Het bericht ‘Te weinig tijd, te veel moeite, te veel geld: IND stuurde criminelen niet weg’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Te weinig tijd, te veel moeite, te veel geld: IND stuurde criminelen niet weg»?1
Ja.
Klopt het dat er verslagen zijn van bijeenkomsten waarin medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aangeven dat vanwege werkdruk en druk vanuit het management bewust wordt overgegaan tot het opvoeren van niet-intrekkingen van de verblijfsvergunning en het afsluiten van dossiers van criminele asielzoekers? Zo ja, waren deze verslagen bekend bij uw departement en bij de commissie de Leeuw, op welk moment, en wat is hiermee gebeurd?
De twee verslagen uit mei 2017 en februari 2018 waaruit de NRC heeft geciteerd, zijn verslagen van interne werkbesprekingen van medewerkers van het team herbeoordelingen asiel van de IND Zwolle met het management. Daarin is in onderling vertrouwen gesproken over ontwikkelingen die betrekking hadden op het team. Ik vind het van belang dat bij een overheidsorganisatie als de IND een open gesprek kan plaatsvinden tussen medewerkers en management in een vertrouwelijke omgeving.
Jaarlijks krijgt het team herbeoordelingen asiel een groot aantal signalen met informatie (hetzij individuele meldingen via de mail, per brief of telefonisch, hetzij automatische gegenereerde berichten door wijziging van bijvoorbeeld de BRP-inschrijving) die aanleiding kunnen zijn tot het doen van onderzoek naar de vraag of de asielvergunning kan worden ingetrokken. Het team onderzoekt of de informatie of het signaal voldoende concreet en zwaarwegend is en beoordeelt vervolgens of in het licht van alle relevante aspecten van de zaak tot intrekking kan worden overgegaan. Daarbij maakt dit team afwegingen, die vaak, mede als gevolg van (Europese) jurisprudentie, complex zijn.
Door de commissie De Leeuw wordt onderschreven dat de vele rechtsregels inclusief jurisprudentie waaraan de IND gehouden is bij mogelijke intrekkingen op basis van openbare orde het complex kunnen maken om daadwerkelijk in te trekken.
Uit de twee verslagen is mij niet gebleken dat vanwege werkdruk en druk vanuit het management bewust is overgegaan tot het opvoeren van niet-intrekkingen van de verblijfsvergunning en het afsluiten van dossiers van criminele asielzoekers. Wel is het bij een organisatie als de IND, die te maken heeft met wisselende werkvoorraden, gebruikelijk om – zeker in tijden van hoge werkdruk – te prioriteren. De IND heeft dat gedaan door zaken die betrekking hebben op openbare ordeaspecten die kunnen leiden tot een intrekking, met voorrang te behandelen.
De commissie De Leeuw heeft desbetreffende verslagen niet opgenomen in de lijst met geraadpleegde documentatie. Ik meen evenwel niet dat er op relevante onderdelen een discrepantie bestaat tussen het beeld dat naar voren komt uit deze verslagen en de conclusies van de commissie.
Hoe verklaart u de discrepantie tussen de conclusies van de commissie de Leeuw dat werkdruk niet doorslaggevend is voor het overgaan tot niet-intrekkingen en het beeld dat in het NRC-artikel wordt opgeroepen?
De commissie De Leeuw heeft een analyse gemaakt van documentatie en gegevens uit het informatiesysteem van de IND. Op basis hiervan heeft de commissie verdiepende interviews gehouden met IND-medewerkers en -managers, waaronder die van het team herbeoordelingen asiel in Zwolle. De conclusie van de commissie is gebaseerd op een brede basis van bronnen. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2, is er naar mijn mening geen sprake van een discrepantie met genoemde verslagen.
Deelt u de mening dat de IND de onlangs aangescherpte juridische mogelijkheden om een verblijfsvergunning te kunnen intrekken maximaal moet benutten om te zorgen dat criminelen die onze gastvrijheid misbruiken het land kunnen worden uitgezet?
Waar de IND op grond van de wet en jurisprudentie tot het oordeel komt dat een asielvergunning kan worden ingetrokken, wordt daadwerkelijk ingetrokken.
Klopt het dat door IND-medewerkers dan wel management, vanwege de benodigde tijdsinspanning, in bepaalde gevallen bewust wordt gekozen om niet de procedure voor intrekking van een vergunning te starten, dan wel te doorlopen, maar over te gaan tot niet-intrekking? Zo ja, in hoeveel gevallen van de 55.925 berichten die in de periode januari 2017 tot en met februari 2019 bij de IND binnenkwamen heeft dit een rol gespeeld? Zo nee, waarom niet?
Nee. Jaarlijks krijgt het team herbeoordelingen asiel vele signalen die aanleiding kunnen zijn tot het doen van onderzoek naar de vraag of een asielvergunning kan worden ingetrokken. Zoals aangegeven, worden in tijden van hoge werkdruk signalen die betrekking hebben op openbare orde aspecten die kunnen leiden tot een intrekking, met voorrang opgepakt. Dit betekent dat minder urgente signalen of kansarme intrekkingszaken dan minder prioriteit krijgen. Door medewerkers en management is niet gestuurd op het niet intrekken van asielvergunningen van criminele asielzoekers. De blijkt evenmin uit de eerdergenoemde verslagen.
Wat is de beleidsvrijheid van een medewerker bij de IND om bij een crimineel antecedent tot een niet-intrekking over te gaan zonder de volledige procedure te doorlopen, terwijl er wel een indicatie is dat intrekking mogelijk zou kunnen zijn? Wilt u overwegen deze beleidsvrijheid in te perken, door het principe in te voeren dat bij een indicatie dat intrekking vanwege criminele activiteiten mogelijk zou kunnen zijn, altijd moet worden gepoogd dat ook te doen?
De medewerker van de IND maakt bij het bepalen of een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken een aantal afwegingen die, mede als gevolg van jurisprudentie, complex zijn.
Zo moet, naast de bepaling of sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf, worden getoetst of de vreemdeling door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Vaak moet daarnaast ook worden getoetst aan artikel 8 EVRM en moeten medische omstandigheden en andere individuele aspecten worden meegewogen. Wanneer deze veelal juridische wegingen hebben plaatsgevonden en uitwijzen dat intrekking van het verblijfsrecht aan de orde is, vindt dit ook plaats. De medewerker heeft in dat geval niet de vrijheid om te besluiten niet in te trekken. Ik zie dan ook geen aanleiding voor inperking.
Kunt u inventariseren in hoeveel van de gevallen zonder juridische procedure is overgegaan tot een niet-intrekking en bent u bereid deze zaken te laten herbeoordelen, zodat bij criminelen met een verblijfsvergunning mogelijk alsnog tot intrekking kan worden overgegaan?
In alle zaken waarin is geoordeeld dat er onvoldoende grond was om de asielvergunning in te trekken, heeft een juridische afweging plaatsgevonden. Er is dan ook geen grond voor de gevraagde herbeoordeling.
Bent u bereid de recent aangekondigde extra middelen voor de IND, niet alleen te benutten voor het terugbrengen van de termijnen voor de algemene asielaanvragen, maar juist ook in te zetten voor voldoende capaciteit voor het beoordelen van zaken waarin tot intrekking dan wel uitzetting zou kunnen worden overgegaan? Zo ja, hoeveel extra trekt u hiervoor uit? Zo nee, waarom niet?
De extra middelen stellen de IND in staat om extra te investeren in processen en capaciteit, onder meer voor het beoordelen van intrekkingszaken. Momenteel wordt bezien hoeveel extra capaciteit er bij team herbeoordelingen asiel nodig is.
Het bericht 'Politieacademie past fitheidstest aan na klachten' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politieacademie past fitheidstest aan na klachten»?1
Ja.
Bent u bereid om het onderzoek van de Vrije Universiteit aan de Kamer te doen toekomen?
Ja, het volledige onderzoekrapport wordt na de zomer van 2019 verwacht en u ter beschikking gesteld zodra gereed. In 2018 heeft de Politieacademie (PA) de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam gevraagd om een breed onderzoek naar de Professioneel Fit Test uit te voeren. De VU heeft onlangs een deelrapportage aan de PA uitgebracht. Uit de voorlopige onderzoeksresultaten blijkt dat de meeste onderdelen geschikt zijn voor het objectief meten van de diverse aspecten van fitheid. De VU-onderzoekers geven ten aanzien van de verschillende onderdelen een aantal aanbevelingen om de test gelijkwaardiger en objectiever te maken. Hierop is de Professioneel Fit test aangepast, vooruitlopend op het volledige onderzoeksrapport. Het aanpassen van de test heeft niets te maken met de grote vervangingsvraag. De aanpassingen worden niet doorgevoerd om de test lichter of makkelijker te maken, maar om bij te dragen aan een zo gelijkwaardig en objectief mogelijke beoordeling.
Kunt u een schematisch overzicht geven welke aanpassingen in de Professioneel Fit test zijn doorgevoerd?
De Professioneel Fit test wordt aangepast op de volgende drie onderdelen:
Ik hecht eraan om erop te wijzen dat de aanpassingen van de Professioneel Fit test niet zijn bedoeld om de test lichter of makkelijker te maken, maar om bij te dragen aan een zo gelijkwaardig en objectief mogelijke beoordeling.
Kunt u aangeven hoeveel aspiranten in het afgelopen jaar zijn afgewezen op basis van de Professioneel Fit test? Hoeveel van deze aspiranten zouden bij de hernieuwde test wel zijn geslaagd voor de Professioneel Fit test? Bent u van plan deze aspiranten alsnog uit te nodigen mee te doen aan de hernieuwde Professioneel Fit Test? Zo nee, waarom niet?
Uit een handmatige zoekslag in de dossiers blijkt dat in 2018 van negen aspiranten die een opleiding op mbo-niveau volgden en zich tot de Commissie van Beroep voor de Examens en/of een studieadviseur hadden gewend in verband met de Professioneel Fit test, de opleiding als gevolg van het niet behalen van de Pro Fit test verplicht of op verzoek van de aspirant is beëindigd. Het antwoord op de vraag hoeveel van deze aspiranten bij de hernieuwde test wel zouden slagen is moeilijk te geven. Er zijn maatregelen getroffen om de beoordeling zo gelijkwaardig en objectief mogelijk te maken.
