Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Suzanne Kröger (PRO), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg , Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Robin van Leijen (D66), Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Bertram , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Ja.
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig. De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie. Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting. Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten gebruik stellen.
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling. De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting (II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig. Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten, misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting, zal deze derving elders moeten worden gedekt.
Het artikel ‘Nederland is inventief maar te weinig commercieel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland is inventief maar te weinig commercieel» van auteur Killian McCarthy?1
Ja.
Deelt u de analyse dat Nederland internationaal sterk presteert op innovatie en kennisontwikkeling, maar achterblijft bij de opschaling en commercialisering van innovatieve bedrijven ten opzichte van andere innovatieve economieën?
Ik deel grotendeels de analyse uit het artikel. In de basis heeft Nederland alles in huis voor innovatie en ondernemende economie (Kamerstuk 32 637, nr. 690). We zijn de «gateway» naar Europa; hebben goed onderwijs, internationaal toponderzoek, internationaal toonaangevende bedrijven, een hoogopgeleide en internationaal georiënteerde, ondernemende beroepsbevolking en een fijn leefklimaat. In Nederland worden veel jonge innovatieve bedrijven opgericht. Echter we zien in Nederland dat de doorgroei van Nederlandse startups tot succesvolle scale-ups achterblijft, en zien we dat er in Nederland relatief weinig startups op basis van publieke kennis worden opgericht. Kortom: de commercialisering en opschaling blijft achter.
Met het startup en scale-up beleid werken wij middels een integrale aanpak aan het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven. Het vorige kabinet heeft hiervoor de actieagenda startup en scale-up beleid2 gepresenteerd. Het kabinet zet deze aanpak voort en zal deze agenda uitvoeren. Daarbovenop zal het kabinet aanvullende maatregelen nemen om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven te verbeteren. Ik zal u hierover later dit jaar informeren.
Heeft u inzicht in het aantal Nederlandse unicornbedrijven en de ontwikkeling daarvan sinds 2010? Zo nee, bent u bereid dit structureel inzichtelijk te maken?
Unicorns zijn private bedrijven – oftewel niet-beursgenoteerde bedrijven – met een waardering van ten minste één miljard dollar. Een bedrijf kan deze status verliezen door een beursgang, door de verkoop van het bedrijf of als de waardering van het bedrijf is gedaald. Doordat het private bedrijven betreft zijn de exacte waarderingen niet openbaar.
Verschillend private dataproviders zoals Dealroom, Crunchbase en CBInsights maken op basis van investeringsrondes schattingen van waarderingen en maken op basis daarvan overzichten van unicorns. Tussen de overzichten van verschillende dataproviders zitten aanzienlijke verschillen.
Sinds 2010 zijn volgens Dealroom 37 tech-bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland op enig moment aan te merken geweest als een unicorn. Hiervan zijn volgens Dealroom 14 bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland nog steeds aan te merken als unicorn.
Wordt het aantal unicornbedrijven door u gebruikt als indicator voor de effectiviteit van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem en het investeringsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Met het startup en scale-upbeleid streven wij ernaar om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve techbedrijven te versterken zodat zoveel mogelijk tech-bedrijven doorgroeien tot techkampioenen van morgen. Onze stip op de horizon dat Nederland de komende tien jaar minstens 10 nieuwe technologie- en marktleiders voortbrengt3.
Om de effectiviteit van ons beleid in kaart te brengen kijken wij naar een mix van indicatoren, waaronder het aantal nieuwe tech-startups, het doorgroei percentage tot scale-ups en het geïnvesteerd kapitaal over de laatste jaren. Deze indicatoren tezamen hebben meer voorspellende waarde voor het toekomstig aantal unicorns dan het huidige aantal unicorns. Dit komt doordat het aantal nieuwe unicorns sterk fluctueert.
Wat is de actuele stand van zaken van de gesprekken met de pensioensector over investeringen in Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups?
Het mobiliseren van institutionele beleggers zoals pensioenfondsen voor durfkapitaalinvesteringen – en met name Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups – is een prioriteit. Hiervoor ben ik met sector en Invest-NL in gesprek.
Invest-NL werkt aan een fonds-in-fonds waar pensioenfondsen in kunnen investeren ten behoeve van start- en scale-up investeringen in hoge impact sectoren. Het fonds bevindt zich momenteel in een vergevorderde fase, waarbij de contouren en voorwaarden grotendeels zijn uitgewerkt en wordt gewerkt naar het vastleggen van zachte commitments. Daartoe voert Invest-NL momenteel actief gesprekken met de grootste pensioenfondsen en meerdere middelgrote en kleine pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en verzekeraars.
Daarnaast heeft het Kabinet 200 miljoen euro vrijgemaakt voor het voorgenomen vervolg op het European Tech Champion Initiative (ETCI 2.0). Een belangrijk doel van ETCI is het mobiliseren van institutioneel kapitaal, hiertoe worden ook gesprekken gevoerd met de sector.
Kunt u inzicht geven in de omvang van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, in durfkapitaal en venturecapitalfondsen over de afgelopen tien jaar?
Pensioenfondsen investeren in toenemende mate in durfkapitaal, zowel direct in start- en scale-ups als indirect in durfkapitaalfondsen. Zo is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in private fondsen, zoals Innovation industries (600 miljoen euro), DeepTechXL (110 miljoen euro) en KEEN Ventures (40 miljoen).
In de bijlage van de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» wordt een overzicht gegeven van de durfkapitaal investeringen sinds 20104.
Daarnaast analyseert de NVP ook de investeringen van pensioenfondsen. Uit recente data blijkt dat er in 2023 en 2024 meer dan 3 miljard euro is opgehaald door durfkapitaalfondsen maar dat dit in 2025 wat is teruggezakt naar 816 miljoen euro (bron). Deze daling lijkt voornamelijk te komen doordat pensioenfondsen nu vaker direct investeren in Nederlandse scale-ups.
