De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Het is niet bekend hoe lang zij gemiddeld moeten wachten op pleegzorg. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van de jeugdige. Daarbij is ook de mogelijkheid om de jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Jeugdzorg Nederland voert al jaren de landelijke wervingscampagne voor nieuwe pleegouders uit, met subsidie vanuit mijn ministerie. Eens per ca. vier jaar wordt een nieuwe campagne ontwikkeld. De huidige campagne heet «Jouw huis een 2e thuis». De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Ja, ik herken dit beeld. Het is van belang dat huidige pleegouders goede ondersteuning en begeleiding ontvangen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders wordt verzorgd door pleegzorgwerkers. Deze begeleiding wordt continu verbeterd door pleegzorgaanbieders. Binnenkort komen zij met een nieuwe verbeteragenda, waar zij de aanbevelingen van het thematisch toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)3 ook in meenemen. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ondanks dat de complexiteit en zorgzwaarte van kinderen die in pleegzorg instromen toeneemt, laten de cijfers ook zien dat pleegzorgorganisaties en pleegouders er nog steeds in slagen om plaatsingen zorgvuldig te begeleiden en stabiliteit te bieden.
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Ja, ik ben bekend met deze signalen en begrijp dat dit voor pleegouders vervelend is. Het Woonplaatsbeginsel Jeugd biedt ook binnen pleegzorg duidelijkheid over welke gemeente verantwoordelijk is voor zorg en financiering. Als pleegouders er desondanks tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen, kunnen zij terecht bij de Helpdesk van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) of Jeugdstem. Deze partijen worden vanuit mijn ministerie gefinancierd en er zijn korte lijnen onderling, waardoor signalen ook met mijn ministerie gedeeld kunnen worden als gemeenten hier van de wet afwijken. Ondertussen zet ik mij ervoor in om de samenwerking tussen gemeenten in het kader van het Woonplaatsbeginsel te bevorderen, zodat pleegkinderen (en daarmee pleegouders) tijdig de juiste hulp ontvangen.
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Gedeeld opvoederschap tussen pleegouders en biologische ouders is onderdeel van de pleegzorgbegeleiding. Pleegouders worden hierin toegerust vanuit de pleegzorgorganisatie. Gedeeld opvoederschap vraagt vaak om meer, en complexere begeleiding en regelmatig ook tot meer spanningen. Ouders dienen hier ook in begeleid te worden en zelf voldoende hulp te krijgen. Eigenlijk kan pleegzorg niet bestaan zonder ook (ambulante) hulp aan hen. Dit is nog niet altijd vanzelfsprekend.
Gedeeld opvoederschap is ook onderdeel van Lerende Beweging Pleegzorg, uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), NVP en Jeugdzorg Nederland onder de vlag van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Bij jeugdbeschermingszaken is een belangrijke rol weggelegd voor de gezinsvoogd. We versterken de samenwerking tussen GI’s en pleegzorg door een herijking van de handreiking samenwerkingsafspraken. Planning is dat deze begin volgend jaar gereed is.
Reiskostenvergoeding voor pleegouders kan als onderdeel van pleegvergoeding of bijzondere kosten. Dit is aan de betreffende gemeente en pleegzorgaanbieder. Gemeenten kunnen daarnaast reiskosten voor biologische ouders financieren, maar zijn hier niet toe verplicht.
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Het recht op bijzondere kostenvergoeding is vastgelegd in de wet. Met de wijziging van de regeling Jeugdwet is dit recht per 1 januari van dit jaar ook uitgebreid naar pleegzorg in het vrijwillig kader. De Handreiking tarifering en inkoop (2023) biedt uitvoering aan de motie. Ik herken dat gemeenten en aanbieders hier niet uniform uitvoering aan geven, wat in het decentraal stelsel ook hun recht is. Daarom ben ik met gemeenten, aanbieders en vertegenwoordiging van pleegouders in gesprek over de uitvoering en ondersteuning van pleegouders op dit terrein, om de uitvoering te verbeteren.
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Ja.
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang van hun pleegkinderen. De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering en is daarmee niet geoormerkt. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland en de vertegenwoordiging van pleegouders in de NVP. Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders. Jeugdzorg Nederland en VNG hebben in afstemming met elkaar richting hun achterban gecommuniceerd om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Het uitgangspunt om broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen te plaatsen wordt geregeld met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming», dat nu bij de Raad van State voorligt. De geplande inwerkingtreding is – voor zover nu in te schatten – per 2028. Het wetsvoorstel voorziet niet in extra ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders. Gemeenten kunnen bijbeschikken richting pleegouders of gezinshuizen om (financiële) ruimte.
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Pleegouders krijgen onkostenvergoeding, de pleegvergoeding, deze voorziet in het levensonderhoud. Wanneer pleegouders structurele meerkosten maken vanwege de beperking van het pleegkind, hebben zij recht op een extra toeslag. Aanvullend kunnen pleegouders aanspraak maken op de bijzondere kostenvergoeding voor kosten die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind waar geen ander potje in voorziet, bijvoorbeeld om aanpassingen aan een huis te maken. De pleegzorgaanbieder besluit hierover, vaak in overleg met de gemeente. Vanaf 1 januari van dit jaar hebben pleegouders ook in het vrijwillig kader recht op bijzondere kostenvergoeding. Deze rechten gelden ook voor deeltijdpleegzorg, al worden die minder snel noodzakelijk geacht voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind.
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Ik begrijp dat het voor pleegouders geen recht doet aan de relatie met hun pleegkind, als zij op deze manier geen positie meer hebben ten opzichte van hun voormalig pleegkind. Het declareren van deze kosten is echter alleen mogelijk als de gemeente hier nog een beschikking of andere mogelijkheid tot declaratie heeft gegeven.
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Binnen pleegzorg is het voor een jongere mogelijk om met verlengde jeugdhulp t/m 23 jaar in een pleeggezin te blijven wonen, met behoud van vergoedingen voor pleegouders. Voor gezinshuizen is 21 de bovengrens. Als pleegkinderen of gezinshuiskinderen de maximumleeftijd bereiken, stromen zij uit de jeugdzorg. De betreffende gemeente kan op basis van maatwerk bezien of het mogelijk is dat de jongere wel blijft wonen op dezelfde plek, maar met financiering vanuit andere wet- en regelgeving.
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Op grond van de Jeugdwet zijn vrijheidsbeperkende maatregelen alleen toegestaan in accommodaties die zijn geregistreerd voor gesloten jeugdhulp en als een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Dergelijke maatregelen zijn dus nooit toegestaan binnen de open residentiële jeugdhulp, ook niet in gezinshuizen. Ik herken de signalen dat gezinshuisouders aanlopen tegen dilemma’s over het verschil tussen pedagogische maatregelen en vrijheidsbeperking. Om meer handvatten te geven in het omgaan met deze dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de jeugdhulp is het NJi gevraagd om een handreiking op te stellen. Aan de hand van gesprekken met jeugdigen, professionals en deskundigen is de handreiking opgesteld en in 2024 gepubliceerd. De handreiking is bedoeld om professionals, zoals gezinshuisouders, een houvast te bieden bij afwegingen. Het NJi heeft opvolging gegeven aan de handreiking door het organiseren van leeractiviteiten. Een voorbeeld hiervan is een dag georganiseerd specifiek gericht op gezinshuisouders, samen met beroepsvereniging Present 24x7 en het landelijk overleg aanbieders gezinshuizen (LOAG).
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Ja.
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Gezinshuisouders kunnen zich melden bij het NJi en beroepsvereniging Present24x7.
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Desondanks, zie ik dat begeleiding en ondersteuning van pleegouders verder versterkt kan worden. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Het kinderopvangdebat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, zodra het kabinet communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie als «informeel» bestempelt, weigeren, op verzoek van de Tweede Kamer, deze communicatie aan de Kamer te verstrekken?
Wanneer is communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie eigenlijk «informeel»? En wanneer «formeel»? Kunt u een paar voorbeelden geven van «formele» en «informele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie?
Kunnen we uit het feit dat u weigert om de communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie over een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) naar de Kamer te sturen (omdat deze communicatie volgens u dus «informeel» zou zijn) logischerwijs concluderen dat er geen «formele» communicatie is geweest tussen de Europese Commissie en het Nederlandse kabinet over DAEB? Zo nee, kan de Kamer de «formele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Unie over het gebruik van (alternatieven voor) DAEB in de kinderopvang zo snel mogelijk toegestuurd krijgen?