De aspiranten die eerder zijn afgewezen op basis van de Professioneel Fit test worden niet opnieuw uitgenodigd mee te doen aan de hernieuwde Professioneel Fit test. Dit is vergelijkbaar met andere toetsen of examens tijdens de opleiding, waar studenten ook niet worden opgeroepen om de aangepaste toets of examen opnieuw af te leggen, als het onderwijs en/of een examen of toets nadien wordt bijgesteld. Hierbij is het belangrijk op te merken dat de opleiding van aspiranten die de test (in eerste instantie) niet halen niet onmiddellijk wordt beëindigd. Aspiranten kunnen de Professioneel Fit test meerdere keren afleggen. De test is onderdeel van een portfolio-opdracht en moet voor tertiel 6 worden behaald. Hierbij is het mogelijk om uitstel aan te vragen van 2 tertielen, bijvoorbeeld in het geval van een blessure. Aspiranten waarvan de opleiding en het dienstverband bij de politie voortijdig is beëindigd kunnen gedurende twee jaar niet opnieuw worden ingeschreven. Na deze termijn kan een potentiële aspirant opnieuw selectie doen voor de opleiding.
Heeft het aanpassen van de Professioneel Fit test te maken met de grote vervangingsvraag waar de politie momenteel mee kampt? Is het zo dat lage(re) eisen gesteld worden aan de fitheid van nieuwe politiemedewerkers, om zo aan de vervangingsvraag te kunnen voldoen? Zo nee, waarom is de Professioneel Fit test dan aangepast?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Nieuwbouw bij De Boerderij in Reek van de baan, GGZ verplaatst autismezorg naar Huize Padua 'Dit is een ramp voor de bewoners’ |
|
Maarten Hijink (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nieuwbouw bij De Boerderij in Reek van de baan, GGZ verplaatst autismezorg naar Huize Padua «Dit is een ramp voor de bewoners»»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik heb het bericht gelezen. Het raakt natuurlijk ook mij dat de bewoners van de boerderij moeten verhuizen, zeker als dit een groep van kwetsbare mensen betreft.
Begrijpt u dat deze plannen van GGZ Oost-Brabant voor grote ongerustheid zorgen bij de bewoners en andere betrokkenen?
Ik begrijp heel goed dat dit onrust geeft. De bewoners wonen al enige tijd in een vertrouwde omgeving en een verhuizing heeft impact op het leven van deze bewoners.
Realiseert u zich dat sommige van de bewoners van De Boerderij daar al 40 jaar wonen en dat zij daar geïntegreerd zijn? Welke gevolgen zal een dergelijke verhuizing voor hen hebben volgens u? Vindt u die gevolgen acceptabel?
Ik realiseer me dat dit grote invloed heeft op het leven van deze bewoners. Er is contact opgenomen met de zorginstelling. De zorginstelling geeft aan dat de keuze die zij maakt, een weloverwogen beslissing is, waarbij ook nagedacht is over de eventuele gevolgen voor de bewoners. De zorginstelling geeft aan dat de verhuizing niet op korte termijn plaatsvindt, maar ergens in de komende jaren. In de tussenliggende periode gaat de zorginstelling samen met bewoners en hun omgeving in gesprek over welk passend alternatief zorgaanbod wenselijk en mogelijk is.
Deelt u de mening dat De Boerderij juist een goed voorbeeld van participatie van mensen met autisme is? Zo ja, hoe wilt u deze zorg behouden? Zo nee, waarom niet?
Ik stimuleer initiatieven zoals De Boerderij en ben van mening dat iedereen recht heeft op passende zorg. Bij een besluit als dit zal de zorginstelling goed moeten afwegen of een verhuizing inderdaad noodzakelijk is. Als daartoe wordt besloten is de zorginstelling ervoor verantwoordelijk een goed alternatief te bieden, waar mensen hun leven zo goed mogelijk kunnen leiden.
Vindt u het acceptabel dat de bewoners van De Boerderij moeten verhuizen naar Huize Padua, met alle gevolgen van dien, puur en alleen vanwege vastgoedoverwegingen?
De zorginstelling is ervoor verantwoordelijk dat haar gebouwen en woningen voldoen aan de huidige eisen voor wat betreft de kwaliteit en veiligheid van zorg. Eén van de redenen op grond waarvan de zorginstelling uiteindelijk heeft besloten uit te wijken naar een andere woonomgeving is de verouderde staat van de Boerderij. De zorginstelling heeft mij gemeld dat daarbij ook de mogelijkheid van nieuwbouw bij de Boerderij is gewogen. Indien een zorginstelling besluit dat boven genoemde verantwoordelijkheid met zich meebrengt dat een andere woonomgeving gezocht moet worden, kan ik daarin niet interveniëren. Ik vind het belangrijk dat in een dergelijk geval er alles aan gedaan wordt bewoners op een zorgvuldige manier een passend alternatief te bieden. In dat kader heeft de zorginstelling gemeld dat ze samen met bewoners en hun omgeving in gesprek gaat over welk passend alternatief zorgaanbod er wenselijk en mogelijk is.
Op welke wijze zijn de bewoners, hun familie, de medewerkers van De Boerderij in Reek en de gemeente betrokken bij het besluit van GGZ Oost-Brabant?
Ik begrijp dat de zorginstelling zich inspant om samen met cliënten, hun familie en naasten te komen tot een toekomstgericht, passend zorgaanbod. Daar waar het alternatief voor de cliënt niet passend is, wordt gekeken naar andere mogelijkheden. De zorginstelling heeft laten weten dat zij de cliënten hierin zal ondersteunen en faciliteren.
Waarom is de GGZ Oost-Brabant niet ingegaan op de door de gemeente voorgestelde alternatieve locaties?
De zorginstelling heeft gemeld dat zij alle alternatieve locaties bekeken heeft. Nieuwbouw op het terrein van de Boerderij in Reek is hierbij ook gewogen. Dit blijkt geen reëel alternatief, onder andere vanwege al ingediende bezwaarprocedures daartegen. De door de gemeente voorgestelde alternatieven zijn volgens de zorginstelling niet passend voor deze bewoners.
Is er momenteel zicht op een doorstart van De Boerderij? Zo nee, bent u bereid u in te zetten voor een doorstart van De Boerderij?
De zorginstelling meldt dat verhuizen op korte termijn nog niet aan de orde is. Uiteindelijk zal verhuizing gaan plaats vinden. Vanuit dat perspectief is er geen zicht op zoals u dat noemt «een doorstart». Tijdens de periode dat de bewoners in de Boerderij verblijven, zal de huidige zorg ongewijzigd blijven bestaan en worden voortgezet. Zoals gemeld bij het antwoord op vraag 5 kan ik in een dergelijk besluit niet interveniëren.
Het bericht ‘Shell wil fundamenten olieplatforms in Noordzee na gebruik laten staan’ |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Shell wil fundamenten olieplatforms in Noordzee na gebruik laten staan»?1
Ja.
Wist u dat in het OSPAR-verdrag (Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic) is opgenomen dat platforms die niet meer gebruikt worden, inclusief leidingen, moeten worden verwijderd?
Ja. Daarbij bevat het OSPAR Besluit 98/3 de mogelijkheid om een ontheffing aan te vragen voor het deels laten staan van niet meer in gebruik zijnde offshore olie/gas installaties. Ontheffingen kunnen worden toegekend wanneer na een uitgebreide assessmentmethode is aangetoond dat het milieutechnisch en veiligheidstechnisch beter is om de installaties te laten staan dan om deze te ontmantelen en op land verder te verwerken.
Kunt u bevestigen dat er elfduizend ton chemicaliën en olie achterblijft in onderzeese tanks indien de Britse regering besluit Shell een vrijstelling te verlenen om de fundamenten van haar olieplatforms te laten staan? Kunt u uitsluiten dat deze chemicaliën en olie op den duur in het milieu terechtkomen?
Wanneer de ontheffing voor het achterlaten van de fundamenten door het VK wordt verleend, dan blijft in de betonnen opslagcellen in totaal elfduizend ton verontreinigd materiaal achter. Op de zeer lange termijn zal de inhoud dan langzaam in het omliggende watermilieu terechtkomen. Uit door Shell geleverde informatie blijkt dat bodemdieren in een straal van maximaal 3,5 km vanaf de bron hiervan negatieve effecten ondervinden.
Wist u dat de Duitse regering ernstige bezwaren heeft bij het plan van Shell en bovendien een formeel bezwaar heeft ingediend bij OSPAR tegen het voorgenomen besluit van de Britse regering? Wat is uw reactie op deze bezwaren?2
In de procedure rondom de vergunningverlening door het VK voor het opruimen van de drie platforms en uitzonderingen daarop, is bezwaar aangetekend door Duitsland en Greenpeace. Het VK heeft met Duitsland over haar reactie gecorrespondeerd, deze correspondentie is in ons bezit. Duitsland heeft al aan Nederland laten weten dat de bezwaren niet zijn weggenomen, en een verzoek aan het OSPAR-secretariaat zal richten om een consultatieoverleg te organiseren met alle verdragspartijen, de observerende partijen en de initiatiefnemer (Shell). Nederland heeft Duitsland en VK gemeld het beleggen van dit overleg te steunen en daaraan te zullen deelnemen.
Het algemene vertrekpunt voor het Nederlandse standpunt is dat alle mijnbouwplatforms na gebruik volledig worden opgeruimd. Nederland kan instemmen met uitzonderingen op deze regel wanneer opruimen technisch niet mogelijk is, milieuhygiënisch niet aanvaardbaar is of wanneer de arbeidsomstandigheden te hoge veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ik heb opdracht gegeven om een onafhankelijk bureau alle rapportages en correspondentie te laten bestuderen en mij en de Minister van EZK te adviseren over het definitief in te nemen Nederlandse standpunt. Ik zal uw Kamer dit conceptstandpunt voorleggen alvorens het definitieve standpunt richting het VK in te nemen. Nederland heeft aan het VK laten weten een voorbehoud te maken voor het inbrengen van het Nederlandse standpunt in het te beleggen OSPAR-overleg, hangende de behandeling daarvan in uw Kamer.
Wist u dat de Duitse regering waarschuwt dat Shell niet goed heeft onderzocht wat de langetermijnrisico’s voor de natuur en het vaarverkeer zullen zijn? Wat is hierop uw reactie?
Zie antwoord op vraag 4.
Wist u dat de Duitse regering bezwaren heeft tegen de methodologie die gebruikt wordt door Shell en hen ervan beschuldigt bewust deze omstreden methodologie te gebruiken, omdat vooraf bekend is dat deze in de richting stuurt van de goedkopere optie, waarbij de platforms blijven staan? Wat is hierop uw reactie?
Zie antwoord op vraag 4. Hierbij wil ik aantekenen dat het OSPAR Besluit 98/3 in 2018 kritisch is gereviewd, waarbij zowel de ontheffingsuitgangspunten en de assessmentmethode overeind zijn gebleven. Shell heeft deze assessmentmethode toegepast.
