Het categorisch weigeren van mediacontacten van personen werkzaam in het gevangeniswezen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp, waarin u de Kamer laat weten dat contacten met regionale media worden toegestaan en dat voor contacten met de landelijke pers is afgesproken dat hierover eerst moest worden afgestemd met de Directie Voorlichting van het ministerie van Veiligheid en Justitie?1
Ja.
Hoeveel verzoeken om dergelijke contacten met landelijke media zijn inmiddels voorgelegd aan de Directie Voorlichting van het ministerie van Veiligheid en Justitie? Hoeveel daarvan zijn afgewezen en hoeveel zijn er toegewezen?
Dagelijks verzoeken diverse media om contact in enige vorm met de Dienst Justitiële Inrichtingen. Als het om verzoeken van landelijke media gaat, is de afspraak dat hierover eerst moet worden afgestemd met de directie Voorlichting van het ministerie. De directie Voorlichting beoordeelt de verzoeken inhoudelijk alvorens een besluit te nemen over toekenning c.q. afwijzing. Sinds de beantwoording van de vorige Kamervragen zijn in totaal twaalf verzoeken voorgelegd aan de Directie Voorlichting van het Ministerie. Deze zijn alle gehonoreerd. Zie voorts het antwoord op vraag 4.
Is het waar dat contacten tussen personen die werkzaam zijn in het gevangeniswezen met landelijke pers categorisch worden afgewezen? Zo ja, op basis waarvan? Waar bent u bang voor?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat landelijke media bijvoorbeeld interesse hebben in het volgen van een of meer inrichtingswerkers op de dag van het rondetafelgesprek over de bezuinigingsplannen in de Tweede Kamer? Wat is hier op tegen?
Wanneer het parlement een hoorzitting organiseert om in de behoefte aan informatie te voorzien, dan vind ik het passend om terughoudendheid te betrachten bij contacten met de pers voorafgaand aan die hoorzitting. Zoals aan zowel de pers als aan de PI-medewerkers is meegedeeld, is na afloop van de hoorzitting wel gelegenheid voor contacten met de pers.
Bent u eveneens bekend met het feit dat als een van de argumenten om dergelijke verzoeken om mediacontacten af te wijzen genoemd wordt «respect voor de Tweede Kamer»? Kunt u dit toelichten? Bent u bereid in ieder geval dit non-argument niet meer te gebruiken?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 17 april om 18:00 uur te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Meer mensenhandel, minder veroordeelden’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Meer mensenhandel, minder veroordeelden»?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de vierde plaats die Nederland inneemt, na Spanje, Italië en Roemenië, als EU-land met het grootste aantal slachtoffers van mensenhandel? Leidt dit tot aanpassingen van het beleid? Zo ja, welke aanpassingen? Zo nee, waarom niet?
Mensenhandel is een zeer ernstig misdrijf. De aanpak van mensenhandel is dan ook een prioriteit van dit kabinet. Mede vanwege de prioriteit die wordt gegeven aan de aanpak van mensenhandel komt een groot aantal slachtoffers in beeld. Bovendien komt door de brede multidisciplinaire aanpak de aard en de omvang van mensenhandel in Nederland steeds beter in zicht. Ook het Eurostatrapport waarnaar in het bericht «Meer mensenhandel, minder veroordeelden» wordt verwezen, geeft aan dat onder andere een hogere prioritering van de aanpak van mensenhandel het aantal geregistreerde slachtoffers kan beïnvloeden.2 Ik zie hierin dan ook geen aanleiding om het beleid gericht op de bestrijding van mensenhandel aan te passen.
Overigens is het voor een vergelijking van het aantal slachtoffers van mensenhandel op EU-niveau van belang te vermelden dat in Nederland mogelijkeslachtoffers van mensenhandel worden geregistreerd. Andere lidstaten hanteren andere definities. Door het verschil in registratiecriteria kan een vergelijking met andere EU-lidstaten een vertekend beeld geven. Eurostat zelf stelt in het rapport dat de huidige staat van de resultaten niet geheel voldoet aan de strenge vereisten van de European Statistics Code of Practice en dat bij de interpretatie van de cijfers dan ook voorzichtigheid is geboden.3
Welke tendens is er in Nederland inzake het aantal veroordelingen voor mensenhandel?
Uit cijfers van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat In 2010 voor het eerst sprake was van een duidelijke relatieve stijging van het aantal veroordelingen voor mensenhandel naar 59% en in 2011 is dit ongeveer gelijk gebleven (60%). In 2012 zien we wederom een forse stijging in het aandeel mensenhandelveroordelingen (naar 71%). Uit de cijfers blijkt verder dat de rechter in eerste aanleg in 2012 de meeste mensenhandelzaken heeft afgedaan (153). Dit is het grootste aantal sinds in ieder geval het jaar 2000.
Bent u bereid de EU-lidstaten die de richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L101) nog niet geïmplementeerd hebben op te roepen zo snel mogelijk de richtlijn te implementeren, gelet op het bericht hierover in Die Welt, dat op dit moment slechts vijf EU-lidstaten de richtlijn hebben geïmplementeerd?2
Het toezicht op de naleving en tijdige implementatie door de lidstaten van Europese wetgeving ligt bij de Europese Commissie. Als een lidstaat niet aan zijn verplichtingen voldoet, kan de Commissie tegen die inbreuk optreden en zo nodig een zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.
Kunt u per EU-lidstaat inzicht verschaffen in het aantal slachtoffers van mensenhandel voor prostitutiedoeleinden?
Het in het antwoord op vraag 2 genoemde Eurostatrapport getiteld «Trafficking in human beings», dat onlangs is verschenen, verschaft inzicht in het aantal (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel per EU-lidstaat dat slachtoffer is van seksuele uitbuiting in de periode 2008 tot 2010.5
Bent u bereid een vergelijking te maken van de wetgeving in andere EU-lidstaten inzake mensenhandel en prostitutie in verhouding tot het aantal slachtoffers van mensenhandel? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Een overzicht van het aantal geregistreerde (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting per EU-lidstaat heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde bij het vaststellen van de effectiviteit van wetgeving inzake de bestrijding van mensenhandel in verschillende EU-lidstaten. Een groot aantal geregistreerde mogelijke slachtoffers kan juist een belangrijke indicatie zijn dat mensenhandel beter in beeld wordt gebracht en dat de aanpak van mensenhandel zijn vruchten begint af te werpen.
Bovendien worden in de Europese Unie geen uniforme registratiecriteria gehanteerd voor mogelijke slachtoffers van mensenhandel, waardoor een vergelijking op EU-niveau van het aantal slachtoffers mensenhandel een vertekend beeld kan geven.
Wilt u de «best practices» in andere EU-lidstaten benutten voor verbeteringen van het Nederlandse beleid en kunt u hier de Tweede Kamer nader over informeren?
Ik acht een uitwisseling van internationale «best practices» in het kader van de aanpak van mensenhandel van groot belang. Mede in het verlengde daarvan heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie, in nauwe samenwerking met Polen en Cyprus, medio april een Europese conferentie ter versterking van de multidisciplinaire operationele samenwerking bij de aanpak van mensenhandel georganiseerd. Tijdens deze conferentie stond de uitwisseling van «best practices» tussen verschillende beroepsgroepen uit de lidstaten en met de betrokken Europese agentschappen centraal. Het was een zeer inspirerende conferentie waaruit het belang van multidisciplinaire internationale samenwerking, ook op operationeel niveau, duidelijk naar voren kwam. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten van deze conferentie informeren.
Hoe beoordeelt u de stelling van de EU-commissaris voor Binnenlandse Zaken Malmström dat dit slechts het topje van de ijsberg is? Wat zijn uw bevindingen in Nederland?
Het is erg moeilijk een betrouwbare schatting van het aantal slachtoffers van mensenhandel te geven, aangezien dit misdrijf zich doorgaans in het verborgene afspeelt. In Nederland zien we dat het geregistreerde aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel jaarlijks toeneemt, mede dankzij de alertheid van ketenpartners en de actievere melding van signalen van mensenhandel.
Wat is uw reactie op het rapport dat de EU-commissaris voor Binnenlandse Zaken Malmström vandaag hierover uitbrengt?
Zicht op de aard en omvang van mensenhandel en grensoverschrijdende samenwerking zijn van belang voor effectief beleid op dit terrein. Ik acht het rapport «Trafficking in human beings» van de Europese Commissie dan ook van groot belang voor de verdere versterking van de (internationale) aanpak van mensenhandel.
Het gedogen van qat-gebruik |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat het gedoogbeleid voor drugs ruimer wordt?1
Ja.
Is het bericht juist dat politie en Openbaar Ministerie niet op zullen treden tegen kleine hoeveelheden qat voor eigen gebruik? Zo ja, betreft dit een zelfstandig besluit van politie en Openbaar Ministerie?
Er is en zal geen sprake zijn van het gedogen van strafbare handelingen ten aanzien van qat.
Qat staat sinds begin dit jaar op lijst II van de Opiumwet. Dit betekent dat alle in de Opiumwet verboden handelingen, waaronder in- en uitvoer, het vervoeren, verkopen en het aanwezig hebben van toepassing zijn. Zoals in de Nota van Toelichting bij het in vraag 3 genoemde besluit van 18 december 2012 al werd aangegeven, wordt de strafrechtelijke handhavingscapaciteit vooral ingezet op het tegengaan van de in- en uitvoer, de handel en de distributie van qat. Gebruik als zodanig valt niet onder de door de Opiumwet verboden handelingen. Dat geldt voor cannabis en ook voor qat.
De straffen die op lijst II middelen van toepassing zijn, staan vermeld in artikel 11 van de Opiumwet. Die bepaling maakt een onderscheid in de strafmaat. Uit het zevende lid van deze bepaling vloeit voort dat de strafmaat voor de verboden gedragingen, met uitzondering van in-en uitvoer, lager is als het gaat om een geringe hoeveelheid. De lagere strafmaat voor een beperkte hoeveelheid bepaalt de wijze van opsporing. Deze houdt in dat er geen gerichte opsporing plaatsvindt, maar dat wel bij aantreffen steeds inbeslagneming van het aangetroffen middel zal volgen. Bij deze wijze van optreden is er geen sprake van gedogen.
De term gedogen is in het drugbeleid gereserveerd voor en blijft beperkt tot het niet strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops die zich aan de gedoogcriteria houden.
Ten slotte, waar qatgebruik overlast veroorzaakt en deze overlast gepaard gaat met verstoring van de openbare orde, zoals parkeeroverlast, geluidsoverlast en vervuiling van de openbare weg, kunnen deze vormen van overlast worden aangepakt via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Handhaving van de APV-voorschriften is een zaak van het lokale gezag. Dit geldt eveneens voor toepassing van de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden op het gebied van de handhaving van de openbare orde.
Hoe verhoudt zich dit tot het Besluit van 18 december 2012 (Stb. 2013, nr. 1) dat alle in artikel 3 van de Opiumwet genoemde handelingen met qat verboden zijn?
De hiervoor geschetste aanpak ten aanzien van qat is in overeenstemming met dit besluit.
Hoe voorkomt u dat van het toestaan van qat voor eigen gebruik een legitimerende werking uitgaat die lijnrecht ingaat tegen het besluit om qat op lijst van verboden middelen te plaatsen? Werkt een dergelijke beleid niet erg verwarrend?
Zoals ik in mijn antwoord op vragen 2 en 5 heb aangegeven, is en zal er geen sprake zijn van het gedogen van strafbare handelingen ten aanzien van qat.
Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat het verbod op het gebruik van qat daadkrachtig gehandhaafd wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Qat gedoogd zal worden |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gedoogbeleid voor drugs wordt ruimer»?1
Ja.
