Verstrekking van Nederlandse visa in landen waar geen Nederlands consulaat gevestigd is |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke bilaterale regeling Nederland als vertegenwoordigde lidstaat op grond van art. 84) van de Visumcode heeft getroffen met de vertegenwoordigende lidstaat België inzake visumbehandelingen in Kameroen?1 Kunt u daarbij expliciet ingaan op de beschikbaarstelling van ruimte, medewerkers en financiële middelen door Nederland als de vertegenwoordigde lidstaat? Kunt u tevens aangeven in hoeverre aanvragen van bepaalde categorieën onderdanen van derde landen conform artikel 22 door de vertegenwoordigende lidstaat voor voorafgaande raadpleging worden doorgezonden naar de centrale autoriteiten van Nederland als vertegenwoordigde lidstaat – zowel in algemene zin als in de context van Kameroen?
Zoals eerder in mijn brief van 4 januari 2019 aangegeven, is de bilaterale Schengenvisumvertegenwoordigingsregeling die Nederland heeft gesloten met België gebaseerd op de Visumcode (Europese regelgeving), art. 8.lid 4. d. Dit is in de desbetreffende regeling vastgelegd. Daarnaast zijn in de regeling afspraken gemaakt op hoofdlijnen, die gelden voor de in de regeling vermelde locaties voor wederzijdse visumvertegenwoordiging. Deze zien er o.m. op dat visumaanvragen moeten worden beoordeeld en visa moeten worden verstrekt op basis van de condities en procedures van de Visumcode.
Afspraken over elke locatie afzonderlijk worden hierbij niet gemaakt.
De aard van Schengenvisumvertegenwoordiging is dat deze plaats vindt met «gesloten beurzen». Visumvertegenwoordigingsregelingen kunnen worden gemaakt wanneer er voldoende personele capaciteit en bestaande infrastructuur aanwezig is om de extra aanvragen van een daartoe verzoekende lidstaat adequaat in behandeling te kunnen nemen. Als dat niet het geval is, zal het verzoek door die lidstaat worden afgewezen.
Nederland is in staat (geweest) verzoeken van andere lidstaten tot visumvertegenwoordiging op een aanzienlijk aantal locaties wereldwijd in te willigen. Andere lidstaten kunnen (konden) weer verzoeken van Nederland tot visumvertegenwoordiging op bepaalde locaties honoreren. In Kameroen heeft Nederland geen eigen ambassade en vertegenwoordigt België al sedert geruime tijd Nederland voor Schengenvisa.
Sommige Schengenlanden hebben ten aanzien van bepaalde visumplichtige nationaliteiten of bepaalde categorieën aanvragers van die nationaliteit, aangegeven dat zij (overeenkomstig artikel 22 van de Visumcode) voorafgaand aan visumverlening geraadpleegd dienen te worden in de vorm van electronische toezending van de aanvraaggegevens. Deze raadpleging kan plaatsvinden bij zowel aanvragen die niet in het kader van vertegenwoordiging worden gedaan, als bij aanvragen die wel in het kader van vertegenwoordiging wordt gedaan. Visumvertegenwoordiging staat hier los van.
Voor Nederland geldt dat er geen voorafgaande raadpleging is van een bepaalde visumplichtige nationaliteit of van categorieën aanvragers van die nationaliteit.
Op welke gronden rust de Nederlandse interpretatie van de Visumcode, namelijk dat Nederland zich niet dient te mengen in bezwaren inzake afwijzing van individuele aanvragen?
Artikel 32.3 van de Visumcode bepaalt dat aanvragers aan wie een visum is geweigerd in beroep kunnen gaan. Het beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de definitieve beslissing over de aanvraag heeft genomen.
De visumvertegenwoordigingsregeling gebaseerd op art. 8.lid 4.d, van de Visumcode, is inclusief de mogelijkheid tot het nemen van een weigeringsbeslissing op een visumaanvraag. Alle definitieve beslissingen -positief en negatief- worden dan genomen door de vertegenwoordigende lidstaat.
In dit licht moet tegen een weigeringsbeslissing beroep worden ingesteld in de vertegenwoordigende lidstaat. De behandeling van het bezwaar/beroep vindt dan geheel zelfstandig plaats door de vertegenwoordigende lidstaat volgens het nationale recht van die lidstaat.
Waarom wordt het reguliere overleg over knelpunten niet ook benut voor het afdoening van bezwaren tegen afwijzingen van visumaanvragen?
In het Nederlandse Schengenvisumproces zijn vastgestelde procedures voor de behandeling van bezwaar-en beroepszaken bij visumaanvragen. Aan visumaanvragers wordt bij de weigeringsbeschikking op een aanvraag aangegeven hoe, bij welke instantie en binnen welke termijn een bezwaarschrift kan worden ingediend. In Nederland worden bezwaarschriften behandeld door medewerkers/juristen van de IND/Visadienst. Beroep kan worden ingesteld bij een rechtbank.
Het regulier overleg met België is een ambtelijk overleg waarbij, zoals ik in mijn reactie van 4 januari 2019 heb toegelicht, eventuele knelpunten -op hoofdlijnen- in de wederzijdse visumvertegenwoordiging worden besproken. Voor afhandeling van individuele bezwaarzaken is het regulier overleg niet het geëigende kanaal en is het evenmin de bevoegde instantie.
In hoeverre deelt u de vrees van de indieners dat het feit dat een aanvrager gedwongen wordt in een ander land te procederen dan het land van bestemming, de procedure ineffectief maakt, wat in strijd zou zijn met bepalingen in het Handvest van de Europese Unie inzake het recht op een effectieve procedure?
De Visumcode voorziet sinds 2011 expliciet in waarborgen voor een behoorlijke rechtsgang voor visumaanvragers, zoals destijds beoogd door de EU-landen, wat visumvertegenwoordiging op basis van art. 8. lid 4, onder d van de Visumcode ook mogelijk maakt.
Met het arrest El Hassani (C-403/16) van 13 december 2017, werd bevestigd dat lidstaten bij Schengenvisumaanvragen gehouden zijn, op grond van artikel 32, lid 3 van de Visumcode, een effectief beroepsmiddel te bieden in de zin van artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest.
Met in achtneming van deze voorziene waarborgen bij visumvertegenwoordiging, ben ik van mening dat verschillen in de nationale beroepsprocedures bij de Schengen lidstaten bij visumzaken een effectieve rechtsbescherming niet in de weg staan.
De vraag of een uitleg van artikel 8, lid 4, onder d en artikel 32, lid 3 van de Visumcode, die inhoudt dat de aanvragers het beroep tegen de weigering om aan hen een visum te verlenen uitsluitend in de vertegenwoordigende lidstaat kunnen instellen, in overeenstemming is met het recht op effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47, is onderwerp van prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank Utrecht aan het Hof van Justitie. Ik wil niet op de uitkomsten van die procedure vooruitlopen.
Hoe duidt u de visie van lidstaat Italië dat het vertegenwoordigde land verantwoordelijk is voor behandeling van een bezwaarschrift/herzieningsverzoek?
Nederland heeft met Italië een bilaterale visumvertegenwoordigingsregeling gesloten. Deze afspraak is in een Note Verbale (NV) vastgelegd.
In de NV staan de voorwaarden voor visumvertegenwoordiging tussen Nederland en Italië vermeld. De afspraak met Italië is gebaseerd op art. 8, lid 4, onder d), van de Visumcode en behelst aldus volledige vertegenwoordiging. Dat betekent dat in landen waar Italië de vertegenwoordigende lidstaat is van Nederland, Italië ook beslissingen neemt tot weigering van een visumaanvraag. Beroep tegen deze weigeringen dient te worden ingesteld in Italië.
Hoe is gewaarborgd en hoe wordt erop toegezien dat de visumbehandeling door België namens Nederland in Kameroen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk, op correcte, efficiënte en effectieve wijze geschiedt?
Schengenvisumverlening leent zich bij uitstek voor samenwerking tussen de Schengenlanden. De regelgeving is geharmoniseerd (Visumcode) evenals de voorwaarden en procedures voor de visumverlening.
Tijdens het regulier overleg met België staan naast actuele ontwikkelingen,eventuele aandachtpunten of bijzonderheden over de locaties van wederzijdse visumvertegenwoordiging op de agenda. Indicator hierbij is o.m. het aantal klachten dat Nederland bereikt met betrekking tot visumvertegenwoordiging door België. Op het departement zijn met betrekking tot visumvertegenwoordiging door België in Kameroen over de afgelopen 4 jaar slechts 2 klachten ontvangen. Er zijn daarnaast geen andere signalen dat de visumvertegenwoordiging door België voor Nederland in Kameroen niet adequaat verloopt.
Het bezoek van de topman van Air France-KLM |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ben Smith in gesprek met Nederlandse Ministers»?1
Ja.
Klopt het dat Ben Smith (topman van Air France-KLM) op donderdag 17 januari 2019 bij u op bezoek kwam?
Ja. We hebben op 17 januari gesproken met de heer Ben Smith, CEO van Air France- KLM en mevrouw Anne-Marie Couderc, voorzitter van de board van
Air France- KLM.
Welke onderwerpen stonden er allemaal op de agenda van dit gesprek?
We hebben gesproken over de ontwikkelingen bij Air France-KLM, het belang van het netwerk van KLM op Schiphol voor onze bereikbaarheid en economie en de afspraken die met de onderneming zijn gemaakt om de publieke belangen te borgen die met KLM zijn gemoeid.
Welke agendapunten had de heer Smith meegenomen naar dit gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Welke agendapunten had u meegenomen naar dit gesprek?
Besprak u met de heer Smith ook het afnemende draagvlak voor vliegverkeer in Nederland?2 Zo ja, kunt u zijn reactie daarop met ons delen?
Besprak u met de heer Smith, vertegenwoordiger van een zeer vervuilend bedrijf, ook de Nederlandse klimaatdoelstellingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u zijn reactie daarop met ons delen?
Deze onderwerpen zijn in dit gesprek op Air France-KLM groepsniveau niet aan de orde geweest. Onderwerpen als verduurzaming van de luchtvaart en veiligheid worden regelmatig besproken met de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen KLM en Transavia die onderdeel zijn van de Air France-KLM groep.
Besprak u met de heer Smith ook de mogelijkheid dat hij zijn bedrijf zal moeten voorbereiden op een krimp van de luchtvaart, een realistisch scenario om klimaat, veiligheid en leefomgeving te ontlasten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u zijn reactie daarop weergeven?
Zie antwoord vraag 7.
Problemen op de Maaslijn |
|
Erik Ronnes (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Reiziger op Maaslijn moet wachten op hopeloos verdeelde provincies»?1
Ja.
Is het u bekend dat de provincies Limburg en Gelderland onderling in conflict zijn over een nieuw miljoenentekort voor de Maaslijn? Zo ja, wat is uw mening hierover?
De provincie Limburg heeft mij in november 2018 mede namens de provincies Noord-Brabant en Gelderland verzocht deel te nemen aan overleg over het regionale project «Opwaardering Maaslijn». In dit overleg komen ook de financiële situatie en de planning van dit regionale project aan de orde. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het project en de afgesproken maatregelen ligt bij de drie provincies, waarbij de provincie Limburg het eerste aanspreekpunt is. In het overleg is mij niet gebleken van een conflict tussen de provincies Limburg en Gelderland.
Kunt u aangeven hoe de financiële afspraken en verantwoordelijkheden thans luiden tussen de verschillende provincies en de rijksoverheid? Wilt u daarbij aangeven welke bedragen (harde) infrastructuur dan wel materiaal betreffen en hoe de verhouding van financiën en kwaliteit is? Hoe liggen deze afspraken voor de huidige situatie en hoe voor de nieuwe situatie (elektrificatie, extra spoor etc.)?
De verantwoordelijkheid voor de opwaardering van de Maaslijn door middel van elektrificatie en versnellingsmaatregelen ligt bij de drie provincies. Het Rijk heeft Rijksbijdragen toegezegd voor de kosten van de elektrificatie en de versnellings-maatregelen. Zo is een Rijksbijdrage van € 25 miljoen exclusief btw toegezegd voor de elektrificatie en Rijksbijdragen van respectievelijk € 16,1 miljoen en € 9,1 miljoen, beide inclusief btw, voor de versnellingsmaatregelen op de Zuidelijke en de Noordelijke Maaslijn. In 2014 is bij de verlening van de Rijksbijdrage voor de elektrificatie expliciet vermeld dat de risico’s voor het project bij de provincies liggen. Ten aanzien van de exploitatie geldt dat dit een zaak is tussen de betrokken provincies als concessieverlener en Arriva, als vervoerder. De rijksoverheid speelt hier geen rol in.
Kunt u specificeren wat de rol van de vervoersmaatschappij in deze is en of partijen (concessieverleners en -nemers) de gemaakte afspraken nakomen? Welke maatregelen zijn er genomen om de inzet van materieel op het «oude» niveau terug te brengen, dat wil zeggen voor de brand en de aanrijding?
Ik heb hierover informatie opgevraagd bij de verantwoordelijke provincies. De provincie Limburg heeft, mede namens de andere concessieverleners en vervoerder Arriva, aangegeven dat de kwaliteitseisen die zijn afgesproken in de concessieovereenkomst op dit moment niet worden gehaald. De provincie Limburg is in gesprek met Arriva over verbeteringen op korte termijn. Bij dit gesprek is ook ProRail betrokken als spoorbeheerder. Afgesproken is dat Arriva extra personeel inzet om bij verstoring van de dienstregeling in de ochtend sneller te kunnen reageren. Ook heeft Arriva een analyse gemaakt van mogelijke verbeterpunten ten aanzien van het materieel. Deze punten worden uitgewerkt tot maatregelen. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over verbeterde informatievoorziening aan reizigers. Voor het herstel van de beschadigde treinstellen is Arriva afhankelijk van leverancier Stadler. Eén treinstel is vanaf begin december 2018 weer ingezet; het tweede treinstel is naar verwachting medio 2019 opnieuw inzetbaar.
Kunt u aantonen welke groepen van reizigers het meest geraakt worden door de nieuwe situatie en daarbij expliciet in te gaan op de positie van scholieren en studenten? Wilt u ook aangeven welk perspectief geboden kan worden aan die reizigers?
Het uitgangspunt voor alle reizigers op de Maaslijn is een betrouwbare dienstregeling. In de praktijk zal moeten blijken wat het effect is van de maatregelen die tussen de concessieverleners en Arriva zijn afgesproken.
Het grootste deel van de reizigers op de Maaslijn is scholier of student. Vanwege de aanvangstijden van lessen en colleges en beperkt alternatief vervoer ondervindt deze groep relatief veel hinder. Een eerdere proef van onderwijsinstellingen in Nijmegen met gespreide aanvangstijden van een kwartier laat volgens betrokken organisaties zien dat de effecten groot zijn; de eerste resultaten heb ik vorige maand ontvangen. De belangrijkste conclusies van het onderzoek, zoals ik uit Nijmegen heb vernomen, zijn dat met deze relatief kleine aanpassing in aanvangstijden tot op heden de hyperspits in de trein in de ochtend (8:15 uur) op de Maaslijn met 41% fors is afgenomen. Dit betekent een vermindering van 41% van de bezetting van de drukste trein naar Nijmegen Heyendaal, het grootste knelpunt op de Maaslijn. Daarnaast is de hyperspits in de trein in de ochtend naar Nijmegen van Arriva en NS tezamen met 22% afgenomen (dit is meer dan vooraf werd ingeschat). Op de buslijnen naar de Campus is de hyperspits in de ochtend met 10% afgenomen. Er zijn inmiddels tussen de onderwijsinstellingen afspraken gemaakt om de verschuiving van de onderwijstijden te continueren; ook de gebiedsgewijze aanpak, waar deze actie onderdeel van uitmaakt, zal worden gecontinueerd met de inbreng vanuit mijn departement. Mede naar aanleiding van de motie Amhaouch (Kamerstuk 35 000 A, nr. 15) blijf ik deze effecten monitoren.
Bent u bereid om zelf een bemiddelende rol te spelen dan wel een mediator aan te wijzen opdat verdere vertraging van besluitvorming en escalatie van het conflict wordt voorkomen en waarbij wordt aangedrongen op maximale inspanning van alle betrokken partijen om de huidige problemen op te lossen?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Ik ben in overleg met de provincies over de situatie op de Maaslijn. Het streven is de afgesproken verbetermaatregelen zo snel als mogelijk te realiseren.
Deelt u de mening dat de huidige situatie onacceptabel is voor het imago van de trein in de regio als betrouwbaar alternatief?
Ik ben van mening dat er sprake moet zijn van een betrouwbare dienstregeling op de Maaslijn. Het overleg dat ik voer met de drie provincies en ProRail is er op gericht verbetermaatregelen te treffen zodat de exploitatie van de Maaslijn op een goede en betrouwbare wijze kan plaatsvinden.
Het artikel 'Doe altijd aangifte! Maar waarom doen hulpverleners het zelf dan niet?' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Doe altijd aangifte! Maar waarom doen hulpverleners het zelf dan niet?»?1 Kent u daarnaast de nota «Oud en Nieuw 2018–2019 landelijk beeld jaarwisseling 2018–2019 in Nederland» van De landelijke Eenheid, Dienst landelijke informatie organisatie, IKKL–IKN, van 10 januari 2019?2 Kent u voorts het artikel «Geweld tegen agenten verdubbeld: «onbegrijpelijk»»?3
Ja.
Klopt de stelling in het artikel uit het Algemeen Dagblad van 16 januari 2019 dat politieagenten geen aangifte doen indien er geweld jegens hen gebruikt is tijdens de jaarwisseling? Herkent u dit beeld? Herkent u zich in de zin in de nota van de politie (pagina 11) dat politieagenten geen aangifte van geweld durven te doen, omdat zij bang zijn voor represailles? Indien u zich herkent in deze stelling, kunt u dan aangeven waarom agenten bang zouden zijn voor represailles?
