Het meenemen van klimaatrisico’s bij ruimtelijke besluiten |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer , Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dutch Climate Risk Portal?1
Ja ik ben hiermee bekend. Dit portaal is in opdracht van het Ministerie van IenW ontwikkeld door Stichting Climate Adaptation Services (CAS).
Hoe wordt dit portaal concreet gebruikt in beleidsvoorbereiding?
Het wordt niet concreet gebruikt bij de beleidsvoorbereiding, maar ingezet als instrument om beter en duidelijker te communiceren over overstromings- en klimaatrisico’s. Het portaal is specifiek bedoeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector die inschattingen maken over de fysieke risico’s die zij (mogelijk) lopen. Er wordt daarbij aangesloten bij de internationale financiële kaders. De data die erin staat is niet nieuw, en was al beschikbaar op de landelijke klimaateffectatlas en andere openbare bronnen. Deze bestaande data wordt al gebruikt bij beleidsontwikkeling en voorbereiding.
Klopt het dat grote delen van de informatie op de Dutch Climate Risk Portal uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn en vooral lijken te zijn gericht op (internationale) investeerders en de financiële sector? Acht u dit wenselijk?
Dat klopt. Voor Nederlandse partijen is er de klimaateffectatlas, die juist gericht is op Nederlandse overheden en organisaties. Het Dutch Climate Risk Portal (DCRP) is specifiek ontwikkeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector omdat er veel behoefte is naar de data en informatie die op verschillende plekken staat, maar niet altijd makkelijk toegankelijk of begrijpelijk was voor deze partijen.
De financiële sector heeft te maken met toezicht- en rapportageverplichtingen waarbij de fysieke risico’s moeten worden geanalyseerd. In de afgelopen jaren zijn er voorbeelden langsgekomen waarbij internationale investeerders of kredietbeoordelaars conclusies trokken op basis van verkeerde (of verkeerde gebruikte) data en onderliggende aannames. Om onder- en overwaardering van risico’s te voorkomen is het belangrijk om samen met de financiële sector op te trekken om er voor te zorgen dat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te investeren, (toekomstige) schade beperkt blijft en de lange termijn verzekerbaarheid niet onder druk komt te staan. Om de behoefte goed af te stemmen is het DCRP samen met de financiële sector en andere experts ontwikkeld. Als er nieuwe informatie beschikbaar komt wordt het ook op dit portaal ontsloten.
Op welke wijze en door wie worden de risico-indicatoren en gegevens van de Dutch Climate Risk Portal gebruikt? Wat is de doelgroep?
De doelgroep van het DCRP zijn partijen uit de financiële sector, denk aan verzekeraars, banken, kredietbeoordelaars, investeerders of andere bedrijven die in deze sector actief zijn. De data kan gebruikt worden voor het maken van risico analyses voor bestaande bezittingen, of mogelijke nieuwe investeringen. De fysieke risico’s zijn in lijn gebracht met de EU taxonomie, zodat rapportage en analyses voor dergelijke partijen ook goed aansluit bij deze terminologie die voor hen van toepassing is.
Op welke manier worden andere overheidsinstanties, zoals gemeenten en provincies hierbij betrokken?
De doelgroep van het DCRP zijn niet mede overheden, hiervoor is de klimaateffectatlas ontwikkeld. Bij de ontwikkeling en het beheer van de klimaateffectatlas zijn overheidsinstanties betrokken.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie op Dutch Climate Risk Portal voor inwoners zonder technische of beleidsmatige achtergrond? En hoe zorgt u ervoor dat deze inwoners en lokale partijen minstens even goed en begrijpelijk worden geïnformeerd over klimaatrisico’s in hun eigen leefomgeving?
Het DCRP is ontwikkeld met als doelgroep de financiële sector, waar veel expertise op risicoanalyses aanwezig is. Tijdens de ontwikkeling is dit ook veelvuldig met de toekomstige gebruikers afgestemd. Daarom is de data ook technisch aangeleverd, dit sluit aan bij de behoeftes van de gebruikers. Voor geïnteresseerden zonder technische of beleidsmatige achtergrond is de klimaateffectatlas een betere manier om kennis te nemen van de klimaatrisico’s. Het DCPR en de klimaateffectatlas zijn gebaseerd op dezelfde gegevens. Verder wordt er vanuit het Ministerie van IenW ook gewerkt aan de ontwikkeling van de Waterwijzer gebouwen gericht op inwoners en ondernemers, zie antwoord vraag 14.
In hoeverre worden klimaatrisico’s expliciet betrokken bij rijksbesluiten over ruimtelijke ordering, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte en NOVEX-gebieden?
Klimaatrisico’s worden expliciet betrokken bij het maken van ruimtelijke keuzes. In de Ontwerp-Nota Ruimte is de keuze gemaakt dat bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, systematisch rekening gehouden moet worden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Dit wordt onder andere concreet gemaakt in de keuzes om: nieuwe bebouwing in de uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn Grote Rivieren niet langer toe te staan met het oog op overstromingsrisico’s en in de keuze om voor het IJsselmeergebied binnendijks te bouwen wat binnendijks kan, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening. Het doel is om de negatieve maatschappelijke gevolgen te beperken en een goede kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. Ook in de Ontwikkelperspectieven van de NOVEX-gebieden en de verdere uitwerking daarvan in uitvoeringsagenda’s en Regionale Investeringsagenda’s (RIA) wordt rekening gehouden met klimaatrisico’s. De decentrale overheden en Rijkspartners werken intensief samen bij de uitwerking in concrete acties en projecten. De komende periode ga ik, op basis van het coalitieakkoord en de binnengekomen zienswijzen, samen met mijn collega's bezien of en zo ja, waar eventuele aanscherping in de keuzes richting de definitieve Nota Ruimte nodig en gewenst is.
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waaronder woningbouw en voorzieningen in de zorg, onderwijs, mobiliteit plaatsvinden op plekken met verhoogde risico’s (op wateroverlast, funderingsschade, overstroming, droogte) met schade tot gevolg?
De Ministeries van IenW en VRO hebben gezamenlijk twee instrumenten ontwikkeld die partijen (medeoverheden, bouwende partijen en ontwikkelaars) helpen bij het maken van klimaatbestendige keuzes bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen:
Verder is in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze gemaakt dat vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, bij voorkeur op plekken worden gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Ook houden we in Rijksprogramma’s met een ruimtelijke impact rekening met het water- en bodemsysteem. Op deze manier wordt getracht zo goed mogelijk invulling te geven aan de keuze om bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening te houden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering.
Herkent u dat veel inwoners onvoldoende zicht hebben op klimaatrisico’s in hun wijk?
Ja, dat herken ik. Dit is ook een van de uitkomsten van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. In het antwoord op vraag 13 ga ik verder in op de lokale impact voor inwoners.
Hoe past het introduceren van een publiek toegankelijk klimaatrisicolabel of waterlabel voor gebieden of woningen, vergelijkbaar met het energielabel, hierin?
Een van de aanbevelingen van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater is om een waterlabel te onderzoeken. Een publiek toegankelijk instrument kan een laagdrempelige manier zijn om inwoners en ondernemers te informeren over de gevolgen van klimaatverandering en wat inwoners en ondernemers kunnen doen om de gevolgen te verminderen.
Heeft u de mogelijkheden van zo’n label al eens onderzocht? Wat waren de resultaten daarvan?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft onderzoek laten uitvoeren naar de invoering van een waterlabel en in welke vorm. Een eerste rapport is online beschikbaar2. De Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de verdere opvolging van het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater over de invoering van de Waterwijzer gebouwen.
Zijn er regio’s in Nederland waar verzekerbaarheid of hypotheekverstrekking onder druk staan of vermoedelijk in de toekomst onder druk komen te staan door toenemende klimaatrisico’s? Welke regio’s zijn dit?
Op dit moment zijn er geen signalen dat verzekerbaarheid en hypotheekverstrekking onder druk staan. Verzekeraars en banken hebben wel al regelmatig aangegeven in de media, position papers en onderlinge samenwerking dat ze het belangrijk vinden dat de overheid blijft inzetten op preventieve- en gevolgbeperkende maatregelen in kwetsbare gebieden. Ook zien verzekeraars en banken bij nieuwbouw graag dat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen door het maken van klimaatbestendige keuzes in locatiekeuze en gevolgbeperkende maatregelen.
Zijn er kwetsbare wijken of bevolkingsgroepen die worden geraakt door klimaatrisico’s? Zo ja, welke? En hoe waarborgt u bescherming en voorkomt u schade?
Hoewel heel Nederland en alle bevolkingsgroepen geraakt kunnen worden door klimaatgebeurtenissen, is de impact ervan en het handelingsperspectief niet gelijk voor alle wijken en groepen mensen. Voor beter inzicht de kwetsbaarheid van wijken en de leefomgeving door klimaatrisico’s worden in het kader van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) streststesten uitgevoerd. Op basis van deze stresstesten worden in de werkregio’s risicodialogen gevoerd met belanghebbenden. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met mensen in kwetsbare posities. Daarnaast is ten aanzien van wateroverlast onlangs de aanzet voor de op te stellen nationale aanpak wateroverlast aangeboden aan de Tweede Kamer3. Voor hitte is er in de Hitte Aanpak 2025 specifiek aandacht voor kwetsbare groepen. Ook wordt er momenteel gewerkt aan de herijking van de Nationale Klimaatadapatiestrategie (NAS). Daarin is ook aandacht voor de impact van klimaatverandering op de bestaande gebouwde omgeving.
In hoeverre worden individuele huiseigenaren geïnformeerd over risico’s?
Huiseigenaren en huurders van woningen met een energielabel vanaf 2021 worden met dit energielabel geïnformeerd over het risico op hoge binnentemperaturen. Het energielabel is verplicht bij verkoop, verhuur en oplevering. Oudere nog geldige energielabels vermelden het risico op hoge binnentemperaturen niet. Ook moeten nieuwbouwwoningen vanaf 2021 voldoen aan de zogenaamde TO-juli eis om het risico op oververhitting te beperken. Daarnaast wordt aan individuele huiseigenaren en huurders via milieucentraal.nl, levenmetwater.nl en overstroomik.nl en via waterschappen op een toegankelijke manier informatie en handelingsperspectief geboden over de gevolgen van een heter en droger klimaat met extreme neerslag en overstromingen.
Zou een verplichting om bij verkoop of verhuur van woningen inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s een oplossing kunnen bieden voor de transparantie en duidelijkheid?
Anders dan de energielabels voor woningbouw vanaf 2021, die inzage geven in het risico op hoge binnentemperaturen (zie vraag 14), wordt er vooralsnog niet ingezet op een verplichting om inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s ten aanzien van wateroverlast of droogte bij verkoop of verhuur van woningen. Wel wordt er momenteel gewerkt aan de ontwikkeling van een Waterwijzer Gebouwen. Het doel van deze Waterwijzer Gebouwen is inwoners waterweerbaar te maken via het verhogen van bewustwording over risico’s en het bieden van handelingsperspectief.
Er is ook al veel data over klimaatrisico’s beschikbaar via de klimaateffectatlas; als je een woning wilt aankopen is op deze site specifieke informatie te vinden in het buurtdashbord. Tenslotte heeft het Rijk bijgedragen aan de ontwikkeling van het Framework for Climate Adaptive Buildings (FCAB), ontwikkeld met een breed consortium door de Dutch Green Building Council. Het betreft een methode waarmee gebouweigenaren kunnen bepalen wat de klimaatrisico’s voor hun panden zijn en waar de grootste risico’s in hun vastgoedportefeuille zitten. Dit helpt eigenaren om de juiste maatregelen te kunnen treffen om hun vastgoed klimaatbestendig te maken. Veel marktpartijen gebruiken het instrument al. We stimuleren ook dat woningcorporaties deze methodiek gebruiken. De eerste circa 50 woningcorporaties zijn er al mee gestart en de intentie is dit verder uit te breiden.
Bent u bereid om wettelijke of procedurele verplichtingen te versterken waarmee waterschappen tijdig betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en samen kunnen werken met gemeenten en provincies, zodat risico’s eerder aan het licht komen?
Ik deel de observatie dat door vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap risico’s eerder aan het licht kunnen komen. Hierdoor kan ook vertraging later in het proces worden voorkomen. Het vroegtijdig betrekken gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 zijn daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Deze houden in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van het bevoegd gezag, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de weging van het waterbelang, zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken onder de Omgevingswet.
Hoe garandeert u dat de uitgangspunten uit de Nationale Adaptatiestrategie (NAS)2 en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie3 niet vrijblijvend zijn, maar daadwerkelijk doorwerken in rijksprogramma’s voor woningbouw en gebiedsontwikkeling breed?
Naar verwachting wordt in 2026 een geactualiseerde Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) opgeleverd. Ook zal dit jaar de herijking van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie gereedkomen. De keuzes uit de NAS en het DPRA gaan voor een groot deel doorwerken in het op te stellen Nationaal Waterprogramma, dat voor 2028 vastgesteld zal worden. Tevens zijn de uitgangspunten van deze twee programma’s al meegenomen bij de totstandkoming van de Ontwerp-Nota Ruimte, waarbij ze ook in integrale samenhang zijn bezien met keuzes voor woningbouw en gebiedsontwikkeling. Na vaststelling van de definitieve versie zal de Nota Ruimte kaderstellend werken voor alle nationale programma’s. Via deze wijze borgen we dat nadere ruimtelijke keuzes voor woningbouw, gebiedsontwikkeling en klimaatadaptatie in nationale programma’s op een integrale wijze worden gemaakt.
Hoe ziet u de rol van het Rijk in het ontwikkelen van standaarden voor klimaatbestendig bouwen, zodat alle stakeholders rondom gebiedsontwikkeling weten waar zij aan toe zijn?
Het Rijk informeert partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling over klimaatbestendige bouw door middel van de hierboven genoemde instrumenten: het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Dit zijn ondersteunende instrumenten, daardoor blijft er ruimte voor lokaal maatwerk en voor innovatieve oplossingen. Zoals hierboven benoemd kan normering door de Rijksoverheid op specifieke thema’s van meerwaarde zijn. In het antwoord op vraag 22 ga ik hier nader op in.
Acht u het wenselijk dat er een landelijke, uniforme klimaatrisicotoets wordt opgenomen in ruimtelijke besluiten voor grootschalige woningbouwlocaties, zodat procedures voorspelbaar worden en vertraging door discussies achteraf wordt voorkomen?
Zoals ik hierboven bij vraag 18 heb aangegeven informeert het Rijk partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling zoals grootschalige woningbouwlocaties door middel van het afwegingskader en de maatlat. Hiermee stelt het Rijk partijen die werken aan gebiedsontwikkeling in staat om maatwerk te leveren en daarmee een afweging te maken die het beste past bij de lokale situatie. Daarnaast werken gemeenten en waterschappen in het kader van de Woontop afspraak 10.b6 aan een convenant om de onderlinge samenwerking te stroomlijnen. Met dit convenant worden afspraken gemaakt over de expertise en betrokkenheid van waterschappen en gemeenten bij woningbouwprojecten. Dit verbetert de onderlinge samenwerking in deze projecten, draagt bij aan voorspelbare procedures en voorkomt vertraging verderop in het proces.
Wordt er een impactanalyse gemaakt van klimaatrisico’s op de haalbaarheid en fasering van de nationale woningbouwopgave, zoals in het Deltaprogramma 2026 wordt gesuggereerd? Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit leidt tot slimmer bouwen?
Een nationale impactanalyse zoals in de vraag omschreven, wordt niet gemaakt. De Ontwerp-Nota Ruimte houdt bij alle keuzes rekening met water en bodem (zie vraag 7 en 8). Daarnaast zal de NAS ’26 verdere invulling geven aan de opgave klimaatbestendige nieuwbouw. Gemeenten zijn echter zelf verantwoordelijk voor de locatiekeuze (waar) en invulling (hoe) van de woningbouwopgave. Het Rijk heeft het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen om invulling te geven aan respectievelijk waar te bouwen en hoe te bouwen.
Bent u bereid het adviesrecht van waterschappen bij gebiedsontwikkeling te versterken zodat zij niet alleen reactief adviseren maar actief mee kunnen doen bij ontwikkelingen?4
Zie beantwoording van vraag 16.
Hoe borgt u dat toekomstige woningbouwplannen niet vertragen of stoppen maar worden aangepast waar nodig, door een waterrobuuste en adaptieve inrichting?
Op de Woontop van 2024 heb ik hierover afspraken gemaakt met marktpartijen en medeoverheden. Uitgangspunt is dat dat op veel plekken de woningbouwopgave groot is, maar daar tegelijkertijd maatregelen nodig zijn ten aanzien van water en bodem om verantwoord te kunnen bouwen. Met deze afspraak dragen wij bij aan toekomstbestendigheid, eenduidigheid en spreken we het commitment uit dat bouwen in gebieden met een opgave ten aanzien van water en bodem mogelijk is, maar wel extra aandacht vraagt.
Onderdeel van deze afspraken is dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast en bodemdaling. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Daarnaast werk ik met het College van Rijksbouwmeesters en Rijksadviseurs aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor deze locaties. Dit levert bewezen toepasbare en schaalbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 21, werken gemeenten en waterschappen daarnaast aan een verbetering van de onderlinge samenwerking, zodat in een vroeg stadium duidelijk is wat op een specifieke locatie nodig is om verantwoord te kunnen bouwen.
Op welke manier wordt gezorgd dat klimaatrisico’s beter in kaart worden gebracht en dat bewoners begrijpelijk en toegankelijk inzicht krijgen in klimaatrisico’s van hun woongebied (zoals hitte, wateroverlast, overstromingsrisico en droogte)?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) actualiseert momenteel de klimaatrisicoanalyse. De uitkomsten zullen naar verwachting in maart 2026 worden gepubliceerd. Daarnaast ontsluiten wij alle actuele kennis over gebiedsspecifieke klimaatrisico’s via de Klimaateffectatlas, waaronder die van hitte, wateroverlast, overstromingsrisico’s en droogte.
In het «Buurtdashboard» in de Klimaateffectatlas kunnen bewoners dit soort informatie vinden over hun eigen buurt. Verdere toelichting is te vinden bij de antwoorden op vraag 14 en 15.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Tieman , David van Weel (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
De door u aangehaalde veiligheidssituatie, vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen vereisen grote urgentie voor het maken van wetgeving. Het voorbereiden van wetgeving vraagt echter tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben. Nederland blijft in de tussentijd op alle mogelijke manieren werken aan de aanpak van de schaduwvloot.
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Het kabinet kijkt naar manieren om zo snel mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen de schaduwvloot en zal uw kamer hierover in de nabije toekomst nader informeren.
Ook bestaat de mogelijkheid u in een technische briefing nader te informeren.
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Zie antwoord vraag 2.
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. Het voorbereiden van wetgeving vraagt tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben.
