Gepubliceerd: 5 juni 2008
Indiener(s): Frank Heemskerk (staatssecretaris economische zaken) (PvdA)
Onderwerpen: bestuur economie gemeenten ondernemen organisatie en beleid ruimte en infrastructuur ruimtelijke ordening
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31430-5.html
ID: 31430-5

31 430
Tijdelijke regels voor experimenten met een gebiedsgerichte bestemmingsheffing ten behoeve van aanvullende activiteiten van samenwerkende ondernemers mede in het publiek belang (Experimentenwet BGV-zones)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 5 juni 2008

De vaste commissie voor Economische Zaken1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave Blz.

Inleiding 1

0. Algemeen 2

1. Hoofdlijnen wetsvoorstel 4

2. Probleemanalyse 5

4. Rechtvaardiging inzet van een gemeentelijke bestemmingsheffing 6

6. Opzet en doelstelling experiment 7

7. Proces, procedure en juridische vormgeving 7

12. Steunaspecten 9

13. Administratieve lasten, bedrijfseffecten en milieueffecten 9

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt ondernemers via de wet de mogelijkheid geboden het gebied rond bedrijven te onderhouden en op een goede manier in te richten. Genoemde leden on derschrijven de gedachtegang die aan de wet ten grondslag ligt.

Op veel bedrijvenlocaties in Nederland bestaat bij de daar gevestigde ondernemers behoefte aan een hogere kwaliteit van de bedrijfsomgeving. Om dit te realiseren ontbreekt vaak de duidelijkheid van verantwoordelijkheden, structurele financiering en een evenwichtige verdeling van de lasten.

Op initiatief van ondernemers en bij voldoende draagvlak moet de mogelijkheid bestaan een regeling te treffen ter verbetering van het omliggende gebied, waarbij alle betrokken ondernemingen worden verplicht een bijdrage te leveren. Op deze manier wordt «free rider»-gedrag voorkomen.

Voor de leden van de CDA-fractie is het van belang dat de overheid de faciliteiten biedt om deze initiatieven tot een succes te laten worden. Het BGV-instrument dient voor deze leden een duidelijke toegevoegde waarde te leveren aan het ondernemersklimaat en maatschappelijke kwesties als veiligheid en tegengaan van verloedering.

Ondanks deze positieve instelling ten aanzien van de voorliggende wet hebben deze leden toch een aantal vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van de Experimentenwet BGV-zones. De leden zijn van mening dat de zorg voor een veilige en leefbare leefomgeving in ieders belang is en daarom een gedeelde verantwoordelijkheid is van ondernemers en overheid. Indien gezamenlijke investeringen niet of moeizaam van de grond komen onderschrijven de leden van de SP-fractie de in de Experimentenwet BGV-zones voorgestelde gebiedsgerichte bestemmingsheffing.

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en hebben enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de experimentenwet BGV-zones. Hoewel deze leden de intentie achter dit wetsvoorstel kunnen onderschrijven, hebben deze leden nog enkele vragen over de praktische uitwerking.

0. Algemeen

De leden van de CDA-fractie achten het van groot belang dat BGV-zones worden ingesteld op initiatief van ondernemers zelf. Zij moeten van mening zijn dat een gemeenschappelijke actie noodzakelijk is om het gebied te verbeteren. Daarnaast achten genoemde leden het van groot belang dat er een duidelijk onderscheid is tussen de taken van de gemeente en die van de stichting of vereniging die verantwoordelijk is voor de BGV. Kan de regering aangeven waarom er niet voor is gekozen de afspraken over tussen de ondernemers aangesloten bij de BGV-zone en de gemeente over het serviceniveau verplicht vast te leggen in de uitvoeringsovereenkomst? Zou een dergelijke afspraak niet leiden tot een duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden? Graag een reactie.

