De aangekondigde sluiting van drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die door de burgemeester van Dordrecht aan de gemeenteraad is gezonden waarin staat dat drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam worden gesloten?
Ik ben bekend met de brief van de burgemeester van Rotterdam van 10 juli 2026 waarin zij de raadscommissie Veiligheid, Bestuur en Financiën informeert over de sluiting van cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam.
Hoeveel celcapaciteit verdwijnt door deze sluiting en wat betekent dit voor de totale capaciteit binnen de politie-eenheid Rotterdam?
In hoeverre leidt het sluiten van cellencomplexen ertoe dat de politie al op straat een strengere afweging maakt om iemand wel of niet mee te nemen naar het bureau?
Deelt u de mening dat het gezien de toenemende onveiligheid op straat en het opengrenzenbeleid dit een totaal onbegrijpelijke maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Zijn er nog meer gemeenten die voornemens zijn cellencomplexen te sluiten?
De politie bouwt aan diverse nieuwe voorzieningen en dat kan gepaard gaan met vervanging van bestaande voorzieningen. Hierbij kijkt de politie naar een goede landelijke spreiding van complexen en de complexomvang. Een ander voorgenomen besluit tot afstoot betreft Assen. Dit jaar start het onderzoek naar de afwikkeling van arrestantenzaken voor de operatiën. Dit onderzoek is de basis voor een definitief besluit voor de toekomstige voorzieningen in de eenheid Noord-Nederland.
Hoe is het mogelijk dat met het huidige cellentekort, de politie-eenheid Rotterdam die beschikt over 228 cellen slechts een bezettingsgraad kent van slechts 44%?
Bent u het ermee eens dat de sluiting totaal onverenigbaar is met de maatregelen die nu al gelden om het capaciteitsvraagstuk in het gevangeniswezen te onderdrukken, zoals onder andere: het eerder heenzenden van gedetineerden en het niet oproepen van zelfmelders? De cellencomplexen binnen de politie-eenheid Rotterdam zouden de landelijke tekorten in het gevangeniswezen toch kunnen opvangen?
Hoe is het uitlegbaar aan de maatschappij dat aan de ene kant miljoenen worden geïnvesteerd om onder andere de Penitentiaire Inrichting Almere te heropenen en aan de andere kant cellencomplexen worden gesloten?
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Bent u bekend met de berichten «Ambtenaren bundelen de krachten om burgers de dwangsom af te nemen» en «We dreigen de strijd tegen een disfunctionerende overheid te verliezen»?1 2
Kunt u bevestigen dat de wettelijke dwangsom regeling in 2009 in de wet is opgenomen om burgers te beschermen tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid, waarbij burgers ervan uit moeten kunnen gaan dat de overheid zich houdt aan de gestelde wettelijke termijnen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van groot belang is dat burgers worden beschermd tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en dat de overheid zich nog steeds aan de wettelijke beslistermijnen zou moeten houden? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u in het licht van een goede rechtsbescherming van burgers tegen de overheid het feit dat er kennelijk plannen worden voorbereid om van de wettelijke dwangsom af te komen?
Deelt u de mening dat recente gebeurtenissen, zoals het toeslagenschandaal, de afhandeling van de schade door de gaswinning in Groningen, de grote problemen bij het UWV bij WIA-keuringen, juist extra het belang onderschrijven van de bescherming van burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het feit dat er nu kennelijk gewerkt wordt aan plannen om de wettelijke dwangsom af te schaffen zich tot eerdere conclusies van parlementaire enquêtes en kabinetsreacties hierop, rapporten van de Nationale ombudsman en andere signalen dat burgers juist te weinig beschermd worden tegen onbehoorlijk overheidshandelen?
Erkent u dat het beperken van rechtsbeschermingsmogelijkheden juist bij kunnen dragen aan verder wantrouwen van burgers jegens de overheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het niet de verantwoordelijkheid van burgers is dat overheidsorganen niet in staat zijn om tijdig te beslissen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat burgers wel sancties opgelegd kunnen krijgen (bijvoorbeeld een verhoging van een boete bij niet tijdig betalen) of nadeel ondervinden (het bijvoorbeeld niet in behandeling nemen van een bezwaarschrift) wanneer zij zich niet aan termijnen houden, maar overheidsorganen zonder gevolgen zich niet aan wettelijke termijnen kunnen houden als de wettelijke dwangsom afgeschaft zou worden? Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers hiermee wordt verzwakt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de aangekondigde taakstelling op de ambtelijke organisatie het risico met zich meebrengt dat overheidsorganen (die nu al kampen met personeelstekorten) nog vaker wettelijke beslistermijnen niet zullen halen?
Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers nog vaker in het geding zal komen als ook de wettelijke dwangsom wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Kunt u nauwkeurig uitleggen wat de in de artikelen genoemde overheidsinstanties precies voor plannen maken ten aanzien van het beperken of afschaffen van de wettelijke dwangsom? Hebben deze overheidsinstanties hiervoor opdracht gekregen vanuit het kabinet?
Kunt u de onderliggende ambtelijke en juridische adviezen over het beperken en/of afschaffen van de wettelijke dwangsom op grond van Artikel 68 Grondwet met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de gecoördineerde actie tegen de wettelijke dwangsom afleidt van het werkelijke probleem, namelijk overheidsorganen die steevast hun wettelijke beslistermijn niet halen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het afschaffen van de wettelijke dwangsom in het bestuursrecht ook de democratische rechtsstaat aantast, omdat burgers en bijvoorbeeld journalisten dan minder middelen hebben om openbaarheid via de Wet open overheid af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers, die door overheden die zich niet aan de wettelijke beslistermijnen houden in de knel komen, uit dat de overheid de wet maar aanpast zodat er geen gevolgen meer zijn voor het niet houden aan de wet?
Kunt u voorgaande vragen een voor een beantwoorden binnen de gestelde termijn?
Het bericht 'Opnieuw wordt een Leidse bewindvoerder ontslagen in alle zaken: 'Hij dacht makkelijk geld te kunnen verdienen'' |
|
Anouschka Biekman (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bewindvoerderskantoor in de regio Leiden door de kantonrechter in alle 146 zaken is ontslagen en dat dit het derde grootschalige ontslag van een bewindvoerderskantoor in die regio binnen een jaar is?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat kwetsbare gedupeerden in zulke onzekerheid worden gestort?
Hoe beoordeelt u dat de betrokken bestuurder in 2025 bij een eerder kantoor al in alle zaken was ontslagen, vervolgens een tweede kantoor kon blijven voeren en ruim een jaar later opnieuw in alle zaken is ontslagen?
Klopt het dat het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren geen grondslag biedt om een bestuurder te weigeren die eerder in alle zaken is ontslagen? Wordt naast de benoembaarheid van het kantoor gekeken naar de bestuurder, opdat ontslagen bestuurders niet zonder meer een nieuw kantoor kunnen oprichten? Zo nee, zou dit bijdragen aan het voorkomen van dergelijke casussen?
Klopt het dat in de brief van 16 april 2025 niet wordt ingegaan op het voorstel uit de initiatiefnota van voormalig Tweede Kamerlid Kat, dat een ontslagen bewindvoerder niet langer benoembaar is en dat er een openbaar register komt waarin schorsingen, waarschuwingen, ontslagen en de overige functies van een bewindvoerder zichtbaar zijn? Wat is uw standpunt hierover, mede gelet op het feit dat cliënten van het betrokken kantoor moesten terugvallen op een recensieplatform om elkaar te waarschuwen?2 3
Heeft het kantoor in 2024 en 2025 de jaarlijkse toets van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM en de verplichte accountantscontrole doorlopen en zijn daarbij signalen naar voren gekomen, gelet op het feit dat volgens de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen van het kantoor structureel niet op tijd en incompleet werden ingediend? Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de beslisnota bij de brief van 16 april 2025 dat de accountantscontrole volgens het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM niet naar behoren werkt? Wat is de stand van zaken van de daarin aangekondigde verbetering van de accountantscontrole en de kwaliteitseisen?4
Welke mogelijkheden hebben cliënten en gemeenten om dubbel geïnde bedragen terug te vorderen en wie draagt het verlies als terugbetaling uitblijft? Hoe kijkt u in deze context aan tegen het voorstel in de bovengenoemde initiatiefnota van voormalig lid Kat rondom de aansprakelijkheidsprocedure?
Welke juridische belemmeringen bestaan er voor het vroegtijdig delen van klachten en meldingen met de gemeente en andere relevante partijen, gelet op het feit dat de gemeente Leiden aangeeft eerder op de hoogte gesteld te willen worden van klachten en meldingen bij de rechtbank? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen en de samenwerking tussen kantoren, gemeente en rechtbank verder kan worden bevorderd?
Hoe is het gesteld met de algemene beschikbaarheid van bewindvoerders, gelet op het feit dat na ontslag van een bewindvoerder een nieuwe bewindvoerder moet worden aangesteld? Heeft u signalen dat het op nationaal dan wel regionaal niveau het uitdagend kan zijn om bewindvoerders te vinden?
