De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
De uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek naar drugsgebruik, waaruit blijkt dat Nederland hoog scoort op MDMA en ketamine |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot rioolwateronderzoek naar drugs: Nederland bovenaan met MDMA en ketamine», waarin wordt bericht over de uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek door het drugsagentschap EUDA?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat Nederland tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat het ketaminegebruik in Nederlandse steden volgens dit onderzoek met ruim 40 procent is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?
Het kabinet vindt het zorgelijk dat Nederland volgens dit onderzoek tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat hogere concentraties ketamine in Nederlandse steden zijn gemeten. Het Sewage Analysis Core Group (SCORE)-onderzoek laat zien dat het gebruik van MDMA in 2025 in de Nederlandse steden die deelnemen aan dit onderzoek (Amsterdam, Eindhoven en Utrecht) het hoogste is van alle deelnemende Europese steden. Tegelijkertijd signaleert het onderzoek, in vergelijking met 2024, een afname van het MDMA-gebruik in deze steden. Voor ketamine geldt dat Amsterdam en Eindhoven behoren tot de Europese steden met de hoogst gemeten restanten en dat sprake is van een toename ten opzichte van 2024.
Deze uitkomsten moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd. De deelnemende steden zijn niet representatief voor het drugsgebruik in Nederland als geheel, zoals onder andere blijkt uit de landelijke pilotstudie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut uit november 2025 (zie onder andere het antwoord op vraag 5).2 Daarnaast kent rioolwateronderzoek beperkingen: een toename in gemeten restanten kan niet zonder meer worden vertaald naar een toename van het aantal gebruikers, omdat ook gebruiksfrequentie, dosering en zuiverheid van invloed zijn op de uitkomsten. Daarbij is het van belang de uitkomsten in een meerjarig perspectief te bezien. Voor ketamine geldt dat er nog slechts enkele jaren aan meetgegevens beschikbaar zijn, waardoor het op dit moment niet mogelijk is om uitspraken te doen over langjarige trends.
Deelt u de zorg dat het sterk toenemende gebruik van ketamine, een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, erop kan wijzen dat dit middel in toenemende mate wordt genormaliseerd binnen het recreatieve uitgaansleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het huidige drugsbeleid?
Het kabinet deelt de zorg om het niet medische gebruik van ketamine. Uit verschillende gegevensbronnen blijkt dat het gebruik hiervan stijgt. Drugsgebruik maakt geen onderdeel uit van een normale, gezonde leefstijl. Deze ontwikkeling bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen van drugsgebruik het denormaliseren van drugsgebruik.
In hoeverre bevestigen deze cijfers volgens u het beeld dat drugsgebruik in Nederland niet afneemt, maar in bepaalde vormen juist structureel toeneemt? Wat betekent dit voor de inzet van het kabinet op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik?
De cijfers uit het rioolwateronderzoek geven geen eenduidig beeld dat drugsgebruik in algemene zin structureel toeneemt. Wel laten zij zien dat er verschillen zijn per middel en per locatie, en dat bij sommige middelen sprake is van een stijgende trend. Dit bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik. Het kabinet blijft inzetten op preventie, monitoring en het tijdig signaleren van nieuwe ontwikkelingen, zodat waar nodig gericht kan worden bijgestuurd.
Hoe verhouden de uitkomsten van dit Europese rioolwateronderzoek zich tot de lopende Nederlandse pilot met rioolwatermetingen om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken?
