Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De boerenprotesten op de snelwegen |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Was u op de hoogte van het voornemen van boerenorganisaties LTO en Farmers Defence Force (FDF) om op vrijdag 14 augustus jl. te demonstreren op meerdere snelwegen en is er sprake geweest van een formeel kennisgeving richting de lokale driehoeken?
Mij was bekend dat enkele boerenorganisaties vrijdag 14 augustus jl. zouden protesteren bij de extra vergadering van de Staten van de provincie Noord-Brabant. De gemeente ’s-Hertogenbosch is van de demonstratie in kennis gesteld.
Waarom is ervoor gekozen om deze demonstraties niet te verplaatsen, een alternatief locatie aan te bieden en/of te verbieden, gelet op het feit dat er duidelijke gronden zijn in de wet openbare manifestaties om in te kunnen grijpen bij een demonstratie in het belang van het verkeer en/of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden?
De besluitvorming over het verbieden dan wel verplaatsen van demonstraties geschiedt krachtens de Wet openbare manifestaties door de burgemeester, doorgaans na overleg in de lokale driehoek. De gronden voor het verbieden dan wel ontbinden van een demonstratie zijn gelegen in art.2 van de Wom; ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het kabinet treedt niet in de afwegingen die het lokale gezag moet maken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Wat waren de instructies voor de politie op het moment dat de demonstranten met trekkers gingen protesteren op meerdere snelwegen en er risico’s waren voor andere burgers op de weg?
Voorafgaand aan de demonstratie heeft overleg plaatsgevonden tussen het lokaal gezag (burgemeester en officier van justitie) en de politie in ‘s-Hertogenbosch. Het beleidsuitgangspunt van de lokale driehoek ’s-Hertogenbosch was duidelijk: indien men in het kader van de demonstratie met een tractor de snelweg op rijdt of de weg blokkeert, en dit evident gevaar oplevert, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Afgesproken werd het met de tractor rijden op een snelweg in principe niet te tolereren. Vanzelfsprekend is de beslissing om tot handhaving over te gaan aan de lokale driehoek.
Zijn er instructies en/of afspraken gemaakt tussen de lokale driehoeken en Rijkswaterstaat over het bovensignaleren van de wegen en/of afsluiten van de wegen? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom dit is niet is gebeurd?
Op 12 augustus jl. is er contact geweest tussen de eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de politie en Rijkswaterstaat, zowel op directieniveau als op operationeel niveau. Op verzoek van de politie heeft Rijkswaterstaat de potentiële impact op het wegverkeer in beeld gebracht en toegelicht wat het handelingskader van Rijkswaterstaat is bij verstoringen van de doorstroming of van de veiligheid op het hoofdwegennet.
Voor het beheer van het hoofdwegennet zijn er vaststaande communicatiestructuren en opschalingsprocedures. De politie staat in verbinding met Verkeerscentrum Nederland (VCNL) van Rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft inmiddels aangifte gedaan van de gepleegde overtreding waarop de vragen betrekking hebben, zoals het rijden met een tractor op de autosnelweg (in strijd met artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Rijkswaterstaat doet altijd aangifte als een snelweg moedwillig wordt geblokkeerd.
Op basis van welke jurisprudentie en informatie zijn de lokale driehoeken tot de afweging gekomen dat het is toegestaan om op de snelwegen te demonstreren en zij niet zullen handhaven hierop, gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet? Graag een gedetailleerd overzicht.
De vraag veronderstelt dat de afweging was dat demonstreren op snelwegen is toegestaan en dat op juridische gronden is afgezien van handhaven. Dat is onjuist. Zie daarvoor het antwoord op vraag 3. De snelweg is vanwege verkeersveiligheid en doorstroming geen plek om te demonstreren. Het rijden met een tractor of trekker op de snelweg is in Nederland verboden.
Welke voorbereidingen worden er getroffen om te voorkomen dat deze protesten nog verder escaleren en leiden tot nog meer (dodelijke) verkeersongelukken en/of ernstige wanordelijkheden? Graag een gedetailleerd overzicht.
De oorzaak van het noodlottige ongeval op de A59 is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De politie en OM in Brabant-Oost hebben aangegeven de gebeurtenissen te evalueren.
Daarnaast heb ik de afgelopen weken overleg gehad met de (plv.) korpschef, het College van procureurs-generaal van het OM en de regioburgemeesters, ook in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Uit die overleggen is een helder statement gekomen, dat 25 augustus jl. op rijksoverheid.nl is gepubliceerd:
«Het blokkeren van een snelweg of het spoor of het veroorzaken van een file is gevaarlijk. Ook moeten hulpdiensten er altijd door kunnen. Het OM heeft op 19 augustus nogmaals bevestigd dat het demonstratierecht in beginsel niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging. Gevaarzetting op een snelweg of het spoor is strafbaar, strafrechtelijk handhaven is dan ook aangewezen. Er wordt in beginsel strafrechtelijk opgetreden tegen gevaarzettend gedrag, zoals langzame verplaatsingen of het blokkeren van snelwegen of het spoor».
Bij de bezetting van de A12 door klimaatactivisten 29 augustus jl. is door de lokale driehoek van Den Haag ook overeenkomstig die lijn gehandeld.
Welke strafrechtelijke stappen worden er ondernomen richting eigenaren van tractoren die bewust hun kenteken hebben afgeschermd gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet?
De kentekenplicht voor motorvoertuigen volgt uit artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Daarnaast verbiedt artikel 41 lid 1 van de Wegenverkeerswet onder meer het verhinderen van de herkenning van kentekens, bijvoorbeeld door die af te plakken. Als kentekens worden afgeschermd, dan zal strafrechtelijke handhaving in beginsel aangewezen zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor landbouwvoertuigen die sinds 1 januari 2022 een kentekenplicht kennen. Dit feit is ook opgenomen in de OM-uitgangspunten ten aanzien de strafrechtelijke handhaving van landbouwvoertuigen op de snelwegen bij demonstraties. De vraag of (en zo ja welke) stappen concreet genomen worden, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Bij het rijden met landbouwvoertuigen op de snelwegen is gezien de gevaarzetting strafrechtelijk handhaving in beginsel aangewezen. Dat geldt ook voor het afplakken van kentekens. Dat is alleen anders als de demonstratie in de vorm van het rijden op de snelweg met landbouwvoertuigen is aangemeld bij de burgemeester en deze het niet heeft verboden.
Bent u nog in gesprek met organisaties die de stikstofplannen vergelijken met de jodenvervolging?1
De vergelijking die tijdens de demonstratie van 14 augustus jl. is gemaakt door een der voormannen van een boerenorganisatie is totaal ongepast. Een analogie met de holocaust trekken voert vele malen te ver. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is thans niet in gesprek met de organisatie wier voorman de aangehaalde uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt u van het feit dat er stickers van davidsterren met het patroon van een rode boerenzakdoek en de letter B uitgedeeld zijn tijdens de protesten?2
De uiting van een davidster met een B erop is een evidente en ongekende schoffering aan het adres van de nabestaanden en slachtoffers van de Jodenvervolging en Holocaust gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zoals de Minister-President op 14 augustus jl. heeft gezegd betreft dit een walgelijke en bijzonder ongepaste actie.
Storingen op het spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat tot nu toe bekend is over de grote stroomstoring tussen Rotterdam en Zwijndrecht waardoor het treinverkeer op dit drukke traject ruim een week stilgelegen heeft?1
Op maandagochtend 29 juni ontstond er een storing in de stroomvoorziening ter hoogte van Rotterdam Stadion. Kort daarna bleek er een brand te zijn uitgebroken in een kabelgoot langs het spoor. In de kabelgoot liggen 299 kabels; hiervan bleek uiteindelijk circa tachtig procent door de brand beschadigd te zijn. Omdat deze kabels essentieel zijn voor de aansturing van seinen, wissels, telecom- en andere spoorgebonden systemen heeft ProRail direct het treinverkeer moeten staken. Als gevolg hiervan kon geen treinverkeer plaatsvinden tussen Rotterdam en de zuidzijde richting Barendrecht, Dordrecht, Kijfhoek en de HSL richting Breda.
Tijdens de herstelwerkzaamheden bleek de schade aanzienlijk groter en complexer dan aanvankelijk gedacht, waardoor de prognose een aantal keer moest worden bijgesteld. Door de brand waren kabellabels weggeschroeid, waardoor het een ingewikkelde klus was om de kabeleinden bij elkaar te zoeken. Ook de laswerkzaamheden waren zeer omvangrijk en complex. Pas toen alle systemen volledig hersteld en getest waren, kon het treinverkeer na ruim een week weer worden opgestart.
Kunt u toelichten wat tot nu toe bekend is over de (vermoedelijke) oorzaak van de brand?
Het onderzoek naar de oorzaak van de brand is nog niet afgerond. Daarom kan ProRail op dit moment geen definitieve oorzaak vaststellen. Op basis van de voorlopige onderzoeksresultaten lijkt de brand te zijn ontstaan door een defect aan een voedingskabel van de bovenleiding, waardoor kortsluiting is ontstaan. De kabelbreuk bevond zich onder een kabelgoot met 299 kabels, waarna de brand zich naar deze kabelgoot heeft uitgebreid en een groot aantal kabels is beschadigd.
Kunt u uitsluiten dat achterstallig onderhoud heeft bijgedragen aan het verergeren van de gevolgen van de brand? Zo nee, welk achterstallig onderhoud heeft hierbij een rol gespeeld?
Het onderzoek naar de oorzaak van de brand is nog niet afgerond. Zodra het onderzoek naar de oorzaak van de brand is afgerond, kan er een definitieve conclusie getrokken worden.
Wat is de reden dat, toen duidelijk was dat de storing langer zou gaan duren, geen pendeltreinen zijn ingezet tussen Rotterdam en Dordrecht over een van de sporen?
Tijdens het incident was geen sprake van een gedeeltelijke stremming, maar van een volledige uitval van de spoorinfrastructuur op het getroffen traject. Om de brand veilig te kunnen blussen, zijn de tractievoeding, het onderstation Rotterdam Zuid en de 23 kV-voedingskabels uitgeschakeld. Hierdoor vielen zowel de energievoorziening als de bediening van seinen en wissels uit en kon het spoor niet veilig worden bereden.
Vervolgens was het gehele gebied langdurig buitendienst gesteld ten behoeve van het veilig uit kunnen voeren van de herstelwerkzaamheden. Omdat er gedurende de herstelperiode geen veilig berijdbaar spoor beschikbaar was, was het niet mogelijk om op één van de sporen een pendeldienst tussen Rotterdam en Dordrecht te laten rijden. Gedurende de stremming zijn reizigers vervoerd met vervangende stop- en snelbussen.
Klopt het dat de Eurostar naar Londen, anders dan die naar Parijs, niet is omgeleid via Utrecht-Breda? Wat was hiervan de reden en welke afwegingen zijn hierbij gemaakt?
Eurostar geeft aan dat het in de eerste fase van de verstoring niet mogelijk was om de Londendiensten om te leiden via Utrecht en Breda. Voor de internationale Londendiensten zijn specifieke veiligheids- en exploitatiegoedkeuringen vereist. Deze waren aan het begin van de verstoring nog niet beschikbaar voor de beoogde omleidingsroute. Nadat de benodigde goedkeuringen door ProRail en de betrokken veiligheidsautoriteiten waren verleend, kon de alternatieve route later in de week alsnog worden ingezet.
Klopt het dat reizigers naar Londen niet actief gewezen zijn op de mogelijkheid van een vervangende trein op het traject Brussel-Londen, terwijl zij volgens de regels wel recht hadden om in Brussel in de trein naar Londen te stappen? Zo ja, waarom niet?
De rechten van treinreizigers bij verstoringen zijn vastgelegd in de Europese passagiersrechtenverordening (EU) 2021/782. Op grond van artikel 18 van deze verordening dient een vervoerder reizigers bij een gemiste aansluiting of annulering de keuze te bieden tussen terugbetaling van het ticket, voortzetting van de reis of vervoer via een alternatieve route naar de eindbestemming. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op de naleving van deze verordening, en onderzoekt momenteel of reizigers door Eurostar voldoende zijn geïnformeerd over eventuele alternatieven en of in dit geval aan de verplichtingen uit de verordening is voldaan.
Eurostar geeft aan gedurende de verstoring verschillende mogelijkheden te hebben aangeboden aan de getroffen reizigers, waaronder het omboeken naar een latere reisdatum, restitutie van het ticket, en waar operationeel mogelijk, een alternatieve reisroute.
Bij het informeren van reizigers heeft Eurostar rekening gehouden met de beschikbare capaciteit op stations, in treinen en bij de grens- en veiligheidscontroles. Door de uitval van de verbindingen van en naar Amsterdam en Rotterdam moesten enkele duizenden reizigers worden omgeboekt. Het actief verwijzen van alle reizigers naar één specifieke route had volgens Eurostar kunnen leiden tot overbelasting van stations en vervoersdiensten en daarmee tot verdere verstoringen.
Klopt het dat reizigers niet geïnformeerd zijn, omdat de incheckbalie in Brussel niet toereikend was voor de extra passagiers die afkomstig waren uit Nederland? Zo ja, waarom is er dan niet voor gekozen om juist de Eurostar naar Londen wel te laten rijden via de omreisroute Utrecht-Breda?
Eurostar geeft aan dat ze in hun afwegingen in het informeren van reizigers rekening hebben gehouden met zowel de beschikbare capaciteit in treinen als met de capaciteit voor veiligheids-, grens-, en douanecontrole op de betrokken stations. Hoewel station Brussel-Zuid over aanzienlijke capaciteit beschikt om reizigers naar Londen te verwerken, is deze capaciteit niet onbeperkt. Tijdens de verstoring moest Eurostar rekening houden met grote aantallen extra reizigers die via alternatieve routes wilden reizen. Het geconcentreerd doorverwijzen van alle getroffen reizigers naar één station of één route zou het risico op congestie en verdere operationele knelpunten hebben vergroot.
