Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Ja.
Graag geeft het kabinet eerst een algemene toelichting waar in verschillende antwoorden naar zal worden verwezen. De mogelijke maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland (TSN) gaat over een aantal grote en maatschappelijk belangrijke doelstellingen en de beoogde ondersteuning vanuit de staat is omvangrijk. Het is dan ook begrijpelijk dat hier uitvoerig en kritisch naar wordt gekeken door bijvoorbeeld Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).
Het is daarbij van belang dat de informatie uit de Joint Letter of Intent (JLoI) op juiste wijze wordt geïnterpreteerd zodat hier geen misverstanden over ontstaan. De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de definitieve maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. In deze JLoI is opgenomen dat het kabinet maximaal 2 miljard euro beschikbaar stelt voor de verduurzaming en het schoner maken van de staalproductie bij TSN. Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan kostenstijgingen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
De SOMO-analyse stelt op basis van de opzeggronden voor TSN en de inspanningen van de staat uit de JLoI dat de staat met de maatwerkafspraak met TSN in een subsidiefuik terecht komt. Gelet op bovenstaande onderschrijft het kabinet deze stelling niet. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Met de opzeggronden op het gebied van netwerkkosten, de nationale CO2-heffing en het beleid rond staalslakken committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Indien (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
De inspanningsverplichtingen van de staat uit de SOMO-analyse betreffen beleidsmatige vraagstukken die al nadrukkelijk op de politieke agenda staan, los van dit maatwerktraject met TSN. Dit betreffen randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede, zoals de marktontwikkeling van biomethaan en de benodigde infrastructuur voor CO2-afvang en -opslag (CCS). Ook hiermee committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan het betalen van meerkosten aan TSN. Dit zijn generieke beleidsvraagstukken die in de volle breedte moeten worden opgelost, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten. Daarbij rekenen we de kosten van generieke investeringen in infrastructuur of van beleidsmaatregelen (zoals kortingen) bij geen enkel (maatwerk)bedrijf toe aan de individuele bedrijven.
Tenslotte geldt dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS. Dit zijn immers generieke subsidies waar ieder bedrijf een aanvraag voor kan indienen. Zoals in de JLoI ook staat beschreven, mag TSN in de toekomst een subsidie aanvraag indienen en zal deze aanvraag worden getoetst en gewogen zoals bij ieder ander bedrijf. Het al dan niet verkrijgen van deze eventuele generieke subsidie biedt geen mogelijkheid tot opzeggen van de maatwerkafspraak.
De komende periode onderhandelen de Ministeries van KGG en IenW verder met het bedrijf om tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Het kabinet zal openbaar informatie delen voor zover dat mogelijk is. Gelet op de bedrijfsvertrouwelijkheid en mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan niet alles openbaar gedeeld worden, maar kan het kabinet de Kamer daar wel vertrouwelijk over informeren.
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Zoals ook aangegeven in de reactie van het ministerie op de analyse van SOMO2 en in de toelichting bij de beantwoording van deze vragen committeert de staat zich met de intentieverklaring met TSN op geen enkele manier aan enige kostenstijgingen, dus ook niet voor hierboven genoemde punten. De door het SOMO genoemde punten zijn ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de toelichting op vraag 1 is aangegeven zijn de genoemde punten ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
De onderzoekers van het SOMO hebben het Ministerie van KGG de kans gegeven om te reageren op een concept van het artikel, deze reactie van het ministerie is ook gepubliceerd in het ESB. Zoals ook aangegeven in antwoord 1 wordt het werk van het SOMO gewaardeerd, maar herkent het ministerie zich niet in de conclusies. Ook de berekeningen van het SOMO kunnen niet gevolgd worden. Dit is ook zo meegegeven aan het SOMO in de reactie op het conceptartikel. In deze reactie benadrukt het ministerie, net als in deze beantwoording, dat de inspanningsverplichtingen voor de staat en opzeggronden uit de JLoI geen enkele financiële garanties of enig recht op subsidies aan Tata Steel geven. De maatwerkafspraak wordt gemaakt op vrijwillige basis. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Tata Steel kan gebruik maken van het generieke subsidie-instrumentarium, maar er zal geen aanvullende maatwerksteun worden gegeven. Volgens de staat en de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie is de beoogde maatwerksubsidie zeer kosteneffectief en kan zij leiden tot een grote CO2-reductie en de leefomgeving voor omwonenden fors verbeteren.
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
De opzeggronden, en zo ook artikel 15 lid 4, zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en het benoemen van drempelwaardes kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Het voornemen van de partijen is om in september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
In algemene zin kan worden gezegd dat de vraagstukken op het gebied van de netwerktarieven en de CO2-heffing deel uitmaken van een breder beleidsvraagstuk waar generiek naar oplossingen wordt gekeken voor de hele industrie, en waar dus niet specifiek met TSN over wordt gesproken. Onder andere Gehrels5 en Van Kempen6 hebben in hun rapporten onderzoek gedaan naar beleidsmatige keuzes in klimaat- en energiebeleid waarin ook de opties voor de CO2-heffing en de netwerktarieven zijn meegenomen. Het is aan het volgende kabinet om hier een oplossing voor te kiezen en implementeren.
Voor staalslakken wordt op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van (generieke) beleidsverbeteringen. Zoals dit voor iedere beleidsaanpassing geldt, wordt hierbij afstemming gezocht met het bedrijfsleven. Onderdeel van de afspraken uit de JLoI is een project voor de verbetering van de kwaliteit van staalslak (zie artikel 3.3.b en 6.1.b.II van de JLoI, en Annex II onder 3.B). Daarnaast neemt TSN verschillende maatregelen om de uitvoering van zijn zorgplicht met betrekking tot de behandeling en toepassing van staalslak te versterken (zie artikel 10.2.b van de JLoI).
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. Het kabinet heeft de ambitie om uiterlijk eind september 2026 tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven bij antwoord 1 zal het kabinet de Kamer in de tussentijd waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk informeren over de voortgang van de onderhandelingen.
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is het voor de staat van belang om te borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd. In artikel 11, lid 2 van de JLoI staat over het kolenverbod opgenomen: «Partijen treden met het oog op het aangaan van de maatwerkafspraak te goeder trouw met elkaar in overleg over de details van een mogelijk verbod op steenkool, rekening houdend met de redelijke belangen van zowel TSN als de Staat en onverminderd de bevoegdheid van de Staat om hiervoor beleid of wetgeving vast te stellen met inachtneming van de geldende wettelijke procedures.7»
De staat tracht met TSN privaatrechtelijke afspraken te maken over het beëindigen van het gebruik van kolen voor staalproductie door het bedrijf. Deze privaatrechtelijke afspraken sluiten de mogelijkheid niet uit om het einde van het kolengebruik door TSN ook publiekrechtelijk te borgen.
Het is aan de staat om hierover beleid of wetgeving vast te stellen en eventueel voorafgaand afspraken te maken in de maatwerkafspraak waarin dit ook opgenomen kan worden.
Tevens wil het kabinet graag benadrukken dat er nog geen sprake is van «de geïnvesteerde 2 miljard euro». Met de JLoI hebben de partijen zich gecommitteerd aan inspanningsverplichtingen om tot een maatwerkafspraak te komen, gebaseerd op de in de JLoI geschetste kaders. Pas na het overeenkomen van een definitieve maatwerkafspraak zal de subsidie vanuit de staat, in tranches bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen, worden uitgekeerd aan het bedrijf.
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het aan de staat om wel/niet beleid of wetgeving vast te stellen over (de vormgeving van) een publiekrechtelijk kolenverbod. In geval van een publiekrechtelijk kolenverbod zal altijd rekening worden gehouden met het waarborgen van de belangen van de bedrijven die hieronder zouden komen te vallen, conform wetgeving.
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Nee, een verbod op het gebruik van kolen is niet een van de opzeggronden voor de JLoI. Op grond van artikel 11 van de JLoI is het wel opgenomen als onderwerp dat in de komende periode verder uitgewerkt wordt. Zie de beantwoording bij vraag 8 voor de bewoording van de bepaling uit de JLoI.
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Om tot een maatwerkafspraak te komen is het van belang dat het bedrijf een positieve businesscase ziet voor verduurzaming. De randvoorwaarden voor het doen van de investering zijn dus van belang.
TSN is een private onderneming die zelf verantwoordelijk is en blijft om investeringsbeslissingen te nemen en zicht te houden op een gezonde financiële toekomst. Het verlenen van een subsidie en het maken van een maatwerkafspraak gebeurt op vrijwillige basis en uiteindelijk moeten alle partijen dus bereid zijn om afspraken met elkaar te maken. Afgesproken is dat TSN de JLoI kan opzeggen als op een van de hierboven genoemde terreinen maatregelen worden geïntroduceerd (of uitblijven) waardoor de businesscase onhaalbaar wordt en het bedrijf mogelijk niet meer in staat is om de benodigde investeringen te doen. De opzeggronden doen geen enkele afbreuk aan de mogelijkheden van de staat om nieuw beleid op deze terreinen in te voeren of bestaand beleid aan te scherpen.
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
De specifieke opzeggrond rondom staalslakken staat in artikel 15, vierde lid onder c: «Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN.9» De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Het tijdelijke verbod op bepaalde toepassingen van staalslakken is geen verbod op de productie van staalslakken. Ook is relevant dat de markt voor de toepassing van staalslakken een internationale markt is; de mogelijkheden voor export beïnvloeden de businesscase dus ook. Nederland is momenteel het enige land ter wereld dat voor bepaalde toepassingen van staalslakken restricties oplegt.
Deze opzeggrond staat kortom niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken, maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
De opzeggrond in de JLoI betekent niet dat de overheid TSN moet compenseren voor mogelijke extra kosten door nieuw beleid of maatregelen op het gebied van staalslakken. Deze opzeggrond doet ook geen enkele afbreuk aan de verplichting van het bedrijf om op verantwoorde wijze om te gaan met staalslakken, in overeenstemming met de huidige geldende wet- en regelgeving. Ook laat dit de mogelijkheden om het nationale beleid aan te scherpen onverlet.
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
De productie van circa 650.000 ton staalslak per jaar door TSN leidt niet automatisch tot maatschappelijke kosten: die ontstaan alleen wanneer staalslak onjuist of in strijd met de zorgplicht is toegepast en daardoor milieuschade optreedt. Saneringen en kosten worden per locatie en per geval beoordeeld door het bevoegd gezag. Er is daardoor geen totaalbeeld beschikbaar en er bestaat geen landelijk overzicht van de totale maatschappelijke kosten van staalslak dat jaarlijks wordt geproduceerd, noch van alle saneringen en schadegevallen.
De situatie in Spijk, waar circa 670.000 ton staalslak is toegepast en lokaal wordt gesproken over een saneringsopgave van circa € 100 miljoen, betreft een locatiespecifieke raming en geen landelijk vastgestelde kosteninschatting. Wie voor herstel- en saneringskosten opdraait, is niet generiek vast te stellen en hangt af van de concrete omstandigheden. In beginsel is de toepasser verantwoordelijk voor juiste toepassing, mogelijke aansprakelijkheid van producent of leverancier indien wettelijke verplichtingen niet zijn nageleefd.