Herinnert u zich de motie Sterk-Van Nieuwenhuizen-Wijbenga die oproept tot een reductie tot nul van het gebruik en handel in qat?2
Ja.
Herinnert u zich het Besluit van 18 december 2012, houdende wijziging van lijst II, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing op deze lijst van het middel qat?3
Ja.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie (OM) voornemens is om het gebruik van qat te gedogen?
Er is en zal geen sprake zijn van het gedogen van strafbare handelingen ten aanzien van qat.
Qat staat sinds begin dit jaar op lijst II van de Opiumwet. Dit betekent dat alle in de Opiumwet verboden handelingen, waaronder in- en uitvoer, het vervoeren, verkopen en het aanwezig hebben van toepassing zijn. Zoals in de Nota van Toelichting bij het in vraag 3 genoemde besluit van 18 december 2012 al werd aangegeven, wordt de strafrechtelijke handhavingscapaciteit vooral ingezet op het tegengaan van de in- en uitvoer, de handel en de distributie van qat. Gebruik als zodanig valt niet onder de door de Opiumwet verboden handelingen. Dat geldt voor cannabis en ook voor qat.
De straffen die op lijst II middelen van toepassing zijn, staan vermeld in artikel 11 van de Opiumwet. Die bepaling maakt een onderscheid in de strafmaat. Uit het zevende lid van deze bepaling vloeit voort dat de strafmaat voor de verboden gedragingen, met uitzondering van in-en uitvoer, lager is als het gaat om een geringe hoeveelheid. De lagere strafmaat voor een beperkte hoeveelheid bepaalt de wijze van opsporing. Deze houdt in dat er geen gerichte opsporing plaatsvindt, maar dat wel bij aantreffen steeds inbeslagneming van het aangetroffen middel zal volgen. Bij deze wijze van optreden is er geen sprake van gedogen.
De term gedogen is in het drugbeleid gereserveerd voor en blijft beperkt tot het niet strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops die zich aan de gedoogcriteria houden.
Ten slotte, waar qatgebruik overlast veroorzaakt en deze overlast gepaard gaat met verstoring van de openbare orde, zoals parkeeroverlast, geluidsoverlast en vervuiling van de openbare weg, kunnen deze vormen van overlast worden aangepakt via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Handhaving van de APV-voorschriften is een zaak van het lokale gezag. Dit geldt eveneens voor toepassing van de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden op het gebied van de handhaving van de openbare orde.
Deelt u de visie dat de handel in qat actief bestreden dient te worden door het OM en de politie?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het gedogen van het gebruik van qat ertoe kan leiden dat de afzet van illegaal geïmporteerde qat (deels) wordt gestimuleerd?
Zoals ik in mijn antwoord op vragen 4 en 5 heb aangegeven, is en zal er geen sprake zijn van het gedogen van strafbare handelingen ten aanzien van qat.
Zijn aanvullende maatregelen nodig om te voorkomen dat crimineel verkregen winsten uit de handel in qat niet worden doorgesluisd naar criminele of zelfs terroristische organisaties in het buitenland?
Nee. Op het moment dat een redelijk vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd, kunnen de bestaande instrumenten worden ingezet om beslag te leggen op criminele winsten, mede om te voorkomen dat gelden worden doorgesluisd naar criminele of terroristische organisaties in het buitenland.
Hoe beoordeelt u de samenwerking met de Engelse douane en opsporingsdiensten ten aanzien van het tegengaan van de illegale import van qat?
Deze samenwerking verloopt goed. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden van 19 maart 2013 op schriftelijke vragen van het lid Van der Steur van uw Kamer (ingezonden 17 januari 2013, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1700).
Het gebruik van onbemande vliegtuigjes |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Snel regels onbemande vluchten»?1
Ja.
Wat zijn de geldende regels met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor met camera’s uitgeruste onbemande vliegtuigjes?
Het aangehaalde bericht omvat het inzetten van onbemande vliegtuigjes met camera’s door de overheid en door bedrijven die dat al dan niet in opdracht van de overheid doen, en het inzetten van modelvliegtuigjes met camera’s door burgers.
Het inzetten van onbemande vliegtuigjes met camera’s door de overheid, of door bedrijven ten behoeve van een overheidstaak, gebeurd in beginsel niet met het oogmerk om personen herkenbaar in beeld te brengen. Ter illustratie verwijs ik naar mijn antwoorden van 8 mei 2013 op de vragen van de leden Schouw en Berndsen-Jansen van uw Kamer2. Daarin heb ik bovendien aangegeven dat de door de politie ingezette Ravens van Defensie op een hoogte van 300 meter vliegen en dat Ravens geen beelden kunnen maken waarop personen herkenbaar zijn.
Voor de gevallen waarin wel de mogelijkheid en het oogmerk bestaat om een persoon herkenbaar in beeld te brengen, en er om die reden van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake kan zijn, heeft de overheid in het Wetboek van Strafrecht (WvSr) de bepalingen 139f en 441b opgenomen. Deze bepalingen richten zich tot een ieder en hebben tot doel het op ongecontroleerde wijze gebruiken van verborgen camera’s in onze samenleving te voorkomen.3
Artikel 139f WvSr stelt strafbaar het door middel van een technisch hulpmiddel heimelijk, opzettelijk en wederrechtelijk maken van een afbeelding van een persoon in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats. Artikel 441b WvSr stelt strafbaar het door middel van een technisch hulpmiddel heimelijk en wederrechtelijk maken van een afbeelding van een persoon op een voor het publiek toegankelijke plaats.
Beide strafbepalingen bieden de mogelijkheid om op te treden tegen het heimelijk inzetten van op een onbemand vliegtuigje gemonteerde camera’s gericht op het herkenbaar in beeld brengen van een persoon. Met het bestanddeel «wederrechtelijk» wordt onder meer beoogd het heimelijk gebruik van camera’s door de overheid in het belang van de opsporing of de nationale veiligheid, met als oogmerk het herkenbaar in beeld brengen van een persoon, uit te sluiten van strafbaarstelling, mits dat gebruik binnen de daarvoor geldende kaders valt.4
Zijn de regels afdoende en handhaafbaar? Zo nee, hoe gaat u hier verbetering in aanbrengen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het wettelijke regime voor de taakuitoefening door de overheid bevat voldoende waarborgen voor het respecteren van de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie die taakuitoefening betrekking heeft. Ten aanzien van het inzetten van onbemande vliegtuigjes met camera’s door bedrijven die dat niet in opdracht van de overheid doen en het inzetten van modelvliegtuigjes met camera’s door burgers, hebben mij geen concrete signalen bereikt van een gebrekkige handhaafbaarheid van de regels of van overtredingen van de regels.
Deelt u de mening van het College Bescherming Persoonsgegevens dat de kans groot is dat deze regels door gebruikers van die vliegtuigjes worden overtreden? Zo ja, heeft u een indruk van de aard en hoeveelheid van deze overtredingen? Zo nee, worden deze regels niet overtreden of heeft geen kennis van dergelijke overtredingen?
Zie antwoord vraag 3.
De privacyvoorwaarden bij apps en ander mobiel telefoongebruik |
|
Gerard Schouw (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aflevering van Nieuwsuur op donderdag 14 maart 2013 over de privacyvoorwaarden bij apps?1
Ja.
Deelt u de conclusie van dit item dat bedrijven hun voorwaarden bewust zo gecompliceerd maken dat gebruikers ze nooit zullen lezen?
Deze vragen betreffen de relatie tussen specifieke producenten en consumenten. Het is niet aan mij om een oordeel uit te spreken over de invulling van die relatie.
Ik kan wel aangeven dat de privacywetgeving, opgenomen in de Wet bescherming persoonsgegevens en de Telecommunicatiewet, vereist dat de privacy voorwaarden bij apps beknopt en voor iedereen leesbaar en begrijpelijk zijn. De eindgebruiker die een app afneemt waarmee persoonsgegevens worden verwerkt, moet duidelijk en volledig worden geïnformeerd over de identiteit van de partij die deze gegevens verwerkt en de doeleinden van de verwerking. Daarnaast is toestemming van de eindgebruiker vereist. Zonder duidelijke informatie kan geen sprake zijn van toestemming, aangezien die moet bestaan uit een «vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting» van de eindgebruiker.
Organisaties en bedrijven dienen bij het aanbieden van een dienst, zoals een app, dan ook transparant te zijn over de verwerking van persoonsgegevens van gebruikers van die dienst.
Bij eventuele klachten over de naleving van de wettelijke (informatie)verplichtingen kunnen de consumenten zich wenden tot de Autoriteit Consument & Markt en het College Bescherming Persoonsgegevens.
Wat betekent dit volgens u voor de gemaakte keuze van de consument die met deze voorwaarden instemt? Is hier sprake van een vrije keuze zoals gesteld in privacywetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u specifiek ingaan op de gebruiksvoorwaarden van Apple waarmee je per definitie moet instemmen na aankoop van een iPhone om van relevante applicaties gebruik te kunnen maken? Is hier sprake van vrije keuze zoals gesteld in privacywetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u tevens kennisgenomen van het artikel Unique in the Crowd: The privacy bounds of human mobility?2
Ja.
Wat betekent de conclusie dat zeer ruwe locatiegegevens, namelijk viermaal een meting elk uur gemeten via mobiele zendmasten, in 95% van de gevallen zijn te herleiden tot personen en daarmee persoonsgegevens zijn voor het verzamelen van locatiegegevens door bijvoorbeeld apps of andere telefoondiensten? Wat betekent dit voor dienstverleners die gebruikmaken van locatiegegevens, de gegevens die zij hiermee verzamelen en de toestemming die zij hiervoor vragen?
In het artikel wordt verwoord dat uit grote hoeveelheden geanonimiseerde data patronen te ontdekken zijn die in combinatie met andere datasets, bijvoorbeeld apps, te herleiden zijn tot groepen of personen. Deze ontwikkeling is interessant voor het voorspellen voor de inzet van bijvoorbeeld het OV, kans op file, capaciteit op mobiele netwerken, inzet van personeel in winkels, horeca en in het verlengde daarmee de logistiek en de bevoorrading.
Ik onderken het economisch belang van de ontwikkeling van de online-diensten, waaronder apps, en het belang van het bieden van ruimte voor innovatie. Als het daarbij gaat om bijvoorbeeld het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens, dient dat wel binnen de wettelijke kaders te gebeuren, zodat de privacy van de eindgebruiker gewaarborgd blijft (ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 2 en 3).
Een goede bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer draagt immers bij aan het digitale vertrouwen van betrokkenen en daarmee aan de groei van digitale diensten en de economie.
De DigiNotar-affaire op basis van WOB-stukken |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u beschrijven hoe de exacte overdracht van de operationele bevoegdheden van DigiNotar heeft plaatsgevonden?1
Deze beschrijving vindt u in mijn besluiten op Wob-verzoeken over dit onderwerp. Deze zijn met bijlagen te vinden op de website rijksoverheid.nl onder Wob-verzoeken.
Kortheidshalve verwijs ik u daarnaar.
Op welke manier is tijdens het intensieve telefooncontact op de avond van 2 september 2011 DigiNotar en moederbedrijf VASCO overtuigd dat het overdragen van alle verantwoordelijkheden wenselijk was?
Blijkbaar was ook VASCO van mening, dat het inschakelen van een medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor het operationeel management voor het algemeen maatschappelijk belang de beste oplossing was om de klanten van DigiNotar te ondersteunen om op een beheerste wijze over te stappen naar andere leveranciers van certificaten. Op 3 september 2011 heeft VASCO een volmacht afgegeven, waarin de overname van het operationele management geregeld werd. Anders dan u stelt, zijn niet alle verantwoordelijkheden overgedragen, maar uitsluitend het operationeel management zoals omschreven in de volmacht.
