Het antwoord op vragen van het lid Keijzer over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries |
|
Mona Keijzer |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
Kunt u bijgevoegd aan de beantwoording van deze vragen een volledig overzicht verstrekken van alle adviesorganen die worden beschouwd als adviesorganen in de zin van Artikel 79 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
De vaste colleges van advies in de zin van artikel 79 Grondwet zijn de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Sociaaleconomische Raad (SER) en de vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges. Bijgevoegd aan deze beantwoording verstrek ik een lijst van deze adviescolleges, waarbij per college de wettelijke grondslag en de adviestaak worden vermeld.
In mijn beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds toegezegd voor het einde van het derde kwartaal een eenmalig overzicht te verstrekken van de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving.1 Deze toezegging omvatte daarmee onder meer alle adviescolleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Ik heb uw Kamer dit overzicht op 10 september jl. doen toekomen.2
Kunt u per adviesorgaan in de zin van Artikel 79 van de Grondwet de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per adviescollege onder de Kaderwet specifiek de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?1
De vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges zijn betrokken in mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Op grond van de Kaderwet adviescolleges kunnen daarnaast tijdelijke (artikel 5) en eenmalige (artikel 6) adviescolleges worden ingesteld. Deze adviescolleges adviseren wel over beleid en wetgeving, maar zijn geen colleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet omdat zij niet permanent zijn. Op dit moment zijn er twee tijdelijke adviescolleges actief op grond van artikel 5 van de Kaderwet adviescolleges en één eenmalig adviescollege op grond van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. De grondslag en taken van deze adviescolleges heb ik ook opgenomen in de lijst die ik als bijlage bij deze beantwoording meezend.
De financiële middelen voor deze tijdelijke (art. 5) en eenmalige (art. 6) adviescolleges heb ik reeds opgenomen het overzicht van geraamde uitgaven aan adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving, dat ik uw Kamer op 10 september jl. heb verstrekt.
Kunt u per externe commissie met een adviestaak die actief is binnen de rijksoverheid de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?2
Mijn ministerie houdt het rijksbrede overzicht van externe commissies zo goed als mogelijk bij in het Register van Overheidsorganisaties.5 Daarin wordt voor elke vermelde commissie ook een verwijzing naar de grondslag en taken opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan een interdepartementale inventarisatie om het totaalbeeld van externe commissies te actualiseren en aan te vullen. Het kabinet vindt het, met de vragensteller, van belang dat het advieslandschap inzichtelijk is. Zodra deze inventarisatie is afgerond, zal ik de opbrengst hiervan uiterlijk eind oktober delen met uw Kamer. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik al toegelicht dat voor externe commissies begrote uitgaven doorgaans niet separaat op de departementale begroting worden vermeld. Ik zal bezien op welke wijze het mogelijk is om, zodra de voornoemde inventarisatie is afgerond, ook inzicht te bieden in de kosten van externe commissies.
Kunt u een integraal overzicht verstrekken van alle non-gouvernementele organisaties die in de periode 2026 tot en met 2030 vanuit één of meer ministeries jaarlijks meer dan € 1 miljoen aan subsidie ontvangen of zullen ontvangen, waarbij per organisatie wordt aangegeven welk ministerie of welke ministeries de subsidie verstrekken en welk bedrag per jaar wordt verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds uitgebreid toegelicht hoe het kabinet via de begrotingsstukken aan de Kamer verantwoording aflegt over subsidies.
Kunt u toezeggen om voor het einde van het zomerreces deze vragen te beantwoorden met daarbij de gevraagde overzichten (incl. de gevraagde overzichten van vorige vragen) en niet te verwijzen naar een op een later moment te verstrekken overzicht? Zo niet, hoe denkt u dan dat de Kamer haar controlerende taak goed kan uitvoeren wanneer zij niet beschikt over een volledig overzicht van alle adviesorganen, adviescolleges en externe adviescommissies, inclusief hun taken en de daarmee gemoeide publieke middelen?3
Ik onderschrijf volledig het belang van tijdige informatievoorziening aan de Kamer voor haar controlerende taak. Ik heb deze schriftelijke vragen, evenals de eerder gestelde schriftelijke vragen over hetzelfde onderwerp, zo spoedig mogelijk beantwoord. Beide sets schriftelijke vragen bevatten enkele omvangrijke informatieverzoeken. Daarbij vond ik het, met het oog op de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer, wenselijk om niet de gehele beantwoording te laten vertragen door het ontbreken van een deel van de informatie die benodigd is om één van de vragen te kunnen beantwoorden. Daarom heb ik toegezegd deze informatie op een later moment, binnen een redelijke termijn, alsnog te verstrekken.7
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten gemiddeld duurder zijn om te realiseren dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer toegankelijkheidseisen.
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
De doelstelling van 290.000 ouderenwoningen bestaat uit nultredenwoningen, zorggeschikte en geclusterde woningen. Uit de Kamerbrief verstuurd op 6 juli blijkt dat er plannen zijn voor ongeveer 215.000 van de 290.000 woningen.1 De planvorming en bouw van nultredenwoningen ligt ruim op koers. Het klopt dat bij geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen de planvorming en realisatie achterblijft. Met de in bovenstaande Kamerbrief aangekondigde € 420 mln. die binnen de Realisatiestimulans beschikbaar is voor zorggeschikte en geclusterde woningen zet het kabinet vol in op schaalvergroting en versnelling van de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Nee, het klopt niet dat dit uitsluitend voor ouderenhuisvesting beschikbaar is. Voor de periode 2026 tot en met 2030 staat er € 758 mln. op de begrotingen van VWS en BZK voor het doen van betalingen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) is in totaal € 294,6 mln. beschikbaar op ouderenhuisvesting. Hiervan is € 115,8 mln. al verplicht aan toegekende aanvragen. Voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) staat er nog € 43,8 mln. op de begroting van BZK voor ouderenhuisvesting, waarvan € 4 mln. al verplicht is aan toegekende aanvragen. Binnen de post opslagen onder de Realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar voor zorggeschikte en geclusterde woningen voor ouderen en aandachtsgroepen.
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Het klopt dat er in de jaren 2026 t/m 2028 € 294,6 mln. op de begroting van VWS staat om goedgekeurde aanvragen te kunnen betalen. Per 1 juni 2026 is voor € 115,6 mln. aan aanvragen toegekend voor 7.866 zorggeschikte woningen. Dat is gemiddeld € 14.690 per zorggeschikte woning. Op basis van het gemiddelde bedrag per woning wordt met het budget van € 294,6 mln. bijgedragen aan de bouw van ongeveer 20.050 zorggeschikte woningen in de sociale huur.
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Niet alle 290.000 ouderenwoningen hebben financiële ondersteuning nodig3. De planvorming en realisatie van nultredenwoningen ligt op koers. Vanuit de SZGW wordt alleen financiële ondersteuning geboden bij zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs, omdat meerkosten in dit segment niet of nauwelijks in de huurprijs kunnen worden terugverdiend. Dit gaat om 50% van de 41.000 zorggeschikte woningen. Voor de 94.000 geclusterde woningen in het betaalbare segment (ca. 75%) verwachten we dat ondersteuning gewenst is om tot realisatie van ontmoetingsruimten te komen. Zie verder antwoord 16.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Het klopt dat er in totaal nog € 43,8 mln. voor de SOO op de begroting van BZK staat in de jaren 2027 en 2029. Dit betekent echter niet dat er in die jaren loketten open zijn. Tot 18 december 2026 staat de vierde tranche van de SOO open met een subsidieplafond van € 39,8 mln. Uitbetaling van 90% van het subsidiebedrag vindt in 2027 plaats. Uitbetaling van de resterende 10% vindt over de daaropvolgende jaren (uiterlijk 7 jaar) plaats op basis van oplevering. Met de resterende € 4 mln. wordt de resterende 10% van toegekende aanvragen uit eerdere tranches betaald.
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Hoeveel ontmoetingsruimten er maximaal kunnen worden gerealiseerd, is afhankelijk van de subsidiebedragen die worden aangevraagd. Dit is weer afhankelijk van de bouwkosten van de ontmoetingsruimte (met een maximum van € 2.500 per m2) en van het aantal woningen in de geclusterde woonvorm (tot een maximum van € 100.000 bij 5 t/m 20 woningen, € 150.000 euro bij 21 t/m 50 woningen en € 175.000 euro bij meer dan 50 woningen per aanvraag). In de eerste drie tranches (2022 t/m 2025) zijn hiermee aanvragen toegekend voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen voor ca. 73 miljoen euro5. Een deel van deze aanvragen (41) is later ingetrokken.
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Er is reeds subsidie toegekend aan aanvragen voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen. Op basis van de eerdere tranches, schat ik in dat met de beschikbare bedragen in 2026 aanvragen te kunnen toekennen voor ca. 290 ontmoetingsruimten in ca. 16.000 geclusterde woningen. Binnen de extra € 420 miljoen die beschikbaar is gesteld verwacht ik alle resterende ontmoetingsruimten in geclusterde woningen te kunnen financieren binnen de doelstelling voor 290.000 ouderenwoningen.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Met de SOO wordt bijgedragen aan de bouwkosten van een ontmoetingsruimte. Een voorwaarde hierbij is dat de aanvrager voorziet in activiteiten en een exploitatieplan voor minimaal 5 jaar. De bewoners mogen daarbij ook zelf in de exploitatie van de ruimte voorzien. Vanuit de SOO zijn geen middelen beschikbaar voor de structurele personele bezetting of begeleiding van ontmoetingsruimten. Ook onder het vorige kabinet waren hiervoor geen middelen beschikbaar. Wel was binnen de envelop ouderenzorg een deel van de middelen voorzien voor het stimuleren van gemeenschapsvorming in woonvormen voor ouderen. De nadere invulling en uitwerking daarvan waren onder het vorige kabinet nog niet afgerond. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Dit is bij de start van de eerste tranche van deze regeling (2022) niet onderzocht. Het doel van deze regeling is om meer ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen voor ouderen te realiseren, en richt zich op de investeringskosten van het vastgoed. In sommige gevallen kan inzet op begeleiding of beheer van de ontmoetingsruimte gewenst zijn, en kan dit leiden tot structurele uitgaven. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Voor de Realisatiestimulans is in totaal ca. € 2,5 mld. euro beschikbaar gesteld in 2026 t/m 2030. Daarbinnen is een opslag van € 420 mln. beschikbaar in de jaren 2028, 2029 en 2030 voor geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Ja, dat klopt. Binnen de Realisatiestimulans is een opslag van € 420 mln. opgenomen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Deze middelen zijn beschikbaar voor de realisatie van deze woningtypes, die inzetbaar zijn voor zowel ouderen als aandachtsgroepen en niet specifiek bestemd per doelgroep. Het gaat om de aandachtsgroepen die vermeld staan in het besluit Versterking regie volkshuisvesting.
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Nee, dit klopt niet. De vaste bijdrage van € 7.000 uit de Realisatiestimulans geldt voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. Het gaat daarbij om andere activiteiten waaraan een bijdrage wordt verleend om woningen betaalbaar te houden. Met de € 420 mln. voor zorggeschikte en geclusterde woningen is een extra bijdrage voorzien om tegemoet te komen in de specifieke meerkosten van deze woningen, zoals de ontmoetingsruimte en het rolstoelgeschikt maken van de woning. Dit budget staat onder een post opslagen onder de budgetpost Realisatiestimulans. De bijdrage van € 420 mln. is aanvullend ten opzichte van de reeds beschikbare middelen uit de SZGW en de SOO.