Wist u dat de Duitse regering bezwaar heeft tegen het feit dat er door Shell geen plan is ingeleverd voor het slopen van het fundament, terwijl daar wel technische mogelijkheden voor zijn? Wat is hierop uw reactie?
OSPAR Besluit 98/3 biedt de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de vergunningverlenende instantie van de betreffende verdragspartij om delen van de installatie te laten staan. Dit is bijvoorbeeld het geval voor omvangrijke betonnen installaties waaruit de Brent installaties bestaan. Er zijn op dit moment geen technische mogelijkheden om dit soort installaties te verwijderen.
Vindt u, gezien de bezwaren die geuit zijn door de Duitse regering, dat Shell aan de voorwaarden voor een vrijstelling op de verplichting om het boorplatform geheel te verwijderen, heeft voldaan? Kunt u dat toelichten?
De discussie spitst zich toe of het mogelijk is het verontreinigde materiaal uit de opslagcellen te verwijderen. Hierover heb ik nog geen standpunt ingenomen: zie antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat er drie OSPAR-leden nodig zijn om een formeel bezwaar tegen het voorgenomen besluit van de Britse regering te kunnen indienen?
Ja.
Kunt u bevestigen dat Nederland, net als Duitsland, een formeel bezwaar zal indienen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft nog geen standpunt ingenomen: zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het plan van Shell en de Britse regering het doel van het OSPAR-verdrag om het mariene milieu in de Noordzee te beschermen, zal ondermijnen? Bent u bereid uw Britse ambtsgenoot hierop aan te spreken?
Van ondermijning van het OSPAR-verdrag is geen sprake. Een en ander verloopt volgens de in het OSPAR besluit 98/3 vastgelegde procedures.
Kunt u verklaren hoe het kan dat Shell niet beter heeft onderzocht hoe de boel kan worden opgeruimd voor ze het platform plaatsten?
De betreffende installaties zijn in de jaren 1970 gebouwd. Toen bestond nog geen opruimplicht.
Deelt u de mening dat Shell de verantwoordelijkheid heeft de rotzooi die zij maakt zelf op te ruimen?
In principe moet de verontreiniging die door Shell is veroorzaakt, ook door Shell opgeruimd worden. Hierbij moet conform OSPAR Besluit 98/3 wel nadrukkelijk gekeken worden welke milieubelasting dit met zich meebrengt en of het technisch en op het gebied van arbeidsomstandigheden veilig te realiseren is.
Kunt u deze vragen een-voor-een beantwoorden, voorafgaand aan de ambtelijke bijeenkomst van OSPAR van volgende week?
In tegenstelling tot wat wordt gesuggereerd in de Volkskrant, vond het genoemde overleg niet vorige week plaats. Het VK heeft aangegeven dat dit overleg eind augustus–begin september zal plaatsvinden. Nederland heeft aan het VK laten weten een voorbehoud te maken voor het inbrengen van het Nederlandse standpunt in het te beleggen OSPAR-overleg, hangende de behandeling daarvan in uw Kamer: zie ook vraag 4.
Het bericht ‘Twitter blokkeert Wilders’ |
|
Jan Middendorp (VVD), Tobias van Gent (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twitter blokkeert Wilders»?1
Ja.
Heeft u naar aanleiding van het bericht dat het twitteraccount van een Kamerlid is geblokkeerd, onderzoek gedaan of contact gehad met Twitter over de vraag waarom dit is gebeurd?
Ja, er is contact geweest met Twitter.
Is het u bekend of het Kamerlid Wilders een specifieke regel heeft overtreden waardoor zijn account is geblokkeerd? Zo ja, kent u de specifieke regel die is overtreden? Zo ja hoe beoordeelt u deze regel? Zo nee, zou u dit kunnen uitzoeken?
Vooropgesteld staat dat ook bij uitingen via internet de vrijheid van meningsuiting uitgangspunt is. Zie hierna ook bij vraag 5. Om gebruik te kunnen maken van een internetplatform als Twitter dienen gebruikers de gebruiksregels van Twitter de accepteren. Zij gaan hiermee een contractuele relatie met Twitter aan waaraan bepaalde voorwaarden met betrekking tot de uitingsvrijheid zijn verbonden. Hiermee legt iemand zichzelf bepaalde beperkingen op. Als Minister ga ik niet over de gebruiksregels van sociale media als Twitter.
Twitter heeft mijn departement desgevraagd laten weten dat de heer Wilders de gebruiksvoorwaarden van Twitter, en meer specifiek Twitters hateful conduct policy, heeft overtreden en dat hem in het kader van de handhavingsacties van Twitter2 is gevraagd een bepaalde tweet te verwijderen.
Ik heb daarnaast begrepen dat Twitter inmiddels bericht heeft dat zij tweets van politici of hooggeplaatste ambtenaren die niet aan de gebruiksvoorwaarden van Twitter voldoen, niet meer zullen verwijderen maar zullen gaan afschermen.3
Weet u of er menselijke besluitvorming, automatische besluitvorming of een combinatie van die beide, aan de beslissing, om het lid Wilders te blokkeren op twitter, ten grondslag ligt? Zo ja, welke besluitvorming is dat?
Met Twitter is op Europees niveau afgesproken dat een besluit tot het blokkeren van een account nooit louter geschiedt op basis van geautomatiseerde detectie. Wel kan het zo zijn dat automatische detectie leidt tot een alertering die wordt beschouwd als een melding, waarna de uiting aan een beoordelaar wordt voorgelegd.
Bent u van mening dat het blokkeren van dit twitteraccount, zoals benoemd in het artikel, raakt aan de vrijheid van meningsuiting? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarom niet? Kunt u bij uw beantwoording de horizontale werking van grondrechten betrekken?
De vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde in onze democratie en iedereen moet in staat zijn om zijn mening te kunnen uiten binnen de kaders van de wet.
Bepaalde grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, spelen een steeds grotere rol in de relaties tussen burgers en bedrijven onderling. De rechter kan grondrechten horizontale werking toekennen, door bijvoorbeeld bij de uitleg van open privaatrechtelijke normen/belangen grondrechtelijke bescherming te betrekken. Die afweging wordt per geval door een rechter gemaakt.
Op Europees niveau ondersteunt het kabinet de initiatieven van de Europese Commissie om met de grote platformen tot verdere afspraken te komen om illegale content online tegen te gaan, zoals de mogelijkheid om bezwaar in te kunnen dienen tegen een besluit tot verwijdering van tweets of opschorting van een bepaald account.
Het staat een platform als Twitter vrij om eigen gebruiksregels in te stellen die bepaalde grenzen stellen aan de uitingsvrijheid. Wanneer iemand gebruik wil maken van een platform als Twitter dient hij vooraf akkoord te gaan met deze gebruiksregels. Hiermee legt iemand zichzelf bepaalde beperkingen op. Als Minister ga ik niet over de gebruiksregels van sociale media als Twitter. Binnen de Europese Unie leeft wel de wens dat die gebruiksregels in lijn zijn met Europese wet- en regelgeving. Daarover zijn met de grote platformen op Europees niveau afspraken gemaakt via een gedragscode. Deze gedragscode is onder andere door Twitter ondertekend en bevat een inspanningsverplichting om bepaalde uitingen, na meldingen van gebruikers, binnen 24 uur af te doen en eventueel te verwijderen. Twitter heeft zelf geoordeeld dat deze tweet in ging tegen haar gebruiksvoorwaarden inzake het aanzetten tot haat.
Kent u het aantal social media accounts dat wordt geblokkeerd in Nederland? Zo ja, kunt u dit toelichten en de informatie die u hierover heeft delen per medium?
Nee, die aantallen ken ik niet. Het kabinet bepleit al langere tijd meer transparantie bij de grote platformen over de toepassing van hun gebruiksvoorwaarden. Vooralsnog is de inzet om afspraken te maken op vrijwillige basis. Mocht dat niet tot resultaat leiden, dan zal bezien moeten worden of meer transparantie dient te worden afgedwongen via (Europese) wetgeving.
Hoe verhoudt het blokkeren van het twitteraccount zich tot het Europese actieplan «Disinformation»? Zijn er afspraken in dat plan die de basis zijn voor het blokkeren van de twitter toegang van onze collega?
Twitter heeft aangegeven dat de door het platform ondernomen actie voortvloeit uit de gedragsregels van Twitter ten aanzien van het aanzetten tot haat (hateful conduct policy). De gedragscode om online hate speech tegen te gaan, is een andere gedragscode dan de gedragscode voor het tegengaan van desinformatie, welke ook op Europees niveau door Twitter ondertekend is. In de gedragscode tegen desinformatie wordt aangegeven dat de ondertekenaars het beleid zouden moeten hebben om legale content niet te verwijderen, of de toegang ertoe te ontzeggen als dit alleen op de basis is dat het bericht wordt aangemerkt als «nep».
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg Desinformatie en Digitale Inmenging op 19 juni 2019?
Dat is helaas niet gelukt.
Onderwijs en leerlingenvervoer aan vluchtelingenkinderen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat voorschoolse educatie en onderwijs aan vluchtelingenkinderen niet alleen een recht is, maar ook essentieel voor hun ontwikkeling en bijdraagt aan integratie en participatie in de samenleving?
Ieder kind in Nederland heeft recht op onderwijs en goed onderwijs is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen. Onderwijs is van groot belang voor de integratie van kinderen die nieuw zijn in Nederland en hun functioneren in de samenleving.
Ook de ontwikkeling in de eerste jaren van een kind is essentieel en kwalitatief goede voorschoolse educatie draagt bij aan de vroege ontwikkeling van kinderen. Zoals ik al eerder heb toegezegd in een schriftelijk overleg over onderwijs aan nieuwkomers, ga ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) in gesprek over de toegang tot voorschoolse educatie van peuters in de asielopvang.1 Daarnaast zal ik een onderzoek doen naar het aanbod van voorschoolse educatie voor peuters in de asielopvang, naar aanleiding van de aangenomen motie van lid Westerveld.2
Wat is uw algemene beeld van het onderwijs aan vluchtelingenkinderen? Is bekend of het reguliere onderwijs en de internationale schakelklas (isk) voldoende is toegerust om deze kinderen een passend aanbod te bieden?
