Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deze cijfers sluiten aan bij het gemiddelde beeld dat we bij verkiezingen zien. Ongeveer één op de tien kiezers brengt zijn stem uit via een volmacht. Ook bij de vorige verkiezingen was dit het landelijke gemiddelde.
Het gebruik van volmachten bij verkiezingen voorziet in een behoefte. Kiezers die niet zelf naar het stembureau kunnen gaan – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Uit de evaluatie onder kiezers na de Europees Parlementsverkiezing in 2024 blijkt bovendien dat 54% van de kiezers die een volmacht hebben afgegeven, niet zou hebben gestemd als deze mogelijkheid er niet was geweest. Stemmen per volmacht heeft daarmee aantoonbare meerwaarde binnen ons verkiezingsproces: het voorkomt dat stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Ik heb begrip voor de zorgen van internationale waarnemers dat grootschalig gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en tot risico’s kan leiden zoals het ronselen van volmachten. Daarbij merk ik op dat een volmachtnemer namens een andere kiezer stemt. Het is dus niet het geval dat deze volmachtnemer een zwaardere stem krijgt bij verkiezingen dan andere kiezers. Daarnaast merk ik op dat het gebruik van volmachten in Nederland een breed gedragen en geaccepteerde methode is, die bovendien bijdraagt aan de opkomst bij verkiezingen. Dankzij volmachten kunnen ook mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan, toch hun stem uitbrengen via een gemachtigde.
Dat neemt niet weg dat misbruik, zoals het ronselen van volmachtstemmen, zeer ernstig is. Dit ondermijnt de integriteit van het verkiezingsproces en schaadt het vertrouwen in de democratie. Juist daarom is per 1 januari de wet tot aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten (Stb. 2025, 272) in werking getreden. Met deze wet is de strafmaat verhoogd en de delictsomschrijving bij de tijd gebracht.
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
De regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf geen reden tot zorg. In veel gevallen zijn hogere percentages te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. Rondom stembureaus waar relatief veel ouderen of mensen in zorginstellingen wonen, ligt het aandeel volmachtstemmen hoger. Tegelijkertijd is het belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages voorkomen, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Met de gemeente Den Haag is contact geweest over het hoge percentage volmachten bij enkele stembureaus. In dit contact komt naar voren dat de gemeente tijdens de verkiezingsdag alle stembureaus monitort en een wijkambtenaar naar een stembureau stuurt bij opvallende volmachtpercentages. Na de stemming worden alle processen-verbaal gecontroleerd op afwijkingen. Daarnaast hebben inwoners de mogelijkheid om signalen door te geven aan het centraal stembureau. De gemeente merkt hierbij op dat zij geen signalen hebben dat volmacht stemmen zijn geronseld. Dit blijkt niet uit de data-analyse, maar ook niet uit de bevindingen van wijkambtenaren die stembureaus met hoge percentages volmachten hebben bezocht. Ook in de processen-verbaal zijn geen onrechtmatigheden gevonden. Inwoners konden tot en met 24 maart meldingen doen. Er zijn geen signalen binnengekomen. Op basis van een vergelijking met afgelopen verkiezingen concludeert de gemeente dat de hoeveelheid volmachtstemmen bij die stembureaus deze verkiezing niet afwijkt van de hoeveelheid volmachten bij eerdere verkiezingen.
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Dit risico neem ik serieus. Ronselen tast de stemvrijheid van kiezers aan en schaadt het vertrouwen in de democratie. Recent is op dit onderdeel de Kieswet aangepast: de strafmaat is verhoogd en de delictsomschrijving gemoderniseerd.
Tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen dat ronselen veel voorkomt in Nederland. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart.2 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan. Echter, iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst.
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Geen enkele van de bovenstaande methodes is volledig risicoloos. Het is steeds een afweging tussen toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en het borgen van de integriteit van het verkiezingsproces.
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar per type volmacht. Alleen het totaal aantal uitgebrachte volmachtstemmen is bekend. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025 waren dat er 991.649, bij de Europees Parlementsverkiezing van 6 juni 2024 716.963 en bij de Tweede Kamerverkiezing van 22 november 2023 zijn er 996.481 stemmen bij volmacht uitgebracht. Van de recente Gemeenteraadsverkiezingen zijn nog geen definitieve cijfers bekend.
Uit de evaluaties3 van de Europees Parlementsverkiezing4 en de Tweede Kamerverkiezing (2023) 5 komt naar voren dat respectievelijk tien en zes procent een schriftelijke volmacht hebben aangevraagd via de gemeente.
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Vervroegd stemmen, waarbij kiezers bijvoorbeeld gedurende de twee dagen voorafgaand aan de dag van stemming hun stem kunnen uitbrengen, kan de behoefte aan stemmen bij volmacht verminderen. Kiezers die op verkiezingsdag verhinderd zijn, kunnen dan op een voor hen passend moment zelf naar de stembus. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het aantal volmachten per persoon verlaagt van twee naar één, waarbij tevens wordt voorgesteld om vervroegd stemmen in te voeren6. Het huidige kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over dit wetsvoorstel.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?
Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat er al stappen zijn gezet om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken. Per 1 januari 2026 is de Kieswet op dit punt gewijzigd: de delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Er is ook extra ingezet op goede voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
Aanvullend betrek ik de casus Gorinchem bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Maes van Lanschot (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deze cijfers sluiten aan bij het gemiddelde beeld dat we bij verkiezingen zien. Ongeveer één op de tien kiezers brengt zijn stem uit via een volmacht. Ook bij de vorige verkiezingen was dit het landelijke gemiddelde.
Het gebruik van volmachten bij verkiezingen voorziet in een behoefte. Kiezers die niet zelf naar het stembureau kunnen gaan – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Uit de evaluatie onder kiezers na de Europees Parlementsverkiezing in 2024 blijkt bovendien dat 54% van de kiezers die een volmacht hebben afgegeven, niet zou hebben gestemd als deze mogelijkheid er niet was geweest. Stemmen per volmacht heeft daarmee aantoonbare meerwaarde binnen ons verkiezingsproces: het voorkomt dat stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Ik heb begrip voor de zorgen van internationale waarnemers dat grootschalig gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en tot risico’s kan leiden zoals het ronselen van volmachten. Daarbij merk ik op dat een volmachtnemer namens een andere kiezer stemt. Het is dus niet het geval dat deze volmachtnemer een zwaardere stem krijgt bij verkiezingen dan andere kiezers. Daarnaast merk ik op dat het gebruik van volmachten in Nederland een breed gedragen en geaccepteerde methode is, die bovendien bijdraagt aan de opkomst bij verkiezingen. Dankzij volmachten kunnen ook mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan, toch hun stem uitbrengen via een gemachtigde.