Zoals bij vraag 5 omschreven, was het aan het begin van de week niet mogelijk om de Londendiensten om te leiden via Utrecht en Breda doordat de benodigde goedkeuringen nog niet waren gegeven. Nadat die goedkeuringen waren verleend, kon de alternatieve route alsnog worden ingezet.
Wat is de reden dat reizigers tussen Nederland en Londen met hun Eurostar-ticket geen gebruik konden maken van de Eurocity Direct tussen Nederland en Brussel (en vice versa)? Deelt u de mening dat dit wel logisch zou zijn nu reizigers zoveel hinder ondervonden van de storing? Zo nee, waarom niet?
De Eurocity Direct wordt geëxploiteerd door NS en NMBS. Binnen de spoorsector bestaan afspraken die bedoeld zijn om reizigers bij verstoringen zo goed mogelijk in staat te stellen hun reis voort te zetten (zoals de Agreement on Journey Continuation (AJC) en de Hop on the Next Available Train (HOTNAT) afspraak tussen hogesnelheidstrein-maatschappijen). Dit betekent echter niet dat reizigers automatisch met een Eurostarticket gebruik kunnen maken van treinen van een andere vervoerder. Eurostar heeft toegelicht dat het direct na het ontstaan van de verstoring niet mogelijk was Eurostarreizigers structureel toe te laten op de Eurocity Direct. Op dat moment bestond onvoldoende inzicht in de beschikbare capaciteit op de treinverbindingen tussen Nederland en België en in het aantal reizigers dat hiervan gebruik zou willen maken. Het zonder voorafgaande afspraken toelaten van grote aantallen reizigers had kunnen leiden tot overvolle treinen en verdere hinder voor zowel Eurostar- als reguliere reizigers.
Naarmate meer duidelijkheid ontstond over de beschikbare capaciteit, hebben de betrokken vervoerders afspraken gemaakt over de toelating van Eurostarreizigers op de Eurocity Direct. Via de stationsorganisaties zijn reizigers vervolgens gecontroleerd naar deze treinen begeleid, zodat zij hun reis alsnog konden voortzetten.
Ik deel de opvatting dat het voor reizigers logischer en eenvoudiger is wanneer zij bij verstoringen hun reis met zo min mogelijk belemmeringen kunnen voortzetten. De Europese Commissie heeft onlangs het zogenoemde Passenger Package gepubliceerd, met daarin onder meer voorstellen tot wijziging van de passagiersrechten voor treinreizigers. Deze voorstellen beogen de bescherming van reizigers gedurende de gehele reis te verbeteren. Het kabinet heeft zijn standpunt hierover onlangs met de Kamer gedeeld via een BNC-fiche2 en staat positief tegenover voorstellen die de positie van reizigers bij verstoringen versterken.
Bent u bereid om met de vervoerders, ProRail en de KMAR in gesprek te gaan over hoe in de toekomst bij een dergelijke verstoring de hinder voor reizigers naar Londen kan worden beperkt, juist omdat reizigers op deze route zo afhankelijk zijn van de grenscontroles en de incheckfaciliteit in Amsterdam nu een week ongebruikt is gebleven? Zo nee, waarom niet?
Er vinden al gesprekken plaats om te kijken hoe hinder bij een dergelijke verstoring kan worden beperkt. Daarbij blijft gelden dat bij de internationale verbinding naar Londen rekening gehouden moet worden met de beschikbare capaciteit op stations, in treinen en bij de grens- en veiligheidscontroles. Voor reizigers naar Londen geldt bovendien dat alleen gebruik kan worden gemaakt van stations met de vereiste veiligheids-, douane- en grenscontrolefaciliteiten. Eurostar heeft nu de benodigde goedkeuringen voor de route via Utrecht en Breda, die omleiding is dus juridisch mogelijk. ProRail en vervoerders zijn in gesprek om te kijken hoe een omleiding er praktisch gezien uit zou zien, aangezien dat ook gevolgen heeft voor de binnenlandse treindienst.
Wat zegt het feit dat door een brand langs het spoor een belangrijk traject zo lang buiten dienst gesteld moest worden over de weerbaarheid en robuustheid van het Nederlandse spoor?
Hoewel het Nederlandse spoor behoort tot de veiligste en meest betrouwbare spoorsystemen ter wereld, laat dit incident zien dat uitval van een relatief klein onderdeel van de spoorinfrastructuur op een strategische locatie grote maatschappelijke gevolgen kan hebben voor reizigers, goederenvervoerders en de bereikbaarheid van Nederland. Het versterken van de weerbaarheid en robuustheid van het spoorsysteem kan helpen om het spoor minder kwetsbaar te maken en de impact van verstoringen te verkleinen. Daarbij is het van belang te benadrukken dat investeringen in weerbaarheid niet betekenen dat technische incidenten, zoals kortsluiting, kunnen worden voorkomen. Wel kunnen dergelijke investeringen de kans op verstoringen verkleinen, de impact ervan beperken en bijdragen aan sneller herstel.
Deelt u de zorgen over de kwetsbaarheid van de spoorinfrastructuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er volgens u extra nodig om de spoorinfrastructuur weerbaarder te maken tegen dit soort grote storingen?
Ja, het kabinet deelt de zorgen en wil het spoorsysteem minder kwetsbaar maken. Het versterken van de weerbaarheid van onze infrastructuur is in de beleidsbrief van IenW als één van de prioriteiten benoemd. Het belang van de spoorsector wordt onder meer onderstreept door haar aanwijzing onder de aanstaande Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). Deze wet is gericht op het verhogen van de weerbaarheid van entiteiten in essentiële sectoren, waaronder de spoorsector. Bij het invullen van deze verplichtingen neemt het Kabinet, in samenwerking met de spoorsector, ook de aanbevelingen uit het rapport van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL)3 mee. Zo heeft ProRail de belangrijkste kwetsbaarheden geïnventariseerd en geprioriteerd en werkt samen met IenW, Defensie en veiligheidspartners aan een risicogestuurde aanpak.
Ook is het van belang te benadrukken dat investeringen in weerbaarheid niet betekenen dat technische incidenten, zoals kortsluiting, kunnen worden voorkomen. Wel kunnen dergelijke investeringen de kans op verstoringen verkleinen, de impact ervan beperken en bijdragen aan sneller herstel. Het OFL-rapport roept op om aan te slag te gaan met een startpakket van minimaal € 600 miljoen aan investeringen, waarvan € 250 miljoen is bedoeld voor maatregelen die gericht zijn op het verhogen van de weerbaarheid van het spoor. Het Kabinet betrekt deze financiële opgave in het lopende traject van prioritering binnen het Mobiliteitsfonds.
Kunt u schetsen welke concrete maatregelen er volgens u noodzakelijk zijn om te voorkomen dat als gevolg van bijvoorbeeld een bermbrand, kortsluiting of anderszins relatief kleine verstoring in de nabije toekomst opnieuw een belangrijk baanvak langdurig gestremd is?
Op dit moment kan nog geen conclusie getrokken worden over specifieke maatregelen. De technische oorzaak wordt nog verder onderzocht en ProRail zal een analyse doen om te kijken op welke andere plekken risico is op een grote verstoring door een relatief kleine oorzaak. Op basis van dit onderzoek kunnen we een conclusie trekken over eventuele passende maatregelen.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de weerbaarheid van de Nederlandse spoorinfra dat de aanbevelingen uit het rapport van dhr. Van der Maat spoedig moeten worden opgevolgd? En welke concrete maatregelen worden nu al genomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een tijdpad geven voor de uitvoering van de aanbevelingen uit dit rapport?
Ja, het Kabinet onderschrijft een spoedige opvolging van het OFL-rapport. Waar mogelijk zijn de aanbevelingen van het rapport, in samenwerking met de spoorsector, al in gang gezet. Zo wordt er reeds gewerkt aan een weerbaarheidsstrategie met ProRail waarin het ambitieniveau wordt bepaald en de priortering wordt uitgewerkt.
Tegelijkertijd vraagt de volledige uitvoering van de aanbevelingen om een heroriëntatie op de inrichting van het Nederlandse spoor. Het spoorsysteem is nu ingericht op efficiëntie, betrouwbaarheid en kosteneffectief beheer. Daarmee beschikt Nederland over één van de best presterende spoorstelsels ter wereld, en kent het kwetsbaarheden in de redundantie. Echter, het structureel verhogen van de weerbaarheid vraagt om een andere manier van kijken naar deze inrichting. Dit kan niet van de ene op de andere dag worden gerealiseerd.
Kunt u schetsen wat de potentiële gevolgen en maatschappelijke kosten zijn, wanneer er onvoldoende wordt geïnvesteerd in de weerbaarheid en robuustheid van het Nederlandse spoor?
Het spoorsysteem vormt de ruggengraat van de dagelijkse mobiliteit van mensen en goederen. Dit belang wordt onder andere onderstreept door de aanwijzing van de spoorsector onder de aanstaande Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). Het huidige basiskwaliteitsniveau (BKN) spoor biedt continuïteit onder normale omstandigheden maar onvoldoende garantie voor robuustheid bij verhoogde dreigingsniveaus.
Onvoldoende investeringen in de weerbaarheid en robuustheid van het Nederlandse spoor vergroten het risico dat verstoringen een grotere maatschappelijke impact hebben en dat herstel van de dienstverlening meer tijd vergt. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat storingen vaker optreden, maar wel dat de gevolgen van storingen op kritieke locaties groter kunnen zijn. Dergelijke verstoringen kunnen niet alleen de mobiliteit van mensen en goederen, maar ook de militaire mobiliteit en de Nederlandse economie schaden. Tegelijkertijd is het van belang te benadrukken dat investeringen in weerbaarheid en robuustheid niet betekenen dat technische incidenten, zoals kortsluiting, kunnen worden voorkomen.
Kunt u schetsen welke personele en materiële problemen er in de spoorsector zijn waardoor onderhoud en herstel langer duren dan wenselijk? Kunt u hierbij specifiek ingaan op het tegengaan van verdere personeelstekorten (bij aannemers) en op tekorten aan noodzakelijk materieel? Deelt u de mening dat het goed zou zijn als er meer cruciale onderdelen in voorraad worden gebracht, zodat bij een verstoring leveringsproblemen zoveel mogelijk worden beperkt? Zo nee, waarom niet?
De spoorsector heeft op dit moment beperkt last van personele en materiele problemen, maar voorziet wel dat het een groter probleem wordt in de komende jaren. Volgens ProRail krijgt de sector de komende jaren te maken met een aanzienlijke uitstroom van technisch personeel, waarbij er ook specialistische capaciteit verdwijnt. Voor ProRail is de beschikbaarheid van personeel daarom een belangrijk aandachtspunt. ProRail werkt samen met marktpartijen aan verschillende initiatieven om de spoorsector aantrekkelijk te houden en voldoende vakmensen beschikbaar te houden voor de groeiende vervangings- en vernieuwingsopgave. In het Masterplan 2028–2032 van ProRail valt meer te lezen over de aanpak.
Naast personeel vraagt ook de beschikbaarheid van kritieke onderdelen en materialen aandacht. Uit de eerste uitkomsten van de evaluatie van dit incident lijkt de beschikbaarheid van specifieke onderdelen een mogelijke invloed te hebben op de snelheid van herstel. Dit moet echter nader worden onderzocht, daarom betrekt ProRail dit punt in de verdere evaluatie en opvolging van de aanbevelingen.
Kunt u toezeggen dat de benodigde middelen om het Basis Kwaliteitsniveau Spoor goed uit te kunnen voeren beschikbaar zijn voor ProRail? Zo nee, waarom niet?
Met de vaststelling van het BKN spoor eind 2024 zijn de instandhoudingsbehoefte en de beschikbare middelen op het Mobiliteitsfonds in balans gebracht. De benodigde middelen om het BKN spoor meerjarig goed uit te voeren zijn daarmee beschikbaar voor ProRail en staan apart gereserveerd voor instandhouding van het spoor op artikelonderdeel 13.02 van het Mobiliteitsfonds. In de periode sinds de vaststelling van het BKN spoor hebben zich ontwikkelingen voorgedaan waar eind 2024 nog geen rekening mee kon worden gehouden. Onder vraag 17 ga ik hier nader op in.
Kunt u toezeggen dat de indexatie van de bedragen die ProRail ontvangt voldoende zijn om de stijgende kosten van het onderhoud te ondervangen? Zo nee, hoe garandeert u dan dat het noodzakelijke onderhoud kan worden uitgevoerd?
Voor het BKN van het spoor is het tekort € 3,1 mld. in de periode 2026–2040, waarvan € 2,1 mld. samenhangt met indexatiespanning. Het besluit om de prijscompensatie over 2026 slechts gedeeltelijk uit te keren vergroot deze spanning. Daarnaast wordt de indexatiespanning beïnvloed door de feitelijke prijsontwikkelingen in de spoormarkt. Voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing is afgesproken dat het indexatieverschil wordt betrokken bij de jaarlijkse voorjaarsbesluitvorming, zodat schommelingen in loon- en prijsontwikkelingen geleidelijk worden opvangen en niet in één keer voor de hele looptijd van het Mobiliteitsfonds. Bovendien wordt hiermee mogelijke over- en ondercompensatie zo veel mogelijk voorkomen omdat rekening gehouden kan worden met de jaarlijkse ontwikkeling van lonen en prijzen in de markt. Als bij de voorjaarsbesluitvorming middelen voor indexatie voor het komende jaar worden toegekend, kunnen de instandhoudingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Als dit niet gebeurt dan kan dit leiden tot een oplopende druk op de instandhoudingsopgave. Het dekkingsvraagstuk van de instandhoudingsopgave dat exclusief indexatiespanning bestaat is onderdeel van de nu lopende herprioritering, waarin nog keuzes moeten worden gemaakt.
