31 948
Wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 28 oktober 2009

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag over het onderhavige wetsvoorstel. Ik dank de leden van de fracties voor hun inbreng. Het verheugt mij dat de fracties die inbreng hebben geleverd op hoofdlijnen kunnen instemmen met het wetsvoorstel en de doelstelling om de controle op rechtspersonen te verbeteren en misbruik van en door rechtspersonen te voorkomen en te bestrijden onderschrijven. Tegelijkertijd stel ik vast dat bij enkele fracties nog vragen leven over onder meer de effectiviteit van de doorlopende controle op rechtspersonen, de wijze waarop deze wordt uitgevoerd, de wijze waarop wordt omgegaan met de bescherming van persoonsgegevens en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om hieronder de vragen die nog leven bij de fracties te beantwoorden. Bij de beantwoording wordt zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat vragen die over hetzelfde onderwerp gaan zoveel mogelijk gezamenlijk worden beantwoord.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen of nog minder vergaande opties als verbetering van de procedure van de verklaring van geen bezwaar zijn overwogen en zo ja, waar deze poging op is gestrand. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen waarom het bestaande toezicht geheel vervangen wordt door een nieuw systeem. Zij vragen of van het afgeven van een verklaring van geen bezwaar geen enkele werking uitgaat en waarom het huidige preventieve toezicht of in ieder geval delen daarvan, zoals het afgeven van een verklaring van geen bezwaar bij de oprichting van een rechtspersoon, niet in stand kan worden gehouden naast het nieuw voorgestelde systeem van toezicht.

In het rapport «Snel en secuur toetsen een alternatief voor de verklaring van geen bezwaar» van de Werkgroep Toezicht Rechtspersonen dat bij brief van 18 maart 2005 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is aangeboden, is een analyse gemaakt van de doelmatigheid van het huidige preventieve toezicht op vennootschappen. Daaruit kwam naar voren dat het preventieve toezicht niet effectief is om een aantal redenen. Ten eerste is het preventieve toezicht een momentopname. Bij belangrijke mutaties na de oprichting wordt er niet preventief getoetst. Voor de bestrijding van criminaliteit, witwassen en de aanpak van financiering van terrorisme is preventief toezicht niet toereikend. Voorts kunnen buitenlandse rechtspersonen met een (hoofd)vestiging in Nederland niet (preventief) getoetst worden. Bovendien valt het toezicht betrekkelijk eenvoudig te omzeilen via stromanconstructies. Daarnaast ervaren ondernemers de administratieve rompslomp en de ondoorzichtigheid van de besluitvorming als lastig. Tot slot is Nederland de enige EU-lidstaat met een systeem van preventief toezicht, hetgeen niet bevorderlijk is voor het vestigingsklimaat.

Als mogelijke oplossingsrichting voor deze kritiekpunten is in voornoemd rapport «Snel en secuur toetsen» genoemd het vervolmaken van het preventieve toezicht door zoveel mogelijk «gaten» te dichten. Dit zou echter een sterke toename van administratieve lasten voor het bedrijfsleven opleveren. Voorts is het «gat» van de buitenlandse rechtspersonen niet te dichten met preventief toezicht. Met doorlopend toezicht wordt dit wel tot bepaalde hoogte mogelijk. Buitenlandse rechtspersonen die een onderneming drijven in Nederland moeten zich inschrijven in het handelsregister. Voorzover deze buitenlandse rechtspersonen in het Nederlandse handelsregister zijn geregistreerd, worden ze in de screening betrokken. Een nieuw risicogestuurd systeem van doorlopende controle heeft dan ook de voorkeur, nu hiermee effectiever misbruik van en door rechtspersonen kan worden bestreden zonder dat onevenredige lasten voor het bedrijfsleven worden geïntroduceerd.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit wetvoorstel zich verhoudt tot de meer algemene visie van dit kabinet op toezicht. Is er niet juist een meer algemene tendens in het kabinetsbeleid te bespeuren in de richting van preventief toezicht, waarbij de redenering is dat één grondige toets bij de voordeur de stapeling van toezicht in de verdere fase overbodig maakt, zo vragen deze leden.

Het systeem van doorlopende controle biedt de mogelijkheid om zowel preventieve maatregelen te treffen als handhavend op te treden. Onder de preventieve maatregelen vallen bijvoorbeeld het opleggen van een bestuursverbod, het ontbinden van een rechtspersoon of het aanvragen van het faillissement van een rechtspersoon door het openbaar ministerie of verscherpte controle door een toezichthouder. Met behulp van de risicomeldingen kunnen toezichthouders al actie ondernemen voordat er strafbare feiten worden gepleegd door een rechtspersoon of de betrokken natuurlijke perso(o)n(en). Deze ontwikkeling draagt daarmee bij aan de algemene tendens van dit kabinet om aandacht te blijven besteden aan het preventieve toezicht. Ondernemingen waarbij geen onregelmatigheden worden gesignaleerd worden niet belast met het nieuwe systeem van toezicht, hetgeen tegemoet komt aan de behoefte van administratieve lastenverlichting.

Het nieuwe systeem van toezicht is effectiever dan het huidige systeem omdat een rechtspersoon continu gescreend wordt op diverse levensloopmomenten (dus ook bij oprichting). In het nieuwe systeem van toezicht op rechtspersonen wordt het toezicht bovendien uitgebreid naar andere rechtspersonen, zoals stichtingen, en wordt een impuls gegeven aan de handhavingsinstanties om rechtspersonen die misbruik (dreigen te) maken van hun rechtspersoonlijkheid, meer dan thans het geval is, te controleren, op te sporen en te vervolgen, dan wel andere passende maatregelen te treffen.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit voorstel zich verhoudt tot de ontwikkeling binnen de belastingdienst waar naar een systeem van meer horizontaal toezicht toegewerkt wordt en een zwaarder beroep wordt gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven.

De introductie van doorlopende screening staat los van de ingezette lijn met betrekking tot het horizontaal toezicht binnen de belastingdienst. Die lijn blijft onverkort gehandhaafd. De belastingdienst is afnemer van risicomeldingen in het nieuwe systeem van doorlopende controle van rechtspersonen. Voor de belastingdienst zijn de risicomeldingen een extra informatiebron waarmee het gerichte toezicht nog beter kan worden toegespitst op die belastingplichtige rechtspersonen die zich, ondanks de afspraken die passen bij de aanpak van het horizontale toezicht, niet aan de regels houden. Voor de aanpak van rechtspersonen die zich niet aan de regels houden – en om die reden geconfronteerd worden met stevig verticaal toezicht – krijgt de belastingdienst er een extra informatiebron bij. Daarmee kunnen risico’s nog beter worden ingeschat, zodat het adagium dat de belastingdienst erop na houdt – iedere klant krijgt het toezicht dat hij verdient – nog beter tot zijn recht kan komen. Rechtspersonen die er blijk van geven serieus om te gaan met hun fiscale en andere verplichtingen zullen dan ook niets merken van de doorlopende screening.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Wet documentatie vennootschappen als basis gaat dienen voor het nieuwe registratiesysteem. Daar waar nodig zal deze wet worden aangepast. Deze leden begrijpen niet waarom niet van tevoren is bekeken of aanpassing noodzakelijk is. Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering.

In voornoemd rapport «Snel en secuur toetsen» zijn de voorstellen voor het nieuwe systeem van toezicht gepresenteerd. Bij die gelegenheid is tevens aangegeven dat het voorgestelde systeem van toezicht gedetailleerd zou worden uitgewerkt in voorstellen voor wet- en regelgeving. Het onderhavige wetsvoorstel strekt hiertoe en introduceert onder meer een wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking in het kader van de doorlopende controle in de Wet documentatie vennootschappen (waarvan de citeertitel wordt gewijzigd in Wet controle op rechtspersonen) op te nemen.

De leden van de SP-fractie stellen de voorwaarde dat de nieuwe vorm van toezicht effectief dient te zijn en dat niet slechts een papieren werkelijkheid tot stand wordt gebracht. Zij vragen of nu het preventieve toezicht wordt afgeschaft dit in de praktijk betekent dat ook een veroordeelde fraudeur een vennootschap op zal kunnen richten?

In beginsel kan die mogelijkheid niet geheel worden uitgesloten. Voor het proces van screening is een aantal gebeurtenissen omtrent rechtspersonen aangemerkt als levensloopmoment. De oprichting is een zogenoemd levensloopmoment dat aanleiding geeft om de gegevens van de rechtspersoon en de betrokken rechts- en natuurlijke perso(o)n(en) te screenen aan de hand van de vastgestelde risicoprofielen. Hieruit kan een risicomelding voortkomen die in handen wordt gesteld van een handhaver. De handhavende instantie is verantwoordelijk voor de vervolgactie naar aanleiding van een risicomelding. Eén van de mogelijkheden wordt het opleggen van een (civiel- dan wel strafrechtelijke) bestuursverbod, waarmee wordt voorkomen dat een notoire fraudeur in de (nabije) toekomst wederom pogingen onderneemt een rechtspersoon op te richten, dan wel in het bestuur van een rechtspersoon toe te treden.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij onderzoek heeft verricht om alle hoger beroep zaken tegen de besluiten van bestuursorganen voorzien in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te uniformeren bij één hoger beroepsinstantie. Als dit is gebeurd, vragen zij waarom er geen uniformering plaats heeft gevonden.

