Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Tijs van den Brink (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
De toegankelijkheid van het notariaat op Bonaire |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ministerie verwijst bij klachten notarissen Bonaire naar toezichthouder»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste zorgen over aanhoudende lange wachttijden, de verminderde toegang tot het notariaat en de signalen van mogelijk ongelijke behandeling? Kunt u aangeven op welke wijze daar tot nu toe vanuit het ministerie aandacht voor is geweest?
Bent u het ermee eens dat een goed functionerend en toegankelijk notariaat op Bonaire essentieel is voor niet alleen de lokale economie, maar ook voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming op Bonaire?
Kunt u, gezien het gegeven dat direct toezicht bij de Kamer van Toezicht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belegd is, aangeven hoeveel klachten bij de Kamer van Toezicht zijn binnengekomen over het functioneren van het notariaat op Bonaire en in hoeverre dit heeft geleid tot verdere maatregelen? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of naar uw oordeel de rol als toezichthouder voldoende bekend is om effectief te functioneren?
Welke mogelijkheden ziet u om de situatie te verbeteren?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Jan Struijs (50PLUS), Mirjam Bikker (CU), Tijs van den Brink (CDA), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Tijs van den Brink (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deze cijfers sluiten aan bij het gemiddelde beeld dat we bij verkiezingen zien. Ongeveer één op de tien kiezers brengt zijn stem uit via een volmacht. Ook bij de vorige verkiezingen was dit het landelijke gemiddelde.
Het gebruik van volmachten bij verkiezingen voorziet in een behoefte. Kiezers die niet zelf naar het stembureau kunnen gaan – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Uit de evaluatie onder kiezers na de Europees Parlementsverkiezing in 2024 blijkt bovendien dat 54% van de kiezers die een volmacht hebben afgegeven, niet zou hebben gestemd als deze mogelijkheid er niet was geweest. Stemmen per volmacht heeft daarmee aantoonbare meerwaarde binnen ons verkiezingsproces: het voorkomt dat stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Ik heb begrip voor de zorgen van internationale waarnemers dat grootschalig gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en tot risico’s kan leiden zoals het ronselen van volmachten. Daarbij merk ik op dat een volmachtnemer namens een andere kiezer stemt. Het is dus niet het geval dat deze volmachtnemer een zwaardere stem krijgt bij verkiezingen dan andere kiezers. Daarnaast merk ik op dat het gebruik van volmachten in Nederland een breed gedragen en geaccepteerde methode is, die bovendien bijdraagt aan de opkomst bij verkiezingen. Dankzij volmachten kunnen ook mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan, toch hun stem uitbrengen via een gemachtigde.
Dat neemt niet weg dat misbruik, zoals het ronselen van volmachtstemmen, zeer ernstig is. Dit ondermijnt de integriteit van het verkiezingsproces en schaadt het vertrouwen in de democratie. Juist daarom is per 1 januari de wet tot aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten (Stb. 2025, 272) in werking getreden. Met deze wet is de strafmaat verhoogd en de delictsomschrijving bij de tijd gebracht.
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
De regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf geen reden tot zorg. In veel gevallen zijn hogere percentages te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. Rondom stembureaus waar relatief veel ouderen of mensen in zorginstellingen wonen, ligt het aandeel volmachtstemmen hoger. Tegelijkertijd is het belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages voorkomen, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Met de gemeente Den Haag is contact geweest over het hoge percentage volmachten bij enkele stembureaus. In dit contact komt naar voren dat de gemeente tijdens de verkiezingsdag alle stembureaus monitort en een wijkambtenaar naar een stembureau stuurt bij opvallende volmachtpercentages. Na de stemming worden alle processen-verbaal gecontroleerd op afwijkingen. Daarnaast hebben inwoners de mogelijkheid om signalen door te geven aan het centraal stembureau. De gemeente merkt hierbij op dat zij geen signalen hebben dat volmacht stemmen zijn geronseld. Dit blijkt niet uit de data-analyse, maar ook niet uit de bevindingen van wijkambtenaren die stembureaus met hoge percentages volmachten hebben bezocht. Ook in de processen-verbaal zijn geen onrechtmatigheden gevonden. Inwoners konden tot en met 24 maart meldingen doen. Er zijn geen signalen binnengekomen. Op basis van een vergelijking met afgelopen verkiezingen concludeert de gemeente dat de hoeveelheid volmachtstemmen bij die stembureaus deze verkiezing niet afwijkt van de hoeveelheid volmachten bij eerdere verkiezingen.
