Het bericht dat een uitgezette asielzoeker in Bahrein levenslang kreeg |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Uitgezette asielzoeker kreeg levenslang in Bahrein»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de mensenrechtensituatie in Bahrein sedert enkele jaren verslechterd is, zoals onder andere ook uit rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch blijkt? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor het asielbeleid ten aanzien van asielzoekers uit Bahrein? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zoals ik uw Kamer op 22 januari 2019 op de vragen van de leden Jasper van Dijk en Karabulut (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 1269) heb geantwoord geldt voor Bahrein dat uit verschillende bronnen blijkt dat de mensenrechtensituatie in de laatste jaren verslechterd is. Dit geldt met name voor kritische geluiden vanuit de oppositie op het bewind, mensenrechtenactivisten en journalisten en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering.
Deze ontwikkelingen worden door de IND betrokken bij de beoordeling van een individueel asielverzoek. Wanneer een asielzoeker aannemelijk maakt dat, gelet op zijn of haar individuele verhaal, tegen de achtergrond van de algemene situatie in Bahrein een gegronde vrees voor vervolging bestaat of bij terugkeer een reëel risico bestaat op een vernederende of onmenselijke behandeling dan wordt asiel verleend
Deelt u de mening dat indien een asielzoeker uit een land komt met een slechte mensenrechtensituatie en er een gerede kans is dat hij gemarteld wordt en geen eerlijk proces krijgt, uitzetting van zo’n asielzoeker niet aan de orde mag zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit vormt zelfs de basis van het asielsysteem. Wanneer de IND op grond van een asielrelaas, tegen de achtergrond van hetgeen bekend is over een herkomstland, oordeelt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer, wordt een verblijfsvergunning asiel verleend. Uitzetting is dan niet aan de orde. Slechts bij een zeer beperkt aantal herkomstlanden wordt bij voorbaat, dus onafhankelijk van het individueel relaas, zo een reëel risico aangenomen. Dit is thans bijvoorbeeld het geval voor Jemen.
Is deze concrete zaak voor u aanleiding om het beleid ten aanzien van asielzoekers uit Bahrein aan te passen en op grond van het principe van non-refoulement geen asielzoekers die in Bahrein gevaar lopen meer uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2.
Had u met de kennis van nu over de levenslange veroordeling en de berichten van marteling en een oneerlijk proces in dit concrete geval gebruik gemaakt van uw discretionaire bevoegdheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 wordt, in die gevallen waarin de IND oordeelt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer, een verblijfsvergunning asiel verleend. Dit betekent dat gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid dan niet aan de orde is. De wetgever heeft ook uitdrukkelijk bepaald dat de discretionaire bevoegdheid niet is bedoeld voor situaties waarin sprake is van recht op asielbescherming, want dan is er immers een ander wettelijk kader (gebaseerd op internationale verplichtingen) waarlangs de aanvraag wordt beoordeeld.
Het bericht ‘Het bos is vogelvrij’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het bos is vogelvrij»?1
Ja.
Klopt het dat er in Nederland bospercelen worden gekapt waarbij de gehele bosgrond wordt bewerkt om plaats te maken voor nieuw bos? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Het is bekend dat in het verleden dergelijke beheeractiviteiten wel voorkwamen. Tegenwoordig wordt door veel beheerders gebruik gemaakt van natuurlijke verjonging of van kleinschalige kap- en aanplant, zonder of met beperkte verwijdering van ondergroei of bodembewerking. Het is niet uit te sluiten dat grootschaliger kappen en het geheel verwijderen van de bodemvegetatie sporadisch nog voorkomen. Dit is vanuit het perspectief van klimaat zeker niet optimaal. De methode van boskap en -verjonging wordt niet landelijk gemonitord. Beheerders hebben weliswaar een goed inzicht in welke bospercelen worden gekapt, en provincies hebben daar ook een beeld van uit kapmeldingen, maar er is een veelheid aan methoden om bos te verjongen. De keuze is maatwerk en sterk afhankelijk van de plaatselijke uitgangssituatie. Dat geldt ook voor de omgang met de aanwezige overige vegetatie, waarbij beheerders de balans moeten vinden tussen succesvolle bosverjonging en effecten op de groeiplaats.
Het is belangrijk dat beheerders keuzes gefundeerd kunnen maken. In het kader van de klimaatenveloppe Bos en Natuur wordt momenteel gewerkt aan een «gereedschapskist klimaatslim bos- en natuurbeheer». Voorts heeft de WUR ten behoeve van de beheerpraktijk kennis ontwikkeld over de relatie tussen houtoogst en bodemvruchtbaarheid. De sector is, onder meer via het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN) nauw betrokken bij de verspreiding van die kennis.
Klopt het dat de gedragscode voor kaalkap en herbeplanting uit 2010 nog steeds wordt gebruikt als richtlijn en dat deze, ondanks de nieuwe Wet natuurbescherming, niet is geactualiseerd?
Er bestaat geen gedragscode voor kaalkap en herbeplanting. Mogelijk doelt u op de gedragscode Bosbeheer, die handelt over bosbeheer in relatie tot soortenbescherming. Deze gaat over het zorgvuldig handelen jegens beschermde dier- en plantensoorten bij regulier bosbeheer. Dit is geen gedragscode die voorschrijft hoe bosbeheer als zodanig moet plaatsvinden, en op welke wijze herbeplanting bosbouwkundig verantwoord dient plaats te vinden.
De gedragscode Bosbeheer is opgesteld in het kader van de Flora- en faunawet en gericht op het verkrijgen van vrijstelling van de soortenbeschermingsbepalingen daarvan en is wat dat betreft ook in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. Vellingen die in het kader van de gedragscode gebeuren, hebben dus geen ontheffing nodig van het soortenbeschermingsregime, maar zijn niet vrijgesteld van de meld- en herbeplantingsplicht.
In het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming is bepaald dat gedragscodes, die onder de Flora- en faunawet zijn goedgekeurd, hun werking behouden voor de duur waarvoor ze zijn goedgekeurd. Op dit moment ben ik in overleg met de Vereniging van Bos- en Natuureigenaren (VBNE) over een actualisatie van de huidige gedragscode. De actualisatie gebeurt met name om de formulering op een aantal onderdelen, waaronder kap ten behoeve van verjonging, te verbeteren. Ik verwacht dit jaar tot overeenstemming komen met de VBNE over de actualisatie van de huidige gedragscode.
Hoe beoordeelt u de oude gedragscode ten opzichte van de Wet natuurbescherming?
Zie antwoord vraag 3.
Wat wordt verstaan onder het verantwoord bosbouwkundig handelen dat in de Wet natuurbescherming is opgenomen en hoe verhoudt het huidige handelen zich tot deze passage?
De Wet natuurbescherming spreekt over «herbeplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze» en binnen een termijn van drie jaar na vellen. Deze is gericht op de duurzame instandhouding van bos met in achtneming van belangrijke aanwezige waarden en is situatie-afhankelijk. Over het algemeen geldt dat de herbeplanting plaats vindt op gronden met ten minste dezelfde kwaliteit en oppervlakte als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond. Om een jonge beplanting te laten slagen, kan het helpen bodembewerking toe te passen en strooisel en bodemvegetatie te verwijderen, maar de mate en schaal maakt of dit wel of niet gepast is in een bepaalde situatie. Verantwoord bosbouwkundig handelen is situatie-afhankelijk. Gedeputeerde staten van de provincie zijn hiervoor bevoegd gezag en kunnen hier per situatie een oordeel over vellen.
Provinciale staten kunnen op grond van de Wet natuurbescherming nadere regels stellen over een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten. Ook indien wordt gewerkt op basis van een door de Minister goedgekeurde gedragscode met betrekking tot het vellen en herbeplanten van houtopstanden, is verzekerd dat sprake is van verantwoord bosbouwkundig handelen.
Wanneer wordt een nieuwe gedragscode voor kaalkap en herbeplanting verwacht waar de eisen van de Wet natuurbescherming in geborgd zijn?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Hoe ziet u de huidige manier van bosbewerking met het oog op de klimaatdoelstellingen?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 5. Bossen spelen een belangrijke rol in het klimaatsysteem, omdat ze CO2 uit de atmosfeer kunnen vastleggen en langdurig opslaan in hout en bodem. Het beheer van bos is hierop van invloed en vindt nog niet altijd op de meest klimaatoptimale wijze plaats. De manier van bosbeheer is meestal maatwerk en varieert per situatie. In het kader van het klimaatakkoord zet ik met de provincies, de sector en andere stakeholders in op ontwikkelen van kennis en methoden voor beheer van bos en natuur dat ook zo optimaal mogelijk de klimaatdoelstellingen nastreeft. Ik doe dat via de klimaatpilots en de «gereedschapskist bos- en natuurbeheer». Ook streef ik in datzelfde kader en met diezelfde partners naar aanleg van meer bomen en bos en naar tegengaan van ontbossing.
Het bericht dat Hogeschool Utrecht het stakingsrecht ondermijnt |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Hogeschool Utrecht ondermijnt stakingsrecht»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. Het stakingsrecht is een sociaal recht dat is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), een verdrag van de Raad van Europa. De werkgever kan de werknemer niet zomaar verbieden te staken of beperkingen opwerpen. De uitoefening van het recht op collectieve actie kan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH. Dit is alleen mogelijk indien de beperkingen aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Het is aan de rechter om te oordelen over de legitimiteit van een staking. Ook is het aan de rechter om te toetsen of sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht.
Deelt u de mening dat dit een inbreuk is op het stakingsrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat het personeel op deze manier tegen elkaar worden uitgespeeld?
De arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen zijn in het onderwijs gedecentraliseerd en de arbeidsvoorwaardenvorming is gebaseerd op overeenstemming tussen sociale partners. In het geval van een staking moeten die elkaar ook in evenwicht houden. Ik heb het artikel van de AOB nadrukkelijk onder de aandacht van de Hogeschool Utrecht gebracht, maar ik speel geen rol in dit conflict. Hier is sprake van een geschil tussen de Hogeschool Utrecht en haar personeel. Mochten zij er samen niet uitkomen, dan is een gang naar de rechter mogelijk.
Bent u bereid om de Hogeschool Utrecht op de vingers te tikken om de instelling te melden dat dit niet door de beugel kan?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de gevolgen voor het personeel als lessen niet verplaatst of overgenomen gaan worden?
Deelnemen aan een staking is geen werkweigering en dit betekent dat ontslag of andere straffen niet zijn toegestaan. De werkgever kan wel op grond van artikel 7:627 van het Burgerlijk Wetboek het loon over de gestaakte uren inhouden. De werkgever is daartoe niet verplicht.
Deelt u de mening dat op deze wijze het door Nederland geratificeerde Europees Sociaal Handvest met voeten getreden wordt? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Staken is een fundamenteel recht van de werknemer dat is vastgelegd in het ESH en kan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden worden beperkt. Stakingen zijn een zaak tussen werkgevers en vakbonden. Indien sprake is van een geschil is het niet aan mij, maar aan partijen om eventueel stappen te ondernemen.
De bizarre ontwikkelingen in de strijd om patiënten na het faillissement van het MC Zuiderzee in Lelystad |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de handelwijze van de curator van het MC Zuiderzee ziekenhuis, die een tweetal specialisten op straat heeft gezet?1
Zoals ik u tijdens het mondelinge vragenuur op 5 maart jongstleden en in mijn brief van 13 maart jongstleden2 over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart heb laten weten, heb ik de curatoren om verheldering gevraagd. Zij hebben mij laten weten dat de betreffende specialisten, na diverse waarschuwingen, de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd omdat zij zich niet gehouden zouden hebben aan de regels voor bescherming van persoonsgegevens van patiënten. De curatoren hebben hiervan melding gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Dat is een zaak tussen de curatoren en de betreffende medisch-specialisten. Indien de betreffende medisch-specialisten zich hier niet mee kunnen verenigen, dan staat het hen natuurlijk vrij de gang naar de rechter te maken zodat die zich hierover kan uitspreken. Ik meng mij niet in een zaak tussen curatoren en twee individuele medisch specialisten. En heb mij dus ook niet op enig standpunt in deze casus gesteld.
Wat is uw reactie op het feit dat een arts zijn broek heeft moeten laten zakken op last van de curator?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie in deze context op het feit dat u zich tijdens het mondelinge vragenuur op het standpunt van de curator heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 1.
U kunt toch niet menen dat u als Minister voor Medische Zorg, het moeten laten zakken van de broek door een arts op last van de curator kunt goedkeuren? Wat heeft u hiertegen ondernomen sinds u van dit feit op de hoogte bent?
Zie antwoord vraag 1.
Komt deze handelwijze niet neer op obstructie van zorgverlening? Zo ja, wat gaat u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de handelwijze van de curatoren niet onderzoekt en dus ook niet onderzoekt of de kwaliteit van zorg hierdoor in gevaar kwam?
De Inspectie heeft op basis van de huidige signalen geen indicatie dat de veiligheid van zorg in gevaar is of is gekomen. Hierover zijn ook geen meldingen door de Inspectie ontvangen. Ook voor de Inspectie geldt dat zij zich niet mengt in een zaak tussen curatoren en twee individuele medisch specialisten.
Bent u bereid de IGJ alsnog te vragen de handelwijze van de curator te onderzoeken en of deze handelwijze de kwaliteit van zorg in het geding heeft gebracht, of er sprake is van obstructie van zorgverlening, of de curator juist omspringt met het eigenaarschap van de patiëntendossiers en of de curator bij machte is een arts de broek te laten zakken? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe zie ik geen noodzaak. Zie mijn antwoord op de vragen 1 tot en met 6 en de brief die ik u op 13 maart jongstleden heb gestuurd over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart waarin ik uitgebreid ben ingegaan de wijze waarop met de dossiers van de patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen wordt omgegaan.
Zijn er door de curatoren afspraken gemaakt met het St Jansdal inzake de overname van patiënten? Zo ja, kunt u dit volledig toelichten?
De curatoren en St Jansdal hebben mij laten weten dat er geen specifieke afspraken zijn gemaakt over de overname van patiënten. Patiënten of patiëntenaantallen zijn geen inzet geweest bij de onderhandelingen over de overname. St Jansdal heeft een profiel van het zorgaanbod geschetst. Er zijn afspraken gemaakt over het overnemen van activa, vastgoed en onderlinge dienstverlening. Wel heeft St Jansdal bij de overdracht de actuele wachtlijsten van patiënten gekregen om die te benaderen en, na toestemming van de patiënt, in te schrijven als patiënten van St Jansdal.
Zijn de patiënten en/of patiëntenaantallen inzet geweest bij de onderhandelingen over de overname, bijvoorbeeld qua volume of zorgzwaarte?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat een goede arts-patiënt relatie belangrijker is dan het weglekken van omzet?
Ja, voor mij staat voorop staat dat patiënten goede zorg krijgen, waarbij zij vrij zijn om hun eigen behandelaar te kiezen en er op een zorgvuldige manier met hun medische gegevens wordt omgegaan.