Dat neemt niet weg dat misbruik, zoals het ronselen van volmachtstemmen, zeer ernstig is. Dit ondermijnt de integriteit van het verkiezingsproces en schaadt het vertrouwen in de democratie. Juist daarom is per 1 januari de wet tot aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten (Stb. 2025, 272) in werking getreden. Met deze wet is de strafmaat verhoogd en de delictsomschrijving bij de tijd gebracht.
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
De regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf geen reden tot zorg. In veel gevallen zijn hogere percentages te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. Rondom stembureaus waar relatief veel ouderen of mensen in zorginstellingen wonen, ligt het aandeel volmachtstemmen hoger. Tegelijkertijd is het belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages voorkomen, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Met de gemeente Den Haag is contact geweest over het hoge percentage volmachten bij enkele stembureaus. In dit contact komt naar voren dat de gemeente tijdens de verkiezingsdag alle stembureaus monitort en een wijkambtenaar naar een stembureau stuurt bij opvallende volmachtpercentages. Na de stemming worden alle processen-verbaal gecontroleerd op afwijkingen. Daarnaast hebben inwoners de mogelijkheid om signalen door te geven aan het centraal stembureau. De gemeente merkt hierbij op dat zij geen signalen hebben dat volmacht stemmen zijn geronseld. Dit blijkt niet uit de data-analyse, maar ook niet uit de bevindingen van wijkambtenaren die stembureaus met hoge percentages volmachten hebben bezocht. Ook in de processen-verbaal zijn geen onrechtmatigheden gevonden. Inwoners konden tot en met 24 maart meldingen doen. Er zijn geen signalen binnengekomen. Op basis van een vergelijking met afgelopen verkiezingen concludeert de gemeente dat de hoeveelheid volmachtstemmen bij die stembureaus deze verkiezing niet afwijkt van de hoeveelheid volmachten bij eerdere verkiezingen.
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Dit risico neem ik serieus. Ronselen tast de stemvrijheid van kiezers aan en schaadt het vertrouwen in de democratie. Recent is op dit onderdeel de Kieswet aangepast: de strafmaat is verhoogd en de delictsomschrijving gemoderniseerd.
Tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen dat ronselen veel voorkomt in Nederland. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart.2 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan. Echter, iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst.
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Geen enkele van de bovenstaande methodes is volledig risicoloos. Het is steeds een afweging tussen toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en het borgen van de integriteit van het verkiezingsproces.
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar per type volmacht. Alleen het totaal aantal uitgebrachte volmachtstemmen is bekend. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025 waren dat er 991.649, bij de Europees Parlementsverkiezing van 6 juni 2024 716.963 en bij de Tweede Kamerverkiezing van 22 november 2023 zijn er 996.481 stemmen bij volmacht uitgebracht. Van de recente Gemeenteraadsverkiezingen zijn nog geen definitieve cijfers bekend.
Uit de evaluaties3 van de Europees Parlementsverkiezing4 en de Tweede Kamerverkiezing (2023) 5 komt naar voren dat respectievelijk tien en zes procent een schriftelijke volmacht hebben aangevraagd via de gemeente.
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Vervroegd stemmen, waarbij kiezers bijvoorbeeld gedurende de twee dagen voorafgaand aan de dag van stemming hun stem kunnen uitbrengen, kan de behoefte aan stemmen bij volmacht verminderen. Kiezers die op verkiezingsdag verhinderd zijn, kunnen dan op een voor hen passend moment zelf naar de stembus. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het aantal volmachten per persoon verlaagt van twee naar één, waarbij tevens wordt voorgesteld om vervroegd stemmen in te voeren6. Het huidige kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over dit wetsvoorstel.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?
Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat er al stappen zijn gezet om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken. Per 1 januari 2026 is de Kieswet op dit punt gewijzigd: de delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Er is ook extra ingezet op goede voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
Aanvullend betrek ik de casus Gorinchem bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Ja, het is zeer zorgelijk dat jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden hebben gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld. Dit wijst op een ernstige maatschappelijke problematiek.
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Het is verwerpelijk dat dit soort beelden rondgaan. Dit soort beelden is schokkend en laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. Ik kan mij ook voorstellen dat kijkers die hiermee worden geconfronteerd hier last van kunnen hebben. Dat beelden van seksueel misbruik van minderjarigen op deze wijze onder de aandacht worden gebracht, vergroot het bereik en daarmee de impact op slachtoffers aanzienlijk. Dit kan leiden tot hernieuwde confrontatie en extra leed bij betrokkenen. Zoals ik al eerder heb aangegeven is de verspreiding van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Online platforms en advertentieaanbieders dragen een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen en snel en effectief op te treden wanneer dergelijke content wordt aangetroffen. Van hen wordt verwacht dat zij doeltreffende maatregelen nemen om de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te stoppen, content snel te verwijderen en herplaatsing te voorkomen.
Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders, en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het ongevraagd en zonder toestemming verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen opgetreden.
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Mogelijk wordt gedoeld op de zorgvuldigheidsverplichtingen die gelden voor online platforms op grond van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Op grond van de DSA zijn online platforms onder meer verplicht om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat minderjarigen worden beschermd tegen inhoud voor volwassenen.
Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of aan deze verplichtingen wordt voldaan. Vanaf 4 februari 2025 zijn in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) de bevoegde toezichthouders voor de naleving van in Nederland gevestigde aanbieders.
Op de zogenaamde «zeer grote online platforms» rust verder de verplichting om eventuele systeemrisico’s bestaande uit, onder meer, negatieve effecten op het mentale en fysieke welzijn van gebruikers, te beoordelen en te beperken. De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA op de zeer grote platforms en zoekmachines. In dat kader is relevant dat de Europese Commissie onderzoeken is gestart naar Pornhub, XNXX en XVideos om te beoordelen of zij voldoen aan hun verplichtingen uit de DSA.