Het recente bezoek van de premier aan stichting Ieder Kind een Sint |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw bezoek aan stichting «Ieder Kind een Sint» in Vriezeveen van woensdag 30 september 2026?1
Welke lessen rond de ondersteuning van kinderen die opgroeien in armoede trekt u naar aanleiding van dit bezoek?
Vindt u het acceptabel dat het aantal kinderen dat opgroeit in armoede door uw beleid komend jaar waarschijnlijk vrijwel gelijk blijft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is voor u een acceptabel aantal kinderen dat in Nederland mag opgroeien in armoede? Indien uw antwoord in de lijn ligt dat geen enkel kind in armoede mag opgroeien, waarom is uw beleid hier dan niet op gericht?
Waarom heeft u geen duidelijk doel geformuleerd rond het terugdringen van het aantal kinderen dat opgroeit in armoede, zoals het kabinet Rutte 4 dat bijvoorbeeld wel had?
Deelt u de mening dat met de huidige aanpak van het kabinet blijkt dat nog steeds vrijwel hetzelfde aantal kinderen in armoede leeft en dat het daarom noodzakelijk is dat het kabinet extra maatregelen neemt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende stappen neemt het kabinet om het aantal kinderen dat opgroeit in armoede de komende vijf jaar drastisch te laten dalen?
Hoe rijmt u uw bezoek aan deze stichting met het feit dat uit de begroting blijkt dat het aantal kinderen in armoede door uw beleid ook komend jaar vrijwel gelijk zal blijven?
Welke stappen neemt u om initiatieven zoals «Ieder Kind een Sint» en andere initiatieven die kinderen in armoede financieel te ondersteunen?
Deelt u de zorgen van de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud ervoor zullen zorgen dat het aantal kinderen dat moet opgroeien in armoede komend jaar zal stijgen in plaats van dalen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat de stijgende brandstofprijs, boodschappenprijzen en andere kosten voor levensonderhoud er niet voor zorgen dat nog meer kinderen in armoede zullen opgroeien de komende jaren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De veiligheid van kinderen in gezinshuizen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kinderen uit Fries gezinshuis gehaald na veroordeling gezinshuisvader voor kindermisbruik»?1
Hoe kijkt u naar het feit dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft aangegeven geen veiligheidsrisico’s te zien voor kinderen die nog in het gezin verbleven zoals beschreven in bovenstaand artikel, terwijl de betrokken jeugdbeschermer hier – naar oordeel van de kinderrechter – terecht veel zorgen over had?
Onderschrijft u de oproep van onder andere de IGJ dat er beter toezicht moet komen op de inmiddels meer dan duizend gezinshuizen waar zorg wordt geboden aan kinderen die vaak zwaar getraumatiseerd zijn en ernstige opvoed- en/of gedragsproblemen hebben?
Bent u het met de indiener eens dat de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen minimaal zo streng, maar bij voorkeur nog strenger moeten zijn dan de kwaliteitscriteria voor pleegzorg, aangezien de complexiteit van de problematiek waar kinderen die in gezinshuizen worden opgevangen complexer is dan bij pleegzorg?
Hoe beoordeelt u de huidige situatie waarbij bovenstaande niet het geval is?
Bent u het met de indiener eens dat dit ernstige veiligheidsrisico’s kan opleveren voor de kinderen die op dit moment in gezinshuizen verblijven?
Kunt u toelichten of het klopt dat bij de screening van gezinshuisouders alleen een Verklaring Omtrent Gedrag opgevraagd kan worden, terwijl pleegouders een Verklaring van geen bezwaar moeten aanleveren, een zwaarder instrument waar ook onderzoeken zonder veroordelingen in staan?
Hoe beoordeelt u de signalen over aspirant pleegouders die afgewezen worden vanwege een negatieve Verklaring van geen bezwaar, maar zij dus wel op een andere plek in Nederland door de screening van gezinshuisouder kunnen komen omdat ze wel een Verklaring Omtrent Gedrag kunnen voorleggen?
Bent u het met de indiener eens dat dit hoogst onwenselijk is en tot hoge veiligheidsrisico’s voor kinderen kan leiden?
Wanneer verwacht u dat de herziening van de huidige kwaliteitscriteria voor gezinshuizen afgerond zal zijn en vanaf wanneer zullen deze herziene kwaliteitscriteria van kracht zijn?
Bent u het met de indiener eens dat de inzet gericht moet zijn op het strenger maken van deze kwaliteitscriteria, juist ook gezien de misstanden die aan het licht komen?
Kunt u garanderen dat in de kwaliteitscriteria die worden herzien minimaal wordt opgenomen dat vanaf de start van het gezinshuis een relevant hbo-diploma én een SKJ-registratie vereist is?
Bent u het met de indiener eens dat er in de herziening van de kwaliteitscriteria ook een maximumaantal kinderen vastgesteld moet worden die in een gezinshuis mogen verblijven?
Kunt u aangeven hoeveel gezinshuizen momenteel meer dan zes kinderen (inclusief biologische kinderen) opvangen?
Hoe kijkt u naar de signalen dat er momenteel gezinshuizen zijn waar tien of meer kinderen worden opgevangen, soms zelfs allemaal vanuit een crisisplaatsing?
Op welke wijze kan kwalitatief goede zorg gegarandeerd worden door twee gezinshuisouders wanneer zij zorg dienen te leveren aan tien kinderen in crisis?
Hoe beoordeelt u het feit dat we in de kinderopvang in de wet een beroepskracht-kindratio vastleggen en we momenteel geen beroepskracht-kindratio vastleggen voor gezinshuizen?
Bent u het met de indiener eens dat er grote risico’s bestaan in de bedragen die gezinshuisouders ontvangen voor de zorg voor deze kinderen waardoor ook foute aanbieders en criminelen aangetrokken worden die primair geld willen verdienen ten koste van kwetsbare kinderen?
Bent u het met de indiener eens dat het wenselijk zou zijn om één erkend keurmerk en één landelijk kwaliteitsregister te hebben van gezinshuizen die aan kwaliteitscriteria voldoen?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk zou zijn als deze toetsing op kwaliteit zou gebeuren door een branchevereniging die (ook financieel) baat heeft bij een stijging van het aantal gezinshuizen?
Kunt u garanderen dat, ook in lijn met de eerder aangenomen motie Synhaeve c.s. om jeugdaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf te screenen, ook voor gezinshuizen geldt?2
Kunt u garanderen dat deze screening wordt gedaan door een onafhankelijk instituut zoals de IGJ?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Jeugddebat van 30 september aanstaande?
De bezuinigingen op de Luisterlijn vanaf 2027 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De bezuinigingen op de Luisterlijn geven een jammerlijk signaal af»?1
Klopt het dat per 2027 structureel 10 procent van het jaarbudget, oftewel € 700.000, bezuinigd zal worden op de Luisterlijn? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom gekozen is voor deze bezuiniging?
Hoe verhoudt deze geplande bezuiniging zich tot het feit dat de Luisterlijn in 2025 een recordaantal van 331.861 gesprekken voerde, oftewel ruim 900 gesprekken per dag? Deelt u de mening dat een stijgende vraag naar een laagdrempelig luisterend oor juist aanleiding zou moeten zijn om de voorziening, waar nodig, te versterken in plaats van te verzwakken?
Herkent u de constatering dat deze geplande bezuiniging zal leiden tot het sluiten van verschillende trainings- en werklocaties en mogelijk zelfs dat een deel van de vrijwilligers zal stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven welke gevolgen u verwacht als gevolg van de subsidiekorting voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de Luisterlijn?
Bent u bekend met het feit dat het kabinet-Rutte IV in 2022 naar aanleiding van een marktverkenning al concludeerde dat er geen (andere) marktpartij is die het bieden van een luisterend oor aan (jong)volwassenen en kinderen zonder overheidssubsidie kan uitvoeren? Zo ja, hoe rijmt u dit met de geplande bezuiniging?
Op basis waarvan is geconcludeerd dat de Luisterlijn deze bezuiniging kan opvangen zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening? Bent u bereid eventuele nieuwe marktverkenningen, evaluaties of doelmatigheidsanalyses te delen met de Kamer?