Welke aanvullende maatregelen neemt u om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten, aanvullend op de inzet via Invest-NL, de Nationale Investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de gesprekken met pensioenfondsen?
Het kabinet neemt verschillende aanvullende maatregelen om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten. Deze maatregelen bouwen voort op het bestaande durfkapitaalinstrumentarium en richten zich zowel op de vroege fase als op de opschalingsfase.
Voor de vroege fase blijven de Vroegefasefinanciering (VFF), SEED Capital, het Innovatiekrediet en de Thematische Technology Transfer-regeling van belang. Deze regelingen zijn tot 2030 verlengd. Met deze regelingen levert het kabinet een aanzienlijke bijdrage aan zowel valorisatie als de financiering van startups en scale-ups. Deze regelingen grijpen aan op knelpunten in de markt die voortkomen uit marktfalen of bij risicovolle investeringen in innovatieve projecten. Ook de ROM’s blijven hierbij een belangrijke rol spelen. Zij vormen een landelijk dekkend netwerk en ondersteunen innovatieve bedrijven in de vroege fase met risicokapitaal, innoveren en internationaliseren. Dit jaar vindt ook de verplichte beleidsevaluatie van de ROM’s plaats over de periode 2021–2025.
Voor de scale-up fase versterkt het kabinet bestaande en nieuwe initiatieven. Zo is voorgenomen € 130 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van het Deep Tech Fund bij Invest-NL. Samen met de inleg van Invest-NL groeit het fondsvermogen met € 360 miljoen naar € 610 miljoen. Daarmee kan het fonds blijven investeren in sleuteltechnologieën zoals fotonica, halfgeleiders, quantumtechnologie en kunstmatige intelligentie. Ook vergroot het kabinet haar inzet door middel van een Blended Finance Instrument waarvoor € 250 miljoen beschikbaar is gesteld. Dit instrument richt zich op het financieringsknelpunt bij opschaling en grotere tickets, met name voor kapitaalintensieve investeringen.
Door zachte voorwaarden aan te bieden kan het instrument aanvullende private investeringen mobiliseren. Het instrument wordt momenteel uitgewerkt in nauw overleg met de Europese Commissie, vanwege de vereiste staatssteun-goedkeuring. Ook zet het kabinet in op Europese opschalingsfinanciering. Het kabinet heeft € 200 miljoen vrijgemaakt voor ETCI 2.0. Daarmee wordt de slagkracht van Europese durfkapitaalfondsen vergroot en krijgen Nederlandse en Europese tech scale-ups betere toegang tot grotere financieringsrondes. Daarnaast verwelkomt het kabinet Europese initiatieven zoals het Scale-up Europe Fund, de EIC Accelerator en opschalingsfaciliteiten onder het toekomstige Fonds voor Europees Concurrentievermogen.
Tot slot is in 2025 de innovatiedekking binnen het exportkredietinstrumentarium geïntroduceerd. Met deze dekking kan de Staat garanties verstrekken op financiering van innovatieve bedrijven die investeren in sleuteltechnologieën met exportpotentieel. Hierdoor wordt het risico voor financiers verlaagd en kan aanvullend privaat kapitaal worden gemobiliseerd voor innovatieve startups en scale-ups, met name in de fase waarin substantiële investeringen nodig zijn voor opschaling.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige beleid voldoende aansluit bij de behoeften van bedrijven in de zogenoemde grow-upfase? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf het belang van een goede aansluiting van ons beleid bij de financieringsbehoeften van ondernemingen. Het beleid en de aansluiting daarvan bij de praktijk zijn uitgebreid in beeld gebracht in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering5. Hieruit bleek onder meer een hardnekkig knelpunt op het gebied van opschalingsfinanciering, met name bij investeringsrondes vanaf € 50 miljoen.
Het kabinet zet zich in om een dergelijk knelpunt aan te pakken, bijvoorbeeld met een nieuw blended finance instrument en een voorgenomen aanvullende bijdrage aan het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL, evenals een voorgenomen bijdrage aan het vervolg op het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0).
Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de markt volgen en benut daarbij de inzichten uit bestaande onderzoeken, evaluaties en de uitvoering van deze maatregelen om het beleid waar nodig verder te versterken. Zo staat in 2027 een evaluatie van Invest-NL gepland, die naar verwachting verdere inzichten zal bieden in de doelmatigheid en doeltreffendheid van dit voor startups en scale-ups relevante instrument.
In hoeverre richt het kabinetsbeleid zich op het vergroten van exitmogelijkheden voor startups en scale-ups, waaronder beursgangen en strategische overnames?
We erkennen dat de exit-mogelijkheden binnen Nederland en Europa onvoldoende zijn voor start- en scale-ups. Uit onderzoek van KPMG6 en EIF7 blijkt dat de afgelopen jaren de slechtste jaren waren sinds lange tijd voor de exit-markt, zowel voor beursgangen als acquisities. Dit remt volgens KPMG de durfkapitaalcyclus waardoor onderinvesteringen ontstaan, zowel op fonds- als op deal-niveau.
Hoewel er signalen zijn van voorzichtig herstel, blijft beleggersvertrouwen kwetsbaar. De stagnerende exitmarkt is wereldwijd een knelpunt en dit wordt versterkt door de huidige geopolitieke spanningen.
Juist onder deze omstandigheden is publiek-private samenwerking essentieel. Het kabinetsbeleid is erop gericht om vanuit de publieke fondsen en instrumenten zoals Invest-NL te zorgen voor tijdig verkennen van exit mogelijkheden voor deze bedrijven of te zorgen voor tijdelijke overbruggingsfinanciering
Wat is naar verwachting het effect van het wetsvoorstel Implementatiewet noteringen en benchmarks2 op het aantal beursgangen (IPO’s) en het vestigingsklimaat voor groeibedrijven in Nederland?
