De sluiting van arrestantencellen in de politiebureaus van Doetinchem, Deventer, Ede en Tiel |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie sluit cellen in Ede, Tiel, Doetinchem, nieuw arrestantencomplex in Elst voor heel de regio»?1
Ja.
Hoeveel politie is er in de gemeenten Ede, Tiel, Doetinchem ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden in de plattelandsgebieden beschikbaar?
De uitvoering van de brede politietaak in deze gebieden vindt plaats in overleg met het lokale gezag
Deelt u de mening dat het verlenen van noodhulp voorrang heeft boven het wegbrengen van arrestanten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het feit dat de politie in het geval de genoemde arrestantencellen gesloten worden meer tijd niet meer beschikbaar is voor het verlenen van noodhulp? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat spoedmeldingen voorrang hebben boven het wegbrengen van arrestanten.
Het op professionele wijze bejegenen, verzorgen en vervoeren van arrestanten is een belangrijk onderdeel van het politiewerk. Verschillende ontwikkelingen, zoals de afnemende hoeveelheid arrestanten in algemene zin maar ook per politiecellencomplex, de inzet van medewerkers in geregeld lege cellencomplexen en de daarmee samenhangende, onverantwoordbare inzet van capaciteit en onevenredig hoge kosten van de bedrijfsvoering binnen politiecellencomplexen, hebben de politie, ook in de eenheid Oost-Nederland, genoodzaakt kritisch te kijken naar de werkprocessen rondom het vervoeren en insluiten van arrestanten.
De politie-eenheid Oost-Nederland heeft via onderzoeken en consultatierondes langs veiligheidsoverleggen binnen het district en lokale driehoeken de zorgpunten van de burgemeesters in beeld gebracht. Deze worden meegenomen in de impactanalyses en mogelijke oplossingen. In het voorjaar van 2020 zal een definitief besluit aan het bestuur in de eenheid Oost-Nederland worden voorgelegd. Tot die tijd zal de eenheid door de inzet van extra middelen de negen cellencomplexen op de huidige wijze open houden.
De eenheid Oost-Nederland onderzoekt welke impact de sluiting van arrestantencellen in de genoemde gemeenten hebben op het primaire proces. Daarbij spelen overwegingen van doeltreffendheid en doelmatigheid alsook overwegingen met betrekking tot de kwaliteit van het politiewerk en van de dienstverlening een rol. Uitgangspunt is dat het primaire proces zo goed mogelijk wordt ondersteund. De verwachting is dat de maatregelen, waaronder het sluiten van een aantal cellencomplexen, aanvullende arrangementen en werkprocessen mogelijk maken, zoals deze in onderzoek zijn binnen de politie-eenheid Oost-Nederland.
Deelt u de mening dat de sluiting van arrestantencellen in de genoemde gemeenten tot gevolg heeft dat de politie onevenredig veel tijd nodig zal gaan hebben om arrestanten elders onder te brengen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat sluiting van de arrestantencellen alleen een optie kan zijn als er, naar het voorbeeld van het politieteam Maas en Leijgraaf, een aparte vervoersdienst voor arrestanten komt om een tekort aan agenten in de genoemde gemeenten te voorkomen? Zo ja, kunt u er in overleg met de korpsleiding van de politie voor zorgen dat deze vervoersdienst er komt? Zo nee, waarom niet?2
Die mening deel ik niet. Het vervoeren, insluiten en verzorgen van arrestantentaken dient ter ondersteuning van de primaire processen binnen de politie. De politie voert deze wettelijke taak uit op een professionele manier onder toezicht van onafhankelijke toezichthouders. Op het moment dat verschillende omstandigheden de noodzaak geven tot een kritische beschouwing van de werkprocessen rondom arrestantentaken ga ik ervan uit dat de politie die uitvoert met de bedoeling om de professionaliteit van de dienstverlening in de arrestantenzorg ook in de toekomst op een hoog peil te houden. De politie heeft aangegeven dat het instellen van een externe vervoersdienst een van de flankerende maatregelen kan zijn op het moment dat er cellencomplexen sluiten. De invulling daarvan moet blijken uit nadere impactanalyses die de politie met het lokale gezag en het bestuur zal bespreken.
Kent u de berichtgeving van NRC Handelsblad waarin de burgemeesters in de regio Den Haag concluderen dat er geen sprake is van «een verziekte cultuur» als het gaat om discriminatie en racisme?1
Ja.
Deelt u de conclusie van deze elf burgemeesters dat er geen sprake is van «een verziekte cultuur» als het gaat om discriminatie en racisme? Vindt u het verstandig dat deze burgemeesters dit concluderen terwijl het onderzoek naar vermeende misstanden door het Bureau Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) van de Haagse politie nog loopt?
Ik wil benadrukken dat er momenteel een onderzoek loopt naar mogelijke misstanden aan bureau Hoefkade, niet naar de gehele Haagse politie. Gelet op het lopende onderzoek bij het team Hoefkade ga ik verder niet op deze casuïstiek in. Wel heeft de korpschef mij verzekerd dat de politie meldingen van ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag serieus neemt. In mijn brief van 4 september jl.2 heb ik u geïnformeerd over het bestaande beleid van de korpschef en over de aanvullende maatregel om een ombudsfunctionaris aan te stellen.
Hebben de elf desbetreffende burgemeesters zelf onderzoek verricht naar de cultuur binnen het politiekorps? Zo ja, kunt u de resultaten hiervan met de Kamer delen? Zo nee, op basis waarvan zijn zij tot deze conclusie gekomen?
De burgemeesters baseren zich als lokaal gezag op hun eigen ervaringen met de politie, waarbij de thema’s diversiteit en inclusie met regelmaat worden besproken. Overigens is de verklaring afkomstig van de burgemeesters van alle 27 gemeenten in het verzorgingsgebied van de politie-eenheid Den Haag.
Bent u ervan op de hoogte dat de politietop van het bureau Hoefkade in de Haagse Schilderswijk naar het eigen personeel een brief heeft geschreven waarin zij de zorgen uiten over een «ongewenste cultuur» en een «opeenstapeling van ongewenste gedragingen»? Zou u naar aanleiding van deze brief concluderen dat hier sprake is van een (ten dele) verziekte cultuur?
Ik ben ervan op de hoogte dat een dergelijke brief is verzonden. Ik voer regelmatig overleg met de korpschef over de ontwikkelingen binnen de politieorganisatie. In dat overleg komen ook onderwerpen als discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag aan bod. Waar nodig informeert de korpschef mij over casuïstiek.
Hoe duidt u het gegeven dat de afgelopen twee jaar tenminste elf mensen zijn ontslagen in Den Haag vanwege wangedrag? Waar bestond dit wangedrag uit? Wanneer is er sprake van een verziekte cultuur? Op basis van welke criteria worden agenten vanwege wangedrag ontslagen?
Met uw Kamer ben ik van mening dat ons grote terughoudendheid past om op individuele casussen in te gaan. Ik zie het als mijn taak om met de korpschef in gesprek te zijn over het belang van een open cultuur en de noodzaak om signalen van discriminatie en grensoverschrijdend gedrag serieus te nemen. De korpschef is verantwoordelijk voor het personeelsbeleid van de politie en die verantwoordelijkheid neemt hij ook. Voor de wijze van afdoening bij disciplinaire processen verwijs ik u naar mijn brief van 15 januari jl. over interne onderzoeken en strafrechtelijke onderzoeken bij de politie.3
Bent u van mening dat de politietop van de eenheid Den Haag naar behoren, adequaat en toereikend heeft gehandeld om discriminatie en ongewenst gedrag in de eenheid tegen te gaan? Zo ja, op basis waarvan trekt u deze conclusie? Zo nee, wat had met de kennis van nu beter gekund?
Het tegengaan van discriminatie en ongewenst is een topprioriteit voor de korpschef. Die prioriteit geldt ook voor de eenheidsleiding van Den Haag. Gelet op het lopende onderzoek bij het team Hoefkade ga ik verder niet op deze casuïstiek in. Voor de korpsleiding staat echter voorop dat ongewenst gedrag wordt onderzocht en aangepakt. In mijn brief van 4 september jl. heb ik u geïnformeerd over het bestaande beleid van de korpschef en over de aanvullende maatregel om een ombudsfunctionaris aan te stellen.4
Bent u van mening dat de stellingname van de elf burgemeesters naar verwachting bemoedigend of ontmoedigend werkt om signalen van discriminatie en ongewenst gedrag te melden?
De korpsleiding heeft aangegeven open te staan voor kritiek en heeft medewerkers juist opgeroepen zich te melden als in hun ogen sprake is van misstanden. De politieorganisatie heeft verschillende mogelijkheden beschikbaar voor het bespreekbaar maken van deze signalen, zoals (maar niet uitsluitend) het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten en het Landelijk Meldpunt Misstanden. Vervolgens is het van belang dat politiemedewerkers zich ook vrij voelen om intern misstanden te melden. Dit heeft dan ook de volste aandacht van de korpsleiding en andere leidinggevenden binnen de politie.
Herinnert u uw eigen brief van 15 oktober 2019 (Kamerstuk 29 628, nr. 911) waarin u stelt dat voormalig teamchef Fatima Aboulouafa niet zou zijn weggestuurd vanwege haar «inhoudelijke kritiek op de misstanden»? Heeft u tot u genomen dat politiechef Van Musscher aangeeft dat haar ontslag te maken had met «de manier waarop ze zich uitte op Instagram en in de media»? Kunt u zich voorstellen dat mevrouw Aboulouafa voor deze vorm heeft gekozen omdat andere manieren onvoldoende effectief waren gebleken om dit probleem aan te kaarten?
De teamchef is niet op non-actief gezet of ontslagen. Voor verdere informatie verwijs ik u naar mijn brieven van 9 oktober en 15 oktober jl.5 Inmiddels is vastgesteld dat de betrokken teamchef niet meer terugkeert naar de eenheid Den Haag. De korpsleiding heeft bij de desbetreffende teamchef een aanbod uitstaan om met een onafhankelijk verkenner te zoeken naar een duurzame oplossing. Daarnaast moeten politiemedewerkers zich vrij voelen om zich te uiten en kritisch te zijn binnen de grenzen van de ambtseed, dan wel belofte. Bij voorkeur gebeurt dit binnen de eigen organisatie zodat waar mogelijk samen een oplossing gevonden kan worden. Ik ga niet speculeren over de motivatie van mevrouw Aboulouafa om zich te uiten op de manier waar zij voor gekozen heeft. De politieorganisatie heeft verschillende mogelijkheden voor het bespreekbaar maken van signalen, zoals het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten, het Landelijk Meldpunt Misstanden en programma’s als de Kracht van het Verschil. Daarnaast besluit de politie binnenkort over de regeling klachten grensoverschrijdende omgangsvormen. Deze klachten worden onderzocht door de klachtencommissie grensoverschrijdende omgangsvormen. De klachtencommissie wordt per klacht samengesteld en bestaat uit interne medewerkers en externe personen met passende expertise. Om te voorkomen dat collega’s vastlopen in de organisatie wordt een ombudsfunctionaris aangesteld binnen de organisatie. De ombudsfunctionaris heeft een directe toegang tot de korpsleiding en is een aanvulling op de reeds bestaande voorzieningen.
Welke stappen moeten volgens u ondernomen worden om een veilige, open en non-discriminatoire cultuur te creëren binnen het politiebureau Hoefkade?
De korpschef heeft mij ervan verzekerd dat de korpsleiding iedere melding van ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag serieus neemt. Bovenop het bestaande beleid en de genomen maatregel om een ombudsfunctionaris aan te stellen (zie mijn brief van 9 en 15 oktober jl.), zie ik thans geen noodzaak om aan te dringen op extra maatregelen. Daarbij heb ik uw Kamer in het Algemeen Overleg van 10 oktober jl. toegezegd om met de korpschef in gesprek te gaan over de voortgang van de cultuurverandering bij de politie, evenals de registratie en opvolging van interne klachten en meldingen.
Deelt u mijn opvatting dat structurele maatregelen nodig zijn, zoals het instellen van een onafhankelijk integriteitsbureau, waar klokkenluiders binnen de politie met hun klachten terecht kunnen?
Zie antwoord vraag 9.
Is de huidige beroepscode volgens u voldoende helder over (on)gewenste omgangsvormen, (on)gewenst taalgebruik en het tegengaan van discriminatie? Zo nee, bent u bereid het gesprek met de korpsleiding aan te gaan over aanpassing van de beroepscode?
Het integriteitsbeleid van de politie is in 2018 geactualiseerd. Er is nadrukkelijk aandacht voor het bevorderen van een ethisch werkklimaat waarin integriteit wordt gezien als kenmerk van goed politiewerk en de onderlinge dialoog wordt gestimuleerd. De beroepscode is één van de instrumenten voor medewerkers en leidinggevenden die ondersteuning biedt bij het voeren van gesprekken over dilemma’s en integriteitskwesties. Daarbij zijn ook themabladen bij de beroepscode beschikbaar waarin per onderwerp nader wordt ingegaan op wet- en regelgeving en dilemma’s. Daarnaast is door de Eenheid Den Haag recent een handreiking ontwikkeld die op een laagdrempelige manier bijdraagt aan de ondersteuning bij het voeren van gesprekken over dilemma’s en integriteitskwesties. Verder heb ik in mijn brief van 3 september jl. aan uw Kamer het beleid van de korpschef beschreven om een veilige, diverse en inclusieve werkomgeving te realiseren en behouden.6 De beroepscode is zodoende niet het enige instrument dat een veilig, divers en inclusief werkklimaat bewerkstelligt.
Kunt u zich het ongemak voorstellen over de zorgwekkende signalen betreffende de eenheid Den Haag en daaruit voortkomend de noodzaak om vragen te stellen over personele aangelegenheden?
Met uw Kamer ben ik van mening dat ons grote terughoudendheid past in te gaan op individuele casussen. Ik zie het als mijn taak om met de korpschef in gesprek te zijn over het belang van een open cultuur en de noodzaak om signalen van discriminatie en grensoverschrijdend gedrag serieus te nemen. De korpschef is verantwoordelijk voor het personeelsbeleid van de politie en die verantwoordelijkheid neemt hij ook.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden ruimschoots voor de begrotingsbehandeling van Justitie & Veiligheid?
Ja, al heb ik de keuze gemaakt om de antwoorden die grotendeels overeenkwamen met elkaar samen te voegen.
Het bericht ‘Jagers: voorlopig geen e-screening voor wapenvergunning’ |
|
Chris van Dam (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jagers: voorlopig geen e-screening voor wapenvergunning»?1
Ja.
Klopt de inhoud van het artikel, in die zin dat jagers en sportschutters voorlopig geen uitnodiging meer krijgen voor het invullen van een e-screener bij het beoordelen van aanvragen voor (verlenging van) hun wapenvergunning? Betekent dit ook dat per ommegaande inbeslaggenomen wapens en munitie worden teruggegeven? Wat is de reden van deze opschorting?
Zoals ik u in mijn brief van 29 oktober 20192 heb laten weten, vindt er een bijstelling van de implementatie van de e-screener plaats vanwege problemen bij uitvoerende organisaties politie en Justis. Dit betekent dat alleen nieuwe aanvragers de komende twee jaar gescreend zullen worden met de e-screener, de bestaande verlofhouders worden de komende twee jaar gescreend met een vernieuwd WM-32 formulier. Na twee jaar wordt de eerste tranche van 20.000 bestaande verlofhouders ook gescreend. Zoals ik aangaf in mijn brief van 29 oktober wordt voortvarend van geval tot geval bekeken of wapens worden teruggegeven. Hierbij onderscheid ik drie categorieën. Aanvragers die einduitslag rood hebben gekregen op basis van een knock-out categorie (psychose, psychopathie, suïcidaliteit) krijgen geen wapens terug. Aanvragers die einduitslag rood hebben door louter sociale wenselijkheid krijgen terstond wel hun wapens terug. Aanvragers die einduitslag rood hebben door een combinatie van factoren krijgen een gedifferentieerde beoordeling. Wapens blijven in bewaring totdat het volledige proces (administratief beroep) is doorlopen.
Hoeveel jagers en sportschutters hebben sinds de invoering van de e-screener per 1 oktober 2019 – zoals door u beschreven in uw brief aan de Kamer d.d. 7 oktober 2019 (Kamerstuk 33 033, nr. 23) – de e-screener ingevuld? Hoeveel van hen hebben de e-screener met negatief resultaat afgelegd? Om welk percentage gaat het?
Op 29 oktober om 11.00 (moment van opvragen van deze cijfers) waren er 948 mensen die de e-screener hadden afgelegd, waarvan 204 mensen de test met een negatief resultaat hebben afgesloten, wat neer komt op een percentage van 21,5%.
Is in ál die (negatieve) gevallen direct overgegaan tot inbeslagname van vuurwapens en munitie van betrokkenen? Zo nee, waarom dan in het ene geval wel en in het andere geval niet?
Ja, in alle gevallen is door de politie ingezet op het in bewaring nemen van de vuurwapens en munitie. De snelheid waarmee de zaken opgepakt konden worden was ook afhankelijk van de beschikbare capaciteit.
