Het artikel 'Zorgen over misstanden in propvolle Oekraïense opvanglocaties' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgen over misstanden in overvolle Oekraïne-opvang: «Vrouwen mishandeld en verkracht, kinderen aangezet tot prostitutie»» van de Telegraaf, waarin onderzoeksgroep Opora stelt dat Oekraïense vluchtelingenvrouwen en kinderen regelmatig slachtoffer zijn van (seksueel) geweld, verkrachting en dat kinderen worden aangezet tot prostitutie?1
Ja.
Welke concrete meldingen van misstanden zijn bekend bij u en betrokken overheidsinstanties (politie, Openbaar Ministerie, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Immigratie- en Naturalisatiediens, maatschappelijke opvang) die overeenkomen met de signalen van Opora (seksueel geweld, verkrachting, aanzetten tot prostitutie)?
Naast de concrete signalen van Opora, heb ik enkele signalen van maatschappelijke organisaties gekregen over mogelijk seksueel geweld. Uit onderzoek2 dat ik vorig jaar onder gemeenten en ontheemden uit Oekraïne heb laten uitvoeren door AEF naar de kwaliteit van de gemeentelijke komen geen concrete meldingen naar voren die overeenkomen met de signalen van Opora. Bij de VNG zijn eveneens geen concrete meldingen bekend. Zie voor meldingen bij politie en OM de beantwoording van vraag 5.
Klopt het dat de gemeente Vlaardingen, die wordt genoemd in het artikel, gezien de geschokte reactie, niet op de hoogte is gesteld van misstanden in de opvanglocatie waar deze gemeente zelf voor verantwoordelijk is?
Het college van B&W van de gemeente Vlaardingen is de dag na de betreffende politiecontrole waarin mogelijke misstanden aan het licht kwamen direct geïnformeerd. De gemeente Vlaardingen geeft aan niet eerder signalen van dergelijke misstanden te hebben ontvangen. Gezien het feit dat het politieonderzoek nog loopt, kan er geen uitspraak worden gedaan of er sprake is van mensenhandel of vergelijkbare misstanden. De bescherming van minderjarigen en de vertrouwelijkheid van het onderzoek staan daarbij voorop. Zodra het onderzoek dat toelaat, worden raad en betrokkenen verder geïnformeerd. De politie verwacht het politieonderzoek medio februari af te ronden en te kunnen delen met het Openbaar Ministerie
Welke opvanglocaties voor Oekraïense vluchtelingen zijn momenteel overvol en welke normen gelden voor maximale bezetting per locatie in relatie tot doelgroep (vrouwen, kinderen)? Hoe wordt gecontroleerd of die normen worden nageleefd?
De landelijke bezettingsgraad van de gemeentelijke opvanglocaties is 99,9%. Ook de crisisnoodopvang is behoorlijk vol, namelijk 86,1%3. Dat betekent dat de meeste opvanglocatie grotendeels of volledig vol zitten. De normen die gelden voor de opvang van Oekraïense ontheemden zijn opgenomen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). De opvang dient te voldoen aan een toereikend huisvestingniveau, waaronder valt: adequate bescherming tegen weersinvloeden, verwarming, sanitaire voorzieningen en zit- en slaapgelegenheid. In de RooO zijn er geen normen gesteld voor de maximale bezetting per locatie. Het is aan de gemeenten om invulling te geven aan de opvangeisen uit de RooO. Vanuit het Rijk worden wel aanbevelingen gedeeld zoals de aanbeveling om kinderen niet in grootschalige opvanglocaties te plaatsen en voorrang te geven voor kleinere opvanglocaties en zo mogelijk aparte ruimte voor vrouwen en voor (kleine) kinderen.4
Kunt u mij cijfers geven over (aantal) meldingen en aangiften van seksueel geweld, misbruik en mensenhandel in Oekraïense opvanglocaties in Nederland over de afgelopen 12 maanden, uitgesplitst naar provincies en gemeenten?
In de op 17 oktober 2025 gepubliceerde Jaarcijfers Mensenhandel 20245 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen worden 28 Oekraïense slachtoffers van mensenhandel gemeld, waarvan 5 slachtoffers van seksuele uitbuiting. Dit is een stijging ten opzichte van 2023 toen er in totaal 19 slachtoffers gemeld werden. De meldingen zijn afkomstig van diverse instanties, waaronder Comensha, Fairwork, verschillende opsporingsdiensten en zorgcoördinatoren. Deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar provincie of gemeente, en het is niet te achterhalen of deze Oekraïners in de gemeentelijke opvang verblijven of een andere vorm van huisvesting hebben. Cijfers over aantal meldingen over seksueel geweld van ontheemden uit Oekraïne worden niet centraal bijgehouden.
Heeft u inzicht in de herkomst en achtergrond van de verdachten en daders van (seksueel) geweld tegen Oekraïense vluchtelingen in Nederlandse opvanglocaties? Hoe vaak betreft het verdachten en daders die ook zelf in de opvang verblijven en hoe vaak gaat het om medewerkers of buitenstaanders?
Er worden geen cijfers bijgehouden over de herkomst en achtergrond van verdachten en daders van (seksueel) geweld tegen Oekraïense vluchtelingen.
In hoeverre zijn de verdachten die het betreft inmiddels opgepakt door de politie? Hoeveel zijn hiervan tot dusver strafbaar bevonden?
Over lopende zaken kunnen geen uitspraken gedaan worden.
Welke meldkanalen bestaan voor slachtoffers van (seksueel) geweld en mensenhandel in vluchtelingenopvanglocaties, specifiek voor Oekraïense vluchtelingen? Zijn die kanalen bekend en toegankelijk?
De reguliere meldkanalen en expertisecentra voor slachtoffers van (seksueel) geweld en mensenhandel zoals de politie, Comensha en het Centrum voor Seksueel Geweld zijn ook toegankelijk voor ontheemden uit Oekraïne. Om gemeenten, en meer specifiek locatiepersoneel, te ondersteunen in het herkennen van signalen van mensenhandel, waaronder seksuele uitbuiting, en het doorverwijzen naar relevante instanties heb ik in het naslagwerk6 voor gemeenten hierover relevante informatie opgenomen Daarnaast subsidieer ik de hulplijn van Opora waar ontheemden ook terecht kunnen voor ondersteuning en doorverwijzing naar expertisecentra en kanalen om bijvoorbeeld aangifte te doen. Daarnaast ontvangt de NGO Fairwork subsidie om arbeidsuitbuiting onder ontheemden tegen te gaan. FairWork biedt begeleiding en voorlichting, in samenwerking met gemeenten, overheid en andere professionals. In gevallen van seksuele intimidatie op de werkvloer schakelt FairWork Opora in voor ondersteuning.
Klopt het dat ook enkele medewerkers verdacht worden of schuldig zijn bevonden aan genoemde strafbare feiten?
Er wordt niet centraal geregistreerd op de locatie van opvanglocaties. Het is daarom bij het OM en de politie niet bekend of er locatiepersoneel is dat verdacht wordt van genoemde strafbare feiten richting Oekraïense ontheemden.
Wat is de inschatting van de omvang van het probleem, naar aanleiding van de signalen van Opora, van onderrapportage (het «dark number») van seksueel geweld en mensenhandel in deze opvanglocaties? Wordt daarvoor onderzoek gedaan of gepland?
Het is lastig om een goede inschatting te maken van de omvang van gevallen van seksueel geweld. Enerzijds zijn er naast de signalen van Opora weinig andere concrete meldingen ontvangen en de meest recente cijfers van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld Tegen Kinderen laten een beperkt aantal meldingen zien van mogelijke gevallen van mensenhandel. Anderzijds is bekend dat vluchtelingen en arbeidsmigranten extra kwetsbaar zijn voor mensenhandel en seksueel geweld en blijkt uit onderzoek dat slachtoffers het moeilijk vinden om de juiste hulp te vinden en/of aangifte te doen7.
Welke maatregelen zijn of worden genomen om preventie te versterken, zoals scherper toezicht op wie toegang heeft tot opvanglocaties, screening van personeel en vrijwilligers en beveiliging en toezicht voorzieningen bij locaties?
Het Rijk stelt de kaders vast voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne, het college van B&W is verantwoordelijk voor de uitvoering en de preventieve maatregelen op de opvanglocaties. Het college van B&W stelt, op grond van artikel 6, derde lid, van de RooO, voor elke opvangvoorziening een huishoudelijk reglement op waarin «tenminste passende maatregelen zijn opgenomen om geweldpleging en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van aanranding en seksuele intimidatie, te voorkomen». Het Rijk biedt gemeenten, naast financiële middelen, ondersteuning en advies via inzet van de Nationale Opvangorganisatie, het Loket Oekraïense Ontheemden PSH en diverse maatschappelijke organisaties.
Ik roep gemeenten op om waar nodig aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid op GOO locaties te verbeteren en ontheemden te verwijzen naar de juiste instanties en meldkanalen indien sprake is van mogelijk seksueel geweld.
Is er al contact geweest met Opora, of met andere onafhankelijke organisaties, om de signalen verder te verifiëren? Zo ja, wat is de uitkomst? Zo nee, is dat in de planning?
Er is frequent contact met Opora en andere maatschappelijke organisaties. Hierbij wordt steeds het belang van meldingen doorgeven aan de juiste instanties en meldkanalen benadrukt. Het is aan de opsporingsdiensten om onderzoek te doen naar signalen van mogelijk seksueel geweld.
Welke wettelijke- of beleidsmaatregelen zijn mogelijk/verlangd om slachtoffers beter te beschermen en daders strafrechtelijk te vervolgen in deze context (mensenhandel, seksueel geweld)?
Er zijn verschillende wettelijk- en beleidsmaatregelen die worden ingezet om slachtoffers beter te beschermen en daders strenger aan te pakken. Een belangrijk instrument is het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel. Hierin wordt onder verschillende actielijnen ingezet op het creëren van brede bewustwording, vergroten van de meldingsbereidheid, werken aan een betere vaststelling van slachtofferschap en bescherming van slachtoffer, het verbeteren van de bovenregionale en regionale samenwerking, het verbeteren van de informatiedeling en gegevensverwerking én het versterken van de positie van minderjarige slachtoffers. De acties uit deze actielijnen dragen bij aan een betere bescherming van slachtoffers en het frustreren en aanpakken van daders. Daarnaast ligt op dit moment het wetsvoorstel uitbreiding en modernisering strafbaarstelling mensenhandel (273f) bij de Eerste Kamer. Met dit wetsvoorstel moet het eenvoudiger worden om daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen. Ten slotte zijn in de Veiligheidsagenda landelijke beleidsdoestellingen voor de politie opgenomen, deze bevatten kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen over de opsporing rondom het thema mensenhandel.
Bent u bereid om te onderzoeken of de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne (RTB) tussentijds of na afloop van de lopende termijn kan worden aangepast of aangescherpt om Oekraïners die verdacht worden/schuldig zijn bevonden de toegang te kunnen weigeren tot bescherming of opvang?
Onder de RTB8 is het nu mogelijk om in een aantal situaties tijdelijke bescherming te weigeren (of in te trekken). Deze uitsluitingsgronden, in de vorm van omstandigheden, dat een lidstaat tijdelijke bescherming, en daarmee opvang, mag weigeren zijn opgenomen in artikel 28 van de RTB. De uitsluitingsgronden betreffen de situatie dat er ernstige redenen zijn aan te nemen dat de persoon9:
Lidstaten moeten zelf beoordelen of aan deze uitsluitingsgronden wordt voldaan. De IND beoordeelt bij de toets of een ontheemde uit Oekraïne voldoet aan de voorwaarden van de RTB of deze persoon (g)een gevaar vormt voor de openbare orde10 of voor de nationale veiligheid. Als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling van een bijzonder ernstig misdrijf of een andere uitsluitingsgrond uit artikel 28 RTB, weigert de IND de tijdelijke bescherming (of trekt deze in) en kan daarmee ook de opvang worden geweigerd (of beëindigd bij een intrekking. De Europese Raad heeft de RTB reeds verlengd tot en met 4 maart 2027. Over een eventuele verlenging na maart 27 is nog niets bekend. Op dit moment wordt in Europa het gesprek gevoerd over de periode na 4 maart 2027 aan de hand van de op 16 september 2025 vastgestelde exit-strategie. Nederland werkt momenteel aan langetermijnbeleid. Waar nodig en passend wordt hierbinnen aandacht besteed aan de veiligheid en het welzijn van ontheemden. Ik heb uw Kamer hier recent over geinformeerd.11 Mocht een verlenging danwel andere aanpassing van de RTB aan de orde komen, dan kunnen we er dan naar kijken. Dit heb ik ook eerder aangegeven in reactie op een motie12 van het lid van Zanten (BBB) tijdens het tweeminutendebat op 4 september jl.
