Het bericht ‘Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam’ |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam». In dit bericht wordt melding gemaakt van een internationale obligatielening die in 2013 door Mozambique is uitgegeven, bedoeld voor de aanschaf van een vloot visserijschepen. De plaatsing van deze obligaties is, zo heb ik begrepen, verlopen via de internationale banken Credit Suisse UK en VTB, met mogelijke gebruikmaking van Mozambique Ematum Finance 2020 B.V. (hierna: Ematum B.V.). De opbrengst van de uitgegeven obligaties zou door Ematum B.V. zijn uitgeleend aan de Mozambikaanse overheid en slechts gedeeltelijk zijn aangewend voor de aanschaf van visserijschepen. In de media is bericht dat Ematum B.V. wordt beheerd door een Nederlands trustkantoor, TMF Management B.V. (hierna: TMF).
Naar aanleiding van dit bericht heb ik overleg gevoerd met De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder op trustkantoren. Uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat TMF bestuurder is van Ematum B.V. en aan Ematum B.V. domicilie verleent.
Klopt het dat de Nederlandse brievenbusmaatschappij Ematum bv betrokken was bij de diefstal van EUR 750 miljoen, geld dat bedoeld was voor de bevolking van Mozambique?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Ematum bv onder beheer stond van de Nederlandse trustfirma TMF? Welke rol had TMF bij Ematum bv? Leverde TMF bestuurders voor deze vennootschap?
Zie antwoord vraag 1.
Welke verantwoordelijkheden heeft een trustmaatschappij ten aanzien van de controle op de activiteiten die bv’s uitvoeren onder beheer van de trustmaatschappij? Welke rol hebben trustmaatschappijen met betrekking tot het signaleren van witwassen, fraude en diefstal?
Trustkantoren hebben een poortwachterfunctie binnen het Nederlandse financieel stelsel. Deze poortwachterfunctie houdt in dat trustkantoren zich moeten inspannen om integriteitrisico’s te identificeren en te beheersen, waaronder in ieder geval wordt verstaan het voorkomen dat het Nederlandse financieel stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of het financieren van terrorisme. Van trustkantoren wordt verwacht dat zij in het kader van hun dienstverlening voortdurend onderzoeken of hun cliënten betrokken zijn bij niet-integer handelen waaronder witwassen of financieren van terrorisme.
De Wet toezicht trustkantoren verplicht trustkantoren in dit kader onderzoek te doen naar integriteitsrisico’s en deze risico’s vervolgens adequaat te ondervangen, of af te zien van dienstverlening. Meer specifiek dienen trustkantoren onderzoek te verrichten naar hun cliënten en de vennootschappen die zij beheren («doelvennootschappen»). Een trustkantoor dient onder meer in kaart te brengen wie de uiteindelijk belanghebbende is van een doelvennootschap. Daarbij dienen trustkantoren bijzondere aandacht te hebben voor mensen die actief zijn of waren in de politiek («politically exposed persons» of PEPs). Ook dienen trustkantoren de herkomst en bestemming te kennen van de middelen die betrokken zijn bij een transactie die door een doelvennootschap wordt verricht. Een trustkantoor is verplicht om deze transacties te monitoren en om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (de FIU-Nederland).
Om grip te krijgen op integriteitsrisico’s, dienen trustkantoren een systematische analyse van de integriteitsrisico’s op te stellen. In deze analyse wordt door het trustkantoor uiteen gezet op welke wijze het trustkantoor kan worden geconfronteerd met risico’s op betrokkenheid bij bijvoorbeeld witwassen, (fiscale) fraude, sanctie omzeiling of handelingen die indruisen tegen hetgeen in het maatschappelijk verkeer als betamelijk wordt beschouwd. In deze systematische integriteitsrisicoanalyse dient een trustkantoor ook uiteen te zetten op welke wijze de geïdentificeerde risico’s worden beheerst.
Bent u van mening dat TMF in deze casus haar poortwachtersfunctie serieus heeft genomen?
Dat oordeel is niet aan mij, maar aan de toezichthouder, DNB. DNB heeft aangegeven alle relevante signalen in haar toezicht te betrekken en onderzoek te verrichten daar waar dat nodig is. Eventuele informatie over meldingen van ongebruikelijke transacties of incidentmeldingen, zou bekend kunnen zijn bij de FIU-Nederland, respectievelijk DNB, maar valt onder wettelijke geheimhoudingsbepalingen.
Wat vindt u van de reactie van TMF, dat stelt «Dat het in Maputo gevestigde overheidsbedrijf Ematum SA het geld vervolgens doorsluist zonder er verantwoording over af te leggen, daar kan TMF niets aan doen, zegt de woordvoerder, TMF baseert zich alleen op officiële informatie, niet op geruchten in de media.»? Deelt u de mening dat dit wel van een heel beperkt verantwoordelijkheidsbesef getuigt, en dat deze enge taakvervulling wel erg veel ruimte laat voor fraude waar dan opeens niemand voor verantwoordelijk zou zijn?
Zoals in het voorgaande uiteen is gezet, is een trustkantoor op grond van de Wet toezicht trustkantoren verplicht te onderzoeken met welke redenen er gebruik wordt gemaakt van een Nederlandse doelvennootschap, wie de uiteindelijk belanghebbenden van de doelvennootschap zijn en wat de herkomst en bestemming van de middelen zijn die betrokken zijn bij een transactie die door de doelvennootschap wordt verricht. Wanneer een trustkantoor op grond van dit onderzoek constateert dat er aan haar dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden die niet kunnen worden ondervangen met beheersmaatregelen, wordt het trustkantoor geacht deze dienstverlening te weigeren of te beëindigen. Indien een trustkantoor constateert dat er sprake is van een ongebruikelijke transactie die door een doelvennootschap wordt verricht, dan dient zij hiervan melding te maken bij de FIU-Nederland. Een transactie mag in geen geval plaatsvinden als daarmee een strafbaar feit wordt begaan of gefaciliteerd. DNB beoordeelt in de uitoefening van haar toezicht of trustkantoren deze wettelijke verplichtingen naleven.
Welke mogelijkheden hebben Nederlandse instanties, zoals De Nederlandsche Bank (DNB) en de Belastingdienst, om dit soort fraude op te sporen, of in ieder geval te signaleren dat er risico’s op onregelmatigheden bestaan?
DNB heeft als toezichthouder op trustkantoren verschillende onderzoeksbevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om informatie op te vragen en inzage te verkrijgen in cliëntdossiers. Ten behoeve van haar toezicht werkt DNB, binnen het samenwerkingsverband van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen DNB, de Autoriteit Financiële Markten, het Openbaar Ministerie, de Politie, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst, de Belastingdienst en de Financial Intelligence Unit – Nederland, met als doelstelling het versterken van de integriteit van de financiële sector. Dit doet het FEC door het uitwisselen van informatie, het delen van inzicht, kennis en vaardigheden tussen de FEC-partners.
Indien in de uitoefening van haar toezicht blijkt dat een trustkantoor zich niet houdt aan geldende regelgeving, kan DNB interveniëren. Op grond van de Wet toezicht trustkantoren kan DNB onder meer een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Met de voorgestelde nieuwe Wet toezicht trustkantoren zal het handhavinginstrumentarium van DNB verder worden uitgebreid.
De Belastingdienst is de uitvoerder van de fiscale wet- en regelgeving en kijkt vanuit dit oogpunt naar de betrokken entiteiten. Wanneer de Belastingdienst mogelijke belastingfraude signaleert kan dit overgedragen worden aan de FIOD. Verder heeft de Belastingdienst, als hij over relevante informatie beschikt, de mogelijkheid om in het kader van de samenwerking in het FEC de betrokken FEC-partners te informeren.
Wat gaat u doen om het toezicht op en het gedrag van trustmaatschappijen te verbeteren?
Uit de toezichtpraktijk is gebleken dat trustkantoren onvoldoende invulling geven aan hun taak als poortwachter van het Nederlands financieel stelsel. Dit is één van de redenen geweest om het wettelijk kader voor trustkantoren te herzien. Recent is het voorstel voor een nieuwe wet, de Wet toezicht trustkantoren 2018, openbaar geconsulteerd.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd het regelgevend kader voor trustkantoren strenger te maken. Er zal bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij de normen voor een integere en beheerste bedrijfsvoering die ook voor financiële instellingen gelden op grond van de Wet op het financieel toezicht. Ook wordt voorgesteld om een tweehoofdige dagelijkse leiding voor trustkantoren verplicht te stellen. Het concept wetsvoorstel voorziet tevens in de introductie van een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur dienstverlening aan of ten behoeve van specifieke structuren te kunnen verbieden.
Daarnaast wordt met het concept wetsvoorstel voorzien in een uitbreiding van het instrumentarium van de toezichthouder. Deze uitbreiding betreft onder meer een verruiming van de bevoegdheid van DNB om een vergunning van een trustkantoor in te trekken. Het wetsvoorstel zal ook voorzien in de mogelijkheid tot het opleggen van hogere bestuurlijke boetes en in een bevoegdheid voor de toezichthouder om bepaalde sanctiebesluiten openbaar te maken.
Deze nieuwe regelgeving is bedoeld om, in combinatie met een verdere inspanning van de trustsector zelf en consequent en doelmatig toezicht, de integriteitproblemen binnen de Nederlandse trustsector aan te pakken.
Het bericht dat de brandweer in Enkhuizen regelmatig buiten dienst is |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de brandweer in Enkhuizen vaak onderbezet is?1
Ja.
Deelt u de mening van de Veiligheidsregio dat, ondanks dat er vaak sprake is van onderbezetting, de veiligheid niet in het geding is? Zo ja, waarom wordt er dan gesproken over onderbezetting als dat blijkbaar een voldoende mate van bezetting is om de veiligheid te garanderen? Zo nee, wat gaat u daarop ondernemen?
De Veiligheidsregio Noord Holland-Noord heeft mij bericht maatregelen te nemen om lokale onderbezetting te voorkomen. Dat past binnen de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio om zorg te dragen voor een adequaat niveau van brandweerzorg. Het vaststellen en realiseren van de benodigde voertuigbezetting maken daarvan deel uit.
De Inspectie Veiligheid en Justitie zal dit jaar in alle veiligheidsregio’s een onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg. Hierbij worden onder andere (variabele) voertuigbezetting en opkomsttijden meegenomen. Voor een gesprek met de veiligheidsregio zie ik geen aanleiding. Specifieke informatie over de casus Hellevoetsluis treft u bijgevoegd2 aan in het door u gevraagde evaluatierapport van de veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Vindt u de proef met de variabele voertuigbezetting in deze regio geoorloofd, ook al laat de casus in Hellevoetsluis zien dat het tweede voertuig later aanwezig was bij de woningbrand?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid met de Veiligheidsregio in gesprek te gaan om de veiligheid van de inwoners te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de inspectie te vragen naar dit specifieke incident onderzoek te doen en de Kamer hierover te informeren?
De Inspectie heeft het onderzoeksrapport over de brand in Hellevoetsluis bestudeerd. De Inspectie zal het incident betrekken bij het onderzoek naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg in Rotterdam-Rijnmond, zoals bedoeld bij de beantwoording van de vragen 2,3 en 4.
Bij de beantwoording van deze vragen houd ik me aan de afgesproken verantwoordelijkheidsverdeling binnen het onderhavige stelsel. Voor nadere informatie verwijs ik dan ook naar de veiligheidsregio’s in kwestie of de desbetreffende gemeenteraden.
Bent u bereid het onderzoek van de veiligheidsregio naar deze brand aan de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
Een gesubsidieerd haatfeest |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «SheikWatch: Den Haag sponsort haatfeestje»?1
Ja.
Is het waar dat de gemeente Den Haag een Ramadan-festival sponsort? Zo ja, om welk bedrag gaat het?
Ik heb contact opgenomen met de gemeente Den Haag. De gemeente Den Haag heeft geen sponsoring verleend aan het evenement waaraan in het artikel wordt gerefereerd. Ook is er niet op een andere manier ondersteuning verleend. De gemeente Den Haag heeft de beleidslijn dat zij geen subsidie verleent aan religieuze bijeenkomsten. Ik zie dan ook geen aanleiding om de gemeente Den Haag in deze op enigerlei wijze aan te spreken.
Voorts is het zo dat de afweging om wel of niet over te gaan tot het subsidiëren van initiatieven een lokale aangelegenheid is. Het zijn bij uitstek de gemeentebesturen die het best in staat zijn, mede met behulp van informatie van verschillende maatschappelijke partners en overheidsorganisaties, om te beoordelen welke lokale projecten en activiteiten in het kader van het integratiebeleid (financiële) ondersteuning verdienen.
Subsidieverstrekking aan activiteiten met een religieus element is mogelijk. Hierbij geldt dat de scheiding tussen Kerk en Staat een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse stelsel is. Vanuit dit uitgangspunt en vanuit de neutraliteit van de overheid ten opzichte van religieuze of levensbeschouwelijke richtingen, kunnen de volgende kaders worden gehanteerd om subsidieaanvragen te overwegen: bij toekenning van een subsidie mag het religieuze karakter van de organisatie niet doorslaggevend zijn. Dat houdt in dat ondersteuning niet moet leiden tot bemoeienis met de inhoud van religie of tot ongelijke behandeling van religies. De subsidie dient ter verwezenlijking te zijn van niet-geloofsgebonden overheidsdoelen. Voor deze kaders verwijs ik naar het Tweeluik religie en publiek domein, dat samen met de VNG is ontwikkeld om lokale overheden te ondersteunen.2 Volledigheidshalve wijs ik u ook nog op de kamerbrief concretisering aanpak salafisme en het bijbehorende normatief kader problematisch gedrag dat op 25 februari 2016 naar de Tweede Kamer is verzonden. Dit normatief kader biedt gemeenten een kader in de omgang met religieuze organisaties die ondemocratische of ongewenste gedragingen of uitlatingen doen.