Vanwege de commotie die ontstond heeft de politie in afstemming met mijn ministerie een aantal zaken aangehouden in afwachting van de nadere besluitvorming. Dit betrof de besluitvorming waarover ik u in mijn brief van 29 oktober heb geïnformeerd.
Hebben alle politie-eenheden vanaf 1 oktober gehoor gegeven aan de invoering van de e-screener en de uitnodigingen hiervoor verzonden? Indien er onderscheid is, waarom heeft de ene politie-eenheid (bureau korpscheftaken) de test dan wél ingevoerd en andere regio’s niet?
De invoering van de e-screener gold uniform voor alle eenheden. Op één eenheid na hebben alle eenheden vanaf 1 oktober de uitnodigingen voor het laten afnemen van de e-screener verzonden. Deze ene eenheid heeft vanwege de ontwikkelingen in de dagen direct na 1 oktober eigenstandig besloten de brieven niet te verzenden. Het verzenden van de uitnodigingen kan per eenheid anders zijn vormgegeven. Dit heeft te maken met de verschillen in het aantal dossiers dat binnen bepaalde eenheden verwerkt moet worden en die verwerking is weer afgestemd op de daarvoor beschikbare capaciteit.
Waarom is (was) de e-screener in alle gevallen doorslaggevend en zorgt een «negatief» resultaat automatisch voor inbeslagname van wapens en munitie? Ligt het voor de hand en zou het vanuit bestuursrechtelijke optiek zorgvuldiger zijn om verlofhouders die al jarenlang zonder enige misstap een jacht- of wapenvergunning hebben, bij de invoering van een nieuwe test als de e-screener met meer warmte en begrip te bejegenen?
Hoe kan het dat mensen die al jaren bekend zijn bij bureaus korpscheftaken aan de hand van een enkele nieuwbakken computertest tot hun eigen schaamte en verdriet weggezet worden als psychisch niet in orde? Is de hele gang van zaken aanleiding om excuses aan te bieden aan deze groep veelal oudere en zeer gezagsgetrouwe burgers?
Natuurlijk betreur ik deze gang van zaken. De e-screener zoals ingevoerd, volgt direct uit de wetswijziging in verband met de versterking van het stelsel ter beheersing van het legaal wapenbezit.3 Dit is ook besproken met uw Kamer. Het verlofverleden van een aanvrager wordt meegewogen in het verlofverleningsproces. Het implementatieproces is slechts aangepast om de uitvoeringsorganisaties meer tijd te geven in de wijze waarop het proces zorgvuldig kan worden ingericht.
Hoe verhoudt die kille en directe inbeslagname zich tot de volgende zinssnede uit de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet wapens en munitie, de Flora- en faunawet en de Wet natuurbescherming in verband met de versterking van het stelsel ter beheersing van het legaal wapenbezit: «Er wordt niet voorgesteld dat (.) een negatieve uitslag van de e-screener onvermijdelijk leidt tot afwijzing van de aanvraag voor het bevoegdheidsdocument. Of het bevoegdheidsdocument wordt verleend, blijft afhangen van het oordeel van de korpschef over de geschiktheid van de betrokkene, waarbij alle informatie wordt gewogen. Ook is het denkbaar dat de aanvrager, in geval van een negatieve uitslag van de e-screener een eigen onderzoek laat verrichten en de conclusie hiervan aan de korpschef overlegt.» (Staatsblad 2019, 172)?
Zoals u stelt leidt een negatieve uitslag op de e-screener inderdaad niet automatisch tot een afwijzing van de aanvraag voor het bevoegdheidsdocument (voornemen tot weigering). De besluitvorming of een bevoegdheidsdocument wordt verleend, blijft afhangen van het oordeel van de korpschef. Dit blijft een beoordeling op basis van de e-screener of het WM32 formulier, gecombineerd met een antecedentenonderzoek en een referentenonderzoek. De verlofgeschiedenis wordt hierbij meegenomen. In haar arrest geeft de Hoge Raad4 aan dat -gegeven de wetsgeschiedenis – de uitleg van de wet moet zijn dat tegen de achtergrond van het grote maatschappelijke belang van de veiligheid, geringe twijfel aan het verantwoord af kunnen geven van het verlof, voldoende reden is om een verlof niet te verlenen of dit in te trekken. Voorwaarde is dat deze twijfel objectief is vast te stellen. Voor de korpschef en voor mij is de uitslag van de e-screener een objectief vastgestelde waarde. Dit kan dus een doorslaggevende factor zijn, binnen het aanvraagproces dat uit meerdere elementen bestaat. Aanvragers kunnen nog steeds in administratief beroep gaan tegen de beslissing bij Justis door ontlastende documenten, zoals de verklaring van een arts, in te dienen. Behoudens potentieel levensbedreigende situaties (psychose, suïcidaliteit, psychopathie) wordt hiervoor een termijn van zes weken aangehouden. Indien een voornemen tot weigering of intrekking van het verlof wordt afgegeven, wordt de aanvrager in het kader van de zogeheten zienswijzeprocedure in de gelegenheid gesteld alle aanvullende informatie aan de korpschef te overleggen om de eigen argumenten kracht bij te zetten. Daaronder kan ook een verklaring van een arts worden verstaan. Vervolgens is tegen een negatieve beslissing van de Korpschef administratief beroep bij Justis mogelijk.
Hebben diegenen die de e-screener met negatief gevolg hebben afgelegd – in de lijn van de bij de vorige vraag aangehaalde zinsnede uit de memorie van toelichting – de gelegenheid gehad om – ook ter afwending van inbeslagname van wapens en/of munitie – aannemelijk te maken of te bewijzen dat met hen psychisch niets aan de hand is? Betekent het stoppen met het uitvoeren van de e-screener dat deze mensen per direct hun in beslag genomen voorwerpen terug krijgen? Wilt u bij het beantwoorden van deze vraag ook ingaan op het feit dat per 15 oktober 2019 het jachtseizoen is geopend en dat een groot deel van de jagers verplichtingen heeft op de het vlak van de jacht?
Er zijn twee procedures: een normale procedure waarin een aanvrager in administratief beroep kan treden van zes weken, en een spoedprocedure in geval van levensbedreigende situaties die zich kenmerkt door het buiten werking stellen van de normale gang van zaken inzake een zienswijze zoals benoemd in de Awb 4:7 en 4:8. De politie heeft in de door u beschreven gevallen omwille van de belangen van veiligheid hiervoor gekozen. Zoals ik u in mijn antwoord op vraag 2 uitleg, hanteer ik bij de mogelijke teruggave van de wapens een driedeling.
Welke rol heeft de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 20 september 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1409) gespeeld bij de plotselinge invoering van de e-screener? Is er overleg geweest met u of uw ministerie over de plotselinge invoering van de e-screener of is dit proces autonoom vanuit de politie gestart?
De wetswijziging die aan de e-screener ten grondslag ligt is reeds op 29 mei 2017 in het Staatsblad gepubliceerd en vervolgens gefaseerd in werking getreden. Sluitstuk van de inwerkingtreding was het wetsartikel (6a) waaraan de e-screener gekoppeld is, op 1 oktober dit jaar. De invoering van dit instrument is derhalve verre van plotseling te noemen. De politie is als uitvoeringsorganisatie per definitie niet verantwoordelijk voor het besluit tot invoering. De uitspraak van de Hoge Raad heeft geen invloed op het moment van de invoering gehad. De politie heeft dit proces niet gestart, die is enkel als uitvoeringsorganisatie belast met de uitvoering hiervan.
Waarom is er niet of nauwelijks overleg geweest met relevante verenigingen en organisaties zoals de NOJG (Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer), de KNJV (Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging) en de KNSA (de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie) over de feitelijke invoer van de e-screener?
Veldpartijen, waaronder genoemde organisaties, zijn op 20 september per mail geïnformeerd over de inwerkingtreding van de wet (meer specifiek artikel 6a van de Wet wapens en munitie) per 1 oktober nadien. Ik hecht eraan te benadrukken dat veldpartijen in het hele voortraject rond de totstandkoming van de wetgeving betrokken geweest bij het benoemen van de relevante risicofactoren die betrokken moeten worden bij de beoordeling van de betrouwbaarheidsvraag, die aan de e-screener ten grondslag ligt. Ook zijn de veldpartijen betrokken geweest bij het zogenaamde kalibratieproces waarvoor zij respondenten hebben aangeleverd. Dit neemt niet weg dat ik graag opnieuw in overleg treed over signalen uit het veld en mogelijke verbetering van het instrument.
Is de stellingname in uw hierboven genoemde brief d.d. 7 oktober 2019 dat de e-screener het sluitstuk vormt van de implementatie van de Europese vuurwapenrichtlijn (EU2017/853) correct? Vloeit de e-screener niet veel eerder voort uit de gebeurtenissen in Alphen aan den Rijn en de wetgeving die vervolgens in Nederland ontwikkeld is? Klopt het dat geen enkel ander land in Europa gebruik maakt van een instrument als de e-screener en dat het enige land in Europa waar wél zo’n instrument is toegepast (Finland) daar na een jaar al weer mee op is gehouden?
Het klopt dat de wettelijke verplichting tot medewerking aan de e-screener uitvoering geeft aan de maatregelen die zijn aangekondigd naar aanleiding van het schietincident in Alphen aan den Rijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 033, nr. 9). De betreffende wet is van kracht geworden in mei 2017 (Stb 2017, 242). Omdat de e-screener op dat moment nog niet voor ingebruikname gereed was, is gewacht met de inwerkingtreding van de betreffende wetsartikel, het reeds aangehaalde artikel 6a van de Wet wapens en munitie (Wwm). Ondertussen verplichtte de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) tot een uitgebreidere screening van aanvragers van een wapenverlof. Besloten is deze verplichting vorm te geven middels de invoering van de reeds voorziene maatregelen en dus via de volledige inwerkingtreding van de eerdergenoemde wet (Kamerstukken II, 2017/18, 34 984, nr. 3, p. 22). De verdere implementatie van de richtlijn is uitgevoerd via een apart wetsvoorstel en aanvullende lagere regelgeving die op 23 juli jl. in werking zijn getreden. Laatste punt van de implementatie (waarvoor de termijn inmiddels was verstreken) vormde de invoering van een volledige screening. Wat dat betreft vormde de inwerkingtreding van artikel 6a Wwm dus ook de afronding van de implementatie van de richtlijn. De test in Finland is mij bekend en is in 2012 gepresenteerd op mijn ministerie met betrokkenheid van het Trimbos instituut. Die test bleek een meer militair doel te dienen en werd daarom niet geschikt geacht voor de Nederlandse situatie. Om die reden is de e-screener ontwikkeld in opdracht van mijn ambtsgenoot van VWS en mijzelf. De reden van afschaffing van de test in Finland is mij niet bekend.
Kunt u aangeven hoe toegankelijk en gebruikersvriendelijk de e-screener is voor mensen die niet of minder gewend zijn om te gaan met ICT (digibeten), voor laaggeletterden en voor mensen met dyslexie?
De uitvoerder die in opdracht van de politie de e-screener onderzoeken afneemt wordt geïnstrueerd te handelen conform het dienstverleningsniveau van de politie. Concreet betekent dit dat het laaggeletterden en mensen met dyslexie toegestaan wordt om iemand mee te nemen die de vragen voorleest aan degene die het onderzoek ondergaat, onder de instructie dat geen enkele andere vorm van communicatie plaatsvindt op straffe van uitsluiting. In geval van dyslexie kan er meer tijd gegeven worden. Door de dienstverlener zal hierop worden toegezien. Indien in het komende jaar of nadien een meer als normaal te bestempelen beroep op deze – en eventuele andere – aanvullende dienstverlening wordt gedaan, waardoor door de dienstverlener aanzienlijke aanvullende kosten worden gemaakt, die aan de politie worden doorberekend, zullen de leges (momenteel 54,45 euro) daarop worden aangepast. Voor digibeten zijn reeds voorzieningen getroffen in de zin dat instructeurs van de dienstverlener vooraf mondeling uitleg geven over de wijze waarop het onderzoek wordt afgenomen. Overigens is bij de ontwikkeling van de e-screener reeds rekening gehouden met het aspect van de gebruiksvriendelijkheid. Ook mensen met weinig ervaring met computers zouden zonder problemen de gevraagde handelingen (het klikken met een muisknop) moeten kunnen verrichten.
Welke beroepsgang en rechtsbescherming hebben jacht- en verlofhouders in het geval hun wapens en/of munitie door de politie in beslag is genomen, na een negatief resultaat op de e-screener? Is het mogelijk bij het bureau korpscheftaken met een verklaring van een huisarts of enige relevante ander te weerleggen dat er sprake is van een psychische gevaarlijke situatie die inname van wapens en/of munitie rechtvaardigt? Kunt u er opdracht toe geven dat alle wapens en munitie per ommegaande worden terug gegeven?
Beroepsgang en rechtsbescherming zijn conform bestaande wetgeving. Indien een voornemen tot weigering of intrekking van het verlof wordt afgegeven, wordt de aanvrager in het kader van de zogeheten zienswijzeprocedure in de gelegenheid gesteld alle aanvullende informatie aan de politie te overleggen om de eigen argumenten kracht bij te zetten. Daaronder kan zeker ook een verklaring van een arts worden verstaan. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Klopt het dat in de intrekkingsbrief zoals verstuurd door de politie aan jacht- en verlofhouders het recht om gehoord te worden wordt ontnomen met als reden het spoedeisende karakter van de intrekking? In hoeverre valt dit te rijmen met het intrekken van vergunningen die soms wel decennia lang zijn verstrekt aan deze jacht- of verlofhouder? Staat dit niet op gespannen voet met hoe artikel 4:11 Algemene wet bestuursrecht daadwerkelijk bedoeld is?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen 6,8 en 9.
Wilt u bovenstaande vragen telkens afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid de vragen over het per direct teruggeven van in beslag genomen wapens en munitie – in het licht van het stoppen met het uitvoeren van de e-screener – per ommegaande, maar uiterlijk binnen één week na indiening van deze vragen, te beantwoorden?
Het is niet gelukt om genoemde vragen binnen de door u gestelde termijn te beantwoorden.
Het bericht 'Stichting tegen kindermishandeling gebruikte subsidie voor spirituele workshops' |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stichting tegen kindermishandeling gebruikte subsidie voor spirituele workshops»?1
Ja.
Klopt het dat de stichting No Kidding 16.000 euro subsidie heeft ontvangen? Zo ja, voor welk doel heeft de stichting No Kidding subsidie ontvangen?
In hoeverre strookt het doel van de verkregen subsidie met het door de stichting No Kidding opgezette programma?
Hoe toetst ZonMW, de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie, op dit moment of organisaties subsidies gebruiken voor de beoogde doeleinden zoals omschreven in de subsidieaanvragen?
ZonMw vraagt ter toetsing altijd een uitgebreid eindverslag en financiële verantwoording op. Bij langer lopende projecten worden ook voortgangsverslagen gevraagd. Daarnaast kunnen projecten bezocht worden en kunnen tussentijdse rapportages worden opgevraagd. Bij twijfel over inhoudelijke zaken worden de verslagen voorgelegd aan (een afvaardiging van) de programmacommissie, die de verslagen inhoudelijk toetst. Bij twijfel over financiële zaken wordt er om gedetailleerde onderbouwing gevraagd, bijvoorbeeld door middel van betaalbewijzen.
Bent u bereid ZonMw op te dragen over te gaan tot het terugvorderen van de verstrekte subsidie aan No Kidding, wanneer zij zich niet baseren op wetenschappelijke methoden?
Als er niet conform de subsidievoorwaarden is gehandeld of anderszins sprake is van ongeregeldheden, dan kan en zal de subsidie worden teruggevorderd.
Echter, het al dan niet baseren op wetenschappelijke methoden is niet opgenomen in de subsidievoorwaarden en is daarmee geen directe grond om over te gaan tot eventuele sancties of terugvordering van de subsidie. In de antwoorden op vraag 7 en 9 ga ik in op wetenschappelijke methoden als voorwaarde voor het verkrijgen van subsidies.
Hoeveel subsidie heeft de stichting No Kidding de afgelopen drie jaar ontvangen vanuit het Rijk, provincie of gemeente?
Stichting No Kidding heeft van ZonMw alleen een voorschot van € 16.000 op de subsidie ontvangen, zoals beantwoord in vraag 2. Vanuit het Ministerie van VWS zijn er geen verdere subsidies verstrekt aan Stichting No Kidding. Het is bij mij bekend dat verschillende gemeenten ook contact hebben gehad met ervaringsdeskundigen via Stichting No Kidding. Er is echter geen zicht op de subsidies die individuele gemeenten of provincies verstrekt hebben aan Stichting No Kidding.
Deelt u de mening dat organisaties en stichtingen alleen subsidie moeten kunnen krijgen als hun methoden wetenschappelijk onderbouwd zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt vooraf, tijdens en na afloop gecontroleerd of stichtingen en organisaties zich baseren op wetenschappelijke methoden en programma’s?
Hoeveel stichtingen en organisaties ontvangen subsidie vanuit het Rijk, provincie of gemeente zonder wetenschappelijke onderbouwing van hun programma’s?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 7 en 9 is het niet mogelijk om een eenduidige definitie van een wetenschappelijke onderbouwing te geven. Het is daarom niet mogelijk het aantal stichtingen en organisaties te noemen die subsidie ontvangen vanuit het Rijk, provincie of gemeente zonder de zogenoemde wetenschappelijke onderbouwing. Er wordt wel veel waarde gehecht aan de toepassing van wetenschappelijke waarden en alle deelnemers aan subsidierondes worden hier dan ook op gemonitord en geëvalueerd.
