Het bericht 'Oostenrijk hekelt Nederlandse aanpak drugsproducenten'. |
|
Remco Dijkstra (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht op nu.nl en Reuters waarin Oostenrijk de Nederlandse aanpak van ondergrondse drugslaboratoria hekelt?
Ja.
Klopt het dat Oostenrijk en het hoofd van de Oostenrijkse politie zich hebben beklaagd dat Nederland onvoldoende inzet pleegt in het doen van onderzoek naar en het aanpakken van (ondergrondse) drugslaboratoria? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Andere signalen buiten genoemd bericht zijn mij niet bekend en zijn ook niet naar voren gekomen in het kennismakingsgesprek dat ik onlangs heb gehad met de Oostenrijkse Minister van Justitie.
Ik herken niet het beeld dat Nederland te laks zou zijn in de aanpak van drugcriminaliteit. In de aanpak van georganiseerde criminaliteit is drugscriminaliteit een van de prioriteiten. Daar valt zeker ook de productie van synthetische drugs onder.
Klopt het bovendien dat volgens uw Oostenrijkse collega de samenwerking tussen Nederland en Oostenrijk als het gaat om de aanpak van drugsproducenten beter zou moeten? Zo ja, waar schort de samenwerking dan precies aan en welke stappen neemt u c.q. uw collega om dit te verbeteren?
De samenwerking met Oostenrijk op het gebied van de aanpak van drugsproducenten verloopt over het algemeen naar behoren. Zoals in elke internationale samenwerkingsrelatie is daarbij ook voortdurend aandacht voor het onderhoud van de relatie. Specifieke knelpunten zijn mij op dit moment niet bekend. Mochten zich in de operationele samenwerking knelpunten voordoen tussen de Oostenrijkse en de Nederlandse rechtshandhavingsdiensten, dan zal ik daar uiteraard naar kijken.
In hoeverre is de berichtgeving juist dat bij Nederlandse autoriteiten «verzoeken» van Oostenrijkse zijde op de plank blijven liggen? Over wat voor soort verzoeken gaat het dan specifiek? Wat is de reden van een eventuele vertraging?
Het is de Nederlandse autoriteiten niet duidelijk geworden op welke verzoeken Oostenrijk in de berichtgeving duidt.
Hoe regelmatig komt het voor dat ondergronds drugslaboratoria c.q. opslagplaatsen worden aangetroffen?
De bij de politie bekende cijfers over 2016 betreffen 61 productielocaties en 84 opslaglocaties. Hierbij wordt overigens niet geregistreerd of het ondergrondse locaties betreft of niet.
Deelt u het standpunt dat de ontmanteling van deze laboratoria na ontdekking voortvarend moet plaatsvinden? Gebeurt dat ook? Welke organisaties spelen een rol bij de ontmanteling ervan? Wie voert daarin de regie?
Ik ben met u van mening dat de ontmanteling van dergelijke laboratoria voortvarend moet plaatsvinden. Overwegingen als gevaarzetting voor de directe omgeving spelen een rol bij de beslissing om de ontmanteling extra snel ter hand te nemen. De ontmantelingen worden verricht door de specialisten van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) van de Landelijke Eenheid van de politie. De LFO wordt eventueel geassisteerd door brandweer LFO-ers en maakt zo nodig gebruik van de aanvullende kennis en kunde van gespecialiseerde externe bedrijven. Het opsporingsonderzoek in het geval een drugslaboratorium wordt aangetroffen vindt plaats onder het gezag van het Openbaar Ministerie (OM). De ontmantelingen worden uitgevoerd onder aansturing van de politie in afstemming met het OM.
In hoeverre kunnen de kosten van de ontmanteling van deze laboratoria succesvol op de illegale drugsproducenten worden verhaald? Wie draait op voor de kosten indien deze personen geen of onvoldoende verhaal bieden?
Op dit moment neemt de politie de kosten voor ontmanteling en vernietiging van laboratoria voor haar rekening, als het lab bij toeval wordt aangetroffen. Indien er sprake is van een opsporingsonderzoek is de verdeling van de kosten onderwerp van gesprek tussen politie en OM. Indien de ontmanteling onderdeel is van een opsporingsonderzoek kan crimineel vermogen worden afgepakt. De kosten voor de ontmanteling vormen echter geen onderdeel van het af te pakken criminele vermogen.
Hoe staat het met de uitvoering van het gewijzigde amendement Cegerek/Dijkstra (Kamerstuk 34 000 XII nr. 49) dat ziet op cofinanciering inzake het opruimen van drugsafval? Kunt u een actueel inzicht geven in de besteding van de extra middelen die de afgelopen jaren voor cofinanciering bij het opruimen van drugsdumpingen ter beschikking zijn gesteld?
De uitvoering van het gewijzigde amendement Cegerek/Dijkstra geschiedt op basis van een «Convenant uitwerking amendement cofinanciering opruiming drugsafvaldumpingen». Dit convenant is op 28 april 2016 gesloten met de provincies. In dit convenant is afgesproken dat de provincies een modelverordening voor de verlening van bijdragen in de kosten voor het opruimen van drugsafvaldumpingen opstellen en de uitvoering op zich nemen. De provincies beoordelen en behandelen de aanvragen op basis van vooraf overeengekomen criteria, en keren bij een rechtmatige aanvraag een bedrag aan cofinanciering van de opruimkosten uit.
De eerste aanvragen voor cofinanciering van opruimkosten konden in 2016 worden ingediend over gemaakte kosten in 2015. Resultaat hiervan is dat in 2016, over het eerste amendementsjaar 2015, van de beschikbare 1miljoen euro € 220.000 is uitgekeerd aan cofinanciering. De openstellingsperiode voor aanvragen voor cofinanciering van kosten voor opruimingen in 2016, loopt nog tot 1 september 2017. Hoeveel aanvragen, toekenningen en tot welk bedrag aan uitbetaling dit zal leiden voor opruimingen in het jaar 2016, zal pas in het najaar bekend worden.
Tot welke resultaten heeft dit geleid? Wat valt er te zeggen over de effectiviteit? Is de pakkans verhoogd? Waarvoor is het geld ingezet? Is een inzicht te krijgen in projecten waarbij gebruik is gemaakt van deze middelen?
Bij de uitvoering van het «Convenant uitwerking amendement cofinanciering opruiming drugsafvaldumpingen» door de provincies is sprake van onderbesteding.
De onderbesteding is o.a. terug te voeren op:
Het aantal vaten met een lek was lager dan verwacht. Mede daardoor waren ook de kosten voor het reinigen van verontreinigde bodem lager dan was geraamd.
Onbekendheid met de regeling bij gemeenten en terreinbeheerders, waardoor er bij de provincies minder aanvragen zijn ingediend dan aanvankelijk was gedacht.
Op basis van de over het jaar 2015 uitgevoerde evaluatie van de uitvoering van het convenant zijn de provinciale subsidieregelingen voor 2016, met inachtneming van de geldende convenantafspraken, waar nodig verduidelijkt en aangepast en is meer aandacht gegeven aan communicatie naar de doelgroep. Om de pakkans te verhogen is vanaf het begin als vereiste in de subsidieregelingen opgenomen dat bij een aanvraag ook aangifte bij de politie moet zijn gedaan. Het is nog te vroeg om hier conclusies uit te trekken. Wel is geconstateerd dat in een aantal provincies, waaronder Noord-Brabant, door de subsidieaanvragen en de voorwaarde van aangifte een beter beeld is ontstaan van de omvang en de ruimtelijke verspreiding van drugsafvaldumpingen.
In 2015 zijn 153 meldingen van drugsafvaldumpingen gedaan. Voor 105 van deze dumpingen zijn cofinancieringsaanvragen ingediend. Hiervan zijn er 94 gehonoreerd. De aanvragen zijn voornamelijk afkomstig van gemeenten (70%), omgevingsdiensten (22%) en waterschappen (8%). Particulieren blijken in 2015 (nog) niet goed op de hoogte te zijn van de subsidieregelingen voor cofinanciering opruimkosten. Informatie over de aard en omvang van de individuele drugsafvaldumpingen waarvoor een cofinancieringsaanvraag is ingediend, alsmede over de middelen die zijn uitgekeerd voor cofinanciering van de opruimkosten, is beschikbaar bij de provinciale uitvoeringsorganisatie.
Is het nodig, gezien de aanhoudende berichten over illegale dumpingen in buitengebieden, het Rijks- en Provinciaal beleid tegen drugsdumpingen verder te intensiveren of zelfs meerjarig en structureel te maken? Welke afweging wordt daarin gemaakt? Welke initiatieven zijn thans gaande?
Na de evaluatie van de uitvoering van het convenant over 2015, beraden het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de provincies zich of het instrument van cofinanciering van opruimkosten van drugsafvaldumpingen, via een convenant en twaalf provinciale subsidieregelingen, de beste manier is om gedupeerden tegemoet te komen. Na het beschikbaar komen van de evaluatie van de uitvoering van het convenant over 2016, zal bekeken worden of en hoe het beleid moet worden bijgesteld.
Er is geen synthetisch drugsafval zonder productieplaats. De inzet van de politie, het OM, NFI en partners (waaronder de FIOD) is dan ook gericht op het verstoren van het productieproces van synthetische drugs. De aanpak van de productie van synthetische drugs en de aanpak van het dumpen van afval dat daarbij wordt geproduceerd is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur, politie en Openbaar Ministerie (OM). Bijvoorbeeld in Zuid Nederland wordt ondermijnende criminaliteit integraal en intensief aangepakt. De aanpak richt zich zowel op het effectief verstoren van de criminele industrie als op het versterken van de bestuurlijke weerbaarheid en integriteit. Daarnaast werkt de politie aan een eenduidige benadering en opvolging van een drugsafvaldumping, waarbij de dumping -plaats delict- in eerste instantie zowel vanuit het milieu- als het generieke opsporingsperspectief wordt benaderd.
Ten aanzien van de aanpak in de buitengebieden kan vermeld worden dat er verschillende samenwerkingsafspraken ten aanzien van het toezicht in het buitengebied zijn. Net als op straat, is ook in het buitengebied goede samenwerking en afstemming noodzakelijk tussen de politie, gemeenten, provincies en de boa’s van andere organisaties. Dit betekent dat er in de lokale driehoeken aandacht is voor de handhavingsinzet in deze gebieden en dat de werkgevers van de boa’s in de buitengebieden worden betrokken bij overleg hierover. Daarnaast is er structureel overleg op lokaal niveau tussen gemeente, politie, OM en de boa-werkgevers hetgeen de samenwerking bevordert en bijdraagt aan een effectieve, lokale veiligheidszorg. Hiertoe worden ook handhavingsbeleid en handhavingsplannen vastgesteld. Een voorbeeld is het handhavingsteam «Samen Sterk in Brabant.» De gezamenlijke inzet draagt onmiskenbaar bij aan de veiligheid en leefbaarheid en het natuurbehoud in de buitengebieden.
Welke stappen zijn recent gezet in het voorkomen dat drugsproducenten of handelaren via de post hun illegale waar aanbieden?
De politie en het OM werken nauw samen met PostNL in het project Post/Pakket Interventieteam (PIT) om de problematiek van illegale verzendingen zoals drugs aan te pakken. Dit team is ondergebracht bij de Landelijke Eenheid van de politie. Naast de politie en het OM zijn er diverse andere partijen bij dit project betrokken, onder meer het LIEC, Transport en Logistiek Nederland, RIEC Den Haag, de Koninklijke Marechaussee en de douane. Het doel van het project is om de post- en pakketfaciliteiten zodanig weerbaar te maken, dat de gelegenheidsstructuur voor criminele doelen wordt weggenomen. De aanpak van illegale verzendingen door dit interventieteam gebeurt onder meer door onderschepping van post en pakketten, door de implementatie van technische innovaties en door inzet van speurhonden door PostNL. De pakketten en de drugs die door PostNL onderschept worden, worden daarna door de opsporingsambtenaren en NFI-onderzoekers nader onderzocht en afgehandeld.
Meer algemeen voert de Douane toezicht uit op het EU-grensoverschrijdende goederenverkeer. Dit toezicht vindt risicogericht plaats, waarbij hulpmiddelen zoals speurhonden ingezet kunnen worden. Dit toezicht vindt ook plaats op (brief en pakket)post- en koerierszendingen. Daarbij speelt de douane in op actuele risico’s en modus operandi, zoals smokkel van synthetische drugs in uitgaande briefpost.
Het bericht ‘Gouda is een onveilige gemeente’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de AD misdaadmeter 2017 waaruit blijkt dat de kans op inbraak in Gouda, Bodegraven-Reeuwijk en Waddinxveen het hoogste is van Nederland?1
Ja.
Is het correct dat sterkte van het basisteam Bodegraven-Reeuwijk en Gouda 138 fte zou moeten omvatten en dat op deze sterkte een tekort van 20 fte bestaat? Kunt u aangeven in welke mate dit tekort bijdraagt aan het niet kunnen voorkomen dan wel opsporen van woninginbraken? Op welke termijn is de politie sterkte van minimaal 138 fte gerealiseerd?
De verdeling van de politiesterkte per basisteam is vastgelegd in het Inrichtingsplan Politie, dat ook aan uw Kamer is verzonden2. Hoe de politiecapaciteit wordt ingezet, wordt bepaald in het gesprek dat tussen politie, officier van justitie en burgemeester(s) plaatsvindt in de gezagsdriehoek. Verantwoording over die inzet wordt op lokaal niveau afgelegd, door de burgemeester in de gemeenteraad. Over deze specifieke casus doe ik dan ook geen uitspraken. De politie is een flexibele organisatie. Indien nodig kan zij door (horizontale) samenwerking of (verticale) opschaling extra capaciteit leveren.
Deelt u de mening dat daders van woninginbraken veelal afkomstig zijn uit de nabije omgeving waar inbraken gepleegd worden? Kunt u aangeven hoe dat ligt ten aanzien van daders van woninginbraken in de gemeente Gouda in de jaren 2015 en 2016?