Er wordt door scholen heel hard gewerkt om alle kinderen die nieuw zijn in Nederland zo goed mogelijk onderwijs te bieden. Uit de Staat van het Onderwijs blijkt dat de onderwijskwaliteit van de basisscholen die nieuwkomersonderwijs geven voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. De kwaliteit van het nieuwkomersonderwijs is de laatste jaren stabiel voldoende.3
Het onderwijs aan nieuwkomers stelt scholen wel voor een uitdaging. Het is een vak apart om kinderen die nieuw zijn in het land Nederlands te leren. Ook vertoont de schoolloopbaan van nieuwkomers veel overgangen, vaak door verhuizingen horend bij de asielprocedure of de overstap naar een reguliere school. Daarom ondersteun ik scholen waar mogelijk bij deze uitdaging, bijvoorbeeld via de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers en door subsidie te verlenen aan LOWAN, de organisatie die scholen ondersteunt die het onderwijs aan nieuwkomers verzorgen in het primair en het voortgezet onderwijs. Zij organiseren onder meer goed bezochte studiedagen en regionale bijeenkomsten waar informatie en expertise gedeeld wordt. Daarnaast maken zij voor het voortgezet onderwijs handreikingen gericht op bijvoorbeeld doorstroom naar vervolgonderwijs en loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
Tevens ondersteun ik in het voortgezet onderwijs de ontwikkeling van leerlijnen met uitstroomprofielen om doorstroom in het reguliere onderwijs op het juiste niveau te bevorderen. Deze leerlijnen zijn ontwikkeld door LOWAN en het Kennisinstituut voor Taalontwikkeling van de Universiteit van Amsterdam.
Herkent u de signalen dat kinderen naar een lager niveau gaan dan zij qua IQ en met passende begeleiding (bijvoorbeeld extra taallessen) aan zouden kunnen? Zo ja, wat kunt u doen om dit verbeteren?
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) geeft in de laatste Staat van het Onderwijs (in tabel 2.9a op pagina 76) gegevens over de schooladviezen voor nieuwkomers in vergelijking met schooladviezen voor alle leerlingen.4 Nieuwkomers stromen in vergelijking met andere leerlingen bijna drie keer zo vaak uit naar de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo en bijna acht keer vaker naar het praktijkonderwijs, en relatief minder vaak naar met name havo en vwo. Ook zien we dat nieuwkomers die 4 jaar of langer in Nederland zijn, vaker naar hogere onderwijsniveaus uitstromen dan nieuwkomers die korter in Nederland verblijven.
We zien dat kinderen met een grote taalachterstand het Nederlandse onderwijs binnenkomen. Taalverwerving kost tijd, een taalachterstand brengt het risico met zich mee dat een kind minder makkelijk zijn of haar onderwijsloopbaan doorloopt. Het is bekend dat hoe ouder een kind is wanneer hij of zij nieuw in Nederland komt, hoe lastiger het is om het Nederlandse onderwijs te volgen. Wanneer een kind maar korte tijd in Nederland het primair onderwijs volgt, dan is de overstap naar het voortgezet onderwijs logischerwijs ook lastiger. Het Centraal Planbureau heeft ook op basis van een cohortonderzoek vastgesteld dat ieder jaar dat een nieuwkomer eerder Nederland binnenkomt, de kans om een diploma in het hoger onderwijs te halen stijgt.5
Om te zorgen dat scholen optimaal onderwijs kunnen bieden aan kinderen van nieuwkomers zijn er, naast de reguliere bekostiging, verschillende regelingen waarmee aanvullende bekostiging wordt verstrekt. Mijn beleid is erop gericht dat scholen deze middelen gebruiken om gespecialiseerd en regionaal georganiseerd onderwijs voor nieuwkomers aan te bieden. Ik ben blij met de grote inzet van scholen die dit onderwijs geven. Scholen en gemeenten kunnen hun eigen afwegingen maken hoe dit precies wordt vormgegeven. Er zijn bijvoorbeeld veel basisscholen die nieuwkomerskinderen voor één tot anderhalf jaar opvangen in schakelklassen die gericht zijn op de Nederlandse taal, zodat kinderen zo goed mogelijk worden voorbereid op het reguliere onderwijs. Andere scholen maken de afweging om nieuwkomerskinderen juist in reguliere klassen op te vangen, maar hen daarbij wel extra taalonderwijs aan te bieden.
Wat zijn de laatste cijfers inzake onderadvisering van vluchtelingenkinderen? Kunt u hierbij aangeven wat de doorstroom en uitstroomniveaus van leerlingen met een vluchtachtergrond zijn ten opzichte van andere leerlingen?
Zie voor de laatste cijfers over advisering het antwoord op vraag 3. In hoeverre er sprake is van onderadvisering, is op basis van deze cijfers niet precies te zeggen.
De inspectie heeft in de Staat van het Onderwijs aangegeven dat het de vraag is of het basisonderwijs er in de beschikbare tijd in slaagt om bij nieuwkomers een voldoende basis te leggen voor een passende uitstroom naar het vo. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met hetgeen ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven: taalverwerving kost tijd en hoe ouder het kind is wanneer het in het Nederlandse onderwijs start, hoe groter de uitdaging voor het kind en het onderwijs.
Wordt bijgehouden hoeveel kinderen uit de brede groep nieuwkomers tijdelijk of langere tijd niet naar school gaan, inclusief de redenen voor dit verzuim? Zo ja, kunt u ons een overzicht sturen?
Nee, dit wordt niet bijgehouden. Er zijn bij Ingrado (de vereniging van leerplichtambtenaren) alleen algemene cijfers bekend over de hoeveelheid leerlingen die niet naar school gaan, maar deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar achtergrond van de leerling en dus ook niet naar de verblijfsduur van de leerling in Nederland. Volgens Europese richtlijnen moeten kinderen na binnenkomst in Nederland ten minste binnen drie maanden naar school en dit lukt in Nederland in vrijwel alle gevallen. Uit een eerdere inventarisatie van het COA bleek dat 94% van de leerplichtige asielzoekerskinderen naar school ging6.
Herkent u signalen dat scholen soms aanmeldingen van nieuwkomers weigeren en kinderen daardoor soms niet in de eigen buurt naar school kunnen? Zo ja, mag dit volgens wet- en regelgeving? Zo nee, waar kunnen deze signalen worden gemeld en hoe wordt dit opgepakt?
De inspectie heeft bij mij aangegeven individuele signalen te kennen, maar hier geen concrete cijfers over te hebben. Voor de kinderen in de asielopvang maakt COA bestuurlijke afspraken met de gemeente over het onderwijs: gemeenten nemen hiermee de verantwoordelijkheid op zich voor het onderwijs van de kinderen in de asielopvang. In de praktijk zien we dat gemeenten in gesprek gaan met de schoolbesturen om samen te bepalen naar welke school de kinderen uit de asielopvang gaan. In het uitzonderlijke geval waarin mij een signaal bereikt dat kinderen uit de asielopvang toch niet naar school gaan, gaat het ministerie met de betrokken partijen in gesprek om te zorgen dat deze kinderen zo snel mogelijk wel naar school gaan. In het voortgezet onderwijs zien we in de praktijk dat internationale schakelklassen vaak een regionale functie hebben, zodat zij zich kunnen specialiseren in het onderwijs aan nieuwkomers. In het primair onderwijs specialiseren scholen zich ook, maar wordt de reisafstand voor de kinderen waar mogelijk kleiner gehouden in verband met hun jongere leeftijd.
De regelgeving voor toelating tot scholen maakt geen uitzonderingen voor nieuwkomers. De basisregel voor toelating in het primair en voortgezet onderwijs is te vinden in artikel 40 Wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 27 Wet op het voorgezet onderwijs: het uitgangspunt is dat het bevoegd gezag de voorwaarden voor toelating bepaalt. Scholen mogen toelatingsbeleid voeren op denominatieve gronden (volgt uit artikel 23 van de Grondwet), maar ook op basis van vrijheid van inrichting (pedagogische-organisatorische autonomie). Voor openbare scholen is die ruimte beperkter dan voor bijzondere scholen, omdat voor het openbaar onderwijs de garantiefunctie van algemene toegankelijkheid en algemene beschikbaarheid geldt. Scholen dienen hun toelatingsbeleid consequent toe te passen en mogen bij het voeren van dit beleid niet in strijd handelen met grondrechten, zoals het gelijkheidsbeginsel.
Wie is verantwoordelijk voor hulp aan de ouders (of begeleiders of verantwoordelijke NIDOS voogden), zodat kinderen naar school kunnen? Wat houdt deze verantwoordelijkheid in?
Ouders die nieuw zijn in Nederland zijn, net als alle andere ouders, verantwoordelijk voor het onderwijs aan hun kinderen. Wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling een voogd via het NIDOS heeft, dan biedt het NIDOS waar nodig ondersteuning aan de voogd zodat een kind naar school gaat. Wanneer een gezin op een COA-locatie verblijft, dan biedt het COA de ouders hulp zodat de kinderen naar school kunnen. Als een gezin niet in de opvang van COA verblijft, dan vervalt deze ondersteuning. In de praktijk biedt onder andere Vluchtelingenwerk Nederland maatschappelijke begeleiding aan vluchtelingen, wanneer zij naar een eigen woning in de gemeente verhuizen. Vluchtelingenwerk Nederland helpt met praktische zaken, onder meer met het zoeken van een school voor de kinderen. Daarnaast kunnen ouders die nieuw zijn in Nederland, net als andere ouders, met vragen over het onderwijs contact zoeken met het informatiepunt van Ouders & Onderwijs.
Wie kan erop worden aangesproken als op school geen passende plek is of leerlingenvervoer niet wordt geregeld?
Wanneer het gaat om een kind met extra ondersteuningsbehoefte, dan kan het schoolbestuur aangesproken worden wanneer er geen passende plek op een school is. Wat betreft leerlingenvervoer heeft mijn voorganger Sander Dekker gemeenten opgeroepen om coulant om te gaan met verzoeken tot leerlingenvervoer van deze doelgroep. Over de afspraken met gemeenten heeft hij uw Kamer geïnformeerd op 20 mei 2016.7
Wie kan worden aangesproken op schoolverzuim voor kinderen van wie de ouders niet in beeld zijn en wie heeft daarbij een rol om dit schoolverzuim aan te pakken?
Net als bij iedere andere leerling is hier een taak weggelegd voor de leerplichtambtenaar. Wanneer het een kind betreft van wie de ouders niet in beeld zijn, dan is de voogd of het NIDOS aanspreekpunt in het geval van schoolverzuim.
Klopt het dat het recht op leerlingenvervoer via het COA vervalt wanneer een gezin een woning krijgt toegewezen en dat de aanvraag voor leerlingenvervoer dan weer helemaal opnieuw moet worden gedaan?
Ja, dat klopt. Wanneer een gezin een woning krijgt toegewezen, dan is het COA niet langer verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van het gezin en derhalve ook niet voor het vervoer van het kind van en naar school. Meestal betekent de toewijzing van een woning dat een gezin verhuist naar een andere gemeente, dan moet er als het vervoer nog steeds noodzakelijk is door de ouders een nieuwe aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar het kind woont. In mijn antwoord op vraag 12 ga ik nader in op het leerlingenvervoer.