De uitkomsten van het Europese rioolwateronderzoek zijn wat de metingen in grote steden en gemeenten betreft vergelijkbaar met de bevindingen uit de landelijke pilotstudie van het RIVM en Trimbos. De pilot heeft aangetoond dat dit beeld niet overeenkomt met drugsgebruik in kleinere gemeenten en steden. Hier is het gebruik van verschillende drugs over het algemeen lager. Beide onderzoeken laten de meerwaarde zien van rioolwatermetingen als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken. Wel is sprake van verschillen in de onderzochte stoffen. In het SCORE-onderzoek is gekeken naar MDMA, amfetamine, cocaïne, ketamine, cannabis en methamfetamine. In de Nederlandse pilot is niet gekeken naar cannabis en ketamine, maar in plaats daarvan naar 3-CMC en 4-CMC. In de toekomst kunnen mogelijk andere stoffen in beschouwing worden genomen. Bij de besluitvorming daarover worden recente risico-ontwikkelingen en signalen over trends in gebruik betrokken. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van inzichten van het RIVM en het Trimbos-instituut.
Bent u bereid om, mede in het licht van deze Europese cijfers, rioolwateronderzoek structureel en landelijk in te zetten als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet rioolwateronderzoek inderdaad als een waardevolle aanvulling op bestaande monitoringsinstrumenten. Het kabinet informeert de Kamer voor het zomerreces over de opzet van een landelijk rioolwateronderzoek.
Welk rioolwateronderzoek naar drugsgebruik wordt er op dit moment gedaan en op wiens initiatief?
Er worden incidenteel en structureel rioolwatermetingen uitgevoerd in verschillende delen van het land. Zo voerde het Wetterskip Fryslân in opdracht van de gemeente Leeuwarden een rioolwatermeting uit waarover de Kamer op 3 december 2025 schriftelijke vragen heeft ingediend.3 Het is bekend dat meerdere gemeenten dergelijke metingen laten uitvoeren, veelal met ondersteuning van kennisinstellingen zoals KWR Water Research Institute. Deze instelling voert sinds 2011 in opdracht van gemeenten rioolwateronderzoek uit en levert jaarlijks data aan voor het Europese SCORE-onderzoek, dat in samenwerking met het Europese Drugsagentschap (EUDA) wordt uitgevoerd. In 2025 namen 128 Europese steden deel aan het SCORE-onderzoek: dit aantal neemt jaarlijks toe. Van meet af aan worden hiervoor een week lang rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) in de omgeving van Amsterdam, Eindhoven en Utrecht bemonsterd. In de afgelopen jaren hebben Zwolle, Rotterdam, Groningen, Nieuwegein en Leeuwarden vergelijkbare metingen laten uitvoeren door KWR, waarbij de resultaten met instemming van de gemeenten zijn gedeeld met het SCORE-consortium. Deze verschillende onderzoeken leveren waardevolle signalen over ontwikkelingen in drugsgebruik op deze locaties. Met de landelijke pilot van het RIVM en Trimbos is gekozen voor een opzet waarmee wordt beoogd een meer representatief beeld te verkrijgen van ontwikkelingen in drugsgebruik op nationaal niveau.
Welke lessen voor de effectiviteit van het huidige preventie- en handhavingsbeleid trekt u uit het feit dat het onderzoek laat zien dat bij middelen als MDMA en cocaïne sprake is van duidelijke weekendpieken, terwijl bij sommige steden en middelen juist sprake lijkt van meer verspreid gebruik door de week?
De waargenomen weekendpieken bij bepaalde middelen sluiten aan bij het beeld dat drugsgebruik samenhangt met het uitgaansleven. Dit soort inzichten helpt om preventie- en handhavingsactiviteiten gerichter in te zetten, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij specifieke momenten en contexten van gebruik.
Laat de volgende uitkomst volgens u zien dat er sprake is van problematisch drugsgebruik in het uitgaansleven en dat hier maatregelen voor nodig zijn? Welke schade heeft dit gebruik elk weekend voor de veiligheid, gezondheid en het milieu en zijn gebruikers daar bekend mee?