Er zijn op dit moment geen cijfers beschikbaar die de in voornoemd artikel aangehaalde stelling (dat politieagenten als er geweld tegen hen is gebruikt gedurende de jaarwisseling geen aangifte doen) kunnen staven of onderbouwen. De stelling dat politieagenten geen aangifte van geweld durven doen uit angst voor represailles herken ik niet. Uit de eerder door politie uitgevoerde handmatige analyse van de incidenten voor het Landelijk Beeld Jaarwisseling blijkt dat dit ging om werknemers met een publieke taak, niet zijnde politieambtenaren. Desalniettemin is het zaak dat alle werknemers met een publieke taak altijd aangifte doen wanneer geweld tegen hen is gebruikt. Indien een hulpverlener bedreigd wordt naar aanleiding van een aangifte neemt de politie dit serieus. Ook bij andere hulpverleners dan de politie kan de werkgever aangifte doen.
Bij navraag heeft de politie mij bevestigd geen signalen ontvangen dat de aangiftebereidheid onder politieambtenaren in algemene zin niet optimaal is. Het is wel zo dat de snelle opeenvolging van incidenten tijdens de jaarwisseling er voor zorgt dat politiemedewerkers niet in alle gevallen melding van GTPA hebben gedaan. Dit is overigens niet anders dan in voorgaande jaren.
Tijdens de jaarwisseling is het helaas zo dat een deel van de hulpverleners tijdens het werk te maken krijgt met bedreiging, intimidatie en fysieke agressie. Ik wil benadrukken dat dit onacceptabel is. Juist in dit soort schrijnende omstandigheden is het doen van aangifte belangrijk.
Het beleid bij politie bestaat uit een uitvoeringsregeling van «Geweld Tegen Politie Ambtenaren» (GTPA) inclusief twee richtlijnen. Vanuit de politieorganisatie wordt gestimuleerd melding en aangifte te doen van geweld tegen politieambtenaren, als het gaat om strafbaar geweld wordt door de politieorganisatie aangifte gedaan. Hier wordt door leidinggevenden doorlopend aandacht voor gevraagd. Er zijn verschillende mogelijkheden bij het doen van aangifte, waaronder het kiezen voor aangifte onder domicilie (bijvoorbeeld de werkplek als domicilie). Hierdoor kan de verdachte geen kennis nemen van het privé adres van de aangever. Ook is er de mogelijkheid dat de leidinggevende, vanuit zijn verantwoordelijkheid als werkgever, aangifte doet. De politieambtenaar wordt verder in bescherming genomen door er zorg voor te dragen dat de voortgang van het opsporingsonderzoek en het dossier wordt afgeschermd en alleen kan worden geraadpleegd door daarvoor geautoriseerde personen.
Zijn er redenen om aan te nemen dat agenten, in meer gevallen dan de jaarwisseling, geen aangifte doen indien er geweld tegen hen gebruikt is of er gedreigd is met geweld tegen hen? Kunt u een algemeen beeld schetsen van de aangiftebereidheid onder politieagenten?
Zie antwoord vraag 2.
Is er nu wel of niet sprake van een toename aan geweldsincidenten tegen hulpverleners, zoals is betoogd door plaatsvervangend korpschef van Essen in het Algemeen Dagblad van 1 januari 2019, namelijk een toename van 27 incidenten bij de jaarwisseling 2017–2018 naar 59 incidenten bij deze jaarwisseling? Hoe verhoudt die uitspraak zich tot het overzicht in de nota van de politie (pagina 10) waar vermeld staat dat het aantal GTPA-incidenten gestegen is van 51 naar 59?
Het bericht waar aan gerefereerd wordt, bevat uitspraken die gedaan zijn op basis van voorlopige cijfers. De definitieve cijfers heb ik aan uw Kamer gezonden per brief van 11 januari 2019.4 Daarin staat aangegeven dat het aantal incidenten tegen politieambtenaren is gestegen van 51 naar 59. Het aantal politieambtenaren dat slachtoffer is geworden van geweld tijdens de jaarwisseling is weliswaar gedaald van 88 naar 82, maar bedacht moet worden dat het aantal slachtoffers van fysiek geweld is gestegen van 38 naar 58.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het debat over geweld tegen hulpverleners tijdens de jaarwisseling plaatsvindt?
Ja.
Het bericht dat de Merwedebrug nog maar 6 dagen restlevensduur had |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe u kunt garanderen dat het inspectieniveau van bruggen en viaducten in Nederland adequaat genoeg is, als is gebleken dat de Merwedebrug nog maar zes dagen restlevensduur had?1
Het voldoen aan het Bouwbesluit en onderliggende normen borgt dat het risico op een calamiteit zeer minimaal niveau ligt. Dit risico kan echter nooit helemaal nul zijn.
Voorafgaande aan de sluiting van de Merwedebrug voor vrachtverkeer heeft er een uitgebreid traject plaatsgevonden van inspecties en berekeningen. De berekeningen vinden plaats met ruime veiligheidsmarges om de veiligheid te kunnen blijven borgen. Dit betekent dat de brug bij het bereiken van deze restlevensduur mogelijk niet meer aan het vereiste veiligheidsniveau voldoet. Het betekent niet dat de brug ook daadwerkelijk bezwijkt. Gedurende het traject heeft de veiligheid voor de weggebruiker altijd voorop heeft gestaan.
Zijn er op dit moment nog meer bruggen en viaducten in dezelfde staat als de Merwedebrug bij de ontdekking van de scheurtjes in 2016 of in slechtere staat dan de Merwedebrug op dat moment? Zo ja, welke bruggen zijn dit en welke maatregelen zijn of worden genomen om de veiligheid weer terug naar acceptabel niveau te brengen?
De Kamer is op 10 juli 2017 geïnformeerd over de constructieve veiligheid en staat van onderhoud van bruggen in de nota «Onderhoud Strategische Bruggen Hoofdwegennet». Hierin is gemeld dat voor 25 bruggen binnen een termijn van ca. 15 jaar planbare maatregelen nodig zullen zijn. Deze bruggen waren reeds en zijn in beeld binnen het reguliere inspectie- en onderhoudsprogramma en binnen het programma Vervanging en Renovatie. Vervolgacties worden uitgevoerd binnen deze programma’s.
In geen van deze bruggen of viaducten zijn tot nu toe vergelijkbare indicaties van scheurvorming gevonden als bij de Merwedebrug in 2016. Bij de IJsselbruggen in de A12 waren de theoretische effecten door vermoeiing het grootst van de bovengenoemde 25 bruggen. Deze brug is sindsdien onderhevig aan een geïntensiveerd inspectieregime, maar tot op heden is er geen indicatie van scheurvorming aangetroffen. De renovatie van de IJsselbrug is in voorbereiding.
Kunt u toelichten of de middelen die nu uitgetrokken zijn voor het onderhoud en de vervanging van bruggen en viaducten voldoende zijn om alle bruggen en viaducten die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallen de komende jaren op acceptabel veiligheidsniveau te brengen? Indien sprake is van onvoldoende middelen: hoeveel geld is er nog extra nodig en hoe bent u van plan om aan deze middelen te komen?
Zoals gemeld in de Kamerbrief Staat van de bruggen van november 2016 reserveer ik meerjarig budgetten voor de renovatie en vervanging bij einde levensduur van objecten zoals bruggen. De financiële omvang van het programma Vervanging en Renovatie neemt toe van circa € 150 mln. per jaar tot 2020, tot gemiddeld circa € 350 mln. per jaar voor de periode na 2020. De inschatting van einde restlevensduur geschiedt door een combinatie van een verwachting van de restlevensduur, het feitelijk gebruik en inspecties. Deze inschatting wordt periodiek geactualiseerd. Op basis daarvan wordt ook het benodigde budget geactualiseerd.
Bent u bereid om in de aanloop naar de vervangingsopgave het aantal inspecties te vergroten zodat de veiligheid van onze bruggen en viaducten gegarandeerd blijft? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de afsluiting van de Merwedebrug is reeds een versneld onderzoek uitgevoerd naar de strategische bruggen in Nederland. Hierover bent u geïnformeerd in de nota «Onderhoud Strategische Bruggen Hoofdwegennet» van 10 juli 2017. Vervolgacties worden uitgevoerd binnen het reguliere inspectie- en onderhoudsprogramma en binnen het programma Vervanging en Renovatie. Daar waar er aanleiding toe is om het inspectie regime aan te passen doet Rijkswaterstaat dit ook.
De plannen voor grootschalige zandwinning in het IJsselmeer voor de kust van Friesland |
|
Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft de huidige beoogde locatie de minste impact op (de omgeving van) het IJsselmeer in relatie tot natuur-, milieu-, geluid- of andere hinder of zijn er andere locaties waar ook geschikt zand is en waar de ingreep minder impact heeft?1
Over het nationaal belang van industriezandwinning in de grote wateren (waaronder het IJsselmeer) bent u geïnformeerd middels de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. Het vigerende beleid en bestaande wet- en regelgeving schrijven niet voor dat voor- en nadelen van alle geschikte locaties door de initiatiefnemer inzichtelijk moeten worden gemaakt. Overigens is in eerste instantie wel het hele IJsselmeer als zoekgebied voor de winning van industriezand beschouwd. Binnen het geologisch meest geschikte gebied ten zuiden van Gaasterland werd als eerste winlocatie gedacht aan een locatie nabij Lemmer en de vaargeul Amsterdam-Lemmer. Deze locatie «Lemmer» had echter nadelen voor met name de beroepsvaart en de natuurwaarden langs de IJsselmeerkust. Daarom is gezocht naar een meer westelijk gelegen locatie, wat leidde tot de aanvraag voor de oost-west gelegen strook in het IJsselmeer op een afstand van vijf tot zeven kilometer ten zuiden van Gaasterland. Deze locatie «Gaasterland» bleek geologisch gezien ook het meest kansrijk voor exploitabele winning van industriezand. Het initiatief van Smals BV is door Rijkswaterstaat en provincie getoetst aan de gestelde wettelijke vereisten. De nu voorliggende vraag is of kan worden ingestemd met het initiatief.
Zoals ik in mijn eerdere brief aan uw Kamer over dit onderwerp (brief van 21 december 2018, kenmerk IENW/BSK-2018/283754) heb aangegeven dient de ruimtelijke ontwikkeling in het betreffende bestemmingsplan mogelijk te zijn gemaakt. Daarmee wordt een belangrijke (finale) afweging gelaten aan de gemeente De Fryske Marren.
Heeft Royal Smals IJsselmeer BV bij het onderzoek naar geologisch geschikte locaties ook andere geschikte locaties in het IJsselmeer gevonden? Zo ja, op basis waarvan is de keuze voor de huidige beoogde locatie bepaald? Door wie? En welke nadelen en voordelen heeft deze locatie ten opzichte van de origineel beoogde locatie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Waarop baseren PWN-Drinkwaterbedrijf en Rijkswaterstaat (RWS) hun oordeel dat geen of verwaarloosbare effecten te verwachten zijn van de zandwinning op de drinkwatervoorziening?
De effecten van de zandwinning op de waterkwaliteit zijn in de MER (milieu effectrapportage) behandeld. Conclusie is dat door de zandwinning in het IJsselmeer geen of verwaarloosbare effecten op de drinkwaterkwaliteit te verwachten zijn. PWN heeft RWS verzocht te bevestigen dat deze conclusie ook in gewijzigde omstandigheden, zoals de droogte van afgelopen zomer, blijft staan. Door RWS is dit onderzocht. Er is een nadere analyse gemaakt waarbij rekening is gehouden met de extreme omstandigheden van de zomer van 2018. Hierbij is met behulp van een verspreidingsmodel een zo betrouwbaar mogelijke voorspelling gemaakt van de effecten van de geplande zandwinning op de inname van IJsselmeerwater bij Andijk. Hieruit blijkt dat een droge zomer als die van 2018 geen andere of grotere effecten gaat veroorzaken dan waar in de ontwerp watervergunning van uit is gegaan. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de zandwinning geen bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening. Het monitoren van de kwaliteit van het bij de zandwinning vrijkomende water is als voorschrift in de watervergunning opgenomen.
In hoeverre is er sprake van cumulatieve negatieve effecten voor (de omgeving van) het IJsselmeer bij de realisatie van de zandwinning voor bijvoorbeeld vogels en de onderwaternatuur? In hoeverre is dat bij de afweging van de locatiekeuze betrokken door Royal Smalls IJsselmeer BV? In hoeverre is dat bij de afweging van de locatiekeuze betrokken door Provincie Fryslân?
Uit de MER en Passende Beoordeling conform de wet natuurbescherming volgt dat de zandwinning alleen mogelijke effecten veroorzaakt in relatie tot het Natura 2000-gebied IJsselmeer. De mogelijke cumulatieve effecten beperken zich met name tot een toename van tijdelijke of permanente verstoring op vogels. In de analyse van cumulatieve effecten op Natura 2000-gebied «IJsselmeer» zijn de volgende initiatieven in ogenschouw genomen:
De aanleg en exploitatie van het werkeiland en de zandwinning hebben geen effecten op habitattypen en doelsoorten in Natura 2000 -gebied «IJsselmeer» (direct noch indirect, via effecten op voedsel). Effecten van andere projecten op habitattypen cumuleren dus niet met effecten van de zandwinning.
Zijn er alternatieven voor de verwerking van het zand ten opzichte van een nieuw aan te leggen eiland met industriehallen, bijvoorbeeld winning in en rond de vaargeulen van het IJsselmeer en verwerking in bestaande industriële gebieden aan het IJsselmeergebied? Zo ja, zijn in die afweging ook aspecten zoals de beoogde effecten voor natuur, milieu, geluid en andere hinder betrokken?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Voor industriezand is een goede korrelgrootteverdeling van groot belang. Ten behoeve van verwerking van het gewonnen zand op land zou in theorie het zand per schip of met een leiding kunnen worden getransporteerd. Bij belading van een schip zou de fijne fractie verloren gaan, waardoor het zand niet langer geschikt is voor de toepassing als industriezand. Het over grote afstand transporteren door middel van transportbuizen naar een landlocatie is technisch moeilijk uitvoerbaar en ingewikkelder, mede met het oog op de risico’s voor de scheepvaartveiligheid. Vanwege de technische en bedrijfseconomische nadelen is verwerking op land door de initiatiefnemer als minder aantrekkelijk beoordeeld en daarom in een vroege fase van het proces verlaten als te bestuderen optie.
Zijn er voor u bezwaren tegen zandwinning in het IJsselmeer op de origineel beoogde locatie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Zijn er voor RWS bezwaren tegen zandwinning in het IJsselmeer op de origineel beoogde locatie?
Rijkswaterstaat is voor het zandwin-initiatief het bevoegd gezag voor de te verlenen ontgrondings- en watervergunning. Uit het MER blijkt dat de aspecten waar de ontgrondingsvergunning op toe ziet (met name bodem, archeologie en landbouw) voor de locatie Lemmer slechter scoort dan de locatie Gaasterland. Dit betekent niet automatisch dat er geen ontgrondingsvergunning voor verleend zou kunnen worden. Omdat de locatie Lemmer niet is aangevraagd is de vergunbaarheid niet verder onderzocht. Ditzelfde geldt voor de watervergunning, waarbij kan worden opgemerkt dat de aspecten met betrekking tot waterkwaliteit voor beide locaties gelijkwaardig scoren. Voor de aspecten natuurwaarden en scheepvaartveiligheid scoort de locatie Lemmer slechter (zie ook vraag 1).
Is het noodzakelijk een ADC-toets te doorlopen indien significante effecten op Natura2000-doelstellingen bij voorgenomen projecten niet uitgesloten kunnen worden? Zo ja, waarom heeft er geen ADC-toets plaatsgevonden?
Een ADC-toets (toets of Alternatieven gevonden kunnen worden, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang, en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen) dient te worden doorlopen als mogelijk significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Van significante effecten is volgens de door provincie uitgevoerde toetsing bij het onderhavige project geen sprake. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Geeft de uitspraak van 25 juli 2018 door het Europese Hof in de zaak Grace (zaak C164/17, ECLI:EU:C:2018:593) waaruit blijkt dat ook in Vogelrichtlijngebieden de grens tussen mitigatie en compensatie is aangescherpt, aanleiding om een ADC-toets te doorlopen?
Nee, de laatste jaren is in het Europese natuurbeschermingsrecht veel te doen geweest over het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Het onderscheid tussen beide typen maatregelen is relevant voor het uitvoeren van de habitattoets (screening of voortoets en/of passende beoordeling) op basis van art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn. Voor het initiatief is een passende beoordeling uitgevoerd waaruit is komen vast te staan dat er geen significante effecten optreden.
In hoeverre heeft de provincie Fryslân commentaar van de Commissie m.e.r. op versies van de MER in de definitieve MER of het vervolgproces betrokken? Acht u dat voldoende?
Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. (cMER) op de tweede aanvulling van het MER is besloten om geen aanvullend advies bij de cMER meer te vragen, en dit was ook geen verplichte stap. Het belangrijkste punt in het advies van de cMER was dat het wenselijk werd geacht om beter te onderbouwen dat geen significante effecten te verwachten zijn op schelpdier-etende vogels. De suggestie werd daarbij gedaan om na te gaan in hoeverre vervangend foerageergebied te realiseren zou zijn. Het bevoegd gezag was daarmee goed in staat om het MER-advies te vertalen naar de besluitvorming. Het advies is daarbij opgevolgd en Smals BV heeft op verzoek van de Provincie Fryslân aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van mosselen. Op basis van de resultaten zijn maatregelen vastgesteld. Deze maatregelen zijn beschreven in de passende beoordeling. Dit is vastgelegd in de verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) van de provincie. De conclusie van de provincie is dat met inachtneming van de voorgenomen maatregelen er geen aanleiding is om aan te nemen dat er significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen optreden.
Mijn beeld is dat hiermee zorgvuldig is omgegaan met de adviezen en vragen van de cMER.