Uit een interne landelijke analyse van de politie uit 2014 naar de aard en omvang van woninginbraken blijkt dat de meerderheid van de woninginbraken worden gepleegd door daders uit de nabije omgeving van het plaats delict. Uit recente lokale cijfers blijkt dat 79% van de bekende verdachten van een woninginbraak in Gouda, tevens woonachtig is in Gouda (periode 2014–2016).
Is er een verband tussen het vrijkomen van verdachten en veroordeelden en een stijging in het aantal inbraken en pogingen tot inbraak?
Uit onderzoek van het WODC is gebleken dat het algemeen recidive (2 jarige prevalentie) tussen 2002 en 2012 voor volwassen daders is gedaald, van 29,2% in 2002 naar 25.0% in 20123. Op dit moment is er geen recent onderzoek beschikbaar om specifieke uitspraken te kunnen doen naar de ontwikkeling van recidive bij plegers van woninginbraken. Ik kan uw Kamer wel informeren over het feit dat het WODC op mijn verzoek in 2016 een onderzoeksprogramma is gestart om tot en met 2021 recidivemetingen uit te voeren naar plegers van High Impact Crimes (i.c. woninginbrekers en overvallers). Naast informatie over de totale populatie recidivisten wordt ook onderzocht welke regionale verschillen er bestaan. Dit programma vindt plaats ten behoeve van een nog gerichtere aanpak in de toekomst.
Welke maatregelen worden er in en rond Gouda in de justitiële keten (inclusief het veiligheidshuis) genomen om de kans op woninginbraak te minimaliseren? Is er daarbij sprake van een individu-gerichte aanpak?
De lokale driehoek in Gouda heeft mij aangegeven dat de aanpak van woninginbraken prioriteit heeft. Op basis van een gezamenlijk plan met zo’n 15 maatregelen werken politie, openbaar ministerie, gemeenten en andere partners samen om het tij te keren. Er worden dadergerichte maatregelen genomen om de pakkans te vergroten. Het uitgangspunt bij de vervolging is dat alle van woninginbraak verdachte personen worden voorgeleid bij de rechtercommissaris en zo mogelijk worden aangebracht bij de meervoudige kamer. Het is van groot belang dat de gevolgen van een inbraak duidelijk kenbaar worden gemaakt aan de verdachte en de samenleving. Verder wordt waar mogelijk het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte afgenomen. Daarnaast zijn er maatregelen om te voorkomen dat daders recidiveren en worden er concrete preventiemaatregelen genomen.
Binnen het Veiligheidshuis Hollands Midden vindt ook de Top60 aanpak plaats; dit is een specifieke aanpak van de gemeente Gouda gericht op hoog-risicodaders. Ook personen die verdacht worden van een (poging tot) woninginbraak kunnen binnen de aanpak vallen. Voor iedere Top60»er is er een individuele aanpak, die ook is gericht op zijn of haar gezin. Hierbij wordt ingezet op instroombeperking: het voorkomen dat minderjarige broertjes, zusjes en/of kinderen van de Top60»er strafbare feiten gaan plegen.
Welke inzet pleegt u om de woninginbraken in deze hoog risico gebieden te verminderen?
De aanpak van woninginbraken is voor mij ook komend jaar prioriteit. In samenwerking met gemeenten, de strafrechtketen, bedrijven, maatschappelijke organisaties (waaronder ouderenbonden) en het CCV worden op lokaal niveau gerichte concrete maatregelen genomen om woninginbraken in hotspot-gebieden te voorkomen. Hierbij is voor 2017 een aantal speerpunten benoemd: stimuleren samenwerking gemeenten en woningbouwcorporaties, versterking aanpak opsporing en vervolging, stimuleren van burgerinitiatieven, stimuleren van de toepassing van het Politie Keurmerk Veilig Wonen (PKVW) en continueren landelijke campagne «Harm Alarm».
Het bericht dat Nederland op het spoor is van contacten tussen hulporganisaties en smokkelbendes |
|
Martijn van Helvert (CDA), Mona Keijzer (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat een Nederlandse inlichtingendienst samen met een Duitse inlichtingendienst via militaire schepen en spookschepen al enkele maanden op het spoor zouden zijn van contacten tussen mensensmokkelaars en schepen van hulporganisaties in de Middellandse zee tussen Libië en Italië?1
Over operaties van de Nederlandse inlichtingendiensten en het uitwisselen van informatie met partners worden in het openbaar geen uitspraken gedaan.
Klopt het dat deze dienst en de regeringen in Den Haag en Berlijn daarover ingelicht hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de antwoorden van zowel de Minister van Buitenlandse Zaken2 als de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie3 dat het kabinet «niet beschikt over aanwijzingen dat er sprake zou zijn van rechtstreeks contact tussen sommige hulporganisaties en criminele smokkelbendes»?
De kwestie heeft de aandacht van het kabinet. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld is de Italiaanse justitie bezig met een oriënterend feitenonderzoek naar mogelijke contacten tussen sommige hulporganisaties en criminele mensensmokkelorganisaties. Het kabinet wacht de uitkomsten van dit onderzoek af.
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens het Algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 10 mei jl., die stelde «van niets te weten» en er «met extra aandacht» naar zou gaan kijken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid dit te doen en de Kamer daarover te informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verloopt de informatievoorziening vanuit de inlichtingendiensten richting het kabinet, alsmede de interdepartementale afstemming, als het gaat om informatie betreffende contacten tussen sommige hulporganisaties in de Middellandse Zee en smokkelbendes? Ziet u ruimte voor verbetering?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Italiaanse openbare aanklager Zuccaro: «Er zijn hulpschepen die buiten het internationale water treden, de satellietzenders afbreken om niet te worden getraceerd. Ze krijgen telefoontjes uit Libië waarin wordt gezegd dat er rubberen boten op zee worden gestuurd die ze moeten komen ophalen.»?4
Schepen van ngo’s komen soms zeer dichtbij de Libische kust om reddingsoperaties uit te voeren. Mensensmokkelaars hebben hun modus operandi hieraan aangepast door bijvoorbeeld bootjes met zeer weinig brandstof de zee op te sturen. Berichten over telefoontjes uit Libië naar ngo’s en het afbreken van satellietzenders worden onderzocht door de Italiaanse justitie in het eerder genoemde feitenonderzoek. Zoals hierboven vermeld wacht het kabinet de uitkomsten van dit onderzoek af.
Klopt het dat ook Frontex materiaal van afgetapte gesprekken bij de Italiaanse openbare aanklager heeft aangeleverd?
Het is het kabinet bekend dat Italiaanse onderzoekers contact hebben met verschillende partijen, waaronder Frontex. Welke informatie wordt uitgewisseld is het kabinet niet bekend. Het gaat hier immers om een Italiaans onderzoek. Opgemerkt zij dat Frontex geen opsporingsinstantie is. Wel levert Frontex, als onderdeel van het nieuwe mandaat van de Europese Grens- en Kustwacht, bijdragen aan het voorkomen en opsporen van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel. Indien Frontex bij het uitoefenen van de taken aan de buitengrenzen relevante informatie vergaart, kan zij deze doorgeven aan bevoegde Europese en nationale opsporingsdiensten.
Als er inderdaad sprake is van betrouwbare, geloofwaardige inlichtingen over contacten tussen mensensmokkelaars en schepen van hulporganisaties in de Middellandse Zee, bent u dan bereid maatregelen te bepleiten?
Het is in beginsel aan de opsporingsinstanties van het land waar de acties worden gepleegd om onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten. Indien uit onderzoek zou blijken dat sprake is van dergelijke contacten tussen schepen van ngo’s en mensensmokkelaars of dat deze organisaties op een andere wijze aantoonbaar deel uitmaken van mensensmokkelactiviteiten, is het kabinet van mening dat dit strafbaar is. Het is in dat geval aan het openbaar ministerie om te besluiten of tot vervolging wordt overgegaan.
Mochten onderzoeken of inlichtingen hiertoe aanleiding geven, dan zal in afstemming met relevante actoren worden gekeken hoe hiermee om te gaan en welke acties ondernomen kunnen worden.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden binnen het mandaat van de maritieme EU-operatie Sophia, dat onder meer gericht is op het systematisch identificeren, in beslag nemen en afvoeren van schepen of vaartuigen die gebruikt worden voor mensensmokkel en/of -handel, dan wel hiervan verdacht worden? Bent u bereid een en ander te adresseren in EU-verband?
De EU-operatie Sophia verzamelt informatie over netwerken van mensensmokkel-en mensenhandel in het centrale deel van de Middellandse Zee en kan die doorgeven aan EU-lidstaten, Europese agentschappen, internationale partners en de Libische kustwacht. Hieronder kan ook de informatie over contacten tussen de hulporganisaties en mensensmokkelaars vallen. Indien er gegronde redenen zouden zijn om schepen van hulporganisaties ervan te verdenken dat zij worden gebruikt voor mensensmokkel of -handel, dan kunnen deze onder het mandaat op volle zee worden doorzocht. In voorkomend geval zou het desbetreffende schip in beslag kunnen worden genomen. De contacten tussen hulporganisaties en mensensmokkelaars tegengaan, valt echter buiten het mandaat van EU-operatie Sophia.
Heeft u, in het licht van het bovenstaande, bovendien kennisgenomen van de berichtgeving over een bijna-aanvaring tussen een schip van de Duitse actiegroep Sea Watch en een schip van de Libische kustwacht?5 Vond dit incident plaats in Libische territoriale wateren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over dit incident maar beschikt niet over informatie over de precieze locatie. Het bevestigt dat het noodzakelijk is te blijven investeren in het verbeteren van de maritieme coördinatie en duidelijke afspraken te maken over hoe nationale kustwachten, Europese maritieme missies, ngo-schepen en koopvaardij (al dan niet gezamenlijk) moeten optreden bij reddingsoperaties. In de EU-training van de Libische kustwacht zal structureel aandacht worden besteed aan mensenrechten, het zeerecht en veiligheid op zee.
Hoe beoordeelt u deze «wild west» taferelen tussen een actiegroep en de – door de EU getrainde – Libische kustwacht?
Zie antwoord vraag 11.
Voortzetting en verharding van de ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een serie artikelen over ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen, zoals de ontgroeningsrituelen bij de Groningse studentenvereniging Vindicat?1 2 3
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen en opvattingen die uit deze artikelen naar voren komen over de verharding van de ontgroeningscultuur, ondanks de roep een einde te maken aan excessen met geweld, vernedering en seksisme en zelfs de beëindiging van ontgroeningen?
Die signalen vind ik zeer ernstig. Zoals ik eerder heb aangegeven, is het van belang dat beginnende studenten in contact komen met andere studenten. Verenigingen vormen in beginsel een belangrijk onderdeel van het studentenleven en geven de mogelijkheid zulke contacten te leggen, ook buiten de directe studieomgeving. De grens van het toelaatbare ligt wat mij betreft daar waar geweld wordt gebruikt, er onvrijwillige of abjecte handelingen plaats (moeten) vinden, er sprake is van stelselmatige vernedering, er sprake is van seksuele intimidatie en/of er op manieren strijdig met het Nederlandse strafrecht wordt gehandeld.
Deelt u de opvatting dat het erg zorgwekkend is dat een noodzakelijke cultuur van transparantie en rapportage over en van grensoverschrijdende «incidenten» door de betrokken onderwijsinstellingen nog steeds problematisch is en dat hiermee ook een voortzetting en verharding dreigt van de bovengenoemde ontgroeningen en de zwijgcultuur hierover?
Ik vind het zorgwekkend als inderdaad blijkt dat onderwijsinstellingen geen volledig beeld hebben van voorkomende excessen bij studentenverenigingen en daar onvoldoende tegen optreden. Ik heb hen daar in het verleden ook al meermaals op aangesproken. Zolang er nog instellingen zijn die geen waterdichte afspraken hebben gemaakt met studentenverenigingen, zal ik hen daar op blijven aanspreken. Het is van een groot belang dat hogeronderwijsinstellingen hun verantwoordelijkheid nemen en zowel structurele afspraken maken met studentenverenigingen, als bij ieder voorkomend incident een indringend gesprek voeren met de betreffende vereniging.
Herinnert u zich nog uw antwoord op eerdere vragen4 om universiteiten en hogescholen te dwingen tot een duidelijkere houding en hardere sancties tegen studentenverenigingen, ook via de bekostiging daarvan door de universiteit, in geval van ontgroeningen met geestelijke en fysieke mishandeling, intimidatie en seksisme richting medestudenten? Bent u in het licht van deze berichtgeving en naar aanleiding van uw antwoord «dat u in gesprek was met universiteiten en hogescholen en stevig optreden verwacht bij ontoelaatbare incidenten» bereid om sancties richting onderwijsinstellingen niet te schuwen, indien zij dergelijke ontgroeningspraktijken onvoldoende en niet transparant aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook onder vraag 3 heb aangegeven, vind ik het primair aan instellingen om hier daadkrachtig tegenop te treden. Het instrument «normeren» en wijzen op de rol en verantwoordelijkheden van instellingen, acht ik op dit moment vanuit mijn positie krachtiger dan financiële en juridische begrenzingen vanuit het Rijk.
Op welke wijze denkt u bij te kunnen dragen aan voorkoming van een eventuele verharding van de ontgroeningscultuur en het tegengaan van ontoelaatbare excessen bij ontgroeningen door studentenverenigingen?
Uiteraard ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het welzijn van (aspirant-) leden van studentenverenigingen, bij die verenigingen zelf. Ik vertrouw er op dat zij, mede gelet op de maatschappelijke onrust, hun rol nemen, zich houden aan de aangepaste afspraken met onderwijsinstellingen en er alles aan doen om morele en fysieke grenzen niet te overschrijden. Studenten zijn immers waardendragers van de toekomst.
Ik monitor de ontwikkelingen en normeer in voorkomende gevallen. Ook wil ik dat universiteiten en hogescholen meer vertrouwenspersonen aanstellen, waar studenten (maar ook ouders of andere betrokkenen) anoniem misstanden bij verenigingen kunnen melden.