Van wie zijn de medische dossiers? De arts, het ziekenhuis of de patiënt? Kunt u bevestigen dat deze van de patiënt zijn? Hoe waarborgt u dat hier niet mee gemarchandeerd wordt?
Onder het Nederlandse recht kunnen eigendomsrechten alleen rusten op voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten3. Aangezien patiëntgegevens onstoffelijk zijn, kan er geen sprake kan zijn van eigendom van de patiëntgegevens. Wel kan er sprake zijn van eigendom van gegevensdragers (papier, cd-rom, informatiesysteem, etc.). Binnen ziekenhuizen zullen gegevensdragers vaak eigendom zijn van het ziekenhuis. Maar ze kunnen ook eigendom zijn van hulpverleners die binnen het ziekenhuis werkzaam zijn in medisch specialistisch bedrijf, als deze de gegevensdragers zelf hebben aangeschaft. Dat er bij patiëntgegevens geen sprake kan zijn van eigendom, betekent echter niet dat medische gegevens vogelvrij zijn. In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is geborgd dat niet gemarchandeerd wordt met het medisch dossier. De WGBO schrijft namelijk voor dat in beginsel alleen de hulpverlener en de betreffende patiënt zelf de medische dossiers mogen en moeten kunnen inzien. Uitzondering op deze regel is overdracht aan een hulpverlener die betrokken is bij de behandeling. Die hulpverlener mag noodzakelijke gegevens zonder toestemming van de patiënt inzien of een afschrift van die noodzakelijke gegevens krijgen. Wanneer hulpverleners uiteengaan (bijvoorbeeld als een hulpverlener bij een ziekenhuis vertrekt), heeft de betrokken hulpverlener in ieder geval recht op een kopie van de dossiers van patiënten voor zover deze door hem als hulpverlener zijn behandeld. Dit volgt volgens de Hoge Raad uit de artikelen 7:454 en 7:456 van het BW4. Voor overdracht van medische dossiers aan anderen is in beginsel altijd toestemming van de patiënt nodig. Met deze regels wordt geborgd dat er geen handel wordt bedreven met medisch dossiers. Dit geldt ongeacht de eigendomsvraag.
Waarom heeft niet elke patiënt zijn medische dossier meegekregen met het advies dit zelf aan de nieuwe (of oude) arts te overhandigen?
De curatoren hebben mij laten weten dat zij dit geen begaanbare weg vinden gezien de aantallen betrokken patiënten. Het betreft circa 500.000 patiëntendossiers van patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen.
Garandeert u dat elke patiënt zijn medische dossier meekrijgt als hij daarom vraagt?
St Jansdal heeft mij verzekerd dat elke patiënt zijn medisch dossier krijgt als hij of zij daar om vraagt.
Hoe komt de curator aan de adresgegevens van de patiënten van reumatoloog Baudoin, daar zij hen een brief heeft gestuurd?
De MC IJsselmeerziekenhuizen beschikken over de gegevens van hun patiënten en de curatoren zijn vertegenwoordigers van de MC IJsselmeerziekenhuizen. De brief is verzonden naar alle patiënten die bij de MC IJsselmeerziekenhuizen onder behandeling zijn of zijn geweest voor reumatologie om hen te informeren over het door de curatoren gesignaleerde datalek.
Waarom stuurde de curator de patiënten niet een brief met daarin de vraag of de patiënten wel mee willen naar het St. Jansdal of dat zij mee willen met hun behandelend artsen als die niet mee gaan naar het St Jansdal?
Patiënten zijn vrij in hun keuze voor een behandelaar, het is aan de patiënten zelf om een keuze te maken voor St Jansdal of voor een andere behandelaar. Zoals u weet vind ik het van belang dat de continuïteit van zorg voor de patiënten in Flevoland is gewaarborgd. In dat kader hebben de curatoren van MC IJsselmeerziekenhuizen mij laten weten dat alle patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen met een zorgbehoefte die niet door St Jansdal wordt aangeboden (kinderdiabetes, HIV/Hepatitus, bariatrie) individueel zijn geïnformeerd waar zij voor hun zorgbehoefte terecht kunnen. Alle patiënten woonachtig in Emmeloord en omstreken zijn gebeld om hen te wijzen op het zorgaanbod van de Antonius zorggroep. De overige patiënten in de Noordoostpolder en in de gemeente Urk zijn eveneens individueel geïnformeerd, met een brief met informatie over het zorgaanbod van Antonius. Alle overige patiënten kunnen terecht bij St Jansdal, en, indien woonachtig in de Noordoostpolder, bij de Antonius zorggroep.
De brief die de curatoren hebben gestuurd aan de (al dan niet voormalige) reumapatiënten was bedoeld om hen te informeren over het door de curatoren gesignaleerde datalek.
Op welke wijze is en wordt gehoor gegeven aan artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (vrije artsenkeuze)?
De vrije artsenkeuze voor patiënten blijft overeind. Zie voor een uitgebreidere toelichting de eerder genoemde brief van 13 maart jongstleden.
Heeft de curator toegang tot de medische dossiers van de patiënten van het MC Zuiderzee ziekenhuis?
In beginsel mogen alleen patiënten zelf en hulpverleners betrokken bij de behandeling, de medische dossiers inzien. De curatoren hebben, gezien het medisch beroepsgeheim, geen inzicht in de dossiers.
Hoe bewaakt u de patiëntendossiers? Hoe stelt u zeker dat er bij overname geen onderscheid is of wordt gemaakt tussen duurdere en goedkopere patiënten? Of tussen patiënten of patiëntengroepen waar wel of geen winst op te behalen valt?
In mijn brief van 13 maart jongstleden over de stand van zaken MC IJsselmeerziekenhuizen en MC Slotervaart heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bewaring en overdracht van patiëntendossiers. Dit betreft zowel de overdracht van de medische dossiers van patiënten die nog onder behandeling waren bij de MC IJsselmeerziekenhuizen als de dossiers van patiënten bij wie de behandeling eerder al beëindigd was. St Jansdal heeft mij laten weten dat met de curatoren van de MC IJsselmeerziekenhuizen is afgesproken dat St Jansdal de medische dossiers van patiënten van de MC IJsselmeerziekenhuizen bewaart. MC IJsselmeerziekenhuizen stelt die data beschikbaar aan St Jansdal. St Jansdal mag die data pas gebruiken indien en voor zover door de patiënt een toestemmingsverklaring is getekend en aan St Jansdal is overhandigd.
Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht om voor al hun verzekerden voldoende goede en passende zorg in te kopen. Een faillissement of een overname van een zorgaanbieder doet hier niets aan af. Patiënten zijn vrij om te bepalen bij welke aanbieder zij behandeld willen worden. Ik vind dat de vrije artsenkeuze altijd, en dus ook in deze specifieke situatie in Flevoland, gewaarborgd moet zijn. Patiënten kunnen er dus voor kiezen om hun behandeling voort te zetten bij andere zorgaanbieders dan St Jansdal of de Antonius zorggroep. Dit heb ik ook toegelicht in de genoemde brief van 13 maart jongstleden.
Zorgadviesbureau Gupta rekende voor St Jansdal uit dat voor de zorg die wordt overgenomen van het MC Zuiderzee ziekenhuis, 35 fte aan medisch specialisten nodig is. Hoeveel artsen zijn er van het MC Zuiderzee ziekenhuis overgegaan naar het St Jansdal?
St Jansdal heeft mij laten weten dat zij deze berekeningen zelf heeft gemaakt. Volgens de laatste opgave zijn er tenminste 16 medisch specialisten die voorheen bij het MC Zuiderzeeziekenhuis werkten overgegaan naar St Jansdal.
Waarom bent u nog altijd stuurloos inzake de faillissementen van de MC IJsselmeerziekenhuizen en het MC Slotervaart? Als u zichzelf niet stuurloos vindt, waar baseert u dat dan op?
Ik heb in recente debatten en een groot aantal brieven aan uw Kamer aangegeven welke acties ik onderneem om de regie op het proces te voeren. De operatie in Flevoland is een enorme inspanning geweest van veel partijen met wie ik de afgelopen maanden contact heb gehad om de continuïteit van zorg in de regio te waarborgen. Ik wil daarbij nadrukkelijk mijn complimenten aan al die partijen uitspreken voor hun enorme inzet.
Het bericht ‘OM Eist 45 maanden cel tegen corrupte aspirant-agent ‘ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «OM Eist 45 maanden cel tegen corrupte aspirant-agent»?1
Ja.
Kunt u uitleggen tot welke informatie aspirant-agenten toegang hebben? Verschilt dit per eenheid of is de informatietoegankelijkheid voor (aspirant-) agenten gestandaardiseerd?
Politiemedewerkers en dus ook aspiranten worden pas geautoriseerd voor politiesystemen wanneer de screening is afgerond. Deze screening betreft het betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek bij de aanstelling. Op 21 maart 2019 heb ik uw Kamer een wetsvoorstel aangeboden in verband met het verruimen van dit onderzoek. Aspirant-agenten voeren tijdens hun opleiding ook politietaken uit en hebben daarvoor toegang tot de informatie die zij op basis van hun rol nodig hebben. Het gaat daarbij om gebiedsgebonden politiezorg (GGP).
Het autorisatiebeleid is een aantal jaren geleden vernieuwd en geldt voor de gehele politieorganisatie. Met dit autorisatiebeleid is gekozen voor role based access, een systeem waarbij medewerkers bij het aanloggen op basis van hun functie en rollen toegang krijgen tot applicaties en gegevens. Door een koppeling met het personeelssysteem kan gezorgd worden dat de autorisaties op basis van profielen (rollen) ieder moment worden toebedeeld op basis van de meest actuele informatie. Deze functionaliteit zal ook bij ieder nieuw politie-informatiesysteem van toepassing zijn. Ook hanteert de politie sinds januari 2016 het vierogen-principe, waarbij de aanvraag voor een autorisatie boven een bepaald niveau door een extra leidinggevende wordt getoetst.
Naast deze technische voorzieningen heeft de politie ook allerlei sociale voorzieningen getroffen op het gebied van integriteit en opleiding. Het blijft belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden, bijvoorbeeld door bewustwordingsmaatregelen. De afdeling VIK heeft een Toolkit Preventie geïntroduceerd met daarin verschillende middelen die helpen bij het met elkaar praten over, en leren van, dilemma’s, integriteitsrisico’s en best practices in het dagelijks werk. In januari 2019 heb ik de Kamer een brief gestuurd over deze activiteiten van de afdeling VIK.2 Daarnaast gaan teamchefs en Operationeel Experts naar een leiderschapstraining en heeft de politie de theatervoorstelling «Rauw» ontwikkeld. De voorstelling is een belangrijk element in de bewustwordingscampagne hoe om te gaan met onder meer politie-informatie
Hoe kan het dat een aspirant-agent toegang had tot vertrouwelijke informatie uit lopende opsporingsonderzoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt gemonitord wie, wanneer, welke informatie uit lopende opsporingsonderzoeken bekijkt? Wordt dat überhaupt gemonitord? Verschilt dat per politie-informatiesysteem?
Van het gebruik van systemen worden log-files bijgehouden, dit gebeurt veelal in afzonderlijke systemen. Zo kan achteraf worden bekeken wie toegang heeft gehad tot welke informatie. Als daar aanleiding voor is kan in opdracht van het bevoegde gezag binnen de politie, de betreffende logging door een interne afdeling (Veiligheid Integriteit en Klachten, VIK) nader worden bekeken. De politie voegt de afzonderlijke logging-systemen samen in één nieuw systeem waarmee centraal kan worden bijgehouden wie welke informatie heeft geraadpleegd. De interne auditafdeling monitort of het logging-systeem aanwezig is en functioneert.
Binnen één politie-eenheid vindt een pilot plaats om atypisch gebruik van informatie te detecteren en zo mogelijk ongeoorloofd raadplegen van informatie te signaleren. Daarover heb ik u in november 2018 geïnformeerd in het halfjaarbericht Politie.3 De pilot richt zich op de ontwikkeling van het logging-model en de governance daaromtrent, evenals op proactiever signaleren. Afwijkend gedrag van gebruikersaccounts kan zo vroegtijdig worden opgepikt.
Proactief signaleren van atypisch gebruik van informatie heeft tevens een preventieve werking. Door in een vroeg stadium met medewerkers in gesprek te gaan kan een misverstand uit de weg worden geruimd, een probleem worden opgelost, misbruik worden voorkomen en gedrag tijdig worden aangepast.
Signalen van (mogelijk) ongeoorloofd raadplegen van informatie tijdens de pilot worden opgevolgd.
Op basis van de uitkomsten en ervaringen van de pilot kan voor alle politie-informatiesystemen met gevoelige informatie een betrouwbaar en effectief systeem worden geïmplementeerd om misbruik en oneigenlijk gebruik (near) real time op te kunnen sporen. In dit traject is ook de ondernemingsraad betrokken.
Is het waar dat er momenteel (meerdere) nieuwe politie-informatiesystemen in aanbouw zijn? Zo ja, welke? Hoe wordt bij die nieuwe informatiesystemen geborgd dat vertrouwelijke informatie uit opsporingsonderzoeken niet zomaar te raadplegen is?
In het ICT-vernieuwingsprogramma Vernieuwend Registreren worden de operationele systemen vernieuwd om daarmee de ondersteuning van de werkprocessen van de politie gebruiksvriendelijker te maken. Hierover heb ik de Kamer in september 2018 een brief gestuurd met daarin de aanpak van deze vernieuwing.4 Inmiddels is gestart met de proces «Afhandeling van winkeldiefstal». Ook zullen functionaliteiten van legacy-systemen, waaronder BVH en Summ-IT, worden vervangen dan wel volledig worden vernieuwd binnen het programma Vernieuwend Registreren.
Om zicht te houden op het gebruik van de systemen worden alle systemen aangesloten op de Logging as a Service (LaaS) omgeving. De wijze van logging wordt daarmee geüniformeerd.
De politie hanteert het privacy en security by design-principe. Dat betekent dat bij de aanschaf/ontwikkeling van elke nieuwe applicatie of nieuw systeem er al tijdens het ontwerp wordt nagedacht over de bescherming van de informatie daarin. Voor het laatste deel van deze vraag betreffende autoriseren verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Landbouwgif in Drenthe |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bij de buren van de lelieteler daalt een nevel van pesticiden op de trampoline neer» en het bericht «Drentse burgers meten landbouwgif in bodem en vinden 57 middelen»?1 2
Ja.
Vindt ook u het begrijpelijk dat burgers ongerust en bevreesd voor hun gezondheid en welbevinden zijn als er in de bodem en groenten in hun tuin 57 bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om de vrees weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat burgers zich zorgen maken. Burgers verwachten geen gewasbeschermingsmiddelen in hun bodem of tuin als ze die zelf niet gebruiken. Daarom ben ik ook in gesprek gegaan met betrokken omwonenden.