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van de leden Van Kent en Kat over onderzoeken of er voor het toezicht op bewindvoerders toereikende financiering, capaciteit en middelen zijn?5
Gelet op het feit dat zowel het nu ontslagen kantoor als een eerder ontslagen kantoor in 2021 een overeenkomst tekende met de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude en Oegstgeest, ziet u mogelijkheden om de doeltreffendheid van kwaliteitsborgingsconvenanten verder te verbeteren, bijvoorbeeld door samenwerkingsafspraken landelijk uniformer vorm te geven?
Welke aanvullende stappen gaat u nemen of verkennen om de kwaliteit bij bewindvoerders beter te borgen?
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van branchevereniging Aegis om strengere eisen te stellen aan het toelaten van bewindvoerders? Welke mogelijkheden ziet u bijvoorbeeld om praktijkervaring te vereisen bij een gevestigd bewindvoeringskantoor voordat een bewindvoerder zelfstandig aan de slag kan? Welke mogelijkheden ziet u in collegiaal toezicht, zodat niet alle druk van aanvullend toezicht bij rechtbanken wordt gelegd?6
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen van branchevereniging NVVK om de kwaliteit beter te borgen, bijvoorbeeld door een uniforme werkwijze van rechtbanken te bevorderen, het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM wettelijk beter uit te rusten en strenger te controlen op het vierogenprincipe?7
Tekortkomingen in Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hoe duidt u de aanhoudende tekorten in het personeelsbestand van alle zes de justitiële jeugdinstellingen? Erkent u dat dit tekort ertoe leidt dat de kwaliteit van de taakuitvoering van Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) langdurig onder druk staat?
Onderschrijft u de kritiek van de Kinderombudsman dat de jongeren in JJI’s momenteel geen goed onderwijs wordt aangeboden, dat er geen goede vrijetijdsinvulling bestaat, dat er te vaak geen behandeling wordt geboden waarmee meerdere kinderrechten worden geschonden zoals beschreven in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen?
Onderschrijft u het belang van de scholing en begeleiding van jongeren in JJI’s? Deelt u de zorgen dat jongeren in JJI’s omwille van personeelstekorten nu niet voldoende worden begeleid in de voorbereiding op terugkeer in de maatschappij? Onderkent u dat het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht wordt ondermijnd?
Waarom heeft intensief toezicht van inspecties op JJI’s van 2021 tot 2023 geen vervolg gekregen, waardoor deze personeelstekorten al minstens acht jaar lang spelen?1
Kunt u verklaren waarom er, ondanks de kritische rapportage van de Inspectie van het Onderwijs, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, nog geen verbetering van de tekorten is opgetreden?2
Heeft u in beeld wat de tekorten zijn aan personeel en de daaraan gekoppelde tekortkomingen in rechten van de jongeren?
Wat doet u om de aanwas van personeel te verbeteren in dit segment? Kan er inzicht worden verstrekt in het door de Dienst Justitiële Inrichtingen besproken inzet op werving, opleiding en behoud van medewerkers?3
Op welke manier werkt u met de JJI’s om naar alternatieven te zoeken om op korte termijn de druk te verminderen? Wordt daarin gekeken naar samenwerking met Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ's) voor vervroegde uitstroom?
De bedreiging en intimidatie van familierechtadvocaten |
|
Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat familierechtadvocaten steeds vaker worden bedreigd en geïntimideerd? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoeveel meldingen van bedreiging en intimidatie van advocaten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gedaan, en hoeveel daarvan betroffen familierechtadvocaten?
Hoeveel van deze meldingen over de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot resp. aangifte, strafrechtelijk onderzoek en vervolging?
Worden bedreigingen van advocaten vanwege hun beroepsuitoefening volgens het kabinet voldoende serieus en met voldoende urgentie opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Waar kunnen advocaten die worden bedreigd laagdrempelig melden en welke ondersteuning krijgen zij vervolgens? Vindt u deze handelwijze afdoende?
Welke concrete acties zijn de afgelopen jaren ondernomen om bedreiging en intimidatie van advocaten tegen te gaan, en wat zijn daarvan de resultaten?
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat deze bedreigingen ertoe leiden dat advocaten bepaalde zaken, bijvoorbeeld rond huiselijk geweld en complexe scheidingen, niet meer willen aannemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij bedreigde advocaten de dreiging beoordeeld en wanneer komen maatregelen vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen in beeld?