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie en uitvoering van een Europees wetgevingspakket (de Listing Act).9 Hiermee wordt beoogd de toegang tot de publieke markten voor ondernemingen te verbeteren door de regels voor de toegang tot de handel op een gereglementeerde markt, multilaterale handelsfaciliteit (MTF) of mkb-groeimarkt te vereenvoudigen en te harmoniseren alsmede de administratieve lasten te verminderen. Onderdeel van het wetsvoorstel is een verhoging van de vrijstellingsgrens van de prospectusplicht bij aanbiedingen van effecten aan het publiek (van € 5 miljoen naar € 12 miljoen).
Door de maatregelen uit het Listing Act wetgevingspakket wordt het met name voor mkb-ondernemingen makkelijker om een beursnotering te krijgen, zodat hun aandelen (en andere effecten) breed verkrijgbaar zijn op de publieke kapitaalmarkt. Dit maakt het voor mkb-ondernemingen eenvoudiger om financiering aan te trekken bij een breed beleggerspubliek en stelt bijvoorbeeld startups en scale-ups in staat om door te groeien na eerdere private investeringsrondes. De verwachting is dan ook dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan een toename van het aantal beursnoteringen en verruiming van de financieringsmogelijkheden van (mkb)ondernemingen en daarmee aan versterking van hun groei- en innovatievermogen alsmede hun concurrentiepositie.
Wat is uw inzet om het ondernemersvliegwiel te verbeteren en werknemersparticipatie bij start ups aantrekkelijker te maken?
Het kabinet komt in september met een wetsvoorstel waarin ook een fiscale regeling is opgenomen om werknemersparticipatie bij startups en scale-ups te stimuleren met een lagere belastingheffing en een heffingsmoment bij verkoop van de aandelen. Een positief effect van medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups ingeval van een succesvolle groei is dat een grotere groep van medewerkers profiteert van de waardestijging van de onderneming. Deze waardestijging komt via deze vorm van beloning ook deels beschikbaar om te investeren in andere startups en scale-ups. Daarmee verbetert het ecosysteem voor startups en scale-ups en het ondernemersvliegwiel, zoals ook in het artikel wordt betoogd.
Welke maatregelen zijn er op fiscaal vlak in de in het artikel genoemde landen Zweden, Estland en Ierland, maar ook in de VS, Israël en Singapore, die specifiek innovaties verder ondersteunen?
Om de toegang tot kapitaal te verbeteren voor startups en scale-ups bestaan verschillende fiscale regelingen in de genoemde landen. De toegang tot kapitaal is een van de randvoorwaarden voor succesvolle innovatie bij startups en scale-ups en is fundamenteel voor het opschalen van de onderneming. De belastingstelsels van deze landen zijn niet een-op-een vergelijkbaar met het Nederlandse belastingstelsel, maar een aantal elementen kunnen worden onderscheiden in de verschillende regelingen.
Het stimuleren van initiële investeringen: landen als Ierland, Israël en Singapore kennen fiscale faciliteiten voor particuliere investeerders, business angels of investeringen in jonge innovatieve ondernemingen.
Het belonen van succesvolle investeringen bij realisatie: in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bestaat een regeling waarbij vermogenswinst op aandelen in kwalificerende kleine ondernemingen onder voorwaarden fiscaal gunstig wordt behandeld.
Het stimuleren van herinvestering: in onder andere Estland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten worden winsten onder voorwaarden in beginsel pas bij uitkering belast. Onder voorwaarden is het ook mogelijk om zonder belastingheffing gerealiseerde winsten te investeren in andere startups en scale-ups. Zweden kent geen specifieke fiscale regeling met dit doel, maar wel een relevante aanvullende uitzondering binnen hun deelnemingsvrijstelling. Vermogensresultaten op bepaalde aandelenbelangen, waaronder niet-beursgenoteerde deelnemingen, worden onder voorwaarden fiscaal gunstig behandeld.
Voor het zomerreces informeer ik u mede namens de Staatssecretaris van Financiën over het onderzoek naar een fiscale stimulans om privaat kapitaal voor startups en het mkb te versnellen, mede naar aanleiding van het in het coalitieakkoord opgenomen onderzoek naar een win-win-lening en de moties Dassen/Martens-America (motie 21 501-30, nr. 642), Vermeer (motie 32 637, nr. 721) en Bontenbal (motie 36 933, nr. 31).
Welke aanvullende beleidsmaatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat Nederlandse innovaties vaker doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen?
In lijn met de inzet van het vorige kabinet, blijft het kabinet zich inzetten op het versterken van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem. In de kamerbrief «Bouwen aan de tech-kampioenen van morgen»10, heeft het kabinet hiervoor reeds een aantal gerichte maatregelen aangekondigd. Op dit moment ligt de focus op de uitvoering van deze actieagenda. Bij de uitwerking van deze inzet wordt nadrukkelijk gekeken naar knelpunten die innovatieve bedrijven ervaren in de opschalingsfase, waaronder toegang tot talent, financiering en internationale markten.
Daarbij wordt onder meer ingezet op een meer structurele ondersteuning van deeptech bedrijven, onder andere via Techleap. Verder zet het kabinet in op het versterken van valorisatie. Het kabinet onderzoekt daarom naar aanleiding van de motie Oualhadj (motie 32 637, nr. 746) hoe valorisatie kan worden versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden.
Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een Europees startup- en scale-upbeleid. Het kabinet levert input aan de ontwikkeling van de Europese Startup and Scale-up Strategy en zal bezien hoe de uitkomsten hiervan kunnen bijdragen aan een beter functionerende Europese interne markt voor innovatieve ondernemingen. In dat kader volgt het kabinet ook de ontwikkelingen rond een mogelijke pan-Europese ondernemingsvorm die grensoverschrijdend ondernemerschap binnen de Europese Unie kan vereenvoudigen.
Ten slotte blijft het kabinet werken aan een aantrekkelijk ondernemings- en arbeidsmarktklimaat voor innovatieve bedrijven. Daarbij gaat het onder meer om het behouden van een concurrerend vestigingsklimaat voor internationaal talent.