Is wetenschappelijke onderbouwing van programma's noodzakelijk voor het verkrijgen van subsidie? Zo ja, is dit een harde voorwaarde voor het verkrijgen van subsidies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te overwegen over te gaan tot terugvordering van alle subsidies aan organisaties en stichtingen die zich niet baseren op wetenschappelijke methoden?
Zoals eerder benoemd worden de subsidies aan organisaties en stichtingen toegekend wanneer de onderbouwing voor de aanvraag voldoet aan de doelen en voorwaarden van de subsidieregeling, van het onderwerp en de reeds beschikbare kennis. Hierin is aandacht voor wetenschappelijke waarden zoals zorgvuldigheid, testbaarheid, repliceerbaarheid. Alle projecten worden zorgvuldig gemonitord en geëvalueerd. Daarbij komt dat in actieprogramma’s er ook ruimte moet zijn voor andere uitkomsten dan de conclusies die via een klassiek wetenschappelijk onderzoek tot stand komen. Ik zie daarom geen reden om over te gaan tot terugvordering van alle subsidies aan organisaties die zich niet baseren op bestaande wetenschappelijke methoden.
Het bericht ‘Teamchef politie niet meer welkom in Den Haag’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Teamchef politie niet meer welkom in Den Haag»?1
Ja. Meldingen over vermeende misstanden moeten en worden in de politieorganisatie altijd opgepakt.
Acht u het ook een goede zaak dat misstanden binnen de politie worden aangekaart?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met de heer Van Reenen, voormalig politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar politie en mensenrechten, eens dat mevrouw Aboulouafa «een vrouw met idealen is die bij de politie horen»?2
Zoals verwoord in mijn brief van 9 oktober jl. (Kamerstukken 29 628, nr. 909) is de korpschef verantwoordelijk voor het beheer van de organisatie, waaronder het personeelsbeleid. Daarom zal ik in de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op individuele casuïstiek. Wel vind ik, en samen met mij de korpschef, dat politiemedewerkers zich vrij moeten voelen om zich te uiten en kritisch te zijn binnen de grenzen van de ambtseed, dan wel belofte. Bij voorkeur gebeurt dit binnen de eigen organisatie, zodat waar mogelijk samen een oplossing gevonden kan worden. De politieorganisatie heeft verschillende mogelijkheden beschikbaar voor het bespreekbaar maken van deze signalen, zoals (maar niet uitsluitend) het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten en het Landelijk Meldpunt Misstanden. Ook besluit de politie binnenkort over de regeling klachten grensoverschrijdende omgangsvormen, voor formele klachten over deze specifieke ervaringen. Deze klachten worden onderzocht door de klachtencommissie grensoverschrijdende omgangsvormen. De klachtencommissie wordt per klacht samengesteld en bestaat uit interne medewerkers en externe personen met passende expertise. Daarnaast heeft de korpschef besloten een ombudsfunctionaris aan te stellen waar collega’s die in de knel komen terecht kunnen om te voorkomen dat ze vastlopen in de organisatie. De ombudsfunctionaris heeft directe toegang tot de korpsleiding en is een aanvulling op de reeds bestaande voorzieningen.
Schaart u zich achter de heer Van Reenen in zijn statement: «Ik gun de politie zijn Aboulouafa’s zeer»? Zo ja, c.q. zo nee, waarom?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u zich vinden in de lezing van de heer Van Reenen dat mevrouw Aboulouafa onvoldoende gehoor vond bij de politieleiding op het moment dat zij de misstanden intern aan het licht bracht? Zo ja, c.q. zo nee, waarom?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke wijze de politieleiding gehoor heeft gegeven aan de klachten van mevrouw Aboulouafa? Kunt u daarbij ingaan op elke individuele klacht en aangeven hoe met elke individuele klacht is omgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Welk signaal zendt de nationale politie volgens u uit met het wegsturen van mevrouw Aboulouafa naar mensen die misstanden binnen de nationale politie willen melden, zelfs als dit volgens u losstaat van de kritiek die zij op de organisatie had?
De korpschef heeft mij laten weten dat het opgezegde vertrouwen in de teamchef door haar directe collega’s losstaat van haar inhoudelijke kritiek op de misstanden. Dit heb ik als zodanig dan ook aan uw Kamer bericht in mijn brief van 15 oktober jl.4 De korpsleiding is op dit moment in gesprek met de teamchef en heeft bij haar een aanbod uitstaan om met een onafhankelijke externe verkenner naar een duurzame oplossing te zoeken. De korpschef is vanuit zijn rol verantwoordelijk voor het beheer van de organisatie, waaronder het personeelsbeleid. Daarom zal ik ook niet nader ingaan op individuele casuïstiek.
Kunt u toelichten op basis waarvan is besloten mevrouw Aboulouafa weg te sturen? Waar schuilt volgens u de grondoorzaak in van de vertrouwensbreuk?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u nogmaals bevestigen dat de vertrouwensbreuk tussen mevrouw Aboulouafa en de politieleiding volledig losstaat van haar kritische uitlatingen over de organisatie, zoals u aangeeft in uw brief aan de Kamer?3
Zie antwoord vraag 7.
Wat zeggen de klachten van mevrouw Aboulouafa en het gevolg dat hieraan is gegeven over de sociale veiligheid binnen het politieapparaat?
De politieorganisatie is een grote organisatie van 65.000 medewerkers die er naar streeft een veilige en inclusieve werkomgeving te realiseren en te behouden. Incidenten komen helaas voor, net als in iedere organisatie. Voor de korpsleiding staat echter voorop dat ongewenst gedrag wordt onderzocht en aangepakt. Onderwerpen als discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag dienen dan ook doorlopend de aandacht te krijgen. Dat is ook de blijvende inzet van de korpschef. De adviezen die de heer Boers geeft in zijn open brief, passen binnen het beleid van de korpschef m.b.t. diversiteit, inclusie en omgangsvormen, waarover ik uw Kamer in mijn brief van 3 september jl.5 geïnformeerd heb. Ik spreek in mijn reguliere overleggen met de korpschef regelmatig over de ontwikkelingen op dit gebied.
Heeft u een verklaring voor het feit dat uw visie en de visie van bijvoorbeeld mevrouw Aboulouafa of oud-adviseur Boers met betrekking tot de sociale veiligheid binnen de nationale politie uiteenlopen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Op grond van welke maatstaven evalueert u de sociale veiligheid binnen de politie?
De politie zet een aantal instrumenten in waarmee getoetst wordt in hoeverre veiligheid op de werkvloer wordt ervaren. Het belangrijkste instrument is het gesprek tussen de medewerker en de leidinggevende. Daarnaast kent de politie de MedewerkersMonitor, een anonieme uitvraag onder politiemedewerkers, onder meer over de sociale veiligheid en inclusiviteit op de werkvloer, die elke drie jaar plaatsvindt. De resultaten van de MedewerkersMonitor wordt in de teams besproken en waar nodig ondersteund door HR-specialisten. Indien nodig wordt ondersteuning geboden om verbeteringen aan te brengen die moeten leiden tot toename van medewerkers tevredenheid.
De korpschef heeft alle ruimte om ieder aanvullend onderzoek te doen wat hij nodig acht. In dat kader zie ik op dit moment aan mijn kant geen reden om aan te dringen op een nader onafhankelijk onderzoek. Daarbij heeft de korpsleiding mij gemeld dat de eenheidsleiding van Den Haag een externe evaluatie uit zal laten voeren naar de omgang met incidenten en signalen, zoals het signaal dat leidde tot het interne onderzoek bij bureau Hoefkade. Het doel is om leerpunten op te halen voor wat betreft de aanpak van signalen over misstanden in het algemeen. Het beleid dat de korpschef voert op dit onderwerp heeft tijd nodig. Mijn streven is om in het halfjaarbericht politie in het voorjaar van 2020 uw kamer hier nader over te informeren.
Hoe waarborgt u de waarheidsgetrouwheid van de gebruikte maatstaven en de hieruit volgende resultaten met betrekking tot sociale veiligheid binnen de nationale politie?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe staat u tegenover het laten uitvoeren van een mogelijk onderzoek naar de sociale veiligheid binnen de nationale politie, zoals eerder reeds door de Commissie Giebels bij het Ministerie van Defensie is gedaan?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt de bewering dat u het niet mogelijk acht een historisch overzicht van interne klachten van agenten én de genomen maatregelen te leveren? Zo ja, hoe komt dit? Zo nee, kan dit alsnog met de Tweede Kamer gedeeld worden?
Er is een onderscheid tussen klachten en disciplinaire maatregelen. In de eerdere Kamervragen die zijn gesteld over een veilig en inclusief werkklimaat is gevraagd naar de disciplinaire maatregelen. Die worden geregistreerd, doch niet eenduidig. In een zaak kan er sprake zijn van meerdere disciplinaire maatregelen naar aanleiding van meerdere soorten plichtsverzuim. De bestaande registratie is ontoereikend om zonder arbeidsintensief individueel dossieronderzoek de gevraagde informatie op te leveren. Daarom is in opdracht van de korpsleiding een landelijk systeem in ontwikkeling dat de Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK)- en HRM-processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf komend jaar in de jaarverantwoording worden opgenomen. Daarnaast heeft de politie op 7 november jl. een overzicht gepubliceerd met het aantal integriteitsschendingen per categorie over de jaren 2016, 2017 en 2018.6
Bent u bereid al deze vragen individueel te beantwoorden?
Zoals u ziet heb ik de keuze gemaakt om de antwoorden welke grotendeels overeenkwamen met elkaar samen te voegen.
Brabantse boeren die worden lastiggevallen door drugscriminelen maar geen aangifte doen. |
|
Henk Krol (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Brabantse boeren zwijgen over drugscriminelen, ze hebben meer last van de overheid»?1
Ja.
Klopt het dat de politie grotendeels is wegbezuinigd op het Brabantse platteland? Kunt u zorgen voor meer toezicht bijvoorbeeld door uitgebreide surveillance?
Nee, dat de politie grotendeels is wegbezuinigd op het Brabantse platteland klopt niet. In afstemming met het bevoegd gezag wordt er binnen de eenheden een keuze gemaakt in de veiligheidsproblematiek waarvoor politiecapaciteit wordt ingezet. Daarbij staat voorop dat informatie leidend is voor de inzet van politie en bij de prioritering geen onderscheid wordt gemaakt tussen stad of platteland. Voor wat betreft de aanpak van ondermijnende criminaliteit kan ik melden dat daar in Noord-Brabant voortdurend aandacht voor is. De politie staat hierin niet alleen, maar werkt samen met haar (keten)partners en is bekend met het gegeven dat buitengebieden extra aantrekkelijk kunnen zijn voor criminelen. Zowel de toezichthoudende taken, in de vraagstelling surveillance genoemd, als de werkzaamheden van de wijkagenten, worden conform afspraak met het bevoegd gezag uitgevoerd.
Is het Brabantse platteland het nieuwe Wilde Westen, gelet op het feit dat ruim 90% van de geënquêteerde boeren verdachte situaties niet meldt omdat de politie «toch niets doet»? Kunt u ervoor zorgen dat aangiftes van boeren over drugscriminaliteit prioriteit krijgen?
Het tegengaan van ondermijning is een van de gezamenlijke speerpunten van de politie, burgemeesters en Openbaar Ministerie in Noord-Brabant. Gezien de significante ondermijningsrisico’s in het agrarisch buitengebied wordt daar in samenwerking met meerdere partners geïnvesteerd in bewustwording en voorkoming van (ondermijnende) (drugs-)criminaliteit. Zo is de politie onder meer betrokken bij het door de Taskforce – RIEC Brabant-Zeeland geïnitieerde Project Agrarisch Buitengebied, dat als doel heeft de maatschappelijke weerbaarheid in het agrarisch buitengebied te vergroten en barrières op te werpen tegen ondermijning.
Naast controles van stallen en loodsen, wordt door het geven van voorlichting en het bieden van handelingsperspectief bijgedragen aan het vergroten van de weerbaarheid van agrariërs. Door de politie wordt daarbij onder meer aandacht besteed aan het melden van verdachte situaties via verschillende kanalen, zoals aan de wijkagent, maar ook via Meld Misdaadanoniem. Elke melding of aangifte op het vlak van ondermijning, waaronder drugscriminaliteit, wordt serieus genomen. Bij voldoende indicatie vindt opvolging plaats door de keten. Door voortdurend te investeren in het vormen van netwerken en coalities werkt de politie aan haar informatiepositie in de samenleving, maar ook aan het stimuleren van burgers om signalen van (ondermijnende) criminaliteit te melden of aangifte te doen van strafbare feiten.
Deelt u de mening dat de handhaving bij drugscriminaliteit volledig tekort schiet en dat daarmee de indruk wordt gewekt dat drugscriminelen vrij spel hebben, gelet op het feit dat de geënquêteerde boeren zeggen dat zij wel boetes krijgen als ze milieuregels overtreden, maar dat jonge drugscriminelen in dure auto’s rondrijden met hennep en pillen? Gaat u op korte termijn actie ondernemen om orde op zaken te stellen?
De mening dat de handhaving bij drugscriminaliteit volledig tekortschiet deel ik niet. Wel zijn de omvang van de georganiseerde criminaliteit en de toenemende greep daarvan op de samenleving zorgwekkend. Het kabinet heeft daarom bij zijn aantreden een stevige impuls gegeven aan de bestrijding van de ondermijnende criminaliteit, door € 100 miljoen incidenteel voor de zogeheten versterkingsplannen ter beschikking te stellen en € 10 miljoen structureel te investeren in de integrale aanpak. Naast deze financiële impuls wordt de aanpak verder versterkt door een ambitieus wetgevingsprogramma. In mijn brief van 18 oktober jl. heb ik uw Kamer de contouren van het brede offensief geschetst waarmee ik de georganiseerde ondermijnende criminaliteit verder wil terugdringen.2 Aansluitend op deze brief heb ik uw Kamer op 4 november jl. schriftelijk geïnformeerd over het kabinetsbesluit om bij najaarsnota € 110 miljoen beschikbaar te stellen ten behoeve van een voortvarende start van de uitwerking van het contourenplan.3
Kan het leger behulpzaam zijn bij het tegenhouden van drugscriminelen die de Brabantse boeren lastig vallen?
Nee, ik zie daar geen taak voor het leger weggelegd. Als een boer is lastiggevallen of bedreigd helpt militaire aanwezigheid op diens erf niet om de dreiging weg te nemen. Drugscriminelen zijn daarentegen kwetsbaar indien hun acties de aandacht van de politie trekken, waardoor zij onderwerp worden van onderzoek dat hun criminele handel kan verstoren. Daarom is het belangrijk dat boeren die door criminelen lastig worden gevallen daarvan aangifte doen. Ook worden boeren ondersteund door hen weerbaar te maken tegen de dreigingen en verlokkingen van drugscriminaliteit. Deze ondersteuning wordt onder andere geboden door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) dat in het kader van het Keurmerk Veilig Buitengebied samenwerkingsverbanden tussen boeren, gemeenten en deskundigen opzet en zogenaamde «ondermijningsavonden» voor boeren organiseert. Ook de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) ondersteunt met preventieve maatregelen en voorlichting. Verder organiseert het Platform Veilig Ondernemen ondernemer- alert bijeenkomsten waarin partners zoals RIEC, LIEC, Belastingdienst en gemeenten ondernemers vertellen hoe zij weerbaar kunnen zijn tegen criminelen. Deze bijeenkomsten zijn juist ook voor agrariërs bedoeld.
Wilt u in overleg met de Minister van Defensie een multidisciplinaire proef starten met de politie en de legerbasis Oirschot om de drugscriminaliteit krachtig aan te pakken en de drugscriminelen de stuipen op het lijf te jagen? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het debat over de drugsproblematiek van 11 september jl. heeft het lid Krol twaalf voorstellen gedaan ter bestrijding van de drugscriminaliteit. Eén van deze voorstellen betreft de inzet van het leger in de strijd tegen drugscriminaliteit. In antwoord op deze voorstellen heb ik toegezegd hier vóór de begrotingsbehandeling van 2020 schriftelijk op in te gaan. Ik zal in deze brief ook aandacht schenken aan de mogelijkheden voor samenwerking met Defensie.
Het bericht ‘Verdachte moord Bouwlust ontsnapte aan toezicht enkelband’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Verdachte moord Bouwlust ontsnapte aan toezicht enkelband»?1
Ja.
Klopt wat er in het artikel beweerd wordt, dat de verdachte van de moord op de 39-jarige vrouw in Den Haag een justitiabele is die zich had onttrokken aan het elektronisch toezicht?
Het openbaar ministerie (OM) laat weten dat betrokkene zich aan zijn elektronisch gecontroleerde toezicht onttrok nadat het strafbare feit plaatsvond waarvan hij wordt verdacht.
Is bekend voor welke delicten de justitiabele, die zich op 29 september onttrok aan het elektronisch toezicht, vastzat?