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Wanneer jongeren (ongewild) te maken krijgen met beeldmateriaal van online seksueel (kinder)misbruik kunnen zij zowel melding als aangifte doen bij de politie. De politie vraagt daarbij of er bezwaar is tegen het doorgeven van de gegevens aan Slachtofferhulp Nederland. Als er geen bezwaar is, worden de gegevens automatisch doorgestuurd en worden slachtoffers actief benaderd door Slachtofferhulp Nederland. Zo kunnen slachtoffers snel en kosteloos emotionele steun, juridisch advies en/of praktische hulp ontvangen.
Daarnaast staat er op de websites van Slachtofferwijzer en het Netwerk Mediawijsheid toegankelijke informatie over veilig en slim gebruik van digitale media, slachtofferschap en hulporganisaties. Hier wordt onder andere verwezen naar de kosteloze en anonieme hulplijnen van het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG), waar iedereen met een vervelende seksuele ervaring terecht kan, en van Offlimits, die slachtoffers ondersteunt bij het doen van een melding van illegale content en het doen van aangifte. Door het laagdrempelig aanbieden van informatie weten zowel slachtoffers als professionals en ouders waar ze terecht kunnen.
Voor wat betreft de bekendheid met hulpverleningsinstanties kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat er een stijging te zien is in het aantal meldingen van en hulpvragen over (online) seksueel (kinder)misbruik. Dit blijkt uit zowel cijfers van Slachtofferhulp Nederland als uit de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. De Nationaal Rapporteur rapporteert o.a. over cijfers van de politie, het CSG en Offlimits. Volgens de Nationaal Rapporteur lijkt de toegenomen maatschappelijke aandacht onder andere bij te dragen aan de bekendheid van hulporganisaties.2
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Ik deel de zorg dat blootstelling aan strafbare of gewelddadige pornobeelden grote gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van jongeren. Dit kan leiden tot desensibilisatie waarbij jongeren minder gevoelig worden voor geweld en onethisch gedrag. Daarnaast kan het hun zelfbeeld verstoren en onrealistische verwachtingen geven over seksualiteit en relaties. Bovendien kan de normalisering van geweld ertoe leiden dat jongeren dit gedrag gaan accepteren als normaal. Het is cruciaal dat we als samenleving jongeren beschermen tegen de schadelijke gevolgen van dit soort beelden en hen voorzien van de tools die ze nodig hebben om gezonde relaties te vormen.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Er zijn verschillende verplichtingen en maatregelen die een rol spelen in het tegengaan van toegang van jongeren tot illegale online content. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft daar recent richtsnoeren over gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november jl. over geïnformeerd.3 Uit de richtsnoeren blijkt onder meer dat de risico’s van pornoplatforms zodanig zijn dat zij de leeftijd van bezoekers moeten verifiëren. In dit kader wordt ook gewezen op de onderzoeken van de Europese Commissie naar Pornhub, XNXX en Xvideos.4 Aangewezen zeer grote online platforms dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s (overigens ook de kansen) van een digitale dienst in kaart te brengen. Daarnaast is Offlimits een organisatie waar online illegale content kan worden gemeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de ACM aangewezen als trusted flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms. Het platform dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform haar verplichtingen onder de DSA niet naleeft, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van zeer grote platforms de Europese Commissie kan ingrijpen. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet.
Tenslotte schrijft de Richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: AVMSD) maatregelen voor op het gebied van de bescherming van minderjarigen. Voor content met pornografie of nodeloos geweld moeten de zwaarste maatregelen worden getroffen. Lidstaten zorgen ervoor dat de videoplatforms die onder hun jurisdictie vallen passende maatregelen treffen ter bescherming van minderjarigen. De AVMSD is uitgewerkt in de Mediawet 2008. Videoplatformdiensten (platformdiensten die video’s aanbieden bestemd voor algemeen publiek) die in Nederland zijn gevestigd dienen een gedragscode te hanteren. Voor in Nederland gevestigde aanbieders van mediadiensten, zoals omroepen of video-uploaders, zijn de regels van het Kijkwijzer-systeem van NICAM5 van toepassing.
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
Op de naleving van de DSA door sociale mediaplatforms wordt toezicht gehouden door de ACM. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Als de Europese Commissie concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X. Ik blijf vanzelfsprekend mijn steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de Europese Commissie.
Tevens zet Nederland zich in voor aanvullende EU-wetgeving tegen de verspreiding van online seksueel kindermisbruik in de onderhandelingen van de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening). De voorgenomen EU-Verordening bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Waar het gaat om kinderpornografisch materiaal is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken.
Aanbieders van hostingdiensten die geen opvolging geven aan een verwijderingsbevel van de ATKM, kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. De ATKM onderhoudt mede om die reden nauw contact met het Openbaar Ministerie.
Als pornoplatforms of sociale media weten dat er via hun diensten strafbare content wordt verspreid en daar niet tegen optreden dan kunnen ze zelf aansprakelijk worden gesteld voor die strafbare content. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De officier van justitie kan in geval van een verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waaronder het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De DSA verplicht onder meer online platforms om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Kennis van illegale content kan bijvoorbeeld ontstaan door een melding van illegale content. Online platforms moeten op grond van de DSA bovendien maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen door zeer grote online platforms en zoekmachines. Aangezien de DSA nog relatief nieuwe wetgeving betreft, is het raadzaam om deze de benodigde tijd te geven om zich volledig te ontwikkelen.
De AVMSD kent regels voor videoplatformdiensten, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Mediawet 2008 voor in Nederland gevestigde videoplatformdiensten. Zij moeten een gedragscode opstellen en naleven, waaronder ook wordt ingegaan op de bescherming van minderjarigen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de totstandkoming, inhoud en toepassing van deze gedragscode van de videoplatformdiensten onder Nederlandse jurisdictie.
Volgens de MAVISE-database van het Europees Audiovisueel Observatorium staan er geen pornografische videoplatforms onder Nederlandse jurisdictie.6
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Een afdwingbare zorgplicht om dergelijke content te detecteren en verwijderen betekent in de praktijk dat een online platform alle content op het platform zal gaan scannen en desnoods (uit voorzorg) verwijderen. Zo’n algemene monitoringsverplichting is op grond van artikel 8 DSA niet toegestaan. Het verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Indien platforms aansprakelijk kunnen worden gesteld of kunnen worden vervolgd dan zullen ze uit voorzorg waarschijnlijk meer informatie verwijderen dan noodzakelijk.