Waartoe verplicht de RTB ons?
De Europese RTB verplicht de EU-lidstaten minimumnormen vast te stellen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden. Ontheemden die aan de voorwaarden van de RTB voldoen, hebben recht op bescherming en verblijf in de lidstaten. Een van die minimumnormen is dat aan ontheemden een fatsoenlijk onderkomen wordt gegeven, dan wel dat middelen ter beschikking worden gesteld om huisvesting te vinden. Daarnaast dienen ontheemden de nodige hulp te ontvangen ten aanzien van sociale bijstand en levensonderhoud, en hebben zij recht op toegang tot medische zorg en onderwijs. Zo hebben ontheemden toegang tot het (bekostigde) funderend onderwijs. Mits ontheemden voldoen aan de toelatingseisen, hebben zij ook toegang tot het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho).13 Ook hebben ontheemden die onder de RTB vallen toegang tot de arbeidsmarkt.14
Hoe vult u uw verantwoordelijkheid in wat betreft de opvangcapaciteit, kwaliteit van opvang en veiligheid in deze noodsituatie voor vluchtelingen (qua regulering, inspecties, verantwoordelijkheid gemeenten en Rijk)?
Op grond van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne voorzien gemeenten in opvang voor ontheemden uit Oekraïne. Het Rijk biedt de juridische en financiële kaders en ondersteunt gemeenten bij de uitvoering. In de RooO zijn de kaders opgenomen over de kwaliteit en veiligheid van opvanglocatie, waaronder het opstellen van een huishoudelijk regelement voor elke opvanglocatie, inclusief maatregelen tegen geweldpleging en gendergerelateerd geweld. Het Rijk bekostigt de opvang, zorgt voor centrale informatievoorziening op de website van de rijksoverheid en verspreidt actief kennis aan gemeenten. Via de inzet van regio accounthouders van het Ministerie van Asiel en Migratie wordt daarnaast maatwerkondersteuning aan gemeenten geboden. Ook financiert het Rijk partijen die ondersteuning bieden aan gemeenten of aan ontheemden zelf.
Daarnaast heeft mijn voorganger vorig jaar een onderzoek laten uitvoeren om een landelijk beeld te krijgen van de kwaliteit van de opvang. (AEF Rapport Onderzoek naar de kwaliteit van gemeentelijke opvang voor ontheemden: voetnoot invoegen). Het rapport bevat landelijke en gemeentelijke aanbevelingen die worden betrokken bij beleid en uitvoering.
Bouweisen bij optoppen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de ontruiming van een Rotterdamse flat vanwege verroeste vloeren en de vrees dat dit een signaal is voor bredere, landelijke problemen met opgetopte woningen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst zorgelijk is dat optopprojecten die nog geen twintig jaar geleden zijn uitgevoerd nu al serieuze structurele mankementen vertonen?
Als bij in het recente verleden uitgevoerde optopprojecten daadwerkelijk sprake is van serieuze structurele mankementen is dit inderdaad zorgelijk.
Wat vindt u van de reactie van architect en universiteit docent bouwtechniek Stephan Verkuijlen die aangeeft dat dit geval aantoont dat controle versnipperd is en dat naar verwachting bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen?
Ik ben het niet eens dat de controle versnipperd is op bestaande optopprojecten. De verantwoordelijk voor de veiligheid van bestaande woningen (waaronder optopprojecten) is primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Gemeenten kunnen hierop als bevoegd gezag toezicht houden en waar nodig handhaven.
Ik heb geen aanwijzingen dat bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen.
Wanneer heeft u contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes om te zien in hoeverre dit een groter – landelijk – probleem is?
Mijn ambtenaren hebben reeds contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes. Op dit moment is er nog geen volledig beeld of sprake is van een groter landelijk probleem. Ik verwacht hier de komende weken meer zicht op te krijgen in samenspraak met de genoemde partijen.
Bent u bereid om problemen met optopprojecten proactief te onderzoeken en niet te wachten tot de volgende onveilige situatie zich openbaart? Welke stappen gaat u zetten om de problemen in beeld te krijgen en aan te laten pakken?
Ik heb vooralsnog geen aanwijzingen dat er zich ook bij andere optopprojecten onveilige situaties openbaren. Ik zie voor mij nu geen aanleiding om optopprojecten proactief te onderzoeken.
Deelt u de mening dat bestaande problemen met opgetopte gebouwen moeten worden aangepakt, maar dat bovendien ook nieuwe problemen moeten worden voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het eens dat als er een probleem is geconstateerd met een opgetopt gebouw dit moet worden aangepakt door de eigenaar van het gebouw. Ook ben ik het eens dat nieuwe problemen moeten voorkomen. Vooralsnog ga ik er vanuit dat bij nieuwe optopprojecten die voldoen aan de bouwvoorschriften er geen nieuwe problemen zijn te verwachten.
In 2023 diende de SP reeds een motie in (Kamerstuk 32 813, nr. 1339) in om de eisen voor het optoppen van gebouwen niet te versoepelen. Deelt u de mening dat de huidige eisen erg soepel zijn en dit in de toekomst problemen kan veroorzaken?
Ik deel deze mening niet. Voor optoppen gelden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de eisen voor verbouw. Deze eisen zijn dan wel minder zwaar dan de eisen voor nieuwbouw, maar leiden bij juiste toepassing nog steeds tot goede woningen. Overigens is er sinds de aanpassing van de verbouwregels (zie mijn antwoord op vraag 8) geen sprake geweest van versoepeling van regels voor optoppen.
Bent u bereid om, in lijn met de eerdere oproep van de VNG, de eisen voor brandveiligheid, duurzaamheid en kwaliteit bij optoppen weer in lijn te brengen met de eisen die we stellen aan nieuwbouw?
Nee. Onder het Bouwbesluit 2003 golden voor verbouw (waaronder optoppen) de nieuwbouweisen en hadden gemeenten met maatwerk per project de mogelijkheid om hiervan af te wijken met lagere eisen. In het Bouwbesluit 2012 is hiervan bewust afscheid genomen en gekozen voor landelijk geldende verbouweisen. Gemeenten bleken namelijk terughoudend te zijn om lagere eisen dan nieuwbouw toe te staan waardoor verbouw-, transformatie- en optopprojecten onvoldoende van de grond kwamen. Ook was hierdoor geen sprake van landelijke eenduidige verbouweisen waardoor bouwers bij iedere gemeente geconfronteerd konden worden met ander beleid en andere regels. In het huidige Bbl zijn deze landelijke verbouweisen voortgezet. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om te borgen dat de controle op de bouw altijd afdoende is zodat problemen met de veiligheid van opgestopte woningen worden voorkomen?
De bouwer (aannemer en opdrachtgever) van opgetopte woningen is er volgens het Bbl verantwoordelijk voor dat deze woningen ten minste voldoen aan de eisen in het Bbl. Het is aan de bouwer om zelf de kwaliteitscontrole goed te regelen. Optopprojecten zijn verder altijd vergunningplichtig. Het is aan de gemeente om de vergunningaanvraag te toetsen en toezicht te houden op het voldoen aan de vergunning. Er is voor mij nu geen aanleiding om stappen te zetten.
Het bericht 'Zesduizend handtekeningen tegen hospiteerbeleid. Mensen willen gewoon heel graag zelf kiezen’ |
|
Peter de Groot (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Moes , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat DUWO het bestaande hospiteerbeleid ingrijpend wil wijzigen, waardoor het zelf kiezen van een nieuwe huisgenoot, zogenaamde vrije hospitatie, in veel studentenhuizen lijkt te verdwijnen?1
Ja.
Bent u bekend met de onrust die dit nieuws heeft veroorzaakt in de studentengemeenschap? Hoe beoordeelt u die onrust?
Ja. Op dit nieuws wordt zowel positief als negatief gereageerd. Een deel van de onrust volgt uit belangen van zittende huurders. Een ander deel van de onrust is gebaseerd op het beeld dat het hospiteren zou worden afgeschaft. Steun is er vanuit de hoek van groepen die minder kansen hebben door gebrek aan informatie, onvoldoende kennis van de markt of het ontbreken van een netwerk.
Heeft u kennisgenomen van een petitie die inmiddels meer dan 6.000 handtekeningen heeft verzameld, waarin studenten aangeven dat zij hechten aan de vrijheid om hun huisgenoten zelf te kiezen, juist voor hun veiligheid en woongenot? Herkent u de zorgen hierover?
Ja. De petitie is aangeboden aan DUWO. De Ministeries van VRO en OCW zijn geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Deelt u de opvatting dat hospiteren in studentenhuizen meer is dan een studentikoze traditie, maar een systeem dat aantoonbaar bijdraagt aan de sociale cohesie tussen studenten en aan de studentencultuur in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voorstander van het realiseren van meer studentenwoningen met gedeelde voorzieningen. In de afgelopen periode is het Woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen (WWS onzelfstandig) aangepast, waardoor de businesscase voor het bouwen van nieuwe kamers beter is geworden. Daarnaast kennen we de regeling Regeling huisvesting aandachtsgroepen, met objectsubsidies voor de bouw van studentenwoningen, waarbij projecten die inzetten op kamers met gedeelde voorzieningen voorrang krijgen. De mogelijkheid van huurtoeslag voor kamers met gedeelde voorzieningen wordt momenteel onderzocht. Of dat haalbaar is, is een vraag voor het nieuwe kabinet.
Het is echter niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende graden van vrijheid zelf kunnen kiezen én vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen als die bovenaan de lijst staat en volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Stichting Lieve Mark en de Erasmus Universiteit Rotterdam over woongemeenschappen? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de keuze met wie je samen wilt wonen een belangrijke beschermende factor vormt tegen eenzaamheid, stress- en mentale klachten onder studenten?
Ja. Uit de door u genoemde onderzoeken maak ik op dat regie op keuze van belang is.
Klopt het dat DUWO als reden voor dit nieuwe beleid aangeeft dat het nodig is om te voldoen aan de Wet goed verhuurderschap? Hoe beoordeelt u deze argumentatie?
DUWO geeft aan dat zij als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid voelt zorg te dragen voor gelijke kansen onder studenten. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kunnen studeren, de eerstegeneratiestudent die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is als verhuurder daarbij o.a. onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en de Wet goed verhuurderschap (Wgv).
De Wgv verplicht verhuurders en verhuurbemiddelaars om zich te onthouden van ongerechtvaardigd onderscheid. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Uit de Wgv volgt onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en doet geen afbreuk aan het bestaande recht op coöptatie. In die zin biedt de Wgv ruimte voor verschillende uitvoeringskeuzes waarbij ook selectie via coöptatie onder de Wgv kan plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Hoe een verhuurder deze wettelijke verplichtingen concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf.
Is het huidige systeem van hospiteren volgens u op enig punt in strijd met de wet goed verhuurderschap? Welke ruimte biedt of beperkt deze wetgeving op dit punt?
Het systeem van hospiteren of coöptatie is niet in strijd met de Wet goed verhuurderschap (Wgv). De Wgv brengt geen wijziging aan in het bestaande recht dat zittende bewoners een rol kunnen hebben bij de keuze van een nieuwe bewoner, maar stelt enkel randvoorwaarden aan de wijze waarop dat wordt georganiseerd. De Wgv bepaalt namelijk dat verhuurders bij openbaar aanbod van woonruimte zorg moeten dragen voor een transparante en heldere selectieprocedure, objectieve selectiecriteria moeten hanteren, aan de afgewezen kandidaat-huurder(s) moeten motiveren waarom voor een huurder is gekozen, en dat zij een werkwijze ter voorkoming van discriminatie vastleggen en openbaar maken. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Daarbij mag door de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid worden gemaakt op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Dan gaat het om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. Dit geldt dus ook voor verhuurders die niet zelf woonachtig zijn in een woning en die middels coöptatie huurders laten werven. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie echter soms wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur.
Een manier waarop verhuurders uitvoering zouden kunnen geven aan de bepalingen uit de Wgv betreffende het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijv. via hun website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. De zittende huurders, die o.b.v. coöptatie een nieuwe huurder mogen kiezen, dienen onverwijld door de verhuurder te worden geïnstrueerd dat de Wet goed verhuurderschap en daarmee tevens de Awgb van toepassing is, en dat de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken, daarbij nimmer mogen selecteren op de verboden persoonskenmerken afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan door de verhuurder schriftelijk worden vastgelegd, zodat het deel uitmaakt van de vastgelegde werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Op welke wijze kan de Wet versterking regie volkshuisvesting een aangrijpingspunt kunnen zijn om de goede elementen van hospiteren te behouden?