Klopt het dat door het ontbreken van leerlingenvervoer kinderen soms wekenlang niet naar school kunnen? Zo ja, wat kunt u hier aan doen?
Deze signalen zijn bij mij en bij de inspectie niet bekend.
Bent u bereid om met gemeenten afspraken te maken zodat ouders en kinderen (en waar van toepassing voogden) beter worden ondersteund in het aanvragen van leerlingenvervoer?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 8, heeft mijn voorganger Sander Dekker gemeenten opgeroepen coulant om te gaan met verzoeken tot leerlingenvervoer van deze doelgroep. Het COA maakt over iedere opvanglocatie bestuurlijke afspraken met de gemeente, waar onderwijs een onderdeel van is. Hierbij maken de gemeente en COA ook afspraken over het faciliteren van onderwijs (en daarmee ook het leerlingenvervoer), conform de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Wanneer een kind niet langer bij COA verblijft, dan geldt dezelfde regelgeving als voor alle andere leerlingen en is de gemeente verantwoordelijk voor het eventuele leerlingenvervoer. Taalklassen, schakelklassen of Internationale Schakelklassen (ISK’s) kunnen beschouwd worden als de «dichtstbijzijnde toegankelijke school»: voor leerlingen die naar deze voorzieningen moeten voor een passend aanbod, geldt de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar zij verblijven. Omdat er bij mij geen signalen bekend zijn dat kinderen soms langere tijd niet naar school gaan door het ontbreken van leerlingenvervoer, zie ik geen aanleiding om hier nadere afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat fietsen naar school soms een probleem is omdat jonge kinderen die uit landen komen met een andere fietscultuur, vaak niet kunnen fietsen? Zo ja, wat kunt u doen om gemeenten te ondersteunen in het bieden van hulp aan deze ouders (en zo nodig voogden)?
Het COA biedt asielzoekers een programma over verkeersveiligheid, met de mogelijkheid tot fietslessen om hen kennis te laten maken met onze fietscultuur. In het voortgezet onderwijs biedt LOWAN ondersteuning, samen met de VO-raad.
Het bericht ‘Nigerian fishers hit by criminals, imports and climate change’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nigerian fishers hit by criminals, imports and climate change»?1
Ja.
Heeft Nederland een visserijakkoord met Nigeria? Zo ja, wat zijn hiervan de gevolgen voor Nigeria? Zo nee, is het juist dat Nederlandse vissers in de wateren van Nigeria vissen?
Nederland heeft geen akkoord met Nigeria. Het sluiten van visserijakkoorden valt over het algemeen binnen de exclusieve bevoegdheden van de Europese Unie. Er zijn geen Nederlandse visserijschepen actief in Nigeriaanse wateren.
Heeft de Europese Unie (EU) een visserijakkoord met Nigeria? Zo ja, wat zijn hiervan de gevolgen voor Nigeria? Zo nee, is het waar dat Europese vissers in de wateren van Nigeria vissen?
De Europese Unie heeft geen visserijakkoord met Nigeria. In welke mate vissers van andere EU-landen actief zijn in Nigeria is mij niet bekend.
Is het u bekend of er een overeenkomst is tussen Nederland en/of de EU met São Tomé en Príncipe over de aanwezigheid? Zo ja, wat is de inhoud van die overeenkomst?
Er is een visserijpartnerschap tussen de EU en São Tomé en Príncipe sinds 2007. Onder dit partnerschap worden tijdelijke visserijprotocollen afgesloten. Het laatste protocol verliep op 22 mei 2018. Onderhandelingen over een nieuw protocol zijn gaande.
Het vorig jaar verlopen protocol betrof vangstmogelijkheden voor tonijn in ruil voor financiële contributie vanuit de EU. Een deel (ruim 40%) van deze contributie is aangemerkt als sectorale steun, gericht op verduurzaming van de visserij, visserij- en bestandbeheer en monitoring en controle. In de praktijk maakten Frankrijk, Spanje en Portugal gebruik van dit protocol.
Hoeveel vis exporteert Nederland jaarlijks naar Nigeria? Hoe past dit in de strategische meerjarige plannen voor Nigeria en wat is de bijdrage hiervan aan het ontwikkelingsbeleid voor Nigeria?
Volgens het CBS exporteerde Nederland in 2017 visproducten ter waarde van € 133 miljoen naar Nigeria. Voor de Nederlandse visserijbedrijven is de Nigeriaanse markt voor pelagische bestanden interessant, het gaat daar bij om soorten als haring, makreel, horsmakreel, sardines, sardinella en blauwe wijting. Voor deze soorten is de vraag in Nigeria groter dan het lokale aanbod en kan Nigeria er niet zelf in voorzien.
Het bevorderen van handel en investeringen tussen Nederland en Nigeria, met name in de agrarische sector, is een belangrijk thema in de Nederlandse meerjarige inzet in Nigeria. Deze inzet is gericht op export, investeringen en het versterken van lokale sectoren.
Wat zijn de gevolgen van de (mogelijk illegale) overbevissing in de wateren?
Duurzaam beheer van visbestanden kan onder druk komen te staan wanneer overbevissing plaatsvindt op bestanden, met name wanneer een bestand al kwetsbaar was. Dit heeft gevolgen voor de vangstmogelijkheden, registratie van vangsten, lokale gemeenschappen en wetenschappelijke data collectie. Het tegengaan van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij is één van de speerpunten van de Europese Commissie.
Klopt het dat de Nigerian Company Atlantic Shrimpers eigendom is van het Nederlandse bedrijf Cornelis Vrolijk? Zo ja, bij hoeveel van dit soort constructies zijn Nederlandse bedrijven betrokken?
Het bedrijf Atlantic Shrimpers is een joint venture van het Nederlandse bedrijf Cornelis Vrolijk. Zover bij ons bekend zijn er geen andere Nederlandse joint ventures actief in de visserij in Nigeria.
De verkoop van nazipropaganda via internet |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nazi-spullen zijn gewoon te koop bij webshop AliExpres»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Is de verkoop van nazipropaganda in Nederland verboden? Zo ja, op grond van welke wettelijke bepaling? Zo nee, waarom niet?
In artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is onder meer en voor zover hier van belang strafbaar gesteld het anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van voorwerpen waarin een discriminerende uiting is vervat. Het verkopen van nazivoorwerpen kan onder de strafbaarheid zoals bedoeld in dit artikel vallen. Of het verkopen van de voorwerpen daadwerkelijk strafbaar is, dient van geval tot geval te worden beoordeeld, met inachtneming van de vaste jurisprudentie.
Indien uitlatingen in het openbaar gedaan worden, bijvoorbeeld door het plaatsen van afbeeldingen van de te verkopen voorwerpen op internet, kan er daarnaast sprake zijn van strafbaarheid op grond van bijvoorbeeld artikel 137c Sr (groepsbelediging), artikel 137d Sr (aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden), opruiing (artikel 131 Sr) of een ander uitingsdelict. Hierbij geldt eveneens dat van geval tot geval beoordeeld dient te worden, met inachtneming van de vaste jurisprudentie, of van strafbaarheid sprake van is.
Wat is de stand van de jurisprudentie ten aanzien van het verkopen van nazipropaganda, onder andere wat betreft artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht?
De verkoop van nazipropaganda is niet per definitie verboden; veel is afhankelijk van de context waarin dit gebeurt. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie. De voorwerpen dienen volgens de Hoge Raad niet alleen op zichzelf te worden bezien, maar ook in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van mogelijke associaties die zij wekken.2 De bijzondere omstandigheden van een concreet geval kunnen overigens ook leiden tot het oordeel dat er geen dwingende behoefte is tot veroordeling voor het in voorraad hebben van voorwerpen met (bijvoorbeeld) een antisemitisch karakter.3 Het ging in dat arrest om de verkoop van een oorspronkelijk exemplaar van «Mein Kampf» in een antiquariaat. In een arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2012 kwam de beoordeling van verschillende nazidolken aan de orde.4
Deelt u de mening dat door de verkoop van dergelijke posters antisemitisme, (groeps)belediging of haatzaaien bevorderd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de verkoop van antisemitisch getinte posters om redenen anders dan educatie of cultureel-historische motieven ongewenst en discriminatoir. Ik deel de mening dat van de verspreiding van dit soort voorwerpen voor andere doeleinden dan hiervoor genoemd een verkeerde invloed kan uitgaan. Dat geldt des te meer als zij in extreemrechtse kring circuleren, aangezien aangenomen mag worden dat zij dan bedoeld zijn om de eigen denkbeelden te bevestigen of te versterken. In voorkomende gevallen zal het Openbaar Ministerie bij de verspreiding van dergelijk materiaal conform de aanwijzing discriminatie5 optreden.
Deelt u de mening dat, gezien het bestaande antisemitisme en de opkomst van extreemrechtse bewegingen waaronder alt-right, van de verspreiding van dit soort spullen een volkomen verkeerde invloed kan uitgaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De berichten ‘Iraans anti-Israëlprotest bereikt ook westerse steden’ en ‘CIDI: Stop haatdemonstraties Iraans regime in Nederland’ |
|
Gert-Jan Segers (CU), Nico Drost (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Iraans anti-Israëlprotest bereikt ook westerse steden»1 en «CIDI: Stop haatdemonstraties Iraans regime in Nederland»2 en de uitlatingen als «Boycot Israël», Weg met Israël», «Weg met Amerika» en «Down, down, Israel» die tijdens deze demonstratie zijn gedaan?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze oproepen voor de ondergang en beëindiging van de staat Israël, als enige Joodse staat, en voor de ondergang van de Verenigde Staten, gezien mogen worden als het aanzetten tot haat? Zo ja, welke consequenties zijn hieraan verbonden? Zo nee, welke kwalificatie geeft u dan aan deze uitlatingen? Zijn er verder strafbare feiten geconstateerd?
Het demonstratierecht omvat ook het publiekelijk uiten van meningen of uitlatingen die als hinderlijk, aanstootgevend of choquerend kunnen worden ervaren. Voorafgaand aan een demonstratie kunnen geen voorwaarden worden gesteld aan de meningen die daar worden verkondigd of de leuzen die worden geroepen. Dit neemt niet weg dat de politie wel kan ingrijpen als tijdens de demonstratie wordt geconstateerd dat er strafbare feiten worden gepleegd. Wel geldt daarbij dat het aanhouden van personen die strafbare feiten plegen, niet noodzakelijkerwijs tot gevolg moet hebben dat de demonstratie ook wordt beëindigd. Het recht om te demonstreren mag niet lichtvaardig worden ingeperkt. De Wet openbare manifestaties (Wom) laat alleen ruimte voor de beëindiging van een demonstratie ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden, vanwege de verkeersveiligheid of de volksgezondheid. Dat wil zeggen dat als er na de aanhoudingen voldoende vreedzame demonstranten overblijven en er geen sprake is van een onhoudbare situatie – vanwege het risico op nog grotere openbare ordeverstoringen of gevaar voor de verkeersveiligheid – de demonstratie in beginsel door kan gaan.