Welke belangen, winning of natuurwaarden, moet RWS in haar besluitvorming laten prevaleren, aangezien in natuurgebieden op het land beheer (terreinbeheerder) en vergunningsverstrekking (provincie) gescheiden zijn (de terreinbeheerder draagt verantwoordelijkheid voor de natuur, komt hier voor op en adviseert bij de behandeling van vergunningaanvragen. RWS heeft in het IJsselmeergebied zowel de rol als beheerder van het Natura 2000-gebied, is penvoerder van het Natura 2000-beheerplan en is betrokken bij de vergunningverlening rondom zandwinning (watervergunning))?
Het rijksbeleid is om zandwinning zoveel mogelijk te laten plaatsvinden in grote rijkswateren. In 2003 is uw Kamer geïnformeerd over de beëindiging van de Rijks-regierol voor ontgrondingen (Kamerstuk 28 600 XII, nr. 114). Daarbij is door het kabinet de verwachting uitgesproken dat het ontgrondend bedrijfsleven de kans zal benutten om zelf projecten te ontwikkelen die kunnen rekenen op draagvlak.
In die context moet dan ook worden gekeken naar het voorstel van het bedrijf Smals BV voor grootschalige industriezandwinning in het IJsselmeer. Het spreekt voor zich dat elk initiatief moet worden getoetst aan alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder de Wet natuurbeheer, Ontgrondingenwet en Waterwet met bijbehorende beleidsdocumenten. Er is in dit opzicht nadrukkelijk geen sprake van een situatie waarin de zandwinning prevaleert. Rijkswaterstaat is bevoegd gezag in het kader van de Waterwet en de Ontgrondingenwet. De provincie is dat voor de Wet natuurbeheer.
In hoeverre is de voorgenomen zandwinning passend binnen de structuurvisie van provincie Fryslân «Grutsk op «e Romte» en de afspraken die zijn gemaakt in de Agenda IJsselmeergebied 2050, welke op 17 mei 2018 door 60 partijen is ondertekend?
In de structuurvisie van de provincie Friesland uit 2014 wordt een viertal provinciale belangen geduid die betrekking hebben op het IJsselmeergebied en haar Friese kustzone. Eén specifiek belang heeft betrekking op de klifkusten van Gaasterland en op het beleefbaar en afleesbaar houden van de overgang van geaccidenteerd landschap naar de grootschalige, open watervlakte van het IJsselmeer. Een ver uit de kustzone geprojecteerde zandwinning roept naar de inschatting van de provincie Fryslan geen spanning op met dit belang.
De Agenda IJsselmeergebied 2050 richt zich primair op gebiedsbrede opgaven die uitstijgen boven het schaalniveau van afzonderlijke deelgebieden en projecten. De werkwijze die deelnemende partijen voorstaan met Agenda IJsselmeergebied is om in een zo vroeg mogelijke fase ruimtelijke ontwikkelingen te bezien in samenhang met andere opgaven en kansen. De Agenda is geen vervanging van vigerende beleidskaders. De voorbereidingen voor het zandwinproject voor de kust van Gaasterland zijn lang voor de totstandkoming van Agenda IJsselmeergebied 2050 begonnen. Wel zal bij nieuwe projecten van deze omvang de Agenda IJsselmeergebied-werkwijze ondersteunend kunnen zijn bij de te maken afwegingen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat de besluitvorming in gemeente De Fryske Marren geagendeerd staat?
Ja.
Het bericht ‘Merwedebrug was bijna ingestort, Nederland aan ramp ontsnapt’ |
|
Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merwedebrug was bijna ingestort, Nederland aan ramp ontsnapt»?1
Ja.
Is een restlevensduur van zes dagen een levensduur die volgens u als veilig bestempeld kan worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Voorafgaande aan de sluiting van de Merwedebrug voor vrachtverkeer heeft er een uitgebreid traject plaatsgevonden van inspecties en berekeningen. Met deze berekeningen kan het moment van bereiken van het einde van de restlevensduur worden aangegeven. Hierbij worden ruime veiligheidsmarges gehanteerd. Dit betekent dat de brug op het moment van einde levensduur constructief nog veilig genoeg is, maar dat de brug mogelijk op termijn niet meer aan de veiligheidsnormen voldoet. Het betekent niet dat de brug daadwerkelijk bezwijkt.
Wel dienen passende maatregelen te worden genomen om ook op termijn aan de vereiste veiligheidsnormen te blijven voldoen. Gedurende het traject staat de veiligheid voor de weggebruiker altijd voorop.
Bij welke levensduur dan wel restlevensduur valt een brug of kunstwerk binnen een verhoogd risicoprofiel en wordt overgegaan tot versterking?
Het Bouwbesluit schrijft, voor bestaande bouw, voor hoe om dient te worden gegaan met de bepaling van de restlevensduur van bruggen. Met berekeningen kan het moment van bereiken van het einde van de restlevensduur worden aangegeven. Hierbij worden ruime veiligheidsmarges gehanteerd. De brug is op dat moment constructief nog veilig genoeg, maar voldoet mogelijk op termijn niet meer aan de ruime veiligheidsnormen. Vanaf dat moment wordt overgegaan naar een verhoogd inspectieregime. Daarnaast kan besloten worden tot versterking of vervanging, bijvoorbeeld als dat op de langere termijn rendabel is of als reparaties op langere termijn niet meer afdoende zouden kunnen zijn. Dit wordt onder andere beoordeeld en uitgevoerd in het programma «Vervanging en Renovatie».
Is dit aanleiding voor een onderzoek naar de restlevensduur van andere bruggen en kunstwerken?
Naar aanleiding van de afsluiting van de Merwedebrug is het onderzoek naar de strategische bruggen in Nederland versneld uitgevoerd. Hierover bent u geïnformeerd in de brief «Onderhoud Strategische Bruggen Hoofdwegennet» van 10 juli 2017. De daarin benoemde vervolgacties worden uitgevoerd binnen het reguliere inspectie- en onderhoudsprogramma en binnen het programma Vervanging en Renovatie.
Deelt u de mening dat een actieplan voor langdurig onderhoud van bruggen en/of kunstwerken nodig is? Zo ja, wanneer komt dat actieplan?
Dit actieplan is er al met het programma Vervanging en Renovatie van Rijkswaterstaat en het inspectieprogramma waarbinnen het onderhoud is geborgd.
Het bericht ‘Oproep minister aan 18-jarige zegt niets over automatisch donorschap’ |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep Minister aan 18-jarige zegt niets over automatisch donorschap»?1
Ja.
Waarom is ervoor gekozen om niet expliciet in de brief te vermelden dat vanaf 1 juli 2020 het niet registeren van een keuze betekent dat iemand automatisch geregistreerd wordt als donor c.q. «geen bezwaar»? Deelt u de mening dat deze groep hierdoor onvolledig wordt geïnformeerd door de overheid?
In de 18-jarigen brief wordt gewezen op het actief donorregistratiesysteem, bericht dat na 1 juli 2020 iedereen van 18 jaar en ouder in Nederland geregistreerd wordt in het Donorregister en, vervolgens, dat het belangrijk is om je eigen keuze vast te leggen. De inhoud van de brief is in november 2018 getest onder de doelgroep. Tegelijkertijd werd, naar aanleiding van het AO van september 2018 (Kamerstuk 33 506, nr.3 en het VAO van oktober 2018 (Handelingen II, vergaderjaar 2018–2019, nr. 14, item 9)4 werkt aan een aanpassing van het communicatieplan, waaronder het ontwikkelen en testen van een kernboodschap die nog duidelijker moet maken dat het actief donorregistratiesysteem voor iedere burger consequenties kan hebben. Ik heb u over deze kernboodschap bericht in mijn brief met bijlagen van 21 december 2018. Deze kernboodschap en campagne waren nog niet gereed toen de 18-jarige brief naar de drukker ging (november 2018). Ik wil dat de communicatie over de nieuwe wet helder en duidelijk is. Dat is de reden dat in deze brief, die volgt uit de huidige Donorwet en niet de nieuwe, gekozen is om in algemene zin te verwijzen naar de nieuwe wet. Zoals in het communicatieplan staat, is er in de campagne en voorlichting de komende jaren aandacht voor de doelgroep jongeren (rond de 18 jaar). Kortom, de inhoud van de brief doet niet af aan het feit dat ik mij inzet om ook deze doelgroep effectief en uitgebreid te informeren over de nieuwe wet.
Bent u het ermee eens dat in het communicatieplan «Je keuze vastleggen. Dat doe je voor elkaar» staat dat in fase 1 en 2 van de campagne rondom de nieuwe donorwet mensen niet alleen actief worden uitgenodigd om een weloverwogen keuze te maken, maar ook worden gewezen op de nieuwe donorwet en het belang van het maken van een keuze?2 Wat is de reden dat er in de 18-jarigen brief geen koppeling is gelegd met deze lopende campagne? Deelt u de mening dat dit een gemiste kans is?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt er klaarblijkelijk een onderscheid gemaakt tussen de reguliere wervingsactiviteiten zoals de brief voor 18-jarigen en de donorweek die als doel hebben het verkrijgen van meer donoren en de campagne rondom de nieuwe donorwet?
Zoals beschreven in de inleiding van het communicatieplan lopen de opvattingen in de samenleving over orgaandonatie en de nieuwe donorwet uiteen. Een van de uitgangspunten van de voorlichting over de nieuwe wet is daarom dat de verschillende opvattingen in beginsel worden gerespecteerd maar om meerdere boodschappen in een brief te verwerken niet werkt (zo blijkt uit de test die met de 18-jarigenbrief 2018 gedaan is). In combinatie met de ambities die ik voor de voorlichtingscampagne heb, betekent dit dat de burger neutraal geïnformeerd wordt over de wetswijziging en de consequenties daarvan. Dat heb ik ook mondeling met u besproken tijden het AO van 26 september 2018 (Kamerstuk 33 506, nr.5. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om als Minister van Medische Zorg en Sport regelmatig aandacht te blijven vragen voor het tekort aan donororganen en om burgers aan te moedigen om zich toch zoveel mogelijk als orgaandonor te registreren, bijvoorbeeld tijdens de donorweek en in deze 18-jarigen brief. Elke registratie is welkom, maar als het mij gevraagd wordt, dan met een «ja».
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de groep 18-jarigen die deze brief nu heeft ontvangen alsnog bereikt wordt, in ieder geval vóór de inwerkingtreding van de nieuwe donorwet, zodat zij volledig worden geïnformeerd over de gevolgen van hun keuze?
Alle 18-jarigen die in januari 2019 een brief hebben ontvangen, worden meegenomen in de communicatiedoelstellingen en -activiteiten zoals beschreven in het communicatieplan. Zoals ook voor de andere doelgroepen geldt, wordt ook voor jongeren bekeken hoe de communicatie en voorlichting daar het beste op afgestemd kan worden, bijvoorbeeld via het onderwijs of via social media. Daarnaast wordt iedereen die op 1 juli 2020 nog niet geregistreerd staat in het Donorregister daarna persoonlijke aangeschreven met het verzoek zich te registreren en geïnformeerd wat de consequentie is van het niet registreren van een eigen keuze.
Kunt u reageren op de berichten dat, naast het onvermeld laten van het automatisch donorschap, bij 18-jarigen die deze brief ontvangen hebben ook onduidelijk is dat het hier gaat om donatie na overlijden en niet om donatie bij leven?
Dat staat inderdaad niet expliciet vermeld maar kan uit de brief afgeleid worden. In de brief wordt erop gewezen dat het belangrijk is om je te registeren zodat het duidelijk is voor de nabestaanden wat de (je) keuze is. Het donorregister heeft voorts nooit betrekking gehad op donatie bij leven.
Wanneer komt u met een reactie op de motie-Agema c.s., die oproept de kernboodschap «Niet kiezen is een keuze» te vervangen door een nieuwe kernboodschap voor de donorwet?3
Zie antwoord 2.
Het nieuws dat een farmaceut een diagnosemiddel voor prostaatkanker plots driemaal zo duur maakt |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Farmaceut maakt diagnosemiddel gallium voor prostaatkanker plots drie keer zo duur»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik ken het bericht. Ik vind het opmerkelijk dat de prijs van een diagnostisch middel plotseling zo fors in prijs stijgt, zonder dat de leverancier blijkbaar duidelijk heeft gemaakt waar die stijging op gebaseerd is. Ik weet niet waar de prijsstelling op gebaseerd is en of die fair is. Een dergelijk fikse en plotselinge prijsstijging vraagt natuurlijk om een uitleg. Ziekenhuizen kopen dit middel in en maken prijsafspraken met de leverancier. Van de leverancier mag dan ook verwacht worden dat hij inkopende ziekenhuizen duidelijkheid verschaft over de aanleiding voor deze prijsstijging.
Deelt u de mening van Marcel Stokkel, hoofd van de divisie diagnostiek van het Antoni van Leeuwenhoek, dat de prijsverhoging onverklaarbaar is?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw analyse van de prijsverhoging van fabrikant Eckert & Ziegler? Waar is deze op gebaseerd? Is dit een faire prijsstelling?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de totale financiële conseqenties voor de ziekenhuiszorg in Nederland? Kunnen de ziekenhuizen dit opvangen binnen de afgesproken budgetten?
Ziekenhuizen maken met zorgverzekeraars afspraken over budget en volumes. Zij kunnen hierbij ook afspraken maken over hoe om te gaan met veranderingen in de inkoopkosten van onder andere geneesmiddelen. Als er door de plotselinge prijsstijging van Gallium bij individuele ziekenhuizen problemen zouden ontstaan, dan moeten ze dit aankaarten bij de zorgverzekeraars en samen tot een oplossing komen. Ik heb geen zicht op het gebruik van Gallium binnen de verschillende ziekenhuizen. Overigens heb ik geen signalen dat ziekenhuizen door de prijsstijging van Gallium in de problemen raken.
Hoe kan het dat Nederlandse ziekenhuizen in zo’n grote mate afhankelijk zijn van één farmaceut? Is dit wenselijk?
Het verschilt per geneesmiddel in hoeverre ziekenhuizen afhankelijk zijn van één bepaalde firma. Dat ziekenhuizen voor bepaalde geneesmiddelen afhankelijk zijn van een farmaceut is ook niet te voorkomen. Een geneesmiddel wordt immers in het algemeen door een aanbieder (door)ontwikkeld en geregistreerd en deze krijgt vaak voor een aantal jaren een bescherming van zijn geneesmiddel. Dit kan bijvoorbeeld zijn in de vorm van een patent, maar ook dataexclusiviteit en marktbescherming. Dit is ook wenselijk voor het stimuleren van innovatie. Na afloop van deze beschermingsconstructies komen er in veel gevallen meer aanbieders op de markt en ontstaat er concurrentie. In deze specifieke casus is er overigens ook nog een andere leverancier op de markt.
Welke activiteiten kunt u ontplooien om ervoor te zorgen dat ziekenhuizen voor een lagere en eerlijkere prijs aan dit middel kunnen komen?
Mijn beleid is erop gericht om ervoor te zorgen dat patiënten optimaal toegang hebben tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen. Om (innovatieve) geneesmiddelen beschikbaar te houden voor de patiënt tegen aanvaardbare prijzen is de afgelopen jaren een breed scala aan maatregelen genomen. Een deel van deze maatregelen was gericht op het versterken van de inkooppositie van ziekenhuizen. Zo heeft de ACM verhelderd wat de kaders zijn voor gezamenlijke inkoop. In mijn «Voortgangsbrief geneesmiddelenbeleid» van 20 december 2018 vindt u een volledig overzicht van de voortgang op deze maatregelen. Specifiek voor deze casus geldt dat het aan ziekenhuizen is om met de leverancier afspraken te maken over dit middel. Ziekenhuizen en zorgverzekeraars hebben de afgelopen jaren hun inkoop versterkt, bijvoorbeeld door vaker gezamenlijk in te kopen. Ze slagen er over het algemeen steeds beter in om lagere prijzen te bedingen. Het Platform Inkoopkracht bekijkt op mijn verzoek welke mogelijkheden er zijn om de inkoop verder te versterken.2
Is te verwachten dat dit straks ook met andere radiofarmaca en medische isotopen zal gaan gebeuren en hoe is dat te voorkomen?
Het staat de industrie vrij binnen de huidige wet- en regelgeving prijzen vast te stellen voor geneesmiddelen. Ik kan het handelsgedrag van de industrie bij specifieke middelen niet voorspellen. Wel verwacht ik maatschappelijk verantwoord gedrag van de industrie. De situatie voor radiofarmaca en medische isotopen is in deze niet anders dan voor andere geneesmiddelen.
Wat is thans de jaarlijkse omzet van radiofarmaca respectievelijk medische isotopen
Jaarlijks worden in Nederland ongeveer 400.000 diagnostische scans uitgevoerd en 4.000 therapeutische behandelingen met radioactieve isotopen verricht bij mensen met kanker of een andere ernstige aandoening. De prijzen van de radiofarmaca lopen erg uiteen. Zo kost het doen van een scan met behulp van het isotoop technetium-99m de zorgverzekeraar ongeveer 500–700 euro, maar loopt de prijs van de behandeling van leverkanker met yttrium-90 op tot tienduizenden euro’s. De totale jaarlijkse omzet van radiofarmaca is niet bekend. De bestraling van de grondstoffen, in een reactor of een versneller, is slechts een klein onderdeel van het totale productieproces van medische isotopen en maakt daarmee ook slechts een beperkt deel uit van de uiteindelijke kosten. Na de bestraling moeten nog diverse bewerkingen worden uitgevoerd om de radio-isotopen geschikt te maken voor medische toepassingen. Productiefaciliteiten moeten voldoen aan zeer strenge kwaliteitseisen, zowel op het gebied van stralingsveiligheid als medische kwaliteitseisen (Good Manufacturing Proces). Maar ook het vervoer is kostbaar omdat er sprake is van radioactief materiaal, dat naast veilig ook snel en efficiënt getransporteerd moet worden omdat het anders van samenstelling verandert. Al deze factoren zijn uiteindelijk van invloed op de (eind)prijs.