De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting staat in mijn optiek los van het thema hospiteren.
Hoe verhoudt het voorgenomen besluit zich volgens u tot het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, waarin juist wordt ingezet op uitbreiding van wooncapaciteit onder studenten en de verbetering van studentenwelzijn?
Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert hier een bijdrage aan.
Aanvullend beschrijft het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) niet alleen de wooncapaciteit en het studentenwelzijn. In de recente oplegger van de LAS van september 2025 wordt aandacht gevraagd voor extra maatregelen om de schaarse studentenwoningvoorraad toegankelijker te maken voor onder andere mbo-studenten.
Bent u het eens dat er meer ingezet moet worden op onzelfstandige huisvesting waarbij hospiteren een belangrijk onderdeel is?
Het ministerie staat positief tegenover de realisatie van nieuwe onzelfstandige huisvesting. Woningcorporaties en andere verhuurders zijn vrij om binnen de kaders van de wet hun woonruimteverdeling zelf in te vullen.
Hoe gaat u zorgen dat de balans in de realisatie tussen onzelfstandige en zelfstandige woonruimte meer gaat uitslaan naar onzelfstandige woonruimte?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om over dit bericht met DUWO in gesprek te gaan? Zo ja, wat zou daarbij uw inzet zijn en bent u bereid de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om met DUWO in gesprek te gaan over hun voornemens om het hospiteerbeleid aan te passen. Ze blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Het ABF-rapport Woningmarktverkenning 2025–2040 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Herkent u dat ABF Research in het rapport van 2024–2039 adviseert op 64 procent betaalbaar en in 2025–2040 op 60 procent betaalbaar?
Deze cijfers komen overeen met het scenario «midden» in het rapport van ABF van dit jaar en vorig jaar. In de rapporten zijn een laag, midden en hoog scenario doorgerekend omdat de ontwikkeling van de woningmarkt grote onzekerheden kent. Verschillende scenario’s bieden op basis van uiteenlopende veronderstellingen ten aanzien van de verwachte ontwikkeling van inkomens- en woonwensen een bandbreedte van mogelijke ontwikkelingen.
Hoe verklaart u deze verschillen gezien de stagnerende woningbouw?1
ABF geeft in het rapport aan dat de belangrijkste oorzaak voor het verschil de verminderde vraag naar betaalbare koopwoningen lijkt te zijn. Zoals uit een vergelijking tussen het WoON 2024 en 2021 naar voren is gekomen. In het rapport benoemt ABF nog een aantal oorzaken die een rol spelen zoals de (veronderstelde) inkomensontwikkeling en veranderingen in de verdeling van de bestaande voorraad naar betaalbaarheidssegmenten. Zoals in de Tweede Kamerbrief [Kamerstukken II, TK 32 847, nr. 1385] waarmee het rapport aan uw Kamer is aangeboden, deel ik de conclusie van ABF.
Wat zijn volgens u de hoofdoorzaken van de daling in het aandeel betaalbare koop (– 3 procentpunt, middenscenario)?
Zie antwoord op vraag 2.
Erkent u dat ABF Research in het rapport van 2025–2040 expliciet stelt dat de financiële haalbaarheid van betaalbare koop een probleem is («in de praktijk moeilijker») en dat dit mede de lagere behoefte in het bouwprogramma voedt?
ABF-Research stelt in het rapport niet dat het moeilijker worden van de financiële haalbaarheid van betaalbare koop, mede de lagere behoefte in het bouwprogramma voedt. ABF stelt dat er veel behoefte is aan betaalbare koop én dat nieuwbouw van betaalbare koopwoningen de laatste jaren in de praktijk financieel steeds moeilijker is geworden.
Hoe verhoudt dit zich tot uw kabinetsdoel van twee-derde betaalbaar bouwen?
Woningbouw is gebaat bij voorspelbaarheid in de betaalbaarheidsdoelstellingen voor de middellange termijn. Die voorspelbaarheid is van belang voor de ruimtelijke plannen van de overheden, maar ook voor marktpartijen en woningcorporaties. De ABF Woningmarktverkenning (Socrates scenario-model) is daarbij een hulpmiddel om vraag en aanbod in beeld te brengen. Met behulp van veronderstellingen over bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling wordt een bandbreedte geboden voor mogelijke ontwikkelingen op de woningmarkt en voor de invulling van de bouwmix.
Daarnaast blijkt ook dat woningzoekenden hun woonvoorkeuren moeten bijstellen indien er onvoldoende betaalbaar aanbod is, terwijl de doelstelling van het kabinet juist is dat het aanbod aansluit bij de woonbehoefte van woningzoekenden. Het kabinet houdt daarom vast aan een betaalbaarheidsdoelstelling van twee derde betaalbaar bouwen. Daarbinnen is er ruimte voor lokale overheden om aan te sluiten bij wat er lokaal nodig is, bijvoorbeeld als het gaat om de verhouding tussen koop en huur, het aandeel eengezinswoningen of appartementen.
Hoe verhoudt dit zich tot de woonwens van aspirant-kopers?
Het merendeel van de het aanbod voor aspirant-kopers ontstaat door het vrijkomende aanbod in de bestaande voorraad. Door bij de programmering van de woningbouw segmenten toe te voegen waarin de kwalitatieve tekorten het grootst zijn, wordt met de woningbouw zo goed mogelijk bijgedragen aan de woningvraag.
Vindt u het ook opvallend dat het rapport stelt dat problemen in de realisatie van een wens leiden tot een andere woonwens?
Nee, dat vind ik niet opvallend. Mensen kiezen binnen de mogelijkheden die voor hen bereikbaar zijn. Indien duidelijk is dat de initiële woonwens niet vervuld kan worden, kunnen ze een alternatieve keuze maken. Bijvoorbeeld door te kiezen voor een huurwoning in plaats van een koopwoning.
Dit laat onverlet dat ik ernaar streef dat met het realiseren van betaalbare woningen zo goed mogelijk tegemoet gekomen wordt aan de woningbehoefte. Hierover maak ik afspraken met provincies en regio’s. Bij de inwerkingtreding van de Wet regie op de volkshuisvesting wordt dit wettelijk verankerd. Het aandeel van de woningbouw in het totale aanbod op de woningmarkt is overigens beperkt. Het grootste deel bestaat uit het vrijkomende aanbod in de bestaande voorraad.
Kan de conclusie ook zijn dat problemen in de realisatie dus beter weggenomen moeten worden zodat mensen hun oorspronkelijke woonwens kunnen realiseren?
Ik ben van mening dat alle inzet er op gericht moet zijn om te zorgen voor voldoende betaalbare woningbouw met meer tempo. Daarvoor zet het Rijk in op versnellen van betaalbare woningbouw.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland die een betaalbare koopwoning zoeken hun woonwens kunnen realiseren?
Doelstelling van het kabinet is om binnen de woningbouwopgave twee derde betaalbare woningen te realiseren, onderdeel daarvan zijn betaalbare koopwoningen. Het Rijk ondersteunt de realisering hiervan met financiële regelingen, zoals de realisatiestimulans en betaalbare koopwoningen voor koopstarters met de Koopstartregeling.
Kunt u precies toelichten hoe in de onderzoeksmethode ervoor gezorgd wordt dat beschikbaarheids- en betaalbaarheidsbeperkingen niet verward worden met voorkeuren?
Er wordt gebruik gemaakt van het WoonOnderzoek Nederland van het Ministerie van VRO en het CBS. Daarin wordt gevraagd naar verhuiswensen en kenmerken van woningen die gewenst worden. Respondenten houden bij het beantwoorden van deze vragen op basis van hun eigen inzichten en ervaringen rekening met de mogelijkheden die er zijn. De in het WoON gemeten voorkeuren zijn leidend voor de bepaling van de kwalitatieve woningvraag.
Klopt het dat ABF Research aangeeft dat een andere betaalbare koopgrens (bijvoorbeeld 400.000 euro in plaats van 390.000 euro) de gemeten koopvraag in dat segment met bijna 10 procent zou verhogen?
Dat klopt.
Welke gevoeligheidsanalyses zijn uitgevoerd om dit grenseffect te mitigeren?
Hoe voorkomt u dat door het wijzigen van vraagstelling en parameters sprake kan zijn van politieke doelredenatie?
ABF Research is een onafhankelijk onderzoeksbureau met meerdere opdrachtgevers en maakt haar eigen keuzes. Jaarlijks stelt ABF een scenario-model op met een laag, midden en hoog scenario. ABF bepaalt zelf de uitgangspunten en parameters en zij lichten deze keuzes transparant toe in hun rapportage. Het Rijk is bovendien niet de enige afnemer van deze scenario-uitkomsten. Opdrachtgevers kunnen ABF vragen om aangepaste scenario’s met andere veronderstellingen en uitgangspunten door te laten rekenen. In dat geval wordt er een aparte notitie door ABF opgesteld waarin duidelijk is beschreven welke uitgangspunten zijn gekozen. In het rapport «Bouwmix, doorstroming en betaalbaarheid» dat ik u 10 juli jl. [Kamerstukken II, 32 847, nr. 1374] heb toegezonden zijn bijvoorbeeld andere scenario’s doorrekend.
Is het nieuw dat ABF Research een niet-gerealiseerde koopwens (door rente, prijs of financierbaarheid) interpreteert als een lagere voorkeur voor koop?
ABF geeft in het rapport een duiding/interpretatie van de oorzaken van de vraagverschuiving tussen het WoON 2021 en het WoON 2024. De woonwensen zijn geen constant gegeven maar worden beïnvloed door verschillende factoren, bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling en hypotheekrente. In de kernpublicatie van het WoON2024 «Tussen wensen en wonen» die ik u 10 april jl. heb toegezonden [Kamerstukken II, 32 847, nr.1321] duidde het onderzoeksbureau Companen de uitkomsten op dezelfde manier. Op de parameters en veronderstellingen in het model heeft deze interpretatie geen invloed. De woonvoorkeuren zoals gemeten in het WoON 2024 zijn hiervoor het uitgangspunt.
Heeft ABF Research dat in eerdere jaren ook zo gedaan, of is dit een methodologische wijziging?
Er heeft geen methodologische wijziging op dit punt plaatsgevonden en ABF is transparant over methodiek en gemaakte keuzes in haar rapportages. ABF neemt het meest recente WoON als uitgangspunt voor de woonvoorkeuren. Het WoON wordt elke drie jaar uitgevoerd. In de onderhavige woningmarktverkenning was een recent WoON (2024) beschikbaar.
Worden respondenten expliciet gevraagd naar hun ideale keuze versus hun budget- of marktconforme keuze? Waarom wel of niet?
De respondenten van het WoON worden onder meer gevraagd of hun voorkeur uitgaat naar een koopwoning of een huurwoning, en welke prijs zij willen betalen. Er wordt niet gevraagd of dit de ideale of een budget- of marktconforme keuze is. Als er gevraagd wordt naar de ideale keuze waarbij budget geen rol speelt zal de respondent waarschijnlijk aangeven dat hij een duurdere woning wil. Er zal dus altijd en discrepantie zijn tussen de ideale of een budget- of marktconforme keuze. Deze informatie levert echter weinig concrete handvatten voor beleid. Daarom wordt dit niet uitgevraagd.
Wie formuleert de onderzoeksvragen voor de ABF-Woningmarktverkenning: het ministerie, ABF Research, of gezamenlijk?
De Woningmarktverkenning is een jaarlijkse exercitie waarbij dezelfde componenten worden beschreven. Bijvoorbeeld de uitgangspunten en de uitkomsten voor de het lage, midden en hoge scenario. Afhankelijk van de actualiteit kunnen aanvullende onderzoeksvragen in het rapport beantwoord worden. Dit kan aangedragen worden door ABF, door het Rijk of een gezamenlijke vraag zijn. In de onderhavige Woningmarktverkenning is bijvoorbeeld extra ingegaan op de uitkomsten van het nieuwe WoON.
Wilt u de opdrachtbrieven en voorwaarden van 2023, 2024 en 2025 aan de Kamer doen toekomen?
In de bijlage treft u de opdrachtbrief 2024 t/m 2026 met voorwaarden.
Kunt u uitsluiten dat de opdrachtformulering, parameters of scenario’s politiek-normatief zijn gestuurd richting meer particuliere huur en minder betaalbare koop?