Van de gemeente heb ik vernomen dat er weliswaar controversiële uitingen zijn gedaan, maar dat de politie geen strafbare feiten heeft geconstateerd. Het is niet aan mij om de uitingen strafrechtelijk te duiden noch om te treden in de beslissing van de burgemeester – al dan niet in overleg met de driehoek – om de uitlatingen niet ter beoordeling voor te leggen aan het Openbaar Ministerie. Het in goede banen leiden van demonstraties is immers een lokale aangelegenheid onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester.
Kunt u zich voorstellen dat de aanwezige politie, op basis van genoemde uitlatingen, had gekozen voor beëindiging van de demonstratie? Zo nee, bij welk soort uitlatingen zou hier wat de regering betreft wel sprake zijn van moeten zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Was bij de demonstratie een politieagent dan wel een tolk aanwezig die ook de niet-Nederlandse uitlatingen kon verstaan en duiden? Zo nee, hoe staat u tegenover de suggestie om gemeenten, in elk geval de gemeente Den Haag, te verzoeken dit in de toekomst wel te doen bij demonstraties waar politie aanwezig is en waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat (ook) uitlatingen in een vreemde taal worden gedaan?
Ja, er was tijdens de demonstratie zowel een Arabisch, als een Farsi sprekende tolk aanwezig.
In algemene zin wil ik wel het volgende opmerken over de suggestie om «standaard» een tolk aanwezig te laten zijn bij demonstraties waarbij politie aanwezig is en waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat (ook) uitlatingen zullen worden gedaan in een vreemde taal. Het is in Nederland niet verboden om tijdens een demonstratie mondelinge of schriftelijke uitlatingen te doen in een vreemde taal. Het Engels wordt vermoedelijk zelfs regelmatig gebruikt en ook bij ambassades is het niet ongebruikelijk dat er wordt gedemonstreerd in de taal van het land waarvan de ambassade de vertegenwoordiging is. Zo vond er in januari 2018 een demonstratie plaats voor de Iraanse ambassade tegen het regime in Iran, waarbij (ook) borden werden meegevoerd met boodschappen in het Farsi. Het gaat mijns inziens dan ook te ver om bij alle demonstraties zoals bedoeld door de Leden, uit voorzorg een tolk aanwezig te laten zijn. Zoals ik hierboven heb betoogd, is dat een beslissing van de burgemeester in overleg met de driehoek die per demonstratie op lokaal niveau moet worden genomen.
Kan u ingaan op de stelling van het CIDI dat sprake is van betrokkenheid van het Iraanse regime bij de organisatie van deze demonstratie? Zijn er redenen om eventuele betrokkenheid uit te kunnen sluiten? Deelt u de lezing dat, indien dit het geval is, hier sprake zou zijn van het misbruiken van onze vrijheden door een onvrij regime om een boodschap van haat op Nederlands grondgebied te kunnen uitdragen? Wat zou, wat het kabinet betreft, hier een gepaste reactie op zijn?
Het kabinet heeft geen concrete aanleiding te concluderen dat Iran betrokken is bij het organiseren van deze demonstraties.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Demonstratie op 3 juli 2019?
Het algemeen overleg Demonstratie is verplaatst van 3 juli naar 27 juni 2019, en samengevoegd met twee andere algemene overleggen over onderwerpen die binnen mijn portefeuille vallen. Ik beantwoord de vragen voorafgaand aan dit algemeen overleg.
Het bericht ‘Miljoenen weggesluisd uit thuiszorgorganisatie Privazorg’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Miljoenen weggesluisd uit thuiszorgorganisatie Privazorg»?1
Ja.
Vindt u de in het bericht genoemde voorbeelden van het wegsluizen van geld, het goochelen met constructies en het over-de-top-inkomen van de oud-directeur van Privazorg net zo schokkend als vragensteller?
Ja. Goed bestuur en intern toezicht bij een zorginstelling zijn belangrijke randvoorwaarden voor het leveren van goede zorg en de continuïteit daarvan. Uit onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) blijkt dat aan deze randvoorwaarden bij Privazorg niet wordt voldaan. De inspectie constateert bovendien dat de organisatie-inrichting binnen PrivaZorg niet voldoet aan de vereisten uit de Governancecode Zorg. Hiermee wordt het risico groot dat er zorggeld wordt onttrokken en de constructies in strijd zijn met de maatschappelijke doelstelling van het leveren van goede zorg. Ik vind dit zeer onwenselijk. Geld dat voor de zorg is bestemd moet ook in de zorg blijven. Zie voorts mijn antwoord op vraag 3.
Vindt u de in de sector ontwikkelde «Governancecode Zorg» een afdoende middel om ongewenst gedrag als hier aan de orde te weren? Welk percentage van in de zorg actieve organisaties voor wie de code is bedoeld heeft deze ondertekend?
De Governancecode Zorg is een nuttig instrument en wordt onder andere door de IGJ en de NZa gebruikt als breed gedragen veldnorm voor goed bestuur. De code is opgesteld op initiatief van de Brancheorganisaties Zorg, waarin de brancheorganisaties Actiz, GGZ Nederland, NVZ, NFU en VGN samenwerken. Deze organisaties stellen onderschrijving en naleving van de code als voorwaarde voor het lidmaatschap. Veel zorgverzekeraars hanteren dit ook als vereiste voor contractering. Desalniettemin is de Governancecode een vorm van zelfregulering en is daarmee in zekere mate vrijblijvend. Zo kunnen de IGJ en NZa niet rechtstreeks handhaven op de code. Mede naar aanleiding van de begin maart van dit jaar door de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) uitgebrachte «Signalering» bij het rapport over het tweede onderzoek naar goed bestuur bij Zorggroep Alliade, onderzoek ik momenteel de mogelijkheden om het interne en externe toezicht op integere en professionele bedrijfsvoering te versterken. Daarbij onderzoek ik ook of het wettelijk verankeren van relevante onderdelen uit de Governancecode Zorg meerwaarde zou kunnen hebben. Uw Kamer wordt daar rond de zomer nader over geïnformeerd, zoals aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 5 maart jl.
Bent u ook van mening dat voor bestuurders als in het bericht genoemd geen plaats is in de zorg? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Bent u bereid om bijvoorbeeld een zwarte lijst van over de schreef gegaan zijnde bestuurders in te voeren? Bent u zoals dat bijvoorbeeld in de sector woningcorporaties of in de pensioensector is gebeurd bereid (snel) verdergaande regelgeving in te voeren zodat bestuurders, maar ook toezichthouders, alvorens te kunnen worden aangesteld worden getoetst op zaken als kennis en integriteit?
Wanneer bestuurders de geldende wet- en regelgeving met voeten treden, ben ik van mening dat er voor hen inderdaad geen plaats is in de zorg. De raad van toezicht van een zorginstelling is het orgaan dat een bestuurder aanstelt. De raad van toezicht heeft op grond van de Governancecode de plicht zich van de geschiktheid van de bestuurder te vergewissen. Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg heeft de IGJ de mogelijkheid een zorginstelling een aanwijzing te geven om een bestuurder te laten vervangen. Een dergelijke interventie is te beschouwen als een «ultimum remedium».
Wat het voorstel voor een zogenaamde zwarte lijst betreft het volgende: er bestaan al bestuursverboden (civielrechtelijk bestuursverbod, stichtingbestuursverbod, strafrechtelijk beroepsverbod) die aan bestuurders in alle sectoren, ook de zorg, opgelegd kunnen worden. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel «Wijziging Handelsregisterwet 2007 en regelen van enkele andere aan het handelsregister gerelateerde onderwerpen» op 25 juni 2019 als hamerstuk afgedaan. In dit wetsvoorstel is geregeld dat al deze bestuursverboden worden geregistreerd in de Handelsregisterwet. Wanneer dit voorstel kracht van wet heeft, zal de Kamer van Koophandel bestuurders, voor zover dit voortvloeit uit het opgelegde verbod, uitschrijven dan wel de inschrijving het Handelsregister weigeren.
De beroepsverenigingen voor bestuurders en raden van toezicht in de zorg hebben reeds speciale (accreditatie)programma’s ingericht voor hun leden. Verplichtstelling van accreditatie vanuit de overheid doet afbreuk aan de intrinsieke motivatie die bestuurders moeten hebben om aan hun deskundigheid te blijven werken. Het instrument verliest aan kracht als de bestuurder niet daadwerkelijk gemotiveerd is om met zijn vak aan de slag te gaan, maar het ziet als een extra administratieve verplichting waar hij aan moet voldoen. Wel zie ik hier een grote rol weggelegd voor raden van toezicht, de werkgevers van de bestuurders. Het is aan de interne toezichthouders om bestuurders aan te trekken die openstaan voor doorleren en het deelnemen aan accreditatietrajecten.
Bent u naar aanleiding van eerdere signalen daarover van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bereid hen meer instrumenten te geven zodat misstanden als hier effectiever kunnen worden aangepakt? Zo ja, deelt u de mening dat dat zo snel mogelijk moet gebeuren?
Ja, zie mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Vindt u ook dat er kritischer gekeken moet worden naar het door zorgaanbieders optuigen van allerlei bv’s en stichtingen waarvan de toegevoegde waarde niet altijd duidelijk is, maar die bijvoorbeeld wel het toezicht op geldstromen bemoeilijken?
Het is zeer onwenselijk wanneer constructies worden gekozen enkel met het doel het toezicht op geldstromen te bemoeilijken. Het gebruik van bepaalde constructies, zoals het scheiden van onderdelen van de zorgverlening in bv’s of stichtingen, kan echter wel toegevoegde waarde hebben voor het leveren van goede zorg. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan risicospreiding of doelmatige uitbesteding van taken. De beoordeling van de toegevoegde waarde van deze constructies is echter ingewikkeld en zal sterk afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Ik zet daarom niet zozeer in op het aan banden leggen van specifieke constructies, maar op maatregelen om te zorgen dat zowel het interne als externe toezicht in een positie zijn om adequaat toezicht te houden op onder andere de verschillende geldstromen binnen de organisatie.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak constructies als hier aan de orde of andere waarbij groepen van zzp-ers zijn betrokken voorkomen en wat de specifieke risico’s daarbij zijn?