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
De beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro valt uiteen twee delen: 1) een lening van 200 miljoen euro voor de aankoop van biomethaan en/of waterstof, en 2) 1,8 miljard euro aan investeringssteun voor de bouw van een Direct Reduction Plant en Electric Arc Furnace (DRP-EAF) en de extra milieumaatregelen. Alleen de investeringskosten van de projecten uit de JLoI komen in aanmerking voor deze investeringssteun van 1,8 miljard euro. Investeringskosten betreffen onder andere materiaal- en bouwkosten voor de DRP-EAF en voor de aanvullende milieumaatregelen. De huidige kosten voor staalslakkenverwerking en -sanering vallen hier dus niet onder.
Een van de projecten uit de JLoI is gericht op verbetering van de kwaliteit van staalslak (art. 3.3.b en 6.1.b.II JLoI en annex II onder 3.B). Dit betreft een innovatieve methode voor de verwerking van staalslak in de toekomst. Dit project is onderdeel van de JLoI (aanvullende milieumaatregelen) en zodoende wel meegenomen in de businesscase. Zoals in het antwoord op vraag 13 aangegeven is in beginsel de toepasser van staalslak verantwoordelijk voor de juiste toepassing.
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
De bedrijfsactiviteiten van TSN zorgen, net als de activiteiten van ieder industrieel bedrijf, voor maatschappelijke baten (o.a. werkgelegenheid; investeringen in onderzoek en innovatie; belastingopbrengsten; strategische autonomie) en kosten (o.a. emissies van vervuilende stoffen en als gevolg daarvan gezondheids- en milieuschade en -risico's; emissies van broeikasgassen en als gevolg daarvan klimaatverandering). Het PBL heeft becijferd9 dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard bedroeg. De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens CBS-cijfers € 102,8 miljard.
Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door Tata Steel zouden veel methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. Een dergelijke berekening zou dan ook niet veel zeggingskracht hebben. Om deze reden is deze dan ook niet meegenomen in de afwegingen en onderhandelingen over het wel of niet inzetten op een maatwerkafspraak met Tata Steel.
Dat neemt niet weg dat de inzet van het kabinet is om de maatschappelijke kosten van de bedrijfsactiviteiten fors te doen afnemen. Voor gezondheid specifiek geldt dat het RIVM op verzoek van het kabinet in kaart heeft gebracht welk causaal verband bestaat tussen bepaalde emissies door Tata Steel en gezondheidsschade bij omwonenden. Deze schade is uiteraard zeer onwenselijk en daarom is een belangrijk doel van de maatwerkafspraak om schadelijke emissies fors te reduceren. Daarbij ligt de focus op die stoffen waarvoor het causale verband tussen uitstoot en gezondheidsschade (door blootstelling op immissieniveau) het duidelijkst is. Die aanpak is in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 committeert de staat zich met de JLoI op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
In de JLoI staan een aantal mechanismen genoemd waarmee wordt geborgd dat de maatwerksubsidie wordt gebruikt voor het realiseren van de maatschappelijke doelen. Allereerst is er vooraf een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd. De businesscase wordt getoetst door een financieel adviseur van de staat. Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches; na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen wordt een tranche voorlopig uitgekeerd. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten en de subsidie wordt pas definitief vastgesteld als de afgesproken doelen zijn behaald. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. De staat heeft ook de mogelijkheid om de subsidie op te schorten als er een tekort blijkt om de projecten te realiseren. Ook zal een clawback mechanisme worden ingesteld om overcompensatie te voorkomen. In de JLoI staan ook de financiële verplichtingen van TSN en TSL, waaronder dat alle kosten voor de projecten buiten de € 2 miljard bijdrage van de staat voor rekening van Tata Steel zijn. De staat zal ook zekerheden krijgen om de verstrekte subsidie te beschermen. In de definitieve maatwerkafspraak zullen de afspraken en mechanismen nader worden uitgewerkt.
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Dit betekent dat de staat op dit moment geen realistisch scenario voor zich ziet waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. Ten eerste is de kans op goedkeuring van de EC voor een tweede steunverzoek voor één bedrijf klein. Daarnaast zal de tweede fase pas medio jaren «30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde, waarmee er vermoedelijk geen sprake is van een onrendabele top en/of bovenwettelijke maatregelen. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase.
Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat zowel wet- en regelgeving als klimaatbeleid in de toekomst kunnen wijzigen en een bedrijf niet op voorhand uitgesloten kan worden van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is beschreven geldt daarnaast dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS.
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
De grootste CO2 reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Indien er in de gehele periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader en zal TSN daar dus de benodigde stappen voor moeten zetten. De komende tijd zal verder worden uitgewerkt hoe dit als resultaatsverplichting kan worden vastgelegd in de definitieve maatwerkafspraak.
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Vanaf 2032 begint TSN met het inzetten van maximaal 0,5 bcm biomethaan per jaar in de DRP ter vervanging van aardgas. Hiermee kan een extra CO2-reductie tot 1,2 Mton per jaar worden bereikt.
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Gezien er andere rest- en afvalstromen zijn die ook benut kunnen worden voor de productie van biomethaan, is er geen afhankelijkheid van mest. Daarnaast wordt ook import van biomethaan voorzien.
Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het is verstandig om mest nuttig te gebruiken, zowel vanuit het oogpunt van het benutten van laagwaardige reststromen als vanuit de noodzaak om methaanemissie uit mest in stallen te voorkomen. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaanbeleid rekening met een krimp van de veestapel10. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid. Het kabinet zet samen met de landbouwsector in op innovaties, zoals stikstof- en ammoniakstrippers, om de bijdrage van vergisters aan de reductie van stikstof- en methaanemissies te vergroten.
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
De binnenlandse productie van biomethaan wordt o.a. gesubsidieerd via de SDE++. De SDE++ dekt de onrendabele top af, de hoogte van de subsidie ligt niet vast en hangt onder meer af van de opbrengsten uit de geleverde energie en hangt dus af van de marktprijs van biomethaan.
Het doel van de maatwerkafspraak met TSN is, naast de realisatie van schone en groene staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren (zonder structurele subsidies). Er moet daarbij zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Het Groen Staal Plan betreft een zeer omvangrijke investering van TSN en het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL). Het bedrijf zal niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel. Daarnaast zijn ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming die van toepassing zijn, geldt dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier streng op.
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Biomethaan kan via verschillende methodes en op basis van verschillende reststromen geproduceerd worden. Er kan daarom niet een generiek aantal hectares gekoppeld worden aan de productie van 0,5 bcm biomethaan. De mogelijke nationale biomethaan productie is afhankelijk van de hoeveelheid grondstoffen (doorgaans rest- en afvalstromen) die beschikbaar komen in de maatschappij, niet andersom. In een recent rapport12 dat is opgesteld in opdracht van het kabinet, is becijferd dat in Nederland een productiepotentie is die oploopt van 1,4 bcm in 2035 tot 2,8 bcm in 2050. Daarnaast is het voor TSN ook mogelijk om biomethaan te importeren vanuit bijvoorbeeld Europese landen, via het bestaande gasnetwerk. Het importpotentieel voor Nederland loopt volgens dit rapport tussen op van 3,3 bcm in 2035 tot 7,4 bcm in 2050. Externe adviseur Common Futures schat het Europese productiepotentieel voor biomethaan productie op 100 bcm, meer dan genoeg om aan de vraag van TSN te voldoen13. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI aan de Tweede Kamer.
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Het verduurzamingsplan van TSN uit november 2023 waarin wordt uitgegaan van de bouw van een DRP-EAF op waterstof vormt nog altijd de basis voor de JLoI met TSN. Het beeld dat de CFO van TSL schetst dat de beschikbaarheid en prijzen van waterstof onzeker zijn, wordt herkend. De ontwikkeling van de waterstofmarkt gaat trager dan voorzien ten tijde van het opstellen van het verduurzamingsplan door TSN. Om deze reden zijn de plannen van TSN ook verder doorontwikkeld en heeft biomethaan een rol gekregen. Echter, om de beoogde CO2-reductie te realiseren en aan de eisen van het staatssteunkader te voldoen zal TSN moeten overstappen op groene energiebronnen. De staat wil deze overstap ondersteunen met een subsidie in de vorm van een lening die TSN moet gebruiken om groene waterstof en/of biomethaan aan te kopen via tenders. De tenders voor biomethaan en groene waterstof moeten in de markt worden gezet, deze zogenaamde «auctioning» is verplicht en geen «optionality». Indien TSN in de periode 2032–2037 geen waterstof of biomethaan koopt, zal de lening moeten worden terugbetaald met rente en een eventuele boete.
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of biomethaan. Zoals in het antwoord op de vorige vraag aangegeven gaat TSN hiervoor tenders in de markt zetten. Over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op groene energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Het proces met certificaten bij biomethaan werkt vergelijkbaar met het aankopen van groene elektriciteit met certificaten. Omdat transport via pijpleiding de meest duurzame en efficiënte transportmethode voor gassen is worden biomethaan en aardgas beiden in het reguliere Europese gasnet ingevoed. Hiermee ontstaat een mix van biomethaan en aardgas die alleen onderscheiden kan worden middels certificering. Met de certificaten kan de duurzame herkomst van de biomethaan worden aangetoond en de CO2-reductie van het gebruik van biomethaan worden toegekend.
In de JLoI staat opgenomen dat TSN alleen biomethaan mag gebruiken dat voldoet aan de duurzaamheidseisen van de Europese Unie (RED II). TSN zal de duurzaamheid van de gekochte biomethaan moeten aantonen met zowel een Garantie van Oorsprong (GvO) als een Proof of Sustainability certificaat. Hiermee is de duurzaamheid en de CO2-reductie die gepaard gaat met het gebruik van biomethaan geborgd.
Om de benodigde hoeveelheid biomethaan te kunnen inkopen zal TSN, naast het inkopen van in Nederland geproduceerde biomethaan, ook biomethaan (via certificaten) moeten importeren uit andere Europese landen. Vanwege de mondiale afspraken over emissiestatistieken tellen buitenlandse GvO’s niet mee voor de doelen in de nationale Klimaatwet, omdat de emissiereductie meetelt in het land waar biomethaan wordt geïnjecteerd in het gasnet. Het telt juridisch gezien wel mee als emissiereductie onder het EU-ETS. Echter, vanwege praktische beperkingen is dit binnen het ETS op het moment nog niet mogelijk. Er is namelijk nog geen Europese databank/monitoringssysteem om dubbeltelling van GvO’s te voorkomen. Hierdoor tellen momenteel in Nederland alleen Nederlandse GvO’s voor CO2-reductie onder het EU ETS. Op basis van gesprekken met de EC en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de verwachting dat tegen de tijd dat TSN overstapt op biomethaan de Europese Union Database for Biofuels is geïmplementeerd, waardoor dubbeltelling van GvO’s wordt voorkomen en ook buitenlandse GvO’s kunnen meetellen onder EU ETS.
Voor de gezondheidswinst van de omwonenden maakt het niet uit of TSN aardgas of biomethaan gebruikt. Deze gassen zijn chemisch gezien namelijk exact hetzelfde samengesteld, waardoor de effecten op gezondheid ook gelijk zijn. De grootste gezondheidswinst wordt gerealiseerd door de overstap van kolen op aardgas.
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Zie antwoord vraag 28.