Hoe rijmt deze bezuiniging met de wettelijke taak, die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, om te voorzien in een anonieme, kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties en advies te vragen? Hoe rijmt deze bezuiniging met de aanpak Een tegen Eenzaamheid?
Deelt u de mening dat een voorziening als de Luisterlijn juist erg belangrijk is voor mensen die wel behoefte hebben aan contact of ondersteuning, maar niet direct een beroep doen of kunnen doen op formele zorg? Zo ja, hoe rijmt dat met de geplande bezuiniging?
Deelt u de mening dat de laagdrempelige hulp van de Luisterlijn bijdraagt aan preventie en kan voorkomen dat mensen een beroep doen op de ggz of andere vormen van psychosociale hulp? Is berekend hoeveel extra kosten uiteindelijk bespaard worden door de Luisterlijn?
Welke concrete maatregelen gaat u inzetten om te voorkomen dat deze bezuiniging ertoe gaat leiden dat mensen zich pas melden wanneer hun problemen zijn geëscaleerd en daardoor uiteindelijk een beroep doen op zwaardere en vaak duurdere zorg?
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Het is niet bekend hoe lang zij gemiddeld moeten wachten op pleegzorg. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van de jeugdige. Daarbij is ook de mogelijkheid om de jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Jeugdzorg Nederland voert al jaren de landelijke wervingscampagne voor nieuwe pleegouders uit, met subsidie vanuit mijn ministerie. Eens per ca. vier jaar wordt een nieuwe campagne ontwikkeld. De huidige campagne heet «Jouw huis een 2e thuis». De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Ja, ik herken dit beeld. Het is van belang dat huidige pleegouders goede ondersteuning en begeleiding ontvangen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders wordt verzorgd door pleegzorgwerkers. Deze begeleiding wordt continu verbeterd door pleegzorgaanbieders. Binnenkort komen zij met een nieuwe verbeteragenda, waar zij de aanbevelingen van het thematisch toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)3 ook in meenemen. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ondanks dat de complexiteit en zorgzwaarte van kinderen die in pleegzorg instromen toeneemt, laten de cijfers ook zien dat pleegzorgorganisaties en pleegouders er nog steeds in slagen om plaatsingen zorgvuldig te begeleiden en stabiliteit te bieden.
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Ja, ik ben bekend met deze signalen en begrijp dat dit voor pleegouders vervelend is. Het Woonplaatsbeginsel Jeugd biedt ook binnen pleegzorg duidelijkheid over welke gemeente verantwoordelijk is voor zorg en financiering. Als pleegouders er desondanks tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen, kunnen zij terecht bij de Helpdesk van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) of Jeugdstem. Deze partijen worden vanuit mijn ministerie gefinancierd en er zijn korte lijnen onderling, waardoor signalen ook met mijn ministerie gedeeld kunnen worden als gemeenten hier van de wet afwijken. Ondertussen zet ik mij ervoor in om de samenwerking tussen gemeenten in het kader van het Woonplaatsbeginsel te bevorderen, zodat pleegkinderen (en daarmee pleegouders) tijdig de juiste hulp ontvangen.
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Gedeeld opvoederschap tussen pleegouders en biologische ouders is onderdeel van de pleegzorgbegeleiding. Pleegouders worden hierin toegerust vanuit de pleegzorgorganisatie. Gedeeld opvoederschap vraagt vaak om meer, en complexere begeleiding en regelmatig ook tot meer spanningen. Ouders dienen hier ook in begeleid te worden en zelf voldoende hulp te krijgen. Eigenlijk kan pleegzorg niet bestaan zonder ook (ambulante) hulp aan hen. Dit is nog niet altijd vanzelfsprekend.
Gedeeld opvoederschap is ook onderdeel van Lerende Beweging Pleegzorg, uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), NVP en Jeugdzorg Nederland onder de vlag van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Bij jeugdbeschermingszaken is een belangrijke rol weggelegd voor de gezinsvoogd. We versterken de samenwerking tussen GI’s en pleegzorg door een herijking van de handreiking samenwerkingsafspraken. Planning is dat deze begin volgend jaar gereed is.
Reiskostenvergoeding voor pleegouders kan als onderdeel van pleegvergoeding of bijzondere kosten. Dit is aan de betreffende gemeente en pleegzorgaanbieder. Gemeenten kunnen daarnaast reiskosten voor biologische ouders financieren, maar zijn hier niet toe verplicht.
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Het recht op bijzondere kostenvergoeding is vastgelegd in de wet. Met de wijziging van de regeling Jeugdwet is dit recht per 1 januari van dit jaar ook uitgebreid naar pleegzorg in het vrijwillig kader. De Handreiking tarifering en inkoop (2023) biedt uitvoering aan de motie. Ik herken dat gemeenten en aanbieders hier niet uniform uitvoering aan geven, wat in het decentraal stelsel ook hun recht is. Daarom ben ik met gemeenten, aanbieders en vertegenwoordiging van pleegouders in gesprek over de uitvoering en ondersteuning van pleegouders op dit terrein, om de uitvoering te verbeteren.
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Ja.
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang van hun pleegkinderen. De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering en is daarmee niet geoormerkt. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland en de vertegenwoordiging van pleegouders in de NVP. Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders. Jeugdzorg Nederland en VNG hebben in afstemming met elkaar richting hun achterban gecommuniceerd om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Het uitgangspunt om broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen te plaatsen wordt geregeld met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming», dat nu bij de Raad van State voorligt. De geplande inwerkingtreding is – voor zover nu in te schatten – per 2028. Het wetsvoorstel voorziet niet in extra ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders. Gemeenten kunnen bijbeschikken richting pleegouders of gezinshuizen om (financiële) ruimte.
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Pleegouders krijgen onkostenvergoeding, de pleegvergoeding, deze voorziet in het levensonderhoud. Wanneer pleegouders structurele meerkosten maken vanwege de beperking van het pleegkind, hebben zij recht op een extra toeslag. Aanvullend kunnen pleegouders aanspraak maken op de bijzondere kostenvergoeding voor kosten die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind waar geen ander potje in voorziet, bijvoorbeeld om aanpassingen aan een huis te maken. De pleegzorgaanbieder besluit hierover, vaak in overleg met de gemeente. Vanaf 1 januari van dit jaar hebben pleegouders ook in het vrijwillig kader recht op bijzondere kostenvergoeding. Deze rechten gelden ook voor deeltijdpleegzorg, al worden die minder snel noodzakelijk geacht voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind.
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Ik begrijp dat het voor pleegouders geen recht doet aan de relatie met hun pleegkind, als zij op deze manier geen positie meer hebben ten opzichte van hun voormalig pleegkind. Het declareren van deze kosten is echter alleen mogelijk als de gemeente hier nog een beschikking of andere mogelijkheid tot declaratie heeft gegeven.
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Binnen pleegzorg is het voor een jongere mogelijk om met verlengde jeugdhulp t/m 23 jaar in een pleeggezin te blijven wonen, met behoud van vergoedingen voor pleegouders. Voor gezinshuizen is 21 de bovengrens. Als pleegkinderen of gezinshuiskinderen de maximumleeftijd bereiken, stromen zij uit de jeugdzorg. De betreffende gemeente kan op basis van maatwerk bezien of het mogelijk is dat de jongere wel blijft wonen op dezelfde plek, maar met financiering vanuit andere wet- en regelgeving.
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Op grond van de Jeugdwet zijn vrijheidsbeperkende maatregelen alleen toegestaan in accommodaties die zijn geregistreerd voor gesloten jeugdhulp en als een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Dergelijke maatregelen zijn dus nooit toegestaan binnen de open residentiële jeugdhulp, ook niet in gezinshuizen. Ik herken de signalen dat gezinshuisouders aanlopen tegen dilemma’s over het verschil tussen pedagogische maatregelen en vrijheidsbeperking. Om meer handvatten te geven in het omgaan met deze dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de jeugdhulp is het NJi gevraagd om een handreiking op te stellen. Aan de hand van gesprekken met jeugdigen, professionals en deskundigen is de handreiking opgesteld en in 2024 gepubliceerd. De handreiking is bedoeld om professionals, zoals gezinshuisouders, een houvast te bieden bij afwegingen. Het NJi heeft opvolging gegeven aan de handreiking door het organiseren van leeractiviteiten. Een voorbeeld hiervan is een dag georganiseerd specifiek gericht op gezinshuisouders, samen met beroepsvereniging Present 24x7 en het landelijk overleg aanbieders gezinshuizen (LOAG).