De leden van de PvdA-fractie memoreren dat de activiteiten van een BGV-zone in aanvulling zijn op de diensten van de gemeente en worden uitgevoerd door een vereniging van ondernemers. De gemeenten kan tevens besluiten het voorzieningenniveau in het gebied te verhogen. Hoe wordt voorkomen dat er geen overlap plaatsvindt met bestaande activiteiten van de gemeente dan wel activiteiten die onder verantwoordelijkheid van de gemeente vallen? In welk stadium zou dit bij voorkeur moeten worden gecheckt, en door wie? Deze leden vinden het noodzakelijk dat helderheid komt over de afbakening van de activiteiten die onder een BGV-initiatief mogen vallen. Als er een geschil is over de (financiële) verantwoordelijkheid: wie of welke instantie geeft het eindoordeel?

Binnen BGV-zones vinden activiteiten plaats in het kader van het gezamenlijk belang en van het algemeen belang van ondernemers. Welke activiteiten behoren tot het gezamenlijk belang en welke tot het algemeen belang? De leden van de PvdA-fractie vragen of de ondernemers onderscheid maken tussen activiteiten in het kader van het gezamenlijk belang of in het kader van het algemeen belang?

Eén van de doelstellingen van instellen van BGV-zones is het terugdringen van criminaliteit. Wat is de stand van zaken bij de aanpak van (winkel-)criminaliteit? Welke toegevoegde waarde heeft het instellen van een BGV-zone op de bestaande convenanten en actieplannen om (winkel-)criminaliteit terug te dringen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

In een aantal krachtwijken is aangegeven dat men met BGV zou willen experimenteren. De leden van de PvdA-fractie vinden de BGV-zones een goede mogelijkheid om de wijken te upgraden en vragen extra aandacht voor dit punt. Welke wijken hebben zich aangemeld en waarom? Wat zijn de selectiecriteria om één of meer wijken te kiezen? Welke andere activiteiten staan in het kader van de veiligheid op stapel om de krachtwijken op een hoger plan te brengen? Wordt daar op dit moment proactief mee omgegaan?

De leden van de SP-fractie betreuren het dat er geen koppeling gemaakt is met de herstructureringsopgave van bestaande bedrijventerreinen. De leden vragen zich af waarom de opdracht aan de Commissie Noordanus (Taskforce (her)ontwikkeling bedrijventerreinen) niet betrokken is bij de Experimentenwet. In de tussenrapportage van 10 april jl. van genoemde commissie wordt gerefereerd aan bedrijfsgerichte gebiedsverbetering. Alhoewel genoemde commissie herstructurering en herprofilering als haar kerntaak opvat is zij van mening dat voor een facelift van bestaande terreinen bedrijfsgerichte gebiedsverbetering een nuttig en nieuw instrument kan zijn. De leden van de SP fractie achten het niet opportuun om op deze plaats inhoudelijk in te gaan op de tussenrapportage van de commissie Noordanus, maar zijn wel van mening dat een gebiedsgerichte bestemmingsheffing deel uit moet maken van de mix aan instrumenten om herstructurering te bevorderen. De leden van de SP fractie pleiten er voor om bij de monitoring naast de genoemde criteria ook criteria omtrent zorgvuldig ruimtegebruik op te nemen. Volgens de leden van de SP dient een afnemende druk op het buitengebied een meetbaar gevolg te zijn van investeringen in bestaand gebied.

De leden van de SP-fractie hebben er begrip voor dat er voor het welslagen van een BGV-zone sprake moet zijn van voldoende draagvlak bij de ondernemers. Het initiatief wordt genomen door de ondernemers uit een bepaald gebied. De leden van SP-fractie vragen zich af of dit niet leidt tot vrijblijvendheid. Graag zien de leden een onderbouwing van het in de memorie van toelichting genoemde verschil tussen verplicht lidmaatschap van een park- of centrummanagement en de verplichte bijdrage van alle ondernemers indien binnen een BGV-zone voldoende draagvlak bestaat. De leden van de SP-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom er voor bestaande bedrijventerreinen en winkelgebieden niet voor aansluiting met de woningmarkt is gekozen waar lidmaatschap van een vereniging van eigenaren een automatisme is en er sprake is van een verplichte onderhoudsreserve. Deelt de regering de mening van de leden van de SP-fractie dat het opheffen van de ongelijkheid met nieuwe bedrijventerreinen vanwege concurrentieachterstand, achteruitgang en verloedering, gediend is met verplichte collectieve investeringen in de bedrijfsomgeving? In dit verband vragen de leden van de SP fractie een nadere toelichting van de regering waarom het verplicht lidmaatschap van een beheersvereniging zoals dat momenteel wordt voorbereid door het Ministerie van Justitie in de praktijk vooral toepasbaar is voor nieuwe bedrijventerreinen en niet voor bestaande bedrijventerreinen en winkelgebieden.