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Het uitgangpunt voor de verduurzaming van TSN is nog altijd het plan van TSN: het bouwen van een DRP-EAF op groene waterstof. In landen om ons heen zien we dat staalproducenten hun verduurzamingsplannen op basis van waterstof heroverwegen (ThyssenKrupp in Duitsland), uitstellen (ArcelorMittal in België) of niet uitvoeren en de verkregen subsidie teruggeven (ArcelorMittal in Duitsland). Daarnaast is de afgelopen jaren de ontwikkeling van de waterstofmarkt langzamer op gang gekomen dan eerder verwacht. Vanwege het belang om uiteindelijk over te gaan op groene energiebronnen en verdere CO2-reductie te realiseren, is daarom door partijen onderzocht of een andere groene energiebron een mogelijkheid zou zijn.
In het staalproductieproces is koolstof nodig als grondstof om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. Een duurzame koolstofbron hiervoor is biomethaan. Momenteel gebruikt TSN al biomethaan ter vervanging van aardgas in een aantal processen. TSN heeft dus al ervaring opgedaan met het aankopen en inzetten van biomethaan.
De overheid ziet biomethaan als een belangrijke duurzame koolstof- en energiebron voor processen waar andere technologieën zoals elektrificatie niet toereikend zijn. Om de biomethaan-markt verder op te schalen wordt biomethaan-productie gestimuleerd middels de SDE++ en aan de afname kant komt er een bijmengverplichting voor ETS2 sectoren voor biomethaan. Daarbij, zoals de AMVI in haar advies ook onderstreept, kan de vraag van grote industriële afnemers zoals TSN ook bijdragen aan marktontwikkeling door het bieden van lange termijn afnamezekerheid aan producenten. Uit het recent door Guidehouse afgeronde onderzoek naar de lange termijn productie en inzet van biomethaan komt staal naar voren als een van de sectoren waar biomethaan een goedkoper alternatief is dan waterstof, mede door de hoogwaardige inzet als grondstof17.
Gegeven de hierboven geschetste ontwikkelingen en nieuwe inzichten is de inzet van biomethaan (naast waterstof) opgenomen in het plan van TSN. De mogelijkheid om biomethaan of waterstof in te zetten in plaats van alleen waterstof geeft meer mogelijkheden om uiteindelijk een verdere verduurzamingsslag te maken. Het is aan de onderneming om – afhankelijk van de ontwikkelingen – te kiezen voor biomethaan of groene waterstof.
Bij het versturen van de Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI is ook het rapport van Common Futures meegestuurd18. Dit rapport gaat nader in op de mogelijkheden van biomethaan. In bovengenoemd antwoord is geschetst hoe, naast de mogelijkheid van waterstof, ook de mogelijkheid van biomethaan is opgenomen in de JLoI. Het is op dit moment niet mogelijk om alle correspondentie sinds de onderhandelingen over biomethaan te delen, dit zou namelijk de onderhandelingspositie van de staat kunnen benadelen.
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
De technische en financiële adviseurs van de staat hebben hun reviews voortdurend gedaan, en dus ook op basis van de laatste, doorontwikkelde versie van de plannen, zoals deze ook in de JLoI zijn opgenomen. De DRP-EAF is flexibel voor wat betreft het gebruik van aardgas, waterstof en biomethaan. Omdat aardgas en biomethaan chemisch exact hetzelfde zijn heeft een aanpassing van gebruikte volumes geen invloed op de technische review. Waterstof is sinds het begin van dit traject onderdeel van de plannen en is ook meegenomen in de technische review. De review van de te behalen CO2-reductie met biomethaan was onderdeel van de environmental review van begin 2025.
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
De uitspraken die TSN en TSL in dit soort bijeenkomsten voor aandeelhouders doen zijn aan hen. De in de JLoI vastgelegde doelen, projecten en het financiële kader zijn overeengekomen door alle partijen. Op basis hiervan wordt de definitieve maatwerkafspraak uit onderhandeld.
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Nee, dat is geen voorwaarde. TSN mag ook gebruik maken van certificaten en inkopen uit het buitenland. Zie verder het antwoord op vraag 28 en 29.
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
De SDE++ is een exploitatiesubsidie en kan zodoende niet worden gebruikt om biomethaan of groene waterstof aan te kopen. TSN krijgt een maatwerksubsidie voor de aankoop van (gecertificeerde) biomethaan en/of groene waterstof (de lening van 200 miljoen euro). Binnen de geldende staatssteunkaders is het niet toegestaan om dezelfde kosten dubbel te financieren met verschillende subsidies. RVO voert altijd een cumulatietoets uit, waarmee getoetst wordt of er sprake is van overstimulering. Dit zal ook worden gedaan als er een aanvraag komt voor steun vanuit een andere regeling voor de aankoop van groencertificaten. Indien een deel toch gesubsidieerd kan worden, zal de subsidie nooit hoger zijn dan het toegestane plafond.
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Zie voor dit antwoord de inleidende tekst onder antwoord 1. Er is geen sprake van dat TSN een uitzondering zou kunnen krijgen op de nationale CO2-heffing. Het beleid rondom deze heffing heeft een generieke werking die van toepassing is op alle bedrijven. Indien (nieuw) beleid op dit punt leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van deze opzeggrond.
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Er wordt geen specifieke tegemoetkoming aan TSN voor de netwerkkosten en de CO2-heffing overwogen, omdat het generiek beleid betreft dat voor alle bedrijven binnen een sector geldt. Een oplossing zal dus altijd gevonden moeten worden via een generieke beleidswijziging, zie ook het antwoord op vraag 1.
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
De steuncasus voor TSN is dermate specifiek (er zijn geen andere (staal)fabrikanten of maatwerkbedrijven in Nederland die een soortgelijke CO2-reductie kunnen realiseren), dat een definitieve maatwerkafspraak niet kan worden gekopieerd naar andere gevallen en de precedentwerking van de afspraken op nihil wordt ingeschat.
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Er wordt geen uitzondering gemaakt voor een bedrijf in de maatwerkaanpak. Met bedrijven die onderdeel zijn van de maatwerkaanpak wordt gesproken over de benodigde randvoorwaarden om te kunnen investeren Een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Bedrijven moeten altijd zelf een overweging maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan.
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Voor de beoogde maximale subsidie voor de verduurzamingsprojecten van 1,4 miljard euro is gekeken naar de businesscase van het project zodat er niet meer steun wordt gegeven dan de onrendabele top van het project. De verwachte ETS kosten alleen blijken onvoldoende om deze investering rendabel te maken. Investeringssteun is noodzakelijk om tot een investeringsbeslissing te kunnen komen. Dit wordt ook getoetst door de EC voordat een eventueel steunverzoek wordt goedgekeurd. Alle Europese staalfabrikanten moeten verduurzamen en ook zij hebben hiervoor steun nodig vanuit de overheden. In de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro is 600 miljoen euro gereserveerd voor de milieumaatregelen, deze 600 miljoen euro subsidie levert geen CO2-reductie op.
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
In de JLoI is opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039.
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, worden er geen extra kosten voor TSN voor de door SOMO aangehaalde punten voorzien. De kosten en baten van de plannen in de JLoI zijn door de AMVI beoordeeld in termen van de doelmatigheid van de steun, waarbij zij aangeeft dat er een aanzienlijke emissiereductie wordt bereikt tegen relatief lage kosten. De financieel adviseur van de staat ziet toe op de onderbouwing en haalbaarheid van de businesscase. Ook de EC toetst hierop. Het rapport van de financiële adviseur zal bij de definitieve maatwerkafspraak openbaar worden gemaakt.
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen. Indien gewenst kan de stand van zaken op dit vlak worden toegelicht in een (vertrouwelijke) technische briefing.
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Bij maatwerkafspraken is – zoals vaker met de Tweede Kamer is gecommuniceerd – het geëigende moment om te spreken over de contouren van de maatwerkafspraak op het moment dat de JLoI aan de Kamer wordt gestuurd. Daarna gaat het kabinet immers proberen te komen tot een afspraak binnen de kaders van die JLoI. Het kabinet gaat dan ook graag met de Tweede Kamer over de JLoI in gesprek tijdens het nog in te plannen plenaire debat dat is aangevraagd. Daaraan voorafgaand zal ook een technische briefing worden georganiseerd over de JLoI met TSN. Voor wat betreft de finale maatwerkafspraak en de financiële implicaties daarvan geldt – zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over het vaststellen van het mandaat voor de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met Tata Steel – dat deze onder voorbehoud van parlementaire autorisatie van de begroting is.20
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
De AMVI adviseert in haar advies om «een professionele partij een rapport/verklaring af te laten geven ten aanzien van de werking van de modellen, modelopbouw, analyse van aannames, validatie van uitkomsten en werking van de scenario’s». Dat advies neemt het kabinet over. Zo zullen, in lijn met het advies, verschillende scenario’s worden uitgewerkt waarmee de financiële implicaties van een aantal scenario’s inzichtelijk worden gemaakt. De financiële beoordeling van de businesscase is met een grondige toets van externe, onafhankelijke financieel adviseurs, die hierover met een definitieve maatwerkafspraak een openbaar rapport over zullen uitbrengen en controle door de EC op proportionaliteit voldoende geborgd.
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Zo zijn onder andere de financiële modellen getoetst door onze adviseur KPMG. Ook wordt een technisch, commercieel en dus ook financieel due diligence gedaan door verschillende experts die de overheid bijstaan in dit traject. Voor de definitieve maatwerkafspraak zullen de finale financiële modellen eveneens opnieuw door de externe financieel adviseurs worden getoetst. De adviseurs zullen ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Tot slot is en wordt de businesscase ook door de EC getoetst op o.a. proportionaliteit.
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is de businesscase uitvoerig getoetst door de adviseurs van de staat en door de EC. Bij de definitieve maatwerkafspraak zullen ook stukken van de adviseurs openbaar worden gemaakt. Hiermee wordt volgens het kabinet volledige transparantie geboden binnen de mogelijkheden die er zijn, rekening houdend met de bedrijfsvertrouwelijke informatie die de staat ontvangt en waar prudent mee moet worden omgegaan. De Kamer kan desgewenst tussentijds (vertrouwelijk) worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Ja.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het rapport waarin de Britse inlichtingendienst stelt dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen raken aan nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk |
|
Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het Sectorakkoord Gaswinning op Land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023» dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een «betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief technisch en economisch winbaar is?
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het verbruik van 2025?
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer komt?
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer toegelicht.
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of bodemdalingen?
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant, deskundig en onafhankelijk is.
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke niet?
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe te schrijven is?
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2025 aangaande de zout- en gaswinning onder de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Rummenie , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op op de hoogte van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waarin de rechter vaststelt dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de mogelijke nadelige gevolgen van mijnbouwactiviteiten op de Waddenzee onvoldoende in overweging had genomen, onder andere door informatie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) over klimaatverandering en zeespiegelstijging rond de Waddenzee niet mee in zijn beoordeling op te nemen?1
Ja.
Wat betekent deze uitspraak voor huidige en nieuwe mijnbouw in de Wadden?