Met deze inzet werkt het kabinet aan een samenhangend pakket van maatregelen om ervoor te zorgen dat meer Nederlandse innovaties kunnen doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het rondetafelgesprek in de Kamer over belastingmaatregelen ter ondersteuning van startups en scale-ups op 11 juni 2026?
Gezien de complexiteit van de vragen en de benodigde interdepartementale afstemming was dit helaas niet mogelijk. We hebben er naar gestreefd om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het CPB-rapport «De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens». Dit rapport geeft aan dat economische verschillen tussen huishoudens kunnen toenemen als inkomen uit vermogen verschillend wordt belast. Wanneer deze verschillen blijven toenemen, dan kan dat leiden tot minder kansengelijkheid en een afname van de toekomstige welvaart. Het CPB geeft daarbij aan dat het in die zin een aanknopingspunt kan zijn voor beleid en bijvoorbeeld mee worden gewogen bij keuzes voor het belastingstelsel. Deze boodschap van CPB zijn helder en relevant om ter harte te nemen. Tegelijkertijd is deze boodschap niet nieuw. In 2022 is het IBO Vermogensverdeling verschenen met dezelfde boodschap. De analyse van het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011–2019. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen. Verder is het maximum pensioengevend loon in 2025 en 2026 niet geïndexeerd en gelijk aan het in 2024 geldende maximum van € 137.800 euro. In het coalitieakkoord is afgesproken dit maximum ook voor de komende 6 jaren geldt. Daardoor wordt de fiscale ondersteuning voor pensioenopbouw bij hogere inkomens beperkt. Ook werkt dit kabinet aan het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement belast in box 3, wat ook voor meer evenwicht gaat zorgen. Het wetsvoorstel daartoe ligt in de Eerste Kamer. Tot slot zet het kabinet stappen op andere aanbevelingen van het CPB, onder andere in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Het kabinet volgt de inkomens- en vermogensstatistieken van het CBS die ook internationaal gangbaar zijn. De statistische definitie van vermogen van huishoudens luidt als volgt: Alle financiële en niet-financiële bezittingen van huishoudens (spaargelden, aandelen, deelnemingen in bedrijven, ondernemingsvermogen, de eigen woning, overig onroerend goed en overige bezittingen) minus de schulden en leningen. Het aanmerkelijk belang (deelneming in bedrijven) behoort dus tot het vermogen van huishoudens.
Het Nederlandse belastingstelsel belast inkomen uit vermogen in de inkomstenbelasting. Volgens de inkomensstatistieken van het CBS maken winsten van ondernemingen deel uit van het inkomen van aanmerkelijkbelanghouders op het moment dat ze uitgekeerd worden. Dat is tevens het moment dat ze worden belast in box 2.
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt niet mee in reguliere statistieken over het vermogen van huishoudens. De reden daarvan is dat mensen hun collectief opgebouwde pensioenvermogen niet direct in handen hebben en het ook niet aan iemand anders kunnen geven. Wordt het pensioenvermogen wel bij het vermogen van huishoudens meegeteld, dan maakt het 35% uit van het totale vermogen van huishoudens begin 2024. Het meetellen van collectief opgebouwde pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid. Verder geldt dat – net als het collectief opgebouwde pensioenvermogen – het pensioen eigen beheer (PEB) respectievelijk de oudedagsvoorziening (ODV) die in de bv zijn opgebouwd, ook niet zijn meegenomen in de vermogensstatistiek. Het PEB en ODV behoren niet tot het eigen vermogen van een bv (het betreft immers een pensioentoezegging) en daarmee niet tot het aanmerkelijk belang. Ten slotte zij voor de volledigheid vermeld dat ook individuele oudedagsvoorzieningen bij een bank, verzekeraar of beleggingsinstelling (het zogeheten derde pijler oudedagsvoorzieningen) niet worden meegenomen in de vermogensstatistiek.2
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Het CBS heeft voor de jaren 2006 tot en met 2021 ook de vermogensverschillen tussen huishoudens berekend waarbij het collectief opgebouwde pensioenvermogen is meegenomen.3 Het meenemen van het collectief opgebouwde pensioenvermogen verkleint de vermogensongelijkheid in termen van de Gini-coëfficiënt4 en het aandeel van de top 1% in de vermogensverdeling van huishoudens. Dit komt doordat huishoudens met weinig of geen vermogen vaak wel pensioenvermogen in de tweede pijler hebben. De meer vermogende huishoudens hebben uiteraard ook vaak pensioenvermogen in de tweede pijler, maar voor hen is het aandeel van pensioenvermogen in hun totale vermogen relatief kleiner. Daarom wordt het verschil tussen huishoudens aan de onderkant en de bovenkant in verhouding kleiner als het pensioenvermogen wordt meegenomen in de verdeling. Het CBS heeft voor het jaar 2021 berekend dat de 10 procent meest vermogende huishoudens zonder het collectief opgebouwd pensioenvermogende 59% van het totale vermogen van huishoudens bezit. Mét pensioenvermogens was dat 48%. In 2021 was de Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioen 0,74. Inclusief pensioenvermogen is dat bijna 0,10 lager.
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang van huishoudens in Nederland volgens de vermogensstatistiek van het CBS.5 De toename van de waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg daarmee 44% in de periode 2019 -2024. Hierbij betreft 2024 nog een voorlopig cijfer. In de periode 2011–2019 steeg de totale waarde van het aanmerkelijk belang met 80%. In beide perioden was de gemiddelde groei per jaar vrijwel gelijk: 7,6% per jaar.
390
431
400
492
580
563
Wat het effect van de genoemde maatregelen op de ontwikkeling van de totale waarde van het aanmerkelijk belang is geweest in de periode na 2019 is niet bekend. Hiervoor moet het effect van de maatregelen worden gescheiden van effecten als gevolg van economische ontwikkelingen. De Wet excessief lenen die in 2023 van kracht is geworden wordt dit jaar geëvalueerd en de invoering van een tweede schijf in box 2 van de inkomstenbelasting per 2024 volgend jaar. Pas na verloop van tijd kunnen uitspraken worden gedaan over de structurele effecten van de opeenvolgende beleidsmaatregelen sinds 2019.