In deze casus zijn de problemen niet gelegen in de constructie met het gebruik van groepen zzp-ers. Ik zie dan ook geen aanleiding verder onderzoek te doen naar hoe vaak deze constructies voorkomen en wat de risico’s zijn. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke constructies bestaat het risico dat zo’n onderzoek van weinig toegevoegde waarde zal zijn. Het is van belang dat zaken als inspraak, medezeggenschap, transparantie en intern toezicht goed geregeld zijn. Zoals in voorgaande antwoorden is toegelicht, ben ik dan ook voornemens om hier nadere regels voor te stellen in plaats van het stellen van nadere regels over specifieke constructies.
Hoe wordt, mocht Privazorg omvallen, de continuïteit van zorg gewaarborgd? Kunt u garanderen dat in dat geval geen cliënten tussen wal en schip vallen?
Indien Privazorg failliet zou gaan, rust op zorgverzekeraars en gemeenten een zorgplicht waardoor zij elders voldoende zorg in moeten kopen en moeten bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een aanbieder terecht kan.
Op dit moment staat PrivaZorg onder verscherpt toezicht van de IGJ. De IGJ heeft mij op basis van gesprekken met Privazorg laten weten dat er op dit moment geen aanleiding is om te vrezen voor de continuïteit van zorg, noch de continuïteit van Privazorg.
Het bericht ‘Forse rookontwikkeling bij brand afvalverwerker Attero in Wijster’ |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Forse rookontwikkeling bij brand afvalverwerker Attero in Wijster»?1
Ja.
Hoeveel kilo afval wordt er jaarlijks opgehaald binnen de verschillende afvalstromen? Kunt u een overzicht van de afgelopen vijf jaar geven?
De Werkgroep Afvalregistratie2 rapporteert jaarlijks over het storten en verbranden van afval in Nederland plus het composteren/vergisten van gft-afval. Onderstaande tabel is afkomstig uit de laatste rapportage en geeft een overzicht van de hoeveelheden verwerkt afval.
Verwerkingsmethode
Hoeveelheid afval (kton)
2013
2014
2015
2016
2017
Storten:
Totaal op de stort gebracht
2.727
2.204
2.342
2.834
2.920
Netto storten in eigen beheer
– 45
59
40
– 22
2
Verbranden
7.549
7.601
7.565
7.796
7.627
Vergisten en composteren gft-afval
1.273
1.357
1.356
1.431
1.492
Grondverwerking
3.537
3.642
3.403
3.949
3.744
Baggerspecieverwerking
3.291
4.576
3.746
3.754
2.451
(Bbk= Besluit bodemkwaliteit)
Wordt er onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het afval dat in de verschillende afvalstoffen terecht komt? Zo ja, waar is dit te vinden? Zo nee, waarom niet?
De goede kwaliteit van gescheiden deelstromen is essentieel om te komen tot een circulaire economie. Binnen de verschillende acties en programma’s die uitgevoerd worden door de landelijke overheid, de gemeenten en ook het afvalbedrijfsleven is hier dan ook ruim aandacht voor.
In 2018 heeft bijvoorbeeld het Learning Center Kunststof Verpakkingsafval een grootschalig onderzoek3 gedaan naar de samenstelling van het ingezamelde kunststof verpakkingsafval in gemeenten.
Vanuit het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof – Huishoudelijk Afval VANG-HHA)is in 2018 tevens een verkennend onderzoek4 uitgevoerd naar de kwaliteit van gft-afval, papier, glas en textiel uit huishoudens.
Hoelang mag het afval maximaal bij het afvalverwerkingsbedrijf blijven liggen tot het uiteindelijk wordt verwerkt?
Zoals vastgelegd in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen mag het opslaan van afvalstoffen, voor een ander gebruik dan op een stortplaats zelf, niet langer duren dan:
Mag een afvalverwerker aangeleverd afvalmateriaal weigeren? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, waarom niet?
Vergunningsplichtige bedrijven die afvalstoffen ontvangen, moeten beschikken over een acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en een beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC). Deze aspecten worden bij het verstrekken van een aangevraagde vergunning reeds meegenomen.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt, beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid). Ook moet worden omschreven welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische- en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd.
Vervolgens is de afvalverwerker gehouden conform dit beleid te handelen. De afvalverwerker kan dus op basis van het A&V-beleid bepaald aangeleverd afvalmateriaal weigeren.
Zie ook onderdeel D.3 van LAP3 over «Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle».
Daarnaast kunnen contractuele afspraken worden gemaakt over de kwaliteit van het aangeleverde afvalmateriaal, op basis waarvan de afvalverwerker het materiaal kan weigeren indien dit niet aan de afspraken voldoet.
Wie is er verantwoordelijk voor de (kwaliteit van) de producten die bij afvalverwerkers worden aangeleverd?
In de eerste plaats heeft de ontdoener een cruciale rol in het borgen van voldoende kwaliteit. Alles wat hier misgaat, levert later in de keten een uitdaging op. Het is vervolgens aan de inzamelaar om erop toe te zien dat wat wordt ingezameld ook daadwerkelijk conform de afspraken die zijn gemaakt met de afvalverwerkers aangeleverd wordt. Deze afspraken gaan over welke kwaliteit van de afgescheiden deelstromen geaccepteerd wordt, passend binnen het A&V-beleid zoals vastgelegd bij de vergunningverlening. Het is vervolgens aan de verwerker om te voldoen aan de afspraken uit de vergunningverlening.
Klopt het dat op dit moment vooral de kwantitatieve inzamelcijfers centraal staan in plaats van de kwaliteit van het aangeleverde materiaal? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee dat klopt niet. Voor het realiseren van de gewenste transitie naar een circulaire economie dient een afname van de te verbranden hoeveelheden restafval, ofwel een toename van de gescheiden deelstromen, hand in hand te gaan met een goede kwaliteit van het verkregen gescheiden materiaal. Zonder het borgen van deze kwaliteitseisen lukt het niet hoogwaardige recycling gerealiseerd te krijgen en maken we ook geen stappen richting de circulaire economie.
Op welke manier kan de focus worden verbreed om niet alleen te kijken naar de hoeveelheid afval maar ook naar de kwaliteit hiervan?
Ik werk hier samen met stakeholders aan, binnen het Uitvoeringsprogramma VANG-HHA middels het «aanvalsplan gft-afval en textiel». Ik wijs hier ook op de extra acties die zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie. Eén van de acties in het uitvoeringsprogramma betreft de uitbreiding van producentenverantwoordelijkheid naar problematische productstromen als matrassen en textiel. Door toepassing van producentenverantwoordelijkheid zal meer inzameling en recycling en minder afvalproductie worden gerealiseerd.
Het bericht ‘Levenslang gestrafte wil vaker verlof en na 27 jaar vrijkomen’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Het bericht dat jeugdzorg niet langer verantwoord is |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jeugdzorg niet langer verantwoord»?1
Ja.
Zijn naar uw mening de personen die worden aangesteld als bestuurders bij de Jeugdbescherming capabele personen die serieus genomen moeten worden?
Iedereen moet ten principale serieus genomen worden.
Neemt u de oproep van de bestuurder van Jeugdbescherming Overijssel dat de jeugdzorg situatie in Twente uit de hand loopt en niet langer verantwoord is ter harte? Zo ja, hoe laat u dit zien?
De regio Twente heeft te maken met tekorten. Dit speelt bij meerdere gemeenten in Nederland. Daarom heb ik afgelopen najaar een onderzoek laten doen naar de signalen van gemeenten en jeugdzorgregio’s over tekorten op hun jeugdzorgbudget. Dit onderzoek had als doel om van signalen naar feiten te komen.
De uitkomsten van dit onderzoek waren onderwerp van gesprek bij de voorjaarsnotabesluitvorming. De uitkomst daarvan is dat het kabinet in totaal € 1.020 miljoen extra financiële middelen beschikbaar heeft gesteld aan gemeenten, verdeeld over de jaren 2019 tot en met 2021. Het alleen toevoegen van extra geld zal niet tot betere jeugdhulp en de oplossing van de problemen leiden. Daarom hebben het kabinet en de VNG gelijktijdig bestuurlijke afspraken gemaakt om het jeugdhulpstelsel beter, effectiever en efficiënter te laten functioneren.
Ook laten we aanvullend onderzoek doen om beter zicht te krijgen op de achtergronden van de volumeontwikkeling en de tekorten, en of de volume- en uitgavengroei structureel is. Op basis van de huidige inzichten is niet vast te stellen of de geconstateerde groeiende vraag naar jeugdzorg een boeggolf is of, en zo ja in welke mate, deze een structureel karakter heeft.
Daarnaast ondersteunt het Rijk gemeenten en aanbieders bij de inkoop in het sociale domein met een aanpak die in nauwe samenwerking met gemeenten en aanbieders tot stand is gekomen. Deze aanpak heb ik met uw Kamer gedeeld in mijn brief van 24 januari 2019.2 Zo heb ik in het kader van deze aanpak onder andere onlangs de Vindplaats Inkoop Sociaal Domein gelanceerd.3 Verder pleeg ik inzet op de vermindering van de administratieve lasten en de terugdringing van vermijdbare uitgaven. Ik heb u hierover eerder geïnformeerd met mijn brief van 21 juni 2019.4
Kunt u zich voorstellen dat bij een regionaal tekort van € 45 miljoen de onderhandelingen tussen gemeenten en zorgaanbieders alleen nog over geld gaat? Ziet u in dat kwaliteit van zorg hiermee een secundair onderwerp wordt?
Waar gemeenten tekorten hebben, kan ik mij goed voorstellen dat deze veel aandacht hebben. Echter, in gesprekken en onderhandelingen tussen gemeenten en aanbieders is het van belang breder te kijken. Dit belang wordt onderstreept door de wet, die gemeenten verbiedt een opdracht tot het bieden van jeugdhulp enkel op grond van het criterium de laagste prijs te gunnen.5 Extra geld alleen zal niet leiden tot de vernieuwingen en verbeteringen die ook nodig zijn om de organisatie van de jeugdhulp dusdanig te verbeteren (effectiever en efficiënter) dat men geen tekorten meer heeft.
Maakt u zich ook zorgen over het feit dat geldzorgen een vele malen belangrijker thema zijn dan de kwaliteit van zorg?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan om, naast de eerder aangekondigde maatregelen, stappen te zetten om deze onhoudbare situatie te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht '1600 kinderen verdwenen uit de asielopvang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «1.600 kinderen verdwenen uit de asielopvang»?1
Ja.
Klopt het genoemde aantal en kunt u inzicht geven in de landen van herkomst van de betreffende minderjarige vreemdelingen?