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
De ATKM en Offlimits hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beide tot doel de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te bestrijden. Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk tot aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt haar verwijderbevelen tot aanbieders van hosting- of communicatiediensten.
In Nederland is, via de Gedragscode Notice-and-Take-Down, de afspraak gemaakt met de hostingsector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24-uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken van Offlimits en wordt strafbaar materiaal offline gehaald. Wanneer er sprake is van een hoster die structureel niet of te laat reageert, kan de ATKM bestuursrechtelijk optreden tegen deze weigerende partijen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Artikel 15 van de DSA verplicht daarnaast aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in de mediane tijd die nodig is om actie te ondernemen in geval van bevelen vanuit autoriteiten of meldingen van trusted flaggers.
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Als dergelijke misstanden zich voordoen, beschouw ik dat als onacceptabel. Het is belangrijk dat slachtoffers zich melden bij de politie wanneer zij misstanden waarnemen of zelf slachtoffer worden. In zulke gevallen kan de overheid op basis van deze meldingen effectief optreden. Elk signaal van mensenhandel wordt door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie opgepakt, overeenkomstig de aanwijzing van het OM over mensenhandel. Daarnaast is mensenhandel voor de periode 2023–2026 een van de belangrijke thema's in de Veiligheidsagenda, waaruit landelijke beleidsdoelstellingen voor de politietaken zijn afgeleid. Het heeft op deze manier hoge prioriteit. Verder is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, wat de strafrechtelijke bescherming van de slachtoffers van seksuele misdrijven versterkt.
Tenslotte is bescherming en hulp van porno-acteurs onderdeel van lopend WODC-onderzoek (zie vraag 15), waarbij onder andere in kaart wordt gebracht of en zo ja, op welke wijze de pornosector (en betrokken organisaties) de veiligheid van de acteurs waarborgen en garanderen.
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen 9 en 11.
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Ik ben hiermee bekend.
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Tijdens het commissiedebat mensenhandel en prostitutie van 11 september 2024 heb ik toegezegd om het WODC te vragen een onderzoek uit te voeren naar de Nederlandse porno-industrie. Op dit moment voert het Verwey-Jonker Instituut – in opdracht van het WODC en op aanvraag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid – onderzoek uit. Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in de Nederlandse pornosector en mogelijke misstanden. Er wordt onderzoek gedaan naar het bestaan van mogelijke misstanden in brede zin, waarbij de focus niet enkel ligt op strafbare feiten.
De onderzoekers zijn reeds gestart met het onderzoek en de eerste bijeenkomsten van de begeleidingscommissie hebben plaatsgevonden. De volgende bijeenkomst van de begeleidingscommissie staat gepland in het voorjaar van 2026. Het onderzoek zal naar verwachting een jaar in beslag nemen en einde 2026 afgerond zijn. Bij ontwikkelingen ten aanzien van dit tijdspad zal de Kamer, waar nodig, op de hoogte worden gehouden.
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
In 2023 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning gedaan naar misstanden binnen de Nederlandse pornosector. De aanleiding hiervan was een rapport van de Franse Senaat over misstanden in de Franse pornosector en de vraag of in Nederland soortgelijke misstanden bekend zijn. Met misstanden werd in het kader van de uitgevoerde verkenning bedoeld, het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. De vraag naar misstanden is toentertijd breed uitgezet bij de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha), de zestien regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s), Fier, SOA Aids Nederland en andere partijen binnen de Sekswerk Alliantie Destigmatisering. Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie is destijds niet gebleken van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Dat bij producties binnen de porno-industrie (toentertijd) geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze destijds niet bekend waren bij organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
In de zomer van 2024 publiceerde de Volkskrant een artikel over een Nederlandse man die vrouwen vanuit Oost-Europa naar Nederland lokte om modellenwerk te doen, maar hen vervolgens dwong om mee te werken aan pornofilms. Naar aanleiding van dit artikel ontstonden (wederom) zorgen. In hoeverre sprake is van misstanden en zo ja, wat voor misstanden dit zijn, zal moeten blijken uit het onderzoek van het WODC.
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Het kabinet blijft alert op signalen van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ongeacht de sector waarin deze zich voordoen. Signalen worden opgepakt door de daartoe bevoegde instanties en waar sprake is van strafbare feiten wordt opgetreden. Tevens wordt ingezet op vroegsignalering, samenwerking tussen ketenpartners en adequate ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Op de vraag of bij hulpverleningsinstanties signalen bekend zijn heeft het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha) aangegeven dat uit hun cijfers geen blijk is van deze signalen en dat dit is bevestigd nadat zij dit hadden uitgevraagd bij het Strategisch Overleg Mensenhandel (hierna: SOM). De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de aanpak van (mensenhandel gerelateerd aan) seksuele uitbuiting. Een interne uitvraag op de zoektermen «porno» of «porno-industrie» op de bij de Arbeidsinspectie binnengekomen meldingen heeft geen hits opgeleverd. Wel heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie in juni vorig jaar, op verzoek van Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), collegiaal meegedacht over een melding die zag op activiteiten binnen in de porno-industrie. In dat kader zijn relevante gegevens gedeeld met AVIM, waarna AVIM de verdere behandeling van de zaak op zich heeft genomen. De melding was afkomstig uit het buitenland en in overleg met het OM is besloten om een rechtshulpverzoek op te stellen, om meer informatie over de melding te kunnen verzamelen. De politie is nog in afwachting van de behandeling van dit rechtshulpverzoek. Het onderzoek naar deze melding loopt dus nog.
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Het belasten arbeidsmigranten door gemeenten |
|
Tijs van den Brink (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belasting voor arbeidsmigranten: «Betalen niet mee aan schoonmaak en groen»», van Omroep Brabant, d.d. 08 januari 2026?1
Ja.
Deelt u de opvatting zoals die door de gemeente Helmond geschetst wordt dat arbeidsmigranten moeten bijdragen aan de openbare voorzieningen waar zij gebruik van maken, zoals openbaar groen en afvaldiensten, als ze tijdelijk woonachtig zijn in een gemeente?
Het kabinet deelt de opvatting dat arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven, net als andere inwoners van Nederlandse gemeenten, verplicht zijn zich in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en moeten meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen via lokale belastingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het niet-inschrijven van arbeidsmigranten bij gemeenten in beeld is als een probleem? En hoe plaatst u dit in een bredere context van gemeenten die geen zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten die zich binnen hun gemeentegrenzen begeven?