Met het wetsvoorstel wordt niet beoogd om een uniformering van het rechtsbeschermingstraject voor alle besluiten van bestuursorganen op grond van boek 2 BW te bewerkstelligen. De huidige rechtsgangen leveren in de praktijk geen problemen op en de rechterlijke competentietoedeling is destijds op goede gronden geschied. Wel wordt in het wetsvoorstel beroep in twee instanties ingevoerd voor die besluiten van de minister van Justitie op grond van boek 2 BW, waarvoor nu nog alleen beroep kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het betreft de artikelen 2:156 en 2:266 BW (ontheffing structuurregime BV en NV). De vraag van de leden van de VVD-fractie heeft mij aanleiding gegeven om hieraan bij nota van wijziging nog artikel 2:63d BW (ontheffing structuurregime coöperatie) toe te voegen, aangezien het daar gaat om hetzelfde type besluiten als op grond van de artikelen 2:156 en 2:266 BW. Dit betekent dat de rechtsmacht in hoger beroep voor deze besluiten (het betreft uitsluitend de afwijzing aanvragen om een ontheffing) overgaat van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven en dat het beroep in eerste aanleg wordt geconcentreerd bij de rechtbank Rotterdam. Het betreft een zeer gering aantal zaken.

Nieuw toezicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat aan de hand van op te stellen risicoprofielen een verscherpte controle kan worden uitgeoefend indien er op basis van de beschikbare gegevens een verhoogd risico bestaat. Zij vragen of de kans bestaat dat een rechtspersoon, als deze niet van meet af aan binnen het risicoprofiel past, in het geheel niet meer gecontroleerd wordt en hoe groot het risico is dat de meeste rechtspersonen buiten een dergelijk risicoprofiel en daarmee buiten het toezicht vallen.

Bij elk levensloopmoment bij een rechtspersoon worden de betrokken rechts- en natuurlijke perso(o)n(en) automatisch gescreend. Ieder van deze levensloopmomenten initieert een screening waarbij het systeem controleert of aan bepaalde risico-indicatoren, die zijn verdeeld over verschillende risicoprofielen, wordt voldaan. Indien de screening niet leidt tot een risicomelding, betekent dit dus niet dat er geen controle meer is op deze rechtspersoon en de betrokken rechts- en natuurlijke perso(o)n(en). Bij het volgende levensloopmoment wordt de screening opnieuw gestart. Deze levensloopmomenten kunnen meerdere malen per jaar plaatsvinden.

De leden van de CDA-fractie wensen te vernemen hoe vaak de periodieke vaststelling van de risicoprofielen en risico-indicatoren gebeurt en hoe vaak daadwerkelijk controle plaatsvindt. Gebeurt dat slechts als het geautomatiseerde systeem «wakker wordt» door een wijziging van data in de aangehaakte bestanden? Deze leden vragen of gegarandeerd kan worden dat de nieuwe wijze van doorlopende controle meer misbruik uit het systeem zal filteren. Ook vragen deze leden om een schatting van de te verwachten of mogelijke stijging van de te traceren misbruikgevallen.

In de beginperiode zal aanpassing van de risicoprofielen en risico-indicatoren vaker noodzakelijk zijn dan in een latere fase. Als de risicoprofielen en risico-indicatoren zich hebben bewezen zullen aanpassingen minder frequent plaatsvinden. Het systeem mag niet achterblijven bij de ontwikkelingen in de mogelijke ondernemingsstructuren en de wet- en regelgeving. Om die reden zal af en toe aanpassing nodig blijven.

Bij elk levensloopmoment vindt er een screening van de rechtspersoon en de betrokken rechtsen natuurlijke perso(o)n(en) plaats. De verwachting is dat er meer misbruikgevallen worden gedetecteerd in vergelijking met het aantal weigeringen van de verklaring van geen bezwaar. Garanties voor de toekomst kunnen niet worden gegeven, maar momenteel wordt uitgegaan van 10 000 tussentijdse risicomeldingen op jaarbasis. Aan de hand van een handmatige analyse worden deze meldingen verder ingekleurd en worden andere bronnen bevraagd. Dit proces leidt zal uiteindelijk leiden tot een voldragen risicomelding of de constatering dat geen risicomelding wordt afgegeven.

De leden van de CDA-fractie vragen of bevestigd kan worden dat het mogelijk is om een bestuursverbod op te leggen op basis een risicomelding. In dit verband vragen zij naar de verhouding tot het in kamerstuk 31 386, A opgenomen voorstel tot verruiming van de mogelijkheden tot het opleggen van de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep bij financieel-economische delicten.

De bijkomende straf van ontzetting uit het beroep, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder 5°, Wetboek van Strafrecht (Sr), kan in de bij de wet bepaalde gevallen door de rechter worden opgelegd. Oplegging van deze straf is op dit moment al mogelijk voor een aantal financieeleconomische delicten, waaronder oplichting (artikel 326 Sr), flessentrekkerij (artikel 326a Sr), bedrog in jaarstukken (artikel 336 Sr) en de in de Wet economische delicten genoemde delicten. De in kamerstuk 31 386, A opgenomen voorstellen verruimen de mogelijkheden tot het opleggen van een ontzetting uit het beroep met een aantal specifieke delicten, waaronder artikel 194, eerste lid, Sr (niet geven van inlichtingen bij faillissement), de in Titel XII (Valsheid in geschrifte) en Titel XXVI (Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden) Sr genoemde strafbepalingen, artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 65 van de Invorderingswet 1990.

Voor het opleggen van de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep is het bestaan van een enkele risicomelding, een signaal aan handhavers dat er mogelijk sprake is van misbruik van of door rechtspersonen, niet voldoende. Daarvoor zal sprake dienen te zijn van veroordeling van een rechter voor één van de daartoe in Sr aangewezen delicten. Een risicomelding kan wel aanleiding zijn tot nadere opsporings- en vervolgingsactiviteiten waaruit een dergelijke veroordeling kan voortvloeien.

De leden van de CDA-fractie wensen tevens te vernemen of zij het goed begrijpen dat de risicomeldingen straks automatisch worden verstrekt. Zij vragen of gegarandeerd kan worden dat de geautomatiseerde systemen hierop reeds berekend zijn, dat de koppeling van de bestanden geen gaten vertoont en dat de naadloze samenwerking tussen de departementen gegarandeerd is.

Het systeem zal uit verschillende bronnen een combinatie van gegevens aan de medewerker aanbieden. Deze zal de gegevens vervolgens handmatig analyseren op risico van misbruik. De belangrijkste gegevensleverancier voor het nieuwe systeem van toezicht is de Kamer van Koophandel die het Nieuwe Handelsregister (NHR) ontwikkelt en gaat beheren. Momenteel wordt binnen mijn ministerie, in directe samenwerking met de Kamer van Koophandel, in kaart gebracht op welke wijze de koppeling tussen het NHR en de dienst Justis het beste plaats kan vinden. De geautomatiseerde koppeling van Justis met andere gegevensleveranciers (het Centraal Insolventie Register (CIR), de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) en de Justitiële Informatiedienst (JustID)) verloopt voorspoedig. De risicomeldingen zullen op termijn (gedeeltelijk) automatisch worden verstrekt. De samenwerking van de verschillende bij de verstrekking van de risicomeldingen betrokken partijen is niet afhankelijk van geautomatiseerde koppelingen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat er gebruik wordt gemaakt van basisregistraties. Voor de actualiteit van deze gegevens is het bronbestand leidend. Zij vragen wie garandeert dat de gegevens in bijvoorbeeld het NHR en de GBA kloppen en actueel zijn of dat er vanuit gegaan wordt dat de aangeleverde gegevens kloppen.

Een basisregistratie fungeert voor bestuursorganen als een unieke bron van essentiële en betrouwbare gegevens. Bestuursorganen zijn verplicht deze authentieke gegevens te gebruiken in het bestuurlijke verkeer met burgers en bedrijven, die deze gegevens daardoor niet nogmaals aan hen hoeven te verstrekken (het beginsel van de zogenoemde eenmalige gegevensverstrekking). De officiële status van unieke bron brengt mee dat de lat zeer hoog ligt wat betreft de juistheid, actualiteit en volledigheid van de gegevens. Voor elke registratie is één organisatie verantwoordelijk. Zo is de Kamer van Koophandel verantwoordelijk voor het NHR en beheren gemeenten persoonsgegevens in het GBA. Bij het gebruik van basisregistraties als bron mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat de aangeleverde gegevens kloppen. Om de kwaliteit van de basisregistraties op het gewenste niveau te houden zijn afnemers verplicht om twijfel aan juistheid van de gegevens te melden aan de beheerder van de registratie.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de uitkomsten van een controle kunnen leiden tot een strafrechtelijk onderzoek.