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Dit risico neem ik serieus. Ronselen tast de stemvrijheid van kiezers aan en schaadt het vertrouwen in de democratie. Recent is op dit onderdeel de Kieswet aangepast: de strafmaat is verhoogd en de delictsomschrijving gemoderniseerd.
Tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen dat ronselen veel voorkomt in Nederland. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart.2 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan. Echter, iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst.
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Geen enkele van de bovenstaande methodes is volledig risicoloos. Het is steeds een afweging tussen toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en het borgen van de integriteit van het verkiezingsproces.
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar per type volmacht. Alleen het totaal aantal uitgebrachte volmachtstemmen is bekend. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025 waren dat er 991.649, bij de Europees Parlementsverkiezing van 6 juni 2024 716.963 en bij de Tweede Kamerverkiezing van 22 november 2023 zijn er 996.481 stemmen bij volmacht uitgebracht. Van de recente Gemeenteraadsverkiezingen zijn nog geen definitieve cijfers bekend.
Uit de evaluaties3 van de Europees Parlementsverkiezing4 en de Tweede Kamerverkiezing (2023) 5 komt naar voren dat respectievelijk tien en zes procent een schriftelijke volmacht hebben aangevraagd via de gemeente.
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Vervroegd stemmen, waarbij kiezers bijvoorbeeld gedurende de twee dagen voorafgaand aan de dag van stemming hun stem kunnen uitbrengen, kan de behoefte aan stemmen bij volmacht verminderen. Kiezers die op verkiezingsdag verhinderd zijn, kunnen dan op een voor hen passend moment zelf naar de stembus. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het aantal volmachten per persoon verlaagt van twee naar één, waarbij tevens wordt voorgesteld om vervroegd stemmen in te voeren6. Het huidige kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over dit wetsvoorstel.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?
Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat er al stappen zijn gezet om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken. Per 1 januari 2026 is de Kieswet op dit punt gewijzigd: de delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Er is ook extra ingezet op goede voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
Aanvullend betrek ik de casus Gorinchem bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Ja, het is zeer zorgelijk dat jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden hebben gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld. Dit wijst op een ernstige maatschappelijke problematiek.
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Het is verwerpelijk dat dit soort beelden rondgaan. Dit soort beelden is schokkend en laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. Ik kan mij ook voorstellen dat kijkers die hiermee worden geconfronteerd hier last van kunnen hebben. Dat beelden van seksueel misbruik van minderjarigen op deze wijze onder de aandacht worden gebracht, vergroot het bereik en daarmee de impact op slachtoffers aanzienlijk. Dit kan leiden tot hernieuwde confrontatie en extra leed bij betrokkenen. Zoals ik al eerder heb aangegeven is de verspreiding van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Online platforms en advertentieaanbieders dragen een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen en snel en effectief op te treden wanneer dergelijke content wordt aangetroffen. Van hen wordt verwacht dat zij doeltreffende maatregelen nemen om de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te stoppen, content snel te verwijderen en herplaatsing te voorkomen.
Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders, en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het ongevraagd en zonder toestemming verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen opgetreden.
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Mogelijk wordt gedoeld op de zorgvuldigheidsverplichtingen die gelden voor online platforms op grond van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Op grond van de DSA zijn online platforms onder meer verplicht om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat minderjarigen worden beschermd tegen inhoud voor volwassenen.
Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of aan deze verplichtingen wordt voldaan. Vanaf 4 februari 2025 zijn in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) de bevoegde toezichthouders voor de naleving van in Nederland gevestigde aanbieders.