Overigens zijn niet alle gevonden stoffen te relateren aan de lelieteelt. Er zijn 15 stoffen gevonden die niet meer zijn toegelaten, blootstelling aan deze stoffen zal dus gaan afnemen. Het CBS rapporteert eens in de vier jaar over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, gebaseerd op opgaven van agrariërs. Uit de gegevens uit 2016 blijkt dat 18 van de 57 stoffen die zijn gevonden in bodem- en gewasmonsters ook worden gebruikt in de lelieteelt. Er zijn ook stoffen gevonden die in andere landbouwgewassen mogen worden gebruikt en enkele ook in of om het huis (gazon, kamerplanten, insectenwerend) (zie tabel 1 in bijlage 3 van deze brief).
Het Ctgb heeft het onderzoek geanalyseerd (zie bijlage bij brief over blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen «Ctgb advies onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en omwonenden»). De in de monsters aangetroffen gehaltes zijn vergeleken met veilige grenswaarden die gebruikt worden bij de toelating van de betreffende middelen. Uit deze vergelijking blijkt dat van alle 57 stoffen de veilige grenswaarden niet worden overschreden.
Verder wordt gewerkt aan het verder terugdringen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen. Mijn ambities richten zich op weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van landbouw en natuur en als er dan toch behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen, dan nagenoeg zonder emissies naar de leefomgeving en nagenoeg zonder residuen op producten. Dat is de kern van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» die recent aan uw Kamer is aangeboden.
Waarom moeten bewoners zelf zorgen voor onderzoek naar chemische stoffen in de bodem en gewassen in hun buurt, in welke gevallen moet een overheidsinstelling die verantwoordelijkheid nemen, welke instelling is dat en waarom was daar in dit geval geen sprake van?
Van bewoners wordt niet verwacht dat zij zelf dienen te zorgen voor onderzoek naar chemische stoffen in de bodem en gewassen in de buurt. Er geldt een Europees systeem van voorzorg waarbij gewasbeschermingsmiddelen pas op de markt mogen komen en worden gebruikt als na uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu. De overheid evalueert en monitort (naleving van) wet- en regelgeving en reageert op nieuwe signalen. Zo worden voedingsmiddelen, oppervlaktewater en grondwater onderzocht op het voorkomen van resten van gewasbeschermingsmiddelen en is een uitgebreid onderzoek gestart (blootstellingsonderzoek gewasbeschermingsmiddelen, OBO) naar blootstelling via lucht en (huis)stof van omwonenden, naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad (2014). Het rapport is op 10 april jl. aan uw Kamer aangeboden.
Acht u het mogelijk dat de uitbreiding van landbouwareaal voor de teelt van lelies en andere bloemen in Drenthe voor meer gezondheidsrisico’s kan gaan zorgen? Zo ja, betekent dit dat die groei beperkt moet gaan worden dan wel dat er strengere eisen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen moeten worden gesteld en hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Uit de beoordeling van het Ctgb van de gevonden gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in de bodem en op gewassen bij de inwoners in Westerveld, blijkt dat er geen grenswaarden zijn overschreden. Bovendien blijkt ook uit het OBO-blootstellingsonderzoek dat alle meetresultaten beneden de veilige grenswaarden zijn gebleven.
Daarnaast richtte het OBO-blootstellingsonderzoek zich op de vraag in welke mate omwonenden van specifieke velden blootgesteld werden aan gewasbeschermingsmiddelen. Ook hier bleek dat er geen grenswaarden overschreden werden. Het kabinet zal de Gezondheidsraad vragen om dit vraagstuk te betrekken in hun advies, zoals aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 10 april jl. (kenmerk IENW/BSK-2019/64595. Zolang de teelt beneden de veilige grenswaarden blijft, is er geen aanleiding de teelt te beperken.
Deelt u de zorgen van de in het artikel genoemde hoogleraar toxicologie van de Universiteit Utrecht over het feit dat er een variëteit aan stoffen is gevonden, over de vermenging van deze stoffen in de bodem en over de mogelijke risico’s van opstapeling van de bestrijdingsmiddelen? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u daaraan? Zo nee, waarom deelt u die zorgen niet?
In het huidige toelatingsbeleid wordt een risicobeoordeling per aanvraag (per middel of tankmix) uitgevoerd. Stapeling van verschillende stoffen is mogelijk relevant als deze stoffen eenzelfde werking hebben op een organisme. In de huidige beoordelingsmethoden zijn volgens het Ctgb ruime veiligheidsmarges ingebouwd. Onderzoek van het RIVM aan de cumulatieve blootstelling van residuen op voedsel liet geen combinatierisico’s zien en daaruit bleek dat de huidige beoordelingsmethodiek toereikend is (Kamerstuk 27 858, nr. 433).
Tegelijkertijd is het wenselijk dat preciezer wordt gekeken naar effecten van een cumulatieve blootstelling via alle blootstellingsroutes. De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) werkt aan een richtsnoer om gecombineerde blootstelling aan verschillende stoffen te kunnen beoordelen. Nederland (RIVM en WUR) is actief betrokken bij de totstandkoming van dit richtsnoer en zal het recente RIVM rapport daarbij ook inbrengen.
Deelt u de mening van de in het artikel genoemde hoogleraar dat «het de hoogste tijd [is] dat er internationaal afspraken worden gemaakt over de milieulast van pesticiden in de grond», waarbij er niet alleen naar individuele stoffen moet worden gekeken maar ook «naar het stapeleffect van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen die gelijktijdig worden toegepast in de landbouw»? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u ook de mening van de genoemde hoogleraar bodemdegradatie en landbeheer aan de Wageningen Universiteit dat onderzocht moet worden welke risico’s omwonenden lopen door de verspreiding van pesticiden? Zo ja, wilt u het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en/of de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) onderzoek laten doen om vast stellen of en in welke mate er gevaren zijn voor de volksgezondheid en de omwonenden, en de Kamer daarvan op de hoogte stellen? Zo nee, weet u al wat de korte- en langetermijngezondheidseffecten van de aangetroffen stoffen kunnen zijn en wat zijn die effecten dan?
Zoals in de voornoemde brief van 10 april jl. beschreven, heeft het kabinet de Gezondheidsraad opdracht gegeven om nader te onderzoeken of er gezondheidsrisico’s zijn en hierover te adviseren. Tot op heden hebben de verschillende studies geen duidelijke verbanden aangetoond tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het optreden van gezondheidseffecten. Het recente RIVM-rapport Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (RIVM 2019-0052) laat zien dat er geen grenswaarden zijn overschreden en dat in de huidige toelatingsmethodiek de blootstelling volgens het Ctgb ook niet wordt onderschat.
Het vergoeden van schade na fouten door het Openbaar Ministerie |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen over de Berkelse ondernemer die schade heeft geleden als gevolg van nalatig handelen van het openbaar ministerie (OM), die destijds niet inhoudelijk beantwoord werden?1
Ja.
Is het waar het dat er destijds door het OM fouten zijn gemaakt, dat de inbeslaggenomen apparatuur, software en administratie door een omissie bij het OM verloren zijn gegaan en dat dit ook is toegegeven en schriftelijk is bevestigd door het OM? Zo nee, hoe zit dit dan wel?2
Nu de zaak waar u naar vraagt nog aanhangig is bij het gerechtshof Den Haag, past een terughoudende beantwoording van uw vragen. Ik volsta er daarom mee om te verwijzen naar de uitspraak in deze zaak van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2018, waarin de vorderingen van de eisende partij zijn afgewezen.3 De rechtbank heeft toen onder meer geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat de apparatuur, software en (volledige) administratie van deze ondernemer in beslag waren genomen. De stelling dat (meermalen) zou zijn erkend dat de administratie was kwijtgeraakt, heeft de rechtbank verworpen.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat deze ondernemer en zijn gezin nu alles kwijt zijn, ook hun woning, en diep in de schulden zitten? Wat is tot nu toe ondernomen om de ontstane schade als gevolg van deze omissie te vergoeden? Waarom wordt vooralsnog niet tot schadevergoeding overgegaan?
Uiteraard acht ik het schrijnend wanneer mensen in de schulden zitten, zeker wanneer dit het gevolg is van strafbaar handelen van anderen. Uitgangspunt bij het vergoeden van schade die burgers hebben geleden als gevolg van strafbaar handelen van derden, is dat vergoeding plaats dient te vinden door de veroorzaker(s) van die schade. Wil er een grondslag zijn voor schadevergoeding door de Staat, dan moet de schade in kwestie door de Staat zijn veroorzaakt.
In dit geval is over de aanspraak op schadevergoeding een procedure gevoerd bij de rechtbank, die vooralsnog heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van 2 mei 2018 en waarin niet is gebleken dat er sprake is van schade die is veroorzaakt door de Staat.
Wat is uw reactie op het feit dat iemand die geen cent te makken heeft het griffierecht niet kan betalen en dat daardoor de procedure niet door dreigde te gaan, waardoor iemand zijn recht niet kan halen?
Als Minister kan ik geen oordeel geven over een specifieke zaak; een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de rechter. In vrijwel alle (civiele) dagvaardingszaken moet griffierecht worden betaald door zowel de eisende partij als door de gedaagde partij voor aanvang van de zitting (artikel 3 lid 1 en lid 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)). Voor on- en minvermogende natuurlijke personen wordt een verlaagd griffierecht gehanteerd.
In een dagvaardingsprocedure dienen de griffierechten door eiser binnen vier weken na uitroeping van de zaak en door gedaagde binnen vier weken na verschijning te worden betaald (artikel 3 lid 3 Wgbz). Een zaak wordt aangehouden zolang één van de partijen de griffierechten nog niet heeft betaald en de termijnen nog lopen.
Als door de eiser niet of niet tijdig de griffierechten zijn betaald, ontslaat de rechter de gedaagde van instantie met veroordeling van eiser in de kosten. De rechter gaat hier pas toe over nadat hij de eiser in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht. Wanneer gedaagde het griffierecht niet heeft betaald, wordt tegen hem verstek verleend en wijst de rechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Gedaagde kan, zolang geen eindvonnis is gewezen, zijn verstek zuiveren door alsnog het griffierecht te betalen (art. 142 Rv). Is er eindvonnis gewezen dan kan de bij verstek veroordeelde gedaagde nog verzet instellen.
Is nu niet juist voor dit soort gevallen de hardheidsclausule voor het niet kunnen betalen van het griffierecht bedoeld? Staat de hardheidsclausule volgens u duidelijk genoeg in de wet om bijvoorbeeld in dit soort gevallen uitkomst te kunnen bieden? Zo nee, wat is daarvoor nodig?
De rechter kan de gevolgen van het niet tijdig betalen van het griffierecht, geheel of ten dele buiten toepassing laten wanneer hij van oordeel is dat die gevolgen, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (art. 127a lid 3, art. 128 lid 7, art. 282a lid 3, art. 409a lid 3 en art. 427b Rv). In de memorie van toelichting wordt dit aangeduid als de hardheidsclausule.
Een hardheidsclausule is uit de aard van de zaak niet concreet aangezien het antwoord op de vraag of en hoe de hardheidsclausule moet worden toegepast sterk afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van een zaak. Er kan zich een veelvoud van situaties in combinatie met bijzondere omstandigheden voordoen die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Deze concrete casus geeft mij geen aanleiding om te veronderstellen, dat de hardheidsclausule onvoldoende duidelijk is.
Het oordeel of in dit specifieke geval de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast is aan de rechter.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een door Nederland uitgezette asielzoeker uit Bahrein zonder eerlijk proces is veroordeeld tot levenslang |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitgezette Bahreini zonder eerlijk proces veroordeeld tot levenslang»?1
Ja.
Houdt u, ook nu Ali Mohammed al-Showaikh zonder eerlijk proces lijkt te zijn veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, vast aan uw eerdere standpunt dat u over zijn zaak niets kunt melden in verband met zijn privacy?2 Zo ja, kunt u motiveren in welke mate het respecteren van zijn privacy voor al-Showaikh meerwaarde heeft gedurende zijn verblijf in een Bahreinse cel?
Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, ben ik niet vrij individuele feiten en omstandigheden uit een asieldossier in de openbaarheid te brengen. In elke asielprocedure wordt de vertrouwelijkheid van hetgeen door de asielzoeker in de asielprocedure naar voren wordt gebracht ook benadrukt. De in de vraag genoemde veroordeling maakt dat niet anders.
Ook meer algemeen ben ik van mening dat terughoudendheid op zijn plaats is waar het gaat om het door de overheid naar buiten brengen van feiten en/of oordelen over individuele dossier. Tegelijk hecht ik sterk aan een goede parlementaire controle en het periodiek afleggen van verantwoording door bewindspersonen en overheidsorganen. Ik ben mij bewust van de spanning die tussen beide uitgangspunten lijkt te kunnen ontstaan. In het interpellatiedebat zet ik graag de relevante beleidskaders en de wijze van toetsing door de IND en onafhankelijke rechtspraak uiteen om op die manier met uw Kamer het gesprek te kunnen voeren.
Kan, nu vast staat dat Ali Mohammed al-Showaikh na zijn uitzetting uit Nederland bij aankomst in Bahrein direct gevangen is gezet en mishandeld en vervolgens op basis van een vaag geformuleerde terrorismebepaling wordt veroordeeld tot levenslang, worden gesteld dat de uitzetting in strijd was met het beginsel van non-refoulement? Zo nee, waarom niet?
De gevangenzetting en veroordeling van de heer Al-Showaikh geven zeker aanleiding tot zorg. Er kan echter niet gesteld worden dat daarmee ook vaststaat dat de in Nederland gevoerde asielprocedure gebrekkig is geweest en dat de uitzetting in strijd was met het beginsel van non-refoulement. Die conclusie gaat er vanuit dat de behandeling bij terugkeer voorzien was en desalniettemin toch de toelatingsaanvraag is afgewezen. De IND en de rechter hadden geen reden dit te voorzien. Ik meen dat op basis van de beschikbare informatie destijds in redelijkheid kon worden geoordeeld dat niet aannemelijk was gemaakt dat de heer Al-Showaikh bij terugkeer te vrezen had voor vervolging.
Hoe beoordeelt u het feit dat de broer van Al-Showaikh met een vergelijkbaar verzoek tot bescherming wel asiel heeft gekregen in Duitsland? Bent u van mening dat binnen de EU de erkenning van asielmotieven voldoende wordt afgestemd? Zo nee, bent u voornemens om initiatief te nemen tot meer harmonisatie binnen de EU?
Deze vraag lijkt als aanname te hanteren dat aan beide aanvragen (ongeveer) eenzelfde asielrelaas ten grondslag heeft gelegen. Zonder het volledige dossier van de broer van betrokkene te kennen en zonder inhoudelijk in te gaan op de betreffende relazen, kan ik in algemene zin zeggen dat van twee gelijke asielrelazen zelden tot nooit sprake zal zijn.