Tot slot is het niet mogelijk om gemeenten te korten op het gemeentefonds op grond van dergelijke subsidieverstrekkingen. Bovendien geldt dat het korten van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds ten principale niet past binnen de staatsrechtelijke en bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten ten aanzien van de vrij besteedbare algemene uitkering, en al helemaal niet ten aanzien van aangelegenheden die de gemeentelijke autonomie betreffen.
Deelt u de visie dat het, gezien het seculiere karakter van onze overheid, onjuist is dat gemeenten o.a. Ramadan-feesten sponsoren? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Begrijpt u dat het sponsoren van een evenement, waar mannen en vrouwen gescheiden moeten zitten en gastsprekers terroristen hebben verheerlijkt, de integratie niet ten goede komt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre bent u bereid de overheidssteun voor dit project te laten intrekken en wilt u de gemeente Den Haag desnoods korten op het gemeentefonds?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om gemeenten, en zeker het dwalende Haagse stadsbestuur, op te dragen om op geen enkele wijze meer projecten te steunen die haaks staan op het integratiebeleid? Zo neen, waarom laat u deze waanzin voortbestaan?
Zie antwoord vraag 2.
Een racistische aanval in Zwolle |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ), Selçuk Öztürk (GrKÖ) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zwolse zoekt vrouw die glas in haar gezicht duwde»?1
Ja.
Heeft u reeds met de slachtoffers contact gelegd? Zo ja, heeft u namens de Nederlandse regering uw bezorgdheid en medeleven betuigd? Zo nee, waarom nog niet?
Bij dit type delicten zoekt Slachtofferhulp Nederland contact met het slachtoffer om te bespreken of, en zo ja welke ondersteuning gewenst is. Het kabinet ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de reguliere ondersteuning en begeleiding die slachtoffers van geweldsdelicten ontvangen. Vanzelfsprekend keur ik elke vorm van geweld af.
Bent u zich ervan bewust dat racistische en discriminatoire denkbeelden leiden tot dit soort gewelddadige gebeurtenissen?
Ik ben mij ervan bewust dat racistische en discriminatoire denkbeelden kunnen leiden tot gedrag dat daarop gebaseerd is en in extreme gevallen zelfs tot gedrag dat gepaard gaat met geweld.
Bent u zich er voorts van bewust dat dit soort gewelddadige gebeurtenissen geen incidenten zijn gezien de stijging van racistische geweldsincidenten die in de laatste twee rapportages racisme, antisemitisme, en extreemrechts geweld in Nederland2 valt waar te nemen? Zo ja, welke specifieke maatregelen gaat u nemen teneinde racistische geweldsincidenten te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Aan de hand van het aantal gemelde incidenten alleen is niet vast te stellen of er ook een stijging is van het aantal incidenten, noch van het aantal incidenten dat gepaard gaat met geweldgebruik. Immers aan de stijging van het aantal gemelde incidenten kunnen ook andere oorzaken ten grondslag liggen zoals een verhoogde meldings- een aangiftebereidheid en de manier van registreren. Het kabinet zet in op een vergroting van de meldings- een aangiftebereidheid bij discriminatie en commune delicten met een discriminatoir aspect. In het Nationaal actieplan tegen discriminatie3 is ingegaan op de inzet vanuit het kabinet om de bewustwording en meldingsbereidheid ten aanzien van discriminatie te versterken.
Het inzicht in de omvang van de problematiek, die zonder meer de aandacht van het kabinet heeft, wordt steeds beter. Elk geval van discriminatoir geweld is er één te veel.
In het geval er sprake is van een commuun feit met discriminatoir aspect, dan moet, volgens de Aanwijzing Discriminatie van het Openbaar Ministerie, een verhoging van de strafeis worden gevraagd van 50 tot 100 procent.
Waarom leggen rechters nu slechts in beperkte mate een taak-/leerstraf op bij discriminatoire incidenten?3 Wat houdt een leerstraf in het kader van discriminatie in?
Het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie van het Openbaar Ministerie geeft aan dat de recidive van personen die bestraft worden voor een discriminatiefeit vrijwel nihil is. Het invoeren van een maatregel met als doel speciale preventie lijkt dan ook niet nodig. Overigens bestaat voor de rechter bij vaststelling van strafbare discriminatie reeds de mogelijkheid tot het opleggen van een taakstraf. De taakstraf kan ook een leerstraf inhouden, welke kan worden ingevuld als een leertraject tegen discriminatie.
Ik zie daarom geen aanleiding om een uitgebreidere leerstraf in het leven te roepen, mede omdat het ontwerpen van een educatieve maatregel of leerstraf een arbeidsintensief traject is waarvoor veel geïnvesteerd moeten worden in het inrichten van de maatregel/straf.
Een veroordeling is gebaseerd op alle feiten die op een tenlastelegging staan en die door de rechter bewezen worden geacht. Het is daarom niet mogelijk deze gegevens te splitsen en aan te geven welk deel van de maatregel of straf specifiek voor het discriminatiefeit in een zaak of het discriminatoire aspect van een zaak is opgelegd.
Is de regering bereid een uitgebreidere leerstraf in het leven te roepen, in de vorm van een Educatieve Maatregel Discriminatie, waarbij mensen die discrimineren corrigerend worden bijgeschoold en ervan doordrongen raken dat discriminatie echt niet kan, omdat ook relatief lage recidivecijfers ons er niet van ontslaan dat de discriminatoire denkbeelden die ook zorgen voor subtiele en alledaagse vormen van discriminatie dienen te worden bestreden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u van het idee politieagenten vrij te maken teneinde gespecialiseerd te worden in het afnemen van aangiften van racisme en discriminatie, daar uit onderzoek blijkt dat er winst valt te behalen in de effectiviteit van de gang van discriminatoire klachten door de strafrechtketen?4
Iedere eenheid beschikt al over een contactpersoon Discriminatie. Ook is er binnen de politie een netwerk Divers Vakmanschap. Dit netwerk is er voor uitwisseling van expertise en ervaringen, maar ook ter ondersteuning van discriminatiezaken. Iedere politiefunctionaris dient echter voldoende sensitief te zijn voor een goede omgang bij aangiftes en de opvolging daarvan.
De politie werkt verder aan bewustwording van de medewerkers met behulp van onder meer het voornoemde netwerk. De politie zet in op verbetering van registratie van aangiften en intensivering van de samenwerking met het OM en de Antidiscriminatiebureaus. De politie maakt voor het eerst dit jaar het zogenoemde Multi Agency Rapport samen met het College voor de Rechten van de Mens voor een betere agendering van discriminatie.
Hoeveel budget en fte’s zijn er vrijgemaakt bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om discriminatie te bestrijden?
Het bedoelde budget bedraagt voor 2016 452.000 euro; 65.000 euro voor een pilot regionalisering van anti-discriminatievoorzieningen, 37.000 euro voor de jaarlijkse rapportage inzake discriminatieklachten, 100.000 euro voor de basiskosten van de campagne tegen discriminatie en 250.000 euro voor de herhaling van de koepelcampagne tegen discriminatie dit voorjaar.
Daarnaast is in 2008 structureel zes miljoen euro toegevoegd aan het Gemeentefonds in verband met de uitvoering van de Wet gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen.
Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties houden diverse medewerkers zich met het onderwerp discriminatie bezig. Opgeteld betreft het ongeveer twee fte’s.
Overigens moet worden opgemerkt dat dit maar een klein gedeelte is van het totale budget dat beschikbaar is bij de rijksoverheid voor discriminatiebestrijding.
Het Ministerie van BZK heeft koepelverantwoordelijkheid op het onderwerp discriminatie, maar meerdere departementen zijn verantwoordelijk voor verschillende deelterreinen. Zo zet het Ministerie van SZW zich bijvoorbeeld in voor de bestrijding van racisme, is het Ministerie van OCW verantwoordelijk voor emancipatie en gaat het Ministerie van VWS over de rechten van mensen met een handicap. Vanuit deze deelverantwoordelijkheid zijn er ook bij de ministeries van SZW, OCW, VWS en VenJ financiële middelen beschikbaar gesteld en zijn er ambtenaren die geheel of gedeeltelijk belast zijn met dit onderwerp.
Hoeveel budget en fte’s zijn er bij de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Veiligheid en Justitie vrijgemaakt om radicalisering te bestrijden?
Op 29 augustus 2014 stuurde het kabinet het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme naar de Tweede Kamer. Het actieprogramma vormt het beleidsmatige antwoord op de geconstateerde jihadistische dreiging en bestaat uit 38 zowel repressieve maatregelen gericht op het voorkomen van aanslagen en vervolging van gewelddadige jihadisten, als preventieve maatregelen gericht op het tegengaan en bestrijden van radicalisering. De coördinatie over uitvoering van de integrale aanpak jihadisme is belegd bij de Programmadirectie Contraterrorisme. In 2016 bestond deze Programmadirectie uit circa 45 fte.
In februari 2015 heeft het kabinet besloten om de veiligheidsketen op bepaalde punten te versterken. Voor de preventieve aanpak betekent dit dat een bedrag van € 59 mln. beschikbaar is gesteld voor de periode 2016–2020. Dit geld wordt voor een groot deel ingezet ter ondersteuning van de lokale preventieve aanpak. Het totale bedrag wordt verspreid over vijf jaar ingezet. Dat komt neer op ongeveer € 11,8 mln. per jaar.
Op rijksniveau is er bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie in 2016 € 287.000 vrijgemaakt voor de uitvoering van de maatregelen uit het Actieprogramma gericht op het tegengaan van radicalisering. Bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voor het tegengaan van radicalisering in 2016 € 3 miljoen, inclusief 10 fte, vrijgemaakt.
Bent u bereid om vóór het plenaire debat naar aanleiding van het verslag van het Algemeen overleg (VAO) Nationaal Actieprogramma tegen discriminatie deze vragen te beantwoorden?
Dit is niet mogelijk gebleken.
Het bericht ‘VVD: ‘Diefstal komt niet bij politie, dat lost het COA op’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VVD: «Diefstal komt niet bij politie, dat lost het COA op»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de opmerkingen van een VVD-Tweede Kamerlid op 26 oktober 2015 in de genoemde radiouitzending het bewijs vormen van hetgeen u wilt laten onderzoeken door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) naar aanleiding van eerdere vragen?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in antwoord op eerdere Kamervragen is het zeker geen beleid van het COA om winkeliers te compenseren voor diefstal door asielzoekers. Het zou ook zeer onwenselijk zou zijn als COA-medewerkers dit wel zouden doen.3 Er zijn ons gelukkig geen gevallen bekend waar dit is gebeurd. Het COA is naar aanleiding van de geruchten een en ander nagegaan.
Ook dit heeft geen concrete gevallen opgeleverd. Ik zie dan ook geen aanknopingspunten voor verder onderzoek.
Deelt u de mening dat een eigen COA-onderzoek nu volstrekt onvoldoende is, maar dat de Rijksrecherche moet worden ingezet om te onderzoeken of diefstal door asielzoekers wordt gecompenseerd door het COA en op welke wijze dit zou zijn gebeurd en wellicht nog steeds gebeurt? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om nog voor het weekend deze zaak aan te melden bij de Coördinatie Commissie Rijksrecherche, zodat er snel actie kan worden ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Onderzoek naar het overlijden van een man in Groningen in 1990 |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De ochtend dat Satan in Groningen huishield. Een reconstructie van de moord op kraker Marco bij het WNC in Groningen, 1990»?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Is er aanleiding om te veronderstellen dat de in het bericht genoemde persoon slachtoffer is van doodslag of moord? Zo ja, is dan vervolging nog mogelijk?
Indien sprake zou zijn geweest van moord zou het delict niet verjaren. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat sprake is geweest van moord.
Het onderzoek is in 2005 door het Openbaar Ministerie (OM) gesloten vanwege het ontbreken van voldoende opsporingsindicaties. Indien wordt uitgegaan van het delict doodslag, is het feit op 21 april 2005 verjaard.
Is er verband tussen enerzijds het in het bericht vermelde vertrek van een rechercheur en politiepsycholoog uit het Cold Case Team en de overplaatsing van de toenmalige officier van justitie en anderzijds het vervolg van het strafrechtelijk onderzoek? Zo ja, waaruit bestaat dit verband? Zo nee, waarom niet in hoe verhoudt zich dat tot hetgeen hierover in het bericht wordt gesteld?
Er is geen enkel verband tussen het verloop van het strafrechtelijk onderzoek (en de afdoening ervan) en de wijzigingen in het Cold Case Team.
In 2005 is door de officier van justitie die verantwoordelijk was voor het Cold Case Team op basis van de resultaten van het opsporingsonderzoek besloten het onderzoek te sluiten.
Is er recentelijk vanuit kringen van ex-krakers of andere informatiebronnen informatie over deze zaak bekend geworden die aanleiding kan zijn tot nader strafrechtelijk onderzoek? Zo ja, is of wordt deze zaak heropend en welke overwegingen spelen daarbij een rol?
Zoals opgemerkt in antwoord op vraag 2 zijn er geen aanwijzingen dat sprake is geweest van moord. Tot op heden ontbreken aanwijzingen in die richting. Er is dan ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen.
Het bericht ‘Big-data experiment legt onzichtbare criminaliteit bloot’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomsten van het programma FinPro, dat de afgelopen jaren op Rotterdam-Zuid is uitgevoerd door het Openbaar Ministerie in samenwerking met financiële partijen, zorgverzekeraars en andere private ondernemingen?1 Bent u bereid het onderzoeksrapport aan de Kamer te sturen?