Ook laat ik geen gelegenheid onbenut om de instellingen te wijzen op hun rol bij het voorkomen van ontoelaatbaar gedrag bij verenigingen. Ik doe dat door de onderwijsinstellingen te wijzen op het belang van het hebben van een adequate inventarisatie van incidenten en er op aan te dringen dat zij zowel over alle incidenten als de onderliggende cultuur steeds in gesprek moeten gaan met de betreffende verenigingen.
De beoordeling van homoseksualiteit door de IND |
|
Jasper van Dijk (SP), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een homoseksuele asielzoeker uit Alkmaar wordt uitgezet omdat zijn homoseksualiteit door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onvoldoende bewezen wordt geacht?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom het niet als bewijs van homoseksualiteit kan worden erkend als twee asielzoekers zich overtuigend in Nederland presenteren als partners? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik verduidelijken dat homoseksualiteit in het kader van de asielprocedure niet «bewezen» hoeft te worden. Wanneer een vreemdeling stelt dat hij homoseksueel is, is het aan hem om de gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen. Bij de beoordeling van het asielverzoek wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aan te tonen dat hij homoseksueel is. De loutere stelling van de vreemdeling dat hij homoseksueel is, is anderzijds ook niet voldoende. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid bevindt zich tussen deze twee uitersten. De IND geeft – in algemene zin – een vreemdeling het voordeel van de twijfel, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, die zijn omschreven in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.
Indien er na het asielgehoor aanvullende informatie nodig blijkt om tot een zorgvuldige beoordeling van de zaak te kunnen komen, kan de vreemdeling worden uitgenodigd voor een aanvullend gehoor waarin hij nader kan verklaren over zijn gerichtheid. De IND kan daarbij vragen stellen die de vreemdeling kunnen helpen zijn relaas nader te onderbouwen.
Wat is de reden dat in de werkinstructie van de IND over de beoordeling van de geloofwaardigheid van homoseksuele gerichtheid, een sterke nadruk wordt gelegd op de beschrijving van het proces van bewustwording van homoseksuele gevoelens en wat de asielzoeker aan de hand daarvan in het land van herkomst is overkomen? Is het doel van de werkinstructie dat hiermee asielzoekers, die in het land van herkomst niet zijn uitgekomen voor hun homoseksualiteit en daarom zijn vervolgd, geen aanspraak kunnen maken op asiel in Nederland?
In de werkinstructie wordt inderdaad belang gehecht aan de beschrijving van het proces van bewustwording van homoseksuele gevoelens en wat het voor iemand betekent om «anders» te zijn in een maatschappij waar homoseksuele gerichtheid niet wordt geaccepteerd. Het doel hiervan is om met behulp van open vragen het asielverzoek zo objectief en effectief mogelijk te beoordelen. Dit betekent niet dat iemand die in het land van herkomst niet is uitgekomen voor zijn homoseksualiteit geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning.
Deelt u de opvatting dat vragen vanuit de IND aan asielzoekers over waar hun homoseksuele gevoelens vandaan zijn gekomen en hoe deze gevoelens zich hebben ontwikkeld de indruk geven dat seksuele oriëntatie stuurbaar is en niet onderdeel zijn van iemands persoon? Bent u derhalve van mening dat deze vragen geen plaats dienen te hebben in een verhoor? Bent u bereid de werkinstructies van het IND hierop aan te passen?
De opvatting dat de vragen van de IND de indruk geven dat de seksuele oriëntatie stuurbaar is deel ik niet. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt belang gehecht aan het proces van bewustwording maar dat is niet hetzelfde als hetgeen deze vraag impliceert. Ik herken mij daarom niet in het beeld dat aan asielzoekers wordt gevraagd waar hun (homo)seksuele gevoelens vandaan komen. De beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid is niet eenvoudig, vandaar dat de IND deze beoordeling verricht conform een uitgebreide werkinstructie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze beoordelingssystematiek deugdelijk bevonden. Ik zie geen aanleiding om de werkinstructie en de daarop gebaseerde werkwijze aan te passen. Elke individuele zaak wordt zorgvuldig beoordeeld. Alle relevante elementen worden gewogen en op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid beoordeeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige werkinstructie van de IND in onvoldoende mate rekening houdt met de taboesfeer waarin homoseksualiteit zich in veelvoorkomende landen van herkomst bevindt en de gevolgen dat dit mogelijk heeft voor het bewustwordingsproces van LHBTI’ers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de werkinstructie op dit punt te wijzigen?
De werkinstructie van de IND houdt wel degelijk rekening met het feit dat homoseksualiteit in veel landen van herkomst taboe is. De werkinstructie biedt voldoende ruimte om in een gehoor met een vreemdeling te spreken over de mate waarin hij moeite heeft gehad met het accepteren dat hij homoseksueel is, met name als ook zijn directe omgeving dit onacceptabel vindt dan wel er sprake is van een maatschappij waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd.
Het bericht ´Politie te ver doorgeslagen' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Politie is te ver doorgeslagen»?1
Ja.
Is het waar dat het politiebureau van het basisteam Twente-West niet in Rijssen, maar in Nijverdal gevestigd wordt? Is het waar dat in eerste instantie de keuze op Rijssen gevallen was? Kunt u aangeven welke overwegingen hebben geleid tot de finale keuze voor vestiging in Nijverdal?
Met het transformeren en afstoten van huisvestingslocaties van bureaus werkt de politie toe naar de – in samenspraak met het lokaal gezag en de Tweede Kamer – afgesproken eindsituatie in 2025. In dit specifieke geval is de politie-eenheid Twente-West in nauw overleg met het lokaal gezag verantwoordelijk voor de gemaakte keuzes inzake de huisvesting.
Als onderbouwing van de keuze van de vestiging van het (hoofd)politiebureau zijn business cases uitgevoerd. In alle business cases voor de politie-eenheden wordt onder meer gescoord op kwalitatieve en operationele aspecten waaronder reactietijden. Voor verdere toelichting op deze aspecten verwijs ik naar het Kamerstuk van 13 april 2017 (Aanhang Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1603).
In de gezagsdriehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie op lokaal niveau. Dit is ook in dit geval gebeurd.
Kunt u uiteen zetten welke criteria vanuit het dagelijkse werk van de politie (aanrijtijden, verdeling van incidenten over het grondgebied, inwoneraantallen, specifieke problematiek) bepalend zijn voor de keuze van de vestiging van het (hoofd)politiebureau binnen een basiseenheid? Kunt u uitleggen hoe deze criteria zijn toegepast in de concrete situatie van het basisteam Twente-West en wilt u daarbij aandacht besteden aan incidenten die zich voordoen rond de snelweg A1 in de gemeente Rijssen-Holten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dorpen dan wel steden waar een basisteam van de nationale politie gevestigd is, substantieel meer politie-aandacht krijgen dan dorpen en steden binnen het verzorgingsgebied van hetzelfde basisteam waar geen opkomst-locatie is? Kunt u aangeven welke maatregelen de politie neemt om deze ongewenste situatie – met name op het vlak van aanrijtijden – tegen te gaan? Kunt u dit specifiek aangeven voor de huidige en toekomstige situatie in het basisteam Twente-west?
Voor alle politie-eenheden in Nederland geldt dat ongewenste situaties moeten worden tegengegaan. Gezien de gehanteerde criteria bij de bepaling van de locatie van een basisteam die rekening houden met het gehele verzorgingsgebied van een basisteam en de nauwe betrokkenheid van de eenheden en het lokale gezag daarbij, deel ik uw mening niet dat steden waar een basisteam van de nationale politie gevestigd is, substantieel meer politie-aandacht krijgen dan dorpen en steden binnen het verzorgingsgebied van hetzelfde basisteam waar geen opkomst-locatie is. Organisatie van moderne zichtbaarheid en nabijheid van de politie in de wijk onder meer door inzet van mobiele middelen dragen hier aan bij.
Welke mogelijkheden ziet u om – indachtig de woorden van korpschef Akerboom2 in februari 2017 dat de politie mogelijk te ver is doorgeslagen in centralisatie en efficiëntie – binnen het basisteam Twente-west op meer dan één locatie een actieve politiepost open te houden?
De Minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor de organisatie en het beheer van de politie. In het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) is afgesproken dat de politie en lokaal gezag doorlopend de werking van dienstverlening, bereikbaarheid en beschikbaarheid van politie in relatie tot het huisvestingsplan en de bijbehorende fasering hierin richting 2025 bezien. In goed overleg wordt de werking van dienstverlening, bereikbaarheid en beschikbaarheid van politie bezien en stellen zij de uitvoering van het huisvestingsplan zo nodig bij.
Boeren in Limburg die drones gaan gebruiken in de strijd tegen criminelen die in hun maisvelden stiekem hennepplantages onderbrengen |
|
Lilian Helder (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Boer vecht tegen wiet»?1
Ja.
Klopt het dat boeren in Limburg drones gaan gebruiken in de strijd tegen criminelen die in hun maisvelden stiekem hennepplantages onderbrengen, omdat er sinds 2016 geen geld meer is voor de «hennepvluchten» die de politie per helikopter uitvoerde?
De politie heeft tot 2016, in samenwerking met de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) en het Openbaar Ministerie, controles met helikopters uitgevoerd om hennepteelt op landbouwgronden te detecteren. Omdat het aantal wietplantages dat op deze wijze werd opgespoord zeer gering was, is besloten te stoppen met deze controlevluchten. Indien er concrete aanwijzingen zijn voor wietteelt, kan de politie nog steeds besluiten om bijvoorbeeld helikopters in te zetten om luchtbeelden te maken.
Hoe valt dit uit te leggen in het kader van de aanpak van de georganiseerde (drugs)criminaliteit in deze regio?
Het is belangrijk dat de opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet. Waar sprake is van georganiseerde criminaliteit, treedt de politie handhavend op. Burgers en bedrijfsleven hebben daarnaast ook een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de bescherming van hun eigendommen tegen crimineel misbruik.
Hoe verwacht u dat de boeren weerbaarder worden tegen dit soort criminelen, boeren worden soms namelijk onder druk gezet om wiet te planten of toe te staan dat criminelen dit doen, als de politie ze niet meer ondersteunt
De politie staat voor de veiligheid van burgers en bestrijdt actief georganiseerde criminaliteit. In de strijd tegen (georganiseerde) drugscriminaliteit trekt de politie samen op met publieke en private partners. Bij gevallen van bedreiging of andere criminele activiteiten wordt burgers geadviseerd om altijd aangifte te doen, zodat de politie hierop kan reageren.
Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2, 6 en 8.
Deelt u de mening dat dit een klap is in het gezicht van de boeren omdat de teelt zorgt voor inkomstenderving, overlast en boeren gevaar lopen als ze onder druk gezet worden door criminelen of als ze wiettelers betrappen en we hen juist moeten beschermen tegen dit soort georganiseerde misdaad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de hennepvluchten niet meer worden uitgevoerd omdat er weinig hennep meer gevonden werd, prioriteit is gegeven aan controles op de grond, er geen capaciteit is voor deze vluchten en er ook geen gelden voor zijn vrijgemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vreest u niet dat de criminelen hier slim gebruik van maken en (opnieuw) gaan telen? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkelingen worden door de politie in de gaten gehouden. Als er concrete aanwijzingen zijn voor hennepteelt, kan de politie besluiten om helikopters in te zetten om luchtbeelden te maken.
Bent u bereid te regelen dat er per direct weer van dit soort vluchten worden uitgevoerd en de boeren niet opdraaien voor de taak van de politie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'Amsterdamse politie wil hoofddoekje toestaan bij uniform' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Amsterdamse politie wil hoofddoekje toestaan bij uniform»?1
Ja.
Is het waar dat de Amsterdamse politie bekijkt of agentes een hoofddoek mogen dragen bij hun uniform om het werk aantrekkelijker te maken voor mensen met een migratieachtergrond en daarmee shariavoorschriften introduceert?
De politie onderschrijft de Gedragscode lifestyle-neutraliteit. In de Gedragscode lifestyle-neutraliteit is bepaald dat de politieambtenaar in het belang van zijn gezag, neutraliteit en zijn eigen veiligheid, bij zijn optreden, in contact met het publiek, een gezag uitstralende, neutrale en veilige houding behoort in te nemen.
Desgevraagd gaf de politiechef van de eenheid Amsterdam tijdens een interview met het AD aan dat in Amsterdam is gesproken over de hoofddoek als onderdeel van het politie-uniform, mocht de werving van medewerkers met een dubbele culturele achtergrond op reguliere wijze niet de gewenste effecten hebben. Er was geen concreet voorstel of plan met betrekking tot dit onderwerp.
Deelt u de mening dat het dragen van islamitische symbolen niet strookt met de neutraliteit van de politie? Zo nee, waarom niet? Wat is de reden dat u afwijkt van hetgeen geregeld was in het regeerakkoord Rutte I?
Die mening deel ik, dit geldt voor alle religieuze uitingen. Zoals hierboven aangegeven, schrijft de Gedragscode lifestyle-neutraliteit voor dat de politieambtenaar in het belang van zijn gezag, neutraliteit en zijn eigen veiligheid, bij zijn optreden, in contact met het publiek, een gezag uitstralende, neutrale en veilige houding behoort in te nemen en zich dus onthoudt van zichtbare uiting(en) van (levens)overtuiging, religie, politieke overtuiging, geaardheid, beweging, vereniging of andere vorm van lifestyle.
Vindt u ook dat de politie te ver doorschiet in het diversiteitsbeleid door al onze regels aan de kant te schuiven om maar meer allochtonen bij de politie te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Er is naar mijn mening geen sprake van dat de politie doorschiet in haar diversiteitsbeleid, noch dat zij alle regels aan de kant schuift. Uw Kamer heeft mijn ambtsvoorganger met een motie gevraagd de politie een inspanningsverplichting op te leggen om de diversiteit in het korps te vergroten. De politie neemt maatregelen in het kader van het programma «De Kracht van het Verschil». Daarbij geldt overigens dat diversiteit breder is dan culturele achtergrond: verscheidenheid op het gebied van sekse, etniciteit, leeftijd, opleiding, geaardheid, et cetera. Dit is van belang omdat het korps moet aansluiten bij de veiligheidsproblemen in de verschillende wijken en in alle groepen van de maatschappij.