Ik kan uitsluiten dat er politiek-normatief gestuurd is richting meer particuliere huur en minder betaalbare koop. In hoofdstuk 3 van de Woningmarktverkenning geeft ABF Research en uitgebreide beschrijving van hun uitgangspunten voor het scenario-model en de invulling van hun parameters. De opdrachtformulering geschiedt bovendien voor drie achtereenvolgende jaren. De Woningmarktverkenningen 2024, 2025 en 2026 vallen onder dezelfde opdracht die in 2024 is aanbesteed.
Welke waarborgen bestaan er om wetenschappelijke onafhankelijkheid te borgen?
ABF stelt de kwalitatieve woningmarktverkenning zelfstandig op, al meer dan 20 jaar. Zij maken daarbij gebruik van gezaghebbende bronnen als het CPB, het WoON, BAG en CBS. De uitkomsten van de verkenningen wordt door een groot aantal partijen gebruikt, zoals andere overheden en belanghebbenden.
ABF bepaalt welke uitgangspunten en parameters ze kiezen voor hun model en lichten deze transparant toe in het rapport. Dit rapport is openbaar en voor iedereen in te zien. Aan de basis van de kwalitatieve verkenning ligt het demografische Primos-model dat op dit moment subject is van een audit, waarbij zowel de totstandkoming als de inhoudelijke uitwerking onderzocht worden. In het verleden is Primos bijvoorbeeld door de RLI beoordeeld.
Welke definitie van «betaalbare koop» hanteert u momenteel, en bent u bereid de grens te herijken (bijvoorbeeld 400.000 euro in plaats van 390.000 euro) om het grenseffect te mitigeren? Waarom wel of niet?
De grens voor betaalbare koopwoningen wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor 2026 komt de bovengrens voor betaalbare koop op € 420.000. In 2025 was dit € 405.000. Uw Kamer ontvangt jaarlijks een brief met de nieuwe grens.
Zoals bij vraag 12 aangegeven gebruikt ABF-Research de betaalbaarheidsgrens voor de koop zoals die gold op in het «nuljaar» van het scenario-model. Voor het rapport 2025–2040 is 2024 het nuljaar. In dat jaar was de betaalbaarheidsgrens 390.000 euro. Doordat de grens van betaalbare koopwoningen jaarlijks wordt geïndexeerd ligt de grens in de versie van het komende jaar op € 405.000.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Dat heb ik volgens verzoek gedaan.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
De overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat ondernemers in het centrum van Emmen afgelopen jaar een forse toename van overlast en criminaliteit door asielzoekers, in de praktijk veiligelanders, uit Ter Apel ervaren?
Wat heeft u het afgelopen jaar gedaan om dit tegen te gaan, los van de maatregelen door de gemeente Emmen?
Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat de overlast en diefstallen nog eens extra piekten gedurende de periode in december dat de pendelbus gratis was en de daders dus gratis werden afgeleverd voor hun criminele activiteiten in het centrum? Wat is uw reactie hierop?
Welke (politie)cijfers zijn er bekend over criminaliteit door asielzoekers in Emmen? Hoe verhouden de cijfers van afgelopen jaar zich tot die van voorgaande jaren?
Wat bedraagt de geschatte jaarlijkse schadepost door criminaliteit door asielzoekers (waaronder maar niet beperkt tot diefstal, vernieling en inzet van beveiliging en veiligheidsmaatregelen) voor ondernemers in het centrum van Emmen? Is hierin ook een stijging waarneembaar ten opzichte van voorgaande jaren?
Kunt u de zaken uit bovenstaande twee vragen tevens specificeren naar de periode waarin de pendelbus gratis reed?
Herkent u de ervaringen van ondernemers dat asielzoekers bij controles door politie en handhaving artikelen terugkrijgen, soms koffers vol, wanneer niet direct onomstotelijk vaststaat dat deze gestolen zijn, terwijl er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat deze niet zijn afgerekend? Begrijpt u dat dit enorm frustrerend is?
Kan bij deze groep niet veel sneller worden overgegaan tot inname van artikelen die onverklaarbaar in bezit zijn en/of waarvan niet kan worden aangetoond dat ze afgerekend zijn? Bent u bereid hiervoor uw steun uit te spreken?
Herkent u tevens het signaal van ondernemers dat gestolen goederen waarmee asielzoekers op het asielzoekerscentrum in Ter Apel aankomen (bijvoorbeeld kleding waar nog beveiligingsclips aan bevestigd zijn) na inname vaak niet worden teruggebracht naar de winkeliers? Zo ja, deelt u de mening dat dit onacceptabele inkomstenderving is?
Wat is momenteel de stand van zaken rond de invoering van preventief fouilleren in de omgeving van station Emmen naar aanleiding van het aanwijzen van dit gebied tot veiligheidsrisicogebied? Kunnen dergelijke fouilleeracties zo gericht mogelijk worden ingezet tegen de bekende overlastgevende groepen veiligelanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ondernemers in het centrum van Emmen overwegen er de brui aan te geven of om minder dagen open te gaan, omdat het werkplezier compleet vergald wordt of omdat de kosten en de energie om winkeldiefstallen tegen te gaan simpelweg niet meer zijn op te brengen? Deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is?
Deelt u de mening dat dit, gelet op het verband met het asielzoekerscentrum en aanmeldcentrum in Ter Apel, zeker ook een landelijk probleem is dat om verantwoordelijkheid van het Rijk vraagt? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u doen om de overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen per direct aan te pakken en in te dammen?
Bent u bereid om, indien gewenst door en in samenwerking met de gemeente Emmen, vanuit het Rijk te zorgen voor extra handhaving in dit gebied? Zo nee, waarom niet?
De pendelbus en de aanhoudende onveiligheid op de reguliere buslijnen naar Ter Apel. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat door een woordvoerder van u in aanvulling op uw brief van 19 december is aangegeven dat het «nog een paar dagen» kan duren voordat geregeld is dat er weer betaald moet worden voor de pendelbus?1 Vanaf wanneer gaat er weer betaald worden en waarom moet dit zo lang duren?
Bent u ervan op de hoogte dat de onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op de reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen (met name de lijnen 72, 73) inmiddels dermate zijn opgelopen dat zij voornemens zijn de halte(s) nabij het asielzoekerscentrum (azc) over te slaan indien de afspraken over het in 2022 afgesloten veiligheidsconvenant tussen het ministerie, Qbuzz, vakbond FNV en de provincies Drenthe en Groningen niet worden nageleefd? Wat is uw reactie hierop?
Bent u ermee bekend dat de FNV vandaag opnieuw de noodklok luidt richting vervoerder Qbuzz en u over het niet nakomen van de afspraken in dit convenant, met name het gebrek aan toezichthouders op station Emmen en bij de haltes van de lijnen 72 en 73 en het gebrek aan directe communicatie tussen deze toezichthouders en de chauffeurs? Wat is uw reactie hierop?
Bent u er tevens van op de hoogte dat de FNV aangeeft al maanden aandacht te vragen voor de toegenomen overlast en verslechterde veiligheidssituatie op deze lijnen maar dat dit tot op heden niet tot verbetering heeft geleid?
Wat heeft u dit jaar ondernomen om de veiligheidssituatie te verbeteren op de reguliere buslijnen in Ter Apel?
Hoeveel incidenten hebben zich dit jaar voorgedaan op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen en hoe verhoudt dit aantal zich tot dat van voorgaande jaren waarin het convenant van kracht was?
Deelt u de mening dat het in 2022 gesloten convenant momenteel onvoldoende wordt nageleefd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar stokt het, wie is hiervoor verantwoordelijk en wat gaat u eraan doen om dit recht te zetten?
Welke partijen zijn verantwoordelijk voor het naleven van het convenant en wie kunnen hier door chauffeurs op worden aangesproken?
Deelt u de mening dat het totaal onaanvaardbaar is dat buschauffeurs en medereizigers op de buslijnen door Ter Apel na al die jaren nog steeds, en weer in toenemende mate, te maken hebben met overlast en agressie door een groep kansloze asielzoekers?
Welke maatregelen gaat u per direct treffen om deze wantoestanden keihard de kop in te drukken?
Bent u, naast zorgen voor voldoende toezichthouders op station Emmen en de haltes in Ter Apel, bereid om per direct (particuliere) beveiligers op zowel de pendelbus als de reguliere buslijnen te laten meereizen en hiervoor indien nodig als Minister de portemonnee te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het meenemen van klimaatrisico’s bij ruimtelijke besluiten |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dutch Climate Risk Portal?1
Hoe wordt dit portaal concreet gebruikt in beleidsvoorbereiding?
Klopt het dat grote delen van de informatie op de Dutch Climate Risk Portal uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn en vooral lijken te zijn gericht op (internationale) investeerders en de financiële sector? Acht u dit wenselijk?
Op welke wijze en door wie worden de risico-indicatoren en gegevens van de Dutch Climate Risk Portal gebruikt? Wat is de doelgroep?
Op welke manier worden andere overheidsinstanties, zoals gemeenten en provincies hierbij betrokken?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie op Dutch Climate Risk Portal voor inwoners zonder technische of beleidsmatige achtergrond? En hoe zorgt u ervoor dat deze inwoners en lokale partijen minstens even goed en begrijpelijk worden geïnformeerd over klimaatrisico’s in hun eigen leefomgeving?
In hoeverre worden klimaatrisico’s expliciet betrokken bij rijksbesluiten over ruimtelijke ordering, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte en NOVEX-gebieden?
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waaronder woningbouw en voorzieningen in de zorg, onderwijs, mobiliteit plaatsvinden op plekken met verhoogde risico’s (op wateroverlast, funderingsschade, overstroming, droogte) met schade tot gevolg?
Herkent u dat veel inwoners onvoldoende zicht hebben op klimaatrisico’s in hun wijk?
Hoe past het introduceren van een publiek toegankelijk klimaatrisicolabel of waterlabel voor gebieden of woningen, vergelijkbaar met het energielabel, hierin?
Heeft u de mogelijkheden van zo’n label al eens onderzocht? Wat waren de resultaten daarvan?
Zijn er regio’s in Nederland waar verzekerbaarheid of hypotheekverstrekking onder druk staan of vermoedelijk in de toekomst onder druk komen te staan door toenemende klimaatrisico’s? Welke regio’s zijn dit?
Zijn er kwetsbare wijken of bevolkingsgroepen die worden geraakt door klimaatrisico’s? Zo ja, welke? En hoe waarborgt u bescherming en voorkomt u schade?
In hoeverre worden individuele huiseigenaren geïnformeerd over risico’s?
Zou een verplichting om bij verkoop of verhuur van woningen inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s een oplossing kunnen bieden voor de transparantie en duidelijkheid?
Bent u bereid om wettelijke of procedurele verplichtingen te versterken waarmee waterschappen tijdig betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en samen kunnen werken met gemeenten en provincies, zodat risico’s eerder aan het licht komen?
Hoe garandeert u dat de uitgangspunten uit de Nationale Adaptatiestrategie (NAS)2 en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie3 niet vrijblijvend zijn, maar daadwerkelijk doorwerken in rijksprogramma’s voor woningbouw en gebiedsontwikkeling breed?
Hoe ziet u de rol van het Rijk in het ontwikkelen van standaarden voor klimaatbestendig bouwen, zodat alle stakeholders rondom gebiedsontwikkeling weten waar zij aan toe zijn?
Acht u het wenselijk dat er een landelijke, uniforme klimaatrisicotoets wordt opgenomen in ruimtelijke besluiten voor grootschalige woningbouwlocaties, zodat procedures voorspelbaar worden en vertraging door discussies achteraf wordt voorkomen?
Wordt er een impactanalyse gemaakt van klimaatrisico’s op de haalbaarheid en fasering van de nationale woningbouwopgave, zoals in het Deltaprogramma 2026 wordt gesuggereerd? Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit leidt tot slimmer bouwen?
Bent u bereid het adviesrecht van waterschappen bij gebiedsontwikkeling te versterken zodat zij niet alleen reactief adviseren maar actief mee kunnen doen bij ontwikkelingen?4
Hoe borgt u dat toekomstige woningbouwplannen niet vertragen of stoppen maar worden aangepast waar nodig, door een waterrobuuste en adaptieve inrichting?
Op welke manier wordt gezorgd dat klimaatrisico’s beter in kaart worden gebracht en dat bewoners begrijpelijk en toegankelijk inzicht krijgen in klimaatrisico’s van hun woongebied (zoals hitte, wateroverlast, overstromingsrisico en droogte)?