Deelt u de mening dat het nu uitstellen van noodzakelijk onderhoud en noodzakelijke investeringen op de langere termijn meer kosten met zich mee zal brengen? Zo nee, waarom niet en, zo ja, hoe borgt u dan de betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het spoor nu en in de toekomst?
Uitstel van onderhoud verhoogt de kosten op de langere termijn.
Het BKN spoor is in het leven geroepen om een stabiel, langjarig en robuust instandhoudingsniveau van de Nederlandse spoorinfrastructuur vanaf 2026 te bewerkstelligen. Het BKN Spoor is haalbaar en maakbaar is en zorgt dat een constructief veilig en betrouwbaar spoornetwerk onverminderd wordt geborgd.
Is de rijksbrede taakstelling ook van invloed op ProRail? Zo ja, wat zijn de precieze financiële gevolgen voor ProRail? En welke gevolgen heeft de taakstelling voor het noodzakelijke onderhoud en voor het Basis Kwaliteitsniveau Spoor?
De rijksbrede taakstelling uit het coalitieakkoord «Aan de Slag. Bouwen voor een beter Nederland» is, net als bij het kerndepartement IenW en RWS, van invloed op ProRail. Over de financiële gevolgen van de taakstelling voor ProRail wordt u in de Ontwerpbegroting 2027 geïnformeerd. Deze taakstelling staat niet op zichzelf maar valt samen met de opgave rondom prijsontwikkelingen, de vervangingsopgave en de inzet van ProRail om het BKN Spoor te realiseren. ProRail is door IenW gevraagd om voor het eind van 2026 een voorstel voor de inpassing van de taakstelling en mogelijke gevolgen gereed te hebben.
Kunt u uitsluiten dat een taakstelling gevolgen heeft voor de robuustheid en weerbaarheid van het spoor?
ProRail heeft aangegeven dat de taakstelling gevolgen heeft voor de organisatiekracht die nodig is om het spoor robuust en weerbaar te houden. ProRail is door IenW gevraagd om voor het eind van 2026 een voorstel voor de inpassing van de taakstelling en de mogelijke gevolgen daarvan gereed te hebben. Ik wacht dat voorstel af.
Kunt u voorgaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?»1
Ja.
Klopt het dat bestuurders van auto’s met een buitenlands kenteken de wegenbelasting, BPM én APK-verplichtingen ontlopen?
In de motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) en de belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) geldt het uitgangspunt dat motorrijtuigen worden belast in de lidstaat waar de houder zijn gewone verblijfplaats heeft. Personen die hun gewone verblijfplaats buiten Nederland hebben, zoals toeristen en andere tijdelijke bezoekers, zijn vrijgesteld van Nederlandse mrb en bpm. Deze vrijstelling vloeit voort uit Richtlijn 83/182/EEG betreffende belastingvrijstellingen bij tijdelijke invoer van voertuigen.2 Deze richtlijn berust op wederkerigheid tussen de lidstaten. Evenzo betalen Nederlandse ingezetenen die tijdelijk in een andere lidstaat verblijven in beginsel hun voertuigbelastingen in Nederland en niet in de lidstaat die zij slechts tijdelijk bezoeken.
Voor de Nederlandse ingezetenen met een voertuig worden in de mrb en bpm twee groepen onderscheiden. De eerste groep betreft Nederlandse ingezetenen die op grond van de Wegenverkeerswet 1994 verplicht zijn hun voertuig in het Nederlandse kentekenregister in te schrijven. Die verplichting geldt voor iedere Nederlandse ingezetene die eigenaar of houder is van een motorrijtuig.3 Voor deze groep wordt de mrb automatisch geheven van degene op wiens naam het voertuig in het kentekenregister is geregistreerd.
De tweede groep betreft Nederlandse ingezetenen die gebruik maken van een in het buitenland geregistreerd voertuig dat eigendom is van een in het buitenland woonachtige of gevestigde persoon. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buitenlandse huurauto of leaseauto, een voertuig van een buitenlandse werkgever of een voertuig dat ter beschikking is gesteld door een in het buitenland wonende eigenaar. Deze voertuigen zijn uitgezonderd van de Nederlandse kentekenregistratieplicht omdat zij zich bevinden in het zogenoemde «internationaal verkeer».4 Het gebruik van deze voertuigen is in Nederland niet aan een wettelijke termijn gebonden. Voor deze groep wordt de mrb en bpm geheven van degene die het motorrijtuig met buitenlands kenteken feitelijk gebruikt op de Nederlandse weg. De belastingaangifte daarvoor moet worden gedaan voorafgaand aan het gebruik van de Nederlandse weg.
Het is dus niet juist dat bestuurders van voertuigen met een buitenlands kenteken de mrb en bpm ontlopen. Wel is de handhaving van de verplichtingen voor de tweede groep complexer dan bij voertuigen die zijn opgenomen in het Nederlandse kentekenregister. Bij voertuigen met een Nederlands kenteken zijn de houder, het voertuig en het moment waarop de belastingplicht ontstaat rechtstreeks bekend uit het kentekenregister. Bij voertuigen met een buitenlands kenteken ontbreken deze gegevens. Als de belastingplichtige niet zelfstandig aangifte heeft gedaan, moet de belastinginspecteur vaststellen dat deze persoon het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, dat gebruik wordt gemaakt van de Nederlandse weg en dat geen vrijstelling van toepassing is. Juist het vaststellen van deze feiten maakt de handhaving aanzienlijk arbeidsintensiever.
In dit verband wordt opgemerkt dat voor een voertuig met een buitenlands kenteken doorgaans motorrijtuigenbelasting is verschuldigd in de lidstaat waar het voertuig is geregistreerd. De veronderstelling dat met een buitenlands kenteken in het geheel geen belasting wordt betaald, is daarom onjuist. De potentiële fiscale voordelen van een buitenlands kenteken moeten in dat licht worden bezien. Bovendien kan het rijden met een buitenlands kenteken, als gevolg van het ontbreken van harmonisatie van de motorrijtuigenbelasting binnen de Europese Unie, leiden tot een dubbele fiscale last. Afhankelijk van de wijze waarop de verschillende lidstaten hun motorrijtuigenbelasting vormgeven, kan de heffing van motorrijtuigenbelasting in Nederland ertoe leiden dat voor hetzelfde voertuig tweemaal een belastingdruk ontstaat: in Nederland en in de lidstaat van registratie. Dergelijke situaties van dubbele belasting zijn, bij gebrek aan harmonisatie op Unieniveau, niet in strijd met het Unierecht.
Voor wat betreft voertuigen uit andere EU-lidstaten ontlopen deze de APK-plicht niet. Deze auto’s hebben namelijk een APK-plicht in het land van registratie. Elke lidstaat ziet erop toe dat voertuigen die in die lidstaat zijn geregistreerd, periodiek worden gekeurd door erkende controlecentra in die lidstaat. De minimale keuringsfrequentie is Europees vastgelegd.
Hoeveel boetes zijn de afgelopen vijf jaar uitgeschreven met betrekking tot voertuigen die te lang zijn blijven rijden met een buitenlands kenteken?
Het gaat hier om kentekenhouders met een buitenlands kenteken die Nederlands ingezetene zijn. Zij maken dus deel uit van de eerste groep zoals benoemd in het antwoord op vraag 2. In principe moet iemand zijn kenteken omzetten als hij of zij in Nederland komt wonen. Voor het strafrecht wordt, net als bij het omwisselen van een rijbewijs, aangesloten bij 185 dagen in Nederland geregistreerd of dat op een andere manier kan worden gereconstrueerd dat iemand al langer dan 185 dagen in Nederland woont. De reden hiervoor is dat op een andere manier niet kan worden aangetoond dat de betrokkene hier zijn of haar gewone verblijfplaats heeft en dan kan aangeven dat hij of zij nog steeds op en neer rijdt naar het land waar het voertuig vandaan komt en onder de uitzondering van het internationaal verkeer valt.
Onderstaande tabel bevat het aantal boetes van de feitcode waar het niet tijdig omzetten van een in het buitenland geregistreerd voertuig en het rijden met een Nederlands voertuig zonder geldig kenteken onder valt. Deze categorieën kunnen niet gesplitst worden. Kanttekening hierbij is dus dat de feitcode van de boete ziet op meer overtredingen dan alleen de overtreding voor het niet tijdig omzetten van een in het buitenland geregistreerd voertuig. Daarmee zijn onderstaande aantallen hoger dan het daadwerkelijke aantal feiten dat te lang is blijven rijden met een buitenlands kenteken.
3.067
3.428
1.811
7.677
4.259
Heeft u zicht op het aantal langdurig in Nederland verblijvende arbeidsmigranten die niet geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen?
De 47% uit het aangehaalde onderzoek6 betreft een schatting van het aantal niet-geregistreerde migranten uit Midden- en Oost-Europa in 2009–2010 en stamt uit een tijd waarin de huidige Basisregistratie Personen (hierna: BRP) nog niet bestond. Het gaat hierbij om personen die destijds niet voorkwamen in de registers van de GBA (Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met gegevens over inwoners van Nederland en uit Nederland geëmigreerden) en het UWV. Dus nee, deze verhouding is niet indicatie voor Nederland an sich. De wet BRP trad op 6 januari 2014 in werking en pas toen openden de RNI-loketten (Registratie Niet-Ingezetenen) waar niet-ingezetenen zich kunnen laten registreren in de BRP. Uitgifte van identificerende nummers aan niet-ingezetenen verliep voor die tijd via de Belastingdienst en was niet gekoppeld aan de BRP (destijds nog GBA).
Als we kijken naar het huidige BRP-stelsel zien we het volgende. Arbeidsmigranten schrijven zich over het algemeen in de BRP in als ingezetene of niet-ingezetene. Arbeidsmigranten die zich niet registeren, hebben geen BSN en betalen daarom het anoniementarief van 52% over hun salaris. Dit is een sterke financiële prikkel om in te schrijven.
Naar verwachting schrijft een gedeelte van de groep EU-gedetacheerden en arbeidsmigranten die illegaal of zwart werkt zich in het geheel niet in de BRP in als ingezetene of niet-ingezetene, omdat zij het BSN niet gebruiken voor werk. Hoe groot de groep exact is die zich niet inschrijft, is onbekend.
Bij langdurig verblijf in Nederland is de arbeidsmigrant verplicht zich als ingezetene te laten registreren.7 Dat gebeurt niet altijd, onder meer door illegale huisvesting, een gebrek aan kennis of omdat arbeidsmigranten dit zelf niet willen.8 In 2024 stonden 236.400 werkende EU-burgers (excl. Nederlanders) als niet-ingezetene in de BRP geregistreerd.
Een deel daarvan is terecht: het gaat onder meer om grenswerkers die in het buitenland wonen en om seizoenswerkers die kort in Nederland zijn en daarom is inschrijving als ingezetene niet vereist. Van deze groep werken zo’n 63.000 EU-burgers langer dan zes maanden aaneengesloten in Nederland, terwijl zij niet in Duitsland of België wonen (dit sluit grenswerkers uit). Zij hadden zich daarom vermoedelijk als ingezetene moeten inschrijven en zijn dus onjuist geregistreerd. Mogelijk is deze groep groter. Afgezet tegen de in totaal 728.600 EU-burgers die eind 2024 in Nederland werkten, gaat het om ten minste 8,6%. Het is belangrijk om hierbij te benoemen dat aantallen en percentages sterk afhankelijk zijn van de gehanteerde definitie van «de arbeidsmigrant.»
Het kabinet vindt het zicht op arbeidsmigranten essentieel. Daarom werkt de Staatssecretaris van BZK samen met de Minister van SZW aan een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren.9
Gelet op het feit dat volgens het rapport «Onderzoek opgave arbeidsmigratie in de provincie Zuid-Holland» het aantal niet geregistreerde arbeidsmigranten maar liefst 47% van het totaal zou kunnen zijn: is deze verhouding indicatief voor Nederland an sich?2
Zie antwoord vraag 4.
Welke criteria worden gebruikt om vast te stellen of er bij een auto sprake is van «duurzaam gebruik» in Nederland, waarbij een Nederlands kenteken verplicht is?
Duurzaam gebruik wordt in de Wegenverkeerswet 1994 niet gebruikt om te bepalen of iemand een Nederlands kenteken aan moet vragen. Om vast te stellen of iemand een Nederlands kenteken nodig heeft, of dat een uitzondering geldt, is de vraag of een voertuig zich in het internationale verkeer bevindt. Volgens het Verdrag inzake wegverkeer bevindt een voertuig zich in het internationale verkeer in Nederland wanneer een voertuig:
Cruciaal in deze definitie is wat het betekent waar iemand «gewoonlijk» zijn woonplaats heeft. Er moet dus worden aangetoond dat iemand in Nederland woonachtig is. Daarvoor kunnen de criteria worden gebruikt zoals BRP-registratie, waar iemand woont, waar iemand werkt, waar zijn gezin woont, hoe vaak iemand naar het buitenland gaat en of diegene daar nog een huis heeft.
In hoeverre is handhaving op «duurzaam gebruik» realistisch aangezien het langdurig, individueel, anderszins onopvallend gedrag betreft?
Het is inderdaad moeilijk aan te tonen dat iemand in Nederland woonachtig is. Dat zal vooral moeten blijken uit het verhoor van de verdachte. Iemand hoeft pas zijn kenteken om te wisselen als hij in Nederland woonachtig is, maar hier zijn geen harde handvatten voor waarop de handhavers kunnen acteren. Er zal dus per geval moeten worden gereconstrueerd aan de hand van de informatie die de handhavers hebben.
In hoeverre wordt handhaving bemoeilijkt door het feit dat voertuigregistratie, fiscale afhandeling en de signalering van overtredingen allemaal bij andere instanties liggen?