Het strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het OM is nog bezig. Daardoor kan ik uw vragen alleen beantwoorden door, in algemene zin, in te gaan op het detentieverloop. Dit doe ik op basis van door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), reclassering en het OM aangereikte informatie.
In 2013 werd betrokkene in Turkije veroordeeld tot een gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet. De uitvoering van deze straf werd overgedragen aan Nederland op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Medio 2019 oordeelde DJI dat betrokkene kon deelnemen aan een penitentiair programma. Die beslissing was gebaseerd op positieve adviezen van het OM, de reclassering en de politie. Aan het penitentiair programma werden meerdere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling, het verrichten van minimaal 26 uur arbeid per week en een locatiegebod met elektronische enkelband. Op 29 september 2019 onttrok betrokkene zich voor het eerst aan zijn elektronisch gecontroleerde toezicht.
Heeft deze verdachte zich al op een eerder moment onttrokken aan (elektronisch) toezicht?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er inschattingsfouten gemaakt bij het toewijzen van alleen elektronisch toezicht aan deze verdachte?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe vaak is het in de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat iemand in Nederland een levensdelict heeft gepleegd terwijl hij/zij onder elektronisch toezicht stond?
Hoe vaak sprake is van deze specifieke situatie wordt bij eerdergenoemde instanties niet actief, centraal geregistreerd. Op dit moment is geen informatie voorhanden waaruit blijkt dat er de afgelopen jaren enkelbanddragers zijn veroordeeld voor het begaan van een levensdelict.
Het artikel ‘Tbs’ers uit frustratie ontsnapt’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel «Tbs’ers uit frustratie ontsnapt»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Herkent u zich in dit artikel en in de signalen over personeelstekorten en personeelsverloop in de forensische zorg in bredere zin?
Ja. Ik herken deze signalen. Op de huidige arbeidsmarkt is sprake van een tekort aan goed geschoold specialistisch personeel. Dit was dan ook een van de redenen waarom ik in juli 2018 met de sector de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg heb getekend.2 Een speciaal daarvoor opgerichte Taskforce geeft uitvoering aan de afspraken die zijn gemaakt. Zo wordt met een gerichte arbeidsmarktcampagne ingezet op het aantrekken van gekwalificeerd personeel en wordt (zij-)instroom van nieuwe medewerkers naar de forensische zorg bevorderd. Dit moet bijdragen aan het terugdringen van het aantal openstaande vacatures en ervoor zorgen dat er meer goed opgeleid, ervaren personeel werkzaam is en blijft in de forensische zorg.
Op 18 oktober 2019 heb ik uw Kamer de eerste tussenrapportage van de Taskforce aangeboden. Hierin wordt ook ingegaan op de voortgang van de arbeidsmarktaanpak.3
Wat is de aard en omvang van deze personeelstekorten?
Ik heb geen zicht op de precieze omvang van de personeelstekorten. Het gaat in de forensische zorg overwegend om particuliere organisaties, waardoor er geen centraal overzicht van openstaande vacatures bestaat. Uit het onderzoek dat Andersson Elffers Felix (AEF) heeft gedaan naar de kwaliteit en veiligheid in de forensische zorg blijkt dat er begin 2018 een tekort was aan goed opgeleide, ervaren mensen die in de forensische zorg willen werken.4 Dat gold voor psychiaters, psychologen, verpleegkundigen en agogen. Sectorbreed bleek een groter tekort aan VOV’ers (verpleegkundig, opvoedkundig en verzorgend personeel, waaronder sociotherapeuten en agogisch medewerkers), dan aan psychiaters en psychologen.
Welk deel van de vacatures staat naar uw oordeel te lang open of is moeilijk vervulbaar?
Vacatures voor psychiaters, sociotherapeuten en agogen staan veelal doorlopend open. Dit betekent dat er wel vacatures worden opgevuld, maar dat er tegelijkertijd ook weer nieuwe vacatures ontstaan. Daarnaast zijn ook psychologen moeilijk te vinden.
Hoe verhoudt het personeelsverloop in de forensische zorg tot het verloop in de rest van de zorg?
Er zijn op sectoraal niveau geen cijfers beschikbaar over verloop en zijn daarom niet uit te splitsen. Het is in ieder geval bekend dat ook in de reguliere zorg sprake is van personeelstekorten vanwege krapte op de arbeidsmarkt.
Welke implicaties hebben de personeelstekorten voor de veiligheid en effectiviteit van de behandeling van mensen met een forensische zorgvraag?
In de brief bij de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg liet ik uw Kamer weten te zorgen voor financiële ruimte bij FPA’s en FPK’s om de druk op het verplegend en behandelend personeel te verlichten. Met deze middelen kunnen aanbieders personeel opleiden en nieuw personeel aannemen. Het ministerie heeft hiervoor 28,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. Hiermee heeft de sector ruimte om de kwaliteit en veiligheid in de forensische zorg weer op peil te brengen.
Daarnaast ontwikkelt de Taskforce samen met de sector een arbeidsmarktcampagne forensische zorg. De drie programmalijnen in deze aanpak focussen op werving van nieuwe medewerkers en behoud en ontwikkeling van huidige medewerkers. De aanpak wordt voor het einde van dit jaar gelanceerd. Verder ontwikkelt de Taskforce een opleidingsprogramma met daarin alle basiskennis voor de forensische zorgprofessional. Hierin wordt specifiek aandacht besteed aan risicogestuurd werken.
Welke aanpak en maatregelen staat u voor om zowel in te spelen op een krappere arbeidsmarkt als te voorkomen dat krapte aan personeel ten koste gaat van het terugdringen van recidive?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het overplaatsen van mensen naar een zwaarder alternatief, dan wel minder zwaar forensisch, dan wel civiel regime zo soepel en snel als mogelijk moet verlopen? Zo ja, hoe verloopt dit nu en welke verbetermogelijkheden ziet u hier?
Die mening deel ik zeker. Om dit nog beter te laten verlopen wordt vanuit de Taskforce het gebruik van trajectindicaties ingevoerd. Trajectindicaties geven richting aan het gehele traject van de patiënt in de forensische zorg, zodat niet bij iedere vorm van zorg een nieuwe indicatie geschreven moet worden. Dit zal leiden tot vermindering van administratieve lasten. Daarnaast is continuïteit van zorg een belangrijk aandachtspunt. Recent hebben zorgaanbieders en zorgverzekeraars duidelijke afspraken gemaakt over plaatsing op beveiligde reguliere bedden en werkt de zorgsector met een norm aan een levensloopfunctie en betere beschikbaarheid van beveiligde zorg. Deze personen worden nauwlettend gevolgd door een aangewezen zorgverlener (de «zorgregisseur») die ervoor zorgt dat zij de juiste zorg krijgen. Tot slot wordt er zowel vanuit de Taskforce als het programma forensische zorg ingezet op verbetering van de informatieoverdracht in de keten.
Bent u bereid deze vragen nog voor het debat over het melden van zware incidenten en het verlenen van verloven door tbs-klinieken te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Paspoortscanner op mobieltje vormt risico voor identiteitsfraude’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Paspoortscanner op mobieltje vormt risico voor identiteitsfraude»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Erkent u de risico’s voor identiteitsfraude die ontstaan nu er simpele telefoonapps bestaan die de chip op een paspoort kunnen scannen en uitlezen? Zo ja, wat doet u om deze risico’s te minimaliseren? Zo nee, waarom niet?
Steeds meer telefoons beschikken tegenwoordig over de technologie om via NFC2 chips uit te lezen. Met deze ontwikkeling zijn er ook apps gekomen die het uitlezen van de chip op paspoorten mogelijk maken. Het bestaan van deze telefoonapps introduceert echter geen nieuwe risico’s. Bij het uitlezen van de chip zijn dezelfde persoonsgegevens zichtbaar als bij het tonen van een paspoort of het verstrekken van een kopie. Bij het verstrekken van informatie uit een paspoort moet goed worden opgelet aan wie die informatie wordt verstrekt en waarom. Dit is ongeacht of het paspoort wordt getoond, gekopieerd of gescand.
De chip in paspoorten (en identiteitskaarten) is ingericht en beveiligd volgens de internationaal afgesproken standaarden. Hierdoor kan de chip wereldwijd geraadpleegd worden voor identificatie bij bijvoorbeeld een grensovergang. Daarnaast wordt de chip van paspoorten door veel overheidsinstanties geraadpleegd voor een efficiënte en foutloze verwerking van persoonsgegevens.
De chip op paspoorten kan alleen uitgelezen worden met behulp van een sleutel op basis van de machineleesbare strook (ook wel MRZ genoemd). Deze sleutel is alleen te raadplegen wanneer de MRZ zichtbaar is, daarvoor moet het document getoond of overhandigd worden. Hiermee wordt voorkomen dat deze chips door ieder willekeurig persoon van een afstand kunnen worden uitgelezen. De telefoonapps maken ook gebruik van de sleutel op basis van de MRZ om de chip te openen. De vingerafdrukken kunnen niet worden uitgelezen, die zijn extra versleuteld volgens de afspraken binnen de Europese Unie.
Wat is uw reactie op het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens dat het uitlezen van het burgerservicenummer (bsn) met name een risico vormt, waarbij bijvoorbeeld een bankrekeningnummer onder een valse naam geopend zou kunnen worden?
Aan alleen een burgerservicenummer (BSN) kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer er sprake is van identiteitsfraude zijn er meer persoonsgegevens bekend en gaat het bijvoorbeeld om de combinatie van NAW-gegevens (naam, adres en woonplaats) en/of bankgegevens. Het BSN is een administratief nummer en kan niet op zichzelf bepalend zijn voor de identificatie van personen.
In geval van het openen van een bankrekening moet een bank altijd een cliëntenonderzoek doen en als onderdeel hiervan de identiteit van de aanvrager controleren. Alle banken die in Nederland zaken doen zijn dit verplicht. Dit heeft als doel witwassen en financiering van terrorisme tegen te gaan. Deze identiteitscontrole is breder dan alleen controle op het BSN.
Beschikken de app-makers na het scannen van een paspoort zelf over de paspoortgegevens? Kan op basis van dit soort scans in feite een database gemaakt worden met persoonsgegevens van Nederlanders? Ziet u hier een risico op identiteitsfraude? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om dit tegen te gaan?
Het is mogelijk dat app-makers op deze manier over paspoortgegevens kunnen beschikken. Net als met iedere andere app bestaat er een mogelijkheid dat de maker een database opbouwt met informatie over personen die de app gebruiken. In geval van kwaadwillenden zou dit kunnen leiden tot identiteitsfraude. Op dit moment is er bij mij geen geval van identiteitsfraude bekend als gevolg van het gebruik van een app die de chip in paspoorten scant. Vanzelfsprekend is het belangrijk dat men goed let op wat voor apps op een telefoon worden geplaatst en of het nodig is daarmee identiteitsbewijzen uit te lezen dan wel persoonsgegevens daarin op te geven.
Verwerking van persoonsgegevens moet voldoen aan de AVG. De AVG geldt ook voor partijen die apps aanbieden voor mobiele telefoons. In de gebruikersvoorwaarden moeten de app-makers dus duidelijk aangeven of en welke persoonsgegevens zij verwerken en hoe zij daarmee omgaan.
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 30 september jl.3 vermeldde, zie ik dat met de toename van het digitaal uitlezen van paspoorten en identiteitskaarten het niet altijd duidelijk is of het BSN wordt verwerkt of niet. Dit is vooral het geval bij de digitalisering van processen bij organisaties die persoonsgegevens uit paspoorten en identiteitskaarten verwerken voor hun administratie. Daarom heb ik bij de verplaatsing van het BSN naar de QR-code besloten het BSN ook niet in de chip terug te laten komen. De QR-code is dan de enige manier om het BSN geautomatiseerd te verwerken en er staan in de QR-code geen andere gegevens opgenomen dan het BSN. Daardoor is het duidelijker wanneer het BSN wordt verwerkt of niet. Vanzelfsprekend blijf ik ontwikkelingen op het gebied van identiteitsfraude volgen om te bepalen of er maatregelen nodig zijn.
Kunt u toelichten waarom u certificering of toestemming voor het op de markt brengen van deze chiplezers niet nodig acht?
Scanapparatuur van paspoorten en identiteitskaarten wordt gebruikt bij veel verschillende instanties die personen moeten identificeren of de persoonsgegevens uit een paspoort of identiteitskaart verwerken. Voor verwerking van persoonsgegevens is de AVG leidend. Ook apps die persoonsgegevens verwerken moeten aan de AVG voldoen.
Certificering of toestemming van scanapparatuur / chiplezers betekent extra voorschriften en toezicht naast de AVG. Dit leidt tot een grote toename aan administratieve lasten die niet in verhouding staat tot het risico dat hier aan de orde is. Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen van identiteitsfraude als gevolg van het gebruik van deze apparatuur.
Hoe beoordeelt u het risico op identiteitsdiefstal bij het plaatsen van een QR-code op paspoorten? Bent u het eens met de uitspraak van Maarten Wegdam, ceo van ReadID, dat dit de kans op identiteitsdiefstal vergroot omdat het makkelijker te vervalsen is dan een chip? Zo nee, waarom niet?
De QR-code is zelf geen echtheidskenmerk, maar wel onderdeel van een identiteitskaart of een paspoort met meerdere echtheidskenmerken. Op het moment dat de QR-code wordt vervalst of gemanipuleerd komt de uitgelezen informatie niet meer overeen met de informatie op het paspoort of de identiteitskaart. Daarom ben ik het niet eens met de uitspraak dat de QR-code de kans op identiteitsdiefstal vergroot omdat een QR-code makkelijker te vervalsen is dan een chip.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Vincent Böhre van Privacy First dat een QR-code nog steeds makkelijk is uit te lezen en dat het bsn volledig moet verdwijnen van paspoorten en andere legitimatiebewijzen?
Het BSN staat op Paspoorten en identiteitskaarten, omdat BSN-verwerkende instanties wettelijk verplicht zijn te controleren of een BSN hoort bij de persoon waarvan de persoonsgegevens worden verwerkt. Het weglaten van het BSN op deze documenten verplaatst de risico’s naar het alternatief dat dan gebruikt wordt om aan deze wettelijke controleplicht te voldoen.
De QR-code is bedoeld om het BSN eenvoudig en efficiënt uit te kunnen lezen door BSN-verwerkende instanties terwijl het BSN niet meer in de MRZ op de voorzijde van de houderpagina van paspoorten vermeld staat. Burgers hoeven het BSN dan niet meer onleesbaar te maken op een kopie van het paspoort wanneer het BSN niet noodzakelijk is voor de ontvangende instantie. Dit voorstel heb ik getoetst bij de Autoriteit Persoonsgegevens. De uitkomsten daarvan heb ik met uw Kamer gedeeld op in mijn brief van 30 september jl.4
Zoals ik in vraag 3 al opgemerkt heb kunnen aan het BSN alleen geen rechten worden ontleend. Wanneer er sprake is van identiteitsfraude zijn er meer persoonsgegevens bekend. Het volledig weglaten van het BSN draagt overigens niet bij aan de oplossing van identiteitsfraude met gegevens van paspoorten en identiteitskaarten. Identiteitsfraude is vooral het gevolg van onjuiste of onvolledig uitgevoerde identificatieprocessen. Bijvoorbeeld door de identificatie te baseren op een kopie van een paspoort. Bestrijding van identiteitsfraude moet ten eerste gezocht worden in de robuustheid van identificatieprocessen. Binnen deze processen moet voldoende aandacht zijn voor controle van de identiteit en de echtheidskenmerken op een paspoort of identiteitskaart.
De veroordeling van Catalaanse politici en protestleiders |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de veroordeling en de rechtsgang tegen negen Catalaanse politici en protestleiders door de Spaanse staat?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven hoe de veroordeling van de twee protestleiders – omdat zij opriepen tot vreedzaam protest – zich verhoudt tot artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin de vrijheid op protest geregeld is, en artikel 10 van het EVRM waarin de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd?2 3
Wat is uw reactie op het oordeel van International Commission of Jurists (ICJ) dat de veroordeling van de negen Catalaanse leiders in strijd is met mensenrechten? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Vindt u het verstandig om de wens tot meer autonomie via juridische weg – en uiteindelijk lange celstraffen – te bestrijden? Steunt u bijvoorbeeld de oproep van voetbalclub FC Barcelona om dit conflict via een politieke dialoog op te lossen?5 Kunt u uw antwoorden toelichten?
Erkent u dat het een lidstaat van de Europese Unie niet past om in strijd met de mensenrechten te handelen? Zo ja, wat gaat u ondernemen richting uw Spaanse collega?
Bent u bereid om de Spaanse regering op te roepen een politieke dialoog aan te gaan? Zo neen, waarom niet?
Milieucriminaliteit |
|
Maarten Groothuizen (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe waarborgt u dat er bij de regionale eenheden van de politie voldoende kennis aanwezig is over milieucriminaliteit en bijzondere wetten die daarmee samenhangen?