De uitspraak heeft geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. Op 10 februari 2023 heeft het Ministerie van LVVN een handhavingsverzoek over de natuurvergunning voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee afgewezen. De Waddenvereniging is hiertegen in bezwaar gegaan. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland gaat over dit bezwaar. Het handhavingsverzoek had, volgens de rechtbank, moeten worden gezien als een verzoek om de natuurvergunning te wijzigingen. In de afwijzing is volgens de rechtbank niet voldoende rekening gehouden met de laatste inzichten van het KNMI. De rechtbank heeft het betreffende besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek daarom vernietigd.
Sinds het besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek (10 februari 2023) zijn nieuwe gebruiksruimtebesluiten gepubliceerd (meest recent op 25 april 2024). Mijnbouwprojecten in de Waddenzee moeten aan die gebruiksruimte voldoen. Voor elk nieuw gebruiksruimtebesluit wordt advies gevraagd aan experts, waaronder het KNMI, over de zeespiegelstijging. Daarbij worden de nieuwste inzichten betrokken. Het gebruiksruimtebesluit geeft daarmee een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. De uitspraak van de rechter is daarmee inmiddels achterhaald; in het thans geldende gebruiksruimtebesluit, waarbinnen de (bestaande) mijnbouwactiviteiten moeten opereren, is de informatie van het KNMI meegenomen.
Wat betekent de uitspraak specifiek voor bestaande zoutwinning onder de Wadden? Hoeveel zoutwinningsprojecten zijn momenteel actief onder de Waddenzee? Hoe wordt gemonitord dat deze aan de voorwaarden van de milieuvergunningen blijven voldoen, ook wanneer er nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar komt over de mogelijke negatieve gevolgen van die zoutwinning?
Zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee, dus ook niet voor de huidige zoutwinning. Op dit moment wordt onder de Waddenzee alleen zout gewonnen in het zogenaamde Havenmond gebied, nabij Harlingen. Delfstoffenwinning onder de Waddenzee vindt plaats via het «hand aan de kraan» principe. In dit kader moeten vergunninghouders jaarlijks rapporteren over de bodemdaling, de gebruiksruimte en de ecologische monitoring. Deze rapportages worden beoordeeld door de Auditcommissie gaswinning onder de Waddenzee of de Auditcommissie zoutwinning onder de Waddenzee. Het advies van deze Auditcommissies wordt jaarlijks met de Tweede Kamer gedeeld. De Kamer heeft op 18 december 2025 de meest recente adviezen ontvangen2. De Auditcommissies geven in hun adviezen aan dat de winning binnen de vastgestelde gebruiksruimte blijft en dat er geen aantasting van de natuur in en rondom de Waddenzee is geconstateerd. Hierbij wordt verwezen naar het gebruiksruimtebesluit 2024 waarbij de nieuwste informatie van het KNMI is meegenomen. Het gebruiksruimtebesluit wordt elke 5 jaar herzien met de nieuwste inzichten over de zeespiegelstijging. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn dan kan het kabinet deze eerder aanpassen. Ook biedt het «hand aan de kraan»-principe – met de systematiek van voortdurende monitoring van natuurwaarden, bodemdaling en zeespiegelstijging – inzicht in de ontwikkelingen in het gebied waardoor tijdig ingegrepen kan worden als dit nodig is.
Wat betekent de uitspraak voor de bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) lopende vergunningsaanvraag van het Duitse bedrijf ESCO voor extra zoutwinning onder de Waddenzee, gezien de mogelijkheid van een bodemdaling van anderhalve meter onder het Wad en meer bodemdaling dan verwacht onder de zeedijk in Noord-West Friesland?
De uitspraak heeft geen invloed op de aanvraag van Frisia. Zoals bij vraag 2 aangegeven is ondertussen een nieuw gebruiksruimtebesluit vastgesteld. De aanvraag van Frisia moet aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen.
Kan deze uitspraak volgens u als basis dienen om geen nieuwe vergunningen te leveren voor zoutwinning onder de Waddenzee? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is van 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, inclusief de informatie van het KNMI. Mijnbouwprojecten moeten aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen. Nieuwe winning van delfstoffen is met de aanpassing van de Mijnbouwwet in mei 2024 niet meer mogelijk onder de Waddenzee, tenzij een aanvraag voor 1 mei 2024 was ingediend.
Heeft het Ministerie van KGG of het Ministerie van LVVN momenteel weet van andere bestaande aanvragen of potentiële aanvragen die door marktpartijen voorbereid worden voor zoutwinning onder de Waddenzee?
Nee, er zijn geen andere aanvragen of potentiële aanvragen voor zoutwinning onder de Waddenzee bekend anders dan de aanvraag van Frisia die voor de aanpassing van de Mijnbouwwet is ingediend.
Hoe beoordeelt u het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden in het licht van deze uitspraak?
Zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is vastgesteld op 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De uitspraak heeft daarom geen gevolgen voor het thans geldende gebruiksruimtebesluit.
In welke mate werden specifiek de in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI meegenomen in het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden?
De in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI zijn meegenomen in het thans geldende gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024. Dit besluit is gebaseerd op het advies van experts (van het KNMI, Deltares, NIOZ, TU Delft, TNO-Geologische dienst en de Universiteit Utrecht) van 31 januari 2024 over zeespiegelstijgingsscenario’s voor de Waddenzee. Dit advies volgde op de publicatie van de klimaatscenario's van het KNMI (9 oktober 2023).
Hoe schat u op basis van deze uitspraak de toegenomen waarschijnlijkheid in dat de Raad van State in 2026 zal oordelen dat de gebruiksruimte zou moeten worden herzien?
Tegen het huidige gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024 is een aantal beroepen ingesteld. Naar verwachting zullen deze beroepen in 2026 door de Afdeling bestuursrechtspraak ter zitting worden behandeld. Het is uiteraard niet aan het kabinet om iets te zeggen over hoe de Afdeling uiteindelijk zal oordelen.
Aangezien u in uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 20 van mijn schriftelijke vragen heeft geantwoord dat in geval van een dergelijke uitspraak van de Raad van State het kabinet de gebruiksruimte zou herzien, deelt u de mening dat het in het licht van deze uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland wijselijk is een dergelijke wijzing reeds voor te bereiden om een strikte natuurbescherming van de Wadden te garanderen?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. In het thans geldende gebruiksruimtebesluit zijn de meest recente inzichten over de zeespiegelstijging, die in de uitspraak worden aangehaald, meegenomen. Daarmee geeft het thans geldende gebruiksruimtebesluit een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. Het kabinet ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om een wijziging van het gebruiksruimtebesluit voor te bereiden.
Gezien uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 21 van mijn schriftelijke vragen dat de modellen van het KNMI te beperkt zouden zijn of niet toegespitst zouden zijn op de Nederlandse situatie, maar dat de rechtbank Noord-Nederland tegelijk aangeeft dat de informatie van het KNMI wel degelijk relevant is in de context van zoutwinning, bent u bereid uw eerdere antwoord te herzien en aan het KNMI alsnog te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging en indien nodig de modellen meer toe te spitsen op de Nederlandse situatie?3 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vraag 21 ging niet over nieuwe inzichten van het KNMI maar over generieke nieuwe wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging. De laatste publicatie van het KNMI over klimaatscenario’s is van 9 oktober 2023. Deze publicatie is meegenomen in het advies door experts van 31 januari 2024. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het KNMI een van deze experts. Het is de verwachting dat in het geval het KNMI nieuwe klimaatscenario’s publiceert, deze dan weer zullen worden meegenomen in een nieuw advies door experts en een nieuw gebruiksruimtebesluit. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat nieuwe wetenschappelijke inzichten niet altijd direct toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie. Hiervoor is vaak een vertaling of aanvullend onderzoek nodig.
Wat is uw inzet in het overleg met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de schade als gevolg daarvan? Wat bent u van plan met de vragen en bezwaren van deze lokale overheden over dit onderwerp?
Er is regelmatig contact met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de gevolgen daarvan. De vragen en bezwaren van de decentrale overheden worden in elke procedure bekeken en meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Ja.
Graag geeft het kabinet eerst een algemene toelichting waar in verschillende antwoorden naar zal worden verwezen. De mogelijke maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland (TSN) gaat over een aantal grote en maatschappelijk belangrijke doelstellingen en de beoogde ondersteuning vanuit de staat is omvangrijk. Het is dan ook begrijpelijk dat hier uitvoerig en kritisch naar wordt gekeken door bijvoorbeeld Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).
Het is daarbij van belang dat de informatie uit de Joint Letter of Intent (JLoI) op juiste wijze wordt geïnterpreteerd zodat hier geen misverstanden over ontstaan. De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de definitieve maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. In deze JLoI is opgenomen dat het kabinet maximaal 2 miljard euro beschikbaar stelt voor de verduurzaming en het schoner maken van de staalproductie bij TSN. Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan kostenstijgingen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
De SOMO-analyse stelt op basis van de opzeggronden voor TSN en de inspanningen van de staat uit de JLoI dat de staat met de maatwerkafspraak met TSN in een subsidiefuik terecht komt. Gelet op bovenstaande onderschrijft het kabinet deze stelling niet. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Met de opzeggronden op het gebied van netwerkkosten, de nationale CO2-heffing en het beleid rond staalslakken committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Indien (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
De inspanningsverplichtingen van de staat uit de SOMO-analyse betreffen beleidsmatige vraagstukken die al nadrukkelijk op de politieke agenda staan, los van dit maatwerktraject met TSN. Dit betreffen randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede, zoals de marktontwikkeling van biomethaan en de benodigde infrastructuur voor CO2-afvang en -opslag (CCS). Ook hiermee committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan het betalen van meerkosten aan TSN. Dit zijn generieke beleidsvraagstukken die in de volle breedte moeten worden opgelost, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten. Daarbij rekenen we de kosten van generieke investeringen in infrastructuur of van beleidsmaatregelen (zoals kortingen) bij geen enkel (maatwerk)bedrijf toe aan de individuele bedrijven.
Tenslotte geldt dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS. Dit zijn immers generieke subsidies waar ieder bedrijf een aanvraag voor kan indienen. Zoals in de JLoI ook staat beschreven, mag TSN in de toekomst een subsidie aanvraag indienen en zal deze aanvraag worden getoetst en gewogen zoals bij ieder ander bedrijf. Het al dan niet verkrijgen van deze eventuele generieke subsidie biedt geen mogelijkheid tot opzeggen van de maatwerkafspraak.
De komende periode onderhandelen de Ministeries van KGG en IenW verder met het bedrijf om tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Het kabinet zal openbaar informatie delen voor zover dat mogelijk is. Gelet op de bedrijfsvertrouwelijkheid en mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan niet alles openbaar gedeeld worden, maar kan het kabinet de Kamer daar wel vertrouwelijk over informeren.
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Zoals ook aangegeven in de reactie van het ministerie op de analyse van SOMO2 en in de toelichting bij de beantwoording van deze vragen committeert de staat zich met de intentieverklaring met TSN op geen enkele manier aan enige kostenstijgingen, dus ook niet voor hierboven genoemde punten. De door het SOMO genoemde punten zijn ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de toelichting op vraag 1 is aangegeven zijn de genoemde punten ofwel opzeggronden die enkel voor de JLoI gelden en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten, ofwel inspanningen vanuit de staat waarmee op geen enkele manier compensatie of meerkosten aan TSN zijn toegezegd.