Deelt u de mening dat adviezen van een directeur diversiteit die PvdA-politica was, islam activiste is en zelf een hoofddoek draagt, niet erg objectief zijn? Zo nee, waarom niet?
Sinds 1 september 2015 wordt deze persoon door de politie ingehuurd om o.a. te werken aan en te adviseren over het verbeteren van de verbindingsvraagstukken binnen en buiten de politie en het continue ontwikkelen van vakmanschap en professionaliteit.
In eerdere Kamervragen en debatten heb ik aangegeven dat een divers korps noodzakelijk is voor een effectieve aanpak van criminaliteit, radicalisering, discriminatie en overlast en voor verbinding met en draagvlak in onze samenleving. Het is logisch dat de politie een scala aan initiatieven en maatregelen ontplooid om daarin te slagen.
Hoeveel belastinggeld kost het de politie om deze directeur diversiteit in te huren? Deelt u de mening dat dit beter kan worden besteed aan het vangen van boeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u deze aanval op de neutraliteit van agenten per direct stoppen, zeker gezien het feit dat de Algemene Nederlandse Politie Vereniging (ANPV) wederom aangeeft dat allochtone agenten hier juist last van hebben en het dus averechts kan werken?
Voor de politie geldt dat zij zich houdt aan de Gedragscode lifestyle-neutraliteit die in 2011 door de Minister, de vakbonden en de politie is vastgesteld. Ik zie geen reden om hiervan af te wijken.
De uitspraak van de Hoge Raad dat vergaand onderzoek in smartphones privacy-rechten schendt |
|
Kees Verhoeven (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 over onderzoek aan een smartphone (ECLI:NL:HR:2017:584) waarin de Hoge Raad oordeelt dat onderzoek aan een smartphone mogelijk is op grond van de artikelen 94, 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering, maar dat dat onderzoek onrechtmatig kan zijn indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat er een min of meer compleet beeld wordt verkregen van het persoonlijk leven van de gebruiker van die smartphone?
Ja.
Wat betekent naar uw opvatting het oordeel van de Hoge Raad voor strafrechtelijk onderzoek aan in beslag genomen smartphones?
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad geldt in strafrechtelijke onderzoeken vanaf 4 april 2017 als hoofdregel dat, indien sprake is van zelfstandig beslag door de opsporingsambtenaar, er voor het doen van onderzoek aan een inbeslaggenomen smartphone of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk, de toestemming van de officier van justitie voor dat onderzoek vereist is. Slechts indien een niet meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt zal na zelfstandige inbeslagname het onderzoek door de opsporingsambtenaar zonder toestemming van de officier van justitie mogen plaatsvinden. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal sprake zijn van betrokkenheid van de rechter-commissaris bij een zelfstandige inbeslagname door de opsporingsambtenaar, te weten uitsluitend in die gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.
In gevallen waarin de officier van justitie en/of de rechter-commissaris reeds zijn bevoegdheden uitoefent voor de inbeslagname van de elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk, behelst de uitvoering van die bevoegdheden tevens de bevoegdheid voor het doen verrichten van onderzoek.
In hoeverre voorziet de wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit (Wet computercriminaliteit III, Kamerstukken 34 372) waarin het heimelijk toegang verschaffen tot gegevensdragers wordt geregeld, ook in de bevoegdheid waarover de Hoge Raad in voornoemde zaak heeft geoordeeld?
In voornoemde zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de inbeslagneming van en het onderzoek aan een zogenaamde smartphone, op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel computercriminaliteit III voorziet juist in de mogelijkheid om op afstand binnen te dringen in een smartphone en bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten, zonder dat er sprake is van inbeslagneming van dat voorwerp. Het doel van deze bevoegdheid is om toegang te verkrijgen tot de gegevens die in een geautomatiseerd werk zijn of worden verwerkt ten behoeve van de opsporing van ernstige vormen van computercriminaliteit of andere ernstige misdrijven. Via een verbinding, zoals een intern netwerk, het internet of een Wi-Fi-verbinding, kan op afstand toegang worden verkregen tot het geautomatiseerde werk. Het wetsvoorstel voorziet dus niet in de bevoegdheid waarover de Hoge Raad in voornoemde zaak heeft geoordeeld.
In voornoemde zaak overweegt de Hoge Raad overigens in r.o. 2.8 dat – in het licht van artikel 8 EVRM – aan [het] onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder valt te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn. In het wetsvoorstel computercriminaliteit III is een machtiging van de rechter-commissaris voorgeschreven voor het op afstand heimelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk.
Deelt u de mening dat een spoedige wettelijke regeling voor onderzoek aan smartphones wenselijk is, zowel voor de bescherming van de belangen van opsporing als voor die van de gebruiker van een smartphone? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer een voorstel tegemoet zien?
De Hoge Raad overweegt in r.o. 2.8 van het eerder aangehaalde arrest ten overvloede, gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling, het volgende: de bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen, kunnen op grond van de artikelen 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van artikel 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens artikel 141a Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van artikel 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. Deze bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo’n geval vormen genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt.
In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering heb ik in februari van dit jaar het nieuwe Boek 2 «Het opsporingsonderzoek» in consultatie gegeven. In titel 7.4 van dit Boek zijn enkele bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.
Treinvertragingen door wangedrag |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht gelezen dat het merendeel van de treinvertragingen veroorzaakt wordt door wangedrag?1
Ja.
Wat is uw visie op het feit dat het merendeel van de vertragingen op het spoor niet te wijten is aan storingen, aangezien 53 procent van alle treinvertragingen wordt veroorzaakt door roekeloos gedrag, vandalisme en bommeldingen?
ProRail berekent het aantal verstoringen van de treindienst op basis van zogenaamde treindienst aantastende onregelmatigheden (TAO’s). Dit is een verstoring die tot een vertraging van meer dan drie minuten van minimaal één trein leidt. Daarbij worden vier hoofdcategorieën onderscheiden: techniek, processen, derden en het weer. Enkele voorbeelden van derden storingen (53% van het totaal) zijn inderdaad roekeloos gedrag, vandalisme en bommeldingen. Maar er zijn er meer. In de bijlage is een overzicht van alle oorzaken binnen deze categorie weergegeven, waarbij opvalt dat meer dan helft van de 53% is toe te schrijven aan spoorlopers (3105 meldingen).
Voor mij staat voorop dat het levensgevaarlijk is om het spoor te betreden als men daar niets te zoeken heeft. ProRail en de vervoerders nemen gerichte maatregelen om incidenten en vertragingen te voorkomen. Het spoor is echter geen gesloten systeem (denk bijvoorbeeld aan overwegen) dus de invloed van derden op de dienstregeling is niet geheel te voorkomen. Het sluitstuk wordt gevormd door artikel 3 van de Spoorwegwet, op grond waarvan het een ieder is verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd.
Zoals aangegeven in mijn brief van 5 juli 20162 heb ik NS en ProRail gevraagd om te komen tot een jaarlijkse brede rapportage over verstoringen. Het doel is om alle verstoringen met een grote impact voor de treindienst te evalueren, daaruit trends te signaleren en bijpassende maatregelen te nemen. De eerste jaarrapportage verstoringen (over 2016) van NS en ProRail stuur ik voor de zomer naar uw Kamer.
Kunt u aangeven met welk percentage de vertragingen zouden afnemen indien een halt zou worden toegeroepen aan roekeloos gedrag, vandalisme en bommeldingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke trajecten of in welke gebieden dergelijke vertragingen meer dan gemiddeld voorkomen, ook in de tijd uitgezet?
Storingen die door derden worden veroorzaakt vinden relatief vaak plaats op locaties in de Randstad waar het spoor redelijk makkelijk toegankelijk is. Dit zijn zogenaamde risicolocaties. ProRail heeft deze locaties in het vizier. ProRail geeft er echter, gelet op de gevoeligheid van deze problematiek, de voorkeur aan deze locaties niet openbaar te maken.
Op welke wijze gaat u bewerkstelligen dat het aantal zogenoemde «spoorlopers en overwegpiraten» wordt verminderd? Wat zijn daar de kosten van en hoe verhouden die zich tot de kosten van de vertragingen?
ProRail voert in mijn opdracht, samen met vervoerders, programma’s uit om met gerichte maatregelen het aantal storingen door derden te verminderen. Voorbeelden hiervan zijn het hekwerkenprogramma (budget circa € 18 mln. tot 2020) en de programma’s ter bevordering van de veiligheid en doorstromingen op overwegen (budget circa € 235 mln. tot 2028). De aanpak van bijvoorbeeld spoorlopers vraagt niet alleen om fysieke maatregelen, maar ook om mogelijkheden om het gedrag van mensen te beïnvloeden. Binnen de hele keten worden ervaringen uitgewisseld en onderzoek gedaan naar mogelijkheden om dergelijk gedrag te ontmoedigen. ProRail voert landelijke campagnes om roekeloos gedrag op overwegen tegen te gaan. Bij incidenten met roekeloos gedrag op overwegen wordt inmiddels standaard aangifte gedaan. Daarnaast heb ik uw Kamer 11 mei 20173 geïnformeerd over het nieuwe programma suïcidepreventie (budget circa € 14 mln. tot 2021). Binnen dit programma worden diverse maatregelen genomen om de toegang tot het spoor te beperken/ontmoedigen, bijvoorbeeld door op risicolocaties hekken,
anti-suïcideverlichting, camera’s en anti-loopmatten te plaatsen. Ook worden maatregelen genomen om de afhandeltijd na een incident te verkorten, zodat de impact op de dienstregeling zo beperkt mogelijk blijft.
Een deel van de maatschappelijke kosten van verstoringen zijn afgelopen jaar door het Kennisinstituut voor Mobiliteit (KiM) voor het eerst in beeld gebracht4. In het Mobiliteitsbeeld 2016 zijn de resultaten opgenomen. De maatschappelijke kosten van verstoringen op het spoor bedroegen in 2015 minimaal € 145 mln. (prijspeil 2015). Dit bedrag vormt een ondergrens omdat nog niet alle aspecten (bijvoorbeeld andere vervoerders dan NS, extra exploitatiekosten personen- en goederenvervoer) zijn meegenomen. Vervolgonderzoek is gestart om meer aspecten mee te nemen, hierover zal in het Mobiliteitsbeeld 2017 worden gerapporteerd.
Kunt u aangeven welke prioriteit de handhaving en vervolging van het hier bedoelde wangedrag krijgt? Bent u van mening dat er een hogere prioriteit aan gegeven zou moeten worden, zo nee, waarom niet?
ProRail heeft circa 50 buitengewone opsporingsambtenaren in dienst die regelmatig handhavingsacties op overwegen en surveillances langs het spoor uitvoeren. Het verbaliseren van personen die risicovol gedrag vertonen heeft tot doel dat men zich bewust wordt van de gevaren van het spoor. Meldingen van machinisten en analyses naar ontwikkelingen op risicolocaties zijn een belangrijke bron voor het bepalen van de inzet van de BOA’s en voor de politie bij het opsporen van spoorlopers. Ik vind dit een verstandige aanpak. In totaal zijn in 2017 door deze BOA’s reeds 317 processen-verbaal opgemaakt, waarvan 299 op overwegen. In ongeveer 25 gevallen is, in het kader van gevaarzetting op overwegen, aangifte gedaan bij de politie. De prioriteitstelling in de afhandeling van aangiftes bij de politie en vervolging, is een aangelegenheid van het Openbaar Ministerie.
Het bericht dat de basisteams van de politie ernstig tekortschieten |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kleine criminaliteit vaak niet opgepakt»?1
Ja.
Is het waar dat er door een schreeuwend tekort aan rechercheurs een enorm capaciteitsprobleem is waardoor talloze zaken veelvoorkomende criminaliteit niet worden opgepikt?
In het door u aangehaalde krantenbericht wordt verwezen naar het rapport «De lokale betekenis van de basisteams» van de Politieacademie. Ik stuurde u dit rapport toe op 18 mei jl. (Kamerstuk 29 628, nr. 703)
De onderzoekers concluderen niet dat er een «schreeuwend tekort aan rechercheurs» is, evenmin dat daardoor de veelvoorkomende criminaliteit niet goed zou worden aangepakt of dat dit gevolgen heeft voor de aanpak van zware en georganiseerde misdaad. Wel komt in het rapport naar voren dat burgers de politie gemiddeld met een 6,9 waarderen. In de conclusies van het rapport zie ik dan ook geen grondslag voor bovenstaande stellingname.
Verder verwijs ik u naar mijn uitgebreide reactie op het onderzoek, dat de Kamer parallel met de beantwoording van deze vragen is toegezonden.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en het vertrouwen van burgers in de politie hiermee wordt geschaad, omdat het een vorm van criminaliteit betreft die de burger rechtstreeks raakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u ook het gevaar van demotivering bij wijkagenten als er te weinig rechercheurs zijn die met hun signalen aan de slag kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Voor mijn antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn uitgebreide reactie op het rapport De lokale betekenis van de politie, dat de Kamer parallel met de beantwoording van deze vragen is toegezonden.
Waarom is er een schreeuwend tekort aan rechercheurs? Hoe gaat u dit probleem zo spoedig mogelijk oplossen nu dit, naast overlast voor burgers, ook directe gevolgen heeft voor de aanpak van zware georganiseerde misdaad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de robuuste basisteams te groot en onsamenhangend zijn, waardoor politiemensen elkaar vaak nauwelijks kennen en er veelal een grote kloof tussen de werkvloer en de chefs is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit verbeteren zodat de teams daadwerkelijk robuust zijn en functioneren zoals bedoeld?
Zie antwoord vraag 4.