Bij de politie zijn in elke eenheid (inclusief de landelijke eenheid) milieurechercheteams (350 fte) en informatierechercheurs (47 fte) ingericht die zich, samen met de bijzondere opsporingseenheden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Inspectie Leefomgeving & Transport, richten op de aanpak van milieucriminaliteit. Naast deze recherchecapaciteit zijn er in elk basisteam milieuagenten (taakaccenthouders) actief (400 fte) en heeft de politie een milieuexpertisecentrum (5 fte), ondergebracht bij de landelijke eenheid. Deze milieuspecialisten worden hiervoor speciaal opgeleid binnen de Politieacademie. De Politieacademie kent, naast korte bijscholingstrajecten, vier opleidingstrajecten, te weten de module Milieuagent, de module milieu-informatie, de module Milieurechercheur en de opleiding Recherchekundige met afstudeerrichting Milieucriminaliteit.
In 2018 is er binnen de milieurechercheteams een traject gestart om te komen tot een professionele standaard voor iedere milieurechercheur.
Kunt u per regionale eenheid benoemen of die kennis voldoende beschikbaar is voor de basisteams en de diensten in die regionale eenheid? Indien er onvoldoende kennis beschikbaar is, kunt u dan de knelpunten benoemen?
De beschikbare kennis is per politie-eenheid gemiddeld hetzelfde. De regionale eenheden weten voldoende mensen met vakkennis over milieucriminaliteit voor de politie te behouden. De expertfuncties binnen de milieuteams in de regionale eenheden en de landelijke eenheid zijn overeenkomstig het daarvoor opgestelde personele formatieplan.
Slagen regionale eenheden er in om mensen met vakkennis over milieucriminaliteit binnen de politie te houden door ze een concurrerend salaris te bieden via bijvoorbeeld de Expertfuncties? Kunt u uw antwoord onderbouwen door per regionale eenheid aan te geven hoeveel Expertfuncties van het type A, B, C en D zijn vervuld als het gaat om milieucriminaliteit?
Zie antwoord vraag 2.
Welk beeld heeft u op dit moment van de illegale vogelvangst in Nederland? Kunt u uw antwoord onderbouwen met cijfers?
De controle op het vangen van vogels ligt sinds 2017 bij de provincies, daarom zal ik hier geen beeld of cijfers voor gegeven.
Kunt u per regionale eenheid uiteenzetten wat de surveillancecapaciteit is om stroperij en het illegaal ringen van vogels te handhaven? Acht u dit voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u er aan doen?
De politie werkt samen met de buitengewone opsporingsambtenaren van de natuurorganisaties en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Signalen van stroperij worden binnen het milieuopsporingsproces behandeld en kunnen leiden tot opsporingsonderzoeken of interventies op lokaal niveau. Zodra er sprake is van signalen die wijzen op stroperij kan hier via het lokale driehoeksoverleg aandacht voor gevraagd worden.
Kunt u vanaf 2017 tot nu per jaar cijfermatig uiteenzetten hoe vaak er een aanhouding heeft plaats gevonden voor het vissen naar paling zonder vergunning?
Aanhoudingen naar aanleiding van het vissen zonder vergunning op specifiek paling worden door de politie niet als zodanig geregistreerd. De registratie-systemen maken het daardoor niet mogelijk om een overzicht te geven van het aantal aanhoudingen voor het vissen naar paling zonder vergunning of voor het vissen met vergunning buiten het gebied waar de vergunning geldig was.
Kunt u dat eveneens doen voor aanhoudingen waar er wél sprake was van een vergunning, maar dat de betreffende vergunning geen betrekking had op het gebied waar de visser is aangehouden voor het vissen naar paling?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe groot schat u het risico in dat door een gebrek aan toezicht u een noemenswaardig aantal misstanden in de stroperij – waaronder palingstropen en illegale vogelvangst – niet signaleert?
Omdat stropen een vorm van haalcriminaliteit is, is de kans groter dat misstanden niet worden gesignaleerd dan bij vormen van criminaliteit waarbij er een slachtoffer is dat melding of aangifte doet.
Hoe vaak is er het afgelopen jaar door controle illegaal afval op transport naar het buitenland aangetroffen op grond van de groene-lijstprocedure, terwijl autoriteiten in kennis hadden moeten worden gesteld op basis van de kennisgevingsprocedure van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA)?
De regie op controles op illegaal afvaltransporten naar het buitenland ligt bij de Inspectie Leefomgeving & Transport, die samenwerkt met de dienst Infra van de politie. Hiervoor is een gezamenlijke regiegroep ingericht, het TIEC (Transport Informatie Expertise Centrum).
Het afgelopen jaar (2019) zijn er eenentwintig transporten aangetroffen waarvoor niet aan kennisgevingsplicht volgens de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) was voldaan. In 2018 waren dit zevenenveertig transporten en in 2017 betrof het eenendertig transporten zonder kennisgeving. Bovendien zijn er tien transporten aangetroffen waarvoor een verbod geldt voor export naar het land van bestemming. In 2018 waren dit er acht en in 2017 betrof het zeven transporten waarvoor een verbod geldt.
De Inspectie Leefomgeving & Transport treedt in geval van een illegaal transport of een transport zonder kennisgeving op conform haar handhavingsstrategie.
Kunt u voor de afgelopen drie jaren per jaar benoemen hoe vaak deze vorm van fraude is aangetroffen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke vormen van subsidiefraude komen er in de milieucriminaliteit het meest voor? Kunt u uw antwoord met cijfers van de bij u bekende gevallen onderbouwen?
Het milieudomein beslaat een grote hoeveelheid bedrijfstakken met specifieke (milieu)wetten en -voorschriften. Deze milieuregelgeving bevat ook veel subsidieregelingen. In theorie kan met iedere subsidieregeling gefraudeerd worden.
Door het Openbaar Ministerie is in lopende strafzaken geconstateerd dat onder andere gefraudeerd wordt met subsidies met betrekking tot covergisting, subsidies in de veehouderij en GMO-subsidies (Gemeenschappelijke marktordening).1 Er zijn geen exacte cijfers te geven over het aantal subsidiefraudezaken die verband houden met milieucriminaliteit, omdat het geen apart registratiekenmerk betreft.
Hoeveel gevallen van mestfraude zijn er sinds 2017 bij u bekend als het gaat om overtreding van de meststoffenwet en valsheid in geschrifte? In hoeveel van die gevallen is er voorts ten onrechte subsidie ontvangen als het gaat om (co-)vergisting?1
Mestfraude komt veelal binnen via toezicht of het Team Criminele Inlichtingen. Voor de uitvoering van de SDE+-regeling ontvangt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit inspectierapporten voor zover deze van invloed zijn op de subsidieverlening voor duurzame energie. Dit heeft geleid tot correcties op twee SDE-beschikkingen in/over 2016, geen correcties in/over 2017 en (voorlopig) vijf correcties op SDE-beschikkingen in/over 2018. Deze correcties zijn deels nog in de fase van definitieve afhandeling of zijn onderdeel geworden van bestuursrechtelijke procedures.
Het Openbaar Ministerie behandelt jaarlijks tussen de 150 en 200 strafzaken die verband houden met mestfraude. Mestfraude is in zichzelf geen in de wet opgenomen strafbaar feit, maar het formeel-juridische strafbare karakter van mestfraude kan zich uiten in de vorm van de overtreding van verschillende milieuwetten, waaronder de meststoffenwet, of door valsheid in geschrifte.
Er zijn vier vormen van mestfraude te onderscheiden.
Fraude met covergisting. Dit is een proces waarbij mest en andere organische stoffen (co-materiaal) worden vergist ter opwekking van energie. Fraude kan zich voordoen als stoffen worden gebruikt die niet zijn toegestaan als co-materiaal, of als meer dan 50% van het totale aandeel van het vergiste materiaal uit co-materialen bestaat en het digestaat uit dit proces wordt gebruikt als mest.
Fraude met de aan- en afvoer van mest en drijfmest. Uit onderzoeken blijkt dat er wordt gefraudeerd met het ophalen, transporteren, afleveren, bemonsteren, wegen en verantwoorden van mest. Het doel hiervan is de mestafzetkosten te drukken. Worden meer (dierlijke) meststoffen op landbouwgrond gebruikt dan toegestaan, dan wordt daarover (indien dit wordt geconstateerd) een bestuurlijke boete geheven door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Daarnaast worden meststromen bewust versluierd om bestuurlijke boetes van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit te ontlopen. Er lopen diverse strafrechtelijke onderzoeken.
Fraude in de melkveesector. Deze verschijningsvorm is rond 25 januari 2018 in het nieuws gekomen als «meerlingfraude». Dat is onjuiste registratie van kalveren ter ontduiking van het fosfaatrechtenstelsel. Het Openbaar Ministerie krijgt hiervoor jaarlijks tientallen proces-verbalen aangeleverd.
Fraude met dierrechten. Kort gezegd houdt deze vorm van fraude in: meer koeien, varkens of kippen houden dan volgens de betreffende wet in verband met de fosfaatproductie is toegestaan. Het Openbaar Ministerie doet jaarlijks tientallen zaken en zet hierbij ook in op ontnemingsvorderingen die fors kunnen zijn. Verkrijging van dierrechten is erg kostbaar en daarom is frauderen hiermee al snel een lucratieve business.
Hoe gaat die subsidiefraude in zijn werk? Op welke manieren wordt er toezicht gehouden en controle uitgeoefend op het gebruik van die subsidie?
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de Kamer geïnformeerd over subsidiefraude in de brief van 11 juli 2019.3 Dit naar aanleiding van berichtgeving in de media over deze vorm van fraude. Als bijlage bij die brief is ook de Kabinetsreactie op een bestuurlijk signaal van het Landelijk Informatie en Expertise Centrum meegestuurd. In dit al eerder gepubliceerde bestuurlijk signaal, het rapport «Covergisting: duurzame energie of afvallozing?», hebben de handhavingsdiensten hun ervaringen over fraude bij covergisting weergegeven. In de subsidiefraudebrief is aangegeven dat een deel van het bestuurlijk signaal niet openbaar is gemaakt omdat kwaadwillenden gebruik zouden kunnen maken van in de bestuurlijke signalen gesignaleerde leemtes in opsporingsgevoelige informatie. Om die reden wil ik ook in deze beantwoording niet dieper op de fraude ingaan dan reeds is gedaan in genoemde brief van 11 juli jl. In die brief is daarnaast aangegeven hoe toezicht en controle op het gebruik van subsidies plaatsvinden en is ingegaan op de wijze waarop de samenwerking tussen Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en andere handhavingspartners is geïntensiveerd.
Toezicht bij covergisters wordt uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Er vinden controles plaats op de voeding van de vergisters, waarbij gekeken wordt of er tenminste 50% dierlijke mest wordt gebruikt en welke afval- en reststoffen er gebruikt zijn. De tijdigheid, volledigheid en juistheid van dit logboek is een belangrijk inspectiepunt. Er wordt getoetst of de gebruikte stoffen passen binnen de categorieën zoals genoemd in Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Indien het zogenaamde G-lijst stoffen betreft, moet de vergister een recente analyse laten zien, welke moet borgen dat de normen voor zware metalen en organische microverontreinigingen niet worden overschreden. Zo nodig kan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, bij twijfel, monsters van de stoffen nemen en ter analyse aan het referentielaboratorium van Wageningen Food Safety Research zenden.
Per 2019 is in de SDE+- subsidievoorwaarden opgenomen dat aan de meststoffenwetgeving dient te worden voldaan. Bij het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden kan de subsidie worden bijgesteld of zelfs worden stopgezet. Door de SDE+- subsidievoorwaarden te koppelen aan de meststoffenwetgeving kan door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ook een efficiëntere risicoanalyse gemaakt worden op basis waarvan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de mogelijkheid heeft om meer gericht bedrijfscontroles uit te voeren. Producenten die voor de productie van duurzame energie gebruik maken van biomassa, zijn voor grote installaties op basis van de GVO-regeling verplicht een jaarlijkse biomassaverklaring te laten opstellen door een accountant. Door bovengenoemde wijzigingen kunnen accountants nu beter controleren of de verhouding aan biomassaproducten die producenten inzetten in hun covergistingsinstallaties volgens de richtlijnen is.
Wat gebeurt er met de subsidies die door de overheid zijn verstrekt, indien een bedrijf wordt verdacht en/of veroordeeld vanwege een milieudelict? Worden deze stopgezet en teruggevorderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak is dit de afgelopen drie jaar voorgekomen en hoeveel subsidie is daadwerkelijk teruggevorderd? Is het juridische kader om subsidies te stoppen en terug te vorderen, naar uw oordeel afdoende? Zo nee, welke stappen gaat u nemen om dat te veranderen?
Voor wat betreft de SDE+-regeling worden bij afwijkingen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland correcties toegepast op de SDE-beschikkingen (zie ook het antwoord op vraag 12). Dat betekent dat naar aanleiding van NVWA-rapporten wordt vastgesteld of er sprake is van een lagere subsidiabele energieproductie of een andere categorie in de SDE-regeling. Er kan ook sprake zijn van fraude of vermoedens van fraude. In dat geval wordt de onterecht uitbetaalde subsidie teruggevorderd. Op dit moment zijn er geen fraudezaken voor covergisting bekend.
Kunt u enig inzicht geven in de omvang van de milieuschade als gevolg van mestfraude en illegale verwerking van afvalstoffen? Welke mogelijkheden heeft u en wat doet u om deze schade aan te pakken?
De milieuschade als gevolg van de fraude bij covergisting is eerder in beeld gebracht in het kader van de evaluatie «Nut en risico's van covergisting»4, die werd uitgevoerd door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet, samen met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, de Technische Commissie Bodem en diverse diensten van de toenmalige ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu. De evaluatie gaf aan dat, als het beleid wordt nageleefd, er geen sprake is van onaanvaardbare risico's voor mens, dier en milieu. Het rapport constateerde ook dat er incidenteel restmaterialen zijn gebruikt die niet zijn toegestaan, maar dat leidde volgens de deskundigen niet tot grote milieuproblemen.
De milieuschade door andere mogelijke vormen van illegale afvalverwerking hangt af van het type afval en allerlei omstandigheden. Kennis over de schade door dumping van afval van de productie van drugs zit bij provincies en gemeenten. Illegale transporten van afgedankte elektrische apparaten naar ontwikkelingslanden kunnen aldaar tot milieu en gezondheidsschade leiden. De Nederlandse overheid heeft de taak om de illegale transporten tegen te gaan. Elektronisch afval is een van de prioriteiten in het toezicht door de Inspectie Leefomgeving & Transport.
De aanpak van milieuschade in Nederland is over het algemeen een zaak voor de gemeente of provincie. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor maatregelen tegen verontreiniging van regionaal oppervlaktewater.
Heeft u voldoende grip op de handelaren in afvalstoffen waarvan de administratie van fabrieken «vaak niet in overeenstemming [is] met de werkelijkheid»? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet en welke stappen wil u gaan zetten om dit te verbeteren?2
In 2016 is er een bestuurlijk signaal opgesteld rond de covergistings-problematiek. Dit signaal is in 2018 door het Landelijk Informatie en Expertise Centrum naar de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Justitie en Veiligheid, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Economische Zaken en Klimaat. Hiervoor verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag 13.
Klopt het dat stropers steeds vaker gebruik maken van luchtdrukwapens met een schotkracht van meer dan 80 joule waarvoor geen vergunningplicht geldt? Kunt u uw antwoord onderbouwen aan de hand van een trendbeschrijving door middel van cijfers?
Hiervan zijn geen cijfers voorhanden, net zomin als een landelijke trendbeschrijving. Dit is mede een gevolg van het ontbreken van een vergunningplicht.
Wat is de huidige stand van zaken als het gaat om het wetgevingstraject voor het wijzigen van de Wet wapen en munitie (Wwm) zodat er een vergunningplicht gaat gelden voor luchtdrukwapens met een schotkracht hoger dan 80 joule?3
Een concept voor een wetsvoorstel met nadere eisen aan het bezit van zware lucht-, gas of veerdrukwapens bevindt zich in de afrondende fase. Kern van dit wetsvoorstel is om dergelijke wapens met een schotkracht van meer dan 80 joule vergunningplichtig te maken. Voor het bezit hiervan gelden dan dezelfde regels als voor vuurwapens. Ik verwacht dit voorstel op korte termijn in consultatie te kunnen brengen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat er nu geen vergunningplicht bestaat voor lucht-, gas- en veerdrukwapens waarvan de kinetische mondingsenergie die van verboden vuurwapens overschrijdt?4
Zie antwoord vraag 18.
Ziet u daarin een risico? Kunt u uw antwoord op recente feiten en cijfers baseren over veiligheidsincidenten met lucht-, gas- en veerdrukwapens?
In de brief aan de Tweede Kamer van 13 april 2016, Kamerstukken 33 033, nr. 18,8 heeft de toenmalig staatsecretaris van Justitie en Veiligheid voor wat betreft het aantal incidenten getallen genoemd. Deze waren gebaseerd op schattingen en betroffen de periode 2011–2015. In deze brief is ook uitleg gegeven over de beslissing om voor zwaardere luchtdrukwapens een vergunningplicht in te voeren.
De recente door het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerde aantallen zijn:
Jaar
Aantal luchtdruk-incidenten
Aantal incidenten met gewonden
Aantal gewonden
Aantal incidenten zonder gewonden
2015
102
10
10
11
2016
68
5
5
11
2017
80
6
19
5
2018
63
4
4
5
2019 tot nu toe
53
5
5
11
totaal
366
30
43
43
Het «Aantal schietincidenten zonder gewonden» betreft het aantal incidenten waarbij wel (bewust) op mensen is geschoten maar waarbij geen verwondingen zijn gemeld.