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
De onderzoekers van het SOMO hebben het Ministerie van KGG de kans gegeven om te reageren op een concept van het artikel, deze reactie van het ministerie is ook gepubliceerd in het ESB. Zoals ook aangegeven in antwoord 1 wordt het werk van het SOMO gewaardeerd, maar herkent het ministerie zich niet in de conclusies. Ook de berekeningen van het SOMO kunnen niet gevolgd worden. Dit is ook zo meegegeven aan het SOMO in de reactie op het conceptartikel. In deze reactie benadrukt het ministerie, net als in deze beantwoording, dat de inspanningsverplichtingen voor de staat en opzeggronden uit de JLoI geen enkele financiële garanties of enig recht op subsidies aan Tata Steel geven. De maatwerkafspraak wordt gemaakt op vrijwillige basis. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Tata Steel kan gebruik maken van het generieke subsidie-instrumentarium, maar er zal geen aanvullende maatwerksteun worden gegeven. Volgens de staat en de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie is de beoogde maatwerksubsidie zeer kosteneffectief en kan zij leiden tot een grote CO2-reductie en de leefomgeving voor omwonenden fors verbeteren.
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
De opzeggronden, en zo ook artikel 15 lid 4, zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en het benoemen van drempelwaardes kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Het voornemen van de partijen is om in september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
In algemene zin kan worden gezegd dat de vraagstukken op het gebied van de netwerktarieven en de CO2-heffing deel uitmaken van een breder beleidsvraagstuk waar generiek naar oplossingen wordt gekeken voor de hele industrie, en waar dus niet specifiek met TSN over wordt gesproken. Onder andere Gehrels5 en Van Kempen6 hebben in hun rapporten onderzoek gedaan naar beleidsmatige keuzes in klimaat- en energiebeleid waarin ook de opties voor de CO2-heffing en de netwerktarieven zijn meegenomen. Het is aan het volgende kabinet om hier een oplossing voor te kiezen en implementeren.
Voor staalslakken wordt op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van (generieke) beleidsverbeteringen. Zoals dit voor iedere beleidsaanpassing geldt, wordt hierbij afstemming gezocht met het bedrijfsleven. Onderdeel van de afspraken uit de JLoI is een project voor de verbetering van de kwaliteit van staalslak (zie artikel 3.3.b en 6.1.b.II van de JLoI, en Annex II onder 3.B). Daarnaast neemt TSN verschillende maatregelen om de uitvoering van zijn zorgplicht met betrekking tot de behandeling en toepassing van staalslak te versterken (zie artikel 10.2.b van de JLoI).
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
De JLoI bevat inspanningsverplichtingen en de contouren van de maatwerkafspraak, waaronder de beoogde doelen, projecten en het financiële kader. Het kabinet heeft de ambitie om uiterlijk eind september 2026 tot een definitieve maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven bij antwoord 1 zal het kabinet de Kamer in de tussentijd waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk informeren over de voortgang van de onderhandelingen.
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is het voor de staat van belang om te borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd. In artikel 11, lid 2 van de JLoI staat over het kolenverbod opgenomen: «Partijen treden met het oog op het aangaan van de maatwerkafspraak te goeder trouw met elkaar in overleg over de details van een mogelijk verbod op steenkool, rekening houdend met de redelijke belangen van zowel TSN als de Staat en onverminderd de bevoegdheid van de Staat om hiervoor beleid of wetgeving vast te stellen met inachtneming van de geldende wettelijke procedures.7»
De staat tracht met TSN privaatrechtelijke afspraken te maken over het beëindigen van het gebruik van kolen voor staalproductie door het bedrijf. Deze privaatrechtelijke afspraken sluiten de mogelijkheid niet uit om het einde van het kolengebruik door TSN ook publiekrechtelijk te borgen.
Het is aan de staat om hierover beleid of wetgeving vast te stellen en eventueel voorafgaand afspraken te maken in de maatwerkafspraak waarin dit ook opgenomen kan worden.
Tevens wil het kabinet graag benadrukken dat er nog geen sprake is van «de geïnvesteerde 2 miljard euro». Met de JLoI hebben de partijen zich gecommitteerd aan inspanningsverplichtingen om tot een maatwerkafspraak te komen, gebaseerd op de in de JLoI geschetste kaders. Pas na het overeenkomen van een definitieve maatwerkafspraak zal de subsidie vanuit de staat, in tranches bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen, worden uitgekeerd aan het bedrijf.
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het aan de staat om wel/niet beleid of wetgeving vast te stellen over (de vormgeving van) een publiekrechtelijk kolenverbod. In geval van een publiekrechtelijk kolenverbod zal altijd rekening worden gehouden met het waarborgen van de belangen van de bedrijven die hieronder zouden komen te vallen, conform wetgeving.
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Nee, een verbod op het gebruik van kolen is niet een van de opzeggronden voor de JLoI. Op grond van artikel 11 van de JLoI is het wel opgenomen als onderwerp dat in de komende periode verder uitgewerkt wordt. Zie de beantwoording bij vraag 8 voor de bewoording van de bepaling uit de JLoI.
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Om tot een maatwerkafspraak te komen is het van belang dat het bedrijf een positieve businesscase ziet voor verduurzaming. De randvoorwaarden voor het doen van de investering zijn dus van belang.
TSN is een private onderneming die zelf verantwoordelijk is en blijft om investeringsbeslissingen te nemen en zicht te houden op een gezonde financiële toekomst. Het verlenen van een subsidie en het maken van een maatwerkafspraak gebeurt op vrijwillige basis en uiteindelijk moeten alle partijen dus bereid zijn om afspraken met elkaar te maken. Afgesproken is dat TSN de JLoI kan opzeggen als op een van de hierboven genoemde terreinen maatregelen worden geïntroduceerd (of uitblijven) waardoor de businesscase onhaalbaar wordt en het bedrijf mogelijk niet meer in staat is om de benodigde investeringen te doen. De opzeggronden doen geen enkele afbreuk aan de mogelijkheden van de staat om nieuw beleid op deze terreinen in te voeren of bestaand beleid aan te scherpen.
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
De specifieke opzeggrond rondom staalslakken staat in artikel 15, vierde lid onder c: «Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN.9» De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Het tijdelijke verbod op bepaalde toepassingen van staalslakken is geen verbod op de productie van staalslakken. Ook is relevant dat de markt voor de toepassing van staalslakken een internationale markt is; de mogelijkheden voor export beïnvloeden de businesscase dus ook. Nederland is momenteel het enige land ter wereld dat voor bepaalde toepassingen van staalslakken restricties oplegt.
Deze opzeggrond staat kortom niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken, maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de businesscase van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
De opzeggrond in de JLoI betekent niet dat de overheid TSN moet compenseren voor mogelijke extra kosten door nieuw beleid of maatregelen op het gebied van staalslakken. Deze opzeggrond doet ook geen enkele afbreuk aan de verplichting van het bedrijf om op verantwoorde wijze om te gaan met staalslakken, in overeenstemming met de huidige geldende wet- en regelgeving. Ook laat dit de mogelijkheden om het nationale beleid aan te scherpen onverlet.
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
De productie van circa 650.000 ton staalslak per jaar door TSN leidt niet automatisch tot maatschappelijke kosten: die ontstaan alleen wanneer staalslak onjuist of in strijd met de zorgplicht is toegepast en daardoor milieuschade optreedt. Saneringen en kosten worden per locatie en per geval beoordeeld door het bevoegd gezag. Er is daardoor geen totaalbeeld beschikbaar en er bestaat geen landelijk overzicht van de totale maatschappelijke kosten van staalslak dat jaarlijks wordt geproduceerd, noch van alle saneringen en schadegevallen.
De situatie in Spijk, waar circa 670.000 ton staalslak is toegepast en lokaal wordt gesproken over een saneringsopgave van circa € 100 miljoen, betreft een locatiespecifieke raming en geen landelijk vastgestelde kosteninschatting. Wie voor herstel- en saneringskosten opdraait, is niet generiek vast te stellen en hangt af van de concrete omstandigheden. In beginsel is de toepasser verantwoordelijk voor juiste toepassing, mogelijke aansprakelijkheid van producent of leverancier indien wettelijke verplichtingen niet zijn nageleefd.
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
De beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro valt uiteen twee delen: 1) een lening van 200 miljoen euro voor de aankoop van biomethaan en/of waterstof, en 2) 1,8 miljard euro aan investeringssteun voor de bouw van een Direct Reduction Plant en Electric Arc Furnace (DRP-EAF) en de extra milieumaatregelen. Alleen de investeringskosten van de projecten uit de JLoI komen in aanmerking voor deze investeringssteun van 1,8 miljard euro. Investeringskosten betreffen onder andere materiaal- en bouwkosten voor de DRP-EAF en voor de aanvullende milieumaatregelen. De huidige kosten voor staalslakkenverwerking en -sanering vallen hier dus niet onder.
Een van de projecten uit de JLoI is gericht op verbetering van de kwaliteit van staalslak (art. 3.3.b en 6.1.b.II JLoI en annex II onder 3.B). Dit betreft een innovatieve methode voor de verwerking van staalslak in de toekomst. Dit project is onderdeel van de JLoI (aanvullende milieumaatregelen) en zodoende wel meegenomen in de businesscase. Zoals in het antwoord op vraag 13 aangegeven is in beginsel de toepasser van staalslak verantwoordelijk voor de juiste toepassing.
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
De bedrijfsactiviteiten van TSN zorgen, net als de activiteiten van ieder industrieel bedrijf, voor maatschappelijke baten (o.a. werkgelegenheid; investeringen in onderzoek en innovatie; belastingopbrengsten; strategische autonomie) en kosten (o.a. emissies van vervuilende stoffen en als gevolg daarvan gezondheids- en milieuschade en -risico's; emissies van broeikasgassen en als gevolg daarvan klimaatverandering). Het PBL heeft becijferd9 dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard bedroeg. De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens CBS-cijfers € 102,8 miljard.
Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door Tata Steel zouden veel methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. Een dergelijke berekening zou dan ook niet veel zeggingskracht hebben. Om deze reden is deze dan ook niet meegenomen in de afwegingen en onderhandelingen over het wel of niet inzetten op een maatwerkafspraak met Tata Steel.
Dat neemt niet weg dat de inzet van het kabinet is om de maatschappelijke kosten van de bedrijfsactiviteiten fors te doen afnemen. Voor gezondheid specifiek geldt dat het RIVM op verzoek van het kabinet in kaart heeft gebracht welk causaal verband bestaat tussen bepaalde emissies door Tata Steel en gezondheidsschade bij omwonenden. Deze schade is uiteraard zeer onwenselijk en daarom is een belangrijk doel van de maatwerkafspraak om schadelijke emissies fors te reduceren. Daarbij ligt de focus op die stoffen waarvoor het causale verband tussen uitstoot en gezondheidsschade (door blootstelling op immissieniveau) het duidelijkst is. Die aanpak is in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 committeert de staat zich met de JLoI op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro.