De regering geeft aan dat er veel belangstelling is voor het oprichten van BGV-zones; er zijn immers 10 bedrijventerreinen in 60 gemeenten die interesse hebben om te experimenteren met een BGV-zone? De leden van de SGP-fractie vragen de regering aan te geven hoe het getal van 100 bedrijventerreinen is opgebouwd. Hoeveel industrieterreinen respectievelijk winkelcentra zitten daarbij? Is het zo dat industrieterreinen meer belang hebben bij een BGV-zone dan winkelcentra? Kunnen deze leden de conclusie trekken dat de bedrijven in de overige 383 gemeenten geen interesse hebben in een experiment met een BGV-zone? Zo ja, wat zijn daarvan de redenen?

1. Hoofdlijnen wetsvoorstel

De totaal benodigde financiële middelen zullen moeten worden toeberekend aan de bijdrageplichtige ondernemers in het gebied. Het gaat hierbij om de ondernemers die gebruik maken van de panden om hun bedrijf uit te oefenen. De eigenaren van de panden zijn niet verplicht een bijdrage te leveren voor zover ze niet tevens gebruiker zijn. Veel bedrijvenlocaties verloederen echter door leegstand van panden die voor bedrijfsvoering bestemd zijn. Dit heeft zijn weerslag op de leefbaarheid en veiligheid van de publieke ruimte in het betreffende gebied. In dat licht is het voor de leden van de CDA-fractie niet duidelijk waarom ervoor gekozen is de heffing slechts voor gebruikers en niet mede voor eigenaren te heffen. Graag een toelichting op dit gedeelte van het voorstel?

MKB-Nederland heeft aangegeven bezwaren te hebben tegen de oprichting van een vereniging als vertegenwoordiger van een BGV-zone, zo stellen de leden van de CDA-fractie. De vrees bestaat dat er concurrentie zal ontstaan met bestaande ondernemersverenigingen. Kan de regering aangeven in hoeverre die concurrentie wordt verwacht? Is de regering met deze leden van mening dat die concurrentie ongewenst is?

VNG staat op hoofdlijnen positief achter dit experiment. Zij vragen net als de leden van de CDA-fractie speciale aandacht voor de kostten die gemeenten moeten maken om een BGV in te stellen. Tevens vragen deze leden in dit verband aandacht voor de risico’s en mogelijke kosten van bezwaar- en beroepprocedures. In de memorie van toelichting is geen inzicht in de kosten voor gemeenten gegeven alsook geen inschatting van genoemde risico’s. Deze leden vragen op deze punten een reactie van de regering.

Desgewenst kunnen ondernemers en gemeenten in de uitvoeringsovereenkomst ook nadere afspraken maken over het niveau van dienstverlening door de gemeente gedurende de looptijd van de BGV-zone. De leden van de PvdA-fractie vragen wie hiervoor het initiatief neemt? Onder welke voorwaarden worden deze afspraken gemaakt? Zijn er bijvoorbeeld minimale eisen waaraan dergelijke afspraken moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?

De regering geeft aan dat er een innovatieve toepassing van een al bestaande «klassieke» gemeentelijke belasting ontstaat bij de uitvoering van de heffing van de BGV-bijdrage. Wat maakt precies dat er sprake is van een «innovatieve toepassing» van de al bestaande gemeentelijke belasting, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Is er geen strijdigheid met bestaande belastingwetgeving, zoals reclamebelasting en baatbelasting? Zo nee, waarom niet?