Op de zogenaamde «zeer grote online platforms» rust verder de verplichting om eventuele systeemrisico’s bestaande uit, onder meer, negatieve effecten op het mentale en fysieke welzijn van gebruikers, te beoordelen en te beperken. De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA op de zeer grote platforms en zoekmachines. In dat kader is relevant dat de Europese Commissie onderzoeken is gestart naar Pornhub, XNXX en XVideos om te beoordelen of zij voldoen aan hun verplichtingen uit de DSA.
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Wanneer jongeren (ongewild) te maken krijgen met beeldmateriaal van online seksueel (kinder)misbruik kunnen zij zowel melding als aangifte doen bij de politie. De politie vraagt daarbij of er bezwaar is tegen het doorgeven van de gegevens aan Slachtofferhulp Nederland. Als er geen bezwaar is, worden de gegevens automatisch doorgestuurd en worden slachtoffers actief benaderd door Slachtofferhulp Nederland. Zo kunnen slachtoffers snel en kosteloos emotionele steun, juridisch advies en/of praktische hulp ontvangen.
Daarnaast staat er op de websites van Slachtofferwijzer en het Netwerk Mediawijsheid toegankelijke informatie over veilig en slim gebruik van digitale media, slachtofferschap en hulporganisaties. Hier wordt onder andere verwezen naar de kosteloze en anonieme hulplijnen van het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG), waar iedereen met een vervelende seksuele ervaring terecht kan, en van Offlimits, die slachtoffers ondersteunt bij het doen van een melding van illegale content en het doen van aangifte. Door het laagdrempelig aanbieden van informatie weten zowel slachtoffers als professionals en ouders waar ze terecht kunnen.
Voor wat betreft de bekendheid met hulpverleningsinstanties kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat er een stijging te zien is in het aantal meldingen van en hulpvragen over (online) seksueel (kinder)misbruik. Dit blijkt uit zowel cijfers van Slachtofferhulp Nederland als uit de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. De Nationaal Rapporteur rapporteert o.a. over cijfers van de politie, het CSG en Offlimits. Volgens de Nationaal Rapporteur lijkt de toegenomen maatschappelijke aandacht onder andere bij te dragen aan de bekendheid van hulporganisaties.2
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Ik deel de zorg dat blootstelling aan strafbare of gewelddadige pornobeelden grote gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van jongeren. Dit kan leiden tot desensibilisatie waarbij jongeren minder gevoelig worden voor geweld en onethisch gedrag. Daarnaast kan het hun zelfbeeld verstoren en onrealistische verwachtingen geven over seksualiteit en relaties. Bovendien kan de normalisering van geweld ertoe leiden dat jongeren dit gedrag gaan accepteren als normaal. Het is cruciaal dat we als samenleving jongeren beschermen tegen de schadelijke gevolgen van dit soort beelden en hen voorzien van de tools die ze nodig hebben om gezonde relaties te vormen.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Er zijn verschillende verplichtingen en maatregelen die een rol spelen in het tegengaan van toegang van jongeren tot illegale online content. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft daar recent richtsnoeren over gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november jl. over geïnformeerd.3 Uit de richtsnoeren blijkt onder meer dat de risico’s van pornoplatforms zodanig zijn dat zij de leeftijd van bezoekers moeten verifiëren. In dit kader wordt ook gewezen op de onderzoeken van de Europese Commissie naar Pornhub, XNXX en Xvideos.4 Aangewezen zeer grote online platforms dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s (overigens ook de kansen) van een digitale dienst in kaart te brengen. Daarnaast is Offlimits een organisatie waar online illegale content kan worden gemeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de ACM aangewezen als trusted flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms. Het platform dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform haar verplichtingen onder de DSA niet naleeft, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van zeer grote platforms de Europese Commissie kan ingrijpen. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet.
Tenslotte schrijft de Richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: AVMSD) maatregelen voor op het gebied van de bescherming van minderjarigen. Voor content met pornografie of nodeloos geweld moeten de zwaarste maatregelen worden getroffen. Lidstaten zorgen ervoor dat de videoplatforms die onder hun jurisdictie vallen passende maatregelen treffen ter bescherming van minderjarigen. De AVMSD is uitgewerkt in de Mediawet 2008. Videoplatformdiensten (platformdiensten die video’s aanbieden bestemd voor algemeen publiek) die in Nederland zijn gevestigd dienen een gedragscode te hanteren. Voor in Nederland gevestigde aanbieders van mediadiensten, zoals omroepen of video-uploaders, zijn de regels van het Kijkwijzer-systeem van NICAM5 van toepassing.