Kunt u aangeven hoe de na de moord op advocaat Derk Wiersum beloofde structurele aandacht voor de weerbaarheid en de bescherming van advocaten heeft geleid tot structurele verbeteringen? Zijn deze maatregelen nog steeds afdoende? Zo nee, welke aanvullingen stelt u zich voor?
Sluit de huidige aanpak en het vernieuwde stelsel Bewaken en Beveiligen voldoende aan bij bedreigingen van advocaten die niet rechtstreeks voortkomen uit georganiseerde criminaliteit, maar wel vanwege hun beroepsuitoefening worden bedreigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, samen met de Nederlandse Orde van Advocaten, politie en het Openbaar Ministerie, te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om bedreigde advocaten beter te beschermen en ervoor te zorgen dat bedreigingen altijd serieus worden opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze inventarisatie delen met de Kamer?
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
De aangekondigde sluiting van drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die door de burgemeester van Dordrecht aan de gemeenteraad is gezonden waarin staat dat drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam worden gesloten?
Ik ben bekend met de brief van de burgemeester van Rotterdam van 10 juli 2026 waarin zij de raadscommissie Veiligheid, Bestuur en Financiën informeert over de sluiting van cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam.
Hoeveel celcapaciteit verdwijnt door deze sluiting en wat betekent dit voor de totale capaciteit binnen de politie-eenheid Rotterdam?
In hoeverre leidt het sluiten van cellencomplexen ertoe dat de politie al op straat een strengere afweging maakt om iemand wel of niet mee te nemen naar het bureau?
Deelt u de mening dat het gezien de toenemende onveiligheid op straat en het opengrenzenbeleid dit een totaal onbegrijpelijke maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Zijn er nog meer gemeenten die voornemens zijn cellencomplexen te sluiten?
De politie bouwt aan diverse nieuwe voorzieningen en dat kan gepaard gaan met vervanging van bestaande voorzieningen. Hierbij kijkt de politie naar een goede landelijke spreiding van complexen en de complexomvang. Een ander voorgenomen besluit tot afstoot betreft Assen. Dit jaar start het onderzoek naar de afwikkeling van arrestantenzaken voor de operatiën. Dit onderzoek is de basis voor een definitief besluit voor de toekomstige voorzieningen in de eenheid Noord-Nederland.
Hoe is het mogelijk dat met het huidige cellentekort, de politie-eenheid Rotterdam die beschikt over 228 cellen slechts een bezettingsgraad kent van slechts 44%?
Bent u het ermee eens dat de sluiting totaal onverenigbaar is met de maatregelen die nu al gelden om het capaciteitsvraagstuk in het gevangeniswezen te onderdrukken, zoals onder andere: het eerder heenzenden van gedetineerden en het niet oproepen van zelfmelders? De cellencomplexen binnen de politie-eenheid Rotterdam zouden de landelijke tekorten in het gevangeniswezen toch kunnen opvangen?
Hoe is het uitlegbaar aan de maatschappij dat aan de ene kant miljoenen worden geïnvesteerd om onder andere de Penitentiaire Inrichting Almere te heropenen en aan de andere kant cellencomplexen worden gesloten?
Het bericht dat gokbedrijven Meta voor de rechter slepen vanwege advertenties voor illegale goksites |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gokbedrijven slepen Meta voor rechter vanwege advertenties illegale goksites»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse consumenten via socialemediaplatforms nog steeds worden geconfronteerd met advertenties voor illegale onlinegoksites, ondanks bestaande wet- en regelgeving en het toezicht van de Kansspelautoriteit?
Ik vind het zorgelijk dat Nederlanders advertenties van illegale online gokaanbieders te zien krijgen. Het is verboden om reclame voor niet vergunde kansspelaanbieders te maken. Illegale aanbieders houden zich niet aan de regels voor reclame voor online kansspelen en zij richten zich juist ook op kwetsbare groepen. Dit is in het bijzonder verontrustend omdat bij illegaal gokken geen sprake is van bescherming, bewustwording en doorgeleiding naar hulp en zorg. Gokschade bij illegaal aanbod is naar verwachting groter dan bij legaal aanbod.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Straatman van 28 januari 2026, ontvangt de Kansspelautoriteit (Ksa) voortdurend meldingen over illegale reclames op socialemediaplatforms en spoort zij ook zelf illegale reclames op.2 Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit bij de betreffende socialemediabedrijven. Zo heeft de Ksa in april van dit jaar ruim 4.600 illegale advertenties gemeld bij Meta en gaven zij recentelijk aan in mei ruim 26.000 meldingen te hebben gedaan.3 Het grote aantal en de korte omlooptijd van deze advertenties leiden ertoe dat een aanpak die voornamelijk berust op het achteraf melden en verwijderen van afzonderlijke advertenties onvoldoende schaalbaar en bestendig is. Dit benadrukt de noodzaak om niet alleen de advertenties, maar ook de achterliggende aanbieders en de infrastructuur die zij gebruiken aan te pakken. Ik verwijs u in dit kader ook naar de voortgangsrapportage van de Kansspelautoriteit over de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, die als bijlage bij mijn brief van 12 juni 2026 aan uw Kamer is aangeboden.4 Daarin wordt de voortgang beschreven op de onderdelen marketing, betalingsverkeer, internet en spelaanbieders.