Het is met name complex om duidelijk te krijgen of een bestuurder in overtreding is. Dit moet per casus aangetoond worden door de betrokken instanties. Bij een staandehouding van een bestuurder van een voertuig met buitenlands kenteken op de Nederlandse weg door de politie, kan door de politie niet eenvoudig worden vastgesteld of de bestuurder voldoet aan alle wettelijke verplichtingen. De politie moet vaststellen of (1) de bestuurder feitelijk woonachtig is in Nederland (2) het voertuig zich rechtmatig in het internationaal verkeer bevindt of dat een Nederlands kenteken moet worden gevoerd en (3) of de verschuldigde belastingen zijn voldaan dan wel dat een fiscale vrijstelling van toepassing is. Deze aspecten vragen om nauwe samenwerking met betrokken instanties en zijn arbeidsintensief en bewerkelijk.
Bij wie ligt de bewijslast bij een mogelijke overtreding? Wanneer is het aannemelijk genoeg dat er sprake is van een voertuig met «duurzaam gebruik» om te handhaven op het kenteken?
In het strafrecht ligt de bewijslast bij politie en OM. Iemand is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Er moet worden aangetoond dat iemand zijn kenteken had moeten omwisselen, omdat hij in Nederland woonachtig is.
Heeft u zicht op hoeveel geld de overheid misloopt door gebrekkige handhaving wat betreft het langdurig gebruik van buitenlandse kentekens?
Er zijn in de systemen van de Belastingdienst geen gegevens beschikbaar waarmee de omvang van eventuele misgelopen belastinginkomsten als gevolg van het gebruik van buitenlandse kentekens kan worden vastgesteld. Wel zijn de volgende gegevens beschikbaar.
In de periode 1 januari 2022 tot en met 25 juni 2026 zijn er 18.122 aangiften bij de Belastingdienst opgevoerd voor motorrijtuigen met buitenlandse kentekens. In deze periode zijn er ook 11.957 beëindigd, bijvoorbeeld omdat het motorrijtuig inmiddels een Nederlands kenteken heeft of niet meer in Nederland gebruik maakt van de weg. Op 25 juni 2026 zijn er 6.156 lopende aangiften voor de motorrijtuigenbelasting voor motorrijtuigen met buitenlandse kentekens.
Het aantal aangiften voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ziet er als volgt uit:
2022
582
2023
559
2024
520
2025
479
2026 (tot 18 mei)
230
In de volgende tabel staat het aantal signalen dat de Belastingdienst heeft ontvangen sinds 2022 omtrent het gebruik van de Nederlandse weg door Nederlandse ingezetenen met een motorrijtuig met buitenlands kenteken, waarbij geen aangifte voor bpm of mrb is gedaan.
BPM
1.627
2.265
2.125
1.913
7.930
MRB
1.344
1.905
1.793
1.605
6.647
Is het mogelijk de handhavingsketen te stroomlijnen zonder extra administratieve lasten te creëren voor zowel bedrijven als overheidsinstanties?
In zowel het straf- als het bestuursrecht zal de handhaving en de bewijsbaarheid van de overtreding lastig blijven. Het is, zoals eerder benoemd, namelijk lastig om aan te tonen of iemand in Nederland woont of niet.
In hoeverre ziet u kansen om met ANPR-systemen en (bestaande) verkeerscamera’s signalering en dus handhaving te vereenvoudigen?
Het probleem zit hem niet in de handhaving en inzet van ANPR, maar op het kunnen aantonen dat iemand een Nederlands kenteken had moeten hebben. Daarom zullen de ministeries van IenW en Financiën, samen met het Ministerie van JenV en de betrokken ketenpartners, verkennen wat er nodig is om de handhaving te vereenvoudigen.».
Bent u bekend met het plan «Zo werkt arbeidsmigratie voor iedereen»?3
Ja.
Bent u bereid om uitvoering te geven aan het eerste punt onder hoofdstuk 2.1 waar gevraagd wordt om een dekkend registratiesysteem voor arbeidsmigranten, gekoppeld aan het BRP?
Dit kabinet zet in op een brede set aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten te verbeteren en zo te zorgen voor een dekkend registratiesysteem. In de kamerbrief van 9 september 2025 is uw kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de aanpak voor verbetering van de registratie van arbeidsmigranten.11 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie door het Ministerie van BZK en het Ministerie van SZW. Het registreren van contactgegevens en tijdelijke verblijfsadressen in Nederland van niet-ingezetenen is een belangrijke maatregel om deze ongewenste situatie aan te pakken. Daarnaast wordt onder meer een bevorderings-, vergewis- en (optionele) meldplicht geïntroduceerd voor uitleners, met als beoogde inwerkingtreding 1 januari 2027.
Bent u het met ons eens dat een dergelijk systeem zou kunnen helpen bij de handhaving rondom het «duurzaam gebruik» van auto’s in Nederland die desondanks met een buitenlands kenteken blijven rijden?
Het is van belang dat iedereen die in Nederland woont in het BRP staat ingeschreven, zodat ze aangesproken kunnen worden op het registreren van hun voertuig in Nederland. Als je beter zicht hebt op wie in Nederland woont, draagt dat hieraan bij.
Het vervangend busvervoer van NS |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Busvervoer bij treinstremmingen van NS wordt steeds duurder, maar waarom staan zo veel bussen stil? «Dit is een verdienmodel»»?1
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat de kosten van vervangend vervoer voor NS tussen 2016 en 2024 zijn gestegen van € 25 miljoen naar € 39 miljoen?
Kunt u per jaar en per hoofdaannemer inzichtelijk maken hoe veel kosten zijn gemaakt voor het vervangend busvervoer?
Welke verklaring heeft u voor de kostenstijging die het artikel vermeldt?
Hoe beoordeelt u de verwachting van de NS dat deze kosten nog verder kunnen oplopen, tot wel € 52 à € 62 miljoen per jaar? Op basis waarvan verwacht de NS deze stijging?
Deelt u de opvatting dat de NS het vervangend vervoer zo efficiënt mogelijk dient te organiseren, gezien haar publieke financiering en om de prijs van het treinkaartje niet onnodig op te laten lopen? Hoe valt dit dan te rijmen met de door de NS verwachte ruime verdubbeling van de vervoerskosten?
Klopt het dat de NS heeft gekozen om per 1 januari 2027 al het vervangend vervoer door slechts één aanbieder uit te laten voeren? Hoe is de NS tot de keuze voor deze vervoerder gekomen?
In hoeverre heeft de NS alternatieve, goedkopere aanbieders van vervangend vervoer overwogen?
Herkent de Staatssecretaris het in het artikel geschetste beeld dat de vervangende bussen vaak langdurig stilstaan zonder passagiers, als onderdeel van het verdienmodel van de vervoerder? Is dit cijfermatig inzichtelijk te maken?
Hoe borgt de NS de efficiëntie van het vervangend vervoer, teneinde te voorkomen dat belastinggeld wordt uitgegeven aan lege, stilstaande bussen?
Klopt het dat NS de hoofdaannemer van het vervangend vervoer een vergoeding per uur betaalt, terwijl onderaannemers een vergoeding per gereden kilometer krijgen?
Hoe wordt voorkomen dat de vergoedingsstructuur van de NS voor vervangend busvervoer prikkels bevat die efficiënt vervangend busvervoer tegenwerken?
Hoe controleert de NS of het door de hoofdaannemer ingezet vervangend busvervoer wel doeltreffend was, en dat er zo min mogelijk lege bussen gefinancierd worden?
Deelt u de zorgen van de Algemene Rekenkamer1 over het feit dat de Nederlandse infrastructuur op veel plekken niet aan de NAVO-eisen voldoet, waardoor in geval van een militair conflict in Europa militaire transporten niet goed en snel door Nederland vervoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er naar aanleiding van eerdere rapporten en waarschuwingen over de staat van de Nederlandse infrastructuur weinig tot niets gedaan is met deze zorgen? Zo nee, wat heeft het kabinet concreet gedaan de afgelopen jaren om opvolging te geven aan eerdere zorgen vanuit de Algemene Rekenkamer hierover? Kan per eerder rapport worden aangegeven welke concrete acties ondernomen zijn en welke budgettaire gevolgen hieraan gekoppeld waren?
Deelt u de mening dat hopen op het feit dat er altijd een omrijroute is waar het transport (gedeeltelijk) overheen kan rijden erg naïef is en getuigt van slechte voorbereiding op een mogelijke oorlogssituatie waarin militair transport daadwerkelijk met grote spoed door Nederland verplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het, vanuit militair oogpunt, kwetsbaar is om erop te vertrouwen dat bij een conflict de infrastructurele bottlenecks in de logistieke keten niet zullen worden aangevallen?
Deelt u de mening dat het oplossen van de knelpunten in de militaire mobiliteit niet alleen een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van IenW? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat het kabinet niet bereid is om extra te investeren in noodzakelijk onderhoud van bestaande infrastructuur? Kan hierbij uitgebreid toegelicht worden wat de potentiële militaire en economische gevolgen zijn van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud?
Welke concrete acties en budgettaire gevolgen verbindt het kabinet aan dit nieuwe zorgelijke rapport van de Algemene Rekenkamer?
Kunt u aangeven wat de te verwachten economische gevolgen zijn van één, vijf en tien jaar uitstel van noodzakelijk onderhoud en investeringen?
Kunt u aangeven wat de te verwachten meerkosten zijn wanneer noodzakelijk onderhoud en investeringen één, vijf en tien jaar worden uitgesteld?
Hoe wordt geanticipeerd op (extra) slijtage van wegen door zwaar militair transport?
Kunt u aangeven welk deel van de kosten van onderhoud een aanpassing van infrastructuur bekostigd worden door IenW en welk deel door defensie? Deelt u de mening dat noodzakelijk onderhoud van bestaande wegen in beginsel door IenW bekostigd zou moeten worden en aanpassingen specifiek voor militair transport door defensie? Zo nee, hoe kijkt u naar de verdeling van de kosten?
In hoeverre anticipeert u op middelen vanuit Europa voor militaire mobiliteit? Zijn hierover reeds concrete gesprekken gevoerd en wat zijn de verwachtingen van u hierbij?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Infrastructuur en Waterstaat?
De invoering van OVpay en de overstap van de OV-chipkaart. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Hoe verloopt de implementatie van OVpay tot nu toe en in hoeverre ligt de invoering van het nieuwe betaalsysteem op schema?
Indien er sprake is van vertraging, welke specifieke technische, bestuurlijke of financiële knelpunten veroorzaken momenteel de grootste vertraging in de uitrol bij Translink, NS en de regionale vervoerders?
Klopt het dat reizigers op dit moment nog steeds een groot deel van de abonnementen en kortingsproducten niet kunnen gebruiken via OVpay? Wat zijn hiervoor per vervoerder de belangrijkste oorzaken?
Kunt u een concrete, gefaseerde planning per vervoerder geven voor het beschikbaar maken van bestaande abonnementen en kortingsproducten binnen OVpay, en op welke datum moet deze migratie volledig zijn afgerond?
Hoe kunnen reizigers in de tussentijd gebruik blijven maken van hun bestaande abonnementen en kortingsproducten, zolang deze nog niet beschikbaar zijn binnen OVpay? Hoe gaat dit voor mensen wier OV-chipkaart verloopt voor de volledige implementatie van OVpay, lopen zij daardoor kortingen mis?
Wanneer staat de definitieve uitfasering en uitschakeling van de huidige OV-chipkaart gepland? Is deze datum hard, of is deze afhankelijk gesteld van het behalen van specifieke mijlpalen binnen OVpay?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat reizigers tijdig en duidelijk worden geïnformeerd over de overstap naar OVpay, met name wanneer hun abonnementen of kortingsproducten nog niet beschikbaar zijn?
Onbevoegde rijlesinstructeurs en ontbrekend toezicht |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de aflevering van Kassa gezien over ontbrekend toezicht en handhaving op onbevoegde rijinstructeurs?1
Herkent u de problemen met onbevoegde rijinstructeurs? Welke maatregelen zijn tot nu toe genomen om dit probleem op te lossen?
Erkent u dat het al lang bekend is dat deze problemen bestaan en Roemer daarom in 2021 een rapport presenteerde?2
Erkent u dat rijles van een onbevoegde rijlesinstructeur kan leiden tot gevaarlijke situaties? Is het bekend of er ongelukken zijn gebeurd met onbevoegde rijinstructeurs?
Klopt het dat dit probleem niet alleen speelt bij praktijklessen, maar ook bij theorielessen, waar docenten zonder WRM-certificaat lesgeven?
Klopt het dat dat bedrijven die theorielessen aanbieden zich bij het CBR kunnen inschrijven als rijschool, ook als ze dit niet zijn?
Klopt het dat in de Opleidingsraad van het CBR een partij is vertegenwoordigd die werkt met theoriedocenten zonder WRM-certificaten?
Hoe kan het dat bij de betrokken instanties en organisaties onduidelijk is waar mensen terecht kunnen met meldingen over onbevoegde rijlesinstructeurs? Hoe wordt dit opgelost?
Worden meldingen over onbevoegde rijinstructeurs bij het Innovam Branche Kwalificatie Instituut (IBKI), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) of de politie geregistreerd? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dit?
Hoeveel controles voert de politie jaarlijks uit op rijlesinstructeurs?
Bent u bereid snel een centraal meldpunt op te zetten om inzichtelijk te krijgen wat de omvang is van de groep onbevoegde rijlesinstructeurs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat volgens de plateauplanning alle maatregelen ingevoerd en wettelijk verankerd hadden moeten zijn na het vierde kwartaal van 2025? Hoe kan het dat er een vertraging van drie jaar is ontstaan?
Bent u bereid om de maatregelen uit het rapport-Roemer Van rijles naar rijonderwijs eerder dan 2029 in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De risico's van rijhulpsystemen en 'phantom braking' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 29 augustus 2026 over «phantom braking» (spookremmen), waarbij auto’s zonder aanwijsbare aanleiding plotseling en krachtig afremmen door een onterechte ingreep van het autonoom noodremsysteem (AEB)?1
Deelt u de opvatting dat rijhulpsystemen zoals AEB een belangrijke bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid, maar dat een onterechte noodremactie, zeker bij hoge snelheid, zelf tot gevaarlijke situaties kan leiden?