De dienst Justis geeft risicomeldingen af aan handhavers. Deze worden in de aanvangsperiode besproken in het handhavingsgremium, waaraan de selecte groep van handhavers die ingevolge de Wet controle op rechtspersonen als afnemers van risicomeldingen worden aangemerkt (openbaar ministerie, belastingdienst, De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten en de politie, inclusief bijzondere opsporingsdiensten als FIOD-ECD en SIOD) deelneemt. Afhankelijk van de zwaarte en inhoud van de risicomelding wordt er door de opsporingsinstanties verder (strafrechtelijk) onderzoek verricht. Op basis hiervan kan de zaak door het openbaar ministerie worden afgedaan door middel van een transactie (op termijn een OM-strafbeschikking) of eventueel voor de strafrechter worden gebracht.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe zij zich het screeningsproces moeten voorstellen. Zij wensen te vernemen of er bij een combinatie van bepaalde antecedenten en sleutelgegevens automatisch een melding komt van een verhoogd risico en of deze melding wordt gevolgd door een handmatige risicoanalyse. Zij vragen zich af of deze risicoanalyse, gecombineerd met gegevens van onder andere de belastingdienst en het Kadaster, kan leiden tot een risicomelding.

In de automatische analyse wordt gebruik gemaakt van gegevens van het NHR, het CIR, de GBA en JustID. Bij een levensloopmoment worden de gegevens van de rechtspersoon en de betrokken rechts- en natuurlijke perso(o)n(en) door de risicoprofielen geleid. Dit kan leiden tot een tussentijdse risicomelding. Is dit het geval dan wordt de tussentijdse risicomelding verder ingekleurd met handmatig te raadplegen bronnen, zoals het Kadaster en gegevens van de belastingdienst. Deze inkleuring kan leiden tot een voldragen risicomelding die wordt voorgelegd aan handhavers. Op termijn is het de bedoeling dat ook de handmatig te raadplegen bronnen zoveel mogelijk in de automatische analyse worden opgenomen. Hetgeen overigens niet betekent dat de handmatige analyse geheel verdwijnt. Voordat een risicomelding wordt afgegeven, vindt altijd nog een individuele beoordeling plaats.

De leden van de PvdA-fractie wensen te vernemen wat de relatie is tussen de risicomeldingen uit dit voorstel en de taak die diverse instellingen (onder andere financiële instellingen, makelaars, notarissen, etc.) onder de nieuwe witwasregeling hebben gekregen, namelijk het verplicht houden van een cliëntenonderzoek.

Met ingang van 1 augustus 2008 geldt de Wet ter voorkoming van Witwassen en Financieren van Terrorisme (WWFT). Op grond van deze wet zijn onder meer notarissen, advocaten en financiële instellingen verplicht tot het verrichten van cliëntenonderzoek en het doen van een melding bij een vermoeden van witwassen of financieren van terrorisme aan de Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU). Onder de voorloper van de WWFT, de Wet Melding ongebruikelijke transacties, waren zij hier ook al toe verplicht. Het FIU is in het Besluit Documentatie vennootschappen aangewezen als vaste gebruiker van de registratie, voorzover dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent geregisteerde personen uit het register ter uitvoering van zijn taak. Het nieuwe systeem van toezicht ziet op een bredere aanpak van controle op rechtspersonen dan de meldplicht op grond van de WWFT, omdat uit verschillende open en gesloten bestanden informatie wordt gekoppeld. Beide type meldingen leveren hun eigen bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van misbruik van en door rechtspersonen.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om meer voorbeelden van de controle-instrumenten die handhavers naar aanleiding van risicomeldingen kunnen gebruiken. In hoeverre kan of wordt het instrumentarium uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB) verbonden met het nieuwe systeem van toezicht op rechtspersonen? En in hoeverre kan de mogelijkheid die handhavers hebben om een rechtspersoon te laten beoordelen door een risicomelding op verzoek aan te vragen worden gelinkt aan een BIBOB-aanvraag?

Na ontvangst van een risicomelding kunnen handhavers de reeds bestaande controlemechanismen die zij tot hun beschikking hebben in gang zetten, zoals een boekenonderzoek door de belastingdienst of een financiële toezichthouder. Het linken van een risicomelding (op verzoek) aan een BIBOB-advies is niet aan de orde. Het Bureau BIBOB adviseert desgevraagd aan bestuursorganen – doorgaans gemeenten – over de mate van gevaar van misbruik van vergunningen, subsidies of aanbestedingen. Het Bureau beschikt over een eigen registratie met de voor haar taak relevante gegevens. De risicomelding (op verzoek) kan slechts verstrekt worden aan een beperkt aantal handhavers. Voor de ontvanger van de risicomelding geldt een geheimhoudingsplicht. Het Bureau BIBOB is geen ontvanger van risicomeldingen (op verzoek), omdat het geen wettelijke handhavingstaken heeft en derhalve niet in de doelgroep van afnemers valt. Het BIBOB-advies is ingevolge de Wet BIBOB in beginsel geheim. Van directe uitwisseling van gegevens kan dus geen sprake zijn.

Wel is het zo dat als een officier van justitie beschikt over gegevens die erop wijzen dat er verband bestaat tussen een betrokkene en strafbare feiten die gepleegd zijn of gaan worden – hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn als een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld naar aanleiding van een risicomelding – hij een bestuursorgaan of een aanbestedende dienst kan adviseren een BIBOB-advies aan te vragen. Ook de politie kan via de officier van justitie een bestuursorgaan tippen om een BIBOB-advies aan te vragen. Omgekeerd kan het Bureau BIBOB in geval van ernstig gevaar een melding over een advies aan het openbaar ministerie doen.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke rol de Kamers van Koophandel spelen bij het signaleren van mogelijk risicovolle rechtspersonen. Kan bijvoorbeeld het niet nakomen van de plicht om jaarrekeningen te publiceren meespelen bij een risicoanalyse over een rechtspersoon of bij een risicomelding?

Het nieuwe systeem van toezicht maakt gebruik van het NHR, dat wordt beheerd door de Kamer van Koophandel. Het niet of te laat deponeren van de jaarrekening kan één van de risico-indicatoren zijn die meespelen bij een risicoanalyse over een rechtspersoon of bij een risicomelding.

De leden van de SP-fractie steunen de uitbreiding van de reikwijdte van het nieuwe toezicht, maar vragen zich wel af hoe effectief dit toezicht zal zijn. Zij wensen te vernemen hoeveel rechtspersonen die onder de werking van het nieuwe toezicht zullen vallen per 1 januari 2009 in Nederland stonden geregistreerd en vragen tevens om een getalsmatige uitsplitsing van de diverse categorieën rechtspersonen.

In het kader van het beheersbaar scenario is er voor gekozen om het toezicht te starten bij BV’s, NV’s en stichtingen. Om de effectiviteit van de risicoprofielen te monitoren wordt er een proces opgezet waarbij de afnemers een terugkoppeling geven over de kwaliteit en het gebruik van de risicomeldingen. Overigens zullen andere rechtsvormen dan de bovengenoemde wel worden meegenomen in de analyse op het moment dat deze voorkomen in het bestuurdersnetwerk van de onderzochte rechtspersoon.

Het aantal rechtspersonen dat onder de werking van het nieuwe toezicht zal vallen is vastgesteld op (peildatum 5 augustus 2009):

NV’s:  4 404
BV’s:759 228
Stichtingen:176 131

Bij de start van het nieuwe systeem zal de doorlopende controle circa 940 000 rechtspersonen betreffen.

In een latere fase kan dit worden uitgebreid met de overige rechtspersonen die onder de reikwijdte van de Wet controle op rechtspersonen vallen, te weten (peildatum 5 augustus 2009):

Coöperaties:5 778
Onderlinge waarborgmaatschappijen:528
Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid:98 545
Europese naamloze vennootschappen:21
Europese economische samenwerkingsverbanden:62
Ondernemingen die toebehoren aan een buitenlandse rechtspersoon die een hoofd- of nevenvestiging in Nederland heeft:7 129

Het totale aantal rechtspersonen betreft na uitbreiding circa 1 050 000.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel fte’s er op dit moment beschikbaar zijn voor de dienst Justis, of dit aantal voldoende is gelet op de voorziene uitbreiding van de reikwijdte van het toezicht en of er voldoende capaciteit bij handhavers aanwezig is.