Hoe verhoudt het bestaan van grootschalige advertenties voor illegale goksites zich tot de effectiviteit van het verbod op ongerichte reclame en de mate waarin consumenten – waaronder jongvolwassenen – worden geconfronteerd met gokreclame?
Het bestaan van illegale gokreclame doet niet af aan het effect van het verbod op ongerichte reclame voor vergunde aanbieders van online kansspelen. Zoals eerder vermeld in mijn brief van 12 juni, is het effect van het verbod op ongerichte reclame (Besluit orka) dat ongerichte reclame voor online gokken is verdwenen van televisie, radio en uit het straatbeeld. Ook het aantal reclames op internet is sterk gedaald.5 Desondanks zien nog steeds veel mensen, waaronder jongvolwassenen, reclame voor online gokken, ook als zij hier niet naar op zoek zijn. Uit de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand uit 2024 blijkt dat de huidige wettelijke beperkingen onvoldoende zijn om bestaande spelers, met name jongvolwassenen en andere kwetsbare spelers, tegen de aanzuigende werking van kansspelreclame te beschermen.6 Daarom kies ik ervoor om reclame voor online kansspelen te verbieden. Dit is in lijn met het coalitieakkoord en de door uw Kamer aangenomen motie van Van Nispen c.s.7
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige handhavingsinstrumenten van de Kansspelautoriteit toereikend zijn om advertenties voor illegale onlinekansspelen effectief te bestrijden op grote onlineplatforms en wat ervoor nodig is om dit te verbeteren?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven, treedt de Ksa actief op tegen illegale advertenties voor onlinekansspelen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de huidige aanpak niet voldoende is om het illegale aanbod effectief terug te dringen. Om deze aanpak verder te versterken werk ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 12 juni 2026, in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en de verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders effectiever aan te pakken. Daarbij heb ik expliciet aandacht voor het verstoren van de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken. Het is van belang om optimaal gebruik te maken van de bestaande instrumenten en dit in samenwerking te doen met partijen die hierin kunnen helpen. Zo is het nu al verboden voor derden zoals online platforms illegaal aanbod te bevorderen. De Ksa treedt hiertegen op.
Kunt u schetsen welk beeld er bestaat van de omvang en ontwikkeling van de illegale onlinegokmarkt in Nederland en welke implicaties dit heeft voor de effectiviteit van het huidige en voorgenomen reclamebeleid?
De omvang en ontwikkeling van de illegale online kansspelmarkt en illegale reclame zijn niet exact vast te stellen. De Monitoringsrapportage online kansspelen voorjaar 2026 van de Ksa laat zien dat de kanalisatie in termen van spelers nog steeds hoog is. Naar schatting speelt ongeveer 91% van de Nederlandse spelers alleen bij vergunde aanbieders. Wanneer wordt gekeken naar het geld dat spelers verliezen, ligt de kanalisatie echter aanzienlijk lager, op ongeveer 53%.8 Dit wijst erop dat een relatief kleine groep veel geld vergokt op illegale goksites.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van het lid Straatman, is de inzet van de Ksa niet gericht op het uitputtend monitoren van het bereik en de verspreiding van illegale reclame.9 In algemene zin kan gesteld worden dat een zorgvuldig gereguleerd vergund aanbod hand in hand moet gaan met een effectieve aanpak van het illegale aanbod en deelname daaraan. Beide vragen blijvend veel aandacht. Voor de maatregelen die de Ksa en ik op dat gebied nemen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2 en 4.
In uw voortgangsbrief kansspelen met contouren voor maatregelen van 12 juni 20262 geeft u aan voornemens te zijn om reclame voor vergunde onlinekansspelaanbieders (vrijwel) volledig te verbieden. Hoe wordt bij de verdere uitwerking van dit beleid voorkomen dat hierdoor de positie van illegale goksites versterkt?