Het is zeker een bekend probleem. Het kabinet werkt aan maatregelen naar aanleiding van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten2. Een van de onderwerpen daarin is het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten. Op 9 september 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en SZW samen met gemeenten werken aan de maatregelen3.
Kunt u aangeven in hoeverre de aanwezigheid van arbeidsmigranten die geen lokale belasting betalen een financiële last is voor gemeenten die bovengemiddeld veel arbeidsmigranten hebben?
Het kabinet heeft hier geen goed zicht op. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het kabinet bekend met het probleem van het niet-inschrijven van arbeidsmigranten. In dat kader wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten.
Welke maatregelen neemt u om het niet-inschrijven van arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven tegen te gaan?
Al sinds het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is er aandacht voor het beter zicht krijgen op arbeidsmigratie via betere registratie. De Tweede Kamer is in november geïnformeerd over de voortgang van alle maatregelen, waaronder de maatregelen op het verbeteren van de registratie4. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft de Minister van SZW op 9 september 2025 in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van BZK en SZW momenteel samen met gemeenten werken aan deze en mogelijk aanvullende maatregelen.5
Welke mogelijkheden ziet u om, naast de bestaande initiatieven waarin ingezet wordt op de verantwoordelijkheid van werkgevers om zorg te dragen voor de huisvesting van hun werknemers, ook in te zetten op een verantwoordelijkheid van de werkgevers om erop toe te zien dat arbeidsmigranten die zijn naar Nederland halen ook ingeschreven worden?
In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door beide Kamers. In deze wet is een zorgplicht voor uitleners bij de registratie van arbeidskrachten opgenomen. Met deze zorgplicht worden uitleners verantwoordelijk om de registratie van arbeidskrachten te bevorderen en vervolgens te controleren of de persoon zich daadwerkelijk heeft laten inschrijven als ingezetene in de BRP. Ook komt er mogelijk een meldplicht. De zorgplicht wordt momenteel verder uitgewerkt in lagere regelgeving. Dit wordt samen met onder meer uitleners, vakbonden, gemeenten en uitvoeringsorganisaties gedaan. Het streven is de zorgplicht per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Op termijn wordt toezicht en handhaving op de plicht georganiseerd via het normenkader van de Wtta.
Bent u van mening dat een dergelijke relatief hoge verblijfsbelasting een geschikte methode is om arbeidsmigranten te stimuleren om zich in te schrijven bij gemeenten?
Het is aan gemeenten om te bepalen welke methode voor hen het meest passend is. Zij zijn zowel verantwoordelijk voor de registratie in de BRP als voor het heffen van lokale belastingen.
Beschikt u over een overzicht van welke gemeenten in Nederland reeds een dergelijke verblijfsbelasting voor arbeidsmigranten ingevoerd hebben?
Nee, een dergelijk overzicht heb ik niet. Wel is er openbare informatie over toeristenbelasting beschikbaar in de Atlas lokale lasten 2025 van het COELO6. Daaruit blijkt dat 93% van de gemeenten in 2025 toeristenbelasting hief.
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Ja, wij vinden het onacceptabel dat met behulp van de AI-chatbot Grok op grote schaal deepnudes (seksueel getinte nepafbeeldingen of -video’s) zijn gegenereerd. Het bericht dat zoveel mensen, slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
In de aanpak van dit soort platforms vinden wij de Europese benadering van belang, waarbij wij als Europese lidstaten één lijn trekken. GROK AI wordt – omdat het onderdeel van X is – via de Europese Digitale Dienstenverordening (DSA) gereguleerd. X is een zeer groot online platform (meer dan 45 miljoen maandelijkse gebruikers) waarop de Europese Commissie (EC) toezicht houdt. De EC is inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.2 Onder de DSA zijn platforms verplicht om illegale content zo snel mogelijk te verwijderen.
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is toezichthouder Ofcom een onderzoek gestart. Het toezicht in het VK is anders geregeld, omdat het VK geen lid is van de EU en de DSA daarom niet van toepassing is.
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Nee, wij vinden het handelen van X op dit punt hoe dan ook niet wenselijk.
Voor al dit soort praktijken bestaat hetzelfde juridische kader dat deze praktijken tegen moet gaan. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen illegale content en niet-illegale content. Alle beelden die illegaal zijn – zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen3 – zijn ook illegaal als deze door AI gegeneerd zijn. Op grond van de DSA moet deze illegale content zo snel mogelijk verwijderd worden, zodra het platform kennis heeft van illegale content (als het bijvoorbeeld is gemeld). Voor wat betreft mogelijk schadelijke, niet-illegale content, geldt dat de DSA voorschrijft dat platforms zoals X systeemrisico’s in kaart moeten brengen en moeten mitigeren (artikel 34 DSA). Zoals hierboven aangegeven, is de EC, die hierop toezicht houdt, inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.
Relevant is verder artikel 14 van de DSA dat regelt dat online platforms in hun gebruiksvoorwaarden informatie moeten opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie omvat gegevens over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, met inbegrip van algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem.
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Jazeker en wij zien in het geval van Grok AI al een aantal ontwikkelingen in de goede richting. Zo heeft X naar aanleiding van de toenemende druk laten weten de regels voor AI-chatbot Grok aan te scherpen, waardoor het niet meer mogelijk moet zijn om mensen ermee «uit te kleden» of afbeeldingen te creëren van echte mensen in weinig verhullende kleding. Indien er onverhoopt toch nog gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op het platform staan, kan een ieder op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen. Het platform dient een dergelijk verwijderverzoek op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken.
Als het verwijderen van de illegale content niet lukt door middel van een melding aan het platform, kan een gespecialiseerde hulporganisatie worden ingeschakeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, aangewezen als betrouwbare flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms zoals X. X dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform nalaat om adequaat op een melding te reageren, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van X de Europese Commissie in kan grijpen. De EC kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Zoals hierboven vermeld, is de EC een onderzoek gestart naar X, waarbij specifiek wordt gekeken naar AI-chatbot Grok, vanwege mogelijke overtredingen van de DSA. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Ja, een ieder kan op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen wanneer er gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op een platform staan.