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Ja.
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Gezinshuisouders kunnen zich melden bij het NJi en beroepsvereniging Present24x7.
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Desondanks, zie ik dat begeleiding en ondersteuning van pleegouders verder versterkt kan worden. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Het alleen achterlaten van een 1-jarig kind in een kinderopvang in Schiedam |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Letschert , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een eenjarig jongetje na sluitingstijd slapend alleen is achtergelaten in een kinderopvang in Schiedam?1
Ja.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke veiligheids- en sluitprotocollen gelden hiervoor en is bekend of deze in dit geval zijn nageleefd?
Laat ik vooropstellen dat ik het incident ten zeerste betreur. Ik kan mij voorstellen dat alle betrokkenen, in het bijzonder de ouders, erg geschrokken zijn van deze gebeurtenis.
Voor het sluiten van een kinderopvanglocatie zijn geen landelijke richtlijnen of protocollen. Wel gelden er andere strikte regels om de veiligheid van kinderen te waarborgen. Elke houder is verplicht om de veiligheid en gezondheid te waarborgen en hier beleid voor te hebben. Hierin staat welke veiligheidsrisico’s houders en de pedagogisch professionals zien voor de kinderen en hoe zij deze risico’s ondervangen. Organisaties kunnen bij het veiligheidsbeleid gebruik maken van verschillende protocollen en richtlijnen, zoals het Protocol Veilig Slapen. De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid is de verantwoordelijkheid van de houder en wordt afgestemd op de specifieke locatiekenmerken. De toezichthouder controleert de naleving van deze verplichtingen.
Is de Inspectie van het Onderwijs op de hoogte van dit incident en is inmiddels een onderzoek gestart? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomsten met de Kamer te kunnen delen?
Op de kwaliteit en veiligheid in de kinderopvang wordt toezicht gehouden door de GGD’en. Zij doen dit in opdracht van gemeenten. Kinderopvanglocaties worden door de GGD minimaal jaarlijks geïnspecteerd en vaker als hiertoe aanleiding is. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeentelijke taken toezicht en handhaving in de kinderopvang.
Is bekend of personeelstekorten, werkdruk of organisatorische tekortkomingen hebben bijgedragen aan dit incident? Zo nee, wordt dit onderdeel van het onderzoek?
GGD Rotterdam-Rijnmond, de toezichthouder voor de desbetreffende locatie in Schiedam, heeft in opdracht van de gemeente onderzoek naar het incident gedaan. Daarbij is onder meer gekeken naar de personeelsbezetting, de werkwijze voor het aan- en afmelden, en het afsluiten van groepen. Na afronding van het onderzoek zijn de uitkomsten openbaar gemaakt in de vorm van een inspectierapport. Het rapport is te vinden in het Landelijk Register Kinderopvang.
Uit het rapport volgt dat de organisatie voldoet aan de kwaliteitseisen voor personeelsinzet. De geconstateerde tekortkoming ziet op het veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Zoals gebruikelijk heeft de kinderopvangorganisatie gereageerd op het rapport en gaat zij met de verbeterpunten aan de slag.
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een kind na sluitingstijd alleen is achtergelaten in een kinderopvanglocatie en welke maatregelen zijn naar aanleiding van dergelijke incidenten genomen?
Hiervan zijn geen cijfers bekend, omdat deze niet landelijk worden bijgehouden.
Het nemen van maatregelen om risico’s tegen te gaan, bijvoorbeeld die zijn gebleken naar aanleiding van een incident, is onderdeel van het verplichte veiligheids- en gezondheidsbeleid van kinderopvangorganisaties. Indien er bij een GGD-onderzoek niet-naleving is geconstateerd, worden er door de kinderopvangorganisatie maatregelen geformuleerd voor herstel. Deze worden bij een volgende inspectie heronderzocht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een kind alleen achterblijft in een kinderopvang en bent u bereid te bezien of landelijke, verplichte eindcontroles bij het afsluiten van een locatie noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen?
De veiligheid van kinderen in de kinderopvang wordt zo veel als mogelijk geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Kinderopvangorganisaties zijn gebonden aan strenge waarborgen voor de veiligheid van kinderen. De GGD’en houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen. Wanneer een incident plaatsvindt, is het aan de organisatie om dit te evalueren en haar werkwijze waar nodig aan te passen. Ik blijf in gesprek met de sector om te bevorderen dat bestaande verplichtingen zorgvuldig worden uitgevoerd om de veiligheid van kinderen te borgen.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Kinderdagcentra |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel kinderen staan op dit moment op een wachtlijst voor een kinderdagcentrum (KDC) in elk van de vier grote steden? Is dit aantal de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Inzicht in wachttijden gebeurt dus in eerste instantie op gemeentelijk en regionaal niveau. Met de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (regio-indeling) worden knelpunten bij contractering van specialistische jeugdzorg aangepakt. Dit kan bijdragen aan de aanpak van wachttijden. Daarnaast moeten gemeenten in hun regiovisie aangeven hoe ze werken aan de aanpak van wachttijden en hoe ze met elkaar maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren (en daarmee het goede gesprek voeren). Vanuit het programma Standaardisatie van de Hervormingsagenda Jeugd wordt in een project gewerkt aan landelijke kaders om wachttijden op landelijk niveau in beeld te kunnen brengen.
Uit een landelijke uitvraag van Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), onder aangesloten KDC’s, blijkt dat er in veel regio’s wachttijden voor dagbehandeling op een KDC zijn ontstaan. Zoals beschreven in de beleidsreactie Druk op de keten1, leidt schaarste in de keten tot opwaartse druk. Bijvoorbeeld: Door een gebrek aan passende lichtere vormen van aanbod (bijvoorbeeld door extra ondersteuning in de kinderopvang aan te bieden) wordt er gebruikgemaakt van het zwaardere, specialistische aanbod (KDC’s), waardoor daar wachttijden ontstaan. Daarnaast zijn er knelpunten bij de uitstroom naar (speciaal) onderwijs, waardoor kinderen soms langer dan noodzakelijk op het KDC verblijven.
Hoe lang moet een kind gemiddeld ongeveer wachten op een plek in een KDC in elk van de vier grote steden? Is deze wachttijd de afgelopen jaren toegenomen? Zo ja, hoe komt dit?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe heeft het aantal (operationele) KDC-plekken in elk van deze vier gemeenten zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Is het aantal operationele (waarvoor dus ook de benodigde zorgmedewerkers beschikbaar zijn) KDC-plekken de afgelopen jaren toe- of afgenomen? Indien er sprake is van een afname, waardoor wordt dit veroorzaakt?
Deze gegevens zijn mij niet bekend. Uit de landelijke uitvraag van VGN, onder aangesloten KDC’s, blijkt dat het aantal KDC-plekken de afgelopen jaren is toegenomen.
Is u bekend dat de wachttijd voor een KDC-plek in Den Haag inmiddels twee jaar is1?
Ja.
Bent u ermee bekend dat Jeugdhulp Haaglanden een wachttijd voor een KDC-plek van meer dan 90 dagen als «schadelijk» definieert?2 Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?
Een lange wachttijd kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Dit is niet direct oplosbaar, maar ik vind het goed dat jeugdhulp Haaglanden een duidelijke stip op de horizon zet om de wachttijden terug te dringen door een concrete norm te stellen.
Kan een KDC-wachttijd van twee jaar ertoe leiden dat een kind niet op tijd «schoolbaar» is waardoor het geen (speciaal) onderwijs kan ontvangen zodra het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie is hiervoor (primair) verantwoordelijk en welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd om te voorkomen dat (leerplichtige) kinderen geen onderwijs kunnen ontvangen en thuis komen te zitten omdat ze niet op tijd «schoolbaar» zijn vanwege een gebrek aan KDC-plekken zijn?
Met een dergelijk lange wachttijd krijgen kinderen niet tijdig hulp, waardoor problemen groter kunnen worden. Het is van belang om te benadrukken dat ik mij, samen met mijn collega’s van SZW en OCW, wil richten op het voorkomen van problemen, waarbij er nadrukkelijk meer aandacht is voor de sociale context van een kind.