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Voor zover bekend is het Franse optreden gebaseerd op bestaande Franse wetgeving.
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
De aangekondigde wetgeving betreft geen wetgeving ter uitvoering of naleving van sancties. Er wordt met spoed gewerkt aan het robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden. Ook wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Hierin wordt de mogelijkheid meegenomen schepen aan te houden en verplicht te laten uitwijken naar aangewezen ankerplaatsen voor inspectie en, in het uiterste geval, de inbeslagname van een vals gevlagd schip.
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Zonder op details te kunnen ingaan, wordt deze optie verkend.
Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Ja.
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Het Arcadis-rapport geeft informatie over verschillende groepen stoffen. Figuur 0–1 in het rapport geeft o.a. aan dat de hoogste overschrijdingen van de gehanteerde normen of signaleringswaarden worden aangetroffen in de groep «overige verontreinigende stoffen».
Dat neemt niet weg dat de gerapporteerde informatie over de aanwezigheid en normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen én biociden) en PFAS zorgelijk is. Binnen de EU is overeenstemming bereikt over de aanpassing van de Richtlijn prioritaire stoffen, de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn water (KRW). Afronding van de besluitvorming hierover is rond april dit jaar voorzien. Hiermee ontstaat ook duidelijkheid over de normen die voor dit soort stoffen moeten worden gehanteerd voor het vaststellen van normoverschrijdingen.
Naar aanleiding hiervan zal de Kamer nader geïnformeerd worden over de wijze waarop met provincies, drinkwaterbedrijven en waterschappen op een onderling afgestemde eenduidige wijze gerapporteerd kan worden over kwaliteit van grondwater. Dit is in lijn met acties uit het advies van de Studiegroep grondwater (Kamerstukken 27 625, nr. 594) over monitoring van grondwaterkwaliteit: actie 7A, «stem de bestaande grondwatermeetnetten beter op elkaar af zodat verontreiniging en toestand en trends daarvan eenduidig kunnen worden vastgesteld», actie 7B, «meet in het ondiepe grondwater om snel problemen te signaleren» en actie 7C, «Ontwikkel een indicator voor vergrijzing (mengseltoxiciteit»). Uitvoering van deze 3 acties is momenteel lopende en uitkomsten hiervan worden in de loop van dit jaar besproken met IPO, Unie van Waterschappen, VNG en de Vewin in het Bestuurlijk Overleg Water.
Bij het beoordelen van de gerapporteerde gegevens over gewasbeschermingsmiddelen moet ook in overweging genomen worden dat een aantal genoemde werkzame stoffen waarvan metabolieten/afbraakproducten zijn aangetroffen, niet meer toegelaten is. Er zijn dus al maatregelen getroffen om verdere verontreiniging te voorkomen. In het kader van het Uitvoeringsprogramma van de toekomstvisie gewasbescherming 2030 is met vertegenwoordigers van provincies, drinkwaterbedrijven, LTO, Croplife NL, Ctgb, LVVN en IenW een traject gestart om gezamenlijk de opgaven en oplossingen voor verbetering van grondwaterkwaliteit in beeld te brengen. Daarbij wordt ook vastgesteld welke in grondwater aangetroffen stoffen, of metabolieten daarvan, nog een toelating hebben en in hoeverre het al bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal leiden tot het terugdringen van normoverschrijdingen. Hierbij wordt ook vastgesteld of in het grondwater aangetroffen stoffen uitsluitend afkomstig zijn van gebruik als gewasbeschermingsmiddel of ook nog een ander gebruik als oorsprong hebben.
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Vervuiling van grondwater in gebieden waar dat gebruikt wordt voor winning van drinkwater moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De gegevens van dit rapport betreffen provinciale meetnetten. Meetpunten van de provincies liggen doorgaans niet in grondwaterbeschermingsgebieden waar grondwater onttrokken wordt voor drinkwaterproductie.
Voor de beoordeling van de bedreiging van drinkwaterbronnen wordt gewezen op het binnenkort te verschijnen rapport over «early warning monitoring» in grondwaterbeschermingsgebieden die vallen binnen het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens. Dit rapport wordt ook betrokken bij het afwegen van beleid voor bescherming van drinkwaterbronnen en de eventuele uitbreiding van drinkwaterwinningen buiten de nu bestaande grondwaterbeschermingsgebieden. Zie ook het antwoord op vraag 21.
Met betrekking tot het deel van de vraag over natuur: ter uitvoering van het «Verbeterprogramma Vogel- en Habitatrichtlijn» is door de grondwaterbeheerders overleg gestart met de uitvoeringsorganisatie BIJ12 die dit verbeterprogramma uitvoert.
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
We weten dat PFAS schadelijke effecten kunnen hebben op de gezondheid van mensen. Of PFAS daadwerkelijk gezondheidseffecten geven, hangt onder andere af van hoeveel PFAS mensen binnen krijgen over de tijd. Mensen in Nederland krijgen te veel PFAS binnen via voedsel en drinkwater, heeft eerder onderzoek van het RIVM uitgewezen2. Dit vindt het kabinet een onwenselijke situatie en daarom wordt ingezet op vermindering van PFAS via vier sporen:
Om de gezondheid van mensen te beschermen zijn PFAS en andere chemische stoffen genormeerd in het Drinkwaterbesluit. Voor PFAS is dat een norm van 100 nanogram per liter (ng/l) voor 20 PFAS, die sinds 12 januari 2026 van kracht is in het Drinkwaterbesluit. Binnen de EU is de afweging van een aanscherping van deze norm nog gaande. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werkt op verzoek van de Europese Commissie aan een advies over de blootstelling aan PFAS. Voor meer informatie zie ook de Kamerbrief over PFAS van 21 juli 20253.
De Europese contaminantenwetgeving4 bepaalt de maximumgehalten aan ongewenste stoffen in levensmiddelen, zoals mycotoxinen, zware metalen, dioxines, PFAS en nitraten, om de volksgezondheid te beschermen.
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in juni 2025 het rapport «Actualisering monetaire milieuschade» gepubliceerd»5. In dit rapport heeft het PBL op eigen initiatief berekend dat de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in 2022 voor € 46 miljard schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van mens en natuur in Nederland. Het PBL is in de berekening uitgegaan van een conservatieve schatting. Voor veel milieugevaarlijke stoffen bestaat nog onvoldoende kennis over de omvang van de emissies, de verspreiding door het milieu of de effecten op menselijke gezondheid en ecosystemen om de monetaire milieuschade te kunnen berekenen. Daarnaast is ook de waardering van de milieuschade aan onzekerheid onderhevig. In dit onderzoek concludeert het PBL dat het nog niet mogelijk is om voor bepaalde moeilijk of niet-afbreekbare stoffen, zoals PFAS, milieuschade te berekenen, omdat daarvoor geen milieuprijzen bekend zijn. De broeikasgassen CO2, methaan en N2O zorgen voor iets meer dan de helft van de berekende schade. Luchtverontreinigende stoffen die onder de Europese NEC-richtlijn vallen (NOx, ammoniak, zwaveldioxide, fijnstof en NMVOS) veroorzaken bijna alle overige schade. Andere schadelijke stoffen, waarvan de emissies meestal veel lager liggen, zorgen voor de resterende twee procent van de schade, aldus het PBL. Deze cijfers zijn in lijn met de conclusie van het in 2023 mede door Nederland ingediende voorstel voor een brede Europese PFAS-restrictie waarin is vastgesteld dat de sociaaleconomische lasten van het gebruik van PFAS groter zijn dan de baten.
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Het kabinet zet in op vermindering van PFAS via vier sporen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Deze sporen vormen een totaalaanpak die moet leiden tot een sterke vermindering van PFAS in onze leefomgeving. Dat betekent helaas niet dat PFAS per direct een halt toegeroepen kunnen worden. Het zijn persistente stoffen die soms al decennia geleden in ons milieu terecht gekomen zijn en daar niet of nauwelijks afbreken. Een belangrijk deel van de problemen nu wordt veroorzaakt door de historische vervuiling. Ook wordt er op dit moment nog volop PFAS-houdende producten gebruikt. Met het onder vraag 4 genoemde voorstel voor een Europese restrictie willen we dat gebruik zo ver mogelijk terugdringen.
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Het aanpakken van PFAS is een prioriteit van het kabinet, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4, en er worden dan ook volop acties op ingezet. Zo is Nederland een van de initiatiefnemers voor het voorstel voor de Europese restrictie op PFAS en zijn eind 2024 alle PFAS aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stoffen, waarvoor een minimalisatieplicht geldt. Ook worden decentrale overheden ondersteund bij het aanpakken van met PFAS verontreinigde grond via een specifieke uitkering (SPUK Bodem).
Over de voortgang van het onderzoeksprogramma PFAS is de Kamer onlangs geïnformeerd (Kamerstukken 35 334, nr. 421). Op de website https://www.rivm.nl/pfas/onderzoeksprogramma wordt per thema een overzicht gegeven van alle lopende en geplande onderzoeken uit het onderzoeksprogramma. Daarnaast wordt gewezen op de Kamerbrief van 21 juli 2025 met als onderwerp «Problematiek rondom stikstof en PFAS» (Kamerstukken 35 334, nr. 407) die onder punt 5 specifiek in gaat op het onderwerp «PFAS in drinkwater».
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 5, 8 en 9.
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Het kabinet heeft zich ingezet voor en blijft inzetten op transparante communicatie richting burgers over schadelijke stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in producten/middelen. Dit wordt onder andere gedaan via de website van het RIVM. Hier bevindt zich ook een PFAS «landingspagina», waar algemene informatie wordt gegeven over PFAS, het gebruik ervan, de effecten en de aanwezigheid van PFAS in de mens en het milieu. Ook over andere stoffen is informatie te vinden bij het RIVM, zoals via de website Risico's van stoffen van het RIVM6.
Daarnaast wordt via de website https://waarzitwatin.nl/ informatie gegeven over chemische stoffen, waaronder PFAS, en de aanwezigheid van chemische stoffen in producten en middelen. Dit is een website gericht op consumenten, waarbij per productgroep de mogelijkheid voor de aanwezigheid van (schadelijke) chemische stoffen in het product en de mogelijke risico’s hiervan worden besproken in begrijpelijke taal. Op de website van MilieuCentraal is informatie te vinden over bestrijdingsmiddelen7. Al deze genoemde websites worden regelmatig bijgewerkt wanneer nieuwe relevante informatie beschikbaar is gekomen.
Industriële bedrijven zijn verplicht om de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) naar lucht en water minimaal eenmaal per vijf jaar te rapporteren aan het Bevoegd Gezag. Sinds 1 januari 2025 is het verplicht om deze rapportage te doen via de ZZS-emissiedatabase. De informatie hieruit zal te zijner tijd actief openbaar worden gemaakt na de evaluatie van deze database die gepland staat voor 2026.
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Dat de toelating van een aantal eerder als gewasbeschermingsmiddel toegelaten stoffen, veelal herbiciden/onkruidbestrijdingsmiddelen, is ingetrokken duidt erop dat het toelatingsbeleid zijn uitwerking heeft. Zoals in de antwoorden op vraag 2 en 3 is aangegeven wordt momenteel met betrokken partijen in beeld gebracht welke opgaven resteren en of het bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting ook volstaat om verdere achteruitgang van grondwaterkwaliteit (ook wel vergrijzing genoemd) en normoverschrijdingen te voorkomen. Hierbij wordt ook in beeld gebracht hoe aan de hand van monitoringsresultaten van grondwater eerder kan worden vastgesteld of een herbeoordeling nodig is om normoverschrijdingen te voorkomen.
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Verwezen wordt o.a. naar de Tussenevaluatie van de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst met de titel «Geïntegreerde gewasbescherming nader beschouwd»8 (Kamerstukken 27 858, nr. 478) en het koepelrapport van de Tussenevaluatie van de KRW (Kamerstukken 27 625, nr. 696).
Daarnaast heeft de Kamer via een brief van de Minister van LVVN en de Staatssecretaris van IenW de evaluatie van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ontvangen (Kamerstukken 35 756, nr. 29).
Met een brief van de Minister van LVVN ontving de Kamer recent de evaluatie van het Nationaal actieplan dat voor implementatie de Richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden is opgesteld (Kamerstukken 27 858, Nr. 741). De duiding van deze evaluaties geeft aan wat er met de aanbevelingen wordt gedaan.
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wordt verwezen naar de antwoorden van de Minister LVVN op de Kamervragen die het lid Bromet eerder over dit onderwerp heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 203) en naar de appreciatie van de verworpen motie van het lid Bromet om in navolging van Denenmarken PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te verbieden (Kamerstukken 27 585, nr. 725).
Ook is van belang dat het Ctgb op 18 december 2025 publiek heeft gemaakt dat naar aanleiding van het besluit van de Deense toelatingsautoriteit, in Nederland 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw beoordeeld zullen worden. Net als Noorwegen en Zweden, die ook voor herbeoordeling kozen, wil het Ctgb daarover uiterlijk op 30 april 2028 alle besluiten nemen9. Het Ctgb heeft per brief de Ministers van LVVN en IenW geïnformeerd over de stappen die volgens artikel 44 van de EU-Verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn om juridisch houdbaar robuuste bescherming van het grondwater te kunnen waarborgen. De Minister van LVVN heeft de Kamer deze brief op 19 januari jl. toegezonden (bijlage bij Kamerstukken 27 858, nr. 739).
Het Ctgb constateert dat de herbeoordeling mogelijk grote gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland en adviseert het Rijk o.a. om een impactanalyse te laten uitvoeren en alternatieven te inventariseren voor middelen die mogelijk wegvallen. De Minister LVVN heeft de WUR gevraagd deze impactanalyse uit te voeren en de uitkomsten daarvan worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Ja. Mede om die reden loopt op dit moment zowel Europees als nationaal een herbeoordeling van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een PFAS als werkzame stof. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Het is bekend dat de blootstelling aan PFAS via voedsel en het drinkwater boven de gezondheidskundige grenswaarde ligt.10 Dat betekent dat effecten van PFAS op het immuunsysteem niet uit te sluiten zijn. Met het PFAS-programma wordt beoogd de blootstelling aan PFAS te verminderen. Naar aanleiding van Deens onderzoek, dat laat zien dat verschillende PFAS stoffen afbreken tot TFA en in het grondwater komen, heeft het Ctgb besloten 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw te gaan beoordelen. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Zie antwoorden op de vragen 16, 17 en 18.
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Nee. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 16, 17 en 18 gaat het Ctgb 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS als werkzame stof bevatten tussentijds opnieuw beoordelen. Het Ctgb gebruikt de nieuwe gegevens over de vorming van TFA en het Nederlandse grondwatermodel om te bepalen of de betreffende middelen ook hier leiden tot overschrijding van de grondwaternorm. In dat geval voldoen de middelen niet meer aan de toelatingscriteria en moeten toelatingen worden gewijzigd of worden ingetrokken. PFAS kan in een bestrijdingsmiddel (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) zitten als werkzame stof of als hulpstof. De eerste groep is uitgesloten van de brede Europese PFAS restrictie, de tweede groep gaat wel vallen onder deze restrictie.
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Dit wordt verder afgewogen bij de uitvoering van de motie-Tjeerd de Groot (Kamerstukken 27 858, nr. 587) die oproept om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te stoppen. Aangezien dit rapport aantoont dat in grondwater aangetroffen stoffen vooral onkruidbestrijdingsmiddelen of metabolieten van deze middelen betreffen, behoeft juist de onkruidbestrijding in grondwaterbeschermingsgebieden specifieke aandacht bij de uitvoering van deze motie. De Kamer wordt specifiek geïnformeerd over de uitvoering van deze motie. Hierbij worden zo mogelijk ook de uitkomsten van de in het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens uitgevoerde early warning monitoring betrokken (zie het antwoord op vraag 3).
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast wordt er voor de goede orde gewezen op dat het onder de verantwoordelijkheid van de provincies opgestelde rapport het volgende aangeeft: «Dit rapport is geen Kaderrichtlijn water (KRW)-rapportage», maar deze rapportage heeft een «early warning» functie». Zo zal het ook benut worden voor de bestuurlijke dialoog over het behalen van KRW-doelen die o.a. met de provincies in het Bestuurlijk Overleg KRW gevoerd wordt.
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
De provincies en drinkwaterbedrijven zijn als eerste verantwoordelijk voor monitoring van grondwaterkwaliteit en het is aan hen om hierin een afweging te maken. Dit in afstemming met het ministerie IenW in het kader van de in het antwoord op vraag 2 benoemde uitwerking van de acties 7A, 7B en 7C uit het advies van de Studiegroep grondwater. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Op dit moment is er geen aanleiding voor meer regie op het toezicht op afvalwaterlozingen zoals bij het bedrijf CFS. In het geval van afvalwaterlozingen hebben bedrijven monitoring- en rapportageverplichtingen, en doet het bevoegd gezag onafhankelijke controles hierop.
Bedrijven zijn verplicht hun lozingen te meten, te registreren en te rapporteren conform de vergunningsvoorschriften. Deze gegevens vormen een belangrijk onderdeel van het toezicht, maar staan niet op zichzelf. Waterbeheerders, zoals waterschappen en Rijkswaterstaat, voeren daarnaast eigen metingen uit. Deze metingen vormen, in samenhang met de bedrijfseigen cijfers, de basis voor de controle op de naleving van vergunningen. Deze onafhankelijke controles bieden een noodzakelijke en structurele borging van de juistheid van de emissiedata en verkleinen de afhankelijkheid van bedrijfsrapportages.
Waar signalen daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag aanvullende metingen uitvoeren of specifieke meetverplichtingen opleggen. Ook wordt bij vergunningverlening en actualisatie steeds bezien of de voorgeschreven monitoring passend is bij de risico’s voor de waterkwaliteit, met bijzondere aandacht voor prioritaire en zeer zorgwekkende stoffen. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding voor meer regie in de gekozen systematiek voor afvalwaterlozingen.
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
Hier is aan voldaan met de Kamerbrief «Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden» gepubliceerd op 19 december 2025 (Kamerstukken 28 089, nr. 346). De onderzoeksuitkomsten zijn als bijlage bij de genoemde Kamerbrief gevoegd en de vervolgacties worden in de Kamerbrief toegelicht.
acties die hieruit voortvloeien?
Vanwege de benodigde afstemming tussen de ministeries van IenW, VWS en LVVN was het niet mogelijk om deze vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden. De Kamer heeft hierover een uitstelbrief ontvangen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
De maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de vervuiler betaalt»?
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand nationaal PFAS-verbod? Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van natuur en mens steeds groter worden?
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten, zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening verder oploopt voor toekomstige generaties?
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming langer duurt?