Daarnaast rust op grond van de DSA op zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren. Tevens dienen zij hun gebruikers in staat te stellen om illegale inhoud of inhoud die in strijd is met de gebruiksvoorwaarden van een zeer groot onlineplatform op eenvoudige wijze te melden. Het platform X is door de EC aangewezen als zeer groot online platform, waardoor al het bovenstaande van toepassing is.4
Deze zorgvuldigheidsplicht geldt ook ten aanzien van deepnudes, zodra deze illegaal zijn.5 Zo is op grond van artikel 252 Wetboek van Strafrecht (Sr) (ziet specifiek op seksueel beeldmateriaal van minderjarigen) en artikel 254ba Sr het zonder instemming maken, voorhanden hebben of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (respectievelijk art. 261 en 262 Sr), zijn in voorkomend geval mogelijk van toepassing, bijvoorbeeld als de AI-chatbot gegenereerde beelden/ bewerkingen van personen bevatten met het oogmerk die persoon vrees aan te (laten) jagen (doxing) of opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt (smaad/laster), en er aan de andere voorwaarden van die specifieke wetsartikelen wordt voldaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, is X op grond van artikel 16 van de DSA verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals materiaal van illegale deepnudes, kan melden. Het derde lid van artikel 16 DSA verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kan zij geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de DSA en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Voor het indienen van een verwijderverzoek kan de hulp van Offlimits, een betrouwbare flagger, worden ingeschakeld.
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Deze organisaties werken voortdurend aan het onder de aandacht brengen van hun meldpunten en/of hulplijnen, bijvoorbeeld door middel van campagnes. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn, die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
De Nederlandse wetgeving biedt via de artikelen 252 en 254ba Sr voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties (zonder toestemming) deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
De strafbaarstelling van artikel 254ba Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van (nep) seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke (nep) naaktbeelden valt onder het bereik van dit artikel. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
Naast de strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie (OM) op bovenstaande strafrechtelijke bepalingen zijn er bestuursrechtelijke handhavers die werken aan de bestrijding van online illegale content. Een van de belangrijkste is de ACM, die als digitaledienstencoördinator voor Nederland handhaaft op de verplichtingen uit de DSA.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) geeft uitvoering aan maatregelen die Nederland op grond van EU- en nationale regelgeving moet nemen om online terroristisch en seksueel beeldmateriaal van kinderen te signaleren en snelle verwijdering ervan door aanbieders van hostingdiensten te garanderen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is aan de AP om te beoordelen of een AI deepfake een schending is van de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.6
Daarnaast kunnen slachtoffers van AI deepfakes mogelijk bescherming vinden in het civielrecht. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek biedt het kader voor wat onrechtmatig is in civielrechtelijke zin – al dan niet in combinatie met specifieke civielrechtelijke bepalingen. Hierbij gaat het in de kern om een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
In Nederland controleren de bevoegde toezichthouders of platforms voldoen aan wettelijke verplichtingen. De DSA bevat verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de online dienst in kwestie. In het geval van X/Grok is bijvoorbeeld de EC primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de AP op grond van de DSA en de AVG een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepnudes. Als deepnudes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP, maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 8 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) genereren, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes nu al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba Sr. Ondanks deze strafrechtelijke mogelijkheden en de mogelijkheid om elk illegaal beeld te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen.
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Het wetsvoorstel naburig recht deepfakes van personen, een initiatiefvoorstel dat in voorbereiding was bij het voormalig Kamerlid Dral (VVD), is (nog) niet ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft van 30 oktober tot en met 31 december 2025 een internetconsultatie plaatsgevonden over een voorontwerp van de wet van haar hand. Dit voorontwerp is voor advies voorgelegd bij de Commissie Auteursrecht. Het is aan de opvolger van het lid Dral om te besluiten of en hoe het traject wordt voortgezet. Gelet op de voorbereidende fase waarin het wetsvoorstel zich op dit moment bevindt, kan niet worden beoordeeld in hoeverre het Wetsvoorstel een meerwaarde zal hebben voor de aanpak. Zoals bij de vragen 8 en 11 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) vervaardigen, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Ja, daartoe zijn wij bereid. Zoals is geantwoord bij vraag 10, vindt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning plaats waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify-applicaties verder tegen te gaan. Binnen dit onderzoek vinden ook gesprekken plaats met andere Europese lidstaten, om te bezien hoe de aanpak daar is vormgegeven en of gezamenlijk kan worden opgetreden.
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Ja.
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Het gedoogbeleid stelt strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops vastgelegd op grond waarvan de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. Dit zijn de zogenaamde AHOJGI-criteria (affichering, harddrugs, overlast, jeugd, grote hoeveelheden, ingezetenen, zie hieronder).
Bij de beoordeling van de vraag of kan worden afgezien van strafrechtelijk optreden tegen een coffeeshop gelden de volgende criteria:
Het afficheringsverbod (criterium A) betekent dat het voor coffeeshops niet is toegestaan om reclame te maken, in die zin dat een coffeeshop geen reclame maakt anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit verbod op affichering geldt voor elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden, posters, folders, etc.). Dit betekent dus ook dat geen enkele vorm van online reclame is toegestaan, niet op sociale media en ook niet op websites. Indien dit wel het geval is, dan kan het Openbaar Ministerie besluiten tot vervolging over te gaan. De gemeente stelt binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet ook lokaal coffeeshopbeleid op waarin de AHOJGI-criteria en aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen. Nagenoeg alle gemeenten hebben de handhaving op het afficheringsverbod opgenomen in hun lokale beleid.2 Dat houdt in dat de burgemeesters van deze gemeenten ook bestuursrechtelijk kunnen handhaven bij een overtreding van het afficheringsverbod.
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Navraag bij zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als verschillende gemeenten wijst uit dat coffeeshops niet structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. De consequenties van het overtreden van de AHOJGI-criteria kunnen ernstig zijn en leiden tot het schorsen of definitief intrekken van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring. Mede door deze ernstige consequenties houden coffeeshops zich in het algemeen strikt aan de voorwaarden.
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Zoals in het antwoord onder vraag 2 opgenomen, stelt het gedoogbeleid strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie is vastgelegd onder welke voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd door het openbaar ministerie (de AHOJGI-criteria). De gemeente kan vervolgens binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet lokaal coffeeshopbeleid opstellen waarin de AHOJGI-criteria zijn opgenomen en aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.
