moeten worden.
Heeft u kennisgenomen van het artikel: «Voetbaltuig verstoort wedstrijd voor zieken»?1
Ja.
Is het waar dat «doorgesnoven» en «ladderzatte» hooligans de benefietwedstrijd ten behoeve van kinderen met ernstige ziektes tussen IJsselmeervogels en Feyenoord van afgelopen zaterdag hebben verstoord? Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis mede in het kader van het actieplan «Voetbal en Veiligheid en eerdere wantoestanden rond (amateur)wedstrijden?
Het politiekorps Utrecht heeft mij meegedeeld dat enkele honderden Feyenoord-supporters de voetbalwedstrijd IJsselmeervogels-Feyenoord hebben bezocht, waarvan ongeveer 100 supporters als «harde kern» konden worden aangemerkt. Uitbaters van een aantal lokale cafés verklaarden aan de politie dat behalve alcohol door diverse supporters drugs waren gebruikt voor de wedstrijd. De betreffende groep van ongeveer 100 supporters is gezamenlijk het stadion in gegaan. Hun gedrag in het stadion hield vooral in dat zij leuzen scandeerden. Een kwartier voor het einde van de wedstrijd is deze groep vertrokken. Het evenement is volgens het korps niet verstoord door deze groep. Dit is ook de conclusie uit de persverklaring van de VV IJsselmeervogels van 12 januari 2012 (zie www.vvijsselmeervogels.nl).
Met het in mijn brief van 21 december 2012 (Kamerstukken II, 2011–2012, 25 232, nr. 59) aangekondigde Landelijke actieplan Voetbal en Veiligheid wil ik ervoor zorgen dat incidenten rondom betaald voetbalwedstrijden worden teruggedrongen. Tevens wil ik bevorderen dat de betrokkenen voetbal een feest laten zijn.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat hooligans met een stadionverbod aanwezig zijn bij een benefietwedstrijd terwijl al eerder bekend was dat deze hooligans van plan waren rellen te schoppen tijdens dit evenement?
De organisator van een voetbalwedstrijd is primair verantwoordelijk voor de veiligheid en een ordelijke gang van zaken in het stadion. De verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde berust bij de politie. Gelet op het karakter van het evenement en de beschikbare informatie waren door de organisator geen maatregelen genomen om supporters bij de ingang van het stadion tegen te houden. Er vond evenmin een veiligheidsfouillering door de stadionbeveiliging plaats. Wel waren enkele stewards aanwezig. Door de organisator van het evenement is geen beroep gedaan op de politie.
Volgens het politiekorps Utrecht was vooraf geen gevalideerde informatie beschikbaar waaruit kon worden opgemaakt dat «harde kern»-supporters van enige club de wedstrijd zouden willen bezoeken of verstoren. Toen onverwachts de komst bleek van ongeveer 100 «harde kern»-supporters, waarvan het gedrag onvoorspelbaar is, is door de politie de beslissing genomen de ME op te roepen om indien nodig adequaat te kunnen reageren op eventuele ordeverstoringen.
Onmiddellijk voorafgaand aan het moment dat de Feyenoord-supporters het stadion betraden bleek, op signalering van politiepersoneel van korps Rotterdam-Rijnmond, dat onder hen personen aanwezig waren met een stadionverbod. Het was voor de politie inclusief de ME niet mogelijk, gezien de infrastructurele voorzieningen van het stadion, om deze personen te scheiden van de totale groep.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 9.
Waarom ontkende de politie in eerste instantie dat de inzet van de ME voor, tijdens en na de benefietwedstrijd te maken had met de toeloop van het grote aantal aanwezige supporters, en niet met de aanwezigheid van een grote groep hooligans in het centrum van Spakenburg en op het terrein van voetbalvereniging IJsselmeervogels?
De politie heeft naar aanleiding van een twitterbericht van RTVUtrecht ontkend dat er rellen in Bunschoten zouden zijn. De paraat gehouden ME is niet ingezet.
Waarom werd niet ingegrepen door de ME op deze hooligans toen het sportpark van IJsselmeervogels werd bestormd zonder betaling en fouillering en de kantine van voetbalvereniging IJsselmeervogels werd vernield?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat hooligans met een stadionverbod niet alleen bij reguliere wedstrijden, maar ook bij benefietwedstrijden en andere vriendschappelijke wedstrijden geweerd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Als de KNVB een civielrechtelijk stadionverbod oplegt, geldt dat al landelijk ten aanzien van alle soorten wedstrijden waarvan minstens één deelnemende club een betaald voetbalclub is.
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wmbveo) biedt andere instrumenten. Als er ernstige vrees bestaat dat een persoon die herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord wederom de openbare orde zal gaan verstoren, kan de burgemeester van de gemeente waar de (vriendschappelijke) wedstrijd wordt gehouden aan die persoon een gebiedsverbod, en/of een (intergemeentelijke) meldplicht of een groepsverbod opleggen. Deze wet wordt op dit moment vervroegd geëvalueerd en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik bezien of, en zo ja, hoe deze wet aanpassing behoeft.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 3.
Biedt de Voetbalwet voldoende mogelijkheden om hooligans met een stadionverbod bij (vriendschappelijke) wedstrijden weg te houden? Zo ja, waarom waren zij dat toch aanwezig bij deze wedstrijd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de Voetbalwet dusdanig aan te passen dat relschoppers met een stadionverbod voortaan ook geweerd worden bij andere (amateur)voetbalwedstrijden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid actie te ondernemen om de gedupeerde organisator (Thomas van de Groep memorial) materieel te compenseren voor het door hooligans aangedane leed? Zo ja, bent u van plan deze compensatie te verhalen op de betrokken hooligans dan wel andere sancties op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Volgens de in mijn antwoord op vraag 2 genoemde persverklaring van de VV IJsselmeervogels bestaat de schade aan de kantine uit een gesneuvelde spiegel en een handdoekenautomaat in het toilet. Ik ga ervan uit dat de voetbalvereniging in staat is zelf de schade vergoed te krijgen.
Het geven van een taakstraf na mishandeling van een agent |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Werkstraf van 20 uur na mishandeling agent»?1
Ja.
Is het waar dat een 18-jarige jongen uit Utrecht een taakstraf heeft gekregen van 20 uur na mishandeling van een agent?
De politierechter te Utrecht heeft de verdachte op 4 januari 2012 veroordeeld voor mishandeling vanwege het geven van een enkele klap aan de agent. Betrokkene is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en tot betaling van een bedrag van 200 Euro vanwege immateriële schade. De reclassering zal toezicht houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden die de politierechter heeft opgelegd.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie (OM) in deze zaak een taakstraf eiste van 60 uur?
De eis die de officier van justitie ter zitting formuleerde behelsde een veroordeling voor een poging tot zware mishandeling en een taakstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een bedrag van 450 Euro vanwege immateriële schade.