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten, ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan, terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven? Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Moes , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Ja, dat klopt. Het zwavelgehalte van kerosine is hoger dan het zwavelgehalte van brandstoffen zoals diesel en benzine. Het is technisch mogelijk om fossiele brandstoffen te produceren met zeer lage zwavelniveaus, ook voor kerosine. In tegenstelling tot diesel en benzine (maximaal 10 parts per million, ppm) geldt voor het zwavelgehalte van kerosine in Europa geen wettelijke limiet. Wel is er een veiligheidsstandaard voor de samenstelling van kerosine, die geldt als mondiale industriestandaard (maximaal 3.000 ppm). Ook de kerosine die op Schiphol wordt geleverd moet voldoen aan deze Jet A-1-specificatie.
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Ja, het klopt dat zwavelgehaltes in de praktijk hoger zijn gebleken dan waar in verschillende berekeningen van uit is gegaan. Deze constatering is gepubliceerd in de «Staat van de Luchtvaart 2023» van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).1 De Kamer is met de beleidsreactie van het ministerie op de «Staat van de Luchtvaart 2023» geïnformeerd over aanpassingen die hierop zijn gedaan.2 Dit heeft onder andere geleid tot het aanpassen van de rekenvoorschriften voor zwavelgehaltes in de ontwerpwijziging van de Regeling milieu-informatie (RMI).3
Bij de berekening van emissies ten behoeve van de beoordeling van de bijdrage van luchthaven Schiphol aan de concentraties en depositie van SO2, zoals in de milieueffectrapportage (MER) bij het LVB Schiphol, wordt uitgegaan van de emissiefactoren die zijn opgenomen in de zogeheten IPLO-database.4 In 2025 zijn ook de emissiefactoren in de IPLO-database geactualiseerd op basis van de resultaten van het onderzoek van ILT naar het zwavelgehalte in kerosine.
Bij de berekening van de totale SO2-emissies door luchtvaart in het kader van de Emissieregistratie wordt uitgegaan van een zwavelgehalte van 500 ppm. Dit is een internationaal veelgebruikte waarde voor het zwavelgehalte in kerosine. De gegevens uit de Emissieregistratie vormen de basis voor de jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit door het RIVM.
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
De in antwoord 2 genoemde reikwijdte van 450–900 ppm is gebaseerd op de jaargemiddelden in de jaren 2014 tot en met 2022 van de geleverde kerosine op Schiphol. Van nature kunnen zwavelgehalten in fossiele brandstoffen sterk fluctueren. Ook het raffinageproces heeft een grote invloed op het uiteindelijke zwavelgehalte, waarbij de industriestandaard voorschrijft dat het zwavelgehalte altijd onder 3.000 ppm moet liggen. Binnen de afzonderlijke kerosinebatches kan het zwavelgehalte tussen verschillende kerosineleveringen variëren van ongeveer 3 tot 3.000 ppm zwavel.
Wie controleert dit en hoe?
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is, op basis van de regelgeving ReFuelEU Aviation die in 2025 is ingegaan, de instantie die toeziet op de jaarlijkse rapportage van zwavelgehaltes in kerosine. Hiervoor leveren brandstofleveranciers jaarlijks specificaties aan. De NEa neemt ook steekproefsgewijs kerosinemonsters af. Er bestaat momenteel geen afzonderlijk toezicht op het zwavelgehalte op basis van de ReFuelEU Aviation, omdat in ReFuelEU Aviation geen maximale zwavelnorm voor kerosine is opgenomen.
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Het ontzwavelen van kerosine voegt een extra stap toe aan het productieproces, waarvoor meer energie en infrastructuur nodig is, waardoor ontzwavelde kerosine duurder is. CE Delft heeft in 2022 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten en baten van het verlagen van het gehalte van zwavel, aromaten en naftalenen in kerosine.5 In het rapport heeft CE Delft berekend dat de meerprijs voor tot 45,4 ppm ontzwavelde kerosine 0,05 cent per liter bedraagt. Op Schiphol wordt circa 4 miljard liter kerosine per jaar getankt. Dit betekent dat zwavelarmere kerosine (van 45,5 ppm) ongeveer € 2 miljoen per jaar duurder zou zijn.
Er is geen integraal beeld van de milieu- en gezondheidskosten van de uitstoot van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart. Er kan op basis van de beschikbare informatie wel een indicatie worden gegeven van de milieukosten van de uitstoot van SO2 en UFP, berekend met behulp van de kengetallen uit het Handboek Milieuprijzen 2023 van CE Delft.6
Voor een schatting van de huidige maatschappelijke kosten van de emissies van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart moet eerst worden vastgesteld hoeveel uitstoot er plaatsvindt (onder de 3.000 voet). De Emissieregistratie registreerde voor 2024 een uitstoot van circa 0,27 kiloton SO2 per jaar voor luchtvaart.7 Volgens CE Delft is de milieuprijs voor SO2 € 57,50 per kg, waarmee milieukosten voor SO2 neerkomen op € 15,5 miljoen per jaar voor uitstoot onder de 3.000 voet.
De totale uitstoot van ultrafijnstof wordt niet op dezelfde wijze bijgehouden of berekend als bij SO2. Bij ultrafijnstof wordt gekeken naar concentraties, uitgedrukt in aantallen deeltjes/cm3. Hoewel niet bekend is hoeveel SO2 omgezet wordt naar ultrafijnstof, kan op basis van de door CE Delft bepaalde milieuprijs (waarde van € 438 per kg) geschat worden dat de milieukosten € 1,2 tot 12 miljoen per jaar zijn (uitgaande van een omzetting 1% tot 10%) voor uitstoot onder de 3.000 voet.
Bij het overwegen van maatregelen om het zwavelgehalte in kerosine te verlagen, is ook gekeken naar zowel de technische haalbaarheid als de mogelijkheden om lagere zwavelgehaltes via nationale regelgeving af te dwingen. Momenteel lijkt het technisch niet haalbaar om specifiek voor de Nederlandse markt laagzwavelige kerosine te produceren. Door een complex netwerk van Europese pijpleidingen kan namelijk niet worden gegarandeerd dat in Nederland geproduceerde laagzwavelige kerosine ook daadwerkelijk op de Nederlandse markt terechtkomt.
Daarnaast is het juridisch complex om in een mondiale markt eenzijdig strengere eisen te stellen aan het zwavelgehalte in kerosine. Bovendien kan het eenzijdig stellen van eisen zogenoemd tankering tot gevolg hebben, waarbij luchtvaartmaatschappijen hun vliegtuigen in het buitenland volledig voltanken met goedkopere, niet-ontzwavelde kerosine voordat zij naar Schiphol vliegen.
Daarom is gekozen om in te zetten op aanpassing van internationale regelgeving in plaats van op eenzijdige nationale regulering van kerosine. Daarbij ligt de nadruk op het stimuleren van het gebruik van duurzame brandstoffen (SAF). Deze brandstoffen hebben een bredere positieve impact op emissies dan uitsluitend het verder verlagen van het zwavelgehalte in kerosine.
De ontwikkeling en grootschalige toepassing van duurzame brandstoffen voor de luchtvaart is echter een langdurig en complex proces, waardoor op korte termijn nog geen positief effect wordt verwacht op de uitstoot van SO2 en UFP. Eerder is aan de Kamer gemeld dat nader onderzoek wordt uitgevoerd naar de effecten van emissies van de luchtvaart in Nederland. 8 De Kamer zal op korte termijn worden geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de vervolgstappen op dit onderwerp.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe nationale normen?
In 2020 is aan de Kamer gemeld dat invulling wordt gegeven aan de motie-Kröger c.s. door in te zetten op duurzame, zwavelvrije brandstoffen en het realiseren van een Europese bijmengverplichting en daarbij niet te kiezen voor het invoeren van een nationale norm voor zwavelarme(re) fossiele kerosine.9 Landen die het Oslo Protocol hebben geratificeerd zijn verplicht het zwavelgehalte in fossiele brandstoffen, waaronder kerosine, terug te dringen. In dat kader geldt een toekomstig zwavelgehalte van 100 ppm in kerosine als richtwaarde.
De verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen heeft de afgelopen jaren niet stilgestaan. Zoals recent aan de Kamer gemeld, is met de inwerkingtreding van de Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen (ReFuelEU-verordening) in Europa een belangrijke stap richting verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen gezet.10 Deze verordening stelt een sterk stijgend bijmengpercentage van duurzame luchtvaartbrandstof (SAF) vast, vanaf momenteel 2% oplopend tot 70% in 2050. Omdat SAF in de regel zwavelvrij is, draagt dit bij aan lagere emissies van onder meer SO2 en UFP. Bovendien verplicht ReFuelEU brandstofleveranciers om te rapporteren over het gehalte aan aromaten en naftalenen in hun brandstoffen.
Ook voor luchtvaartmaatschappijen geldt een vergelijkbare aanpak. Sinds 1 januari 2025 verplicht het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) luchtvaartmaatschappijen om niet-CO2-effecten te monitoren en te rapporteren, waaronder roetdeeltjes, waterdamp, stikstofoxiden en geoxideerde zwavelsoorten. Deze verplichting is mede tot stand gekomen dankzij inspanningen van Nederland en andere lidstaten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Ja.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Tieman , David van Weel (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
De door u aangehaalde veiligheidssituatie, vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen vereisen grote urgentie voor het maken van wetgeving. Het voorbereiden van wetgeving vraagt echter tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben. Nederland blijft in de tussentijd op alle mogelijke manieren werken aan de aanpak van de schaduwvloot.
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Het kabinet kijkt naar manieren om zo snel mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen de schaduwvloot en zal uw kamer hierover in de nabije toekomst nader informeren.
Ook bestaat de mogelijkheid u in een technische briefing nader te informeren.
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Zie antwoord vraag 2.
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. Het voorbereiden van wetgeving vraagt tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben.
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Voor zover bekend is het Franse optreden gebaseerd op bestaande Franse wetgeving.
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
De aangekondigde wetgeving betreft geen wetgeving ter uitvoering of naleving van sancties. Er wordt met spoed gewerkt aan het robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden. Ook wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Hierin wordt de mogelijkheid meegenomen schepen aan te houden en verplicht te laten uitwijken naar aangewezen ankerplaatsen voor inspectie en, in het uiterste geval, de inbeslagname van een vals gevlagd schip.
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Zonder op details te kunnen ingaan, wordt deze optie verkend.
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn lastig exact kwantitatief inzichtelijk te maken, maar zijn waarschijnlijk slechts beperkt. Ten eerste geldt dat voor activiteiten die een lozingsvergunning nodig hebben op grond van de huidige wetgeving al sinds vele jaren een actualiseringsplicht bestaat.4 Mede naar aanleiding van de naderende deadline van 2027 om de KRW-doelen te bereiken, zijn alle bevoegde gezagen inmiddels bezig om hier invulling aan te geven en is aan de Kamer toegezegd om de voortgang hiervan middels een dashboard inzichtelijk te maken.5
Ten tweede is voor vergunningen voor onttrekkingen weliswaar geen specifieke actualiseringsplicht opgenomen in de wetgeving, maar staat ook voorop dat het bevoegd gezag gehouden is aan het tijdig bereiken van de doelen van de KRW en dat er daarmee – zij het impliciet – een verplichting bestaat om vergunningen die dit doelbereik zouden belemmeren, te actualiseren. De Europese Commissie wil met de inbreukprocedure bereiken dat in de wetgeving een specifieke frequentie voor deze herbeoordeling wordt bepaald, zodat dit niet wordt overgelaten aan de keuzevrijheid van het bevoegd gezag.
Ten derde geldt dat bij een dergelijke actualisering van vergunningen voor lozingen en onttrekkingen alleen sprake kan zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de doelen van het waterbeheer (waaronder de KRW-doelen begrepen zijn) en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit in betekenisvolle mate zal leiden tot wijziging van bestaande vergunningen voor warmteprojecten (zoals voor warmte-/koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)), omdat de gevolgen van die warmteprojecten al goed in beeld zijn gebracht bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en het niet aannemelijk is dat die omstandigheden intussen in belangrijke mate zijn gewijzigd.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving specificeert dat voor lozingen en onttrekkingen een dergelijke actualisering minstens elke 10 jaar plaatsvindt. De gevolgen hiervan voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn naar verwachting erg beperkt. In de praktijk zal dit namelijk niet leiden tot een betekenisvolle verandering in de situatie dat bevoegde gezagen (moeten) zorgen dat de vergunningen in hun beheer actueel zijn en passend zijn binnen de doelen van de KRW.
Tot slot wordt benadrukt dat de voorstellen niets veranderen aan de inhoudelijke beoordeling van nieuwe vergunningaanvragen en alleen zien op het herbeoordelen van bestaande vergunningen.
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Naast de actualiseringsplicht bevat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving naar aanleiding van de inbreukprocedure ook een aanscherping van de vergunningplicht voor wateronttrekkingen, dit om te voldoen aan de KRW.6 Naar aanleiding van de motie Van Ginneken/Tjeerd de Groot7 bevat de voorgenomen wijziging ook de introductie van een landelijke meldplicht voor onttrekkingen.
Bij het onderzoek naar de afbakening van deze meldplicht en naar de gevolgen daarvan en van de aangescherpte vergunningplicht voor de uitvoerbaarheid, is de betrokken stakeholders gevraagd naar de effecten voor alle wateronttrekkingen. Onttrekkingen voor warmteprojecten zijn daarbij dus niet specifiek uitgelicht, maar ook niet van de scope uitgezonderd.8
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Het klopt dat niet altijd precies bekend is wat de effecten zijn van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit.9 Die onzekerheid kan projecten met name parten spelen als voor de eerste keer een vergunning wordt aangevraagd. Bij onzekerheid over de effecten van een project op de doelstellingen van het waterbeheer, is het niet altijd eenvoudig om een vergunning te verlenen.
Als eenmaal een vergunning verleend is, speelt deze onzekerheid in veel mindere mate een rol. Wanneer het bevoegd gezag op basis van de actualiseringsplicht opnieuw beziet of de activiteit nog ongewijzigd doorgang kan vinden, wordt specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.10
Ten aanzien van deze nieuw te beschouwen ontwikkelingen zal in de regel de onzekerheid niet toenemen ten opzichte van de onzekerheid die speelde bij het oorspronkelijke verlenen van de vergunning. In die zin brengt de actualiseringsplicht dan ook geen extra investeringsrisico’s met zich mee.
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deze analyse wordt gedeeld. Deze geldt voor alle investeringen en niet alleen voor warmteprojecten: een definitieve investeringsbeslissing wordt in de regel niet genomen zonder voldoende vertrouwen dat de investering terugverdiend kan worden met een redelijk rendement. De terugverdientijd voor warmteprojecten varieert per project, maar warmteprojecten zijn in het algemeen qua investering kapitaalintensieve infrastructuurprojecten. Door de lange technisch-economische levensduur van vaak tientallen jaren is het ook mogelijk om een succesvol project met een lange terugverdientijd te realiseren.
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Er is bij het ministerie geen analyse bekend waaruit dit zou volgen. Een dergelijke uitkomst van een analyse wordt ook erg onwaarschijnlijk bevonden, zie het antwoord op de vorige vragen. Er heeft nooit een zekerheid bestaan dat activiteiten decennialang ongewijzigd voortgezet zouden kunnen worden. Het huidige wettelijke kader verplicht namelijk al tot een regelmatige actualisatie van vergunningen en die is momenteel – voor lozingen – ook in volle gang. Bij een dergelijke actualisering kan alleen sprake zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de waterdoelen en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit op grote schaal zal leiden tot het moeten wijzigen van de bestaande vergunningen voor warmteprojecten. Ook leidt dit niet tot een andere wijze van beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwe warmteprojecten.
De nu in voorbereiding zijnde actualiseringsplicht maakt alleen expliciet dat deze actualisering in het vervolg minstens elke 10 jaar plaatsvindt. Overigens is de voorgenomen actualiseringsplicht onvermijdelijk gezien de inbreukprocedure van de Europese Commissie en speelt dit in alle landen waar een dergelijke inbreukprocedure loopt.
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
De KRW biedt een uitzonderingsmogelijkheid voor bepaalde projecten.13 Wanneer het gaat om een project dat bestaat uit nieuwe veranderingen van de fysieke kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand en dat project komt in strijd met de ecologische KRW-doelen, dan kan het project toch worden toegestaan als – kort gezegd – het project van «hoger openbaar belang» is, voor dat project geen alternatieven bestaan, en de negatieve effecten van het project zo klein mogelijk zijn.
Per project zal onderbouwd moeten worden of aan deze randvoorwaarden voldaan is, maar het is aannemelijk dat projecten die plaatsvinden in het kader van de energietransitie in de regel gekwalificeerd kunnen worden als van «hoger openbaar belang».
Als een project aan deze randvoorwaarden voldoet, betekent het dat hiervoor een vergunning verleend kan worden ook al komt het project in strijd met de KRW-doelen. Deze uitzonderingsmogelijkheid heeft dus invloed op de uitkomst van een weging tussen enerzijds het waterkwaliteitsbelang en anderzijds het belang van de energietransitie. Het voorgaande betekent echter niet dat voor dergelijke projecten in het geheel geen weging meer hoeft plaats te vinden tussen beide belangen en dus geen periodieke actualiseringsplicht nodig zou zijn.
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
In de nieuwe Wet collectieve warmte is leveringszekerheid een expliciete taak van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf wordt geacht een gedegen plan te hebben om de structurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de lange termijn zeker te stellen. Onderdeel daarvan zal zijn om risico’s vooraf te inventariseren en mitigerende maatregelen te nemen, zodat de consument niet zonder warmte komt te zitten, bijvoorbeeld door een divers portfolio aan warmtebronnen op te stellen en hulp- en noodvoorzieningen te plaatsen. Dat plan wordt beoordeeld en bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouders en zo nodig in overleg met het college gewijzigd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op het nakomen van de taak en is bevoegd om interventies te plegen. In gevallen waarin het (uitzonderlijke) wijzigen of intrekken van een vergunning ertoe leidt dat het warmtenet niet meer aan de duurzaamheidsnormen voldoet, is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnormen aan te vragen bij de ACM. In die periode kan de levering van warmte dan worden voortgezet met een tijdelijk minder duurzame bron totdat een toekomstbestendig duurzaam alternatief is ontwikkeld.
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Nee, de KRW biedt die ruimte niet. Zie ook de eerdere antwoorden hierboven.
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet mogelijk gezien de vereisten van de KRW. De Europese Commissie ziet hierop toe middels de inbreukprocedure. Het is ook niet nodig om voor warmteprojecten een uitzonderingspositie te creëren nu het niet de verwachting is dat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving warmteprojecten in betekenisvolle mate negatief zal beïnvloeden, niet voor bestaande vergunningen en niet voor nieuw aan te vragen vergunningen.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijzigingen van wet- en regelgeving zullen veeleer positieve gevolgen hebben voor projecten die samenhangen met de energietransitie en specifiek warmteprojecten. De wijzigingen leiden namelijk tot meer grip op bestaande activiteiten die ook met nieuwe warmteprojecten kunnen concurreren en bieden voor de toekomst meer mogelijkheden tot herverdeling van schaarse milieugebruiksruimte, waarbij een weging kan worden gemaakt tussen concurrerende gebruiksvormen en waarbij prioriteit gegeven kan worden aan ontwikkelingen die maatschappelijk gezien van groter belang zijn.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
De afsluiting van de A30 in verband met groot onderhoud |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de lokale weerstand tegen de voorgenomen afsluiting van een groot deel van de A30 in verband met groot onderhoud?1, 2
Ja, ik heb kennisgenomen van het feit dat een aantal lokale ondernemers en andere belanghebbenden zorgen hebben geuit over de voorgenomen verkeersmaatregelen en de daarmee gepaard gaande hinder.