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
De opslag van € 420 mln. binnen de Realisatiestimulans voor zorggeschikte en geclusterde woningen staat op de begroting van BZK tot en met 2030. Ik werk momenteel uit via welke regelingen deze middelen worden besteed. Op de bestemming van de genoemde 7 miljard heb ik u reeds antwoord gegeven bij beantwoording van uw vragen van 9 juni 2026.
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van lid Keijzer van 9 juni 2026 al heb aangegeven dient het bedrag van € 7 miljard voor woningbouw nog verdeeld te worden.
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Mijn verwachting is dat de doelstelling voor geclusterde en zorggeschikte woningen haalbaar is met de extra stimulans van € 420 mln. Ik werk momenteel uit via welke regelingen de beschikbare middelen worden ingezet en welke bedragen daarbij horen. Dit kan leiden tot bijstellingen in de berekeningen. Ik kan daarom nu geen exacte raming geven. Bij de uitwerking van de regelingen voor geclusterde en zorggeschikte woningen zal ik inzicht geven in hoeveel geclusterde en zorggeschikte woningen met de beschikbare middelen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ik uw Kamer een inschatting geven van de verdeling tussen ouderen en aandachtsgroepen. Ik verwacht uw Kamer te informeren over de regelingen in het najaar.
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Zie het antwoord op vraag 16.
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Dat is niet juist. Dit kabinet zet de komende jaren juist € 420 miljoen extra in om de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen verder te stimuleren.
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Ik zie de noodzaak om voldoende financiële ondersteuning te bieden om 290.000 ouderenwoningen te realiseren. Zie verder de antwoorden op vragen 16 en 21.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de middelen die beschikbaar zijn voor budgetposten SZGW, SOO en onder de Realisatiestimulans. Daarnaast had het kabinet Schoof oorspronkelijk € 600 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg (envelop ouderenzorg), waaronder de moderne verzorgingshuizen. Hiervan resteerde ten tijde van het vorige kabinet nog € 470 mln. (zie vraag 22). Deze middelen zijn naar de algemene middelen gegaan en als zodanig betrokken bij het uitwerken van het huidige coalitieakkoord. Over de middelen voor de kwaliteit van de ouderenzorg – inclusief huisvesting voor ouderen – van het vorige kabinet heeft geen besluitvorming plaatsgevonden. De middelen onder de Realisatiestimulans zijn wel direct bestemd voor huisvesting. Daarmee zijn nu meer middelen beschikbaar in het kader van de huisvesting.
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 9, 10 en 12 van uw vragen van 9 juni 2026. De middelen die onder het vorige kabinet waren gereserveerd voor de kwaliteit van de ouderenzorg konden ook worden ingezet voor de moderne verzorgingshuizen. Uit het onderzoek van PWC bleek dat bij de terugkeer van moderne verzorgingshuizen vooral kosten zouden ontstaan met betrekking tot het bijbehorende zorg- en welzijnsconcept, door een aanzienlijke toename van de zorginzet. Het huidige kabinet betrekt de doelgroep van de moderne verzorgingshuizen bij het actualiseren van de woningbouwopgave en onderzoekt of de ondersteuning van gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende afspraken bij het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Voor de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen zijn middelen beschikbaar via de SOO, de SZGW en onder de post opslagen bij de Realisatiestimulans.
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
In de beantwoording van de feitelijke Kamervragen over de Miljoenennota 2026 (vraag 47) is gedetailleerd beschreven op welke wijze de middelen uit de envelop ouderenzorg zijn aangewend. Een deel van de middelen uit de envelop ouderenzorg uit het coalitieakkoord Rutte IV is tijdelijk ingezet voor de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. Het vorige kabinet heeft € 150 mln. ingezet voor dekking van problematiek op de Rijksbegroting. De resterende middelen zijn vervolgens in het coalitieakkoord «Aan de slag» komen te vervallen. In de bijlage is de vrijgevallen reeks voor ouderenzorg weergegeven.
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Ik verwacht geen vertraging op de realisatie van de bouwopgave door het stopzetten van het plan van de moderne verzorgingshuizen. Er lagen immers al woondealafspraken over de 290.000 ouderenwoningen. Er heeft een verkenning plaatsgevonden door PwC over mogelijke terugkeer van de verzorgingstehuizen. Er zijn geen verdere afspraken gemaakt over de inzet van de envelop ouderenzorg. Er zijn dus ook geen wijzigingen aangebracht in de bouwprogrammering. De woonbehoefte van de doelgroep voor moderne verzorgingshuizen wordt meegenomen in het actualisatieproces van de bouwopgave in de woondeals. Door de beschikbaarheid van onder meer de realisatiestimulans acht ik het nog steeds realistisch om vast te houden aan doelstelling van 290.000 ouderenwoningen.
Het bericht ‘’ME-commandant Amsterdam over vrij spel Marokko-fans en niet ingrijpen van politie: ‘Als je gaat handhaven op kleine vergrijpen, wordt het oorlog’’ |
|
Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «ME-commandant Amsterdam over vrij spel Marokko-fans en niet ingrijpen van politie: «Als je gaat handhaven op kleine vergrijpen, wordt het oorlog»»?1
Ja.
Klopt het dat de Amsterdamse politie tijdens en na de wedstrijd Marokko-Canada bewust heeft afgezien van direct optreden tegen personen die met zwaar vuurwerk gooiden, gevaarlijk rijgedrag vertoonden, verkeersregels overtraden, agenten provoceerden en de openbare orde verstoorden?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ME-commandant, dat handhaving bij dergelijke overtredingen kan leiden tot «oorlog»?
Vindt u het acceptabel dat overtredingen feitelijk worden gedoogd, omdat de politie verwacht dat handhaving tot rellen, vernielingen of brandstichting kan leiden? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Deelt u de mening dat in een rechtsstaat de bereidheid van relschoppers om geweld te gebruiken nooit een reden mag zijn om af te zien van handhaving van de wet?
Hoe verhoudt de geschetste handelwijze zich tot het uitgangspunt dat de overheid het geweldsmonopolie bezit en de openbare orde dient te handhaven?
Op basis van welke criteria wordt besloten om overtredingen wel of niet te handhaven tijdens dergelijke bijeenkomsten?
Bestaan er (landelijke) richtlijnen of instructies die het bewust niet-optreden tegen strafbare feiten toestaan om escalatie te voorkomen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zoals reeds aangegeven, is het politieoptreden bij deze inzet lokaal vastgesteld door de driehoek. Het gaat hierbij om de standaard beleids- en tolerantiegrenzen welke lokaal zijn vastgesteld door de driehoek (burgemeester, OM en politie). In het algemeen geldt dat politieagenten in de opleiding leren om de-escalerend op te treden.
Klopt het dat politiemensen hebben aangegeven zich onveilig te voelen en soms niet durven op te treden, omdat zij onvoldoende mogelijkheden krijgen om hun taak uit te voeren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De burgemeester heeft het gezag over de politie-inzet bij de handhaving van de openbare orde. Veiligheid van politiemensen staat hierbij voorop.
De politie beschikt in zijn algemeenheid over voldoende bevoegdheden en middelen om haar taken adequaat te kunnen uitvoeren. Verder zijn we vanuit mijn ministerie constant bezig om de bevoegdheden van politie waar nodig en mogelijk uit te breiden zodat zij hun taak zo goed mogelijk kunnen uitvoeren.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de commandant dat agenten «moe worden van hoe het op straat eraan toegaat» en dat sommige agenten inmiddels gewend zijn geraakt aan dit soort gedrag?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat toekomstige ordeverstoringen niet worden beantwoord met gedogen, maar met zichtbaar en effectief optreden?
Welke boodschap denkt u dat uitgaat naar goedwillende burgers wanneer zij zien dat overtreders ongestoord vuurwerk kunnen afsteken, gevaarlijk kunnen rijden, politie kunnen intimideren en verkeersregels kunnen negeren, terwijl handhaving achterwege blijft omdat anders «oorlog» zou ontstaan?
Deelt u de mening dat dit het gezag van de overheid ernstig ondermijnt?
Het artikel Israël doet officieel weer mee met Songfestival: 'AVROTROS in de knel |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met het bericht dat Israël ook in 2027 zal deelnemen aan het Eurovisie Songfestival en dat AVROTROS eind augustus of begin september een besluit zal nemen over Nederlandse deelname?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland moet mee doen aan het EurovisieSongfestival?
De Nederlandse Publieke Omroep gaat over de eigen programmatische keuzes. Vanwege de redactionele onafhankelijkheid die is vastgelegd in de Mediawet 2008 en de persvrijheid die volgt uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, heb ik als Minister geen rol in dit soort keuzes.
Deelt u de opvatting dat voorkomen moet worden dat Nederland door interne discussies bij een omroep afwezig is op een van de grootste culturele evenementen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de Europese radiounie (EBU), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en AVROTROS over de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival?
De NPO is officieel de lid-organisatie van de EBU maar is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de programma's. Waar het gaat om het Songfestival wordt direct geschakeld tussen de AVROTROS en de EBU. AVROTROS is de omroep die inhoudelijk invulling geeft aan het Eurovisie Songfestival: de AVROTROS selecteert de Nederlandse inzending, draagt zorg voor de Nederlandse delegatie en verzorgt de registratie en uitzending(en) rond het Songfestival.
Indien AVROTROS besluit af te zien van deelname in 2027, welke mogelijkheden bestaan er om de organisatie van de Nederlandse deelname onder te brengen bij een andere publieke omroep, zoals Omroep MAX of de NOS? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
Of er wordt deelgenomen aan het Eurovisie Songfestival en welke omroep die deelname verzorgt is aan de NPO en omroepen zelf. Wettelijk gezien zijn er geen beperkingen om het verzorgen van deelname aan het Eurovisie Songfestival bij een andere omroep dan AVROTROS onder te brengen. Het is niet aan mij daarover het gesprek aan te gaan; zie mijn antwoord op vraag 2. Ik kan u wel melden dat de NPO mij desgevraagd heeft laten weten dat er tijdig gesprekken gevoerd zullen worden over deelname en welke omroep die in 2027 zou kunnen verzorgen, mocht AVROTROS besluiten niet te willen deelnemen.
Welke termijnen gelden voor het aanwijzen van een deelnemende omroep, de selectie van een Nederlandse artiest en van de inzending, en andere noodzakelijke voorbereidingen voor deelname aan het Eurovisie Songfestival 2027?
Ik heb geen inzicht in de voorbereidingen van deelname aan het Eurovisie Songfestival en welke tijdpaden daarmee gepaard gaan; ik ga daar ook niet over. De EBU is een samenwerkingsverband van publieke omroepen. Deelname door commerciële omroepen is daarmee uitgesloten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, heeft de NPO mij laten weten tijdig in gesprek te gaan over deelname door een andere omroep wanneer AVROTROS besluit niet deel te nemen.