In opdracht van het College van PG’s van het Openbaar Ministerie is in 2013 het project FinPro gestart om te verkennen of op basis van diverse datareeksen (big data) fraudepatronen kunnen worden herkend. De FinPro-methode is toegepast in een onderzoek in Rotterdam-Zuid. Dit onderzoek vond plaats in de periode van januari 2015 tot februari 2016 in opdracht van de gemeente Rotterdam, het Openbaar Ministerie, Politie en het programmabureau van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Bijkomend doel hiervan was om inzicht te verwerven in de mogelijkheden van big data bij het in kaart brengen van onvolkomenheden in datasystemen ten behoeve van het ontdekken van fraudepatronen. Het bericht in het Financieel Dagblad van 9 mei 2016, getiteld «Big-data-experiment legt onzichtbare criminaliteit bloot», heeft voornamelijk betrekking op dit onderzoek.
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vormt hierbij het juridisch kader voor zover persoonsgegevens worden verwerkt. In artikel 9, derde lid jo. artikel 23, tweede lid, van de Wbp is vastgelegd dat ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek, zoals hier het geval was, onder voorwaarden strafvorderlijke en/of justitiële gegevens verder kunnen worden verwerkt.2 Het project had niet tot doel om strafbare feiten op te sporen en vervolgens te vervolgen, maar om mogelijke fraudepatronen in beeld te brengen. Het is juist dat de gegevens die in het kader van dit project zijn verzameld en verwerkt, zijn vernietigd. Persoonsgegevens mogen op grond van de Wbp immers niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is in het licht van het doel, in casu wetenschappelijk onderzoek en statistiek. Dat geldt in het bijzonder ook ten aanzien van gevoelige persoonsgegevens die in dat kader worden verzameld.
Er zijn geen eindrapportages opgesteld. Wel zijn medewerkers van de ministeries van Veiligheid en Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en andere geïnteresseerde ministeries door het Openbaar Ministerie en via een presentatie van de onderzoekster op hoofdlijnen geïnformeerd over de werkwijze en de conclusies. De bevindingen van het project zien zoals gezegd primair op het verkennen van de mogelijkheden om door het gebruik van big data-analyses fraudepatronen te herkennen. Daarbij hebben deelnemende partijen volledige geheimhouding afgesproken en toegezegd gekregen waar het de inhoud van de aangeleverde informatie en hun identiteit betreft. Tegen die achtergrond kan ik deze informatie niet verstrekken. Daar komt bij dat de informatie betrekking heeft op fraudepatronen en derhalve niet geschikt is om openbaar te worden gemaakt.
De betrokken partijen zijn thans met elkaar, als ook met een aantal geïnteresseerde ministeries, in overleg over welke lessen getrokken kunnen worden uit de opgedane ervaringen. Daar moet wat mij betreft de aandacht op worden gericht. Op dit moment ontbreekt een heldere basis voor het gebruik van de uitkomsten van moderne analysetechnieken door samenwerkingsverbanden ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke taken van de deelnemers. Onderzocht wordt of het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel voor een Kaderwet gegevensuitwisseling in samenwerkingsverbanden hierin kan voorzien. Daarbij geldt dan wel als voorwaarde dat de deelnemers aan een samenwerkingsverband moeten kunnen rechtvaardigen dat het belang dat van de uitkomsten van de door een kaderwet toegestane analysetechniek gebruik wordt gemaakt ten behoeven dan taakuitoefening van de deelnemers, zwaarder weegt dan het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik verwijs hiervoor naar de kabinetsbrief van 19 december 2014 (Kamerstuk 32 761, nr. 79, blz.3.
Deelt u de mening dat het -blijkens de uitkomsten van dit onderzoek, een gemiste kans is dat grootschalige data-analyse klaarblijkelijk onvoldoende wordt benut om fraude en andere vormen van criminaliteit tegen te gaan?
Het doel van het project was om de bewustwording te vergroten van de mogelijkheden die het gebruik van big data, onder andere in het kader van het herkennen van fraudepatronen, biedt. In zoverre is er geen sprake van een gemiste kans.
Waarom heeft de Belastingdienst niet deelgenomen aan deze pilot? Zou dat in de toekomst wel mogelijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor de Belastingdienst geldt een strikte geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Die kan voor wat betreft gegevensleveringen aan andere overheidsorganisaties (al dan niet in het kader van een samenwerkingsverband) worden doorbroken. Daarvoor is een wettelijke regeling (voor structurele gegevensleveringen) of een ontheffing (voor ad hoc gevallen) nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht biedt op dit moment geen mogelijkheid om gegevens te leveren aan private partijen. Daardoor heeft de Belastingdienst niet kunnen deelnemen aan het project FinPro. Onderzocht wordt of het hiervoor genoemde wetsvoorstel voor een Kaderwet gegevensuitwisseling in samenwerkingsverbanden een basis kan bieden voor gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst en private partijen in de toekomst.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gebruik gemaakt van big data-analyses, waaronder de analyses die de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) verricht. Verder kan ik wijzen op de proef met een «broedkamer» waarin op het domein van Veiligheid en Justitie naar het voorbeeld van andere organisaties stappen zullen worden gezet om beter gebruik te maken van informatie door deze te ontsluiten uit de ICT-systemen en effectiever te benutten (Kamerstuk 29 279, nr. 298, blz. 3).
Tot slot zal het kabinet in het najaar met een reactie komen op het rapport no. 95 van de WRR, getiteld «Big data in een vrije en veilige samenleving».
Indien uw antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt: hoe gaat u (rijksbreed) verder gebruikmaken van grootschalige data-analyse verzameling en verwerking om fraudepatronen beter te ontdekken? Worden er meer pilots opgestart en/of wordt dit programma rijksbreed verder uitgerold, conform de wens van de directeur Nationaal Programma Rotterdam Zuid meer experimenteerruimte te krijgen van het Rijk?2
Zie antwoord vraag 3.
Is het juist dat strafrechtelijke vervolging en opsporing van zaken die zijn aangetroffen in vernoemd programma, alsmede het opleggen van bestuurlijke boetes, niet meer mogelijk is omdat de geanonimiseerde datareeksen na het betreffende onderzoek direct zijn vernietigd? Kunt u nagaan op wiens verzoek van de deelnemende partijen aan dit programma hiertoe besloten is?
Zie antwoord vraag 1.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, kunt u aangeven of deze vernietiging strikt noodzakelijk was geweest, gelet op de geldende wet- en regelgeving? Zo ja, bent u bereid de wet en- regelgeving zo aan te passen dat deze informatie in de toekomst wel behouden kan blijven voor verder (strafrechtelijk) onderzoek? Zo ja, wanneer kan de Kamer voorstellen hiertoe verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Matchfixing en georganiseerde criminaliteit |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Georganiseerde misdaad steeds vaker in matchfixing»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van Europol dat «de georganiseerde misdaad steeds vaker betrokken (is) bij het manipuleren van voetbalwedstrijden»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Uit informatie van politie en het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat fraude in de sport om internationale, grensoverschrijdende en georganiseerde criminaliteit kan gaan. Internationale samenwerking is daarom essentieel om fraude in de sport aan te pakken. In het nieuwe Nationaal Dreigingsbeeld Georganiseerde criminaliteit (dat medio 2017 zal verschijnen) zal matchfixing als apart deelonderwerp worden belicht. Dan zal naar verwachting meer duidelijkheid ontstaan over dit fenomeen in Nederland en de mate waarin er verbindingen zijn te leggen met georganiseerde criminaliteit.
Beschikt u ook over informatie waaruit blijkt dat «criminele syndicaten vaker inkomsten uit drugshandel of prostitutie in(zetten) op de internationale gokmarkt»? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Zo nee, blijkt uit Nederlands onderzoek dat er geen sprake is van deze praktijken in Nederland of is er geen onderzoek gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat «matchfixing meer prioriteit (moet) krijgen bij justitie en politie» en dat «de informatie-uitwisseling tussen landen beter» kan?
Matchfixing heeft prioriteit van politie en OM. Ik verwijs u naar het verslag van de rondetafelbijeenkomst van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2016. In aanvulling daarop kan ik u nog melden dat op Europees niveau een aantal activiteiten plaatsvindt. Zo neemt Nederland deel aan de EU-expertgroep matchfixing. In deze expertgroep wordt beleidsinformatie gedeeld en worden goede voorbeelden van de aanpak van matchfixing en ervaringen uitgewisseld. Daarnaast vinden bilaterale contacten plaats tussen de verschillende stakeholders op het terrein van sport, kansspelen en opsporing en vervolging.
Verder is de Europese Unie voornemens om samen met de lidstaten toe te treden tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake matchfixing. De onderhandelingen hierover in EU-kader zijn nog niet afgerond.
Deelt u de mening van de in het bericht genoemde specialist van Europol en hoofdcommissaris van een in matchfixing gespecialiseerde Duitse politie-eenheid «dat er jaarlijks honderden wedstrijden worden gefixt door criminele organisaties» en dat matchfixing als georganiseerde misdaad moet worden gezien en niet (alleen) als een integriteitskwestie? Zo nee, waarom niet?
Een belangrijke conclusie uit het onderzoek van de Universiteit van Tilburg, de Vrije Universiteit en Ernst & Young naar de aard en omvang van matchfixing in Nederland2 (2013) was dat matchfixing in Nederland voorkomt, maar dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat wedstrijden op grote schaal worden gemanipuleerd of hele competities gecorrumpeerd zijn.
Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Deelt u de mening van de genoemde Duitse hoofdcommissaris dat er veel is misgegaan in de zaak rond Rode Paul op het gebied van informatie-uitwisseling met het Nederlandse Openbaar (hierna: OM)? Zo ja, waarom is dat misgegaan en wat is er misgegaan? Wat gaat u doen om herhaling te voorkomen? Deelt u mening van het Nederlandse OM dat dit niet meer kan gebeuren? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?.
Het OM heeft over deze zaak altijd contact onderhouden met de Duitse collega’s en heeft dit contact met de Duitse collega’s altijd serieus genomen. Vanaf 2013 is het Functioneel Parket het OM-onderdeel dat zich bezighoudt met het bestrijden van fraude in de sport, dat contact onderhoudt met de Duitse collega’s over de zaak en dat alle signalen die aan Nederland zijn verstrekt heeft beoordeeld. Het meermalen opvragen in het verleden door verschillende opsporings- dan wel vervolgingsdiensten van dezelfde dossierstukken bij de Duitse collega’s is inderdaad niet efficiënt geweest.
Waarom is er niets gedaan met het feit dat liefst driemaal informatie is verstrekt aan Nederland en dat de verschillende parketten er niets mee deden, dit ook in relatie tot de Bochum-tape?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening van het OM dat matchfixing in internationaal verband veel breder aangepakt zou moeten worden? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Waarom noemt het OM matchfixing symptoombestrijding terwijl de bestrijding van matchfixing vanaf 2013 prioriteit zou zijn?
Het OM neemt het bestrijden van matchfixing serieus en geeft hier prioriteit aan. Het enkel uitoefenen van repressie door middel van het strafrecht of tuchtrecht is niet voldoende om de problematiek aan te pakken; er dient ook op preventie te worden ingezet. Dat is ook de reden dat de bestrijding van matchfixing en aanverwante risico’s in breder verband geschiedt.
Het bericht dat het aantal hulpvragen wegens huiselijk geweld fors stijgt |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal hulpvragen wegens huiselijk geweld stijgt fors»?1
Ja.
Wat is uw mening over de door Stichting Korrelatie geconstateerde stijging in de eerste vier maanden van dit jaar, en de stijging met 41% ten opzichte van 2015 van het aantal mensen dat hulp zoekt vanwege vragen over huiselijk geweld?
Het is goed dat meer mensen hulp zoeken naar aanleiding van huiselijk geweld en kindermishandeling. In de regel zijn slachtoffers, plegers en omstanders terughoudend om kindermishandeling bespreekbaar te maken, uit schaamte, uit schuldgevoel of uit angst voor de gevolgen. De stijging van het aantal hulpvragen beschouw ik primair als een teken dat deze terughoudendheid blijkbaar vermindert. En dat is belangrijk, omdat we daarmee huiselijk geweld kunnen aanpakken.
Deelt u de mening van Stichting Korrelatie dat deze stijging te verklaren valt door grotere aandacht in de media en de campagnes van de overheid? Zo ja, is deze stijging ook terug te zien in het aantal contacten met Veilig Thuis? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de landelijke publiekscampagne: een veilig thuis, daar maak je je toch sterk voor, is om slachtoffers, plegers en omstanders op te roepen om hulp en advies te vragen bij (vermoedens van) huiselijk geweld én kindermishandeling. Ik heb geen onderzoek gedaan naar de aanleiding voor betrokkenen om hulp te zoeken. De publiekscampagne zal hier naar verwachting wel aan bijgedragen hebben. Daarnaast is in de media regelmatig aandacht voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik vermoed dat ook die aandacht bijdraagt aan het overwinnen van terughoudendheid van burgers, slachtoffers en plegers om hulp te zoeken.
Bijna alle Veilig Thuis-organisaties (VT-organisaties) hebben aan de VNG gemeld dat zij vanaf de start van Veilig Thuis per 1 januari 2015 een stijging van het aantal adviesaanvragen en meldingen zien. Gemiddeld over alle Veilig Thuis organisaties is die stijging ca 20% ten opzichte van 2014.
Wat is uw mening over het feit dat de hulpverleners van Stichting Korrelatie vaak horen dat mensen niet weten waar ze huiselijk geweld kunnen melden? Heeft u cijfers over de bekendheid bij mensen over de organisaties waar ze terecht kunnen voor het melden van huiselijk geweld? Zo ja, kunt u die cijfers geven over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet?
Een belangrijk doel van de samenvoeging van het voormalig Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en het Steunpunt Huiselijk Geweld (SHG) is dat voor omstanders, plegers, slachtoffers en professionals er één duidelijk en bekend punt is voor advies over en melden van geweld in huiselijke kring binnen de regio. Misschien weet nog niet iedereen dat zij terecht kunnen bij Veilig Thuis, maar het is positief dat ze wel hulp zoeken en vinden. Korrelatie wijst de bellers door naar Veilig Thuis in hun regio. Daarnaast concludeer ik dat de bekendheid van Veilig Thuis in de regio groeit omdat ook de VT-organisaties een toename zien van het aantal adviesgesprekken en meldingen (zie ook het antwoord onder vraag 3).