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
Op de naleving van de DSA door sociale mediaplatforms wordt toezicht gehouden door de ACM. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Als de Europese Commissie concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X. Ik blijf vanzelfsprekend mijn steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de Europese Commissie.
Tevens zet Nederland zich in voor aanvullende EU-wetgeving tegen de verspreiding van online seksueel kindermisbruik in de onderhandelingen van de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening). De voorgenomen EU-Verordening bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Waar het gaat om kinderpornografisch materiaal is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken.
Aanbieders van hostingdiensten die geen opvolging geven aan een verwijderingsbevel van de ATKM, kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. De ATKM onderhoudt mede om die reden nauw contact met het Openbaar Ministerie.
Als pornoplatforms of sociale media weten dat er via hun diensten strafbare content wordt verspreid en daar niet tegen optreden dan kunnen ze zelf aansprakelijk worden gesteld voor die strafbare content. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De officier van justitie kan in geval van een verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waaronder het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De DSA verplicht onder meer online platforms om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Kennis van illegale content kan bijvoorbeeld ontstaan door een melding van illegale content. Online platforms moeten op grond van de DSA bovendien maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen door zeer grote online platforms en zoekmachines. Aangezien de DSA nog relatief nieuwe wetgeving betreft, is het raadzaam om deze de benodigde tijd te geven om zich volledig te ontwikkelen.
De AVMSD kent regels voor videoplatformdiensten, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Mediawet 2008 voor in Nederland gevestigde videoplatformdiensten. Zij moeten een gedragscode opstellen en naleven, waaronder ook wordt ingegaan op de bescherming van minderjarigen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de totstandkoming, inhoud en toepassing van deze gedragscode van de videoplatformdiensten onder Nederlandse jurisdictie.
Volgens de MAVISE-database van het Europees Audiovisueel Observatorium staan er geen pornografische videoplatforms onder Nederlandse jurisdictie.6
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Een afdwingbare zorgplicht om dergelijke content te detecteren en verwijderen betekent in de praktijk dat een online platform alle content op het platform zal gaan scannen en desnoods (uit voorzorg) verwijderen. Zo’n algemene monitoringsverplichting is op grond van artikel 8 DSA niet toegestaan. Het verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Indien platforms aansprakelijk kunnen worden gesteld of kunnen worden vervolgd dan zullen ze uit voorzorg waarschijnlijk meer informatie verwijderen dan noodzakelijk.
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
De ATKM en Offlimits hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beide tot doel de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te bestrijden. Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk tot aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt haar verwijderbevelen tot aanbieders van hosting- of communicatiediensten.
In Nederland is, via de Gedragscode Notice-and-Take-Down, de afspraak gemaakt met de hostingsector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24-uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken van Offlimits en wordt strafbaar materiaal offline gehaald. Wanneer er sprake is van een hoster die structureel niet of te laat reageert, kan de ATKM bestuursrechtelijk optreden tegen deze weigerende partijen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Artikel 15 van de DSA verplicht daarnaast aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in de mediane tijd die nodig is om actie te ondernemen in geval van bevelen vanuit autoriteiten of meldingen van trusted flaggers.
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Als dergelijke misstanden zich voordoen, beschouw ik dat als onacceptabel. Het is belangrijk dat slachtoffers zich melden bij de politie wanneer zij misstanden waarnemen of zelf slachtoffer worden. In zulke gevallen kan de overheid op basis van deze meldingen effectief optreden. Elk signaal van mensenhandel wordt door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie opgepakt, overeenkomstig de aanwijzing van het OM over mensenhandel. Daarnaast is mensenhandel voor de periode 2023–2026 een van de belangrijke thema's in de Veiligheidsagenda, waaruit landelijke beleidsdoelstellingen voor de politietaken zijn afgeleid. Het heeft op deze manier hoge prioriteit. Verder is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, wat de strafrechtelijke bescherming van de slachtoffers van seksuele misdrijven versterkt.
