Kamerstuk 33684-63

Amendement van het lid Keijzer over het laten vervallen van delegatiegrondslagen in de artikelen 3.3, 5.2, 5.4, 7.1.1.2, 7.1.3.1 en 7.5.1

Dossier: Regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet)


79,9 %
20,1 %

PvdA

GL

PvdD

SP

SGP

D66

VVD

50PLUS

CU

PVV

CDA


Nr. 63 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID KEIJZER TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 33

Ontvangen 11 oktober 2013

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel 3.3, derde lid, wordt «bij of krachtens» vervangen door: in.

II

Artikel 5.2, derde lid, vervalt.

III

In artikel 5.4 vervalt de aanduiding «1.» voor het eerste lid, alsmede het tweede lid.

IV

Artikel 7.1.1.2, derde lid, vervalt.

V

Artikel 7.1.3.1, derde lid, vervalt.

VI

Artikel 7.1.3.1, vierde lid, vervalt.

VII

Artikel 7.1.5.1, eerste lid, laatste volzin, vervalt.

Toelichting

Algemeen

Met dit amendement vervallen een aantal delegatiegrondslagen voor te stellen nadere regels. De indiener is van oordeel dat deze bepalingen tot onnodig hoge regeldruk zouden leiden.

Artikelsgewijs

I

Artikel 3.3, derde lid, biedt de grondslag voor het stellen van nadere regels over de normen waaraan een aanvrager van een certificaat dient te voldoen. De indiener is van oordeel dat daartoe reeds voldoende is voorzien in het vierde lid, dat immers grondslag biedt voor het stellen van een normenkader in dat verband.

II

Artikel 5.2, derde lid, biedt grondslag voor het stellen van nadere regels over het pleegcontract. Dit is reeds afdoende geregeld in het eerste lid zodat de indiener van oordeel is dat het derde lid dient te vervallen.

III

Artikel 5.4, tweede lid, biedt grondslag voor het stellen van nadere regels omtrent de informatie die verstrekt mag worden aan de pleegouder in het belang van de verzorging en de opvoeding van de jeugdige. De indiener vermag het nut en noodzaak daarvan niet in te zien. Sterker nog, het komt de indiener voor dat reeds afdoende is voorzien in regelgeving omtrent de privacy, zoals het artikel zelf ook reeds aangeeft. De indiener is daarom van oordeel dat het lid dient te vervallen.

IV

Artikel 7.1.1.2, derde lid, geeft de grondslag voor het stellen van nadere regels over de meldingsbevoegde VIR-functionaris. De indiener wijst er op dat het eerste en tweede lid van het artikel reeds allerlei regels stelt rondom de meldingsbevoegde functionaris. In dat verband is de indiener dan ook van oordeel dat het derde lid dient te vervallen.

V

Artikel 7.1.3.1, derde lid, biedt de grondslag tot het stellen van regels omtrent het beheer en de nakoming van afspraken rondom het gebruik van de VIR hetgeen al geregeld is in 7.1.3.1, eerste lid. Er kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere in de afspraken op te nemen onderwerpen. De indiener vermag niet in te zien welk nut en noodzaak het stellen van dergelijke regels dient. De indiener is daarom van oordeel dat het derde lid zou leiden tot onnodige regeldruk, zodat het dient te vervallen.

VI

Artikel 7.1.3.1, vierde lid, biedt grondslag tot het stellen van nadere regels omtrent het gebruik, de aansluiting en de organisatie van de verwijsindex. Naar oordeel van de indiener is de materie omtrent de VIR reeds afdoende geregeld in afdeling 7 van het wetsvoorstel, zodat het vierde lid dient te vervallen.

VII

Artikel 7.1.5.1, eerste lid, laatste volzin, biedt grondslag voor het stellen van nadere regels rondom de mededeling aan de jeugdige over de melding in VIR. De indiener is van oordeel dat gemeenten dit al adequaat doen, zodat deze grondslag voor nadere regelgeving dient te vervallen.

Keijzer