Ik heb geen cijfers over de bekendheid bij mensen over de organisaties waar ze terecht kunnen voor het melden van huiselijk geweld. Het belangrijkste vind ik dat mensen, bij wie ze ook aankloppen, of het nu de politie, de huisarts, Korrelatie of andere organisaties zijn, goed worden geholpen en/of worden doorverwezen naar Veilig Thuis.
Een goed functionerend Veilig Thuis is daarvoor cruciaal. Daarom is in januari 2016, op mijn initiatief, door de VNG een verbeter- en doorontwikkelingsprogramma voor de VT-organisaties gestart.
Op welke wijze zou de bekendheid van Veilig Thuis als dé plek om te melden vergroot kunnen worden?
Veilig Thuis is dé plek om advies te vragen over huiselijk geweld en kindermishandeling en indien nodig hier ook melding van te doen. Gemeenten en VT-organisaties werken aan de bekendheid van Veilig Thuis bij verschillende doelgroepen.
Gelet op het grote maatschappelijk belang van de aanpak van geweld in huiselijke kring voer ik de eerder genoemde publiekscampagne, waarin via tv- en radiospotjes, PR en een website het landelijk gratis nummer voor Veilig Thuis wordt gecommuniceerd. Uit de Jaarevaluatie Campagnes rijksoverheid 20152 blijkt dat de campagne de afgelopen jaren heeft bijgedragen aan de bekendheid van Veilig Thuis. Maar de handelingsverlegenheid van mensen blijft nog steeds vrij groot.
Wat vindt u van de uitspraak van Stichting Korrelatie dat steeds meer mensen anoniem bellen over een kind in hun omgeving waar ze zich zorgen over maken? Wat is uw visie hierop?
Ik vind het positief dat omstanders hun zorgen over vermoedens van kindermishandeling bespreken met de hulpverlening. Ik kan begrijpen dat zij in sommige gevallen anoniem willen blijven. Belangrijk is dat mensen laagdrempelig hun zorgen kunnen delen. Korrelatie en vooral Veilig Thuis, waarnaar deze omstanders worden doorverwezen, zijn geëquipeerd om deze omstanders van goed advies te voorzien. Mocht een situatie dermate ernstig zijn dat een melding noodzakelijk is dan zal Veilig Thuis – als dat nodig is – met betrokkenen spreken over het opheffen van deze anonimiteit. Belangrijk is dat het geweld stopt, dat het kind veilig is en indien nodig, hulp geboden wordt aan betrokkenen.
Bent u het eens met de uitspraak van Stichting Korrelatie dat veel mensen nog steeds niet willen praten over huiselijk geweld uit schaamte, uit angst voor nog meer geweld, of om andere redenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom? Wat bent u van plan deze blokkades om huiselijk geweld te bespreken verder af te breken?
Net als Korrelatie zie ik, zoals ook blijkt uit met mijn antwoord op vraag 2, dat schaamte en angst een reden kan zijn voor slachtoffers, plegers en omstanders om niet te praten over huiselijk geweld. Aandacht in de media over geweld in huiselijke kring draagt bij aan het overwinnen van deze blokkades. Het is en blijft belangrijk om te werken aan bewustwording en het taboe te doorbreken. Dat moeten we met elkaar doen. Op lokaal niveau door middel van voorlichting en informatievoorziening. En door professionals die op basis van de meldcode bij vermoedens van huiselijk geweld het gesprek met de betrokkenen aan gaan.
Hoe staat het met de eerder geconstateerde problemen bij diverse Veilig Thuis regio's?2 Wilt u daarbij ook specifiek ingaan op de situatie bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid?3
In de voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA) die tijdig voor het geplande Algemeen Overleg (AO) van 15 september 2016 aanstaande naar uw Kamer zal worden gezonden, zal ik ingaan op de inspanningen van gemeenten en Rijk om de VT-organisaties verder op orde te krijgen.
De dumpingen van drugs en ander (gevaarlijk) afval in Gelderland. |
|
Marith Volp (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afvaldumping loopt spuigaten uit; noodkreet grondeigenaren»?1
Ja.
Welke stappen worden genomen om de dumping van gevaarlijk afval, zoals afval afkomstig van drugslaboratoria en wietplantages alsmede asbestafval, te voorkomen en de daders op te pakken? In hoeveel procent van de zaken wordt een dader (casu quo daders) veroordeeld?
Het beleid van mijn ministerie en de inmiddels ontwikkelde initiatieven in de provincies Noord-Brabant en Limburg is in eerste instantie gericht op het voorkomen van dumpingen van drugsafval door het aanpakken van de productie. Indien er desondanks toch wordt gedumpt, zetten politie en Openbaar Ministerie (OM) in op het opsporen en vervolgen van de daders van dumpingen. Zoals ik uw Kamer in antwoord op vragen van de leden Dik-Faber en Segers2 (beiden ChristenUnie) op 2 mei heb laten weten, heb ik geen overzicht van het aantal gevallen waarin daders van dumping van drugsafval betalen voor de opruimkosten daarvan. Indien het OM een verdachte strafrechtelijk vervolgt voor het dumpen van drugsafval kan een gemeente of grondeigenaar zich voegen in het strafgeding als benadeelde partij om zodoende de kosten van het opruimen, die direct door de dumping zijn veroorzaakt, vergoed te krijgen. Van deze mogelijkheid wordt, zo blijkt uit uitspraken in 2015 van de rechtbank Oost-Brabant en rechtbank Gelderland, gebruik gemaakt.
Daarnaast worden in de regio Gelderland afspraken gemaakt over samenwerking tussen diverse partijen, publiek en privaat, zoals gemeente, brandweer, de politie, het OM, de Land- en Tuinbouw Organisatie en het waterschap in het kader van een project Veilig Buitengebied. Die samenwerking bestrijkt een heel breed terrein, waaronder brand- en verkeersveiligheid en, wanneer daar aanleiding toe bestaat, ook voorkoming van drugsdumpingen. Doel hiervan is om bewoners van het buitengebied bewust(er) te maken van wat zij zelf kunnen doen, bijvoorbeeld camera’s ophangen, deuren van loodsen/schuren/stallen e.d. afsluiten en bij het verhuren van leegstaande loodsen e.d. alert zijn op de omstandigheden waaronder de verhuur plaatsvindt (contante betalingen, uitsluitend mondelinge afspraken, onbekende huurders, etc.).
Is de financiering waarbij de overheid 50% van de opruimkosten betaalt bij drugsdumpingen ook beschikbaar voor dumpingen van ander gevaarlijk afval zoals asbest? Zo ja, zijn de slachtoffers hiervan naar uw mening voldoende op de hoogte? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden hiervoor?
De financiering van (ten hoogste) 50 procent van de opruimkosten van gedumpt afval van drugsproductie is niet beschikbaar voor opruiming van ander gevaarlijk afval, omdat deze financiering voortvloeit uit een amendement op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu3 dat alleen voorziet in een bijdrage voor het opruimen van drugsafval. De betreffende begrotingspost beperkt de inzet van de middelen dus tot drugsafval.
Wordt er gekeken naar een brede samenwerking tussen de betrokken overheidsinstanties in de provincie Gelderland om deze problematiek aan te pakken, vergelijkbaar met de projectgroepen «Samen tegen dumpen» (provincie Noord-Brabant) en «Limburg Drugslab-vrij» (provincie Limburg)? Zo ja, worden hierbij ook stappen genomen om een volgende verplaatsing van het probleem te voorkomen? Zo nee, bent u bereid om in overleg met de provincie Gelderland te treden om te kijken naar de noodzaak en mogelijkheden hiervoor?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 9 van de leden Dik-Faber en Segers (beiden ChristenUnie) over dumping van drugsafval in Gelderland4. In Noord-Brabant heeft de provincie het initiatief genomen om alle partijen die betrokken zijn bij het aanpakken van drugsdumpingen bijeen te brengen via onder andere de projectgroep «Samen Tegen Dumpen». Vanuit mijn departement wordt aan deze projectgroep deelgenomen. Als de provincie Gelderland daar prijs op stelt, zal dat in deze provincie ook gebeuren.
In het antwoord op vraag 3 van de leden Dik-Faber en Segers heb ik aan uw Kamer laten weten dat op basis van de cijfers over dumpingen geconstateerd zou kunnen worden dat sprake is van een verschuiving van dumplocaties van Noord-Brabant naar omliggende provincies zoals Gelderland. Of er sprake is van een waterbed-effect richting Gelderland kan echter niet met zekerheid worden gezegd. Deze bewegingen worden uiteraard gemonitord.
Het bericht dat Zeeland de ideale plek is voor drugssmokkelaars |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Zeeland de ideale plek voor drugssmokkelaars zou zijn?1
Ja.
Deelt u de mening van de criminoloog dat door extra strenge controles op onder andere Schiphol het drugssmokkelprobleem zich verplaatst naar Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van drugssmokkel vindt op verschillende manieren plaats. Dit gebeurt door het controleren van binnenkomende vluchten op de vliegvelden, van schepen in havens en controles van het wegverkeer. Hierbij worden risicogericht onder meer scanapparatuur en speurhonden ingezet. Daarnaast worden criminele organisaties die zich met drugssmokkel bezighouden op integrale wijze aangepakt. Criminelen zullen altijd op zoek gaan naar zwakke plekken in het systeem. De samenwerkende overheidsdiensten zullen steeds op deze veranderende strategieën moeten inspelen. In Zuid-Nederland wordt ondermijnende criminaliteit intensief aangepakt door de Taskforce Brabant-Zeeland en het project Intensivering Zuid van OM en politie. Dit levert resultaat op, maar zal mogelijk ook verplaatsing van criminaliteit tot gevolg hebben. De opsporingsdiensten blijven deze ontwikkelingen volgen en zullen hier zo nodig hun inzet op aanpassen.
Blijkt uit de inspectierapporten inderdaad dat er veel te weinig capaciteit is in Zeeland om deze problematiek aan te pakken? Bent u bereid deze rapporten ook naar de Tweede Kamer te sturen?
Met de inspectierapporten doelt prof. Fijnaut op het vierde onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie naar de vorming van de Nationale Politie. In deze vierde ronde stond de werking van de basisteams van de Nationale Politie centraal. Ook de eenheid Zeeland-West-Brabant is in dat kader als een van de eenheden onderzocht. Dit rapport heb ik 31 augustus 2015 aan uw Kamer gezonden. De Inspectie Veiligheid en Justitie heeft in dit rapport geen oordeel gegeven over de aanpak van drugssmokkel in Zeeland.
Politie heeft aangegeven dat de capaciteitsinzet bij de Zeeuwse Havens in april jl. is besproken tussen de eenheidsleiding en betrokken burgemeesters. Er zijn nadere maatregelen afgesproken die zien op de versterking van het haventeam en de samenwerking met de basisteams, districtsrecherche en de Dienst Regionale Recherche. Tevens zijn partnerships aangegaan met de Landelijke Eenheid en de Zeehavenpolitie Rotterdam. In de havens zijn meerdere operationele diensten actief zoals de Koninklijke Marechaussee en de Douane. Deze operationele diensten werken samen in een samenwerkingsverband. De samenwerking verloopt goed.
Deelt u de mening van de criminoloog dat het aanstellen van een officier van justitie in Zeeland niet de juiste oplossing is wanneer er te weinig politiecapaciteit beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het parket Zeeland-West-Brabant beschikt over een «havenofficier». De betreffende officier van justitie heeft als taakaccent de opsporing en vervolging van strafbare feiten in de havens in de regio. Hij fungeert als aanspreekpunt voor de politie in alle havenzaken. Signalen die kunnen wijzen op criminaliteit/criminele organisaties/verdachten worden besproken met de havenofficier, hetgeen bij voldoende aanwijzingen kan leiden tot een opsporingsonderzoek. Zoals ik in de beantwoording op vraag 3 heb aangegeven zijn er afspraken gemaakt die ten goede komen aan de capaciteit.
Naast de strafrechtelijke aanpak, wordt tevens geïnvesteerd in een integrale aanpak van criminaliteit in de havens. Hierbij zijn OM, politie, gemeenten, Belastingdienst, Douane, Koninklijke Marechaussee en Zeeland Seaports betrokken. Vanuit de havendriehoek wordt samen met Zeeland Seaports gewerkt aan preventie door bedrijven te betrekken bij de aanpak.
Bent u bereid de bezuiniging op de politie, zodat er straks ongeveer 2.000 fte minder politiecapaciteit beschikbaar is, te herzien? Zo nee, waarom niet?
Met uw Kamer is een operationele sterkte afgesproken van 49.500 FTE. Dat is het uitgangspunt en daar wordt naartoe gewerkt. Op dit moment is er sprake van een operationele sterkte die hoger is dan afgesproken. Met het oog op de betaalbaarheid van de politie wordt de omvang van de operationele sterkte teruggebracht tot de afgesproken omvang. Deze afname is in de meerjarenraming van de begroting 2016 van de politie opgenomen.
Het bericht ‘Gevangenen Curaçao in de val' |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gevangenen Curaçao in de val»?1
Ja.
In hoeverre herkent u zich in de in dit bericht geschetste situatie van de gevangenis op Curaçao?
De voortgangscommissie Curaçao meldt in haar laatste voortgangsrapportage dat binnen de SDKK concrete voortgang is geboekt op bouwkundige en materiële projecten, waaronder het aanbrengen van brandveiligheidmateriaal. Het beeld dat in de – in het artikel geciteerde – brief wordt geschetst wijkt hiervan af.