Alleen in 2017 zijn er meerdere incidenten geweest waarbij meerdere gewonden per incident werden geregistreerd.
Welke mogelijkheden ziet u om de politie vast te laten stellen dat een luchtdrukwapen een schotkracht heeft van meer dan 80 joule om zo de bij u in voorbereiding zijnde wetgeving te kunnen gaan handhaven?
De politie beschikt niet over de mogelijkheid om vast te stellen of een luchtdrukwapen een schotkracht heeft van 80 joule of meer. De opgave van de fabrikant over het aantal joules kan gezien worden als leidraad, maar geeft geen zekerheid dat het betreffende luchtdrukwapen dit aantal joules afgeeft. Door slijtage op door aanpassingen kan dat minder of meer zijn dan opgegeven. Het Nederlands Forensisch Instituut kan de schotkracht vaststellen door middel van een technisch onderzoek.
Klopt het dat de politie op dit moment afgaat door het opgegeven aantal joules door de fabrikant? Zo nee, hoe handhaven ze dan wel? Zo ja, acht u dit voldoende?
Zie antwoord vraag 21.
Waarom maakt de politie geen gebruik van test- en meetapparatuur om de schotkracht te meten?
De politie beschikt niet over apparatuur om de schotkracht te meten. Schotkrachtmetingen van vuurwapens worden onder andere door het Nederlands Forensisch Instituut gedaan. Aangezien voor luchtdrukwapens (nog) geen schotkrachtgrens geldt, is er op dit moment geen aanleiding of reden voor de politie om over test- en meetapparatuur voor dit doel te beschikken.
Het bericht dat Breda willens en wetens in strijd met de wet voorwaarden verbindt aan het afgeven van een briefadres |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Breda willens en wetens in strijd met de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) voorwaarden verbindt aan het afgeven van een briefadres?1
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat ook in afwachting van de in voorbereiding zijnde aangescherpte wet, gemeenten vanuit de Wet BRP de plicht hebben tot inschrijving?2
Ja, de plicht van gemeenten tot inschrijving is al opgenomen in de Wet BRP. Met de wetswijziging die in gang gezet is, wordt alleen geëxpliciteerd dat gemeenten verplicht zijn een burger ambtshalve te registreren op een briefadres indien betrokkene geen woonadres heeft en zelf ook geen aangifte doet of kan doen van een briefadres.
Is Breda naar uw mening ook één van de gemeenten die de regels onjuist hanteert, evenals u dat eerder constateerde bij onder andere Rotterdam, Weert en Vlissingen?3
Breda kiest er naar eigen zeggen bewust voor om een kleine groep zorg mijdende daklozen dichtbij en in beeld te houden door de inschrijving in de BRP aan te houden. Hoe goed bedoeld ook, aanhouden van inschrijving om die reden is niet toegestaan. De wet kent op dit onderwerp een dwingend regime waarvan niet bij beleidsregel mag worden afgeweken. Beleidsregels en/of interne werkafspraken mogen het recht (en plicht) van inschrijving zelf niet aantasten.
Bent u bereid om Breda aan te spreken op het stellen van bovenwettelijke eisen bij het afgeven van een briefadres, zoals u dat eerder deed bij andere gemeenten?
Ik heb de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens contact laten opnemen met de gemeente Breda. Daarnaast heb ik de gemeente Breda er per brief op gewezen dat zij handelen in strijd met de wet.
Het bericht ‘Veel meer ongevallen, veel minder politie op snelweg’ |
|
Rutger Schonis (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel meer ongevallen, veel minder politie op snelweg»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het rapport van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek voor Verkeersveiligheid (SWOV) dat het wegvallen van politietoezicht de mogelijk belangrijkste oorzaak is van de verslechterde verkeersveiligheid in ons land? Zo nee, welke oorzaken herkent u dan?
Het onderzoek van SWOV «Verkeershandhaving op Nederlandse autosnelwegen» is gericht op de verkeershandhaving. Er is geen onderzoek gedaan naar andere mogelijke oorzaken van de toename van het aantal ongevallen op snelwegen in de afgelopen jaren. Zoals ook in het rapport aangegeven, zijn er meerdere factoren die een rol kunnen spelen. Verder schetst het rapport geen beeld van de totale inzet op verkeershandhaving op snelwegen in de afgelopen jaren. De focus ligt op de inzet van de Landelijke Eenheid en niet op de inzet van de regionale eenheden die de afgelopen jaren meer handhaven op snelwegen. Het totaalaantal verkeersboetes door staande houdingen op snelwegen is sinds 2012 redelijk stabiel.
Vindt u het onacceptabel dat de verkeersveiligheid achteruit gaat?
Ja. Het is de inzet van het kabinet om de verkeersveiligheid te laten toenemen. Daartoe is vorig jaar het Strategisch Plan Verkeersveiligheid opgesteld waarin onder meer aandacht wordt gevraagd voor een integrale aanpak op het gebied van infrastructuur, educatie en handhaving.
Hoe verklaart u de stijging aan aantal kop-staartbotsingen en eenzijdige bermongevallen?
In het rapport «Dodelijke verkeersongevallen op rijkswegen in 2017» (R-2019–8) dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat uw Kamer op 5 augustus 2019 heeft aangeboden,2 worden kop-staartbotsingen en eenzijdige bermongevallen genoemd als belangrijke ongevalstypen met dodelijke afloop. Uit dat rapport van de SWOV blijkt dat verkeersongevallen ontstaan door een variëteit aan mogelijke oorzaken. Zo wordt gewezen op de weginrichting, inclusief berm, die weinig ruimte biedt voor menselijke fouten, spelen voertuigdefecten een rol en zijn oorzaken als onoplettendheid en/of bewust risicogedrag van de weggebruiker een oorzaak.
Welke consequenties verbindt u aan de stijgende verkeersongevallen en het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) waarin een ambitie is opgenomen om het aantal verkeersslachtoffers naar nul terug te brengen?
Vanwege het stijgend aantal verkeersslachtoffers is eind vorig jaar met het SPV ingezet op een nieuw gezamenlijk verkeersveiligheidsbeleid met overheden, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Deze aanpak is risicogestuurd; weten welke verkeersveiligheidsrisico’s er zijn en op basis daarvan maatregelen treffen. Iedere partner pakt dit op vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. Onze ambitie is daarbij duidelijk: nul verkeersslachtoffers in 2050, want elk slachtoffer is er één te veel.
Een analyse van de SWOV van de dodelijke ongevallen op rijkswegen uit 2017 geeft ons inzicht in de risico’s op ernstige verkeersongevallen. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden genomen. Hierbij kan gedacht worden aan het programma «Meer Veilig» van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat dat inzet op het veiliger inrichten van bermen. Verder worden filegevoelige locaties voorzien van verkeerssignalering en kan aan de hand van verkeersveiligheidsanalyses worden bepaald waar de inzet van de politie het meest effectief is.
Bent u bereid om de conclusies en resultaten van het SWOV-rapport te verwerken en te vertalen in het SPV? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «Effectievere radarcontroles en surveillance maken snelweg veiliger»?2
Ja.
Was u voor de verschijning van dit bericht op de hoogte van de negatieve wederkerige relatie tussen verkeerscontroles en de veiligheid op de snelwegen?
Ja. Verkeershandhaving is, na een veilige inrichting van de infrastructuur en educatie, een belangrijk instrument dat de overheid ter beschikking staat ter verhoging van de verkeersveiligheid.
Kunt u toelichten hoe de situatie zich heeft kunnen ontwikkelen dat het overgrote deel van de selectie van radarsnelheidslocaties gekozen blijkt te zijn op grond van algemene criminaliteitsopsporing in plaats van verkeershandhaving?
De combinatie van radarsnelheidscontroles op autosnelwegen met de opsporing van criminaliteit leidt tot een efficiëntere inzet van politiepersoneel. Wij hebben uw Kamer al eerder geïnformeerd over het feit dat handhaving plaatsvindt op plaatsen en tijdstippen waar het effect van het optreden optimaal is.4 De keuze van de locaties wordt altijd bepaald door de relevantie voor de verkeersveiligheid.
Kunt u aantonen welke positieve resultaten met betrekking tot opsporingsdoeleinden de onevenwichtige selectie van radarsnelheidslocaties heeft opgeleverd? Bent u tevreden met de resultaten en de gemaakte afweging om opsporingsdoeleinden de overhand te geven op verkeersveiligheidsdoeleinden?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe staat u tegenover het in gebruik nemen en doorontwikkelen van het door de stuurgroep gecreëerde data-instrument, de Analysetool Handhaving, om radarsnelheidslocaties gerichter te selecteren? Welke partijen bent u van plan hierbij te betrekken?
Wij staan positief tegenover het initiatief van Rijkswaterstaat, het Openbaar Ministerie en de politie om de Analysetool Handhaving in gebruik te nemen en door te ontwikkelen. Dit instrument draagt eraan bij dat de locaties voor radarcontroles op basis van de risico’s beter kunnen worden gekozen.
Bent u bekend met het fenomeen van stoorzenders, zoals voorinformatie via apps als Flitsmeister, die de subjectieve pakkans, en hiermee de verkeersveiligheid, negatief beïnvloeden?
Weggebruikers moeten zich aan de maximumsnelheid houden, ongeacht of er verkeerscontroles plaatsvinden of niet.
Systemen die weggebruikers informeren over politie- en radarcontroles zijn mij bekend. De systemen dragen bij aan de bekendheid van de handhavingsinzet van de politie. Dit is een van de aanbevelingen uit het rapport van de SWOV. Het is algemeen bekend dat dergelijke applicaties niet voor alle controles waarschuwen waarmee enige onvoorspelbaarheid van politiecontroles behouden blijft. Bovendien kan informatie over de handhavingsinzet van de politie juist ook bijdragen aan de subjectieve pakkans.
Kunt u toelichten wat uw standpunt ten aanzien van dergelijke stoorzenders is? Ziet u dit als een goede of slechte ontwikkeling en ziet u voor het kabinet dan ook een rol om het gebruik van dergelijke apps overeenkomstig met deze kwalificatie te promoten of te beteugelen? Waarom wel? Waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe staat u tegenover de aanbeveling om een apart beleidsplan op te stellen voor verkeershandhaving op autosnelwegen? Indien positief, bent u bereid om per aanbeveling aan te geven hoe u gehoor geeft aan de conclusies uit dit onderzoeksrapport?
De driehoek voor het hoofdwegennet, zijnde het parket CVOM, Rijkswaterstaat en de politie komen regelmatig bijeen en maken afspraken over de verkeershandhaving op de autosnelwegen. Deze afspraken worden jaarlijks vastgelegd in een operationeel plan. Een aanvullend beleidsplan voor de verkeershandhaving is dan ook niet nodig.
Het rapport «Verkeershandhaving op de Nederlandse autosnelwegen» en de conclusies worden in dit gremium besproken. Hiermee wordt voldaan aan de toezegging van de Minister van IenW tijdens de begrotingsbehandeling IenW. Bij de beantwoording van vraag 11 wordt ook al positief ingegaan op een van de conclusies, de doorontwikkeling van de Analysetool Handhaving.
Bent u van mening dat handhaving ook extra dient te worden toegespitst op het dragen van verkeersgordels? Hoe kwalificeert u in het licht van de onderzoeksresultaten de uitspraak van de Minister van Economische Zaken en Klimaat dat hij zelf af en toe «een beetje stout is» en kiest zijn verkeersgordel niet te gebruiken?3 Welk beeld geeft de Minister-President af door de Minister van Economische Zaken en Klimaat hierin bij te vallen?
Het dragen van een gordel is en blijft van cruciaal belang bij het waarborgen van de verkeersveiligheid en het voorkomen van (ernstige) ongevallen. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft VVN en de ANWB hierop geattendeerd conform haar toezegging in de eerdergenoemde brief van 5 augustus jl. Daarnaast heeft zij de collega-bewindslieden Wiebes en Rutte gewezen op het belang van het dragen van de gordel en hun voorbeeldfunctie in dezen. De bewindslieden hebben hierop aangegeven een symbolisch geldbedrag over te maken aan VVN en voortaan de gordel te dragen.
Hoe bent u van plan de tekortschietende samenwerking van het Team Elektronisch Verkeerstoezicht (EVT) en de landelijke eenheid van de politie samen met de verkeerspolitie te verbeteren?
De chefs verkeerspolitie van de regionale eenheden en landelijke eenheid komen regelmatig in overleg samen om ontwikkelingen, best practices en handhavingsconcepten te bespreken. Een voorbeeld is de ontwikkeling van de digitale handhaving en nieuwe methoden van handhaving aangaande afleiding op autosnelwegen en onderliggend wegennet. Er gaat daarnaast extra aandacht uit naar de doorontwikkeling van het gebruik van de Analysetool Handhaving.
Ziet u heil in het intensiveren van trajectcontroles om de positieve effecten van snelheidscontroles over een langere afstanden te continueren? Zo ja, hoe bent u van plan dit aan te pakken?
In het Landelijk Actieplan bij het SPV heeft een van de actiepunten betrekking op trajectcontroles. Het OM heeft samen met de politie en de wegbeheerders in kaart gebracht of er in Nederland locaties op N-wegen zijn die op grond van de verkeersveiligheid in aanmerking komen voor het plaatsen van een trajectcontrolesysteem. Het gaat hierbij met name om de provinciale wegen, omdat op deze wegen per gereden kilometer gezien veel verkeersslachtoffers vallen en handhaving met trajectcontrolesystemen een effectieve en efficiënte manier is om de naleving van de geldende snelheidslimiet op deze wegen te bevorderen. Er zijn 20 locaties geïnventariseerd. Het is de verwachting dat een deel van deze systemen dit jaar aan gaat en de overige systemen in 2020.
Het bericht ‘Protestmars in Beverwijk om geweld jongerenbende’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Protestmars in Beverwijk om geweld jongerenbende»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de problematiek rondom de zogenoemde Pilotenbende in de Pilotenbuurt van Beverwijk?
Ja.
Kunt u aangeven hoe lang de problematiek rondom de Pilotenbende in Beverwijk al speelt en wat de situatie exact is?
Sinds het najaar van 2018 is er in Beverwijk overlast door vandalisme, bedreigingen en intimidatie door een groep jeugdigen. De groep jeugdigen wordt in de media de Pilotenbende genoemd naar de wijk Pilotenbuurt. Hier staat de school waar de eerste incidenten plaats hebben gevonden. Inmiddels staat de problematiek echter los van de Pilotenwijk en komen de 60 tot 80 jongeren uit zowel Beverwijk als Heemskerk.
Dit kabinet zet in op de zorg voor een veilige woonomgeving en het bestrijden van overlast. Het is dan ook buitengewoon kwalijk en onacceptabel dat buurtgenoten erg veel last ervaren van het gedrag van deze jongeren. De vernielingen, bedreigingen en intimidatie zorgen voor een onveilige woonomgeving en dit is onwenselijk.
De gemeente heeft mij aangegeven dat zij alle mogelijke middelen hebben ingezet om de jongeren aan te pakken. Er zijn camera’s geplaatst, er is een samenscholingsverbod ingesteld en er zijn gebieds- en contactverboden opgelegd.
Ook de politie en het Openbaar Ministerie hebben tegen de jongeren opgetreden. Er is extra handhaving ingezet en er is vervolging ingesteld. Met als resultaat dat de overlast is verminderd, maar nog niet voorbij is. De gemeente Beverwijk, Heemskerk, de politie en het OM blijven zich inzetten om de overlast zo snel mogelijk te beëindigen.
Bent u het eens met de mening dat het onacceptabel is dat tientallen jongeren, al langere tijd, beroofd en mishandeld worden door deze bende en dat omwonenden hun kinderen ‘s avonds niet meer over straat durven te laten gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waar het aan ligt dat de politie in Beverwijk aangeeft moeite te hebben met de aanpak van de Pilotenbende en hoe dit opgelost kan worden?
Ik heb van de korpschef begrepen dat het in de media geschetste beeld niet wordt herkend door de politie. De politie heeft meerdere verdachten – waaronder een aantal jeugdigen – opgespoord en hun dossier overgedragen aan het openbaar ministerie. Een deel van deze verdachten is inmiddels veroordeeld of wordt vervolgd. De politie blijft aangiften en meldingen van strafbare feiten en overlast onderzoeken.
Daarnaast zet de politie actief in op de ondersteuning en begeleiding van het burgerparticipatie initiatief dat in het kader van extra toezicht in de wijk is opgezet. De politie werkt daarbij samen met (o.a. handhavers van) de gemeente Beverwijk en het openbaar ministerie.
Heeft u kennisgenomen van de oproep van de burgemeester van Beverwijk voor meer ondersteuning? Zo ja, welke acties heeft u hier concreet op ondernomen? Zo nee, bent u bereid om contact op te nemen met de burgemeester van Beverwijk om te kijken op welke manier ervoor gezorgd kan worden dat inwoners van Beverwijk zich weer vrij en veilig kunnen bewegen in hun eigen buurt?