Wat is de verwachting met betrekking tot de prijsontwikkeling als Pallas straks voor een groot deel afhankelijk wordt van de farmaceutische industrie qua investeringen?
In 2012 is door het kabinet en de Provincie Noord-Holland besloten om een investering te doen om de mogelijkheid te bieden om tot een nieuwe reactor in Petten te komen, ter vervanging van de huidige Hoge Flux Reactor (HFR). Voor de voorbereidingsfase (fase 1) hebben het Rijk en de Provincie Noord-Holland samen een lening van € 80 miljoen verstrekt die in drie tranches ter beschikking is gesteld. Voor de realisatie van de reactor is een nieuwe, onafhankelijke organisatie opgericht, de Stichting voorbereiding Pallas-reactor. Deze heeft de opdracht gekregen om te komen tot een gezonde business case, waarbij de bouw en exploitatie van de reactor volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Het bestralen van grondstoffen in de reactor is weliswaar een cruciaal onderdeel, maar ook slechts een van de onderdelen van het totale productieproces van medische isotopen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8. De uiteindelijke prijs van radiofarmaca wordt daarom in belangrijke mate bepaald aan het einde van de productieketen. De verwachting is dan ook niet dat de private financiering van Pallas van groot effect zal zijn op de prijsontwikkeling.
Wordt met de Stichting voorbereiding Pallas-reactor ook gesproken over ontwikkeling van radiofarmaca in plaats van alleen over de productie van medische isotopen? Is het wenselijk om naast een wetenschapsagenda ook een zorgagenda te ontwikkelen? Kan dit eventueel concurrerend worden met farmaceuten als bijvoorbeeld de overheid hier een belangrijke rol in blijft spelen?
Stichting Pallas onderzoekt de optie om naast de Pallas-reactor ook de mogelijkheid te realiseren voor de omzetting van de in de reactor bestraalde producten in farmaceutische producten.
Ook is onlangs door NRG (de huidige exploitant van de HFR) en partners het initiatief genomen om te komen tot het FIELD-LAB in Petten. Dit fieldlab is ingericht om kleine hoeveelheden radiochemicals en radiopharmaceuticals te leveren voor preklinisch en klinisch onderzoek fase I en II. Het fieldlab-programma wordt uitgevoerd in samenwerking met Universitair Medische Centra, waar deze klinische onderzoeken worden uitgevoerd. Het fieldlab heeft als doel om de doorlooptijd van de ontwikkeling van nieuwe nucleaire geneesmiddelen in te korten, maar de fieldlab-faciliteit kan deze niet zelf op grote schaal produceren. De reactor, het fieldlab en de overige laboratoria in Petten bieden de faciliteiten die universitaire medische centra in staat stellen om in Petten klinisch onderzoek voor te bereiden en uit te voeren. Een zorgagenda kan bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen van medische isotopen, maar ook aan de ontwikkeling van nieuwe manieren om veilig en efficiënt medische isotopen te produceren. Deze infrastructuur kan concurrentie stimuleren. Het voortouw hiervoor ligt bij het veld.
Het bericht ‘Oproep ‘noodregeling’ voor pil die hiv kan voorkomen’ |
|
Corinne Ellemeet (GL), Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep «noodregeling» voor de pil die hiv kan voorkomen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de dringende oproep van belangenorganisaties Aidsfonds-Soa Aids Nederland, COC Nederland, Hiv vereniging en PrEPnu?
Naar aanleiding van mijn brief van 10 juli 2018, waarin ik uw Kamer heb geïnformeerd over mijn besluit om PrEP voor risicogroepen te vergoeden, heb ik het RIVM gevraagd de implementatie van PrEP samen met de betrokken veldpartijen verder uit te werken. Het rapport met daarin het advies van het RIVM heb ik op 18 december jl. ontvangen. Momenteel beraad ik mij over het advies van het RIVM. Ook ik hecht, net als de veldpartijen, waarde aan een spoedige invoering van PrEP. We zijn er allen bij gebaat dat uitvoeringsvraagstukken zoals bijvoorbeeld de financiering en monitoring zorgvuldig en met draagvlak worden geregeld. Dat kost tijd. Ik streef ernaar dat de uitvoering medio 2019 kan starten.
Verwacht u te kunnen starten met het verstrekken van de Pre Expositie Profylaxe (PrEP)-pil in het eerste kwartaal van 2019? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de voor- en nadelen van respectievelijk landelijke inkoop van PrEP-pillen en inkoop door apothekers? Wanneer wordt hier een beslissing over genomen en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
In het RIVM-rapport worden vier verschillende scenario’s voor de inkoop van de PrEP-pillen beschreven. Het RIVM geeft met betrekking tot deze scenario’s aan dat inkoop van PrEP door apothekers de mogelijkheid biedt om automatisch de controle op interactie met andere medicatie van de gebruiker te controleren. Nadeel is dat er prijsverschillen in de regio’s kunnen ontstaan. Landelijke inkoop heeft als voordeel dat voor alle gebruikers dezelfde prijs geldt, maar zal er voor de controle op de interactie met andere medicatie van de gebruiker een oplossing moeten worden gezocht. Binnenkort zal ik uw Kamer informeren over mijn besluit hoe de vergoeding van PrEP zal worden geïmplementeerd. Dan zal ik ook ingaan op de inkoop van de PrEP-pillen.
Welke middelen kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat de PrEP-pil zo snel mogelijk verstrekt wordt? Bent u bereid deze middelen in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik reeds bij vraag 2 en 3 heb aangegeven, werk ik aan een spoedige implementatie zodat de vergoeding van PrEP medio 2019 kan starten.
Het artikel ‘Sturen op economische groei’ van secretaris-generaal Camps van het ministerie van Economische zaken en klimaat |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Sturen op economische groei» van secretaris-generaal Camps van het Ministerie van Economische zaken en klimaat?1
Ja.
Is de inhoud van dit artikel voorafgaande aan de publicatie besproken met uw ministerie? Zo nee, wat vindt u daarvan?
Het ministerie heeft conceptversie van het artikel ontvangen. Het nieuwjaarsartikel van de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische zaken en klimaat betreft een jaarlijkse traditie en wordt op persoonlijke titel geschreven.
Deelt u de analyse uit dit artikel dat er ten aanzien van de woningmarkt een risico is dat het beleid te veel wordt geleid door de conjunctuur? Zo nee, waarom niet?
De analyse van de SG van EZK ten aanzien van de cycliciteit van de woningmarkt maakt, is een interessante en gedegen analyse. Ik onderschrijf dat de Nederlandse woningmarkt een cyclische markt is waar zowel de huizenprijzen als de woningbouwproductie fluctueert. Deze op- en neergaande bewegingen op de woningmarkt hebben negatieve effecten tot gevolg. Zo versterkt de cycliciteit op de woningmarkt het cyclische karakter van de economie (en vice versa). De analyse in het ESB-artikel benadrukt het belang om de cycliciteit van de woningmarkt te verminderen. Daarbij merk ik wel op dat deze cycliciteit inherent is aan het karakter van de woningmarkt. De woningmarkt is een voorraadmarkt, hetgeen betekent dat het aanbod in geringe mate kan reageren op ontwikkelingen in de vraag. Jaarlijks wordt er maximaal slechts 1,5% aan de woningvoorraad toegevoegd. Daarnaast kost het vergroten van de woningvoorraad tijd, gemiddeld zo’n tien jaar. Dat betekent dat bij een stijging van de vraag er op korte termijn nog niet direct een stijging van het aanbod plaatsvindt. Krapte op de woningmarkt en verdere prijsstijgingen kunnen het gevolg zijn.
Daarom zet ik in op het vergroten en versnellen van de woningbouwproductie zodat we de komende jaren aan de toenemende vraag kunnen voldoen. Dat doe ik onder andere binnen de Woondeals die ik beoog te sluiten met de grote stedelijke regio’s die ook op de langere termijn de grootste bouwopgave hebben. Daarin wil ik afspraken maken over de woningbehoefte en de ambitie om te voorzien in voldoende bouwplannen, inclusief de monitoring van de planvoorraad. Verder kan het verkorten van procedures helpen om de woningbouw in de toekomst sneller toe te laten nemen na een crisis. Daar draagt de Omgevingswet aan bij.
De afgelopen jaren heeft de corporatiesector de nodige inspanning geleverd om de bedrijfsvoering te verbeteren en zich meer te richten op de kerntaak. De herziening van de Woningwet heeft hier ook een bijdrage aan geleverd. Dit heeft geleid tot minder investeringen in niet-kerntaken (bijvoorbeeld middenhuur). Inmiddels is de implementatie van de nieuwe wetgeving afgerond, zodat corporaties ook weer operationeel voldoende in staat zijn om ook in niet-kerntaken te investeren. Dit doen zij in een gelijk speelveld met reguliere marktpartijen, zonder de mogelijkheid om met geborgde financieringen te werken. Om dit type investeringen voor corporaties eenvoudiger te maken heb ik recent het wetsvoorstel maatregelen middenhuur naar uw Kamer gestuurd met daarin een vereenvoudiging van de markttoets. Deze vereenvoudiging zal het voor woningcorporaties makkelijker maken om woningen in het middenhuursegment te bouwen. Uit de meest recente IBW (2018) blijkt dat corporaties nog € 9,8 miljard aan nieuwbouw in de niet-DAEB kunnen realiseren zonder dat dit ten koste gaat van de DAEB-activiteiten. Met de voorgestelde wijzigingen en de beschikbare middelen voor nieuwbouw in de niet-DAEB kunnen corporaties een meer stabiliserende rol spelen in de woningbouwproductie.
Tot slot kunnen hoge schulden de cycliciteit van de woningmarkt vergroten. Het huidige beleid focust op het vergroten van de stabiliteit van de woningmarkt. Het kabinet heeft reeds diverse maatregelen genomen om de financiële risico’s bij huishoudens te beperken, zoals een versnelde afbouw van het maximale tarief van de hypotheekrenteaftrek en een verlaging van de maximale LTV-ratio (loan-to-value).
Deelt u de analyse dat de invoering van de verhuurderheffing procyclisch uit heeft gepakt? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Woningcorporaties bouwen over het algemeen vanuit een langetermijnvisie op de gewenste voorraad sociale huurwoningen. Hierdoor is de bouwproductie van woningcorporaties minder conjunctuurgevoelig dan de bouwproductie van (andere) partijen in de vrije huursector en de koopmarkt. Daarnaast ontwikkelt de vraag naar sociale huurwoningen zich minder cyclisch dan de vraag naar woningen in de vrije huursector en koopwoningen. Woningcorporaties kunnen daarom een bijdrage leveren aan het stabiliseren van de woningbouwproductie.
De verhuurderheffing is in 2013 tijdens een laagconjunctuur ingevoerd. Afhankelijk van de ontwikkeling in de huren kan de verhuurderheffing ervoor zorgen dat corporaties minder middelen hebben om te investeren en daardoor minder goed een stabiliserende rol op de woningmarkt kunnen spelen. In de periode na invoering zijn de investeringen van corporaties meer gedaald dan nodig was, zoals uit de evaluatie van de verhuurderheffing uit 20162 blijkt. Wel blijkt uit onder meer de indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties (IBW) dat corporaties nog wel investeringsruimte hebben om extra te investeren, bovenop de plannen die zij al hebben voor de komende vijf jaar. In 2018 was nog € 16,2 miljard beschikbaar voor nieuwbouw.
De afgelopen jaren zijn er meerdere maatregelen binnen de verhuurderheffing genomen. In 2018 is de heffingsvrije voet van de verhuurderheffing verhoogd van 10 naar 50 woningen. Sinds dit jaar bestaat er een heffingsvermindering voor verduurzaming van huurwoningen en is de verhuurderheffing structureel met 100 miljoen euro verlaagd, leidend tot een verlaging van het heffingstarief met 0,03 procentpunt. Daarnaast zal er een evaluatie van de verhuurderheffing plaatsvinden waarover de Kamer in 2020 nader geïnformeerd wordt. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze evaluatie.
Is het kabinet voornemens de verhuurderheffing verder aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het voorstel om een bouwfonds te introduceren zodat ook in een laagconjunctuur de bouwcapaciteit zoveel mogelijk op peil wordt gehouden? Heeft het kabinet voornemens om een bouwfonds in te voeren of om onderzoek hiernaar te doen? Zo nee, waarom niet?
In het ESB-artikel noemt de SG van EZK een aantal interessante maatregelen die kunnen bijdragen aan een stabielere woningmarkt. Een bouwfonds kan in theorie het stabiele karakter van woningcorporaties ten tijde van een laagconjunctuur benutten en vergroten. Ook het verder beperken van de hypotheekrenteaftrek en het apart zetten van grondwinsten zijn interessante suggesties die weliswaar nog verdere analyse behoeven.
In nauwe samenwerking met De Nederlandsche Bank (DNB) en de ministeries van Economische zaken en klimaat (EZK), Sociale zaken en werkgelegenheid (SZW) en Financiën (FIN) kijk ik naar mogelijke beleidsmaatregelen die de cycliciteit van de woningmarkt kunnen beperken en de wenselijkheid hiervan. De maatregelen die de SG van EZK noemt worden daarbij ook bekeken. Daarnaast ben ik in de Staat van de Woningmarkt 2018 dieper ingegaan op deze cycliciteit. Zo besteed ik aandacht aan de werking van de woningmarkt, de oorzaken van de cycliciteit op de woningmarkt en de samenhang tussen de woningmarkt en de economie. Verder gaat het CPB op mijn verzoek het komende jaar nader onderzoek doen naar de cycliciteit van de woningmarkt. In het algemeen merk ik echter wel op dat de cycliciteit van de woningmarkt, net als de conjuncturele ontwikkelingen van de economie, een gegeven is waar de overheid in beperkte mate iets aan kan doen. Het uitbannen van de cycliciteit op de woningmarkt is niet mogelijk, het beperken mogelijk wel.
Wat vindt u van het voorstel om de hypotheekrenteaftrek verder af te bouwen? Heeft het kabinet voornemens om de hypotheekrenteaftrek verder af te bouwen of om onderzoek hiernaar te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van het voorstel om grondwinsten apart te zetten, zodat gemeenten een buffer hebben om verliezen in tijden van laagconjunctuur (deels) te compenseren?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is er tot nu toe gebeurd en wat gaat u in deze kabinetsperiode nog concreet doen met het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, uitgebracht op 28 juni 2018, «Versnellen woningbouwproductie, met behoud van kwaliteit» om maatregelen te nemen om het woningmarktbeleid op termijn meer anticyclisch te maken?
Zoals reeds aangegeven gaat het CPB het komende jaar op mijn verzoek onderzoek doen naar de cycliciteit op de woningmarkt. Daarnaast bezie ik in nauwe samenwerking met andere departementen en DNB beleidsopties om de cycliciteit op de woningmarkt te beperken. Voor mijn reactie op specifieke onderdelen van het advies van de Rli verwijs ik u graag naar de Kabinetsreactie die ik op 19 december aan de Kamer heb verzonden3.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het te houden algemeen overleg Staat van de woningmarkt op 6 februari 2019?
Ja. U ontvangt de beantwoording voor het algemeen overleg Staat van de woningmarkt.
Het vervangen van asbestdaken voor zonnepanelen |
|
William Moorlag (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Essent vervangt asbestdak in ruil voor zonnestroom»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het project «Dakvrienden» aan zowel CO2-reductie als aan het verwijderen asbest van daken van agrarische gebouwen kan bijdragen? Zijn u meer van dergelijke initiatieven bekend?
Ja, die mening deel ik.
Ja, er zijn mij ook enkele andere initiatieven bekend, zoals het initiatief van Univé.
Deelt u de mening dat gezien de bijdrage aan de overheidsdoelstellingen van CO2-reductie en asbestverwijdering dergelijke projecten door u gestimuleerd zouden moeten worden? Zo ja, op welke wijze gaat u dat doen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De motie Kröger/Von Martels2 verzoekt de regering te onderzoeken hoe duurzame meekoppelkansen bij het saneren van asbestdaken gestimuleerd kunnen worden. In de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 18 januari 20193 wordt hier nader op ingegaan. Initiatieven die het saneren van asbestdaken combineren met verduurzaming worden in het kader van de programmatische aanpak gedeeld als goed voorbeeld en er wordt onderzocht of ondersteuning nodig is.
Bent u bereid om in overleg met de energiebedrijven en de agrarische sector te bezien hoe dergelijke projecten kunnen worden verbreed? Zo ja, op welke termijn gaat u dat doen en kunt u de Kamer van de resultaten van dat overleg op de hoogte brengen? Zo nee, waarom bent u daartoe niet bereid?
Dit initiatief laat juist zien dat de markt bereid is om hiermee aan de slag te gaan. In de brief van 18 januari 2019 heeft de Staatssecretaris van IenW aangegeven dat wordt onderzocht of er ondersteuning nodig is.
Acht u projecten waarbij een energiemaatschappij de sanering van asbestdaken financiert met als compensatie zonnepanelen waarvan de opbrengst voor de energiemaatschappij is, ook geschikt om particuliere woningeigenaren met asbestdaken te helpen bij het vernieuwen van hun daken? Zo ja, bent u bereid om ook hierover met de energiebedrijven en andere belanghebbende organisaties in overleg te treden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de energiemaatschappijen en andere bedrijven om te bezien of zo’n opzet ook geschikt is voor particuliere woningeigenaren. Wel is het zo dat niet voor ieder dak het plaatsen van zonnepanelen rendabel is. Dat hangt onder meer af van de ligging van het dak.
Het rapport ‘Vulnerable and abandoned’ van Oxfam Novib |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Vulnerable and abandoned» van Oxfam Novib?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie van kwetsbare vluchtelingen op de Griekse eilanden? Welke verbeteringen of verslechteringen ziet u?