Ik ontvang vanuit de Caribische landen over veel onderwerpen brieven en signalen. Zonder dat gezegd kan worden dat de inhoud om die reden al niet juist of relevant is, is veelal lastig te bepalen welke belangen een rol spelen, waarop de informatie is gebaseerd en hoe betrouwbaar de inhoud is. Zeker waar het gaat om kwesties die binnen de autonomie van de Caribische landen vallen stel ik me terughoudend op.
In hoeverre wijkt dit beeld af van het beeld zoals geschetst in de voortgangsrapportages die door Curaçaose Minister van Justitie naar u zijn verzonden?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre klopt de bewering dat het ontruimingsplan de dichtgelaste branddeuren kan vervangen?
De directie van de gevangenis op Curaçao heeft recent een inspectie laten uitvoeren door de brandweer waaruit gebleken is dat het ontruimingsplan inderdaad voldoet ondanks de dichtgelaste branddeuren. Daarnaast heb ik begrepen dat niettemin ook zal worden overgegaan tot vervanging van de dichtgelaste branddeuren en dat daartoe inmiddels offertes zijn opgevraagd.
Hadden de dichtgelaste branddeuren voorkomen kunnen worden als er tijdig maatregelen genomen waren? Zo ja, door wie? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer worden de dichtgelaste branddeuren vervangen door werkende branddeuren?
Zie antwoord vraag 4.
Wie is er verantwoordelijk voor het overlijden of gewond raken van een persoon indien de veiligheidsmaatregelen in de gevangenis op Curaçao niet op orde zijn?
Het beheer van de gevangenis van Curaçao betreft een autonome aangelegenheid van het land Curaçao. Het is dan ook de Minister van justitie van Curaçao die de politieke verantwoordelijkheid draagt voor adequate veiligheidsmaatregelen in de gevangenis.
In hoeverre is de Nederlandse staat verantwoordelijk voor het overlijden of gewond raken van een persoon indien de veiligheidsmaatregelen in de gevangenis op Curaçao niet op orde zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat men de afbraak van de beveiliging nu beu is |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat men de afbraak van de beveiliging nu beu is?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Ik zal mijn reactie op de verschillende aspecten geven in de antwoorden op onderstaande vragen.
Was u op de hoogte van de brief die is gestuurd door de medewerkers naar de leiding van de eenheid? Wat vindt u ervan dat de medewerkers geen antwoord hebben ontvangen?
De (eenheids-)leiding is voor de medewerkers van de afdeling Bewaken en Beveiligen van de eenheid Den Haag het eerste aanspreekpunt. Zij waren op de hoogte van de brief. Zowel voor als na verzending van de brief hebben gesprekken met medewerkers plaatsgevonden waarbij onderwerpen uit de brief aan de orde zijn geweest.
Deelt u de mening dat de werkdruk voor de medewerkers uit het team Bewaken en Beveiligen te hoog is? Zo nee, kunt u verklaren waarom de medewerkers dat wel zo ervaren? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
De werklast binnen de afdeling Bewaken en Beveiligen van de eenheid Den Haag is hoog. Mede daarom worden vooralsnog politieagenten vanuit andere teams van de eenheid ingezet voor de taken van deze afdeling.
Voorts is in de formatie van de eenheid Den Haag rekening gehouden met de positie die Den Haag als Hofstad, regeringszetel en internationale stad van «recht, vrede en veiligheid» inneemt.
De vorenstaande maatregelen beogen een adequate uitvoering van de taken van de afdeling te waarborgen en de werkdruk van de betrokken medewerkers tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Deelt u de mening dat de kwaliteit van het werk is afgenomen? Zo nee, kunt u verklaren waarom de medewerkers dat wel zo ervaren? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Nee, ik deel die mening niet. De afdeling Bewaken en Beveiligen heeft een jarenlange deskundigheid en ervaring opgebouwd in het bewaken van objecten. De inzet van agenten uit andere teams gebeurt door personeel dat toegerust is voor het uitvoeren van de noodzakelijke taken. Zij worden daarbij bijgestaan door het ervaren personeel van de afdeling Bewaken en Beveiligen. De leiding is in gesprek met de afdeling om na te gaan hoe zij het werk beleven en waar zij nog voorstellen hebben voor verdere verbeteringen.
Vindt u het een wenselijke situatie dat er ondersteuning nodig is van de wijkbureaus, waardoor deze mensen niet meer aan hun eigen taken toekomen? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen? Zo ja, vindt u de taken die deze medewerkers normaal moeten uitvoeren van ondergeschikt belang?
Indien er voor de bewakings- en beveiligingstaken in Den Haag extra capaciteit nodig is, kan dit worden ingevuld door middel van herschikking van capaciteit binnen de eenheid. Het gezag en de politiechef bezien of en hoe dat mogelijk gemaakt kan worden. Wanneer dat niet toereikend blijkt, wordt binnen het korps bezien of tijdelijk capaciteit uit andere eenheden moet worden ingezet. Indien de politie niet kan voorzien in de noodzakelijke inzet, kan conform de reguliere regeling bijstand worden aangevraagd. Het bepalen van prioriteiten voor de lokale inzet van de politiecapaciteit van de eenheid is aan het lokale gezag.
Vindt u nog steeds dat er minder agenten moeten komen, ondanks de vele berichten over de hoge werkdruk en de vele klachten over capaciteitsgebrek binnen vele gelederen van de politie? Zo ja, waarom? Zo nee, gaat u de geplande bezuiniging terugdraaien?
Met uw Kamer is een operationele sterkte afgesproken van tenminste 49.500 FTE. Dat is het uitgangspunt en daar wordt naartoe gewerkt. Op dit moment is er sprake van een overbezetting bij de operationele sterkte. De bezetting van de operationele sterkte wordt de komende jaren in evenwicht gebracht met de formatie zoals opgenomen in het inrichtingsplan. Deze afname is in de meerjarenraming van de begroting 2016 van de politie opgenomen.
Deelt u de mening dat het ziekteverzuim hoger wordt omdat mensen taken moeten uitvoeren waarvoor ze niet zijn opgeleid, zich onveiliger voelen en niet gemotiveerd zijn deze taken daarom uit te voeren? Zo ja, wat gaat u daarop ondernemen?
In mijn brief over ziekteverzuim bij de politie van 30 maart jl., heb ik gemeld dat er grote verschillen zijn in verzuim tussen organisatieonderdelen binnen de politie. Om inzicht te krijgen in de oorzaken wordt bij eenheden waar het verzuim erg hoog is nader onderzoek gedaan.2 Voor de afdeling Bewaken en Beveiligen van de eenheid Den Haag is niet vastgesteld dat de door u genoemde factoren hebben geleid tot een hoger ziekteverzuim.
De politieleiding neemt elk ziekteverzuim serieus en investeert zowel in persoonlijke aandacht voor medewerkers als in het bieden van een structurele oplossing, zoals het verminderen van de werkdruk bij de afdeling Bewaken en Beveiligen. Voor een nadere toelichting op de aanpak van het ziekteverzuim verwijs ik u voorts naar mijn brief van 30 maart jl. In de voortgangsbrief politie heb ik u nader geïnformeerd over de vervolgacties om het ziekteverzuim binnen de politie terug te dringen.
Het bericht ‘Zowel bajes van Curaçao als Sint Maarten afgekeurd’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zowel bajes van Curaçao als Sint Maarten afgekeurd»?1
Ja.
In hoeverre herkent u zich in de in dit bericht geschetste situatie van de gevangenis op Curaçao?
Als Minister van Koninkrijksrelaties ontvang ik de relevante berichten ten aanzien van de rechtshandhaving op Curaçao en Sint Maarten, zoals de rapportages van de Raad voor de Rechtshandhaving en de voortgangscommissies die toezien op de «samenwerkingsregeling plannen van aanpak». Op basis daarvan is het primair aan de regeringen van de landen om te acteren. Twee keer per jaar vindt het Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO) plaats waaraan naast mijn ambtsgenoot van Veiligheid en Justitie eveneens de ministers van Justitie van vorenstaande landen en Aruba deelnemen. Bij die gelegenheid wordt gesproken over de invulling die wordt gegeven aan de samenwerking in Koninkrijksverband op het terrein van de rechtshandhaving. Op 1 juni jongstleden vond het laatste JVO plaats in Nederland waarover ik u binnenkort nader zal informeren. Ten aanzien van het gevangeniswezen is tijdens die bijeenkomst gesproken over het «gedetineerden recherche informatiepunt» (GRIP), dat voorziet in de uitwisseling van informatie tussen de openbare ministeries, politie en het gevangeniswezen bij de overdracht van gedetineerden binnen het Koninkrijk.
In hoeverre herkent u zich in de in dit bericht geschetste situatie van de gevangenis op Sint Maarten?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre bent u het met de onderzoekers van het genoemde rapport eens dat het vrijwel onmogelijk is voor Curaçao en Sint Maarten om de detentiefaciliteiten zonder hulp van buitenaf op de CPT-normen te brengen?
Binnen de context van de autonome verantwoordelijkheid van Curaçao en Sint Maarten levert Nederland incidenteel ondersteuning aan detentiefaciliteiten aan voornoemde landen. Dit gebeurt op verzoek van de Caribische landen. Ten aanzien van Sint Maarten verwijs ik u tevens naar mijn brief betreffende samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Sint Maarten van 19 mei 2016 (Kamerstuk 34 300-IV, nr. 61).
Welke rol ziet u hier voor het Koninkrijk der Nederlanden?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre komt het genoemde evaluatierapport overeen met de daadwerkelijke situatie op Curaçao en Sint Maarten?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat dat beeld niet accuraat zou zijn.
De aanval op een cipier van de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught |
|
Nine Kooiman |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een cipier in PI Vught is aangevallen met een geslepen tandenborstel?1
Ik betreur elk incident dat plaatsvindt in een penitentiaire inrichting.
Echter, hoezeer veiligheid ook een belangrijk fundament vormt bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties, incidenten zijn nooit volledig uit te sluiten. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Hoe past het stilhouden van dit incident in de conclusies van de inspectie van Veiligheid en Justitie naar misstanden bij de PI Vught?2
Er is geen sprake van stilhouden van dit incident.
De Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) heeft tijdens haar eerdere onderzoek naar mogelijke misstanden in de PI Vught niet de indruk gekregen dat de directie geen openheid van zaken zou geven over incidenten.
Volgens de interne voorschriften van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) dient ernstige agressie altijd te worden gemeld bij de divisiedirectie Gevangeniswezen/Vreemdelingenbewaring. Dit incident is dan ook bij de voornoemde divisiedirectie gemeld.
Is er onderzoek verricht naar dit incident door de Inspectie van Veiligheid en Justitie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de conclusies van dat onderzoek?
Bij dergelijke incidenten wordt de Instructie Meldingsprocedure van de Divisie Gevangeniswezen/Vreemdelingenbewaring van DJI gevolgd. Daarin is bepaald welk type melding en aan wie dient plaats te vinden. Door de PI wordt – naast telefonische melding aan de piketfunctionaris van de Divisiedirectie – een Melding Bijzonder Voorval (MBV) opgemaakt en de divisiedirectie GW/VB stelt, indien voorgeschreven, vervolgens een piketmelding op waarmee (onder meer) de IVenJ en ikzelf in kennis worden gesteld. Een piketmelding wordt dus niet in alle gevallen opgesteld.
In geval van agressie is criterium voor het opstellen van een piketmelding dat de verwonding dermate ernstig moet zijn dat behandeling van het slachtoffer (gedetineerde/personeel) door een medicus moet plaatsvinden. Dat was in het onderhavige incident niet nodig en derhalve is in lijn met de voorschriften in dit geval geen piketmelding opgesteld en zijn de IVenJ en ik niet op de hoogte gesteld.
Op basis van de berichtgeving in de media heeft de IVenJ op eigen initiatief informatie opgevraagd bij de PI Vught en heeft zij geconcludeerd dat de PI Vught het incident in kwestie conform bestaande procedures heeft afgehandeld.
Hoe komt het dat de verdachte deze cipier met een geslepen tandenborstel heeft kunnen steken? In hoeverre is sprake van een goede nazorg en begeleiding bij eventuele trauma’s?
Binnen DJI wordt gestreefd naar een zo veilig mogelijk leef- en werkklimaat voor zowel de gedetineerden als het gevangenispersoneel. Binnen de inrichtingen heeft het handhaven van de orde en veiligheid, zowel voor de medewerkers als de gedetineerden, de hoogste prioriteit. Cruciaal hierbij is het in acht nemen van de zogeheten penitentiaire scherpte. Het gaat hierbij met name om de aanwezigheidscontrole van gedetineerden, het scherp toezicht houden op gedetineerden, onder meer tijdens het luchten en het bezoek, celinspecties en urinecontroles. Daarnaast worden medewerkers getraind om goed om te gaan met diverse incidenten, die acuut moeten worden opgelost en die inherent zijn aan het werken in een penitentiaire inrichting. Voor alle toezichtsmaatregelen zijn werkinstructies opgesteld. Aan de hand van het veiligheidslogboek vindt er dagelijks controle op de uitvoering van de toezichtsmaatregelen plaats. Daarnaast vinden periodiek op iedere afdeling integrale veiligheidsinspecties plaats die worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het hoofd Veiligheid. De conclusies en aanbevelingen uit deze inspecties worden voorgelegd aan de vestigingsdirectie die waar nodig maatregelen treft.
Door het gevangeniswezen worden vaste normen gehanteerd ten aanzien van de inzet van het uitvoerende personeel in verhouding tot het aantal gedetineerden.
Het voorval heeft zich afgespeeld op een afdeling met 12 gedetineerden. Deze specifieke afdeling wordt standaard bezet met drie personeelsleden, die alle drie aanwezig waren. Op het moment van het incident was alleen de betreffende gedetineerde uitgesloten, de overige gedetineerden zaten in hun cel. Feitelijk waren er dus drie inrichtingswerkers op één gedetineerde. Er was geen sprake van onderbezetting.
