31 872 (R 1876)
Goedkeuring van het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976 (Trb. 1997, 300 en Trb. 2006, 17)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 21 april 2009

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave blz.

A. HET PROTOCOL; ALGEMEEN 1

1. Inleiding; wenselijkheid van bekrachtiging 1

2. Verband met andere verdragen 2

3. Koninkrijkspositie 2

B. HET PROTOCOL; ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 2

C. DE GOEDKEURINGSWET; ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 3

A. HET PROTOCOL; ALGEMEEN

1. Inleiding; wenselijkheid van bekrachtiging

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van Rijkswet die de goedkeuring van het voorliggende Protocol regelt. De leden hebben al enkele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt bij de aanpassingswet waarmee inmiddels de Tweede en de Eerste Kamer (stilzwijgend) hebben ingestemd. De leden hebben nog slechts enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende voorstel van rijkswet. Zij constateren dat er is gewacht met de goedkeuring om de internationale ontwikkelingen af te wachten en zo te zorgen dat Nederlandse reders niet in een slechtere concurrentiepositie komen dan concurrenten in landen die het Protocol nog niet hebben goedgekeurd. De regering is voorstander van goedkeuring van het Protocol, mede vanwege het feit dat andere landen partij zijn geworden. De leden van de VVD-fractie vragen of er nog voor Nederland belangrijke landen zijn die nog niets hebben ondertekend. Er is een hele lijst van landen die sinds 1 januari 2009 partij zijn bij het Protocol. Deze passage in de memorie van toelichting zorgt voor onduidelijkheid. Zij willen graag weten of het Protocol in al deze landen ook in werking is getreden. Wanneer dit niet het geval is, ontvangen zij graag een nadere toelichting met betrekking tot de landen waar dit niet het geval is.

2. Verband met andere verdragen

De leden van de VVD-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat een reden om het Verdrag in te voeren is, dat het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door scheepsbrandstoffen (hierna: Bunkers Verdrag) geen beperking van aansprakelijkheid kent en dat deze lacune moet worden opgevuld. Klopt de conclusie van deze leden ook dat het Bunkers Verdrag zelf ook weer een lacune opvult tussen de olie-aansprakelijkheidsverdragen? Indien dit zo is, willen deze leden graag weten waarom het Bunkers Verdrag niet wordt aangepast. Weet de regering zeker dat er in het nu goed te keuren verdrag geen lacune zit? Leden van de VVD-fractie vragen hier voorts wat de precieze samenhang tussen de verschillende verdragen en wetsvoorstellen is. Voorts willen zij graag weten welke verdragen in Nederland al in werking zijn getreden.

3. Koninkrijkspositie

De leden van de SP-fractie vragen wat momenteel de stand van zaken is ten aanzien van Aruba. Beraadt men zich nog over de wenselijkheid van medegelding van het Protocol? Wat is daarvan de consequentie, wanneer het Protocol wel gaat gelden voor Nederland maar niet voor Aruba?

De leden van de VVD-fractie menen dat het wenselijk is dat het Protocol voor het gehele Koninkrijk gaat gelden. De regering van Aruba heeft echter nog geen antwoord gegeven op de vraag of zij medegelding wenst. Ook bij het Bunkers Verdrag wacht de regering van Aruba nog af. Deze leden willen graag weten of er een reden bekend is waarom Aruba nog niets heeft laten blijken. Voorts willen zij graag weten hoe de regering voornemens is hiermee om te gaan.

B. HET PROTOCOL; ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 3

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de berekeningsmethode wordt veranderd voor de bedragen tot welke de aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen kunnen worden beperkt. Zij horen graag horen welke veranderingen in de methodiek er precies zijn.

De aan het woord zijnde leden lezen dat de methodiek zelf in grote lijnen dezelfde is gebleven, maar dat de (minimum)bedragen op zodanige wijze zijn aangepast dat de voor de vergoeding van schade beschikbare bedragen ten aanzien van elk individueel schip substantieel zijn verhoogd. Deze leden willen graag een overzicht ontvangen van de hoogte van alle bedragen met daarbij vermeld voor welke situaties ze opgaan en of er sprake is van minimumbedragen. Voorts zien de leden van de VVD-fractie graag een nadere motivering tegemoet waarom er sprake is van minimumbedragen.

Artikel 4

De leden van de SP-fractie begrijpen de keuze om in het Protocol de absolute bovengrens van het aansprakelijkheidsbedrag voor de reder voor dood of letsel van passagiers te verwijderen, omdat het voor de passagier niet uit moet maken of deze met een groot of klein schip wordt vervoerd. Maar wat is nu het maximale bedrag dat aan een passagier (of zijn/haar nabestaanden) kan worden uitgekeerd in geval van letselschade of schade door overlijden?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom niet gekozen is om het limietbedrag te koppelen aan het daadwerkelijke aantal passagiers in plaats van het aantal passagiers dat op de vergunning staat. In een geval als nu is omschreven heeft de vervoerder, die zich niet aan de vergunning houdt, bij een ramp een even hoge limiet als de vergunninghouder die zich wel aan de regels houdt. Dat lijkt deze leden niet rechtvaardig.

Artikel 6

De leden van de SP-fractie vragen welke betekenis artikel 6 heeft voor Nederland of voor Nederlandse passagiers. Is nu al bekend welke landen gebruik maken van de in artikel 6 geboden mogelijkheid ten gunste van de slachtoffers af te wijken van de aansprakelijkheidsgrenzen?

De leden van de VVD-fractie constateren dat partijen bij het Londens Limitatieverdrag bijzondere regels mogen stellen voor vorderingen ter zake van dood of letsel van passagiers van schepen, mits ze niet lager zijn dan in artikel 7, eerste lid van laatstgenoemd verdrag. Er is alleen afwijking ten gunste van de slachtoffers toegestaan. Deze leden vragen of de regering nog van plan is om hier gebruik van te gaan maken.

Artikel 8

De leden van de VVD-fractie constateren dat de hoogte van de schadevergoedingslimiet door dit Protocol en de bijbehorende wet kan veranderen zonder dat de Kamer als volksvertegenwoordiging hierover heeft geoordeeld. Gewijzigde bedragen gelden op grond van artikel 3 van de goedkeuringswet automatisch voor Nederland. Zo is het bijeenroepen van een diplomatieke conferentie voor aanpassing van de bedragen niet nodig. Dit beoogt de aanpassing aan de gestegen kosten en waardering van maritieme schades, geldontwaarding en andere maatschappelijke ontwikkelingen eenvoudiger en sneller plaats te laten vinden. De leden van de VVD-fractie vragen of er nu ook automatische aanpassing mogelijk is als er bij andere landen sprake is van een gewijzigd inzicht. Moet het niet zo zijn dat voorkomen moet worden dat andere landen ons te gemakkelijk kunnen binden aan inzichten die niet met hen worden gedeeld? Voorts vragen deze leden of het niet beter is om wijziging van de bedragen toch door de Staten-Generaal te laten goedkeuren en of de Staten-Generaal invloed hebben op de stem die Nederland zal uitbrengen.

De aan het woord zijnde leden willen ten slotte weten of bij het stemmen over een verhoging ieder land een even zware stem heeft of dat grotere landen meer invloed hebben.

C. DE GOEDKEURINGSWET; ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 5

De leden van de VVD-fractie constateren dat deze rijkswet in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Zij vragen welk staatsblad dat zal zijn.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

De adjunct-griffier van de commissie,

Van Doorn


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (CU) en Heemelaar (GL).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Van Raak (SP), De Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), De Roos-Consemulder (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Slob (CU) en Halsema (GL).