Een BGV-zone is gericht op het verrichten van aanvullende activiteiten ten opzichte van de diensten van gemeenten, en gericht op thema’s met een publiek belang zoals schoon, veilig, bereikbaar, leefbaar. Voorbeelden die worden genoemd zijn fysiek van aard. «Aantrekkelijk» of «levendig» wordt nauwelijks genoemd. De (inter)nationale stedenconcurrentie versterkt het belang van een veilige en aantrekkelijke bedrijvenlocatie voor de binnensteden. De gemeente beoordeelt echter of de activiteiten in voldoende mate het algemeen belang dienen. De leden van de PvdA-fractie vragen of dit het mogelijk maakt dat bij een lokaal initiatief ook BGV-activiteiten op het gebied van toonaangevende evenementen en citymarketing mogelijk worden? Zo nee, waarom niet? Een heldere afbakening van de activiteiten die onder de BGV-zone kunnen vallen lijkt de leden van de PvdA-fractie hoe dan ook noodzakelijk om onnodig overleg en discussie te voorkómen. Dit ook ter voorkoming van extra (hoge) kosten.

In het wetsvoorstel krijgt de gemeente tijdelijk de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen waarbinnen de nieuwe bestemmingsheffing, de BGV-bijdrage, kan worden geheven om bepaalde voorzieningen te realiseren. De leden van de SGP-fractie vragen in de eerste plaats of dit niet zorgt voor een ongelijke lastenverzwaring tussen winkeliers in een BGV-zone enerzijds, en winkeliers buiten de zone anderzijds. Kan hier mogelijk sprake zijn van oneerlijke concurrentie? In de tweede plaats vragen deze leden of deze heffing aansluit bij de behoeften van alle winkeliers in de te benoemen BGV-zone. Sommige – vaak grotere – winkeliers besteden al veel geld aan de voorzieningen waarvoor de BGV bijdrage wordt geheven. Denk bijvoorbeeld aan de beveiliging waarbij grote winkelketens vaak al eigen beveiligers in dienst hebben. Zulke winkeliers betalen dan dubbelop: én een BGV-bijdrage op basis van de grootte van de winkel, en de eigen faciliteiten. Kan de regering aangeven waarom er niet voor gekozen is om te werken met een opt-in, opt-out systeem, waarbij ondernemers op vrijwillige basis meedoen wanneer de vereniging of stichting een goed plan presenteert? Wat waren de argumenten voor het verplicht stellen van een BGV-bijdrage voor alle ondernemers?

In het wetsvoorstel lijken een aantal verantwoordelijkheden van de gemeente overgedragen te worden naar het gezamenlijke bedrijfsleven in een BGV-zone. De leden van de SGP-fractie begrijpen dat de gezamenlijke ondernemers wellicht meer kunnen bewerkstelligen dan een gemeente omdat zij beschikken over potentieel meer financiële middelen. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat gemeenten alle financiële verantwoordelijkheden die nu bij de gemeenten zelf liggen, in de toekomst bij het bedrijfsleven worden neergelegd. Klopt het dat gemeenten in het wetsvoorstel niet verplicht worden om ook bij te dragen aan de verbetering van het voorzieningenniveau?

2. Probleemanalyse

De ervaringen met het zogenoemde «Leidse model» zijn positief, zegt de regering. Het model heeft hoge opbrengstpotentie en lage perceptiekosten. Omdat het BGV-instrument andersom werkt in vergelijking met Leidse model vindt de regering het een beter instrument voor de beoogde doelen dan het Leidse model. De leden van de PvdA-fractie willen weten waarom het Leidse model, dat al enige tijd naar tevredenheid functioneert, niet landelijk wordt uitgerold? Is ook de oplossing die Middelbrug heeft gekozen om in een gebied reclamebelasting in te zetten voor verbeteringsdoeleinden overwogen? Is er, kortom, een analyse gemaakt waarin modellen en initiatieven (BGV, Leiden en Middelburg) met elkaar worden vergeleken op voor- en nadelen, kosten en baten? Zo nee, waarom niet? Kan de regering dit alsnog doen en vervolgens uiteenzetten waarom andere modellen niet voldoen en (dus) BGV-zones noodzakelijk zijn? Het uitgangspunt bij het inzetten van een instrument moet zijn, vinden de leden van de PvdA-fractie, dat de (schaarse) tijd en energie van de direct betrokkenen optimaal wordt ingezet.