Dat neemt niet weg dat in meer algemene zin Nederland meent dat verdere harmonisatie van de verschillende asielsystemen binnen de EU mogelijk en gewenst is. Al meerdere Nederlandse kabinetten hebben zich hier voor ingezet.
Nederland heeft ook een voortrekkersrol binnen de harmonisatie van het asielgebonden landenbeleid en neemt actief deel aan de diverse projecten die het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) daarvoor heeft opgezet.
Hoe waardevol dit alles ook is, een asielaanvraag zal steeds een individuele afweging vergen. Slechts zelden zullen gevallen werkelijk in alle opzichten gelijk zijn.
Bent u bereid om diplomatiek contact op te nemen met de Bahreinse autoriteiten over het oppakken en veroordelen van Al-Showaikh? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wat onderneemt u om Al-Showaikh bij te staan en zijn vrijlating te bespoedigen?
De heer Al-Showaikh is geen Nederlands staatsburger en komt dus niet in aanmerking voor consulaire bijstand. Nederland heeft geen ambassade in Bahrein. De Nederlandse ambassade te Koeweit, die mede geaccrediteerd is voor Bahrein, volgt het verloop van de beroepsprocedure en is voornemens waar mogelijk de behandeling van het beroep bij te wonen. Nederland heeft de zorgen over deze zaak verschillende keren overgebracht aan de Bahreinse autoriteiten.
Welke conclusies trekt u uit wat Al-Showaikh is overkomen, voor toekomstige uitzettingen naar Bahrein?
Het is in het verleden een enkele keer eerder gebeurd dat kort na een uitzetting er berichten waren dat een uitgezette afgewezen asielzoeker werd vastgezet of (anderszins) behandeld werd in strijd met de mensenrechten. Een relatief kortdurende detentie aan de grens om de identiteit en achtergrond van een persoon vast te stellen zonder dat sprake van onmenselijke behandeling reken ik niet tot zo een gebeurtenis.
Het is daarbij niet altijd mogelijk geweest de juistheid van die berichten vast te stellen. Daarnaast is het ook niet altijd mogelijk gebleken de causaliteit vast te stellen van hetgeen naar voren is gebracht in de doorlopen asielprocedure en de gebeurtenissen na terugkeer.
Het is immers mogelijk dat bij terugkeer een persoon wordt vastgezet om andere redenen dan de redenen die de persoon naar voren heeft gebracht in de asielprocedure. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een persoon wordt gezocht vanwege commune delicten, maar die persoon andere (onvoldoende geloofwaardige) gronden heeft ingebracht bij het asielverzoek. Een afwijzing van het asielverzoek kan dan terecht zijn, maar in dat voorbeeld zou gevangenzetting bij terugkeer toch dreigen. Met dit voorbeeld wil ik niet speculeren over casuïstiek uit het verleden en zeker ook niet over de casus die aanleiding vormt voor deze vragenset. Ik wil enkel duidelijk maken dat de causaliteit tussen een asielbeoordeling en behandeling bij terugkeer niet rechtlijnig hoeft te zijn en lastig te beoordelen is.
Dat neemt niet weg dat alle nieuwe feiten en omstandigheden die bekend worden over de veiligheids- en mensenrechtensituatie in herkomstlanden worden meegewogen bij de beoordeling van lopende en nieuwe asielverzoeken. Of gevangenzetting na terugkeer zo een nieuw feit is, moet echter per geval worden bezien.
Komt het vaker voor dat afgewezen en uit Nederland terug gestuurde asielzoekers bij terugkeer gevangen worden gezet? Als dat zo is, wordt daar dan bij nieuwe beslissingen op asielverzoeken rekening mee gehouden?
Zie antwoord vraag 7.
De werkwijze en prijsafspraken van rechtsbijstandsverzekeraars en de gevolgen voor de kwaliteit |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Radar en het artikel «Rechtsbijstandsverzekeraars sluiten geheime contracten af, wat betekent dat voor jou?»?1
Ik verwijs naar de beantwoording van de vragen 2 tot en met 9.
Hoe vaak komt het voor dat zaken door rechtsbijstandsverzekeraars worden doorverkocht aan derden voor een vast bedrag, ongeacht wat de daadwerkelijke kosten zijn en zonder dat klanten hiervan af weten? Is dat toegestaan?
Deelt u de mening dat mensen er in ieder geval recht op hebben te weten dat hun zaak wordt doorverkocht en voor een vast bedrag wordt behandeld door een derde?
Welke gevolgen heeft het hanteren van bedragen van 375 tot 425 euro per zaak, ongeacht de zwaarte van de zaak, volgens u voor de kwaliteit?
Deelt u de mening dat omdat dit soort bedragen zo laag zijn, de zorgvuldigheid en kwaliteit waar de klant recht op heeft en maandelijks geld voor betaalt op deze manier onmogelijk gegarandeerd kan worden?
Deelt u de mening dat het doorverkopen van zaken nu een vorm van handel lijkt te zijn geworden waarbij niet de belangen van mensen die recht nodig hebben centraal staan, maar het belang van het geld voor de verzekeraars?
De wettelijke eisen en (zelfregulerings)mechanismen waarborgen dat de rechtszoekenden die een beroep doen op hun rechtsbijstandsverzekering hulp ontvangen die van voldoende kwaliteit is. Wanneer een rechtszoekende niet tevreden is met de hulp, staat de weg open naar onafhankelijke instanties zoals het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) en de rechter, die kunnen beoordelen of de ontvangen hulp van voldoende kwaliteit is. Ik verwijs hier ook naar het antwoord op vraag 8. Door de wettelijke eisen, de (zelfregulerings)mechanismen en de mogelijkheid om naar onafhankelijke instanties te kunnen, blijven de belangen van de mensen die een beroep doen op hun rechtsbijstandsverzekeraar centraal staan.
Waarom zit er strikte geheimhouding op die contracten waarmee rechtsbijstandsverzekeraars zaken doorverkopen voor vaste bedragen aan derden en wat betekent het volgens u dat tipgevers aan Radar slechts anoniem durfden te verklaren wat er gebeurt?
Het Verbond van Verzekeraars heeft laten weten dat het gaat om contractuele afspraken tussen marktpartijen waarin mogelijk concurrentiegevoelige informatie is opgenomen. Een geheimhoudingsclause in dergelijke contracten is volgens het Verbond van Verzekeraars niet ongebruikelijk. Het is niet aan mij om de beweegredenen van tipgevers te duiden.
Wie ziet erop toe dat de kwaliteit van juridische hulpverlening nu gewaarborgd is bij rechtsbijstandsverzekeraars?
Rechtsbijstandsverzekeraars dienen zich te houden aan een aantal wettelijke eisen. Over deze wettelijke eisen heb ik u geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Swinkels d.d. 24 april 2017.2 Het bestuursrechtelijk toezicht op rechtsbijstandsverzekeraars vindt plaats door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB). Daarnaast zijn er (zelfregulerings)mechanismen om de kwaliteit van de dienstverlening door rechtsbijstandsverzekeraars te waarborgen waaronder de Kwaliteitscode Rechtsbijstand, het Keurmerk Klantgericht Verzekeren en voor advocaten in loondienst van rechtsbijstandsverzekeraars is verder ook de regelgeving van de Nederlandse Orde van Advocaten van toepassing.
Indien een klant een klacht heeft over zijn of haar rechtsbijstandsverzekering of -verzekeraar kan de klant de klacht via de interne klachtenprocedure van de rechtsbijstandsverzekeraar indienen. Wanneer de klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld kan de klant de klacht voorleggen aan de civiele rechter of (sinds 2011) het Kifid. In de rechtspraak wordt ter beoordeling van beroepsaansprakelijkheid de civielrechtelijke norm gehanteerd van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtsbijstandverlener. Ook het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening hanteert deze norm bij de beoordeling van klachten over de kwaliteit van de door een rechtsbijstandsverzekeraar geboden rechtshulp. Daarnaast toetst de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) onafhankelijk op tuchtrechtelijke aspecten van klachten over verzekeraars. Hierbij treedt zij niet in de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Tot slot toetst de Stichting toetsing verzekeraars rechtsbijstandsverzekeraars die onder het Keurmerk Klantgericht Verzekeren vallen op zaken als reactietermijn en klantgerichtheid.
Vindt u het belangrijk dat burgers recht hebben op een zorgvuldige en kwalitatieve behandeling van hun juridische geschillen? Zo ja, hoe gaat u dit waarborgen in het nieuwe stelsel waarin volgens u rechtsbijstandsverzekeringen een voorname rol zouden moeten gaan spelen?
Ik acht het van zeer groot belang dat burgers recht hebben op een zorgvuldige en kwalitatieve behandeling van hun juridische geschillen. Dat is daarom ook één van de essentiële punten in het stelsel. Een goed functionerend systeem biedt iedereen toegang tot het recht, onafhankelijke rechtsbescherming, zoveel mogelijk een duurzame oplossing voor het juridische probleem en dienstverlening van hoge kwaliteit. De dienstverlening moet, ongeacht de wijze waarop het stelsel wordt ingericht en ongeacht het type hulp of bijstand, aan controleerbare eisen voldoen. Bij de herziening van het stelsel van de door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand staat dan ook voorop dat deze op kwalitatief hoogwaardige wijze wordt ingericht. Dat gaan we waarborgen door daar waar nodig kwaliteitscriteria op te stellen en aan te sluiten bij hetgeen al op dit gebied is voorzien. Om de kwaliteit blijvend te kunnen controleren zijn drie belangrijke instrumenten voorzien. In de eerste plaats zullen kwaliteitsindicatoren worden ontwikkeld. Er worden algemene criteria opgesteld die gelden voor alle rechtshulppakketten en criteria per zaakscategorie. Deze criteria zullen worden getoetst en gemonitord.
In de tweede plaats zal er worden gestuurd op kwaliteit door inkoopmacht. De hulpvraag van rechtzoekenden gaat zo het aanbod veel meer bepalen dan in het huidige stelsel.
Het derde instrument is toezicht. Het is van belang dat alle aanbieders van rechtshulppakketten of onderdelen daarvan gebonden zijn aan kwaliteitseisen, ook als dit geen advocaten zijn.
Een ziekenhuis in Amsterdam dat statushouders wil inzetten bij de verpleging |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het formulier waarmee een recruitmentbureau statushouders zoekt voor een Amsterdams ziekenhuis?1
Ziekenhuizen maken zelfstandig de keuze voor de wijze waarop zij nieuw personeel werven. Met het huidige tekort aan zorgmedewerkers ligt er een grote opgave voor de werkgevers in de zorgsector om voldoende nieuwe mensen aan te trekken en het huidig personeel te behouden. Met het actieprogramma «Werken in de zorg» zet ik hier – samen met de Minister en de Staatssecretaris van VWS – breed op in. Daarbij hebben wij ook oog voor de waardevolle bijdrage die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kunnen leveren in de zorg. Om die reden worden ook acties ondernomen om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in te laten stromen op banen in de zorg. Het gaat hier bijvoorbeeld om leerlingen van het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, mensen met een uitkering, en ook personen met een niet-westerse migratieachtergrond waaronder statushouders. Mensen die in de regel niet zondermeer in beeld zijn bij werkgevers maar over voldoende talenten bezitten die in de zorg goed inzetbaar zijn.
Vindt u het de taak van een ziekenhuis om statushouders op te leiden?
Het is de taak van een ziekenhuis om nu en in de toekomst voldoende en goed opgeleid personeel in dienst te hebben om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen. In deze tijd van arbeidsmarktkrapte is het begrijpelijk en ook heel goed dat ziekenhuizen breder kijken en zich ook richten op het aantrekken van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en hen passende training aanbieden wanneer die bijdraagt aan de inzetbaarheid van mensen.
Hoeveel extra geld gaat er naar de taallessen, taalstages en begeleiding van deze statushouders en wie betaalt dat?
De potentiële werknemer is zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen om het beroep te mogen uitoefenen. Voor deze specifieke functie wordt gevraagd naar de beheersing van Nederlands het niveau B1 of hoger. Dit staat gelijk aan de taaleis voor een BIG-registratie volgens het Gemeenschappelijk Europees Opleidingskader voor verpleegkundigen.
Voor een BIG-registratie moet de statushouder de procedure volgen bij het BIG-register die alle migrerende beroepsbeoefenaars moeten doorlopen.2 De kosten die hiervoor gemaakt moeten worden zijn voor de statushouder. VWS heeft geen zicht op eventuele afspraken die werknemers en werkgevers hierover met elkaar maken.
Komen Nederlandse kandidaten ook in aanmerking voor een proefplaatsing met behoud van uitkering? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie verder antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat gewone Nederlanders niet mogen worden gediscrimineerd ten opzichte van nieuwkomers voor opleidingsplaatsen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil extra benadrukken dat iedereen met de juiste competenties meer dan welkom is om in de zorg te komen werken. Zo zet ik, samen met de Minister en de Staatssecretaris van VWS, met het actieprogramma ook in op meer herintreders en zij-instromers door het project «Sterk in je werk» en bied ik met SectorplanPlus ook ondersteuning voor scholingsactiviteiten gericht op nieuwe medewerkers in de zorg.
In de huidige arbeidsmarkt in de zorg is elke op zijn taak berekende extra zorgverlener meer dan welkom. Of dit nu een statushouder betreft of iemand met een Nederlands paspoort is niet relevant. Van een voorrangsregeling is dan ook geen sprake. Wel vraagt dit soms om gericht initiatief, want bepaalde groepen zijn niet altijd automatisch in beeld bij de werkgevers of vragen net wat meer ondersteuning. Ik breng dit bij werkgevers onder de aandacht. De krappe arbeidsmarkt biedt kansen voor iedereen in Nederland die momenteel aan de kant staat. Deze kansen onbenut laten zou maatschappelijk ongewenst zijn.
Wanneer gaat u een einde maken aan de voorrangsregelingen voor statushouders?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat sommige gemeenten liever geen geld uitgeven aan verkiezingsborden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten hebben besloten minder verkiezingsborden te plaatsen voor de aankomende verkiezingen?1
Ik heb geen overzicht van gemeenten die hebben besloten minder verkiezingsborden te plaatsen voor de aankomende verkiezingen.
Bent u het ermee eens dat het essentieel is voor de werking van onze democratie dat mensen gaan stemmen voor verkiezingen en dat opkomstbevorderende maatregelen daarom belangrijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het belang van de democratie zou het goed zijn als zoveel mogelijk kiezers hun stemrecht gebruiken. Opkomstbevorderende maatregelen als het plaatsen van verkiezingsborden hebben dan ook mijn steun.