Op welke wijze is het participatietraject vormgegeven? In hoeverre zijn lokale ondernemers daarbij betrokken?
Rijkswaterstaat heeft de voorbereiding van de voorgenomen verkeersmaatregelen ingericht volgens de reguliere Hinderaanpak Wegen. In dat kader zijn onder andere de provincies Gelderland en Utrecht, de gemeenten Barneveld en Ede, alsmede nood- en hulpdiensten structureel betrokken tijdens zogeheten GGB-sessies (Gebieds Gericht Benutten). Via deze bestuurlijke partners zijn de belangen van inwoners en het lokale bedrijfsleven vertegenwoordigd, waarmee invulling is gegeven aan de gebruikelijke wijze waarop belangen van inwoners en ondernemers worden betrokken bij groot onderhoud aan rijkswegen.
Bedrijven zijn en worden verder geïnformeerd via de algemene publiekscommunicatie, zoals persberichten, de projectpagina, advertenties, radiocommercials en berichtgeving via social media. Daarnaast hebben diverse grote bedrijven en overige stakeholders informatie ontvangen middels een persoonlijk gesprek en/of per mail met daarin de relevante en benodigde informatie over het project.
Ook is de mogelijkheid geboden aan alle betrokken stakeholders om een informatiebijeenkomst aan te vragen, zodat onder andere lokale ondernemers direct vragen kunnen stellen en toelichting kunnen krijgen op het project. Hier is niet in alle gevallen gebruik van gemaakt.
Is de veronderstelling juist dat: lokaal verkeer nu ook veel gebruik maakt van de A30/A1, dat omrijden via Utrecht of Arnhem voor deze groep verkeersdeelnemers geen optie is en dat volledige afsluiting van een groot deel van de A30 derhalve tot grote druk op het lokale wegennet zal leiden?
Nee, het uitgangspunt van Rijkswaterstaat is om het doorgaande verkeer via omleidingsroutes over het hoofdwegennet te leiden, zodat het onderliggende wegennet zoveel mogelijk beschikbaar blijft voor lokaal verkeer, waaronder inwoners en bedrijven.
Op een gemiddelde werkdag bestaat het verkeer op de A30 voor ongeveer 50% uit doorgaand verkeer en voor ongeveer 50% uit lokaal verkeer. Uit verkeersmodelanalyses blijkt dat het doorgaande verkeer juist bij grootschalige afsluitingen gebruik blijft maken van het hoofdwegennet. Bij een kortere afsluiting, bijvoorbeeld tot aan Lunteren, blijkt een aanzienlijk deel van het doorgaande verkeer juist uit te wijken naar het onderliggende wegennet. Dit leidt tot nog veel meer extra verkeer op lokale wegen en zal naar verwachting leiden tot ernstige verkeershinder en onveilige situaties.
Kunt u aangeven, ook richting betrokken gemeenten, wat de verwachte verkeersintensiteit is op de verschillende lokale (gebiedsontsluitings)wegen bij volledige wegafsluiting en bij een meer gefaseerde afsluiting (zoals voorgesteld door ondernemers)? Kunt u enig inzicht geven in de bijbehorende gevolgen voor doorstroming en verkeersveiligheid?
In onderstaande tabel staat de intensiteit in motorvoertuigen per etmaal op twee van deze lokale wegen weergegeven (de Hessenweg en de Postweg). In alle gevallen neemt de totale verkeersintensiteit toe op de lokale wegen. De toename is bij een afsluiting tussen de A1 en Lunteren en bij een gefaseerde afsluiting echter fors hoger dan bij een hele afsluiting.
Hessenweg
Postweg
Situatie zonder werkzaamheden
7.500
1.400
Hele afsluiting tussen A1 en Ede-Noord
+4.500 extra
+2.600 extra
A30 dicht tussen A1 en Lunteren
+4.600 extra
+8.200 extra
Gefaseerde afsluiting: A30 dicht tussen Scherpenzeel en Lunteren
+0
+14.300 extra
Hoe waardeert u de keuze voor een volledige wegafsluiting in plaats van een meer gefaseerde afsluiting?
Het gefaseerd uitvoeren van werkzaamheden zou de verkeersdrukte op het onderliggende wegennet sterk vergroten, met zeer onveilige en onwenselijke situaties tot gevolg. Deze overlast zou bij een gefaseerde afsluiting ook over een langere periode aanhouden dan bij een volledige afsluiting het geval zou zijn. Een volledige afsluiting heeft ook de voorkeur van de nood- en hulpdiensten vanwege de duidelijke aanrijdroutes en het beschikbaar zijn van een rijstrook voor eventuele nood- en hulpdiensten. Ten slotte blijft bij een volledige afsluiting het onderliggend wegennetwerk beter beschikbaar voor bestemmingsverkeer en daarmee ook voor de te bereiken bestemmingen in Voorthuizen, Barneveld en de gemeente Ede.
Welke maatregelen worden genomen voor een zo vlot en veilig mogelijke doorstroming op lokale wegen tijdens de afsluiting, bijvoorbeeld van en naar de op- en afrit op de A1 bij Voorthuizen en ook aan de zuidkant van Barneveld en in de gemeente Ede?
In overleg met gemeenten, de provincie Gelderland en Utrecht en nood- en hulpdiensten zijn beheersmaatregelen getroffen om de doorstroming op het onderliggend wegennet te optimaliseren. Het gaat dan om het aanpassen van cyclustijden van verkeersregelinstallaties, het inzetten van adviesroutes, het monitoren per motor van sluipverkeer en de inzet van verkeersregelaars. Gedurende de werkzaamheden wordt de situatie gemonitord en waar nodig en mogelijk bijgestuurd binnen een operationeel doorstromingsteam. Dit team bestaat uit Rijkswaterstaat, de aannemer en de betrokken stakeholders.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten gekozen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie antwoord vraag 7.
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in de KRW-doelen.
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten toegepast.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies over aan het volgende kabinet.
Het bericht 'Nederlandse grensboeren halen doelen niet door vervuild water uit Duitsland: dit voelt wel oneerlijk' |
|
Hidde Heutink (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
Femke Wiersma (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel en wat vindt u hiervan?1
Ja, dit artikel is bekend. Ik begrijp dat onder Nederlandse boeren het beeld leeft dat zij zouden worden benadeeld door verontreiniging afkomstig uit het buitenland. Van een dergelijke benadeling is echter geen sprake. In de antwoorden op de vragen hieronder wordt hier nader op ingegaan.
Zoals toegezegd aan het lid Heutink in het WGO Water van 2 februari jl. zal de Kamer voor de zomer ook nog uitgebreider geïnformeerd worden over de situatie bij de Dinkel2.
Kunt u aangeven waarom er niet eerder in Brussel aan de bel is getrokken over deze overduidelijke achterstelling van onze boeren ten opzichte van boeren uit Duitsland?
In de huidige stroomgebiedbeheerplannen is expliciet aangegeven bij welke grensbeken het water dusdanig is verontreinigd met nutriënten dat Nederland de doelen vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) daar niet kan halen. Deze informatie is aan de Europese Commissie (EC) gestuurd. Met betrekking tot de Kaderrichtlijn Water vindt frequent internationaal overleg plaats met de EC en met de betrokken lidstaten.
In aanvulling hierop spreekt Nederland met onder andere Duitsland over de waterkwaliteit in de Internationale Rijncommissie, waar de EC ook bij aanwezig is. De waterschappen langs de grens met Duitsland zijn ook bilateraal en via de grenswatercommissies in gesprek met hun Duitse partners. Nederland trekt dus al geruime tijd via diverse routes aan de bel bij de EC en de betrokken lidstaten over de waterkwaliteit in grensoverschrijdende wateren.
Is dit niet een overduidelijk voorbeeld dat onze boeren erin worden geluisd door idiote regels en daarmee bewust naar de afgrond worden geduwd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet zo. Doel van de KRW is om het water in lidstaten schoon genoeg te krijgen en te houden voor alle functies zoals voor drinkwater, recreatie, landbouw en natuur.
Waarom draait Nederland op voor de vervuiling uit het buitenland en wat doet u om dit te stoppen?
Nederland draait niet op voor de vervuiling uit het buitenland. Als hierdoor doelen niet gehaald worden dan kan er binnen de KRW een beroep op uitzonderingen worden gedaan, waarbij dan rekening kan worden gehouden met grensoverschrijdende vervuiling van wateren. Nederland moet dan wel zelf voldoende maatregelen hebben getroffen om de binnenlandse belasting te beperken en kunnen aantonen dat er aan de bel is getrokken – zie ook het antwoord op vraag 2.
Wanneer gaat u de Nederlandse Kaderrichtlijn Water (KRW)-normen versoepelen?
Alle lidstaten dienen normen voor nutriënten in het oppervlaktewater vast te stellen, die bescherming bieden aan de planten en vissen. Voor fosfor hanteert Duitsland strengere waarden dan Nederland. Voor stikstof hanteert Duitsland een waarde van 2,8 mg/l als jaargemiddelde. In Nederland geldt in de betreffende oppervlaktewaterlichamen 2,3 mg/l op basis van zomergemiddelde cijfers. Omdat de concentraties in de winter veelal hoger zijn dan in de zomer, zijn deze normen goed vergelijkbaar.
De Europese norm voor stikstof in het grondwater is 11,3 milligram per liter (dat is gelijk aan 50 mg nitraat per liter). Deze norm is Europees vastgesteld en bedoeld als bescherming van grondwater als grondstof voor drinkwater. In Duitsland wordt deze waarde soms ook gebruikt om oppervlaktewater te beoordelen, maar deze norm is onvoldoende om de biologische oppervlaktewaterdoelen te halen en is dus niet maatgevend voor de maatregelen die daar worden getroffen. We zijn met Duitsland in gesprek om de normen nog beter op elkaar af te stemmen. De resultaten uit deze gesprekken nemen we mee bij de uitwerking van Stroomgebiedbeheerplannen 2028–2033, waardoor doelbereik en eventuele motivatie van uitzonderingen op onderdelen zal verbeteren.
Valt het nog uit te leggen dat het water, één millimeter over de grens, schoner zou zijn, en in Nederland niet meer? Zo ja, hoe legt u dat dan uit aan al die boeren, tuinders en vissers die al jarenlang worden gepakt?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, is de beoordeling van nutriënten in het oppervlaktewater vergelijkbaar als het gaat om de bescherming van planten en vissen. Verder is het over het algemeen zo dat het water Nederland meestal schoner binnenkomt dan dat het ons land verlaat. Ik ben het met u eens dat het voor de uitlegbaarheid beter is als de normen nog meer op elkaar worden afgestemd. Voor de inzet hierop, zie het antwoord op de vragen 2 en 5.
Snapt u dat we als Nederland op deze wijze nooit de KRW-doelen gaan halen?
Nee, het is niet het geval dat KRW-doelen in Nederland nooit gehaald kunnen worden. We voldoen inmiddels aan 83% van de gestelde doelen (dat zijn er meer dan 100.000, verdeeld over 745 waterlichamen). Het is dankzij de KRW dat er goede internationale afstemming plaatsvindt en dat er bovenstrooms ook maatregelen genomen worden.
Het meenemen van klimaatrisico’s bij ruimtelijke besluiten |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer , Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dutch Climate Risk Portal?1
Ja ik ben hiermee bekend. Dit portaal is in opdracht van het Ministerie van IenW ontwikkeld door Stichting Climate Adaptation Services (CAS).
Hoe wordt dit portaal concreet gebruikt in beleidsvoorbereiding?
Het wordt niet concreet gebruikt bij de beleidsvoorbereiding, maar ingezet als instrument om beter en duidelijker te communiceren over overstromings- en klimaatrisico’s. Het portaal is specifiek bedoeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector die inschattingen maken over de fysieke risico’s die zij (mogelijk) lopen. Er wordt daarbij aangesloten bij de internationale financiële kaders. De data die erin staat is niet nieuw, en was al beschikbaar op de landelijke klimaateffectatlas en andere openbare bronnen. Deze bestaande data wordt al gebruikt bij beleidsontwikkeling en voorbereiding.
Klopt het dat grote delen van de informatie op de Dutch Climate Risk Portal uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn en vooral lijken te zijn gericht op (internationale) investeerders en de financiële sector? Acht u dit wenselijk?
Dat klopt. Voor Nederlandse partijen is er de klimaateffectatlas, die juist gericht is op Nederlandse overheden en organisaties. Het Dutch Climate Risk Portal (DCRP) is specifiek ontwikkeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector omdat er veel behoefte is naar de data en informatie die op verschillende plekken staat, maar niet altijd makkelijk toegankelijk of begrijpelijk was voor deze partijen.
De financiële sector heeft te maken met toezicht- en rapportageverplichtingen waarbij de fysieke risico’s moeten worden geanalyseerd. In de afgelopen jaren zijn er voorbeelden langsgekomen waarbij internationale investeerders of kredietbeoordelaars conclusies trokken op basis van verkeerde (of verkeerde gebruikte) data en onderliggende aannames. Om onder- en overwaardering van risico’s te voorkomen is het belangrijk om samen met de financiële sector op te trekken om er voor te zorgen dat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te investeren, (toekomstige) schade beperkt blijft en de lange termijn verzekerbaarheid niet onder druk komt te staan. Om de behoefte goed af te stemmen is het DCRP samen met de financiële sector en andere experts ontwikkeld. Als er nieuwe informatie beschikbaar komt wordt het ook op dit portaal ontsloten.
Op welke wijze en door wie worden de risico-indicatoren en gegevens van de Dutch Climate Risk Portal gebruikt? Wat is de doelgroep?
De doelgroep van het DCRP zijn partijen uit de financiële sector, denk aan verzekeraars, banken, kredietbeoordelaars, investeerders of andere bedrijven die in deze sector actief zijn. De data kan gebruikt worden voor het maken van risico analyses voor bestaande bezittingen, of mogelijke nieuwe investeringen. De fysieke risico’s zijn in lijn gebracht met de EU taxonomie, zodat rapportage en analyses voor dergelijke partijen ook goed aansluit bij deze terminologie die voor hen van toepassing is.
Op welke manier worden andere overheidsinstanties, zoals gemeenten en provincies hierbij betrokken?
De doelgroep van het DCRP zijn niet mede overheden, hiervoor is de klimaateffectatlas ontwikkeld. Bij de ontwikkeling en het beheer van de klimaateffectatlas zijn overheidsinstanties betrokken.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie op Dutch Climate Risk Portal voor inwoners zonder technische of beleidsmatige achtergrond? En hoe zorgt u ervoor dat deze inwoners en lokale partijen minstens even goed en begrijpelijk worden geïnformeerd over klimaatrisico’s in hun eigen leefomgeving?
Het DCRP is ontwikkeld met als doelgroep de financiële sector, waar veel expertise op risicoanalyses aanwezig is. Tijdens de ontwikkeling is dit ook veelvuldig met de toekomstige gebruikers afgestemd. Daarom is de data ook technisch aangeleverd, dit sluit aan bij de behoeftes van de gebruikers. Voor geïnteresseerden zonder technische of beleidsmatige achtergrond is de klimaateffectatlas een betere manier om kennis te nemen van de klimaatrisico’s. Het DCPR en de klimaateffectatlas zijn gebaseerd op dezelfde gegevens. Verder wordt er vanuit het Ministerie van IenW ook gewerkt aan de ontwikkeling van de Waterwijzer gebouwen gericht op inwoners en ondernemers, zie antwoord vraag 14.
In hoeverre worden klimaatrisico’s expliciet betrokken bij rijksbesluiten over ruimtelijke ordering, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte en NOVEX-gebieden?
Klimaatrisico’s worden expliciet betrokken bij het maken van ruimtelijke keuzes. In de Ontwerp-Nota Ruimte is de keuze gemaakt dat bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, systematisch rekening gehouden moet worden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Dit wordt onder andere concreet gemaakt in de keuzes om: nieuwe bebouwing in de uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn Grote Rivieren niet langer toe te staan met het oog op overstromingsrisico’s en in de keuze om voor het IJsselmeergebied binnendijks te bouwen wat binnendijks kan, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening. Het doel is om de negatieve maatschappelijke gevolgen te beperken en een goede kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. Ook in de Ontwikkelperspectieven van de NOVEX-gebieden en de verdere uitwerking daarvan in uitvoeringsagenda’s en Regionale Investeringsagenda’s (RIA) wordt rekening gehouden met klimaatrisico’s. De decentrale overheden en Rijkspartners werken intensief samen bij de uitwerking in concrete acties en projecten. De komende periode ga ik, op basis van het coalitieakkoord en de binnengekomen zienswijzen, samen met mijn collega's bezien of en zo ja, waar eventuele aanscherping in de keuzes richting de definitieve Nota Ruimte nodig en gewenst is.
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waaronder woningbouw en voorzieningen in de zorg, onderwijs, mobiliteit plaatsvinden op plekken met verhoogde risico’s (op wateroverlast, funderingsschade, overstroming, droogte) met schade tot gevolg?
De Ministeries van IenW en VRO hebben gezamenlijk twee instrumenten ontwikkeld die partijen (medeoverheden, bouwende partijen en ontwikkelaars) helpen bij het maken van klimaatbestendige keuzes bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen:
Verder is in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze gemaakt dat vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, bij voorkeur op plekken worden gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Ook houden we in Rijksprogramma’s met een ruimtelijke impact rekening met het water- en bodemsysteem. Op deze manier wordt getracht zo goed mogelijk invulling te geven aan de keuze om bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening te houden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering.
Herkent u dat veel inwoners onvoldoende zicht hebben op klimaatrisico’s in hun wijk?
Ja, dat herken ik. Dit is ook een van de uitkomsten van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. In het antwoord op vraag 13 ga ik verder in op de lokale impact voor inwoners.
Hoe past het introduceren van een publiek toegankelijk klimaatrisicolabel of waterlabel voor gebieden of woningen, vergelijkbaar met het energielabel, hierin?
Een van de aanbevelingen van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater is om een waterlabel te onderzoeken. Een publiek toegankelijk instrument kan een laagdrempelige manier zijn om inwoners en ondernemers te informeren over de gevolgen van klimaatverandering en wat inwoners en ondernemers kunnen doen om de gevolgen te verminderen.