Op dit moment doen zowel de politie als de gemeente er alles aan om de intimidaties, vernielingen en bedreigingen tegen te gaan. Hoewel het hier om een lokale verantwoordelijkheid gaat van de lokale driehoek, vindt er reeds overleg plaats tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de gemeente Beverwijk over hulp bij de verdere aanpak. Zoals gezegd wordt er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat de inwoners van Beverwijk zich weer veilig kunnen bewegen in hun eigen buurt.
Bent u van mening dat een integrale persoonsgerichte daderaanpak, zoals bijvoorbeeld het Top600 programma zoals we kennen uit Amsterdam, hier een bijdrage kan leveren? Zo ja, hoe kan een dergelijk programma met spoed opgezet worden in de Pilotenbuurt in Beverwijk? Zo nee, waarom niet en wat zijn volgens u dan opties voor Beverwijk?
De problematiek rondom de jongeren, die vaak minderjarig zijn, dient in een groter verband gezien te worden en heeft ook te maken met de sociale omgeving waarin de jongeren zich bevinden. In Beverwijk is daarom reeds een integrale, dadergerichte aanpak van kracht zoals de Top600 uit Amsterdam.
In samenwerking met de gemeente Heemskerk wordt er gebruik gemaakt van een persoonsgerichte aanpak waarbij de daders en de families van de daders in beeld zijn. In het kader van deze aanpak zet de gemeente in op een sociale aanpak in samenwerking met lokale partners, zoals het Veiligheidshuis en de scholen, en is er een meldpunt jeugdoverlast ingesteld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden gezien de onhoudbare situatie voor veel inwoners van de Pilotenbuurt in Beverwijk?
Ja.
Het fiscaal aftrekken van de kosten voor het telen van eigen cannabis |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eigen cannabis op voorschrift fiscaal aftrekbaar»?1
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kosten van eigen teelt cannabis aftrekbaar zijn als de cannabis door de dokter is voorgeschreven?
De uitspraak van de Hoge Raad is van de belastingkamer en ziet op de aftrekbaarheid van uitgaven voor specifieke zorgkosten. In deze zaak was de vraag aan de orde of de cannabis op voorschrift van een arts was verstrekt. Dit voorschrift is een voorwaarde om een farmaceutisch hulpmiddel in aftrek te kunnen brengen. Bij deze fiscale vraag is een oordeel omtrent de legaliteit van de cannabis in kwestie als zodanig niet aan de orde.
De Wet inkomstenbelasting 2001 heeft als kader (art. 6.17, eerste lid, onderdeel c) dat farmaceutische hulpmiddelen die op voorschrift van een arts worden verstrekt aftrekbaar zijn als specifieke zorgkosten. In deze zaak staat vast dat de arts had geconstateerd dat zijn patiënt, die lijdt aan de ziekte van Crohn, geen baat had bij via de apotheek te verstrekken medicinale cannabis en dat deze arts had ingestemd met het gebruik van door de patiënt zelf gekweekte cannabis. Daarmee was in ieder geval aan de voorwaarde «op voorschrift van een arts» voldaan.
Zoals ik in antwoorden op eerder gestelde Kamervragen2 over dit onderwerp heb aangegeven is verstrekking van medicinale cannabis via de apotheek bijna altijd toereikend. In zoverre is in deze zaak sprake van een uitzonderingssituatie.
De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat het begrip «verstrekt» een verdergaande betekenis heeft dan dat het farmaceutische hulpmiddel voorgeschreven is door een arts. De Belastingdienst zal, zoals het gebruikelijk is te doen, vanaf de datum van de uitspraak van de Hoge Raad deze wetsuitleg van de Hoge Raad toepassen voor de kosten van zelfgekweekte cannabis voor medicinale doeleinden.
Wat zijn de consequenties van deze uitspraak voor het huidige beleid rondom de thuiskweek van cannabis?
De uitspraak van de Hoge Raad betreft zoals aangegeven een fiscale kwestie en geen strafzaak. Om die reden heeft deze uitspraak geen gevolgen voor het strafvorderlijk beleid ten aanzien van de teelt van cannabis.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat cannabis die thuis geteeld wordt echt iets anders is dan medicinale cannabis. Het huidige beleid ten aanzien van medicinale cannabis verandert niet op grond van deze uitspraak.
Zoals ik ook in mijn eerdere antwoorden over medicinale cannabis heb aangegeven, kan het gebruik van cannabis, dat niet via de apotheek wordt verkregen, schadelijk zijn voor de gezondheid doordat het niet gecontroleerd is
geteeld en dus niet van constante en farmaceutische kwaliteit is. Daarnaast kan het een risico voor de gezondheid opleveren als een contra-indicatie niet wordt opgemerkt.
Medicinale cannabis is momenteel in vijf variëteiten beschikbaar. Elk van deze variëteiten is van constante en farmaceutische kwaliteit zodat de arts en patiënt er zeker van kunnen zijn dat de gebruikte variëteit steeds dezelfde inhoudsstoffen en sterkte bevat en vrij is van pesticiden en andere schadelijke stoffen. Het verstrekken via de apotheek is ook van belang om te controleren dat het niet intervenieert met eventuele andere geneesmiddelen die de patiënt gebruikt.
Cannabisolie mag iedere bereidingsapotheek in Nederland maken als magistrale bereiding. De apotheken die dit momenteel al doen, zijn in staat om alle soorten verhoudingen te bereiden die de arts, in overleg met de patiënt, voorschrijft.
Voor wat betreft de mogelijke consequenties van de uitspraak op het huidige beleid rondom thuis telen van cannabis verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe staat deze uitspraak van de Hoge Raad in verhouding tot het gegeven dat thuis gekweekte cannabisplanten voor medicinale doeleinden door de politie na meldingen of tips nog vaak geruimd worden?
De uitspraak van de Hoge Raad verandert niets aan het feit dat het telen van cannabis op grond van de Opiumwet is verboden. Van «thuis telen voor medicinale doeleinden» kan binnen het kader van de Opiumwet geen sprake zijn. Het telen voor medicinale doeleinden kan alleen als daartoe een ontheffing is verleend door de Minister van VWS. Dat is bij thuisteelt niet het geval. Bezit, handel, verkoop en productie van cannabis is strafbaar. Echter, binnen het landelijk kader dat gesteld wordt door de Opiumwet en de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie (OM), worden vijf planten of minder gezien als een kleine hoeveelheid voor eigen gebruik en wordt er in principe niet vervolgd. Als de politie al dan niet bij toeval vijf of minder planten aantreft zal de politie deze planten in de regel wel in beslag nemen. De uiteindelijke beslissing om in een zaak al dan niet te vervolgen is aan de officier van justitie.
Bent u bereid naar aanleiding van deze uitspraak lokale driehoeken op te roepen af te spreken niet te handhaven bij maximaal 5 cannabisplanten als er een doktersverklaring aanwezig is?
Ik zie geen aanleiding om een dergelijke oproep te doen. Het is aan de lokale driehoeken om prioriteiten te stellen in de opsporing en vervolging, ook als het gaat om handhaving van de Opiumwet. Zij doen dit binnen de landelijke richtlijnen die worden gegeven door de Aanwijzing Opiumwet en de richtlijn Strafvervolging Opiumwet. Ook kan de driehoek afspraken maken over de inzet van bestuursrechtelijke instrumenten, zoals 13b Opiumwet. Het is niet aan mij om op te treden in deze lokale afspraken.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Bergkamp over onderzoek naar de werking van medicinale cannabis en de motie-Bergkamp over onderzoek onder kinderen met epilepsie?2
Het Bureau Medicinale Cannabis (BMC) heeft in overleg met mij een aantal onderzoeksvragen geformuleerd. ZonMW schrijft hiervoor een onderzoeksprogramma en de verwachting is dat ZonMW dit programma nog dit jaar openbaar maakt en (onderzoeks)instellingen zich kunnen inschrijven hiervoor.
Het kennis- en expertisecentrum SEIN heeft samen met BMC een onderzoeksvoorstel geschreven voor translationeel onderzoek naar het effect van cannabis op patiënten met een ernstige vorm van epilepsie. Het onderzoeksvoorstel is in de tweede beoordelingsronde afgevallen. Op dit moment zijn SEIN en BMC in overleg over de vervolgstappen om het onderzoek toch doorgang te laten vinden.
Het bericht 'Ik heb een paar mannen pissed off gemaakt , interview Fatima Aboulouafa teamchef politie' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met Fatima Aboulouafa, teamchef politie?1
Ja.
Kunt u mij een overzicht verschaffen van de huidige bezetting van de zogenaamde top 61 van de Nederlandse politie? Kunt u in dit overzicht in ieder geval opnemen de namen van betrokkenen en de datum van aanstelling in hun huidige functie?
De strategische top wordt gevormd door de leden van de korpsleiding, de leiding van de regionale- en de landelijke eenheid, de stafdirecteuren van de directies van de Staf Korpsleiding, de directeur politiedienstencentrum en de diensthoofden van de diensten van het politiedienstencentrum.
De politie en de Algemene Bestuursdienst informeren via nieuwsberichten over nieuwe benoemingen binnen de politietop. In deze nieuwsberichten maken zij ook telkens bekend vanaf welke datum de benoeming ingaat. Hierbij treft u een overzicht aan van deze openbare informatie.
De strategische top van de politie bestaat uit:
Bent u bekend met leiderschapsprogramma Strategische Posities Politie? Klopt het dat dit programma is gestart in 2017 en dat het programma bedoeld was om divers talent binnen een termijn van 1 tot 3 jaar zich versneld door te laten ontwikkelen naar de strategische top van de politie? Kunt u aangeven met hoeveel mensen dit programma in 2017 van start is gegaan?
Ja, De politie werkt met het leiderschapsprogramma strategische top, kortweg LST. Eind 2017 heeft de selectie voor deelname in het programma plaats gevonden. Voorziene lengte van het traject is tussen 1 – 3 jaar, tot het moment waarop de deelnemer benoembaar is verklaard voor een strategische toppositie. Dit is afhankelijk van de professionele- en persoonlijke ontwikkeling van de persoon. De trajectduur is per persoon verschillend omdat de profielen van de instromers divers zijn en de ontwikkelstap om naar het strategische niveau door te groeien variatie kent. Tijdens het programma verandert de deelnemer van context. Zij gaan functioneren, toegevoegd aan een eenheidsleiding of aanverwante andere management development-plek op strategisch niveau, gelijk aan het niveau van de strategische top.
Het programma is gestart in februari 2018 met zeven deelnemers. In juni 2018 zijn er drie deelnemers gestart, in september 2019 één deelnemer en in november 2019 start nog één deelnemer.
Hoeveel mensen zijn er tot dit moment succesvol uitgestroomd uit dit leiderschapsprogramma binnen de politie? Hoeveel mensen uit dit programma zijn er buiten de politie gaan werken en om welke redenen zijn zij bij de politie vertrokken? Hoeveel mensen uit dit programma zijn nu actief binnen de top 61 van de politie? Zitten er nog mensen in het programma die wachten op een plek?
In totaal zijn vanaf februari 2018 11 deelnemers gestart. Daarnaast zal één deelnemer in november dit jaar starten. Er is één deelnemer succesvol uitgestroomd uit het leiderschapsprogramma en benoemd binnen de strategische top van de politie. Eén deelnemer is na een detachering buiten de politie (als onderdeel van het leiderschapsprogramma) succesvol en in goed overleg uitgestroomd naar deze organisatie. Van de overige negen deelnemers is één deelnemer als onderdeel van het leiderschapsprogramma gedetacheerd bij het Openbaar Ministerie. Zij functioneren allen op een management development-plek. Van deze negen deelnemers zijn vier deelnemers in oktober dit jaar benoembaar verklaard voor een strategische topfunctie (zij vullen deze functie nu nog niet in). Vijf deelnemers zijn nog niet benoembaar verklaard voor een strategische topfunctie en draaien nog volledig mee in het Leiderschapsprogramma.
De laatste stand van zaken rondom de aanschaf van tweeduizend bodycams |
|
Niels van den Berge (GL), Monica den Boer (D66), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u zich het bericht herinneren van de politie op 24 april 2019 waarin werd gesteld dat er tweeduizend bodycams aangeschaft zouden worden?1
Ja.
Is de aanbestedingsprocedure in gang gezet? Zo ja, is er al een leverancier in beeld en welke? Zo nee, waarom zijn reeds een half jaar later nog geen wezenlijke stappen gezet?
Ja, de aanbesteding is in gang gezet. De doorlooptijd van de aanbestedingsprocedure is negen tot twaalf maanden. Nu duidelijk is voor welk doel de politie de bodycam zal inzetten, is er meer nodig dan alleen de feitelijke inkoop van bodycams. Zo is gebleken dat het effect dat met de inzet van de bodycams nagestreefd wordt, slechts kan worden gerealiseerd indien de beheerorganisatie, de opleidingen, de technische voorzieningen en de lokale begeleiding allemaal op orde en in samenhang georganiseerd zijn. Dat betekent dat er naast de aanbestedingsprocedure ook organisatorische aanpassingen nodig zijn.
Wanneer verwacht u dat de tweeduizend bodycams zijn aangeschaft en operationeel inzetbaar zijn?
De verwachting is dat eind 2020 alle bodycams (in fasen) aangeschaft en operationeel inzetbaar zijn. De start van de operationele inzet is mede afhankelijk van de planning van de opleidingen en de inrichting van de beheerorganisatie. Vooruitlopend op de aanbesteding heeft de politie mij laten weten dat er 376 bodycams operationeel inzetbaar zijn. Deze bodycams zijn, binnen de grenzen van een eerder raamcontract, aangeschaft ten behoeve van de proeftuinen. Deze bodycams zullen na de aanbesteding geheel worden vervangen.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Sander Flight getiteld «Evaluatie pilot bodycams Politie Eenheid Amsterdam 2017–2018» waaruit blijkt dat het dragen van bodycams de veiligheid verbetert?
Ja. De pilot bodycams in de eenheid Amsterdam heeft laten zien dat het dragen van de bodycam op zichzelf niet zozeer de veiligheid verbetert, maar dat het dragen van de bodycam effect heeft op het gedrag van zowel de burger als de politiemedewerker. Het gebruik van de bodycam versterkt het de-escalerend vermogen van de politieambtenaar. Politiemedewerkers die een bodycam dragen, voelen zich veiliger. Uit de pilot blijkt dat er minder agressie en geweld wordt gebruikt tegen politieambtenaren die uitgerust zijn met een bodycam.
Uit een reeks onderzoeken2, die in lijn liggen met elkaar, wordt geconcludeerd dat er, om het de-escalerend effect te bereiken, bijzondere aandacht nodig is voor organisatorische en psychologische begeleiding van de politieambtenaar die de bodycam draagt. Alleen dan wordt het gewenste resultaat behaald. Dit maakt tevens duidelijk waarom er een zorgvuldige voorbereiding van deze implementatie nodig is.
Deelt u niettemin de mening dat er zéér heldere wettelijke richtlijnen noodzakelijk zijn om niet alleen de privacy van agenten maar ook de privacy van burgers te waarborgen bij de operationele inzet van bodycams?
Ja. De wettelijke grondslag voor de inzet van de bodycams en het verkrijgen van de bodycam opnames is gelegen in artikel 3 van de Politiewet. De verwerking van de opnames vindt plaats op basis van de Wet politiegegevens. Deze wettelijke grondslag is verder uitgewerkt in het Inzetkader Bodycams.3 De gebruikers van de bodycam en hun collega’s worden geïnstrueerd in het toepassen van het Inzetkader en de privacyaspecten die hierin zijn opgenomen.
Om te bereiken dat alleen opnames worden bewaard die nodig zijn voor de normale taakuitvoering van de politie, heeft de politie een extra beperking opgelegd. Die beperking houdt in dat binnen 28 dagen nadat de bodycam is gebruikt, moet zijn vastgesteld of de opname noodzakelijk is voor het doel waarvoor ze is verkregen. Alle vastgelegde opnamen die niet als zodanig worden aangemerkt worden binnen die termijn vernietigd. De politie heeft in het Inzetkader ook benoemd hoe moet worden om gegaan met de privacy van politiemedewerkers en hierover instemming gekregen van de centrale ondernemingsraad.
Zodra de definitieve keuze voor de technische infrastructuur achter de nieuwe bodycams is vastgesteld en de keuze voor de inrichting van de beheerorganisatie duidelijk is, wordt er tevens een nieuwe gegevensbeschermingseffectbeoordeling4 opgesteld.
In het eerste halfjaarbericht politie van 20195 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het juridisch kader dat de politie nu gebruikt en de mogelijkheid dat dit moet worden aangevuld. Ik laat dat op dit moment onderzoeken en zal uw Kamer in het tweede halfjaarbericht politie van 2019 informeren over de uitkomst van dat onderzoek. Mocht het nodig zijn om het juridisch kader aan te vullen, dan kan dat gevolgen hebben voor de doorlooptijd van de aanbestedingsprocedure.
Ziet u een rol weggelegd voor de operationele inzet van de bodycam om etnisch profileren tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De politie voelt al jaren de noodzaak om actie te ondernemen tegen etnisch profileren. De bodycam zal daar niet voor worden ingezet. In mijn antwoord op vraag 4 gaf ik aan dat ervoor is gekozen om de bodycam in te gaan zetten ter versterking van het de-escalerende vermogen van de politiemedewerker. Het Inzetkader bodycams, de afweging in welke situatie een politiemedewerker zal worden uitgerust met een bodycam, de instructie van de dragers, enz. is gericht op het inzetdoel «versterking de-escalerend vermogen».