Hoeveel incidenten en verkeersongevallen waarbij phantom braking een rol speelde, zijn bij u of de RDW bekend?
Deelt u de mening dat de omvang en de gevolgen van phantom braking op dit moment onvoldoende in beeld zijn, mede omdat onterechte AEB-ingrepen niet systematisch worden geregistreerd?
Bent u bereid om, bijvoorbeeld via de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en/of de RDW, onderzoek te laten doen naar de omvang, oorzaken en gevolgen van phantom braking in Nederland en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bent u bereid te bezien hoe automobilisten een phantom braking-incident eenvoudiger en op een beter vindbare plek kunnen melden, zodat signalen van weggebruikers gebundeld worden en bijdragen aan een beter beeld van het probleem?
Welke mogelijkheden ziet u om de toegang van automobilisten tot voertuigdata te verbeteren, nu zij en hun rechtsbijstandsverzekeraars volgens berichtgeving soms tot aan de rechter moeten gaan om te kunnen vaststellen of er sprake was van een onterechte noodremactie?
Bent u bereid, mede gelet op het onderzoek dat in Frankrijk naar aanleiding van meldingen over phantom braking is gestart, het onderwerp in Europees verband te agenderen, zodat onterechte ingrepen worden meegenomen bij de evaluatie en doorontwikkeling van de Europese eisen aan rijhulpsystemen?
De weerbaarheid van het Nederlandse spoor naar aanleiding van de sabotage op Prinsjesdag. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De buis tussen de rails was precies op maat gemaakt. Wat de sabotage op Prinsjesdag zegt over de veiligheid van het spoor» en met de daarin beschreven sabotage van het spoor op Prinsjesdag?1
Welke economische en maatschappelijke schade is als gevolg van deze sabotage ontstaan, bijvoorbeeld door uitgevallen treinen, vertragingen van reizigers of de inzet van ProRail en andere organisaties? Kunt u hiervan een inschatting geven?
Heeft u in beeld wat de potentiële economische en maatschappelijke schade zou zijn wanneer een vergelijkbare sabotageactie langer duurt, vaker voorkomt, of op grotere schaal plaatsvindt?
Hoe beoordeelt u het feit dat op tientallen verschillende locaties vrijwel gelijktijdig sabotage kon plaatsvinden? Wat zegt dit volgens u over de weerbaarheid van het Nederlandse spoornetwerk?
In hoeverre waren ProRail en andere betrokken partijen voorbereid op een scenario waarbij op grote schaal en op meerdere locaties tegelijkertijd sabotage plaatsvindt?
In het artikel wordt gewezen op de grote omvang van het Nederlandse spoornetwerk en de beperkte mogelijkheden om het gehele netwerk fysiek te bewaken. Welke mogelijkheden zijn er om kwetsbare delen van het spoor beter te beschermen tegen sabotage, en wat zouden deze maatregelen kosten?
De daders zijn bij de sabotage grotendeels buiten het bestaande cameratoezicht gebleven. Wat zegt dit volgens u over de effectiviteit van het huidige toezicht en welke mogelijkheden ziet u om sabotage sneller te signaleren?
ProRail heeft naar aanleiding van de sabotage onder andere gewezen op de mogelijke inzet van drones voor toezicht op het spoor. Hoe beoordeelt u deze mogelijkheid en welke andere maatregelen worden onderzocht om sabotage eerder te detecteren?
Welke lessen trekt u uit de sabotage op Prinsjesdag voor de weerbaarheid van het Nederlandse spoor en tot welke concrete aanvullende maatregelen leiden deze lessen?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van 13 oktober 2026?
De toenemende agressie en het geweld tegen spoorwegpersoneel. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brandbrief van spoorwegvakbond VVMC van 25 september 2026, getiteld «Ontspoort gedrag spoort niet!»?1
Hoe beoordeelt u de cijfers uit de brandbrief, waaruit blijkt dat er in de eerste drie kwartalen van 2026 al 5.088 meldingen van agressie en geweld bij de NS zijn geregistreerd (waarvan 1.561 bedreigingen, 1.368 gevallen van fysiek geweld en 105 wapenbedreigingen)?
Wat is uw reactie op de zeer ernstige incidenten die de VVMC aanhaalt, zoals de zware mishandelingen van hoofdconducteurs op de stations Rotterdam Blaak en Den Dolder, en het incident op station Almere Centrum op 6 augustus 2026 waarbij een medewerker Veiligheid & Service een vingerkootje kwijtraakte door een beet?
Welke maatregelen worden op dit moment genomen om agressie en geweld tegen medewerkers in het openbaar vervoer terug te dringen? Wat is tot nu toe bekend over de effectiviteit van deze maatregelen?
Deelt u de mening van de VVMC dat de uitrol van bodycams het verlies van juridische handhavingsbevoegdheden en toegang tot de Basisregistratie Personen (BRP) inhoudelijk niet kan compenseren?
Welke concrete opvolging heeft u gegeven aan de uitkomsten van het recente rondetafelgesprek op 3 maart 2026 in de Tweede Kamer over veilig reizen in het openbaar vervoer en welke merkbare verbeterstappen zijn er sindsdien op de werkvloer gezet?
Acht u de huidige aanpak voldoende om de stijgende trend in agressie en geweld tegen ov-personeel te keren? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Welke concrete doelstellingen hanteert u voor het terugdringen van agressie en geweld tegen ov-personeel? Op welke termijn verwacht u dat medewerkers hiervan merkbaar resultaat zien?
Wat is de exacte stand van zaken rond het nakomen van de coalitieafspraak om ov-boa’s toegang te verlenen tot het vreemdelingenregister en, onder voorwaarden, tot de strafrechtketendatabank? Op welke termijn beschikken ov-boa's in de praktijk over deze informatiepositie om overlastgevers effectief aan te pakken?
Hoe staat het met de landelijke uitrol van de Rotterdamse RET-pilots voor intensievere samenwerking tussen vervoerders en politie, en welke (eerste) resultaten zijn hieruit te melden?
Hoe staat het met de uitvoering dat iedere conducteur die dat wil ov-boa kan worden, en op welke termijn verwacht u dat deze afspraak gerealiseerd kan worden?
Hoe staat het met de totstandkoming en uitvoering van het nieuwe landelijke convenant sociale veiligheid in het openbaar vervoer en het bijbehorende actieplan? Welke concrete, meetbare doelstellingen en termijnen worden hierin opgenomen om het aantal ernstige A-incidenten terug te dringen?
Bent u bereid om op korte termijn in te gaan op de uitnodiging van de VVMC voor een bestuurlijk overleg met vakbonden, vervoerders, politie en OM, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren?
De recente passagierscijfers van Groningen Airport Eelde |
|
Suzanne Kröger (PRO) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente passagierscijfers van Groningen Airport Eelde (GAE), waaruit blijkt dat het aantal passagiers is gedaald van 228.698 in 2018 naar 102.589 in 2025 en dat in de eerste zeven maanden van 2026 opnieuw sprake is van een sterke daling ten opzichte van dezelfde periode in 2025?
Klopt het dat in 2022 via het amendement-Koerhuis/Van der Molen (Kamerstuk 36 200-A, nr. 54) 6,5 miljoen euro beschikbaar is gesteld voor weginfrastructuur rondom GAE en dat in 2024 via het amendement-Peter de Groot (Kamerstuk 36 600-A, nr. 11) nogmaals 6,5 miljoen euro beschikbaar is gesteld, waardoor de totale rijksbijdrage inmiddels 13 miljoen euro bedraagt?
Klopt het dat de tweede bijdrage van 6,5 miljoen euro in het amendement-Peter de Groot expliciet werd gemotiveerd met de stelling dat investeringen in infrastructuur nodig waren «om verdere groei van GAE te kunnen accommoderen»?
Hoe beoordeelt u deze motivering in het licht van de feitelijke ontwikkeling van het aantal passagiers, dat sinds 2018 met meer dan 55% is gedaald? Acht u de destijds verwachte groei nog steeds een valide onderbouwing voor de rijksbijdrage? Zo ja, waarop baseert u dat?
Is sinds het beschikbaar stellen van de tweede 6,5 miljoen euro opnieuw onderzocht of nut, noodzaak en doelmatigheid van de volledige rijksbijdrage van 13 miljoen euro nog voldoende zijn onderbouwd op basis van actuele passagiersaantallen en groeiverwachtingen? Zo ja, kunt u deze analyse aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Welke actuele prognose voor de ontwikkeling van het aantal passagiers op GAE hanteert uw ministerie? Hoe verhoudt deze prognose zich tot de economische onderbouwing van GAE, waarin circa 200.000 tot 225.000 passagiers per jaar nodig worden geacht voor een positief resultaat en een groei naar 350.000 passagiers wenselijk wordt geacht voor een robuustere financiële positie?
Klopt het dat deze economische onderbouwing bovendien uitgaat van een jaarlijkse publieke bijdrage in de kosten van niet-economische diensten van algemeen belang (NEDAB)? Hoe beoordeelt u tegen deze achtergrond de financiële zelfstandigheid en toekomstbestendigheid van GAE wanneer het huidige passagiersniveau structureel ruim onder de genoemde 200.000 tot 225.000 passagiers blijft?
Kunt u per onderdeel aangeven welk bedrag van de 13 miljoen euro is bestemd voor respectievelijk de ontsluitingsweg, de rotonde voor Business Park Bravo, de ov-hub en eventuele andere onderdelen? Kunt u daarbij tevens aangeven welk deel inmiddels daadwerkelijk is uitgegeven, welk deel juridisch is verplicht en welk bedrag nog kan worden heroverwogen?
Op basis van welke concrete verkeerskundige gegevens is vastgesteld dat de huidige bereikbaarheid en verkeersveiligheid rond GAE een rijksinvestering van deze omvang noodzakelijk maken? Kunt u de relevante verkeersmetingen, ongevallencijfers, verkeersveiligheidsanalyses en kosten-batenafwegingen aan de Kamer sturen?
Welk deel van de rijksbijdrage van 13 miljoen euro komt direct of indirect ten goede aan de ontsluiting van Business Park Bravo? Waarom wordt de ontsluiting van dit bedrijventerrein (mede) uit het Mobiliteitsfonds gefinancierd, welke nationale mobiliteitsdoelstelling wordt daarmee gediend en waarom behoren deze kosten niet primair voor rekening te komen van de luchthaven, de ontwikkelaar en/of bedrijven die zich daar willen vestigen?
Klopt het dat het kabinet voorbereidingen treft om Lelystad Airport vanaf oktober 2027 open te stellen voor 10.000 commerciële vliegtuigbewegingen per jaar, waaronder vakantievluchten? Is bij de onderbouwing van de rijksbijdrage voor GAE rekening gehouden met de gevolgen die deze extra luchthavencapaciteit kan hebben voor de passagiersaantallen, het aanbod van vakantievluchten en de financiële positie van GAE? Zo ja, welke gevolgen zijn daarbij verondersteld? Zo nee, waarom niet?
Hoe rechtvaardigt u dat 13 miljoen euro uit het Mobiliteitsfonds beschikbaar blijft voor infrastructuur rond GAE, terwijl het aantal passagiers sinds 2018 meer dan gehalveerd is en tegelijkertijd noodzakelijk onderhoud aan rijkswegen in Noord-Nederland wegens financiële tekorten wordt uitgesteld?
Bent u bereid, voordat verdere nog niet juridisch verplichte middelen uit de 13 miljoen euro worden besteed, nut, noodzaak en doelmatigheid van de volledige rijksbijdrage opnieuw te beoordelen op basis van de actuele passagiersontwikkeling, de actuele financiële vooruitzichten van GAE en de voorgenomen openstelling van Lelystad Airport, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De notitie ‘eerst de koers, dan de groei?’ |
|
Suzanne Kröger (PRO), Pieter Grinwis (CU), Ulaş Köse (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de notitie «eerst de koers, dan de groei» over vastlegging van klimaatdoelen voor de luchtvaart, gepubliceerd door CE Delft in augustus 2026?1
Herkent u de constatering dat er al nationale doelstellingen voor de verduurzaming van de luchtvaart zijn (zoals opgenomen in de luchtvaartnota 2020–2050), maar dat deze niet wettelijk verankerd zijn?
Ziet u het klimaatdoel voor Schiphol/Lelystad zoals opgenomen in het coalitieakkoord net als CE Delft als aanvullend op de klimaatdoelen in de luchtvaartnota 2020–2050? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende emissiereductie volgt volgens u uit het klimaatdoel in het coalitieakkoord ten opzichte van de klimaatdoelen die al zijn vastgelegd in de Luchtvaartnota 2020–2050?
Hoe beoordeelt u de oproep om tot een politieke keuze te komen over de klimaatkaders waarbinnen de Nederlandse luchtvaart op de langere termijn mag opereren?
CE Delft stelt dat wettelijke borging van klimaatdoelen duidelijkheid en stabiliteit biedt als randvoorwaarde om te innoveren en te investeren (bijv. in Sustainable Aviation Fuels (SAF), vlootvernieuwing en waterstof/elektrisch vliegen); bent u bereid bij de uitwerking van de borgingsopties expliciet te toetsen in hoeverre elke optie bijdraagt aan investeringszekerheid voor verduurzaming van de sector, en dit als apart criterium op te nemen naast klimaatzekerheid, juridische risico's en handhaafbaarheid?
Kunt u een appreciatie geven van de drie borgingsopties die in de notitie op pagina 12 zijn samengevat?
Bent u bereid om de drie borgingsopties zoals opgenomen op pagina 12 van de notitie mee te nemen als mogelijkheden voor borging van de klimaatdoelen voor de luchtvaart, en hierover verslag te doen in de brief die u tijdens het Commissiedebat Luchtvaart van 21 april 2026 aan de Kamer heeft toegezegd (toezegging TZ202605–005) en die volgens uw toezegging rond de zomer zou worden verzonden?