Is het waar dat deze dader deel uit maakte van de criminele groep die een homostel en een Marokkaans gezin heeft weggeterroriseerd? Zo ja, waarom zijn deze feiten, het dader-cv en de context niet meegewogen bij de eis van het OM?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat deze verdachte niet is aangemerkt als lid van de jeugdgroep in Terwijde, die bekend staat onder de naam Componistengroep. Verdachte heeft volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie een blanco strafblad.
Deelt u de mening dat het dader-cv en de context van het gepleegde altijd moet meewegen bij de eis van het OM?
Ja, en dat is volgens het Openbaar Ministerie in deze zaak ook gebeurd. De voorgeschiedenis van een verdachte blijkt uit het uittreksel van de justitiële documentatiedienst, dat zich in ieder strafdossier bevindt. Daarnaast verschaft het proces-verbaal in het algemeen informatie over de context van de zaak en eventuele bijzonderheden. Ook de reclasseringsrapportage en de behandeling ter zitting informeren de officier van justitie en de rechter nader over de omstandigheden van de persoon van de verdachte.
Deelt u de mening dat deze taakstraf niet past bij de ernst van het gepleegde feit, zeker gezien de overheidscampagne om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan en gelet op het verleden van deze dader?
Het past mij niet om mij uit te laten over het oordeel van de rechter. Wel kan ik over de eis ter zitting zeggen dat het Openbaar Ministerie mij heeft meegedeeld dat daarin onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat er in dit geval volgens de officier van justitie sprake was van een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar in functie, waarbij enig letsel is ontstaan. Bij nader inzien had volgens het Openbaar Ministerie het eisen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede gelegen. Naar aanleiding van deze casus heeft de parketleiding gesproken met alle betrokken functionarissen om uit deze casus lering te trekken.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak omdat het zich niet kan vinden in de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten en de strafmaat. De behandeling daarvan zal plaatsvinden op 15 februari 2012. Het vonnis is dus nog niet onherroepelijk.
Hoe kan het dat een ernstig feit als in onderhavige zaak wordt bestraft met een taakstraf en wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat de urgentie bij het OM in Utrecht nog niet is doorgedrongen en wat gaat u doen om deze Utrechtse wijk te verlossen van deze criminele groepen?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van de problemen in deze wijk ligt primair bij de lokale partners. Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat het lokale parket goed op de hoogte is van de problematiek in de Utrechtse wijk Terwijde. Het parket is doordrongen van de noodzaak van strafrechtelijk optreden in de daarvoor geselecteerde gevallen. Vanaf het voorjaar 2011 vindt een intensieve groepsaanpak plaats waarbij de wijkpolitie, de gebiedsmanager van de gemeente en hulpverleners, zoals het jongerenwerk, nauw samenwerken. Er zijn op het parket een vaste officier van justitie en parketsecretaris verbonden aan deze groepsaanpak. De groep is conform de Bureau Beke-methodiek in kaart gebracht. Voor een aantal personen uit die groep is een individueel en integraal plan van aanpak opgesteld. Er vindt regelmatig casusoverleg plaats over deze personen en anderen in de wijk. Inmiddels zit een aantal van de personen uit deze groep vast.
Problemen bij de examens op de Politieacademie |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er een tekort is aan examinatoren op de Politieacademie, waardoor veel examens op het laatste moment afgelast en/of uitgesteld moeten worden, en er ondertussen honderden examens moeten worden ingehaald?1
De Politieacademie is per 1 november 2011 gestart met een andere inzetsystematiek van examinatoren en gastdocenten. Voor die datum huurde de politieacademie politiemensen uit de korpsen als examinator en gastdocent in tegen voor externe inhuur gangbare tarieven en voorwaarden, en verrichtten deze mensen deze taak als nevenfunctie, en niet als onderdeel van hun hoofdfunctie bij de politie. Dat is geen gewenste situatie. Bijdragen aan de professionalisering van de politie hoort een normaal onderdeel te zijn van de taak van politiemedewerkers, en geen bijbaan. Vanuit die gedachte worden politiemedewerkers daarom nu binnen hun functie en werktijd ingezet als gastdocent en examinator. Om een zo soepel mogelijke overgang te bewerkstelligen was de afspraak, dat de inzet tijdelijk wordt vergoed in de vorm van meeruren of overwerk. Het gaat hier derhalve niet om een door bezuiniging ingegeven maatregel, maar om een principieel andere invulling van de systematiek van examinator of gastdocent.
Voor de functie van examinator worden uitsluitend medewerkers ingezet die voldoende kennis en ervaring hebben. Bovendien moeten zij ter zake zijn opgeleid en gecertificeerd. Er worden uitsluitend gecertificeerde examinatoren ingezet.
Bij de invoering van dit systeem is een tekort aan examencapaciteit ontstaan. Hierdoor kunnen niet alle examens op de oorspronkelijk geplande datum worden afgenomen, maar wordt een deel uitgesteld. Deze uitgestelde examens worden zo snel mogelijk weer ingepland. Daarbij wordt voorrang gegeven aan studenten die voor de afronding van hun studie staan. Hierdoor zijn er behoudens een enkel geval geen aspiranten later als agent gestart.
Is het waar dat dit het gevolg is van uw maatregel om een einde te maken aan nevenbanen van politieambtenaren als examinator? Waarom heeft u deze maatregel ingevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat examens afgenomen dienen te worden door ervaren politieambtenaren die veel kennis vanuit de huidige werkpraktijk hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de examinatoren aan deze eis voldoen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat zowel de vakbonden als de Politieacademie u hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van deze maatregel? Waarom heeft u hier niets mee gedaan?
De vakorganisaties hebben gewaarschuwd dat de bereidheid onder de huidige groep medewerkers om hun werkzaamheden als examinator of gastdocent voort te zetten onder de nieuwe financiële en organisatorische voorwaarden terug zou kunnen lopen. Dat vond het college van bestuur van de politieacademie echter onvoldoende reden om de beëindiging van de niet meer gewenste inhuurpraktijk nog langer uit te stellen. Ik steun die keuze.
Inmiddels hebben de vakorganisaties mede op mijn verzoek al hun signalen over de examineringsproblematiek verzameld. De voorzitter van het college van bestuur heeft de aanpak van de problematiek op 23 februari 2012 toegelicht aan de voorzitters van de vakorganisaties. Afgesproken is dat de vakorganisaties op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de verbetermaatregelen.
Hoe groot is de precieze achterstand op dit moment? Wat gaat u doen om deze zo snel mogelijk in te lopen? Wanneer zal de achterstand volledig ingelopen zijn?