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Het doorsnee vermogen van huishoudens in de afgelopen decennia sterk is gestegen. Deze toename hangt samen met de stijging van de materiële welvaart in Nederland in het algemeen en met de stijgende huizenprijzen in het bijzonder. De vermogensontwikkeling wordt door twee trends gedreven. Deze trends zijn de sterk stijgende huizenprijzen die woningeigenaren ten goede zijn gekomen en die vooral in het midden en de top van de verdeling zitten, en daarnaast de toename van de aanmerkelijk-belangvermogens van de dga’s onder de meest vermogenden. De vermogensverschillen tussen eigenwoningbezitters en huurders en tussen dga’s en andere type werkenden zijn door deze twee trends groter geworden. Hierdoor zijn in absolute zin de vermogens van de meest vermogenden het sterkst gestegen en zijn de vermogens van de middengroepen in relatieve zin sterker gestegen.
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Ja.
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Er vindt via de collectieve uitgaven (waaronder toeslagen) en overdrachten in geld en natura een grote herverdeling plaats van hogere inkomens naar lagere inkomens. Het CPB heeft in zijn rapport gekeken naar de rol van het belastingstelsel in de verdeling van vermogen van huishoudens en stelt dat het belastingstelsel bestaande inkomens- en vermogensverschillen tussen huishoudens eerder vergroot dan verkleind. Belastingkortingen maken deel uit van het belastingstelsel. Toeslagen betreffen uitgavensubsidies en verhogen inkomens van huishoudens. Het betoog van het CPB is dat de overheid nauwelijks herverdeelt via belastingen maar vooral door middel van collectieve uitgaven en overdrachten in geld (waaronder toeslagen) en in natura. Het CPB heeft dit geanalyseerd voor het jaar 2016 en hierover in de CPB Policy Brief «Inkomens en herverdeling» uit 2022 gepubliceerd.6 Onderstaande figuren uit het CPB rapport uit 2022 tonen respectievelijk de betaalde belastingen en sociale premies als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep respectievelijk de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto inkomen per inkomensgroep in 2016.
Overheidsuitgaven per type (als% inkomen), 2016 aandeel%
Onderstaande infographic uit het CPB-rapport uit 2022 illustreert de herverdeling via belastingen versus overheidsuitgaven per inkomensgroep op een wat andere manier. Deze infographic laat zien dat in 2016 50% van de mensen een aandeel had van 19% van het totale inkomen in Nederland en daarmee een gemiddeld bruto jaarinkomen had van € 17.524 en daarover 55% aan belastingen betaalde en een bedrag aan overheidsuitgaven kreeg toebedeeld gelijk aan 129% van hun inkomen. Verder had 40% van de mensen in 2016 een aandeel 49% van het totale inkomen in Nederland, had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 54.865 en betaalde daarover 40% aan belastingen en kreeg een bedrag aan overheidsuitgaven toebedeeld van omgerekend gemiddeld 24% van hun bruto inkomen. En ten slotte ontving 10% van de mensen in 2016 32% van het totale inkomen in Nederland, en had daarmee gemiddeld een bruto jaarinkomen van € 142.584, betaalde daarover 36% aan belastingen en kreeg omgerekend 8% van hun gemiddeld inkomen aan overheidsuitgaven toebedeeld.
Verdeling: wie verdient welk deel van de taart
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Dat betekent dat huishoudens met de hoogste inkomens gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan huishoudens in de middenklasse. En dat huishoudens in de middenklasse gemiddeld genomen een hogere belastingdruk hebben dan inkomens in de lagere klassen van het inkomensgebouw. Het CPB laat dat ook zien, zie onderstaande figuur uit het CPB-rapport. Het CPB neemt daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is, doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben, maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest. Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders. Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor de top 1%.
Gemiddeld genomen hebben huishoudens uit de middenklasse een hogere belastingdruk dan huishoudens uit de lagere inkomensklassen. Als gevolg van de gunstige fiscale behandeling van de eigenwoning en collectieve pensioenopbouw kunnen echter grote verschillen in belastingdruk ontstaan bij huishoudens met een gelijk bruto-inkomen. Met andere woorden, een deel van de huishoudens in de middenklasse (die met een eigen woning vaak gepaard met een relatief groot collectief pensioenvermogen) kent een lagere belastingdruk dan een ander deel van de huishoudens in die klasse (die met een huurwoning gepaard met een laag tot geen pensioenvermogen).
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Het kabinet deelt de constatering van het CPB dat als economische welvaartsgroei zich sterk concentreert bij een beperkt aantal huishoudens, dit op termijn kan leiden tot een afname van de toekomstige welvaart en daarmee tot negatieve effecten voor de samenleving als geheel.
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Wat als een redelijke verdeling van inkomen en vermogen kan worden gezien, is deels een kwestie van voorkeuren. Een relatief lage inkomensongelijkheid en een goed functionerend vangnet en een toegankelijk zorgstelsel zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen. Mede door directe inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen en uitkeringen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en de AOW behoort Nederland al decennia samen met Zweden, Denemarken en België tot de landen met de meest gelijk verdeelde inkomens binnen de EU. Nederland kent met de AOW en de mogelijkheid om via de werkgever dan wel via een bank- of verzekeraar fiscaal gefaciliteerd pensioen op te bouwen een van de beste pensioenstelsels ter wereld. Ook dat is cruciaal voor het welbevinden van mensen. Qua vermogensverdeling scoort Nederland volgens de World Inequality Database van Thomas Piketty beter dan landen als Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Zweden en Finland. Het kabinet heeft daarmee geen reden aan te nemen dat de inkomens- en vermogensverdeling in Nederland op dit moment te scheef is. De inkomens- en vermogensverdeling blijken ook vrij constant over de jaren heen. Door voortdurend alert te zijn op een evenwichtige jaarlijkse koopkrachtontwikkeling tracht het kabinet dat zo te houden.