Heeft u de mogelijkheden van zo’n label al eens onderzocht? Wat waren de resultaten daarvan?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft onderzoek laten uitvoeren naar de invoering van een waterlabel en in welke vorm. Een eerste rapport is online beschikbaar2. De Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de verdere opvolging van het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater over de invoering van de Waterwijzer gebouwen.
Zijn er regio’s in Nederland waar verzekerbaarheid of hypotheekverstrekking onder druk staan of vermoedelijk in de toekomst onder druk komen te staan door toenemende klimaatrisico’s? Welke regio’s zijn dit?
Op dit moment zijn er geen signalen dat verzekerbaarheid en hypotheekverstrekking onder druk staan. Verzekeraars en banken hebben wel al regelmatig aangegeven in de media, position papers en onderlinge samenwerking dat ze het belangrijk vinden dat de overheid blijft inzetten op preventieve- en gevolgbeperkende maatregelen in kwetsbare gebieden. Ook zien verzekeraars en banken bij nieuwbouw graag dat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen door het maken van klimaatbestendige keuzes in locatiekeuze en gevolgbeperkende maatregelen.
Zijn er kwetsbare wijken of bevolkingsgroepen die worden geraakt door klimaatrisico’s? Zo ja, welke? En hoe waarborgt u bescherming en voorkomt u schade?
Hoewel heel Nederland en alle bevolkingsgroepen geraakt kunnen worden door klimaatgebeurtenissen, is de impact ervan en het handelingsperspectief niet gelijk voor alle wijken en groepen mensen. Voor beter inzicht de kwetsbaarheid van wijken en de leefomgeving door klimaatrisico’s worden in het kader van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) streststesten uitgevoerd. Op basis van deze stresstesten worden in de werkregio’s risicodialogen gevoerd met belanghebbenden. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met mensen in kwetsbare posities. Daarnaast is ten aanzien van wateroverlast onlangs de aanzet voor de op te stellen nationale aanpak wateroverlast aangeboden aan de Tweede Kamer3. Voor hitte is er in de Hitte Aanpak 2025 specifiek aandacht voor kwetsbare groepen. Ook wordt er momenteel gewerkt aan de herijking van de Nationale Klimaatadapatiestrategie (NAS). Daarin is ook aandacht voor de impact van klimaatverandering op de bestaande gebouwde omgeving.
In hoeverre worden individuele huiseigenaren geïnformeerd over risico’s?
Huiseigenaren en huurders van woningen met een energielabel vanaf 2021 worden met dit energielabel geïnformeerd over het risico op hoge binnentemperaturen. Het energielabel is verplicht bij verkoop, verhuur en oplevering. Oudere nog geldige energielabels vermelden het risico op hoge binnentemperaturen niet. Ook moeten nieuwbouwwoningen vanaf 2021 voldoen aan de zogenaamde TO-juli eis om het risico op oververhitting te beperken. Daarnaast wordt aan individuele huiseigenaren en huurders via milieucentraal.nl, levenmetwater.nl en overstroomik.nl en via waterschappen op een toegankelijke manier informatie en handelingsperspectief geboden over de gevolgen van een heter en droger klimaat met extreme neerslag en overstromingen.
Zou een verplichting om bij verkoop of verhuur van woningen inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s een oplossing kunnen bieden voor de transparantie en duidelijkheid?
Anders dan de energielabels voor woningbouw vanaf 2021, die inzage geven in het risico op hoge binnentemperaturen (zie vraag 14), wordt er vooralsnog niet ingezet op een verplichting om inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s ten aanzien van wateroverlast of droogte bij verkoop of verhuur van woningen. Wel wordt er momenteel gewerkt aan de ontwikkeling van een Waterwijzer Gebouwen. Het doel van deze Waterwijzer Gebouwen is inwoners waterweerbaar te maken via het verhogen van bewustwording over risico’s en het bieden van handelingsperspectief.
Er is ook al veel data over klimaatrisico’s beschikbaar via de klimaateffectatlas; als je een woning wilt aankopen is op deze site specifieke informatie te vinden in het buurtdashbord. Tenslotte heeft het Rijk bijgedragen aan de ontwikkeling van het Framework for Climate Adaptive Buildings (FCAB), ontwikkeld met een breed consortium door de Dutch Green Building Council. Het betreft een methode waarmee gebouweigenaren kunnen bepalen wat de klimaatrisico’s voor hun panden zijn en waar de grootste risico’s in hun vastgoedportefeuille zitten. Dit helpt eigenaren om de juiste maatregelen te kunnen treffen om hun vastgoed klimaatbestendig te maken. Veel marktpartijen gebruiken het instrument al. We stimuleren ook dat woningcorporaties deze methodiek gebruiken. De eerste circa 50 woningcorporaties zijn er al mee gestart en de intentie is dit verder uit te breiden.
Bent u bereid om wettelijke of procedurele verplichtingen te versterken waarmee waterschappen tijdig betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en samen kunnen werken met gemeenten en provincies, zodat risico’s eerder aan het licht komen?
Ik deel de observatie dat door vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap risico’s eerder aan het licht kunnen komen. Hierdoor kan ook vertraging later in het proces worden voorkomen. Het vroegtijdig betrekken gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 zijn daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Deze houden in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van het bevoegd gezag, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de weging van het waterbelang, zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken onder de Omgevingswet.
Hoe garandeert u dat de uitgangspunten uit de Nationale Adaptatiestrategie (NAS)2 en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie3 niet vrijblijvend zijn, maar daadwerkelijk doorwerken in rijksprogramma’s voor woningbouw en gebiedsontwikkeling breed?
Naar verwachting wordt in 2026 een geactualiseerde Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) opgeleverd. Ook zal dit jaar de herijking van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie gereedkomen. De keuzes uit de NAS en het DPRA gaan voor een groot deel doorwerken in het op te stellen Nationaal Waterprogramma, dat voor 2028 vastgesteld zal worden. Tevens zijn de uitgangspunten van deze twee programma’s al meegenomen bij de totstandkoming van de Ontwerp-Nota Ruimte, waarbij ze ook in integrale samenhang zijn bezien met keuzes voor woningbouw en gebiedsontwikkeling. Na vaststelling van de definitieve versie zal de Nota Ruimte kaderstellend werken voor alle nationale programma’s. Via deze wijze borgen we dat nadere ruimtelijke keuzes voor woningbouw, gebiedsontwikkeling en klimaatadaptatie in nationale programma’s op een integrale wijze worden gemaakt.
Hoe ziet u de rol van het Rijk in het ontwikkelen van standaarden voor klimaatbestendig bouwen, zodat alle stakeholders rondom gebiedsontwikkeling weten waar zij aan toe zijn?
Het Rijk informeert partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling over klimaatbestendige bouw door middel van de hierboven genoemde instrumenten: het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Dit zijn ondersteunende instrumenten, daardoor blijft er ruimte voor lokaal maatwerk en voor innovatieve oplossingen. Zoals hierboven benoemd kan normering door de Rijksoverheid op specifieke thema’s van meerwaarde zijn. In het antwoord op vraag 22 ga ik hier nader op in.
Acht u het wenselijk dat er een landelijke, uniforme klimaatrisicotoets wordt opgenomen in ruimtelijke besluiten voor grootschalige woningbouwlocaties, zodat procedures voorspelbaar worden en vertraging door discussies achteraf wordt voorkomen?
Zoals ik hierboven bij vraag 18 heb aangegeven informeert het Rijk partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling zoals grootschalige woningbouwlocaties door middel van het afwegingskader en de maatlat. Hiermee stelt het Rijk partijen die werken aan gebiedsontwikkeling in staat om maatwerk te leveren en daarmee een afweging te maken die het beste past bij de lokale situatie. Daarnaast werken gemeenten en waterschappen in het kader van de Woontop afspraak 10.b6 aan een convenant om de onderlinge samenwerking te stroomlijnen. Met dit convenant worden afspraken gemaakt over de expertise en betrokkenheid van waterschappen en gemeenten bij woningbouwprojecten. Dit verbetert de onderlinge samenwerking in deze projecten, draagt bij aan voorspelbare procedures en voorkomt vertraging verderop in het proces.
Wordt er een impactanalyse gemaakt van klimaatrisico’s op de haalbaarheid en fasering van de nationale woningbouwopgave, zoals in het Deltaprogramma 2026 wordt gesuggereerd? Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit leidt tot slimmer bouwen?
Een nationale impactanalyse zoals in de vraag omschreven, wordt niet gemaakt. De Ontwerp-Nota Ruimte houdt bij alle keuzes rekening met water en bodem (zie vraag 7 en 8). Daarnaast zal de NAS ’26 verdere invulling geven aan de opgave klimaatbestendige nieuwbouw. Gemeenten zijn echter zelf verantwoordelijk voor de locatiekeuze (waar) en invulling (hoe) van de woningbouwopgave. Het Rijk heeft het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen om invulling te geven aan respectievelijk waar te bouwen en hoe te bouwen.
Bent u bereid het adviesrecht van waterschappen bij gebiedsontwikkeling te versterken zodat zij niet alleen reactief adviseren maar actief mee kunnen doen bij ontwikkelingen?4
Zie beantwoording van vraag 16.
Hoe borgt u dat toekomstige woningbouwplannen niet vertragen of stoppen maar worden aangepast waar nodig, door een waterrobuuste en adaptieve inrichting?
Op de Woontop van 2024 heb ik hierover afspraken gemaakt met marktpartijen en medeoverheden. Uitgangspunt is dat dat op veel plekken de woningbouwopgave groot is, maar daar tegelijkertijd maatregelen nodig zijn ten aanzien van water en bodem om verantwoord te kunnen bouwen. Met deze afspraak dragen wij bij aan toekomstbestendigheid, eenduidigheid en spreken we het commitment uit dat bouwen in gebieden met een opgave ten aanzien van water en bodem mogelijk is, maar wel extra aandacht vraagt.
Onderdeel van deze afspraken is dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast en bodemdaling. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Daarnaast werk ik met het College van Rijksbouwmeesters en Rijksadviseurs aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor deze locaties. Dit levert bewezen toepasbare en schaalbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 21, werken gemeenten en waterschappen daarnaast aan een verbetering van de onderlinge samenwerking, zodat in een vroeg stadium duidelijk is wat op een specifieke locatie nodig is om verantwoord te kunnen bouwen.
Op welke manier wordt gezorgd dat klimaatrisico’s beter in kaart worden gebracht en dat bewoners begrijpelijk en toegankelijk inzicht krijgen in klimaatrisico’s van hun woongebied (zoals hitte, wateroverlast, overstromingsrisico en droogte)?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) actualiseert momenteel de klimaatrisicoanalyse. De uitkomsten zullen naar verwachting in maart 2026 worden gepubliceerd. Daarnaast ontsluiten wij alle actuele kennis over gebiedsspecifieke klimaatrisico’s via de Klimaateffectatlas, waaronder die van hitte, wateroverlast, overstromingsrisico’s en droogte.
In het «Buurtdashboard» in de Klimaateffectatlas kunnen bewoners dit soort informatie vinden over hun eigen buurt. Verdere toelichting is te vinden bij de antwoorden op vraag 14 en 15.
Het WOO-verzoek Garnalenvergunningverlening |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Woo-besluit van 7 augustus 2025 waaruit blijkt dat Rijkswaterstaat Noord-Nederland (RWS-NN) vertrouwelijke conceptdocumenten, waaronder de Passende Beoordeling (PB) garnalenvisserij, heeft gedeeld met externe partijen zoals de Waddenacademie en de Waddenvereniging?
Ja, dit besluit is bekend. De conceptversie van de PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). De PB is door RWS gedeeld met de Waddenacademie ten behoeve van een onafhankelijke review. Wat hierbij niet goed is gegaan, is dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken bij het opstellen van de vragen voor deze review. Hoewel het ging om afstemming over inhoudelijke vragen, had RWS dit niet moeten doen, al is het maar om te voorkomen dat hiermee de schijn is ontstaan dat in dit dossier actief wordt opgetrokken met de Waddenvereniging om de garnalenvisserij te beperken.
Kunt u bevestigen dat RWS-NN de Passende Beoordeling van de garnalenvisserij informeel heeft ontvangen van (destijds) het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) en deze vervolgens heeft gedeeld met de Waddenacademie en natuurorganisaties? Zo ja, op grond van welke bevoegdheid is dit gebeurd?
RWS heeft de PB op ambtelijk niveau ontvangen van het toenmalige Ministerie van LNV en deze vervolgens ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. De Waddenvereniging heeft voorafgaand aan de review aan RWS suggesties gedaan voor vragen over de PB richting de Waddenacademie. Dit laatste is geen wenselijke gang van zaken.
De Minister van IenW draagt de zorg voor het (doen) treffen van instandhoudings- en passende maatregelen voor die Natura 2000-gebieden die een oppervlaktewaterlichaam zijn in beheer van het Rijk.1 Het monitoren en evalueren van voorziene maatregelen in de Waddenzee maakt onderdeel uit van deze regierol, die binnen mijn ministerie bij RWS is neergelegd.
Acht u het wenselijk en rechtmatig dat een agentschap onder uw ministerie zonder mandaat stukken van een ander ministerie (destijds LNV) deelt en gebruikt om vergunningverlening te beïnvloeden?
Vanuit de rol van voortouwnemer van het Natura-2000 beheerplan Waddenzee, heeft RWS (mede namens de bevoegde gezagen, inclusief LNV) destijds een evaluatie van het beheerplan op laten stellen. Vanwege inhoudelijke verschillen tussen de bevindingen uit deze evaluatie en de PB, heeft RWS de PB voor een review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld en heeft de review na afronding gedeeld met het Ministerie van LVVN, als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Deze handelwijze van RWS past bij de rol van voortouwnemer alleen moet hierbij wel gemarkeerd worden dat de toetsingskaders in een Natura 2000-beheerplan enerzijds en vergunningverlening anderzijds wel van elkaar kunnen verschillen.
Door het actief betrekken van de Waddenvereniging bij de review door RWS, is helaas het onjuiste beeld ontstaan, dat RWS en Waddenvereniging samen optrekken om de garnalenvisserij te beperken. Dit past uiteraard niet bij de rol van voortouwnemer.
Hoe beoordeelt u het feit dat RWS-NN vragen aan de Waddenacademie heeft opgesteld in overleg met natuurorganisaties, die vervolgens worden gebruikt in procedures tegen het vergunningsbeleid van de Minister van (destijds) LNV?
Zowel de PB als de review van de Waddenacademie (inclusief de reviewvragen) zijn openbare informatie. Al deze informatie was voor LVVN beschikbaar bij het maken van afwegingen vanuit zijn rol als bevoegd gezag voor vergunningverlening. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen.
Hoe beoordeelt u dat RWS-NN actief een review bij de Waddenacademie heeft uitgevraagd, waarbij vragen deels in overleg met natuurorganisaties zijn geformuleerd en gericht waren op het onderbouwen van negatieve aannames over de garnalenvisserij?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom Rijkswaterstaat, die formeel slechts procesmanager is bij beheerplannen, actief beleid beïnvloedt op terreinen die behoren tot de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV, en daarbij zelfs «munitie levert» aan partijen die het beleid van de Minister van LNV aanvechten?
RWS heeft hier de rol van «voortouwnemer». Dit is een regierol, dat betekent onder andere dat moet worden nagegaan of de in het beheerplan voorziene maatregelen in de toekomst daadwerkelijk worden ondernomen om de instandhoudingsdoelen te realiseren.2 Daarmee kan het ook relevant zijn om adviserend op te treden in relatie tot het beleid welke onder de verantwoordelijkheid van de Minister en Staatssecretaris van LVVN vallen.
Hoe beoordeelt u dat de review van de Waddenacademie gebaseerd was op een eerdere, nooit gepubliceerde versie van de Passende Beoordeling? Acht u dit zorgvuldig en juridisch houdbaar?
Vanwege de vertrouwelijkheid van sommige gegevens is het niet per definitie toegestaan om conceptversies van een PB te delen met andere partijen. Wel staat het een aanvrager zelf altijd vrij om zelf actief een conceptversie te delen met, bijvoorbeeld, natuurorganisaties. De conceptversie van de betreffende PB is in het voorjaar van 2022 door de visserijsector met diverse natuurorganisaties gedeeld, waaronder de Waddenvereniging (vanuit de context van de Stuurgroep Toekomstperspectief Garnalenvisserij). Er bestond in dit geval geen juridisch beletsel om de PB voor onafhankelijke review voor te leggen aan een kennisregisseur als de Waddenacademie.
De PB die RWS aan de Waddenacademie heeft voorgelegd was op dat moment in de begeleidende mail omschreven als volledig en juist, dit volgt ook uit de geopenbaarde Woo-stukken. RWS heeft daarom deze versie van de PB ter review voorgelegd aan de Waddenacademie. LVVN was hierover ambtelijk vooraf door RWS op de hoogte gesteld. Wel zou het, met de kennis van nu, beter zijn geweest om de definitieve versie van de PB te hanteren voor de beoogde review.
Kunt u toelichten waarom er geen bezwaar is gemaakt tegen het feit dat een niet-openbaar document (de Passende Beoordeling) informeel is gedeeld en gebruikt in een review en juridische procedures?
Bezwaar is op grond van de Algemene wet bestuursrecht alleen mogelijk tegen besluiten in de zin van deze wet. Het delen van een rapport is geen besluit, maar een feitelijk handelen.
Het initiatief tot het delen van de PB met de Waddenacademie kwam vanuit RWS; Deze handelwijze wordt in het specifieke licht van de hierboven bij antwoord 6 beschreven rol in relatie tot het beheerplan niet bezwaarlijk geacht.
Gelet op de conclusie van de Waddenacademie dat toepassing van het voorzorgsbeginsel betekent dat garnalenvisserij niet kan worden vergund zolang er wetenschappelijke onzekerheden bestaan: deelt u de zorg dat deze interpretatie ertoe leidt dat in Natura 2000-gebieden in de praktijk nauwelijks nog vergunningen kunnen worden verleend, aangezien er altijd wetenschappelijke onzekerheden bestaan?
Het voorzorgsbeginsel ligt besloten in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.3 Daarin staat dat er redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan dat activiteiten negatieve effecten hebben op de beschermde natuur, vandaar de noodzaak tot een PB. De PB moet boven redelijke wetenschappelijke twijfel verheven zijn, vandaar in bepaalde gevallen de noodzaak tot een review.
Die weging vindt plaats door het vergunningverlenend bevoegd gezag, in dit geval LNV (nu LVVN). Het is dus niet zo dat per definitie nauwelijks nog vergunningen verleend zouden kunnen worden. Juist ook met het verbinden van specifieke voorschriften aan een vergunning of nader inperken van hetgeen is aangevraagd, kan bij eventuele wetenschappelijke onzekerheid, toch tot vergunningverlening worden overgegaan. Het ligt dus genuanceerder dan de conclusie van de Waddenacademie mogelijk doet veronderstellen.