Naar aanleiding van de afspraken met de korpsen heeft de Politieacademie een aantal maatregelen genomen om het probleem aan te pakken. Korpsen verlenen medewerking aan het benaderen en inzetten van zittende examinatoren en het werven van nieuwe examinatoren. Ondertussen is de werving, opleiding en certificering van nieuwe examinatoren in volle gang.
Ook zijn er gerichte acties op het efficiënter organiseren van examens en het inhalen van uitgestelde examens. Daarbij zijn o.a. in de week van 16 januari 275 examens afgenomen van aspiranten die op het punt staan om hun opleiding af te ronden.
De achterstand heeft een dynamisch karakter omdat er dagelijks uitvoering wordt gegeven aan de maatregelen. Eind februari 2012 was er een achterstand van 264 examens op een totaal van 26 000 examens die jaarlijks worden afgenomen. Ik heb met het college van Bestuur van de politieacademie afgesproken dat uiterlijk per 1 augustus 2012 de problemen met de examinering zullen zijn opgelost.
Hoe gaat u alle kandidaten waarvan het examen is uitgesteld hierover informeren, zodat de onzekerheid waarin zij verkeren weggenomen kan worden?
Indien het examen van een kandidaat wordt uitgesteld ontvangt deze daarvan uiterlijk twee weken voor de examendatum bericht. Daarbij wordt excuses gemaakt voor het ongemak dat de aspirant ervaart.
Deelt u de mening dat een excuus aan het adres van al die gedupeerden op zijn plaats is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de gevolgen van deze vertraging voor de kwaliteit van het politiewerk, zowel voor wat betreft de aspiranten, als ook de agenten die bezig waren met een vervolg- of specialistische opleiding?
Voor de duidelijkheid wil ik stellen dat de problematiek zich voordoet bij de examinering en niet in de opleidingen. De opleidingen gaan door conform planning. Bij de aanpak van de examenproblematiek krijgen aspiranten die op het punt staan hun opleiding af te ronden voorrang. Ook politieambtenaren die examen doen voor voorbehouden handelingen (verplichte certificeringen) binnen hun vervolg- of specialistische opleiding, krijgen voorrang. Hierdoor kunnen deze studenten zich de vereiste competenties eigen maken en kunnen zij de opgedane kennis zonder vertraging in de praktijk benutten.
De chaos bij examens op de Politieacademie als gevolg van de bezuinigingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bonden: chaos bij examens Politieacademie»?1
Ja
Is het waar dat er een flink tekort aan examinatoren is ontstaan door de bezuinigingen van het kabinet? Zo ja, hoe groot is dat tekort? Wat zijn de consequenties van dat tekort aan examinatoren?
De Politieacademie is per 1 november 2011 gestart met een andere inzetsystematiek van examinatoren en gastdocenten. Voor die datum huurde de politieacademie politiemensen uit de korpsen als examinator en gastdocent in tegen voor externe inhuur gangbare tarieven en voorwaarden, en verrichtten deze mensen deze taak als nevenfunctie, en niet als onderdeel van hun hoofdfunctie bij de politie. Dat is geen gewenste situatie. Bijdragen aan de professionalisering van de politie hoort een normaal onderdeel te zijn van de taak van politiemedewerkers, en geen bijbaan. Vanuit die gedachte worden politiemedewerkers daarom nu binnen hun functie en werktijd ingezet als gastdocent en examinator. Om een zo soepel mogelijke overgang te bewerkstelligen was de afspraak, dat de inzet tijdelijk wordt vergoed in de vorm van meeruren of overwerk. Het gaat hier derhalve niet om een door bezuiniging ingegeven maatregel, maar om een principieel andere invulling van de systematiek van examinator of gastdocent.
Bij de invoering van dit systeem is tijdelijk een tekort aan examencapaciteit ontstaan. Een aantal examinatoren en gastdocenten heeft in eerste instantie aangegeven onder de nieuwe voorwaarden niet langer bereid te zijn deze taak te verrichten. Hierdoor kunnen niet alle examens op de oorspronkelijk geplande datum worden afgenomen, maar wordt een deel uitgesteld. Dit deel wordt zo snel mogelijk ingepland en afgenomen. Daarbij wordt voorrang gegeven aan studenten die voor de afronding van hun studie staan. Hierdoor zijn er behoudens een enkel geval geen aspiranten later als agent gestart.
Om het tekort aan examinatoren op te lossen heeft de Politieacademie een aantal maatregelen genomen. Daarbij worden voormalige examinatoren benaderd en worden nieuwe examinatoren opgeleid en gecertificeerd om binnen de nieuwe systematiek te worden ingezet. Deze aanpak is met de voorzitter van de Raad van Korpschefs besproken en de korpsen hebben hun medewerking hieraan toegezegd. Ik heb met het college van bestuur van de politieacademie afgesproken, dat alle achterstanden uiterlijk 1 augustus 2012 zullen zijn opgelost.
Is het waar dat door dit tekort aan examinatoren studenten lang moeten wachten voordat zij examen kunnen doen en dus dat het langer duurt voordat deze studenten als agent aan het werk kunnen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit slecht is voor de veiligheid van Nederland en dat de ambitie om Nederland veiliger te maken in gevaar komt? Welke maatregelen gaat u nemen om het probleem van een tekort aan examinatoren bij de Politieacademie op te lossen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de Nederlandse Politiebond (NPB) en de ACP vooraf al hadden gewaarschuwd voor deze problemen en dat u en de korpsbeheerders het effect van de bezuinigingen hebben onderschat? Zo ja, waarom heeft u de waarschuwingen van het NPB en de ACP naast u neergelegd?
De vakorganisaties hebben gewaarschuwd dat de bereidheid onder de huidige groep medewerkers om hun werkzaamheden als examinator of gastdocent voort te zetten onder de nieuwe financiële en organisatorische voorwaarden terug zou kunnen lopen. Dat vond het college van bestuur van de politieacademie echter onvoldoende reden om de beëindiging van de niet meer gewenste inhuurpraktijk nog langer uit te stellen. Ik steun die keuze.
Inmiddels hebben de vakorganisaties mede op mijn verzoek al hun signalen over de examineringsproblematiek verzameld. De voorzitter van het college van bestuur heeft de aanpak van de problematiek op 23 februari 2012 toegelicht aan de voorzitters van de vakorganisaties. Afgesproken is dat de vakorganisaties op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de verbetermaatregelen.