Bent u het ermee eens dat in dit licht het bijzonder onwenselijk is dat gemeenten ervoor kiezen minder verkiezingsborden te plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het wenselijk dat gemeenten, door het plaatsen van verkiezingsborden, politieke partijen een mogelijkheid bieden om hun deelname aan de verkiezingen onder de aandacht van kiezers te brengen. Weliswaar is het plaatsen van verkiezingsborden niet wettelijk voorgeschreven, maar in het algemeen deel van het gemeentefonds is een voorziening opgenomen voor de bekostiging van het organiseren van verkiezingen, en die is ook bedoeld voor het plaatsen van verkiezingsborden. Het plaatsen van verkiezingsborden is echter een autonome bevoegdheid van de gemeente. Het is dus in laatste instantie aan de raad om te beslissen of er al dan geen verkiezingsborden worden geplaatst, en zo ja, hoeveel.
Bent u bereid de gemeenten op de hoogte te stellen dat dit een onwenselijke situatie is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb bij circulaire van 11 december jl., gericht aan het college van burgemeester en wethouders van alle gemeenten, aandacht gevraagd voor het plaatsen van verkiezingsborden. Ik heb de colleges geschreven dat ik ervan uitga dat zij tijdig verkiezingsborden plaatsen. Ik heb hen erop gewezen dat de voorziening in het gemeentefonds voor het organiseren van verkiezingen ook is bedoeld voor het plaatsen van deze borden, en dat de borden voor veel politieke partijen een belangrijk middel zijn om hun deelname aan de verkiezingen onder de aandacht van de kiezers te brengen. In de aanloop naar de Europees Parlementsverkiezing van 23 mei a.s. zal ik de colleges hier opnieuw op wijzen.
Bent u bereid het geld te oormerken dat vanuit het gemeentefonds beschikbaar is voor de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
De uitkering uit het gemeentefonds komt ten gunste van de algemene middelen van de gemeente (art. 6 van de Financiële verhoudingswet). De besteding daarvan is aan gemeenten en de middelen kunnen niet geoormerkt worden.
Kunt u deze vragen voor maandag 11 maart 2019 beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van Kamervragen over het niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen, op 4 maart 2019 de Kamer heeft geinformeerd dat u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunt beantwoorden? Kunt u toelichten waarom?1 2
Ja. De reden was de benodigde afstemming over de beantwoording, zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 4 maart 2019 (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1784).
Kunt u toelichten waar u precies op doelt als u schrijft: «Vanwege de nodige afstemming betreffende de beantwoording kunnen de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord worden»? Met wie moet u de beantwoording afstemmen?
De antwoorden dienden te worden afgestemd met de NVWA en RVO.nl.
Zijn er al wel gegevens bekend over de sterfte onder lammeren die in 2018 geboren zijn in de melkgeitenhouderij? Zo nee, hoe is dat mogelijk, gelet op uw aankondiging dat per 1 januari 2018 ieder bedrijf per kwartaal inzicht moet geven in het uitvalspercentage onder lammeren die op het bedrijf zijn geboren?3
De maatregelen uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes zijn door de sector per 1 januari 2018 ingebed in het keten-kwaliteitszorgsysteem KwaliGeit. Bedrijven zijn op grond van het plan van aanpak verplicht ieder kwartaal onderbouwd inzicht te geven in de uitvalspercentages. Deze gegevens worden geleverd aan en gecontroleerd door Qlip, een onafhankelijke private organisatie die bewaakt of melkgeitenhouders de normen uit KwaliGeit naleven. Het plan van aanpak verplicht ondernemers dus niet om per kwartaal aan de overheid inzicht te geven over het uitvalspercentage onder lammeren die op hun bedrijf zijn geboren.
Geitenhouders zijn verplicht om geboortes te melden in het I&R-systeem. Op basis van de gegevens uit I&R zijn sterftecijfers voor 2018 afgeleid. Voor deze sterftecijfers verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de schriftelijke vragen van de PvdD-fractie met kenmerk 2019Z02541 (ingezonden 11 februari 2019).
Hebben de bedrijven per kwartaal de cijfers aan u gemeld? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u alle cijfers die al wel beschikbaar zijn per ommegaande doorsturen naar de Kamer nu u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn zegt te kunnen beantwoorden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
De dreigementen van de Turkse minister van Binnenlandse Zaken richting Europese toeristen die Turkije zouden verraden |
|
Bente Becker (VVD), Sven Koopmans (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Turkse Minister van Binnenlandse Zaken gezegd zou hebben dat degenen die in Europa Turkije «verraden» door het bijwonen van bepaalde bijeenkomsten en vervolgens op vakantie naar Turkije gaan, opgepakt en gedetineerd zullen worden?1
De Turkse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat personen die terroristische bijeenkomsten in Europa bijwonen, in Turkije aangehouden kunnen worden. Dit werd gezegd in een breder verband van opmerkingen over bijeenkomsten van de PKK. De PKK is een organisatie die ook door de EU en Nederland gezien wordt als een terroristische organisatie. Zoals in het reisadvies Turkije vermeld, beschouwt Turkije daarnaast de Gülenbeweging als terroristische organisatie. Turkije vervolgt personen die aan deze beweging verbonden zijn, of ervan verdacht worden deze te steunen. Nederland beschouwt de Gülenbeweging overigens niet als een terroristische groepering. Voor zover het kabinet bekend is er geen sprake van een beleidswijziging van de Turkse regering.
Bent u reeds door de Turkse autoriteiten geïnformeerd over dit beleid(svoornemen)? Wat betekent dit voor Nederlandse staatsburgers die zich in Nederland of elders in Europa kritisch uitlaten over (mensenrechtenschendingen in) Turkije of sympathie tonen voor de Koerdische zaak? Geldt deze «belofte» enkel voor degenen die werkelijk deel uitmaken van door zowel de EU als Turkije erkende terreurorganisaties of voor allen die betrokken zijn bij de vele groepen en bewegingen die de afgelopen jaren door Turkse bewindslieden als «terroristisch» zijn bestempeld?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Nederlanders met een Turkse achtergrond geen verantwoording hoeven af te leggen aan Turkije en dat dergelijke berichten over de gevolgen van «verraad» ongewenste spanningen opleveren in de Nederlandse samenleving en de integratie tegenwerken?
Het kabinet is van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten. Eventueel in Nederland gepleegde strafbare feiten, worden door het Openbaar Ministerie in Nederland onderzocht.
Hoe gaat u er voor zorgen – conform de motie-Becker c.s. die vraagt om een contrastrategie2 – dat Nederlanders met een Turkse achtergrond hier in Nederland meedoen en daarnaast niet worden lastiggevallen door Turkse regering?
Het kabinet zal de Kamer voor aanstaande zomer nader informeren over de uitvoering van de motie Becker c.s. Meer algemeen is reeds in de Kamerbrief van 16 maart 2018 toegelicht hoe het Kabinet omgaat met eventuele ongewenste buitenlandse inmenging.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat Nederlanders met een Turkse achtergrond in Nederland vrij moeten zijn om zich kritisch op te stellen ten aanzien van Turkije, en elders niet zouden moeten vrezen voor een gevangenisstraf?
Het kabinet is inderdaad van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten.
Bent u bereid over deze kwestie in gesprek te treden met de Turkse ambassade, temeer aangezien de Turkse ambassadeur recent heeft verklaard zich te willen inzetten voor integratie van Turken in Nederland?3
De Nederlandse opvatting over Turkse diaspora-politiek wordt veelvuldig met Turkse vertegenwoordigers besproken, dus ook met de Turkse ambassadeur in Nederland.
Zoals ook gemeld in het antwoord op de schriftelijke vragen van de leden Becker en Koopmans over de intenties van de Turkse ambassadeur om bij te dragen aan integratie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 948), is het Kabinet verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot integratie van Nederlanders met een migratieachtergrond. Hierin ziet het Kabinet geen rol weggelegd voor diplomatieke vertegenwoordigers van andere landen.
Hebt u indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen?
Het kabinet heeft geen indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen. De Turkse weekendscholen die subsidie ontvangen in het kader van het Anadolu weekendscholen project, zijn voor zover bekend nog niet gestart met hun onderwijsprogramma.
De terugkeer van gedetineerden naar de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de detentieomstandigheden in de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgeving.
Klopt het dat van de 31 gedetineerden die na orkaan Irma zijn overgebracht naar Nederland tot nu toe acht gedetineerden zijn teruggekeerd naar Sint Maarten? Hoe verhoudt dit bericht zich tot uw stelling bij het Vragenuur van 5 maart 2019 dat het slechts om drie mensen gaat?
In 2018 zijn acht gedetineerden teruggekeerd naar de gevangenis Point Blanche op Sint Maarten. Zoals ik u heb laten weten tijdens het mondelinge vragenuur zijn na oktober 2018 drie gedetineerden teruggekeerd naar Point Blanche op basis van informatie van Sint Maarten waaruit bleek dat zij binnen afzienbare tijd na terugkeer (voorwaardelijk) in vrijheid gesteld zouden worden. Zoals vastgelegd in de Onderlinge Regeling Detentie is het in het belang van een goede resocialisatie dat gedetineerden terugkeren binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de straf eindigt. Bij de belangenafweging tussen detentieomstandigheden en resocialisatie gaat het punt van resocialisatie zwaarder wegen als het moment van invrijheidsstelling dichterbij komt, zoals ik ook tijdens het mondelinge vragenuur heb toegelicht. Vijf gedetineerden zijn tussen april en juli 2018 teruggekeerd op verzoek van Sint Maarten in het kader van hun rechtsgang.
Het gevangeniswezen op Sint Maarten functioneert niet naar behoren. Basale zaken voor een gesloten setting moeten dringend op orde worden gebracht, maar worden door Sint Maarten onvoldoende (snel) gerealiseerd. Op initiatief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mijzelf zijn er op 19 oktober 2018 afspraken met Sint Maarten gemaakt. Hierbij is afgesproken dat Sint Maarten maatregelen treft om de staat van de gevangenis significant te verbeteren. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik sturen actief aan op het uitvoeren van de verbetermaatregelen door Sint Maarten en zien onverminderd toe op de naleving van de afgesproken verbetermaatregelen.
Kunt u aangeven onder welke omstandigheden de terugplaatsing heeft plaatsgevonden? Is terugplaatsing naar de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten, en dus mogelijk naar inhumane detentieomstandigheden, aan de orde geweest?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uw ambtenaren u ervoor gewaarschuwd hebben dat terugplaatsing «juridisch niet onomstreden» is vanwege «een reëel risico op het schenden van fundamentele rechtsbeginselen waarop u politiek kunt worden aangesproken»? Zo ja, hoe beoordeelt u dit ambtelijk advies? Welke gevolgen verbindt u aan dit ambtelijk advies?
Ik heb moeten constateren dat de voortgang van de verbetermaatregelen onvoldoende was. Om die reden hebben de Staatssecretaris en ik vooralsnog de terugzending van gedetineerden opgeschort, behoudens het hierboven genoemde drietal.
Kunt u aangeven of, en zo ja, onder welke omstandigheden de overige 23 gedetineerden zullen worden teruggeplaatst?
Op 19 oktober 2018 was met Sint Maarten afgesproken dat gestart zou worden met het gefaseerd terugplaatsen van de Sint Maartense gedetineerden, met ingang van 1 november 2018. Het streven van de Nederlandse regering blijft om de gedetineerden conform afspraak zo snel mogelijk te laten terugkeren, wat onder meer een goede re-integratie op Sint Maarten ten goede komt. Deze terugplaatsing hangt echter sterk samen met de door Sint Maarten door te voeren verbetermaatregelen. De voortgang op deze verbetermaatregelen wordt nauwlettend door Nederland gemonitord.
De vergoeding van kunstmatige inseminatie |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen het ontbreken van een mannelijke partner (in geval van alleengaande en lesbische vrouwen) en het ontbreken van een mannelijke partner met semen?1
Bij een man met semen zonder zaadcellen of zaadcellen van onvoldoende kwaliteit is er sprake van een vruchtbaarheidsprobleem ten gevolge van een aandoening, stoornis of een ziekte. Dat geldt als een medische indicatie in de context van de Zorgverzekeringswet. Dat is niet het geval bij het ontbreken van een mannelijke partner.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen kunstmatige inseminatie met donorsemen bij alleengaande of lesbische vrouwen en kunstmatige inseminatie met donorsemen bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Bij een man/vrouw-paar geldt het volgende. In het geval dat de man een medisch vruchtbaarheidsprobleem heeft is sprake van een medische indicatie bij de man. In geval de man verminderd vruchtbaar is, kan soms kunstmatige inseminatie met opgewerkt eigen semen een oplossing bieden, al dan niet intra-uterien. In deze gevallen is sprake van een gezamenlijke behandeling voor het man/vrouw-paar. In geval de man onvruchtbaar is, kan KID bij de vrouw een oplossing bieden. Bij deze vruchtbaarheidsbehandelingen, is daarom (ook of uitsluitend) de vrouw betrokken, waardoor deze (deels) ten laste van de verzekering van de vrouw komt.
Dit is een gevolg van de praktische oplossing die volgt uit een medisch probleem. Bij alleengaande vrouwen of lesbische paren kan de afwezigheid van een mannelijke partner echter niet worden bestempeld als een medisch probleem, waardoor vergoeding op basis van de zorgverzekering niet aan de orde is.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen de medische indicatie van alleengaande of lesbische vrouwen en de medische indicatie van vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het logisch dat bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen wél geldt dat deze vrouwen een medische indicatie hebben, terwijl er medisch gezien niets met hen aan de hand is, maar dat bij vrouwen met een vrouwelijke partner zonder semen of vrouwen zonder partner deze medische indicatie opeens niet geldt? Zo ja kunt u dit uitgebreid uitleggen en beargumenteren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met mij eens dat het discriminatie is om vrouwen met een vrouwelijke partner of vrouwen zonder partner anders te behandelen dan vrouwen met een mannelijke partner?
In de Zorgverzekeringswet is de aanwezigheid van een medische indicatie het uitgangspunt. Aan het hanteren van dit criterium is op geen enkele manier een discriminerend doel verbonden. In de praktijk werkt dit anders uit bij lesbische paren en alleengaande vrouwen, omdat in die gevallen – anders de gevallen waarbij de man een vruchtbaarheidsprobleem heeft – geen sprake is van een medische aanleiding voor een vruchtbaarheidsbehandeling.
Dit onderstreept dat het belangrijk is dat er spoedig – zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 13 maart2 – een besluit wordt genomen over de vraag of (en zo ja, hoe) de overheid een rol heeft in het financieren van vruchtbaarheidsbehandelingen in geval een beroep wordt gedaan op de zorg voor het vervullen van een kinderwens, terwijl een medische noodzaak ontbreekt. Een vergelijkbaar vraagstuk betreft de vergoeding van ivf-draagmoederschap behandelingen voor mannenparen in het kader van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Het voornemen is om uiterlijk rond de zomer een besluit te nemen in deze discussie.