Wat is de deadline voor zo’n besluit om een andere omroep of commerciële tv-zender daar toe uit te nodigen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid, indien AVROTROS niet deelneemt en een alternatief binnen het publieke bestel niet tijdig beschikbaar blijkt, te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om de Nederlandse deelname op andere wijze, via bijvoorbeeld de commerciële media, te waarborgen zodat Nederland niet door onnodige discussies bij een omroep afwezig is bij het Eurovisie Songfestival 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het zomerreces is beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt.
Organisaties die pro-Palestijnse en anti-Israëlische demonstraties organiseren |
|
Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het AIVD-jaarverslag 2025, waarin wordt beschreven dat in Nederland een netwerk actief is dat gelieerd is aan Hamas en zich onder meer bezighoudt met propaganda, lobbywerk en fondsenwerving, en dat dit netwerk betrokken is bij organisaties die pro-Palestijnse en anti-Israëlische demonstraties organiseren?
Kunt u toelichten wat de AIVD bedoelt met de betrokkenheid van dit netwerk die demonstraties organiseren?
Kunt u toelichten op welke manier wordt voorkomen dat dergelijke organisaties financiering ontvangen van terroristische organisaties?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat terroristische organisaties via maatschappelijke organisaties invloed uitoefenen op demonstraties of deze gebruiken voor campagnes en fondsenwerving?
Bent u bekend met het feit dat Amnesty International in Nederland de Rode Lijn-demonstratie promoot met een afbeelding van Ayman Nijmeh, voorzitter van de Palestijnse Gemeenschap Nederland (PGNL), terwijl de AIVD waarschuwt voor de betrokkenheid van een Hamas-netwerk bij organisaties die pro-Palestijnse demonstraties organiseren?
Is bekend of er concrete banden bestaan tussen Nijmeh, PGNL en dit netwerk. Zo niet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Kunt u toelichten hoe u kijkt naar het feit dat Amnesty International een persoon met mogelijke banden met Hamas inzet voor haar campagne?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat tijdens de Rode Lijn-demonstratie terroristische propaganda wordt verspreid, steun aan Hamas wordt betuigd of wordt opgeroepen tot geweld en antisemitisme?
Deelt u de opvatting dat organisaties die bewust banden onderhouden, aanhalen of sympathiseren met Hamas, onderzocht moeten worden op mogelijke betrokkenheid bij terrorisme en mogelijk als terroristische organisatie aangemerkt moeten worden?
Hoe kijkt u ernaar dat Amnesty International jaarlijks bijna 1 miljoen euro belastinggeld ontvang via subsidies en vervolgens demonstraties promoot waarvan de organisatie in verband wordt gebracht met banden met een terroristische organisatie?
Bent u van mening dat de Nederlandse belastingbetaler dit dient te betalen?
Zo nee, bent u bereid om alle overheidssubsidies stop te zetten aan Amnesty International?
Bent u bekend met de aangehouden motie van de leden Keijzer en Schilder over geoormerkt meespelen bij goededoelenloterijen?
De Nationale Postcodeloterij financiert jaarlijks voor miljoenen Amnesty International, deelt u de mening dat deelnemers zelf moeten kunnen aangeven of ze willen meebetalen aan dergelijke praktijken zoals Amnesty International doet?
Bent u bereid om de motie alsnog oordeel kamer te geven? Zo nee, waarom niet?
Het optreden tegen een anti-Hamas-bord tijdens een demonstratie in Amsterdam en de positie van burgemeester Halsema |
|
Mona Keijzer , Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden waarop te zien zou zijn dat de politie tijdens een demonstratie in Amsterdam een demonstrant sommeert zijn bord met de tekst «FCK HMS», oftewel «Fuck Hamas», te verwijderen, terwijl eerder in dezelfde stad openlijk steun werd betuigd aan de terroristische organisatie Hamas door bijvoorbeeld een spandoek met de tekst «We Support Hamas»?1
Heeft u inmiddels contact opgenomen met burgemeester Halsema om te achterhalen of het klopt dat de politie deze demonstrant heeft opgedragen zijn bord te verwijderen en, zo ja, waarom deze opdracht is gegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het in hemelsnaam dat in Amsterdam spandoeken met teksten als «We Support Hamas» mogen worden getoond, terwijl iemand die zich juist uitspreekt tégen deze terroristische organisatie door de politie wordt gesommeerd zijn bord te verwijderen?
Deelt u de mening dat hier op zijn minst de schijn van een volstrekt onacceptabele dubbele maatstaf ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Hoe valt te rechtvaardigen dat de politie in Amsterdam ingrijpt tegen een demonstrant die met zijn bord «FCK HMS» duidelijk afstand neemt van een terroristische organisatie? Vindt u dit optreden zelf ook niet volstrekt buitenproportioneel?
Deelt u de mening dat de politie haar handen vol zou moeten hebben aan het aanpakken van daadwerkelijke strafbare uitingen en ordeverstoringen, in plaats van demonstranten lastig te vallen die zich uitspreken tegen een terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het ronduit absurd zou zijn wanneer de overheid kennelijk meer moeite heeft met het uitschelden van een terroristische organisatie dan met het openlijk betuigen van steun aan diezelfde organisatie? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt bij demonstraties waarbij openlijk steun wordt betuigd aan Hamas niet veel nadrukkelijker onderzocht of sprake is van reeds strafbare uitingen, zoals opruiing, bedreiging of het aanzetten tot geweld?
Hoeveel personen zijn de afgelopen drie jaar tijdens demonstraties in Amsterdam aangehouden en vervolgd wegens strafbare uitingen ter ondersteuning van Hamas?
Klopt het dat Amsterdamse politieagenten wilden ingrijpen tegen demonstranten die openlijk steun betuigden aan Hamas, onder meer door spandoeken met teksten als «We Support Hamas» in beslag te nemen, maar daarvoor geen toestemming kregen?
Welke rol heeft burgemeester Halsema gespeeld bij het besluit om hier niet tegen op te treden?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als burgemeester Halsema rechtmatig politieoptreden tegen mogelijke strafbare steunbetuigingen aan een terroristische organisatie heeft tegengehouden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het burgemeestersambt ernstig wordt geschaad wanneer bij demonstraties de indruk ontstaat dat met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de gang van zaken rond het verwijderen van dit anti-Hamas-bord volledig te laten ophelderen, inclusief de vraag wie opdracht gaf tot het ingrijpen en of sprake was van ongelijke behandeling? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het toestaan van spandoeken met teksten als «We Support Hamas» tijdens demonstraties in Amsterdam pijnlijk duidelijk maakt waarom ons initiatiefwetsvoorstel «Wet Weerbare Waarden» noodzakelijk is en bent u bereid dit wetsvoorstel te steunen om onze democratische rechtsstaat beter te beschermen tegen de openlijke verheerlijking en ondersteuning van terroristische en antidemocratische stromingen en organisaties? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Wim (80) dreigt dakloos te worden én moet 10.000 euro betalen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van dit fragment van 13 oktober en zo ja wat vindt u hiervan?1
Hoe reflecteert u in dit licht op uw besluit van 3 juli om het plan voor wonen in vakantiehuisjes, dat een oplossing zou bieden aan ongeveer 60.000 bewoners, te schrappen? Is dit volgens u nog steeds de juiste beslissing? Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Welke stappen heeft u gezet om het plan van uw voorganger om permanente bewoning voor een periode te legaliseren, die volgens u onuitvoerbaar zou zijn, uitvoerbaar te maken?
Hoe gaat het, kijkend naar deze casus, volgens u zelf met de afspraken met gemeenten dat mensen die al in een vakantiehuisje wonen daar mogen blijven?
Is volgens u de inhoud van Kamerbrieven staand beleid? Zo ja hoe reflecteert u, kijkend naar deze casus, op de zin «In beginsel geldt dat de gemeente ervoor zorgt dat permanente bewoners van recreatiewoningen nooit zomaar op straat komen te staan: de menselijke maat is het uitgangspunt»? Is deze casus de menselijke maat die u voor ogen heeft (Kamerstuk 32 847, nr. 1497)? Zo, nee waarom niet en wat gaat u er aan doen?
Is er volgens u in deze casus sprake van een permanente bewoner die moet worden beschermd? Zo ja waarom wordt deze bewoner dan alsnog zijn woning uit gezet en waar moet meneer heen?
Waar kunnen ouderen, zoals Wim, volgens u naar toe, kijkend naar uw uitspraak dat «jongeren gelukkig nog bij hun ouders kunnen wonen»?
Welke maatregelen treft u om dit soort schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen, bent u bereid de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen alsnog uit te voeren?
Kan u nogmaals via de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) een oproep doen aan gemeenten om niet te handhaven? Zo ja kan u de Kamer een afschrift hiervan sturen?
Bent u bereid om in deze beantwoording expliciet gemeente Berkelland erop aan te spreken niet te handhaven? Zo ja wat gaat u zeggen? Zo nee waarom niet?
Ziet u uw beleid, wat bestaat uit onder andere het schrappen van de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen, nog als succesvol?
Hoeveel asielzoekers, ontheemden en geëvacueerden wonen momenteel op vakantieparken, in recreatiewoningen en/of hotels terwijl het Omgevingsplan of de huisvestingsregelgeving dat niet toestaan? Voor zover u die cijfers zelf niet heeft, wilt u deze vragen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ministeries en of overheden die deze cijfers wel hebben? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak 'Starters kunnen gelukkig bij hun ouders wonen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u op 13 oktober als reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat nieuw te bouwen woningen massaal nodig zijn voor asielzoekers de uitspraak «we zien dat heel veel starters gelukkig, niet ideaal, maar gelukkig nog bij hun ouders mogen wonen of kunnen blijven wonen» heeft gedaan?
Welke doelgroep heeft bij u prioriteit? Jongeren die al jaren op zoek zijn naar een eigen dak boven hun hoofd of asielzoekers die hier kort zijn?
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is voor honderdduizenden jonge Nederlanders, die vaak jarenlang op een wachtlijst staan, geen gezin kunnen stichten of zelfstandig kunnen wonen, dat een Minister van Volkshuisvesting hun woonprobleem wegwuift met de opmerking dat zij «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»?
Bent u zich er bewust van wat de maatschappelijke effecten zijn van het feit dat een groot deel van de jongeren niet of pas veel later aan hun leven kunnen beginnen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid uit te spreken dat bij schaarste op de woningmarkt de belangen van Nederlandse starters prioriteit hebben aangezien zij hier geworteld zijn, Nederlands staatsburger zijn en hun ouders hier vaak ook al decennia wonen en al jaren belasting betalen?
Hoe reflecteert u op het feit dat statushouders voor negentig procent terecht komen in sociale huurwoningen en de asielmigratie hiermee druk zet op een sociale sector waar de wachttijden al lang zijn en verder zijn opgelopen in recente jaren? Wie hoort volgens u voorrang te krijgen: jongeren die al jarenlang op een wachtlijst staan of statushouders?
Klopt het dat ruim twintig procent van de beschikbare woningen voor starters in 2023 ging naar statushouders, wat meer is dan woningcorporaties toevoegden in dat jaar? Hoe reflecteert u hierop?
Hoeveel van de totale beschikbare sociale huurwoningen gingen in 2025 naar statushouders? Waar baseert u dit cijfer op?
Bent u, gezien het feit dat asielmigratie wel degelijk een belangrijke factor is geweest, bereid het initiatiefwetsvoorstel Keijzer, Claassen en Clemminck over nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders (Kamerstuk 36 935) direct over te nemen? Zo niet, waarom niet? Welke maatregelen gaat u dan op korte termijn nemen?