Met een verbod op reclame voor vergunde online gokaanbieders is naar verwachting niet alle reclame voor online gokken verdwenen. Het is tot nu toe slechts beperkt mogelijk om reclames van illegale goksites tegen te gaan en er moet rekening mee gehouden worden dat dit ook met een versterkt wettelijk instrumentarium beperkt effectief blijft.
Bij de uitwerking van het reclameverbod houd ik daarom rekening met de vindbaarheid van het vergunde aanbod. In mijn brief van 12 juni 2026 heb ik aangegeven zeer beperkte en strikt begrensde uitzonderingen op het reclameverbod te onderzoeken. Hiermee wil ik voorkomen dat mensen die al actief op zoek zijn naar online kansspelen bij illegale aanbieders terechtkomen. Op basis van de huidige inzichten denk ik daarbij aan informatie op de eigen website van een vergunde aanbieder en reclame bij resultaten van expliciete zoekopdrachten naar online goksites. De precieze uitwerking van het verbod en de uitzonderingen daarop wordt nader onderzocht in het Beleidskompas. Zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 2, is mijn inzet in aanvulling hierop gericht op het tegengaan van illegaal aanbod en de deelname daaraan.
Bent u bereid om bij de uitwerking van het voorgenomen reclameverbod ruimte te laten voor reclame door vergunde aanbieders wanneer zij aantoonbaar kunnen waarborgen dat zij controle hebben over de inhoud, de doelgroep en het bereik van hun boodschap, juist om te voorkomen dat consumenten die interesse hebben in onlinekansspelen, vooral terechtkomen bij illegale aanbieders?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en vraag 6, zien mensen nog steeds veel reclame voor online gokken, ook mensen die hier niet naar op zoek zijn. In lijn met het coalitieakkoord wil ik reclame voor online gokken daarom verbieden. Daarbij blijft het van belang dat spelers die willen deelnemen aan online kansspelen hun weg vinden naar het vergunde aanbod.
Bent u bereid voorafgaand aan definitieve besluitvorming een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van een vrijwel volledig reclameverbod voor de bescherming van spelers, de omvang van de illegale markt en de blootstelling aan illegale gokreclame en de uitkomsten daarvan met de Kamer te delen?
Nee, ik zie op dit moment geen aanleiding om een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren. Er is al onderzoek gedaan naar de effecten van kansspelreclame en de werking van het huidige stelsel.11 12 Deze informatie wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het reclameverbod. Zoals ik in mijn brief van 12 juni heb aangegeven, werk ik het reclameverbod nader uit aan de hand van het Beleidskompas. Daarbij worden onder meer de verwachte effecten op de bescherming tegen gokschade, kansspelgerelateerde criminaliteit en (deelname aan) illegale kansspelen betrokken. Bij de verdere uitwerking maak ik gebruik van beschikbare onderzoeken, de monitoringsrapportages van de Ksa en de kennis en expertise van betrokken partijen. Daarnaast zal de voorgenomen wet- en regelgeving de gebruikelijke uitvoeringstoetsen en consultatieprocedures doorlopen. Ook in dat kader worden de uitvoerbaarheid en de mogelijke gevolgen van de maatregelen beoordeeld en kunnen betrokken partijen daarop reageren.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel of niet toe te kennen.
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Ik deel de opvatting dat het niet past dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerde gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Het gebruik van het adres van een justitiële inrichting als vestigings- of postadres van een bedrijf is niet in lijn met de bestemming van die inrichting en past niet binnen het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Ik ga niet in op individuele gevallen. Verder verwijs ik naar de toelichting onder vraag 2.
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) bevat geen expliciete verbodsbepaling voor het voeren van een (online) onderneming vanuit detentie. Gedetineerden kunnen in beginsel een rechtspersoon oprichten of een onderneming starten of voortzetten. Het is uiteraard niet toegestaan om met een onderneming of rechtspersoon verboden activiteiten te ontplooien of een verboden doel na te streven. Zo is het oprichten van een organisatie die in strijd is met de openbare orde bij wet verboden.