Binnen DJI, en in het bijzonder in PI Vught, wordt gewerkt met moeilijke doelgroepen en ondanks dat volgens de voorschriften wordt gewerkt, kunnen medewerkers te maken krijgen met onvoorspelbaar gedrag van gedetineerden en agressie. In dit geval heeft een gedetineerde gebruik gemaakt van een tandenborstel, die deel uitmaakt van de reguliere celinventaris.
Voor wat betreft nazorg en begeleiding van de betrokken medewerkers, is direct na het incident het opvangteam van de PI Vught ingezet evenals het Expertisecentrum bedrijfsmaatschappelijk werk voor opvang na schokkende gebeurtenissen.
Kunt u toelichten wat het interne beleid is bij dergelijke incidenten en wie hierover worden geïnformeerd? Wordt u ook op de hoogte gesteld hiervan?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt de veiligheid van het personeel gegarandeerd? Kunt u daarbij reageren op de uitspraak van een bron in de Telegraaf dat er op de afdeling nog maar twee andere Penitentiair Inrichtingswerkers aanwezig waren en er dus sprake was van onderbezetting?3
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de zorgen van de medewerkers dat de bezuinigingen op het gevangeniswezen risico’s meebrengen voor de veiligheid?
De IVenJ heeft onderzoek gedaan en een rapport opgesteld: «risico’s implementatie Masterplan DJI 2013–20184». De hoofdconclusie van de Inspectie luidde dat de introductie van het Masterplan niet heeft geleid tot aantasting van het detentieklimaat of een toename aan agressie5.
Door het gevangeniswezen worden vaste normen gehanteerd ten aanzien van de inzet van het uitvoerende personeel in verhouding tot het aantal gedetineerden. Daarin zijn geen wijzigingen aangebracht als gevolg van de doorgevoerde bezuinigingen.
Voorts is een randvoorwaarde bij de implementatie van het Masterplan DJI geweest, dat de veiligheid van personeel en justitiabelen niet onder druk komt te staan.
Het bericht dat ggz-patiënten (patiënten in de geestelijke gezondheidszorg) |
|
Renske Leijten (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden op mondelinge vragen d.d. 17 mei 2016 over het bericht dat ggz-patiënten steeds vaker naar een tbs-kliniek worden overgeplaatst?1
Ja
Op welke (rechts)grond kunnen ggz-patiënten zonder tussenkomst van de rechter overgeplaatst worden naar een tbs-kliniek?
GGZ-patiënten met een BOPZ-maatregel (hierna: BOPZ-patiënten) dienen in een daarvoor aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis te worden opgenomen. Op basis van artikel 55 van deze wet kan een BOPZ-patiënt worden overgeplaatst naar een ander psychiatrisch ziekenhuis dat aan de zorgvraag van de BOPZ-patiënt kan voldoen. Ook een tbs-kliniek is een zorginstelling met een BOPZ-aanmerking. De rechter krijgt een afschrift van de beslissing tot overplaatsing.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat ggz-patiënten zonder strafrechtelijke veroordeling geplaatst worden bij tbs-patiënten?
Ik vind het wenselijk dat, indien dit nodig is, een overplaatsing naar een Tbs-kliniek mogelijk is. Het gaat om BOPZ-patiënten met zeer complexe problematiek die naast zorg intensievere beveiliging nodig hebben, die in deze casus niet kan worden geboden door de gesloten GGZ-afdelingen of beveiligde setting in de GGZ (zoals bij de forensische psychiatrische afdelingen en de forensische psychiatrische klinieken). Het is gewenst dat er maatwerk kan worden geleverd, en soms kan dat alleen in de zeer beveiligde behandelsetting van een Tbs-kliniek. Het – tijdelijk – plaatsen van BOPZ-patiënten in een Tbs-kliniek, die de vereiste beveiliging kan bieden, komt alleen in uitzonderlijke situaties voor waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt tussen de veiligheid van het personeel en medepatiënten in de GGZ-patiënten enerzijds en de zorg aan de BOPZ-patiënt anderzijds.
Daarnaast is er een groep waarvan de strafrechtelijke titel tijdens de behandeling afloopt, maar er nog wel sprake is van een recidiverisico, gecombineerd met gevaarlijk agressief gedrag richting de omgeving en materiaal. In het kader van de continuïteit van zorg kunnen deze patiënten in de Tbs-kliniek worden doorbehandeld met een BOPZ-maatregel. Het gaat hierbij om BOPZ-patiënten van wie de justitiële maatregel wordt omgezet in een BOPZ-machtiging. Deze BOPZ-patiënten kunnen, vanwege hun agressieve gedrag, nog gebaat zijn bij het verblijf en behandeling in het Tbs-kliniek.
Tenslotte merk ik nog op dat de psychiatrische problematiek van beide patiëntengroepen niet veel van elkaar afwijkt. Daarbij wordt een BOPZ-patiënt niet lichtvaardig geplaatst in een Tbs-kliniek, daar kunnen zeer ernstige incidenten aan vooraf zijn gegaan.
Waarom zijn er geen passende voorzieningen binnen de ggz voor de meest gewelddadige ggz-patiënten?
Voor het merendeel van de BOPZ-patiënten zijn er passende voorzieningen in de GGZ. Binnen de GGZ kan, daar waar nodig, worden geschakeld tussen drie beveiligingsniveaus. De gesloten GGZ-afdelingen zijn licht beveiligd (niveau 1) en de forensisch psychiatrische afdelingen en klinieken kennen een hoger beveiligingsniveau (niveau 2 respectievelijk 3).
Zoals uit de beantwoording van vraag 8 blijkt verblijft circa 0,24% van de BOPZ-patiënten met een BOPZ-machtiging op dit moment in een Tbs-kliniek. Dat kan zowel voor een korte als langere termijn het geval zijn. De Tbs-klinieken zijn, met beveiligingsniveau 4, beter toegerust op deze patiëntenpopulatie met complexe problematiek. De problematiek tussen de patiënten in de beide regimes vertoont overlap. Uit een oogpunt van doelmatige zorg bestaat de wens om de verschillende sectoren meer gebruik te laten maken van elkaars faciliteiten en deskundigheid van het personeel. Via een onderaannemerschap met de zendende GGZ-instelling kunnen Tbs-klinieken BOPZ-patiënten opnemen. De separate afdelingen voor BOPZ-patiënten binnen de Tbs-klinieken zijn ook geen reguliere GGZ-plekken, omdat deze deel uitmaken van justitiële inrichtingen.
Indien er aparte afdelingen binnen tbs-instellingen zijn ten behoeve van ggz-patiënten, waarom worden deze dan geen reguliere ggz-plekken?
Zie antwoord vraag 4.
Wie gaat over een dergelijk besluit tot overplaatsing, en welke belangenafweging vindt hierbij plaats?
Dit gebeurt op basis van de beoordeling door de psychiater die behandeling binnen een forensische setting indiceert voor de problematiek van de persoon in kwestie. Uiteindelijk is het de geneesheer-directeur die de beslissing tot overplaatsing neemt. Er wordt dus gekeken naar de best passende zorg voor de BOPZ-patiënt. Er vindt daarbij een afweging plaats tussen de veiligheid van het personeel en medepatiënten in de GGZ-instelling enerzijds en de veiligheid van en zorg aan de BOPZ-patiënt anderzijds, waarbij het overigens ook voor de veiligheid van de BOPZ-patiënt zelf wenselijk kan zijn hem over te plaatsen naar een hoger beveiligde setting, zoals in een Tbs-kliniek.
In hoeverre wordt bij een overplaatsing rekening gehouden met de gevolgen voor de behandeling van een ggz-patiënt? Hoe dient deze bovendien de behandelrelatie van patiënt en behandelaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gedrag van een BOPZ-patiënt kan vragen om een beter beveiligde omgeving, zoals die van een Tbs-kliniek, omdat anders door het agressieve gedrag geen behandeling mogelijk is. Door dit agressieve gedrag ontstaat er voor de behandelaar een onveilige omgeving waardoor de behandelrelatie (tijdelijk) wordt verstoord. In deze gevallen kan zowel het welzijn als de behandeling van een BOPZ-patiënt baat hebben bij een overplaatsing naar een Tbs-kliniek waar de benodigde structuur en regelmaat worden geboden.
Het behandelteam van de doorplaatsende instelling blijft altijd in contact met de Tbs-kliniek en wordt ook betrokken bij de terugplaatsing.
Wat zijn de directe en indirecte gevolgen voor de rechten, plichten en behandeling van een ggz-patiënt bij overplaatsing naar een tbs-kliniek? Kunt u in uw antwoord tevens ingaan op het voorbeeld van de ggz-patiënt die in 2011 ten onrechte volgens de huisregels van de tbs-instelling werd behandeld, en daarbij aangeven wat dit betekent voor alle ggz-patiënten in tbs-instellingen?
Vanaf 2012 is door zowel de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) als verschillende rechtbanken geconstateerd dat de wetgever de rechtpositie van een BOPZ-patiënt in een Tbs-kliniek niet afzonderlijk heeft geregeld en dat deze BOPZ-patiënt er daarom op mag vertrouwen dat voor hem de rechtspositie geldt die hoort bij de BOPZ-maatregel die de rechter heeft opgelegd. Sindsdien is, voor iedereen, duidelijk dat de Wet BOPZ de rechten en plichten regelt van BOPZ-patiënten ook als zij in een Tbs-kliniek verblijven. Een recht, zoals het recht op vrij telefoonverkeer, bezoek en bewegingsvrijheid, kan worden ingeperkt als aan de criteria van de Wet BOPZ wordt voldaan. Bijvoorbeeld ter voorkoming van een strafbaar feit. Het opleggen van extra beperkingen kan, maar alleen als deze zijn besproken met een BOPZ-patiënt en zijn opgenomen in het behandelplan. Deze beperkingen zijn noodzakelijk om enerzijds de veiligheid van het personeel en medepatiënten te borgen en anderzijds deze beheerproblematische BOPZ-patiënten een passende behandeling te kunnen bieden met daarbij het vereiste beveiligingsniveau.
Indien een BOPZ-patiënt niet langer in een Tbs-kliniek wil verblijven, kan hij aan de geneesheer-directeur vragen om hem over te plaatsen naar een ander psychiatrisch ziekenhuis. Op het moment dat de geneesheer-directeur van oordeel is dat het in het belang van een BOPZ-patiënt is aan het verzoek gevolg te geven, onderneemt hij stappen. Als wordt besloten geen gevolg te geven aan dit verzoek, wordt zowel de BOPZ-patiënt als de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hierover geïnformeerd. In die gevallen dat de IGZ een overplaatsing wenselijk acht, dient de BOPZ-patiënt op aanwijzing van de IGZ in een ander psychiatrisch ziekenhuis te worden geplaatst.
Kunt u uitzoeken of het klopt dat de overplaatsing van een psychiatrisch ggz-ziekenhuis naar een tbs-kliniek steeds vaker voorkomt, wat de redenen zijn van deze toename en hoe lang dergelijke overplaatsingen gemiddeld duren? Zo nee, waarom niet?
Jaarlijks worden circa 16.000 rechterlijke machtigingen voor gedwongen zorg opgelegd aan personen met psychiatrische problemen. Op dit moment verblijven 38 BOPZ-patiënten met zo’n machtiging in een Tbs-kliniek. Desgevraagd hebben de Tbs-klinieken laten weten dat het aantal bedden in de Tbs-klinieken dat op verzoek van GGZ-instellingen door BOPZ-patiënten wordt bezet in de afgelopen jaren stabiel is gebleven (30–40 bedden). Wel lijkt sprake te zijn van een stijging van het aantal BOPZ-patiënten dat op deze bedden verblijft. Hetzelfde aantal bedden wordt op jaarbasis dus bezet door meer personen, die kortdurend(er) in een Tbs-kliniek verblijven. Aan een overplaatsing gaat agressief gedrag, dat heeft geresulteerd in een aantal incidenten, vooraf. Voor deze BOPZ-patiënten is een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk totdat het gevaar dusdanig is teruggebracht dat een BOPZ-patiënt kan worden teruggeplaatst in een GGZ-instelling met een lager beveiligingsniveau. De Tbs-klinieken voorzien in deze beveiligingsbehoefte.
De duur van deze overplaatsingen is uiteenlopend. Leidend hierbij is de veiligheid van het personeel, de medepatiënten en de BOPZ-patiënt zelf in de GGZ-instelling. Indien het gevaar dat deze BOPZ-patiënt vormt voor zichzelf of een ander binnen de GGZ-instelling dusdanig is teruggebracht dat de behandeling weer op een veilige wijze kan plaatsvinden in een GGZ-instelling, dient deze te worden teruggeplaatst. Het merendeel van de overplaatsingen duurt enkele weken. Deze hebben de vorm van een «time-out» en worden ingezet om betrokkene te stabiliseren en te behandelen. Een enkele plaatsing duurt langer (in een uitzonderlijk geval jaren). Het noemen van een gemiddelde plaatsingsduur is niet mogelijk zonder het raadplegen van alle GGZ-instellingen die hiertoe individuele patiëntendossiers van BOPZ-patiënten moeten doornemen.
Waarom worden er geen jaarlijkse cijfers bijgehouden? Bent u bereid dit alsnog te gaan doen, om meer en beter inzicht te krijgen in bijvoorbeeld de frequentie, redenen en gevolgen van dergelijke overplaatsingen? Zo nee, waarom niet?
De afzonderlijke doorplaatsingen worden, op casusniveau, geregistreerd door de reguliere GGZ-instellingen. In het algemeen overleg GGZ van 26 mei 2016 heb ik op verzoek van het lid Tanamal toegezegd met de IGZ in gesprek te gaan over hoe zij in het kader van haar risicogestuurd toezicht de rechtspositie van en de zorg voor de BOPZ-patiënten in een Tbs-kliniek nadrukkelijker een plek kan geven. Uw kamer wordt vóór de zomer over de uitkomsten van dit gesprek geïnformeerd.