Het aanhouden van een veroordeelde terrorist op de vliegbasis Volkel |
|
Ockje Tellegen (VVD), Albert van den Bosch (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veroordeelde terrorist aangehouden op vliegbasis Volkel»?1
De schriftelijke vragen van leden Van den Bosch en Tellegen (beiden VVD), vraagnummer 2017Z06621, zijn beantwoord middels brief «Reactie op verzoek van het lid De Graaf, gedaan tijdens de Regeling van werkzaamheden van 18 mei 2017, over het bericht «Veroordeelde jihadist aangehouden op vliegbasis Volkel»» (Kamerstuk 34 550-X, nr. 91).
Kunt u bevestigen dat de aangehouden persoon in september 2015 is aangehouden bij de Turks-Syrische grens en zich in het strijdgebied in Syrië wilde aansluiten bij een terroristische organisatie?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u eveneens bevestigen dat deze persoon voor een bouwbedrijf graafwerk verrichte op de vliegbasis Volkel en inviel voor iemand die ziek was?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten hoe het mogelijk is dat iemand die veroordeeld is voor terrorisme toegang heeft gekregen tot deze militaire vliegbasis? Deelt u de mening dat dit ontoelaatbaar is en een groot gevaar voor de nationale veiligheid oplevert?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzichtelijk maken welke toegangseisen zijn gesteld om op de vliegbasis te kunnen komen? Hoe kan het dat deze toegangseisen niet toereikend zijn geweest om deze veroordeelde terrorist toegang tot de basis te ontzeggen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat naar personen die werkzaamheden verrichten op militaire terreinen zoals de vliegbasis Volkel altijd een achtergrondcheck (screening) gedaan moet worden? Is dat gedaan bij deze persoon? Zo ja, hoe kan het dat hij daarna toch toegang heeft gekregen tot de basis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe zal in de toekomst worden voorkomen dat mensen te werk worden gesteld op een plaats die van groot belang kan zijn voor de nationale veiligheid, zonder dat eerst een achtergrondcheck wordt uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de toegangseisen/procedures voor militaire bases naar aanleiding van deze gebeurtenis aangescherpt moeten worden om herhaling in de toekomst te voorkomen? Is dat reeds gebeurd of gaat het nog gebeuren? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten hoe het kan dat iemand foto’s maakt op militair terrein – hetgeen verboden is – maar het OM hem toch na twee dagen vrij laat omdat «uit het onderzoek van de marechaussee geen aanwijzingen zijn gekomen dat hij geen strafbare feiten heeft gepleegd of wilde plegen»? Het maken van dergelijke foto’s en opnamen is toch per definitie verboden? Waarom is deze persoon niet langer vastgehouden, helemaal gezien zijn antecedenten?
Zie antwoord vraag 1.
Is deze persoon tijdens detentie en voor zijn vrijlating onderzocht op welke ontwikkeling zijn terroristische gedachtegoed heeft doorgemaakt? Zo ja, wat kwam daaruit? Zo nee, waarom niet? Zou dat niet een standaardprocedure moeten zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat deze persoon vervroegd in vrijheid is gesteld? Zo ja, welke voorwaarden waren hieraan verbonden? Was het niet betreden van plekken die van groot belang (kunnen) zijn voor onze nationale veiligheid een van deze voorwaarden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ´Stampvolle stad feest uitbundig’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stampvolle stad feest uitbundig»?1
Ja.
Is het waar dat in Zuidland een fan van Feyenoord na een explosie van een stuk vuurwerk zijn hand is kwijtgeraakt?
Ja.
Deelt u de waarneming dat op de dag van de huldiging in Rotterdam geregeld te midden van groepen mensen zware vuurwerkbommen tot ontploffing werden gebracht? Deelt u de mening dat dit tot (potentieel) gevaarlijke situaties heeft geleid?
Ja, deze waarneming deel ik. Het afsteken van zware vuurwerkbommen leidt tot zeer gevaarlijke situaties.
Deelt u de mening dat – evenals bij de laatste oud en nieuw viering(en) – het afsteken van zwaar vuurwerk in toenemende mate risico’s vormt bij openbare festiviteiten? Deelt u de mening dat door het afsteken van (zwaar) vuurwerk in groepen dan wel door het gooien van (zwaar) vuurwerk in de richting van hulpverleners (met name politie, boa’s, toezichthouders) de veiligheid van deze mensen ernstig in het gedrang komt?
Het is juist dat het afsteken van zwaar vuurwerk risico’s vormt voor de veiligheid van mensen en voor de openbare orde. Uit de brief over de jaarwisseling2 die onlangs aan uw Kamer is verstuurd, blijkt dat het aantal incidenten als gevolg van het afsteken van vuurwerk echter niet is toegenomen ten opzichte van andere jaren. Wanneer sprake is van het gooien van (zwaar) vuurwerk in de richting van hulpverleners, komt hiermee de veiligheid van deze mensen ernstig in het gedrang.
Kunt u aangeven in welke categorieën illegaal vuurwerk is in te delen, bijvoorbeeld op criteria als zwaarte en schadelijkheid? Kunt u per categorie aangeven wat de geldende strafbaarstelling is, inclusief een inzicht of er een mogelijkheid bestaat voor het opleggen van voorlopige hechtenis? Kunt u per categorie aangeven wat het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid is? Kunt u aangeven of daders die (zwaar) vuurwerk gebruiken ten opzichte van hulpverleners strenger bestraft worden?
Voor een gedetailleerd overzicht verwijs ik naar de Richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten van het College van procureurs-generaal,3 waarin vuurwerk wordt ingedeeld in verschillende categorieën. Naast een categorie voor verboden handelingen met consumentenvuurwerk zijn er categorieën voor lichter professioneel vuurwerk, specifieke soorten professioneel vuurwerk en niet-gedefinieerd vuurwerk dat zodanig zwaar is dat het in handen van particulieren (levens) gevaarlijk is en geïmproviseerd vuurwerk. De strafbaarstelling is per categorie aangegeven en is afhankelijk van verschillende criteria zoals de hoeveelheid vuurwerk, het voorhanden hebben of ter beschikkingstellen/afleveren.
Voor het voorhanden hebben of aan een ander ter beschikking stellen van zwaar vuurwerk ter vermaak staat gevangenisstraf van maximaal zes jaar. Bij deze delicten is voorlopige hechtenis mogelijk. Bij het gooien van zwaar vuurwerk naar hulpverleners kan naast de vuurwerkovertreding – afhankelijk van de concrete omstandigheden – sprake zijn van poging tot zware mishandeling, poging tot doodslag of erger, wat in voorkomende gevallen zwaardere straffen oplevert. Daarnaast wordt in deze gevallen zwaarder gestraft omdat het gaat om medewerkers met een publieke taak, waarover ik uw Kamer naar aanleiding van de motie van de leden Van Toorenburg en Tellegen onlangs heb geïnformeerd.4
Kunt u inzichtelijk maken welke opsporingscapaciteit binnen de Nationale Politie, de Koninklijke Marechaussee en een instantie als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) incidenteel en structureel beschikbaar is om illegaal vuurwerk op te sporen?
Het bevoegde gezag heeft mij laten weten dat ten behoeve van de opsporing van illegaal vuurwerk opsporingscapaciteit wordt geleverd door de politie en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Ook de Koninklijke Marechaussee kan vanuit de algehele opsporingstaak op luchthavens illegaal vuurwerk onderscheppen, waarna een opsporingsonderzoek wordt gestart. Het gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de aard en omvang van het opsporingsonderzoek.
Hoeveel illegaal vuurwerk is afkomstig uit landen als België en Duitsland, alsmede – al dan niet per postzending – uit Oost-Europese landen? Welke maatregelen worden genomen en kunnen worden genomen om in samenwerking met die landen de export van (zwaar) illegaal vuurwerk te voorkomen? Is de bestaande regelgeving, ook qua verdragen, toereikend om politie en justitie adequaat op te laten treden? Bent u bereid om zeker in de periode voor oud en nieuw zowel qua (grens)toezicht als qua opsporing een uiterste inspanning te leveren om illegaal vuurwerk te bestrijden?
Het Openbaar Ministerie publiceert jaarlijks het aantal kilo’s inbeslaggenomen vuurwerk op zijn website (de vuurwerkbarometer). Vanaf oktober 2016 tot en met week 7 in 2017 is bijna 40.000 kilo vuurwerk in beslag genomen. Daarbij is de hoeveelheid afgekeurd consumentenvuurwerk van de legale importeurs niet meegeteld, omdat de ILT dit bestuursrechtelijk aanpakt. Daarnaast is door onderzoek van het Functioneel Parket in Duitsland 45 ton professioneel vuurwerk onderschept dat was bestemd voor de Nederlandse markt; voor respectievelijk België en Oost-Europese landen is dit niet bekend.
In beginsel is export van zgn. zwaar vuurwerk niet verboden indien de ontvangende partij een professional is. Wanneer uit een onderzoek blijkt dat grensoverschrijdende handel in professioneel vuurwerk bestemd is voor de particuliere markt, wordt deze informatie gedeeld met de betrokken landen. De Nederlandse regelgeving is gebaseerd op de Europese richtlijn voor pyrotechnische artikelen en wordt door het bevoegde gezag als adequaat ervaren. Echter, niet elke EU-lidstaat heeft deze regelgeving in strafrechtelijke zin geïmplementeerd.5 Bijgevolg kan het voorkomen dat in geval van grensoverschrijdende opsporingsonderzoeken rechtshulpverzoeken niet uitgevoerd kunnen worden. Om die reden neemt Nederland op internationaal niveau op verschillende manieren het initiatief om maatregelen te nemen om de export van illegaal vuurwerk te voorkomen. Door gesprekken te voeren op Europees niveau met de Europese Commissie en bilateraal met onder andere Italië, Tsjechië en Duitsland zet Nederland in op verbeterde toezicht en handhaving in de lidstaten zelf en een verscherping van de richtlijn.
Het gehele jaar door zijn opsporingsinstanties actief, waarvoor voldoende capaciteit ter beschikking staat.
Bent u bereid de beantwoording van deze vragen te combineren met de door u op 31 maart 2017 beloofde brief met aanvullende maatregelen en oplossingen voor een veilig verloop van de jaarwisseling en andere evenementen (Kamerstuk 28 684, nr. 495)?
Dat is helaas niet gelukt.
De onveiligheid van conducteurs van NS |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht gelezen dat conducteurs van NS zich ’s avonds niet veilig voelen?1
Ja.
Wat is uw mening over de uitkomst van het NS-onderzoek dat minstens 30 procent van de conducteurs zich in de late avond niet veilig in de trein en op stations voelt?
Veiligheid van personeel en reiziger is een belangrijk thema in het openbaar vervoer. Samen met alle partijen OV-sector werk ik aan het vergroten van die veiligheid (zie ook het antwoord op vraag 5). Daarbij is de veiligheidsbeleving na 22.00 uur al langere tijd een punt van aandacht. NS heeft daarom besloten tot de maatregel dubbele bemensing (als onderdeel van het maatregelenpakket uit 2015). Deze maatregel zal vanaf 12 juni 2017 geheel geëffectueerd zijn.2 Om te meten of deze maatregel effect heeft, heeft NS een onderzoek gedaan naar de veiligheidsbeleving van het personeel en reizigers (nulmeting). De resultaten van de nulmeting zijn al eerder door NS openbaar gemaakt.3 In het najaar zal NS een één-meting uitvoeren.
Kunt u verklaren waarom er vorig jaar meer meldingen van agressie tegen NS-medewerkers waren ten opzichte van 2015?
Er is niet één duidelijke oorzaak aan te wijzen waarom er meer meldingen zijn in 2016 ten opzichte van 2015. In 2016 is op een aantal grote stations de poortjes gesloten (o.a. Zwolle, Arnhem en Amsterdam Zuid). Na het sluiten van de poortjes is vaak een tijdelijke piek van incidenten waar te nemen. In de eerste weken na de sluiting ontstaat er een gedwongen situatie dat men in het bezit moet zijn van een geldig vervoersbewijs om toegang tot het station en trein te krijgen. Sommige reizigers zoeken in die «nieuwe» periode de confrontatie op. Een andere oorzaak is de toenemende groei van het aantal reizigers. Daarnaast blijft NS structureel aandacht vragen voor het melden van incidenten. Hierdoor kan het aantal meldingen ook zijn toegenomen.
Kunt u verklaren waarom het aantal incidenten waarbij een NS-medewerker letsel heeft opgelopen is gedaald?
In 2016 waren er 690 (642 in 2015) geweldsincidenten tegen NS-medewerkers. In 188 (189 in 2015) gevallen was er sprake van letsel. Dit letsel vond voornamelijk plaats onder medewerkers van Veiligheid & Service bij (verzet tegen) aanhoudingen. Deze medewerkers hebben naast de boa- ook de geweldsbevoegdheid en worden jaarlijks meerdere malen getraind op de-escalatie en toepassen van (proportioneel) geweld indien nodig. Helaas was er in 2016 in 115 gevallen (127 in 2015) toch sprake van letsel onder Veiligheid & Service medewerkers.
Het aantal geweldsincidenten in 2016 ligt hoger dan in 2015, het aantal letselgevallen is nagenoeg gelijk gebleven. Ondanks deze inzichten wil ik nog niet spreken van een daling van het aantal letselgevallen. Ik blijf dit samen met NS aandachtig volgen.
Kunt u aangeven welke maatregelen sinds maart 2015 (aankondiging extra maatregelen in verband met zware mishandeling in Hoofddorp) zijn genomen en wilt u daarbij aangeven wat de effecten daarvan (in afname van incidenten) waren?
In maart 2015 hebben het Rijk, NS, ProRail, de vakbonden en het personeel samen afspraken gemaakt over het volgende pakket aan maatregelen:
Dit maatregelenpakket is vorig jaar door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) geëvalueerd.5 Het WODC geeft in het evaluatierapport aan dat het – gelet op de nog niet volledig voltooide implementatie van het pakket – te vroeg is om conclusies te trekken over effecten op de sociale veiligheid. Alleen bij de maatregel versneld in gebruik nemen van de OV-chipkaartpoortjes is een positief resultaat waargenomen. Momenteel wordt het pakket voor een tweede keer door het WODC geëvalueerd en daarna zal ik de evaluatie, samen met de Minister van Veiligheid en Justitie, aan uw Kamer verzenden.