Hoe verhouden de borgingsopties die de notitie presenteert zich tot de wetgeving die eerder op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is voorbereid en aangekondigd (Kamerstuk 31 936 nr. 1047)? Kunt u toelichten of u bereid bent dit wetsvoorstel als basis te nemen bij de uitwerking van de borging van de klimaatdoelen in de luchtvaart?
Met welke extra maatregelen compenseert u dat de doelen van het duurzame luchtvaartakkoord volgens de KEV niet gehaald worden omdat de afgesproken bijmenging van duurzame brandstoffen (14% in 2030) is vervangen door de bijmengverplichting van ReFuelEU (6%)?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het CD Luchtvaart van 8 oktober 2026?
De inzet van politiedrones voor verkeershandhaving |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Je kunt nu ook worden bekeurd op basis van dronebeelden: «Op deze manier hebben we veel meer overzicht»» van Het Parool van 16 september 2026, waarin wordt bericht dat de politie drones inzet om vanuit de lucht verkeersovertredingen vast te stellen en op basis van de gemaakte beelden bekeuringen uit te schrijven?
Kunt u uiteenzetten op welke specifieke wettelijke grondslag de politie deze drones inzet voor verkeershandhaving en het verzamelen van beeldmateriaal dat vervolgens wordt gebruikt voor het opleggen van sancties?
Klopt het dat deze inzet in beginsel wordt gebaseerd op Artikel 3 van de Politiewet 2012, in samenhang met de algemene opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering? Zo ja, kunt u toelichten waarom deze algemene taakomschrijving naar uw oordeel een voldoende specifieke wettelijke grondslag vormt voor het op afstand en voor betrokkenen veelal onzichtbaar observeren, fotograferen en identificeren van weggebruikers met moderne hoogwaardige camera-apparatuur?
Erkent u dat Artikel 3 van de Politiewet volgens vaste rechtspraak alleen een voldoende grondslag vormt wanneer de daarmee gepaard gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt is en dat bij stelselmatige observatie een specifieke wettelijke bevoegdheid noodzakelijk is?
Deelt u de opvatting dat het voor de vraag of sprake is van stelselmatige observatie in de zin van deze rechtspraak niet doorslaggevend kan zijn of de waarneming formeel wordt ingezet in het kader van opsporing dan wel van generiek toezicht, maar dat bepalend is of burgers feitelijk op identificeerbare, herkenbare wijze worden geobserveerd en gevolgd met het oog op het opleggen van een sanctie? Zo nee, waarom zou dat onderscheid hier wel doorslaggevend zijn, terwijl het feitelijk effect voor de betrokken burger – herkenbaar in beeld gebracht, mogelijk gevolgd, en uiteindelijk beboet – in beide gevallen identiek is?
Welke criteria hanteert de politie bij deze vorm van dronehandhaving om te voorkomen dat de observatie, gelet op de duur, intensiteit, frequentie, locatie en gebruikte technische hulpmiddelen, het karakter krijgt van stelselmatige observatie?
Wordt bij deze inzet continu beeld opgenomen van het verkeer en de aanwezige personen en voertuigen, of worden uitsluitend beelden vastgelegd vanaf het moment dat een politiefunctionaris een vermoedelijke overtreding constateert? Kunt u de volledige werkwijze uiteenzetten vanaf het moment dat de drone opstijgt tot het moment waarop eventueel een sanctie wordt opgelegd?
Hoeveel voertuigen en personen worden gemiddeld tijdens één dergelijke drone-inzet herkenbaar of identificeerbaar in beeld gebracht zonder dat zij enige overtreding hebben begaan?
Over welke technische mogelijkheden beschikken de gebruikte drones en camera’s precies wat betreft optische en digitale zoom, beeldresolutie, kentekenherkenning, herkenning van gezichten, volgen van individuele personen of voertuigen en het vastleggen van beelden over grote afstand?
Klopt het dat bij eerdere juridische beoordelingen van politiedrones mede van belang werd geacht dat de destijds gebruikte camera’s geen beelden konden produceren waarop gezichten herkenbaar waren? Zo ja, wanneer heeft u voor het laatst laten beoordelen of de inmiddels sterk verbeterde technische mogelijkheden van moderne drones gevolgen hebben voor de vraag of Artikel 3 van de Politiewet nog steeds een voldoende wettelijke grondslag biedt?
Is specifiek juridisch beoordeeld wat het betekent voor de omvang van de grondrechteninbreuk dat moderne drones vanaf grote hoogte zeer gedetailleerde beelden kunnen maken en daarmee personen of voertuigen kunnen observeren zonder dat betrokkenen redelijkerwijs merken dat zij worden geobserveerd? Zo ja, kunt u deze beoordeling aan de Kamer doen toekomen?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich volgens u tot Artikel 10 van de Grondwet en Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder tot de eisen van voorzienbaarheid, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Welke concrete proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging wordt voorafgaand aan een drone-inzet gemaakt? Wordt daarbij expliciet onderzocht of hetzelfde handhavingsdoel met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt?
Is voor deze specifieke vorm van verkeershandhaving met drones een gegevensbeschermingseffectbeoordeling dan wel GEB/DPIA uitgevoerd? Zo ja, wanneer is deze vastgesteld, door wie en bent u bereid deze, zo nodig met weglating van operationeel gevoelige gegevens, aan de Kamer te verstrekken?
Indien geen afzonderlijke gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB)/Data Protection Impact Assessment (DPIA) is uitgevoerd, kunt u dan uitleggen waarom dit niet noodzakelijk is geacht bij een vorm van gegevensverwerking waarbij op grote schaal beeldmateriaal en kentekengegevens van burgers kunnen worden verzameld met behulp van relatief nieuwe surveillancetechnologie?
Welke categorieën persoonsgegevens worden bij deze drone-inzet verwerkt? Worden naast kentekens eveneens gezichten, inzittenden, locaties, tijdstippen, rijroutes of andere tot personen herleidbare gegevens opgeslagen?
Welke bewaartermijnen gelden voor beelden waarop een overtreding is vastgesteld en welke bewaartermijnen gelden voor beelden van personen en voertuigen die géén overtreding hebben begaan?
Worden beelden waarop geen relevante overtreding of ander strafbaar feit zichtbaar is automatisch vernietigd? Zo ja, binnen welke termijn en op welke wijze wordt gecontroleerd dat dit daadwerkelijk gebeurt?
Voor welke andere doeleinden dan de oorspronkelijke verkeershandhaving mogen de gemaakte beelden worden geraadpleegd of verder verwerkt? Kunnen beelden bijvoorbeeld worden gebruikt voor andere opsporingsonderzoeken, intelligence-doeleinden, persoonsherkenning of analyse van verplaatsingspatronen?
Kunnen de met deze drones gemaakte beelden automatisch worden gekoppeld aan andere politiebestanden of systemen, waaronder ANPR-gegevens? Zo ja, welke koppelingen zijn technisch en juridisch mogelijk en welke daarvan worden daadwerkelijk toegepast?
Wordt bij deze werkwijze gebruikgemaakt van geautomatiseerde beeldanalyse, kunstmatige intelligentie, automatische kentekenherkenning, objectherkenning of andere algoritmische technieken? Zo ja, welke systemen worden gebruikt en welke menselijke controle vindt plaats voordat op basis daarvan handhavend wordt opgetreden?
Geldt de werkwijze, dat bij drone-inzet waarschuwingsborden worden geplaatst om burgers erop te wijzen dat met drones wordt gevlogen en beelden worden gemaakt, eveneens voor verkeerscontroles zoals beschreven in het genoemde artikel? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat burgers over drone-inzet worden geïnformeerd zich tot de in het artikel beschreven handelwijze waarbij de drone bewust op een zodanige hoogte wordt gebracht dat weggebruikers deze niet opmerken?
Acht u het vanuit het oogpunt van rechtsbescherming wenselijk dat burgers in beginsel niet weten dat zij door de overheid vanuit de lucht worden geobserveerd, terwijl de verzamelde beelden vervolgens tegen hen kunnen worden gebruikt in een sanctieprocedure?
Welke mogelijkheden heeft een burger die op basis van dronebeelden wordt beboet om kennis te nemen van de gemaakte beelden, de context waarin deze zijn verkregen en de rechtmatigheid van de inzet van de drone te betwisten?
Wordt in het proces-verbaal of de beschikking vermeld dat de geconstateerde overtreding met behulp van een drone is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Welke rol heeft het Openbaar Ministerie gespeeld bij het goedkeuren van deze werkwijze? Kunt u de juridische beoordeling of beleidsmatige goedkeuring waarop deze landelijke uitrol is gebaseerd aan de Kamer doen toekomen?
Welke pilot is aan de landelijke uitrol voorafgegaan, waar en gedurende welke periode heeft deze plaatsgevonden, hoeveel dronevluchten zijn daarbij uitgevoerd, hoeveel overtredingen zijn geconstateerd en welke evaluatiecriteria zijn gehanteerd?
Is bij de evaluatie van deze pilot uitsluitend gekeken naar effectiviteit en verkeersveiligheid, of eveneens naar privacy, grondrechten, proportionaliteit, subsidiariteit en de mogelijke maatschappelijke gevolgen van uitbreiding van overheidssurveillance?
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken geweest bij de beoordeling van deze werkwijze of vooraf geraadpleegd? Zo ja, welke opmerkingen of voorwaarden heeft zij meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er een afzonderlijk landelijk inzetkader voor het gebruik van politiedrones? Zo ja, kunt u dit inzetkader integraal aan de Kamer verstrekken en aangeven in hoeverre daarin specifieke regels zijn opgenomen over verkeershandhaving, technische camera-capaciteiten, herkenbaarheid, opname, opslag, toegang en verdere verwerking van beelden?
Wie beslist in een concreet geval waar, wanneer en gedurende welke periode een drone voor verkeershandhaving wordt ingezet en aan welke inhoudelijke voorwaarden moet voorafgaand aan een dergelijke inzet zijn voldaan?
Bestaat er een maximum voor de duur en frequentie waarmee één locatie, wegvak of gebied door middel van drones mag worden geobserveerd? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat een opeenvolging van afzonderlijke drone-inzetten in de praktijk leidt tot structureel cameratoezicht vanuit de lucht?
Acht u het denkbaar dat dezelfde technische infrastructuur in de toekomst ook wordt ingezet voor het constateren van andere gedragingen, zoals telefoongebruik achter het stuur, gordelgebruik, overtreding van milieuzones of andere bestuurs- of strafrechtelijk gesanctioneerde gedragingen? Waar ligt volgens u de wettelijke grens aan uitbreiding van dit instrument?
Deelt u de opvatting dat het feit dat een bepaalde technologie technisch in staat is een overtreding waar te nemen, op zichzelf geen voldoende reden kan zijn om die technologie zonder afzonderlijke wettelijke afweging ook voor dat doel in te zetten?
Hoe voorkomt u dat door opeenvolgende afzonderlijke toepassingen van bestaande algemene bevoegdheden geleidelijk een vorm van grootschalige surveillance ontstaat die de wetgever nooit als samenhangend systeem heeft beoordeeld of uitdrukkelijk heeft gelegitimeerd?
Bent u bereid, voordat deze werkwijze verder landelijk wordt opgeschaald, de Kamer volledig te informeren over de wettelijke grondslag, de technische mogelijkheden, het inzetkader, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling, de bewaartermijnen, de juridische beoordeling van het Openbaar Ministerie en de evaluatie van de pilot?
Bent u bekend met de artikelen «Corendon en TUI bieden aan met huidige regeringstoestel te blijven vliegen: «Scheelt belastingbetaler zeker 100 miljoen»» en «Tóch peperduur nieuw regeringstoestel na afwijzen aanbod Corendon en TUI: «Voldoen niet aan specifieke eisen»»?1 2
Klopt het dat het huidige regeringsvliegtuig slechts zeven jaar oud is en nog ongeveer twintig jaar in gebruik zou blijven, als KLM geen overstap op Airbus zou maken?
Klopt het dat de aanschaf van een nieuw regeringstoestel van Airbus minimaal 100 miljoen gaat kosten? Wat zijn de totale te verwachten kosten van de overstap inclusief uitfasering en verkoop van het huidige regeringstoestel?
Klopt het dat luchtvaartmaatschappijen als TUI en Corendon, die wel met de Boeing 737 blijven vliegen, aan alle eisen en regelgeving van de ILT en EASA voldoen? Zo ja, klopt het dat de keuze om ondanks de kosten met KLM te blijven vliegen is gemaakt vanwege vertrouwelijke «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen»?
Bent u bereid om alsnog met Corendon en TUI in gesprek te gaan, al dan niet in vertrouwelijke setting, om te onderzoeken wat er mogelijk is om aan deze aangescherpte eisen te voldoen in het geval dat een van deze luchtvaartmaatschappijen het vliegen met het huidige regeringstoestel zou overnemen van KLM? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de Kamer, al dan niet in vertrouwelijke setting, te informeren over de «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen» en wat dit betekent voor luchtvaartmaatschappijen die het uitvoeren van de vluchten van het regeringstoestel zouden willen aanbieden?
De afsluiting van de Houtribdijk voor zwaar vrachtverkeer |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u, naar aanleiding van het bericht «Gedeputeerde Jeroen Olthof over hoe sluiting dijk Enkhuizen/Lelystad de logistieke sector in Noord-Holland treft. «We moeten nu echt samen optrekken»», de gevolgen van de aangekondigde aslast- en gewichtsbeperking op de Houtribdijk voor ondernemers, vervoerders en de bereikbaarheid van Noord-Holland en Flevoland?1
Klopt het bericht van NH Nieuws dat al in 2019 bleek dat de Houtribbruggen in matige staat verkeerden, dat bij één brug sprake was van het einde van de levensduur en dat werd geadviseerd te onderzoeken of de bruggen het zwaardere verkeer nog konden dragen? Zo ja, welke afwegingen zijn naar aanleiding hiervan gemaakt over het onderhoud en de vervanging van de Houtribbruggen?2
Welke toename van het vrachtverkeer verwacht u op de A6 tussen Lelystad en Almere als gevolg van de afsluiting van de Houtribdijk voor zwaar vrachtverkeer?