Bent u het met mij eens dat wanneer voor gezonde vrouwen met een mannelijke partner kunstmatige inseminatie met donorzaad (KID) wel wordt vergoed, terwijl dat voor gezonde vrouwen met een vrouwelijke partner en gezonde vrouwen zonder partner niet gebeurt, er sprake is van discriminatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uitleggen wat u bedoelt met uw antwoord op mijn eerdere vragen dat het mogelijk maken van vergoeding van behandelingen waarvoor een medische indicatie ontbreekt een fundamentele aanpassing van de Zorgverzekeringswet impliceert die vergaande consequenties heeft? Doelt u hiermee op artikel 14, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet? Zo ja kunt u aangeven wat exact verstaan wordt onder «zorginhoudelijke criteria» en waarom wel voldaan wordt aan deze criteria in het geval van een vrouw met mannelijke partner zonder semen, maar niet door een vrouw met een vrouwelijke partner of een alleengaande?
Om toe te lichten hoe artikel 14 in dit licht moet worden gelezen is het belangrijk om artikel 14 van de Zorgverzekeringswet in samenhang met artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekering toe te lichten.
In artikel 14 van de Zorgverzekeringswet is geregeld dat de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een bepaalde andere dienst slechts wordt beoordeeld op basis van zorginhoudelijke criteria. Hiermee wordt bedoeld dat vanuit medisch (en bijv. niet vanuit sociaal) perspectief wordt gekeken naar de bovengenoemde individuele risico’s. Uitkomst hiervan kan zijn dat er een medische indicatie is tot behandeling.
Vervolgens heeft een cliënt op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekeringen slechts recht op een vorm van zorg «voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen». Of een cliënt redelijkerwijs is aangewezen op een te verzekeren prestatie is een individuele (medische) beoordeling. Dit is pas het geval als het individuele risico dat hij loopt op een ziekte, aandoening of beperking hoger is dan het risico binnen de populatie in het algemeen. Er is dan sprake van een medische indicatie. De Zorgverzekeringswet betreft immers een individuele schadeverzekering.
Concluderend betekent bovenstaande dat er een medische aanleiding (indicatie) nodig is om de behandeling kunstmatige inseminatie met donorzaad vergoed te kunnen krijgen vanuit het verzekerde pakket. Aanpassing van deze artikelen van de Zorgverzekeringswet en de onderliggende wet- en regelgeving vereist daarmee een fundamentele wijziging van het stelsel van ziektekostenverzekeringen, omdat deze wijziging het medisch indicatievereiste zou verbreden.
Het feit dat het ABP jarenlang uitbetaalde partnerpensioenen terugvordert |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van het ABP «ABP past 000 pensioenuitkeringen aan»1 en van de uitzending van Max meldpunt daarover2 en herinnert u zich het vragenuur van 5 maart 2019?
Ik wil om te beginnen, zoals ik aangaf in mijn brief aan uw Kamer van 21 maart jl. (2019–000001969), benadrukken dat ik het jammer vind als pensioengerechtigden te maken krijgen met terugvordering van pensioen. Achteraf moeten merken dat te veel pensioen is ontvangen is zuur. Dat geldt al helemaal indien een pensioengerechtigde te veel ontvangen pensioen moet terugbetalen.
Ja, ik heb kennisgenomen van het persbericht. Sindsdien is duidelijk geworden dat het ABP in 632 gevallen te weinig en in circa 630 gevallen te veel pensioen heeft uitgekeerd. In 75 gevallen gaat het om een klein bedrag (minder dan € 12) aan te veel uitgekeerd pensioen. Het ABP zal voor deze gevallen geen te veel uitbetaalde aanvulling terugvorderen. Daarmee komt het ABP op in totaal 555 gevallen dat zij overgaat tot terugvordering. Ik verwijs hier ook naar een nieuwsbericht van ABP van 15 maart 2019.3
Kunt u aangeven welke foutieve informatie de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan het ABP heeft aangeleverd, wat daarvan de oorzaak was en waarom dit geleid heeft tot te hoge en te lage pensioenen?
Uit contacten met de SVB, het ABP en APG, als haar pensioenuitvoeringsorganisatie, is mij het volgende gebleken.
In 2015 is het recht op partnertoeslag voor nieuwe AOW-gerechtigden afgeschaft. Het pensioenreglement van het ABP bepaalt daarom dat zij, als compensatie voor verlaging van de AOW-partnertoeslag, een aanvulling op het ABP-pensioen verstrekt, die qua hoogte afhankelijk is van de AOW-partnertoeslag. Voor de uitvoering van deze ABP-compensatie maakt APG, als uitvoeringsorganisatie van het ABP, gebruik van een geautomatiseerde gegevensuitwisseling met de SVB.
In de periode december 2013 – mei 2015 is het proces van gegevenslevering door de SVB aan APG gewijzigd. Medio 2013 heeft de SVB nl. het verzoek gekregen van APG om de aanlevering van gegevens te beperken tot alleen de voor APG relevante inkomensmutaties. De SVB meldde nl., naar het oordeel van APG, te veel mutaties. Hierop heeft de SVB in december 2013 een filter geplaatst in de gegevensuitwisseling.
Na invoering van het filter heeft de SVB in oktober 2014 gemeld dat zij mogelijk niet alle relevante inkomensmutaties meer had doorgegeven aan APG. De SVB heeft eind 2014, in afstemming met APG, besloten om het filter te verwijderen.
In de release van mei 2015 heeft de SVB het filter verwijderd. Sindsdien geeft zij alle nieuwe mutaties weer correct door aan APG. APG en de SVB hebben in 2014 en 2015 meermaals gesproken over gemiste inkomensmutaties. APG heeft eind 2015 voor ruim 1500 mensen gemiste inkomensgegevens opgevraagd bij de SVB, die deze data ook heeft geleverd. Naar nu blijkt is in het herstel van de gemiste gegevens niet volledig geweest. Hierdoor bleef APG de aanvulling baseren op het oude, onjuiste inkomensgegevens van de partner en heeft APG deze ook niet herzien.
Medio 2018 ontving de SVB signalen van zijn klanten dat bepaalde gegevens bij APG niet waren doorgekomen en/of verwerkt. Het bleek hier te gaan om gegevens, die de SVB in 2013–2015 had aangeleverd aan APG, over de periode van december 2013 tot mei 2015 over in totaal 2073 klanten. De SVB heeft APG hierover op 28 augustus 2018 geïnformeerd. Pas in oktober 2018 bleek dat het om een significant aantal klanten zou gaan. Op dat moment is een nadere analyse gestart. Op basis van een steekproef is medio december 2018 vastgesteld dat het om circa 700 te veel uitbetaalde aanvulling op het pensioen ging. Na een einddoorrekening en vergelijking tussen de data van APG met die van de SVB is in februari 2019 het definitieve aantal terug te betalen en terug te vorderen vastgesteld. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de zinssnede «(h)et in de periode 2013–2015 te veel uitgekeerde pensioen» in het ABP persbericht? Gaat het alleen om teveel uitbetaald pensioen over die periode of gaat het ook over pensioen over de periode 2015–2019?
Ja. Navraag bij het ABP heeft het volgende opgeleverd. In de periode december 2013 tot mei 2015 zijn voor 2073 deelnemers geen wijziging in de inkomensgegevens doorgegeven. Indien geen nieuwe wijzigingen hebben plaatsgevonden in het inkomen van de partner, lopen de op basis van foutieve inkomensgegevens vastgestelde aanvullingen op het pensioen door tot en met mei 2019. APG zal, conform besluit van het ABP, vanaf 1 juni 2019 de aanvulling beëindigen en tot terugvordering overgaan.
Ben u ervan op de hoogte dat verschillende mensen, die nu geld moeten terugbetalen, tussen 2015 en 2018 brieven hebben ontvangen dat hun uitkering is gewijzigd middels een brief van het ABP waarin stond dat «van de SVB ontvingen wij bericht dat het inkomen van uw partner is gewijzigd»? Waarom werd hun toeslag toen niet aangepast?
Ja, dit heeft het ABP mij bevestigd. De aanvulling op het pensioen zijn niet aangepast indien en voor zover APG geen wijzigingen in inkomensgegevens doorgegeven had gekregen. In het geval APG namelijk wel een inkomenswijziging tussen 2015 en 2018 heeft ontvangen van de SVB, heeft APG de aanvulling vastgesteld, met inachtneming van die wijzigingen. APG heeft in augustus 2018 informatie ontvangen over de periode december 2013- mei 2015. De terugvorderingen zien toe op dit tijdvak.
Kunt u precies aangeven wanneer de SVB onjuiste c.q. onvolledige informatie aan het ABP heeft verschaft en of het ABP in de afgelopen jaren wel juiste en volledige informatie heeft gehad, waardoor ze de fout zelf eerder had kunnen ontdekken?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. In de periode december 2013 – mei 2015 is er een fout gemaakt in de gegevenslevering van de SVB aan APG. Vanaf mei 2015 heeft de SVB alle nieuwe mutaties weer correct doorgegeven aan APG. De fouten als gevolg van de oude nog niet verwerkte mutaties liepen op dat moment nog door.
Klopt het dat er mensen zijn, die zelf deze aanvulling niet hebben aangevraagd en bij wie op het pensioenoverzicht of elders niet stond waarop de «aanvulling pensioen» op gebaseerd was, nu ineens geld moeten terugbetalen aan het ABP?
Pensioengerechtigden hoefden de aanvulling op het pensioen van het ABP (op het achterwege blijven of de verlaging van de AOW-partnertoeslag) niet zelf aan te vragen. Het betreffende toekenningsbericht vermeldde de nieuwe bedragen als bruto totaalbedragen en bevatte, zo liet het ABP mij weten, verder algemene informatie. APG heeft de hoogte van de aanvulling niet nader gespecificeerd in de betreffende toekenningsbrief.
Hoe hadden deze mensen redelijkerwijs kunnen weten dat zij niet een juiste pensioenuitkering ontvingen?
De getroffen ouderdoms- of nabestaandenpensioengerechtigden hebben uit algemene brieven kunnen weten dat zij uitsluitend rechten op pensioen konden ontlenen aan het pensioenreglement van het ABP. In de jaarlijkse uitkeringsspecificatie neemt het ABP geen disclaimer op die duidelijk maakt dat de bedragen mogelijk niet correct zijn. De hoogte van de aanvulling op het pensioen was niet nader gespecifieerd in het betreffende toekenningsbericht.
Klopt het dat het ABP op haar jaarlijkse en maandelijkse overzicht geen enkele disclaimer plaatst, waardoor mensen niet is verteld dat pensioen of een uitkering kan worden teruggevorderd?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat het ABP tot op de dag van vandaag geen berekening gestuurd heeft aan de mensen, bij wie zij geld terugvordert? Hoe beoordeelt u dat?
Ja, dat klopt. Ik ben niet in de positie om te bepalen of dan wel in welk opzicht een pensioenuitvoerder het beste kan voorzien in de informatiebehoefte van de getroffen ouderdoms- of nabestaandenpensioengerechtigden. Pensioengerechtigden zijn niet homogeen. Zij hebben niet per definitie behoefte aan (reken)technische uitleg van hun pensioen. De Pensioenwet schrijft, voor zover hier van belang, daarom voor dat de informatie aansluit bij de informatiebehoefte en kenmerken van o.a. de pensioengerechtigde. Als de pensioengerechtigde zijn of haar pensioenuitkering wil kunnen controleren, dan moet de pensioenuitvoerder juist wel die onderbouwing geven. Het is primair de verantwoordelijkheid van het bestuur van elke pensioenuitvoerder om aan deze eis op een effectieve manier invulling te geven, en niet aan mij. Het ABP heeft overigens tot op 13 februari 2019 slechts circa 10 verzoeken om nadere onderbouwing van de aanvullingen op het pensioen ontvangen.
Betekent deze gang van zaken dat het ABP op elk moment een brief kan schrijven aan een deelnemer en kan zeggen dat (een deel van) de pensioenuitkering onterecht was of foutief berekend was en dat die kan worden teruggevorderd?
Elke pensioenuitvoerder is gehouden het door sociale partners overeengekomen pensioenreglement uit te voeren, aldus de Pensioenwet. Indien de pensioenuitvoerder of, onder diens verantwoordelijkheid de pensioenuitvoeringsorganisatie, een fout heeft gemaakt, dan kan deze via een brief de betrokken deelnemer daarvan op de hoogte stellen. De pensioenregeling bepaalt de hoogte van de pensioenaanspraken van de deelnemers. Als de pensioenuitvoerder meer aan een deelnemer heeft uitbetaald dan waarop deze op grond van het pensioenreglement aanspraak had, dan heeft de pensioenuitvoerder dat betreffende bedrag onverschuldigd betaald aan de deelnemer. De pensioenuitvoerder is gehouden het onverschuldigde bedrag terug te vorderen.
Deelt u de mening dat het zeer, maar dan ook zeer onwenselijk is om gepensioneerden een te hoge uitkering uit te betalen en dan, na stamelend sorry gezegd te hebben, alles in te gaan houden?
Met u vind ik het ongelukkig indien pensioengerechtigden verkeerde bedragen uitgekeerd krijgen. Pensioenuitvoerders mogen echter niet eigenstandig pensioenuitkeringen aanpassen. Uitsluitend het pensioenreglement bepaalt nl. de aanspraken op pensioen of de uitkeringen. Nadat een fout is ontdekt, zijn zij daarom gehouden hetgeen te veel is uitbetaald, terug te vorderen. En als te weinig is uitbetaald, het resterende bedrag alsnog uit te betalen. Bij terugvordering vind ik het van belang dat pensioenuitvoerders rekening houden met de omstandigheden van het geval.
Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan indien pensioenfondsen een al uitgekeerde pensioenuitkering wil terugvorderen? Kunt u zeer gedetailleerd ingaan op de casus dat de uitkeringsgerechtigde geen fraude gepleegd heeft of foutieve informatie heeft aangeleverd en op de situatie dat de pensioenoverzichten geen disclaimers bevatten?
Het is de wettelijke taak van het bestuur van de pensioenuitvoerder om de pensioenregeling uit te voeren, die sociale partners zijn overeengekomen. Het pensioenreglement is immers bepalend voor welke rechten (en plichten) deelnemers en pensioengerechtigden hebben. In het geval het bedrag van een pensioenuitkering aan een pensioengerechtigde niet conform de aanspraak is waarop de gerechtigde volgens het pensioenreglement recht heeft, moet de pensioenuitvoerder deze uitkering dus aanpassen, ongeacht of er een disclaimer in een brief is opgenomen, ook al heeft de pensioengerechtigde geen enkele aanleiding gegeven door bijvoorbeeld fraude te plegen. De informatie over de uitvoering van de pensioenregeling, bijvoorbeeld over de aanspraak op pensioen of, onverhoopt, over de terugvordering van uitbetaalde pensioenen wegens fouten of doorvoering van verlagingen, moet uiteraard «correct» zijn, zoals wettelijk voorgeschreven.