In hoeverre zijn de plaatsingen in de tbs-instellingen ingegeven door een tekort aan plaatsen bij de ggz? Moet de beddenafbouw niet worden heroverwogen? Kunt u uw antwoord hierop toelichten?2
Het gaat hier om een hele kleine groep BOPZ-patiënten, met zeer bijzondere en complexe problematiek. Er kan geen link worden gelegd tussen het overplaatsen van deze patiëntengroep naar een Tbs-kliniek en de beddenafbouw van intramurale GGZ-capaciteit. Ook wanneer er meer klinische plaatsen zouden zijn in de GGZ zit deze groep hier niet op de juiste plek, omdat deze (tijdelijk) behoefte heeft aan zeer beveiligde zorg die alleen een Tbs-kliniek kan bieden.
Deelt u de mening dat een tekort aan plekken in de ggz nooit een (doorslaggevende) reden mag zijn om ggz-patiënten over te plaatsen naar tbs-instellingen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat dit nooit een doorslaggevende factor mag zijn.
In het kader van het programma «Continuïteit van zorg» wordt een onderzoek verricht naar agressieve, ontwrichtende en gevaarlijke GGZ-patiënten. Dit onderzoek moet onder meer antwoord geven op hoe groot deze groep is, wat zij nodig hebben en hoe met de patiënten wordt omgegaan. Bijvoorbeeld, het tijdelijk plaatsen in een Tbs-kliniek om betrokkene binnen een hoog beveiligde setting te kunnen behandelen.
Deelt u de vrees dat overplaatsingen alleen maar zullen toenemen nu de ggz haar plekken met eenderde omlaag moet brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe verhoudt het omlaag brengen van het aantal ggz-plekken zich tot de zorgen en conclusies van de commissie-Hoekstra?3
De conclusies en aanbevelingen van de commissie-Hoekstra zien op de afname van DNA, de wijze waarop bevelen en signaleringen worden uitgevoerd door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie, de rol en positie van de officier van justitie en de geneesheer-directeur in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, het functioneren van het OM en de samenwerking tussen justitie en de geestelijke gezondheidszorg. Vooralsnog lijkt er geen relatie te bestaan tussen deze conclusies en aanbevelingen en het terugbrengen van de intramurale GGZ-capaciteit.
Het gebruik van een privé-e-mailadres voor werkaangelegenheden |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een reactie geven op het item «Minister Kamp ontving werkmail op privémail tegen de regels in»?1
Hiervoor verwijs ik u naar bovenstaande.
Welke regels zijn vastgelegd omtrent het gebruik van een privé-e-mailadres voor bewindspersonen in de Baseline Informatie Beveiliging Rijksdienst 2012 en eventuele andere regelgeving?
Voor de Rijksdienst gelden het Beveiligingsvoorschrift Rijksdienst (BVR), het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (VIR), het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIR-BI) en de Baseline Informatievoorziening rijksoverheid (BIR). In het VIR-BI zijn regels opgenomen over de omgang met bijzondere informatie (hierna ook: gerubriceerde informatie). Bijzondere informatie is informatie waarvan kennisname door niet geautoriseerden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries. Het gaat dan om informatie met de rubricering Departementaal Vertrouwelijk, Staatsgeheim Confidentieel, Staatsgeheim Geheim of Staatsgeheim Zeer Geheim.
De BIR uit 2012 stelt het volgende. «Voor het doorsturen van informatie naar privémail geldt: de medewerker bepaalt dan per geval of de betreffende informatie doorgestuurd kan worden. Automatische doorzending van alle mail naar een privéadres of andere onveilige omgeving wordt dan ook niet toegestaan omdat dan niet per bericht door de medewerker beoordeeld kan worden of de informatie naar een onvoldoende veilige omgeving kan worden gestuurd.»
Zijn deze regels door u overtreden? Zo ja, met welke redenen heeft u dit gedaan?
Zoals uit de BIR volgt, is het niet zo dat het gebruik van een privé
e-mailaccount voor zakelijke e-mails niet is toegestaan. Wel moet terughoudend en bewust gebruik worden gemaakt van privé e-mailaccounts. Voor de redenen voor het gebruik van het privé e-mailaccount verwijs ik naar bovenstaande.
Hoe lang en met welke frequentie heeft u gebruik gemaakt van uw privé-e-mailadres voor werkaangelegenheden?
Hiervoor verwijs ik u naar bovenstaande.
Om wat voor e-mailverkeer ging het toen u uw privéadres gebruikte? Waarom was het gebruik van dit adres «gemakkelijker» voor u?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de e-mails ter vertrouwelijke inzage aan de Kamer ter beschikking te stellen? Zo nee, bent u bereid deze e-mails voor te leggen aan de Raad van State?
Ik heb de ADR opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of gerubriceerde informatie zoals bedoeld in het VIR-BI, op mijn privé e-mailaccount aanwezig was, en welke informatie uit welke periode het eventueel betrof. Ik informeer uw Kamer over de bevindingen van het onderzoek van de ADR.
Is de Rijksbeveiligingsambtenaar op de hoogte gesteld van het gebruik van uw privé-e-mailadres voor werkaangelegenheden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Op basis van welke verdenkingen is in de zomer van 2014 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar computervredebreuk en op basis waarvan is tot seponering overgegaan?
Op 9 juli 2014 constateerde ik dat er e-mailberichten waren verzonden vanuit mijn privé e-mailaccount, die niet persoonlijk door mij waren verzonden. Er is vervolgens, namens mij, aangifte gedaan bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie van een vermoeden van computervredebreuk. Dit betreft het opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. De politie is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) een opsporingsonderzoek gestart, met als doelstelling vast te stellen of, en zo ja door wie, mijn privé e-mailaccount was gehackt. Het OM heeft mij laten weten dat een ongerichte phishingaanval aannemelijk was, en dat geen vervolg is gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek, onder andere omdat er onvoldoende onderzoeksindicaties waren.
Waarom is ondanks het sepot een Bestuurlijke Rapportage geschreven en waarom is deze niet gedeeld met de Kamer?
Het Landelijk Parket van het OM en de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie hebben een bestuurlijk advies aangeboden aan de Minister van Veiligheid en Justitie om aandacht te vragen voor de risico’s van zakelijk gebruik van privé e-mail door medewerkers en bewindspersonen van ministeries in het kader van het specifiek (op dat moment nog lopend) strafrechtelijk onderzoek naar de hack van mijn privé e-mailaccount. Dergelijke interne advisering aan een beleidsverantwoordelijke bewindspersoon wordt in de regel niet gedeeld met uw Kamer.
Is er aanleiding om aan te nemen dat meerdere mensen naast uzelf beschikken over inloggegevens van uw privé-e-mailaccount?
Direct na de aangifte in juli 2014 zijn de inloggegevens van mijn privé e-mailaccount aangepast. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat andere mensen dan mijn echtgenote en ik, beschikken over de inloggegevens van het privé e-mailaccount.
Bestaat er een koppeling van uw privé-e-mailaccount en uw werk-e-mailaccount. Zo ja, op welke wijze is deze vormgegeven?
Nee.
Hoe veilig beoordeelt u de door u gebruikte privé-e-maildienst en welke verschillen bestaan er tussen de door u gebruikte e-maildienst en de door uw departement gebruikte e-maildienst?
Hiervoor verwijs ik u naar bovenstaande.
Is er op basis van wetgeving in de Verenigde Staten aanleiding om aan te nemen dat de Amerikaanse overheid beschikt over Nederlandse overheidsinformatie? Zo ja, om welke informatie uit welke perioden als bewindspersoon gaat dit? Welke posten in de regering bekleedde u tijdens die perioden?
De Amerikaanse wetgeving bevat waarborgen voor het op rechtstatelijke wijze kennisnemen van informatie. Er kan echter in zijn algemeenheid niet worden uitgesloten dat die Amerikaanse wetgeving een zodanige werking heeft dat bedrijven die een (hoofd)vestiging in de Verenigde Staten hebben verplicht kunnen worden tot het verstrekken van gegevens die door hen worden verwerkt, of waarover zij anderszins de beschikking hebben, ongeacht waar die gegevens zich bevinden. In dit specifieke geval heb ik geen aanwijzing dat een dergelijke verplichting voor mijn privé e-mailaccount is opgelegd. Het onderzoek van de ADR zal uitwijzen of gerubriceerde informatie zoals bedoeld in het VIR-BI, op mijn privé e-mailaccount aanwezig was, en welke informatie uit welke periode het eventueel betrof.
De aanbesteding van dienstauto’s voor de brandweer |
|
Gert-Jan Segers (CU), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het antwoord op vragen inzake de duurzaamheidseisen in de aanbesteding van politievoertuigen?1 Welke concrete wijzigingen in deze aanbestedingen zijn aangebracht naar aanleiding van overleg met de politie en uw oproep om de dieseleis te heroverwegen en duurzaamheid een prominentere plek te geven?
Ja. Zoals aangegeven in de beantwoording van 13 april 20161 wordt de dieseleis geschrapt. Deze zal dus geen onderdeel uitmaken van het definitief programma van eisen van de voorgenomen aanbesteding van de Basis Politievoertuigen. Tevens meldde ik dat de politie zich beraadt op de wijze waarop eisen en/of gunningscriteria die betrekking hebben op duurzaamheidsaspecten een plek kunnen krijgen in het definitief programma van eisen. Daarbij wordt bezien in hoeverre de politie voor deze specifieke voertuigcategorie kan aansluiten bij de «Milieucriteria voor het maatschappelijk verantwoord inkopen van Dienstauto’s (inclusief onderhoud)», die zijn opgenomen op de website van PIANOo. Aangezien het definitief programma van eisen nog niet gereed is, kan ik u nog niets melden over de inhoud daarvan.
Is naar aanleiding van deze aanbesteding overleg geweest over vergelijkbare aanbestedingen die op korte termijn voorzien zijn? Zo ja, om welke aanbestedingen ging het en wat was het resultaat hiervan? Zo nee, waarom niet?
Voor de aanbesteding van de Basis Politievoertuigen voert de politie in de periode 2015 – 2017 meerdere afzonderlijke aanbestedingen uit. Daarbij is een onderverdeling gemaakt naar voertuigcategorie. Voorbeelden hiervan – naast de aanbesteding van de Basis Politievoertuigen – zijn de aanbestedingen van de Hondenvoertuigen, Motoren, Cellenbussen, etc. Ook voor deze aanbestedingen geldt dat de politie zich zal beraden op de wijze waarop duurzaamheid een plek kan krijgen in deze aanbestedingen.
Bent u bekend met de «openbare aanbestedingsprocedure Landelijke aanbesteding Dienstauto’s brandweer (LABD)» zoals gepubliceerd op 2 mei 2016 voor circa 1.000 dienstauto’s (grotendeels personenauto’s en bestelwagens)?
Ja.
Klopt het dat het hier weliswaar om een definitieve aanbesteding gaat, maar de aanbesteding te allen tijde opgeschort/teruggetrokken en daarmee gewijzigd kan worden?
Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) is de aanbestedende dienst bij deze aanbesteding. Deze wordt uitgevoerd in opdracht van de besturen van 24 veiligheidsregio’s. Het IFV is een zelfstandig bestuursorgaan van en voor de veiligheidsregio’s, waarvan de positie is geregeld in de Wet Veiligheidsregio’s. De verantwoordelijkheid voor het aanschaffen van materieel, waaronder dienstauto’s, berust bij de besturen van de veiligheidsregio’s. Het bestuur van het IFV, bestaande uit de voorzitters van de veiligheidsregio’s, kan in opdracht van een of meer besturen van de veiligheidsregio’s werkzaamheden uitvoeren ten behoeve van die regio’s.
Ik heb contact gehad met het IFV. Daarbij heb ik aandacht gevraagd voor de milieuaspecten van de auto’s in deze aanbesteding. Bij de klimaattop vorig jaar november in Parijs is duidelijk afgesproken dat de overheid bij het vernieuwen van het wagenpark het goede voorbeeld moet geven en waar het kan zo milieuvriendelijk mogelijk moet zijn. Ik heb dit nog eens nadrukkelijk onder de aandacht gebracht.
Het IFV heeft aangegeven dat Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen onderdeel is van zijn inkoopbeleid. Tevens heeft het laten weten Stichting Natuur & Milieu uit te nodigen voor een gesprek over de milieuaspecten bij aanbestedingen.
Heeft u, evenals bij de aanbesteding van de politie, contact gehad met de brandweer over de duurzaamheid van de aanbesteding? Zo ja, wat waren de resultaten van dit overleg? Zo nee, bent u bereid om alsnog op korte termijn met hen in overleg te treden om de eisen en criteria in de aanbesteding ten minste in lijn te brengen met het plan van aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI)?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat ook in de aanbesteding van dienstvoertuigen voor de brandweer de eis is opgenomen dat de voertuigen een dieselmotor moeten hebben (met uitzondering van de categorie stadsmini’s)?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat in de aanbesteding geen minimumeisen (zoals CO2-eisen) ten aanzien van duurzaamheid zijn opgenomen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat ook kostenbesparende aandachtspunten, minimumeisen en gunningscriteria (zoals zuinige, stille en veilige banden, een bandenspanningsmeter en een brandstofverbruiksindicator) uit het criteriumdocument duurzaam inkopen dienstauto’s in de aanbesteding van de dienstauto's voor de brandweer ontbreken? Zijn er dwingende, functionele argumenten waarom deze opties niet zijn opgenomen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat in de aanbesteding weliswaar het energielabel als gunningscriterium is opgenomen maar dat deze slechts voor 2,5% respectievelijk 5% meeweegt, in plaats van de 20% die in de landelijke duurzaam inkoopcriteria als minimum wordt gesteld om effectief te kunnen zijn?2
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kwalificeert u, alles overziend, de duurzaamheidsambitie van de aanbesteding van de dienstvoertuigen van de brandweer in het licht van de klimaatagenda, het plan van aanpak MVI en de brandstofvisie en uitvoeringsagenda?