Kunt u uitleggen op basis van welke wettelijke grondslag is overgegaan tot het de facto overnemen van DigiNotar en kunt u de juridische onderbouwing toelichten?
DigiNotar is niet de facto overgenomen. Alleen het operationeel management is overgenomen na goed overleg met VASCO. Hieraan ligt geen specifieke wettelijke bepaling ten grondslag.
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om de volmacht breder te maken dan de eigen overheidscertificaten en er is gekozen voor alle certificaten van DigiNotar?
Beperking tot de PKI-overheid certificaten zou niet voldoende zijn geweest voor de continuïteit van de dienstverlening door overheidsorganen en enkele vitale sectoren.
Overheidsorganisaties gebruikten voor hun online dienstverlening niet alleen certificaten van PKI-overheid, maar ook grote(re) aantallen certificaten van DigiNotar zelf («eigen merk»). Daarnaast gebruikten enkele sectoren met een publieke taak grote aantallen certificaten van DigiNotar zelf (notariaat, gerechtsdeurwaarders) evenals de advocatuur (met een eigen productieomgeving voor certificaten van DigiNotar), de energiesector, de financiële sector en de belastingdienst.
Kunt u een toelichting geven op het specifiek uitlichten van de gebruikerslijst in deze volmacht en het belang van deze gebruikerslijst beschrijven?
In de volmacht is een trits van specifieke bevoegdheden opgesomd, waaronder de toegang tot de gebruikerslijsten, zodat over deze bevoegdheden in de praktijk geen discussies zou kunnen ontstaan of ze wel behoorden tot de operationele bevoegdheid van de gemachtigde bestuurder.
Kunt u bevestigen dat een belangrijke reden voor de overname van DigiNotar het in bezit krijgen van de zogenaamde gebruikerslijsten was?
Aangezien externe partijen, zoals de browserleveranciers Mozilla en Microsoft het vertrouwen in alle door DigiNotar geleverde certificaten hadden opgezegd liepen op heel korte termijn veel belangrijke processen risico op verstoring of zelfs stilvallen.
De gebruikerslijsten waren daarom belangrijk om alle gebruikers van door DigiNotar geleverde certificaten snel te kunnen informeren over de status van hun certificaten en hen te ondersteunen bij de overstap naar een andere certificatenleverancier, zodat hun dienstverlening ongestoord zou kunnen blijven doorgaan met gebruik van een nieuw, vertrouwd certificaat.
Kunt u bevestigen dat de overheid had kunnen en had moeten beschikken over haar eigen gedeelte van de gebruikerslijst, aangezien het hier ging om diensten door haarzelf afgenomen?
Nee. Elke afnemer van certificaten houdt een registratie bij van de eigen certificaten. Er is geen overheidsbrede administratie van certificaten, noch van certificaten van PKI-overheid noch van certificaten van andere leveranciers van certificaten. «De overheid» zelf is geen juridische entiteit, maar bestaat uit vele zelfstandige bestuursorganen en organisaties, die zelf verantwoordelijk zijn voor het beheer van de door hen aangeschafte ICT-middelen.
De leveranciers van certificaten hebben uiteraard een sluitende administratie van alle uitgegeven certificaten, maar geen verplichting om een lijst met hun afnemers aan derden te geven. Dit is ook niet gewenst vanwege onnodige regeldruk en concurrentieoverwegingen.
Kunt u toelichten wat het zelf in bezit hebben van deze gebruikerslijst had uitgemaakt voor de urgentie en de noodzaak van het overnemen van DigiNotar?
Zie antwoord op vraag 7. De gebruikerslijsten vormden slechts een onderdeel van de aspecten die onderdeel uitmaakten van het operationele management.
Kunt u ingaan op de huidige situatie met betrekking tot gebruikerslijsten? Beschikt de overheid nu wel accurate lijsten van op welke plekken welke diensten afgenomen worden?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven op welke voorwaarden Microsoft akkoord is gegaan met het uitstel van een update voor de Nederlandse markt van een week?
Microsoft heeft geen voorwaarden gesteld aan het uitstel.
Kunt u uitsluiten dat er voor het maken van deze afspraak enige koppeling is gelegd met andere afspraken of contracten tussen de overheid en Microsoft in het verleden, heden of toekomst?
Ja.
Wordt er gewerkt aan alternatieven voor SSL waar de overheid voor haar dienstverlening van gebruik zou kunnen maken? Welke rol speelt de overheid hier zelf in?
Er bestaan ideeën over alternatieven voor SSL-certificaten. Enkele bedrijven ontwikkelen deze verder in overleg met relevante partijen. Wanneer dit onderwerp in EU verband wordt besproken, spreekt Nederland mee. Deze alternatieven zullen op de korte en middellange termijn (3–5 jaar) nog geen vervanger zijn voor de SSL-certificaten.
In opdracht van het Ministerie van EZ en BZK heeft de Leverancier Logica (thans bekend onder de naam CGI) op 8 maart 2012 een rapport gepubliceerd met als titel «Evaluatie PKI». In dit rapport is ook gekeken naar alternatieven voor SSL. Conclusie van de onderzoekers was dat alternatieven enerzijds nog niet goed zijn uitgekristalliseerd en anderzijds nog niet volwassen genoeg zijn voor brede toepassing.
Het bericht dat de Verenigde Staten al langer zuchten onder cyberaanvallen |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VS zuchten al langer onder cyberaanvallen»?1
Ja.
Is het waar dat een radicale hackactivistengroep genaamd «Cyber Fighters of Izz ad-Din al-Qassam» verantwoordelijk is voor cyberaanvallen op financiële instellingen in de VS?
Een groep die zichzelf Cyber Fighters of Izz ad-Din al-Qassam noemt, heeft de verantwoordelijkheid voor meerdere grootschalige aanvallen op de financiële sector in de Verenigde Staten opgeëist. Deze groepering staat niet op de EU- of een nationale terrorismelijst. In de media is gesuggereerd dat de Iraanse overheid een relatie heeft met de Cyber Fighters of Izz ad-Din al-Qassam. De Iraanse overheid heeft publiekelijk ontkend betrokken te zijn bij de cyberaanvallen op de Amerikaanse banken. Bij het Nationaal Cyber Security Centrum en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is bekend dat statelijke actoren of aan staten gelieerde actoren zich in toenemende mate in het digitale domein begeven. De AIVD onderzoekt de herkomst van dergelijke cyberaanvallen, maar kan in het openbaar geen mededelingen doen over de uitkomst van deze onderzoeken.
Welke informatie is bekend over deze groepering? Staat deze groepering op een terreurlijst, bijvoorbeeld de terreurlijst van de EU?
Zie antwoord vraag 2.
Worden de banktegoeden van deze groepering of daaraan gelieerde personen bevroren? Zo nee, bent u bereid u (al dan niet in internationaal verband) ervoor in te zetten dat dit zal gaan gebeuren?
Aangezien de groepering niet op een sanctielijst voorkomt, zijn eventuele tegoeden niet bevroren. Nederland beschikt niet over informatie die als basis zou kunnen voor een voorstel tot het bevriezen van tegoeden. Ik zie voor nu dan ook geen aanknopingspunten om hier in internationaal verband voor te pleiten.
Kunt u aangeven of deze groepering feitelijk door een staat wordt aangestuurd, in die zin dat de staat verantwoordelijk is voor de cyberaanvallen? Zo ja, om welke staat gaat het?
Zie antwoord vraag 2.
Door wie of wat wordt deze groepering gefinancierd? Kunnen deze financiers strafrechtelijk worden vervolgd?
Informatie over de financieringsbronnen van de groep die de verantwoordelijkheid heeft opgeëist is niet beschikbaar. Generiek kan ik aangeven dat het financieren van cybercriminaliteit in de vorm van een DDos-aanval in Nederland, in voorkomende gevallen, strafbaar is als deelneming aan het misdrijf belemmeren van de toegang of het gebruik van geautomatiseerde werken (artikel 138b Sr).
Zijn de recente DDos-aanvallen op Nederlandse financiële instellingen ook afkomstig van deze groepering? Zo nee, kunt u aangeven welke groepering dan wel verantwoordelijk is voor deze aanvallen en of dit eveneens een groepering is met een ideologische inslag?
Op dit moment voert het Team High Tech Crime van de politie op last van het Openbaar Ministerie een onderzoek uit naar de DDos-aanvallen. Dit onderzoek is in volle gang, daarmee is het onmogelijk om nu al uitspraken te doen over mogelijke daders en/of motieven. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat de genoemde groepering verantwoordelijk is voor de cyberaanvallen op de Nederlandse banken. Bij DDos-aanvallen is de website van een bank tijdelijk onbereikbaar doordat grote hoeveelheden verkeer worden verstuurd naar de website. Daardoor is het uitvoeren van transacties onmogelijk. Er is echter nadrukkelijk geen sprake van het ontvreemden van tegoeden van klanten. Daardoor wordt dus geen schade geleden. Wel is het mogelijk dat klanten tijdelijk geen transactie hebben kunnen uitvoeren. De schade van het niet op dat moment uit kunnen voeren van transacties valt moeilijk in te schatten.
Wat is de omvang van de schade van deze cyberaanvallen op Nederlandse banken? Vinden deze aanvallen plaats om financiële fraude te verhullen of wordt hiermee een ideologisch doel gediend?
Zie antwoord vraag 7.
Is er al contact geweest met de VS over de cyberaanvallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke afspraken zijn er gemaakt?
Ondermeer het NCSC en de AIVD hebben regelmatig contact met enerzijds het onder het Department of Homeland Security ressorterende US-Cert (Computer Emergency Response Team), en anderzijds de Amerikaanse Inlichtingen en Veiligheidsdiensten. In deze contacten wisselen het centrum en de diensten onder meer kennis en informatie uit. Ook gerubriceerde informatie over digitale aanvallen kan daarbij worden gedeeld. Over internationale samenwerking met deze diensten in concrete gevallen doen wij in het openbaar geen uitspraken.
Is de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) in voldoende mate toegerust om met betrekking tot deze nieuwe vormen van terrorisme de veiligheid van Nederland te waarborgen en inlichtingen daaromtrent te vergaren?
Contraterrorisme en cyber security zijn, zowel afzonderlijk als in samenhang, prioriteiten van de AIVD. Om de technologische ontwikkelingen op dit gebied bij te houden zal daarin de komende jaren verder geïnvesteerd moeten worden.
Welke concrete acties gaat u naar aanleiding van deze aanvallen nemen dan wel heeft u reeds genomen?
In onze brief d.d. 16 april heb ik samen met de Minister van Financiën de Tweede Kamer ingelicht over de ondernomen acties. In het kader van de actieve informatie-uitwisseling met de banken is het belangrijk dat met hen is afgesproken dat een liaison in het NCSC wordt geplaatst om de intensieve samenwerking te bestendigen. Daarnaast heb ik de Kamer geïnformeerd over het nog dit jaar actualiseren van de Nationale Cyber Security Strategie met als belangrijk onderdeel het samen met de AIVD en de MIVD op- en uitbouwen van een Nationaal Detectie en Response Netwerk. Daarnaast zal de aanpak van «Botnets» (netwerken van geïnfecteerde computers die gebruikt kunnen worden bij een (DDos) aanval) worden geïntensiveerd en zal het juridisch instrumentarium worden aangepast aan de ontwikkelingen in het digitale domein.
Het bericht ‘’ Medische gegevens via hoorwinkels op straat” |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Medische gegevens via hoorwinkels op straat»1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat informatie van klanten die een gehoorapparaat laten aanmeten op straat ligt?