De dienst Justus beschikt over 259 fte’s (juli 2009), waarvan 33 fte’s bij de huidige afdeling PTV (per juli 2009). Om het aantal voorziene fte’s in te kunnen schatten voor de toekomstige afdeling die zich bezig gaat houden met het nieuwe systeem van controle op rechtspersonen is een formatieplan opgesteld. Op basis van de eerste proefomgeving is een eerste inschatting gemaakt van de te verwachten productie per medewerker en dit is omgerekend naar het aantal fte waar in de beginfase wordt voorzien bij de dienst Justis. Op dit moment wordt uitgegaan van 22 fte’s.

Voorzien wordt, mede naar aanleiding van gesprekken met handhavers, dat de dienst Justis handhavers tijd kan besparen door een deel van het voorwerk te verrichten door middel van het doen van een eerste onderzoek en het aanleveren van netwerkanalyses in de risicomelding.

De leden van de SP-fractie vragen of er op dit moment voldoende capaciteit is om misbruik van rechtspersonen aan te pakken.

Op dit moment wordt misbruik van of door rechtspersonen onvoldoende (tijdig) gesignaleerd, zodat het moeilijk in te schatten is of er voldoende capaciteit bij de handhavers aanwezig is. Het nieuwe systeem van doorlopende screening moet hier verandering in brengen. De handhavende instanties zullen hun prioriteiten moeten blijven stellen en hun capaciteit desgewenst daarop afstemmen. De handhavende instanties hebben hierin evenwel een eigen verantwoordelijkheid.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om een antwoord op de door de Raad voor de rechtspraak gestelde vraag over de status van de risicomelding. Moet de risicomelding worden gezien als een voorbereidingshandeling?

Een risicomelding is een risicogestuurd signaal aan handhavers, naar aanleiding waarvan handhavers zelf een afweging maken of zij tot actie overgaan en zo ja tot welke. Handhavers hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Van een voorbereidingshandeling – in de zin van een handeling van een bestuursorgaan die voorafgaat aan een appellabel besluit – is in het geval van een risicomelding geen sprake.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe rekening gehouden zal worden met de risicogevoeligheid van de diverse categorieën rechtspersonen. Zij constateren dat ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid en personenvennootschappen niet onder de doorlopende screening gaan vallen. Deze leden vragen of in de toekomst het hoofdelijk aansprakelijk zijn de norm zal zijn voor het al dan niet onder het systeem vallen. Voorts vragen zij de regering of dat een beter criterium is dan rechtspersoonlijkheid of risico van misbruik.

Voorop staat dat misbruik bij zowel rechtsvormen met als zonder rechtspersoonlijkheid onwenselijk is. Het nieuwe systeem van doorlopende controle is gericht op het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen, dat wil zeggen het ontwijken van persoonlijke aansprakelijkheid door natuurlijke personen door zich te verschuilen achter een rechtspersoon. De rechtspersoon is zelfstandig drager van rechten en plichten en treedt als zelfstandige entiteit op bij het ondernemen. De organen van de rechtspersoon zijn daarbij niet zelf contractspartij. Zij zijn in beginsel ook niet aansprakelijk voor de verbintenissen van de rechtspersoon. Bij rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid zijn degenen die bevoegd optreden namens de onderneming hoofdelijk aansprakelijk. Zij worden daarom niet onder het nieuwe controlesysteem gebracht. Hierbij sluit aan dat de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid die in het wetsvoorstel over de personenvennootschap (titel 7.13 BW) wordt geïntroduceerd ook niet onder het nieuwe controlesysteem zal worden gebracht. Bij deze openbare vennootschap blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten bestaan.

De leden van de VVD-fractie vragen of effectief toezicht op uitsluitend in het buitenland actief zijnde Nederlandse rechtspersonen goed mogelijk is en of er andersom voldoende informatie voor een risicoanalyse beschikbaar is, als een buitenlandse vennootschap in Nederland actief is. Zij willen ook graag weten waar de juiste informatie – in het bijzonder informatie met betrekking tot de sleutelgegevens – vandaan komt als er sprake is van een buitenlandse onderneming die niet hoeft te worden ingeschreven in een handelsregister en er geen informatie uit openbare buitenlandse bronnen gehaald kan worden.

Zowel Nederlandse rechtspersonen die uitsluitend in het buitenland actief zijn als buitenlandse rechtspersonen die in Nederland actief zijn, moeten worden ingeschreven in het NHR. Sleutelgegevens, alsmede verwijzingen naar buitenlandse handelsregisters, zijn in die gevallen in het NHR te vinden. Effectieve controle is alleen mogelijk voor die rechtspersonen die ingeschreven zijn in het NHR. Buitenlandse rechtspersonen die niet staan ingeschreven in het NHR vallen buiten het systeem van doorlopende screening.

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat als een Nederlandse rechtspersoon zijn zetel naar een derde land heeft verplaatst en hij zijn zetel weer in Nederland wil terugbrengen, vroeger goedkeuring van de minister van Justitie was vereist. Deze kon worden geweigerd. Omdat deze regeling inhoudelijk aansluit op het preventieve toezicht bij oprichting en statutenwijzigingen, wordt dit onderdeel geschrapt. Deze leden vragen de regering hoe er dan in de toekomst controle kan plaatsvinden op de in de periode buiten Nederland gepleegde handelingen.

De Wet vrijwillige zetelverplaatsing derde landen ziet op de uitzonderlijke situatie dat in tijden van nood, zoals een oorlog of revolutie, een rechtspersoon zijn zetel naar het buitenland kan verplaatsen. Het zal van het recht van het ontvangende land afhangen of de rechtspersoon de status van een Nederlandse rechtspersoon, zoals een NV, kan behouden. Artikel 5 van de Wet vrijwillige zetelverplaatsing derde landen ziet op de situatie waarin de rechtspersoon zijn zetel naar het buitenland heeft verplaatst en daar de Nederlandse rechtsvorm niet heeft kunnen behouden. Wanneer de rechtspersoon zijn zetel weer naar Nederland terug wil verplaatsen, zal hij dezelfde rechtsvorm moeten aannemen als hij had voor vertrek uit Nederland. De rechtspersoon verliest zijn rechtspersoonlijkheid niet. Voor verplaatsing van de zetel terug naar Nederland is goedkeuring van de minister van Justitie vereist. Dit dient om na te gaan of het recht van het land van herkomst het vertrek toestaat, of het besluit geldig tot stand is gekomen en of de statutenwijziging en inrichting van de rechtspersoon in overeenstemming zijn met het Nederlandse recht. De rechtspersoon zal voorts aan dezelfde eisen moeten voldoen als wanneer een rechtspersoon in Nederland wordt opgericht. Aangezien in dat laatste geval de verklaring van geen bezwaar komt te vervallen, ligt het voor de hand het vergelijkbare preventieve toezicht bij zetelverplaatsing te doen vervallen.

Of er toezicht heeft plaatsgevonden op de handelingen die zijn gepleegd in de periode dat de rechtspersoon zijn zetel in het buitenland had, zal er vanaf hangen of het land waarnaar de rechtspersoon is uitgeweken een vorm van toezicht kent op de rechtsvorm die de rechtspersoon in die periode heeft aangenomen. Zodra de rechtspersoon terug naar Nederland komt en daarmee het Nederlandse rechtssysteem raakt, komt deze onder de doorlopende controle te vallen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat bij de controle onder andere gegevens over criminele en financiële antecedenten van rechtspersonen en daarbij betrokken natuurlijke personen worden gebruikt die zijn verstrekt door JustID en CIR. Zij vragen of iemand door het gebruik van één of meer stromannen het analyserende gebruik van dergelijke gegevens kan omzeilen. Deze leden horen voorts graag wat het geslacht, de voornaam, de geboortedatum, de geboorteplaats en de historische persoonsgegevens te maken hebben met het inschatten van het risico op misbruik van een bedrijf.

Bij elk levensloopmoment worden de rechtspersoon en de hierbij betrokken rechts- en natuurlijke perso(o)n(en) gescreend. Het systeem wordt zodanig ingericht dat het gebruik van één of meer stromannen in de automatische analyse kan worden gesignaleerd. De (historische) persoonsgegevens zijn nodig om enerzijds vast te stellen dat de juiste persoon wordt gescreend en anderzijds de koppeling met de verschillende bestanden eenvoudiger te laten verlopen en de risicomelding aan de handhavers correct te duiden.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de risicoanalyse die wordt uitgevoerd is gebaseerd op risicoprofielen en risico-indicatoren die periodiek door de minister van Justitie worden vastgesteld. Zij vragen hoe de risicoprofielen en risico-indicatoren er in eerste instantie uit zullen zien en hoe de afzonderlijke indicatoren werken bij het bepalen van het risico. Voorts wensen zij te vernemen wat de verwachte foutmarge is bij zowel de automatische als de handmatige risicoanalyse. Hierbij doelen zij op zowel het ten onrechte negatief als het ten onrechte positief beoordelen van een dergelijke analyse.