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Het kabinet is van mening dat het verstandig is om activiteiten met positieve externe effecten te stimuleren. Denk daarbij aan innovaties, investeringen en werkgelegenheid. Dit kabinet zet met het Coalitieakkoord stevig in om investeringen te stimuleren en het vestigingsklimaat en de financieringsketen te versterken. Dit wil het kabinet onder andere doen door bedrijven te ondersteunen in investeringen die passen bij onze economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie en behoud van de Innovatiebox. Daarbij wil het kabinet de fiscale energie-aftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling die het mogelijk maakt milieu-investeringen willekeurig af te schrijven (VAMIL) waar mogelijk samenvoegen tot één robuuste investeringsregeling. Het kabinet is hier hard mee bezig.
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Het CPB geeft onder andere een beleidsrichting aan die zorgt voor minder economische verstoringen en verschillen in belastingdruk bij een gelijk inkomen kleiner maakt. Het CPB geeft hierbij als beleidsoptie dat fiscale regelingen die niet doelmatig of doeltreffend zijn, worden afgeschaft of vervangen door regelingen die beter bijdragen aan het nagestreefde beleidsdoel. Dit sluit ook aan bij de ambitie van het kabinet om fiscale regelingen die ingewikkeld zijn en hun doel niet of nauwelijks bereiken en het stelsel nodeloos complex maken, te schrappen en op die manier het stelsel eenvoudiger en voorspelbaarder maken. Daarnaast geeft het CPB aan dat fiscale prikkels beter gericht worden op ondernemerschap, risicobereidheid en innovatie. Het CPB benoemt hier het scheiden van ondernemings- en beleggingsvermogen in bv’s als beleidsoptie.
Tegelijkertijd geeft het CPB daarbij aan dat in de praktijk deze vermogens lastig te scheiden zijn, en dat het daarom kansrijker is om in te zetten op het tegengaan van fiscaal gedreven gedrag door ondoelmatige of ondoeltreffend fiscale regelingen te versoberen, af te schaffen en de opbrengsten daarvan gericht te gebruiken voor het stimuleren van innovaties. Dit strookt met de ambities van het kabinet. Het kabinet deelt de opvatting van het CPB dat het in praktijk lastig zal zijn om ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen in een bv te scheiden en is met CPB van mening dat het dan kansrijker is om in te zetten op versoberen en afschaffen van fiscale regelingen en de opbrengst gerichter in te zetten op het stimuleren van innovaties. Dit beschouw als aan van mijn belangrijkste taken deze kabinetsperiode.
Een tweede beleidsrichting van het CPB is om belastingen meer naar draagkracht te heffen, door het gelijker belasten van verschillende vormen van inkomen en vermogen. Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn er diverse maatregelen genomen om daarin meer evenwicht aan te brengen. Denk aan het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% in 2023, de invoering van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in 2023 en het invoeren van een tweede schijf in box 2 in 2024. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het nieuwe box 3 stelsel op werkelijk rendement wordt daarna doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek.
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. De prikkel voor box-arbitrage neemt hierdoor in algemene zin af omdat hierdoor – net als in box 2 – belasting wordt geheven over het werkelijke rendement in plaats van over een forfaitair rendement. Als box 3 wordt doorontwikkeld tot een volledige vermogenswinstbelasting, dan nemen de verschillen met box 2 verder af.
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
De betreffende percentages die in het onderhavige CPB-rapport worden vermeld zijn door CPB berekend over het jaar 2015. Het CPB heeft daarover in 2019 gepubliceerd.7 Op het titelblad van dit rapport benoemt het CPB dat in 2015 de gemiddelde belastingdruk voor erfenissen en schenkingen waarover belastingaangifte is gedaan 12% voor erfenissen bedroeg en 6% voor schenkingen. Dat de effectieve tarieven voor de schenk- en erfbelasting lager uitkomen dan de statutaire progressieve tarieven komt allereerst door diverse vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. Door het verlagen van deze vrijstellingen kunnen de effectieve tarieven meer in de buurt worden gebracht van de statutaire progressieve tarieven. Onderstaande tabellen tonen de actuele tarieven en vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting. De schenk- en erfbelasting kennen een progressieve tariefstructuur met een tarief eerste schijf en een tarief tweede schijf, waarbij de progressieve tarieven afhankelijk zijn van de relatie met de verkrijger. Daarnaast kent de schenk- en erfbelasting verschillende vrijstellingen afhankelijk van de relatie met de verkrijger.
10%
18%
30%
20%
36%
40%
€ 828.035
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 26.230
€ 6.908 (jaarlijks)
€ 33.129 (eenmalig)
€ 69.009 (eenmalig voor dure studie)
€ 78.671
€ 62.110
€ 26.230
€ 2.769 (jaarlijks)
€ 2.769
€ 2.769 (jaarlijks)
Het partnerbegrip is voor ongehuwden anders dan voor andere belastingen. Belangrijke voorwaarden zijn een notarieel samenlevingscontract met wederzijdse zorgverplichting of ten minste 5 jaar samenwonend.
De jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling (€ 6.908 in 2026) is recent geëvalueerd en op 2 maart jl. naar uw Kamer verzonden.8 Een kabinetsreactie volgt later dit jaar. Verder zijn in 2024 de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstellingen voor een dure studie en de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor een vrij te besteden doel geëvalueerd en naar de Tweede Kamer verzonden.9 Naast deze vrijstellingen kent de schenk- en erfbelasting de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De BOR bestaat uit een algehele vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemingsvermogen tot circa € 1,5 miljoen en een vrijstelling van 75% over het bedrag daarboven. In 2022 is de BOR geëvalueerd.10 Daaruit blijkt dat erfenissen en schenkingen onder de BOR relatief groot zijn ten opzichte van de gemiddelde schenking en erfenis en een veel lagere belastingdruk kennen. Uit de evaluatie blijkt dat het bij de BOR in de periode 2010–2017 gemiddeld genomen om een erfenis of schenking ging van € 1,3 miljoen euro aan ondernemingsvermogen, waarover 2% belasting bij een schenking en 5% bij een erfenis werd betaald. Naar aanleiding van de evaluatie is de BOR op verschillende aspecten aangepast en robuuster gemaakt tegen oneigenlijk gebruik. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de BOR niet verder te versoberen.