Bouweisen bij optoppen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de ontruiming van een Rotterdamse flat vanwege verroeste vloeren en de vrees dat dit een signaal is voor bredere, landelijke problemen met opgetopte woningen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst zorgelijk is dat optopprojecten die nog geen twintig jaar geleden zijn uitgevoerd nu al serieuze structurele mankementen vertonen?
Als bij in het recente verleden uitgevoerde optopprojecten daadwerkelijk sprake is van serieuze structurele mankementen is dit inderdaad zorgelijk.
Wat vindt u van de reactie van architect en universiteit docent bouwtechniek Stephan Verkuijlen die aangeeft dat dit geval aantoont dat controle versnipperd is en dat naar verwachting bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen?
Ik ben het niet eens dat de controle versnipperd is op bestaande optopprojecten. De verantwoordelijk voor de veiligheid van bestaande woningen (waaronder optopprojecten) is primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Gemeenten kunnen hierop als bevoegd gezag toezicht houden en waar nodig handhaven.
Ik heb geen aanwijzingen dat bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen.
Wanneer heeft u contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes om te zien in hoeverre dit een groter – landelijk – probleem is?
Mijn ambtenaren hebben reeds contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes. Op dit moment is er nog geen volledig beeld of sprake is van een groter landelijk probleem. Ik verwacht hier de komende weken meer zicht op te krijgen in samenspraak met de genoemde partijen.
Bent u bereid om problemen met optopprojecten proactief te onderzoeken en niet te wachten tot de volgende onveilige situatie zich openbaart? Welke stappen gaat u zetten om de problemen in beeld te krijgen en aan te laten pakken?
Ik heb vooralsnog geen aanwijzingen dat er zich ook bij andere optopprojecten onveilige situaties openbaren. Ik zie voor mij nu geen aanleiding om optopprojecten proactief te onderzoeken.
Deelt u de mening dat bestaande problemen met opgetopte gebouwen moeten worden aangepakt, maar dat bovendien ook nieuwe problemen moeten worden voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het eens dat als er een probleem is geconstateerd met een opgetopt gebouw dit moet worden aangepakt door de eigenaar van het gebouw. Ook ben ik het eens dat nieuwe problemen moeten voorkomen. Vooralsnog ga ik er vanuit dat bij nieuwe optopprojecten die voldoen aan de bouwvoorschriften er geen nieuwe problemen zijn te verwachten.
In 2023 diende de SP reeds een motie in (Kamerstuk 32 813, nr. 1339) in om de eisen voor het optoppen van gebouwen niet te versoepelen. Deelt u de mening dat de huidige eisen erg soepel zijn en dit in de toekomst problemen kan veroorzaken?
Ik deel deze mening niet. Voor optoppen gelden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de eisen voor verbouw. Deze eisen zijn dan wel minder zwaar dan de eisen voor nieuwbouw, maar leiden bij juiste toepassing nog steeds tot goede woningen. Overigens is er sinds de aanpassing van de verbouwregels (zie mijn antwoord op vraag 8) geen sprake geweest van versoepeling van regels voor optoppen.
Bent u bereid om, in lijn met de eerdere oproep van de VNG, de eisen voor brandveiligheid, duurzaamheid en kwaliteit bij optoppen weer in lijn te brengen met de eisen die we stellen aan nieuwbouw?
Nee. Onder het Bouwbesluit 2003 golden voor verbouw (waaronder optoppen) de nieuwbouweisen en hadden gemeenten met maatwerk per project de mogelijkheid om hiervan af te wijken met lagere eisen. In het Bouwbesluit 2012 is hiervan bewust afscheid genomen en gekozen voor landelijk geldende verbouweisen. Gemeenten bleken namelijk terughoudend te zijn om lagere eisen dan nieuwbouw toe te staan waardoor verbouw-, transformatie- en optopprojecten onvoldoende van de grond kwamen. Ook was hierdoor geen sprake van landelijke eenduidige verbouweisen waardoor bouwers bij iedere gemeente geconfronteerd konden worden met ander beleid en andere regels. In het huidige Bbl zijn deze landelijke verbouweisen voortgezet. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om te borgen dat de controle op de bouw altijd afdoende is zodat problemen met de veiligheid van opgestopte woningen worden voorkomen?
De bouwer (aannemer en opdrachtgever) van opgetopte woningen is er volgens het Bbl verantwoordelijk voor dat deze woningen ten minste voldoen aan de eisen in het Bbl. Het is aan de bouwer om zelf de kwaliteitscontrole goed te regelen. Optopprojecten zijn verder altijd vergunningplichtig. Het is aan de gemeente om de vergunningaanvraag te toetsen en toezicht te houden op het voldoen aan de vergunning. Er is voor mij nu geen aanleiding om stappen te zetten.
De gratis pendelbus voor asielzoekers tussen Ter Apel en Emmen |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe is de besluitvorming rond het niet meer hoeven kopen van een kaartje voor de pendelbus tussen het aanmeldcentrum in Ter Apel en Emmen exact verlopen? Welke partijen zijn hierbij betrokken en wie is eindverantwoordelijk voor het besluit?
Wanneer en via wie hoorde u voor het eerst van dit voornemen? Heeft u hier vervolgens op geacteerd? Zo ja, hoe?
Wanneer en door wie bent u op de hoogte gebracht van het besluit?
Klopt het dat u op maandag 15 december in Ter Apel over deze kwestie onder andere heeft gezegd dat «van een gratis pendelbus geen sprake [kan] zijn. In Nederland koop je een kaartje als je de bus instapt. Dat geldt voor iedereen, zeker ook voor mensen die hier te gast zijn.»1 en «Ik vind dat als mensen zich misdragen, je het niet gratis voor ze moet maken, maar moet zorgen dat het misdragen stopt. Dat is wat ik aan het doen ben.»?2
Deelt u de mening dat u hiermee nadrukkelijk de indruk heeft gewekt dat u het besluit terug zou draaien, zeker aangezien de pendelbus als initiatief vanuit het (toenmalige) Ministerie van Justitie en Veiligheid is gestart? Zo nee, waarom niet?
Welke zeggenschap heeft u momenteel over deze pendelbus en de beleidskeuzes die hieromtrent gemaakt worden?
Wat is uw reactie op het feit dat, ondanks uw woorden in Ter Apel, asielzoekers vanochtend al niet meer hoefden te betalen voor de bus?
Wie draait er op dit moment voor de kosten van het gratis reizen op?
Welke organisaties en/of personen bedoelt u met «andere organisaties die het wél prima vinden om crimineel gedrag te belonen» en «iemand die blijkbaar een andere mening is toegedaan» waarnaar u als verantwoordelijken voor het besluit verwees in een interview met GeenStijl?3
Wie of wat bedoelt u met «dan is de rekening voor die persoon zelf»?. Bij wie wilt u de rekening neerleggen?
Gaat u er alles aan doen om per direct een einde te maken aan het gratis reizen met deze pendelbus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voorgenomen nieuwe hospiteerregels van studentenhuisvester DUWO |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van studentenhuisvester DUWO om het huidige hospiteerbeleid aan te passen, onder meer door middel van een door DUWO bepaalde voorselectie van kandidaten via een centraal platform?
Hoe beoordeelt u het dat deze beleidswijziging de invloed van zittende bewoners op de keuze van nieuwe huisgenoten verkleint, terwijl DUWO tegelijkertijd publiekelijk stelt dat huurders de regie behouden?
In hoeverre deelt u de opvatting dat hospiteren essentieel is voor de harmonie, veiligheid en leefbaarheid in studentenhuizen, waar bewoners intensief samenleven op beperkte woonruimte en met gedeelde voorzieningen?
Erkent u dat studentenhuizen vaak een specifieke cultuur of identiteit hebben, zoals verenigingshuizen, en dat wijzigingen in hospiteerregels deze identiteitsgebonden woongemeenschappen onevenredig kunnen raken?
Hoe weegt u de brede signalen van gebrek aan draagvlak voor de voorgestelde wijzigingen, waaronder enquêteresultaten van huurdersorganisaties, brievenacties van studenten en bewoners, een omvangrijke petitie en gezamenlijke uitingen van studentenorganisaties over het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur en welzijn?
In hoeverre acht u het proportioneel dat DUWO deze wijziging doorvoert in het vrije hospiteersegment, terwijl volgens betrokken partijen reeds een groot deel van de woningvoorraad via bestaande voorrangsregelingen al wordt toegewezen en de voorgenomen wijziging bovendien geen enkele extra studentenkamer oplevert?
Deelt u de analyse dat het structurele tekort aan studentenkamers het werkelijke kernprobleem is binnen de studentenhuisvesting, en dat aanpassing van het hospiteerbeleid niet bijdraagt aan het vergroten van de capaciteit? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het risico dat het door DUWO voorgestelde beleid de sociale samenhang, stabiliteit en sociale veiligheid aantast in hechte studentenhuizen die momenteel juist een belangrijke buffer vormen tegen eenzaamheid, prestatiedruk en mentale klachten bij studenten?
DUWO stelt dat aanscherping van het hospiteerbeleid nodig om te kunnen voldoen aan de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Erkent u dat deze wet ziet op verhuurders en niet op bewoners die gezamenlijk een huisgenoot kiezen, en dat gemeenten en huurdersorganisaties aangeven dat DUWO de Wgv te ruim interpreteert?
In hoeverre kunt u bevestigen dat de Wgv studentenhuisvesters niet verplicht om hospiteren sterk in te perken en dat dit derhalve een beleidskeuze van DUWO betreft?
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden u ziet binnen de Woningwet en de Wgv om het hospiteren als verworven praktijk in studentenhuizen te beschermen, mede gezien het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur, welzijn en sociale veiligheid?
Welke beleidsinstrumenten staan de rijksoverheid hierbij ter beschikking?
Heeft u zicht op de vraag of ook andere studentenhuisvesters voornemens zijn hun hospiteerbeleid aan te scherpen of te beperken, en kunt u aangeven in hoeverre hiervan sprake is van een bredere ontwikkeling binnen de studentenhuisvesting?
Bent u bereid in gesprek te gaan met studentenhuisvesters, gemeenten, huurdersorganisaties en studentenorganisaties over zowel de juridische interpretatie van de Wgv als de maatschappelijke gevolgen van het beperken van het hospiteerbeleid?
Als het antwoord «ja» is op vraag 14: bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van dit overleg, inclusief een beoordeling van mogelijke maatregelen om het hospiteren te behouden als norm binnen de studentenhuisvesting en om identiteitsgebonden studentenhuizen te beschermen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Zesduizend handtekeningen tegen hospiteerbeleid. Mensen willen gewoon heel graag zelf kiezen’ |
|
Peter de Groot (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Moes , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat DUWO het bestaande hospiteerbeleid ingrijpend wil wijzigen, waardoor het zelf kiezen van een nieuwe huisgenoot, zogenaamde vrije hospitatie, in veel studentenhuizen lijkt te verdwijnen?1
Ja.
Bent u bekend met de onrust die dit nieuws heeft veroorzaakt in de studentengemeenschap? Hoe beoordeelt u die onrust?
Ja. Op dit nieuws wordt zowel positief als negatief gereageerd. Een deel van de onrust volgt uit belangen van zittende huurders. Een ander deel van de onrust is gebaseerd op het beeld dat het hospiteren zou worden afgeschaft. Steun is er vanuit de hoek van groepen die minder kansen hebben door gebrek aan informatie, onvoldoende kennis van de markt of het ontbreken van een netwerk.
Heeft u kennisgenomen van een petitie die inmiddels meer dan 6.000 handtekeningen heeft verzameld, waarin studenten aangeven dat zij hechten aan de vrijheid om hun huisgenoten zelf te kiezen, juist voor hun veiligheid en woongenot? Herkent u de zorgen hierover?
Ja. De petitie is aangeboden aan DUWO. De Ministeries van VRO en OCW zijn geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Deelt u de opvatting dat hospiteren in studentenhuizen meer is dan een studentikoze traditie, maar een systeem dat aantoonbaar bijdraagt aan de sociale cohesie tussen studenten en aan de studentencultuur in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voorstander van het realiseren van meer studentenwoningen met gedeelde voorzieningen. In de afgelopen periode is het Woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen (WWS onzelfstandig) aangepast, waardoor de businesscase voor het bouwen van nieuwe kamers beter is geworden. Daarnaast kennen we de regeling Regeling huisvesting aandachtsgroepen, met objectsubsidies voor de bouw van studentenwoningen, waarbij projecten die inzetten op kamers met gedeelde voorzieningen voorrang krijgen. De mogelijkheid van huurtoeslag voor kamers met gedeelde voorzieningen wordt momenteel onderzocht. Of dat haalbaar is, is een vraag voor het nieuwe kabinet.