Het te bouwen informatiesysteem waar de risicoprofielen en risico-indicatoren integraal deel van uitmaken zal flexibel van aard zijn. Dit betekent dat het relatief eenvoudig zal zijn om risicoprofielen en risico-indicatoren te schrappen, inhoudelijk te wijzigen en toe te voegen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de systematiek. Bij de aanvang van het nieuwe systeem van doorlopende controle wordt begonnen met de risicoprofielen (en risico-indicatoren) die via automatische toetsing eenvoudig zijn te detecteren. Voorbeelden van deze risicoprofielen zijn:

– criminele en/of financiële antecedenten rechtspersoon en betrokken natuurlijke perso(o)n(en);

– risicovolle sectoren c.q. risicovolle landen;

– eerdere relevante antecedenten binnen het informatiesysteem;

– relevante antecedenten van de partner van de natuurlijke persoon.

De thans ontwikkelde risico-indicatoren zijn gegroepeerd naar risicoprofielen. De risicoprofielen zijn gegroepeerd naar verschijnselen. Onder het verschijnsel «verdachte constructies en/of rechtsvorm» vallen bijvoorbeeld de profielen «gebruik van BV handelaar en gebruik van stroman».

De waarden voor de risicoprofielen en de hieraan ten grondslag liggende indicatoren worden van te voren bepaald, evenals de drempelwaarde per profiel. De tussentijdse risicomeldingen worden verder ingekleurd met handmatig te raadplegen bronnen. Dit kan leiden tot een risicomelding. Met de afnemers van risicomeldingen worden afspraken gemaakt over de kwaliteit van de meldingen. De resultaten hiervan zullen hun weerslag hebben op de waarden voor de risicoprofielen en de drempelwaarde per profiel.

Over de verwachte foutmarge is op dit moment nog geen uitspraak te doen. Om hier inzicht in te krijgen en om risicomeldingen die ten onrechte (niet) worden gegenereerd zoveel mogelijk te voorkomen wordt een proefomgeving ingericht voordat het systeem in productie gaat. Ook daarna zal de foutmarge continu worden gevolgd.

De leden van de VVD-fractie vragen of het ook zo kan zijn dat bepaalde gegevens pas in een latere fase van het onderzoek mogen worden verwerkt. Zij wensen te vernemen of informatie over zakenpartners of vrienden gaat meehelpen bij de risicoanalyse, gelet op het argument van stromanconstructies. Ook wensen deze leden te vernemen of informatie van organisaties als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) mee mag wegen.

Bij elk levensloopmoment binnen de rechtspersoon wordt voor aanvang van de screening een structuurtekening gemaakt waaruit blijkt wat de (zakelijke) relaties van de betrokken rechtsen natuurlijke perso(o)n(en) zijn. Afhankelijk van het levensloopmoment is het mogelijk om deze relaties ook in de screening te betrekken. Vrienden worden niet gescreend, maar als er een vriend als stroman is ingezet wordt dit vanzelf duidelijk in een later levensloopmoment, wanneer een nieuwe bestuurder intreedt met bijvoorbeeld financiële of criminele antecedenten.

Informatie van de AIVD wordt in de beginfase nog niet meegenomen in de screening. Op termijn zou dit mogelijk kunnen worden.

De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een nadere toelichting op de risicomelding op verzoek. Zij vragen in het bijzonder of een instelling een risicomelding op verzoek kan afgeven zonder dat er een beoordeling door een ander aan te pas is gekomen. Tevens ontvangen deze leden graag een nadere toelichting aan de hand van een voorbeeld waarom en wanneer een belangenafweging ervoor kan zorgen dat er in een individueel geval niet over zal worden gegaan tot een risicomelding.

Naast de automatische analyse van een levensloopmoment die al dan niet leidt tot een (tussentijdse) risicomelding, kan de dienst Justis «risicomeldingen op verzoek» afgeven op aanvraag van een selecte groep van handhavers, te weten het openbaar ministerie, de belastingdienst, de politie inclusief bijzondere opsporingsdiensten, DNB en de AFM. Een dergelijk verzoek kan echter beter gezien worden als een risicoanalyse dan een risicomelding. Immers, er is bij aanvang van de gevraagde analyse geenszins zekerheid dat de analyse zal leiden tot een risicomelding. De dienst Justis zal altijd terugkoppeling geven aan de aanvrager over het verzoek om een risicoanalyse.

De uitkomst van de automatische analyse wordt verrijkt in de nadere analyse (in het geval van een analyse op verzoek is er overigens vanaf het begin sprake van een handmatige analyse van verschillende bestanden). In dat kader wordt een afweging gemaakt of er een risico op misbruik is dat zwaarwegend genoeg is om tot een risicomelding over te gaan. Een voorbeeld van een resultaat uit de automatische analyse is de volgende situatie. Een natuurlijke persoon (X) heeft een onderneming opgericht. Dat levert een levensloopmoment op voor het systeem, hetgeen aanleiding is voor screening. Uit de screening komt naar voren dat de partner van deze persoon (Y) in het verleden een aannemersbedrijf heeft gehad dat failliet is gegaan. In de nadere analyse is de relevante vraag of X stroman zou kunnen zijn voor Y. Als uit de bedrijfsomschrijving blijkt dat de onderneming van X een kapsalon is, zal doorgaans geen verhoogd risico op misbruik worden aangenomen en wordt het onderzoek gestaakt. In het geval dat de bedrijfsomschrijving duidt op een adviesbureau voor bouwprojecten kan de afweging anders uitvallen en kan er aanleiding zijn om het onderzoek voort te zetten. Afhankelijk van de uitkomsten van een aanvullende (handmatige) analyse wordt vervolgens besloten om tot een risicomelding over te gaan, dan wel daarvan af te zien.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de verhouding is tussen het enerzijds registreren van de informatie over de rechtspersoon en de daarbij betrokken personen en het anderzijds automatisch verwijderen van de gegevens als het niet komt tot een risicomelding.

Artikel 10, eerste lid, van de Wbp schrijft voor dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwerking van de doeleinden waarvoor zij verwerkt worden. In artikel 9, tweede lid, van de Wet controle op rechtspersonen wordt geregeld dat een jaarlijkse heroverweging plaatsvindt ten aanzien van de noodzaak van de opname van de gegevens in de registratie. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor het voorkomen en bestrijden van het misbruik van of door rechtspersonen. Aan de hand van nog op te stellen opschoonlijsten zal door de dienst Justis per onderdeel van het systeem worden vastgesteld wanneer er gegevens verwijderd worden.

De leden van de VVD-fractie constateren dat via handhavingsconvenanten en een handhavingsgremium zal worden voorzien in kwaliteitsbewaking en terugkoppeling over eventuele vervolgacties. Deze leden vernemen graag of de ontwerpteksten voor dergelijke overeenkomsten al bekend zijn.

De handhavingsconvenanten zijn momenteel in voorbereiding en moeten nog worden afgestemd met de afnemers van de risicomeldingen. De tekst hiervan is derhalve nog niet bekend.

De leden van de VVD-fractie willen graag voorbeelden krijgen van de situatie dat een strafrechtelijk onderzoek niet geboden is na een risicomelding, maar wel een preventieve actie. Zij vragen in het bijzonder of hiermee enkel, mede of vooral gedoeld wordt op de situatie voordat er een strafbaar feit is gepleegd en hoe de preventieve actie er dan uit moet komen te zien.

Een voorbeeld van een preventieve actie is dat om faillissementsfraude voor te zijn een risicomelding uitgaat naar de belastingdienst. De belastingdienst kan vervolgens haar toezichtsinstrumentarium inzetten, of – indien dit noodzakelijk wordt geacht – het faillissement van de rechtspersoon aanvragen.

De leden van de VVD-fractie vragen of het schrappen van de zinsnede «indien de daarop van toepassing zijnde wetgeving dat toestaat» er voor zorgt, dat er onbeperkt informatie doorgegeven kan worden van een instantie die onderworpen is aan een streng geheimhoudingsregime naar een instantie met een minder streng geheimhoudingsregime. Voorts vragen zij of dit zou kunnen resulteren in de situatie dat het minst strenge regime bepaalt in hoeverre er sprake zal moeten zijn van geheimhouding.

Met de door de leden van de VVD-fractie bedoelde wijziging werd slechts een aanpassing van technische aard beoogd, omdat de van toepassing zijnde bijzondere wetgeving vooral spiegelbepalingen bevatte van de huidige Wet documentatie vennootschappen. Een voorbeeld hiervan is de grondslag voor gegevensverstrekking door het UWV en de belastingdienst in het huidige Boek 2 van het BW, die overigens ingevolge het wetsvoorstel wordt overgeheveld naar de Wet controle op rechtspersonen zelf. Omdat de zinsnede»indien de daarop van toepassing zijnde wetgeving dat toestaat» in dat licht overbodig leek, werd voorgesteld deze te schrappen. Inmiddels is gebleken, mede met het oog op de verhouding met de geheimhoudingsbepalingen in de Wet op het financieel toezicht, dat de zinsnede toch nog van nut kan zijn, omdat op die manier buiten twijfel verheven is dat de bijzondere wet voorrang heeft. Met het oog hierop wordt de zinsnede in artikel 3, tweede lid, alsnog gehandhaafd. Dit wordt geregeld bij nota van wijziging.