Verder kunnen papieren schenkingen de effectieve belastingdruk verlagen. Papieren schenkingen zorgen voor een lagere grondslag van de (toekomstige) erfbelasting. Een papieren schenking kan eenmalig worden gedaan, maar ook meerdere jaren of jaarlijks. De schenker betaalt jaarlijks 6% rente aan de betreffende begiftigden over het totaal van het aan die persoon op papier geschonken bedrag. De rentevergoeding is fiscaal gezien geen schenking en betekent daarom een voor de schenkbelasting onbelaste vermogensoverdracht. In bijlage 7 van de Voorjaarsnota zijn beleidsopties beschreven om papieren schenkingen tegen te gaan.11 Met de beschrijving van deze opties is invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan.12
Ten slotte zorgen verouderde forfaits in schenk- en erfbelasting voor een lagere effectieve belastingdruk. Sinds 1979 geldt er een rekenrente (forfait) van 6% in de schenk- en erfbelasting. De rekenrente wordt het meest toegepast bij onderbedelingsvorderingen die ontstaan bij het openvallen van nalatenschappen. Rentedragende onderbedelingsvorderingen zijn een manier om de nalatenschap van de langstlevende in de toekomst voor de kinderen te verkleinen aangezien de rente die niet tijdens het leven door de langstlevende ouder is betaald, een schuld in diens nalatenschap vormt en op die manier de erfbelasting van de kinderen drukt. Hoe hoger de rekenrente des te groter het drukkend effect. In januari jl. is een ambtelijke uitwerking van een actualisatie van de forfaits in de schenk- en erfbelasting naar de Tweede Kamer gestuurd op basis van de huidige marktrentes en de huidige levensverwachting.13 Over de modernisering van de forfaits in de schenk- en erfbelasting heeft geen besluitvorming plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Een van de ambities uit het coalitieakkoord van dit kabinet is dat het moet lonen om meer uren te werken. Nu loont dat soms te weinig. Onderzoek naar het omzetten van de huidige arbeidskorting in een arbeidskorting per gewerkt uur is een van de onorthodoxe maatregelen die het kabinet daartoe wil onderzoeken. Het inkomensonafhankelijk maken van de arbeidskorting maakt ook nadrukkelijk deel uit van de agenda uit het coalitieakkoord om het belasting- en toeslagenstelsel te hervormen en te vereenvoudigen. Dit kan het voor mensen inzichtelijker maken hoeveel meer uren werken daadwerkelijk loont.
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
Het kabinet hecht belang aan het evenwichtig belasten van inkomen uit vermogen. In de afgelopen jaren zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zoals vorige kabinetten en diverse ambtelijke rapporten hebben benadrukt, is het invoeren van een stelsel dat werkelijk rendement in box 3 belast een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van vermogen. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 dat dit beoogt, ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet verder stappen op de aanbevelingen van het CPB over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen én in de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet komt dit jaar met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Het kabinet gaat door met vereenvoudigen en verbeteren waar mogelijk en zorgt dat de basis op orde wordt gebracht en dat er een stip op de horizon wordt gezet om daarnaartoe te werken. Ik zie deze CPB-studie als een extra aanmoediging om stappen te zetten met deze hervormingsagenda.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is. De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen) afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen. Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Zie antwoord vraag 3.
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen, maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid geldt dat de kosten volgens de onderzoekers € 70.000 tot € 100.000 per voltijdsbaan bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij een grotere vraaguitval. Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten meegenomen voor het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB.
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde fiscale regelingen om een deel van de financieringsopgave te vullen en heeft er voor gekozen om het verlaagde btw-tarief op sierteelt af te schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling wordt afgeschaft.
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt. Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het Ministerie van Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte is echter niet voorbehouden aan het hanteren van een verlaagd btw-tarief. Uit de evaluatie van verlaagde tarieven in 20233 blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig instrument is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te realiseren. Een groot aantal gemeenten, provincies en waterschappen bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen te nemen. Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het btw-compensatiefonds compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen van sierteelt naar het algemene btw-tarief voor gemeentes en provincies niet tot een hogere btw-last leidt.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Nee. In de antwoorden op de Feitelijke Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is de verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de innovatiebox inzichtelijk gemaakt op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst over 2023. Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Het is daarom niet mogelijk om exacte informatie of exacte bedragen per belastingplichtige te noemen. Ik heb geen zicht op de bronnen van journalisten, maar in algemene zin staat het bedrijven vrij om inzicht te geven in hun eigen fiscale verplichtingen en daarbij behorende belastingvoordelen, bijvoorbeeld via hun jaarverslag.
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet specifiek ingaan op de individuele posities van belastingplichtigen. Ik herken wel het beeld dat het voordeel van de innovatiebox grotendeels terecht komt bij een aantal internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven nemen een groot deel van de investeringen in R&D voor hun rekening. Daarnaast spelen deze bedrijven een centrale rol in de innovatie-ecosystemen in Nederland en betalen ze een relatief groot deel van de totale vennootschapsbelasting in Nederland. De innovatiebox bewerkstelligt kort samengevat dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de innovatiebox om het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven te bevorderen en om innovatie in Nederland te stimuleren.
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers jaarlijks extra belasting moeten betalen doordat Nederland een innovatiebox heeft. De innovatiebox heeft volgens het kabinet namelijk per saldo een positief effect op de Nederlandse economie. Bedrijven die vrijwel al hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen kunnen geen of nauwelijks winst toerekenen aan Nederland op basis van internationale transfer pricing-regels. Als er geen winst in Nederland wordt gemaakt, levert de innovatiebox ook geen belastingvoordeel op. Het feit dat een bedrijf wel gebruikmaakt van de innovatiebox, bewijst juist dat er nog steeds economische activiteiten (zoals R&D, octrooibeheer of productontwikkeling) in Nederland plaatsvinden en dat er in Nederland belasting wordt betaald.