Hoe ziet u voldoende alternatieve huisvesting voor zich? Welke invulling krijgen zogenaamde «doorstroomlocaties» die een soort nieuwe asielzoekerscentra (azc’s) zijn voor mensen met een verblijfsvergunning?
Worden gemeenten ook gedwongen deze doorstroomlocaties te realiseren in het kader van de spreidingswet? Indien het antwoord nee is: gaat u daar dan een nieuwe spreidingswet of andere wettelijke verplichting voor maken?
Hoe reflecteert u op het feit dat er lange tijd ontkend is dat migratie een grote impact zou hebben op de volkshuisvesting? Wat gaat u, nu het feiten zijn, concreet doen om mensen die hier van jongs af aan wonen een toekomst te bieden door middel van een woning?
Het annuleren van een stikstofsymposium bij KIVI |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met de berichten van Arnout Jaspers over het annuleren van het symposium «Van Habitatrichtlijn naar doelgericht natuurbeheer» dat op 13 oktober bij het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI) zou plaatsvinden?1
Klopt het dat dit symposium is geannuleerd? Kunt u nagaan wie dit besluit heeft genomen, wanneer dat is gebeurd en welke redenen hier voor zijn gegeven?
Klopt het dat dr. ir. Sjoukje Heimovaara, voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen University & Research (WUR), contact heeft gehad met het bestuur van KIVI over het symposium? Wat was de inhoud van dit contact en is daarbij gevraagd om aanpassing van het programma of annulering van de bijeenkomst?
Welke rol heeft dit contact gespeeld bij het besluit om het symposium te annuleren? Kunt u daarbij ook nagaan of er andere redenen waren om de bijeenkomst te annuleren?
Heeft dr. ir. Heimovaara op persoonlijke titel contact opgenomen? Hoe heeft het bestuur van KIVI dit opgevat en was voor hun duidelijk of zij namens zichzelf of namens de WUR sprak?
Volgens berichtgeving zou er bezorgdheid zijn uitgesproken over de «onevenwichtige» sprekerslijst; klopt dit en zo ja, waar was dat oordeel op gebaseerd? Welke bezwaren waren er concreet tegen het programma of de samenstelling van de sprekerslijst?
Zijn deze bezwaren vooraf met de organisatoren besproken en hebben zij de gelegenheid gekregen hier op te reageren? Zijn ook de uitgenodigde sprekers betrokken voordat het werd geannuleerd?
Is overwogen om eventuele bezwaren op een andere manier op te lossen, bijvoorbeeld door extra sprekers uit te nodigen of meer ruimte voor discussie te maken? Zo nee waarom niet?
Deelt u de mening dat er ruimte moet zijn om verschillende wetenschappelijk onderbouwde inzichten over stikstof en natuurbeheer met elkaar te bespreken, ook wanneer die afwijken van gangbare opvattingen? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierbij voor universiteitsbestuurders?
Bent u bereid bij de WUR, het bestuur van KIVI en de organisatoren na te gaan wat er precies is gebeurd en de Kamer hierover te informeren? Wilt u daarbij ingaan op de vraag of deze gang van zaken aanleiding geeft tot vervolgstappen?
Indien de berichtgeving klopt, vindt u het dan passend bij de rol van een voorzitter van de Raad van Bestuur van een universiteit om op deze wijze te interveniëren bij een evenement waarbij de eigen universiteit niet betrokken is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Maakt het daarbij verschil dat deze interventie volgens de berichtgeving «op persoonlijke titel» zou zijn gedaan? In hoeverre blijft een universiteitsbestuurder ook bij handelen op persoonlijke titel gebonden aan de normen en verantwoordelijkheden die bij deze functie horen?
Past een interventie zoals deze bij de wettelijke taken en bevoegdheden van een universiteitsbestuurder bij een door OCW bekostigde universiteit? Valt het beïnvloeden van een extern symposium daaronder? Kunt u aangeven welk wettelijk kader hierbij van toepassing is?
Vindt u dat het uiten van bezorgdheid over wetenschappelijke analyses, enkel omdat deze afwijken van de inzichten van de eigen wetenschappers of de persoonlijke opvattingen van een universiteitsbestuurder, past bij de wetenschappelijke uitgangspunten van objectiviteit, open debat en waarheidsvinding? Kunt u aangeven of daarvan in dit geval sprake was?
Het bericht 'EU-kopstuk Von der Leyen wil vetorecht Nederland fors inperken en vaart maken met nieuwe lidstaten' |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Telegraaf «EU-kopstuk Von der Leyen wil vetorecht Nederland fors inperken en vaart maken met nieuwe lidstaten»?1
Kunt u toelichten in hoeverre u bekend bent met de plannen om het vetorecht van lidstaten te beperken op het gebied van belastingfraude, energiebelasting, sociale zekerheid en tussentijdse besluiten over EU-toetreding?
Klopt het dat wanneer Europese lidstaten besluiten met gekwalificeerde meerderheid kunnen nemen over sociale zekerheid, dit ertoe leidt dat ze ook zeggenschap over onze pensioenen krijgen? Zo ja, vindt u dat wenselijk. Zo nee, waarom niet?
Kunt u voor de eerstvolgende bijeenkomst van regeringsleiders in de Europese Unie aan de Tweede Kamer doen toekomen met een kabinetsappreciatie over de voornemens?
Herinnert u zich dat de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn Europatoespraak van 26 augustus 2026 aan de Universiteit Maastricht zei2: «We can make the Union more effective by moving from unanimity to qualified-majority decision-making in some parts of the EU’s common foreign policy. We need to revise our veto system.» Welke onderdelen van het buitenlands beleid bedoelt de Minister precies? Geldt «revise our veto system» uitsluitend voor het buitenlands beleid?
Is de toespraak van de Minister van Buitenlandse Zaken in Maastricht kabinetsbeleid?
Herinnert u zich dat u op 3 maart 2026 in Brussel, naar aanleiding van het Hongaarse veto op de lening voor Oekraïne, tegen Euronews3: «The new Dutch government is in favor of less and less decision-making by unanimity on the European level». Bevestigt u deze uitspraak? Op welke terreinen wordt precies gedoeld? En op welke terreinen niet?
Erkent u dat concessies op het gebied van buitenlandse zaken financiële gevolgen kunnen hebben voor Nederland, als gevolg van besluiten waarmee Nederland niet heeft ingestemd?
Wil het kabinet het Nederlandse vetorecht op alle terreinen behouden, of is het kabinet bereid dit op sommige terreinen op te geven? Kunt u hierop een duidelijk antwoord zonder voorbehouden geven?
Indien het kabinet bereid is het veto op sommige terreinen op te geven, kunt u dan per terrein aangeven of het kabinet het Nederlandse veto wil behouden of opgeven, ook in de context van de beleidsterreinen die worden genoemd in het voorstel van Von der Leyen?
Erkent u dat een veto dat is opgegeven, daarna alleen met unanieme instemming van alle lidstaten kan worden hersteld, en dat het opgeven van een veto in de praktijk dus onomkeerbaar is?
Hoe verhoudt het opgeven van Nederlandse vetorechten zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat Nederlandse kiezers via verkiezingen invloed moeten kunnen uitoefenen op de besluiten waaraan Nederland is gebonden, en acht het kabinet dit een versterking of een verzwakking van de Nederlandse democratische zeggenschap?
Waar ligt voor het kabinet de grens? Indien het kabinet bereid is unanimiteit op aanvullende beleidsterreinen los te laten, welke bevoegdheden moeten volgens het kabinet uiteindelijk altijd nationaal blijven?
Kunt u daarbij uiteenzetten of het kabinet een verdere politieke integratie richting een «Verenigde Staten van Europa» wenselijk acht, en welke gevolgen dit volgens het kabinet zou hebben voor de Nederlandse democratie en nationale soevereiniteit?
Bent u bekend met het Frans-Duitse non-paper4 «Strengthening European resilience, addressing global macroeconomic imbalances and market distorting practices», waarin wordt voorgesteld om nieuwe handelsinstrumenten in te voeren die door de Europese Commissie kunnen worden geactiveerd tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten daartegen bezwaar maakt?
Acht u het democratisch wenselijk dat de niet-gekozen Europese Commissie vergaande handels- en marktmaatregelen kan opleggen tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten daartegen stemt? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Zegt u toe dat het kabinet niet instemt met een inperking van bestaande Nederlandse vetorechten, ook niet via politieke afspraken of conclusies van de Europese Raad tijdens de eerstvolgende bijeenkomst van de Europese Raad, voordat de Kamer de concrete voorstellen en juridische gevolgen heeft kunnen bespreken?
Bent u bereid hier alleen mee in te stemmen na instemming van de Eerste en de Tweede Kamer?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en voor de eerstvolgende bijeenkomst van de Europese Raad beantwoorden?
De Israëlberichtgeving van NOS op 3 |
|
René Claassen (PVV), Martin Bosma (PVV), Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21), Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NOS weer onder vuur vanwege Israël-berichtgeving: «Complete nonsens en een antisemitische complottheorie»» en de analyse op de website Wat leren we onze kinderen? over de video «Het lijnenspel van Israël»?1, 2
De Code Journalistiek Handelen is de gezamenlijke ethische gedragscode waar de NOS en andere landelijke publieke omroepen zich aan moeten houden. Bent u het ermee eens dat overduidelijke overtredingen van deze Code dus niet door de Minister zijn af te doen als «redactionele keuzes/vrijheid»? Welke consequenties verbindt u eraan als door de Ombudsman vastgesteld wordt dat de NOS de Code niet naleeft?
Hoe beoordeelt u de kritiek van de gerenommeerde historicus Benny Morris die stelt dat de video een antisemitische complottheorie verspreidt door te stellen dat Israël streeft naar een rijk van de Nijl tot aan de Eufraat? Bent u bereid om bij de NOS te vragen op welke bronnen de bewering berust en deze onderbouwing met de Kamer te delen?
Bent u ook van mening dat het niet de taak van de NOS is om zich in te laten met speculaties en insinuaties, laat staan het voeden van complottheorieën? Vindt u dat een sfeer van speculatie past bij het karakter van een uitlegvideo?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS bepaalde fragmenten waarin Netanyahu spreekt over samenleven met Palestijnen heeft weggelaten, waardoor zijn uitspraken volgens de analyse nu een andere betekenis krijgen? En hoe verhoudt dit zich tot het verbod op misleidende montage zoals opgenomen in de Code Journalistiek Handelen?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS met name extreme Israëlische stemmen laat zien en horen en tegelijkertijd Israëlische veiligheidsargumenten onvoldoende aan bod laat komen? Deelt u dat deze selectiviteit het beeld kan doen ontstaan dat Israël bij voorbaat de schuldige is?
Hoe beoordeelt u de bevinding van de onderzoekers dat in berichtgevingen rondom het conflict de onwaarheden en selectieve weglatingen bijna altijd in het nadeel van Israël uitvallen? Wanneer is volgens u sprake van systematische vooringenomen berichtgeving?
Deelt u de conclusie dat sprake is van met twee maten meten wanneer Israëlische verklaringen kritisch worden bevraagd, maar beschuldigingen aan Israël zonder enige controle worden overgenomen? Hoe kan u voorkomen dat de NOS met twee maten blijft meten?