Volgens zorgverzekeraars en audiciens zijn er geen klantgegevens «op straat» gekomen zoals u suggereert. Zorgverzekeraars hebben samen met veldpartijen een digitaal hoorprotocol ontwikkeld dat bedoeld is om een adequaat hoortoestel te kunnen indiceren. Toen direct na de invoering van dit systeem bleek dat audiciens die werkzaam zijn bij hetzelfde bedrijf of bij dezelfde bedrijvengroep elkaars (klant)gegevens konden inzien, hebben zorgverzekeraars meteen gereageerd door het systeem uit de lucht te nemen. Overigens waren de gegevens nimmer toegankelijk voor niet audiciens.
Deelt u de mening dat het nieuwe systeem fraude in de hand kan werken? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat een protocol dat is afgestemd met het veld en bedoeld is om een adequaat hoortoestel te kunnen voorschijven, ten principale frauduleus handelen in de hand zou werken. Ik ga er vanuit dat alle betrokken partijen zorgvuldig en conform de regels van de Wet bescherming Persoonsgegevens met klantgegevens omgaan. Nu het systeem uit de lucht is gehaald, zie ik op dit moment geen reden tot ingrijpen.
Wat vindt u ervan dat hoorwinkels bij elkaar in de «keuken» (elkaar gegevens kunnen inzien) kunnen kijken?
Ook toen het systeem nog actief was, konden hoorwinkels niet in elkaars keuken kijken. Alleen audiciens die werkzaam zijn bij dezelfde hoorwinkel of bij dezelfde landelijke organisatie van hoorwinkels konden elkaars patiëntendossiers benaderen. Bij nader inzien blijkt de toegang tot deze dossiers te ruimhartig en niet proportioneel te zijn. Ook de sector acht het niet wenselijk dat zelfstandige ondernemers de klantgegevens van elkaar kunnen inzien. Ik deel deze mening. Door het uit de lucht halen van het systeem is aan deze situatie echter direct een einde gemaakt.
Welke maatregelen moeten de hoorwinkels nemen om een einde aan deze ongewenste situatie te maken?
In eerste instantie zijn organisaties zoals Hoorwinkels zelf verantwoordelijk dat er volgens de wet- en regelgeving – en conform de normen die de sector heeft vastgelegd – zorgvuldig wordt omgegaan met persoonsgegevens. Indien dat niet het geval is, verwacht ik dat de sector passende maatregelen neemt. Ik ben door audiciens en zorgverzekeraars tevens geïnformeerd dat er wijzigingen in het systeem zullen worden aangebracht waardoor een audicien alleen nog toegang krijgt tot de klantdossiers van een individuele winkel of vestiging. Bovendien dienen hoorwinkels te verklaren dat ze alle voorwaarden in acht zullen nemen om zorgvuldig om te gaan met klantgegevens. Pas nadat deze afspraken zijn gewaarborgd, zal het systeem weer operationeel worden.
Het bericht dat Russische spionnen erg actief zijn in Nederland |
|
Gerard Schouw (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Nederland kwetsbaar voor Russische spionage» en «Russische spionnen jagen op Nederlandse wapenkennis»?1
De presentie van de Russische inlichtingendiensten in het buitenland is in het algemeen in de afgelopen decennia hoog geweest. Ze maken hierbij gebruik van een structurele presentie van inlichtingenofficieren op officiële Russische vertegenwoordigingen. Ook worden zakelijke en wetenschappelijke dekmantels ingezet om in het buitenland te opereren of worden Russische inlichtingenofficieren langdurig met behulp van gestolen of vervalste niet-Russische identiteiten in het buitenland gestationeerd. Nederland is door de aanwezigheid van hoogwaardige kennis en technologie een aantrekkelijk doelwit voor de Russische diensten.
Is het waar dat al langer bekend is dat er van Russische zijde toegenomen belangstelling is voor militair-technologische kennis in Nederland? Gaat het hierbij om kennis van de overheid of van Nederlandse bedrijven? Klopt het dat deze belangstelling ook voor Chinese zijde geldt?
De belangstelling van buitenlandse inlichtingendiensten is in het algemeen gericht op strategische informatie, maar ook nadrukkelijk op militair-technologische kennis bij de Nederlandse Defensie-organisatie en de defensie-industrie.
Op welke wijze wordt voorkomen dat spionnen hun gang kunnen gaan in de Nederlandse technisch-wetenschappelijke sector, de defensie-industrie en de energiesector? Welke veiligheidsdienst of andere instantie heeft het voortouw bij het onderzoeken, opsporen en tegengaan van spionageactiviteiten?
De AIVD en MIVD doen in onderlinge samenwerking en in samenwerking met collegadiensten, onderzoek naar de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten in Nederland. Waar mogelijk worden operaties verstoord. Andere middelen die worden ingezet zijn adviezen tot visumweigering en gerichte voorlichting aan personen en bedrijven in de genoemde sectoren, om hen bewust te maken van risico’s op het gebied van spionage. De MIVD screent defensieorderbedrijven en geeft advies over de implementatie van de voorgeschreven beveiligingseisen en oefent controle uit op de naleving daarvan.
Is er in deze sectoren waardevolle en geheime kennis verworven door de actieve spionnen? Zo ja, welke gevolgen heeft dit? Zo nee, hoe wordt in kaart gebracht of dit al dan niet plaats heeft gevonden?
Het valt niet uit te sluiten dat in Nederland waardevolle en geheime kennis is verworven door buitenlandse inlichtingendiensten. In het openbaar kunnen hierover verder geen mededelingen worden gedaan.
Is voldoende inzichtelijk welke risico’s Nederland loopt door deze spionageactiviteiten? Zo ja, welke risico’s betreft het? Zo nee, wat gaat u doen om dit helder te krijgen?
Het kabinet heeft uw Kamer in zijn brief d.d. 22 februari 2011 op de hoogte gebracht van de aanpak naar aanleiding van het onderzoeksrapport Kwetsbaarheidsanalyse Spionage (KWAS) van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Zo geven de MIVD en de AIVD onder andere voorlichting aan bedrijfsleven en overheden over de risico’s van spionage en de beveiligingsmaatregelen die men kan nemen. Daarvoor is de Handleiding KWAS ontwikkeld en is in 2012 een e-learning module beschikbaar gesteld.
Ook acht het kabinet het van belang dat organisaties, zowel overheden als het Nederlandse bedrijfsleven, hun cruciale belangen en kwetsbaarheden hebben benoemd en maatregelen hebben getroffen om de weerstand tegen spionage te vergroten. De minister van Veiligheid en Justitie heeft – als de eerstverantwoordelijke minister voor de uitvoering van het kabinetsbeleid KWAS – de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid verzocht om in samenwerking met de rijksinspecties een specifiek onderzoek te verrichten naar de voortgang van weerbaarheidsverhoging tegen spionage binnen de rijksoverheid. De resultaten zullen medio 2013 naar de Tweede kamer worden gestuurd.
Zijn de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) voldoende in staat om buitenlandse spionage activiteiten op te sporen en tijdig te bestrijden? Hoeveel FTE hebben de AIVD en de MIVD afzonderlijk beschikbaar om deze activiteiten te monitoren en te onderzoeken?
De intensieve samenwerking tussen de AIVD en de MIVD en internationale partners vergroot het vermogen van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten om zo zoveel mogelijk te voorkomen dat buitenlandse inlichtingendiensten voet aan de grond krijgen in Nederland en Europa en om operaties in het vroegste stadium te verstoren. Desondanks moet er van uit worden gegaan dat een deel van de operaties in Nederland en Europa onontdekt blijven. Het verschil in omvang tussen de buitenlandse inlichtingenapparaten en de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten maakt het immers onmogelijk om alle spionageactiviteiten in kaart te brengen en te bestrijden.
Op welke wijze worden de spionageactiviteiten van Rusland en China in bilateraal en in Europees verband geagendeerd?
Er zijn vanuit de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diverse internationale en bilaterale samenwerkingsverbanden voor zowel beleidsmatige kwesties als operationele aangelegenheden. In geval van constatering van illegale activiteiten zal het betrokken land hier via diplomatieke kanalen op worden aangesproken en kan besloten worden tot tegenmaatregelen, hetgeen in het verleden ook is gebeurd. In het openbaar kunnen hierover verder geen mededelingen worden gedaan.
Ziet u aanleiding maatregelen te treffen om te voorkomen dat waardevolle kennis uit de genoemde Nederlandse sectoren op een oneigenlijke manier verkregen en verspreid wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te treffen?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Kinderporno veel gemeld’ |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kinderporno veel gemeld»?1
Ja.
Is het waar dat er in 2012 veel meer meldingen van kinderporno op internet zijn gedaan dan in het jaar daarvoor? Zo ja, hoeveel meldingen zijn er bij het meldpunt in het jaar 2011 respectievelijk 2012 gedaan? Bij hoeveel van de meldingen ging het om strafbare gedragingen in de zin van kinderprostitutie, mensenhandel, ontucht met een minderjarige en kinderpornografie?
Ja, in 2012 zijn er meer meldingen gedaan bij het Meldpunt Kinderpornografie op Internet dan in het jaar daarvoor. In 2011 behandelde het Meldpunt 12.542 meldingen. In 2012 waren dit er 19.872.
Het Meldpunt houdt zich specifiek bezig met afbeeldingen van seksueel kindermisbruik op internet. Hierbij classificeren zij of een melding, volgens hun inschatting, wel of niet onder de reikwijdte van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht valt (het bekijken, voorhanden hebben, verspreiden of vervaardigen van kinderpornografie). Een uitsplitsing van de meldingen op de manier zoals gevraagd is derhalve, met de huidige data, niet mogelijk.
Hoe verklaart u de toename van het aantal meldingen en het grote aantal strafbare afbeeldingen die op Nederlandse servers stonden? Heeft dit te maken met de stijging van de hoeveelheid kinderpornografie op het internet?
Voor de toename van het aantal meldingen is geen eenduidige en sluitende verklaring. Voor wat betreft de toename van het aantal meldingen van kinderpornografie dat op Nederlandse servers gehost wordt, verwijs ik u naar de voortgangsrapportage kinderpornografie en kindersekstoerisme die uw Kamer op 6 mei 2013 heeft ontvangen.
Het is zeer lastig om de totale hoeveelheid kinderpornografie op het internet te meten. Naast het vrijelijk toegankelijke gedeelte van het internet, waarop het gros van de meldingen bij het Meldpunt betrekking heeft, is er ook een omvangrijk gedeelte waar slechts beperkt zicht op is. Hierbij moet worden gedacht aan besloten nieuwsgroepen, peer-to-peer-programma’s of TOR-servers. Over de hoeveelheid kinderpornografie hierop bestaat geen eenduidig beeld. Ik kan dan ook niet zeggen of er sprake is van een stijging dan wel daling van de hoeveelheid kinderpornografie op het internet.
Deelt u de mening dat alle kinderen recht hebben op bescherming tegen alle vormen van seksueel geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u bewerkstelligen dat beleid en uitvoering meer worden afgestemd op de complexiteit van het fenomeen kinderpornografie?
Seksueel misbruik van kinderen is een ernstig probleem dat ik heel serieus neem. Ik deel uw mening dat kinderen het recht hebben op onze bescherming en doe hier, samen met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan ook veel aan.
Het actieplan «Kinderen Veilig 2012–2016» vormt de basis voor de integrale aanpak van kindermishandeling. Seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen maakt hier onderdeel van uit. Initiatieven, beleid en acties worden vanuit dit actieplan gecoördineerd. Ook de aanpak van kinderpornografie is hieraan nauw gelieerd.