Zoals ik hiervoor al heb aangegeven, is er naar mijn idee aanleiding om nog eens goed te kijken naar de milieuaspecten van deze aanbesteding. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Veiligheidsregio’s.
Op welke wijze zijn de brandweer en de politie betrokken bij het bestuurlijk overleg over MVI dat u tijdens het Algemeen overleg Duurzaamheid op 28 januari 2016 aankondigde? Welke betrokken overheden en publieke diensten hebben zich (opnieuw) gecommitteerd aan het streven om 100% duurzaam in te kopen? Welke overheden en publieke diensten willen zich hier niet aan committeren en met welke reden? Welke overheden en publieke diensten hebben juist aangegeven een hoger ambitieniveau na te streven? Met welke overheden en publieke diensten is (nog) geen overleg geweest?
Over de verdere aanpak voor Maatschappelijk Verantwoord Inkopen en de betrokkenheid van de medeoverheden heb ik u geïnformeerd in de brief die ik uw Kamer recent gestuurd heb. Aan het einde van dit jaar zal ik samen met bestuurders van medeoverheden een manifest ondertekenen met concrete afspraken waarin wij tot uiting laten komen hoe wij onze duurzaamheidsambities een stap verder brengen.
Kunt u aangeven welke aanbestedingen voor voertuigen en mobiliteitsdiensten met meer dan 50 tot 100 voertuigen vanuit de rijksoverheid en nationale overheidsinstellingen zoals de brandweer, politie, defensie, Rijkswaterstaat et cetera het komende jaar nog gepland staan?
Het wagenpark van de rijksoverheid telt circa 13.000 auto’s. In 2017 vindt een nieuwe aanbesteding plaats. De brandweer en de politie maken hiervan geen onderdeel uit. Zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 2 voert de politie in de periode 2015 – 2017 meerdere afzonderlijke aanbestedingen voor voertuigen uit.
Welke activiteiten worden vanuit het plan van aanpak MVI ondernomen om er zorg voor te dragen dat deze aanbestedingen zo duurzaam mogelijk worden vormgegeven?
Voor de rijksinkoop is een werkgroep Duurzame Innovatie ingesteld die verschillende duurzaamheidsdoelen vertaalt naar wensen en eisen ten aanzien van duurzaamheid in de onder vraag 12 aangekondigde aanbestedingen. De auto’s die in deze aanbestedingen worden geleverd, voldoen daarmee aan de milieucriteria. Ook wordt in deze aanbestedingen rekening gehouden met een toenemende behoefte aan auto’s met extreem lage emissiewaarden.
Voor de voorgenomen activiteiten van de politie verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Voor de brandweer verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 4 tot en met 9.
Klopt het dat evenals bij de politie de belastingvrijstelling die de brandweer geniet voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en Motorrijtuigenbelasting (MRB), dieselvoertuigen een kostenvoordeel geven ten opzichte van bijvoorbeeld een benzinevoertuig? Kunt u aangeven wat het kostenvoordeel van vrijstellingen van de BPM en MRB voor deze aanbesteding is bij de keuze voor een dieselvariant? Hoe groot zou dit zijn als de brandweer voor alternatieven zoals hybride-, (semi)elektrische- of benzinevoertuigen zou kiezen? Is het mogelijk om de brandweer te compenseren voor dit verschil in belastingvoordeel indien toch voor een niet-diesel variant wordt gekozen zodat er een daadwerkelijk «level playing field» ontstaat?
In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 gelden diverse vrijstellingen en teruggaafregelingen voor specifieke doelgroepen waaronder politieauto’s en brandweerauto’s. Zoals ik eerder in relatie tot politieauto’s heb aangegeven, zijn vanuit bedrijfseconomisch oogpunt de totale kosten van de aanschaf, het gebruik en het onderhoud van auto’s en ook de fiscale heffingen zoals BPM en MRB van belang. Deze heffingen zijn normaliter voor dieselauto’s hoger dan voor benzineauto’s vanwege de brandstoftoeslag ter compensatie van de lagere accijns op diesel. Het kan mede door de teruggaaf van BPM en de vrijstelling van MRB, zoals in geval van politie- en brandweerauto’s, vanuit bedrijfseconomisch oogpunt al bij een lager aantal gereden kilometers per jaar interessant zijn om te kiezen voor een dieselauto in plaats van een benzineauto. Dit kostenvoordeel is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de uitvoering van een alternatief voertuig (volledig elektrisch, hybride, etc.) en het beoogde gebruik van het voertuig.
Wanneer niet wordt gekozen voor dieselvoertuigen kan dit leiden tot hogere kosten voor de politie of de brandweer waarvoor in dat geval structurele dekking gevonden moet worden.
Het bericht dat de minister van Economische Zaken doorgaat met het gebruik van Gmail voor communicatie met ambtenaren |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister Kamp gaat door met gebruik Gmail voor communicatie met ambtenaren»?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat er gevoelige of staatsgeheime informatie naar het privé e-mailaccount van de Minister van Economische Zaken is gestuurd? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te doen?
Hiervoor verwijs ik naar bovenstaande.
Kunt u uitsluiten dat er gevoelige of staatsgeheime informatie in handen van derden is gekomen?
Op dit moment heb ik geen aanleiding om aan te nemen dat als staatsgeheim gerubriceerde informatie in handen van derden is gekomen. De ADR is opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of gerubriceerde informatie zoals bedoeld in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIR-BI), op mijn privé e-mailaccount aanwezig was, en welke informatie uit welke periode het eventueel betrof.
Is het waar dat de Minister slachtoffer is geworden van phishing en daardoor derden toegang hadden tot zijn e-mailaccount?
In juli 2014 is, namens mij, aangifte gedaan van een vermoeden van computervredebreuk. Tijdens het daaropvolgende onderzoek is vastgesteld dat een ongerichte phishingaanval waarmee toegang tot het account werd verkregen, aannemelijk was.
Is het waar dat het gebruik van een privé e-mailaccount niet is toegestaan volgens relevante richtlijnen van de rijksoverheid, zoals de richtlijn Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR 2012)?
Nee. Het is niet zo dat het gebruik van een privé e-mailaccount voor zakelijke e-mails niet is toegestaan.
Voor de Rijksdienst gelden het Beveiligingsvoorschrift Rijksdienst (BVR), het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (VIR), het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIR-BI) en de Baseline Informatievoorziening rijksoverheid (BIR). In het VIR-BI zijn regels opgenomen over de omgang met bijzondere informatie. Bijzondere informatie is informatie waarvan kennisname door niet geautoriseerden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries. Het gaat dan om informatie met de rubricering Departementaal Vertrouwelijk, Staatsgeheim Confidentieel, Staatsgeheim Geheim of Staatsgeheim Zeer Geheim.
De BIR uit 2012 stelt het volgende: «Voor het doorsturen van informatie naar privémail geldt: de medewerker bepaalt dan per geval of de betreffende informatie doorgestuurd kan worden. Automatische doorzending van alle mail naar een privéadres of andere onveilige omgeving wordt dan ook niet toegestaan omdat dan niet per bericht door de medewerker beoordeeld kan worden of de informatie naar een onvoldoende veilige omgeving kan worden gestuurd.»
Bent u het ermee eens dat het in het belang van de staatsveiligheid is om te zorgen dat Ministers geen privé e-mailaccounts gebruiken voor gevoelige of staatsgeheime zaken?
Ja.
Bent u bereid een intern onderzoek te starten naar het gebruik van privé e-mailaccounts onder bewindslieden?
Alle bewindspersonen hebben aan de Minister-President laten weten dat zij in verschillende mate (en in sommige gevallen geen) gebruik maken van een privé e-mailaccount voor werk gerelateerde e-mails, maar daarbij rekening houden met de aard van de informatie (het betreft geen als staatsgeheim gerubriceerde informatie).
Is het waar dat met name Ministers een bijzonder doelwit vormen voor hackers uit landen als China, Rusland en Iran, en dat digitale spionage een dreiging voor de nationale veiligheid vormt, en dat overheidsinstellingen hiervan structureel doelwit zijn zoals uit het jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) blijkt?
Mij is niet bekend of Ministers een bijzonder doelwit vormen voor hackers uit landen als China, Rusland en Iran. In zijn algemeenheid heeft de AIVD in zijn jaarverslag 2015 geconstateerd dat sommige landen geïnteresseerd zijn in de politieke besluitvorming in Nederland. Daarbij ziet de AIVD een toename van digitale spionage gericht op het vergaren van politieke inlichtingen, alsmede economische spionage. In het Cybersecurity Beeld Nederland 2015 is opgemerkt dat de grootste digitale spionagedreiging komt van buitenlandse inlichtingendiensten.
Bent u van mening dat Ministers, los van bestaande richtlijnen, zich bewust zouden moeten zijn van het feit dat zij een bijzonder doelwit zijn voor staatshackers en daardoor een additionele verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met gangbare normen omtrent cyberveiligheid?
Ik ben van mening dat Ministers nadrukkelijk een verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met gangbare normen rond cyberveiligheid.
Krijgen Ministers en hooggeplaatste ambtenaren speciale training of informatie over best practices op het gebied van cyberveiligheid of «cyberhygiëne»? Zo nee, waarom niet?
In het Handboek voor aantredende bewindspersonen worden bewindspersonen gewezen op het VIR-BI. Departementen geven bij het aantreden van bewindspersonen informatie over cyberveiligheid en -hygiëne. Verder leveren zij voldoende veilige faciliteiten voor informatie en communicatie.
Voor hooggeplaatste ambtenaren kent de Algemene Bestuursdienst het Ambtelijk Professionaliserings Programma. Daarin zit onder meer een ICT-module. Informatiebeveiliging is hierin één van de onderwerpen, waarbij ook aandacht is voor cyberveiligheid en incidenten op dat vlak.
Daarnaast zijn voor ambtenaren en managers workshops en e-learningmodules beschikbaar binnen het programma «iBewustzijn Rijk». Per 1 juli 2016 is er één rijksbrede Gedragsregeling voor de digitale werkomgeving met daarin afspraken over digitale gebruiksmogelijkheden, online gedrag en bewuste omgang met risico's. Hiermee worden de tot dan toe in gebruik zijnde internet- en e-mailgedragscodes bij de departementen geharmoniseerd. Organisaties binnen de rijksoverheid kunnen deze nieuwe Gedragsregeling waar nodig nader specificeren en mogen daarbij alleen strikter zijn in hun normering dan de Gedragsregeling als rijksbreed kader aangeeft. Voor verdere interne communicatie wordt het programma «iBewustzijn Rijk» ingezet.
De komst van een jihad-prediker naar de As Soennah moskee |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SheikWatch: Appie Chouaa in haathut As Soennah»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat de betreffende imam – die de gewelddadige jihad predikt en in verband wordt gebracht met het ronselen van Syriëgangers – in Nederland heeft kunnen spreken, gezien de motie Bontes die stelt dat geweldspredikers te allen tijde uit Nederland geweerd dienen te worden?
Uit de beluisterde preken is niet gebleken dat er sprake is van een extremistische prediker: betrokkene zet niet aan tot geweld en/of haat of verheerlijking van de gewelddadige jihad. Betrokkene bezit de Belgische nationaliteit en is derhalve niet visumplichtig in Nederland. Dat betekent dat betrokkene niet uit Nederland geweerd kan worden.
Uitgangspunt in Nederland is de grondwettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Alleen wanneer sprake is van een visumplichtige prediker die oproept tot haat en/of geweld en die daardoor een bedreiging kan vormen voor de openbare orde en veiligheid, kan de toegang tot Nederland worden ontzegd. In geval sprake is van een EU-onderdaan, kan dit op grond van internationale verdragen niet. Bij niet-visumplichtige predikers die oproepen tot haat en/of geweld kunnen andere instrumenten worden ingezet zoals in de brief over het salafisme uiteengezet2. Daar is in dit geval geen sprake van.
Bent u bereid, met het oog op de openbare orde en veiligheid, om de organisatie die de geweldsprediker heeft uitgenodigd te laten ontbinden en de betreffende moskee te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Het sluiten van een gebouw als zodanig is mogelijk als er sprake is van niet-naleving van brand- en veiligheidsvoorschriften of van drugshandel. In geval van een rechtspersoon is (verboden verklaring en) ontbinding alleen mogelijk als het doel en/of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Op grond van Art. 2:20 BW heeft de rechtbank de bevoegdheid een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden. Indien daartoe aanleiding is kan het openbaar ministerie een verzoek hiertoe doen. Op basis van feiten en omstandigheden heeft het OM tot op heden geen aanleiding gezien om de rechter te verzoeken een moskee te sluiten.
Hoe verhoudt het uitnodigen van jihad-prediker Chouaa door de As Soennah-moskee zich tot de bewering van de moskee radicalisering tegen te gaan?
De As-Soennah heeft diverse malen publiekelijk het gebruik van geweld veroordeeld en neemt actief stelling tegen de gewapende jihad. De vrijheid van godsdienst impliceert mede de vrijheid van mensen om over allerlei zaken standpunten in te nemen. Er is pas aanleiding (en ook een mogelijkheid) om op te treden als de geldende wet- en regelgeving wordt overschreden.
Bent u bereid de burgemeester van Den Haag te manen om de samenwerking met de genoemde moskee zo spoedig mogelijk te staken? Zo nee, waarom laat u deze gevaarlijke en absurde situatie voortbestaan waarbij een overheid samenwerkt met een moskee die jihadpredikers faciliteert?
Nee. Het is aan de gemeente zelf bij de vormgeving van haar integraal veiligheidsbeleid hoe zij wenst samen te werken met dergelijke organisaties.