Wat vindt u ervan dat de terroristische aanslagen van 7 oktober 2023 een zo marginale plek krijgen in deze video van de NOS?
Kunt u nagaan of deze video via Schooltv of andere lesmethodes wordt aangeboden, en zo ja, of en hoe eventuele correcties ook deze scholen en leerlingen bereiken en voldoende aandacht krijgen?
Bent u bereid de NOS te vragen om publiekelijk en inhoudelijk op deze kritiek te reageren en daarmee de vastgestelde fouten te herstellen, zoals voorgeschreven in de Code Journalistiek Handelen, en hierover de Kamer te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat dergelijke fouten leiden tot minder draagvlak voor en vertrouwen in de NOS in de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen vóór het mediadebat op 16 november aanstaande beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Het zicht op de doelmatigheid van agentschappen |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het interdepartementaal beleidsonderzoek «IBO Agentschappen: Samen werken aan publieke waarde», waarin is vastgesteld dat sturing op doelmatigheidsindicatoren in de praktijk beperkt plaatsvindt en dat een kwantitatieve vergelijking van doelmatigheid over de jaren heen lastig is?1
Klopt het dat de Regeling agentschappen voorschrijft dat u samen met de vakminister ten minste eens per vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van elk van de 28 agentschappen beoordeelt en het rapport openbaar maakt?2
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle agentschappen met per agentschap de datum van de laatste doorlichting, het oordeel over de doelmatigheid en de datum waarop de volgende doorlichting is voorzien?
Bij hoeveel agentschappen ligt de laatste doorlichting langer dan vijf jaar terug? Bij welke, en wat is daarvan de reden?
Hoeveel voorbeelden hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot aanpassing van de bekostiging, tarieven, governance of agentschapsstatus? Kunt u dit per agentschap specificeren?
Bij hoeveel agentschappen is over de afgelopen vijf jaar een positieve doelmatigheidsontwikkeling vastgesteld en bij hoeveel kon die ontwikkeling niet worden vastgesteld door het ontbreken van bruikbare indicatoren?
Welke maatregelen zijn sinds de kabinetsreactie op het beleidsonderzoek genomen om de sturing op doelmatigheid te verbeteren3, en waaruit blijkt dat die sturing daadwerkelijk is verbeterd?
Wat is er bij de herziening van de Regeling agentschappen per 1 januari 2025 gewijzigd aan de eisen die aan de beoordeling van doelmatigheid worden gesteld? Zijn die eisen aangescherpt, gelijk gebleven of verruimd?
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks één rijksbreed overzicht te sturen waaruit blijkt welke agentschappen zijn doorgelicht, wat het oordeel was, welke maatregelen zijn afgesproken en wanneer opnieuw wordt beoordeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘OM gaat geschorste Palestijnse student die duim opstak bij Hamas video niet vervolgen’ |
|
Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat geschorste Palestijnse student die duim opstak bij Hamas video niet vervolgen»?1
Kunt u toelichten op basis van welke informatie, feiten en omstandigheden het Openbaar Ministerie heeft besloten dat er geen sprake is van strafbare feiten?
Kunt u toelichten op welke wijze het Openbaar Ministerie tot de conclusie is gekomen dat deze Palestijnse student niet betrokken was bij de aanslagen op 7 oktober 2023?
Kunt u als Minister van Justitie en Veiligheid garanderen dat deze persoon geen gevaar is voor de Nederlandse nationale veiligheid? Zo ja, waar baseert u dit op? Zo nee, welke maatregelen worden genomen?
Bent u bekend met de brief van IJAR Maastricht aan de Universiteit Maastricht waarin ernstige zorgen worden geuit over de veiligheid van Joodse en Israëlische studenten?
Hoe beoordeelt u het signaal dat deze studenten geven dat de video door veel Joodse en Israëlische studenten wordt opgevat als een steunbetuiging aan Hamas en tot gevoelens van angst en onveiligheid leidt?
Wat zou u tegen deze studenten willen zeggen over het feit dat wij mensen uit Gaza halen die hun vrijheid onder druk zetten?
Waarom zouden wij iemand die hier te gast is in Nederland laten blijven wanneer zijn optredens leiden tot deze maatschappelijke onrust, polarisatie en gevoelens van onveiligheid?
Waar ligt voor u de grens om te zeggen dat personen zoals deze niet in Nederland welkom zijn?
Bent u bekend ermee bekend dat deze Palestijnse student beelden op het internet verspreid van zeer ernstige terroristische misdaden?
Bent u ermee bekend dat al eerder door de Raad van State gesteld is dat onder omstandigheden het verheerlijken van terroristisch geweld nu al strafbaar is? Zo ja, waarom valt deze situatie daar dan niet onder?
Bent u van mening dat het verspreiden van beelden van terroristische misdrijven verenigbaar is met de waarden van de Nederlandse samenleving? Kunt u dit toelichten?
Bent u bereid om samen met de Minister van Asiel en Migratie de mogelijkheden te bekijken hoe de verblijfsstatus van deze Palestijnse student kan worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen met spoed en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De resultaten van de IPCEI Waterstof-subsidies uit 2022 en de gevolgen voor nieuwe waterstofsubsidies |
|
Mona Keijzer |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht dat de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie op 2 december 2022 aan de Kamer schreef dat Nederland in de tweede golf van de Important Projects of Common European Interest (IPCEI) Waterstof in totaal 783,5 miljoen euro verdeelt over grootschalige projecten voor de productie van waterstof met elektriciteit?
Hoeveel projecten hebben subsidie gekregen, en staan die allemaal in de openbare projectendatabase van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)? Zo nee, welke ontbreken en waarom?
Kunt u voor elk van deze IPCEI-projecten aangeven hoeveel capaciteit er was voorzien, hoeveel er is gebouwd, wanneer de productie oorspronkelijk zou starten, wanneer dat nu wordt verwacht en hoeveel waterstof er tot nu toe is geproduceerd?
Kunt u voor elk van deze IPCEI-projecten aangeven welk bedrag aan subsidie is verleend, hoeveel daarvan is bevoorschot, of de subsidie al is vastgesteld en zo ja tot welk bedrag, hoeveel is ingetrokken of teruggevorderd, en welk bedrag nog als openstaande verplichting op de begroting staat?
Wat was de CO2-reductie die bij de subsidieverlening per IPCEI-project werd verwacht, hoeveel is daarvan tot nu toe gerealiseerd, en wat zijn daarmee de subsidiekosten per vermeden ton CO2?
Op 15 februari 2022 schreef de toenmalige Minister dat «projecten met duurzame waterstoftechnologie nog niet commercieel haalbaar» waren;1 van welke specifieke aannames werd bij de IPCEI-subsidieronde uitgegaan en hoe verhouden deze zich tot de huidige werkelijkheid? Kunt u de berekeningen die destijds zijn gebruikt aan de Kamer sturen?
Wordt de IPCEI-subsidieronde uit 2022 onafhankelijk geëvalueerd, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer, en zo ja, wanneer ontvangt de Kamer die evaluatie? Zo nee, bent u bereid daartoe opdracht te geven?
Naast IPCEI Waterstof is geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling Opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse (OWE) en volgens de brief van 14 juli 2025 was daarvoor toen nog 2,1 miljard euro beschikbaar;2 kunt u een overzicht geven van alle middelen die sinds 2022 zijn vrijgemaakt voor de productie van waterstof met elektriciteit, met per regeling en per jaar het gereserveerde, het verleende en het uitbetaalde bedrag, en aangeven wat er met dit budget van 2,1 miljard euro is gebeurd?
Welke voorwaarden gelden in de volgende OWE-ronde voor het tijdig bouwen van de gesubsidieerde installaties, en wat gebeurt er met de subsidie als een project niet wordt gebouwd?
Bent u bereid de Kamer, voordat een nieuwe OWE-ronde wordt opengesteld, te informeren over de resultaten van de eerdere IPCEI- en OWE-rondes, uitgedrukt in gebouwde capaciteit, geproduceerde waterstof en uitbetaalde subsidie?
In de begroting voor 2027 stelt u dat bedrijven «alleen met een directe subsidie» voldoende zekerheid hebben om te investeren in elektrolyse;3 hoeveel subsidie is naar verwachting nog nodig, en tot welk jaar, voordat de productie van waterstof met elektriciteit in Nederland zonder subsidie commercieel haalbaar is?
Kunt u deze vragen allemaal afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De opbrengsten en publieke kosten van windenergie op zee |
|
Mona Keijzer |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Bent u bekend met het wetenschappelijk memo van TU Delft van 19 december 2025, waarin staat dat de opbrengst van grootschalige windparken sterk afhangt van de gekozen aannames?1
Welke aannames over de jaarlijkse elektriciteitsproductie zijn gehanteerd bij de besluitvorming over publieke investeringen in wind op zee en hoe gevoelig zijn deze berekeningen voor lagere opbrengsten?
Herinnert u zich uw reactie van 20 januari 2026 waarin schrijft u dat de lagere opbrengst uit het onderzoek van Ferreira c.s. te conservatief is (Kamerstuk 33 561, nr. 100)? Van welke jaarlijkse elektriciteitsproductie gaat u nu uit en is deze aanname ook gebruikt bij de berekening van de benodigde publieke middelen?
Kunt u voor ieder operationeel Nederlands windpark op zee aangeven hoeveel elektriciteit bij de aanleg jaarlijks werd verwacht, hoeveel in 2024 en 2025 daadwerkelijk is geproduceerd en hoeveel publieke middelen met de aanleg en aansluiting van het park waren gemoeid?
Welke gevolgen hebben deze praktijkcijfers voor de beoordeling van de doelmatigheid van de publieke uitgaven aan de nog te bouwen windparken?
Hoeveel publiek geld is tot nu toe uitgegeven, toegezegd of gereserveerd voor de aanleg en aansluiting van windparken op zee?
Hoeveel publiek geld verwacht u de komende jaren nog nodig te hebben voor de geplande uitbreiding van wind op zee en hoe bent u voornemens dit te financieren?
Kunt u uitsplitsen welk deel van de publieke kosten voor wind op zee bestaat uit subsidies, welk deel uit netaansluitingen, welk deel uit netverzwaring en welk deel uit overige investeringen?
Welke gevolgen heeft een lagere elektriciteitsproductie dan waarmee nu wordt gerekend voor de benodigde publieke ondersteuning en voor de kosten per geproduceerde MWh?
Welke criteria gebruikt u om te beoordelen of de publieke uitgaven aan wind op zee doelmatig zijn en worden daarbij de totale publieke kosten afgezet tegen de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid elektriciteit?
Bent u bereid voor nieuwe grote financiële verplichtingen voor wind op zee onafhankelijk te laten toetsen wat bestaande windparken daadwerkelijk hebben opgeleverd, wat de totale publieke kosten daarvan waren en welke lessen daaruit moeten worden getrokken voor nieuwe investeringen?
Heeft het kabinet een maximumnorm voor de publieke kosten per daadwerkelijk geproduceerde MWh elektriciteit uit wind op zee? Zo ja, welke?
Vanaf welk niveau van tegenvallende elektriciteitsproductie zou het kabinet eerdere investeringsbeslissingen achteraf als ondoelmatig beoordelen?