Hoewel de uitkomsten van rioolwateronderzoek in samenhang met andere bronnen moeten worden bezien, is het bekend dat drugsgebruik problematische vormen kan aannemen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s voor gebruikers, zoals acute intoxicaties en verslavingsproblematiek, maar ook tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld in het verkeer of in de vorm van gewelddadig gedrag richting hulpverleners.4 Daarnaast zorgen de productie en handel van illegale drugs voor milieuschade en houdt deze handel een criminele praktijk in stand die schade toebrengt aan de rechtstaat. Om deze risico’s te beperken zet het kabinet in op een combinatie van preventie, handhaving en bewustwording. Zo heeft in uitvoering van de motie Bikker c.s. uit februari 2024 vorig jaar een campagne gedraaid die jongeren bewust maakt van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving, het milieu en de gezondheid. Het kabinet heeft eerder informatie verschaft over de voortgang van deze campagne5 en zal de Kamer voor de zomer informeren over onze plannen met betrekking tot het voortzetten van deze campagne.
Op welke wijze wordt samengewerkt met gemeenten en andere belangrijke samenwerkingspartners om de uitkomsten van dit soort onderzoeken te vertalen naar gerichte lokale maatregelen om het gebruik van drugs terug te dringen?
Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden vanuit de rijksoverheid gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals ondersteunen bij het voeren van drugspreventiebeleid. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Voor dit basispakket wordt eveneens gebruikgemaakt van door het Trimbos-instituut ontwikkelde materialen. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Daarnaast heeft het Trimbos-instituut het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, dat een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid. Het Trimbos-instituut kan daarnaast een zogeheten Scanner-onderzoek uitvoeren, om gemeenten meer inzicht te geven in de lokale situatie rond middelengebruik en mogelijke handelingsperspectieven.
Naast het verschaffen van deze kennis en tools is ook regelmatig contact met verschillende gemeenten en de VNG over relevante onderwerpen.
Leiden de uitkomsten van dit onderzoek tot andere prioriteiten in preventie, opsporing en handhaving? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De uitkomsten van het onderzoek laten het belang zien van een preventiebeleid gericht op vermindering en denormalisering van het drugsgebruik. Signalen uit het onderzoek worden meegenomen om de effectiviteit van het beleid te verbeteren.
Keuzes betreffende opsporing en handhaving worden gemaakt door het bevoegd gezag. Aangezien het gebruik van middelen op zichzelf niet strafbaar is in Nederland, ligt het niet in de rede dat dit onderzoek, dat inzicht geeft in gemeten concentraties en mogelijke ontwikkelingen in gebruik, aanleiding zou zijn voor herprioritering.
Deelt u de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik, zoals verslaving en problemen met geheugen en concentratie, met name onder jongeren en jongvolwassenen? Zo ja, welke maatregelen neemt het kabinet om deze risico’s te beperken?
Ja, het kabinet deelt de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik. Daarom heeft het kabinet het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een risicobeoordeling uit te voeren en te adviseren over passende maatregelen.
De risicobeoordeling is zeer recent opgeleverd en brengt zowel de gezondheids- als de maatschappelijke risico’s in kaart. De voorgestelde beleidsopties worden momenteel gewogen. Het kabinet informeert de Kamer hierover voor het zomerreces.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
De Blauwe Haven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke handelingen en interventies heeft de korpsleiding vanaf juni 2024 verricht ten aanzien van De Blauwe Haven?
Welke informatie bevatte het eerste signaal dat de korpsleiding in juni 2024 bereikte, op basis waarvan werd dit signaal als ernstig aangemerkt en welke concrete gegevens ontbraken volgens de korpsleiding waardoor niet direct een onderzoek of interventie is gestart?
Hoeveel personen hebben zich gedurende het onderzoek gemeld als mogelijk slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag, aanranding of verkrachting binnen De Blauwe Haven, ongeacht of hun verklaring uiteindelijk formeel onderdeel is geworden van het onderzoek, en zijn er signalen ontvangen dat het aantal mogelijke slachtoffers aanzienlijk hoger ligt dan het aantal slachtoffers dat tot op heden publiekelijk bekend is gemaakt?