Daarnaast is in augustus 2012 de taskforce «Kindermishandeling en seksueel misbruik» ingesteld. Deze taskforce, onder voorzitterschap van burgemeester Van der Laan, ziet voor de periode 2012–2016 toe op de uitvoering van het actieplan en de acties naar aanleiding van de Commissie Samson. Dit wordt gedaan door acties te monitoren, uitvoering aan te jagen, kansrijke initiatieven te stimuleren en belemmeringen bij de uitvoering weg te nemen.
Deze integrale aanpak doet recht aan de complexiteit van de problematiek omtrent seksueel geweld tegen kinderen en kinderpornografie.
Deelt u de mening dat alleen repressieve middelen geen effectieve bescherming kunnen bieden aan kinderen tegen seksueel geweld? Welke expertise is er momenteel in Nederland beschikbaar met het omgaan met trauma’s die het gevolg zijn van de permanentie van de misbruikbeelden op internet? Acht u de beschikbare expertise voldoende in de bescherming van kinderen tegen seksueel geweld?
Alleen repressieve middelen bieden geen effectieve bescherming. Er moet ook voldoende expertise beschikbaar zijn bij hulpverleners. Deze expertise is continu in ontwikkeling. Misbruikbeelden op internet zijn een relatief nieuw fenomeen. Het is daarom nog niet bekend wat de trauma’s zijn door misbruikbeelden op internet en of de bestaande traumabehandelingen specifieke bijstelling behoeven. Ook in het buitenland is dit nog niet bekend. Wel komt het voor dat kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik ook geconfronteerd zijn met verspreiding van fotomateriaal via bijvoorbeeld mobiele telefoons. Dit aspect wordt al wel in de behandeling van opgelopen trauma’s meegenomen.
Bent u van mening dat de politie en hulpverlening voldoende digibewust, digibereikbaar, digibekwaam, en digi-actief zijn? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat gaat u daar aan doen?
Vanaf 1 oktober 2012 is de aanpak van kinderpornografie binnen de politie landelijk en uniform ingericht. Dit wil zeggen dat in alle 11 (10 regionale en 1 landelijke) eenheden teams zijn ingericht waarin zowel recherche-, als zeden-, als digitale expertise is vertegenwoordigd. Deze combinatie is essentieel voor een goede aanpak van kinderpornografie binnen de Nederlandse politie. Daarnaast kan in zeer complexe zaken een beroep worden gedaan op het Team High Tech Crime. Ik ben dan ook van mening dat er voldoende digitale expertise binnen de politie beschikbaar is voor de aanpak van kinderpornografie.
Binnen de hulpverlening zijn er verschillende initiatieven om digibewuster en digibekwamer te worden. Sinds 2008 bestaat Mediawijzer.net. Dit expertisecentrum voor opvoeders en professionals in de jeugdzorg is opgericht op initiatief van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de toenmalige minister van Jeugd en Gezin. Ook zijn er diverse initiatieven om werkers in de jeugdzorg of -hulpverlening te scholen in mediawijsheid en mediaopvoeding. Aankomende jeugdzorgwerkers kunnen in de minor Mediawijsheid en mediaopvoeding kennis opdoen over kinderen en media en het ontwikkelen van een mediawijze houding. Professionals die reeds werkzaam zijn in de jeugdzorg kunnen via Mediaopvoeding.nl ondersteuning krijgen van deskundigen. Een ander initiatief voor hulpverleners die reeds werkzaam zijn in de jeugdzorg of hulpverlening is de post-hbo opleiding tot Nationaal MediaCoach. Deze opleiding heeft tot doel de mediawijsheid te verbeteren van professionals die in hun eigen werkomgeving met jeugd in aanraking komen. Dit zijn een aantal voorbeelden van initiatieven die de hulpverlening in staat stelt digibewust, digibereikbaar, digibekwaam en digi-actief te zijn. Het veld blijft hierbij continu in ontwikkeling en zoekt naar methoden om nog beter om te gaan met de uitdagingen die haar worden voorliggen.
Daarnaast wordt op dit moment het protocol van handelen voor het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) herzien. In het vernieuwde protocol zal worden opgenomen dat AMK-medewerkers bij gevallen van seksueel misbruik doorvragen op beeldmateriaal. Deze wijziging komt voort uit een aanbeveling in de rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over kinderpornografie (2011). Naar aanleiding van deze rapportage is in het actieplan «Kinderen Veilig» onder meer de actie opgenomen de signalering door AMK’s en jeugdzorg aan te scherpen om de aanpak van kinderpornografie te verstevigen.
Het rapport ‘DNA-onderzoek bij veroordeelde minderjarigen’ |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van de Kinderombudsman over DNA-onderzoek bij veroordeelde minderjarigen?1
Ja.
Bent u van mening dat de Kinderombudsman gedegen onderzoek heeft gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onderschrijft u de conclusies van de Kinderombudsman? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze conclusies doen?
De Kinderombudsman toetst in zijn rapport de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (DNA-V) aan de rechten van het kind zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Het rapport van de Kinderombudsman schetst de totstandkoming van de wet, de werking van de wet, de jurisprudentie en de kritiek die diverse organisaties hebben geuit op de gelijke behandeling van meerderjarigen en minderjarigen.
Volgens de Kinderombudsman houdt deze wet te weinig rekening met de kwetsbare positie van minderjarige veroordeelden, hun bijzondere positie in het jeugdstrafrecht en de bescherming die hen is toegekend in het IVRK.
Kunt u in het algemeen uw visie geven op dit rapport en in het bijzonder op onderstaande vragen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de Kinderombudsman dat het uitgangspunt van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet zijn dat bij conflict van belangen, de belangen van het kind in de regel dienen te prevaleren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan de mening van de Kinderombudsman dat bij het afnemen van DNA bij jongeren in strafzaken Nederland het belang van de maatschappij voor laat gaan op het belang van het kind? Zo nee, waarom niet?
In de Wet DNA-V zijn de voorwaarden waaronder veroordeelden onder dwang DNA-materiaal af moeten staan gelijk voor minderjarigen en meerderjarigen. Daarmee is aangesloten bij de regeling uit het Wetboek van Strafvordering. Uit het feit dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet DNA-V ervoor gekozen heeft geen onderscheid te maken tussen minderjarige en meerderjarige veroordeelden, kan worden afgeleid dat de wetgever geoordeeld heeft dat de kinderrechten die zijn verwoord in het IVRK zich niet verzetten tegen het afnemen van DNA-materiaal bij minderjarige veroordeelden en het verwerken van hun DNA-profiel in de DNA-databank. Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM). De Hoge Raad onderschrijft dat in de systematiek van de Wet DNA-V geen ruimte bestaat voor een generieke uitzondering voor minderjarigen en dat die ook niet aan het IVRK kan worden ontleend (HR NJ 2008, 627). Het EHRM oordeelde dat het DNA-onderzoek op basis van de Wet DNA-V bij de betreffende minderjarige veroordeelde geen schending opleverde van artikel 8 van het EVRM, omdat deze wet onder meer de afname van celmateriaal heeft beperkt tot «persons convicted of an offence of certain gravity» en goede waarborgen biedt tegen oneindige en ongedifferentieerde opslag van de DNA-profielen. Het Hof heeft bij zijn oordeel een rol laten meespelen dat het DNA-materiaal van de minderjarige anoniem en gecodeerd wordt opgeslagen en de minderjarige pas wordt geconfronteerd met zijn opgeslagen DNA-profiel als hij eerder al een strafbaar feit heeft gepleegd of in de toekomst een strafbaar feit zal plegen (W. tegen Nederland, EHRM 20 januari 2009, nr. 20689/08; NJ 2009, 411).
Wordt altijd DNA afgenomen bij een minderjarig, ook als sprake is van een relatief licht vergrijp zoals het vernielen van een ruit? Zo ja, waarom is dat nodig en waarom acht u het gerechtvaardigd bij een dergelijk licht vergrijp DNA van een jongere af te nemen?
De Wet DNA-V voorziet erin dat alleen maar DNA-materiaal mag worden afgenomen van minderjarigen en meerderjarigen indien zij zijn veroordeeld voor een ernstig misdrijf. Als ernstige misdrijven zijn in deze wet alle misdrijven aangemerkt waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Met de grens van voorlopige hechtenis is aangesloten bij de sinds jaar en dag gangbare, in het Wetboek van Strafvordering vastgelegde onderscheiding van strafbare feiten in meer en minder ernstige. Alle misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, kunnen ― in abstracto ― als ernstige misdrijven worden aangemerkt. De zwaarte van die misdrijven rechtvaardigt dat het DNA-materiaal van de minderjarige of meerderjarige veroordeelde in beginsel wordt afgenomen. Hieruit kan worden afgeleid dat van hen geen DNA-materiaal mag worden afgenomen als er sprake is van een licht vergrijp. Bovendien kan DNA-materiaal alleen worden afgenomen indien een taakstraf of een zwaardere sanctie wordt opgelegd.
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, heeft het EHRM zich positief uitgelaten over de grens die de Wet DNA-V stelt (zie EHRM NJ 2009, 411).
Kunt u de redenering van de Kinderombudsman volgen dat het afnemen en langdurig opslaan van DNA bij jongeren een inbreuk is op de privacy van de minderjarige en derhalve in strijd is met artikelen16 en 40 IVRK? Zo nee, waar loopt de redenering van de Kinderombudsman mank?
Het recht op bescherming van de privacy van de minderjarige dat in de artikelen 16 en 40 van het IVRK is verdisconteerd, dient de overheid in alle situaties te respecteren, maar is niet absoluut. Inbreuk daarop mag de overheid maken zolang die inbreuk niet willekeurig of onrechtmatig is. Om te beoordelen of een wettelijke regeling die een inbreuk op het recht op bescherming van de privacy maakt, aan die voorwaarde voldoet, is van belang te toetsen of de inbreuk voldoet aan artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Tijdens de totstandkoming van de Wet DNA-V is het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelden, ongeacht of zij minderjarig of meerderjarig zijn, in overeenstemming geoordeeld met de vereisten die deze bepalingen aan een inbreuk op het recht op bescherming van de privacy stelt (vgl. paragraaf 6 van de memorie van toelichting bij het voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden; Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3). Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in de jurisprudentie van het EHRM. In de zaak Van der Velden tegen Nederland (EHRM 7 december 2006, appl.nr. 29514/05;
RvdW 2007, 292) oordeelde het EHRM dat de afname bij de veroordeelde die zich tot het EHRM had gewend, niet in strijd was met artikel 8 van het EVRM. In de in het antwoord op vraag 4 genoemde zaak W. tegen Nederland kwam het EHRM tot hetzelfde oordeel als in de zaak Van der Velden tegen Nederland. Het feit dat de zaak W. tegen Nederland betrekking had op een minderjarige veroordeelde, gaf het EHRM geen aanleiding een ander oordeel te vellen.
Heeft u kennisgenomen van de aanbevelingen van de Kinderombudsman? Zo ja, kunt u ingaan op deze aanbevelingen en aangeven welke u overneemt en welke niet en waarom?
Ik heb kennisgenomen van de aanbevelingen van de Kinderombudsman. Ik neem om de redenen zoals toegelicht in het antwoord op de vragen 4 tot en met 6 geen van de aanbevelingen van de Kinderombudsman over. Ik voel mij daarin gesteund door de uitspraken van de Hoge Raad en het EHRM.
Kan de Kamer de resultaten van het toegezegde onderzoek over de ongelijke behandeling van minderjarigen ten opzichte van volwassenen als het gaat om DNA-afname voor 1 mei 2013 krijgen, inclusief de reactie van de regering op dit rapport?
Binnenkort ontvangt uw Kamer een brief waarin ik een nadere reactie zal geven op het rapport van de Kinderombudsman.