In de JLoI staan een aantal mechanismen genoemd waarmee wordt geborgd dat de maatwerksubsidie wordt gebruikt voor het realiseren van de maatschappelijke doelen. Allereerst is er vooraf een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd. De businesscase wordt getoetst door een financieel adviseur van de staat. Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches; na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen wordt een tranche voorlopig uitgekeerd. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten en de subsidie wordt pas definitief vastgesteld als de afgesproken doelen zijn behaald. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. De staat heeft ook de mogelijkheid om de subsidie op te schorten als er een tekort blijkt om de projecten te realiseren. Ook zal een clawback mechanisme worden ingesteld om overcompensatie te voorkomen. In de JLoI staan ook de financiële verplichtingen van TSN en TSL, waaronder dat alle kosten voor de projecten buiten de € 2 miljard bijdrage van de staat voor rekening van Tata Steel zijn. De staat zal ook zekerheden krijgen om de verstrekte subsidie te beschermen. In de definitieve maatwerkafspraak zullen de afspraken en mechanismen nader worden uitgewerkt.
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Dit betekent dat de staat op dit moment geen realistisch scenario voor zich ziet waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. Ten eerste is de kans op goedkeuring van de EC voor een tweede steunverzoek voor één bedrijf klein. Daarnaast zal de tweede fase pas medio jaren «30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde, waarmee er vermoedelijk geen sprake is van een onrendabele top en/of bovenwettelijke maatregelen. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase.
Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat zowel wet- en regelgeving als klimaatbeleid in de toekomst kunnen wijzigen en een bedrijf niet op voorhand uitgesloten kan worden van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is beschreven geldt daarnaast dat het ontvangen van een eventuele maatwerksubsidie niet betekent dat het bedrijf geen aanspraak kan maken op andere generieke duurzaamheidssubsidies, zoals bijvoorbeeld de SDE++ voor CCS.
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
De grootste CO2 reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Indien er in de gehele periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader en zal TSN daar dus de benodigde stappen voor moeten zetten. De komende tijd zal verder worden uitgewerkt hoe dit als resultaatsverplichting kan worden vastgelegd in de definitieve maatwerkafspraak.
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Vanaf 2032 begint TSN met het inzetten van maximaal 0,5 bcm biomethaan per jaar in de DRP ter vervanging van aardgas. Hiermee kan een extra CO2-reductie tot 1,2 Mton per jaar worden bereikt.
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Gezien er andere rest- en afvalstromen zijn die ook benut kunnen worden voor de productie van biomethaan, is er geen afhankelijkheid van mest. Daarnaast wordt ook import van biomethaan voorzien.
Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het is verstandig om mest nuttig te gebruiken, zowel vanuit het oogpunt van het benutten van laagwaardige reststromen als vanuit de noodzaak om methaanemissie uit mest in stallen te voorkomen. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaanbeleid rekening met een krimp van de veestapel10. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid. Het kabinet zet samen met de landbouwsector in op innovaties, zoals stikstof- en ammoniakstrippers, om de bijdrage van vergisters aan de reductie van stikstof- en methaanemissies te vergroten.
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
De binnenlandse productie van biomethaan wordt o.a. gesubsidieerd via de SDE++. De SDE++ dekt de onrendabele top af, de hoogte van de subsidie ligt niet vast en hangt onder meer af van de opbrengsten uit de geleverde energie en hangt dus af van de marktprijs van biomethaan.
Het doel van de maatwerkafspraak met TSN is, naast de realisatie van schone en groene staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren (zonder structurele subsidies). Er moet daarbij zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Het Groen Staal Plan betreft een zeer omvangrijke investering van TSN en het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL). Het bedrijf zal niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel. Daarnaast zijn ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming die van toepassing zijn, geldt dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier streng op.
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Biomethaan kan via verschillende methodes en op basis van verschillende reststromen geproduceerd worden. Er kan daarom niet een generiek aantal hectares gekoppeld worden aan de productie van 0,5 bcm biomethaan. De mogelijke nationale biomethaan productie is afhankelijk van de hoeveelheid grondstoffen (doorgaans rest- en afvalstromen) die beschikbaar komen in de maatschappij, niet andersom. In een recent rapport12 dat is opgesteld in opdracht van het kabinet, is becijferd dat in Nederland een productiepotentie is die oploopt van 1,4 bcm in 2035 tot 2,8 bcm in 2050. Daarnaast is het voor TSN ook mogelijk om biomethaan te importeren vanuit bijvoorbeeld Europese landen, via het bestaande gasnetwerk. Het importpotentieel voor Nederland loopt volgens dit rapport tussen op van 3,3 bcm in 2035 tot 7,4 bcm in 2050. Externe adviseur Common Futures schat het Europese productiepotentieel voor biomethaan productie op 100 bcm, meer dan genoeg om aan de vraag van TSN te voldoen13. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI aan de Tweede Kamer.
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Het verduurzamingsplan van TSN uit november 2023 waarin wordt uitgegaan van de bouw van een DRP-EAF op waterstof vormt nog altijd de basis voor de JLoI met TSN. Het beeld dat de CFO van TSL schetst dat de beschikbaarheid en prijzen van waterstof onzeker zijn, wordt herkend. De ontwikkeling van de waterstofmarkt gaat trager dan voorzien ten tijde van het opstellen van het verduurzamingsplan door TSN. Om deze reden zijn de plannen van TSN ook verder doorontwikkeld en heeft biomethaan een rol gekregen. Echter, om de beoogde CO2-reductie te realiseren en aan de eisen van het staatssteunkader te voldoen zal TSN moeten overstappen op groene energiebronnen. De staat wil deze overstap ondersteunen met een subsidie in de vorm van een lening die TSN moet gebruiken om groene waterstof en/of biomethaan aan te kopen via tenders. De tenders voor biomethaan en groene waterstof moeten in de markt worden gezet, deze zogenaamde «auctioning» is verplicht en geen «optionality». Indien TSN in de periode 2032–2037 geen waterstof of biomethaan koopt, zal de lening moeten worden terugbetaald met rente en een eventuele boete.
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of biomethaan. Zoals in het antwoord op de vorige vraag aangegeven gaat TSN hiervoor tenders in de markt zetten. Over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op groene energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Het proces met certificaten bij biomethaan werkt vergelijkbaar met het aankopen van groene elektriciteit met certificaten. Omdat transport via pijpleiding de meest duurzame en efficiënte transportmethode voor gassen is worden biomethaan en aardgas beiden in het reguliere Europese gasnet ingevoed. Hiermee ontstaat een mix van biomethaan en aardgas die alleen onderscheiden kan worden middels certificering. Met de certificaten kan de duurzame herkomst van de biomethaan worden aangetoond en de CO2-reductie van het gebruik van biomethaan worden toegekend.
In de JLoI staat opgenomen dat TSN alleen biomethaan mag gebruiken dat voldoet aan de duurzaamheidseisen van de Europese Unie (RED II). TSN zal de duurzaamheid van de gekochte biomethaan moeten aantonen met zowel een Garantie van Oorsprong (GvO) als een Proof of Sustainability certificaat. Hiermee is de duurzaamheid en de CO2-reductie die gepaard gaat met het gebruik van biomethaan geborgd.
Om de benodigde hoeveelheid biomethaan te kunnen inkopen zal TSN, naast het inkopen van in Nederland geproduceerde biomethaan, ook biomethaan (via certificaten) moeten importeren uit andere Europese landen. Vanwege de mondiale afspraken over emissiestatistieken tellen buitenlandse GvO’s niet mee voor de doelen in de nationale Klimaatwet, omdat de emissiereductie meetelt in het land waar biomethaan wordt geïnjecteerd in het gasnet. Het telt juridisch gezien wel mee als emissiereductie onder het EU-ETS. Echter, vanwege praktische beperkingen is dit binnen het ETS op het moment nog niet mogelijk. Er is namelijk nog geen Europese databank/monitoringssysteem om dubbeltelling van GvO’s te voorkomen. Hierdoor tellen momenteel in Nederland alleen Nederlandse GvO’s voor CO2-reductie onder het EU ETS. Op basis van gesprekken met de EC en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de verwachting dat tegen de tijd dat TSN overstapt op biomethaan de Europese Union Database for Biofuels is geïmplementeerd, waardoor dubbeltelling van GvO’s wordt voorkomen en ook buitenlandse GvO’s kunnen meetellen onder EU ETS.
Voor de gezondheidswinst van de omwonenden maakt het niet uit of TSN aardgas of biomethaan gebruikt. Deze gassen zijn chemisch gezien namelijk exact hetzelfde samengesteld, waardoor de effecten op gezondheid ook gelijk zijn. De grootste gezondheidswinst wordt gerealiseerd door de overstap van kolen op aardgas.
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Zie antwoord vraag 28.
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Het uitgangpunt voor de verduurzaming van TSN is nog altijd het plan van TSN: het bouwen van een DRP-EAF op groene waterstof. In landen om ons heen zien we dat staalproducenten hun verduurzamingsplannen op basis van waterstof heroverwegen (ThyssenKrupp in Duitsland), uitstellen (ArcelorMittal in België) of niet uitvoeren en de verkregen subsidie teruggeven (ArcelorMittal in Duitsland). Daarnaast is de afgelopen jaren de ontwikkeling van de waterstofmarkt langzamer op gang gekomen dan eerder verwacht. Vanwege het belang om uiteindelijk over te gaan op groene energiebronnen en verdere CO2-reductie te realiseren, is daarom door partijen onderzocht of een andere groene energiebron een mogelijkheid zou zijn.
In het staalproductieproces is koolstof nodig als grondstof om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. Een duurzame koolstofbron hiervoor is biomethaan. Momenteel gebruikt TSN al biomethaan ter vervanging van aardgas in een aantal processen. TSN heeft dus al ervaring opgedaan met het aankopen en inzetten van biomethaan.
De overheid ziet biomethaan als een belangrijke duurzame koolstof- en energiebron voor processen waar andere technologieën zoals elektrificatie niet toereikend zijn. Om de biomethaan-markt verder op te schalen wordt biomethaan-productie gestimuleerd middels de SDE++ en aan de afname kant komt er een bijmengverplichting voor ETS2 sectoren voor biomethaan. Daarbij, zoals de AMVI in haar advies ook onderstreept, kan de vraag van grote industriële afnemers zoals TSN ook bijdragen aan marktontwikkeling door het bieden van lange termijn afnamezekerheid aan producenten. Uit het recent door Guidehouse afgeronde onderzoek naar de lange termijn productie en inzet van biomethaan komt staal naar voren als een van de sectoren waar biomethaan een goedkoper alternatief is dan waterstof, mede door de hoogwaardige inzet als grondstof17.
Gegeven de hierboven geschetste ontwikkelingen en nieuwe inzichten is de inzet van biomethaan (naast waterstof) opgenomen in het plan van TSN. De mogelijkheid om biomethaan of waterstof in te zetten in plaats van alleen waterstof geeft meer mogelijkheden om uiteindelijk een verdere verduurzamingsslag te maken. Het is aan de onderneming om – afhankelijk van de ontwikkelingen – te kiezen voor biomethaan of groene waterstof.
Bij het versturen van de Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI is ook het rapport van Common Futures meegestuurd18. Dit rapport gaat nader in op de mogelijkheden van biomethaan. In bovengenoemd antwoord is geschetst hoe, naast de mogelijkheid van waterstof, ook de mogelijkheid van biomethaan is opgenomen in de JLoI. Het is op dit moment niet mogelijk om alle correspondentie sinds de onderhandelingen over biomethaan te delen, dit zou namelijk de onderhandelingspositie van de staat kunnen benadelen.