Hoe verhoudt de door RWS-NN destijds voorgestelde beperkte vergunningsduur van een tot drie jaar zich tot het beleid van de Minister van LNV om vergunningen voor langere perioden (zes jaar) te verlenen? Is er overleg geweest om deze tegenstrijdige visies te harmoniseren?
In algemene zin kan worden gezegd dat het afstemmen van de looptijd van een natuurvergunning op die van het Natura 2000-beheerplan een goede manier is om activiteiten in een gebied te reguleren en zo te sturen op het kunnen behalen van de doelen.
Zonder aansluiting van de verschillende sporen kan het zijn dat een paar jaar na vergunningverlening extra maatregelen nodig blijken vanuit de Natura 2000-beheerplannen met opnieuw extra (in)spanning voor de vissers. RWS heeft deze redeneerlijn op ambtelijk niveau kenbaar gemaakt bij LVVN. Dit punt is door LVVN doorvertaald in een viertal evaluatiemomenten van de vergunning, in lijn met de Natura 2000-beheerplan-cycli.
Hoe waarborgt u dat interne verschillen van inzicht tussen Rijkswaterstaat en de Minister van LNV niet leiden tot juridische zwakte en onduidelijkheid in beleid, waardoor natuurorganisaties gemakkelijker procedures kunnen winnen?
Er is hier sprake van verschillende rollen en bevoegdheden en niet van een juridische zwakte. Het is aan de voortouwnemer om andere bevoegd gezagen, in dezen LVVN als bevoegd gezag voor de vergunningverlening, te wijzen op een mogelijke spanning met de in het Natura2000-beheerplan vastgestelde doelen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag zelf hoe dit gewogen wordt.
Erkent u dat deze handelwijze het vertrouwen in de overheid schaadt en vissersgezinnen in grote onzekerheid heeft gebracht, doordat hierdoor de vergunningverlening jaren vertraging opliep?
RWS heeft mij verzekerd dat hier niet vanuit verkeerde intenties is gehandeld, maar vanuit een adviserende rol richting LVVN, die voortkomt vanuit de rol van voortouwnemer. Niettemin is het achteraf gezien niet geheel rolzuiver en geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS, mede gelet op de politiek-bestuurlijke en juridische gevoeligheid van dit dossier, nadrukkelijk gevraagd voortaan als voortouwnemer rolvast te handelen. Ik herken echter niet dat dit de oorzaak is van een jarenlange vertraging van de vergunningverlening. Ik begrijp natuurlijk dat een vertraging in de vergunningverlening voor vissersgezinnen in zijn algemeen bijzonder vervelend is.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de rol van RWS-NN in dit dossier, specifiek naar de vraag of Rijkswaterstaat buiten haar mandaat is getreden en hoe de samenwerking met natuurorganisaties is verlopen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, had de vraagstelling van de review niet vooraf door RWS gedeeld moeten worden met de Waddenvereniging. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn. Voor het overige heeft RWS gehandeld binnen de rol van voortouwnemer van het Natura 2000-beheerplan. Een nader onderzoek heeft wat mij betreft geen meerwaarde.
Kunt u bevestigen dat uw ministerie de Passende Beoordeling informeel heeft gedeeld met RWS-NN, en hoe beoordeelt u dat deze vervolgens is gebruikt om vergunningverlening te frustreren en juridische procedures te voeden?
Nee, RWS heeft de PB niet informeel vanuit het Ministerie van IenW ontvangen, maar op ambtelijk verzoek rechtstreeks van het Ministerie van LNV.
Deelt u de analyse dat de door de Waddenacademie gehanteerde interpretatie van het voorzorgsbeginsel dusdanig streng is dat feitelijk geen enkele activiteit in Natura 2000-gebieden meer kan worden vergund? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 9.
Hoe beoordeelt u de constatering dat natuurorganisaties deze review en door Rijkswaterstaat aangeleverde notities inzetten om rechtszaken te voeren tegen het beleid van u als Minister van Infrastructuur en Waterstaat?
Er zijn in deze context geen rechtszaken bekend tegen het beleid van het Ministerie van IenW.
Wat zegt dit volgens u over de onafhankelijkheid van de Waddenacademie?
Ik zie geen aanleiding vraagtekens te zetten bij de onafhankelijkheid van de Waddenacademie.
Wat zegt dit volgens u over de rol van Rijkswaterstaat?
Zie het antwoord op de vragen 1,2, 3 en 4.
Erkent u dat deze werkwijze bijdraagt aan rechtsonzekerheid en wantrouwen bij vissers, die het gevoel hebben dat beleid gebaseerd wordt op politieke voorkeuren in plaats van objectieve wetenschap?
Ik ben het met u eens dat vissers gebaat zijn bij zekerheid en duidelijkheid vanuit de overheid. De wetgever heeft de Minister van IenW de taak gegeven – toebedeeld aan RWS – om zorg te dragen voor het (doen) nemen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de betreffende Natura2000-gebieden.
Het verlenen van vergunningen voor visserij is echter niet aan de Minister van IenW. Wel kan RWS, namens de Minister van IenW, bij het betreffende bevoegd gezag voor vergunningverlening aangeven wat de mogelijke consequenties zijn van het verlenen van de vergunning op de in het Natura 2000-beheerplan geformuleerde doelen. Het is vervolgens aan het vergunningverlenend bevoegd gezag om hier een besluit over te nemen.
Bent u bereid om, mede op basis van het recente onderzoek van Wageningen University & Research waarin eerdere aannames worden weerlegd, de huidige en voorgenomen beperkingen voor de garnalenvisserij te herzien en vissers waar nodig te compenseren, omdat zij hierdoor onnodig lang in onzekerheid hebben gezeten?
Voor compensatie voor de onzekerheid omtrent de vergunningverlening wordt geen grond gezien. Het is niet duidelijk naar welke publicatie hier specifiek verwezen wordt, maar bij de actualisatie van de beheerplannen wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie, waaronder onderzoeken van de WUR.
Hoe verklaart u dat twee onderdelen van de rijksoverheid (RWS-NN en het Ministerie van LNV) elkaar in dit dossier tegenwerken, met vissers als direct slachtoffer?
Er is in dit dossier samenwerking tussen LVVN – over beleid omtrent de garnalenvisserij – en RWS als voortouwnemer in diverse N2000-beheerplannen. Flankerend daaraan speelt de vergunningverlening vanuit LVVN. Uiteindelijk ligt de regulering van de visserij bij LVVN als het vergunningverlenend bevoegd gezag.
Bent u bereid de Kamer te informeren hoe wordt voorkomen dat in de toekomst opnieuw «wetenschap op bestelling» wordt georganiseerd door overheidsorganisaties of in samenwerking met natuurorganisaties?
Er is geen sprake geweest van «wetenschap op bestelling». RWS heeft de Waddenacademie verzocht een onafhankelijke review uit te voeren op de PB. Het is achteraf gezien geen wenselijke gang van zaken geweest, dat RWS de Waddenvereniging actief heeft betrokken, voorafgaand aan de review door de Waddenacademie. Ik heb RWS nadrukkelijk gevraagd hier in het vervolg scherp op te zijn.
Bent u bereid om, gelet op de ernst van deze gang van zaken, de directeur-generaal van Rijkswaterstaat uit te nodigen voor een hoorzitting in de Tweede Kamer om publiekelijk verantwoording af te leggen over het delen van vertrouwelijke documenten met externe partijen en het beïnvloeden van wetenschappelijke beoordelingen, alsmede de samenwerking met natuurorganisaties bij het formuleren van juridische argumenten tegen het beleid van de rijksoverheid zelf?
In de voorgaande antwoorden is aangegeven hoe het proces rond het delen van de PB verlopen is en welke rol RWS hier in had. Het is op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer aan de vaste commissie voor IenW om te bepalen wie zij voor een hoorzitting uitnodigt.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bij een aantal vragen is ervoor gekozen om te werken met verwijzingen naar eerdere antwoorden, om zo veel mogelijk dubbelingen te voorkomen.
De vele boetes voor het niet op tijd betalen van de e-tol op de A24 |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Regels voor nieuwe e-tol niet voor iedereen duidelijk: 200.000 boetes» (NOS, 19 oktober 2025)1 en «Betaalherinnering voor e-tolweg A24 kost je vanaf nu geld» (NU.nl, 7 december 2025)2?
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichten? Ontvangt u ook signalen over de digitale toegankelijkheid van de e-tolweg, en zo ja, wat is daarvan de strekking?
De tolheffing op de A24 is voor het merendeel van de gebruikers duidelijk; echter nog niet voor iedereen. Dat is ook in lijn met de verwachtingen vooraf: een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. De inzet is erop gericht dat steeds meer gebruikers de tol tijdig betalen, zodat het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hierin is ook een duidelijke positieve trend waarneembaar. In de eerste helft van 2025 werd ca. 80% van de tolritten op tijd betaald. Begin december was dit gestegen tot ca. 90%. Dit resulteert in een daling van het aantal verstuurde betalingsherinneringen en boetes. Naar verwachting zet deze dalende trend de komende maanden verder door.
Er zijn signalen bekend over de digitale toegankelijkheid van het systeem. Zo heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat het tolsysteem onnodige lasten legt bij burgers, en mensen uitsluit die niet digitaal vaardig zijn. Bij het klantcontactcentrum van e-TOL betreft het merendeel van de vragen algemene vragen over tolheffing, de wijze van betalen of vragen naar aanleiding van betalingsherinneringen of boetes. Er zijn slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid. Dit betrof personen die niet in staat waren om digitaal te betalen. In dergelijke gevallen wordt ondersteuning geboden om aan de verplichtingen te voldoen.
Het feit dat digitale toegankelijkheid in het klantcontact niet specifiek naar voren komt neemt niet weg dat het systeem ingewikkeld kan zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Bent u het met de indieners eens dat meer dan 200.000 uitgedeelde boetes wijst op een structurele tekortkoming in de voorlichting over de e-tolheffing?
Nee, deze stelling wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook gebleken bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Klopt het dat één op de vijf automobilisten die via de e-tolweg reizen de tol niet op tijd betalen? Is deze verhouding in lijn met wat u vooraf had verwacht?
Ten tijde van de berichtgeving van de NOS (19 oktober jl.) werd inderdaad ca. één op de vijf tolritten niet tijdig betaald. Ca. 80% van de tolritten werd daarmee wel tijdig betaald. Dat is in lijn met de inschattingen die voor het jaar 2025 in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 20263 zijn opgenomen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Is in de geplande periode van 25 jaar waarin tol zal worden geheven rekening gehouden met deze hoge inkomsten uit boetes en aanmaningen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor de duur van die periode?
In de ramingen in de begroting is rekening gehouden met inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit omdat in artikel 11 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) is vastgelegd dat de netto-opbrengsten uit tolheffing, betalingsherinneringen en boetes volledig ten goede komen aan de aflossing van de tolopgave. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze tolopgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De duur van de tolheffing hangt af van het aantal gebruikers van de A24, het betaalgedrag van deze gebruikers en de uitvoeringskosten van tolheffing. Deze factoren zijn momenteel nog sterk in ontwikkeling, waardoor de precieze duur van de tolheffing nu nog onduidelijk is. De ramingen in de begroting over betalingsherinneringen en boetes betreffen slechts indicatieve inschattingen. Er wordt niet gestuurd op het realiseren van de geraamde inkomsten: er wordt gestuurd op naleving van de tolplicht.
Kunt u verklaren waarom maar liefst één op de vijf automobilisten de e-tol niet (kunnen) betalen? In hoeverre is dit een gevolg van problemen met de digitale toegankelijkheid?
Er zijn verschillende redenen waarom gebruikers de tol niet tijdig betalen. Zo zijn er gebruikers die de verkeersborden over het hoofd zien, het systeem (nog) niet helemaal begrijpen of simpelweg vergeten te betalen. Ook zijn er gebruikers die de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur hebben beschouwd. Er zijn geen indicaties dat specifiek de digitale toegankelijkheid een verklaring is voor het feit dat de tolheffing niet tijdig wordt betaald. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft u inzicht in de achtergrond van de mensen die beboet worden? Zo ja, raakt dit disproportioneel doelgroepen in een kwetsbare sociaaleconomische positie?
Bij de handhaving van de tolheffing worden geen gegevens verwerkt over de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen. Conform de Wet TTH worden alleen gegevens verwerkt die nodig zijn om een betalingsherinnering of boete te kunnen versturen. Het gaat dan onder meer om de naam, het adres en de woonplaats van de houder van het voertuig waarvoor niet tijdig tol is betaald.
Wel komt de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen soms aan de orde in het klantcontact dat plaatsvindt. Het komt voor dat iemand meerdere boetes van soms verschillende overheidsorganisaties heeft ontvangen en deze niet allemaal (tegelijkertijd) kan betalen. Waar mogelijk wordt in dit soort gevallen maatwerk toegepast. De tolheffing is om deze reden aangesloten op de Betalingsregeling Rijk4, waarmee het CJIB als Rijksincasso-organisatie namens de aangesloten overheidsorganisaties tot een betalingsregeling kan komen die rekening houdt met de afloscapaciteit van de betrokkene.
Heeft u zicht op het aantal automobilisten dat herhaaldelijk de boete niet heeft (kunnen) betalen? Kunt u een beeld schetsen van hoeveel automobilisten door het niet (kunnen) betalen van de boetes een aanzienlijk bedrag verschuldigd is?
Er is recent een analyse uitgevoerd naar gebruikers die meerdere boetes hebben ontvangen en hun betaalgedrag. Hieruit blijkt dat er na één jaar tolheffing 3.466 personen of bedrijven zijn die 10 of meer tolboetes hebben ontvangen. In 1.730 van deze gevallen is nog geen enkele boete betaald. Conform het beleid dat handhaving op maatschappelijk verantwoorde wijze plaatsvindt, wordt getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande herinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden bij het betalen en voorkomen dat personen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Erkent u dat, door de tolheffing uitsluitend digitaal te doen, er een verhoogd risico is dat de ongeveer 2,5 miljoen mensen3 die moeite hebben met digitale dienstverlening disproportioneel beboet worden?
Nee, dit wordt niet erkend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan het systeem ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat mensen die minder digitaal vaardig zijn nadeel ondervinden of disproportioneel worden beboet. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Welke maatregelen heeft u genomen om automobilisten in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden in staat te stellen om tijdig en gemakkelijk de tol te betalen?
De tol kan op twee manieren worden betaald: door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op e-tol.nl. Gebruikers hebben een vrije keuze hoe ze willen betalen, maar geadviseerd wordt om automatisch te betalen. Daarmee worden immers herinneringen en boetes voorkomen. Het aanmelden voor automatisch betalen is zo makkelijk mogelijk gemaakt en wordt ook in de communicatie benadrukt.
Gebruikers die vragen hebben over de tolheffing of ondersteuning nodig hebben bij het verrichten van betalingen of het aanmelden voor automatisch betalen, kunnen terecht bij het klantcontactcentrum. Dat geldt uiteraard ook voor personen in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is het verrichten van betaalhandelingen niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
Waarom heeft u besloten om ook de betalingsherinnering geld te laten kosten als een automobilist niet binnen 72 uur digitaal tol betaalt? Is dit niet een impliciete vorm van dwang om mensen te bewegen tot automatische betalingen?
Reeds bij de parlementaire behandeling van de Wet TTH in 2015 was bekend dat alleen in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening zou worden gebracht. Dit om gebruikers te laten wennen aan het tolsysteem. Op 7 december jl. is het eerste jaar tolheffing geëindigd en is gestart met het in rekening brengen van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering. Dit bedrag is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het is niet bedoeld als (impliciet) dwangmiddel om mensen te bewegen tot automatische betalingen. Wel wordt verwacht dat deze maatregel als bijeffect heeft dat het aantal tijdige betalingen toeneemt. Dit mede omdat sommige weggebruikers de herinneringsbrief tot aan 7 december jl. (ten onrechte) als een factuur beschouwden.
Op welke manier zijn ervaringsdeskundigen, laaggeletterden en kennisorganisaties voor digitale toegankelijkheid betrokken bij het inrichten van de e-tolheffing? Voldoet dit volledig aan de eisen voor digitale toegankelijkheid?
Bij het ontwerpen van het tolsysteem is aandacht geweest voor digitale toegankelijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld zogeheten klantreizen opgesteld, waarbij potentiële gebruikers met verschillende achtergronden en kenmerken de processtappen van het tolheffingsproces hebben doorlopen (van het zien van een verkeersbord over tolheffing tot het ontvangen van een boete en de processtappen daartussenin). Deze klantreizen hebben waardevolle inzichten opgeleverd die zijn meegenomen om het systeem gebruiksvriendelijk te maken.
Ook bij de communicatie over tolheffing (in bijvoorbeeld brieven, de website e-tol.nl en campagnemateriaal) is aandacht voor toegankelijkheid. Bijvoorbeeld door het gebruik van begrijpelijke taal op taalniveau B1. Daarnaast geldt dat overheidswebsites (zoals de website e-tol.nl) moeten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals beschreven in de Wet digitale overheid (Wdo). De website heeft status B6 en voldoet daarmee aan de wettelijke eisen. Het streven is de website verder te verbeteren naar status A.
Welke mogelijkheden hebben mensen die de tol niet digitaal kunnen of willen betalen om alsnog hun betaling te doen? Zijn deze mogelijkheden voldoende helder en toegankelijk?
De betaling van de tol is alleen digitaal mogelijk, door te betalen via de website e-tol.nl (met iDEAL of creditcard) of door aan te melden voor automatisch betalen. Bij automatisch betalen zijn er, afhankelijk van de gekozen aanbieder, opties om te betalen per factuur, creditcard, automatische incasso of door een saldo op het account te storten (prepaid). Informatie over betaalmogelijkheden is beschikbaar op de website e-tol.nl en kan ook worden opgevraagd bij het klantcontactcentrum.
Welke kosten-batenanalyse ligt ten grondslag aan de keuze voor e-tolheffing? Welke alternatieven zijn onderzocht, zoals een ouderwets tolhuisje?
In de memorie van toelichting bij de Wet TTH7 is uitgebreid ingegaan op de afweging om bij de A24/Blankenburgverbinding en de toekomstige ViA15 te kiezen voor een free flow-tolsysteem en niet voor een «klassiek» systeem met een tolplein met slagbomen. Aspecten die een rol hebben gespeeld in de afweging zijn gebruikersgemak, doorstroming, verkeersveiligheid, betaalmogelijkheden en handhaving. Bij de A24 bleek een tolplein met slagbomen fysiek onmogelijk inpasbaar in het wegontwerp en zou het daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Dit terwijl de A24 bedoeld is om de doorstroming in de regio Rijnmond te verbeteren.
Bent u het met de indieners eens dat, gezien de nieuwigheid van de e-tol en het risico dat vooral mensen met weinig digitale vaardigheden worden beboet, terughoudendheid en ruimhartigheid moet worden betracht bij de tolheffing?
Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 en 10 is daarom ingezet op goede communicatie over de tolheffing, goede ondersteuning aan gebruikers en op coulance bij de handhaving. Ook zijn in het eerste jaar van de tolheffing gratis betalingsherinneringen gestuurd aan gebruikers die de tol niet tijdig hebben betaald.
Bent u bereid om, vanwege de zorgen rondom de digitale toegankelijkheid van de e-tolheffing, de periode waarin geen administratiekosten worden gerekend te verlengen?
Nee, dit is niet wenselijk. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er bij het klantcontactcentrum slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid van het systeem. Conform de Wet TTH is in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening gebracht en wordt dat sinds 7 december jl. wel gedaan. Die vergoeding is nodig omdat voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen substantiële uitvoeringskosten worden gemaakt. Daarnaast is een gratis betalingsherinnering niet rechtvaardig ten opzichte van gebruikers die wel op tijd tol betalen, omdat zij indirect meebetalen aan de kosten hiervan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
De investeringsplannen van Schiphol |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn de bewindspersonen bekend met het bericht dat Schiphol de komende 10 jaar 10 miljard gaat investeren in de luchthaven1 en met het Strategisch Plan 2025–20352 die 21 november 2025 in de media is gepubliceerd?
Ja.
Wat is het precieze totaalbedrag dat Schiphol investeert in dit plan, welk bedrag daarvan betreft investeringen in Nederland, welk bedrag betreft investeringen in buitenlandse luchthavens (en welke luchthavens heeft Schiphol op het oog) en hoe verhoudt dit zich tot het eerder aangekondigde investeringsprogramma van € 6 miljard voor 2024–2029?
Schiphol heeft in de strategie aangegeven in de komende tien jaar € 10 miljard te willen investeren. Dit zijn indicatieve bedragen, eveneens indicatief is dat hiervan circa € 1 miljard in buitenlandse activiteiten zal worden geïnvesteerd ondersteunend aan de Nederlandse kernactiviteiten. De eerder aangekondigde investeringen zijn (met uitzondering van 2024) onderdeel van de € 10 miljard voor 2025–2035.
Zijn er binnen het investeringsprogramma alternatieven overwogen waarbij een lager investeringsbedrag zou volstaan, en zo ja, op basis van welke afwegingen zijn deze alternatieven verworpen?
Het doel van Schiphol met deze investeringen is om de kwaliteit van de luchthaven aanzienlijk te verbeteren. Hierbij zijn reeds afwegingen gemaakt om alleen de meest noodzakelijke investeringen uit te voeren. Schiphol heeft een inschatting gemaakt wat de kosten hiervan zullen zijn voor de komende 10 jaar en is uitgekomen op een bedrag van € 10 miljard. De luchtvaartmaatschappijen worden ook geconsulteerd over de investeringsplannen omdat zij via de havengelden een groot deel van de investeringen betalen. In verband met de toenemende kostendruk op de luchtvaartmaatschappijen is de hoogte van de investeringsagenda een permanent aandachtspunt.
Kunt u specificeren hoe de totale investeringen tot 2035 uiteenvallen in individuele investeringsprojecten, welke projecten de statutaire drempel van € 200 miljoen overschrijden (zoals de Nieuwe Terminal Zuid, de A-pier in 2027, de lounges, de nieuwe metrolijn, infrastructurele uitbreidingen zoals de Dual Taxi Way), wat per project het investeringsbedrag is en wanneer deze individuele projecten ter goedkeuring aan de aandeelhouders voorgelegd worden?
Schiphol legt individuele investeringen aan haar aandeelhouders voor, voorafgaand aan het definitieve besluit tot investering. Deze beoordeel ik als aandeelhouder aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid 2022 en het handboek investeringen.3 Daarnaast toetst het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, als beleidsdepartement, het investeringsvoorstel op de bijdrage aan het publieke belang. Het meest recente investeringsvoorstel dat aan de aandeelhouders is voorgelegd, en is goedgekeurd, was de uitkoop van de huurder van een aantal gebouwen aan de zuidkant van Schiphol. Deze gebouwen zullen worden vervangen voor duurzamere gebouwen op een andere locatie. Schiphol heeft mij ingelicht over voornemens voor investeringen in de toekomst, maar deze zijn nog onvoldoende concreet, zijn nog niet ter goedkeuring voorgelegd en zijn bedrijfsvertrouwelijk. Om die reden kan hier in de openbaarheid nog geen uitspraak over worden gedaan.
Indien u deze specificatie niet kunt geven: wat is (a) het totaalbedrag aan investeringen binnen het programma 2025–2035 waarvoor aandeelhoudersgoedkeuring vereist is, (b) welk percentage dit is van de totale investering (c) hoeveel individuele investeringsprojecten dit betreft en (d) wanneer worden deze projecten uiterlijk ter goedkeuring aan de aandeelhouders voorgelegd?
Binnenlandse investeringen van meer dan € 200 miljoen moeten aan de aandeelhouders worden voorgelegd. Voor buitenlandse investeringen wordt een strengere goedkeuringsdrempel gehanteerd (€ 100 miljoen bij investeringen en € 50 miljoen bij buitenlandse overnames). De investeringen worden voorgelegd voorafgaand aan het definitieve investeringsbesluit. Op dit moment is nog geen specificatie beschikbaar van de individuele investeringen, waardoor op de bovenstaande vragen geen concreet antwoord gegeven kan worden.
Welk percentage van de totale investering betreft investeringen die geen aandeelhoudersgoedkeuring vereisen (dus onder de drempel van € 200 miljoen), om hoeveel euro gaat dit, en op welke wijze houdt de Staat als aandeelhouder toezicht op deze investeringen?
Ook hiervoor geldt dat op dit moment geen specificatie gegeven kan worden. In algemene zin volgt de staat als aandeelhouder nauwgezet het reilen en zeilen van de onderneming, maar het is niet aan de aandeelhouder om op investeringen onder de investeringsdrempel toezicht te houden. Wel heb ik doorlopend contact met Schiphol over onder meer de investeringsagenda.
Aangezien Schiphol stelt dat in haar investeringsplannen extra «ruimte nodig is om grotere en stillere vliegtuigen te faciliteren» en voor «de grootste vliegtuigen aanvullende gates nodig» zijn, kunt u aangeven wat de verwachte ontwikkeling is van het aantal passagiers op Schiphol voor de jaren 2025–2035?
Schiphol ziet dat luchtvaartmaatschappijen meer nieuwe grotere vliegtuigen gaan bestellen. De capaciteitsrestrictie (478.000 vluchten per jaar) en kostenoverwegingen in combinatie met een groeiende vraag naar vliegreizen dragen hieraan bij. Naar verwachting resulteert dit tijdens de piekuren in 2035 in een toename van 25% meer passagiers dan in de piekuren in 2025.
Wat is de verwachte CO2-uitstoot van Schiphol voor de jaren 2025–2035 uitgesplitst naar scope 1 (directe emissies), scope 2 (indirecte emissies van energiegebruik) en scope 3 (emissies van vliegtuigbewegingen) en hoe verhoudt deze zich tot het uitstootniveau van 1990?
Ik heb informatie opgevraagd bij Schiphol en zij geven het volgende aan:
Schiphol Group heeft een 10-jarig actieplan om de 2030 doelen te bereiken. In 2025 is er een update van deze strategie gepubliceerd4 waarin ook een doorkijk staat naar de ontwikkeling van de Scope 1, 2 en 3 emissies. In dit document staat beschreven wat Schiphol Group gedaan heeft om de Scope 1 en 2 emissies te verlagen, en hoe Schiphol Group samenwerkt met partners zoals luchtvaartmaatschappijen en brandstofleveranciers om Scope 3 emissies te verlagen.
Schiphol is in 2009 gestart met de CO2-boekhouding waardoor een vergelijking met 1990 niet mogelijk is. Het referentiejaar dat Schiphol gebruikt is 2019. CO2-uitstoot van vliegverkeer is het grootste aandeel (95%) van de totale CO2-footprint (Scope 1, 2 en 3).
Voor Scope 1 emissies ligt Schiphol Group voor op het reductiepad van het Klimaatakkoord van Parijs. De verwachting is dat de Scope 1 emissies ongeveer 5 ton CO2 bedragen in 2035. Voor de resterende emissies in Scope 1 worden jaarlijks carbon removals aangeschaft.
Scope 2 emissies zijn nul (market-based) omdat de vier Nederlandse luchthavens van RSG draaien op Hollandse windstroom. Voor 2035 is de verwachting dat dit gelijk blijft.
In de Scope 3 emissies wordt de CO2-uitstoot van de volledige uitgaande vluchten meegenomen (bijv: Amsterdam naar New York). De verwachting is dat de Scope 3 emissies ongeveer 8.5 Mton CO2 bedragen in 2035. Het stimuleren van SAF boven de ReFuelEU SAF mandaat kan bijdragen tot een versnelling van deze reductie. Meer informatie over wat Schiphol doet om de Scope 3 emissies te beïnvloeden, is beschikbaar in de 2025 sustainability update.
Deelt u de conclusie dat het klimaatdoel van het Rijk (55% reductie in 2030 ten opzichte van 1990) vereist dat ook de luchtvaart een substantiële CO2-reductie realiseert en acht u de investeringsplannen van Schiphol die passagiersgroei faciliteren in overeenstemming met de klimaatdoelstellingen van het Rijk?
Er is geen discussie dat ook de luchtvaartsector een bijdrage moet leveren aan de reductie van CO2-uitstoot. De luchtvaartsector is een mondiale sector waardoor er op zowel nationaal, Europees als mondiaal niveau acties nodig zijn. Daarover zijn in internationaal verband (ICAO) afspraken gemaakt. Dat heeft ook een doorvertaling gevonden in het Nederlands beleid. Dat richt zich op een afname van de totale CO2-uitstoot en hinder van luchtvaart. Door het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen en innovatie van vliegtuigen wordt vliegen schoner en zuiniger. Tegelijk neemt de wereldwijde vraag naar vliegen toe, waardoor ook het aantal passagiers zal toenemen. Dit is mede aanleiding voor Schiphol om te investeren in de voorzieningen. Op grond van artikel 8.25a van de Wet luchtvaart is de exploitant van de luchthaven ook verplicht tot het treffen van voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven.
Wat is de verwachte ontwikkeling van de stikstofuitstoot op Schiphol voor de periode 2025–2035, en wat is het effect van de facilitering van grotere vliegtuigen op deze uitstoot?
Van Schiphol begrijp ik dat Schiphol ernaar streeft om haar eigen emissies in 2030 sterk te reduceren (zero-emission doelstelling). Schiphol zet daarbij in op elektrificatie van de grondafhandeling, naast elektrisch vervoer worden voorzieningen gerealiseerd waardoor vliegtuigen minder de motoren of de APU (hulpmotor) hoeven te gebruiken voor elektriciteit en airconditioning. Hier staat echter tegenover dat vliegtuigen weliswaar stiller worden, minder brandstof verbruiken en daardoor minder CO2 uitstoten, maar naar verwachting wel ook meer stikstof zullen uitstoten. Schiphol voert als laatste ook gesprekken met de vliegmaatschappijen om de emissies van het taxiën te beperken, bijvoorbeeld door één motor tijdens het taxiën uit te zetten en er loopt een project voor de inzet van een emissieloze taxibot.
Deelt u de mening dat investeringen van € 10 miljard die expliciet bedoeld zijn om grotere vliegtuigen en daarmee meer passagiers te faciliteren (zoals de aanvullende gates voor de grootste vliegtuigen), niet in overeenstemming zijn met het ontbreken van een geldige natuurvergunning vanwege stikstofuitstoot en zo nee, waarom niet?
Schiphol is er veel aan gelegen om zo snel mogelijk te voldoen aan alle vereisten voor een geldige natuurvergunning, om de huidige situatie te beëindigen. Op 19 december 2025 is door de Staatssecretaris van LVVN een tijdelijk gedoogbesluit afgegeven voor een periode van twee jaar ten aanzien van het ontbreken van de natuurvergunning. Dit laat onverlet dat Schiphol ook verder dient te kijken, om in de toekomst bij te dragen aan de borging van het publieke belang. Hiervoor is de investeringsagenda noodzakelijk.
Op welke data en in welke gremia (zowel formeel als informeel) heeft de Staat in de periode november 2024–november 2025 input gegeven op het Strategisch Plan 2025–2035 van Schiphol?
Ik heb mijn rol als aandeelhouder in de ontwikkeling van de strategie ingevuld conform de Nota deelnemingenbeleid 2022. Op 3 maart 2025 is de zogenoemde startbrief strategieherijking verstuurd aan Schiphol, waarin ik (mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat) meerdere aandachtspunten heb meegegeven voor de nieuwe strategie. Deze aandachtspunten zijn onder meer de bijdrage aan het publiek belang van verbondenheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, een goede balans met de omwonenden en een kritische lijn ten opzichte van buitenlandse investeringen. Op de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 11 november 2025 is de strategie besproken met de aandeelhouders. Tussentijds heeft Schiphol doorlopend contact gehad met de aandeelhouders over de herijking van de strategie.
Heeft de Staat bij deze input expliciet stilgestaan bij de vraag of de investeringen die passagiersgroei faciliteren in strijd zijn met de klimaat- en stikstofdoelen van het Rijk en zo ja, wat was het standpunt van de Staat en zo nee, waarom heeft de Staat hier niet expliciet bij stilgestaan?
Bij alle afwegingen van de staat worden de verschillende wettelijke verplichtingen en doelstellingen meegenomen. In dit specifieke geval dragen de investeringen bij aan de verduurzaming van Schiphol en van de luchtvaartmaatschappijen die op Schiphol vliegen. Nieuwere, duurzame vliegtuigen vereisen moderne platforms.
In welke stukken van de Voorjaarsnota 2025 heeft u de Kamer geïnformeerd over de tijdelijke aanpassing van het dividendbeleid van Schiphol waarbij specifiek het verlagen van het uitkeringspercentage van 60% naar 30% genoemd wordt, zoals waarnaar wordt verwezen in het verslag van een schriftelijk overleg over Jaarverslag Beheer staatsdeelnemingen 20243?
Op pagina 115 van de voorjaarsnota, onder het kopje Generaal dossier – dividenden staatsdeelnemingen staat het volgende: «Wel is het dividenduitkeringspercentage van Schiphol verlaagd om Schiphol, gegeven haar grote investeringsagenda, een gezonde financiële positie te laten behouden.» De specifieke dividendafspraken met staatsdeelnemingen worden wegens bedrijfsvertrouwelijkheid niet gepubliceerd. Daarnaast is in de eerste suppletoire begroting 2025 van het Ministerie van Financiën een vergelijkbare passage opgenomen bij Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector.
Heeft Schiphol conform het Handboek Financiële Positie4 meerdere scenario’s voor het financieel meerjarenplan opgesteld waarbij minimaal (a) handhaving van 60% dividenduitkering en (b) verlaging naar 30% zijn doorgerekend voor de impact op kasstromen, solvabiliteit en dividenduitkeringen over 2025–2035?
Ja.
Zijn deze scenarioanalyses met de Staat als aandeelhouder gedeeld en zo nee, waarom heeft de Staat deze analyses niet ontvangen of niet verlangd?
Ja.
Wat zijn in absolute bedragen de verwachte cumulatieve dividenduitkeringen van Schiphol aan de Staat over de periode 2025–2035 bij (a) handhaving van 60% dividenduitkering en (b) verlaging naar 30% dividenduitkering?
De verwachte dividenduitkeringen zijn bedrijfsvertrouwelijk en kan ik om die reden niet in het openbaar met u delen. Dividendramingen van staatsdeelnemingen worden gebaseerd op de verwachte financiële resultaten en het vastgestelde dividendbeleid per deelneming. Het dividendbeleid vormt een integraal onderdeel van financiële afspraken die worden gemaakt met de staatsdeelneming conform het Handboek financiële positie.
Indien u de absolute bedragen per scenario niet kunt delen: wat is het cumulatieve verschil in dividenduitkeringen tussen de twee scenario’s over 2025–2035?
Ook hiervoor geldt dat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft die ik niet in het openbaar met u kan delen. Zie antwoord op vraag 17.
Wanneer heeft het Ministerie van Financiën Schiphol verzocht om additionele bepalingen aan het dividendbeleid toe te voegen (zoals beschreven in de evaluatie van Schiphol5) en hoe en wanneer is de Kamer hierover geïnformeerd?
Conform de Nota deelnemingenbeleid 2022 wordt bij het uitkeren van dividend rekening gehouden met meer dan alleen het financiële rendement in het afgelopen boekjaar. De financiële robuustheid van deelnemingen op de lange termijn moet geborgd blijven. Gezien de bedrijfsvertrouwelijkheid wordt de Kamer niet in het openbaar geïnformeerd over de individuele financiële afspraken met deelnemingen.
Welke specifieke financiële ratio’s heeft de Staat als aanvullende voorwaarde aan het dividendbeleid van Schiphol toegevoegd en wat zijn de concrete drempelwaarden per aangehouden ratio?
De specifieke ratio’s en drempelwaarden zijn bedrijfsvertrouwelijk, maar hebben verband met de ratio’s waar kredietbeoordelaars doorgaans naar kijken voor de credit rating. Deze zien bijvoorbeeld op solvabiliteit en in hoeverre de operationele inkomsten de schuld dekken.
Welke financiële ratio’s van Schiphol voldeden in 2024 niet aan de afgesproken normen waardoor geen dividend werd uitgekeerd, wat waren de gerealiseerde waarden in 2024 ten opzichte van de norm en door welke norm is de verwachting dat over het boekjaar 2025 wél dividend uitgekeerd zal gaan worden?
Schiphol was op financieel gebied in 2024 nog aan het herstellen van de gevolgen van de coronacrisis. Hierdoor was de schuldpositie nog dusdanig hoog dat uitkering van dividend niet verantwoord was, wat tot uiting kwam in enkele financiële ratio’s. Zoals in antwoord op vraag 20 beschreven kan ik niet op de specifieke ratio’s ingaan.
Indien u geen enkele concrete informatie over de ratio’s kunt delen: hoe kan de Kamer dan beoordelen of de door de Staat aan het dividendbeleid toegevoegde bepalingen proportioneel zijn en correct worden toegepast? Deelt u de mening dat de Kamer deze informatie moet kunnen inzien om haar controlerende taak uit te kunnen voeren?
Vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid kan deze informatie niet in het openbaar met u gedeeld worden. Dit neemt niet weg dat ik mij inspan om zo transparant mogelijk verantwoording af te leggen over de invulling en uitvoering van de aandeelhoudersrol. Als onderdeel hiervan rapporteer ik met reguliere brieven over het aandeelhouderschap in de totale portefeuille van staatsdeelnemingen. De Kamer kan mij hierop bevragen.
