Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Jan Struijs (50PLUS), Mirjam Bikker (CU), Tijs van den Brink (CDA), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.