Het bericht ‘Waar is de tiplijn' |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de precieze inhoud van het bericht «Waar is de tiplijn», en wat is daarover uw opvatting?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel. Ik acht het vanzelfsprekend van belang dat het nummer van een tiplijn goed te vinden moet zijn. Inmiddels heeft de KNVB het nummer van de tiplijn meer prominent op de KNVB-site opgenomen.
Welke acties heeft u sinds juni 2012 ondernomen voor het instellen voor een tiplijn van anonieme meldingen van matchfixing in de Nederlandse (voetbal-)sport?
In het onderzoek dat thans wordt uitgevoerd door de Vrije Universiteit, de Universiteit van Tilburg en Ernst en Young is bij aanvang van de aanbesteding aangeboden dat de onderzoekers gebruik kunnen maken van Meld Misdaad Anoniem (M). Nu het onderzoek is gestart, is de anonieme meldlijn M per 1 april 2013 ook specifiek opengesteld om matchfixingszaken te melden. M biedt bellers met informatie over matchfixing de mogelijkheid om dit anoniem te melden via 0800-7000. Met anonieme meldingen over matchfixing kan de melder bijdragen aan het verbeteren van de informatiepositie ten aanzien van het onderwerp matchfixing. Daarnaast is al geruime tijd een tiplijn matchfixing bij de KNVB voor personen die melding willen maken van matchfixing.
Op welke manier kan gebruik worden gemaakt van een tiplijn voor het anoniem melden van matchfixing in de Nederlandse (voetbal)sport?
De beller kan informatie over matchfixing anoniem doorgeven aan M. Bij M werkt een klein team van zeer goed opgeleide mensen die de anonimiteit van de beller beschermen. In een vertrouwelijk gesprek nemen zij de details van de melding met zorg door. M is een extra vangnet voor mensen die wel willen melden maar niet bekend willen worden. Bij M blijft de beller altijd anoniem. Het telefoonnummer van de beller is afgeschermd voor de medewerkers. Gesprekken worden niet opgenomen en naam, adres en andere persoonlijke gegevens worden niet genoteerd. Indien de beller per ongeluk toch zijn identiteit prijs geeft, dan wordt die informatie niet vastgelegd. Voor opvolging worden de meldingen doorgestuurd naar (landelijke) politie en andere partners van M.
Wat moeten potentiële melders van eventuele matchfixing doen met de tips die men ontvangt wanneer er geen tiplijn is waar men anoniem informatie kwijt kan?
Zie mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Wat gaat u doen met het feit dat er tientallen tips bekend zijn bij Voetbal International over matchfixing in het betaald voetbal in Nederland?
Het Openbaar Ministerie is begonnen met een voorbereidend onderzoek naar diverse signalen over, kort gezegd, fraude in de voetbalbranche, waaronder matchfixing. In dit onderzoek zullen, als daar aanleiding toe bestaat, de door u genoemde signalen worden meegenomen.
Acht u een justitieel vooronderzoek naar matchfixing in de Nederlandse voetbalsport nog steeds niet nodig, ook niet na tientallen publieke en anonieme meldingen, het rapport van Interpol, bijna wekelijkse publicaties in Voetbal International, een hoorzitting en tal van radio en tv-uitzendingen?
Zie antwoord vraag 5.
De gemeente Venray die in gesprek is met de Marokkaanse overheid over criminele jongeren |
|
Keklik Yücel (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Venray praat met Marokko over criminele jongeren»?1
Ja.
Is het waar dat Venray hulp van de Marokkaanse overheid krijgt om probleemsituaties in de lokale Marokkaanse gemeenschap met onder meer criminele jongeren op te lossen? Zo ja, waaruit bestaat de gevraagde hulp? Zo nee, wat is er niet waar aan dit bericht?
De burgemeester van Venray heeft mij desgevraagd gemeld dat hij in de zomer van 2012 bij de Marokkaanse Consul-Generaal aandacht heeft gevraagd voor de situatie van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap in Venray. Hierop volgend heeft de burgemeester contact gehad met de waarnemend Ambassadeur en Consul-Generaal van Marokko. Tevens heeft de burgemeester op een bijeenkomst gesproken met de Marokkaanse Minister voor Marokkaanse gemeenschappen in het buitenland, die op werkbezoek in Nederland was. Deze gesprekken vonden plaats in een informele, informatieve sfeer. Zowel met de Minister voor Marokkaanse gemeenschappen in het buitenland als met de waarnemend Ambassadeur en Consul-Generaal zijn geen afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak van criminaliteit onder Marokkaanse Nederlanders.
Kunt u de achtergronden schetsen van het gesprek met de Marokkaanse overheid en aangeven hoe dit tot stand is gekomen? Zijn er afspraken gemaakt over een (gezamenlijke) aanpak om criminaliteit onder Marokkaanse Nederlanders aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Is het initiatief voor het gesprek uitgegaan van de gemeente Venray? Zo ja, op welke wijze denkt de gemeente dat dit contact met de Marokkaanse overheid behulpzaam is bij de aanpak van criminaliteit onder Marokkaanse Nederlanders?
Zie antwoord vraag 2.
Is het initiatief uitgegaan van de Marokkaanse overheid? Zo ja, klopt het dat dit op het niveau van de minister van «Marokkanen in het buitenland» is gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u er eerder van op de hoogte gesteld dat Marokko Venray gaat helpen dan wel adviseren bij de aanpak van haar criminele jongeren? Zo ja, wat was uw reactie daarop en wat heeft u toen gedaan? Zo nee, had u dit behoren te weten?
De burgemeester heeft medio 2012 aandacht gevraagd bij mijn ministerie voor de toename van de straathandel in drugs door jongeren en jongvolwassenen van overwegend Marokkaanse afkomst. Na een reeks ingrijpende (druggerelateerde) incidenten met verdachten van Marokkaanse afkomst heeft de burgemeester zich eind februari 2013 andermaal tot mij gewend. Hierbij is ook melding gemaakt van het informatieve contact met de Marokkaanse overheid, in casu de Minister voor Marokkaanse gemeenschappen in het buitenland. Ik heb dit voor kennisgeving aangenomen.
Naar aanleiding van deze meldingen is door mijn ministerie onder andere ondersteuning verleend via het Actieprogramma aanpak problematische jeugdgroepen en is in verband met het verscherpt coffeeshopbeleid aan de voormalige politieregio Limburg-Noord tijdelijk extra politiecapaciteit toegekend. Daarnaast zijn met de gemeente Venray gesprekken gevoerd over de specifieke situatie in Venray en de mogelijkheden om de problematiek aan te pakken.
De gemeente Venray heeft eind 2011 de kadernota Integraal Veiligheidsbeleid 2012–2015 vastgesteld, waaraan jaarlijks een uitvoeringsprogramma wordt gekoppeld. In dit programma is een palet aan maatregelen opgenomen onder meer als het om de gezamenlijke integrale aanpak van jeugdproblematiek en druggerelateerde problematiek gaat. De lokale driehoek voert verder de regie als het om de aanpak gaat die gericht is op het duurzaam ontwrichten van een georganiseerd crimineel verband.
Hoe beoordeelt u dit initiatief? Deelt u de mening dat bemoeienis van buitenlandse autoriteiten bij de concrete aanpak in Nederland van criminaliteit onder jongeren niet op z’n plaats is?
Informatieve gesprekken en contacten tussen de gemeente Venray en de Marokkaanse autoriteiten kunnen leiden tot een brede onderkenning van het probleem dat een kleine minderheid van de Venrayse Marokkaans-Nederlandse gemeenschap een onevenredig aandeel heeft in de criminaliteit in Venray en dat daarmee het imago van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap schade wordt berokkend. Van samenwerking en hulp bij de aanpak van dit probleem is echter geen sprake. Dit zou ook niet op zijn plaats zijn, aangezien dit een Nederlandse verantwoordelijkheid is. Dit geldt zowel voor dit concrete geval als in het algemeen.
Heeft u signalen dat de Marokkaanse overheid ook op andere terreinen bemoeienis zoekt bij Marokkanen in Nederland? Wat is hierover uw opvatting?
In eerdere gesprekken met de Marokkaanse overheid is gesproken over de contacten van de Marokkaanse overheid met Marokkaanse Nederlanders en is aangegeven waar voor Nederland de grenzen liggen als het gaat om contacten en activiteiten door een buitenlandse overheid. Deze kunnen alleen plaatsvinden op basis van vrijwilligheid, mogen de integratie niet belemmeren en de buitenlandse autoriteiten dienen daarbij openheid en transparantie te betrachten. Overigens is ook vanuit de Marokkaanse gemeenschap duidelijk aangegeven dat actieve bemoeienis van Marokko ongewenst is. Tegen deze achtergrond kunnen er informatieve gesprekken met Marokko gevoerd worden. Er kan echter geen sprake van zijn dat een buitenlandse mogendheid formeel meepraat over zaken die uitsluitend onder Nederlandse verantwoordelijkheid vallen.
Is het gebruikelijk dat landen helpen bij of adviseren over de aanpak van criminele jongeren in een ander land? Zo ja, kunt u daar voorbeelden van geven? Zo ja, gebeurt dat alleen als de probleemjongeren hun roots in dat land hebben? Zo nee, waarom wordt in dit geval wel de hulp van een ander land geaccepteerd?
Er zijn mij geen voorbeelden bekend van landen die helpen bij of adviseren over de aanpak van criminele jongeren in een ander land. In de Nederlandse situatie is het, voor zover mij bekend niet aan de orde.
Wat verwacht u van de samenwerking tussen Venray en Marokko? Kunt u het antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Is het waar dat Venray een niet te hanteren probleem heeft met criminele jongeren uit de Marokkaanse gemeenschap? Acht u deze problemen ook dusdanig groot dat hulp van buiten Nederland gezocht moet worden? Om welke problematiek gaat het hier?
De gemeente Venray heeft te maken met een netwerk van criminele jongeren en jongvolwassenen, overwegend van Marokkaanse afkomst. Voor Venray gaat het om een ernstig probleem. De aanpak hiervan is in beginsel een lokale aangelegenheid, waarbij Venray hulp van andere gemeenten en het Rijk kan inroepen. Mijn ministerie heeft hulp geboden. Van het inroepen van hulp buiten Nederland is geen sprake.
In hoeverre heeft Venray de Nederlandse Rijksoverheid, en u in het bijzonder, hulp gevraagd om de problemen, die bij deze criminele jongeren spelen, de baas te kunnen? Als er hulp gevraagd is, is die dan ook geboden en op welke manier is hulp geboden? Als er geen hulp gevraagd is, heeft u die dan geboden toen u hoorde van de problematiek in Venray?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het bij de aanpak van problemen die in Nederland spelen het niet van belang zou moeten zijn dat de Marokkaanse overheid van mening is dat het niet in haar belang is als er in het buitenland problemen zijn met landgenoten? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van problemen die in Nederland spelen is een Nederlandse aangelegenheid. Het belang van de Marokkaanse overheid staat daar los van.
De oorzaken en voedingsbodem van de radicalisering van bijvoorbeeld de Nederlandse islamitische jongens die zich inzetten voor de jihad in Syrië |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van De Vijfde Dag over de Nederlandse islamitische jongens die naar Syrië vertrekken om voor de jihad te vechten?
Ja.
Heeft u signalen dat er in Nederland organisaties met een religieuze, islamitische vormingsagenda zijn die bijdragen aan deze vormen van radicalisering en deze jongens wellicht op het idee brengen om voor de jihad te gaan vechten? Zo ja, welke organisaties? Kunt u een beeld schetsen van de voedingsbodem van deze radicalisering?