Tenslotte is bescherming en hulp van porno-acteurs onderdeel van lopend WODC-onderzoek (zie vraag 15), waarbij onder andere in kaart wordt gebracht of en zo ja, op welke wijze de pornosector (en betrokken organisaties) de veiligheid van de acteurs waarborgen en garanderen.
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen 9 en 11.
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Ik ben hiermee bekend.
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Tijdens het commissiedebat mensenhandel en prostitutie van 11 september 2024 heb ik toegezegd om het WODC te vragen een onderzoek uit te voeren naar de Nederlandse porno-industrie. Op dit moment voert het Verwey-Jonker Instituut – in opdracht van het WODC en op aanvraag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid – onderzoek uit. Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in de Nederlandse pornosector en mogelijke misstanden. Er wordt onderzoek gedaan naar het bestaan van mogelijke misstanden in brede zin, waarbij de focus niet enkel ligt op strafbare feiten.
De onderzoekers zijn reeds gestart met het onderzoek en de eerste bijeenkomsten van de begeleidingscommissie hebben plaatsgevonden. De volgende bijeenkomst van de begeleidingscommissie staat gepland in het voorjaar van 2026. Het onderzoek zal naar verwachting een jaar in beslag nemen en einde 2026 afgerond zijn. Bij ontwikkelingen ten aanzien van dit tijdspad zal de Kamer, waar nodig, op de hoogte worden gehouden.
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
In 2023 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning gedaan naar misstanden binnen de Nederlandse pornosector. De aanleiding hiervan was een rapport van de Franse Senaat over misstanden in de Franse pornosector en de vraag of in Nederland soortgelijke misstanden bekend zijn. Met misstanden werd in het kader van de uitgevoerde verkenning bedoeld, het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. De vraag naar misstanden is toentertijd breed uitgezet bij de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha), de zestien regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s), Fier, SOA Aids Nederland en andere partijen binnen de Sekswerk Alliantie Destigmatisering. Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie is destijds niet gebleken van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Dat bij producties binnen de porno-industrie (toentertijd) geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze destijds niet bekend waren bij organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
In de zomer van 2024 publiceerde de Volkskrant een artikel over een Nederlandse man die vrouwen vanuit Oost-Europa naar Nederland lokte om modellenwerk te doen, maar hen vervolgens dwong om mee te werken aan pornofilms. Naar aanleiding van dit artikel ontstonden (wederom) zorgen. In hoeverre sprake is van misstanden en zo ja, wat voor misstanden dit zijn, zal moeten blijken uit het onderzoek van het WODC.
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Het kabinet blijft alert op signalen van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ongeacht de sector waarin deze zich voordoen. Signalen worden opgepakt door de daartoe bevoegde instanties en waar sprake is van strafbare feiten wordt opgetreden. Tevens wordt ingezet op vroegsignalering, samenwerking tussen ketenpartners en adequate ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Op de vraag of bij hulpverleningsinstanties signalen bekend zijn heeft het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha) aangegeven dat uit hun cijfers geen blijk is van deze signalen en dat dit is bevestigd nadat zij dit hadden uitgevraagd bij het Strategisch Overleg Mensenhandel (hierna: SOM). De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de aanpak van (mensenhandel gerelateerd aan) seksuele uitbuiting. Een interne uitvraag op de zoektermen «porno» of «porno-industrie» op de bij de Arbeidsinspectie binnengekomen meldingen heeft geen hits opgeleverd. Wel heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie in juni vorig jaar, op verzoek van Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), collegiaal meegedacht over een melding die zag op activiteiten binnen in de porno-industrie. In dat kader zijn relevante gegevens gedeeld met AVIM, waarna AVIM de verdere behandeling van de zaak op zich heeft genomen. De melding was afkomstig uit het buitenland en in overleg met het OM is besloten om een rechtshulpverzoek op te stellen, om meer informatie over de melding te kunnen verzamelen. De politie is nog in afwachting van de behandeling van dit rechtshulpverzoek. Het onderzoek naar deze melding loopt dus nog.