Slechts een taakstrafje na mishandeling van een agent |
|
Hero Brinkman (PVV), Lilian Helder (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Leers , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Verbijstering over lage taakstraf na mishandeling agent»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort straffen het rechtsgevoel van de burger enorm ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Het past mij niet om mij uit te laten over het oordeel van de rechter. Wel kan ik over de eis ter zitting zeggen dat het Openbaar Ministerie mij heeft meegedeeld dat daarin helaas onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat er in dit geval volgens de officier van justitie sprake was van een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar in functie, waarbij letsel is ontstaan. Bij nader inzien had volgens het Openbaar Ministerie het eisen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede gelegen. Naar aanleiding van deze casus heeft de parketleiding gesproken met alle betrokken functionarissen om uit deze casus lering te trekken.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak omdat het zich niet kan vinden in de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten en de strafmaat. De behandeling daarvan zal plaatsvinden op 15 februari 2012. Het vonnis is dus nog niet onherroepelijk.
Deelt u de mening dat de taakstraf als hoofdstraf uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het behoud van de taakstraf in het sanctiestelsel van belang. Waar het gaat om het voorkomen van recidive is de taakstraf een relatief effectieve vorm van bestraffing. Wel vindt het kabinet dat een taakstraf ongeschikt is voor de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. De legitimiteit van en het maatschappelijk draagvlak voor taakstraffen worden ondergraven als taakstraffen worden opgelegd voor dergelijke ernstige misdrijven. Het kabinet hecht daarom aan een duidelijke positionering van de taakstraf als passende straf voor plegers van naar verhouding lichtere delicten. De wettelijke regeling die de mogelijkheden beperkt om een taakstraf op te leggen voor dergelijke misdrijven is deze maand van kracht geworden.
Bij de evaluatie van deze wetswijziging zal de vraag worden betrokken of de taakstraf, in plaats van een hoofdstraf, een bijkomende straf zou moeten worden.
Hoe verhoudt de gegeven straf zich tot het voornemen geweld tegen de politie juist zwaarder te straffen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat denaturalisatie en uitzetting van dit soort criminelen de meest passende en effectieve straf is? Zo nee, waarom niet?
De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor commune misdrijven is op dit moment niet mogelijk. Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor dat regelt dat het Nederlanderschap van rechtswege vervalt indien binnen vijf jaar na verkrijging daarvan een onherroepelijke veroordeling plaatsvindt voor een misdrijf waar twaalf jaar of meer gevangenisstraf op staat. Ook na wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het onwaarschijnlijk dat in een geval als het onderhavige aan deze voorwaarden wordt voldaan.
De zorg van hoofdcommissarissen van politie over de toename van criminaliteit en onveiligheid in Nederland |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Spanning op straat loopt op door crisis»1 en «Nieuwe veelplegers jong en gewelddadig»?2
Ja.
Deelt u de zorgen van de korpschef van de politiebond Amsterdam-Amstelland dat als gevolg van de economische crisis het aantal diefstallen, inbraken en andere vormen van criminaliteit toenemen en de zorgen van de korpschef van de politiebond Rotterdam-Rijnmond die een flinke stijging ziet van nieuwe veelplegers? Zo ja, wat is de oorzaak? Wat gaat u doen om deze toename te voorkomen? Zo nee, wat zijn uw verwachtingen op dit gebied voor de komende jaren?
Ondanks de economische crisis is de criminaliteit in Nederland gedaald. Dit blijkt onder andere uit cijfers omtrent de geregistreerde criminaliteit3, zelfrapportage onderzoek4 en uit de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM)5. De geregistreerde criminaliteit is ten opzichte van 2005 met 11,7% gedaald naar bijna 1,2 miljoen delicten in 2010. Uit de IVM blijkt dat het aandeel Nederlanders van 15 jaar en ouder dat slachtoffer is geweest van een of meer gewelds-, vermogens- en vandalismedelicten is gedaald van 33,7% in 2005 naar 24,9% in 2011.
Wat betreft de ontwikkelingen omtrent de criminaliteitscijfers houd ik de vinger stevig aan de pols. Met onder andere het programma gewelddadige vermogenscriminaliteit, het project criminaliteit tegen bedrijven en het actieprogramma problematische jeugdgroepen wordt ingezet op het verder terugdringen van het aantal overvallen, straatroven, woninginbraken en winkeldiefstallen. Daarmee wordt ook ingezet op de aanpak van (de nieuwe) veelplegers.
Houdt u rekening met oplopende spanningen door de economische crisis, zoals Amsterdam-Amstelland? Zo ja, op welke wijze en met welke maatregelen houdt u hier rekening mee? Zo nee, waarom niet en loopt u niet het risico overvallen te worden door stijgende criminaliteitscijfers en overlast?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke manier de politieregio Amsterdam-Amstelland zich voorbereidt om de vrede te handhaven? Wat vindt u van deze voorbereidingen?
De politieregio Amsterdam-Amstelland maakt, naast het gebruikelijke operationele werk van de wijkagent, gebruik van omvangrijke netwerken met burgers, binnen de overheid en in het bedrijfsleven. Voorbeelden hiervan zijn het Joods netwerk, het Marokkaans netwerk, Roze in blauw en het platform ondernemers. Hiermee beschikt de politie over extra oren en ogen in de haarvaten van de samenleving. Dat maakt het mogelijk om sneller ontwikkelingen binnen de veiligheid en leefbaarheid te signaleren. Hierdoor is de politie in staat haar taak doelgerichter uit te voeren. Daarnaast deelt de politie deze signalen met de partners in de veiligheidsketen zodat alle partners over een gedeeld beeld beschikken. Hierdoor kunnen zij gezamenlijk anticiperen op ongewenste ontwikkelingen en deze beïnvloeden door een gezamenlijke aanpak.
Deelt u de mening van de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond dat er een belangrijke rol is weggelegd voor Bureau Jeugdzorg om het ontstaan van nieuwe jonge veelplegers te voorkomen en kunt u zijn vrees dat de bezuinigingen dit zullen bemoeilijken, wegnemen?
Op de korte termijn is sprake van een tariefsverhoging voor de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering door de bureaus jeugdzorg. In december 2011 is daarover een akkoord bereikt met het IPO. Met deze verhoging zijn de bureaus jeugdzorg in staat de jeugdbescherming (in vrijwillig en gedwongen kader) en jeugdreclassering op een adequate wijze uit te voeren. Dit houdt in dat bureaus jeugdzorg reageren op ontvangen zorgsignalen, waar nodig inzetten op zorg in gedwongen kader (bijvoorbeeld op ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) en toezicht houden op jongeren in het kader van opgelegde voorwaarden.
Op de langere termijn zal de stelselwijziging «zorg voor jeugd» een positieve bijdrage leveren aan de preventie van jeugdcriminaliteit. Hoofddoel van de stelselwijziging is dat jongeren en hun ouders eerder ondersteuning wordt geboden vóór dat het uit de hand loopt. De decentralisatie naar gemeenten biedt nieuwe kansen voor een samenhangend jeugdbeleid op lokaal niveau (zorg, school, werk, veiligheid). De ontschotting van budgetten draagt bij aan verbetering van de samenwerking van instanties rond gezinnen. De besparing op termijn van € 300 mln. staat een effectievere hulpverlening aan gezinnen niet in de weg.