Het is bekend dat enkele leden van activistische radicaalislamitische bewegingen, zoals Sharia4Holland en Behind Bars, zijn vertrokken naar Syrië voor deelname aan de jihad. Deze bewegingen hebben een omgeving gecreëerd waar gelijkgestemden elkaar ontmoeten en waar radicale ideeën zich hebben kunnen ontwikkelen tot jihadistische denkbeelden. Het is moeilijk om op dit moment nauwkeurig de voedingsbodem voor deze radicalisering aan te geven. Uit onderzoek blijkt dat gevoelens van groepsdreiging, onrechtvaardigheid en onzekerheid een rol spelen. Feit is dat recentelijk tientallen jonge moslims zich bevattelijk hebben getoond voor het betoog dat het een individuele plicht is om gewapende steun te verlenen aan moslims in Syrië en dat zij aansluiting hebben gevonden bij jihadistische strijdgroepen.
Welke informatie en onderzoeksgegevens heeft u over de toenemende radicalisering van moslims het laatste jaar?
Over specifieke onderzoeksgegevens over personen of organisaties kan ik in het openbaar geen mededelingen doen.
Heeft u een overzicht van de jongeren die zijn vertrokken naar Syrië om te vechten voor de jihad? Worden deze jongeren in beeld gehouden en begeleid als zij terugkeren naar Nederland, mede met het oog op hulp bij traumaverwerking en op onderzoek naar mogelijke verdere radicalisering? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 3. Het doel is om van de mensen die terugkeren vanuit Syrië een dreiginginschatting te maken. Hierbij wordt nauw samengewerkt tussen de AIVD, NCTV, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie en het lokale bestuur die op basis van de informatie van onder andere de AIVD, eventueel actie kunnen ondernemen. Hierbij valt te denken aan maatwerktrajecten gericht op het losweken van de geradicaliseerde personen uit de jihadistische omgeving met behulp van hun naaste omgeving, bijvoorbeeld door het aanbieden van reclassering, traumaverwerking, hulpverlening of mentoring.
Het bericht: ‘Tbs-er in kliniek gepakt met kinderporno’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Tbs'er in kliniek gepakt met kinderporno»?1
Ja.
Klopt het dat een 51-jarige tbs'er op heterdaad is betrapt toen hij op een smartphone beelden van seksueel kindermisbruik bekeek op internet?
Ja. Op 2 april jl. is een 51-jarige tbs-gestelde op heterdaad betrapt toen hij met een smartphone een website met kinderporno bezocht.
Klopt het dat deze tbs'er en een medeverdachte (ook uit de kliniek) die de telefoon en simkaart leverde, gearresteerd zijn?
Ja. Naast de verdachte is ook een medeverdachte uit de kliniek aangehouden. Hij heeft vermoedelijk de telefoon en simkaart geleverd. Omdat beide verdachten zich reeds bevinden in een gesloten tbs-setting, heeft het OM besloten hen niet voor te geleiden aan de rechter-commissaris.
Hoe is het mogelijk dat tbs'ers, op een gesloten afdeling nota bene, aan een simkaart, twee telefoons en een USB-stick komen en vrij op het internet kunnen?
Bepaalde zaken, zoals smartphones, horen niet thuis in een instelling. De aanwezigheid van ongewenste of verboden zaken verstoort zowel de behandeling als de orde en veiligheid in de instelling. Hierop dient dan ook te worden gecontroleerd. Ik heb aan de Van der Hoeven Kliniek verzocht een toedrachtsrapportage op te stellen. De bevindingen van de rapportage en eventuele nadere maatregelen worden met de kliniek besproken.
Deelt u de mening dat het een grove schande is dat dit kon gebeuren en het vertrouwen van de slachtoffers, nabestaanden en de samenleving in het rechtssysteem en het tbs-systeem op deze manier ernstig wordt geschaad? Zo nee, waarom niet?
De terbeschikkingstelling (tbs) is een goed – en gedragen – stelsel. Zo een incident als dit is zeer ernstig, maar valt helaas nooit voor 100 procent uit te sluiten. Bestrijding van contrabande heeft mijn prioriteit, dat geldt ook voor de verantwoordelijke bestuurders van de Forensisch Psychiatrische Centra (FPC’s). De Van der Hoeven Kliniek heeft nauw samengewerkt met de Nationale Politie en volledige medewerking aan het onderzoek verleend. Dit heeft twee aanhoudingen tot gevolg gehad.
Hebben deze personen voor een zelfde type (zeden)delict tbs opgelegd gekregen? Zo ja, deelt u de mening dat therapie blijkbaar niet helpt en deze personen gewoon lang de gevangenis in kunnen? Zo nee, waarom niet?
Uit privacyoverwegingen worden (delict-)gegevens van individuele tbs-gestelden niet openbaar gemaakt. De voornaamste functie van de tbs-maatregel ligt in de bijdrage aan een veiligere maatschappij. Concreet betekent dit het tot een minimum beperken van de kans op herhaling van het plegen van een misdrijf en een veilige terugkeer van de tbs-gestelde naar de samenleving. Hier slaagt de tbs-maatregel bijzonder goed in. Zo is de algemene recidive van ex-tbs-gestelden twee jaar na beëindiging van de maatregel 20,9 procent, terwijl dit percentage bij ex-gedetineerden aanzienlijk hoger ligt: 49,3 procent. Bovendien is het percentage 2-jarige recidive onder uitgestroomde tbs-gestelden over de gehele linie, van algemene recidive tot tbs-waardige recidive, de afgelopen tien jaar gedaald. Dit wijst op een toenemend aantal ex-tbs-gestelden dat na behandeling succesvol en veilig terugkeert in de samenleving.
Bent u in dat kader bereid te bewerkstelligen dat niet weer tbs opgelegd kan worden aan een persoon die voor een tweede keer wordt veroordeeld voor een delict waarvoor hij eerder al tbs opgelegd heeft gekregen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik naar het Algemeen Overleg tbs op 21 maart jl. Daarin heb ik toegezegd de Kamer nader te informeren over de vraag van het lid Helder (PVV) om aan tbs-gestelden geen tweede maal tbs op te leggen wanneer er sprake is van een soortgelijk strafbaar feit na beëindiging van de eerste tbs-maatregel. Deze informatie zal ik uw kamer voor de zomer doen toekomen.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat geen apparaten de kliniek in kunnen worden gesmokkeld en geen (kinder)porno in tbs-klinieken kan worden bekeken?
Ik vind toegangscontrole bij tbs-gestelden, het personeel en bezoekers van de instellingen en van de door hen meegebrachte goederen noodzakelijk. Daarom heb ik een expliciete wettelijke grondslag gecreëerd voor de toegangscontrole bij FPC’s in het wetsvoorstel Forensische Zorg. Met de Inspectie Veiligheid en Justitie ben ik van mening dat toegangscontrole bijdraagt aan meer orde en veiligheid in de instellingen. Naar aanleiding van dit incident heb ik aan de Van der Hoeven Kliniek verzocht een toedrachtsrapportage op te stellen. Op basis van de bevindingen ga ik met de Van der Hoeven Kliniek in gesprek over eventuele nadere maatregelen.
'Nederlanders' op talibanscholen |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlanders studeren aan schimmige talibanscholen»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke nationaliteiten de Nederlanders die les volgen op de pro-Talibanschool in Pakistan, nog meer hebben?
Nederlanders hebben geen toestemming nodig om te reizen en evenmin een verplichting om zich te laten registreren bij een Nederlandse vertegenwoordiging bij verblijf in het buitenland. Het is daarom niet mogelijk bij te houden wie er naar Pakistan, of het buitenland in het algemeen, reist noch wie welke onderwijsinstellingen bezoekt.
Hoeveel mensen met (ook) een Nederlandse nationaliteit volgen lessen op islamitische instellingen in het buitenland? Om welke instellingen en welke landen gaat het dan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat mensen die ook de Nederlandse nationaliteit hebben en les volgen aan instellingen die gelieerd zijn aan terreurorganisaties als Al-Qaeda en de Taliban en zo klaargestoomd worden voor terreur en geweld, bij terugkomst direct dienen te worden gedenaturaliseerd en uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Bij personen die in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit en zijn veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf kan het Nederlanderschap worden ingetrokken (artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap). Dit kan echter alleen als de betrokkene naast de Nederlandse nationaliteit ook nog een andere nationaliteit bezit. Intrekking van het Nederlanderschap is namelijk niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is. Daarnaast is een veroordeling voor een terroristisch misdrijf vereist. Deze maatregel kan niet preventief worden ingezet.
Het bericht dat de schoonzoon van de Cypriotische president 21 miljoen weggesluisd heeft |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lijst van 132 rekeninghouders die bijna 700 miljoen euro hebben weggesluisd om onder het reddingsplan uit te komen, waaronder het bedrijf van de schoonzoon van de president van Cyprus?1
Ik ben bekend met berichten in de media over het bestaan van een dergelijke lijst. Ik wil niet speculeren over of er sprake is geweest van een oneigenlijke uitstroom van deposito’s. Zoals ook al gemeld in mijn brief van donderdag 4 april 2013 (kenmerk BFB 2013-2622M) ligt de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van een oneigenlijke uitstroom van deposito’s en een efficiënt verloop van de operatie om de financiële sector te herstructureren primair bij de Cypriotische autoriteiten, in samenwerking met de Trojka. Het is nu aan de Cypriotische autoriteiten om gepaste maatregelen te nemen. De Cypriotische autoriteiten hebben op dinsdag 2 april jl. een commissie aangesteld met de opdracht om de gang van zaken rond de aanpak van de crisis in Cyprus te onderzoeken. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Deelt u de mening dat dit zeer verdacht is en dat hier mogelijk sprake is van voorkennis?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van transacties die hebben plaatsgevonden in de weken voorafgaand aan 15 maart, inclusief de namen van de bedrijven en hieraan gelieerde personen?
Zie antwoord vraag 1.
Gaat u deze verdachte transacties onderzoeken? Zo ja, laat u dit door een onafhankelijke commissie doen en niet door een commissie bestaande uit Cyprioten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat geen Nederlands belastinggeld moet worden betaald aan een land dat door en door corrupt is en al vele jaren een vrijhaven is voor witwaspraktijken en zwartspaarders?
Het kabinet vindt het zeer belangrijk dat er bij een steunprogramma voor Cyprus voldoende waarborgen zijn dat witwassen adequaat wordt aangepakt.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg van donderdag 4 april aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘Intern onderzoek naar vervalsing telefoontaps’ |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van he bericht «Intern onderzoek naar vervalsing telefoontaps»?1
Ja.
Is het waar dat de rechtbank Alkmaar heeft geoordeeld dat de politie heeft geknoeid met bewijsmateriaal door tapgesprekken te manipuleren?
De rechtbank heeft in haar vonnis geen gebruik gemaakt van de bewoordingen «geknoeid» en «manipuleren». Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat van de achttien uitgewerkte tapgesprekken er vier in strijd met de werkelijkheid zijn uitgewerkt, één onvolledig is en één oncontroleerbaar is uitgewerkt. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het denatureren van in elk geval drie tapgesprekken. Bovenstaand oordeel van de rechtbank heeft geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
Klopt het dat de verdachte vrijuit gaat omdat er sprake is van ernstige schending van een behoorlijke procesorde en van grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte?
Ja. De uitspraak is echter nog niet onherroepelijk nu het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft aangetekend.
Is het waar dat er telefoongesprekken zijn uitgewerkt die niet waren gevoerd en dat er telefoongesprekken anders zijn weergegeven dan op de bandopname?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het vervalsen van ambtsedige processen-verbaal een zeer ernstige aantasting van het rechtssysteem is?