Hoe kan worden vastgesteld dat het onderzoek een volledig beeld heeft opgeleverd, terwijl de politie zelf erkent dat personen terughoudend waren om formeel te verklaren?
Erkent u dat medewerkers terughoudend kunnen zijn om melding te doen wanneer onderzoek plaatsvindt door een team dat onderdeel uitmaakt van dezelfde politieorganisatie als waartegen de meldingen zich richten? Zo ja, waarom is niet gekozen voor een volledig extern en onafhankelijk onderzoek?
Waarom kiest u voor de formulering dat het onderzoek zich «niet per definitie» heeft beperkt tot drie personen, in plaats van helder uiteen te zetten wat de feitelijke scope van het onderzoek is geweest?
Welke personen, functies, leidinggevenden, werkprocessen of cultuuraspecten binnen De Blauwe Haven zijn naast de drie disciplinaire onderzoeken onderzocht?
Klopt het dat binnen het onderzoek naar De Blauwe Haven aanvankelijk signalen bestonden die betrekking hadden op zeven mogelijke verdachten en dat deze signalen onder meer betrekking hadden op aanranding, verkrachting, discriminatie, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging en fraude? Zo ja, hoe zijn deze signalen onderzocht en wat is de afdoening per categorie geweest?
Kunt u aangeven hoeveel signalen, meldingen, verklaringen en aangiften met betrekking tot aanranding, verkrachting, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging, discriminatie en fraude gedurende het onderzoek zijn ontvangen, ongeacht of deze uiteindelijk formeel onderdeel zijn geworden van een disciplinair onderzoek?
Kunt u uitsluiten dat meldingen of signalen over mogelijk strafbare feiten binnen De Blauwe Haven uitsluitend disciplinair zijn afgehandeld zonder dat een beoordeling door het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden? Zo nee, om hoeveel gevallen gaat het en welke feiten betroffen dit?
Acht u het handelen van de korpschef achteraf bezien volledig adequaat? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke tekortkomingen constateert u?
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen buiten de politiehiërarchie beschikbaar te stellen voor (oud-)medewerkers van De Blauwe Haven? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen niet expliciet als aanvullende maatregel aangewezen indien medewerkers zich niet veilig genoeg voelden om via de reguliere politiekanalen te verklaren?
Klopt het dat meerdere vermeende slachtoffers in het kader van De Blauwe Haven gesprekken hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Politiebond (NPB) over het doen van aangifte? Zo ja, welke opvolging is hieraan gegeven?
Klopt het dat zogenoemde kluisverklaringen al bestonden of werden besproken voordat het LTIO-onderzoek formeel van start ging? Zo ja, wat was de aanleiding hiervoor en op welke wijze zijn deze verklaringen betrokken bij het onderzoek?
Zijn u signalen bekend dat medewerkers die melding wilden doen of een verklaring wilden afleggen zijn benaderd of geïntimideerd door verdachten, familieleden van verdachten of leidinggevenden? Zo ja, hoeveel van dergelijke signalen zijn ontvangen, wanneer heeft de korpsleiding hiervan kennisgenomen en welke maatregelen zijn naar aanleiding daarvan genomen?
Zijn u signalen bekend dat binnen De Blauwe Haven of aanverwante projecten werd gesproken over een zogenoemde «lijst» waarop medewerkers zouden staan die misstanden hadden gemeld of hierover vragen hadden gesteld? Zo ja, is onderzocht of een dergelijke lijst daadwerkelijk heeft bestaan en wat waren de bevindingen?
Kunt u aangeven of er binnen het onderzoek aanwijzingen zijn aangetroffen voor een cultuur van angst, terughoudendheid of vrees voor repercussies onder medewerkers die melding wilden doen van misstanden? Zo ja, welke conclusies zijn hieruit getrokken?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het Wetsvoorstel strafbaarstelling illegaal verblijf |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?