Daarnaast heb ik in februari 2016 eenmalig € 10 miljoen beschikbaar gesteld voor extra maatregelen, onder meer voor de inzet van flexibele veiligheidsteams en innovatieve maatregelen.6 In oktober 2016 is met alle partijen uit de OV-sector een integraal actieprogramma sociale veiligheid, de zogeheten High Impact Crime (HIC)-aanpak OV, vastgesteld met 23 maatregelen en een duidelijke doelstelling om de sociale veiligheid te vergroten.7 In het najaar 2017, een jaar na de inwerkingtreding, zal uw Kamer worden geïnformeerd over de voortgang van de HIC-aanpak OV.
Kunt u verklaren waarom, ondanks de genomen maatregelen, het gevoel van veiligheid onder conducteurs hoog is gebleven?
NS heeft de afgelopen twee jaar de Universiteit van Utrecht een nul- en één-meting laten uitvoeren naar de algemene sociale veiligheidsbeleving van NS-medewerkers. De uitkomst van deze nul- en éénmeting is opgenomen in de bij antwoord 5 genoemde WODC evaluatie die vorig jaar aan uw Kamer is verzonden. Uit de meting blijkt dat NS-medewerkers zich redelijk veilig voelen. In 2015 was de gemiddelde waardering een 3,59 en in 2016 was dat een 3,58 (antwoordenschaal loopt van 1 (zeer onveilig) tot 5 (zeer veilig). Einde van het tweede kwartaal van 2017 zal een 2-meting plaatsvinden.
Het onlangs gehouden veiligheidsbelevingsonderzoek onder conducteurs van NS richtte zich specifiek op de beleving na 22.00 uur, in aanloop naar de maatregel dubbele bemensing. Uit de nulmeting komt naar voren dat het veiligheidsgevoel 's avonds minder hoog is dan overdag. Conducteurs die hierover rechtstreeks werden bevraagd geven in 70 procent van de gevallen aan dat ze zich tijdens de avonddienst veilig voelen. Als conducteurs via internet worden bevraagd geeft 45 procent dat aan. Voor het algemene veiligheidsgevoel tijdens het werk geven conducteurs het cijfer 7,1 (tegenover een 6,6 bij de online bevraagden). Vanaf 12 juni 2017 zal de maatregel dubbele bemensing geheel geëffectueerd zijn. Samen met NS wil ik de evaluatie van deze maatregel afwachten om te bezien of en welk effect deze heeft gehad.
Bent u bereid om in overleg met betrokkenen te bezien hoe het gevoel van veiligheid verder kan toenemen?
Het veiligheidsbelevingsonderzoek van NS betrof een nulmeting. Samen met NS wil ik de één-meting afwachten om te bezien of en welk effect de maatregel dubbele bemensing heeft gehad. Daarnaast ben ik samen met de OV-sector volop bezig met de implementatie van de maatregelen uit de HIC-aanpak. Ook deze maatregelen hebben tot doel om de veiligheidsbeleving van het OV-personeel te vergroten.
Oekraïne als drugsroute |
|
Renske Leijten (SP), Michiel van Nispen |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de BBC uitzending «Drugs vangen in Oekraïne met Stacey Doolen»?1
De documentaire is gemaakt ten tijde van het presidentschap van Janoekovitsj. Sinds de Euromaidan-revolutie en het aantreden van meer hervormingsgeoriënteerde regeringen, is de strijd tegen corruptie in den brede, en in het bijzonder ook binnen de grensbewaking, geïntensiveerd. Bij het bestrijden van drugssmokkel blijkt dit onder meer uit het feit dat de Oekraïense autoriteiten tegenwoordig ook handelen op basis van inlichtingen vergaard door de eigen diensten en regionale partners, en niet slechts op basis van informatie van de EU of de VS, zoals voorheen het geval was. Zo is in 2015 mede op basis van Oekraïense informatie een internationale drugsbende opgerold in het noorden van Spanje, waarbij 35 arrestaties zijn verricht en middelen ter waarde van ruim € 1 miljoen in beslag zijn genomen.
Hoe is de situatie sinds het maken van deze documentaire gewijzigd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel drugs wordt er naar schatting thans via Oekraïne de Europese Unie ingevoerd? Waar is dit op gebaseerd?
Dit is moeilijk in te schatten: Oekraïense data over onderschepte drugszendingen zien immers vooral op hoeveelheden drugs die Oekraïne binnenkomen. De eventuele eindbestemming is uit die data niet zonder meer af te leiden. Ook komt het voor dat drugs over de Oekraïense grens gaan en in een derde land pas worden onderschept. Dat staat dan niet in de Oekraïense statistieken.
Hoeveel Europees geld is er in Oekraïense grensbeveiliging gestopt met onder andere als doel de drugsvangst te vergroten?
Zie antwoord op vraag 9.
Zijn er sinds de geïntensiveerde bijdragen aan de grensbeveiliging ook daadwerkelijk meer drugsvangsten gedaan? Zo nee, hoe verklaart u dit?
De bedoelde buitengrenscontrole met Oekraïne vindt niet plaats in Nederland aangezien ons land onderdeel uitmaakt van het Schengenregime. Het aantal drugszendingen afkomstig uit Oekraïne dat in Nederland wordt onderschept is verwaarloosbaar. Hieruit kunnen echter niet zonder meer conclusies worden getrokken over de kwaliteit van de grensbeveiliging in Oekraïne. De Nederlandse Douane is niet bekend met een internationale norm van 5% controle op inkomende vracht.
Hoeveel procent van inkomende vracht zou er grondig gecontroleerd moeten worden? Klopt het dat de internationale norm hiervoor op slechts 5% is vastgesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de beschuldigingen van corruptie zoals door een douanier geuit in de uitzending? Deelt u de mening dat gezien de overige uitlatingen van ambtenaren («er komen geen drugs de Oekraïense grens over») het waarschijnlijk is dat corruptie inderdaad op grote schaal plaatsvindt?
Het is bekend dat corruptie in algemene zin een probleem is in Oekraïne. Dit was nog sterker het geval ten tijde van het bewind van voormalig president Janoekovitsj, toen de uitzending is opgenomen. Sindsdien werden in Oekraïne op grote schaal programma’s voor decentralisatie, de toepassing van de beginselen voor het openbare bestuur, corruptiebestrijding en de rechtsstaat ondernomen, met steun van de Europese Unie2. Uiteraard blijft de regering in haar contacten met Oekraïne aandringen op adequate implementatie van de betreffende programma’s.
Volgens de Europese Commissie heeft Oekraïne ook ten aanzien van grensbewaking voortgang geboekt3. De verbeteringen die Oekraïne heeft weten door te voeren op dat gebied, zijn mede het resultaat van Europese ondersteuning en capaciteitsopbouw. De Oekraïense State Border Guard Serviceheeft als belangrijkste doelstelling om corruptie te bestrijden en veiligheid te garanderen aan de grens en implementeert de landelijke anti-corruptiemaatregelen actief. Op haar website vermeldt de State Border Guard Service dat sinds het begin van dit jaar 450 pogingen om grenswachten om te kopen hebben plaats gevonden. Dit heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging van 23 personen en administratieve boetes voor bijna 400 personen. De State Border Guard Service vermeldt niet hoeveel van deze gevallen specifiek zijn gerelateerd aan drugssmokkel.
Zijn er gevallen van Oekraïense corruptie bij de grens rondom invoer van drugs onderzocht? Zo ja, zijn hieruit vervolgingen en veroordelingen gekomen?
Zie antwoord vraag 7.
Wat heeft de Europese Unie gedaan ten aanzien van corruptie bij de grensbewaking van Oekraïne?
De EU ondersteunt Oekraïne in de hervorming van zijn grensbewaking. Zo werd in de periode 2013–2015 € 45 miljoen geïnvesteerd in regionale projecten gericht op verbeterde samenwerking met buurlanden. Daarnaast ontving de State Border Guard Service bijvoorbeeld nieuw materiaal en voertuigen ter waarde van € 2 miljoen van de EU om de grens met Wit-Rusland te versterken. Ook werkt de Drugs taakgroep van de European Union Border Assistance Mission to Moldova and Ukraine (EUBAM) samen met de autoriteiten in de regio. De EUBAM-bijdrage aan grensmanagement in Oekraïne bedraagt gemiddeld € 8,5 miljoen per jaar, wat onder meer heeft geresulteerd in verbeteringen op het gebied van informatie-uitwisseling en onderzoek. Verbeterde samenwerking met buurlanden op het gebied van grensbewaking is tevens een van de doelstellingen van EU budgetsteun aan Oekraïne. Daarnaast geeft de EU Advisory Mission Ukraine (EUAM) advies over de bestrijding van corruptie in grensbeheer.
Hoewel de bestrijding van drugssmokkel zeker niet de enige doelstelling is van versterking van de Oekraïense buitengrenzen, vormt dit wel degelijk een belangrijk onderdeel. Zo heeft EUAM de Oekraïense State Fiscal Service vorig jaar ondersteund met een training om de capaciteit te vergroten om drugs en druggerelateerde substanties op te sporen. Ongeveer 50 douaneofficieren afkomstig uit verschillende gebieden in Oekraïne werden getraind.
Overigens wordt de versterking van de Oekraïense buitengrenzen aanzienlijk gecompliceerd door het feit dat de Oekraïense regering, als gevolg van de illegale annexatie van de Krim en destabilisatie van Donbas door Rusland, niet de volledige controle heeft over de eigen buitengrenzen.
De internationale cyberaanval en de ICT van de Overheid |
|
Jan Middendorp (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Waarschuwing voor grote internationale gijzelsoftware-campagne»?1
Ja
Wat wordt er op dit moment concreet gedaan om te zorgen dat ICT-systemen van de rijksoverheid zelf niet geïnfecteerd raken?
Mij zijn geen gevallen bekend van besmettingen bij de rijksoverheid. Ook bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) zijn geen besmettingen gemeld, zoals de Minister van Veiligheid en Justitie in zijn brief van 2 juni heeft aangegeven. Niettemin heeft de aanval van Wannacry malware en zijn impact ertoe geleid dat bij verschillende organisaties van de Rijksdienst is en wordt nagelopen of ook echt op alle relevante plekken de relevante patches zijn toegepast.
Meer in het algemeen is bij de Rijksdienst een stelsel van regelgeving voor informatiebeveiliging van toepassing. Maar daarmee zijn we er niet. In de strategische I-agenda Rijksdienst is daarom «Verstandige aandacht voor informatiebeveiliging en privacy» één van de vijf thema’s.
Verder informeert en waarschuwt het NCSC organisaties binnen de rijksoverheid zodat ook een dreiging van een passend antwoord kan worden voorzien.
Ten slotte wil ik opmerken dat beveiliging en beheer van ICT een cyclisch proces is. Dat betekent dat acties ten behoeve van beveiliging niet eenmalig zijn, maar voortdurend, en met regelmaat terugkeren.
Is alle software bij de rijksoverheid voldoende veilig en actueel? Zo nee, welke actie gaat u hiervoor ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Kan er een overzicht verstrekt worden van de ICT-systemen die draaien onder de verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een beeld van de laatste stand? Hoe wordt het delen van expertise over het voorkomen van dit soort cyberaanvallen met andere ministeries georganiseerd?
Ik beschik over een omvangrijk overzicht van alle ICT-systemen waarvoor ik opdrachtgever en verantwoordelijk ben. Dit overzicht is zeer divers van aard, en bevat naast de grote systemen zoals DigiD ook een veelheid aan componenten die ten dienste staan van de (interne) bedrijfsvoering of kleinere systemen; alles bij elkaar bestaat dit overzicht uit ongeveer 800 elementen. Wat betreft de stand van zaken: van alle elementen in dit overzicht is mijn beeld dat zij niet getroffen zijn door het Wannacryvirus.
De rijksoverheid maakt gebruik van de expertise van het NCSC. Hierbij verwijs ik nogmaals naar de hiervoor genoemde brief van mijn collega van Veiligheid en Justitie.
Welke lessen trekt u uit deze cyberaanval? Wat gaat de rijksoverheid anders doen inzake de eigen ICT-systemen ten opzichte van de huidige aanpak, om ervoor te zorgen dat de Rijks- en mede-overheden in de toekomst niet geraakt worden door cyberaanvallen?
Zoals ik hierboven opmerkte, zijn mij geen gevallen bekend van Wannacry besmettingen bij de rijksoverheid. Niettemin constateert de Algemene Rekenkamer helaas ook tekortkomingen in de informatiebeveiliging. De CIO-Rijk is hierover in gesprek met de CIO’s, waarbij specifieke aandachtspunten per departement worden besproken. In het tweede halfjaarlijkse gesprek zal de CIO Rijk de voortgang bespreken op deze aandachtspunten. De Kamer zal eveneens over de voortgang worden geïnformeerd.
Ten aanzien van medeoverheden geldt dat informatiebeveiliging een verantwoordelijkheid is het betreffende bestuursorgaan, dat dus ook zelf verantwoordelijk voor het nemen van eventuele extra maatregelen.
Het bericht dat het aantal gevallen van ladingdiefstal explosief stijgt |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vrachtwagens doelwit buitenlandse bendes»?1
Ja.
Klopt het dat het aantal gevallen van ladingdiefstal explosief stijgt? Zo nee, waarom niet?
Uit een analyse van de Landelijke Eenheid van de politie blijkt dat het aantal gevallen van ladingdiefstal en pogingen daartoe in het eerste kwartaal van 2017 is gestegen met 46 procent ten opzichte van het eerste kwartaal van 2016. Ten opzichte van het laatste kwartaal van 2016 is het percentage ladingdiefstallen en pogingen daartoe echter met 15 procent gedaald.
De stijging van het aantal gevallen van ladingdiefstal speelt niet alleen in Nederland. Ook in de rest van Europa is deze tendens zichtbaar. De oorzaken hiervan in Nederland zijn niet bekend.