Ambtsedig opgemaakte processen-verbaal fungeren als een belangrijk ankerpunt in de strafrechtspleging. Het Openbaar Ministerie en de politie zijn daarom verplicht tot het leveren van hoge kwaliteit, waarbij de waarheidsgetrouwheid van processen-verbaal voorop moet staat. Hoewel de uitkomst van het hoger beroep moet worden afgewacht is het sowieso te betreuren dat de waarheidsgetrouwheid van enkele tapverslagen voor discussie vatbaar bleek.
Het Openbaar Ministerie heeft in samenspraak met de politie besloten om een onderzoek in te stellen. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie Noord-Holland in overleg met het Landelijk Parket bezien of de inzet van de Rijksrecherche geïndiceerd was. Met inachtneming van de «Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche» is geconcludeerd dat dit niet het geval is. Besloten is het onderzoek te laten verrichten door een aparte afdeling binnen de politie Noord-Holland, te weten de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten. Het onderzoek heeft inmiddels een aanvang genomen. Als de bevindingen van dit onderzoek daar aanleiding toe geven zou de Rijksrecherche alsnog kunnen worden ingeschakeld.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie een intern onderzoek door de politie wil laten doen? Is het omwille van de objectiviteit niet verstandiger om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren door de Rijksrecherche?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te bevorderen dat in deze zaak onderzoek wordt gedaan door de Rijksrecherche?
Zie antwoord vraag 5.
De zelfmoordpogingen in grensdetentie |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zelfmoordpogingen in grensdetentie van twee asielzoekers op vrijdag 1 maart en donderdag 14 maart 2013?
Ik ben bekend met een poging tot suïcide op 1 maart 2013 in Justitieel Complex Schiphol. Een poging tot suïcide in grensdetentie op 14 maart 2013 is mij niet bekend.
Klopt het dat bij beiden vanaf begin af aan duidelijk was dat er sprake was van ernstige psychische problemen? Zo ja, waarom wordt bij gevallen als deze toch besloten grensdetentie niet op te heffen en ze op te vangen in bijvoorbeeld een GGZ-instelling?
Alle ingeslotenen worden na binnenkomst gezien door een verpleegkundige van de medische dienst. Indien daartoe aanleiding bestaat, zoals bijvoorbeeld in geval van suïcidale uitlatingen of andere aanwijzingen die duiden op ernstige psychische problematiek, vindt overleg plaats tussen de verpleegkundige en de dienstdoende huisarts. Aangezien er bij binnenkomst geen aanleiding was om ingeslotene door te verwijzen of anderszins actie te ondernemen op basis van de medische en/of psychische situatie, is in dit geval gehandeld conform deze standaard procedure.
Op 25 januari 2013 is de betreffende ingeslotene door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) telefonisch bericht dat zijn asielverzoek was afgewezen. Kort na dit gesprek heeft de ingeslotene suïcidale uitlatingen gedaan. Dientengevolge heeft een gesprek plaatsgevonden met de huisarts. Met de ingeslotene is de afspraak gemaakt om – indien nodig – tijdig hulp te vragen. De ingeslotene is later nog op 3 en 19 februari jl. gezien door de medische dienst in verband met medische klachten.
Ofschoon in het onderhavige geval niet aan de orde, kunnen zich situaties voordoen waarin plaatsing in detentie niet verantwoord is. Dit kan zijn ingegeven door dringende redenen van lichamelijke of psychische aard, gelegen in de persoon van de gedetineerde, waarbij binnen de inrichting de middelen ontbreken om de benodigde zorg voor deze gedetineerde op verantwoorde wijze te leveren. Bij een vermoeden van een dergelijke situatie kan een onderzoek worden verricht naar de detentiegeschiktheid. Dit onderzoek kan door de advocaat worden aangevraagd of op initiatief van de directeur van het detentiecentrum worden opgestart. Een onafhankelijke deskundige voert het onderzoek uit.
Hoe is de psychische en medische zorg ingericht in grensdetentie?
Uitgangspunt is dat de zorg die wordt geboden in de detentiecentra gelijkwaardig is aan de basiszorg die beschikbaar is buiten de detentiecentra. Zoals ik reeds heb vermeld in het antwoord op vraag 2 wordt bij binnenkomst zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 24 uur, een medische intake uitgevoerd door een verpleegkundige van de medische dienst. Deze intake is bedoeld om een algemeen gezondheidsbeeld vast te stellen en – indien nodig – de ingeslotene op het spreekuur van de huisarts in te plannen. Psychische problematiek vormt een onderdeel van de intake. Bij signalen van suïcidaliteit vindt volgens het protocol overleg plaats met de dienstdoende huisarts.
De medische dienst van het Justitieel Centrum Schiphol is vierentwintig uur per dag op de locatie aanwezig. Op werkdagen is er van 08:00 uur tot 17:00 uur een huisarts aanwezig. Ook buiten deze tijden is de huisarts bereik- en beschikbaar voor consulten. Voor wat betreft de geestelijke zorg geldt dat dagelijks psychologen aanwezig zijn voor consulten en crisisinterventies. Anderhalve dag per week is er een psychiater aanwezig die ook bereikbaar is buiten deze dagen om. Tenslotte vindt wekelijks psycho-medisch overleg plaats. Iedere ingeslotene kan zich aanmelden voor het spreekuur van de zorgverleners. Ook de verschillende zorgverleners kunnen ingeslotenen aanmelden voor het psycho-medisch overleg. Indien noodzakelijk kan worden doorverwezen naar tweedelijns zorg.
Wat is de standaardprocedure in grens- en vreemdelingendetentie in het algemeen na een zelfmoordpoging? Welke instanties worden geïnformeerd? Klopt het dat na deze twee zelfmoordpogingen de advocaten niet op de hoogte zijn gesteld door Justitieel Complex Schiphol? Zo ja, waarom niet en betekent dit dat advocaten nooit op de hoogte worden gesteld van zelfmoord(poging)en?
Na een poging tot suïcide staat de zorg en nazorg aan de betreffende ingeslotene voorop. Indien sprake is van lichamelijk letsel wordt eerst medische zorg geboden. Daarnaast vindt direct een gesprek plaats met een arts, psycholoog of psychiater. De invulling van de (na)zorg vergt maatwerk. Er moet zorgvuldig worden gekeken naar het gevaar dat de ingeslotene op dat moment en mogelijk op een later moment, nog voor zichzelf vormt.
Van een poging tot suïcide wordt altijd melding gemaakt. De verantwoordelijke directeur op het hoofdkantoor van DJI bepaalt, op basis van de specifieke omstandigheden van het geval, of deze melding moet worden doorgezet naar mij.
Advocaten staan ingeslotenen bij in juridische procedures. In dit verband bestaat tussen de advocaat en de ingeslotene een vertrouwelijke band waarbinnen de ingeslotene voor de rechtsgang relevante (medische en psychische) informatie kan delen. Dit is dus aan de ingeslotene zelf. Indien hiertoe aanleiding bestaat kan de advocaat – met toestemming van de ingeslotene – inzage krijgen in het medisch dossier van de ingeslotene.
Is er in deze twee gevallen besloten om over te gaan tot afzondering of isolatie? Zo ja, waarom en voor hoe lang? Deelt u de mening dat bij zelfmoordpogingen niet tot isolatie over moet worden gegaan en dat medische behandeling voorop staat?
In het geval van de ingeslotene die een poging tot suïcide heeft gedaan op 1 maart jl., is in eerste instantie niet overgegaan tot afzondering ter observatie, maar is de ingeslotene na een oproep van de medische dienst door een ambulance naar een regulier ziekenhuis gebracht. Bij terugkomst op 3 maart jl. is de ingeslotene, omdat hij nog steeds suïcidaal was, overgebracht naar een observatiecel met cameratoezicht ter bescherming van zichzelf. De ingeslotene is vanaf dat moment dagelijks gezien door de medische dienst en is voorts begeleid door de psycholoog. Vanaf 5 maart jl. tot zijn overplaatsing naar detentiecentrum Rotterdam op 25 maart jl., heeft de ingeslotene overdag op de (leef)afdeling, dus samen met de andere ingeslotenen, gerecreëerd en ’s nachts ter observatie onder cameratoezicht geplaatst.
Zoals ik reeds in het antwoord op vraag 4 heb vermeld, wordt bij de (na)zorg maatwerk geleverd. Indien er een indicatie is dat risico bestaat op herhaling, kan het noodzakelijk zijn over te gaan tot plaatsing ter observatie in een afzonderingscel. Zolang de ingeslotene in een afzonderingscel verblijft, wordt hij of zij dagelijks gezien door een gedragsdeskundige. De aard en frequentie van de contactmomenten worden op de situatie van de ingeslotene afgestemd.
Tot plaatsing in een afzonderingscel wordt alleen overgegaan als de ingeslotene een direct gevaar vormt voor zichzelf.
Klopt het dat het hier gaat om vreemdelingen die wachten op terugkeer in het kader van de Dublin-Verordening? Klopt het dat bij één van hen het claimverzoek is geweigerd, maar dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een herhaald verzoek is ingediend? Zo ja, waarom? Welke gronden leiden ertoe dat een dergelijk herhaald verzoek wordt ingediend in plaats van dat in een asielzoekerscentrum (AZC) de beslissing op de asielaanvraag mag worden afgewacht?
In de zaak van de ingeslotene die op 1 maart jl. een poging tot suïcide deed, ging het inderdaad om een zaak waarin Nederland een verzoek had ingediend bij een ander land om de vreemdeling over te nemen. Met een zaak waarin het claimverzoek zou zijn geweigerd en door de IND een herhaald verzoek zou zijn ingediend, ben ik niet bekend. In algemene zin geldt dat wanneer blijkt dat a) een vreemdeling een asielverzoek in een ander land heeft ingediend, b) de vreemdeling bekend is in een ander land in verband met een illegale inreis, of c) een ander land verantwoordelijk is op basis van mondelinge verklaringen en/of schriftelijk bewijs, de IND zo snel mogelijk een terugnameverzoek zendt aan de betreffende Lidstaat. Het betreffende land dient hierop binnen 2 weken te reageren. Het kan voorkomen dat een claim in eerste instantie wordt afgewezen, bijvoorbeeld omdat deze niet volledig is. Verder kan op een later moment informatie bekend worden op grond waarvan een herhaald verzoek opportuun is.
Zitten deze twee vreemdelingen nog steeds in grensdetentie? Zo ja, waarom? Deelt u de mening dat mensen met psychische problematiek niet geschikt zijn voor grensdetentie en dat zij gebruik moet kunnen maken van beschikbare alternatieven? Zo nee, waarom niet?
De ingeslotene die op 1 maart jl. een poging tot suïcide deed, verblijft niet meer in grensdetentie. Bij de plaatsing in grensdetentie wordt op individueel niveau altijd een afweging gemaakt tussen het grensbelang en het persoonlijk belang van de vreemdeling. Europeesrechtelijk is de Nederlandse regering verplicht om vreemdelingen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen de toegang te weigeren tot het Schengengrondgebied. Dit geldt ook voor vreemdelingen met psychische problemen. Zoals ik eerder al op de vragen van het Lid Arib heb geantwoord1, onderzoek ik de mogelijkheden om verantwoorde alternatieven toe te passen voor grensdetentie in geval van specifieke categorieën asielzoekers. Het gaat dan bijvoorbeeld om asielzoekers die in afwachting zijn van de overdracht in het kader van de Dublin-verordening. Ik zal in dit kader ook kijken naar de groep asielzoekers met psychische problemen.
Ik zal de bevindingen in mijn toekomstvisie over vreemdelingenbewaring en alternatieve toezichtmiddelen bij terugkeer meenemen. Deze toekomstvisie zal ik voor het zomerreces aan uw Kamer sturen.
Bent u bereid om voor het zomerreces te onderzoeken of er verantwoorde alternatieven beschikbaar zijn voor Dublinclaimanten en voor asielzoekers met psychische problemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.