De Experimentenwet BGV-zones richt zich niet tot eigenaren van panden die niet tevens gebruiker zijn. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de fysieke uitstraling van bouwwerken van grote invloed is op de kwaliteit en de beleving van de leefomgeving. Voorts zijn de leden van de SP fractie van mening dat de huurder van een bedrijfspand niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het inhalen van achterstallig onderhoud. Deze leden vragen de regering om, ondanks de in de memorie van toelichting genoemde argumenten en de vrijwillige bijdrage van vastgoedeigenaren, de mogelijkheid van het aansprakelijk stellen van de eigenaar van een bedrijfspand, indien er sprake is van negatieve gevolgen voor de leefomgeving als gevolg van achterstallig onderhoud, in de Experimentenwet BGV-zones op te nemen.

De regering noemt als bekendste voorbeeld van een ondernemersfonds het Leidse model, zo memoreren ook de leden van de VVD-fractie. In Leiden is de opslag op de OZB van bedrijfsmatig onroerend goed niet als zodanig herkenbaar; er wordt één (gesaldeerd) tarief berekend. Veel ondernemers weten niet eens dat zij een extra heffing betalen. Wat vindt de regering van deze «stiekeme» heffing? Zijn er voorschriften voor een BGV heffing, zoals verplichte aparte vermelding op de OZB aanslag of een aparte aanslag zodat niet sprake kan zijn van een stiekeme heffing zoals in Leiden?

De gemeenten die al een ondernemersfonds hebben zijn ook op ander terrein opvallend, stellen de leden van de VVD-fractie. Zij hebben allemaal een OZB tarief voor bedrijfspanden, dat ongeveer het dubbele is van het tarief voor woningen. Betekent dit niet dat het bedrijfsleven bovenop de «normale» gemeentelijke belasting zowel extra OZB betaalt als een gemeentelijke heffing voor het ondernemersfonds, dus populair gezegd het drievoudige betaalt?

4. Rechtvaardiging inzet van een gemeentelijke bestemmingsheffing

De regering concludeert dat «gelet op de problematiek de noodzaak van nieuwe regelgeving is gegeven». Dit is naar de mening van de leden van de PvdA-fractie een harde conclusie. Kan de regering deze conclusie helder onderbouwen, door het afwegingsproces weer te geven? Nieuwe regelgeving moet immers alleen gerealiseerd worden als alle andere opties niet mogelijk of wenselijk zijn gebleken.

Voorts, zo concludeert de regering, zijn minder ingrijpende varianten niet voorhanden. Is deze conclusie gerechtvaardigd? Is het Leidse model (dus) een ingrijpender variant? Waarom?

Het wetsvoorstel neemt een potentieel tamelijk ruime kring belastingplichtigen als uitgangspunt, te weten alle gebruikers van onroerende zaken die niet tot woning dienen in de zone. Met de Raad van State zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat ook de eigenaren bij de kring van belastingplichtigen zouden moeten worden betrokken. Het is immers ook in hun belang dat de bedrijfsomgeving wordt aangepakt, al was het alleen maar vanwege de waardestijging van het eigendom. Bovendien is contact met de onroerend goedeigenaren ook van belang voor de onderlinge (gebruikers, eigenaren en gemeente) uitwisseling van ideeën en aanpak van problemen. Wegen deze voordelen op tegen de nadelen, vragen de leden van de PvdA-fractie? Kan de regering nogmaals de afweging geven waarom de eigenaren niet bij de kring van belastingplichtigen worden betrokken?

Gemeenten hebben op dit moment al een aantal mogelijkheden om belasting te heffen bij bedrijven voor een specifiek doel. Sommige van deze belastingen hebben enige overlap met de doelen voor een BGV-zone. Denk bijvoorbeeld aan de reclamebelasting, die steeds meer gemeenten invoeren. Of denk aan de opslag die verschillende gemeenten heffen bovenop de OZB-heffing, en die worden ingezet voor activiteiten zoals Sinterklaas en feestverlichting. De leden van de SGP-fractie vragen of een aantal van deze heffingen afgeschaft of samengevoegd kunnen worden op het moment dat er een BGV-zone wordt ingericht.

6. Opzet en doelstelling experiment

6.1 Doelstelling

Het wetsvoorstel betreft een experiment. Na een aantal jaren experimenteren wordt besloten of een definitief wetsvoorstel gewenst is. Dat gebeurt aan de hand van een toetsing op criteria. De leden van de PvdA-fractie vragen of minimale waarden of scores voor de criteria vooraf worden vastgesteld? Zo nee, waarom niet?

De doelstelling van het experiment is helder beschreven echter de criteria waarop de evaluatie zal plaatsvinden hebben naar de mening van de leden van de CDA-fractie nogal een abstract karakter: evaluatie op criminaliteitscijfers, klanttevredenheid, tevredenheid van ondernemers, toets specifieke vormgevingsaspecten en evaluatie met betrekking tot de administratieve lasten. Deze leden zien graag voor de effectiviteit van de evaluatie kwantitatieve toetsbare criteria. Zij vragen de regering een reactie op dit punt.

7. Proces, procedure en juridische vormgeving

7.1.1 Initiatief

De instelling van een BGV-zone start met het initiatief van ondernemers in een bepaald gebied. De leden van de PvdA-fractie vragen of het beoogde gebied ook een minimale omvang heeft. Zo ja, hoe groot, of welk aantal ondernemers is minimaal nodig? Kan het aantal ook minder dan 20 zijn zoals in paragraaf 13.2 van de memorie van toelichting wordt vermeld?

7.1.2 Activiteiten

Er is sprake van aanvullende activiteiten mede in het algemeen belang, zo stellen de leden van de VVD-fractie. Deze leden hebben behoefte aan een goede definitie van algemeen belang in dit kader. Kan de regering daarbij aangeven welke zaken van algemeen belang niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoren en waarvoor toch een verplichte heffing kan worden opgelegd?

Er wordt voorts vermeld dat wordt gedacht aan activiteiten als het verbeteren van verkeersvoorzieningen, groenvoorziening, verlichting, schoonmaak, onderhoud, brandveiligheid, graffitiverwijdering, vergroten veiligheid door extra surveillance, hekwerken en camerabewaking. Kan de regering van ieder van deze activiteiten aangeven waarom deze niet tot het basisvoorzieningenniveau van de gemeente behoren? Kan de regering van al deze activiteiten een zelfde onderbouwing voor woonwijken geven en antwoord geven op de vraag waarom deze niet tot het basisniveau van de gemeentelijke voorzieningen behoren?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering van plan is in vergelijkbare situaties in woonwijken, waarbij er aanvullende activiteiten zijn ten behoeve van inwoners die mede in het algemeen belang zijn, daarvoor ook een extra bestemmingsheffing te introduceren en deze via het onroerend goed te verhalen?

Indien het antwoord ja is, wanneer kunnen wij het wetsvoorstel verwachten?

Bij een nee graag een toelichting waarom er verschillend wordt gehandeld in gelijke gevallen?

7.1.3 Afstemming dienstenniveau BVG-zone en gemeente

Om een succesvolle BGV-zone te bewerkstelligen hoort het dienstenniveau dat de gemeente bereid is te leveren te corresponderen met de (hoge) ambitie van de ondernemers. Dit is een loffelijk streven, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. In hoeverre is dit gestoeld op de praktijk? Wat gebeurt er als de ambitie van de ondernemers te hoog blijkt te zijn voor de gemeente? Gaat een lager ambitieniveau bij de gemeente niet ten koste van het draagvlak onder ondernemers en daarmee het gehele initiatief? Wat gebeurt er als een gemeente, om welke reden dan ook, tussentijdse wijzigingen aan moet brengen in het vooraf afgesproken niveau van dienstverlening? Is het dan niet verstandig wél te gaan voor een verplichting van de schriftelijk vastlegging van de afspraken omtrent het serviceniveau van de gemeente? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering niet het standpunt steunt van VNO-NCW en MKB-Nederland dat het serviceniveau van de gemeente wordt vastgelegd?

7.1.4 De begroting en belasting

Er kan gekozen worden voor een differentiatie van de BGV-bijdragen op basis van objectieve criteria, zo memoreren de leden van de PvdA-fractie. Wie stelt de criteria voor differentiatie en de wegingsfactoren op? Hoe wordt voorkómen dat een differentiatie aanleiding geeft tot vertraging door bezwaarschriften van bijdrageplichtigen over de hoogte van de bijdrage? Welke gevolgen heeft dit voor de administratieve lasten?

Kan de regering rekenvoorbeelden geven, vervolgen voornoemde leden, van de opbrengsten van de zone als het Leidse model wordt gehanteerd en als een BGV-zone wordt ingesteld, en vervolgens welke activiteiten daarmee kunnen worden bekostigd?

7.2.3 Draagvlakmeting en instelling (of niet)

Voor de instelling van een BGV-zone zal het draagvlak worden gemeten. De gemeente heeft hierbij de verantwoordelijkheid gekregen er voor te zorgen dat ondernemers de mogelijkheid krijgen zich uit te spreken. Zijn er afspraken gemaakt over hoe gemeenten dit moeten doen? Worden er richtlijnen gegeven voor de invulling van de draagvlakmeting? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het draagvlak bij ondernemers zeer groot dient te zijn. Hoe beoordeelt het Kabinet de succeskansen van het experiment als het vereiste draagvlak van bijdrageplichtige ondernemers wordt verhoogd tot 90%? Welke rol speelt de VNG bij de communicatie tussen gemeenten over de uitvoering van de BGV’s en de draagvlakmeting in het bijzonder?

In verband met de draagvlakmeting spreekt het wetsvoorstel van «bijdrageplichtige ondernemers». Elders in de memorie van toelichting is ook sprake van andere belanghebbenden in de beoogde zone, zoals sportclubs en bibliotheken. De leden van de PvdA-fractie vragen welke groep nu werkelijk wordt bedoeld als het gaat om het meten van het draagvlak? Geldt er een wegingsfactor voor de diverse groepen belanghebbenden? Zo ja, welke en waarom?

De draagvlakmeting wordt volledig door de gemeente georganiseerd. Het wetsvoorstel bevat nauwkeurige beschrijvingen van zaken als minimale respons en eisen voor een meerderheid. Maar een (gestandaardiseerde) onderzoeksopzet ontbreekt naar de mening van de leden van de PvdA-fractie. Is een protocol beschikbaar voor gemeenten om een dergelijk onderzoek uit te voeren? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt gegarandeerd dat het onderzoek kwalitatief goed wordt uitgevoerd en de uitkomsten betrouwbaar zijn? De gehele procedure vergt de nodige personele inzet bij de gemeente. Is een inschatting gemaakt van de uitvoeringskosten? Zo nee, kan de regering dat alsnog doen? Behoren de kosten van de draagvlakmeting tot de perceptiekosten?

De leden van de SP-fractie zijn kritisch over de gehanteerde instemmingprocedure. In artikel 5, eerste lid, wordt als derde voorwaarde voor voldoende steun genoemd dat de som van de Woz-waarden van onroerende zaken in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding, hoger moet zijn dan de som van de Woz-waarden in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding. Is hier niet sprake van rechtsongelijkheid tussen kleine ondernemers en grote ondernemers? Zou een systeem van «one man one vote» niet eerlijker zijn? Is het niet zo dat in de praktijk juist de «grote jongens» vaak de free-riders blijken te zijn? Graag een reactie van de regering op de stelling dat zij door dit vereiste, ondanks in minderheid, de zaak kunnen tegenhouden?

Er is sprake van voldoende steun als 2/3 deel van de helft instemt, dus 1/3 deel plus één van de betrokken ondernemers. De leden van de VVD-fractie vragen waarom niet is vereist dat meer dan 2/3, of tenminste meer dan de helft, van de betrokken ondernemers instemt?

12. Steunaspecten

Dit wetsvoorstel bepaalt dat de BGV heffing als subsidie aan betrokken vereniging of stichting wordt uitgekeerd. Het geven van aanvullende subsidies door individuele gemeenten is ook mogelijk. Het is staande praktijk dat subsidies getoetst worden op het aspect van staatssteun. Gezien het experimenteel karakter van de regeling die in de toekomst wellicht op bredere schaal zal worden gehanteerd vragen de leden van de CDA-fractie waarom deze regeling niet aan de Europese Commissie wordt voorgelegd. Iedere gemeente weet dan vooraf wat mogelijk is. Voor de evaluatie van dit experiment is dat ook een belangrijk punt.

Ook de leden van de VVD-fractie vragen waarom de experimentele regeling niet aan de Europese Commissie wordt voorgelegd in het kader van beoordeling staatssteun, zoals de Raad van State adviseert.

13. Administratieve lasten, bedrijfseffecten en milieueffecten

13.1 Administratieve lasten

De berekende administratieve lasten worden geschat op 2,19% van het totale subsidiebedrag. Een onderbouwing van de EUR 131 100,– ontbreekt. De leden van de CDA-fractie vragen een onderbouwing.

De totale administratieve lasten voor het wetsvoorstel bedragen volgens de regering € 131 100. Kan de regering een overzicht verschaffen van de lasten verdeeld naar de ondernemers en de gemeente? Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat een dergelijk bedrag aan de lage kant is. Bovendien zijn er nog divers andere kosten te benoemen. Heeft de regering een overzicht gemaakt van de uitvoeringskosten? Zijn de kosten van het uitvoeren van een draagvlaktoets specifiek ingecalculeerd? Daarnaast zetten velen zich belangeloos in om de zone tot stand te brengen. Vanzelfsprekend is vrije tijd lastig in geld uit te drukken, maar gederfde inkomsten behoren niet te worden vergeten. Zeker omdat niet alle ondernemers in de zone evenveel van hun tijd willen of kunnen geven om het initiatief van de grond te krijgen. De leden van de PvdA-fractie vragen zich of enige mate van compensatie mogelijk is?

13.2 Bedrijfseffecten

Het voorliggende voorstel gaat uit van circa 30 experimenten. Op lokaal niveau bestaat bij ondernemers en gemeenten veel interesse aldus de memorie van toelichting. Er zijn circa 100 bedrijvenlocaties in circa 60 gemeenten die interesse hebben getoond in de uitvoering van een experiment. De leden van de CDA-fractie vragen hoe deze getallen zich verhouden? Is de regering voornemens een maximaal aantal experimenten in te voeren? Voor een goede evaluatie is het van belang dat het experiment zoveel als mogelijk wordt verdeeld over verschillende bedrijvenlocaties qua karakter en/of omvang. Hoe worden de bedrijvenlocaties en gemeenten geselecteerd voor dit experiment? Graag een toelichting?

Gemeente en ondernemers moeten onderling afspraken maken over het serviceniveau van de gemeente. Als deze verplichting geldt, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, waarom wordt dan niet verplicht dat deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd? Een schriftelijke vastlegging voorkomt in de ogen van deze leden mogelijke verwarring over de gemaakte afspraken.

De gemiddelde BGV-bijdrage wordt geschat op € 500 per jaar, zo memoreren de leden van de PvdA-fractie. De totale nalevingskosten worden alleen voor het totale experiment gegeven. Kan de regering een overzicht geven van de nalevingskosten op ondernemingsniveau?

De leden van de SP-fractie vragen of er geen sprake is van rechtsongelijkheid bij de selectie van BGV-zones indien het aantal inschrijvingen het gestelde maximum overschreidt. Welke selectiecriteria gaan gemeentes hanteren wanneer de vraag naar BGV-zones groter blijkt dan het maximale aantal in te stellen zones? Deze leden zijn van mening dat de gelijke behandeling van alle ondernemers gegarandeerd moet worden.

Tevens vragen de leden van de SP-fractie of artikel 216 van de Gemeentewet van toepassing moet worden verklaard wanneer de gemeente een belastingverordening moet vaststellen. In hoeverre tast het niet aansluiten bij artikel 216 Gemeentewet de rechtszekerheid van de belastingplichtige aan?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het voorstel strookt met de beloofde lastenverlichting voor ondernemers? Hoe komt de regering tot de keuze van circa 30 experimenten? Waarom zoveel experimenten bij zo een onzeker avontuur?

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tichelaar

De adjunct-griffier van de commissie,

De Veth


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dijk (CDA), Duyvendak (GL), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Blom (PvdA), Van Gennip (CDA), De Rouwe (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boelhouwer (PvdA), Kalma (PvdA), Weekers (VVD), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Cramer (CU), Atsma (CDA), De Krom (VVD), Madlener (PVV), Nicolaï (VVD), Van Dam (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts (PvdA).