Om toeleiding naar een KDC te voorkomen is het van belang in te zetten op versterking van het systeem om het kind heen, waaronder de ouders. Zo kunnen gemeenten inzetten op de ketenaanpak Kansrijke Start om (toekomstige) gezinnen, in een kwetsbare situatie, vanuit hun hulpbehoefte tijdig en passende ondersteuning en zorg krijgen aangeboden tijdens de eerste 1.000 dagen van een kind.
Ook kunnen gemeenten bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie, waardoor vroegtijdig kan worden ingezet op het stimuleren van de ontwikkelingskansen van kinderen. De gezamenlijke visie van VWS, OCW en SZW is dat we inzetten op zoveel mogelijk inclusieve oplossingen, waardoor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte, binnen de reguliere kinderopvang en het onderwijs, passend worden ondersteund. Het uitbouwen van speciaal aanbod (zoals KDC’s) voor individuele kinderen is daarmee niet het ultieme doel. Hier stappen in zetten is niet alleen een opgave voor de Rijksoverheid. Er ligt een belangrijke opgave bij de gemeenten, de kinderopvang, onderwijs, jeugd(gezondheids-)zorg, opleidingen en professionals. De vier grote steden zijn dan ook actief bezig met getransformeerde inclusieve en wijkgerichte voorzieningen voor jonge kinderen in samenwerking tussen kinderopvang4, onderwijs en jeugdhulp5.
Kan de Kamer de beantwoording ontvangen voor het aanstaande debat over «passend onderwijs»?
Ja.
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Ja.
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven. Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
De positie van gedupeerde ouders in het buitenland en rechtsbescherming binnen de hersteloperatie |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat gedupeerde ouders dossiers ontvangen waarin delen zijn gelakt, terwijl deze betrekking hebben op hun eigen persoonsgegevens?
Dat is mij niet bekend. De standaard werkwijze is dat de eigen persoonsgegevens van de gedupeerde niet worden gelakt. Ook zijn er controlemechanismen bij UHT ingesteld om te voorkomen dat dit wel gebeurt. Indien dit voorkomt, dan kan via het Serviceteam van UHT hier melding van worden gemaakt en kan dit worden gecorrigeerd.
Indien er stukken naar een ex-partner van een gedupeerde worden verstuurd, bijvoorbeeld omdat deze zich heeft aangemeld voor compensatie, dan worden de gegevens van de gedupeerde gelakt vanaf het moment dat zij geen toeslagpartners meer waren.
Hoe verhoudt het verstrekken van gelakte dossiers zich tot de verplichting voor ouders om hun werkelijke schade aannemelijk te maken?
Het lakken heeft geen invloed op het aannemelijk maken van aanvullende schade. De werkwijze is dat UHT namen en persoonsgegevens van medewerkers en van derden lakt. Dat heeft geen impact op de inhoudelijke informatie; deze informatie blijft leesbaar aanwezig in het dossier.
Hebben externe partijen die betrokken zijn bij schadebeoordelingen toegang tot ongelakte dossiers?
De Commissie Werkelijke Schade (CWS) en de Commissie van Wijzen ontvangen ongelakte dossiers van UHT. Externe schade-experts die door de CWS worden ingezet, ontvangen geen stukken van UHT noch van CWS. Zij krijgen een vraagstelling en een machtiging van de ouder om stukken bij bijvoorbeeld de medische behandelaren op te vragen. Een schade-expert op het gebied van inkomen ontvangt met toestemming van de ouder diens inkomensgegevens om een inkomensschadeberekening op te stellen.
Hoe waarborgt u het beginsel van wapengelijkheid als beoordelaars over meer informatie beschikken dan ouders zelf?
Ouders en gemachtigde beschikken via het ouderdossier over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Overige informatie die niet op de zaak betrekking heeft, wordt niet betrokken bij de beoordeling. Daarnaast worden bij het lakken alleen namen en persoonsgegevens gelakt en geen inhoudelijke passages.
Hoe beoordeelt u verschillen tussen gemeenten in ondersteuning van gedupeerde ouders via de SPUK-regeling?
Brede ondersteuning is maatwerk, passend bij de situatie van de rechthebbende. Het is inherent aan deze maatwerkaanpak dat er verschillen bestaan in ondersteuning en dat daarmee de kosten voor het realiseren van een plan van aanpak sterk kunnen verschillen.
Tegelijkertijd heb ik samen met de VNG het advies van de commissie Van Dam ter harte genomen en is er sinds begin 2025 ingezet op de verdere harmonisering van gemeentelijk beleid ten aanzien van de brede ondersteuning, zodat ouders en jongeren meer duidelijkheid wordt geboden over wat zij kunnen verwachten.
Om meer harmonisatie te bereiken zijn er termijnen voor materiële verstrekkingen en voor de looptijd van een plan van aanpak ingevoerd met de wetswijziging per 1 januari 2025. Daarnaast heeft de VNG model beleidsregels gepubliceerd in juni 2025, samen met een implementatiehandleiding voor gemeenten. Ook organiseert de VNG bijvoorbeeld trainingen en regiokringen die bijdragen aan een meer uniforme uitvoering van de brede ondersteuning.
Naast deze maatregelen heeft de bestuurlijk regisseur Paul Blokhuis de opdracht zich in te zetten voor versterking, verbetering en harmonisering van de ondersteuning aan gedupeerde ouders en hun gezinnen vanuit gemeenten. Daarmee heeft hij ook de opdracht namens de VNG en mij gekregen om te werken aan verdere harmonisatie van de brede ondersteuning door gemeenten. Daarbij blijft er altijd ruimte voor maatwerk in de ondersteuning. De bestuurlijk regisseur is over de uitvoering van de brede ondersteuning in gesprek met gedupeerde ouders, jongeren en gemeenten; toetst of gemeenten de beleidsregels hebben vastgesteld, haalt goede werkpraktijken op en stimuleert kennisuitwisseling tussen gemeenten zodat zij van elkaar leren.
Erkent u dat hierdoor verschillen in ondersteuning ontstaan afhankelijk van de woonplaats van gedupeerde ouders?
Zie antwoord vraag 5.
Welke maatregelen neemt u om te zorgen voor een uniform niveau van ondersteuning voor alle gedupeerden?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt binnen herstelroutes rekening gehouden met immateriële schade van jongeren die direct zijn geraakt door de toeslagenaffaire?
Gedupeerde ouders ontvangen compensatie voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze compensatie is bedoeld voor het hele gezin. Er zijn twee hoofdroutes voor ouders om een aanvullende schadevergoeding aan te vragen: de route van Stichting (Gelijk)waardig Herstel de route MijnHerstel. Beide routes hanteren hetzelfde ruimhartige forfaitaire schadekader. In dit uniforme schadekader zijn er verschillende immateriële schadeposten die zijn gerelateerd aan het ervaren leed van het gezin, onder meer: ontoereikende waarborging levensstandaard kinderen, verlies van gelijke kansen in het gezin, impact door inperking ouderschap, impact door ongewenste onthechting, gevoelde discriminatie. Daarnaast biedt het uniforme schadekader de mogelijkheid om, wanneer zich binnen het gezin een uitzonderlijke impactvolle gebeurtenis heeft voorgedaan, hiervoor aanvullende compensatie te ontvangen.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies.
Is er voor jongeren die te maken hebben gehad met uithuisplaatsing een afzonderlijk traumasensitief traject ingericht?
Het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen ondersteunt gezinnen, ouders en kinderen die te maken hebben gehad met de toeslagenaffaire en een uithuisplaatsing. Het Ondersteuningsteam helpt gedupeerde ouders en hun kinderen om het contact te herstellen en de situatie te verbeteren. In de aanpak van het team staat een traumasensitieve werkwijze centraal: de professionals werken in hun begeleiding vanuit kennis over de impact van (chronische) stress en ingrijpende ervaringen op gedrag, vertrouwen en relaties.
Hoe wordt voorkomen dat dossiers van jongeren vastlopen in dezelfde administratieve processen als die van hun ouders?