Met uw Kamer is vaak gesproken over de situatie van vluchtelingen op de Griekse eilanden. Hoewel er sprake is van verbeteringen maakt dit rapport andermaal duidelijk dat deze helaas nog steeds onvoldoende zijn, en dat de omstandigheden verder moeten verbeteren. Gerealiseerde verbeteringen zijn de uitbreiding van het aantal bezwaarcommissies, de beschikbaarheid van speciale zorg voor alleenstaande minderjarigen en de speciale behandeling van kwetsbaren die daar uiteraard recht op hebben. Namens Nederland wordt zowel door leden van het kabinet als op hoog-ambtelijk niveau hiervoor met grote regelmaat aandacht gevraagd bij de Griekse autoriteiten én de Europese Commissie.
Hoeveel artsen, psychologen en psychiaters bevinden zich op dit moment op Lesbos en specifiek in het opvangkamp Moria? Zijn hieronder ook experts als het gaat om het herkennen van slachtoffers van marteling en seksueel geweld? Zo ja, hoeveel? Beoordeelt u dat als afdoende? Indien er, naar uw oordeel, onvoldoende (medische) specialisten en andere hulpverleners aanwezig zijn, wat is daarvoor dan de verklaring?
De medische ondersteuning in de hotspot wordt georganiseerd door KEELPNO, de uitvoeringsorganisatie van het Griekse Ministerie van Volksgezondheid. Zij hebben de afgelopen periode aanzienlijke moeilijkheden ondervonden bij de werving van medisch en psychosociaal personeel. Dat heeft geleid tot tekortkomingen in de medische zorgen tot vertragingen in de asielprocedure bij de vaststelling van de eventuele kwetsbaarheid van asielzoekers. De Griekse autoriteiten werken aan verbetering met steun van de Europese Commissie, bijvoorbeeld door de arbeidsvoorwaarden voor medisch personeel aantrekkelijker te maken. Er was de afgelopen periode een twintigtal psychologen, maatschappelijk hulpverleners en verpleegkundigen aanwezig vanuit KEELPNO. Het tekort wordt voorlopig opgevuld door een militaire arts van het Griekse Ministerie van Defensie en medisch personeel van verschillende ngo’s. Tenslotte is er een publiek ziekenhuis op Lesbos aanwezig met onder andere een chirurgische kliniek en een psychiatrische kliniek. Hier kunnen vluchtelingen en migranten gebruik van maken.
Hoe wordt op dit moment beoordeeld of iemand die aankomt op Lesbos al dan niet kwetsbaar is? Hoe wordt vervolgens de zorg, voor iemand die als kwetsbaar is aangemerkt, geregeld? Welke knelpunten ziet u en welke mogelijkheden ziet u tot verbetering?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen twee manieren waarop wordt geoordeeld of er sprake is van kwetsbaarheid. Bij aankomst beoordeelt KEELPNO in eerste instantie of iemand kwetsbaar is. Daarna volgt in het kader van de procedure een kwetsbaarheidstoets door de EASO-experts die hiervoor specifiek zijn getraind. Indien iemand als kwetsbaar wordt aangemerkt, en medische zorg noodzakelijk is die niet op het eiland beschikbaar is, krijgt betrokkene een verwijzing naar het vasteland. Zodoende zijn in 2018 30.000 personen van de Griekse eilanden naar het vasteland overgebracht, waarvan het grootste gedeelte in de laatste maanden. Daarmee is de druk op Lesbos aanzienlijk verlicht. Op dit moment zijn er bijna 7.000 vluchtelingen en migranten op Lesbos. Dat zijn er nog steeds te veel, maar ook minder dan de ongeveer 10.000 in het najaar van 2018.
Het is mogelijk dat een persoon later in de procedure alsnog als kwetsbaar wordt aangemerkt, bijvoorbeeld doordat de benodigde medische zorg niet beschikbaar is op de eilanden. Helaas speelt ook de gebrekkige opvang een rol: tekortschietende accommodatie en gebrek aan voorzieningen hebben vooral in de winter een negatief effect op de gezondheid van migranten zoals ook in het rapport naar voren komt. Wanneer een persoon later in de procedure als kwetsbaar wordt aangemerkt, wordt betrokkene in beginsel alsnog naar het vasteland overgebracht.
De relatie tussen kwetsbaarheid en overbrenging naar het vasteland wordt soms ook misbruikt. Omdat terugkeer nog steeds onvoldoende op gang komt, is het voor de autoriteiten een manier om de druk op de eilanden alsnog te verlichten. Ook bestaat het vermoeden dat een toenemend aantal mensen stelt medische klachten te hebben. Immers, eenmaal op het vasteland vallen migranten niet meer onder de terugkeerregeling in het kader van de EU-Turkije Verklaring. Het is dan ook van groot belang dat deze toetsen zo zorgvuldig mogelijk plaatsvinden. Uiteraard deel ik uw mening dat de medische zorg op de eilanden moet verbeteren, net als de algemene opvangomstandigheden. Daar heb ik meermaals met mijn Griekse collega over gesproken, en dat heb ik ook ook tijdens mijn bezoek gedaan.
In hoeverre is er speciale aandacht voor kwetsbare vrouwen, zoals vrouwen die zwanger zijn of net zijn bevallen?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich uw antwoorden gegeven in het algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018, waarin u aangeeft dat een op de zeven experts in Griekenland uit Nederland afkomstig is?2 Hoeveel experts uit de Europese Unie zijn er in totaal in Griekenland aanwezig? Kunt u expliciet aangeven hoeveel daarvan afkomstig zijn van EASO, Frontex, het COA, de IND en eventueel nog van een andere instelling of organisatie? Acht u dit totale aantal voldoende?
In totaal zijn er op dit moment 149 medewerkers voor EASO actief ter ondersteuning van Griekenland bij de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring, de nationale asielprocedure en het opvangsysteem. Daarvan zijn op dit moment3 72 experts werkzaam op de eilanden (27 experts uit andere lidstaten, 26 tijdelijke zaakbehandelaars met een juridische achtergrond en 19 tijdelijk gedetacheerde medewerkers).
Tegelijkertijd worden in totaal 371 experts ingezet voor de Frontex operatie Poseidon in de Egeïsche zee, waarvan 20 experts voor de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring. Daarnaast worden circa 40 experts ingezet voor Frontex langs de verschillende landgrenzen. Namens Europol zijn in totaal 25 experts werkzaam in Griekenland, waarvan 23 op de Griekse eilanden.
De Nederlandse bijdrage bestaat uit het volgende. Via EASO stelt Nederland doorlopend een 11-tal experts beschikbaar. Het gaat met name om IND-medewerkers, maar ook om een expert van het COA op het gebied van opvang. Via Frontex worden doorlopend circa 66 Nederlandse experts ingezet. Het betreft grenswachters, tolken en medewerkers van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O). Nederland heeft ook enkele busjes ter beschikking gesteld via DV&O waarmee personen die op de eilanden aankomen van en naar de centra worden vervoerd. Daarnaast detacheert Nederland beleidsexperts op strategische plekken, waaronder bij het Ministerie van Economische Zaken om de toegang tot en het gebruik van de EU fondsen te bevorderen. Ook is een expert ter beschikking gesteld op Chios om de coördinator van de hotspot te adviseren op het gebied van opvang.
De Europese agentschappen maken een inschatting of de inzet van experts voldoende is. Het is bekend dat de agentschappen in variërende mate personeel nodig hebben. Met regelmaat roepen zij lidstaten op om meer experts te leveren of deze langduriger in te zetten. Nederland steunt deze oproep, waarbij zij opgemerkt dat Nederland zelf geen additionele experts meer kan leveren, mede vanwege de achterstanden in de Nederlandse asielprocedure.
Bevinden zich onder de experts die Nederland levert aan Griekenland ook medische specialisten en psychologen? Indien dit niet het geval is, bent u bereid te kijken of het mogelijk is om vanuit Nederland Griekenland te ondersteunen met medisch personeel? In hoeverre ziet u mogelijkheden uw Europese collega’s op te roepen ook medische experts naar Griekenland te sturen?
Nederland levert geen medische specialisten of psychologen. Wel levert Nederland vanuit de IND experts voor de hogergenoemde kwetsbaarheidstoets. Voor wat betreft de uitzending van Nederlandse experts is de behoefte vanuit agentschappen als EASO leidend. Nederland bekijkt betreffende verzoeken altijd welwillend. Ook vraagt Nederland op EU-niveau met grote regelmaat aandacht voor de situatie in Griekenland en roept Nederland ook andere lidstaten op om te zorgen dat voldoende experts beschikbaar zijn voor de Europese diensten.
Deelt u de mening dat kwetsbare mensen zo snel mogelijk naar het vaste land moeten worden gebracht, zodat zij voldoende toegang hebben tot medische zorg? Wat voor mogelijkheden ziet u teneinde dit te bewerkstelligen? In hoeverre heeft u hierover specifiek met uw Griekse collega gesproken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat vluchtelingen en migranten die in detentie zijn op Lesbos niet tot nauwelijks toegang hebben tot mentale en psychische hulp en dat personeel van het Griekse Ministerie van gezondheid, ziektebeperking en preventie, geen toegang heeft tot het detentie gedeelte van Moria? Deelt u de mening dat deze vluchtelingen en migranten hier wel recht op hebben? Bent u bereid uw collega hierop aan te spreken?
Migranten die in het zogenaamde «pre-removal»-centrum verblijven, zijn in afwachting van hun terugkeer naar Turkije of hun herkomstland. Zij hebben toegang tot medische en psychosociale diensten van de Griekse uitvoeringsorganisatie KEELPNO. Ze kunnen ook naar het plaatselijke ziekenhuis worden gebracht, wanneer dat nodig is. Bovendien is een speciaal agentschap gecontracteerd door de Griekse politie dat ook actief psychosociale diensten verleent in deze centra. In het «pre-removal» centrum in Moria werkt één psycholoog en één maatschappelijk hulpverlener.
Klopt het, dat door gebrek aan personeel mensen die nu aankomen op Lesbos pas hun eerste asiel gesprek zullen hebben ergens in 2020? Zo nee, wat is dan de prognose? Hoe beoordeelt u dat?
Hoe lang het duurt voor mensen hun eerste asielgesprek krijgen hangt af van verschillende factoren, waaronder de kwetsbaarheid, de nationaliteit van betrokkene en of hij/zij in aanmerking komt voor de versnelde grensprocedure zoals die is vastgesteld in de EU-Turkije Verklaring. Het kabinet ziet versnelling van deze procedures als belangrijkste duurzame oplossing voor de huidige overbevolking in de opvangfaciliteiten en ondersteunt de Griekse autoriteiten hier ook bij, bijvoorbeeld via de inzet van experts voor EASO. Als snel duidelijk is wie mag blijven en wie terug moet, verlicht dat de druk op de hotspots aanzienlijk.
Wat wordt er op dit moment gedaan teneinde vrouwen en kinderen, waarvan respectievelijk 70% en 78% zegt zich nooit veilig te voelen op Moria, te beschermen tegen geweld en ander gevaar? Waar kan dit volgens u nog verbeterd worden?
Seksuele intimidatie en geweld – ook tegen mannen en jongens overigens – is helaas een groot risico in Moria. Het beperkte aantal gespecialiseerde diensten, tolken en politieagenten, versterkt gevoelens van onveiligheid bij vluchtelingen en migranten. Daarnaast is de overbevolking van het kamp problematisch, bijvoorbeeld vanwege het tekort aan toiletten, douches en afgeschermde opvang. De Griekse autoriteiten werken aan verbetering, bijvoorbeeld via transfers naar het vasteland en het inhuren van extra tolken. Daarnaast ondersteunt de EU activiteiten van UNHCR om seksuele intimidatie en geweld te voorkomen. UNHCR werkt in Moria samen met gespecialiseerde nationale partners op het terrein van kinderbescherming, ondersteuning bij casemanagement, het organiseren van counselling sessies en het creëren van veilig onderdak.
Herinnert u zich uw antwoorden in het algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018 waarin u spreekt over het geld dat vanuit de Europese Unie aan Griekeland is toegekend teneinde de asielprocedure en de omstandigheden in de Griekse kampen te verbeteren?3 Bent u van mening dat dit geld goed is besteed? Kunt u bevestigen dat er controle is geweest op deze uitgaven en zo nee, bent u van plan hierop aan te dringen?
Zoals ik in het betreffende algemeen overleg heb toegelicht is er geen sprake van een gebrek aan financiële middelen. Voor Griekenland is, in relatie tot andere EU-lidstaten, verreweg het meeste geld om de opvang en asielprocedure te verbeteren beschikbaar gesteld.5 Over de besteding, uitputting en het effect van deze middelen heb ik ook vaker met uw Kamer gesproken. Terzake zijn zeker verbeteringen mogelijk. Daarom biedt Nederland Griekenland al langere tijd een expert om middelen te ontsluiten en uit te putten. De controle op deze middelen is een EU-aangelegenheid. Bij alle EU-fondsen wordt besteding en effectiviteit gecontroleerd door de Europese Rekenkamer die betreffende rapportages ook publiceert en de Commissie aanbevelingen doet.
Herinnert u zich het gesprek met uw Griekse collega waarbij u heeft aangedrongen op het versnellen van de asielprocedures, meer terugkeer en humane opvangomstandigheden, een snelle structurele oplossing en dat Nederland Griekenland daarbij zal blijven ondersteunen?4 Wat was de reactie van uw Griekse collega op uw opmerkingen en wat vond u daarvan? Heeft hij nog toezeggingen gedaan? In hoeverre vond u het beeld dat uw Griekse collega heeft gegeven met betrekking tot de situatie op de Griekse eilanden overeenkomen met het beeld dat wordt geschetst in het rapport van Oxfam Novib? Op wat voor manier zet u zich in om een snelle structurele oplossing te realiseren? Welke medestanders ondersteunen u daarbij? Tot wat voor resultaten heeft dit tot nu toe geleid?
In het kader van de vertrouwelijkheid van het diplomatieke verkeer, kan ik niet ingaan op de uitlatingen van mijn Griekse collega. In algemene zin kan ik wel aangeven dat hij uiteraard de zorgen over de moeilijke situatie deelt. Daarover is de Europese Commissie ook met de Minister en met verantwoordelijke onderdelen van de Griekse overheid doorlopend in gesprek. Hij is zich ook bewust van de noodzaak dat de situatie verbetert. Dat beperkt zich echter niet alleen tot de opvangcondities maar hangt ook samen met de asiel- en terugkeerprocedures. Het is duidelijk dat de Griekse overheid al langere tijd voor grote uitdagingen staat om het Griekse systeem te laten voldoen aan wat nodig is.
Het kabinet zal, zoals u bekend, Griekenland daarbij steun blijven bieden en binnen de geschetste mogelijkheden al het mogelijke doen om de situatie op de Griekse eilanden te verbeteren. Dit is ook de reden voor mijn voorgenomen bezoek aan Griekenland. Daarbij geldt ook dat ik, evenals andere collega’s in het kabinet, hiervoor tijdens Europese overleggen voortdurend aandacht vraag. Zoals ik u ook tijdens het Algemeen Overleg van algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018 heb gemeld, is het helaas zo dat Nederland dit als een van de weinige lidstaten doet.
Bent u bereid gezamenlijk met uw Europese collega’s meer druk uit te oefenen op Griekenland teneinde te zorgen dat omstandigheden op de Griekse eilanden snel verbeteren?
Zie antwoord vraag 13.
Minimumleeftijd voor taxichauffeurs |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «23 jaar en 2 jaar rijervaring: PvdA wil minimumleeftijd voor taxichauffeurs»?1
Ja.
Is het waar dat taxichauffeurs onder de 23 jaar en met weinig rijervaring meer schade en ongelukken veroorzaken dan oudere taxichauffeurs?
Er zijn mij geen onderzoeken bekend waaruit nu al blijkt dat specifiek taxichauffeurs onder de 23 jaar met weinig rijervaring meer schade en ongelukken veroorzaken dan oudere taxichauffeurs. Maar naar aanleiding van de ongevallen die recent hebben plaats gevonden, heb ik de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) gevraagd om het aantal ongevallen met taxi’s nader te analyseren. Het onderzoek richt zich in de eerste plaats op de toe- of afname van het aantal ongelukken. Vervolgens zal op basis van de beschikbare bronnen worden gekeken naar onderscheid op locaties, leeftijd van chauffeur en aanbieder.
Over het algemeen geldt wel dat jonge automobilisten (18–24 jaar) naar verhouding vaker bij een ongeval betrokken zijn dan oudere automobilisten. Het hogere risico van jonge automobilisten komt zowel door gebrek aan ervaring als door factoren die samenhangen met de leeftijd. Dit geldt voor automobilisten in het algemeen.
Deelt u de mening dat een taxichauffeur een grote verantwoordelijkheid heeft en dat rijervaring daarbij van groot belang is?
Ja, ik deel die mening. Elke bestuurder van een (gemotoriseerd) voertuig heeft een grote verantwoordelijkheid.
Wat vindt u van het voorstel, afkomstig van de Amsterdamse PvdA-fractie, om een minimumleeftijd van 23 jaar in te stellen voor alle taxichauffeurs? Bent u bereid om zo een regeling te overwegen en zo snel mogelijk in te voeren om verdere ongelukken te voorkomen?
Taxichauffeurs moeten met goed gevolg een vakbekwaamheidsexamen (theorie en praktijk) bij het CBR afleggen alvorens zij bevoegd zijn om een taxi te mogen besturen. Om toegelaten te worden tot dit examen dient men over een rijbewijs B, verklaring omtrent gedrag (VOG) en geneeskundige verklaring te beschikken. Veel taxiondernemers stellen zelf aanvullende voorwaarden aan de rijervaring van hun chauffeurs, passend bij de taximarkt ter plaatse waar ze opereren. Ik wil niet vooruitlopen op het onderzoek van de SWOV. Op dit moment zie ik geen aanleiding om de minimumleeftijd om toegelaten te worden tot het examen aan te passen.