Het is echter niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende graden van vrijheid zelf kunnen kiezen én vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen als die bovenaan de lijst staat en volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Stichting Lieve Mark en de Erasmus Universiteit Rotterdam over woongemeenschappen? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de keuze met wie je samen wilt wonen een belangrijke beschermende factor vormt tegen eenzaamheid, stress- en mentale klachten onder studenten?
Ja. Uit de door u genoemde onderzoeken maak ik op dat regie op keuze van belang is.
Klopt het dat DUWO als reden voor dit nieuwe beleid aangeeft dat het nodig is om te voldoen aan de Wet goed verhuurderschap? Hoe beoordeelt u deze argumentatie?
DUWO geeft aan dat zij als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid voelt zorg te dragen voor gelijke kansen onder studenten. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kunnen studeren, de eerstegeneratiestudent die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is als verhuurder daarbij o.a. onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en de Wet goed verhuurderschap (Wgv).
De Wgv verplicht verhuurders en verhuurbemiddelaars om zich te onthouden van ongerechtvaardigd onderscheid. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Uit de Wgv volgt onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en doet geen afbreuk aan het bestaande recht op coöptatie. In die zin biedt de Wgv ruimte voor verschillende uitvoeringskeuzes waarbij ook selectie via coöptatie onder de Wgv kan plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Hoe een verhuurder deze wettelijke verplichtingen concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf.
Is het huidige systeem van hospiteren volgens u op enig punt in strijd met de wet goed verhuurderschap? Welke ruimte biedt of beperkt deze wetgeving op dit punt?
Het systeem van hospiteren of coöptatie is niet in strijd met de Wet goed verhuurderschap (Wgv). De Wgv brengt geen wijziging aan in het bestaande recht dat zittende bewoners een rol kunnen hebben bij de keuze van een nieuwe bewoner, maar stelt enkel randvoorwaarden aan de wijze waarop dat wordt georganiseerd. De Wgv bepaalt namelijk dat verhuurders bij openbaar aanbod van woonruimte zorg moeten dragen voor een transparante en heldere selectieprocedure, objectieve selectiecriteria moeten hanteren, aan de afgewezen kandidaat-huurder(s) moeten motiveren waarom voor een huurder is gekozen, en dat zij een werkwijze ter voorkoming van discriminatie vastleggen en openbaar maken. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Daarbij mag door de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid worden gemaakt op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Dan gaat het om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. Dit geldt dus ook voor verhuurders die niet zelf woonachtig zijn in een woning en die middels coöptatie huurders laten werven. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie echter soms wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur.
Een manier waarop verhuurders uitvoering zouden kunnen geven aan de bepalingen uit de Wgv betreffende het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijv. via hun website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. De zittende huurders, die o.b.v. coöptatie een nieuwe huurder mogen kiezen, dienen onverwijld door de verhuurder te worden geïnstrueerd dat de Wet goed verhuurderschap en daarmee tevens de Awgb van toepassing is, en dat de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken, daarbij nimmer mogen selecteren op de verboden persoonskenmerken afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan door de verhuurder schriftelijk worden vastgelegd, zodat het deel uitmaakt van de vastgelegde werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Op welke wijze kan de Wet versterking regie volkshuisvesting een aangrijpingspunt kunnen zijn om de goede elementen van hospiteren te behouden?
De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting staat in mijn optiek los van het thema hospiteren.
Hoe verhoudt het voorgenomen besluit zich volgens u tot het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, waarin juist wordt ingezet op uitbreiding van wooncapaciteit onder studenten en de verbetering van studentenwelzijn?
Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert hier een bijdrage aan.
Aanvullend beschrijft het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) niet alleen de wooncapaciteit en het studentenwelzijn. In de recente oplegger van de LAS van september 2025 wordt aandacht gevraagd voor extra maatregelen om de schaarse studentenwoningvoorraad toegankelijker te maken voor onder andere mbo-studenten.
Bent u het eens dat er meer ingezet moet worden op onzelfstandige huisvesting waarbij hospiteren een belangrijk onderdeel is?
Het ministerie staat positief tegenover de realisatie van nieuwe onzelfstandige huisvesting. Woningcorporaties en andere verhuurders zijn vrij om binnen de kaders van de wet hun woonruimteverdeling zelf in te vullen.
Hoe gaat u zorgen dat de balans in de realisatie tussen onzelfstandige en zelfstandige woonruimte meer gaat uitslaan naar onzelfstandige woonruimte?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om over dit bericht met DUWO in gesprek te gaan? Zo ja, wat zou daarbij uw inzet zijn en bent u bereid de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om met DUWO in gesprek te gaan over hun voornemens om het hospiteerbeleid aan te passen. Ze blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Het bericht 'Nederland koopt opvang migranten af voor 33 miljoen euro' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland de opvang van 1.650 migranten afkoopt bij de EU voor een bedrag van 33 miljoen euro – oftewel 20.000 euro per migrant?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. De Raad heeft inmiddels een politiek akkoord bereikt over de vaststelling van de omvang van de solidariteitspool op 21.000 herplaatsingen of 420 miljoen euro. Het aandeel van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële bijdrage van 21,9 miljoen. Nederland heeft steun verleend aan het voorstel en aangegeven financieel te zullen bijdragen.
Waarom zijn de betreffende cijfers uit de zogenoemde «Europese Spreidingswet» niet openbaar gemaakt en is zelfs de Tweede Kamer hierover slechts onder geheimhouding geïnformeerd? Hoe beoordeelt u deze werkwijze in het kader van transparantie en de noodzakelijke democratische controle? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Asiel- en migratiebeheerverordening is wettelijk vastgelegd dat het Commissievoorstel voor een Raadsbesluit over de vaststelling van de jaarlijkse solidariteitspool niet openbaar gemaakt worden tot de Raad overeenstemming heeft bereikt om het besluitvormingsproces te faciliteren.2 Het stuk is vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Kunt u garanderen dat asielzoekers die elders in de EU al asiel hebben aangevraagd, niet alsnog – na afkoop door Nederland – naar ons land reizen en hier opnieuw asiel aanvragen? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn onder het Migratiepact verschillende maatregelen genomen om doorreis van asielzoekers te voorkomen, waaronder maatregelen om het buitengrensbeheer te versterken, zoals betere registratie in Eurodac, verplichte uniforme screening en de asielgrensprocedure.
Daarnaast zijn de Dublinregels integraal onderdeel van het Migratiepact. De Commissie beoordeelt op 12 juli en 15 oktober of de lidstaten onder migratiedruk zich aan deze Dublinregels houden. Indien lidstaten zich niet houden aan de Dublinregels, zal Nederland geen solidariteit leveren.
Onder het Pact is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid, o.a. door de versterking van de buitengrenzen en het tegengaan van secundaire migratie, van lidstaten aan de ene kant en solidariteit aan de lidstaten die onder migratiedruk staan aan de andere kant. De solidariteitsbijdrage is daarom essentieel onderdeel van het Pact.
Worden biometrische gegevens van asielzoekers centraal en effectief geregistreerd? Zo nee, erkent u dan dat de mogelijkheid bestaat dat asielzoekers hun paspoort weggooien, waardoor zij niet kunnen worden geïdentificeerd en hun reis- en asielgeschiedenis binnen de Europese Unie niet kan worden achterhaald, waarop zij in Nederland alsnog asiel kunnen aanvragen? Acht u dit wenselijk?
Onder de huidige Eurodac-verordening worden biometrische gegevens van asielzoekers worden geregistreerd en opgeslagen. Dit blijft zo onder de nieuwe Eurodac-verordening, maar het type data dat geregistreerd wordt, wordt verbreed, waardoor naast vingerafdrukken bijvoorbeeld ook gezichtsopnamen, identiteitsgegevens en kopieën van identiteits- en reisdocumenten worden opgeslagen. Ook wordt de bewaartermijn voor bepaalde soorten gegevens verlengd. Hierdoor wordt de mogelijkheid van identificatie van asielzoekers EU-breed verbeterd.
Wat is de status van de Dublinverordening, die bepaalt dat asielzoekers moeten worden teruggestuurd naar het EU-land van eerste aankomst? Waarom weigeren landen als Italië momenteel deze asielzoekers terug te nemen en waarom accepteert Nederland deze weigering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment geldt de Dublinverordening onverkort. Vanaf de inwerkingtreding van het Pact zal de Dublinverordening worden vervangen door de Asiel- en migratiebeheerverordening. Ook hier is, kort gezegd, dat bij het ontbreken van gezinsleden in de EU, lidstaten van eerste aankomst verantwoordelijkheid zijn voor de aanvraag en asielprocedure van de desbetreffende asielzoeker. De Commissie heeft in het Uitvoeringsbesluit ter bepaling van de lidstaten waar sprake is van migratiedruk, van een risico van migratiedruk of van een significante migratiesituatie opgenomen dat de Commissie op 12 juli en 15 oktober zal vaststellen of deze lidstaten het Dublinacquis weer uitvoeren. Indien dit niet het geval is zal Nederland niet verplicht zijn om solidariteit te leveren aan de desbetreffende lidstaten.
Worden migranten die worden opgevangen in landen als Italië of Griekenland ontmoedigd om zich alsnog vrij binnen de Schengenzone te verplaatsen – inclusief richting Nederland? Zo ja, hoe ziet deze ontmoediging eruit en hoe effectief is deze ontmoediging binnen de Europese praktijk van open binnengrenzen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de asielgrensprocedure zal een deel van de asielzoekers in detentie worden geplaatst en dus ook niet in de gelegenheid zijn om door te reizen naar Nederland. Naar de inzet van Nederland t.a.v. van de Dublinverordening verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Wordt het bedrag van circa 33 miljoen euro, dat nu dreigt te worden uitgegeven aan de afkoop van migrantenopvang, in mindering gebracht op de Nederlandse netto EU-bijdrage, gezien het feit dat Nederland al jaren een van de grootste nettobetalers aan de Europese Unie is? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe de bijdrage wordt vastgesteld en op welke wijze dit wordt overgemaakt is vastgelegd in de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Hoe beoordeelt u het feit dat andere landen – zoals Polen, Estland en Oostenrijk – een korting of zelfs vrijstelling hebben kunnen bedingen op de afspraken? Hoe beoordeelt u het feit dat Hongarije weigert aan deze afspraken te voldoen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Commissie heeft Polen, Estland, Oostenrijk, Kroatië en Tsjechië aangemerkt als lidstaten met een significante migratiesituatie vanwege uiteenlopende redenen. Voor Polen en Estland geldt dat zij een hoog aantal Oekraïense ontheemden hebben opgevangen in vergelijking met andere lidstaten over de periode van de afgelopen vijf jaar. Voor Oostenrijk geldt dat er een zeer hoog aantal ontvankelijke asielaanvragen is geregistreerd in vergelijking met andere Europese lidstaten over de afgelopen vijf jaar.
Wat betreft Hongarije onderstreep ik graag het belang dat alle lidstaten zich aan het asielacquis houden, waaronder het Migratiepact.
Neemt u – zeker gezien de feiten zoals benoemd in vraag 7 – een voorbeeld aan de landen zoals genoemd in vraag 8? Bent u het eens met de stelling dat ook Nederland een vrijstelling of tenminste een korting zou moeten bedingen en, indien de Europese Unie deze weigert toe te zeggen, in navolging van Hongarije zou moeten weigeren aan de afspraken te voldoen? Bent u bereid om deze vrijstelling, korting of weigering alsnog af te dwingen – ook na bekendmaking van de verdeelsleutel op maandag aanstaande?
Met de inwerkingtreding van het Migratiepact worden belangrijke stappen gezet naar het versterken van de buitengrenzen en het tegengaan van irreguliere migratie. Het is daarom van belang dat alle lidstaten, ook Nederland, zich houden aan de wet- en regelgeving van het Migratiepact.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór aanvang van het Kerstreces beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Waterschappen hebben geen zicht op bouwplannen in risicovolle gebieden' |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment nieuwbouwprojecten vertraging oplopen door slepende processen, als gevolg van onenigheid over adviezen van waterschappen, zoals bij de bouw van achtduizend woningen in de Zuidplaspolder?1 Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang van deze vertraging in heel Nederland is?