Kunt u deze vragen allemaal afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Premier Jetten: uitspraak over ’vol op hun bek slaan’ was ’slip of the tongue’' en het 'Briefje van Jan - aan Rob ‘Badr’ Jetten' - by Jan Dijkgraaf |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Handhaaft u uw uitspraak over «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties» die kleine en grote groepen zouden aanvallen om meer macht te verkrijgen en hun eigen zakken te vullen wel, of trekt u die ook in?1, 2
Welke organisaties bedoelde u en op welke concrete feiten baseerde u deze uitspraak?
Is er volgens u in de recente onderzoeken door de Universiteit Utrecht of de Universiteit van Amsterdam over homoaccepatie onderzoek naar gedaan? Zo ja, welke organisaties zijn in deze onderzoeken genoemd?
Welke financieringsstromen bedoelde u precies? Kunt u aangeven wie de financiers zijn, uit welke landen deze afkomstig zijn en welke organisaties deze middelen ontvingen en hoeveel?
Zijn bij de door u genoemde financieringsstromen buitenlandse overheden of aan hen gelieerde organisaties betrokken? Zo ja, welke en waaruit blijkt hun betrokkenheid?
Welke «kleinere groep» of «grotere groepen» worden volgens de Minister-President gepakt en door welke organisatie of organisaties? Waaruit blijkt dat zij een strategie volgen waarbij zij achtereenvolgens steeds grotere groepen treffen? Welke groepen zijn dat precies?
Hoe zagen die «goed georganiseerde en goed gefinancierde» aanvallen er in de praktijk uit? Kunt u per aanval aangeven wat er heeft plaatsgevonden en op welke feiten u de betrokkenheid van de door u bedoelde organisaties baseert?
Waaruit blijkt dat de door u bedoelde organisaties met deze activiteiten meer macht proberen te verkrijgen? Welke macht betreft dit en in hoeverre zijn zij daarin geslaagd?
Waarop baseert u uw bewering dat deze organisaties hun eigen zakken vullen? Welke organisaties of personen hebben zich volgens u verrijkt, met welke bedragen en hoe houdt deze verrijking verband met de door u genoemde aanvallen?
Kunt u dit uitsplitsen per land, per donor en per ontvangende organisatie?
Doelde u met «aanvallen» op geweld, bedreiging of andere volgens u strafbare feiten? Welke?
Zitten hier ook uitingen en activiteiten bij die u afwijst maar wel binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting vallen? Zo ja, welke?
Vindt u dat van een Minister-President mag worden verwacht dat hij dergelijke beschuldigingen toelicht en onderbouwt, ook wanneer hij spreekt op een partijcongres? Waarom heeft u daarbij niet duidelijk gemaakt welke organisaties u bedoelde?
Indien u uw beweringen over georganiseerde aanvallen, machtsverwerving en zelfverrijking niet kunt onderbouwen, bent u dan bereid deze publiekelijk te corrigeren?
Indien in de antwoorden opgenomen gaat worden dat delen van de gevraagde informatie niet gedeeld kan worden, kunt u dan per onderdeel aangeven waarom er een belemmering bestaat om deze openbaar te delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds wanneer beschikt het kabinet over de informatie waarop u uw uitspraken baseert?
Aangezien u de woorden dat u mensen «vol op de bek ging slaan» heeft ingetrokken, hoe kijkt u terug op het enthousiast mee applaudisseren van de D66-leden ter plekke?
De omvang van het Rijksapparaat en de overschrijding van de Roemernorm |
|
Mona Keijzer |
|
Enneüs Heerma (CDA), Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het Verantwoordingsonderzoek 2025, waarin de Algemene Rekenkamer vaststelt dat aan de budgettaire taakstelling op het apparaat geen concrete doelen of resultaatafspraken zijn gekoppeld en dat daardoor onzeker is of het aantal fte daadwerkelijk afneemt?1
Klopt het dat het aantal rijksambtenaren in 2025 is gestegen van 157.015 naar 160.016 fte?2
In welk jaar wordt voor het eerst een daling in plaats van een stijging geschat?
Klopt het dat het regeerakkoord een efficiencytaakstelling van 400 miljoen euro en een aanvullende taakstelling van één miljard euro bevat3, samen oplopend tot 1,4 miljard euro structureel vanaf 2030 en dat deze bovenop de taakstelling van één miljard euro van het vorige kabinet komt?4
Klopt het dat ook deze nieuwe taakstelling uitsluitend budgettair is vormgegeven en dat daarin geen aantal fte, geen percentage en geen streefomvang van de Rijksoverheid is opgenomen?
Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de constatering van de Algemene Rekenkamer dat juist het ontbreken van dergelijke doelen het zicht op de krimp wegneemt?
Welke omvang van de Rijksoverheid in fte streeft het kabinet na en in welk jaar moet die zijn bereikt?
Indien het kabinet geen streefomvang van de Rijksdienst in fte hanteert, hoe kan dan worden vastgesteld of de taakstelling daadwerkelijk leidt tot een kleinere overheid in plaats van uitsluitend tot budgettaire verschuivingen?
Kunt u de Kamer per ministerie een overzicht sturen van het aantal fte eind 2025, de beoogde stand in de jaren daarna en de besparing die daarbij hoort?
Op welke inhoudelijke analyse is de verdeling van de taakstelling over de ministeries gebaseerd, en welke taken vervallen, worden vereenvoudigd of gedigitaliseerd om die besparing mogelijk te maken? Of is de taakstelling naar rato van het apparaatsbudget verdeeld?
Onderkent u dat een naar rato verdeelde korting ertoe kan leiden dat capaciteit verdwijnt bij uitvoeringsorganisaties waar de opgave juist toeneemt, zoals de hersteloperatie toeslagen en de schadeafhandeling in Groningen, terwijl overhead elders in stand blijft?
Welke organisaties zijn om die reden ontzien en ten laste van welke andere onderdelen is dat gegaan?
Klopt het dat de Algemene Rekenkamer 269 uitvoeringstoetsen heeft onderzocht en dat 38 procent daarvan geen of geen duidelijke uitspraak doet over de personele consequenties van nieuwe wet- en regelgeving?5
Hoe kan een onderbouwde reductie van het apparaat worden vastgesteld zolang niet in beeld is hoeveel mensen nieuw beleid kost?
Klopt het dat de externe inhuur bij het Rijk over de eerste helft van 2025 uitkwam op 11,4 procent van de personele uitgaven6 en dat de Roemernorm van tien procent daarmee opnieuw is overschreden? In welk jaar komt het Rijk weer onder die norm?
Klopt het dat het terugdringen van externe inhuur deels plaatsvindt door verambtelijking en dat dit het aantal fte verhoogt?7 Wordt dat effect apart zichtbaar gemaakt, en hoe wordt voorkomen dat een lagere inhuur terugkeert als hogere formatie of omgekeerd?
Wat gebeurt er als een ministerie de afgesproken reductie niet haalt en over welke instrumenten beschikt de Minister van Financiën om dan bij te sturen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met de aangehouden motie waarin de regering wordt opgeroepen om bij defensie-inkopen uitsluitend in te zetten op Nederlandse en Europese producenten?1
Deelt u de opvatting dat afhankelijkheid van China voor kritieke defensietoepassingen ongewenst is, zeker wanneer Nederlandse bedrijven (zoals bij supervezels) beschikken over de benodigde kennis, productiecapaciteit en de volledige waardeketen?
Welke concrete stappen heeft Defensie sinds het debat gezet om de afhankelijkheid van Chinese supervezels af te bouwen en Nederlandse of Europese alternatieven te benutten?
Welke lopende en voorgenomen contracten voor ballistische en blastbeschermende middelen zijn sinds het debat beoordeeld op de mogelijkheid om Chinese materialen te vervangen door Nederlandse of Europese alternatieven?
Hoe verklaart u dat bedrijven uit de sector aangeven dat zij sinds het aanhouden van de motie niets meer van Defensie hebben vernomen?
Klopt het dat Defensie nog geen contact heeft opgenomen met Nederlandse producenten van supervezels en ballistische beschermingsmiddelen over de uitvoering van deze motie? Zo nee, met welke bedrijven is wanneer gesproken?
Hoe verhoudt het blijven gebruiken van Chinese supervezels zich tot de ambitie van het kabinet om de Nederlandse defensie-industrie te versterken en strategische afhankelijkheden af te bouwen?
Welke concrete acties heeft u sinds het debat ondernomen om Nederlandse producenten van supervezels in een positie te brengen waarin zij Defensie kunnen bevoorraden of leverancier van de wereld kunnen worden?
Kunt u aangeven welke financiële omvang gemoeid is met de lopende en voorgenomen inkoop van ballistische en blastbeschermende middelen waarvoor Nederlandse producenten in aanmerking zouden kunnen komen?
Wanneer verwacht u daadwerkelijk over te gaan tot aanbestedingen waarbij Nederlandse supervezelproducenten kunnen inschrijven? Kunt u een concreet tijdpad geven?
Uitgaven waarvan de effectiviteit niet is aangetoond |
|
Mona Keijzer |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Evaluaties evalueren» van de Algemene Rekenkamer, waaruit blijkt dat slechts 22 procent van de onderzochte periodieke rapportages voor een aanzienlijk deel van het beleid duidelijk maakt of resultaten tegen zo laag mogelijke kosten zijn bereikt?1
Welk bedrag aan jaarlijkse rijksuitgaven is gemoeid met beleid waarvan op basis van de beschikbare evaluaties niet aantoonbaar is dat het beoogde effect wordt bereikt?
Klopt het dat aan de inkomstenkant 116 fiscale regelingen op een rij zijn gezet2 en dat bij de Voorjaarsnota 2025 een groslijst van negatief geëvalueerde fiscale regelingen beschikbaar was3, terwijl een vergelijkbaar overzicht voor de uitgavenkant ontbreekt? Waarom bestaat dat overzicht daar niet?
Klopt het dat in de begrotingsregels het uitgangspunt geldt dat een negatief geëvalueerde fiscale regeling wordt afgeschaft of aangepast, tenzij handhaving gemotiveerd wordt?4 Waarom geldt datzelfde uitgangspunt niet voor uitgavenregelingen?
Bent u bereid een Rijksbreed overzicht te laten opstellen met per subsidie of beleidsuitgave het jaarlijkse budgettaire beslag, de conclusie van de laatste evaluatie over doeltreffendheid en doelmatigheid, en de beleidsmatige consequentie die daaraan is verbonden?
Kunt u daarbij onderscheid maken tussen uitgaven die negatief zijn geëvalueerd en uitgaven waarvan het effect niet vast te stellen is doordat gegevens of een heldere doelstelling ontbreken?
Hoeveel en welke uitgavenregelingen zijn de afgelopen vijf jaar negatief geëvalueerd en desondanks ongewijzigd voortgezet?