Het verbod op affichering geldt in zijn algemeenheid en dus niet alleen als de reclame expliciet gericht is op minderjarigen. Overtreding van dit criterium betekent dan ook dat zowel de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven op basis van het gemeentelijke coffeeshopbeleid als het openbaar ministerie kan vervolgen op basis van artikel 3b Opiumwet.
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 herkennen wij het beeld niet dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Daarom beoordelen wij het risico op dit moment als laag. Mochten wij in de toekomst signalen ontvangen van de VNG of individuele gemeentes dat de situatie verandert dan zullen wij het risico opnieuw beoordelen en, indien nodig, passende maatregelen verkennen.
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Zoals onder vraag 3 weergegeven, zijn ons geen signalen bekend dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Wel zien we dat het handhaven op online uitingen uitdagend kan zijn voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat het lastig is te achterhalen wie er achter de online reclame zit en dat de reclame snel verwijderd kan worden en op een andere plek geplaatst kan worden. Indien een coffeeshop online reclame maakt, kan de gemeente op basis van het lokale beleid bestuursrechtelijk handhaven. Hierbij kan de gemeente in het uiterste geval de exploitatievergunning en de gedoogverklaring schorsen of definitief intrekken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Zie het antwoord op vraag 3. Wij herkennen niet dat coffeeshops op grote schaal online reclame maken voor hun producten en dat hiermee de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid wordt ondermijnd. Bij afwezigheid van online reclame door coffeeshops op grote schaal is er ook geen extra gevaar voor de gezondheid van tieners en volwassenen.
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 stelt een gemeente binnen de landelijke kaders eigen coffeeshopbeleid vast waarin de AHOJGI-criteria en eventueel aanvullende criteria worden opgenomen. De AHOJGI- criteria vormen daarmee een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en kunnen worden opgenomen als voorwaarden bij een exploitatievergunning of een gedoogverklaring voor een coffeeshop. Dit betekent dat bij niet-naleving van deze criteria de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven omdat niet aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Gemeenten leggen in het gemeentelijke handhavingsbeleid vast welke maatregelen zij kunnen nemen indien coffeeshops zich niet houden aan de voorwaarden. In het uiterste geval kan de burgemeester de exploitatievergunning en gedoogverklaring van een coffeeshop schorsen of intrekken. Daarnaast kan het openbaar ministerie tot vervolging overgaan op basis van artikel 3b Opiumwet. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek.
Inmiddels zijn er handhavingsverzoeken ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het is aan de burgemeester om op deze handhavingsverzoeken te reageren.
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Navraag bij VNG en individuele gemeenten leert dat er geen behoefte is aan landelijke richtlijnen of ondersteuning op dit gebied. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het afficheringsverbod voor gemeenten voldoende helder en houden coffeeshops zich in het algemeen aan de voorwaarden. Indien een coffeeshop zich niet aan de voorwaarden houdt, kan de burgemeester overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Waar het gaat om online reclame voor softdrugs door coffeeshops is het aan de gemeente om bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan een coffeeshop, dan wel aan het openbaar ministerie om een coffeeshop te vervolgen.
Daarnaast moeten onlineplatforms op grond van de Europese Digital Services Act maatregelen nemen om illegale content tegen te gaan. In het algemeen geldt dat alle reclame voor drugs illegale content is en ik ben actief bezig met de aanpak hiervan. In deze aanpak zoeken wij samen met andere ministeries geregeld de dialoog met sociale-media platformen op. Afgelopen jaren is een publiek-private samenwerking onder neutraal voorzitterschap van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP) opgezet, waarin publieke en private partijen bijeenkomen om uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online content met elkaar te bespreken.3 Deze dialoog ondersteunt de aanpak van diverse vormen van schadelijke en illegale online content.
Verder houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de naleving van de Digital Services Act voor tussenhandeldiensten met een hoofdvestiging in Nederland. Een platform moet volgens de DSA passende en evenredige maatregelen nemen om de bescherming van minderjarigen voldoende te waarborgen. De ACM heeft in dat kader een onderzoek geopend naar Snapchat in verband met de handel van vapes aan minderjarigen. De ACM onderhoudt hierbij nauw contact met de Europese Commissie, omdat Snapchat is aangemerkt als Very Large Online Platform (VLOP) en daardoor onder rechtstreeks toezicht van de Europese Commissie valt. Ik volg de uitkomsten van het onderzoek van de ACM met interesse.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen – gezamenlijk te adresseren.
Tot slot is het goed om te benadrukken dat het kabinet investeert in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken intensief samen op het gebied van drugsbeleid in het algemeen en op het coffeeshopbeleid in het bijzonder. Dit gaat om zowel het reguliere coffeeshopbeleid als het Experiment gesloten coffeeshopketen. In de Kamerbrief inzake het drugsbeleid, die 22 mei vorig jaar aan uw Kamer is gestuurd, wordt verder ingegaan op de samenwerking op het gebied van preventie en handhaving van drugs in het algemeen.4
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Wij achten aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen niet nodig aangezien het afficheringsverbod voor coffeeshops voldoende helder is en gemeenten dan wel het OM kunnen optreden indien een coffeeshop zich hier niet aan houdt.
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
Het bericht 'OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnensite: ‘Vermoedelijk topje van de ijsberg’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49sterfgevallen door illegale medicijnensite: «Vermoedelijk topje van de ijsberg»»?1
Daar zijn wij bekend mee.
Heeft u in beeld hoeveel vermoedelijke sterfgevallen inmiddels in verband kunnen worden gebracht met de middelen die via Funcaps werden verstrekt?
Op een pro-forma zitting d.d. 17 november 2025 met betrekking tot de strafzaak tegen Funcaps heeft het Openbaar Ministerie (OM) aangegeven dat 35 sterfgevallen in correlatie staan tot Funcaps. Die correlatie kan zijn: overledene is mogelijk als gevolg van gebruik van Funcaps middelen om het leven gekomen, dan wel zijn bij de overledene middelen in de woning gevonden. In de strafzaak wordt nu onderzoek gedaan naar het verband tussen de sterfgevallen en Funcaps.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zoveel mensen al slachtoffer zijn geworden van dit middel, en dat dit misschien zelfs een topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Wij vinden het belangrijk om duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is. Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Is de website waarop deze middelen verstrekt zijn, nog steeds offline of zijn er equivalenten in beeld?
De website is offline gehaald door de service provider op aangeven van de Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA-IOD). Andere vergelijkbare websites zijn naar aanleiding van de publiciteit offline gegaan of hebben hun aanbod aangepast. Websites kunnen overal ter wereld worden gehost. Dit betekent dat er niet altijd mogelijkheden zijn om websites uit de lucht te halen. Ondanks de handhaving, blijft het illegale aanbod groot. Het offline halen van websites is een kat-en-muisspel.
Vallen de designerdrugs van Funcaps onder de nieuwe categorie van designerdrugs die sinds 1 juli 2025 verboden zijn?
Een deel van de middelen zijn naar het oordeel van het Openbaar Ministerie voor het leven en gezondheid gevaarlijk zoals bedoeld in artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Een deel van de middelen zijn volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geneesmiddelen, die alleen met een vergunning mogen worden verkocht. Een deel van de middelen is aan te merken als stof vallend onder een van de stofgroepen die sinds 1 juli 2025 onder de Opiumwet verboden zijn.
Het lijkt erop dat websites van bedrijven als Funcaps hebben geprobeerd de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengt. Daarom zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daarover zo snel als mogelijk informeren.
Zijn er op dit moment nog leemtes in de Opiumwet waardoor soortgelijke designerdrugs niet officieel verboden zijn? Zo ja, wat is ervoor nodig om deze grensgevallen wel onder het verbod uit de Opiumwet te laten vallen?
Door de introductie van lijst IA bij de Opiumwet zijn er nu drie groepen designerdrugs verboden. Op dit moment wordt gewerkt aan regelgeving om een vierde stofgroep, de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA. Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Deze stoffen vormen niet allemaal eenzelfde bedreiging voor de volksgezondheid.
De effecten van de NPS-wet, lijst IA, worden gemonitord en geëvalueerd. Op basis van deze dataverzameling en de ontwikkeling in het aanbod van designerbenzodiazepinen en de effecten op de gezondheid wordt de wenselijkheid van een verbod op deze groep middelen binnen de Opiumwet bepaald.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Funcaps dagelijks de Staatscourant in de gaten houden om op de hoogte te blijven van eventuele nieuwe verboden van designerdrugs?
Wanneer het geval is dat de insteek van deze bedrijven is om de wetgeving te ontduiken, mag duidelijk zijn dat dit zeer onwenselijk is.
Hoe vaak worden pakketten onderschept met designerdrugs of grondstoffen en welke maatregelen zijn mogelijk om deze aanpak structureel te verbeteren?
Sinds 1 juli 2025 is de nieuwe wetgeving aangaande specifieke groepen designerdrugs in werking. Er zijn op dit moment nog geen cijfers bekend over onderscheppingen van designerdrugs en/of grondstoffen sinds 1 juli 2025.
In het kader van de invoeringstoets van de onderhavige wetgeving, woeden in de loop van 2026 de eerste cijfers van na de wetswijziging van 1 juli 2025 bekend. Deze cijfers worden gebruikt voor de evaluatie van de wetgeving, die na 3 jaar moet zijn afgerond, en geven een eerste indicatie van de effectiviteit van de recente wetswijziging en of er eventueel nadere maatregelen nodig zijn om de problematiek aan te pakken.
Verder worden grondstoffen zelden via pakketten per post verstuurd en daarmee dus ook zelden onderschept. De stroom grondstoffen, ook wel precursoren, loopt normaliter via andere logistieke wegen, zoals via de havens of het spoor.
Welke preventieve maatregelen kunt u nemen om tevoorkomen dat soortgelijke illegale webshops in de toekomst opnieuw ontstaan, met name bij handel in designerdrugs?
Wij kunnen niet voorkomen dat webshops worden gemaakt of opgezet. Er kan pas gehandhaafd worden als daadwerkelijk sprake is van online illegale inhoud of illegale activiteit.
Indien geen gehoor wordt gegeven aan verzoeken tot verwijdering van online illegale content2 kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris, die enkel wordt afgegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, een platform bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is voor de beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten (artikel 125p Sv).
De digitaledienstenverordening (DSA) is sinds 2024 in werking en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe.
Welke opsporingstechnieken zijn op dit moment inzetbaar om online handel in designerdrugs te detecteren?
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien er gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
In hoeverre worden hostingbedrijven aangesproken wanneer ze webshops faciliteren die designerdrugs aanbieden?
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze kennis hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de NVWA en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. Zowel de IGJ als de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hoe kan misleidende marketing rondom designerdrugs, die specifiek gericht is op jongeren, tegen worden gehouden en hoe wordt voorkomen dat minderjarigen gemakkelijk via internet toegang hebben tot designerdrugs?
Online platformen hebben onder de DSA de verplichting om de privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen (artikel 28). Zij zijn echter niet verplicht om te beoordelen of de afnemer van hun dienst minderjarig is. Online platformen kunnen wel houders van websites die frequent illegale inhoud plaatsen schorsen.
Het is in algemene zin niet mogelijk om de toegang van jongeren of minderjarigen tot het internet te beperken, ook niet als het gaat om ongewenste websites. Het is vooral van belang dat deze groep wordt voorgelicht over de risico’s. Ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen. Momenteel worden deze richtlijnen verder geconcretiseerd, zodat ouders en opvoeders de adviezen kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van OCW momenteel aan de verankering van digitale geletterdheid in het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs: zo worden leerlingen gestimuleerd om online de kansen en risico’s te herkennen en zo weloverwogen keuzes te maken. Het Trimbos-instituut biedt voorlichting over de risico’s van drugs gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voorgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Daarnaast is afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social mediacampagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren.
De handel in middelen die vallen onder de Opiumwet is strafbaar. Daarnaast is het op grond van artikel 3b van de Opiumwet ook verboden om de verkoop van middelen door openbaarmaking te bevorderen. Indien aangetoond kan worden dat sociale media of andere partijen medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden. Voor strafrechtelijke vervolging moet er echter wel opzet van de sociale media of verkopende websites bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden. Hierbij is het dus van belang om te kijken om wat voor stoffen deze misleidende marketing draait om tot het antwoord te komen hoe daarmee om te gaan.
Op welke manier werkt Nederland samen met buurlanden om labs en sites die designerdrugs aanbieden en produceren, op te sporen en op te rollen?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het sinds 1 juli 2025. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.