De stelling dat buitenlandse bendes Nederland ineens veel vaker weten te vinden kan niet worden bevestigd. De politie ziet wel indicaties dat een deel van de daders afkomstig is uit het buitenland, maar het merendeel is afkomstig uit Nederland.
Zo ja, wat is de oorzaak van deze stijging en waarom weten buitenlandse bendes Nederland ineens veel vaker te vinden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er gevallen zijn geweest waarbij de lading vermoedelijk al rijdend is gestolen? Zo nee, waarom niet?
Er is bij de politie een aantal gevallen bekend waarbij op basis van de aangiften het vermoeden bestaat dat de lading al rijdend is gestolen. Deze gevallen worden nog onderzocht. Ik deel uw mening dat de werkwijze waarbij de lading al rijdend wordt gestolen tot gevaarlijke situaties kan leiden. In het tweede kwartaal 2017 zijn geen aangiften meer binnengekomen waarbij het vermoeden bestaat dat de lading al rijdend is gestolen.
De aanpak van ladingdiefstal is een onderdeel van het veiligheidsthema Transportcriminaliteit dat prominent de aandacht heeft van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid. Acties door medewerkers van die dienst zijn erop gericht om de heterdaadkracht te vergroten. De politie werkt informatie gestuurd en bepaalt op basis van die informatie waar de risico’s van dien aard zijn dat gerichte inzet nodig is.
Deelt u de mening dat dit levensgevaarlijk is voor andere weggebruikers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, bent u bereid op de betreffende wegen regelmatig politie te laten rijden wegens de preventieve werking en zodat de heterdaadkracht wordt vergroot? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe komt het dat er nog steeds politiemedewerkers zijn die niet weten hoe ze een aangifte van ladingdiefstal moeten afhandelen, terwijl het geen nieuwe vorm van criminaliteit betreft?
De politie streeft ernaar alle aangiften uniform te behandelen. Om de afhandeling van de aangiftes transportcriminaliteit goed te laten verlopen en de transportbedrijven goed van dienst te kunnen zijn, heeft de politie recent het aangifteloket geopend. Hier wordt iedere beller 24 uur per dag, 7 dagen per week, persoonlijk te woord gestaan.
Zodra een aangifte voldoende aanknopingspunten biedt om een opsporingsonderzoek te starten, zal deze door de recherche van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid worden opgepakt. Hiermee wordt de aangifte met de juiste kennis en ervaring behandeld. De politie stelt het slachtoffer op de hoogte van wat er met zijn aangifte is gebeurd. Ook al biedt de aangifte geen aanknopingspunten voor verder opsporingsonderzoek, de informatie hieruit is waardevol voor analyse, bijvoorbeeld om een beeld te krijgen waar de meeste delicten worden gepleegd. Op basis van deze analyse en inschatting van de risico’s, zal capaciteit worden ingezet om het fenomeen te bestrijden.
Wat gaat u, naast het openen van het speciale aangifteloket, doen om transportbedrijven ook het gevoel te geven dat er iets met een aangifte gebeurt?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de ouderwetse grenscontrole een goed middel is het voor buitenlandse bendes en andere criminelen moeilijk te maken? Zo nee, hoe gaat u dan de buitenlandse bendes aanpakken die zich, met dank aan de open grenzen, voortdurend van het ene naar het andere land verplaatsen waardoor het lastig is ze te pakken?
Juist omdat het in voorkomend geval gaat om internationaal opererende bendes is een grensoverschrijdende aanpak van ladingdiefstal efficiënter en effectiever is. De politieorganisaties zijn in Europees verband goed met elkaar in verbinding en er vindt veelvuldig samenwerking plaats, bijvoorbeeld in de vorm van gemeenschappelijke surveillance.
In beantwoording van eerdere Kamervragen2 heb ik aangegeven dat de aanpak van mobiele dadergroepen die zich richten op het plegen van vermogensdelicten verankerd ligt in het gezamenlijk Actieprogramma van België, Frankrijk, Luxemburg en Nederland tegen transnationale drugssmokkel en grensoverschrijdende criminaliteit. Daarnaast is op 31 oktober 2016 door Nederland, België en de deelstaten Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Rijnland-Palts de Verklaring van Aken ondertekend. De kern van de afspraak is dat er vaker gezamenlijke politieacties worden gehouden, meer internationale onderzoeken worden verricht en dat informatie sneller wordt uitgewisseld. Structureel informatie uitwisselen helpt het bij het terugvinden van buitgemaakte goederen en het verkrijgen van inzicht in werkwijze van criminelen. Door grensoverschrijdende, gecoördineerde acties van de politie wordt de kennis verbeterd over criminele bendes en de door hen gebruikte voertuigen. Ook wordt het moeilijker voor criminelen om zich schuil te houden aan de andere kant van de grens. Goed werkende preventiemethoden worden gedeeld.
De arrestatie van klimaatactivisten |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de arrestatie van de leden van Fossil Free Culture?1
Ja
Op welke gronden zijn deze activisten gearresteerd?
Op 12 mei 2017 zijn 8 personen aangehouden in het Van Gogh Museum. Op het bureau aangekomen hebben 4 van hen zich niet geïdentificeerd. Deze vier zijn na afloop van het strafrechtelijke traject op 13 mei 2017 aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) overgedragen. Zij zijn niet in vreemdelingenbewaring gesteld, maar na afloop van een verlengde ophoudingsperiode, op 15 mei 2017 heengezonden. Er is geen maatregel van Vreemdelingenbewaring opgelegd.
Klopt het dat één of meer leden van Fossil Free Culture in vreemdelingendetentie zijn genomen omdat ze weigerden zich bekend te maken? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de bestendige gedragslijn van de Afdelings bestuursrechtspraak van de Raad van State dat vreemdelingendetentie niet mag worden gebruikt als drukmiddel om de identiteit van mensen te achterhalen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat onder deze omstandigheden toepassing van vreemdelingendetentie achterwege had moeten blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de stand van zaken van de totstandkoming van de bij de evaluatie van de Wet Openbare Manifestaties toegezegde praktijkhandleiding voor burgemeesters? Bent u bereid in afwachting van deze praktijkhandleiding ervoor te zorgen dat in dit soort gevallen geen vreemdelingendetentie zal worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Aan de toegezegde praktijkhandreiking wordt momenteel door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en veiligheid en justitie, gewerkt. De afronding is gepland voor het eind van dit jaar.
Voor de toepassing van de bepalingen van de Vreemdelingenwet geldt dat – tegen de achtergrond van de verplichting om medewerking te verlenen aan de identificatie, waartoe eenieder krachtens de wet verplicht is – het achterhouden van de identiteit mag worden gezien als een frustratie van de bepalingen van de Vreemdelingenwet. Bij demonstranten moet er rekening mee gehouden worden dat om een andere reden geen medewerking verleend wordt. Er zijn dan aanvullende indicaties nodig om verdere maatregelen op basis van de Vreemdelingenwet te rechtvaardigen.
Het berichtgeving ten aanzien van een Politieacademie op Curaçao |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel d.d. 2 mei 2017 over de Politieacademie op Curaçao1
Ja
Kunt u aangeven of de berichtgeving klopt dat eenzelfde persoon zowel het onderzoek naar de politieacademie heeft uitgevoerd, als de opdracht heeft gekregen om vervolgens een nieuwe bachelor voor de politie op te zetten? Hoe is de besluitvorming hierover tot stand gekomen?
Het bericht richt zich op de (financiële) op- en inrichting van een politieacademie van Curaçao hetgeen een locale aangelegenheid betreft onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie van het land Curaçao. De Rijkswet Politie stelt ex artikel 40, dat de landen gezamenlijk voorzien in politieonderwijs. Hier is door de landen invulling aan gegeven door het vastleggen van gemeenschappelijke eindtermen voor politieonderwijs in de Onderlinge Regeling Kwaliteitseisen politie. Iedere politieopleiding moet daarmee voldoen aan de gestelde eindtermen. De Minister van Justitie van het land wijst vervolgens de geschikte opleiding aan. In het JVO, medio 2016, heeft voornoemde Minister van Curaçao een voorstel voor een bachelor gepresenteerd en de landen hebben op dit initiatief positief gereageerd. Formele afspraken zijn niet gemaakt.
Op welke manier is de ontwikkeling van de politieacademie gerelateerd aan de versterking van de justitieketen die in «10-10-10» was afgesproken en via de voortgangscommissies wordt gevolgd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de politieacademie zodanig wordt opgezet dat die aan alle eisen omtrent kwaliteit, training en integriteit voldoet, die nodig zijn voor het versterken van de justitieketen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is de besteding van 5,6 miljoen Antilliaanse gulden voor alleen een bachelor voor de politie een doelmatige besteding van de financiën, wanneer volgens de rapportages van de voortgangscommissie Curaçao de financiën voor de justitieketen steeds een heikel punt zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Voortgangscommissie Curaçao ook de mogelijkheid gehad om naar de voorstellen voor de politieacademie te kijken? Zo ja, hoe oordeelde de commissie over de rol van deze politieacademie voor de versterking van de Curaçaose politie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om te verzoeken dat dit alsnog gebeurt?
De Voortgangscommissie Curaçao (hierna VC) rapporteerde periodiek over de uitvoering van het plan van aanpak van het Korps Politie Curaçao (KPC) zoals dat in 2010 is bekrachtigd tijdens de Ronde Tafel Conferentie. Het plan van aanpak voorzag in een groot aantal activiteiten om het politiekorps op te bouwen. Eén van de activiteiten was opleiding, maar (de keuze voor) het instituut waar de opleidingen worden gegeven viel niet onder het plan van aanpak voor het KPC. De VC heeft haar werkzaamheden op Curaçao inmiddels afgerond. Er kan ook om die reden geen sprake meer zijn van een rol voor de VC inzake.
Het bericht “Oplichtersnetwerk roofde ongestoord tientallen miljoenen” |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving rondom het netwerk dat grote aantallen mensen dupeerde door middel van frauduleuze beleggingsfondsen?1 2
Ja
Kunt u de berichtgeving bevestigen dat een groep mensen jarenlang door middel van beleggingsfondsen particulieren heeft opgelicht? Kunt u een overzicht geven van wat er tot nu toe bekend is over de zaak?
Ik heb kennisgenomen van de publicaties over oplichting door beleggingsfondsen.
Beleggingsfraude is een vorm van fraude waarbij criminelen particulieren ertoe weten te bewegen om grote bedragen geld te beleggen in door hen aangeboden producten. Deze criminelen investeren de ontvangen bedragen vervolgens doorgaans niet of nauwelijks in de beloofde beleggingsproducten, maar wenden de gelden vooral aan voor persoonlijk gewin.
De AFM heeft ten aanzien van een aantal ondernemingen stappen ondernomen. De AFM heeft onderzoek gedaan naar Centurion Vastgoed B.V. (Centurion). Dit heeft ertoe geleid dat de AFM in juli 2014 op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) een last onder dwangsom heeft opgelegd aan Centurion.3 De last onder dwangsom is opgelegd omdat Centurion onjuiste en te weinig informatie heeft verstrekt aan consumenten die obligaties of certificaten (of beide) van Centurion hebben gekocht of mogelijk zouden kopen. De last onder dwangsom hield in dat Centurion de betrokken consument schriftelijk moest informeren over de eventuele zekerheden, over de totaal opgehaalde gelden door Centurion, over de besteding van de inleg van houders van obligaties en certificaten en over de inkomsten van de bedrijfsactiviteiten van Centurion. Deze informatie moest Centurion ook publiceren op haar website. In deze zaak had de AFM een vermoeden van fraude en heeft zij aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie.
Indien het Openbaar Ministerie signalen ontvangt – die kunnen duiden op een dergelijke fraude – van bijvoorbeeld de AFM, DNB, banken of van gedupeerden, onderzoekt zij deze signalen op aanknopingspunten voor strafrechtelijk onderzoek.
Ten aanzien van Centurion Vastgoed BV geldt dat het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek heeft gedaan naar de gang van zaken rondom dit bedrijf en de rechtbank heeft de leidinggevenden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naar het bedrijf Hollandsche Wind is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart nadat eind 2016 aangifte werd gedaan door diverse banken. Dit onderzoek loopt nog. Het Openbaar Ministerie heeft in een persbericht laten weten dat het vermoeden bestaat dat sprake is van beleggingsfraude waarbij het fraudebedrag wordt geschat op meer dan 8 miljoen euro. Tevens is bekend gemaakt dat de verdachten vermoedelijk via andere bedrijven nieuwe beleggingsproducten zouden uitgeven. In het persbericht is een e-mailadres opgenomen waar gedupeerden zich kunnen melden.
Hoeveel mensen zijn gedupeerd door het oplichtersnetwerk? Zijn dit allemaal particulieren? Hoe groot is de schade gemiddeld per gedupeerde?
Ik kan geen mededelingen doen over het aantal gedupeerden en de omvang van de schade per individuele zaak.
Wat kunnen gedupeerden doen om nog iets van hun geld terug te zien?
Slachtoffers van beleggingsfraude kunnen aangifte doen bij de politie. Het Openbaar Ministerie spant zich in om slachtoffers zo veel als mogelijk te ondersteunen, onder meer door hen in de gelegenheid te stellen zich als benadeelde partij in de strafzaak te kunnen voegen waardoor zij in die procedure hun schade op de wederpartij kunnen verhalen, door het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte te ontnemen en door ten behoeve van de slachtoffers beslag te leggen op het vermogen van de verdachten. Daarnaast kunnen personen die zijn benadeeld door middel van beleggingsfraude een vordering tot schadevergoeding instellen bij de civiele rechter.
Hoe is het mogelijk dat een beperkte kring van mensen in staat is om meer dan tien jaar lang nietsvermoedende particulieren op te lichten met grofweg dezelfde methode? Heeft er in het verleden onderzoek plaatsgevonden naar dit netwerk, of is volstaan met het vervolgen van individuele casus, zoals Centurion?