Wat vindt u van de stelling van beide korpschef dat door de bezuinigingen op de zorg het aantal incidenten, overlast en criminaliteit toe zal nemen en door bezuinigingen op de jeugdzorg jonge veelplegers te laat in het vizier komen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de politie er is om criminaliteit en misdaad te bestrijden, criminelen op te sporen en op te pakken? Deelt u voorts de mening dat schaarse politiecapaciteit niet ingezet moet worden voor mensen die een psychiater nodig hebben in plaats van een agent of voor een groep jonge veelplegers omdat instanties langs elkaar heen werken?
De bestrijding van criminaliteit behoort tot de kerntaken van de politie, net als hulpverlening en signalering. De bestrijding van criminaliteit vindt plaats in samenwerking met andere partners. Het is hierbij zaak dat in deze ketenaanpak iedere instantie zijn eigen taken uitvoert (zie ook eerder antwoord op kamervragen van de leden Kooiman en Leijten (Aanhangsel handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1598)).
In het Regeerakkoord is een aantal majeure hervormingen afgesproken (zoals jeugdzorg, begeleiding AWBZ, wet werken naar vermogen en aanpassing passend onderwijs). Hervormingen zijn nodig omdat de groei van de regelingen uit de hand dreigt te lopen. De decentralisaties bieden ook kansen op meer integrale en effectievere hulp en ondersteuning en voor nieuwe ondersteunende arrangementen. De bewindslieden van VenJ, VWS, SZW en OCenW hebben afgesproken de hervormingsmaatregelen in samenhang uit te werken en de gemeenten te ondersteunen bij de implementatie daarvan.
Bent u van mening dat door de bezuinigingen in de zorg en de jeugdzorg, bijvoorbeeld het invoeren van een eigen bijdrage voor psychiatrie, de ambitie om Nederland veiliger te maken in gevaar komt en Nederland juist onveiliger wordt? Zo ja, gaat u met uw collegaministers in overleg om dit te voorkomen? Zo nee, kunt u de zorg hierover wegnemen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'nieuwe veelpleger' |
|
Lilian Helder (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Leers |
|
|
|
|
Kent u het bericht «nieuwe veelpleger»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de mening dat de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond zich beter zorgen kan maken over de enorme criminaliteit in de regio Rotterdam-Rijnmond en de ontwikkelingen in de jeugdzorg over zou moeten laten aan echte specialisten op dat terrein?
De korpschef van Rotterdam-Rijnmond heeft in zijn nieuwjaarsspeech teruggeblikt op de criminaliteitsbestrijding in zijn regio in het afgelopen jaar en heeft zijn zorgen geuit over een maatschappelijke ontwikkeling. Dit is niet ongebruikelijk.
Bent u bereid om het bereik van het wetsvoorstel inzake het adolescentenstrafrecht uit te breiden, zodat ook eerder adequaat strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen 12-jarigen die over de schreef gaan? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht ziet op de strafrechtelijke aanpak van delictplegende risicojongeren in de leeftijd van 15 tot 23 jaar. Dat betreft een andere levensfase dan die waarin 12-jarige kinderen zich bevinden. Voor 12-jarigen biedt het jeugdstrafrecht voldoende mogelijkheden om – indien nodig – adequaat op te treden.
Kunt u aangeven of de leiding van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond bekend is met het gegeven dat gemiddeld 40 procent van de Marokkaanse mannen, in de zogenaamde Marokkanengemeenten waar ook Rotterdam onder valt, tussen de 12 en 24 jaar de afgelopen vijf jaar in aanraking is geweest met politie?
Het is de taak van elk korps om de misdaadfeiten in de eigen regio te kennen. Ik heb geen signaal ontvangen dat de korpsleiding van Rotterdam-Rijnmond onvoldoende op de hoogte is om de misdaad in de regio te bestrijden. Bovendien neemt Rotterdam deel aan het samenwerkingsverband «Aanpak Marokkaans-Nederlandse risicojongeren» van 22 gemeenten, het Rijk en de VNG en is derhalve bekend met de problematiek in haar regio.
Deelt u de mening dat de term «nieuwe veelpleger» de zoveelste politiek-correcte term lijkt te zijn die gebruikt wordt om te maskeren dat het overgrote deel van de criminaliteit in onder andere Rotterdam op conto komt van niet-westerse allochtonen? Zo nee, waarom niet?
De forse oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen in de verdachtenpercentages is bekend en kan door geen enkele term worden gemaskeerd. De term «nieuwe veelpleger» is overigens gebruikt om het onderscheid ten opzichte van de «ouderwetse veelpleger» aan te geven. De nieuwe veelpleger is jonger, sluwer en gewelddadiger dan de ouderwetse veelpleger. Ze zijn uit op status, geldelijk gewin of een kick en voelen zich onaantastbaar, daar waar het bij de ouderwetse veelpleger vaak gaat om drugsverslaafden die inbreken en stelen om in hun behoefte aan verdovende middelen te voorzien. Er is derhalve een andere aanpak van deze groep vereist. Het kabinet zet stevig in op het terugdringen van grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in groepen. Hierbij is het van belang dat alle verdachten tegen wie bewijs is voor de rechter komen en dat alle daders bestraft worden. Daarbij maakt het niet uit wat de herkomst van verdachten of daders is.
Hoe duidt u de gegevens uit het rapport «Antilliaanse en Marokkaanse Nederlanders in Rotterdam 2011», waaruit blijkt dat groepen niet-westerse allochtonen in de regio Rotterdam tot wel zes keer vaker vertegenwoordigd zijn in de criminaliteit ten opzichte van autochtonen?
Zie antwoord vraag 5.
De gevolgen van de bezuinigingen op de GGZ voor de politie |
|
Nine Kooiman (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat 20 tot 30 procent van het politiewerk gerelateerd is aan de geestelijke gezondheidszorg (GGZ)?1
In zijn nieuwjaarstoespraak heeft de korpsschef van het politiekorps Amsterdam-Amstelland gezegd dat een stijgend aantal psychisch zwakkeren onder de aandacht komt van de politie.
De korpsschef geeft tevens aan dat in de regio gelukkig sprake is van een goede samenwerking met de SPOR (spoedeisende psychiatrie in Amsterdam), de crisisafdelingen van GGZ inGeest of de Jellinek.