In de artikelen 5 en 7 van de Wet controle op rechtspersonen wordt het geheimhoudingsregime met betrekking tot de registratie geregeld. Het geheimhoudingsregime van de bijzondere wetgeving geëerbiedigd (artikel 7, derde lid), tenzij het om gegevensverstrekking in het kader van een risicomelding gaat (artikel 7, eerste en tweede lid). Alleen in dat geval mogen gegevens uit gesloten bronnen doorverstrekt worden aan een selecte groep van handhavers, die bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Deze handhavers zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens die zij ter beschikking krijgen via een risicomelding (artikel 5, derde lid).

De leden van de VVD-fractie vragen of het niet beter is de groep handhavers bij wet aan te wijzen en niet bij algemene maatregel van bestuur, zodat de Kamer kan goedkeuren wie er tot deze groep behoort.

Bij de verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en welke elementen op lager niveau geregeld worden, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer (zie ook Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 22). In ieder geval de hoofdelementen, de reikwijdte en de structurele elementen van een regeling dienen in de wet te worden vastgesteld. In de Wet controle op rechtspersonen wordt geregeld dat de risicomelding (op verzoek) slechts kan worden gedaan aan bestuursorganen die deze in verband met de uitoefening van hun taak behoeven. Het beperkte verstrekkingenregime betreft een hoofdelement van de regeling. Welke bestuursorganen een risicomelding kunnen ontvangen wordt in een algemene maatregel van bestuur uitgewerkt. Op dit moment wordt in het kader van het beheersbaar scenario gedacht aan een aanwijzing van een selecte groep van handhavers: het openbaar ministerie, de belastingdienst, De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten en de politie, inclusief bijzondere opsporingsdiensten als FIOD-ECD en SIOD. Het is echter niet uitgesloten dat deze groep van handhavers na de opstartfase zal worden uitgebreid wanneer bijvoorbeeld blijkt dat risicomeldingen informatie bevatten die voor andere handhavers relevant kan zijn voor de uitoefening van hun taak. Aanwijzing op het niveau van een algemene maatregel van bestuur biedt hiervoor de benodigde flexibiliteit.

De verhouding van het wetsvoorstel tot het recht op bescherming van persoonsgegevens

De leden van de CDA-fractie constateren dat mede op advies van de Raad van State een risicomelding wordt verwijderd als niet binnen twee jaar gebruik is gemaakt van de melding. Genoemde leden vragen of de regering hierbij zich wel voldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat het met het oog op het bestrijden van misbruik en fraude heel nuttig kan zijn om over een wat langere periode over een risicomelding te kunnen beschikken. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nog overwogen heeft om geen gehoor te geven aan het advies van de Raad van State.

De privacyregels eisen dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan strikt noodzakelijk is voor de verwerking van de doeleinden waarvoor zij verwerkt worden. In artikel 5, vierde en vijfde lid, van de Wet controle rechtspersonen worden beperkingen voorgesteld met betrekking tot de termijn dat van de risicomelding gebruik gemaakt kan worden en de termijn dat de aantekening van een risicomelding bewaard blijft. De periode dat gebruik gemaakt kan worden van een risicomelding is bekort tot twee jaren om rekening te houden met het feit dat gegevens snel aan verandering onderhevig kunnen zijn. In dat licht wordt het noodzakelijk geacht dat de persoonsgegevens niet langer in de administraties van de handhavers bewaard kunnen worden. Hiertoe zullen met de handhavers convenanten worden afgesloten. De meerwaarde van een systeem van doorlopende controle is dat het systeem zo wordt ontwikkeld dat op elk gewenst moment een nieuwe signalering kan worden gegeven waaruit een nieuwe risicomelding kan voortvloeien. Zodoende kunnen handhavers altijd over recente informatie beschikken.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel ten opzichte van de huidige situatie de mogelijkheden verruimt om gegevens over familieleden van natuurlijke personen die bij rechtspersonen zijn betrokken te onderzoeken en te bewaren. Zij zijn van mening dat vooral gegevens van familieleden niet langer bewaard mogen blijven dan noodzakelijk. Zij lezen dat de bewaartermijn voor persoonsgegevens die zijn opgenomen in de registratie acht jaren na ontbinding van de rechtspersoon bedraagt. Wel vindt er een jaarlijkse heroverweging plaats over de noodzaak van de opname van gegevens in de registratie. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe die heroverweging plaatsvindt en hoe getoetst wordt dat gegevens die niet meer nodig zijn daadwerkelijk uit de registratie worden verwijderd. De leden van de SP-fractie vragen wie er gaat toezien op het daadwerkelijk verwijderen van deze gegevens.

In de huidige situatie wordt alleen de geregistreerd partner, echtgenoot of levensgezel betrokken bij een onderzoek. In de nieuwe situatie worden ook personen betrokken die woonachtig zijn op hetzelfde adres. Er wordt in de nieuwe situatie tevens gekeken naar ouderen (klein)kindrelaties.

Persoonsgegevens mogen niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. Persoonsgegevens die worden verzameld tijdens de automatische analyse worden verwijderd zodra blijkt dat deze niet relevant zijn voor het opstellen van een (tussentijdse) risicomelding. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de natuurlijke personen, hun familieleden en/of personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn. Wanneer er na een handmatige analyse een definitieve risicomelding wordt opgesteld worden de gegevens van de natuurlijke personen gedurende een termijn van twee jaar bewaard. De gegevens van familieleden en/of personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn worden alleen in de risicomelding opgenomen – en dus twee jaar bewaard – als dit noodzakelijk is voor de onderbouwing van die risicomelding.

Binnen het systeem wordt aangesloten bij de regels van artikel 2:19 BW dat gegevens over ontbonden rechtspersonen na uiterlijk tien jaren worden verwijderd. In de huidige Wet documentatie vennootschappen is deze termijn op basis van ervaringsgegevens vastgesteld op acht jaren. Gegevens over familieleden komen in deze registratie niet meer voor. Deze worden immers uiterlijk opgeschoond bij het verwijderen van risicomeldingen, te weten binnen twee jaren.

Jaarlijks worden de risicoprofielen door de minister van Justitie heroverwogen. De informatiebehoefte bepaalt welke gegevens worden opgenomen in de registratie en hoe lang. De minister van Justitie wordt hierin geadviseerd door de gebruikersraad. In de programmatuur van het nieuwe systeem wordt automatische verwijdering van de persoonsgegevens ingebouwd. Er valt terug te zien welke gegevens zijn opgeslagen en voor hoe lang. Om te controleren of deze informatie daadwerkelijk verwijderd wordt, wordt er een opschoonproces gedefinieerd. De uitkomsten hiervan worden geregistreerd. Er worden tevens bedrijfsregels opgesteld over het opschonen van de registratie. Periodiek zal door de audit-dienst worden getoetst of deze bedrijfsregels worden gehandhaafd en of de gegevens die niet meer nodig zijn daadwerkelijk worden verwijderd. Het verwijderen van de gegevens betreft een belangrijke kwaliteitsfunctionaliteit die zwaar bewaakt wordt tijdens het testtraject van de kwalititeitsfunctionaliteit dat zal plaatsvinden tijdens de oplevering van het systeem.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat naar een betrokkene niet snel openheid van zaken zal worden gegeven over een risicomelding indien er sprake is van een strafrechtelijk onderzoek. Zij vragen wat de kans van slagen is dat een betrokkene inzage krijgt in gegevens die aanleiding vormen voor een risicomelding als er geen sprake is van een strafrechtelijk onderzoek en handhavers andere controle-instrumenten inzetten naar aanleiding van een risicomelding. Tevens wensen deze leden te vernemen wat de mening is van het College bescherming persoonsgegevens op het punt van het informatie- en inzagerecht van betrokkenen.

Het College bescherming persoonsgegevens acht het in zijn advies van 28 oktober 2008 (www.cbpweb.nl) over het wetsvoorstel van belang dat de betrokkenen over de waarneming worden geïnformeerd en hen op verzoek het recht op inzage en correctie van de verwerkte gegevens wordt gegeven, tenzij de opsporing van strafbare feiten deze openheid in de weg staat (artikel 43, onder b, Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)). In dat laatste geval moet in iedere zaak een concrete belangenafweging worden gemaakt aldus het College.

Het systeem van doorlopende controle voorziet niet in actieve informatievoorziening aan betrokkenen met betrekking tot de afgifte van een risicomelding. Een risicomelding heeft als zodanig geen rechtsgevolgen. Handhavers maken zelf een afweging of zij na ontvangst van een risicomelding al dan niet vervolgactie ondernemen. In het geval van een risicomelding waarop een vervolgactie van handhavers volgt, zal het belang van de opsporing van strafbare feiten (artikel 43, onder b, van de Wbp) al snel in de weg staan om openheid van zaken aan de betrokkene te geven. De betrokkene zal dan doorgaans op de hoogte raken op het moment dat een formeel onderzoek tegen hem wordt gestart.