Om het leed dat kinderen mogelijk hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire te erkennen, ontvangen zij de kindregeling. Kinderen hebben automatisch recht op de kindregeling als vastgesteld wordt dat een van hun ouders gedupeerd is. Zij hoeven hier in beginsel geen aanvraag voor te doen. Kinderen ontvangen dus ook geen dossier, aangezien het recht op de kindregeling bepaald wordt door de gedupeerdheid van een ouder en de gebeurtenissen die hiertoe geleid hebben. Kinderen ontvangen een financiële tegemoetkoming en kunnen zich vanaf hun zestiende jaar zelfstandig melden bij hun gemeente voor brede ondersteuning. Als er behoefte is aan een luisterend oor of lotgenotencontact, kunnen jongeren terecht bij het jongerennetwerk Unity Works van Stichting Lotgenotencontact.
Hoeveel gedupeerde ouders bevinden zich volgens uw gegevens momenteel buiten Nederland?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen.
Hoeveel van deze ouders beschikken niet over een BSN, DigiD of geldig Nederlands identiteitsdocument?
In principe heeft iedere Nederlander een BSN, ook als je in het buitenland woont. Daarmee kan een DigiD worden aangevraagd.
Kinderen die in het buitenland zijn geboren en geen BSN hebben, maar wel in aanmerking komen voor de kindregeling, kunnen hiervoor contact opnemen met het Serviceteam van UHT.
In hoeverre iemand een geldig identiteitsdocument heeft is geen onderdeel van de hersteloperatie en hierover zijn de gegevens niet bekend.
Hoe kunnen deze ouders hun dossier opvragen en deelnemen aan herstelprocedures?
Ouders in het buitenland, die zijn erkend als gedupeerde, kunnen via de persoonlijk zaakbehandelaar hun dossier opvragen. Zij doorlopen het herstelproces op vergelijkbare wijze als gedupeerden in Nederland. Ook kunnen gedupeerde ouders in het buitenland in aanmerking komen voor hulp via het Ondersteuningsteam Buitenland (OTB, https://hetotb.nl/).
Ouders in het buitenland zonder DigiD kunnen telefonisch contact opnemen met het Serviceteam. Er is een telefoonnummer beschikbaar waar zij vanuit het buitenland naar kunnen bellen, of zij kunnen een terugbelverzoek achterlaten op de herstelwebsite https://herstel.toeslagen.nl/contact/contact-vanuit-het-buitenland/.
Daarnaast is er altijd een mogelijkheid om UHT via post te benaderen.
Gedupeerde ouders van de kindertoeslagaffaire in Caribisch Nederland kunnen aanvullend terecht bij Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) voor hulp en ondersteuning.
Welke inspanningen worden verricht om gedupeerde ouders in het buitenland actief te traceren en te informeren over hun rechten binnen de hersteloperatie?
UHT houdt niet bij waar iemand woont, alleen of deze gedupeerde hulp door het OTB wenst. Het OTB voorziet ouders in het buitenland van informatie en biedt hen hulp en ondersteuning. In België en in het Caribisch gebied verblijven de meeste ouders die naar het buitenland zijn vertrokken. In deze landen is vanaf de start van de hersteloperatie daarom regelmatig ingezet op extra communicatie in de media van deze landen. Ook weten de ouders in het buitenland veelal hun weg te vinden in de diverse oudercontactgroepen in de betreffende landen.
Alle ouders krijgen tijdens hun traject bij UHT informatie over hun rechten binnen de hersteloperatie. Dit is voor ouders in het buitenland niet anders dan in Nederland.
Kunt u aangeven hoeveel gedupeerde ouders volgens uw gegevens in het buitenland verblijven, in welke landen zij zich bevinden en hoeveel van hen nog geen contact hebben gehad met een persoonlijke zaakbehandelaar?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen. Er zijn geen signalen bekend dat ouders geen contact kunnen krijgen met de casemanagers bij Radar/OTB.
Op welke wijze onderzoekt u welke gedupeerde ouders in het buitenland mogelijk nog niet zijn bereikt of niet hebben gereageerd, en welke stappen worden genomen om deze groep alsnog actief te benaderen?
Het OTB biedt ondersteuning aan gedupeerde ouders die in 45 verschillende landen over de wereld leven. In landen waar veel (potentieel) gedupeerde ouders wonen, met name in België en in het Caribisch gebied, is veel gedaan om deze ouders te bereiken met communicatie in de media van het betreffende land.
De mogelijkheid voor aanmelding voor gedupeerde ouders is in principe gesloten sinds 1 januari 2024. Mochten zich nu nog ouders melden, is er de mogelijkheid om een beroep te doen op verschoonbare termijnoverschrijding.
Zijn er afspraken met buitenlandse schuldeisers om te voorkomen dat herstelbetalingen direct in beslag worden genomen? Zo nee, bent u bereid deze vorm te geven?
De wet- en regelgeving zoals in de hersteloperatie is vormgegeven, geldt niet in het buitenland. We kunnen schuldeisers in het buitenland niet dwingen om invorderingen te pauzeren, zoals we dit met de pauzeknop van 1 jaar (moratorium) in Nederland hebben afgesproken.
Met de Belgische overheid hebben we afspraken kunnen maken over toepassing van invorderingsrust en deelname aan de afwikkeling van schulden.
Ook hebben we procesafspraken gemaakt met Sociale Banken Nederland (SBN) indien een ouder daar een schuld bij een buitenlandse schuldeiser indient. SBN doet dan altijd pogingen om de buitenlandse schuldeiser te benaderen om afspraken te maken. Dit gebeurt telefonisch en met brieven die in meerdere talen beschikbaar zijn. Hierin wordt ook informatie gedeeld over de voordelen van meewerken aan de schuldenregeling en uitleg gegeven over de toeslagenaffaire.
U geeft in de voortgangsrapportage aan dat er wordt gewerkt aan een steunpunt waar gedupeerde ouders en getroffen jongeren terecht kunnen voor vragen over psychosociale hulp. Ligt de ontwikkeling nog steeds op schema, nu het tweede kwartaal van dit kalenderjaar snel nadert?
Deze ontwikkeling ligt zeker op schema. Sinds maandag 16 maart 2026 is het Landelijk Steunpunt Mentaal Welzijn geopend voor de leerfase. Aanmelding van gedupeerde ouders en jongeren van 18 jaar en ouder verloopt in deze leerfase via gemeenten en een aantal ketenpartners (Stichting Lotgenotencontact, KOTA-Rapportage en lokale netwerken). Daarnaast is het steunpunt in de leerfase beschikbaar voor advies en vragen van gemeenteambtenaren brede ondersteuning en professionals mentaal welzijn.
Vanaf 1 juli 2026 gaat het steunpunt volledig open. Iedereen kan vanaf die datum op eigen initiatief contact opnemen.
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Nibud-onderzoek over het forse verlies in inkomsten van huishoudens als kind 18 wordt |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nibud: alleenstaande ouder verliest veel inkomen als kind 18 wordt» en met het betreffende rapport «De financiële knip op 18 jaar»?1, 2
Ja, ik ben bekend met het NOS-artikel naar aanleiding van het Nibud-rapport «De financiële knip op 18 jaar».
Wat is uw reactie op het rapport?
Het Nibud-rapport laat zien dat veel huishoudens met kinderen minder te besteden krijgen zodra een kind 18 jaar wordt. Dit komt vooral doordat ouders dan geen recht meer hebben op kinderbijslag en kindgebonden budget, waardoor het huishoudinkomen daalt. Tegelijkertijd komen er extra kosten bij, zoals de premie voor een zorgverzekering. Naast kinderbijslag en kindgebonden budget kan ook ondersteuning via gemeentelijke regelingen vervallen zodra een kind 18 jaar wordt, hoewel dit niet is meegenomen in het Nibud-onderzoek.
Ik begrijp dat het voor sommige huishoudens lastig kan zijn om deze inkomensdaling op te vangen, en ik begrijp ook dat mensen zich hier zorgen over maken. Het gaat soms immers om grote bedragen. De inkomensterugval door verlies aan kinderbijslag en kindgebonden budget kan – omgerekend naar maandbedragen – oplopen tot € 436 per kind voor tweeoudergezinnen. Bij alleenstaande ouders kan dit oplopen tot € 715 per kind als het jongste kind 18 jaar wordt.