De innovatiebox is niet automatisch toepasbaar op alle winsten. Bedrijven moeten aantonen dat de winsten voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Als een bedrijf geen of minder R&D in Nederland verricht, kan het ook geen of minder gebruik maken van de regeling. Daarnaast worden voordelen gekort als R&D-werkzaamheden binnen het concern worden uitbesteed.
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
De combinatie van WBSO in de aanloopfase (directe korting op loonkosten) en de innovatiebox bij doorgroeien (lager effectief tarief op de winst) vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium. Bedrijven wegen de combinatie van de voordelen van beide regelingen mee bij hun beslissingen over het land waarin ze investeren in R&D. Uit de evaluatie van de innovatiebox uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic blijkt dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO. De maatschappelijke baten van innovatie slaan door spill-over effecten breder neer. Ook toeleveranciers van bedrijven met veel innovatie hebben meer kans om door te groeien en te innoveren. Naast de innovatiebox (outputzijde; winsten) worden bedrijven in Nederland ook aan de inputzijde (kosten) gestimuleerd om te innoveren door de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). De innovatiebox is daarnaast primair bedoeld om Nederland aantrekkelijk te houden voor innovatieve ondernemingen, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland zichzelf uit de markt prijzen, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen).
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet kiest er daarom voor om de bestaande regeling in de huidige vorm voort te zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet gaat onderzoeken hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Daarbij zal ook aandacht zijn voor kleinere bedrijven. Uw Kamer wordt hier na de zomer verder over geïnformeerd.
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven kunnen alleen gebruikmaken van de innovatiebox voor winsten die voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Wanneer een bedrijf vrijwel al zijn activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst, kan het bedrijf geen of nauwelijks winst aan Nederland toerekenen op basis van internationale transfer pricing-regels. In dat geval kan een bedrijf dus ook niet of in zeer beperkte mate profiteren van de innovatiebox.
Daarnaast wordt nogmaals benadrukt dat het kabinet een groot belang hecht aan een stabiel en voorspelbaar vestigingsklimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de innovatiebox hieraan bijdraagt. Het kabinet kiest er daarom voor om de regeling in de huidige vorm voort te zetten.
De hoge energieprijzen naar aanleiding van de Iran oorlog |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
In de brief aan de Kamer van 16 maart 2026 geeft het kabinet aan de situatie nauwlettend te volgen en de komende periode potentiële maatregelen, inclusief de financiële consequenties, verder uit te werken: kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van deze mogelijke maatregelen kan verwachten1?
Als bijlage bij de brief2 acties weerbaarheid energieschok is een overzichtstabel opgenomen met mogelijke maatregelen.
In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat deze mogelijke maatregelen pas in augustus kunnen worden betrokken bij de bredere besluitvorming over lasten en koopkracht: begrijpt u dat energiestations in de grensregio en energie-intensieve bedrijven nu al onder grote financiële druk staan en dat het voor hen simpelweg niet haalbaar is om tot augustus te wachten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van burgers en bedrijven goed. Op korte termijn neemt het kabinet daarom een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het kabinet heeft uw Kamer hier op 20 april per brief nader over geïnformeerd. De realiteit is echter ook dat de overheid de effecten van de energieschok niet volledig kan wegnemen. In deze brief gaat het kabinet ook uitgebreider in op met welke scenario’s rekening moet worden gehouden en welke type maatregelen er dan klaarliggen. Dit vraag telkens een zorgvuldige weging.
Kunt u aangeven wat de eerstvolgende mogelijkheid is voor de Kamer om eventuele maatregelen eerder dan augustus te behandelen en te besluiten?
Op korte termijn neemt het kabinet een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Dit voorstel wordt in de brief nader toegelicht. Het kabinet gaat hierover graag met uw Kamer in gesprek.
Heeft de Staat op dit moment extra inkomsten gegenereerd uit accijnzen en btw op brandstoffen als gevolg van de significant hogere adviesprijzen aan de pomp?
Indien dit het geval is, kunt u inzicht geven in de omvang van deze extra inkomsten?
Kunt u tevens aangeven wat het verwachte overschot zou zijn als deze prijsontwikkeling zich de komende periode voortzet?
Bent u van mening dat de situatie in het Midden-Oosten de druk op de energiemarkt verder vergroot en dat Nederland al jarenlang structureel hogere energieprijzen kent dan de omringende landen?
De huidige crisis in het Midden-Oosten onderstreept de kwetsbaarheid van Nederland door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit het buitenland. Dit geeft zorgen en onzekerheid bij burgers en bedrijven over of de energierekening nog wel betaald kan worden en of de bedrijfsvoering in de huidige vorm kan worden voortgezet. Het is daarom belangrijk om weerbaarder te worden voor energieschokken, zodat de energiekosten voor burgers en bedrijven voorspelbaarder worden en het aanbod van energie meer in eigen hand hebben. Om de afhankelijkheid van olie- en gas verder te verminderen en de energiekosten structureel te verlagen, zet het kabinet in op het vergroten van energiezekerheid en betaalbare energie van eigen bodem. Daarnaast neemt het kabinet op korte termijn een aantal maatregelen om de energiekosten voor burgers en bedrijven te verlagen. Zo wordt voor 2026 onder andere extra budget vrijgemaakt voor het Warmtefonds en wordt versneld geld uit het Klimaatfonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. Ook wordt de onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd en de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtwagens verlaagd.
Kunt u toelichten op welke wijze het kabinet werkt aan een structurele oplossing voor de hoge energiekosten, in plaats van tijdelijke maatregelen, zodat het ondernemersklimaat duurzaam wordt versterkt?
Zie antwoord vraag 7.