Ik plaats daarbij een belangrijke kanttekening. Ik vind dat pensioenuitvoerders het belang van getroffen pensioengerechtigden centraal moeten stellen door onnodige verjuridisering van de beslechting van geschillen tegen te gaan. Zij kunnen hun verantwoordelijk nemen door erop te sturen dat pensioengerechtigden de gang naar de Ombudsman Pensioenen of zelfs naar de rechter niet hoeven te maken. Dat doen zij door al in de fase van de interne klachtenbehandeling, in eerste instantie of in beroep, tot een redelijk en billijk oordeel te komen over een geschil. Ik acht het niet in het belang van pensioen- en aanspraakgerechtigden indien pensioenuitvoerders hen onnodig zouden dwingen ook nog de gang naar de Ombudsman Pensioen of de rechter te moeten maken om op te komen voor hun rechten.
Tot hoeveel jaar terug kan een pensioenfonds te veel uitbetaald geld nog terughalen bij een deelnemer? Kan een pensioenfonds geld terughalen na 5, na 10 jaar of zelfs na 20 jaar? Kan het ook teruggehaald worden bij de nabestaanden?
Van onverschuldigde betaling is sprake indien een pensioenuitvoerder meer pensioen heeft uitgekeerd dan waarop de betreffende pensioengerechtigde recht had op grond van het pensioenreglement. Op grond van Nederlands burgerlijk recht geldt een verjaringstermijn van 5 jaar voor vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling. De termijn van verjaring vangt aan op de dag dat de schuldeiser zowel met de vordering als de ontvanger van de betaling bekend is geworden. Of de pensioenuitvoerder de vordering wegens overlijden op de nabestaanden mag verhalen is afhankelijk van het erfrecht en de wijze waarop nabestaanden met de erfenis omgaan.
Welke rechten kan een deelnemer ontlenen aan een pensioenoverzicht of aan een jaaroverzicht van een pensioenfonds?
Een deelnemer ontleent zijn of haar aanspraak op pensioen uitsluitend aan het pensioenreglement. Pensioenuitvoerders zijn gehouden het pensioenreglement uit te voeren. Indien een pensioenuitvoerder een bedrag in een brief vermeldt dat niet gebaseerd is op het pensioenreglement, dan verandert daarmee niet de aanspraak op pensioen van die deelnemer.
Informatie over pensioen speelt echter wel degelijk een rol en terecht wat mij betreft. Fouten ondermijnen het vertrouwen in het nut van informatie. Fouten ondermijnen daarmee ook het gebruik van informatie. Of een deelnemer nl. gerechtvaardigd mag vertrouwen op informatie van de pensioenuitvoerder die later niet correct blijkt te zijn, is volgens jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Indien de deelnemer aantoonbaar schade lijdt als gevolg van foutieve informatie of van het herstel van de gemaakte fout, dan kan de uitvoerder aansprakelijk zijn voor die schade.
Indien een deelnemer geen absolute rechten kan ontlenen aan een Uniform Pensioenoverzicht (UPO), heeft hij/zij dan wel de mogelijkheid om een document van het pensioenfonds te vragen en te krijgen waaraan hij/zij rechten kan ontlenen?
Een deelnemer mag altijd vragen om extra informatie, bijvoorbeeld berekeningen, en om uitleg daarvan. Dat recht kent de Pensioenwet hem of haar toe. Een deelnemer kan, ter versterking van zijn rechtspositie, altijd vragen om een bevestiging van de juistheid van de ontvangen informatie. Evenzeer staat het een deelnemer vrij bij de pensioenuitvoerder aan te geven dat hij of zij zich voor een bepaald besluit baseert op de (juistheid en volledigheid van de) ontvangen informatie.
Indien een pensioenfonds meent dat teveel pensioen is uitbetaald, mag het fonds het teveel betaalde dan terughalen door in te houden op toekomstige uitkeringen? Zo ja, welke minimumwaarborgen gelden dan (informatieplicht, eerst bezwaar en beroep, maximum inhouding, maximum termijn uit het verleden waarover teruggevorderd mag worden)?
Een pensioenuitvoerder heeft de wettelijke taak het pensioenreglement uit te voeren, hetgeen betekent dat zij, in geval van uitbetaling van meer pensioen dan waarop de pensioengerechtigde recht heeft, het te veel uitgekeerde moet terugvorderen.
Ik vind dat het bestuur van een pensioenuitvoerder er verstandig aan doet van tevoren vastgesteld terugvorderingsbeleid te hebben, waarin inhoudelijke- en proceswaarborgen zijn opgenomen, die ook rekening houden met het belang van de getroffen pensioengerechtigde.
Het is niet aan mij om die waarborgen voor te schrijven. Dat is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de uitvoerder, dat uiteraard rekening moet houden met het toepasselijke recht, waaronder verjaringstermijnen en stuiting daarvan, en, minstens even belangrijk, vaste jurisprudentie over het recht op terugvordering en redelijke en billijke voorwaarden voor de terugvordering. Is en blijft een pensioengerechtigde het oneens met de individuele terugbetalingsregeling die de pensioenuitvoerder voorstelt, dan staat de interne klachtenprocedure open, en daarna, als het kennelijk niet anders kan, het aanhangig maken van een zaak bij de Ombudsman Pensioenen en/of de rechter.
Welke actie kan een deelnemer ondernemen om een pensioenfonds te verhinderen dat geld wordt ingehouden op zijn huidige pensioenuitkering omdat hij het niet eens is met de verrekening?
Een deelnemer kan opkomen tegen een terugvordering van (een deel van de) pensioenuitkering, door een interne klacht in te dienen, en daarvan zonodig intern in beroep te gaan als het pensioenreglement hierin voorziet. Daarna kan de deelnemer een zaak voorleggen aan de Ombudsman Pensioen. De deelnemer zou, onverhoopt, ook meteen de rechter kunnen vragen in kort geding om zijn of haar pensioenfonds te verplichten die verrekening nog niet of niet onverkort door te voeren.
Hoe gaat de belastingdienst om met de inhoudingen op de pensioenen, die feitelijk betrekking hebben op achterliggende jaren?
Als de terugbetaling van te veel genoten pensioen plaatsvindt door inhouding op de lopende pensioenuitkering, dan is die terugbetaling aan te merken als negatief loon. In paragraaf 4.9.1 van het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst staat uitgeschreven welke mogelijkheden er zijn en hoe dat moet worden uitgevoerd.
De pensioengerechtigde kan fiscaal ook om een andere verrekeningsoplossing vragen die gebaseerd is op een goedkeuring in een besluit van de Staatssecretaris van Financiën. Als de pensioengerechtigde het teveel genoten bedrag in een ander jaar heeft terugbetaald, kan dit leiden tot een belastingnadeel ten opzichte van de situatie dat hij die inkomsten niet zou hebben genoten. De pensioengerechtigde kan de belastinginspecteur verzoeken om het te veel genoten – en later terugbetaalde – pensioen als niet genoten aan te merken. Daardoor wordt het inkomen in dat jaar lager vastgesteld en vindt een herrekening van de aanslag plaats. De pensioengerechtigde moet dan wel afzien van zijn recht om de terugbetaling in het jaar van terugbetaling als negatief inkomen aan te merken.
Indien een persoon over bijvoorbeeld 2015 toch recht gehad zou hebben op toeslagen (of hogere toeslagen) kan hij die dan alsnog aanvragen? Zo nee, wie kan de pensioengerechtigde dan daarvoor aansprakelijk stellen?
Ik verwijs allereerst naar mijn antwoord op vraag 18. De daar beschreven andere verrekeningsoplossing houdt in dat het inkomen over 2015 lager wordt vastgesteld. Daarmee worden dan ook zonder afzonderlijk verzoek toeslagen aan de hand van dat inkomen opnieuw bepaald. Mocht die nieuwe vaststelling uitblijven of anders uitvallen dan verwacht, dan kan de burger zich wenden tot de Belastingdienst Toeslagen.
De pensioengerechtigde kan daarnaast altijd, ondersteund door vaste jurisprudentie, voor aantoonbare schade geleden als gevolg van foutieve informatie of fouten die de pensioenuitvoerder herstelt, vergoeding van schade claimen van en bij de pensioenuitvoerder. Als beide partijen er niet uitkomen, kan de pensioengerechtigde altijd nog, in uiterste geval, naar de rechter stappen.
Heeft u overleg gehad met het ABP? Wat was de uitkomst van het overleg? Is het ABP bereid om de getroffen mensen ook echt tegemoet te komen door (een deel van) de schade zelf te dragen?
In mijn contact met het ABP heb ik aandacht gevraagd voor zorgvuldige en coulante uitvoering van haar terugvorderingsbeleid. Het is aan het bestuur van elke pensioenuitvoerder om intern daarover verantwoording af te leggen, zeker ook bij terugvordering van ten onrechte uitgekeerd pensioen of bij nabetaling van te weinig uitgekeerd pensioen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden, zodat er voor de terugvorderingen opnieuw zouden kunnen beginnen een nieuwe politieke afweging kan plaatsvinden?
Ik heb gepoogd uw Kamer mijn antwoorden zo snel als mogelijk te sturen.
Het bericht ‘Aantal buitenlandse tandartsen in Nederland neemt fors toe’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal buitenlandse tandartsen in Nederland neemt fors toe»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
In het BIG-register2 stonden op 4 maart 2019 11.251 tandartsen geregistreerd. Ongeveer 1575 hiervan hebben een niet-Nederlandse nationaliteit (voornaamste landen van herkomst: Duitsland (17%), Spanje (13%) en België (10%)). Dat is ongeveer 14% van het totaal aantal geregistreerde tandartsen. Dit is ongeveer een verdubbeling ten opzichte van 2009. Het aantal registraties van tandartsen met een buitenlands diploma nam de afgelopen jaren toe, maar laat sinds 2017 een daling zien. Het aantal daadwerkelijk werkzame tandartsen wordt niet apart geregistreerd.
Er wordt niet ingezet op het aantrekken van tandartsen uit het buitenland. Uiteraard staat het tandartsen met een buitenlands diploma vrij om zich in Nederland te vestigen, mits zij afkomstig zijn uit een land van de EER of Zwitserland en aan de eisen voldoen die aan dit beroep worden gesteld als BIG-geregistreerd beroep.
Kloppen de cijfers dat er momenteel 1462 buitenlandse tandartsen in Nederland werken, wat 17% van het totale aantal tandartsen is en een verdubbeling ten opzichte van het aantal in 2009? Zo nee, wat zijn de correcte cijfers? Zo ja, wat is uw reactie op deze cijfers?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gezegd dat het niet uitmaakt waar de tandartsen vandaan komen zolang ze maar aan alle eisen voldoen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het volgens u van belang om in Nederland voldoende tandartsen op te leiden, zodat aan de vraag naar tandartsen kan worden voldaan zonder dat het nodig is tandartsen uit het buitenland te halen?
Het is voor mij van belang dat er voldoende mondzorgverleners zijn die kwalitatief goede mondzorg verlenen. Daarbij wordt niet ingezet op het aantrekken van tandartsen uit het buitenland. Over het opleiden van tandartsen in Nederland hebben de Minister van OCW en ik u eerder geïnformeerd bij de beantwoording van de voorhang van het concept tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid geregistreerd-mondhygiënist (Kamerstuk 32 620, nr. 217) en de beantwoording van Kamervragen op 23 januari 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr.1275) en 25 februari 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr.1695). De Minister van OCW en ik zullen de Kamer bij Voorjaarsnota informeren over wat de kosten zijn van het opvolgen van het advies van het Capaciteitsorgaan over het benodigde aantal opleidingsplaatsen Tandheelkunde en Mondzorgkunde.
Wanneer komt u met het besluit tot het organiseren van extra opleidingsplaatsen voor tandartsen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg arbeidsmarkt in de zorgsector van 13 maart 2019 beantwoorden?
Het algemeen overleg is verplaatst naar 29 mei 2019. Ik heb u de antwoorden binnen de reguliere termijn toegezonden.
Het bericht ‘Onverbeterlijke criminele asielzoeker heeft vrij spel’. |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onverbeterlijke criminele asielzoeker heeft vrij spel»?1
Ja.
Is het waar dat criminele bewoners van azielzoekerscentra (azc's) eenvoudig ergens anders «toeslaan als ze van azc wisselen» omdat ze vrij spel hebben omdat ze niet worden gevolgd en geen dossiers over hen worden aangemaakt? Zo ja, waarom worden ze niet gevolgd en waarom wordt niet aan dossiervorming gedaan?
De overlast die wordt veroorzaakt door een beperkte groep asielzoekers, is volstrekt onacceptabel. Dit geldt voor overlastgevend gedrag op de COA-locaties, maar uiteraard ook daarbuiten. Er zijn maatregelen getroffen om de ketensamenwerking te verbeteren. Daarbij is ook het belang van goede informatie-uitwisseling en dossiervorming onderkend.
Dit betekent concreet dat informatie over een (overlastgevende) bewoner bij een overplaatsing op de nieuwe COA-locatie bekend is; dat de politie incidenten op een zodanige manier registreert dat kan worden nagegaan of de betrokkene een asielachtergrond heeft; dat de IND en DT&V ten behoeve van de asielprocedure en het vertrekproces door middel van een uittreksel van de justitiële documentatie nagaan of een asielzoeker eerder met justitie in aanraking is geweest; dat bij overplaatsingen tussen asielzoekerscentra dossiers worden overgedragen, en dat bij de zwaardere overlastgevende asielzoekers, die in een EBTL worden geplaatst, ook de politie wordt ingelicht. Uit gegevens vanuit de migratieketen blijkt dat personen uit de zogenoemde veilige landen relatief vaker dan de gemiddelde asielzoeker overlastgevend en/of crimineel gedrag vertonen. Deze aanvragen worden sneller afgedaan.
Tijdens het AO JBZ op 6 maart jl. heb ik aangegeven dat ik bereid ben te kijken of een additionele databank meerwaarde heeft. Daarbij heb ik tegelijkertijd aangegeven dat er al heel veel zaken worden geregistreerd. Deze registratie is op een aantal punten inmiddels ook verbeterd. Het ontwikkelen van een additionele databank zal ook lang duren. Om die reden is het voor de korte termijn van belang dat bestaande structuren en systemen ten volle worden benut om belangrijke informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn het Lokaal terugkeeroverleg,2 het Regionaal afstemmingsoverleg3 en het lokale driehoeksoverleg.4 Zo is er met diverse gemeenten gesproken over de noodzaak tot nauwere lokale samenwerking om de aanpak van overlast van asielzoekers te doen slagen.
Herkent u de vraag van de politie Kampen om een landelijke database zodat niet achteraf maar vooraf maatregelen mogelijk zijn? Bent u bereid een dergelijke database in te richten waardoor in elk geval van deze categorie gegevens kunnen worden bijgehouden en gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u kennisgenomen van de stelling van Teamchef Ekker dat «met een volgsysteem met incidenten van iedereen die zich in Nederland aanmeldt voor asiel» kan worden ingespeeld op te verwachten overlast»? op welke wijze kunt u hieraan tegemoet komen?