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
De technische en financiële adviseurs van de staat hebben hun reviews voortdurend gedaan, en dus ook op basis van de laatste, doorontwikkelde versie van de plannen, zoals deze ook in de JLoI zijn opgenomen. De DRP-EAF is flexibel voor wat betreft het gebruik van aardgas, waterstof en biomethaan. Omdat aardgas en biomethaan chemisch exact hetzelfde zijn heeft een aanpassing van gebruikte volumes geen invloed op de technische review. Waterstof is sinds het begin van dit traject onderdeel van de plannen en is ook meegenomen in de technische review. De review van de te behalen CO2-reductie met biomethaan was onderdeel van de environmental review van begin 2025.
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
De uitspraken die TSN en TSL in dit soort bijeenkomsten voor aandeelhouders doen zijn aan hen. De in de JLoI vastgelegde doelen, projecten en het financiële kader zijn overeengekomen door alle partijen. Op basis hiervan wordt de definitieve maatwerkafspraak uit onderhandeld.
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Nee, dat is geen voorwaarde. TSN mag ook gebruik maken van certificaten en inkopen uit het buitenland. Zie verder het antwoord op vraag 28 en 29.
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
De SDE++ is een exploitatiesubsidie en kan zodoende niet worden gebruikt om biomethaan of groene waterstof aan te kopen. TSN krijgt een maatwerksubsidie voor de aankoop van (gecertificeerde) biomethaan en/of groene waterstof (de lening van 200 miljoen euro). Binnen de geldende staatssteunkaders is het niet toegestaan om dezelfde kosten dubbel te financieren met verschillende subsidies. RVO voert altijd een cumulatietoets uit, waarmee getoetst wordt of er sprake is van overstimulering. Dit zal ook worden gedaan als er een aanvraag komt voor steun vanuit een andere regeling voor de aankoop van groencertificaten. Indien een deel toch gesubsidieerd kan worden, zal de subsidie nooit hoger zijn dan het toegestane plafond.
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Zie voor dit antwoord de inleidende tekst onder antwoord 1. Er is geen sprake van dat TSN een uitzondering zou kunnen krijgen op de nationale CO2-heffing. Het beleid rondom deze heffing heeft een generieke werking die van toepassing is op alle bedrijven. Indien (nieuw) beleid op dit punt leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van deze opzeggrond.
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Er wordt geen specifieke tegemoetkoming aan TSN voor de netwerkkosten en de CO2-heffing overwogen, omdat het generiek beleid betreft dat voor alle bedrijven binnen een sector geldt. Een oplossing zal dus altijd gevonden moeten worden via een generieke beleidswijziging, zie ook het antwoord op vraag 1.
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
De steuncasus voor TSN is dermate specifiek (er zijn geen andere (staal)fabrikanten of maatwerkbedrijven in Nederland die een soortgelijke CO2-reductie kunnen realiseren), dat een definitieve maatwerkafspraak niet kan worden gekopieerd naar andere gevallen en de precedentwerking van de afspraken op nihil wordt ingeschat.
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Er wordt geen uitzondering gemaakt voor een bedrijf in de maatwerkaanpak. Met bedrijven die onderdeel zijn van de maatwerkaanpak wordt gesproken over de benodigde randvoorwaarden om te kunnen investeren Een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Bedrijven moeten altijd zelf een overweging maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan.
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Voor de beoogde maximale subsidie voor de verduurzamingsprojecten van 1,4 miljard euro is gekeken naar de businesscase van het project zodat er niet meer steun wordt gegeven dan de onrendabele top van het project. De verwachte ETS kosten alleen blijken onvoldoende om deze investering rendabel te maken. Investeringssteun is noodzakelijk om tot een investeringsbeslissing te kunnen komen. Dit wordt ook getoetst door de EC voordat een eventueel steunverzoek wordt goedgekeurd. Alle Europese staalfabrikanten moeten verduurzamen en ook zij hebben hiervoor steun nodig vanuit de overheden. In de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro is 600 miljoen euro gereserveerd voor de milieumaatregelen, deze 600 miljoen euro subsidie levert geen CO2-reductie op.
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
In de JLoI is opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039.
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, worden er geen extra kosten voor TSN voor de door SOMO aangehaalde punten voorzien. De kosten en baten van de plannen in de JLoI zijn door de AMVI beoordeeld in termen van de doelmatigheid van de steun, waarbij zij aangeeft dat er een aanzienlijke emissiereductie wordt bereikt tegen relatief lage kosten. De financieel adviseur van de staat ziet toe op de onderbouwing en haalbaarheid van de businesscase. Ook de EC toetst hierop. Het rapport van de financiële adviseur zal bij de definitieve maatwerkafspraak openbaar worden gemaakt.
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen. Indien gewenst kan de stand van zaken op dit vlak worden toegelicht in een (vertrouwelijke) technische briefing.
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Bij maatwerkafspraken is – zoals vaker met de Tweede Kamer is gecommuniceerd – het geëigende moment om te spreken over de contouren van de maatwerkafspraak op het moment dat de JLoI aan de Kamer wordt gestuurd. Daarna gaat het kabinet immers proberen te komen tot een afspraak binnen de kaders van die JLoI. Het kabinet gaat dan ook graag met de Tweede Kamer over de JLoI in gesprek tijdens het nog in te plannen plenaire debat dat is aangevraagd. Daaraan voorafgaand zal ook een technische briefing worden georganiseerd over de JLoI met TSN. Voor wat betreft de finale maatwerkafspraak en de financiële implicaties daarvan geldt – zoals ook aangegeven in de Kamerbrief over het vaststellen van het mandaat voor de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met Tata Steel – dat deze onder voorbehoud van parlementaire autorisatie van de begroting is.20
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
De AMVI adviseert in haar advies om «een professionele partij een rapport/verklaring af te laten geven ten aanzien van de werking van de modellen, modelopbouw, analyse van aannames, validatie van uitkomsten en werking van de scenario’s». Dat advies neemt het kabinet over. Zo zullen, in lijn met het advies, verschillende scenario’s worden uitgewerkt waarmee de financiële implicaties van een aantal scenario’s inzichtelijk worden gemaakt. De financiële beoordeling van de businesscase is met een grondige toets van externe, onafhankelijke financieel adviseurs, die hierover met een definitieve maatwerkafspraak een openbaar rapport over zullen uitbrengen en controle door de EC op proportionaliteit voldoende geborgd.
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Zo zijn onder andere de financiële modellen getoetst door onze adviseur KPMG. Ook wordt een technisch, commercieel en dus ook financieel due diligence gedaan door verschillende experts die de overheid bijstaan in dit traject. Voor de definitieve maatwerkafspraak zullen de finale financiële modellen eveneens opnieuw door de externe financieel adviseurs worden getoetst. De adviseurs zullen ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Tot slot is en wordt de businesscase ook door de EC getoetst op o.a. proportionaliteit.
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is de businesscase uitvoerig getoetst door de adviseurs van de staat en door de EC. Bij de definitieve maatwerkafspraak zullen ook stukken van de adviseurs openbaar worden gemaakt. Hiermee wordt volgens het kabinet volledige transparantie geboden binnen de mogelijkheden die er zijn, rekening houdend met de bedrijfsvertrouwelijke informatie die de staat ontvangt en waar prudent mee moet worden omgegaan. De Kamer kan desgewenst tussentijds (vertrouwelijk) worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Ja.
Het nieuws dat er een deal is gesloten tussen het kabinet en de NAM over de gaswinning bij Ternaard |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de overeenkomst tussen u en de NAM tot stand zijn gekomen?
Welke afspraken heeft u wanneer met wie gehad om tot deze deal te komen en wat is daar besproken?
Kunt u de voorbereiding en verslagen van deze onderhandelingen delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe zijn de bedragen waarmee deze overeenkomst gepaard gaan berekend en welke gegevens en berekeningen heeft u gebruikt om te beoordelen of dit bedrag gerechtvaardigd is? Kunt u een toelichting geven op het rekenmodel dat u hiervoor heeft gebruikt?
Om tot een marktconforme waardering te komen is een nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld. Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden. In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto contante waarde van het Ternaard gasveld.
Wat waren de hoogste en laagste mogelijke waarden die uit de scenario’s van KPMG en TNO kwamen?
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft deze 1,67 bcm als gegeven aangenomen. KPMG heeft opgemerkt dat, vergeleken met de volumescenario’s uit het winningsplan, dit volume aan de lage kant is. KPMG heeft in haar doorrekeningen geen verschillende scenario’s gepresenteerd die tot een heldere bandbreedte leiden. Wel heeft KPMG voor een aantal elementen een gevoeligheidsanalyse gemaakt. Het meest van invloed is de gehanteerde discontovoet. Een discontovoet van 10% leidt tot een netto contante waarde (NCW) voor NAM van 55,8 mln. Een discontovoet van 15% leidt tot een NCW voor NAM van 40,5 mln. Deze laatste discontovoet is in de uiteindelijke waardering gehanteerd.
Gezien u stelt dat NAM en EMPN vinden dat de commerciële waarde «veel hoger» ligt dan de huidige compensatie van 163 miljoen, heeft u deze hogere waardering gezien? Zo ja, kan dit met de Kamer worden gedeeld?
In één van de ambtelijke gesprekken is door NAM mondeling een indicatie gegeven van de commerciële waarde die NAM aan het project toe kent. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Waarom is gekozen voor een bedrag dat volledig de door het kabinet ingeschatte winst compenseert, terwijl het commerciële risico normaal geheel bij de onderneming ligt?
In de waardering is bij voorbaat al uitgegaan van een hoog commercieel risicoprofiel. Dit heeft een significante neerwaartse druk gegeven op het totaalbedrag. Dit zit hem in de gehanteerde (hoge) discontovoet van 15% waarmee als het ware reeds een afslag is gemaakt voor het commerciële risico van deze operatie. Het commerciële risico zit dus verwerkt in de waardering.
Waarom is het eerdere plan voor het Gebiedsfonds volledig komen te vervallen, en is overwogen alsnog een vorm van natuurinvestering te koppelen aan de beëindiging van de gaswinning?
De afspraken rondom batendeling waren gekoppeld aan daadwerkelijke winning. Wel heeft NAM aangegeven de dwangsom (€ 75.000) (die de Staat NAM nog verschuldigd was in verband met het niet tijdig nakomen van de laatste uitspraak van de Raad van State) te verdubbelen en (wederom) aan het gebied ter beschikking te zullen stellen.
Hoe verhoudt deze deal zich tot andere gesprekken en procedures tussen u en de NAM?
De overeenkomst over Ternaard staat geheel los van de andere gesprekken en procedures met NAM en/of haar aandeelhouders.
Heeft u het in de onderhandelingen voor deze overeenkomst enkel gehad over Ternaard of is het ook gegaan over andere activiteiten van de NAM?
Bij het sluiten van deze overeenkomst is enkel Ternaard besproken.
Welke wederzijdse belangen zijn besproken en welke (financiële) verzoeken zijn in die bredere gesprekken door NAM, Shell of ExxonMobil op tafel gelegd, gezien u schrijft dat de gesprekken eerder deel uitmaakten van een bredere onderhandeling over onder meer Groningen?