Welke maatregelen gaat u nemen om de gevolgen van deze extra verkeersdruk voor de doorstroming en verkeersveiligheid op de A6 tussen Lelystad en Almere te beperken, mede gelet op het feit dat de voorziene verbreding van 2x2 naar 2x3 rijstroken tussen Almere-Oostvaarders en Lelystad sinds juni 2023 is gepauzeerd?
Welke toename van het vrachtverkeer verwacht u op de A7 als gevolg van de afsluiting van de Houtribdijk voor zwaar vrachtverkeer?
Welke lessen trekt u uit de eerdere antwoorden van de regering op vragen van het lid Krul over de verkeershinder als gevolg van de renovatie van de A7-brug bij Purmerend, waarin werd aangegeven dat Rijkswaterstaat samen met regionale partijen en het bedrijfsleven een bereikbaarheidsplan heeft opgesteld en waarbij een netwerkbrede impactanalyse is uitgevoerd?3
Gaat u ook voor de gevolgen van de afsluiting van de Houtribdijk voor zwaar vrachtverkeer een bereikbaarheidsplan en netwerkbrede impactanalyse maken? Zo ja, zou u daarbij in ieder geval de gevolgen voor de A6, de A7 en het onderliggende wegennet kunnen meenemen?
Hoe gaat u de provincies Noord-Holland en Flevoland, de betrokken gemeenten, veiligheidsregio’s en het bedrijfsleven betrekken bij een dergelijk bereikbaarheidsplan en een dergelijke netwerkbrede impactanalyse?
Welke maatregelen gaat u samen met de provincies Noord-Holland en Flevoland, de betrokken gemeenten en het bedrijfsleven nemen om gedurende de gewichtsbeperking de bereikbaarheid van de regio te waarborgen en de hinder voor inwoners en ondernemers te beperken?
Deelt u de opvatting dat de situatie bij de Houtribbruggen het belang onderstreept om onderhoud en vervanging van bestaande infrastructuur hoog te prioriteren, zodat bekende onderhoudsopgaven niet onnodig lang worden uitgesteld en het risico op gebruiksbeperkingen wordt verkleind?
Het artikel dat stelt dat de benzineprijs naar een recordhoogte is gestegen en richting de € 3,00 per liter gaat |
|
Hidde Heutink (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de benzineprijs met € 2,721 per liter naar een recordhoogte is gestegen en wat is uw reactie hierop?1
Bent u van plan de accijnzen per direct te verlagen om automobilisten te ontlasten? Zo nee, waarom kiest u ervoor de automobilisten de exorbitante prijsstijging van brandstof zelf te laten ophoesten?
Bij welke benzineprijs moet volgens u worden ingegrepen als de stijging van de adviesprijs voor benzine zich doorzet? Indien u daar geen specifiek antwoord op kan of wil geven, wilt u dan toelichten waarom?
Deelt u de opvatting dat brandstof voor miljoenen Nederlanders geen luxeproduct is, maar een noodzakelijke uitgave om bijvoorbeeld naar het werk, bij familie of bij (sociale) voorzieningen te komen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten hoe de adviesprijs van een liter benzine is opgebouwd en per uitsplitsing aangeven wat de regering kan doen om de kosten te drukken?
Hoe legt u aan automobilisten uit dat zij inmiddels recordbedragen aan de pomp moeten betalen, terwijl de regering, dat via de btw en accijns op brandstof, miljarden binnenhaalt maar dat geld liever aan zaken zoals ontwikkelingshulp uitgeeft?
Hoeveel euro ontvangt de Nederlandse overheid aan accijns en btw bij een liter benzine met een verkoopprijs van € 2,721 in totaal?
Bent u het eens met de stelling dat de huidige accijnsverlaging niet langer genoeg is en dat automobilisten meer compensatie verdienen dan ze nu krijgen? Zo ja, waarom blijven extra maatregelen dan uit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat de accijns per 1 januari 2027 in elk geval niet zullen worden verhoogd? Zo nee, waarom niet?
De afbouw van het toezicht op de Nederlandse taximarkt. |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel fte binnen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 daadwerkelijk beschikbaar was voor het toezicht en de handhaving op het taxivervoer, uitgesplitst naar weginspecties, bedrijfsinspecties en digitale inspecties, en welke capaciteit hiervoor in 2027 en 2028 is voorzien?
Klopt het dat de operationele capaciteit voor het toezicht op het taxivervoer de afgelopen jaren aanzienlijk is teruggebracht en dat verdere afbouw wordt overwogen of al is besloten? Zo ja, wie heeft hiertoe besloten, welke doelstellingen liggen hieraan ten grondslag en welke risicoanalyse is voorafgaand aan dit besluit uitgevoerd?
Bent u bereid de aan dit besluit ten grondslag liggende risicoanalyse met de Kamer te delen?
Bent u bekend met signalen vanuit bonafide taxiondernemers en andere partijen binnen de branche dat juist behoefte bestaat aan meer zichtbaar en effectief toezicht? Zo ja, hoe zijn deze signalen meegewogen en welke brancheorganisaties, ondernemers, toezichthouders, opsporingsdiensten en andere ketenpartners zijn voorafgaand aan de afbouw geraadpleegd?
Hoe verhoudt de afbouw van gespecialiseerd landelijk taxitoezicht zich tot de ambitie van het kabinet om te komen tot een slagvaardige overheid die effectief handhaaft en risico's voor burgers en samenleving beheerst?
Welke concrete handhavingsstrategie rechtvaardigt de conclusie dat verkeersveiligheid, passagiersveiligheid, eerlijke concurrentie en de aanpak van fraude en criminaliteit met aanzienlijk minder gespecialiseerde toezichtcapaciteit op minimaal hetzelfde niveau kunnen worden beschermd?
Welke concrete toezicht- en handhavingstaken vervallen of worden verminderd wanneer de fysieke aanwezigheid van gespecialiseerde ILT-inspecteurs verder wordt afgebouwd en welke instantie neemt deze taken over?
Kunt u per over te nemen taak aangeven welke organisatie beschikt over dezelfde wettelijke bevoegdheden, toegang tot relevante systemen, specialistische kennis en mogelijkheden om bestuursrechtelijk op te treden als de ILT? Hoe wordt een eventueel handhavingstekort opgevangen als geen andere instantie over een gelijkwaardig instrumentarium beschikt?
Welke gevolgen heeft de afbouw van de ILT-capaciteit voor gezamenlijke taxicontroles met politie, Koninklijke Marechaussee, gemeentelijke handhavers en de RDW, en hoeveel gezamenlijke controles hebben in 2023, 2024, 2025 en 2026 plaatsgevonden, hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld en tot hoeveel interventies hebben deze geleid?
Hoe wordt met hoofdzakelijk digitaal toezicht vastgesteld dat een chauffeur of onderneming doelbewust geen, onjuiste of gemanipuleerde gegevens registreert, zonder geldige chauffeurskaart rijdt, illegaal taxivervoer verricht of zich anderszins buiten het reguliere toezicht probeert te plaatsen?
Deelt u de opvatting dat informatiegestuurd toezicht alleen effectief kan zijn wanneer signalen uit data daadwerkelijk kunnen leiden tot fysieke controles en handhavend optreden? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij een verdere vermindering van fysieke controles effectief gehandhaafd op ondernemingen en chauffeurs die structureel de wettelijke arbeids- en rusttijden overtreden en hoe wordt voorkomen dat niet-naleving financieel aantrekkelijker wordt dan naleving?
Welke analyse is gemaakt van de gevolgen van verminderd toezicht op arbeids- en rusttijden voor vermoeidheid achter het stuur en daarmee voor de verkeers- en passagiersveiligheid?
Heeft u onderzocht wat een sterk verminderde pakkans doet met de nalevingsbereidheid binnen de taximarkt? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Welke gevolgen heeft de vermindering van fysiek taxitoezicht voor de bescherming van kwetsbare passagiers, waaronder kinderen, ouderen en personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, en hoe wordt gecontroleerd dat chauffeurs die deze passagiers vervoeren over de vereiste bevoegdheden en een geldige chauffeurskaart beschikken?
Welke gevolgen van de afbouw van fysiek toezicht voor de informatiepositie en aanpak van fraude, illegaal taxivervoer en ondermijnende criminaliteit zijn onderzocht? Welke organisaties nemen de signalerende en handhavende rol over wanneer de aanwezigheid van gespecialiseerde ILT-inspecteurs verder afneemt?
Beschikt de politie over dezelfde technische middelen, toegang tot toezichtsystemen, specialistische kennis en wettelijke bevoegdheden als de ILT om onder meer taxi-registraties uit te lezen, arbeids- en rusttijden te controleren, mogelijke manipulatie vast te stellen, relevante gegevens te raadplegen en naar aanleiding daarvan handhavend op te treden?
Hoe kan van de politie worden verwacht dat zij het wegvallen van gespecialiseerd ILT-toezicht opvangt indien zij niet over een gelijkwaardig instrumentarium beschikt, hoeveel extra politiecapaciteit zou hiervoor nodig zijn en wordt deze capaciteit daadwerkelijk beschikbaar gesteld?
Kunt u garanderen dat de afbouw van ILT-toezicht niet leidt tot minder controles, minder signalering van overtredingen en een lagere pakkans doordat de politie andere urgente taken voorrang moet geven?
Hoe rechtvaardigt u dat taxiondernemers wettelijk worden verplicht te investeren in de Centrale Database Taxivervoer (CDT) en daarvoor tijd en geld moeten besteden aan apparatuur, software en dienstverlening, terwijl tegelijkertijd het gespecialiseerde toezicht waarvoor deze gegevens worden verzameld wordt afgebouwd?
Welke publieke en private investeringen zijn inmiddels gedaan en nog voorzien voor de CDT, welke structurele kosten brengt dit voor taxiondernemers mee en welke concrete toezichtcapaciteit zal beschikbaar zijn om de aangeleverde gegevens daadwerkelijk te analyseren en waar nodig fysiek te handhaven?
Is al besloten om het toezicht op illegaal taxivervoer, doelgroepenvervoer of andere onderdelen van het taxitoezicht geheel of gedeeltelijk te verminderen, op te schorten of te beëindigen? Zo ja, per wanneer, door wie en op basis van welke risicoanalyse?
Welke structurele financiële besparing wordt met de afbouw van het taxitoezicht gerealiseerd en zijn daarbij ook de mogelijke maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid, fraude, illegaal taxivervoer, belasting- en premieontduiking, oneerlijke concurrentie en criminaliteit betrokken? Bent u bereid deze kosten-batenafweging met de Kamer te delen?
Welke vooraf vastgestelde en meetbare criteria gebruikt u om achteraf vast te stellen of de afbouw van het taxitoezicht verantwoord is geweest, wordt daarbij in ieder geval gekeken naar het aantal controles, geconstateerde overtredingen, illegaal taxivervoer, verkeersveiligheid, fraude, ondermijning en pakkans, en wanneer wordt deze evaluatie met de Kamer gedeeld?
Bent u bereid de verdere afbouw van het gespecialiseerde taxitoezicht te heroverwegen wanneer blijkt dat overtredingen, fraude, illegaal taxivervoer, verkeersonveiligheid of problemen met het gelijke speelveld toenemen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat vrachtverkeer als gevolg van de afsluitingen en beperkingen van onder meer de Merwedebrug, Papendrechtsebrug en Algerabrug verplicht wordt omgeleid over wegen waarop geheel of gedeeltelijk vrachtwagenheffing verschuldigd is?
Hoeveel infrastructurele objecten in Nederland zijn momenteel geheel afgesloten of beperkt toegankelijk voor vrachtverkeer, en voor hoeveel van deze objecten geldt een officiële omleidingsroute die geheel of gedeeltelijk over wegen loopt waarop vrachtwagenheffing verschuldigd is?
Acht u het redelijk dat vrachtverkeer eerst wordt geconfronteerd met afgesloten of beperkt toegankelijke infrastructuur, mede als gevolg van het feit dat de overheid jarenlang onvoldoende middelen heeft gereserveerd voor onderhoud, vervanging en renovatie, en vervolgens ook nog extra moet betalen voor de omweg die de overheid zelf oplegt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom vindt u het dan aanvaardbaar dat vervoerders opdraaien voor kosten die voortvloeien uit infrastructurele tekortkomingen waarop zij geen enkele invloed hebben?
Bent u bereid om officiële omleidingsroutes die noodzakelijk zijn vanwege afsluitingen of beperkingen van Rijksinfrastructuur tijdelijk uit te zonderen van de vrachtwagenheffing? Zo nee, waarom kiest u er bewust voor vervoerders voor een door de overheid veroorzaakte omweg te laten betalen?
Is bij het vaststellen van de omleidingsroutes überhaupt rekening gehouden met de vrachtwagenheffing en het financiële gevolg voor vrachtverkeer? Zo ja, wat waren daar de overwegingen van en wat heeft u doen besluiten hier niets aan te doen? Zo nee, bent u het dan met mij eens dat dat een flinke tekortkoming is?
Bent u het eens met de stelling dat de vrachtwagenheffing in dergelijke gevallen niets meer is dan een ordinaire extra rekening aan het adres van vrachtwagenchauffeurs als gevolg van een overheid die jarenlang de staat van de infrastructuur genegeerd heeft? Zo ja, waarom neemt u dan geen maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Wat bent u concreet van plan om te doen om de vrachtwagenchauffeurs op korte termijn én op lange termijn, veronderstellend dat er in de toekomst meer infrastructurele objecten zullen uitvallen, te ontzien dan wel te compenseren?
Kunt u naar verwachting aangeven hoeveel extra opbrengsten uit de vrachtwagenheffing worden gegenereerd doordat vrachtverkeer gebruik moet maken van officiële omleidingsroutes?