Ja. Met het oog op de veiligheid op COA-locaties houdt het COA een registratie bij van incidenten die op die locaties gebeuren en daarmee is betrokkenheid bij incidenten inzichtelijk in de persoonsdossiers. Dit betekent dat informatie over een bewoner bij een overplaatsing op de nieuwe locatie bekend is. Indien nodig vindt er ook telefonisch contact plaats tussen de locaties ten behoeve van een warme dossieroverdracht. Daarnaast is het zo dat de politie, met het oog op haar taak voor het bewaken van de openbare orde, een registratie bijhoudt van incidenten, op een zodanige manier dat ook kan worden nagegaan of de betrokkene een asielachtergrond heeft. Deze informatie is door geautoriseerde politie-agenten raadpleegbaar. Dus ook als een asielzoeker wordt overgeplaatst naar een nieuwe locatie.
Herkent u het beeld dat de teamchef schetst dat het overplaatsen van asielzoekers, en dus ook die van een kleine groep criminelen, het «rondpompen van het probleem» is? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen waarom criminele asielzoekers niet naar een extra begeleiding en toezicht locatie (ebtl) worden overgeplaatst maar elders in een regulier azc worden ondergebracht?
Nee, dit beeld herken ik niet. De aanpak van criminele asielzoekers vindt in eerste instantie plaats binnen de strafrechtketen. Dit kan vanaf elke COA-locatie en staat los van het verplaatsen van een asielzoeker.
Op de COA locatie is de aanpak van overlastgevend gedrag gericht op optreden tegen onaanvaardbaar gedrag en beïnvloeding van houding en gedrag van overlastgevenden ten behoeve van de veiligheid en leefbaarheid op de locatie, alsook de directe omgeving. Hier bestaat een set aan maatregelen voor, waaronder directe overplaatsing naar een ebtl, overplaatsing naar een andere locatie om de groepsdynamiek te doorbreken en onthouden van verstrekkingen. Er wordt altijd aangifte bij de politie gedaan indien daartoe aanleiding is. Samenwerking tussen betrokken partners is daarnaast van groot belang. Zie hiervoor het antwoord op vraag 6.
Wat gaat u doen om de kern van de kritiek van de politie dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) informatie over criminele asielzoekers niet deelt wanneer deze worden overgeplaatst, weg te nemen?
Er zijn maatregelen getroffen om de ketensamenwerking te verbeteren. Daarbij is ook het belang van goede informatie-uitwisseling en dossiervorming onderkend. Het COA is met de politie in gesprek om te bekijken hoe de samenwerking verbeterd kan worden, aangezien het COA niet altijd op de hoogte is, dan wel wordt gesteld van de criminele gedragingen van de asielzoeker. Verbetering is mogelijk ten aanzien van het delen van informatie en elkaar informeren, binnen de wettelijke kaders van informatieoverdracht.
Het loskoppelen van het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Costa-amendement dat op 27 februari 2019 unaniem door het Britse Lagerhuis is aangenomen, dat voorstelt om het burgerrechtengedeelte van het Brexit-uittredingsverdrag los te koppelen en ervoor te zorgen dat dit geïmplementeerd wordt in alle gevallen – deal of no deal?1
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige situatie rondom de Brexit uiterst onzeker is voor vele Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk (VK), met nog maar ruim drie weken tot de Brexit-datum van 29 maart 2019 en dat het risico op een no-dealscenario reëel is?
De kans dat er geen akkoord komt tussen de Europese Unie (EU) en het VK blijft aanwezig, met nog minder dan drie weken voor de voorziene Brexitdatum te gaan. Daarom blijven Nederland, de Europese Commissie en de andere lidstaten van de EU zich onverminderd voorbereiden op een no deal scenario.
Deelt u de mening dat ondanks het feit dat het Nederlandse kabinet het garanderen van verblijfsrechten voor Britse burgers in Nederland serieus neemt, de vele EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk -waaronder duizenden Nederlanders- in het geval van een no-dealbrexit voor het beschermen van hun rechten overgeleverd zijn aan de beleidskeuzes van de regering van Theresa May in een land waar immigranten steeds minder welkom lijken te zijn?
Het kabinet deelt de mening in zoverre dat het VK verantwoordelijk is voor het beschermen van de burgerrechten van de EU-burgers in het VK in het geval van een no dealBrexit. Het kabinet is daarom positief gestemd dat premier May in haar speeches meerdere malen heeft benadrukt dat EU burgers die al in het VK zijn, daar mogen blijven, ook in een no deal scenario.
De Britse overheid heeft eind vorig jaar (6 december 2018) een policy paper over de rechten van EU-burgers gepubliceerd2 . Het kabinet ziet publicatie van dit policy paper als een positieve unilaterale stap van het VK om de eerdere toezeggingen van premier May op het gebied van burgerrechten in geval van een no deal nader uit te werken. Het VK is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid in dit policy paper. Omdat het kabinet groot belang hecht aan het beschermen van de rechten van Europese burgers in het VK, zal het kabinet hier bij de Britse regering aandacht voor blijven vragen. Ook de EU heeft op verschillende manieren aangegeven dat zij verwacht dat het VK concrete stappen zet om de toezeggingen op het gebied van burgers in geval van een no deal na te komen.
Deelt u de mening dat het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag een wederkerige basis legt om het verblijfsrecht van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk en Britten in de Europese Unie te beschermen en een aantal coördinatieproblemen oplost, zoals aggregatie van pensioenrechten, sociale zekerheidsrechten, en de toegang tot gezondheidszorg?
Ja, daarom is het kabinet er alles aan gelegen dat het terugtrekkingsakkoord in werking kan treden.
Deelt u de mening dat ondanks dat dit voorstel in het Costa-amendement niet alle problemen voor Nederlanders en andere Europese burgers in het Verenigd Koninkrijk oplost, er veel onzekerheid bij mensen mee kan worden weggenomen als het burgerrechtengedeelte van het Brexitverdrag in alle gevallen in werking zou treden? Bent u in dit kader nog steeds van mening dat het toestaan van dubbele nationaliteit voor deze groep Nederlanders, waarmee er een fundamentele en bestendige oplossing voor hen komt, onwenselijk is?
Het kabinet betreurt het dat de EU burgers door de politieke meningsverschillen binnen het VK nog geen volstrekte zekerheid hebben over hun verblijfsstatus na Brexitdatum. De beste manier om de rechten van de ongeveer 4,5 miljoen betroffen EU burgers in het VK en VK burgers in de EU te beschermen is door ratificatie van het terugtrekkingsakkoord. Hierin zijn namelijk wederkerige, juridisch bindende afspraken met het VK opgenomen met passende waarborgen voor naleving inclusief een rol voor het EU Hof van Justitie. De EU27 is niet bereid tot het sluiten van een «mini-deal». Dit zou impliceren dat de onderhandelingen over het alomvattende terugtrekkingsakkoord definitief zijn mislukt. Het voorliggende akkoord is niet zomaar tot stand gekomen: het is de uitkomst van lange en moeizame onderhandelingen om een balans te vinden tussen enerzijds de EU-uitgangspunten en anderzijds de rode lijnen van het VK. Het kabinet wil zich volop blijven concentreren op de ratificatie van het terugtrekkingsakkoord en op die manier een einde maken aan de onzekerheid voor burgers.
Het is op dit moment niet noodzakelijk om de bestaande mogelijkheden voor het bezit van een meervoudige nationaliteit voor Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk te verruimen. De redenen hiervoor zijn al eerder ter sprake gekomen (bijvoorbeeld tijdens het AO Brexit d.d. 23 januari 2019). Een alomvattend terugtrekkingsakkoord met het VK blijft de beste manier om de rechten van Nederlanders aldaar te waarborgen. Het VK heeft bovendien toezeggingen gedaan op het gebied van verblijfsrecht voor in het VK verblijvende EU-burgers en Nederland gaat ervan uit dat deze toezeggingen worden nagekomen.
Bent u bekend met het feit dat het Costa-amendement Premier May verplicht om de Europese Raad te verzoeken om het burgerrechtengedeelte van het uittredingsverdrag in alle gevallen – deal of no deal – te garanderen en implementeren?
Ja.
Bent u bereid binnen de Europese Unie vóór de Europese Top van 22 maart het voortouw te nemen om uw collega’s in de Europese Raad ervan te overtuigen dat garanderen van burgerrechten in álle gevallen noodzakelijk is en aldus positief te reageren op het verzoek van Premier May om zo te regelen dat de rechten van burgers in alle gevallen gegarandeerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De rechten van burgers zijn voor het Nederlands kabinet en de rest van de EU altijd topprioriteit in de Brexit onderhandelingen geweest. Ook in de toekomst zal dat zo blijven. Zoals ik in vraag 5 uiteen heb gezet, zal ik mij echter niet inzetten voor een «mini-deal» op de burgerrechten, omdat ik denk dat dit niet de beste oplossing is. De EU-lidstaten, waaronder Nederland, hebben in de ER-richtsnoeren van 29 april 2017 vastgelegd dat er pas overeenstemming over het terugtrekkingsakkoord is als er over alle onderwerpen overeenstemming is bereikt en dat afzonderlijke kwesties niet afzonderlijk kunnen worden geregeld. Een «mini-deal» op burgerrechten zou aanpassing van de ER-richtsnoeren vereisen. Deze aanpassing zou moeten gebeuren met consensus. Het kabinet blijft van mening dat de EU en de Europese Raad namens haar zich vol moeten blijven inzetten voor ratificatie van het terugtrekkingsakkoord.
Het artikel ‘Werkgevers overstelpt met loonsancties UWV over uitvoering ziektewet’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Werkgevers overstelpt met loonsancties UWV over uitvoering ziektewet»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Is het waar dat het aantal boetes aan private uitvoerders zo fors is opgelopen? Wat is daar volgens u de reden van?
Of het aantal sancties dat is opgelegd aan private uitvoerders zo fors is opgelopen kan niet gezegd worden. Er zijn geen cijfers hierover. UWV houdt namelijk het aantal sancties bij, maar maakt in de reguliere beleids- en verantwoordingsinformatie geen onderscheid in sancties die zijn opgelegd aan publieke en privaat verzekerde werkgevers.
Wat is uw reactie op de kritiek dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) minder strenge maatstaven hanteert voor werkgevers die de uitvoering aan de dienst zelf hebben toevertrouwd?
Eerst wil ik opmerken dat er geen sprake is van gewijzigd beleid. Werkgevers kunnen zelf kiezen hoe zij de Ziektewet (laten) uitvoeren. Werkgevers kunnen de betaling van het ziekengeld en de re-integratieverplichtingen overlaten aan UWV. Zij kunnen ook zelf het ziekengeld betalen ingeval van ziekte en eigenrisicodrager voor de ZW worden. Bijvoorbeeld omdat zij meer mogelijkheden zien om de kosten van ziekteverzuim te beperken door de werknemer zelf te (laten) begeleiden tijdens ziekte. Als werkgevers de uitvoering in eigen hand willen houden dan is dat voor hen een vrijwillige keuze die zij bewust maken. Op grond van de geldende wetgeving gelden er voor eigenrisicodragers ten aanzien van re-integratie van voormalig werknemers andere voorwaarden dan bij uitvoering van de Ziektewet door het UWV. Ik zal de verschillen hieronder nader toelichten.
In artikel 63a van de Ziektewet is geregeld dat de eigenrisicodrager op dezelfde manier verantwoordelijk is voor de re-integratie van zijn voormalig werknemers als voor werknemers die onder een dienstverband vallen. Dit geldt zowel voor het eerste spoor (werkhervatting bij de eigen werkgever) als voor het tweede spoor (werkhervatting bij een andere werkgever). Kortom, na het einde van het dienstverband wordt de begeleiding van de zieke ex-werknemer voortgezet alsof de werknemer nog bij de eigenrisicodrager in dienst is. Als er mogelijkheden zijn om werk in het oorspronkelijke bedrijf te hervatten, dan moeten deze mogelijkheden benut worden. Voor de re-integratie van voormalig werknemers van publiek verzekerde werkgevers is er geen vergelijkbare bepaling. UWV hoeft de re-integratie in het eerste spoor niet te onderzoeken. Het UWV heeft deze mogelijkheid ook niet, want het UWV heeft hier immers niet de rol van werkgever en heeft ook niet de mogelijkheden die een werkgever wel in huis heeft. Bij de toetsing op de re-integratie inspanningen moet UWV nagaan of de publiek verzekerde werkgever voldoende re-integratie inspanning heeft geleverd (in zowel het eerste en tweede spoor) gedurende de tijd dat de werknemer in dienst was. Voor ZW-eigenrisicodragers moet UWV ook toetsen of er na einde van het dienstverband voldoende inspanningen zijn geleverd.
De werkwijzer poortwachter helpt werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en re-integratiebedrijven in de begeleiding en re-integratie van zieke of arbeidsongeschikte werknemers. UWV heeft de werkwijzer poortwachter verduidelijkt naar aanleiding van ontvangen vragen en opmerkingen bij een eerdere versie.
Wat is uw reactie op de kritiek dat het UWV loonsancties kan opleggen aan werkgevers die een gewezen werknemer geen vast contract aanbieden, terwijl het UWV zelf alleen maar inzet op re-integratie bij een andere werkgever («Spoor 2»)?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, gelden op grond van de Ziektewet andere voorwaarden voor ZW-eigenrisicodragers ten aanzien van de re-integratie van voormalig werknemers. Bij de beoordeling van de re-integratie inspanningen is het uitgangspunt van UWV dat de werkgever datgene doet wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. De begeleiding van zieke werknemers is maatwerk. UWV beoordeelt elke casus afzonderlijk en betrekt daarbij de individuele omstandigheden van dat geval. Ik kan daarom geen algemene uitspraken doen over het ontbreken van een vast contract als reden voor het opleggen van een sanctie.
Deelt u de mening dat het hybride model, waarbij er de keuze is om de zorg voor re-integratie van zieke werknemers uit te besteden aan private uitvoerders, valt en staat bij een gelijk speelveld en eventuele verschillen daarin zo snel mogelijk gelijk te trekken?
Op grond van de Ziektewet gelden voor ZW-eigenrisicodragers ten aanzien van de re-integratie van voormalig werknemers inderdaad andere voorwaarden dan bij de uitvoering van de Ziektewet door UWV. Zie ook het antwoord op vraag 3. Ik vind het vooral belangrijk dat het voor werkgevers duidelijk is wat de spelregels van beide modaliteiten zijn. Ik zie geen aanleiding om de voorwaarden voor eigenrisicodragers aan te passen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg arbeidsongeschiktheid op 27 maart 2019?
Ja, daartoe ben ik bereid.
Bent u bereid deze vragen mee te nemen in de gesprekken die u op dit moment voert met het UWV over de uitvoering en waarover u reeds heeft toegezegd de Kamer voor de zomer te informeren?
Ik ben regelmatig in gesprek met het UWV. Als er aanleiding toe is zal ik de Kamer informeren.