In het voorjaar van 2025 zijn verkennende gesprekken gevoerd met Shell en ExxonMobil in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierbij is gesproken over het schadeherstel en de versterkingsoperatie in Groningen, de inzet van de gasopslagen en de gaswinning in Ternaard. Die verkennende gesprekken hebben niet geleid tot onderhandelingen, zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Vanaf de zomer van 2025 is door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei separaat doorgesproken met Shell en ExxonMobil over de gasopslagen en Ternaard. Hierna is met Shell en ExxonMobil afgesproken dat over Ternaard afzonderlijk zou worden verder gesproken tussen de staat en NAM. Daar is de huidige overeenkomst uit voortgekomen. Deze staat dus geheel los van de overige dossiers.
Kunt u uitsluiten dat deze deal effecten heeft gehad op andere lopende dossiers, zoals de schadeafhandeling in Groningen?
Ja. Het dossier Ternaard is geheel in isolatie behandeld. Dit blijkt ook uit de vaststellingsovereenkomst: deze gaat over Ternaard en niet over enig ander onderwerp.
Hoe voorkomt u dat deze deal als precedent gebruikt wordt door andere vergunninghouders die in (ecologisch) gevoelige gebieden actief zijn en straks eveneens compensatie zullen eisen om van winning af te zien?
De overeenkomst betreft een in de ogen van de staat marktconforme transactie en geen compensatie. Op die manier kan er dus geen precedentwerking werking zijn voor compensatie voor andere vergunninghouders.
Kunt u garanderen dat voor andere bestaande aanvragen of winningsplannen geen vergelijkbare financiële compensatieregelingen zullen worden overeengekomen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken en uiteindelijke overeenkomst tussen de staat en NAM zijn tot stand gekomen omdat het kabinet op grond van de wet en de weging van de ontvangen adviezen instemming met het winningsplan niet kon weigeren en er tegelijk politiek en maatschappelijk geen draagvlak is voor instemming. Daarbij weegt mee dat de gaswinning plaats zou vinden onder een wereldwijd uniek getijdengebied dat bovendien Unesco werelderfgoed is. Het kabinet is tegen gaswinning onder de Waddenzee, maar staat ook voor een betrouwbare overheid die geen onrechtmatige besluiten neemt. Om dit dilemma op te lossen is het kabinet met NAM in gesprek gegaan, hetgeen een intensief proces is geweest. Zoals ook in het antwoord op vraag 13 gemeld, betreft het in de ogen van de staat een marktconforme transactie en geen compensatie.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over de houdbaarheid van deze deal? Zo ja, kunt u dit advies delen? Zo nee, waarom niet?
De landsadvocaat heeft in mijn opdracht de conceptovereenkomst opgesteld, was bij alle gesprekken met NAM over de vaststellingsovereenkomst aanwezig en heeft naar aanleiding van de gesprekken de definitieve overeenkomst opgesteld. Op specifieke elementen heeft de landsadvocaat schriftelijk geadviseerd. Deze procesadviezen van de landsadvocaat worden niet openbaar in verband met de procespositie van de staat.
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere gas- en zoutwinningprojecten onder de Wadden en in de Noordzeekustzone bij de Waddeneilanden?
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere mijnbouwactiviteiten op de Noordzee?
Wat zijn de gevolgen van deze overeenkomst voor andere mijnbouwactiviteiten op land?
Betekent deze overeenkomst dat u geen gaswinning en andere vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning, zal gaan vergunnen?
Bent u bereid op korte termijn het Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden te herzien?
Het gebruiksruimtebesluit is op 25 april 2024 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vastgesteld op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze geldt tot 1 januari 2029. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn, kan het kabinet deze eerder aanpassen. Deltares heeft een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Tevens heeft TNO een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. U bent hier eerder over geïnformeerd in de Kamerbrief «Stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee»2. De huidige «hand-aan-de-kraan»- methode is op deze punten conservatiever (veiliger) dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde »hand-aan-de-kraan»-beleid. Daarbij worden de adviezen van SodM en TNO vanzelfsprekend betrokken.
Daarnaast wordt verwacht dat in 2026 de Raad van State zitting zal plaatsvinden voor het huidige gebruiksruimtebesluit, omdat meerdere partijen tegen dit besluit in beroep zijn gegaan. Als de Raad van State aangeeft dat de gebruiksruimte (tussentijds) moet worden herzien dan zal het kabinet dat natuurlijk doen.
Bent u bereid aan het KNMI te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging?
Zie antwoord op vraag 20. Een actualisatie van het zeespiegelstijgingsadvies zal, naar verwachting, niet leiden tot een significant andere gebruiksruimte omdat de nieuw beschikbare data en modellen beperkt zijn of niet toegespitst op de Nederlandse situatie.
Gelden de uitgangspunten van het huidige Gebruiksruimtebesluit Waddenzee nog wel nadat op de COP30 duidelijk werd dat het doel van het Parijsakkoord (opwarming van de aarde beperken tot 1,5 graad) uit zicht raakt, doordat klimaatverandering sneller gaat dan verwacht en de zeespiegel sneller stijgt?
In het advies onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit geven de wetenschappers aan dat ze uitgegaan zijn van een scenario waarbij de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2,7 graden in 2100. Het uitgangspunt voor het gebruiksruimtebesluit is daarmee hoger dan de 1,5 graden die hierboven wordt genoemd.
Wanneer komt de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer?
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel, maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte, de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen. Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie. Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio 2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de behandeling van de suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
De opname van scope 3 uitstoot in Nederlandse milieueffectbeoordelingen naar aanleiding van de recente Noorse rechtszaak hieromtrent |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rechtszaak tegen de Noorse staat die Greenpeace en Natur og Ungdom op vrijdag 14 november 2025 hebben gewonnen waarin het gerechtshof Borgarting mede op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) d.d. 28 oktober 2025 heeft bevestigd dat de vergunningen voor drie olievelden door de rechtbank ongeldig zijn omdat de scope 3-uitstoot niet in de milieueffectbeoordeling beoordeeld was?1, 2
Ja, deze rechtszaak is bekend.
Bent u op de hoogte van het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) van 21 mei 2025, waarin het Hof stelt dat in het kader van richtlijn 2011/92/EU de milieueffectbeoordeling voor een project om gas of olie te winnen, ook de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de verbranding van de gewonnen olie en gas die vervolgens aan een derde partij zijn doorverkocht (scope 3 uitstoot) als effect mee in beschouwing moet nemen?3
Ja, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) is bekend.
Wat vindt u van de conclusie van de Noorse rechter d.d. 17 november 2025, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie d.d. 21 mei 2025 en het EHRM dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling?
Het kabinet kan de redenatie van het EHRM en het EVA-hof volgen en begrijpt uit de uitspraak van het EHRM, waarin ook de eerdere uitspraak van het EVA-hof is betrokken, dat bij de beoordeling van het wel of niet toestaan van de winning eveneens de scope 3 emissies moeten worden betrokken. Op dit moment wordt de uitspraak van het EHRM nader bestudeerd om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening. Om die reden kunnen niet alle vragen die het lid van Oosterhout stelt nu al worden beantwoord. Uiterlijk einde eerste kwartaal 2026 zullen de uitkomsten van de nadere analyse met de Kamer worden gedeeld.
Onderschrijft u de conclusie van de gerechtshoven in deze verschillende rechtszaken dat in het licht van richtlijn 2011/92/EU de opname van scope 3 juist voor het informeren van burgers van belang is?
Op dit moment wordt de uitspraak bestudeerd. U wordt hierover uiterlijk eind eerste kwartaal van 2026 nader over geïnformeerd.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke rechtszaken internationaal steeds vaker voorkomen en leiden tot de conclusie dat scope 3 meegenomen moet worden in een milieueffectbeoordeling voor nieuwe olie- of gaswinningsprojecten, zoals bijvoorbeeld in 20 juni 2024 in het Verenigd Koninkrijk4 en recent op 13 november 2025 in Denemarken?5
Ja, daar is het kabinet zich van bewust.
Welke risico’s ziet u voor de vergunningsverlening door de overheden in Nederland, gegeven dat voornoemde uitspraken gebaseerd zijn op een ook in Nederland geldende richtlijn en in het licht van eerdere veroordelingen van de Nederlandse staat omwille van falend klimaatbeleid?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarom is het nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de risico’s voor de vergunningverlening.
Klopt het dat scope 3 op dit moment nog niet systematisch meegenomen wordt in milieueffectbeoordelingen bij vergunningverleningen voor nieuwe olie en gas velden?
Ja, dat klopt. Op dit moment worden de scope 3-emissies niet meegenomen bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe olie- of gaswinning.
Welk gewicht geeft u momenteel aan scope 3-uitstoot in beslissingen voor vergunningen?
Op dit moment worden scope 3 emissies niet betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor het winnen van aardgas of aardolie.
In welke mate is de Staat kwetsbaar in reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen, waarbij scope 3 niet is meegenomen in de milieueffectbeoordeling, bijvoorbeeld in de aanvraag van de NAM om onder de Waddenzee aardgas te winnen vanuit Ternaard?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarbij wordt ook gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen. Het verzoek tot instemming met het winningsplan voor Ternaard wordt ingetrokken. Hierover is de Kamer op 28 november jl. geïnformeerd.6
Onderschrijft u dat het risico op dergelijke rechtszaken meegenomen zou moeten worden in de afweging om nieuwe vergunningen te verlenen voor nieuwe gasboringen in Nederland en dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling? Zo ja, hoe neemt u dit mee in uw afweging? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 aangegeven vindt op dit moment nadere bestudering plaats van de gevolgen van de uitspraak van het EVRM voor de vergunningverlening waarbij ook wordt gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen.
Gaat u naar aanleiding van deze rechtszaken aanvullende eisen stellen aan de vergunningverlening voor fossiele winning als het gaat om scope 3-uitstoot? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraken voor mogelijke vergunningverlening specifiek voor gaswinning in het Waddengebied?
Op basis van de Mijnbouwwet kan geen nieuwe gaswinning meer worden toegestaan in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dan ook geen gevolgen specifiek voor gaswinning in het Waddengebied.
Gezien deze zoveelste klap voor fossiele energiebronnen die de noodzaak voor een versnelde transitie naar hernieuwbare energie nog maar eens onderschrijft, welk bijkomend beleid stelt u voor om die transitie verder te versnellen?
Dit kabinet heeft stevige klimaatambities die in lijn zijn met de afspraken zoals vastgelegd in het Parijsakkoord. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Een streefdoel van 55% reductie in 2030 is ook verankerd in de nationale Klimaatwet. Het belang van aardgas zal in lijn met de klimaatambities structureel en zo snel als mogelijk moeten afnemen maar ook dan zal er nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening blijven bestaan. De energietransitie is namelijk niet van de ene op de andere dag geregeld. Om ervoor te zorgen dat Nederland haar klimaatdoelstelling bereikt, stuurt het kabinet reeds op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Hierbij wordt ingezet op energiebesparing en de opwek van hernieuwbare energie via onder meer zon en wind. Ook wordt er volop ingezet op de ontwikkeling van kernenergie. Zolang Nederland nog aardgas nodig heeft, gaat de voorkeur uit naar gas gewonnen uit eigen bodem, in plaats van import van aardgas in de vorm van LNG. Eigen geproduceerd gas heeft een lagere CO2-voetafdruk en het maakt Nederland minder afhankelijk van andere landen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Gasmarkt en leveringszekerheid op 10 december 2025?
Ja.