Het bericht 'Het is politie-eigen' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Lekken is politie-eigen»?1 Zo ja, klopt dit?
Ja, ik ken het bericht. Integriteit staat hoog in vaandel bij de politie. De politie moet integer zijn en onze politie is ook integer. Wel blijft het belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden. Aangezien de conclusies van het rapport nog niet definitief zijn, kan ik op de inhoud niet verder ingaan. Zodra het rapport beschikbaar is zal ik het zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Hoe is het mogelijk dat bij onderzoeken naar het ambtsmisdrijf inhoudende het lekken van informatie door agenten veel mis gaat, terwijl gesteld wordt dat opsporing hiervan de hoogste prioriteit heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat ieder lek er één teveel is? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Ja, de politie moet integer zijn en het lekken van politie informatie past daar niet bij. De politie heeft naar aanleiding van diverse incidenten een onderzoek laten uitvoeren naar de drijfveren van politieambtenaren om vertrouwelijke informatie onrechtmatig te delen.
De politie voert een actief integriteitsbeleid en beschikt over een palet aan instrumenten om de integriteit van de organisatie te bewaken en te stimuleren. Deze instrumenten zijn enerzijds preventief en zien op het weerbaarder maken van de politiemedewerkers – door het leren van ervaringen, via bewustwordingsprocessen en het elkaar aanspreken – en de aandacht voor integriteit bij de werving, selectie en screening van medewerkers. Anderzijds heeft de politie repressieve instrumenten om de integriteit van de organisatie te bewaken. Elke melding over mogelijk plichtsverzuim wordt onderzocht. Als het onderzoek daar aanleiding toe geeft wordt disciplinair gesanctioneerd door de korpschef en kan door de strafrechter een straf worden opgelegd.
Deelt u de mening dat dergelijke gevallen de integriteit van het korps aantasten en een schoffering zijn van de agenten die wel naar eer en geweten hun werk doen?
Ja, maar de politie als organisatie is integer. Integriteit is een van de kernwaarden van de politie. De incidenten en de onderzoeken die hebben plaatsgevonden laten echter zien dat blijvende aandacht voor integriteit nodig is. Het blijft daarom belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden. Voorts bereid ik een wetsvoorstel voor om de screeningsbevoegdheden van politie verder uit te breiden. Ik verwacht dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan uw Kamer aan te bieden.
Hoe is het mogelijk dat de diverse afdelingen Veiligheid Integratie en Klachten (VIK) op een dergelijke van elkaar afwijkende en zelfs slordige manier werken, waardoor er soms zelfs sprake blijkt te zijn van «schaduwdossiers» en «lege dossiers»?
Op het moment van beantwoording van deze vraag is het rapport nog niet definitief. Ik kan daarom nog niet ingaan op eventuele conclusies uit het rapport. Zodra het rapport beschikbaar is zal ik het zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Ten aanzien van de werkwijzen van de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten verwijs ik u graag de brief interne onderzoeken politie die ik op 15 januari 2019 aan uw Kamer heb gezonden.2
Deelt u de mening dat deze afdelingen zo spoedig mogelijk op orde gebracht dienen te worden in die zin dat op eensluidende wijze ordentelijke dossiers worden opgebouwd in situaties waarin sprake is van melding van een (vermoeden van een) lek?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Politie zoekt getuigen van levensgevaarlijke rit over wielerparcours’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Politie zoekt getuigen van levensgevaarlijke rit over wielerparcours»?1 Bent u op de hoogte van berichten als «Politiebegeleiding juniorklassiekers op de tocht»2 en «46e omloop NWO afgebroken wegens ongeval»?3
Ja.
Onderschrijft u de noodzaak dat wielerkoersen voor de verkeersveiligheid goed beveiligd moeten zijn? Deelt u de mening dat daarbij veel taken die in het verleden bij de politie rustten, tegenwoordig ook door gekwalificeerde vrijwilligers (de zogenoemde motards) gedaan kunnen worden? Wat is daarvoor nodig om dat veilig te kunnen uitvoeren?
In algemene zin geldt dat noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen getroffen moeten worden, bijvoorbeeld parcoursafzettingen waar nodig. De regelgeving kent geen mobiele verkeersregelaars naast de beroepsmatige weginspecteurs van Rijkswaterstaat en transportbegeleiders van exceptioneel transport. Vrijwillige verkeersregelaars zijn alleen voor zeer eenvoudige verkeersregelende handelingen, bijvoorbeeld op één kruispunt, en tijdens evenementen. De tijdens het rijden verkeersregelende werkzaamheden van motards (naast begeleiding van de koers zelf) zijn niet te beschouwen als eenvoudig. Motards zijn dan ook niet bevoegd om verkeersregelend te handelen rijdend op een motor.
Bent u op de hoogte van initiatieven van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV) en de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) samen om bij wielerkoersen in samenwerking met de politie diensten te verlenen door vrijwillige dynamische verkeersregelaars, de zogenoemde motards?
Ja, maar dit strookt niet met de regelgeving zoals die op dit moment van toepassing is. Bij de laatste wijziging in 2017 van de Regeling verkeersregelaars 2009 is over de problematiek van de motards met de KNWU en NOC*NSF gesproken. Toen is met de partijen gedeeld dat de motards (met als functie onder andere mobiel het verkeer regelen) buiten de kaderstelling van de Regeling verkeersregelaars 2009 vallen. Motards zijn niet bevoegd om verkeersregelend te handelen rijdend op de motor. Zij mogen alleen statisch verkeersregelend optreden als ze zijn aangesteld als verkeersregelaar en onder toezicht staan van de politie. Tussen twee locaties rijdend zijn ze verkeersdeelnemer.
Deelt u de mening dat mogelijk aanpassing van artikel 58a lid 4 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) ervoor kan zorgen dat (beroeps-)verkeersregelaars een wettelijke basis kunnen verkrijgen en dat dit kan helpen in de uitvoering van hun taken?
De werkzaamheden en bevoegdheden van (evenementen- en beroeps)verkeersregelaars zijn expliciet vastgelegd. Vermeende mobiele verkeersregelaars functioneren in strijd met deze regelgeving. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is een bewuste keuze gemaakt om behoudens weginspecteurs van Rijkswaterstaat in het kader van incidentmanagement, mobiel verkeersregelend handelen niet toe te staan.
Is het waar dat door een terugtrekkende politie vanaf 2020 wellicht nog maar de helft van alle wielerkoersen in Nederland doorgang kan vinden omdat de politie keuzes moet maken en afwezig blijft? Is dit een wenselijke ontwikkeling? Zijn er methoden om dat te voorkomen door inzet van derden? Welke mogelijkheden zijn er om de politie voortaan meer te laten optreden als regisseur dan als uitvoerder, waarbij de politie de beroepsverkeersregelaars, de vrijwilligers en andere betrokkenen onder begeleiding aanstuurt en zelf een stap terug doet?
In overleg met de KNWU is de wielerkalender voor 2019 geanalyseerd op de noodzakelijkheid van politie-inzet. Van oudsher werd in principe iedere aanvraag voor begeleiding gehonoreerd. Door de groeiende inzet van politie bij wielerrondes kwamen andere belangrijke taken op het gebied van verkeershandhaving steeds meer in het gedrang. De KNWU en de politie hebben de organisatoren van wielerrondes onder auspiciën van de KNWU verzocht te kijken naar andere vormen van koersen (bijvoorbeeld koersen op semi-afgesloten parcours) waardoor minder politie-inzet noodzakelijk is. Hierdoor kan de politie weer beter haar andere taken op het gebied van verkeershandhaving vervullen.
Het streven van de KNWU en de politie is om in 2020 alle lagere categorieën wielerrondes te laten rijden op afgesloten omlopen en de inzet van politie met 50% te reduceren. Daarbij is dan een grotere inzet van bebording en van (vrijwillige) verkeersregelaars noodzakelijk om de veiligheid te waarborgen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de organisaties van wielerrondes, waarbij zij dienen te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden en verkeersveiligheidsbepalingen.
Sommige Provincies, zoals Limburg, kennen veel koersen, hetgeen waarde toevoegt voor het gebied, bewoners, ondernemers, gasten en wielerrecreanten; is het denkbaar dat organisatoren, om goede en veilige koersen te behouden, een financiële bijdrage leveren aan de politie om de noodzakelijke taken toch gedaan te krijgen?
Organisatoren van wielerkoersen zijn verantwoordelijk voor een veilig verloop van hun evenementen. Een belangrijk instrument dat de organisatoren daartoe ter beschikking hebben is de inzet van evenementenverkeersregelaars. De politie heeft hier een toezichthoudende rol. De overheid is primair verantwoordelijk voor openbare orde en veiligheid. Het kabinet is daarom eerder niet overgegaan tot wetgeving inhoudende doorbelasting van politiekosten. Er is geen reden dit standpunt te wijzigen. De politie ervaart bij het uitvoeren van haar toezichthoudende rol, een reguliere taak van de politie, geen knelpunten.
Wat zijn de mogelijkheden voor Stichting Verkeersregelaars Nederland (SVNL), KNWU, Nederlandse Toer Fiets Unie (NTFU) en Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie (NOC-NSF) om voorlichting te geven over veilig verkeersgedrag en daarmee voor zowel professionele, als voor toertochten de verkeersveiligheid positief te beïnvloeden? Deelt u de mening dat een gedragsverandering kan bijdragen aan het terugdringen van de politiebegeleiding?
Het geven van voorlichting in het algemeen is altijd goed. De effectiviteit daarvan hangt af van onder andere de aard van de veiligheidsrisico’s die niet generiek te beschrijven zijn, behoudens het oproepen tot oplettendheid en adequate bebording. Goede begeleiding lijkt in alle gevallen gewenst. Een veilige koers is primair de verantwoordelijkheid van de organisator. De overheid blijft daarnaast verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid, waarbij de politie in dit geval in een toezichthoudende rol betrokken is.
Nu geeft de KNWU wielerwedstrijden door aan de Landelijke Eenheid van de politie, is dat een goede werkwijze, of kan het helpen dat lokale eenheden zelf bepalen welke en hoeveel inzet zij plegen bij wielerevenementen, rekening houdende met de landelijke politiestandaard?
Met ingang van het wedstrijdseizoen 2018 dient de aanvraag voor wielerbegeleiding op één punt bij de politie gemeld te worden, namelijk een loket bij de Landelijke Eenheid. Door deze werkwijze is de daadwerkelijke inzet ten behoeve van wielerwedstrijden in beeld gekomen en kan ook centraal de ondersteuning aan regionale eenheden geregeld worden. Naast het loket heeft de Landelijke Eenheid op grond van de Circulaire Bijzondere Verkeerstechnische Begeleiding (VT) ook nog een uitvoerende taak voor geprioriteerde wielerwedstrijden.
Bent u bereid om de genoemde partijen aan te horen en te bezien welke problemen en uitdagingen gezamenlijk opgelost kunnen worden als de inzet van politie minder wordt?
Ja. Ik vind het belangrijk om de mogelijke problemen goed in beeld te krijgen en gezamenlijk mogelijke oplossingen te verkennen, ook waar het gaat om de inzet van motards. Uitgangspunt daarbij moet wel steeds zijn dat elke optie kan bijdragen aan het vergroten van de veiligheid van en rond wielerwedstrijden.
Het bericht ‘Pon-affaire op herhaling’ |
|
Monica den Boer (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pon-affaire op herhaling»?1
Ja.
Wanneer is de aangifte tegen de nationale politie over een aanbesteding binnengekomen bij de Rijksrecherche en wat is er na die tijd gebeurd met deze aangifte? Kunt u nagaan wanneer de Rijksrecherche verwacht te kunnen starten met het onderzoek over de aanbestedingsprocedure?
De in het bericht genoemde aangever heeft al eerder aangiften tegen de Nationale Politie gedaan. In 2017 zijn al enkele van die aangiften afgedaan door de zaaksofficier van justitie. De nu nog openstaande aangifte tegen de Nationale Politie is in februari 2018 ontvangen en ziet op dezelfde problematiek als uit een eerdere – reeds afgedane – aangifte. De aangever heeft een art. 12 Sv-klacht ingediend tegen de beslissing om niet over te gaan tot een strafrechtelijk onderzoek. Vanwege de mogelijke overlap tussen de nieuwe aangifte en de art. 12 Sv-klacht moest worden beoordeeld of een nieuw onderzoek opportuun was. Na een uitvoerige analyse van de nieuwe aangifte en na bestudering van de naderhand toegezonden omvangrijke stukken, heeft het Openbaar Ministerie in afstemming met de Rijksrecherche in september 2018 besloten de aangifte op te pakken. De stukken zijn – ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek – in december 2018 overgedragen aan de Rijksrecherche. Inmiddels ligt het dossier ter beoordeling voor aan het Openbaar Ministerie.
Daarnaast is er ook aangifte gedaan tegen de korpschef van de Nationale Politie vanwege vermeend smadelijke en lasterlijke uitspraken in de media. Deze aangifte is inmiddels geseponeerd vanwege het ontbreken van aanknopingspunten voor de verdenking van een strafbaar feit.
Vindt u dat deze aangifte met voldoende prioriteit wordt behandeld? Zo nee, wat is hier volgens u de oorzaak van?
De diverse aangiften van de heer Van Hoeven zijn met de nodige zorgvuldigheid opgepakt. De aangever heeft meermaals nieuwe en omvangrijke aanvullingen op de oorspronkelijke aangiften ingezonden naar het Landelijk Parket. De zorgvuldige bestudering van deze nieuwe aangifte en aanvullingen hierop, heeft enige tijd gekost alvorens er opnieuw een Rijksrecherche-onderzoek gestart kon worden en er capaciteit vrijgemaakt kon worden. Dit onderzoek loopt nu.
Hoeveel mensen werken er op dit moment voor de Rijksrecherche? Wat is de leeftijdsopbouw van het personeel? Verwacht u de komende tijd verandering in het personeelsbestand door bijvoorbeeld een hogere uitstroom door onder andere vergrijzing, zoals bij de nationale politie het geval is?
De formatieve sterkte is 127 fte voor de Rijksrecherche waarvan 109 fte operationele capaciteit betreft. De leeftijdsopbouw van de bezetting is in personen: 20–29 jaar: 2; 30–39 jaar: 19; 40–49 jaar: 27; 50–59 jaar: 63; 60–67 jaar: 21. Gezien de leeftijdsopbouw ligt het voor de hand dat de Rijksrecherche de komende tien jaar een relatief grote uitstroom heeft van medewerkers die nu in de categorie 55+ vallen. Bij het invullen van vacatures wordt voor zover mogelijk gelet op een diverse leeftijdsopbouw in het personeelsbestand.
Hoeveel zaken behandelt de Rijksrecherche jaarlijks? Is dit aantal de laatste jaren toe- of afgenomen?
De Rijksrecherche neemt jaarlijks ruim 100 zaken in. De afgelopen jaren is de instroom gelijk gebleven maar in 2018 was er een opvallende toename, in 2018 zijn er 139 zaken ingestroomd.
Wat voor soort zaken behandelt de Rijksrecherche? In hoeverre is de aard van de zaken die de Rijksrecherche behandelt de laatste jaren complexer geworden en in hoeverre is de Rijksrecherche hierop aangepast, bijvoorbeeld door andere opleidingseisen?
De Rijksrecherche is aangewezen voor strafrechtelijk onderzoek naar:
Veel rijksrecherche-onderzoeken zijn inherent complexe onderzoeken vanwege het feit dat onderzoeken in een politiek-bestuurlijk gevoelige context moeten worden uitgevoerd en ook dikwijls extra inspanningen moeten worden verricht om onderzoeken af te schermen. Daarnaast signaleert de Rijkrecherche een toename in de ernst en complexiteit van sommige zaken. Zo is steeds vaker sprake van een criminele component en/of vermenging met georganiseerde criminaliteit bij lekonderzoeken.
De Rijksrecherche vindt het van belang de hoge kwaliteit van de rijksrechercheurs te behouden. Zij moeten opereren in een complexe politiek-bestuurlijke omgeving, een kwalitatief goed dossier afleveren en zo snel mogelijk op hoog niveau inzetbaar zijn. Rijksrechercheurs zijn minimaal HBO of WO geschoold en beschikken veelal over een recherche-Master opleiding. Rijksrechercheurs worden permanent getraind en bijgeschoold, zowel op fysieke vaardigheid als op juridische kwaliteit.
Hoeveel zaken wachten op dit moment bij de Rijksrecherche op behandeling? Wat is de kans dat deze zaken op (korte) termijn kunnen worden behandeld en afgedaan?
Uit het intake-proces van de Rijksrecherche van de laatste jaren blijkt dat zaken niet altijd in de volle breedte kunnen worden opgepakt. Er bestaat de noodzaak om onderzoeken selectief in te nemen en soms in omvang te beperken. Tevens wordt er soms voor gekozen om andere opsporingsdiensten (delen-) van onderzoeken over te laten nemen.
Hoe lang wordt gemiddeld aan een zaak besteed? Hoeveel mensen werken gemiddeld aan een zaak? Wat is de totale doorlooptijd per zaak gemiddeld? Vindt u dit tempo voldoende? Zo nee, bent u van plan hier iets aan te doen? Zo ja, wat bent u van plan hier aan te doen?
Er is geen inschatting te maken van de gemiddelde doorlooptijd of aantal mensen dat aan een zaak werkt. Dat komt doordat elke zaak uniek en complex is en daarmee een eigen dynamiek kent. In het intake-proces van de Rijksrecherche wordt steeds een beslissing genomen over de inzet en de doorlooptijd van een onderzoek. Ook kan tussentijds worden bij- of afgeschaald n.a.v. de onderzoeksbevindingen, dan wel andere onderzoeken die een hogere prioriteit kennen.