In het omgaan met GGZ cliënten heeft iedere partij zijn eigen verantwoordelijkheid. GGZ Nederland en de Raad van Korpschefs hebben op 21 december jongstleden via een convenant afspraken gemaakt over samenwerking bij opvang, begeleiding en behandeling van mensen psychische en/of verslavingsproblematiek. In dit convenant zijn nieuwe landelijke afspraken gemaakt over:
Deelt u de mening dat het een zorgelijke ontwikkeling is dat een hoofdcommissaris van politie moet waarschuwen voor meer overlast en criminaliteit door de bezuinigingen op de GGZ en het invoeren van een eigen bijdrage? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het zorgelijk als GGZ cliënten met de politie in aanraking komen terwijl ze eigenlijk zorg nodig hebben. Of de invoering van de eigen bijdrage daadwerkelijk leidt tot zorgmijding volgt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit jaar nauwlettend via een monitor.
Bij de invoering van een eigen bijdrage in de tweedelijns GGZ worden overigens in alle gevallen waar sprake is van een BOPZ-titel (gedwongen zorg), bemoeizorg en de DBC crisis uitgezonderd. Wanneer iemand onvrijwillig wordt opgenomen of behandeld, betaalt hij dus geen eigen bijdrage. Hetzelfde geldt voor bemoeizorg en crisis-situaties.
Hoeveel waarschuwingen van professionals, zoals de politie, de zorgverleners in de GGZ, huisartsen en de verslavingszorg moet u nog krijgen, voordat u besluit geen 600 mln. euro te bezuinigen en geen eigen bijdragen in de GGZ te heffen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport benadrukt, dat geestelijke gezondheid in een mentaal vitale samenleving belangrijk is . Daarvoor voelt zij zich dan ook verantwoordelijk, en zij wil zich inzetten om dit te verbeteren en te versterken. Zij moet echter financiële maatregelen nemen in de GGZ omdat de uitgaven in de GGZ de afgelopen jaren fors zijn gestegen. De kosten zijn de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. De maatregelen zijn fors en aanbieders zullen hiermee in hun bedrijfsvoering het komende jaar rekening moeten houden. Goede voorbeelden in Nederland tonen aan dat besparingen mogelijk zijn door bijvoorbeeld kortere behandelingen die ook tot goede resultaten leiden. Ook andere behandelmethoden, zoals bijvoorbeeld e-health, leiden tot meer efficiënte behandelprocessen. Internettherapieën zijn 20 tot 30% goedkoper, vanwege verkorting van arbeidstijd en arbeidsduur van therapeuten, maar worden op dit moment nog veel te weinig toegepast. Zij wil deze ontwikkeling graag stimuleren. Ook wil zij met de sector in gesprek hoe wij in de toekomst kunnen komen tot een meer financieel houdbare GGZ van goede kwaliteit.
Op welke wijze gaat u een toename van GGZ-gerelateerde overlast en criminaliteit voorkomen?
Of de invoering van de eigen bijdrage daadwerkelijk leidt tot zorgmijding volgt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit jaar nauwlettend via een monitor.
De politie is in geval van crisissituatie (spoedeisende zorg c.q. noodhulp) als eerste belast met de handhaving van de openbare orde. In de dagelijkse praktijk staat de politieagent (m.n. de wijkagent) door wijkgericht werken in contact met de burgers en ook met zorginstellingen. De agent kent de problematiek, de bewoners en de sleutelfiguren in de wijk
Daarnaast hebben gemeenten de regierol in de aanpak en zijn verantwoordelijk voor de aanpak van overlast. Burgemeesters hebben allerlei instrumenten voorhanden om overlast binnen hun gemeenten aan te pakken. Bijvoorbeeld een gebiedsverbod, straatverbod, etc. Ook kunnen gemeenten BOA’s voor de handhaving van de openbare orde inzetten.
Bent u bereid vanaf nu structureel bij te houden hoeveel gevallen van overlast en/of criminaliteit te maken hebben met GGZ-problematiek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Registratie van overlast die te maken heeft met GGZ-problematiek vindt al op beperkte schaal in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) van de politie plaats.
Een registratie waaruit blijkt hoeveel GGZ-cliënten in overlastgevend of crimineel gedrag vervallen draagt niet bij aan een betere zorgverlening. Wanneer registratie helpt om de samenwerking tussen politie en de GGZ te verbeteren en problematiek inzichtelijk te krijgen zal dit op regionaal niveau plaatsvinden.
Het bericht 'Agent mikpunt oudejaarsgeweld' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Agent mikpunt oudejaarsgeweld»?1
Ja.
Klopt het dat politiemensen in heel Nederland zich deze jaarwisseling hebben moeten verdedigen tegen excessieve en schokkende geweldsuitspattingen, zoals het gooien met molotovcocktails naar agenten en het gebruik van pepperspray tegen agenten?
Ik verwijs naar mijn brief aan uw Kamer van 11 januari 2012 met het overzicht van de incidenten die tijdens de jaarwisseling 2011–2012 hebben plaatsgevonden en mijn reactie daarop.
Deelt u de mening dat bij het klaarmaken van molotovcocktails er sprake is van voorbereiding van een ernstig misdrijf? Zo nee, waarom niet?
Voorbereiding van een misdrijf is strafbaar op grond van artikel 46, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) als de dader opzettelijk (onder andere) voorwerpen of stoffen, die bestemd zijn tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Een molotovcocktail kan bruikbaar zijn voor brandstichting (art. 157 Sr), zware mishandeling (art. 302 Sr), zware mishandeling met voorbedachten rade (art. 303 Sr), doodslag (art. 287 Sr) of moord (art. 289 Sr). Op al deze delicten staat een gevangenisstraf van acht jaren of meer. Of in een concrete casus het klaarmaken van molotovcocktails een strafbare voorbereiding van een ernstig misdrijf is, hangt af van de omstandigheden van het geval en staat ter beoordeling van het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de strafrechter.
Wanneer de personen die plannen hadden om met molotovcocktails een aanslag te plegen op de politie niet vroegtijdig in de kraag gegrepen waren, zou er dan sprake zijn geweest van doodslag, dan wel poging daartoe? Zo nee, waarom niet?
De feiten uit deze zaak staan ter beoordeling van het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechter. In algemene zin geldt dat bij een aanslag met een molotovcocktail die de dood tot gevolg heeft sprake kan zijn van doodslag als bedoeld in artikel 287 Sr. Als er geen dodelijk slachtoffer is gevallen kan sprake zijn van een poging tot doodslag.
Deelt u de mening dat een en ander onder een terroristisch misdrijf valt en dat de verdachten in dat geval tot de berechting in voorlopige hechtenis dienen te blijven? Zo nee, waarom niet?
Artikel 83 Sr geeft aan welke misdrijven onder terroristische misdrijven worden verstaan. Daarbij is bepalend of is gehandeld met een terroristisch oogmerk. Daaronder valt bijvoorbeeld het oogmerk om (een deel van) de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen of om de overheid wederrechtelijk tot iets te dwingen (artikel 83a Sr). Of in een geval als het onderhavige sprake is van een terroristisch misdrijf staat ter beoordeling van de rechter.
De artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering geven aan in welke gevallen en op welke gronden voorlopige hechtenis kan worden toegepast.
De vriendschappelijke betrekkingen tussen het islamitische regime Erdogan en de islamitische terreurorganisatie Hamas |
|
Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatie tussen Turkije en Hamas in het algemeen en in het licht van het tegen de Joodse staat Israël gerichte vriendschappelijk samenwerkingsoverleg van 1 januari jl., tussen enerzijds premier Erdogan en minister van Buitenlandse Zaken Davutoglu en anderzijds Hamaskopstuk Ismael Haniyeh?1
Bent u bereid uw veroordeling uit te spreken over deze nieuwe Turkse legitimatie van een terroristische islamitische organisatie die als verklaarde doelstellingen heeft de staat Israel te vernietigen en het Joodse volk uit te roeien? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het geen pas geeft dat Nederland dit jaar op feestelijke wijze 400 jaar betrekkingen gaat vieren met het met terroristische organisaties samenspannende Turkse regime van premier Erdogan c.s.? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk en nog voor het eind van het reces beantwoorden?
De brandonveiligheid in zorginstellingen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de brandveiligheid zorg niet in orde is?1
Naar aanleiding van het rapport «Brandveiligheid van zorginstellingen» (dat op 23 december 2011 naar uw Kamer is gezonden) heeft het kabinet uw Kamer hierover op 7 februari jongstleden een brief gezonden.
Hoelang is uw ministerie al op de hoogte van de brandonveiligheid in de zorg? Waarom is dit probleem nog steeds zo groot? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Naar aanleiding van de Schipholbrand is in 2007 door het toenmalige College bouw zorginstellingen een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de brandveiligheid in zorginstellingen. Dit onderzoek gaf aan dat de brandveiligheid in de zorg in veel gevallen niet op orde was. In het kader van het Actieprogramma Brandveiligheid ( TK nr. 2006–2007, 26 956, nr. 46) is voor en door de zorgsector het nodige in gang gezet om de brandveiligheid en bewustwording in zorginstellingen te vergroten. Uw Kamer is daarover geïnformeerd (TK 2008–2009, 26 956, nr. 66).
Wat betreft de reden dat ondanks de eerder genomen maatregelen nog steeds sprake is van brandonveiligheid, verwijs ik graag naar de (hoofd)conclusies van het eerder genoemde rapport «Brandveiligheid van zorginstellingen».
Welke maatregelen zijn genomen om brandgevaar terug te dringen? Is dit genoeg geweest, nu blijkt dat 30% van de zorginstellingen zulke ernstige gebreken hebben, dat ingrijpen met betrekking tot de brandveiligheid noodzakelijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u, uit uw oude werkomgeving, de opmerking dat er te weinig wordt gedaan aan voorlichting over brandveiligheid? Bent u bereid serieus werk te maken van goede scholing en voorlichting aan personeel over wat te doen om brand te voorkomen, maar ook hoe te handelen bij brand? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze gaat u de gemeenten aansporen om intensiever te (laten) controleren op de brandveiligheid van zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor het aanspreken van gemeenten is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) als eerste verantwoordelijk. Voor de maatregelen die de minister van BZK zal treffen, verwijs ik naar de kabinetsbrief van 7 februari 2012.
Bent u bereid sancties op te leggen aan bestuurders die de brandveiligheid in hun zorginstelling niet in orde hebben? Zo ja, welke sancties gaat u opleggen? Zo, nee waarom niet?
De wettelijke voorschriften voor brandveiligheid zijn neergelegd in verschillende sectorale wetten en besluiten. Het toezicht en sanctiebeleid op brandveiligheid sluit daarop aan. In de brief van 7 februari 2012 is nader uitgewerkt hoe handhavend zal worden opgetreden.
Op welke manier gaat u er voor zorgen dat de brandveiligheid in alle zorginstellingen sterk verbetert en op welke termijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Het overlijden van een gedetineerde in het penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bajesklant sterft in houdgreep»?1
Ja.
Kent u het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) van 25 augustus 20112 waarin de IGZ verklaart dat de zorg in een PPC voldoet aan de normen voor verantwoorde zorg? Was daar in dit geval sprake van?
Ik ben bekend met het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Op 25 augustus 2011 heb ik het rapport met mijn beleidsreactie aan uw Kamer verzonden.
Momenteel wordt via de geëigende kanalen toedrachtsonderzoek gedaan naar dit incident. In de eerste plaats is door het penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) conform protocol zelfstandig een onderzoek gestart. Hiervoor heeft het PPC een calamiteitenonderzoekscommissie ingesteld. In die commissie hebben niet-bij-de-calamiteit-betrokken deskundigen vanuit DJI zitting om de feiten helder te krijgen, het zorgproces te evalueren en te analyseren hoe de calamiteit is ontstaan. De commissie rapporteert aan de directeur van de inrichting en doet indien nodig aanbevelingen om tot verbetering te komen. De directeur rapporteert vervolgens aan de IGZ.
In de tweede plaats is dit incident bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) gemeld. Medische diensten van penitentiaire inrichtingen (pi’s) zijn instellingen van zorg die op grond van de Kwaliteitswet Zorginstellingen verplicht zijn calamiteiten te melden bij de IGZ.
Ten slotte onderzoekt de Rijksrecherche, in opdracht van het Openbaar Ministerie (OM), de zaak.
Voor deze onderzoeken geldt dat de resultaten nog niet beschikbaar zijn.
Kent u ook de uitspraak uit hetzelfde rapport van de IGZ waarin zorgen worden geuit over een belangrijk risico voor kwaliteit van zorg, namelijk dat door ontbreken van een integraal en goed patiëntendossier informatieoverdracht en verantwoording van handelen onvoldoende is geborgd? Zijn de patiëntendossier in het algemeen nu wel op orde? Was het dossier in dit geval op orde?
Ik ben bekend met de aanbeveling van de IGZ. De IGZ beveelt aan om de ontwikkeling van een integraal (elektronisch) patiëntendossier te stimuleren en faciliteren. Zoals aangegeven in mijn beleidsreactie bij het IGZ-rapport bezie ik hoe ik voor de PPC's een elektronisch patiëntendossier ga vormgegeven. Naar verwachting is een integraal patiëntendossier specifiek voor de PPC's in 2013 operationeel. Hierbij sluit ik aan bij de ontwikkelingen in de reguliere Geestelijke Gezondheidszorg en maak ik zoveel als mogelijk gebruik van de daar aanwezige expertise. Vooruitlopend daarop wordt binnen de huidige beschikbare informatievoorziening uiterlijk medio 2012 een eenvoudige ICT-toepassing gerealiseerd. Daarmee zal de toegankelijkheid van het dossier en het uitwisselen van zorginformatie tussen de PPC's onderling en ketenpartners worden bevorderd. Inmiddels is in de meeste PPC's deze eenvoudige ICT-toepassing gerealiseerd.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 wordt momenteel onderzoek gedaan naar de toedracht van dit incident en zijn derhalve op dit moment geen uitspraken te doen.