Bent u bereid het uitgangspunt van «afschaffen of aanpassen tenzij gemotiveerd anders wordt besloten», bij de eerstvolgende herziening van de begrotingsregels ook aan de uitgavenkant op te nemen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland uitzonderlijke maatregelen neemt vanwege de waterschaarste. |
|
Mona Keijzer |
|
Silvio Erkens (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
Bent u bekend met het besluit van het Hoogheemraadschap van Delfland om per 5 augustus 2026 een volledig verbod in te stellen op het onttrekken van oppervlaktewater voor onder meer de glastuinbouw, landbouw en andere economische functies?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Kunt u uiteenzetten hoe ernstig het watertekort in Delfland daadwerkelijk is en op welke objectieve gegevens dit besluit is gebaseerd? In hoeverre verschilt de huidige situatie van eerdere droge jaren waarin dergelijke ingrijpende maatregelen niet of later zijn genomen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) heeft te maken met een ernstig watertekort en ziet, als gevolg daarvan, risico’s voor de stabiliteit van keringen binnen het beheergebied toenemen. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte waterkwaliteit. Een watertekort ontstaat geleidelijk en wordt objectief beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling in waterstanden, aanvoerdebieten en berekeningen van de watervraag en -verlies door bijvoorbeeld verdamping.
Vergeleken met eerdere droogte jaren is de huidige droogte zeer ernstig. Het huidige neerslagtekort valt in de 5% hoogste ooit gemeten en ook de rivierafvoeren zijn historisch laag. De afvoer van de Rijn is met 553 m3/s lager dan ooit gemeten, de afvoer van de Maas is laag, grondwaterstanden zijn op de meeste plaatsen laag tot extreem laag en ook het waterpeil van het IJsselmeer is onder de zomerse ondergrens gezakt. Bij gebrek aan externe wateraanvoermogelijkheden zijn waterschappen als Delfland genoodzaakt pijnlijke maatregelen te nemen om de watervraag te verminderen; aan de aanbodkant kan immers niet of beperkt gestuurd worden. Zoals in Delfland het geval is, kunnen deze maatregelen onder meer de glastuinbouw, landbouw en natuur, maar ook andere categorie 3 en 4 functies uit de wettelijke verdringingsreeks hard raken. Toch zijn deze maatregelen nodig om de waterveiligheid te borgen en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen (categorie 1 en 2 functies uit de verdringingsreeks).
Kunt u gezien het watertekort het experiment «Haringvlietsluizen op een kier»1 tijdelijk stopzetten, zodat er minder zout water de Haringvliet binnenstroomt?
In het Kierbesluit Haringvlietsluizen is rekening gehouden met situaties van lage Rijnafvoeren en droogte. Dit is vastgelegd in een bedienprotocol. Bij een Rijnafvoer van 1.100 m3/s of lager gaan de Haringvlietsluizen dicht. Daarom zijn de sluizen deze zomer al sinds 25 juni dicht. Er is daardoor geen risico op verzilting van de inlaatpunten voor zoetwater in dit gebied als gevolg van het Kierbesluit.
Is bij u bekend welke economische schade dit verbod kan veroorzaken voor boeren en tuinders in het beheergebied van Delfland, in het bijzonder voor grondgebonden glastuinbouwbedrijven met teelten zoals radijs, sla, chrysanten en alstroemeria?
Op 13 augustus jl zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken. Er is sprake van economische schade, maar de omvang van deze schade is lastig exact in te schatten.
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven in de groente- en bloementeelt. Ongeveer 10% hiervan teelt in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. De omvang van de economische schade voor deze bedrijven is onder meer afhankelijk van het gewas en het aantal teeltcycli. Bij langdurige teelten, zoals alstroemeria, kan de economische schade groter zijn dan bij gewassen met meerdere teeltcycli per jaar. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 11.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit onttrekkingsverbod kan hebben voor de productie, werkgelegenheid en bedrijfscontinuïteit van de naar schatting 150 glastuinbouwbedrijven2 ?
Het onttrekkingsverbod zal gevolgen hebben voor een aanzienlijk deel van de glastuinbouwbedrijven in dit gebied. De omvang van de gevolgen is afhankelijk van vele factoren zoals de mate van waterbuffer die de bedrijven hebben kunnen opbouwen vóórafgaand aan het onttrekkingsverbod, de mogelijkheid en kosten van de inzet van alternatieve waterbronnen, de inzet van ondernemers om hun weerbaarheid tegen droogte te versterken (bijv. met investeringen in waterrecirculatie technieken of droogtebestendige gewassen en teeltsystemen), en de uiteindelijke duur van het onttrekkingsverbod. Na afloop van de droogte zal het Rijk de economische schade als gevolg van de huidige droogte landelijk in beeld brengen en evalueren.
Klopt het dat tuinders onvoldoende of zeer laat zijn geïnformeerd over de ernst van de situatie en de mogelijkheid van een volledig onttrekkingsverbod? Zo ja, acht u dit goed bestuur en bent u bereid Delfland hierop aan te spreken?
De droogtesituatie wordt door waterbeheerders dagelijks geëvalueerd en impactvolle besluiten worden zo lang als de situatie dat toelaat uitgesteld om onnodige schade ten gevolge daarvan te voorkomen. Delfland geeft aan dat een onverwacht sterke daling van de Rijnafvoer in combinatie met een uitzonderlijk neerslagtekort ertoe heeft geleid dat het snel moest besluiten tot een onttrekkingsverbod. Betrokken stakeholders zijn daarna zo snel mogelijk geïnformeerd. Daarbij geeft Delfland aan de periode tussen het nemen van het besluit en het ingaan van het onttrekkingsverbod zo lang mogelijk te hebben gemaakt (zo lang als de situatie toeliet) om de sectoren te kunnen informeren. Delfland heeft gehandeld conform de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks die bij de betrokken partijen bekend is. Op dit moment sta ik in nauw contact met Delfland en Glastuinbouw Nederland over de droogtesituatie en ieders handelingspersperspectief.
Klopt het dat in eerdere communicatie van Delfland richting ondernemers de indruk is gewekt dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn? Hoe beoordeelt u in dat licht de communicatie vanuit Delfland richting ondernemers?
Nee, dit klopt niet. Delfland heeft niet gecommuniceerd dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn. Via de website, sociale media en de lokale pers is door het waterschap gedurende de droogteperiode uitvoerig gecommuniceerd over de droogtesituatie, de zorgen over de zoetwaterbeschikbaarheid en de reeds genomen en mogelijk nog te nemen maatregelen.
Klopt het dat Delfland vooral vasthoudt aan normen omtrent zoutgehalten in het water en daarom kiest voor een volledig verbod op onttrekking? Zo ja, welke afweging is daarbij gemaakt tussen de risico's van een tijdelijk hoger zoutgehalte enerzijds en het volledig verloren gaan van gewassen anderzijds?
Delfland geeft aan dat bij de afweging die is gemaakt de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks is gehanteerd, waarbij waterveiligheid de hoogste prioriteit heeft. Bij de afweging omtrent een tijdelijk hoger zoutgehalte is meegewogen dat dit leidt tot verdere verzilting van het watersysteem. Dit brengt risico's met zich mee voor verschillende zoetwatervragers, waaronder de landbouw en glastuinbouwsector zelf en de (onderwater)natuur. Daarnaast heeft Delfland afspraken over het doorvoeren van water met een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit met het buurwaterschap, waar het water ook meerdere gebruiksfuncties moet kunnen dienen.
Is onderzocht of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, bijvoorbeeld uitsluitend overdag, mogelijk was geweest, zodat in de nacht nog beperkt gebruik van oppervlaktewater kon plaatsvinden?
Ja, Delfland geeft aan een gedeeltelijk onttrekkingsverbod te hebben overwogen. Geconcludeerd is echter dat ál het beschikbare zoetwater nodig is om de waterveiligheid te borgen. Inmiddels zijn al bij verschillende dijken binnen het beheergebied scheuren ontstaan. Het waterschap monitort de dijken nauwlettend en voert waar nodig herstelwerkzaamheden uit.
Is onderzocht of onder gecontroleerde omstandigheden tijdelijk een hoger zoutgehalte kon worden toegestaan om ernstige economische schade aan voedsel- en sierteeltgewassen te voorkomen? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Ja, Delfland geeft aan dat deze mogelijkheid is onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Indien tijdelijke toelating van zouter water onvoldoende hulp zou bieden, is onderzocht of aanvullend gebruik kan worden gemaakt van gezuiverd effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Hoek van Holland of Waterzuivering Harnaschpolder in Den Hoorn voor de bloementuinbouw? Zo nee, waarom niet?
Ja, Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in goed gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Er liggen meer opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ook ontzilting van brak- of zoutwater.
Kunt u toezeggen om samen met Delfland, de glastuinbouwsector en andere betrokken partijen te onderzoeken of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, een hoger zoutgehalte of een tijdelijke inzet van gezuiverd effluent van de RWZI Hoek van Holland mogelijk kan zijn om acute schade aan gewassen en bedrijven te voorkomen?
Op donderdag 13 augustus jl. zijn Staatssecretaris Silvio Erkens van het Ministerie van LVVN en ik bij Delfland op bezoek geweest, waar we met het waterschap en de sector hebben gesproken over het beschermen van de dijken en de mogelijkheden om schade aan gewassen door de watertekorten te voorkomen. Zo hebben wij bijvoorbeeld gesproken over het gebruik van gezuiverd effluent en het ontzilten van zoutwater. Met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden de verschillende opties uitvoerbaar zijn. Feitelijk wordt momenteel reeds 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke rol speelt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) bij deze besluitvorming en is binnen die commissie gesproken over alternatieven waarbij bijvoorbeeld tijdelijk meer verzilting wordt geaccepteerd ten gunste van voedselproductie en economische continuïteit? Zo nee, waarom is deze commissie niet meegenomen hierin en welke lessen trekt u hieruit?
De LCW heeft een landelijk coördinerende en adviserende functie, maar de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor beheermaatregelen ligt bij de betreffende waterbeheerder(s). Bovenregionale afstemming vindt binnen de LCW plaats. In dit geval was dit een maatregel binnen één Regionaal Droogte Overleg (RDO) en was er dus geen afstemming nodig met de LCW.
Hoe verhoudt de droogtesituatie in het beheergebied van Delfland zich tot de situatie in andere delen van Nederland waar eveneens sprake is van aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren?
De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s om verschillende redenen. Het neerslagtekort in deze regio is groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoetwater in het gebied is beperkt mogelijk. Door de ligging aan zee is er ook sprake van toenemende zoutindringing, wat een probleem is voor de landbouw vanwege schade aan gewassen. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en liggen er veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied van Delfland.
Zijn er andere waterschappen die momenteel te maken hebben met vergelijkbare omstandigheden, maar waarbij geen volledig verbod op het onttrekken van oppervlaktewater voor de glastuinbouw of landbouw is ingesteld? Zo ja, welke verschillen bestaan er in de gekozen aanpak en belangenafweging?
Ja, ook bij andere waterschappen doen zich vergelijkbare omstandigheden met betrekking tot droogte voor. Echter, door regionale verschillen is de situatie bij elk waterschap anders, zo ook de omvang van de watertekorten en de genomen maatregelen. In het oosten van Nederland, waar de bodem veel zandiger is, staat het oppervlaktewatersysteem in nauwere verbinding met het grondwatersysteem. Meer dan elders zetten waterschappen hier in op grondwatermaatregelen, zoals grondwateronttrekkingsverboden. Deze zijn op verschillende plekken ingesteld om onomkeerbare schade aan Natura 2000-gebieden, eveneens categorie 1 in de verdringingsreeks, te voorkomen. In het noorden van Nederland daarentegen is het neerslagtekort kleiner en is wateraanvoer uit het IJsselmeer tot nu toe mogelijk geweest. De droogteproblematiek is hier dan ook minder kritiek.