Hoe worden zaken geprioriteerd? Hoe wordt bepaald hoeveel mensen aan welke zaak werken? Ziet u hier mogelijkheden voor verbetering? Zo ja, bent u bereid met de Rijksrecherche hierover in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
De prioritering van zaken binnen het intake-proces van de Rijksrecherche vindt plaats in nauwe afstemming met het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft het overzicht met betrekking tot de beschikbare capaciteit en het aanbod en complexiteit van zaken en kan een goede inschatting maken hoe de (schaarse) capaciteit zo efficiënt mogelijk kan worden ingezet.
Deelt u de mening geschetst in het artikel dat de Rijksrecherche te maken heeft met capaciteitsproblemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u eraan doen om deze capaciteitsproblemen te verhelpen?
Belangrijke randvoorwaarde voor het weerbaar maken en houden van het openbaar bestuur tegen corrumperende invloeden vanuit de onderwereld is een goede informatiepositie en deskundige opsporingscapaciteit. De Rijksrecherche vervult daarin een belangrijke rol. Capaciteit voor opsporing en vervolging is altijd schaars en dat betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt en prioriteiten gesteld. Dat geldt ook voor de Rijksrecherche.
In de jaren 2000 en 2001 is gewerkt aan de uitvoering en afronding van de door de toenmalige Minister van Justitie aangekondigde maatregelen om het functioneren van de Rijksrecherche te verbeteren. Uitbreiding van de capaciteit van de Rijksrecherche was onderdeel van dit pakket van maatregelen.
Op basis van de constatering van de toenmalige onderzoekscommissie en nader onderzoek naar de werklast is het budget van de Rijksrecherche vanaf het jaar 2002 structureel opgehoogd ten behoeve van capaciteitsuitbreiding.
De afgelopen jaren hebben de taakstellingen van het OM ook invloed gehad op het budget en de capaciteit van de Rijksrecherche. Het OM heeft desgevraagd met ingang van 2017 een klein structureel intensiveringsbudget ontvangen voor de ontwikkelingen bij de Rijksrecherche.
De ontwikkelingen in de criminaliteit staan echter niet stil en hebben – zoals hierboven aangegeven en in het antwoord op vraag 7 – sinds de genoemde versterkingen, geleid tot een toenemende complexiteit van strafrechtelijke corruptieonderzoeken en een verdere stijging in het werkaanbod van de Rijksrecherche. De intensiveringsgelden hebben deze bovengenoemde ontwikkelingen slechts deels gecompenseerd.
Het tegengaan van corruptie is een belangrijk aspect bij het terugdringen van ondermijnende criminaliteit. Bij de beoordeling van de versterkingsplannen van de regio’s en de landelijke diensten in het kader van het zogenaamde Ondermijningsfonds is dan ook de positie van de Rijksrecherche bezien. Op basis van het advies van het Strategisch Beraad Ondermijning heb ik besloten dat het inzetten van incidentele middelen uit het Ondermijningsfonds ten behoeve van extra formatie van de Rijksrecherche niet in de rede ligt. Wel zijn extra middelen beschikbaar gesteld om te starten met het ontwerpen van een analysetool, gekoppeld aan het ontwikkelen van een plan van aanpak hoe (ambtelijke) corruptie steviger kan worden aangepakt.
Vindt u dat onderzoeken naar de misstanden binnen de politie en het openbaar ministerie, waarvan ze zelf aangeven dat deze als topprioriteit zijn aangemerkt, in de praktijk ook tot de benodigde inzichten leiden?
Bewustwording, zelfreflectie en het continu doorontwikkelen van het vakmanschap zijn essentiële elementen om de integriteit binnen de politieorganisatie en het openbaar ministerie te waarborgen. Hierbij is het belangrijk dat niet alleen de individuele ambtenaar, maar ook de organisatie als geheel leert van de incidenten die plaatsvinden. Om het bereik van een dergelijk leereffect te vergroten gaat de politie momenteel na op welke wijze individuele zaken gebruikt kunnen worden ter lering van alle medewerkers. In dit verband verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 15 januari 2019 inzake de interne onderzoeken en strafrechtelijke onderzoeken bij de politie.2 De politie en het openbaar ministerie voeren reeds een actief integriteitsbeleid en beschikken over een palet aan instrumenten om de integriteit van de organisatie te bewaken en te stimuleren. Deze instrumenten zijn enerzijds preventief en zien op het weerbaarder maken van medewerkers van de politie en het openbaar ministerie – door het leren van ervaringen, via bewustwordingsprocessen en het elkaar aanspreken – en de aandacht voor integriteit bij de werving, selectie en screening van nieuwe medewerkers. Voor wat betreft de screening van (kandidaat) ambtenaren van politie zal op korte termijn het wetsvoorstel screening ambtenaren van politie en politie-externen aan uw Kamer worden gezonden. Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk ook de omgeving van de betrokkene (zoals de partner) te onderzoeken. Ook zal een doorlopende screening worden ingevoerd.
Hoe kan het dat in het jaar 2000 al werd geconcludeerd dat sprake was van capaciteitsgebrek bij de Rijksrecherche, maar ondanks dat advies nauwelijks iets is verbeterd? Kunt u aangeven welke navolging is gegeven aan de adviezen uit dit rapport in opdracht van oud-minister Korthals?
Zie antwoord vraag 10.
De veroordeling in Egypte van Amal Fathy |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichten aangaande veroordeling in Egypte van Amal Fathy?1
Ja.
Deelt u de verontwaardiging over de veroordeling van deze vrouwenrechtenverdedigster die zich online heeft uitgesproken over schending van mensenrechten?
Het Kabinet volgt de ontwikkelingen in de zaak van Amal Fathy nauwgezet en met grote zorg. Fathy werd op 11 mei jl. gearresteerd nadat zij op Facebook een video publiceerde waarin zij klaagde over seksuele intimidatie die haar ten deel was gevallen en kritiek uitte op het feit dat de Egyptische autoriteiten daar niet adequaat tegen optreden. Er werden twee rechtszaken tegen haar aangespannen: één zaak voor de Maadi Misdemeanorrechtbank, onder andere op verdenking van het verspreiden van nepnieuws en grof taalgebruik, en een State Security Prosecutionzaak op verdenking van lidmaatschap van een terroristische organisatie.
In de eerste zaak werd Fathy op 21 juni jl. op borgtocht vrijgelaten. Zij bleef echter in voorarrest vastzitten in verband met de State Security Prosecutionzaak. Op 27 december jl. kwam Fathy op borgtocht vrij, nadat zij ook in de laatstgenoemde zaak voorwaardelijk werd vrijgelaten. Op 30 december jl. werd Fathy echter in hoger beroep alsnog tot twee jaar cel veroordeeld in de zaak voor de Maadi Misdemeanorrechtbank. Fathy verkeert momenteel in vrijheid, maar moet zich elke zaterdag op het politiebureau melden en kan op ieder moment opnieuw in hechtenis worden genomen.
Nederland zet zich wereldwijd in voor de bevordering van gelijke rechten voor vrouwen en meisjes, inclusief het tegengaan van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes. Ook zet Nederland zich in voor de bevordering van de vrijheid van meningsuiting, zowel on- als offline, en streeft naar een open, vrij en veilig internet. Daarnaast beschouwt het kabinet een actief, levendig en kritisch maatschappelijk middenveld als essentieel voor de duurzame sociale en economische ontwikkeling van een land. Daarin moet ook ruimte zijn voor burgers om zich uit te spreken over maatschappelijke kwesties, zoals Fathy heeft gedaan.
Fundamentele vrijheden staan in Egypte onder druk. Dat is een belangrijk onderwerp van gesprek met de Egyptische autoriteiten. Zo sprak ik tijdens mijn bezoek aan Egypte op 10 mei 2018 uitgebreid met mijn Egyptische collega over onder andere het belang van persvrijheid en de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld om een kritisch tegengeluid te laten horen. Ik zal deze thema’s ook blijven aankaarten.
Deelt u onze zorg dat wereldwijd mensenrechtenverdedigers, in het bijzonder vrouwenrechtenverdedigers, steeds vaker risico lopen beschuldigd te worden van lidmaatschap van een terroristische organisatie en/of ondermijning van de publieke veiligheid en/of het toebrengen van schade aan de nationale belangen zonder dat daar wettelijk en overtuigend bewijs voor is?
Het kabinet deelt die zorg. In veel landen is er sprake van toenemende restricties voor het maatschappelijk middenveld en een inperking van de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van meningsuiting, offline en online. Vaak worden de beperkingen gemotiveerd als noodzakelijke maatregelen om terrorisme, politieke oppositie of ongewenste buitenlandse invloed tegen te gaan. De effecten variëren van land tot land en de gevolgen kunnen opzettelijk of onbedoeld zijn.
Vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en vrouwenrechtenverdedigers ondervinden daarnaast vaker weerstand vanuit de directe omgeving en lokale gemeenschap, wat hen in een extra kwetsbare positie brengt. Daarnaast is er aandacht nodig voor genderspecifieke vormen van intimidatie en geweld tegen vrouwelijke mensenrechtenverdedigers.
Heeft u contact gehad met uw Europese ambtgenoten en/of de Egyptische regering over deze veroordeling? En zo ja, wat is daaruit voort gekomen en zo nee, waarom niet?
In aanloop naar het hoger beroep, dat in eerste instantie op 25 november 2018 diende, heeft Nederland, gelijktijdig met een aantal andere Europese lidstaten, op hoogambtelijk niveau zorgen over de zaak van Fathy overgebracht bij de Egyptische ambassadeur. Ook zijn onze zorgen over deze zaak vanaf het begin gedeeld met de Egyptische autoriteiten terplekke en het Egyptische Nationale Mensenrechten Comité. Zolang de aanklacht tegen Fathy niet wordt ingetrokken, zal Nederland zorgen over deze zaak blijven aankaarten bij de Egyptische autoriteiten.
Na haar veroordeling in hoger beroep kan Fathy nog beroep aantekenen bij het Hof van Cassatie. Haar advocaten hebben aangegeven dit te zullen doen. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om een presidentieel pardon aan te vragen. Nederland zal, in nauw overleg met EU lidstaten en andere gelijkgezinde landen, bezien welke vervolgacties opportuun zijn.
Bent u bereid zowel bilateraal als in EU-verband aan te dringen op een presidentieel pardon voor Amal Fathy? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ben u reeds begonnen met het vergaren van steun voor dit verzoek aan de Egyptische president? En zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid zowel bilateraal als in EU-verband aan te dringen op beëindiging van het huisarrest van Amal Fathy en/of het intrekken van verdere aanklachten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ben u reeds begonnen met het vergaren van steun voor dit verzoek aan de Egyptische overheid? En zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u zich laten informeren over de gezondheidstoestand van Amal Fathy en kunt u informeren hoe het met haar gesteld is? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade in Caïro staat in nauw contact met de betrokkene en haar familie en is op de hoogte van de gezondheidstoestand van Amal Fathy. Het is niet aan het ministerie om hierover informatie te verstrekken.
Ziet u nog andere mogelijkheden dan wel gremia om uw zorgen over deze gang van zaken ter sprake brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is dit mogelijk reeds ergens besproken? En zo ja, waar en in welk verband en wat is de reactie?
Nederland zal deze zaak, samen met andere Europese lidstaten en gelijkgezinde landen, nauwgezet blijven volgen en zorgen over deze zaak via eerder genoemde sporen onder de aandacht van de Egyptische autoriteiten blijven brengen.
Kunt u deze vragen voor de ministeriële bijeenkomst van de EU met de Afrikaanse Unie op 22 januari a.s. beantwoorden?
Ik zal u de antwoorden op de vragen zo snel mogelijk doen toekomen.
De berichten ‘Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen ‘veel gedoe voor weinig opbrengst’’ en ‘Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen «veel gedoe voor weinig opbrengst»» en het artikel «Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn»?1 2
Ja.
Bent u bekend met het door de Volkskrant aangehaalde openbare jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente, waarin verslag wordt gedaan van een grootschalige bewegingsjacht op wilde zwijnen op 5 januari jongstleden?
Ja.
Valt de in het jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente beschreven bewegingsjacht, waarbij 79 geweerdragers, 61 drijvers en een onbekend aantal jachthonden een gebied van 17 aaneengeschakelde jachtvelden hebben doorkruist, onder uw definitie van beperkte bewegingsjacht zoals u deze heeft beschreven in uw brief van 12 oktober 2018, inhoudende maximaal 6 geweerdragers, 3 jachthonden en 6 drijvers die hoorbaar een jachtgebied doorkruisen en kunt u uw antwoord toelichten?3
Uit informatie van de provincie Overijssel blijkt dat er sprake was van een telling van wilde zwijnen over in totaal 17 jachtvelden in het gebied Zuid-Oost Twente. Dit vond plaats in een groot areaal van enkele duizenden hectares aan weerszijden van de grens met Duitsland. In sommige van die jachtvelden is ook een beperkte bewegingsjacht, uitgevoerd met maximaal 6 jagers en 6 drijvers per jachtveld. Hierbij zijn in totaal vier wilde zwijnen gedood. Deze aanpak past binnen de definitie van de beperkte bewegingsjacht, zoals door mij is neergelegd in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest van 19 oktober 2018.
Is het wat u betreft onder de geldende ministeriële regeling toegestaan dat jachtvelden op de hierboven beschreven wijze gecombineerd worden, waardoor er in de praktijk in één jachtveld tientallen jagers en drijvers rondlopen en kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het in algemene zin wenselijk dat uw besluit om beperkte bewegingsjacht toe te staan in de praktijk nu heeft geleid tot een jachtevenement waar 140 jagers aan hebben deelgenomen, met alle verstoring voor het in het gebied aanwezige wild van dien, met als resultaat één gedood wild zwijn? Zo ja, waarom wel?
Zoals uit het vorige antwoord blijkt, past dit binnen de definitie van beperkte bewegingsjacht. Er was daarnaast sprake van een telling in een groot gebied om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de aantallen wilde zwijnen in het gebied Zuid-Oost Twente. Deze telling werd gecombineerd met een afschotactie aan Duitse kant van de grens. Er was dus geen sprake van een jacht waaraan 140 jagers hebben deelgenomen. Wel is het zo dat er meer jagers bij de telling waren betrokken.
Hoe verhoudt de in het jachtverslag beschreven invulling van «beperkte bewegingsjacht» zich tot de uitspraak in uw brief van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht een vorm is die de bezwaren die er zijn tegen het drijven in het algemeen (ecologische schade, verstoring, een niet-selectieve werking en dierenwelzijnsissues) wegneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Het doel van de gehouden bewegingsjacht in Zuid-Oost Twente was primair een inschatting maken van de omvang van de populatie wilde zwijnen die zich in de grensstreek met Duitsland ophoudt. Wilde zwijnen zijn lastig te tellen, omdat zij zich ophouden in dicht struikgewas dat voor mensen en aangelijnde honden niet of nauwelijks toegankelijk is. Door de bewegingsjacht werden de zwijnen beperkt opgejaagd en was het mogelijk ze beter te tellen. Deze telling werd in enkele jachtvelden gecombineerd met het afschot van wilde zwijnen (in totaal vier) om zo de populatie niet verder te laten groeien in het kader van preventie van de Afrikaanse varkenspest.
Hoe verhouden de volgende twee uitspraken uit het Volkskrant-artikel zich tot elkaar en tot bovengenoemde stelling uit uw brief aan de Kamer van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht geen ecologische schade aanricht en niet verstorend werkt: «de verstoring meeviel door de grote omvang van de jachtvelden» (uw ministerie volgens de Volkskrant) en deze vorm van jacht «toch een aanslag is op de natuur, en we willen de zwijnen niet teveel verstoren» (de voorzitter van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente)?
Zie antwoord vraag 6.
Zit er wat u betreft een bovengrens aan het aantal jagers dat simultaan kan deelnemen aan één bewegingsjacht en zo ja, wat is die bovengrens?
Er was niet sprake van één bewegingsjacht, maar van meerdere bewegingsjachten in meerdere jachtvelden tegelijkertijd. Deze zijn uitgevoerd conform de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest.
Deelt u de mening dat het instrument bewegingsjacht met de grootste zorgvuldigheid moet worden ingezet en alleen als nut en noodzaak onomstotelijk vaststaat vanwege het zijn van een verregaande vorm van faunabeheer die niet voor niets is uitgesloten op grond van de Wet Natuurbescherming en die maatschappelijk gevoelig ligt?
De bewegingsjacht zoals bedoeld in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest heeft tot doel de populatie wilde zwijnen te verkleinen, teneinde het risico op een besmetting met het AVP-virus te minimaliseren. Uiteraard dient daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen, teneinde verstoring aan andere ecologische waarden zo veel mogelijk te voorkomen. Uit informatie verkregen van provincie en faunabeheereenheid concludeer ik dat hieraan in het beschreven geval is voldaan.
Bent u van mening dat dit voorwaarden zijn, zie vraag 9, waar in het hierboven beschreven geval aan is voldaan? Zo ja, waarom wel?
Zie antwoord vraag 9.
Hebben er, naast de twee bewegingsjachten op wilde zwijnen in Brabant en Twente, meer bewegingsjachten plaatsgevonden en/of zijn er in de komende maanden meer voorzien en wat waren hiervan de resultaten?
In Noord-Brabant hebben op twee dagen twee bewegingsjachten plaatsgehad. Daarbij zijn in totaal tien wilde zwijnen afgeschoten. Mij zijn geen andere bewegingsjachten bekend dan de twee genoemde bewegingsjachten in Noord-Brabant en de in voorgaande antwoorden bedoelde bewegingsjachten in Zuid-Oost Twente.
Bent u bereid de Kamer spoedig te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden en/of in de komende maanden zijn voorzien?
Ik ben bereid de Kamer te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden.
Bent u bereid om op redelijke termijn de effectiviteit en proportionaliteit van de ministeriële regeling te evalueren en de Kamer te informeren over de uitkomsten hiervan?