Deelt u de mening dat het gebruik van een isoleercel het laatste redmiddel is voor psychisch zieke mensen, ook als het gedetineerden betreft?
Ik ben van mening dat terughoudend omgegaan dient te worden met plaatsing in de isoleercel. Het beleid van de PPC’s is erop gericht zoveel mogelijk in contact te blijven met de gedetineerde en niet op langdurig separeren. Hierbij worden gedetineerden alleen geïsoleerd indien er een gevaar bestaat als gevolg van de stoornis, dat niet op een minder ingrijpende wijze kan worden afgewend.
Overigens verwacht ik dat door invoering van het wetsvoorstel verruiming van de mogelijkheden tot de toepassing van dwangbehandeling, waarover ik vanmiddag met uw Kamer spreek, dat gebruik van de isoleercel teruggedrongen kan worden. In de reguliere GGz heeft zich, na aanpassing van de Bopz, een verschuiving van fysieke restricties naar verplichte behandeling plaatsgevonden.
Zijn, naast de medewerkers en behandelaren, ook de justitiebewakers opgeleid om veilig en zorgvuldig om te gaan met de ernstig psychisch zieke mensen die in een PPC verblijven? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Binnen een PPC werken uitsluitend Zorg en Behandeling Inrichtingswerkers (ZBIW) en verpleegkundig ZBIWers in de executieve dienst.
ZBIW-ers zijn speciaal opgeleid om te kunnen gaan met de moeilijke doelgroep aan wie in een PPC zorg verleend wordt. In de PPC's is veel aandacht voor bij- en nascholing rondom zorg en samenhangende onderwerpen. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan psychopathologie, psychiatrische medicatie, methodisch en planmatig werken en gezondheidsrecht.
Slechts in geval van nood worden ZBIW-ers ondersteund door derden zoals een intern bijstandsteam (IBT). Het IBT is in dit geval niet ingeschakeld.
Zijn de medewerkers en bewakers voldoende opgeleid om drang en dwang bij mensen met ernstige psychische problemen zoveel mogelijk te voorkomen maar indien noodzakelijk volgens zorgvuldig protocol uit te voeren? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Zie antwoord vraag 5.
Is het programma terugdringen drang en dwang ook in de PPC van toepassing? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Zoals aangegeven in reactie op het IGZ-rapport sluiten de PPC’s aan bij de initiatieven die in de reguliere zorg zijn ontwikkeld om de toepassing van dwang en drang terug te dringen. Hiertoe zijn reeds in januari 2011 de eerste initiatieven genomen. In januari 2011 vond er eerste bijeenkomst samen met experts van met GGZ Nederland en directeuren zorg en behandeling van de PPC's plaats in het kader van uitbreiden van de mogelijkheden terugdringen dwang en drang om te kijken hoe de in de GGz aanwezige expertise benut kan worden.
Bij het terugdringen van dwang en drang maken de PPC’s gebruik van de interventies die in de GGz gehanteerd worden.
Ten slotte registreert ieder PPC de duur en de frequentie van de separatie en worden deze gegevens met regelmaat doorgenomen binnen de multidisciplinaire teams zodat hiervan een lerend effect uit kan gaan.
Is er een relatie te leggen tussen werkdruk, agressie en geweld in justitiële inrichtingen – zoals de arbeidsinspectie recent naar buiten bracht – en deze gebeurtenis?3
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 wordt momenteel onderzoek gedaan naar de toedracht van dit incident en zijn hier derhalve geen uitspraken over te doen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoorden bij uw Kamervragen over het bericht van de Arbeidsinspectie die vandaag aan uw Kamer verzonden worden.
Baart het u zorgen dat er in toenemende mate mensen in detentie overlijden? Bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer te informeren over het aantal mensen dat in detentie overlijdt en de aanleiding daarvan over de afgelopen vijf jaar?
Op 7 september 2011 heb ik uw Kamer naar aanleiding van een verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie geïnformeerd over sterfgevallen in de penitentiaire inrichtingen, en het toezicht van de IGZ hierop.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 en 2 melden pi’s alle sterfgevallen bij de IGZ. De IGZ heeft voor het jaar 2010 alle gemelde calamiteiten met betrekking tot het overlijden van gedetineerden geanalyseerd. Dit betreft het overlijden binnen het gevangeniswezen inclusief de PPC’s. In 2010 zijn vijf gevallen van overlijden en twintig 20 suïcides in de penitentiaire inrichtingen gemeld. In alle vijf gevallen was er sprake van natuurlijk overlijden en zijn er door de IGZ geen tekortkomingen in de zorg geconstateerd. In deze vijf gevallen was er sprake van acute dood, vier maal gevonden op cel, eenmaal acuut overleden tijdens het luchten. De IGZ heeft geconstateerd dat deze gevallen van overlijden niet waren te vermijden.
In 2010 is er sprake geweest van een stijging van het aantal sterfgevallen door suïcide. De IGZ heeft al deze gevallen onderzocht. Bij geen van de suïcides is de IGZ tot de conclusie gekomen dat tekortkomingen in de zorg geleid hebben tot de suïcide. In 2010 vonden in één penitentiaire inrichting vier suïcides plaats in betrekkelijk korte tijd. Bij deze vier casus en een ernstige suïcidepoging is door de IGZ nagegaan of er een samenhang was of dat een en ander wees op een structurele tekortkoming in de zorg. Hiervan is niet gebleken. De IGZ heeft geconcludeerd dat er geen noodzaak was voor uitgebreider onderzoek. Wel is de betreffende penitentiaire inrichting meegenomen in het eerder genoemde follow-up onderzoek naar medische diensten.
Het systematisch toezicht van de IGZ geeft mij waardevolle informatie over de sterfgevallen en eventuele patronen hierin. Daarnaast zijn een aantal andere maatregelen genomen die meer inzicht verschaffen in de aard en omvang van de sterfgevallen in de pi’s. In de eerste plaats is in opdracht van de Dienst Justitiële Inrichtingen in 2011 kwalitatief onderzoek gestart naar de determinanten van suïcides in de periode 2005–2010. In dit onderzoek wordt onder meer bezien welke factoren van invloed zijn op suïcides. Dit onderzoek wordt in maart 2012 afgerond. Daarnaast is de Nationale Ombudsman in augustus 2011 een onderzoek gestart naar de laatste tien sterfgevallen in detentie. Dit onderzoek wordt eind februari 2012 opgeleverd.