De AFM heeft bij vrijgestelde aanbiedingen beperkte bevoegdheden en houdt op basis van de Whc toezicht op de naleving van de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp). Oneerlijke handelspraktijken zien op onjuiste en te weinig verstrekte informatie aan de consument en zien niet specifiek op oplichting of fraude door ondernemingen. Dit brengt mee dat de AFM alleen bevoegdheden heeft ten aanzien van de informatieverstrekking door de aanbieder aan de belegger en niet direct bij de instelling kan ingrijpen. De AFM spant zich er daarom voor in om mogelijke signalen van fraude bij het OM en/of FIOD kenbaar te maken. In het antwoord op vraag 11 wordt de rol van de AFM nader toegelicht.
Indien het Openbaar Ministerie signalen ontvangt – die kunnen duiden op beleggingsfraude – van bijvoorbeeld de AFM, DNB, banken of van gedupeerden, onderzoekt het Openbaar Ministerie deze signalen op aanknopingspunten voor strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek richt zich ook op eventuele netwerken. Een netwerk is echter niet eenvoudig te traceren aangezien er vaak gebruik wordt gemaakt van stromannen die (nog) niet bekend zijn bij het Openbaar Ministerie. In het geval van Hollandsche Wind bestond er bij het Openbaar Ministerie evenwel het vermoeden dat verdachten via andere bedrijven nieuwe beleggingsproducten zouden uitgeven. Middels een persbericht heeft het Openbaar Ministerie een e-mailadres bekendgemaakt waar gedupeerden zich kunnen melden. Door een actief persbeleid te hanteren met betrekking tot beleggingsfraudeonderzoeken beoogt het Openbaar Ministerie de samenleving te waarschuwen voor de gevaren die gepaard gaan met bedrijven die beleggingsproducten aanbieden en daarbij ongebruikelijk hoge rendementen beloven.
Wat vindt u van de opmerkingen van diverse bronnen van de Gelderlander, die stellen dat de aanpak van deze fraude grotendeels faalt? In 2012 is het Openbaar Ministerie (OM) reeds gewaarschuwd in deze zaak3, waarom is er toen geen actie ondernomen?
Het Openbaar Ministerie heeft genoeg middelen en expertise om financiële fraude en andere witteboordencriminaliteit aan te pakken en treedt adequaat op tegen beleggingsfraude. Binnen het Openbaar Ministerie en politie is de aanpak van fraude prioriteit en wordt deze steeds verder versterkt. Daarbij wordt actief de samenwerking gezocht met private partijen.
Het signaal dat in 2012 is afgegeven is opgevolgd, maar op dat moment kon nog geen fraude vastgesteld worden door het Openbaar Ministerie. Het lag daardoor niet voor de hand om de capaciteit van het Openbaar Ministerie op verdere vervolging te richten.
Het Openbaar Ministerie registreert zaken met betrekking tot beleggingsfraude niet apart en kan daarom niet aangeven hoeveel beleggingsfraudezaken in 2016 zijn opgepakt. Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer eerder berichtte zijn de in de Veiligheidsagenda 2015–2018 afgesproken resultaten met betrekking tot de aanpak van horizontale fraude, inclusief beleggingsfraude in 2015 en 2016 ruimschoots gehaald.
In 2015 zijn vanuit de politie 2077 verdachten van horizontale fraudezaken bij het Openbaar Ministerie ingestroomd. Doelstelling was 1500 verdachten. In 2016 was de doelstelling 1600 verdachten. Het aantal door de politie in 2016 aangeleverde verdachten bedraagt 2794. Daarnaast zijn nog 522 horizontale fraude zaken aangeleverd door de Koninklijke Marechaussee alsmede bijzondere en overige opsporingsdiensten.
Hebben de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het OM genoeg middelen en expertise om financiële fraude en andere witteboordencriminaliteit aan te pakken? Wat is de omvang van beleggingsfraude in Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Welke eisen worden gesteld aan beleggingsfondsen om particulieren te beschermen, en in hoeverre voldoen deze eisen? Meer in het bijzonder: welke regels gelden er voor reclame maken voor beleggingsfondsen die gericht zijn op particulieren? Gelden deze regels ook voor alternatieve promotiemogelijkheden, zoals gesponsorde interviews? Welke regels gelden er voor het telefonisch benaderen van mogelijke investeerders?
Het artikel in de Gelderlander gaat over effecten (obligaties en aandelen) die niet zijn gestructureerd als een beleggingsfonds. Dit betekent dat de regels die gelden voor beleggingsinstellingen niet van toepassing zijn. Ten aanzien van aanbiedingen van effecten aan het publiek geldt dat alle reclame-uitingen aan een aantal regels moet voldoen. Deze regels gelden voor iedere vorm van informatieverstrekking die dient ter aanprijzing van of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde financiële dienst of een bepaald financieel product. Dit betekent dat de regels ook van toepassing zijn op alternatieve manieren van reclame, zoals reclame via interviews of via telefonische gesprekken.
Een reclame-uiting dient als zodanig herkenbaar te zijn. De reclame-uiting mag geen informatie bevatten die onjuist of misleidend is en de informatie dient in overeenstemming te zijn met de informatie in het prospectus. Verder dient de aanbieder van effecten ervoor zorg te dragen dat in de reclame-uiting wordt vermeld of er een prospectus algemeen verkrijgbaar is of wordt gesteld en, als dit het geval is, waar het prospectus verkregen kan worden.
Wat gaat u doen om de bescherming van particulieren tegen dit soort oplichters te verbeteren?
De aanpak van fraude, ook van beleggingsfraude, is een zaak van alle betrokken partijen: burgers, bedrijven en andere private en publieke partijen. In de eerste plaats is het van belang dat burgers zelf alert zijn en zich steeds goed informeren. Dit geldt ook voor potentiële beleggers. Zij moeten zich bewust zijn van de risico’s van beleggen en zelf goed onderzoek doen naar de achtergrond van aanbieders. De bescherming van beleggers moet worden bezien in het licht van een breder handhavingskader van het Openbaar Ministerie, toezicht, handhaving en publieksvoorlichting door de toezichthouders AFM en/of DNB tot waarschuwingen van bijvoorbeeld de Fraudehelpdesk of de Kamer van Koophandel.
Zo zijn aanbieders van effecten verplicht om wettelijk voorgeschreven informatie aan (potentiële) beleggers te verstrekken. De AFM ziet toe op de naleving van deze informatieplichten. Wanneer de AFM in de uitoefening van het toezicht oplichting of fraude vermoedt zal altijd met FIOD en/of het Openbaar Ministerie in overleg worden getreden, zoals in de Centurion zaak is gebeurd.
Om de consument bewuster te maken van de risico’s van beleggen onderneemt de AFM verschillende acties. De AFM waarschuwt consumenten in generieke zin voor malafide partijen in de vrijgestelde beleggingsmarkt, maar waarschuwt geregeld ook voor specifieke mogelijke malafide partijen5. Ook wijst de AFM consumenten op de risico’s van beleggen, bijvoorbeeld door middel van een checklist beleggen in obligaties op haar website. Recentelijk heeft de AFM via de consumentennieuwsbrief en via Facebook aandacht besteed aan vrijgestelde beleggingen6.
Bovendien wordt onder coördinatie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie door publieke en private partijen samengewerkt aan effectieve barrières met als doel het de fraudeur zo moeilijk mogelijk te maken. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft daartoe onder andere afspraken gemaakt binnen het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Tot slot is de aanpak van fraude, inclusief beleggingsfraude, een prioriteit in de Veiligheidsagenda 2015–2018 en zijn over de aanpak daarvan afspraken gemaakt met de politie.
In hoeverre zijn ouderen extra kwetsbaar voor deze manier van oplichting? Wat wordt er reeds gedaan en wat gaat u doen om ouderen meer weerbaar te maken tegen oplichters?
Het is voorstelbaar dat fraudeurs zich richten op kwetsbare slachtoffers. Daarom ligt in algemene zin binnen de aanpak van fraude de focus onder andere op kwetsbare slachtoffers, zoals senioren. Binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt een actief preventiebeleid uitgevoerd met het oog op kwetsbare slachtoffers van fraude, zoals senioren.
Heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) genoeg middelen en expertise om fraude met beleggingsfondsen aan te pakken? Knellen de toezichtsgrenzen?
De AFM ziet toe dat bij het aanbieden van effecten een goedgekeurd prospectus verkrijgbaar wordt gesteld. Een goedgekeurd prospectus bevat alle essentiële informatie om een besluit te kunnen nemen over de aanbieding. De AFM heeft geen wettelijke mogelijkheden om te controleren of deze informatie overeenkomt met de feitelijke situatie bij de aanbieder. Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder om geen informatie in het prospectus op te nemen die onjuist is. Dat een prospectus is goedgekeurd door de AFM betekent niet dat de aanbieder betrouwbaar is en dat de rendementen die beloofd worden ook daadwerkelijk behaald zullen worden. De goedkeuring van het prospectus door de AFM is dan ook geen keurmerk voor de belegging die wordt aangeboden.
Bij aanbiedingen die minder dan € 2,5 miljoen bedragen, bij aanbiedingen aan minder dan 150 personen en bij aanbiedingen van effecten die een nominale waarde hebben van tenminste € 100.000 per effect geldt dat geen prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld dat is goedgekeurd door de AFM en dat de aanbieding niet onder toezicht staat van de AFM. Indien hiervan sprake is ziet de AFM er op toe dat de vrijstellingsvermelding is vermeld op de informatievoorziening van de aanbieder, zodat de consument weet dat de aanbieding buiten regulier toezicht van de AFM staat. De AFM houdt bij vrijgestelde aanbiedingen op basis van de Whc toezicht op de naleving van de Wohp. Oneerlijke handelspraktijken zien op onjuiste en te weinig verstrekte informatie aan de consument en zien niet specifiek op oplichting of fraude door ondernemingen. Dit brengt mee dat de AFM alleen bevoegdheden heeft ten aanzien van de informatieverstrekking door de aanbieder aan de belegger.
De hiervoor genoemde vrijstellingsdrempel van € 2,5 miljoen zal naar verwachting in de tweede helft van 2017 worden verhoogd naar € 5 miljoen onder gelijktijdige invoering van een meldplicht en minimum informatievereisten. Dit heb ik toegezegd in een algemeen overleg met de leden van de vaste commissie voor Financiën van 4 februari 2016. Door invoering van de meldplicht krijgt de AFM een overzicht van uitgevende instellingen die gebruik maken van de vrijstelling en kan zij eerder inspelen op mogelijke onjuiste of misleidende informatieverstrekking door die partijen. Indien de AFM verneemt dat een partij een vrijgestelde aanbieding doet, terwijl zij zich niet bij de AFM heeft gemeld, kan dit voor de AFM bovendien een dringende reden zijn om onderzoek bij deze partij te doen. Dit maakt het voor malafide partijen moeilijker om buiten het zicht van de AFM te blijven dan thans het geval is.
Het toezicht van de AFM is risicogestuurd. Dit betekent dat de AFM over het algemeen haar toezichtsinspanningen baseert op ontvangen signalen en monitoring van de markt. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de soort propositie en of personen eerder betrokken zijn geweest bij aanbiedingen. Dit is ook het geval bij het toezicht op vrijgestelde aanbiedingen van effecten op grond van de Whc. Een monitoring van de markt kan er toe leiden dat de AFM op onregelmatigheden stuit en handhavend optreedt. Zo heeft de AFM wanneer de gelden door de aanbieder anders worden besteed dan aan de belegger is beloofd, de bevoegdheid door middel van een aanwijzing of last onder dwangsom de aanbieder te verplichten om dit aan de belegger mee te delen. De AFM kan ook een bestuurlijke boete opleggen. Hiernaast kan de AFM een openbare waarschuwing publiceren. De AFM heeft in een aantal gevallen op grond van de Whc opgetreden, zoals bij Centurion. Verder heeft de AFM in het verleden vaker op grond van de Whc opgetreden.7 Wanneer de AFM oplichting of fraude vermoedt zal altijd met FIOD en Openbaar Ministerie in overleg worden getreden. Hiervan was bijvoorbeeld sprake in de Centurion zaak.
Ten slotte onderneemt de AFM verschillende acties om de consument bewuster te maken van de risico’s van beleggen. De AFM waarschuwt consumenten in generieke zin voor malafide partijen in de vrijgestelde beleggingsmarkt, maar waarschuwt geregeld ook voor specifieke mogelijke malafide partijen8. Ook wijst de AFM consumenten op de risico’s van beleggen, bijvoorbeeld door middel van een checklist beleggen in obligaties op haar website.9Recentelijk heeft de AFM via de consumentennieuwsbrief en via Facebook aandacht besteed aan vrijgestelde beleggingen.10
Welke rol hebben banken bij het signaleren van fraude met beleggingsfondsen?
Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zijn banken verplicht om onderzoek te verrichten naar hun cliënten. Daarnaast verplicht de Wwft tot het melden van ongebruikelijke transacties bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU). Voor de naleving van deze verplichtingen is het noodzakelijk dat banken informatie vergaren over hun cliënten en dat zij de transacties van hun cliënten monitoren. Hierbij kunnen banken fraude detecteren, bijvoorbeeld aan de hand van mutaties op een bankrekening die door een frauduleuze partij wordt aangehouden. Omdat fraude doorgaans wordt vormgegeven met gelegitimeerde transacties, is het voor banken niet eenvoudig om signalen van fraude – bijvoorbeeld met beleggingsfondsen – te detecteren. Ook lopen geldstromen vaak over meerdere rekeningen. Wanneer die bij andere banken of in het buitenland worden aangehouden, heeft een bank daar geen inzicht in. De informatiedeling tussen banken onderling en tussen banken, toezichthouders en opsporingsinstanties is gebonden aan geldende regelgeving met betrekking tot privacy en vertrouwelijkheid. Deze gelden ook op het terrein van bestrijding van beleggingsfraude.
Hoe kan het zo zijn dat jarenlang bekend is dat er oplichters werkzaam zijn, maar dat zij gewoon hun bedrog kunnen voortzetten? Waarom is daar niet tegen opgetreden?
Zie antwoord vraag 5.