Zo maken waterbeheerders binnen hun eigen bevoegdheden en regionale context een eigen afweging over de inzet van maatregelen. Daarbij worden de effectiviteit en proportionaliteit beoordeeld, passend bij de omstandigheden in het eigen beheergebied. Overigens hebben inmiddels de meeste regio’s onttrekkingsverboden ingesteld.
Klopt het dat Glastuinbouw Nederland niet is betrokken bij de totstandkoming van deze maatregelen en dat overleg over alternatieve oplossingen beperkt of zelfs niet heeft plaatsgevonden? Indien dit klopt, hoe beoordeelt u dat?
Delfland heeft het besluit zelfstandig genomen. Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit. Verder geldt dat reeds enkele jaren, ook tijdens eerdere perioden van droogte, regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen Delfland en Glastuinbouw Nederland over alternatieve gietwaterbronnen. De huidige droge periode onderstreept het belang van deze gesprekken. Momenteel worden met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zie vraag 12.
Is de gemeente Westland, waar een groot gedeelte tuinders actief zijn, vooraf betrokken door Delfland bij de totstandkoming van deze maatregel en eventuele alternatieven? Zo niet, hoe beoordeelt u dit gebrek aan afstemming door Delfland?
De gemeente Westland is, net als andere stakeholders, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de maatregelen geïnformeerd. Ik herken het beeld niet dat er een gebrek aan afstemming is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Deelt dit kabinet de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers zwaarwegende publieke belangen zijn die nadrukkelijk moeten worden meegewogen bij besluiten over waterschaarste?
Het kabinet deelt de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers belangrijk zijn. Daarom zet het kabinet zich ervoor in om met maatregelen de balans tussen watervraag en wateraanbod zo lang mogelijk in stand te houden, waardoor het inzetten van de verdringingsreeks zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Echter in zeer droge perioden zoals nu, is dit niet langer mogelijk en bepaalt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks welke belangen maatschappelijk het zwaarst wegen.
Hoe weegt het kabinet in situaties van waterschaarste, buiten het al bestaande overzicht van verdeling van zoetwater in droge tijden3 , de belangen van voedselproductie, werkgelegenheid en economische continuïteit af tegen andere belangen binnen de verdringingsreeks?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld tussen de volgende vier categorieën (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– Verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Voor de afweging binnen de categorieën van de verdringingsreeks geldt dat Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen treffen die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
Daarbij geldt dat de categorieën 1 en 2 een vaste prioriteitsvolgorde kennen; dat is te zien aan de nummering in bovenstaand schema. Het gaat hierbij met name om maatschappelijke functies, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. Zo wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen van schade aan waterkeringen en aan vitale natuur, en ook aan het waarborgen van de leveringszekerheid van energie en drinkwater.
Binnen de categorieën 3 en 4 is er ruimte voor regionaal maatwerk; hier geldt geen vaste prioriteitsvolgorde. Regionaal kan dus door waterbeheerders worden bepaald welke volgorde binnen deze categorieën wordt aangehouden. Deze categorieën betreffen vooral, maar niet uitsluitend, economische functies. De mate waarin verschillende functies worden getroffen, kan daarbij sterk verschillen per regio. Categorie 3 heeft binnen de verdringingsreeks een bijzondere positie. Deze categorie vormt een uitzondering op categorie 4, waaronder onder meer landbouw en industrie vallen. Het uitgangspunt is dat met een relatief kleine hoeveelheid water, gedurende een beperkte periode, een zeer groot maatschappelijk of economisch effect kan worden bereikt, bijvoorbeeld door massale faillissementen of het volledig falen van de oogst te voorkomen. Ook bij categorie 3 blijft echter gelden dat de belangen uit categorie 1 en 2 voorgaan. Dat speelt op dit moment ook in Delfland, waar het borgen van de waterveiligheid zwaarder weegt dan het beschikbaar stellen van water voor functies in de categorieën 3 en 4.
Bent u momenteel in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, Glastuinbouw Nederland en andere betrokken partijen over de gevolgen van deze maatregel? Zo nee, bent u bereid dit overleg met spoed te initiëren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid zich actief in te zetten voor een oplossing waarbij ondernemers niet onnodig de dupe worden van bestuurlijke keuzes en waarbij ondernemers die binnen enkele dagen zonder water komen te zitten worden geholpen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat waterschaarste ingrijpende gevolgen kan hebben voor ondernemers. Tegelijkertijd, bij ernstige waterschaarste moeten maatregelen worden genomen om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers niet onnodig worden geraakt en dat binnen de kaders van de verdringingsreeks waar mogelijk naar oplossingen wordt gezocht. Daarom worden nu ook met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zoals het ontzilten van water en het hergebruik van effluent. Tevens wordt momenteel 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie). Tegelijkertijd kunnen ondernemers zichzelf ook weerbaar maken tegen waterschaarste. Het kabinet ondersteunt en stimuleert dit onder andere via het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
Deelt u de mening dat een overheid betrouwbaar, voorspelbaar en dienstbaar behoort te handelen en dat ingrijpende besluiten die ondernemers direct raken tijdig, zorgvuldig en in overleg met betrokken sectoren moeten worden voorbereid? Is dit volgens u beiden voldoende gebeurd? Zo ja, graag een tijdlijn van overleggen met de daarbij horende gespreksonderwerpen. Zo nee, hoe reflecteert u hierop en welke lessen trekt u hieruit?
Ja, die mening deel ik. Delfland geeft aan dat de situatie snelle besluitvorming vergde. Zij hebben daarbij een brede belangenafweging gemaakt conform de wettelijke verdringingsreeks. Hierbij zijn de belangen van alle stakeholders gewogen. Bijvoorbeeld die van gemeenten, binnenvaart, inwoners, recreatie en ondernemers, én de glastuinbouw. Voor een tijdlijn van overleggen verwijs ik u graag naar Delfland.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Delfland over hun handelwijze, communicatie en belangenafweging rondom dit onttrekkingsverbod, zodat kan worden vastgesteld of hier sprake is geweest van zorgvuldig en proportioneel bestuur?
Ik zie geen aanleiding om met Delfland hierover in gesprek te gaan. Delfland heeft binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks gehandeld. Wel is het zo dat elke droogteperiode door de LCW breed geëvalueerd wordt. Het onttrekkingsverbod van Delfland zal naar alle waarschijnlijkheid onderdeel vormen van deze evaluatie.
Kunt u deze vragen, gezien de acute situatie, de beperkte watervoorraden bij veel tuinders en de dreigende economische schade, uiterlijk 12 augustus 2026 beantwoorden?
Ik heb geprobeerd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Tot slot, bied ik graag aan om een technische briefing over de Droogte aan de Tweede Kamer te (laten) verzorgen. Graag hoor ik of uw Kamer daar behoefte aan heeft.
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het antwoord op vragen van het lid Keijzer over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries |
|
Mona Keijzer |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
Kunt u bijgevoegd aan de beantwoording van deze vragen een volledig overzicht verstrekken van alle adviesorganen die worden beschouwd als adviesorganen in de zin van Artikel 79 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
De vaste colleges van advies in de zin van artikel 79 Grondwet zijn de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Sociaaleconomische Raad (SER) en de vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges. Bijgevoegd aan deze beantwoording verstrek ik een lijst van deze adviescolleges, waarbij per college de wettelijke grondslag en de adviestaak worden vermeld.
In mijn beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds toegezegd voor het einde van het derde kwartaal een eenmalig overzicht te verstrekken van de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving.1 Deze toezegging omvatte daarmee onder meer alle adviescolleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Ik heb uw Kamer dit overzicht op 10 september jl. doen toekomen.2
Kunt u per adviesorgaan in de zin van Artikel 79 van de Grondwet de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per adviescollege onder de Kaderwet specifiek de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?1
De vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges zijn betrokken in mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Op grond van de Kaderwet adviescolleges kunnen daarnaast tijdelijke (artikel 5) en eenmalige (artikel 6) adviescolleges worden ingesteld. Deze adviescolleges adviseren wel over beleid en wetgeving, maar zijn geen colleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet omdat zij niet permanent zijn. Op dit moment zijn er twee tijdelijke adviescolleges actief op grond van artikel 5 van de Kaderwet adviescolleges en één eenmalig adviescollege op grond van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. De grondslag en taken van deze adviescolleges heb ik ook opgenomen in de lijst die ik als bijlage bij deze beantwoording meezend.
De financiële middelen voor deze tijdelijke (art. 5) en eenmalige (art. 6) adviescolleges heb ik reeds opgenomen het overzicht van geraamde uitgaven aan adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving, dat ik uw Kamer op 10 september jl. heb verstrekt.
Kunt u per externe commissie met een adviestaak die actief is binnen de rijksoverheid de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?2
Mijn ministerie houdt het rijksbrede overzicht van externe commissies zo goed als mogelijk bij in het Register van Overheidsorganisaties.5 Daarin wordt voor elke vermelde commissie ook een verwijzing naar de grondslag en taken opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan een interdepartementale inventarisatie om het totaalbeeld van externe commissies te actualiseren en aan te vullen. Het kabinet vindt het, met de vragensteller, van belang dat het advieslandschap inzichtelijk is. Zodra deze inventarisatie is afgerond, zal ik de opbrengst hiervan uiterlijk eind oktober delen met uw Kamer. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik al toegelicht dat voor externe commissies begrote uitgaven doorgaans niet separaat op de departementale begroting worden vermeld. Ik zal bezien op welke wijze het mogelijk is om, zodra de voornoemde inventarisatie is afgerond, ook inzicht te bieden in de kosten van externe commissies.
Kunt u een integraal overzicht verstrekken van alle non-gouvernementele organisaties die in de periode 2026 tot en met 2030 vanuit één of meer ministeries jaarlijks meer dan € 1 miljoen aan subsidie ontvangen of zullen ontvangen, waarbij per organisatie wordt aangegeven welk ministerie of welke ministeries de subsidie verstrekken en welk bedrag per jaar wordt verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds uitgebreid toegelicht hoe het kabinet via de begrotingsstukken aan de Kamer verantwoording aflegt over subsidies.
Kunt u toezeggen om voor het einde van het zomerreces deze vragen te beantwoorden met daarbij de gevraagde overzichten (incl. de gevraagde overzichten van vorige vragen) en niet te verwijzen naar een op een later moment te verstrekken overzicht? Zo niet, hoe denkt u dan dat de Kamer haar controlerende taak goed kan uitvoeren wanneer zij niet beschikt over een volledig overzicht van alle adviesorganen, adviescolleges en externe adviescommissies, inclusief hun taken en de daarmee gemoeide publieke middelen?3
Ik onderschrijf volledig het belang van tijdige informatievoorziening aan de Kamer voor haar controlerende taak. Ik heb deze schriftelijke vragen, evenals de eerder gestelde schriftelijke vragen over hetzelfde onderwerp, zo spoedig mogelijk beantwoord. Beide sets schriftelijke vragen bevatten enkele omvangrijke informatieverzoeken. Daarbij vond ik het, met het oog op de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer, wenselijk om niet de gehele beantwoording te laten vertragen door het ontbreken van een deel van de informatie die benodigd is om één van de vragen te kunnen beantwoorden. Daarom heb ik toegezegd deze informatie op een later moment, binnen een redelijke termijn, alsnog te verstrekken.7
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.