Ik ben voornemens de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest twee jaar na inwerkingtreding te evalueren op effectiviteit en proportionaliteit. Uw Kamer zal ik van de uitkomst van deze evaluatie op de hoogte stellen.
Het bericht ‘Is Interpol being manipulated by authoritarian regimes’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is Interpol being manipulated by authoritarian regimes»?1
Ja.
Deelt u de mening van Mr Browder dat er een patroon is waarbij Interpol in toenemende mate wordt ingezet door autoritaire en corrupte staten teneinde politieke vijanden en andere rivalen aan te pakken?2 Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat deze observatie zorgelijk is?
Ik heb geen informatie die een trend onderbouwt dat instrumenten van de International Criminal Police Organisation INTERPOL, hierna Interpol, in toenemende mate worden misbruikt voor politieke doeleinden. Ik onderken evenwel dat er zowel in de media, bij maatschappelijke organisaties maar vooral ook binnen de Interpol organisatie zelf de afgelopen jaren in toenemende mate aandacht is voor het signaleren en bestrijden van eventueel misbruik. Ik ben van mening dat er strikt op moet worden toegezien dat de constitutie en de regels voor het verwerken van gegeven van Interpol, en dus ook het gebruik van red notices en diffusions correct worden toegepast. Nederland heeft afgelopen jaren actief deelgenomen aan de discussies die hierover binnen Interpol worden gevoerd en zal dit ook blijven doen.
Interpol is een organisatie waarbinnen 194 landen samenwerken om criminaliteit te bestrijden op basis van regels en afspraken en in goed vertrouwen. Ieder land heeft binnen de Interpol General Assemblee 1 gelijke stem in de besluitvorming over de koers die wordt gevaren. Majeure koerswijzigingen vergen een navenant zwaardere geclassificeerde meerderheid. De meest ingrijpende wijzigingen, zoals in de constitutie, vergen een 2/3 meerderheid van de 194 leden. Dat impliceert een grote mate van stabiliteit in de basiswaarden van Interpol, waaronder het handelen in de geest van Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
De constitutie van Interpol stelt tevens duidelijk dat activiteiten van politieke, militaire, religieuze of racistische aard strikt verboden zijn.
Het is hierom dat dat Nederland sterk inzet op actieve deelname in de diverse bestuursorganen van Interpol. Zo heeft Nederland de afgelopen 4 jaar als gekozen lid deelgenomen aan het Interpol European Committee en is de politiechef van de Landelijke Eenheid met steun van de General Assemblee eind vorig jaar toegetreden als lid van het toezichthoudende Executive Committee.
De General Assembly van Interpol heeft op voordracht van dit Executive Committee in 2016 het besluit genomen extra maatregelen te treffen voor het volgens de regels toepassen van red notices en het diffusion systeem. Deze maatregelen betreffen onder meer:
Een belangrijke waarborg van deze commissie is dat personen hier een verzoek tot wijziging of verwijdering kunnen indienen als zij menen dat de informatie over hen in de Interpol systemen, waaronder signaleringen, niet correct is of in strijd met de Interpol regels.
In hoeverre bent u van mening dat Interpol van binnenuit beter beschermd zou moeten worden tegen interne, kwaadwillende en mogelijke belangenverstrengeling?
In mijn antwoord op vraag 2 staan extra maatregelen genoemd die in de afgelopen jaren zijn genomen om toe te zien op een juiste toepassing van de Interpol systemen, diensten en producten.
Een belangrijke maatregel is de bevoegdheid van het Interpol-secretariaat (IPSG) om informatie, waaronder signaleringen, te verwijderen uit de Interpol systemen als wordt vermoed dat deze om politieke redenen via de Interpolsystemen worden verspreid. Daarbij dienen ontvangende landen deze informatie tevens te verwijderen uit hun nationale systemen.
De wens om deze internationale politieorganisatie effectief en relevant te laten blijven, mede door ongewenste politieke inmenging te voorkomen, wordt breed gedeeld onder de bij Interpol aangesloten landen. Bovendien is dit ook het nadrukkelijke streven van de Secretaris Generaal van Interpol.
Hoe verklaart u de stijging van het aantal diffusions van 19,338 in 2015 naar 26,645 in 2016 en de bijna verdubbeling naar 50,530 in 2017?3 Kunt u achterhalen waar deze stijging vandaan komt? Zijn er één of meerdere specifieke landen aan te wijzen die de afgelopen twee jaar een groter beroep op Interpol hebben gedaan?
Een aanzienlijk percentage van de stijging heeft te maken met het signaleren van de zogenoemde »Foreign Terrorist Fighters». Dit zijn personen die zijn overgehaald om af te reizen naar een buitenlands conflictgebied om daar deel te nemen aan een strijd.
Met het vertrek van deze «Foreign Terrorist Fighters» die zich hebben aangesloten bij IS in Syrië en Irak hebben veel landen ingezet op het verbeteren van de detectie van (verdachte) FTF’s en zijn landen meer informatie met elkaar gaan delen en met Interpol. Ook zetten verschillende landen in – en aangemoedigd door Interpol – op het versterken van de detectiecapaciteiten op de grens. Hierdoor vinden er meer «hits» plaats op de gedeelde databanken van Interpol, zoals de Interpol NOMINAL databank en de «Stolen en Lost Traveldocuments» (SLTD) databank,.
Zijn er signalen dat er diffusions worden uitgevoerd die eigenlijk als red notice zouden moeten worden uitgezet of signalen dat diffusions op een andere manier worden ingezet dan waar zij voor zijn bedoeld?4
Ik beschik niet over gegevens om te kunnen beoordelen of diffusions worden uitgevoerd die eigenlijk als red notice zouden moeten worden uitgezet, noch kan ik patronen daarin herkennen. Wel kan ik u melden dat de controlemechanismen die aanwezig zijn voor de publicatie van notices and diffusions inhouden dat wanneer een verzoek tot publicatie van een notice wordt geweigerd, deze niet alsnog als diffusion mag worden verspreid door een land.
In hoeverre kunt u stellen dat het misbruik van Interpol en het red notice systeem door sommige lidstaten het afgelopen jaar is afgenomen? Kunt u dit onderbouwen met cijfers?
Er zijn geen cijfers over «misbruik» van het red notice systeem van Interpol op basis waarvan ik een uitspraak zou kunnen doen over het toenemen of afnemen van vermeend «misbruik».
Ik heb echter vertrouwen in het functioneren van de ingestelde multidisciplinaire taskforce die nieuwe aanvragen en reeds gepubliceerde Interpol signalering nog grondiger toetst op de constitutie en regels voor gegevensverwerking, als effectieve maatregelen om het niet-naleven van de Interpol-regels verder te beperken.
Is er een patroon te vinden in het soort diffusions dat wordt uitgezet, afgezien van de 27,000 diffusions uit 2017 waarover Interpol zegt dat het vooral ging om hun buitenlandse terroristen project?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u oplossingsmogelijkheden misbruik van opsporingslijsten door landen zoals Rusland en Turkije, zoals ook genoemd in het artikel, te voorkomen? Waar denkt u dan aan?
De bepalingen in de Interpol constitutie verbieden misbruik van de systemen, diensten en producten van Interpol. Interpol heeft de laatste jaren diverse maatregelen heeft genomen om de integriteit van signaleringen zoals red notices en diffusions te verbeteren.
In het huidige proces ten aanzien van red notices en diffusions zijn controlemechanismen ingebouwd die door verschillende partijen worden uitgevoerd. De NCB’s zijn verantwoordelijk voor het aanleveren van juiste en volledige informatie in overeenstemming met nationale wetgeving en de Interpol constitutie. Vervolgens heeft het IPSG de taken en verantwoordelijkheden die omschreven zijn in de antwoorden bij vraag 2 en 3. Tot slot kan een land dat twijfels heeft of een signalering in overeenstemming met de Interpol regels is, dit melden aan het signalerende land, het Secretartiaat Generaal en bij de Commissie voor Controle op Interpol dossier (CCF)
Als een signalering wordt ingetrokken, worden landen tevens verzocht de gegevens uit hun nationale database te verwijderen. Bovendien heeft een red notice of diffusion geen verplichtend karakter. Het is aan elk individueel land om te bepalen of er uitvoering aan wordt gegeven.
In geval van twijfel over de naleving van de voorwaarden voor gegevensverwerking, verplichten de Interpol regels het Secretariaat Generaal alle passende maatregelen te nemen om directe of indirecte schade te voorkomen die de gegevens kunnen veroorzaken voor de organisatie of de personen die de gegevens betreffen. Op basis van deze bepaling kan het Secretariaat-Generaal onmiddellijk stappen ondernemen wanneer een mogelijke schending van de is vastgesteld of waarschijnlijk zal plaatsvinden. Bij vermoeden van een flagrante schending bieden deze bepalingen zelfs de grondslag om de mogelijkheid voor een land om gegevens aan 1 of meerdere Interpol-systemen toe te voegen, voorlopig te ontnemen, hetgeen in uitzonderlijk geval ook is toegepast.
Bent u van mening dat door de verhouding tussen private en publieke gelden bij Interpol de neutraliteit, dan wel de mate van onafhankelijkheid van bepaalde belangen nog steeds ter discussie staat? Heeft Nederland dit na 2015, sinds de nieuwe Secretaris-Generaal, de heer Stock is aangetreden, aan de orde gesteld? Heeft Nederland dit na 2015 aan de orde gesteld, zo ja, op welke wijze?
Interpol wordt gefinancierd door jaarlijkse contributies van leden van Interpol. Aanvullende publieke donaties lopen vaak via de Interpol Foundation for a Safer World. Aanvullende private donaties worden beheerd en gerapporteerd door het Interpol Fund for International Police Cooperation. Voor beide fondsen geldt dat het geld alleen kan worden aangewend voor projecten die Interpol van tevoren heeft gedefinieerd. Met de donaties kan dus geen invloed worden uitgeoefend op de besteding ervan. Bovendien kunnen deze fondsen niet worden aangewend voor de financiering van de kerntaken van Interpol. De fondsen kunnen dus alleen worden aangewend voor op zich zelf staande projecten. Het toezichthoudende Executief Committee heeft een belangrijke rol in het due dilligence proces voor donaties, en hanteert daarbij sinds 2015 transparante richtlijnen criteria ter bescherming van de reputatie, neutraliteit, onpartijdigheid en integriteit van de Interpol. Het bewaakt onder meer dat bijdragen geen organisatorisch of individueel belangenconflict met zich mee brengen.
Ik zie nu geen reden om de Secretaris-Generaal van Interpol nader aan te spreken op de neutraliteit en onafhankelijkheid in relatie tot de financiering van Interpol.
Bent c.q. deelt u de mening dat Interpol te veel afhankelijk is van giften van derden? Bent u van mening dat Interpol kwetsbaar wordt voor manipulatie vanwege extra bijdragen van landen als Saoedi Arabië? Waarom wel of niet?
Donaties aan Interpol door derden kunnen enkel worden ingezet voor de financiering van door Interpol van tevoren geïdentificeerde organisatiebehoefte in de vorm van vastgestelde projectvoorstellen. Donaties en donerende private partijen ondergaan een zorgvuldige due dilligence toets. De uitvoering van essentiële activiteiten van Interpol is bovendien niet afhankelijk van donaties van derden. Ik ben daarom van mening dat Interpol niet kwetsbaar wordt voor manipulatie middels dergelijke extra bijdragen. Er zijn diverse landen die een aanvullende donatie doen aan Interpol. En dat is goed want zonder die middelen zou de organisatie niet voldoende kunnen door-ontwikkelen en innoveren om ook in de toekomst effectief en relevant te blijven voor de internationale opsporingsgemeenschap. Ook voor deze aanvullende donaties geldt echter dat zij enkel kunnen worden aangewend voor van tevoren door Interpol bepaalde projecten en niet voor de kerntaken van Interpol.
Wat zijn de concrete resultaten van het actief inzetten op de afbouw van dergelijke private financieringspraktijken?
Het toepassen van de due diligence procedure5 heeft er in 2015 al toe geleid dat lopende contracten met bepaalde bedrijven niet zijn verlengd. Daarnaast worden sinds november 2015 in geen enkel geval donaties geaccepteerd van de tabaks-, wapen-, alcohol-, seks- en gokindustrie.
Deelt u de mening van de in het artikel aan het woord zijnde Jago Russel, CEO van Fair Trials, dat de dreigende verzoeken vanuit Interpol, autoritaire bewinden kan helpen bij het creëren van een angstklimaat met als gevolg dat dissidenten zich niet meer veilig voelen, terwijl het doel van Interpol juist is veiligheid te waarborgen?
Ik keur misbruik van red notices en diffusions door landen af. Signaleringen van Interpol hebben als doel om veiligheid te vergroten en criminaliteit te bestrijden.
Bent u van mening dat Interpol op dit moment de juiste voorzorgsmaatregelen in acht neemt teneinde misbruik te voorkomen? Ziet u hiervoor nog ruimte voor verbetering? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen op Europees niveau?
Ik heb vertrouwen dat de landen en het Secretariaat Generaal zich inzetten voor de naleving van de vastgestelde regels en afspraken opdat de Interpol informatiesystemen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn en dus niet voor politieke, militaire, religieuze of racistische doeleinden. Toch kan niet altijd voorkomen worden dat individuele landen de regels en gemaakte afspraken niet, of niet volledig nakomen. Zoals gezegd, moeten zowel het CCF, IPSG als de deelnemende Interpollanden daar alert en kritisch op blijven en zo nodig de corrigerende maatregelen nemen die daartoe ter beschikking staan. Nederland zal actief, samen met gelijkgestemde landen, bijdragen aan het in stand houden van deze cruciale «checks and balances».
Hoe verhoudt de zin in uw brief5 «Sinds november 2015 accepteert Interpol in geen enkel geval donaties van de tabaks-, wapen-, alcohol, seks- en gokindustrie» zich met het gegeven dat in de Interpol overzichten na 2015 van private donateurs er nog wel donaties zijn opgenomen van bijvoorbeeld de wapenindustrie? Waarom staat bij noot 2 in diezelfde overzichten dat nog niet alle namen van donateurs zijn opgenomen?6 Hoe kunt u dit verklaren? Deelt u de mening dat alle namen van alle donateurs openbaar moeten zijn?
Ik heb Interpol op deze punten bevraagd. In het overzicht waar u op doelt is een bedrijf, Ultra Electronic Forensic Technology, opgenomen. Dit bedrijf is gespecialiseerd in forensisch ballistisch vuurwapenonderzoek en vuurwapenidentificatie en speelt een belangrijke rol bij het Interpol Ballistic Information Network (IBIN). Op dit bedrijf is de due diligence procedure toegepast met een positief resultaat voor continuering voor de samenwerking.
Dat nog niet alle namen van donateurs zijn opgenomen, hangt samen met het feit dat deze reeds voor 2016 bestaande donateurs nog toestemming moeten geven voor het publiceren van hun naam. Geen van deze donateurs valt binnen de categorie tabaks-, wapen-, alcohol, seks- en gokindustrie Sinds 2016 wordt systematisch in alle overeenkomsten met particuliere entiteiten een clausule opgenomen die voorziet in openbaarmaking van de naam van de donateur, de grote van de donatie en het gesteunde initiatief. Net als Interpol ben ik van mening dat uiteindelijk alle namen van private donateurs openbaar gemaakt moeten worden.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot diezelfde brief waarin u aangeeft dat de balans tussen private en publieke gelden momenteel op een gezond niveau is? Bent u van mening dat deze stelling in strijd is met de observaties uit het eerst genoemde artikel?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Vindt u dat samenwerkingsverbanden tussen private en publieke partijen en financiering door derden, waaronder private partijen of bedrijven, moeten worden opgeschort als bepaalde landen zich niet blijken te houden aan internationale mensenrechtenverdragen?7
Ik onderschrijf het belang van publiek-private samenwerking door Interpol, maar uiteraard alleen zolang deze in aard en opzet verenigbaar is met de principes, doelstellingen, regels en activiteiten van Interpol en mits de juiste voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. De eerder genoemde due dilligence procedure ziet hierop.
De mogelijkheid tot publieke-private samenwerking is met strenge waarborgen omkleed en ik verwacht dat als niet aan deze waarborgen wordt voldaan, Interpol de maatregelen treft die binnen haar mogelijkheden liggen.
Is het volgens u wenselijk de governance van Interpol meer in te richten op de manier waarop de governance van Europol is georganiseerd, zoals bijvoorbeeld in de vorm van de Joint Parliamentary Scrutiny Group van Europol? Zo ja, worden hiertoe al stappen ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Interpol is een samenwerkingsorganisatie van uitvoerende politiekorpsen en opsporingsdiensten en geen supranationaal agentschap van een statenverband. Europol daarentegen is een vol agentschap van de Europese Unie geworden. Dat verklaart het verschil. Een Joint Parliamentry Scrutiny Group zie ik dan ook niet zo snel ontstaan. Evenwel zal ik er mij voor inspannen om uw Kamer meer proactief te informeren over belangwekkende ontwikkelingen binnen Interpol.
Welke verbeteringen ziet u verder voor het verbeteren van toezicht en transparantie bij Interpol? Hoe zet u zich hiervoor in op EU-niveau? Bent u bereid met collega’s daarin gelijk op te trekken en de Kamer hierover te informeren?
De Nederlandse politie neemt actief deel aan de bestuursorganen (Executive Committee en het Interpol European Committee) en de nieuwe werkgroep betreffende de besturing van Interpol de en de werkgroep voor gegevensverwerking welke door de General Assembly weer bijeen is geroepen ten behoeve van een brede review en modernisering van de Interpol regels voor de verwerking van gegevens. Afgelopen november is de huidige politiechef van de Landelijke Eenheid door de General Assembly als lid gekozen van het genoemde Executive Committee, op basis van een verkiezingsprogramma dat zich mede richtte op strikte naleving en doorontwikkeling van het versterkte raamwerk van besturingsmodel, checks and balances en regelgeving van de Organisatie.