De politie heeft er voor gekozen om etnisch profileren terug te dringen aan de hand van bewustwording via het basispolitieonderwijs, trainingen en door instructie van de politiemedewerkers. Eind 2017 heeft de politie het Handelingskader Proactief controleren6 7 gepresenteerd. In dit handelingskader wordt onder andere uitgelegd hoe politiemensen burgers op objectiveerbare gronden selecteren voor een controle, hoe belangrijk een goede uitleg is en hoe de politie de staande gehouden mensen goed kan bejegenen. Ook staat erin dat het belangrijk is om te reflecteren op de uitgevoerde controle: is het goed gegaan?
Wordt de Nationale ombudsman geraadpleegd bij de implementatie van de bodycam, aangezien deze al eerder het ministerie adviseerde betreffende het gebruik van de bodycam? Zo ja, kunt u toelichten hoe de Ombudsman precies zal worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
In het eerste halfjaarbericht politie van 20198 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het onderzoek van de Nationale ombudsman naar het gebruik van bodycams door de politie. De Nationale ombudsman heeft in 2017 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van bodycams door de politie. De bevindingen zijn ter harte genomen en zijn verwerkt in het definitieve Inzetkader Bodycams.
De Nationale ombudsman heeft mij destijds laten weten geen nieuw onderzoek te starten. Wel geeft de Ombudsman aan de ontwikkelingen te blijven volgen en vragen te zullen stellen als zij daartoe aanleiding zien. De politie neemt periodiek zelf het initiatief om de Nationale ombudsman te informeren over haar vorderingen en over aanpassingen in het Inzetkader.
Het bericht Gedwongen uitgehuwelijkte Fatima: ‘Meisjes zoals ik worden verkocht als golden tickets’ van Hart van Nederland |
|
Niels van den Berge (GL), Kathalijne Buitenweg (GL), Nevin Özütok (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht Gedwongen uitgehuwelijkte Fatima: «Meisjes zoals ik worden verkocht als golden tickets» in Hart van Nederland, gepubliceerd op 5 oktober 20191, waarin gemeld wordt dat op grote schaal jonge, meerderjarige meisjes met een niet-westerse migratieachtergrond uitgehuwelijkt worden door hun ouders, en dat die gedwongen huwelijken veelal gepaard gaan met seksueel misbruik en huiselijk geweld? Deelt u de mening dat dit een zeer ernstige situatie is die zo snel mogelijk ten einde moet komen?
Ik ben bekend met dit bericht. Dit is zeer ernstig en schrijnend. Iedereen heeft het recht om te trouwen met wie hij of zij wil. Dat is een belangrijke vrijheid in Nederland. Het gedwongen worden tot trouwen is onacceptabel. Jonge meisjes moeten hiertegen beschermd worden en verdienen onze hulp als zij onverhoopt toch worden gedwongen tot een huwelijk. Daarom werken de Minister van VWS en ik samen aan een actieagenda schadelijke traditionele praktijken. Hierin worden per verschijningsvorm, waaronder ook huwelijksdwang, maatregelen opgenomen, zoals de eerder aangekondigde communicatie-instrumenten om de bewustwording te vergroten.2. Uw Kamer ontvangt de actieagenda eind 2019.
Acht u het waarschijnlijk dat jonge vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond in Nederland uitgehuwelijkt worden door hun ouders? Welke cijfers zijn hierover beschikbaar? Op welke trends duiden deze cijfers? Ziet u mogelijkheden voor een onderzoek om dit preciezer in kaart te brengen?
Precieze en betrouwbare cijfers over de omvang van huwelijksdwang in Nederland ontbreken. Dit komt omdat huwelijksdwang een complex en vaak verborgen fenomeen is. In 2014 is er een schatting gedaan door het Verwey-Jonker Instituut. Hieruit kwam naar voren dat in 2011 en 2012 tussen de 674 en 1.914 gevallen zouden kunnen zijn geweest van huwelijksdwang.3 Omdat er over andere perioden geen gegevens beschikbaar zijn, kan niet worden gesproken over trendontwikkelingen. Uit het eerdergenoemde onderzoek bleek verder dat huwelijksdwang voorkomt in diverse religieuze en etnische gemeenschappen in Nederland. Het merendeel van de gevallen betreft slachtoffers met een niet-westerse migratieachtergrond, maar het komt ook voor in groepen uit andere westerse landen. In het onderzoek is niet gekeken naar wie de slachtoffers dwingt tot een huwelijk.
Als onderdeel van de eerder genoemde actieagenda wordt momenteel bekeken of er beter zicht kan worden verkregen op deze problematiek en de effectiviteit van de huidige maatregelen. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Waar kunnen vrouwen die slachtoffer zijn van een gedwongen huwelijk naartoe om hun probleemsituatie te melden en bescherming te zoeken? Bent u van mening dat deze hulp effectief is? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, bent u bereid te laten onderzoeken hoe dit effectiever kan?
Vrouwen die slachtoffer zijn van een gedwongen huwelijk kunnen contact opnemen met Veilig Thuis en bij acute onveiligheid met de politie. Veilig Thuis zal – waar nodig met andere partijen – beoordelen wat nodig is om de veiligheid van het slachtoffer zeker te stellen. Veilig Thuis heeft ook de opdracht om slachtoffers, in overleg met gemeenten, een passend hulpaanbod te bieden. Als onderdeel van de onder vraag 1 genoemde actieagenda wordt bekeken of de huidige maatregelen en de beschikbare hulpverlening effectief zijn. In het geval een Nederlands slachtoffer van huwelijksdwang zich in het buitenland bevindt, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) of het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA). BZ stelt vervolgens samen met het LKHA vast of daadwerkelijk sprake is van huwelijksdwang. Is dat het geval dan zetten BZ en LKHA zich samen in voor een veilige terugkeer van het slachtoffer naar Nederland.
Welke rol hebben medewerkers in het sociaal domein en het onderwijs bij het oppikken van signalen en het helpen van vrouwen die slachtoffer zijn van gedwongen huwelijken?
Ruim één miljoen professionals uit verschillende domeinen, zoals, zorg, kinderopvang, justitie en het onderwijs vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze professionals moeten bij vermoedens van huwelijksdwang, net als bij andere vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling, de stappen van de meldcode doorlopen. Dit kan leiden tot een melding bij Veilig Thuis.
Bent u van mening dat het huidige recht voldoende middelen biedt om gedwongen huwelijken tegen te gaan? Zo ja, waarom? Zo nee, ziet u mogelijkheden de wet op dit vlak aan te scherpen?
De wet biedt verschillende mogelijkheden om gedwongen huwelijken tegen te gaan. Een huwelijk dat onder dwang zal worden gesloten, kan door in de wet aangewezen partijen worden gestuit.4 Indien een huwelijk onder dwang is gesloten, kunnen in de wet aangewezen partijen verzoeken om een nietigverklaring van het huwelijk.5 Met de inwerkingtreding van de Wet tegengaan huwelijksdwang in 2015 is het aantal partijen dat hierom kan verzoeken uitgebreid. Op dit moment wordt de doelmatigheid en effectiviteit van deze wet geëvalueerd. Hierover wordt uw Kamer eind dit jaar geïnformeerd. Daarnaast is huwelijksdwang – als vorm van dwang – strafbaar gesteld onder art. 284 Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling hierop is het opzettelijk lokken van iemand naar het buitenland met het oogmerk tot (huwelijks)dwang strafbaar gesteld onder art. 285c Sr.
Onderdeel van de onder vraag 1 genoemde actieagenda is een verkenning naar de juridische mogelijkheden om verschillende vormen van schadelijke traditionele praktijken, waaronder huwelijksdwang, tegen te gaan. In deze verkenning wordt onderzocht of er nog aanvullende (juridische) mogelijkheden zijn om gedwongen huwelijken tegen te gaan. Hier wordt de uitkomst van de evaluatie van de wet tegengaan huwelijksdwang ook in meegenomen. Uw Kamer wordt medio 2020 geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek.
Wat is de huidige regelgeving met betrekking tot het sluiten van een huwelijk met iemand met een andere nationaliteit die zijn hoofdverblijf heeft in het buitenland? Bent u van mening dat er in dit systeem een zwakte zit, dat het uithuwelijken van vrouwen aan familieleden in het buitenland faciliteert en dus versterkt moet worden?
Om in Nederland te kunnen trouwen met iemand met een andere nationaliteit die zijn hoofdverblijf heeft in het buitenland, geldt dat de andere partij (mede) de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft. Ook geldt dan de voorwaarde dat partijen voor voltrekking van het huwelijk een verklaring overleggen dat het huwelijk niet wordt aangegaan met als enig oogmerk verblijf in Nederland te kunnen verkrijgen (artikel 1:44 lid 1, sub i BW). Een vergelijkbare eis geldt voor de inschrijving in Nederland van huwelijken gesloten in het buitenland (artikel 1:25, lid 4 BW). Het afleggen van een valse verklaring is een strafbaar feit. Om verblijf in Nederland te kunnen verkrijgen, dient voldaan te zijn aan de voorwaarden voor gezinshereniging. Dat wil zeggen dat beide partners 21 jaar of ouder moeten zijn, dat de in Nederland gevestigde partner moet beschikken over voldoende middelen van bestaan en dat de buitenlandse partner het inburgeringsexamen buitenland heeft behaald. Daarnaast geldt de wetgeving zoals onder vraag 5 is genoemd. Ik ben niet van oordeel dat er in deze systematiek een lacune zit die het uithuwelijken van vrouwen aan familieleden faciliteert.
Kent u het bericht Mishandelde vrouwen noodgedwongen in hotels vanwege overvolle opvanglocaties in de Volkskrant, gepubliceerd op 4 oktober 20192, waarin het Landelijk Netwerk Vrouwenopvang aangeeft dat de noodopvang voor vrouwen negen van de tien keer vol zit, waardoor veel slachtoffers van huiselijk geweld de hulp die zij nodig hebben mislopen? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja, dit bericht is bekend. Wij zijn van mening dat vrouwen voor wie het thuis niet veilig is, moeten kunnen rekenen op een veilige plek. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de 35 centrumgemeenten om er voor te zorgen dat er voldoende opvangplekken beschikbaar zijn. De Minister van VWS laat samen met de VNG een onderzoek uitvoeren om zicht te krijgen op de omvang en de oorzaken van de problematiek rond de noodbedden in de vrouwenopvang.
Deelt u de mening dat er momenteel niet voldoende opvangcapaciteit is om vrouwen die bedreigd worden met seksueel geweld te beschermen? Deelt u de mening dat het door dit gebrek aan capaciteit moeilijker is voor vrouwen die huiselijk geweld willen ontvluchten om deze stap te nemen? Wat doet u om op korte termijn een oplossing te zoeken om deze vrouwen de benodigde hulp en bescherming te bieden?
Om te kunnen beoordelen of voldoende opvangcapaciteit beschikbaar is om vrouwen die bedreigd worden met seksueel geweld te beschermen, is meer zicht nodig op de uitvoering van de afspraken in het beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang & opvang in acute crisissituaties van slachtoffers huiselijk geweld in de vrouwenopvang. Gemeenten hebben daarin afspraken gemaakt over de beschikbaarheid van noodbedden en het benutten van elkaars opvangplekken als de eigen opvangplekken onvoldoende zijn. Het genoemde onderzoek dat de Minister van VWS samen met de VNG uit laat voeren, zal helpen om dit zicht te krijgen. De eerste uitkomsten verwacht de Minister van VWS voor het eind van het jaar met uw Kamer te kunnen delen.
Het bericht ‘Bahrein brengt drie terrorisme-verdachten ter dood’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waardoor er geen verifieerbare informatie beschikbaar is over de aantallen politici en mensenrechtenactivisten die in Bahrein in de gevangenis zijn beland sinds de opstand van de sjiitische oppositie in 2011?1
Het monitoren van de mensenrechtensituatie en het onderhouden van contacten met mensenrechtenorganisaties is een belangrijke prioriteit van alle Nederlandse ambassades in de Golfregio. De Nederlandse ambassadeur voor Bahrein voert regelmatig gesprekken met Bahreinse mensenrechtenorganisaties. Hieruit komt het beeld naar voren dat het aantal politici en mensenrechtenactivisten dat wordt gedetineerd enkele duizenden zou zijn. Echter, omdat de Bahreinse autoriteiten deze gevangenen als terroristen of als supporters van terrorisme beschouwt, zijn er geen officiële cijfers beschikbaar.
Hoe regelmatig heeft Buitenlandse Zaken op hoog ambtelijk niveau gesprekken met de autoriteiten van Bahrein? En hoe regelmatig kaart u de mensenrechtensituatie aan in die gesprekken met de autoriteiten van Bahrein?
De laatste hoogambtelijke consultaties met Bahrein vonden plaats in april. De mensenrechtensituatie is daar van Nederlandse kant opgebracht. Op 27 augustus had de Nederlandse ambassadeur een onderhoud met een hoge ambtenaar van het Bahreinse Ministerie van Buitenlandse Zaken. In de contacten met Bahreinse autoriteiten brengt de ambassadeur stelselmatig de Nederlandse zorgen over. In het gesprek van augustus zijn nadrukkelijk de drie executies van 27 juli aangekaart, waarbij duidelijk is gemaakt dat Nederland de doodstraf in alle situaties krachtig afwijst.
Wat zou voor u aanleiding zijn de zorgen over de mensenrechtensituatie – die laatstelijk eind april aangekaart zijn – wederom aan te kaarten bij autoriteiten van Bahrein? En wat is voor u daarbij het gewenste niveau?
In alle hoogambtelijke, diplomatieke en politieke contacten wordt de mensenrechtensituatie aan de orde gesteld.
Kunt u aangeven binnen welke relevante EU-Raadwerkgroepen en wanneer de mensenrechtensituatie in Bahrein is besproken? En zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Bahrein wordt besproken in de geografische werkgroep en de werkgroep voor mensenrechten. Dat is voornamelijk, maar niet uitsluitend, ter voorbereiding en terugkoppeling van de informele mensenrechtendialoog die de EU sinds 2016 op jaarlijkse basis voert met Bahrein. De eerstvolgende dialoog zal voor het einde van het jaar plaatsvinden in Brussel. Nederland heeft in voorbereiding op deze dialoog in EU-verband ervoor gepleit dat de doodstraf, marteling en het gebruikmaken van bekentenissen afgelegd onder marteling stevig moeten worden aangekaart, met als doel terugkeren naar een de facto moratorium op gebruik van de doodstraf en uiteindelijk volledige afschaffing.
Hoe vaak en in welke overleg heeft u tijdens de meest recente – 42e – zitting van de mensenrechtenraad in Geneve de mensenrechtensituatie in Bahrein ingebracht en/of besproken?
Nederland heeft tijdens de 42e zitting van de Mensenrechtenraad niet specifiek de mensenrechtensituatie in Bahrein opgebracht. Wel hebben zowel Nederland als de EU zich op verschillende momenten uitgesproken tegen het uitvoeren van de doodstraf. Als aankomend lid van de Mensenrechtenraad, voor de periode 2020–2022, zal Nederland de situatie in Bahrein blijven volgen en opbrengen wanneer daar aanleiding toe is. Daarnaast steunt Nederland actief de periodieke landen-examens van de VN op het gebied van de mensenrechten (de zogeheten Universal Periodic Reviews, UPR) en de opvolging van de aanbevelingen door de deelnemende landen. Bahrein werd tijdens de laatste UPR stevig aangesproken op de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en demonstratie, en opgeroepen tot de instelling van een moratorium op de doodstraf. De volgende UPR voor Bahrein staat gepland voor 2022.
Het bericht ‘Blauwe moskee wil gebedsoproepen met luidsprekers versterken’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Blauwe moskee wil gebedsoproepen met luidsprekers versterken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er geen enkele moskee in Nederland thuishoort, gezien het gevaar dat de islam inhoudt voor democratie, rechtstaat, de positie van de vrouw en lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen (LHBTI), gelijkwaardigheid van bevolkingsgroepen en omdat de islam van aard discriminatoir en racistisch is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het oprichten van een moskee valt onder de godsdienstvrijheid, vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Dit zijn belangrijke grondrechten in onze samenleving waar het kabinet pal voor staat. Ter bescherming van deze belangrijke verworven vrijheden zal de overheid nooit overgaan tot het sluiten van alle moskeeën in Nederland.
Bent u bereid alle moskeeën te sluiten, de Blauwe voorop? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u daartoe niet bereid bent, wat wordt dan uw actie tegen het wekelijkse imperialistische geblèr dat het streven naar de ondergang van onze vrije, open samenleving aankondigt?
Zoals mijn voorganger op 9 april 20132 aangaf, valt het oproepen tot gebed door een gebedsoproep of klokgelui onder de godsdienstvrijheid. Op basis van de godsdienstvrijheid moet het voor kerken en moskeeën mogelijk zijn om geluid te produceren ten behoeve van diensten en plechtigheden. Godsdienstvrijheid betekent niet dat aan het geluid geen grenzen mogen worden gesteld. Artikel 10 van de Wet openbare manifestaties stelt dat klokgelui en oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd regels te stellen over de duur en het geluidsniveau.