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
In de Kamerbrief van 22 november 2021 (Kamerstukken 29 911, 29 279 en 24 587, nr. 339) schreef zoals bij vraag 4 is aangegeven dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het oprichten van organisaties vanuit detentie aan banden wilde leggen dan wel verbieden voor gedetineerden die in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven. In de voortgangsbrief van 13 juni 2022 (Kamerstuk 29 911, nr. 353) is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek. Hierbij is aangegeven dat het complex is om een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vorm te geven, dat het bovendien al verboden is om een organisatie op te richten die in strijd is met de openbare orde, en dat een dergelijke maatregel op gespannen voet staat met het resocialisatiebeginsel. Om die redenen is destijds besloten hier niet verder op in te zetten.
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6, waarin ik heb uiteengezet waarom destijds is besloten niet in te zetten op een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vanuit detentie, en welke maatregelen sindsdien wel zijn getroffen ten aanzien van financiële transacties.
Gelet op de redenen die toen zijn aangevoerd zie ik op dit moment geen aanleiding om dat standpunt te herzien.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 5 en 6 is er geen algemene grondslag om het exploiteren van ondernemingen door gedetineerden te verbieden. Wel bieden de Pbw en de huisregels de directeur de bevoegdheid om op te treden wanneer een gedetineerde beschikt over niet-toegestane communicatiemiddelen of wanneer zijn gedragingen de orde of veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast is, zoals toegelicht in antwoord 1, de financiële handelingsruimte van gedetineerden sinds 1 januari 2024 verder ingeperkt: het saldo op de rekening-courant is gemaximeerd op € 250 en transacties vinden plaats onder toezicht van medewerkers van de PI.
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Judith Tielen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Voor meer informatie over het incident verwijs ik naar de Kamerbrief van 29 mei jl.1.
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin kan ik zeggen dat de zogeheten DSJ-laptops uitsluitend toegang hebben tot het statisch strafdossier en over geen andere faciliteiten beschikken.
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek.
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde. De procedure bevat controlestappen die door menselijk handelen moeten worden uitgevoerd. Dergelijke uitvoeringstaken zijn door de vestigingsdirecteur aan personeel toegewezen.
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
De reguliere procedure schrijft voor dat een DSJ-laptop na gebruik wordt uitgeschakeld, waardoor de historie automatisch wordt verwijderd.
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat de procedure niet juist is gevolgd. DJI treft maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen door extra controle in de procedure aan te brengen. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Voor wat betreft de geconstateerde kwetsbaarheid in deze laptops in januari jl. kan ik stellen dat door een fout in de instelling van de software er een kans bestond dat de toegang tot het internet niet volledig was afgesloten. Om deze kwetsbaarheid te herstellen zijn alle laptops die in bruikleen waren gesteld direct ingenomen. Uit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat gedetineerden van deze kwetsbaarheid gebruik hebben gemaakt.
Om dit in de toekomst te voorkomen zijn de er aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen op het gebied van het testen en controleren van de apparatuur.3
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht van de NOS op 26 mei jongstleden.
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Ik realiseer mij dat het maatschappelijk en voor nabestaanden mogelijk moeilijk te begrijpen is wanneer een veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet volledig ondergaat, in het bijzonder bij ernstige misdrijven zoals moord. Tegelijkertijd is het van belang deze zaak, waarin sprake is van een zogeheten combinatievonnis, te bezien in het licht van het wettelijk kader dat gold ten tijde van de tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen. Bij een combinatievonnis legt de rechter zowel een gevangenisstraf als de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op.
In 1997 werd de zogenoemde Fokkensregeling ingevoerd.2 Deze regeling maakte het mogelijk dat een veroordeelde met een combinatievonnis onder bepaalde omstandigheden na het ondergaan van een derde van de gevangenisstraf kon starten met de tbs-behandeling. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat een tbs-behandeling voor personen met een ernstige psychische stoornis effectiever is wanneer daarmee zo spoedig mogelijk wordt gestart. Zonder toepassing van de Fokkensregeling kon de tbs-behandeling in de regel pas starten nadat twee derde van de gevangenisstraf was ondergaan, gelet op de koppeling met het moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling.3 De Fokkensregeling is in 2010 afgeschaft.4 Op grond van het overgangsrecht had deze afschaffing echter geen gevolgen voor veroordeelden die reeds op basis van deze regeling waren geplaatst in een tbs-kliniek, nadat een derde van de gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.5 In de onderhavige zaak gaat het derhalve om een uitvloeisel van het destijds geldende wettelijk kader voor de tenuitvoerlegging van combinatievonnissen. De gang van zaken past binnen dat kader.