Hoeveel langdurige afsluitingen of beperkingen van Rijkswegen en kunstwerken worden de komende vijf jaar verwacht waarbij vrachtverkeer moet worden omgeleid?
Bent u bereid voortaan bij iedere langdurige afsluiting vooraf te beoordelen of vrachtvervoerders door de aangewezen omleidingsroute extra vrachtwagenheffing moeten betalen en de Kamer hierover te informeren?
Wat is uw reactie op het bericht «Verplichte rijhulpsystemen zitten ambulances in de weg: «Onnodige noodstop kan levensgevaarlijk zijn»»?1
Hoe reageert u op de kritiek op de verplichting van Advanced Driver Distraction Warning systemen voor ambulances?
Deelt u de analyse dat automatische rijhulpsystemen, die bijvoorbeeld automatisch remmen of bijsturen, ongeschikt zijn voor ambulances, omdat die in spoedgevallen juist vaak harder en op ongebruikelijke manieren moeten rijden? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat deze systemen niet in ambulances worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe moeten ambulances omgaan met dit soort systemen in drukke verkeerssituaties, zoals in binnensteden, waar al snel automatisch kan worden ingegrepen wanneer er bijvoorbeeld voetgangers in de buurt zijn?
Heeft u signalen ontvangen dat er vergelijkbare problemen spelen bij andere hulpdiensten, zoals de brandweer en de politie? Zo ja, hoe wordt er daarbij omgegaan met dit soort systemen? Zo nee, bent u bereid om na te gaan in hoeverre dit daar ook speelt?
Bent u bereid om u in te zetten voor uitzonderingen voor ambulances als het gaat om verplichtingen voor dit soort systemen?
Bent u bereid om in gesprek te treden met ambulancepersoneel over welke problemen zij ervaren met verplichte waarschuwings- en rijhulpsystemen?
Het artikel ‘Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes»1?
De Houtribdijk, de Merwedebrug en inmiddels meerdere andere plekken laten zien dat de staat van onze infrastructuur steeds verder verslechtert; beseft u dat het inmiddels vijf over twaalf is als het gaat om de staat van onze infrastructuur? Wanneer dringt tot u door dat hier sprake is van een serieus nationaal probleem?
Hoeveel bruggen en wegen moeten er nog worden afgesloten, hoeveel vrachtwagens moeten er nog uren omrijden en hoeveel economische schade moet er nog ontstaan voordat u daadwerkelijk in actie komt?
Erkent u dat de grootschalige achterstand in het onderhoud van bruggen en wegen onze economie uiteindelijk miljarden euro’s kan kosten, doordat vrachtverkeer moet omrijden, bedrijven slechter bereikbaar worden en transportkosten alsmaar blijven oplopen?
Waarom is er nog altijd geen concreet noodplan om de grootste onderhoudsachterstanden zo snel mogelijk weg te werken? Bent u bereid alsnog met een plan te komen en de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk duidelijkheid geven over hoe het kabinet deze onderhoudsachterstanden gaat aanpakken, voordat we opnieuw in het nieuws moeten lezen dat er nog meer cruciale routes worden afgesloten en onze economie verder in de problemen komt?
Het nieuwsbericht ‘Amsterdam-Rijnkanaal gaat ’s nachts dicht voor grote schepen’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amsterdam-Rijnkanaal gaat ’s nachts dicht voor grote schepen»?1
Wanneer was het bekend dat deze maatregel getroffen moest worden, en wanneer is het vervolgens gecommuniceerd met de sector?
Welke actie onderneemt Rijkswaterstaat voor het zo snel mogelijk opheffen van de nachtelijk stremming, en wanneer kan verwacht worden dat het Amsterdam-Rijnkanaal ook ’s nachts weer volledig toegankelijk is?
Welke schade gaat de binnenvaart ondervinden van de nachtelijke stremming? Kunt u dit uitsplitsen in het aantal gestremde schepen en de financiële kosten per nacht?
Welke andere oplossingen naast een nachtelijke stremming heeft Rijkswaterstaat onderzocht, en waarom zijn deze afgevallen?
Ziet u de sluiting als een incident of als deel van een structureel probleem voor de binnenvaart, gezien de eerdere sluiting van verkeerspost Schellingwoude?
Bent u bereid om een brede kosten-batenanalyse uit te voeren waarbij de kosten van de mogelijke oplossingen voor het capaciteitstekort bij Vessel Traffic Services (VTS) op korte termijn afgezet worden tegen de economische schade van nachtelijke stremmingen zoals deze?
Hoeveel nieuw personeel moet aangetrokken worden om dergelijke sluitingen volledig te kunnen voorkomen?
Wanneer was het bij Rijkswaterstaat duidelijk dat er sprake was van een ernstig personeelstekort?
Welke acties heeft Rijkswaterstaat ondernomen toen het duidelijk werd dat er sprake was van een ernstig personeelstekort, en is daarbij rekening gehouden met dat het opleiden van nieuw personeel twee jaar duurt?
Heeft Rijkswaterstaat onderzocht of er personeel was dat op dit moment een andere functie bekleedt, maar wel de relevante ervaring heeft, kon bijspringen om de tekorten bij de scheepsvaartbegeleiding te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de resultaten?
Heeft Rijkswaterstaat de mogelijkheden voor externe inhuur van personeel met de juiste ervaring onderzocht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de resultaten?
Heeft Rijkswaterstaat de mogelijkheden voor het tijdelijk terugkeren van welwillende gepensioneerde, oud VTS-medewerkers onderzocht? Zo nee waarom niet? Zo ja, wat waren de resultaten?
Worden VTS-medewerkers van Rijkswaterstaat breed genoeg opgeleid zodat zij bij meerdere functies kunnen inspringen, indien nodig? Zo nee, waarom niet?
De doorvaartbeperkingen op vaarwegen in den lande ten gevolge van personeelstekort bij Rijkswaterstaat |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen en de daarin genoemde nachtelijke doorvaartbeperkingen van 68 kilometer op het Amsterdam-Rijnkanaal, onderbezetting in de regio Dordrecht en eerder deze zomer in Zeeland?1
Deelt u de mening dat na de beperkingen rond de staat van de Nederlandse infrastructuur, en de negatieve gevolgen van de droogte van de zomer, deze nieuwe omstandigheid op het Amsterdam-Rijnkanaal (en in de Regio Dordrecht en eerder in Zeeland) voor de sector, verladers, de bouwsector, de (petrochemische) industrie een onwenselijk en hard gelag is en zeer negatief voor de Nederlandse economie en de modal shift?
Is de problematiek in Zeeland al verholpen?
Hoe kan het dat binnenvaartorganisaties en schippers – blijkens de artikelen – verrast zijn door deze maatregelen? Is er van tevoren gecommuniceerd en zo ja, wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?
Is Rijkswaterstaat zelf overvallen door het verloop van vaarwegbegeleiders of managers van kunstwerken? Of heeft zij te laat geacteerd?
Heeft Rijkswaterstaat de ontwikkeling van het personeelsbestand niet zien aankomen? Zo ja, hoe kan dat?
Indien Rijkswaterstaat dit wel heeft zien aankomen, wat is er gedaan om het bezettingsniveau te behouden? Welke maatregelen zijn getroffen? Kunt u een tijdlijn geven?
Ervaringen met tekorten zijn er eerder geweest: bijvoorbeeld enkele jaren geleden in Zeeland toen sluizen niet meer volgens de dienstregeling konden worden bediend; hebben de lessen daar doorgewerkt in het personeelsbeleid? Zo ja, hoe kan het dan toch gebeuren dat «de economie» overvallen wordt?
Wat is de reden voor het zodanige verloop dat belangrijke binnenvaartvaarwegen en -werken niet langer volgens dienstregeling kunnen worden bediend? Waarom kan Rijkswaterstaat het relevante personeel voor deze functies niet behouden?
Door het ontbreken van verkeersbegeleiding zijn schippers volgens Rijkswaterstaat meer aangewezen op hun eigen vakmanschap en navigatiemiddelen, waaronder radar, elektronische vaarkaarten en Trackpilot; waarom dan een totale afsluiting tussen bepaalde uren op het Amsterdam-Rijnkanaal? Is een nachtelijke afsluiting noodzakelijk? Zo ja, waarom aangezien men bij Dordrecht – zij het met extra voorzichtigheid – wel kan doorvaren?
In welke mate anticipeert het personeelsbeleid bij Rijkswaterstaat op dit soort verloop, want kennelijk was de personele bezetting volgens Rijkswaterstaat al krap?
Waarom is in de huidige arbeidsmarkt het moeilijk om voldoende gekwalificeerde medewerkers te vinden en te behouden? Zijn de arbeidsvoorwaarden marktconform en arbeidsomstandigheden in goede balans? Wat zijn de oorzaken voor het verloop?
Hoe ontwikkelt het ziekteverzuim en de achterliggende oorzaken zich voor het gerelateerde deel van het personeelsbestand van Rijkswaterstaat?
Waarom is een snelle oplossing volgens Rijkswaterstaat niet mogelijk? Zijn er geen externe insource-mogelijkheden?
Wat is het plan van aanpak van u en Rijkswaterstaat? Is er inmiddels zicht op een «haalbaar alternatief»?
Hoe lang zullen de beperkingen op de respectievelijke vaarwegen gelden?
Heeft u een beeld van de economische gevolgen voor bedrijven? Deelt u de mening dat dit geen normaal bedrijfsrisico is en dat het zeer onwenselijk zou zijn als de gevolgen worden afgewenteld op de binnenvaartondernemers? Welke rol ziet u voor zichzelf, het ministerie en Rijkswaterstaat voor de getroffen sectoren? Ook in financiële zin?
Hoe zullen de nachtelijke beperkingen gelden? Is daar zicht op? Zo nee, waarom niet?Worden andere trajecten of trajectdelen verwacht te worden getroffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden getroffen om dat te voorkomen?
Acht u Rijkswaterstaat «in control» ten aanzien van haar personeelsbeleid en verkeersbegeleidende taken? Graag een gemotiveerd antwoord waarom wel/niet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Maritiem van 30 september?
De hinder voor spoorvervoer ontstaan als gevolg van problemen rondom Barendrecht |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Goederenvervoer in de knel bij Barendrecht: locomotief raakte zijkant overkapping»?1
Hoe groot is de ontstane hinder voor spoorgoederenvervoerders als gevolg van de gebruiksbeperkende maatregelen? Kunt u dit uitdrukken in financiële kosten en vertragingen voor goederenvervoerders?
Klopt het dat door spoorverzakking de tunnelwand te dicht op het spoor is komen te liggen? Zo ja, hoe beoordeelt u de stelling van de spoorbeheerder dat er geen risico op ontsporing zou zijn geweest?
Klopt het dat deze verzakking pas aan het licht is gekomen na een melding van een vervoerder? Zo ja, hoe kan het dat dermate risicovolle gebreken aan het spoor niet eerder zijn gevonden bij controles en regulier onderhoud?
Hoelang gaat het duren, voordat het goederenvervoer weer volledig gebruik kan maken van het spoor bij Barendrecht?
Is hier sprake van een incident of geeft ProRail aan meer middelen nodig te hebben om zijn taken rondom onderhoud en veiligheid van het spoor volwaardig te kunnen uitvoeren?
Zijn er al eerder soortgelijke incidenten met de tunnelwand in Barendrecht geweest? Zo ja, welke?
Klopt het dat er twee weken zaten tussen het eerste incident met de tunnelwand op 31 juli 2026 en het instellen van gebruiksbeperkende maatregelen? Zo ja, waarom?
Gelet op het feit dat het eerste incident volgens ProRail plaatsvond, omdat er gebruik gemaakt werd van oudere locomotieven, voldeden deze aan de internationale standaarden? Zo ja, bent u het er dan mee eens dat het model locomotief geen rechtvaardiging kan zijn voor het raken van een tunnelwand?
Kunnen alle modellen locomotief die nu in gebruik zijn op het Nederlandse spoor nog veilig door de Barendrechtse tunnelbuizen?
Welke type locomotieven is betrokken geweest bij de incidenten rondom Barendrecht, en welke conclusie trekt u hieruit?
Heeft ProRail alle gebruiksbeperkende maatregelen afgestemd met vervoerders en materieeleigenaren?
Is de ILT betrokken geweest bij de afwikkeling van het incident en de gekozen gebruiksbeperkende maatregelen? Zo ja op welke wijze?
Welke indicatoren gebruiken ProRail en het ministerie om te monitoren of de doelen rondom beschikbaarheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de spoorinfra voor het spoorgoederenvervoer behaald worden?
Hoe en wanneer kiest het ministerie of ProRail ervoor om bij te sturen in het geval dat deze doelen niet behaald worden?
Gaan de spoorgoederenvervoerders gecompenseerd worden voor de oplopende kosten naar aanleiding van de maatregelen en het incident in Barendrecht? Zo ja, op welke wijze en in welke mate?
Wat zijn de gevolgen van de problematiek in Barendrecht voor de kritieke logistieke ketens met betrekking tot het spoorgoederenvervoer? Kan Nederland nog voldoen aan zijn Europese verplichtingen?
Deelt u de opvatting dat het Barendrechtse incident onderdeel is van een patroon waarbij het Nederlandse spoor en bij verlengde het spoorgoederenvervoer steeds minder betrouwbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat dergelijke incidenten grote afbreuk doen aan de concurrentiepositie van de Nederlandse spoorgoederenvervoerders? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze concurrentiepositie te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat de afbreuk aan betrouwbaarheid van spoorgoederenvervoer door dergelijke incidenten en de bijkomstige gebruiksbeperkende maatregelen het realiseren van een modal-shift binnen logistieke ketens in de weg zit? Zo ja, wat gaat u doen om de betrouwbaarheid van het spoor en daarmee de modal-shift te bevorderen?
Welke impact heeft het ontstane knelpunt Barendrecht op het optimaal benutten van de Betuweroute?