Het is onvermijdelijk dat de ondersteuning voor de kosten van kinderen op enig moment ophoudt te bestaan. Op dit moment ligt die grens op 18 jaar. Dat is ook de leeftijd waarop jongeren meer rechten krijgen (zoals het recht om te stemmen, zelfstandig auto te rijden of te trouwen) en ook meer verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld dat jongeren een zorgverzekering moeten afsluiten of aansprakelijk zijn voor schulden die zij maken). In dat kader is 18 jaar ook een logische leeftijd om te verwachten dat jongeren zelf financieel meer gaan bijdragen.
Het vervallen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget betekent niet dat er helemaal geen ondersteuning meer is. Zodra een kind 18 jaar wordt, zijn er een aantal andere regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen. Zo komen de meeste jongeren in aanmerking voor zorgtoeslag. Jongeren die studeren komen in aanmerking voor studiefinanciering. Jongeren die nog voortgezet onderwijs volgen komen in aanmerking voor de tegemoetkoming scholieren (WTOS). En jongeren die niet werken of studeren kunnen een beroep doen op algemene bijstand.
Ouders en kinderen kunnen ook zelf een bijdrage leveren door in te spelen op het feit dat een kind 18 jaar wordt en dat de regelingen dan stoppen. Ouders zouden bijvoorbeeld meer uren kunnen gaan werken. En meerderjarige kinderen kunnen wellicht ook bijdragen in de kosten als zij studiefinanciering ontvangen, een bijbaan hebben, en eventueel meer uren gaan werken. Studenten die vanwege een medische beperking niet kunnen bijverdienen naast hun studie, kunnen mogelijk via hun gemeente studietoeslag krijgen. En als het echt niet lukt om rond te kunnen komen, dan kunnen mensen voor onvoorziene bijzondere omstandigheden ook een beroep doen op individuele bijzondere bijstand.
Het is vooral belangrijk dat ouders met hun kinderen (en eventueel de gemeente) in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en over de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
In hoeverre waren deze signalen bij u bekend?
Ik ben ermee bekend dat het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget vervalt zodra een kind 18 jaar wordt.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Nibud-directeur Mattias Gijsbertsen dat de harde financiële overgang van een 17-jarig naar een 18-jarig kind de kansenongelijkheid versterkt?
Het effect van 18 jaar worden op kansenongelijkheid hangt af van de individuele situatie. Niet alleen regelingen voor meerderjarige kinderen zijn van belang, maar ook de mogelijkheden die ouders en kinderen zelf hebben om een inkomensdaling op te vangen spelen een belangrijke rol. Als ouders meer uren kunnen gaan werken, of als meerderjarige kinderen een bijbaan hebben, hoeft dat niet automatisch te leiden tot grotere kansenongelijkheid. Op langere termijn kan het hebben van een bijbaan helpen om waardevolle vaardigheden te ontwikkelen, een netwerk op te bouwen en werkervaring op te doen, wat kansenongelijkheid zelfs kan verminderen.
Deelt u de opvatting dat de noodzakelijke verhoging van het kindgebonden budget in 2023, nadat de Commissie sociaal minimum concludeerde dat gezinnen soms honderden euro’s per maand tekort kwamen, niet tot gevolg zou mogen hebben dat ouders bij de 18e verjaardag van hun kind opnieuw of dieper in armoede terecht komen?
Het klopt inderdaad dat de verhogingen van het kindgebonden budget in de afgelopen jaren tot gevolg hebben gehad dat ouders nu meer kindgebonden budget verliezen wanneer een kind 18 jaar wordt. Hoewel dit een nadeel is, was dat voor de regering destijds geen reden om af te zien van de verhogingen van het kindgebonden budget, omdat de wens om huishoudens met kinderen gericht te ondersteunen zwaarder woog. Het is daarom van belang dat ouders bij dreigende geldzorgen naar de gemeente gaan om te bezien wat passende ondersteuning voor hen zou kunnen zijn.
Deelt u de zorgen over het feit dat alleenstaande ouders in de bijstand de hoogste inkomensdaling hebben? Zij verliezen bijna 720 euro per maand als hun jongste kind 17 wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe deze grote daling voor deze specifieke groep kan worden opgevangen of verzacht?
Ik herken dat de inkomensdaling voor eenoudergezinnen groter kan zijn dan voor tweeoudergezinnen. Dit is het geval in situaties waarin het jongste kind 18 jaar wordt. In principe zijn de bedragen per kind binnen de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor eenouder- en tweeoudergezinnen gelijk. Voor 17-jarigen is dat – omgerekend naar maandbedragen – € 141 per kind aan kinderbijslag en maximaal € 295 per kind aan kindgebonden budget. Alleenstaande ouders ontvangen binnen het kindgebonden budget echter een verhoging van het bedrag in de vorm van de zogenaamde alleenstaande ouderkop (ALO-kop). De hoogte van dit bedrag (€ 279 per maand) is onafhankelijk van het aantal kinderen. Als een kind 18 jaar wordt en er zijn geen andere kinderen jonger dan 18 jaar, dan verliezen eenoudergezinnen dus in totaal € 715 per maand aan kinderbijslag en kindgebonden budget, terwijl dit voor tweeoudergezinnen € 436 per maand is.
Ik begrijp dat een inkomensdaling moeilijker op te vangen is als deze groter is, en dat het voor alleenstaande ouders dus moeilijker kan zijn. Tegelijkertijd is de inkomensverandering niet het enige dat relevant is. Uiteindelijk is het ook belangrijk hoeveel mensen onderaan de streep te besteden hebben. Een grotere inkomensdaling betekent daarom niet automatisch dat eenoudergezinnen altijd moeilijker rond kunnen komen dan tweeoudergezinnen. Het Nibud-onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat de financiële situatie van een alleenstaande ouder in de bijstand met twee kinderen van 15 en 18 jaar doorgaans beter is dan de financiële situatie van een stel in de bijstand met twee kinderen van dezelfde leeftijd – ook nadat een kind 18 is geworden. In de begrotingen die het Nibud opstelde voor dit onderzoek is bovendien geen rekening gehouden met een aantal regelingen die in de praktijk wel een rol kunnen spelen, zoals kinderalimentatie. Een deel van de kinderen van gescheiden ouders heeft hier recht op totdat zij 21 jaar worden.
Op basis van het Nibud-onderzoek kan dus niet meteen worden gesteld dat de financiële gevolgen van 18 jaar worden vaker tot problemen leiden in eenoudergezinnen dan in tweeoudergezinnen. Daarom zie ik op dit moment geen reden om specifiek voor alleenstaande ouders te onderzoeken hoe de inkomensdaling bij 18 jaar kan worden opgevangen of verzacht. Het antwoord op vraag 10 gaat wel uitgebreider in op de mogelijkheden om de gevolgen van een inkomensdaling in algemene zin te matigen.
Hoe beziet u de tegenstelling van het wegvallen van inkomsten als kinderbijslag en het kindgebonden budget bij de 18e verjaardag en de wettelijke verantwoordelijkheid die ouders hebben tot de 21e verjaardag voor de kosten van levensonderhoud en studie?
Ouders zijn inderdaad financieel verantwoordelijk voor hun kinderen totdat zij 21 jaar worden. Maar dat betekent niet dat meerderjarige kinderen van 18–20 jaar geen enkele bijdrage kunnen leveren. Het is belangrijk dat ouders tijdig met hun kinderen in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
Deelt u de mening dat het type vervolgopleiding geen invloed zou mogen hebben op de financiële situaties van kinderen en hun ouders?
Nee. Doordat er verschillen zijn in kosten van een studie, zullen er ook verschillen in inkomsten en uitgaven zijn tussen huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten. Die verschillen zijn er enerzijds tussen de onderwijstypes onderling, maar ook tussen opleidingen binnen hetzelfde onderwijstype kan dit het geval zijn. Zo verschillen de uitgaven van studenten in het mbo en hbo/wo op het gebied van schoolkosten (deze zijn over het algemeen hoger in het mbo3) en de hoogte van het les- en collegegeld. Het collegegeld in het hbo en wo ligt met € 2.601 hoger dan het lesgeld van € 1.458 in het mbo. Verder betalen minderjarige mbo-studenten geen lesgeld, terwijl minderjarige hbo- en wo-studenten wel collegegeld betalen.