Een betrokkene kan om inzage en correctie van de verwerkte gegevens verzoeken bij de dienst Justis. Of een verzoek om inzage wordt gehonoreerd zal afhangen van de vraag of de opsporing van strafbare feiten hieraan in de weg staat. De dienst Justis zal in dergelijke gevallen steeds een concrete belangenafweging maken.

De leden van de SP-fractie constateren dat in het wetsvoorstel is voorzien in een verwijderplicht wanneer er binnen een termijn van twee jaren geen gebruik is gemaakt van de risicomelding. Kan de regering een nadere uitleg geven van de term «gebruik»? Betekent dit bijvoorbeeld dat er een vervolgonderzoek moet zijn gestart of volstaat het raadplegen van de eerdere melding? Ook de leden van de VVD-fractie vragen naar de uitleg van het woord «gebruik».

In het kader van de beperking van de gebruikstermijn van een risicomelding tot twee jaren wordt met de woorden «geen gebruik» gedoeld op een situatie dat binnen een periode van twee jaren na ontvangst van de risicomelding geen nadere opsporings- en vervolgingsactiviteiten of preventieve acties ondernomen zijn door de handhaver. Het enkele raadplegen van een risicomelding moet in dat verband als onvoldoende worden beschouwd.

De leden van de VVD-fractie vragen waar uit oogpunt van privacybescherming de grens ligt bij verwerking van gegevens van ouders, kinderen en kleinkinderen. Voorts vragen zij waarom geen artikel in de wet is opgenomen met de strekking dat betrokkenen inzage en correctie van verwerkte gegevens kunnen verzoeken of een verwijzing naar de Wbp op dit punt.

Het uitgangspunt bij het verwerken van persoonsgegevens is dat niet meer gegevens worden verwerkt dan strikt noodzakelijk. Met het oog hierop zijn in het wetsvoorstel verschillende waarborgen opgenomen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens van familieleden in het kader van de doorlopende screening van rechtspersonen. Zo worden alleen gegevens van familieleden opgenomen in de registratie als dit nodig is met het oog op de analyse van het bestuursnetwerk binnen een rechtspersoon (artikel 4, derde lid, Wet controle op rechtspersonen) en worden alleen gegevens van familieleden opgenomen in een risicomelding als dit nodig is voor de onderbouwing van een verhoogd risico op misbruik van of door een rechtspersoon (artikel 5, tweede lid, Wet controle op rechtspersonen). Als dat niet het geval is, worden de gegevens weer verwijderd uit de registratie.

De Wbp geeft een algemeen kader voor de verwerking van persoonsgegevens en is van toepassing op alle situaties waarin sprake is van verwerking van persoonsgegevens. Gelet op het algemene karakter van de Wbp hoeven de onderwerpen die hierin geregeld zijn, waaronder het recht op inzage en correctie, niet meer afzonderlijk geregeld te worden in specifieke wetten, zoals de Wet controle op rechtspersonen. Verwijzing naar de Wbp in de Wet controle op rechtspersonen is om dezelfde reden evenmin nodig om eerstgenoemde wet van toepassing te doen zijn.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij voorbeelden kan geven van relevante financiële antecedenten en niet-relevante criminele antecedenten met een kleine toelichting.

Voor de beoordeling van relevante financiële en criminele antecedenten wordt gebruik gemaakt van de ervaringen die in het werkproces preventief toezicht vennootschappen zijn opgedaan.

Een voorbeeld van relevante financiële antecedenten is betrokkenheid bij één of meer faillissementen binnen een bepaalde termijn. De criminele antecedenten dienen een relatie te hebben met het ondernemerschap. Een veroordeling voor valsheid in geschrifte is een voorbeeld van een relevant antecedent. Een veroordeling voor het overschrijden van de toegestane snelheidslimiet zal niet worden gezien als een relevant antecedent.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het combineren van gegevens uit verschillende open en gesloten databanken een schending van het verbod van détournement de pouvoir op kan leveren.

Het verbod van détournement de pouvoir is neergelegd in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en brengt mee dat een bestuursorgaan zijn bevoegdheden niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend mag gebruiken. Artikel 2 van de Wet controle op rechtspersonen verschaft de minister van Justitie een wettelijke taak om misbruik van en door rechtspersonen te voorkomen en te bestrijden. Met het oog op deze taak kan de minister van Justitie gegevens verwerken in de registratie en risicomeldingen afgeven over rechtspersonen. Deze gegevens kunnen worden betrokken uit diverse open en gesloten bronnen, die genoemd worden in artikel 3 van de Wet controle op rechtspersonen. Gelet hierop berust het verwerken, combineren en analyseren en doorverstrekken van gegevens om misbruik van en door rechtspersonen tegen te gaan op een wettelijke grondslag.

De dienst Justis, het dienstonderdeel van het ministerie van Justitie dat verantwoordelijk wordt voor het voorkomen en bestrijden van misbruik van en door rechtspersonen, zal deze taak op zorgvuldige wijze uitvoeren. De werkprocessen worden zodanig ingericht dat er voldoende waarborgen aanwezig zijn voor de bescherming van persoonsgegevens die in de registratie verwerkt worden. Voorts zal voor de afgifte van een risicomelding telkens een individuele belangenafweging plaatsvinden.

De ontvangende handhaver is zelf verantwoordelijk voor het al dan niet instellen van een vervolgactie naar aanleiding van de ontvangst van een risicomelding. Voorzover die vervolgactie inhoudt dat een besluit wordt genomen, bijvoorbeeld de oplegging van een bestuurlijke boete door de belastingdienst, is de Awb van toepassing.

De leden van de VVD-fractie wensen tevens te vernemen hoe het combineren van gegevens uit verschillende open en gesloten bronnen zich verhoudt tot artikel 6 van Verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het recht op een eerlijk proces.

Artikel 6 van het EVRM bepaalt, kort samengevat, dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Voorts wordt een ieder tegen wie vervolging is gesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Hiervoor is reeds opgemerkt dat aan een risicomelding als zodanig geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend, maar dat een risicomelding enkel een signaal aan handhavers inhoudt dat er mogelijk sprake is van misbruik van of door een rechtspersoon. Handhavers kunnen vervolgens zelf bepalen of zij na ontvangst van een risicomelding een vervolgactie willen instellen en zo ja welke. Van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichten of een vervolging in de zin van artikel 6 EVRM is bij het doen van een risicomelding dan ook nog geen sprake. Voorzover handhavers na de ontvangst van een risicomelding besluiten nadere vervolgingsactiviteiten in te stellen gelden alle waarborgen van artikel 6 EVRM in het kader van een recht op een eerlijk proces uiteraard onverkort.

Administratieve lasten

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd over de verlaging van de administratieve lasten, maar vragen of zij het goed begrijpen dat het bedrijfsleven wel leges moet blijven betalen. Deze leden vragen of preventief toezicht (één keer een zware controle aan de poort) niet goedkoper is dan doorlopend toezicht gedurende de gehele levensloop van een rechtspersoon. Voorts vragen deze leden of kan worden aangegeven welke instanties welke extra handelingen gaan verrichten ten opzichte van de handelingen die thans verricht moeten worden voor het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.

Met de afschaffing van de verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een BV of NV komen de bijbehorende legeskosten van € 90,76 te vervallen. Dit levert een verwachte besparing in de administratieve lasten voor het bedrijfsleven op van € 9 448 300 (peildatum 31 december 2002). Van nieuwe informatieverplichtingen voor het bedrijfsleven die voor administratieve lasten zorgen is geen sprake. De verstrekking van gegevens geschiedt via de basisregistraties of andere bij de overheid reeds beschikbare (openbare dan wel gesloten) bronnen.

De kosten van het nieuwe systeem van toezicht op rechtspersonen bestaan voor aanvang van het systeem vooral uit projectkosten en de kosten voor het te bouwen informatiesysteem. Na invoering worden de exploitatiekosten bij de dienst Justis geschat op € 3.5 miljoen op jaarbasis. De kosten bij de afnemers van risicomeldingen zullen enerzijds toenemen, omdat er bij deze organisaties meer aandacht uit zal gaan naar het tegengaan van misbruik van rechtspersonen. Anderzijds zal de dienst Justis een deel van het voorwerk, dat thans nog bij de handhavers zelf ligt, op zich nemen via de doorlopende screening, die kan uitmonden in een risicomelding. Al met al weegt dit niet op tegen de administratieve lasten van het preventieve toezicht en de exploitatiekosten van het preventieve toezicht.