Kunt u uitleggen waarom er naar een extra «strategische aandeelhouder»6 gezocht wordt door Schiphol en wat dit zou betekenen voor de positie van het Rijk? Wat is de tijdlijn voor dit proces, welke criteria worden gehanteerd bij de selectie van een strategische aandeelhouder en in welke fase van dit proces bevindt Schiphol zich momenteel?
Schiphol onderzoekt de mogelijkheid van een strategische aandeelhouder vanwege het voordeel van eventuele kennisdeling. Het gaat hierbij om aandelen die op dit moment door Schiphol worden gehouden, waardoor het belang van de Staat niet zal verwateren of verminderen. Dit proces bevindt zich in een oriënterende fase, waarbij nog geen concrete tijdlijn of selectiecriteria duidelijk zijn.
Heeft de Staat als meerderheidsaandeelhouder goedkeuring gegeven voor het zoeken naar een strategische aandeelhouder, welke eisen stelt de Staat aan een eventuele nieuwe aandeelhouder (bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, milieu, natuur of publiek belang) en welke vetorechten of blokkeringsrechten is de Staat bereid een strategische aandeelhouder te geven?
De aandeelhoudersvergadering heeft een goedkeuringsrecht voor de overdracht van aandelen, Schiphol hoeft geen goedkeuring aan de aandeelhouders te vragen om mogelijkheden van een nieuwe (strategische) aandeelhouder te onderzoeken. Op dit moment is nog geen concrete kandidaat-aandeelhouder voorgelegd. Zoals beschreven in de evaluatie van het aandeelhouderschap zou een nieuwe aandeelhouder ook kunnen bijdragen aan het versterken van de financiële positie van Schiphol. Ik kan vooraf geen uitspraken doen over de eisen aan en afspraken met een eventuele nieuwe aandeelhouder.
Is de Staat bereid om bij Schiphol een deel van het beschikbare aandeelhouderschap te reserveren voor een vertegenwoordiger van natuur en toekomstige generaties die namens de natuur en toekomstige generaties stemt en zo nee, waarom niet?
Op dit moment is dit niet aan de orde. Schiphol is op zoek naar een strategische aandeelhouder ten behoeve van kennisdeling en de in de vraag genoemde aandeelhouder valt daar niet onder. Verder is de staat niet voornemens om haar aandelen over te dragen.
Deelt u de mening dat – gelet op de uitgebreide parlementaire procedure die in 2005–20067 is gevolgd bij de destijds overwogen verkoop van een minderheidsbelang in Schiphol – ook een eventuele nieuwe strategische aandeelhouder in Schiphol onderwerp moet zijn van voorafgaande parlementaire behandeling en goedkeuring door beide Kamers en zo nee, waarom niet?
Op dit moment is een nieuwe strategische aandeelhouder niet aan de orde. Ik kan hier pas uitspraken over doen als de situatie meer concreet wordt. Op het moment dat een concrete kandidaat in beeld komt, kan ik de Tweede Kamer hier vooraf vermoedelijk enkel vertrouwelijk over inlichten.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en deze beatwoording zo snel mogelijk, maar in ieder geval een week voor het commissiedebat Staatsdeelnemingen op 4 februari 2026 met de Kamer delen?
Ja.
Het structureel voorrang verlenen aan militaire transporten op het spoor ten koste van regulier reizigers- en goederenvervoer. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leger krijgt in 2026 voorrang: «Treinen rijden de komende twee uur niet, want er is een militair transport»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u bekend met de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025 over weerbaarheid en militaire mobiliteit per spoor (Kamerstuk 30 821, nr. 321)?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om militaire transporten op het spoor vanaf eind 2026 structureel voorrang te geven boven het reguliere personen- en goederenvervoer, ook indien dit leidt tot het urenlang stilleggen van treinverbindingen voor reizigers?
Nee, dat klopt niet. Er is alleen sprake van voorrang voor militaire transporten in specifieke situaties. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Kunt u bevestigen dat deze prioritering geen tijdelijke noodmaatregel betreft, maar een structurele beleidswijziging die wordt verankerd via een wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling, zoals aangekondigd in de voornoemde Kamerbrief?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Hiervoor wordt het Besluit capaciteitsverdeling aangepast.
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid om te voorzien in betrouwbare, toegankelijke en voorspelbare mobiliteit voor burgers, studenten en forenzen?
Het belang van betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer blijft een uitgangspunt van mijn beleid. Daar doet dit wijzigingsbesluit niets aan af. In het wijzigingsbesluit is aangegeven in welke specifieke situaties militaire transporten voorrang kunnen krijgen. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan.
Acht u het aanvaardbaar dat reizigers zonder reëel alternatief geconfronteerd kunnen worden met de mededeling dat «treinen de komende twee uur niet rijden» vanwege een militair transport?
Als er sprake is van een urgent militair transport zoekt ProRail naar de minst ingrijpende maatregel om dit transport te laten rijden. Er wordt dus geprobeerd de overlast voor reizigers en vervoerders2 zo beperkt mogelijk te houden. Daarnaast zullen de militaire transporten plaatsvinden op een beperkt aantal corridors. Treinen op andere routes zullen daardoor grotendeels kunnen blijven rijden. Daardoor hebben reizigers in een aantal gevallen de mogelijkheid te reizen via een alternatieve route. Gezien de huidige geopolitieke situatie vind ik daarmee de nu voorgestelde wijziging zeer aanvaardbaar.
Op basis van welke concrete dreigingsanalyse acht het kabinet deze maatregel noodzakelijk en kan deze analyse openbaar met de Kamer worden gedeeld?
Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW en de oplopende geopolitieke spanningen die mogelijk leiden tot meer militaire transporten. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten en dat in de huidige regels geen mogelijkheid bestaat om voldoende capaciteit voor militaire transporten te verzekeren.
Klopt het dat deze beleidswijziging mede voortvloeit uit NAVO-verplichtingen, waaronder Host Nation Support, en uit internationale afspraken over militaire corridors richting Oost-Europa, zoals de North Sea-Baltic Corridor?
Ik acht deze maatregel noodzakelijk gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten. Oplopende geopolitieke spanningen in Europa leiden mogelijk tot meer militaire transporten. Nederland is daarbij een belangrijk doorvoerland voor Host Nation Support en ligt aan het begin van de North Sea-Baltic Corridor.
In hoeverre betekent het streven naar een zogenoemd «militair Schengen» dat nationale besluitvorming over het gebruik van vitale civiele infrastructuur, zoals het spoor, wordt verschoven naar het internationale niveau?
Er wordt op dit moment in Europees verband gewerkt aan diverse afspraken in het kader van militaire paraatheid. Binnen deze afspraken staat de harmonisatie van procedures en wet- en regelgeving centraal. Hoe deze afspraken vorm krijgen, wordt nu besproken. De Kamer wordt via BNC-fiches steeds nauw betrokken bij de Nederlandse inzet in de gesprekken over deze afspraken.
In hoeverre wordt het Nederlandse civiele spoor hiermee feitelijk ingezet als logistieke schakel in internationale militaire operaties, waaronder vervoer van materieel richting Oekraïne, zoals ook in de Kamerbrief wordt benoemd?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling ten principale niets aan.
Acht u het wenselijk dat vitale civiele infrastructuur structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan internationale militaire agenda’s?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling niets aan. Er is derhalve geen sprake van structureel ondergeschikt maken. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Waarom wordt er niet primair ingezet op alternatieven die de maatschappelijke hinder beperken, in plaats van het stilleggen van regulier reizigersvervoer?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan en zal worden geprobeerd om de hinder voor reizigers en vervoerders zo minimaal mogelijk te laten zijn. Als onderdeel van de militaire mobiliteitsopgave wordt overigens ingezet op dual-use investeringen die, naast de militaire doeleinden, ook bijdragen aan het reguliere personen- en goederenvervoer. Zo dragen deze investeringen niet alleen bij aan onze veiligheid, maar ook aan onze economie. Voorbeelden zijn investeringen in voldoende spoorcapaciteit in de havens, zoals de recente investeringen in de verplaatsing van het emplacement IJsselmonde en in Kijfhoek. Ook het investeren in het kunnen rijden met 740 meter lange goederentreinen is zowel voor Defensie als voor het commerciële spoorgoederenvervoer belangrijk.
Klopt het dat een voorganger van de huidige Staatssecretaris eerder nog stelde dat voorrang voor militaire transporten «op gespannen voet» staat met andere maatschappelijke belangen en kunt u delen wat er inhoudelijk is veranderd waardoor deze bezwaren nu worden losgelaten?
Het klopt dat in de consultatieversie van een vorige wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling werd voorgenomen om in de jaardienstregeling capaciteit te reserveren t.b.v. militaire transporten over het spoor. Op dat voorstel zijn veel reacties binnengekomen en daarom heeft mijn voorganger besloten op zoek te gaan naar een andere manier om te voorzien in de benodigde capaciteit voor militaire transporten. Dat voorstel zorgde niet voor de zekerheid die Defensie nodig heeft en kon potentieel wel veel beslag leggen op capaciteit voor andere typen vervoer. In de nu voorgestelde wijziging is gezocht naar een balans tussen het beschermen van het belang van de reiziger en de vervoerder en het belang van het faciliteren van militaire transporten.
Wie bepaalt in de praktijk of een militair transport als «urgent» wordt aangemerkt, welke objectieve criteria worden daarbij gehanteerd en welke democratische controle bestaat hierop?
In de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling worden in de Nota van Toelichting objectieve criteria genoemd die bepalen of een transport als urgent kan worden aangemerkt. Dat is aan de orde als sprake is van bijzondere eisen voor een transport, zoals constante bewaking bij een munitietransport. Ook het dreigingsbeeld kan aanleiding zijn om een transport aan te merken als urgent. Ook zijn er treinen die echt op een bepaald moment op een bepaalde plek moeten aankomen. Om voor ProRail inzichtelijk te maken dat dit het geval is geven de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie samen daartoe een verklaring af. De Kamer controleert dit handelen van beide Ministers.
Hoe wordt voorkomen dat het begrip «urgent» in de praktijk steeds ruimer wordt geïnterpreteerd, waardoor structurele prioritering van militair vervoer de norm wordt in plaats van de uitzondering?
In het nu voorliggende wijzigingsbesluit en de bijbehorende Nota van Toelichting wordt aangegeven wanneer sprake is van een urgent militair transport.
Kan worden uitgesloten dat de kosten en gevolgen van deze prioritering – waaronder verstoringen, infrastructurele aanpassingen en capaciteitsverlies – uiteindelijk worden afgewenteld op reizigers via hogere tarieven of een verslechterde dienstverlening?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan. De nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling leidt niet tot infrastructurele aanpassingen.
Acht u het wenselijk dat Ministers via uitvoeringsbesluiten, zonder voorafgaande instemming van de Kamer, kunnen besluiten tot maatregelen met zulke ingrijpende gevolgen voor het dagelijks leven van burgers?
Het kabinet volgt bij dit wijzigingsbesluit de gebruikelijke stappen voor het wijzigen van wet- en regelgeving. Er is dan ook geen sprake van een besluit dat wordt genomen zonder dat de Kamer hiervan in kennis wordt gesteld.
Op dit moment ligt de wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur voor ter internetconsultatie. Daarnaast is, zoals gebruikelijk bij dit soort besluiten, aan de Autoriteit Consument en Markt gevraagd een handhaafbaarheidstoets uit te voeren en aan ProRail gevraagd om een uitvoerbaarheidstoets te doen.
Dit wijzigingsbesluit wordt na verwerking van de reacties uit de consultatie en de uitkomsten van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal. Daarna volgt advisering door de Raad van State. Na inwerkingtreding van het Besluit kunnen de Ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat een verklaring afgeven als een militair transport voldoet aan de voorwaarden.
Het artikel dat stelt dat de tolheffing op de A24, bij de Blankenburgtunnel, een ‘boetemachine’ wordt. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat € 9,– voor een herinnering niets meer is dan geldklopperij van de automobilist, dat deze verhoging compleet onaanvaardbaar is en dat we hier zo snel als mogelijk mee moeten stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Waarom is er ervoor gekozen om bij de eerste herinnering direct een verhoging van € 9,– toe te passen en is er niet voor gekozen om nietsvermoedende automobilisten eerst kosteloos te herinneren aan hun tolplicht?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Gelet op het feit dat een dienstverlener conform de wetgeving verplicht is een factuur te sturen aan de automobilist bij tolverplichting, en een ministerie dat niet is: waarom is er gekozen voor dit onderscheid en bent u het eens met de stelling dat dit onderscheid er actief voor zorgt dat automobilisten onduidelijkheid ervaren rondom het tolsysteem en zodoende de fout ingaan?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende maten van vrijheid zelf kunnen kiezen, tot vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen wanneer die volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Bent u het eens met de stelling dat de onduidelijkheid rondom het betalen van elektronische tol bewust in stand gehouden wordt, mede gelet op het feit dat de ontvangen boetegelden voor de komende jaren al zijn vastgelegd in de begroting, teneinde het beoogde boetebedrag binnen te halen? Zo nee, waarom niet?
DUWO heeft als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid om voor studenten die op achterstand staan zorg te dragen voor gelijke kansen. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kúnnen studeren, de eerste-generatie student die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit direct aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is daarbij onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en heeft ook te maken met de bepalingen van de Wet Goed Verhuurderschap.
Verhuurders kunnen zich hierbij niet ontdoen van de plicht om de woningtoewijzing (gedeeltelijk) elders onder te brengen. In het kader van de Wet goed verhuurderschap acht ik het voor sociale studentenhuisvesters noodzakelijk om een heldere en transparante manier van toewijzing te hanteren, waar objectieve selectiecriteria een rol spelen. Coöptatie met een vorm van voorselectie voldoet aan deze voorwaarden.
In hoeverre en op welke wijze worden mensen die niet of minder digitaal vaardig zijn geholpen als het gaat om het voldoen van hun elektronische tol en hoe gaat u hen in de toekomst nog beter helpen?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijzigingen.
Kunt u aan het einde van beide rijrichtingen alsnog tolhuisjes, dan wel betaalautomaten, plaatsen om automobilisten een eerlijk alternatief te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer start u hiermee?
De vraag of en in welke mate bestaande voorrangsregelingen bijdragen aan het bredere beleidsdoel zie ik als onderdeel van het goede gesprek tussen DUWO en haar stakeholders en is niet aan mij ter beoordeling.
Achterstallig onderhoud van onze kritieke infrastructuur. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad waaruit blijkt – op basis van informatie van Rijkswaterstaat en ProRail – dat er sprake is van circa 54 miljard euro aan achterstallig onderhoud aan onder meer bruggen, wegen, tunnels, sluizen en spoorlijnen?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse dat de huidige onderhoudsachterstand is opgelopen tot circa 54 miljard euro?
Het genoemde bedrag wordt niet herkend als de omvang van de huidige onderhoudsachterstand, maar als het verschil tussen de budgetbehoefte en het beschikbare budget voor Rijkswaterstaat en ProRail in de periode 2024 t/m 2038. Voor Rijkswaterstaat (RWS) gaat het daarbij om een verschil van circa € 34,5 miljard voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem, zoals vastgesteld door de Algemene Rekenkamer (ARK)2. Voor ProRail bedraagt het verschil tussen de budgetbehoefte en het begrotingsartikel voor de instandhouding van het spoor circa € 1,8 miljard. In een brief aan de Kamer van afgelopen zomer3 met het bijgewerkte beeld van de financiële opgaven is aangegeven dat de totale financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds optellen tot een veel groter bedrag. Zo is er onder meer ca. € 18 mld. nodig voor belangrijke opgaven zoals de invoering van ERTMS, het herstel en de inbeheername van de HSL, het onderhoud van de Nedersaksenlijn en TEN-T. Deze bedragen zijn nog niet formeel gevalideerd. Gezamenlijk met de door de ARK-gevalideerde bedragen is dit te relateren aan het in het artikel genoemde tekort van € 54 miljard.
Kunt u inzichtelijk maken welke objecten – zoals bruggen, tunnels, sluizen, sporen, wegen – momenteel in een staat verkeren die acuut of middellang onderhoud vereist, inclusief veiligheidsrisico, resterende levensduur en kostenraming?
Op 8 december jl. zijn de rapportages over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail met de Kamer gedeeld4. In deze rapportages wordt per netwerk inzicht gegeven in de resterende levensduur en veiligheidsrisico's. Kostenramingen worden i.v.m. marktgevoelige informatie niet openbaar gemaakt.
In de RWS-rapportage wordt door middel van het kaartmateriaal een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland, onderhoud is uitgesteld of waar een verhoogd inspectieregime van kracht is.
Specifieke informatie over aan te pakken objecten bij ProRail is te vinden op de website www.spoorwerkinmijnbuurt.nl5. Hierop is te zien waar en wanneer er aan het spoor wordt gewerkt, en welke werkzaamheden er plaatsvinden. Deze informatie is beschikbaar vanaf één jaar terug tot één jaar vooruit vanaf het moment waarop de website wordt bezocht. Een verdere vooruitblik is te vinden in het jaarlijks geactualiseerde Masterplan ProRail6. Mede op basis van de staat van de infrastructuur ziet ProRail de komende tien tot vijftien jaar een stijging in de opgave voor vooral (beweegbare) bruggen, bovenleiding systemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (samenhang met ERTMS-programma). Deze vervangingsopgave is in het Masterplan ProRail opgenomen.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk opstellen en delen met de Tweede Kamer?
Dit overzicht is op 8 december jl. gedeeld met de Kamer door middel van de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail.
Welke oorzaken hebben volgens u ertoe geleid dat onderhoud jarenlang onvoldoende is uitgevoerd?
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren ’50 en ’60 is gebouwd, is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing.
Gelet op het feit dat deze week bekend is geworden dat er – vanwege financiële meevallers bij verschillende ministeries – circa 700 miljoen euro extra wordt overgemaakt aan Oekraïne: acht u het dan niet verstandiger om dit belastinggeld in te zetten voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur, zodat Nederlands belastinggeld direct ten goede komt aan Nederland?
Het kabinet maakt hierin een andere afweging en erkent de wens van de Tweede Kamer om snel extra militaire steun aan Oekraïne te leveren. Voor een verdere toelichting over de invulling van de motie van de Tweede Kamer voor militaire steun aan Oekraïne en de reden waarom dit kabinet de wens van de Tweede Kamer erkent, verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 december 20257.
Deelt u de mening dat de overheid de komende jaren minder royaal om dient te gaan met belastinggeld bij uitgaven die niet direct het Nederlands belang dienen – zoals diversiteitssubsidies en ontwikkelingshulp – om zo financiële ruimte te creëren voor het dichten van de onderhoudsachterstand?
Het is aan een nieuw kabinet om de integrale weging te maken tussen verschillende beleidswensen en opgaven binnen de Rijksbegroting waaronder de opgave voor het beheer en onderhoud van onze hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdwatersysteem en ons spoorwegennetwerk.