Waterschappen hebben de taak om de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het waterbeheersysteem te beoordelen en te wegen. Dit is onder de Omgevingswet verankerd in de weging van het waterbelang2. Mijn ervaring is dat dit in het algemeen goed gaat en dat gemeenten de waterschappen bij veel gebiedsontwikkelingen vroegtijdig en blijvend betrekken. Dit gebeurt echter niet altijd, wat inderdaad vertraging kan veroorzaken. Dat hoeft overigens niet het resultaat te zijn van «onenigheid over adviezen». Vertraging kan ook ontstaan doordat noodzakelijke maatregelen te laat aan het licht komen en alsnog moeten worden ingepast.
Het is niet bekend hoeveel projecten door late betrokkenheid vertraging oplopen of wat de omvang van deze vertraging is. In de genoemde casus Cortelande (gemeente Zuidplas) was de verhouding met het waterschap complex en heeft dit zelfs geleid tot beroep bij de Raad van State. Er was in deze casus geen sprake van een gebrek aan betrokkenheid van het hoogheemraadschap. Het masterplan voor het middengebied van de Zuidplaspolder is al in 2021 vastgesteld. Dit gebeurde met vroegtijdige en intensieve inhoudelijke betrokkenheid en steun van het hoogheemraadschap. Het resultaat was een ontwerp waarbij rekening wordt gehouden met het lokale water- en bodemsysteem. Zo wordt er gebouwd op de betere gronden en blijft er veel ruimte vrij voor waterberging. Wel was er sprake van hoge tijdsdruk vanwege het aflopende voorkeursrecht op de gronden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van dergelijke processen door betere afstemming tussen gemeenten en waterschappen kan bijdragen aan het versnellen van de woningbouw?
Ik deel de observatie dat vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap
vertraging later in het proces kan voorkomen. Dit gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 heb ik daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Dit houdt in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van gemeenten, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de hierboven genoemde weging van het waterbelang zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren.
Kunt u aangeven welke rol u voor de Rijksoverheid ziet in het bevorderen van vroegtijdige betrekking van waterschappen door gemeenten bij bouwplannen?
Zoals hierboven aangegeven, heb ik hierover op de Woontop afspraken gemaakt met de betrokken partijen. Onderdeel van deze afspraken is daarnaast dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast. Hiervoor is de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving als basis genomen. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Dit helpt ook om invulling te geven aan de gemaakte keuze in de Ontwerp-Nota Ruimte dat we bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening houden met vaker voorkomende extreme weersomstandigheden (zoals lange periodes van droogte, hitte en overvloedige neerslag) en hogere piekafvoeren van de rivieren.
Ook werken we met medeoverheden en het Ministerie van IenW aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor locaties die een uitdaging hebben ten aanzien van water en bodem. Dit levert bewezen en toepasbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij bouwplannen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken in de Omgevingswet.
Deelt u de mening dat waterschappen bij gebiedsontwikkelingen een belangrijke, zo niet preferente, rol hebben vanuit het principe Water- en Bodemsturend en de noodzaak piekwaterbergingsgebieden beschikbaar te hebben?
Zoals aangegeven ben ik inderdaad van mening dat waterschappen een belangrijke rol hebben bij gebiedsontwikkelingen. Zij kunnen de volledige breedte van de regionale wateropgaven overzien, ruimte voor (piek)waterbergingen is daar een onderdeel van. Ruimtelijke keuzes worden integraal gemaakt, dus geen enkel belang heeft een preferente rol, zo staat dat ook omschreven in de Ontwerp-Nota Ruimte. Zoals de Minister van IenW in zijn brief van oktober 20243 heeft aangegeven (en in het verlengde van voorgaande) is de lijn van dit kabinet «rekening houden met water en bodem» en niet «water en bodem sturend».
Uiteindelijk worden de bouwlocaties aangewezen door de daarvoor bevoegde gezagen, op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader worden de verschillende (o.a. ruimtelijke) belangen afgewogen. Het advies van het waterschap op het omgevingsplan wordt hierbij betrokken, via de weging van het waterbelang. Zo staat dat ook in de Omgevingswet.
Kunt u toelichten in welke mate de Ontwerp-Nota Ruimte mogelijkheden biedt voor het stroomlijnen van besluitvorming rondom de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen?
In de Ontwerp-Nota Ruimte reikt dit kabinet twee concrete instrumenten aan die partijen helpen bij het maken van keuzes voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem:
Dit instrument helpt partijen bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Dit instrument helpt partijen bij keuzes rondom inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Aanvullend maakt het kabinet in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze om, met het oog op risico’s op overstromingen, nieuwe bebouwing in de uiterwaarden niet langer toe te staan en om, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening, terughoudend te zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied.
Op deze manier tracht het kabinet de besluitvorming rondom nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te stroomlijnen. Tevens heb ik op de Woontop (2024), zoals eerder benoemd, afspraken gemaakt die ook bijdragen aan het stroomlijnen van deze besluitvorming.
Uiteindelijk blijven keuzes ten aanzien van locatie (buiten de eerder genoemde uiterwaarden en IJsselmeergebied) en inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de verantwoordelijkheid van de daarvoor aangewezen bevoegde gezagen.
Hoe is de behoefte aan piekbergingsruimte zoals geuit door de waterschappen meegenomen en vastgelegd in de ontwerp-Nota Ruimte?
In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt aangegeven dat een robuust en toekomstbestendig hoofdwatersysteem ook voldoende ruimte vereist voor (piek)waterberging. Deze gebieden voor waterberging zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen. Daarom wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte aangegeven dat er (lokaal) voldoende ruimte wordt gereserveerd voor (piek)waterberging, het doel wordt nagestreefd om in diepe polders 5–10% ruimte te reserveren voor waterberging en ontwikkelingen op gronden die bijzonder geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Specifiek voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn de zoekgebieden voor (piek)waterberging op kaarten aangegeven omdat ze een belangrijke rol vervullen in de beheersmogelijkheden van wateroverlast. In deze gebieden spelen daarnaast ook nog andere ruimtelijke opgaven. Zo betreft een deel van het zoekgebied bij het Noordzeekanaal de Houtrakpolder waar opgaven vanuit energie, economie en water en bodem samenkomen. Dit gebied is op dit moment gereserveerd voor uitbreiding van de haven. De locatiebepaling voor waterberging rond het Noordzeekanaal vergt daarom nog nader onderzoek, dit wordt uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak van het regionale Deltaprogramma Centraal Holland. De integrale besluitvorming hierover vindt plaats in de gebiedsgerichte aanpak in het NOVEX-gebied Noordzeekanaalgebied.
Acht u naar aanleiding van het signaal van de waterschappen aanvullingen op de ontwerp-Nota Ruimte noodzakelijk?
In reactie op de rapportage van Nieuwsuur heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind dat gemeenten waterschappen vroegtijdig betrekken bij bouwplannen, maar dat het verder institutionaliseren van de rol van waterschappen de processen stroperiger en duurder maakt. Het belang van het rekening houden met water en bodem staat voldoende benoemd in de Ontwerp-Nota Ruimte, ik zie daarom geen aanleiding om de Ontwerp-Nota Ruimte op dit punt aan te vullen.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Mogelijke misstanden binnen het Nederlandse uitzetbeleid voor vreemdelingen |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Ongehoord Nederland van 13 november jl.1 over het Nederlandse uitzetbeleid met betrekking tot vreemdelingen? Hoe beoordeelt u deze uitzending?1
Hoeveel uitzettingsvluchten, zowel vrijwillig als gedwongen, zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 geannuleerd? Kunt u een volledige uitsplitsing geven per maand, per categorie (vrijwillig of gedwongen) en per reden van annulering?
Klopt het dat in 2024 ongeveer de helft van alle geplande inbewaringstellingen geen doorgang vond, waarvan in 63 procent van de gevallen omdat de vreemdeling niet werd aangetroffen in het asielzoekerscentrum (azc)? Zo ja, hoe verklaart u dat deze vreemdelingen structureel afwezig waren op het geplande moment van uitzetten? Zo nee, welk percentage van de geplande inbewaringstellingen heeft geen doorgang gevonden en hoe verklaart en beoordeelt u dit?
Kunt u uitsluiten dat medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) vreemdelingen vooraf informeren over geplande uitzettingen door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) of de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)? Zo ja, hoe controleert u dat dit niet gebeurt? Zo nee, hoe beoordeelt u deze gang van zaken en hoe gaat u deze in de toekomst voorkomen?
Hoeveel gevallen zijn bekend van vreemdelingen die niet in het azc werden aangetroffen op het geplande moment van uitzetten, maar later weer opdoken op dezelfde locatie of zich elders opnieuw meldden voor opvang?
Hoeveel vreemdelingen zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 uit het zicht van de overheid verdwenen? Kunt u deze gegevens uitsplitsen naar nationaliteit en inreisroute?
Hoe vaak komt het voor dat uit Nederland uitgezette vreemdelingen binnen enkele dagen of weken opnieuw in Nederland of bij Ter Apel verschijnen, al dan niet onder een nieuwe identiteit of met nieuwe reden voor een asielaanvraag?
Op welke gegevens baseert u uw antwoord op vraag 7?
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in de afgelopen vijf jaar meermaals zijn uitgezet? Bij hoeveel personen was dit meer dan twee keer? Wat zijn de vijf meest voorkomende nationaliteiten in deze situatie?
Welke maatregelen neemt u om misbruik van de Dublinverordening te voorkomen, gelet op signalen dat vreemdelingen die naar bijvoorbeeld Kroatië, Bulgarije of Italië worden teruggestuurd, vrijwel direct weer naar Nederland terugkeren? Kunt u bevestigen dan wel ontkennen dat deze signalen kloppen?
Klopt het bericht dat Duitsland de afgelopen drie maanden meer dan 150 personen bij de Nederlandse grens heeft gezet zonder formele overdracht aan de Koninklijke Marechaussee?2 Zo ja, wat doet Nederland met deze personen? Hoeveel van deze personen verblijven op dit moment in Nederland?
Kunt u een overzicht verstrekken van de totale kosten voor mislukte uitzettingen in de jaren 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025? Kunt u hierbij alle kosten meenemen, waaronder de inzet van AVIM, DV&O, DT&V, tolken en medische begeleiding, maar ook geboekte vluchten, hotelovernachtingen, retourtickets van begeleiders en juridische kosten? Kunt u deze kosten volledig uitsplitsen?
Hoeveel vreemdelingen hebben zich in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 daadwerkelijk gemeld op het moment dat zij een vrijwillige terugkeer hadden afgesproken? Hoeveel vreemdelingen kwamen niet opdagen?
Hoe vaak zijn uitzettingen in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 afgebroken vanwege een vermeende medische noodsituatie, een lastminute-interventie van een advocaat, weigering van de gezagvoerder om te vliegen of verstoringen door medepassagiers of activisten? Kunt u deze cijfers volledig uitsplitsen?
Kunt u aangeven waarom Rotterdam The Hague Airport, dat naast het uitzetcentrum in Rotterdam ligt, niet wordt gebruikt voor uitzetvluchten? Welke logistieke en financiële voordelen zou het gebruik hiervan opleveren?
Deelt u de mening dat Nederland fungeert als magneet voor asielzoekers als uitzettingen in de praktijk nauwelijks worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u concreet doen om het uitzetbeleid te verbeteren?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, zo volledig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Het artikel 'Doek valt voor Winst Uit je Woning, dat gemeenten helpt met isolatie van woningen' |
|
Pieter Grinwis (CU), Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel?1
Ja.
Wat is uw reactie op het faillissement van Winst Uit Je Woning, een partner die door meerdere gemeenten werd ingezet voor de uitvoering van het Nationaal Isolatieprogramma (NIP)?
Ik volg de situatie rond Winst Uit Je Woning aandachtig. Daarbij is voor mij het meest belangrijk dat mogelijke vertraging in de uitvoering van de verduurzaming beperkt blijft. Het is positief dat er een doorstart is voor Winst Uit je Woning.2 De komende tijd zal duidelijk worden hoe er vervolg wordt gegeven aan de lopende opdrachten. Winst Uit je Woning geeft aan stap-voor-stap werkzaamheden te hervatten. Het tempo waarmee de uitvoering voortgezet kan worden zal mede hiervan afhankelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om te garanderen dat gemeenten en woningeigenaren alsnog geen vertraging oplopen bij de aanpak van slecht geïsoleerde woningen?
Dit is voornamelijk een zaak tussen de betreffende gemeenten als opdrachtgever en Winst uit je Woning. Echter, in het algemeen is er behoefte aan versnelling van de gemeentelijke isolatieaanpakken. Om versnelling in de uitvoering te realiseren heb ik recent 9 miljoen euro beschikbaar gesteld voor regionale ondersteuning aan gemeenten via de regeling specifieke uitkering isolatieopgave nationaal programma lokale warmtetransitie (SpUk isolatieopgave NPLW). Daarmee kan op regionale schaal capaciteit, expertise en ondersteuning worden geboden om de uitvoering van de lokale isolatieaanpakken te versnellen.