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
Het komt in de rechtspraktijk voor dat de officier van justitie een vordering tot verlenging indient, maar deze vordering ter terechtzitting niet handhaaft. Ook kan de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel door de rechter worden afgewezen. In beide gevallen is het context- en zaaks afhankelijk. Er vindt door het OM geen afzonderlijke registratie plaats van deze beslissingen, waardoor geen zicht is op het aantal zaken waarin (initieel) een vordering is ingediend door het OM dan wel de vordering door de rechter (rechtbank en/of gerechtshof) wordt afgewezen. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft het OM aan ook geen schatting te kunnen maken.
De Rechtspraak heeft desgevraagd aangegeven dat in de afgelopen vijf jaar in ongeveer 7 tot 9% van de gevallen waarin het OM in eerste aanleg verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd, deze vordering door de rechter is afgewezen. In 2025 bedroeg het aantal vorderingen tot verlenging van tbs circa 1.490. In de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak wordt geen registratie bijgehouden van gevallen waarin de officier van justitie een vordering tot verlenging van de tbs-maatregel indient, maar deze ter terechtzitting niet handhaaft. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft de Rechtspraak aan ook geen schatting te kunnen maken.
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Vooropgesteld moet worden dat het mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet past om te treden in het oordeel van de rechter in een individuele zaak. Wel kan ik aangeven dat de voortgang van een tbs-behandeling en de beoordeling of het risico op gevaar voor de samenleving voldoende is teruggebracht niet uitsluitend worden gebaseerd op een delictscenario, maar worden bezien in samenhang met de overige onderdelen van de behandeling en adviezen van deskundigen.
Een tbs-behandeling bestaat uit diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie, uitstroom en nazorg. Deze onderdelen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of worden optimaal geacht en frequent toegepast door professionals. Sinds 2022 vormt het Kwaliteitskader Forensische Zorg de basis voor kwaliteit in het forensische zorgveld.6 Professionals werkzaam in de forensisch klinische zorg handelen dienovereenkomstig, waarbij het verkleinen van het recidiverisico vooropstaat. In de behandeling wordt te allen tijde uitgegaan van de strafrechtelijke veroordeling, ook als een tbs-gestelde het delict (gedeeltelijk) ontkent of daarover wisselend verklaart. Indien een tbs-gestelde vanuit een ontkennende houding geen stappen in de behandeling zet, komt diegene niet in aanmerking voor verlof en andere vervolgstappen.
Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat een beslissing tot onvoorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging niet lichtvaardig wordt genomen. Daaraan gaat in de regel een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vooraf van ten minste één jaar, waartoe de rechter besluit op basis van adviezen van deskundigen. Bij de beoordeling van een eventuele beëindiging van de maatregel wordt de rechter opnieuw door deskundigen geadviseerd.
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is per 1 januari 2025 in werking getreden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) raadpleegt slachtoffers en nabestaanden of zij gebruik wensen te maken van dit spreekrecht en geeft dit door aan het OM. Het OM roept de slachtoffers en nabestaanden vervolgens op voor de zitting. Het is onbekend hoeveel slachtoffers zijn bevraagd over hun wensen, hoeveel slachtoffers zijn opgeroepen voor de zitting en hoeveel slachtoffers tijdens de zitting daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het beperkt spreekrecht. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar in de systemen van CJIB, OM en Rechtspraak. Ik verwijs op dit punt tevens naar de eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp.7
Het beperkt spreekrecht is onderdeel van de inhoudelijke effectevaluatie van de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten die naar verwachting later dit jaar van start gaat. Het CJIB kijkt bij de verdere optimalisering van het werkproces van het raadplegen over het beperkt spreekrecht naar de mogelijkheden voor monitoring van cijfers daarvan.
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Zoals bij alle slachtofferrechten is aandacht voor een goede uitvoering in de praktijk van groot belang. Als echter alle inspanningen ten spijt, een slachtoffer of nabestaande geen gebruik heeft kunnen maken van het beperkt spreekrecht, kan via de bestaande klachtenprocedure een klacht worden ingediend bij de betreffende organisatie. Dit kan erkenning bieden aan het slachtoffer of de nabestaande en draagt tevens bij aan het lerend vermogen en een betere kwaliteit van de dienstverlening.
Naast de klachtenprocedure worden via de tweede aanvullingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorstellen gedaan om de naleving van slachtofferrechten te versterken, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD).8 Dit ziet op het beter inzetten en faciliteren van klachtenprocedures bij organisaties. Daarnaast wordt bezien of het slachtoffer een recht kan krijgen om een financiële uitkering te verzoeken bij niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften waarbij herstel niet mogelijk is, zoals het oproepen voor een zitting. De formele consultatie van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.