Hoe beoordeelt u de verschillen tussen in inkomensdaling van ouders van mbo-studenten enerzijds, die voor hun 18e nog geen studiefinanciering krijgen, en hbo- en wo-studenten anderzijds, die voor hun 18e wel studiefinanciering ontvangen? Is dit wat u betreft eerlijk?
De situaties van huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten zijn niet goed met elkaar te vergelijken, zoals ook in het antwoord op vraag 8 is uitgelegd. Het saldo van inkomsten en uitgaven daalt ten eerste harder in huishoudens met studerende hbo-/wo-studenten zodra het kind 18 jaar wordt, doordat het inkomen van een gezin met een minderjarige hbo/wo-student al hoger is dan dat van een gezin met een minderjarige mbo-student. De reden hiervoor is dat minderjarige hbo/wo-studenten al studiefinanciering ontvangen en mbo-studenten nog niet.4 Tegelijkertijd betaalt een minderjarige hbo/wo-student al wel collegegeld en een minderjarige mbo-student nog geen lesgeld. Verder ontvangt een mbo-student die 18 jaar wordt studiefinanciering en betaalt lesgeld (vanaf het studiejaar nadat die 18 jaar is geworden). De hbo/wo-student die 18 jaar wordt, krijgt dus al studiefinanciering en betaalt al collegegeld. Voor beide huishoudens geldt dat de kinderbijslag en kindgebonden budget vervallen zodra het kind 18 jaar wordt.
Hoewel het inkomen van een gezin met een hbo/wo-student harder daalt zodra het kind 18 jaar wordt, is het saldo van inkomsten en uitgaven nadat het kind 18 jaar is geworden wel vergelijkbaar met dat van een huishouden met een mbo-student.
Hoe kan worden voorkomen dat de overgang van kind naar volwassene de verschillen tussen jongeren verder versterkt doordat sommigen noodzakelijk moeten bijdragen aan het huishoudbudget, maar daardoor weinig tot geen financiële ruimte hebben om te sparen voor hun eigen toekomst?
Zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 2 en 4 bestaan er al verschillende regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen, en daarmee de mogelijke effecten op kansenongelijkheid te matigen.
Hoe kijkt u naar de constatering van het Nibud dat de sterke inkomstendaling de vraag oproept of de harde overgang bij het 18 worden gedempt zou moeten worden, zodat het verdwijnen van het kindgebonden budget een jongere niet alsnog op achterstand kan zetten? Bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit nu verder te onderzoeken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Gaat u stappen ondernemen naar aanleiding van het rapport? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke en op welke termijn?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om extra stappen te nemen naar aanleiding van het rapport. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij «alle maatregelen betreffende kinderen» (zoals rechterlijke beslissingen) is een belangrijke verdragsverplichting die is vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag van de Rechten voor het Kind. Het is echter niet aan mij om in gerechtelijke beslissingen te treden.
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
De inhoudelijke redenen voor een sepot worden niet systematisch gedocumenteerd op het niveau van individuele zaken. Enkel dossieronderzoek, dat veel tijd en capaciteit kost, zou hier meer inzicht in kunnen geven. Ik heb het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie in staat is om de juiste afweging te maken in deze zaken, waarbij de belangen van slachtoffers, waaronder kinderen, voorop staan.
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Het belang van het kind wordt gewogen op grond van de bestaande (internationale en Europese) wet- en regelgeving, de beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de stukken uit het strafdossier, waaronder rapportages die omtrent het kind zijn opgemaakt. De beleidsregels zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Huiselijk Geweld en de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.
Landelijke richtlijnen en Aanwijzingen worden formeel vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal. Ik heb dan ook geen directe invloed op deze kaders. Het is wel mogelijk via algemene beleidsaanwijzingen en wetgeving indirect invloed uit te oefenen op deze kaders.
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Uit de Richtlijn voor strafvordering Huiselijk Geweld volgt dat het uitgangspunt is dat bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is.
Uit de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling volgt dat alleen zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt, voor een OM-strafbeschikking in aanmerking komen. Verder kan aan een OM-strafbeschikking een gedragsaanwijzing worden verbonden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn vernieling (art. 350 Sr), verbale bedreiging (art. 285 Sr) en eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr).2 Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier.
Zowel uit de Richtlijn als de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie volgt dat zaken die vallen onder huiselijk geweld in beginsel worden gedagvaard en in uitzonderlijke gevallen met een OM-strafbeschikking worden afgedaan.
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Het is bekend dat er geen eenduidige wetenschappelijke consensus bestaat over de negatieve effecten van vervolging van ouders op kinderen. Het Openbaar Ministerie weegt zijn beslissing tot vervolging zorgvuldig af op grond van alle dossierstukken, inclusief rapportages van deskundigen (waaronder de Raad voor de Kinderbescherming) en adviezen van (jeugd)hulpinstanties waarin de belangen van het kind zijn meegenomen. Op grond van alle informatie tezamen beslist het Openbaar Ministerie welk belang per individuele casus het zwaarst weegt.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke taak om strafbare feiten te vervolgen. Hierbij spelen ook maatschappelijke belangen mee, zoals de bescherming van kwetsbare kinderen. Het seponeren van zaken van huiselijk geweld in het belang van het kind raakt aan de taak en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vergelijking in de vraag toont de complexiteit van het vervolgingsmonopolie en de noodzaak voor een zorgvuldige afweging die elke keer opnieuw dient plaats te vinden wanneer er kinderen betrokken zijn.
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Het Openbaar Ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen om een zaak niet te vervolgen (artikel 167 en artikel 242 Sv). Uit de beleidsregels van het Openbaar Ministerie volgt echter dat bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel wel worden vervolgd. In uitzonderlijke gevallen wordt daarvan afgezien, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gering feit of wanneer de pleger meteen verantwoordelijkheid heeft genomen door te bekennen en vrijwillig in behandeling te gaan voor bijvoorbeeld gedragsproblemen. Wanneer het Openbaar Ministerie besluit om niet te vervolgen, kan de zaak middels een artikel 12 procedure aan het gerechtshof worden voorgelegd om op die manier een vervolging te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de belangen van het kind in elke individuele zaak zorgvuldig en als eerste overweging worden meegewogen, ook wanneer wordt beslist om niet te vervolgen, is op zichzelf een goede praktijk. Het is daarbij uiteraard van belang dat steeds wordt bezien of een beslissing om niet te vervolgen alle rechten en belangen van het kind, waaronder ook diens recht op bescherming tegen geweld, voldoende borgt. Uit verschillende onderzoeken volgt immers dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld blijvend schade kunnen oplopen, en dat dit zelfs intergenerationeel kan doorwerken. Voor slachtoffers, nabestaanden en ook de maatschappij is het belangrijk dat een pleger wordt gestopt, en verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden. Daar horen consequenties bij, zoals een straf en/of het zoeken naar hulp om het gebruik van geweld in de toekomst te voorkomen. Elke zaak is uniek. Dit betekent dat elke keer opnieuw een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen, waarbij die van het kind de eerste overweging vormen.
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het slachtoffer te beschermen wanneer het Openbaar Ministerie besluit om een zaak niet te vervolgen. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kan via de burgemeester een beroep worden gedaan op het tijdelijk huisverbod. Hiermee is het slachtoffer voor een periode van maximaal 28 dagen beschermd tegen de pleger, die dan het huis niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met het slachtoffer en de kinderen. Verder kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens een risico-inschatting kan doen en een veiligheidsplan kan opstellen. Wanneer hulpverleningsinstanties zoals Veilig Thuis concluderen dat sprake is van acute onveiligheid dan kan het slachtoffer – onder voorwaarden – in aanmerking komen voor een AWARE-knop. Dit is een draagbare noodknop waarmee de politie kan worden gealarmeerd in geval van acuut gevaar. De politie kan met behulp van die knop de locatie van het slachtoffer bepalen en snel ter plaatse komen.
Rechtszekerheid en toegang tot het recht zijn geborgd doordat een slachtoffer middels een kort geding bij de civiele rechter een contactverbod kan eisen. Tot slot kan een slachtoffer via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof een vervolging afdwingen.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
De antwoorden op de set Kamervragen van 17 november 2025 zijn op 19 december 2025 verzonden. Helaas is het niet gelukt om onderhavige set Kamervragen voor het kerstreces te beantwoorden.