Kunt u aangeven in hoeverre het programma voorzien was op verschillen in gemeentelijke eisen en regelingen en welke kostenverhogingen daaruit voortvloeiden (zoals door het genoemde maatwerk bij Winst Uit Je Woning)?
De lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma heeft als doel om 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben samen met gemeenten te isoleren. Er is veel vrijheid aan gemeenten gelaten hun isolatieaanpak vorm te geven om de juiste ondersteuning te bieden die past bij de verscheidenheid aan behoeften van deze bewoners. Gemeenten kunnen daardoor de aanpakken ook laten aansluiten bij bestaande lokale initiatieven, de transitievisies warmte en specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld een relatief hoog aantal VvE’s).
Het is logisch dat extra specifieke eisen in een aanbesteding voor aannemende partijen extra kosten met zich meebrengt, zowel in de aanvraag als uitvoering. Het is daarom belangrijk om een goede balans te vinden bij de aanbesteding en een realistisch beeld te krijgen van kosten en risico’s die spelen bij partijen. Veel gemeenten voeren om deze rede ook marktconsultaties uit om de voorwaarden van een aanbesteding te toetsen. Bedrijven kunnen deze kosten uiteraard opvoeren in hun tarieven of als bedrijven de voorwaarden niet acceptabel vinden dan hoeven ze niet aan te bieden.
In hoeverre vindt u de verschillende gemeentelijke eisen wenselijk?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb beschreven is het maatwerk dat gemeenten kunnen leveren aan de meest kwetsbare woningeigenaren een belangrijk onderdeel van de lokale aanpak. Wel is het altijd van belang voor gemeenten om te kijken waar dit maatwerk een toevoeging is voor de kwaliteit van ondersteuning van bewoners en waar extra eisen wellicht juist de verduurzaming in de weg staan of tot onnodige kosten of risico’s voor marktpartijen kunnen leiden.
Welke stappen neemt u om de uitvoering zoveel mogelijk te standaardiseren?
Ik ga gemeenten niet beperken in de vrijheid die zij hebben invulling te geven aan hun rol bij de lokale isolatieopgave of welke afspraken ze met private partijen mogen maken. Wel bied ik hier richting en ondersteuning in via het programma Verbouwstromen. Dit biedt ondersteuning bij de lokale aanpak van het NIP op een wijze die schaalbaar is en op regionaal niveau wordt ingestoken. Zo is de ontwikkelde Meerjarige Collectief Ontzorgen (MCO) aanpak in meerdere regio’s in uitvoering. Hierbij zijn samenwerkende gemeenten geholpen bij de voorbereiding van de uitvraag aan de markt en werken zij aan standaardisering. Verbouwstromen zorgt ook actief voor het verspreiden van de kennis en expertise die daarbij zijn opgedaan, zodat aanbestedingen zo slim en effectief mogelijk worden vormgegeven. Daarnaast worden goede voorbeelden en richtlijnen ook gedeeld vanuit Communities of Practice en webinars, die op regelmatige basis voor gemeenten door het Nationaal programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) georganiseerd worden. Dit leidt zeker ook tot een mate van standaardisering.
In hoeverre is gewaarborgd dat juist huishoudens met lage inkomens (die meer risico lopen op energiearmoede) in het huidige uitvoeringsmodel van het NIP worden bereikt, ook nu een speler is weggevallen?
De lokale aanpak van het NIP is juist erop gericht om isolatiemaatregelen te nemen bij eigenaar-bewoners en VvE’s die extra ondersteuning nodig hebben. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over het gevolg van het faillissement en doorstart van de betreffende partij. Met het NPLW blijf ik met de betreffende gemeenten in contact over de ontwikkelingen.
Hoe monitort u of de isolatiemaatregelen leiden tot daadwerkelijke vermindering van de energierekening en verbetering van woonlasten voor deze doelgroep?
Gemeenten dienen jaarlijks bij RVO voortgangsinformatie aan over de woningen die zij via de lokale aanpak hebben geholpen en welke maatregelen daarbij zijn getroffen. Verder werk ik eraan om deze informatie toe te voegen aan het dashboard energiesubsidies van het CBS. Op basis hiervan kunnen we ook berekenen hoeveel energie wordt bespaard. De Monitor Energiearmoede geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens met energiearmoede in Nederland weer. Daaruit blijkt dat woningverbetering een belangrijke bijdrage is voor het feit dat het aandeel energiearmoede in 2024 minder hoog was dan in 2019, terwijl de energieprijzen toen veel lager waren.
Welke cijfers heeft u over de gemiddelde kostprijs van de isolatie-trajecten die via gemeenten en intermediairs (zoals Winst Uit Je Woning) worden uitgevoerd?
Daar heb ik geen compleet beeld van. Gemiddeld ontvangt een gemeente circa 2.000 euro per woning in de lokale aanpak van het NIP. In de verantwoording van de lokale aanpak moeten gemeenten de totale kosten die zij maken aangeven, maar daarbij is niet altijd duidelijk in welke trajecten een intermediair is ingezet. Bovendien geeft het geen compleet beeld van de kostprijs voor het totale isolatie-traject in een woning. Tot circa 30% van de kosten kan met de ISDE of de SVVE worden vergoed en ook is vaak nog een klein deel eigen bijdrage van de bewoner nodig, al dan niet in de vorm van een gunstige lening van Nationaal Warmtefonds. Deze kosten hoeven niet in de verantwoording vermeld te worden.
De middelen uit de lokale aanpak worden grotendeels ingezet voor extra financiële ondersteuning, bovenop de landelijke subsidies. De middelen kunnen ook voor begeleiding en ontzorging ingezet worden. Dat is voor deze doelgroepen vaak belangrijk om stappen te kunnen zetten. Te verwachten is dat de gemiddelde kostprijs voor de isolatie-projecten in de lokale aanpak in het algemeen door deze extra diensten in verhouding hoger is dan de kostprijs voor andere woningen waar deze diensten niet zijn geleverd.
Uit een marktconsultatie uit 2023 van het programma Verbouwstromen blijkt dat de opgegeven kosten voor advies en begeleiding door intermediairs tussen de € 250 tot € 1.000 per uitvoering kunnen bedragen afhankelijk van de ondersteuning die nodig is. Bijvoorbeeld het begeleiden van bewoners bij de subsidieaanvraag, activatie en communicatie, nazorg of IT-kosten. De kosten voor deze diensten zijn aanvullend op de kosten voor het plaatsen van de isolatiemaatregelen zelf waarvan de prijs sterk afhankelijk is van het type maatregel en de eigenschappen van de woning.
Wat zijn de lessen die u trekt uit het faillissement van een uitvoerende partij zoals Winst Uit Je Woning op het gebied van toezicht, financiële kwaliteit van partners, en contractvoorwaarden met gemeenten?
Het is aan gemeenten de juiste voorwaarden te stellen bij het inschakelen van een intermediair in hun isolatieaanpak. Op basis van de ervaring die het programma Verbouwstromen inmiddels bij verschillende regio’s heeft opgedaan, geeft het de volgende algemene aanbevelingen over toezicht, financiële kwaliteit van partners en contractvoorwaarden:
Punt van aandacht is een goede balans tussen strenge contractvoorwaarden en ruimte voor innovatie. Meer toezicht en strengere contractvoorwaarden brengt ook het risico op disproportionaliteit met zich mee en minder kans op innovatie. Het is belangrijk hier een juiste balans in te vinden.
Kunt u aangeven of er herzieningen komen in de criteria voor samenwerking met intermediairs en zo ja, welke?
Nee. Ik ga de vrijheid van gemeenten niet inperken in de afspraken die zij kunnen maken met partijen in de markt bij het aanbesteden. Dit is tussen de gemeente en de betreffende partij.
Wel bied ik gemeente ondersteuning en advies in hoe ze hun aanpak vorm kunnen geven en uitvoeren via het programma Verbouwstromen en het Nationaal programma lokale warmte (NPLW).
Kunt u deze vragen binnen drie weken één voor één beantwoorden?
De vragen heb ik niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunnen beantwoorden.
Het bericht 'Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban»?1
Ja
Bent u bekend met de recente verklaring van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, waarin hij oproept om de gedwongen terugkeer van Afghaanse vluchtelingen en asielzoekers onmiddellijk stop te zetten en waarschuwt voor een mensenrechtencrisis waarin hij wijst op willekeurige arrestaties, bedreigingen van teruggekeerde Afghanen en de ernstige onderdrukking van vrouwen en meisjes, die vrijwel volledig zijn uitgesloten van onderwijs, werk en deelname aan het openbare leven?
Ja
Hoe beoordeelt u deze oproep in relatie tot het Nederlandse beleid om Afghaanse vrouwen uit te zetten naar Afghanistan?
De fragiele mensenrechtensituatie in Afghanistan is zorgvuldig meegewogen bij de totstandkoming van het door het Ministerie van Asiel en Migratie vastgestelde landgebonden asielbeleid voor Afghanistan en wordt ook bij de individuele beoordeling door de IND steeds meegenomen. Overigens is er op dit moment feitelijk geen sprake van gedwongen terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan.
Deelt u de mening dat het feit dat iemand «niet verwesterd» is, geenszins betekent dat diegene geen gevaar loopt of niet het recht heeft om bescherming te vragen tegen onderdrukking of geweld tegen vrouwen?
In de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7.2) is opgenomen dat een Afghaanse vrouw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel als zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet kan conformeren aan de door de Taliban opgelegde normen en leefregels en door het niet naleven van deze opgelegde normen en leefregels het risico loopt op (ernstige daden van) vervolging. In diezelfde paragraaf van de Vreemdelingencirculaire is opgenomen dat de IND daarnaast beoordeelt in hoeverre de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels dermate ernstig in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dit zal hebben op haar. Bij een voldoende ingrijpende impact zal dit aanleiding geven voor een verblijfsvergunning asiel. Dat zal in het overgrote deel van de gevallen zo zijn. Verwesterd zijn is daarbij zeker geen voorwaarde. Wel kunnen verklaringen over het dagelijks leven van een asielzoeker voorafgaand aan het vertrek bij deze beoordeling een rol spelen.
Met inachtneming van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie betekent dit in de huidige beslispraktijk dat op basis van hetgeen een Afghaanse vrouw in de asielprocedure naar voren brengt wordt onderzocht of en, zo nodig, in welke mate zij stelt en aannemelijk maakt te zijn of zullen worden getroffen door de discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan. Als zij stelt en aannemelijk maakt door deze discriminerende maatregelen te zijn of te zullen worden getroffen, wordt in de regel een verblijfsvergunning verleend. In de praktijk is dat al snel het geval, maar dat betekent niet dat het individuele relaas er als het ware niet meer toe doet. Een Afghaanse vrouw zal tenminste naar voren moeten brengen en aannemelijk moeten maken dat zij vanwege de huidige discriminerende maatregelen niet naar Afghanistan kan en wil terugkeren.
Op welke wijze waarborgt de IND dat vrouwen die tegen hun wil naar Afghanistan worden teruggestuurd, daar veilig kunnen terugkeren?
Die waarborg is erin gelegen dat er steeds een zorgvuldige individuele beoordeling plaatsvindt tegen de achtergrond van de zorgelijke mensenrechtensituatie in Afghanistan, zoals hiervoor uiteengezet.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is om enerzijds Afghanistan internationaal ter verantwoording te roepen voor de schending van vrouwenrechten, maar anderzijds Afghaanse vrouwen vanuit Nederland terug te sturen naar datzelfde regime dat structureel alle vormen van vrijheid en veiligheid ontneemt?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Met de aansprakelijkstelling zet Nederland zich samen met de genoemde staten in om naleving van internationale verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Deze schendingen moeten stoppen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten onder het Vrouwenverdrag. In het bijzonder moet het recht op onderwijs voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gegarandeerd. Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Momenteel is Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, bezig met de organisatie van deze onderhandelingen. Over dit proces [en vragen gerelateerd aan deze internationaal-juridische procedure] kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. Voor het huidige asielbeleid voor vrouwen in Afghanistan verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid het besluit in deze zaak te heroverwegen, gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het oordeel van de IND is verworpen?
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele zaken. Op dit moment bestaat er geen aanleiding het landgebonden asielbeleid te wijzigen. Op korte termijn zal een nieuw ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gepubliceerd.
De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.