Het verdwijnen van de administratieve lasten kan op de instemming van de leden van de VVD-fractie rekenen. Zij vragen echter waarom er in de memorie van toelichting is vermeld dat er een onderzoek is gedaan door onderzoeksbureau SIRA en er niets is vermeld over een onderzoek door het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

Het onderzoeksbureau SIRA heeft in 2003 in opdracht van het ministerie van Justitie een nulmeting verricht naar de administratieve lasten die voor het bedrijfsleven gepaard gaan met de verklaring van geen bezwaar. De verklaring van geen bezwaar wordt in dit wetsvoorstel afgeschaft, hetgeen een reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven van bijna € 9,5 miljoen meebrengt.

Actal heeft in het kader van zijn adviestaak in 2007 een advies uitgebracht over de administratieve lasten die met het wetsvoorstel gepaard gaan. Actal heeft bij die gelegenheid geconcludeerd dat het wetsvoorstel bijdraagt aan de kabinetsdoelstelling om de administratieve lasten te beperken en heeft geadviseerd het wetsvoorstel in te dienen.

De leden van de VVD-fractie vragen of er nog wel andere lasten mogelijk zullen zijn voor bedrijven die de statuten moeten aanpassen en hoe hoog deze zijn.

Voor bedrijven die de statuten aan willen passen zullen de notariskosten blijven bestaan als vorm van lasten. Dit is geen verandering ten opzichte van de huidige situatie. De leges voor de verklaring van geen bezwaar bij oprichting en statutenwijziging vervalt. Nieuwe bijkomende kosten worden niet voorzien.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er niet een derde consultatieronde is gehouden bij de belangenorganisaties.

Het wetsvoorstel is – bij uitzondering – tweemaal in consultatie gegaan, omdat de opzet van het wetsvoorstel, mede naar aanleiding van de ontvangen adviezen in de eerste consultatieronde, zodanig was gewijzigd dat het wenselijk werd geacht om nogmaals advies te vragen bij de betrokken organisaties. De tweede consultatieronde heeft niet meer geleid tot ingrijpende wijzigingen. Het wetsvoorstel is vervolgens in procedure gebracht.

Artikelsgewijs

De leden van de CDA-fractie menen met VNO-NCW dat het begrip «functionarissen van de rechtspersoon» een nadere inperking behoeft. Met dit vage en weinig afgebakende begrip wordt de «feitelijke beleidsbepaler» van artikel 2:138, zevende lid, BW uitgebreid tot vrijwel iedere in Nederland buiten de overheidssector werkzame werknemer met meer dan basale verantwoordelijkheden.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar een door VNO-NCW voorgestelde aanpassing van artikel 4, die ziet op de kring van personen van wie gegevens in de registratie kunnen worden opgenomen. VNO-NCW pleit ervoor om achter «functionarissen van de rechtspersoon» toe te voegen «voor zover zij het beleid van de rechtspersoon bepalen of mede kunnen bepalen». Deze opmerking van VNO-NCW betreft een concept van het wetsvoorstel waarover eerder is geconsulteerd. In het ingediende wetsvoorstel worden bij de kring van personen van wie gegevens in de registratie kunnen worden opgenomen de functionarissen niet meer vermeld. Dit begrip komt in het rechtspersonenrecht van het BW niet voor en zou daardoor in deze opsomming tot onzekerheid kunnen leiden. In het voorgestelde artikel 4, tweede lid, van de Wet controle op rechtspersonen is net als in het huidige artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet documentatie vennootschappen overigens bepaald dat in de registratie gegevens kunnen worden opgenomen over andere personen die het beleid van de rechtspersoon bepalen of mede kunnen bepalen. Daardoor kunnen ook gegevens van personen die niet onder artikel 4, eerste lid, vallen, maar wel aan te merken zijn als feitelijke beleidsbepalers in de registratie worden opgenomen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom in artikel 7 de vermelding van de algemene maatregel van bestuur waarin handhavers worden aangewezen ontbreekt, terwijl die in de artikelen 5, eerste lid en artikel 6, tweede lid van de Wet controle op rechtspersonen wel wordt vermeld. Ook de leden van de VVD-fractie vragen naar de verhouding tussen de artikelen 5, 6 en 7. Zij vragen waarom de artikelen 6 en 7 niet conform artikel 5 regels bevatten over het gebruiken en verwijderen van gegevens. Bij artikel 7 komt daar nog bij dat dit artikel niet eens regels bevat over het bewaren van de gegevens aldus deze leden.

De artikelen 5, 6 en 7 dienen in samenhang gelezen te worden. In de artikelen 5 en 6 wordt omschreven voor welk doel gegevens uit de registratie mogen worden verstrekt en aan wie. Artikel 5 regelt de verstrekking in de vorm van een risicomelding aan een selecte groep van handhavers. In artikel 6 wordt, net als in de huidige artikelen 5 en 6 van de Wet documentatie vennootschappen, geregeld dat uit eigen beweging of desgevraagd door de Minister van Justitie gegevens uit de registratie aan vaste of incidentele gebruikers of aan personen die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast mogen worden verstrekt. Artikel 7 bevat een regeling over de doorverstrekking gegevens uit de registratie. In het voorgestelde artikel 7 wordt de huidige beperking om gevoelige gegevens (die op grond van de daarop van toepassing zijnde bijzondere wetgeving een doorverstrekkingsverbod kennen) opgeheven, voorzover het gaat om de verstrekking van gegevens in de vorm van een risicomelding (artikel 7, eerste en tweede lid). In het kader van de informatiefunctie van artikel 6 kunnen, net als op grond van de huidige Wet documentatie vennootschappen, alleen gegevens uit openbare bron worden doorverstrekt (artikel 7, derde lid). Voor dat laatste geval is het, evenmin als in het huidige artikel 5 van de Wet documentatie vennootschappen, niet nodig geacht om specifieke waarborgen te treffen over het gebruik en het verwijderen van die gegevens bij doorverstrekking, omdat het louter om openbare gegevens gaat. Een verwijzing in artikel 7 naar de algemene maatregel van bestuur waarin handhavers worden aangewezen of het opnemen van een bewaarplicht of regels omtrent het gebruik en de verwijdering is niet aan de orde, omdat artikel 7 – anders dan de artikelen 5 en 6 – niet regelt wanneer tot verstrekking uit de registratie aan derden wordt overgegaan, maar alleen bepaalt welke gegevens in dat geval doorverstrekt mogen worden.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Wet controle op rechtspersonen enerzijds kennelijk als uitgangspunt heeft dat informatie over rechtspersonen en de daarbij betrokken natuurlijke personen wordt geregistreerd. Anderzijds stelt de memorie van toelichting dat wanneer het niet tot een risicomelding komt, de gegevens automatisch door het systeem verwijderd worden. Deze leden vragen of verduidelijkt kan worden hoe het een en ander zich tot elkaar verhoudt. Tevens vragen deze leden om een reactie op het voorstel van VNO-NCW om de onderhavige aanpassing van de wet aan te grijpen om bij de verwijdering van gegevens een relatie te leggen tussen de bewaartermijn en het voortduren van de relatie tussen de betrokken natuurlijk persoon en de rechtspersoon.

Het uitgangspunt bij het verwerken van persoonsgegevens is dat deze niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. In de huidige Wet documentatie vennootschappen (artikel 9) is geregeld dat de gegevens worden verwijderd uit de registratie uiterlijk acht jaren na ontbinding van de rechtspersoon. Ervaringsgegevens hebben geleerd dat na acht jaren na de notatie van ontbinding van rechtspersoon als een laatste relevante opname van gegevens de bruikbaarheid zodanig is afgenomen dat opname geen nut meer heeft. In de praktijk zullen gegevens doorgaans veel eerder verwijderd worden. De informatiebehoefte bepaalt welke gegevens worden opgenomen in de registratie en hoe lang. Persoonsgegevens die worden verzameld tijdens de automatische analyse worden verwijderd zodra deze niet relevant meer zijn voor het opstellen van een (tussentijdse) risicomelding. In het nieuwe registratiesysteem wordt automatische verwijdering van de persoonsgegevens ingebouwd. Tevens zal terug te zien zijn welke gegevens zijn opgeslagen en voor hoe lang. Om te controleren of de gegevens daadwerkelijk verwijderd worden, wordt er een opschoonproces gedefinieerd. De uitkomsten hiervan worden geregistreerd.

De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie op de constatering van VNO-NCW dat geen beroepsmogelijkheid bestaat tegen beschikking op de grond van de artikelen 2:58 lid 4 BW en 2: 101 en 2:210 lid 7 BW. VNO-NCW verzoekt deze bepalingen toe te voegen aan de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Op besluiten van de minister van Economische Zaken op basis van de artikelen 2:58 (ontheffing jaarrekening coöperatie)en 2:101 en 2:210 (ontheffing jaarrekening BV en NV) BW is de algemene rechtsgang van de Awb (bezwaar, beroep bij de bestuursrechter, hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) van toepassing. Voor overheveling van het hoger beroep naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven bestaat geen aanleiding, daar destijds op goede gronden voor deze competentietoedeling is gekozen en zich in de praktijk geen problemen voordoen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin