Het bericht ‘Consortium wil wettelijke bezorgtaak van PostNL overnemen’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van het FD dat verschillende partijen de wettelijke bezorgtaak van PostNL willen overnemen?1
Ik waardeer het initiatief van deze postvervoerders, Business Post en Spotta, (hierna «het beoogde consortium»), maar de komende periode staat in het teken van het politieke debat en keuzes over ingrijpende wijzigingen in de voorwaarden van de Universele Postdienst (UPD) en in de Postwet 2009.2 Daarmee verhoudt het zich niet goed om nu besluiten te nemen die de bestaande marktordening fundamenteel zouden veranderen. Een selectieprocedure en intrekking van de UPD-aanwijzing kunnen pas worden overwogen zodra de Kamer zich heeft uitgesproken over de voorgestelde maatregelen en keuzes heeft gemaakt over de toekomstige inrichting van de postmarkt. Pas dan kan worden beoordeeld hoe dit verzoek zich tot die keuzes verhoudt.
Ten overvloede merk ik op dat het beoogde consortium op korte termijn nog niet in staat is om landelijk alle onder de UPD gedefinieerde diensten te leveren. Zo dekt het beoogde consortium momenteel niet alle huishoudens en is er vooralsnog geen definitieve partner voor de pakketbezorging van de UPD. Het beoogde consortium suggereert dat het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD ook een mogelijke vorm van marktordening is maar beleidsmatig vind ik dat onwenselijk. Ik streef naar een systeem met eenvoud en efficiëntie in uitvoering en handhaving. Dat pleit ervoor om de UPD-dienstverlening bij één partij te beleggen. Dit schept tevens duidelijkheid over wie verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het naleven van de wettelijke verplichtingen, zoals bezorgnormen, landelijke dekking en tariefregulering.
Wel zie ik kansen voor verbetering van de huidige samenwerking tussen regionale vervoerders en de huidige UPD-verlener binnen de bestaande kaders, bijvoorbeeld in de vorm van onderaanneming. Dit vergt geen aanpassing van wet- en regelgeving en kunnen deze partijen nu al onderling oppakken.
Kunt u een tijdslijn geven van de gesprekken met PostNL over de bezorgplicht en wanneer Spotta en BusinessPost contact met het ministerie hebben gezocht?
Op 23 september jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met Business Post en het ministerie, waarin Business Post heeft aangegeven in een consortium samen met Spotta de UPD te willen uitvoeren. Tijdens dit gesprek heeft Business Post namens het beoogde consortium een verzoek ingediend om de aanwijzing van PostNL in te trekken en een selectieprocedure te starten, waarin het beoogde consortium kan meedingen.
Op 2 oktober jl. heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen PostNL en het ministerie, waarin de ontvangst van haar verzoek tot intrekking van de UPD is bevestigd.
Op 1 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en PostNL over haar verzoek en het verzoek van het beoogde consortium.
Op 9 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en beoogde consortium over hun verzoek.
Op 19 december jl. heb ik de verzoeken van PostNL en het beoogde consortium afgewezen. Het bezwaar van PostNL tegen de afwijzing van haar subsidieverzoek, het verzoek van PostNL om de UPD-aanwijzing in te trekken en het verzoek van het beoogde consortium om een nieuwe selectieprocedure te starten worden daarmee niet gehonoreerd.
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de postbezorging wanneer de Universele Postdienst (UPD) wordt opgeknipt in meerdere uitvoerders? Kunt u dit per risico – logistiek, kwaliteitscontrole, arbeidsmarkt, aansprakelijkheid – uiteenzetten?
De beantwoording van vraag 3 en 4 zijn samengenomen.
Zijn er juridische of logistieke belemmeringen voor meerdere partijen om gezamenlijk de UPD uit te voeren, bijvoorbeeld rond aansprakelijkheid, foutafhandeling, uniforme tarieven en landelijke dekking?
Ondanks de gevoerde gesprekken ben ik niet overtuigd van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de door het beoogde consortium gepresenteerde alternatieve postvisie.3 Het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD acht ik beleidsmatig onwenselijk. Een dergelijke inrichting leidt waarschijnlijk tot hogere maatschappelijke kosten, een zwaardere belasting voor toezichthouders en overheid en grotere complexiteit in borging van tarieven, kwaliteit en landelijke dekking. In een krimpende markt acht ik het bovendien niet haalbaar om meerdere (regionaal of landelijk) dekkende postnetwerken in stand te houden. Eén landelijk dekkend netwerk bevordert efficiëntie, continuïteit en betaalbaarheid, zoals ook blijkt uit ACM-onderzoek4 en mijn bredere beleidsvisie5 waarin post-, pakket- en andere bezorgnetwerken beter op elkaar aansluiten.
Wanneer meerdere partijen gezamenlijk in het beoogde consortium verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de UPD, ontstaan daarnaast onduidelijkheden rond aansprakelijkheid, kwaliteitsborging, klachtenafhandeling en logistieke afstemming. Onduidelijkheden hierover bemoeilijken effectief toezicht en kunnen ten koste gaan van consumenten, die gebaat zijn bij één duidelijk aanspreekpunt. De voorgestelde «neutrale regierol» roept vragen op over verdeling van verantwoordelijkheden. Ook zijn de effecten op de arbeidsmarkt onzeker: regionale aanbestedingen kunnen leiden tot verschuivingen in volumes en werkgelegenheid, met mogelijk gedwongen ontslagen, terwijl tegelijkertijd extra coördinatiecapaciteit nodig kan zijn. Deze onzekerheden onderstrepen de risico’s van een dergelijke marktinrichting.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, mochten deze gesprekken toch plaatsvinden, de werknemerspositie van zowel de huidige postbodes als de nieuwe werknemers hetzelfde blijven en waar mogelijk versterkt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige postbodes hun baan behouden ongeacht welk effect dit heeft voor PostNL?
Ik zet mij in voor realistische kaders voor de UPD, die uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit van de markt. Daarmee wil ik bijdragen aan het zoveel mogelijk duurzaam behouden van werkgelegenheid in de sector, met oog voor de realiteit van een krimpende postmarkt. De maatregelen die ik in het Postbesluit6 heb voorgesteld, en die momenteel ter voorhang aan uw Kamer zijn aangeboden, vormen daarbij een belangrijke stap.
Daarnaast dienen werkgevers zich daarbij te houden aan alle relevante wet- en regelgeving, waaronder bepalingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Vakbonden en werkgevers kunnen onderling afspraken maken over arbeidsvoorwaarden. De naleving van deze regels wordt bewaakt door de toezichthoudende instanties. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de arbeidswetten door werkgevers.
Hoe verantwoordt u concurrentie rondom de UPD als dat een belangrijk onderdeel is van de taken van het Rijk? Bent u bereid de concurrentie tegen te gaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het wenselijk dat op bepaalde delen van de postmarkt ruimte blijft voor concurrentie. Concurrentie kan bijdragen aan het borgen van publieke belangen door innovatie te stimuleren en marktpartijen te prikkelen om diensten betaalbaar en van hoge kwaliteit te leveren die aansluiten bij de behoeften van gebruikers. Ik zie er daarbij op toe dat de UPD toegankelijk blijft en voldoet aan de vastgestelde kwaliteitsnormen. Wanneer concurrentie risico’s oplevert voor het borgen van publieke belangen die samenhangen met de UPD, kan de overheid waar nodig ingrijpen via wet- en regelgeving.
Daarnaast verandert de postmarkt snel: het aantal brieven en kaarten neemt af, terwijl de kosten voor postbezorging stijgen. Dit maakt het steeds moeilijker om een haalbaar businessmodel te behouden. Een tweede landelijke postnetwerk is in een krimpende markt niet haalbaar, zo constateert ook de ACM in haar onderzoek.7 Ik streef daarom naar een transitie van een traditionele postmarkt naar een brede bezorgmarkt, waarin post via verschillende netwerken (zoals pakket- en foldernetwerken) kunnen worden bezorgd. Dit stimuleert concurrentie en innovatie, en maakt het mogelijk om efficiënter te werken in een krimpende markt en post toegankelijk te houden voor de gebruiker.
Hoe beschermt u de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een markt die alleen maar verder concurreert? Bent u bereid hier stappen in te ondernemen als blijkt dat werknemers de dupe zijn van de concurrentiestrijd?
Er bestaan in Nederland verschillende waarborgen om werknemers te beschermen, ook in markten waar concurrentie een rol speelt. Werkgevers dienen te voldoen aan de geldende arbeidswetgeving, waaronder regels over loon, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling. Daarnaast worden cao-afspraken tussen sociale partners breed toegepast in de sector. Zoals ook op vraag 5 is geantwoord, zien sociale partners toe op de naleving van cao’s en de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door de werkgevers.
Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met betere arbeidsvoorwaarden, met name als postbedrijven concurreren met andere sectoren om arbeidskrachten die passen bij het profiel van de postbezorger. Als er binnen dit segment van de arbeidsmarkt ook sprake is van krapte, heeft deze groep de mogelijkheid om elders beter betaalde of aantrekkelijkere banen te vinden, wat bedrijven in de postsector prikkelt om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren om personeel aan te trekken en te behouden.
Het ontwikkelen van verdere aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt acht ik niet noodzakelijk en bovendien onwenselijk. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Verdere sectorspecifieke regelgeving specifiek voor werknemers in de postmarkt is niet nodig ten opzichte van de reeds bestaande generieke bescherming. Die biedt een solide basis voor alle werknemers, ongeacht de sector waarin zij werkzaam zijn.
Deelt u de analyse dat de voortdurende problemen met PostNL – zoals verlieslatende uitvoering, druk op arbeidsvoorwaarden, teruglopende kwaliteit en het herhaaldelijk vragen om staatsteun – laten zien dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt mislukt is? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Nederland behoort al jaren tot de best presterende landen in de ranglijsten van de Wereldpostunie (Universal Postal Union) en wordt internationaal gezien als een voorbeeld van hoogwaardige en toegankelijke postdienstverlening tegen relatief lage kosten. Deze resultaten wijzen er niet op dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt is mislukt.
Dat neemt niet weg dat de markt substantieel veranderd is door de voortdurende en forse daling van het postvolume. Dit legt druk op de uitvoering van de UPD, de kostendekkendheid en de bedrijfsmodellen van marktpartijen, waaronder PostNL. Deze uitdagingen zijn echter primair het gevolg van structurele marktontwikkelingen, en niet van het principe van liberalisering zelf.
Het blijft daarom van belang dat het wettelijke kader tijdig wordt aangepast aan deze veranderende omstandigheden. Met de beoogde maatregelen die ik met de wijziging van het Postbesluit 2009 en de voorliggende wijziging van de Postwet 2009 voorstel, werk ik aan een toekomstbestendig stelsel dat ruimte biedt voor een duurzame uitvoering van de postdienstverlening.
Bent u het ermee eens dat essentiële en publieke diensten, zoals de postbezorging, geborgd moeten worden door te functioneren zonder winstoogmerk en concurrentie in plaats van afhankelijk te zijn van commerciële belangen die primair gericht zijn op winst in een krimpende markt?
Ik ben het ermee eens dat de postdienstverlening in Nederland moet worden geborgd. Dat gebeurt echter niet door de dienstverlening zonder winstoogmerk te organiseren, maar door duidelijke wet- en regelgeving en toezicht. Hierdoor blijven toegankelijkheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid gewaarborgd, ook in een krimpende markt.
Daarnaast heeft liberalisering van de postmarkt ook belangrijke voordelen opgeleverd. Concurrentie stimuleert efficiëntie, innovatie binnen de sector. Marktpartijen worden geprikkeld om hun dienstverlening te verbeteren, processen te optimaliseren en in te spelen op veranderende behoeften van consumenten en bedrijven. Dit heeft in het verleden geleid tot lagere kosten, snellere bezorging en een breder aanbod van post- en pakkettenservices. Een volledig publieke uitvoering zonder ruimte voor marktwerking zou het risico met zich meebrengen dat innovatie afneemt en de sector minder flexibel kan inspelen op technologische en economische ontwikkelingen. Door publieke belangen wettelijk te verankeren en marktwerking binnen duidelijke kaders toe te staan, ontstaat een evenwicht tussen maatschappelijke waarborgen en economische dynamiek. Op die manier blijft de postvoorziening toekomstbestendig, ook in een snel veranderende communicatiemarkt.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de UPD zou functioneren in publieke handen of als een niet-commerciële organisatievorm, bijvoorbeeld een publiek bedrijf, zodat continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden voorop staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, een andere vorm van marktordening is op dit moment niet aan de orde. Het publieke belang dat raakt aan post als communicatiemiddel neemt richting de toekomst af, aangezien steeds minder mensen hiervan gebruikmaken en communicatie in toenemende mate digitaal plaatsvindt. In een krimpende markt met een kleiner wordende relevantie voor het publiek belang is een dergelijke ingrijpende stelselwijziging niet passend.
De borging van de belangen rond de UPD, zoals continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden zijn bovendien al verankerd via het bestaande wettelijke kader en het toezicht daarop. Binnen dit stelsel kunnen eventuele knelpunten effectief worden aangepakt zonder dat een niet-commerciële of volledig publieke organisatievorm noodzakelijk is.
Deelt u de mening dat binnen scherpe marktomstandigheden, zoals op de postmarkt, concurrentie lage prijzen tot gevolg heeft die zullen worden ingelost op arbeid, zoals bijvoorbeeld CNV aangaf bij de intrede van Spotta op de postmarkt?2 Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de conclusie dat concurrentie per definitie leidt tot lagere arbeidsvoorwaarden. Concurrentie kan weliswaar druk zetten op kosten, maar in Nederland bestaan er meerdere robuuste borgingsmechanismes die werknemers beschermen, ook in markten met scherpe concurrentie. Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgevers moeten zich altijd houden aan de arbeidswetgeving en ook cao-afspraken tussen sociale partners zijn breed van toepassing. Hierop houden verschillende organisaties toezicht: de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door werkgevers, de sociale partners op cao-naleving.
Het is daarom niet noodzakelijk noch wenselijk om aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt in te voeren ter bescherming van de arbeidsvoorwaarden. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Daarnaast bieden bestaande horizontale regels en het bijbehorende toezicht een solide en generiek beschermingskader voor alle werknemers, ongeacht marktomstandigheden of de mate van concurrentie. Indien er desondanks signalen ontstaan dat werknemers daadwerkelijk worden benadeeld, kunnen deze binnen het huidige kader adequaat worden opgepakt, bijvoorbeeld via interventies van sociale partners of door handhavend optreden van toezichthouders.
Erkent u de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Raad voor de Rechtspraak dat de postbezorging miljoenen brieven te laat gaat bezorgen door het opheffen van de Postwet en zelfs in strijd is met Europese eisen en rechtsbescherming?3, 4 Zo ja, volgt u de adviezen van de ACM op? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het niet eens met dit geschetste beeld. De postdienstverlening blijft voor burgers toegankelijk en van voldoende kwaliteit. Tegelijkertijd neem ik de signalen en aanbevelingen van de ACM en de Raad voor de Rechtspraak serieus en onderhoud ik nauw contact om hier opvolging aan te geven. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Postbesluit 2009 ga ik nader in op deze punten, waarbij de standpunten van beide partijen worden meegenomen.
Onderschrijft u de negatieve ketteneffecten die het opheffen van de UPD zullen hebben op de betrouwbaarheid van de postbezorging? Zo ja, hoe vangt u deze op? Zo nee, waarom niet?
De effecten die het lid van Dijk omschrijft kan ik niet goed plaatsen. Ook is het opheffen van de UPD momenteel niet aan de orde.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie in het komende jaar een nieuw besluit zal nemen over de voorwaarden waaronder de 2GHz-radiofrequentie, ook wel bekend als het S-band spectrum, gebruikt mag worden?
Ja. Het gaat hier specifiek om de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz, die bij besluit van 14 februari 2007 op Europees niveau zijn geharmoniseerd voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten.1 Beschikking 626/2008/EG2 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 bepaalt dat de rechten voor 18 jaar worden verleend, gerekend vanaf het moment van het selectiebesluit. Het selectiebesluit is genomen op 13 mei 2009 en de Commissie werkt op dit moment aan de vervolgstappen.3
Bent u ervan op de hoogte dat de twee bedrijven1 die in 2007 voor 20 jaar de licenties van het spectrum in handen kregen inmiddels zijn overgekocht door Amerikaanse partijen?2 Wat vindt u ervan dat deze licenties voor satellietcommunicatie niet meer in Europese handen zijn?
Ja, ik ben op de hoogte van de genoemde overnames. Ik vind het van belang dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden. Ik zal richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen in een eventuele nieuwe beschikking, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Hoe reageert u op het gegeven dat het Amerikaanse SpaceX voor 17 miljard dollar aan communicatiefrequentie koopt bij EchoStar Corporation om particulier te gebruiken in het netwerk van Starlink?3 Is dit in lijn met uw visie op de vraag hoe de 2GHz-frequentie gebruikt zou moeten worden?
Het is nog onbekend of de Europese frequentierechten van EchoStar ten aanzien van de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz onderdeel uitmaken van de deal die EchoStar heeft gesloten met SpaceX. In algemene zin ben ik geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen. Zie hiertoe ook het antwoord onder 2.
Kunt u het vervolgproces toelichten over de vraag hoe de voorwaarden worden opgesteld waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst gebruikt mag worden? Op welke momenten vindt hierover besluitvorming plaats en wanneer worden er onomkeerbare besluiten genomen?
De Europese Commissie beschikt over de bevoegdheid om een voorstel te doen over voorwaarden van gebruik van de 2 GHz-banddelen die Europees geharmoniseerd zijn. De Europese Commissie wordt hierin bijgestaan door het Comité voor Communicatie («CoCom»), zoals vastgelegd in artikel 118 van de Telecomcode.7 Indien de commissie een voorstel doet voor aanpassing van de geldende besluiten is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing.8 Dit betekent dat een nieuw voorstel wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Europese Raad. De instemming van beide gremia is vereist voor de inwerkingtreding van een eventueel nieuw voorstel dat de huidige EU-besluiten met betrekking tot de 2 GHz-banddelen zou vervangen. De Europese Commissie heeft momenteel nog geen aankondiging gedaan ten aanzien van een nieuw voorstel.
Heeft de 2GHz-frequentie een strategisch belang, bijvoorbeeld voor defensieve of civiele doeleinden? Kunt u schetsen op welke manieren de frequentie in de komende 18 jaar gebruikt kan worden?
In februari 2024 heeft de Radio Spectrum Policy Group (hierna: «RSPG») de Europese Commissie geadviseerd over de toekomst van de 2 GHz-banddelen.9 De RSPG bestaat uit vertegenwoordigers uit alle lidstaten die de Europese Commissie adviseren over Europees spectrumbeleid. In dit advies zijn verschillende scenario’s gepresenteerd over op welke manier deze banddelen gebruikt zouden kunnen worden. De scenario’s zijn gebaseerd op input van Europese stakeholders, die tijdens de totstandkoming van het advies in de periode van 9 november 2023 tot 21 december 2023 zijn geconsulteerd.10 De gepresenteerde scenario’s zijn: 1. Geen nieuwe bandindeling, huidige situatie met twee vergunninghouders voortzetten; 2. Verschillende nieuwe bandindelingen voor meerdere satellietoperators of voor innovatieve toepassingen die minder bandbreedte dan satellietoperators nodig hebben. Per scenario is eveneens gekeken naar de mogelijke voordelen voor de Europese Unie. Met inachtneming van de bestemming zijn er verschillende toepassingen denkbaar zowel ten aanzien van commercieel- als overheidsgebruik van de frequentieruimte.
Is bij u bekend of door het directoraat-generaal Defensie en Ruimte (DEFIS) een behoefte is geformuleerd om de 2GHz-frequentie voor het IRIS2-netwerk te gebruiken? Zo ja, kunt u toelichten wat deze behoefte is?
Nee, er is geen formeel verzoek bij mij bekend.
Wat is uw visie op de ontwikkeling van een «direct-to-device» functie, waarmee communicatie tussen satellieten en doorsnee smartphones mogelijk wordt? Verwacht u dat dit een veelgebruikte toepassing gaat zijn voor consumenten of dat dit strategische toepassing voor defensie zal ondersteunen? Voor welk van deze doeleinden zal de 2GHz-frequentie in de toekomst worden ingezet?
Direct-to-device communicatie, ook wel D2D genoemd, kan in verschillende frequentiebanden verzorgd worden en niet alleen in de onderhavige specifieke banddelen van de 2 GHz (1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz). In juni 2025 heeft de RSPG de Europese Commissie geadviseerd over direct-to-device connectiviteit en de mogelijke varianten daarvan.11 Hierin is onder andere onderscheid gemaakt in direct-to-device in IMT banden (banden bestemd voor mobiele communicatie) en in MSS banden (banden bestemd voor satellietdiensten). Het kabinet onderschrijft de analyse in het RSPG advies. De verwachting is dat er binnen Nederland weinig vraag zal zijn naar D2D-diensten met betrekking tot IMT. Gelet op de uitstekende dekking die de mobiele operators bieden zijn er nagenoeg geen gebieden waar er geen goede mobiele netwerkdekking aanwezig is.
Deelt u de zorgen dat Deutsche Telekom, een (toekomstig) afnemer van de «direct-to-device» diensten van Starlink,4 belang heeft bij het verlenen van de 2GHz-frequentie aan een bedrijf dat zaken doet met SpaceX en tegelijkertijd betrokken is bij de besluitvorming van de Europese Commissie?
Het besluitvormingsproces ligt bij de Europese Commissie. Indien de commissie een nieuw voorstel doet is de gewone wetgevingsprocedure hierbij van toepassing, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4. Het besluitvormingsproces ligt niet bij private partijen. Deutsche Telekom is als zodanig niet betrokken bij de besluitvorming van de Europese Commissie.
Heeft u kennisgenomen van het adviesrapport van Detecon, een consultancybedrijf dat onder Deutsche Telekom valt, waarin de Europese Commissie wordt geadviseerd over de voorwaarden waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst verleend moet worden?5 Wat is uw reactie op dat rapport?
Ja. Het rapport maakt onderdeel uit van het besluitvormingsproces en dient als advies aan de Europese Commissie.
Hoe borgen de Europese Commissie en lidstaten de onafhankelijkheid van de adviezen die worden betrokken bij de besluitvorming over het (mogelijke) toekomstige gebruik van de licenties voor de 2GHz-frequentie?
Het gaat hierbij om een advies aan de Europese Commissie met betrekking tot het (Europese) regelgevende kader ten aanzien van het geharmoniseerde deel van de 2 GHz-frequentieband. Het rapport is onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie tot stand gekomen. In algemene zin wijst de Europese Commissie onafhankelijke experts aan voor de beoordeling van inschrijvingen indien er sprake is van een aanbestedingsprocedure.14 In dit specifieke geval heeft de Commissie een tender met voorwaarden uitgeschreven.15
Welke kaders gelden er voor de wijze waarop de Europese Commissie de licenties voor dit spectrum vaststelt? Aan welke voorwaarden moeten de licentiehouders (gaan) voldoen? Hoe wordt gewaarborgd dat deze licenties ten goede komen aan de Europese economie en autonomie?
De kaders voor het gebruik van dit spectrum zijn vastgelegd in beschikking 626/2008/EG, waarin ook is vastgelegd aan welke voorwaarden partijen moeten voldoen.16 Er is vooralsnog geen nieuw kader opgesteld door de Europese Commissie.
Het huidige kader omvat een vergelijkende selectieprocedure, waarbij aanvragers onder andere moeten aantonen dat hun mobiele satellietsysteem het vereiste technische en commerciële ontwikkelingsniveau heeft bereikt.
In de beschikking waarin is bepaald dat de 2 GHz-banddelen Europees geharmoniseerd worden voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten, is aangegeven welke doelen deze harmonisatie dient. Zo is hier onder andere in vermeld dat pan-Europese telecommunicatie een verbetering kan betekenen van de dienstverlening in plattelandsgebieden in de Europese Unie en zo de digitale kloof op geografisch niveau kunnen verkleinen. Ook is aangegeven dat de invoering van nieuwe MSS-systemen tevens een bijdrage zou kunnen leveren aan de ontwikkeling van de interne markt en de mededinging kunnen verbeteren door het aanbod en de beschikbaarheid van pan-Europese diensten en eind-tot-eindverbindingen uit te breiden en doelmatige investeringen aan te moedigen. Bij de weging in de vergelijkende selectieprocedure zijn de voordelen voor de consument en algemene belangen als veiligheid meegenomen.
Wat zijn de uitkomsten van de consultatieronde van de Commissie bij de belanghebbenden rond deze spectrumbanden?6 Welke belanghebbenden zijn er? Zijn er Nederlandse belanghebbenden en hoe worden hun belangen meegewogen in de besluitvorming?
Een samenvatting van de uitkomsten van de consultatieronde zijn op 10 november jl. gepubliceerd door de Europese Commissie: Summary report of the Targeted Consultation on Mobile Satellite Services | Shaping Europe’s digital future. Hierbij zijn ook de niet vertrouwelijke reacties op de consultatie gepubliceerd. Hier zit geen reactie van een Nederlandse belanghebbende bij. In aanvulling hierop is door mij aan de bekende Nederlandse belanghebbenden een uitvraag gedaan naar de behoefte om deze specifieke banddelen in gebruik te nemen. De uitkomsten van deze uitvraag zullen gebruikt worden ter bepaling van het Nederlandse standpunt richting de Europese Commissie.
Heeft Nederland een zienswijze over de voorwaarden waaronder de Europese Commissie voor de komende achttien jaar het gebruik van het 2GHz-frequentie moet aanbieden? Zo ja, kunt u die toelichten?
Het kabinet onderschrijft de adviezen over mogelijke scenario’s voor de 2 GHz-banddelen zoals deze zijn opgesteld door de RSPG. Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat toegang tot de 2GHz-frequentie niet aan de hoogste bieder moet worden verkocht, maar aan partijen die het maatschappelijk en strategische belang van de Europese Unie dienen?
De selectiecriteria in het huidige kader voor toegang tot de 2 GHz-banddelen zijn opgenomen in beschikking 626/2008/EG18, en betreffen een vergelijkende toets. Onderdelen van de weging zijn onder andere voordelen voor de consument en mededinging (met als subcriteria het aantal eindgebruikers en datum waarop de ononderbroken levering van commerciële diensten begint), spectrumefficiëntie (met als subcriteria de totale hoeveelheid van het vereiste spectrum en de geaggregeerde datastroomcapaciteit), pan-EU geografische dekking en de mate waarin overheidsbeleidsdoelstellingen worden bereikt (waaronder levering van diensten van algemeen belang die bijdragen tot de bescherming van de volksgezondheid, veiligheid of zekerheid van de burgers, integriteit en veiligheid van diensten). Een financieel bod is geen onderdeel van de vergelijkende selectieprocedure zoals in de beschikking is vastgelegd.
Bent u het ermee eens dat, gezien vanuit het perspectief van strategische autonomie en gezien de gespannen geopolitieke situatie, het van het grootste belang is dat de marktpartijen die toegang krijgen tot de 2GHz-frequentie volledig Europees zijn?
Ik ben het er mee eens dat Europese partijen toegang moeten krijgen tot dit spectrum. Het opleggen van een wholesale-verplichting zou dit kunnen bewerkstelligen. Zie hiertoe meer uitgebreid de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u het ermee eens dat het niet wenselijk is dat slechts één of enkele zeer grote telecomaanbieder(s) uit de grootste Europese landen toegang hebben tot dit spectrum ten koste van aanbieders uit kleinere landen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zie ook mijn overweging over het invoeren van een wholesaleverplichting, zoals uiteengezet onder vraag 2. Ten algemene is in de kabinetsappreciatie op het witboek digitale infrastructuur van de Europese Commissie aangegeven dat het kabinet zich altijd hard heeft gemaakt voor aanmoedigen en behouden van voldoende concurrentie op de Europese telecommarkten.19 Het kabinet beschouwt de bestaande verplichtingen voor dominante aanbieders om concurrenten toe te laten op hun netwerken als een belangrijk onderdeel van het telecomkader, mits hiermee de nationale veiligheid niet in het geding komt. Dit speelt een belangrijke rol om betaalbare en hoogwaardige dienstverlening te waarborgen voor Europese consumenten, bedrijven en publieke instellingen.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er rond de 2GHz-frequentie een volwaardige wholesalemarkt (groothandelsmarkt) ontstaat, waar ook telecomaanbieders uit kleinere Europese landen toegang tot hebben en hierop innovatieve diensten kunnen ontwikkelen?
Ja, zie hiertoe het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om aan te geven bij de Europese Commissie dat Nederland als voorwaarde stelt dat de 2GHz-frequentie alleen voor Europese partijen beschikbaar komt, en dat hierbij uitgesloten wordt dat bedrijven achteraf door niet-Europese partijen worden overgekocht?
Zoals vermeld in de antwoorden op vragen 2 en 3 ben ik in algemene zin geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen, en is mijn standpunt dat het van belang is dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden.
Ik zal vanuit het perspectief van het voorkomen van afhankelijkheden richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden, indien aanpassing van de onderliggende besluiten aan de orde is gericht op het aanwijzen van nieuwe partijen na 2027. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Is het mogelijk om in de voorwaarden die de Europese Commissie stelt op te nemen dat de partijen die de 2GHz-frequentie mogen gebruiken, worden verplicht om andere betrouwbare partijen wholesale toegang tot de frequentie te verlenen, zodat zij hier ook gebruik van kunnen maken?
Vooralsnog geldt het huidige kader, zoals omschreven in het antwoord op vraag 11. Afhankelijk van de voorstellen van de Europese Commissie, die op dit moment nog niet bekend zijn, zullen er mogelijkheden zijn om de voorwaarden aan te passen. In dat geval zal ik richting de Europese Commissie pleiten voor het opnemen van «wholesale-verplichtingen». Zie hiertoe ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u eveneens bereid om ervoor te pleiten dat de gegunde partijen op nationaal en internationaal niveau toegang moeten verlenen tot de 2GHz-frequentie aan andere betrouwbare partijen, zodat er geen risico ontstaat op een mono- of duopolie in heel Europa?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, nog vóórdat er onomkeerbare stappen worden gezet door de Europese Commissie?
Ja.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
De ingreep bij Nexperia en berichtgeving Bloomberg |
|
Vincent Verouden (NSC), Ilse Saris (CDA), Bram Kouwenhoven (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dutch ready to drop control of Nexperia if chip supply resumes»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke onderdelen van dit bericht correct zijn en welke niet?
Ik verwijs hiervoor naar de reeds openbaar gemaakte toelichtingen in de brieven aan uw Kamer van 14 oktober en 19 november jl. , alsook het debat van 4 december jl.
Deelt u de mening dat u op grond van artikel 68 van de Grondwet de Kamer onmiddellijk, volledig en uit eigen beweging dient te informeren over relevante ontwikkelingen?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk op de hoogte te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden. Daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat een conflict waardoor wereldwijd fabrieken stil kwamen te liggen relevant is en dat u de Kamer daarover uit eigener beweging en prompt had moeten informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat er de afgelopen weken in het Nexperia-dossier is gebeurd, over mogelijke onderhandelingen met China en over eventuele juridische stappen die zijn ondernomen?
Wij hebben de kamer geïnformeerd middels de brieven van 14 oktober, 19 november jl., de tijdslijn van 2 december jl.2 en het Kamerdebat van 4 december jl. Over relevante toekomstige ontwikkelingen zullen wij uw kamer informeren, indien noodzakelijk vertrouwelijk.
Welke juridische adviezen heeft u ontvangen vóór het besluit om bij Nexperia in te grijpen?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Het doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Kunt u deze adviezen allemaal openbaar maken, evenals de beslisnota over het besluit over de Wet beschikbaarheid goederen?
Vanwege het geclassificeerde karakter van dit dossier kan het kabinet deze adviezen niet openbaar maken. Dit vanwege het feit dat het hier vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft en openbaarmaking onwenselijk is.
Bent u van tevoren gewezen op de juridische risico’s voor de Staat? Zo ja, op welke wijze, en hoe schat u deze risico’s zelf in?
Het besluit is genomen op basis van een integrale afweging waarbij ook de mogelijke economische en juridische risico’s in ogenschouw zijn genomen. Bij deze afweging is ook meegenomen dat niet ingrijpen zou kunnen leiden tot weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productie- en onderzoekscapaciteit voor Europa. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Op welk moment en op welke wijze heeft u de Minister-President geïnformeerd over dit besluit?
Graag verwijs ik naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Op welk moment en op welke wijze heeft u het kabinet geïnformeerd over dit besluit?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven op basis van welke noodsituatie de Wet beschikbaarheid goederen in dit geval is ingeroepen, aangezien artikel 2 van deze wet luidt: «Ieder van Onze Ministers is, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten«?
De Wet beschikbaarheid goederen voorziet in de mogelijkheid om ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op een noodsituatie een bevel uit vaardigen. Een ernstige bedreiging van de Nederlandse economische veiligheid kan in voorkomend geval als noodsituatie worden aangemerkt. De wet schrijft niet voor dat er al uitzicht moet zijn op een concrete en specifiek geïdentificeerde noodsituatie, wel dat deze voorstelbaar is.
In het specifieke geval van Nexperia is er sprake van:
Op welk moment en op welke wijze is dit besluit besproken met leden van het campagneteam van de VVD?
Dit besluit is niet besproken met leden van het campagneteam van de VVD.
Kunt u alle documenten (onder documenten vallen ook app-verkeer, gespreksverslagen en persoonlijke aantekeningen) die betrekking hebben op de ingreep bij Nexperia – inclusief voorbereidingen, juridische adviezen en interne communicatie binnen de overheid – openbaar maken onder artikel 68 van de Grondwet?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Kunt u een chronologisch feitenrelaas overleggen van de besluitvorming die heeft geleid tot de toepassing van de Wet beschikbaarheid goederen bij Nexperia, inclusief data van interne adviezen, overleggen en besluiten?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke juridische adviezen (intern of extern) zijn ingewonnen voorafgaand aan het besluit van 30 september 2025, en welke scenario’s zijn daarin overwogen?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar het kabinet heeft gekeken naar een geschikt alternatief. Hierbij werd al gauw duidelijk dat de inzet van de Wbg de enige maatregel was die daadwerkelijk de leveringszekerheid voor Nederland en Europa direct kon veiligstellen door de productiemiddelen van het bedrijf te beschermen. Het kabinet wil de Wbg alleen inzetten wanneer andere instrumenten onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen – waaronder de leveringszekerheid van cruciale chips – te beschermen.
Op welk moment is de uitspraak van de Ondernemingskamer (betreffende de schorsing van CEO Zhang) bekendgemaakt aan het ministerie, en welke rol speelde die uitspraak in de timing van het ministerieel besluit?
De datum van de eerste uitspraak van de Ondernemingskamer waarbij de CEO werd geschorst, was op 1 oktober 2025. Dat is na de datum van het bevel dat op 30 september is vastgesteld en aan de onderneming is verstrekt. Vervolgens is bij de uitspraken van 7 en 8 oktober de schorsing van de CEO gehandhaafd. Op dezelfde dag dat de Ondernemingskamer de uitspraken deed, is het ministerie zoals gebruikelijk via het kantoor van de landsadvocaat over de uitspraken geïnformeerd.
Kan de Minister een overzicht geven van de betrokken departementen (zoals Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie en Veiligheid) en aangeven welk departement welke bijdrage heeft geleverd aan de risico-analyse of beslisnota’s?
Graag verwijs ik uw Kamer naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Heeft de ministerraad als geheel hierover beraadslaagd of ingestemd, en zo ja: op welke datum?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden omdat er een geheimhoudingsplicht bestaat ten aanzien van hetgeen in de minsterraad besproken wordt of geschiedt. Dit is conform artikel 26 van het Reglement van orde voor de minsterraad. Wel kan ik aangeven dat dit dossier regelmatig aan de orde is geweest in het kabinet.
Kunt u toelichten waarom er, gezien het demissionaire karakter van het kabinet en het feit dat het besluit midden in de verkiezingscampagne viel, niet voor is gekozen om de fractievoorzitters van de belangrijkste partijen hierbij te betrekken?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Er was sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren. Zodra de ontwikkelingen dat toelieten is uw Kamer geïnformeerd.
Zoals ik ook in het debat van 4 december jl. heb aangegeven, is het gebruikelijk dat over dit soort bedrijfscasussen niet wordt gecommuniceerd. Ik heb met zeer veel bedrijfscasussen te maken. Deze blijven allemaal vertrouwelijk, in het belang van het bedrijf zelf en in het belang van de Nederlandse economie. Dat was ook bij deze casus de intentie.
Acht u de informatievoorziening aan de Kamer en aan de fracties in de Kamer in dat stadium volledig en tijdig?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het Kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk geïnformeerd te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden; daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Kunt u alle relevante interne memo’s, notities en e-mailwisselingen tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Ministerie van Algemene Zaken openbaar maken waarin de besluitvorming over Nexperia wordt besproken (al dan niet vertrouwelijk)?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Wanneer zijn de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk formeel van het besluit op de hoogte gebracht door de Nederlandse regering?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is de gebruikelijke handelwijze in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het VK, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken.
Een volledig overzicht van de tijdslijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, heb ik op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Op welke momenten en via welke kanalen is voorafgaand aan het besluit overleg gevoerd met Europese partners, met name de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk?
Zie antwoord vraag 22.
Klopt het beeld dat Europese partners door de late informatievoorziening zijn overvallen door het besluit?
Zie antwoord vraag 22.
Wanneer en met welke vertegenwoordigers van de Chinese regering of het Chinese bedrijfsleven heeft u sinds het besluit over Nexperia ontmoetingen gehad?
Zie antwoord vraag 22.
Heeft de Europese Commissie, in het bijzonder commissaris Šefčovič (Handel en Economische Veiligheid, Interinstitutionele Betrekkingen en Transparantie), namens Nederland gesprekken gevoerd met China, en was Nederland bij die gesprekken aanwezig?
Er is intensief contact met de Europese Commissie, ook over de gesprekken die Nederland en de Europese Commissie voeren met de Chinese autoriteiten. Op de inhoud en precieze deelnemers aan deze gesprekken kan vanwege de vertrouwelijkheid niet ingegaan worden.
Kunt u aangeven welke analyse van de economische gevolgen is uitgevoerd voorafgaand aan het besluit om bij Nexperia in te grijpen, met name ten aanzien van de leveringszekerheid in de Europese halfgeleiderketen?
Als ik niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de «»front end»») is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid («front end» in Europa en «back end» in Azië) is niet bezwaarlijk voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in volledige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil ik voorkomen.
Op welk moment zijn de klanten en zakelijke partners van Nexperia (zoals autofabrikanten, elektronicabedrijven en chipproducenten) geïnformeerd over de schorsing van de CEO en de overheidsmaatregel, en door wie – het bedrijf zelf of de overheid?
Communicatie met de klanten van Nexperia werd en wordt gedaan door Nexperia zelf.
Is er bij het besluit geanticipeerd op mogelijke verstoringen in de aanvoer of productiecapaciteit van Nexperia, met name vanuit de fabrieken in China, en welke mitigerende maatregelen zijn voorbereid of besproken met Europese partners?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar ik heb gekeken naar een geschikt alternatief voor de Wbg. Hierbij is ook nagedacht over de mogelijke gevolgen de kans dat deze zich mogelijk zouden materialiseren. Mede vanwege bedrijfsgegevens is het niet mogelijk hier verder over uit te weiden.
Bent u bekend met signalen dat Nexperia China klanten van Nexperia Nederland of haar Europese dochterondernemingen onder druk zet om contracten te heronderhandelen of rechtstreeks met het Chinese moederbedrijf zaken te doen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoe beoordeelt u het risico dat betalingen of nieuwe contracten voortaan in Chinese renminbi (RMB) of onder Chinese rechtsmacht worden afgewikkeld, en welke gevolgen heeft dit voor leveringszekerheid en toezicht in Nederland en in de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u, gezien de bilaterale escalatie van het conflict, rekening met de mogelijkheid dat Nexperia zijn Nederlandse activiteiten (deels of geheel) afbouwt of verplaatst, en wat zou daarvan de economische en technologische impact zijn voor Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u rekening met mogelijke bilaterale economische tegenmaatregelen van China, bijvoorbeeld tegen Nederlandse bedrijven of investeringen in China, die de handelsrelatie verder onder druk kunnen zetten?
Het is niet in het Nederlandse belang om publiekelijk te speculeren over tegenmaatregelen van welke aard dan ook.
Wat heeft u gedaan gekregen van de Chinese autoriteiten om te voorkomen dat de risico’s die u initieel zag (en op basis waarvan u heeft ingegrepen) zich niet alsnog zullen voordoen in de toekomst?
Met de Chinese autoriteiten vinden constructieve gesprekken plaats om tot een oplossing te komen voor de verstoring van de waardeketen; dit is in het belang van de industrie in China, Europa, de VS en elders. Over de inhoud van deze gesprekken kan ik vanwege de vertrouwelijkheid geen uitspraken doen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Vanwege de hoeveelheid en complexiteit van vragen, waarbij afstemming nodig was met meerdere stakeholders was het helaas niet mogelijk de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het artikel 'Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: microbedrijven lopen op cashmuur af' |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: Microbedrijven lopen op cashmuur af» in het Financiële Dagblad van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de financiële positie van micro- en kleine mkb-bedrijven (tot € 2 miljoen omzet) snel verslechtert, ondanks omzetgroei?1
Herkent u het geschetste beeld dat deze bedrijven steeds minder rendement halen en nauwelijks nog financiële buffers hebben?
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek dat veel ondernemers hun coronasteun en andere leningen hebben moeten gebruiken om kosten te dekken in plaats van te investeren?
Welke lessen trekt u hieruit voor de opzet en de inzet van toekomstige steun- of stimuleringsregelingen?
In hoeverre deelt u de zorgen dat microbedrijven als «kanarie in de kolenmijn» bij een kleine tegenvaller al in grote problemen komen, mede doordat marges onder druk staan en vaste lasten en rentes stijgen?
Ziet u aanleiding voor aanvullend beleid om deze bedrijven weerbaarder te maken?
Hoe kijkt u aan tegen de verslechterende toegang tot financiering voor met name micro-ondernemingen?
Welke concrete stappen neemt u om de toegang tot krediet, inclusief non-bancaire financieringsvormen, te verbeteren?
In hoeverre herkent u het belang van goed betalingsgedrag in de keten als essentieel instrument om de liquiditeitspositie van kleine ondernemers te verbeteren? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit te bevorderen, bijvoorbeeld via strengere handhaving van betaaltermijnen?
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
Het bericht dat de Chinese overheid de namen van enkele medewerkers van inlichtingendiensten AIVD en MIVD heeft gepubliceerd |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe escalatie in Nexperia-vete: China publiceert namen Nederlandse spionnen» van 9 december jl. in de Volkskrant?1
Kunt u bevestigen dat er namen van AIVD- en MIVD-medewerkers bekend zijn gemaakt op een Chinese nieuwswebsite in Hongarije?
Onderschrijft u het feit dat deze actie vanuit China het gevolg is van uw handelen op het Nexperia-dossier?
Onderschrijft u het feit dat het opschorten van de maatregelen jegens Nexperia als «blijk van goede wil» tegenover China dus mogelijk niet genoeg is geweest om de situatie te de-escaleren?
Heeft u, diplomatiek of anderszins, gereageerd op deze Chinese provocatie?
Heeft u al zicht op een reis naar China om de diplomatieke banden te herstellen? Zo ja, wanneer gaat deze reis plaatsvinden en wat zal uw inzet zijn? Zo niet, waarom niet?
Hoe wapent u zich tegen mogelijke verdere vijandige acties vanuit China?
Wat doet u om hybride dreigingen zoals deze tegen te gaan?
Heeft u het idee dat het kabinet voldoende is geëquipeerd om te reageren op dit soort dreigingen waarbij diplomatieke, economische en militaire acties in elkaar overlopen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo niet, wat is er aanvullend nodig?
Het bericht dat APG meer dan 1000 banen schrapt voornamelijk in Heerlen. |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Massaontslag APG harde klap voor personeel en regio» van L1 Nieuws d.d. 10 december 2025?1
Welke gevolgen, gezien het bredere patroon van grote ontslagen in Zuid-Limburg zoals eerder bij Nedcar en op Chemelot, ziet u voor de werkgelegenheid en economie in Zuid-Limburg?
Kunt u een inschatting geven in welke mate dergelijke ontslagen druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg opleveren? Kunt u daarbij ook ingaan op de druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg in vergelijking tot andere arbeidsmarktregio’s?
Is er naar uw oordeel de arbeidsmarktregio Zuid-Limburg voldoende uitgerust om te ondersteunen van werk naar werk? En welke extra druk brengen de eerdergenoemde grootschalige ontslagen daarbij mee?
Kunt u aangeven welke impact het verdwijnen van dit soort banen op de sociaaleconomische ontwikkeling? En daarbij ook ingaan op het mogelijke «braindrain» effect?
Welke bredere economische kansen ziet het kabinet in Zuid-Limburg om deze ontwikkelingen te keren?
Bent u bereid een monitor te maken van de ontwikkeling van de sociaaleconomische status in Zuid-Limburg over de afgelopen 20 jaar?
Bent u van mening dat het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid in Limburg meer aandacht verdient? Indien ja, hoe gaat u dat concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
De uitvoering van motie Ceder 19637, nr. 3488 |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) die een verkenning verzoekt van een aanpassing van het Vreemdelingenbesluit zodat een ambtshalve toets op artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij minderjarigen verplicht wordt en daarin de belangen van het kind waaronder geworteldheid in de Nederlandse samenleving expliciet worden gewogen; tevens een verkenning verzoekt hoe een uitwerking van deze ambtshalve toetsing in de vreemdelingencirculaire en de werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet worden uitgewerkt, waarin wordt uitgewerkt wat artikel 8 EVRM voor minderjarige kinderen betekent op een wijze dat een aanzuigende werking voorkomen wordt, en een juridische uitwerking vraagt van een wijze waarop het perspectief van een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving ook een overweging van toekenning kan zijn?
Op welke manier voert u deze motie uit? Welke stappen gaat u zetten om deze verkenningen te realiseren? Worden gemeenten, onderwijs- en werkgeversorganisaties hierbij betrokken? Op welke termijn kan de Kamer over uw bevindingen worden geïnformeerd?
Erkent u dat er ongedocumenteerde kinderen met en zonder asielverleden zijn die Nederlands spreken, goed opgeleid zijn en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven? Klopt het dat dit momenteel nog geen zwaarwegend belang wordt toegekend? Klopt het tevens dat een potentieel positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving nog niet wordt meegewogen?
Erkent u dat het veel minder moeite en inspanning van toekomstige werkgevers en de samenleving vraagt als deze kinderen in Nederland uiteindelijk gaan werken dan als er migranten met een werkvisum tijdelijk de Nederlandse arbeidsmarkt op komen, zonder verplichtingen tot integratie en participatie?
Wat vindt u in het licht van toenemende arbeidstekorten in cruciale sectoren ervan dat er ongedocumenteerde jongeren/jong-volwassenen niet eenvoudig een verblijfsvergunning kunnen krijgen terwijl zij klaar staan om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt de toets aan het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures momenteel vormgegeven? Wat vindt ervan om deze toets verplicht te maken, bijvoorbeeld voor alle minderjarigen en/of als er een bepaald substantieel deel van het leven in Nederland is doorgebracht?
Neemt u in de verzochte verdere uitwerking mee welke rechten een kind heeft op basis van artikel 8 EVRM, waarbij de individuele belangen van het kind worden betrokken en aan welke inkadering denkt u?
Kunt u bevestigen dat er nu geen expertise bij de IND aanwezig is om de toets aan het belang van het kind uit te voeren? Krijgen vreemdelingen op die manier voldoende rechtsbescherming? Zijn er plannen om expertise aan de IND toe te voegen?
Het FD-bericht 'Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FD-artikel «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis»1
Wat is volgens u het verband tussen onvoorziene klimaatschade en de stabiliteit van de financiële sector in Europa, zowel nu als in de toekomst?
Deelt u de conclusie uit het FD-artikel dat klimaatverandering op de lange termijn een groot risico vormt voor de stabiliteit van de financiële sector? Zo ja, welke mogelijke risico’s voorziet u? Kunt u hierop een toelichting geven?
Bent u van mening dat deze risico’s extra klimaatactie vereisen vanuit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties onderneemt u momenteel en welke acties bent u bereid te nemen in de toekomst?
Op welke manier beïnvloedt de invloed van klimaatschade op de stabiliteit van de financiële sector uw inzet tijdens de Klimaatconferentie van Belém 2025 (COP30)?
Op welke manier wordt momenteel het risico voor de Nederlandse economie van toekomstige klimaatschade accuraat meegewogen in kabinetsbesluiten? Bent u bereid aanvullende acties te ondernemen om deze factor beter mee te wegen? Waarom wel of niet?
Worden de premies van verzekeringsmaatschappijen ook in Nederland al verhoogd als gevolg van klimaatgebeurtenissen zoals beschreven in het artikel? Zo ja, kunt u hiervan data verschaffen?
In hoeverre zijn Europese verzekeraars, net zoals Amerikaanse verzekeraars, blootgesteld aan het risico van hogere verzekeringspremies enerzijds en dalende vastgoedwaarde anderzijds?
Is Nederland bereid bij te dragen aan de vergroening van de elektriciteitsproductie van opkomende economieën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Mobiel bereik in de grensstreek |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) over het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Acht u het reëel om bij de beoordeling van 112-bereikbaarheid in grensregio’s te blijven uitgaan van alternatieven zoals wifi-bellen, de 112NL-app of vaste lijnen, wanneer uit signalen blijkt dat deze voorzieningen juist in deze gebieden structureel ontbreken?
Deelt u de zorg dat het aantal meldingen bij het meldpunt mobiele bereikbaarheid geen representatief beeld geeft van de situatie in de grensstreken, onder meer vanwege onbekendheid met het meldpunt en meldmoeheid? Bent u bereid om, mede op basis van signalen van gemeenten, toch te kijken naar aanvullende analyse?
In hoeverre erkent u dat papieren dekkingspercentages – zoals de 98% buitenshuisdekking – onvoldoende inzicht geven in de werkelijke situatie in grensstreken, waar buitenlandse netwerken het Nederlandse signaal verdringen en zendvermogens worden geminimaliseerd?
Kunt u toelichten hoe de automatische netwerkkeuze bij 112-oproepen functioneert in praktijk, met name in situaties waarin geen bruikbaar Nederlands netwerk beschikbaar is en het buitenlandse netwerk 112-roaming niet ondersteunt?
In hoeverre acht u het realistisch om gemeenten verantwoordelijk te maken voor verbetermaatregelen in witte gebieden via de Handreiking mobiele bereikbaarheid, als er zonder aanvullende steun vanuit het Rijk geen zicht is op investeringen zoals zendmasten, grensafstemming of alternatieve infrastructuur?
Bent u bereid om in gebieden waar mobiele dekking aantoonbaar tekortschiet, zoals in Ven-Zelderheide, nader te verkennen of aanvullende veiligheidsvoorzieningen zoals alarmpalen alsnog een rol kunnen spelen als vangnet in levensbedreigende situaties?