Zoals ik bij brief van vandaag aan uw Kamer heb gemeld, herken ik het door de NRC genoemde aantal. Het betreft het aantal amv’s dat volgens cijfers van het COA en van Nidos met onbekende bestemming is vertrokken uit amv-opvanglocaties tussen 2015 en april 2019. De cijfers van het COA en Nidos heb ik echter nog niet kunnen verifiëren en bevatten wellicht nog onderlinge dubbeltellingen of andere onzuiverheden.
Bij brief van 24 april 2019 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd dat de komende maanden twee gerelateerde onderzoeken worden uitgevoerd. Allereerst wordt een analyse uitgevoerd van de gegevens die bij de samenwerkingspartners binnen de migratieketen beschikbaar zijn over het vertrek met onbekende bestemming van amv’s uit de opvang. Deze analyse zal een beter beeld geven van de problematiek (zoals de landen van herkomst van de betrokken jongeren) en de daarbij horende aantallen. In de analyse wordt ook gebruik gemaakt van data over Dublin-claims op Nederland.
Daarnaast voert het EMM een fenomeenonderzoek uit dat twee onderzoeksrichtingen kent. Enerzijds is dit de onderzoeksrichting waar in de vraag aan wordt gerefereerd, te weten naar de omvang van- en de omstandigheden waarin vreemdelingen met de Vietnamese nationaliteit met onbekende bestemming uit de beschermde opvang zijn vertrokken in de periode 2015 tot 2019. Anderzijds doet het EMM onderzoek doen naar de betrokkenheid van vreemdelingen met de Vietnamese nationaliteit bij signalen van- en opsporingsonderzoeken naar mensenhandel en mensensmokkel in Nederland in de periode 2015 tot 2019.
De uitkomsten van deze twee onderzoeken verwacht ik in het najaar. Afhankelijk van de bevindingen daarvan zal gekeken worden welke aanvullende maatregelen, ook in internationaal verband, genomen moeten worden om het vertrek met onbekende bestemming van amv’s zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast zal bezien worden of de bevindingen aanleiding geven om de maatregelen in de beschermde opvang aan te scherpen of anderszins te wijzigen.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat minderjarige vreemdelingen uit een locatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA-locatie) verdwijnen en hoe het daarnaast kan dat minderjarige vreemdelingen die onder voogdij van Nidos staan toch van de radar verdwijnen?
Over de oorzaak van het vertrek met onbekende bestemming van amv’s uit de opvang en de verschillende maatregelen die worden genomen om dit tegen te gaan, heeft mijn voorganger uw Kamer reeds geïnformeerd, bijvoorbeeld in de beantwoording van Kamervragen van de leden Bouali en Groothuizen van 12 november 2018. Amv’s worden opgevangen in kleinschalige opvang, waar medewerkers zich dagelijks inspannen om voor de bewoners een zo veilig mogelijke omgeving te creëren. Amv’s die aangeven te willen vertrekken worden geïnformeerd over de verschillende perspectieven die er zijn en worden gewezen op risico’s van illegaal verblijf, zoals mensenhandel en seksueel geweld.
Vermeende slachtoffers van mensenhandel worden opgevangen in de beschermde opvang, waar extra beschermingsmaatregelen worden genomen. Opvang in zowel de reguliere amv-opvanglocaties als in de beschermde opvang vindt echter plaats in een open setting. De bestaande maatregelen kunnen dan ook niet wegnemen dat als amv’s dit echt willen, zij de opvang kunnen verlaten. Voor zover vraag 4 ziet op het krijgen van inzicht in de mogelijke bestemming verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2, 5, 6 en 8.
Welke maatregelen zijn reeds getroffen om dergelijke verdwijningen te voorkomen en om, als dit toch gebeurt, inzicht te krijgen in de oorzaak en de mogelijke bestemming?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het artikel dat het dikwijls gaat om veiligelanders uit bijvoorbeeld Marokko die hier via de asielopvang in de criminaliteit belanden en van de radar verdwijnen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u indicaties dat hierbij sprake is van mogelijke mensenhandel- of mensensmokkelnetwerken, die de Nederlandse asielopvang misbruiken om jongeren op illegale wijze in Nederland, dan wel in Europa, te kunnen inzetten voor hun praktijken? Zo ja, welke inzet pleegt u om deze netwerken keihard aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om minderjarige vreemdelingen die uit een veilig land komen en overlast veroorzaken of crimineel gedrag vertonen in detentie te zetten als er zicht is op uitzetting?
Bewaring van minderjarige vreemdelingen is nog meer dan bij meerderjarige vreemdelingen een middel dat met terughoudendheid moet worden toegepast. Bewaring blijft een legitiem middel, mits dit wordt uitgevoerd in een locatie die is ingericht op de specifieke behoeftes van het kind, zoals de gesloten gezinslocatie in Zeist. Ik wijs er ook op dat vreemdelingenbewaring geen maatregel van jeugdtoezicht is, maar een maatregel die tot doel heeft om de terugkeer veilig te stellen. In aanvulling op de wettelijke vereisten voor bewaring dat lichtere middelen niet effectief kunnen worden toegepast en dat reëel perspectief op terugkeer bestaat, zijn in het beleid een aantal aanvullende voorwaarden opgenomen voor bewaring van minderjarigen. Deze zijn:
Deze gronden gaan er van uit dat de vreemdeling ofwel door middel van het strafrecht of wel door een eerder onderduiken al in contact was met de overheid. Voor de situatie waarin de vreemdeling voor het eerst in Nederland door de politie of de Koninklijke Marechaussee wordt aangetroffen, en er een sterke aanwijzing bestaat dat hij of zij zich aan het toezicht zal onttrekken, laat het beleid geen ruimte.
Ik ben daarom voornemens aan deze gronden een vierde omstandigheid toe te
voegen, die zal zien op vreemdelingen die in het toezicht worden aangetroffen. Ik zal uw Kamer in de komende periode nader informeren over deze beleidswijziging.
Bent u bereid te onderzoeken wat de achtergrond is van de verdwijningen en welke maatregelen, eventueel in internationaal verband, zo nodig kunnen worden genomen, zoals u ook heeft toegezegd ten aanzien van de verdwijningen van Vietnamese kinderen uit de beschermde opvang?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid op 12 juni 2019?
Omdat het algemeen overleg is verplaatst naar na het zomerreces, heb ik ernaar gestreefd om deze vragen binnen de normale beantwoordingstermijn voor Kamervragen te beantwoorden.
Het depositogarantiestelsel |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de stelling van het Centraal Planbureau (CPB) in de Risicorapportage Financiële markten 2019 dat het sparen en betalen voor het gros van de consumenten veilig is onder het depositogarantiestelsel (DGS)?1
Het DGS garandeert de veiligheid van het spaargeld van depositohouders per bank tot EUR 100.000. De garantie geldt voor de meeste rekeninghouders en bijna alle soorten rekeningen. Hierdoor verzekert het DGS een zeer aanzienlijk deel van de spaargelden van consumenten. Door het DGS gedekte deposito’s zijn verder van bail-in. Op grond van de recente afspraken in het bankenpakket tellen de deposito’s ook niet mee voor de MREL-buffers. Daarom kan ik mij vinden in de stelling van het CPB dat het sparen en betalen voor het gros van de consumenten veilig is onder het depositogarantiestelsel.
Denkt u dat een fonds, dat tot en met 2024 geleidelijk wordt gevuld tot uiteindelijk 0,8% van het gedekte spaargeld, voldoende zal zijn om het spaargeld van alle klanten (tot de grens van 100.000 euro) volledig te garanderen in een situatie waarin één of meer grote systeembanken, zoals ING, ABN AMRO en Rabobank, zouden omvallen? Waarop baseert u uw antwoord en bent u, als dit nog niet voorhanden is, bereid een dergelijk scenario te laten uitwerken?
De doelomvang van het Nederlandse Depositogarantiefonds (DGF) is op dit moment 0,8% van de door het DGS gegarandeerde deposito’s. Per definitie heeft een DGF dus niet voldoende in kas om alle gegarandeerde deposito’s direct uit het fondsvermogen te kunnen voldoen. Dit is ook niet nodig omdat het DGF nooit tegelijkertijd alle gegarandeerde deposito’s zal moeten uitbetalen.
Het is lastig op voorhand uitspraken te doen over een scenario waarin een groot beroep wordt gedaan op het DGF dat niet direct kan worden opgevangen door de sector zelf. Daarin speelt mee dat resolutie via de Europese afwikkelingskaders is beoogd voor scenario’s waarin een grote systeembank omvalt of dreigt om te vallen. Wanneer een bank in resolutie wordt geplaatst, is een aanspraak op het DGS niet waarschijnlijk. Het is echter aan de resolutieautoriteit (Single Resolution Board) om te bepalen of resolutie aan de orde is. De resolutieautoriteit kan besluiten om een bank in resolutie te plaatsen wanneer er sprake is van een openbaar belang en er geen alternatieve oplossingen meer mogelijk zijn, zoals een private oplossing. Er wordt dan een beroep gedaan op investeerders en achtergestelde schuldhouders via bail-in. Mocht dit nog niet voldoende zijn, dan kan er onder bepaalde voorwaarden gebruik worden gemaakt van het gemeenschappelijke resolutiefonds (Single Resolution Fund, SRF). Het SRF is een door de Europese bankensector gevuld fonds dat beoogt te voorkomen dat belastinggeld nodig is om banken af te wikkelen.2
Na de crisis zijn er verbeteringen doorgevoerd in de methodiek van het DGS. Zo wordt het DGF ex ante gevuld door banken om zoveel mogelijk te voorkomen dat banken juist in moeilijke tijden om een bijdrage gevraagd worden. Ook doen depositogarantiestelsels op grond van Europese regels stresstesten om de weerbaarheid van hun stelsels te toetsen.3 Indien de beschikbare financiële middelen in het DGF toch ontoereikend zijn om uitkeringen te doen, betalen banken buitengewone ex post bijdrages tot een maximum van 0,5% van de aangehouden gegarandeerde deposito’s van een bank. Voorts kan het DGF financiering van derden aantrekken. Het Nederlandse DGF heeft in dit kader een kredietlijn afgesloten met een consortium van vier Nederlandse banken. Dit vergroot de financieringscapaciteit van het DGS verder. Bovendien is er nog de mogelijkheid om op vrijwillige basis van DGSen in andere lidstaten te lenen. Ook zal een toekomstig EDIS de financieringscapaciteit aanzienlijk doen toenemen. Het is uiteindelijk aan de banken zelf om het DGS weer te vullen en eventuele leningen en voorschotten terug te betalen zodra terugbetaling de liquiditeit/solvabiliteit van individuele instellingen dat toelaat.
Ondanks deze verdedigingslinies kan niet volledig worden uitgesloten dat in het uiterste geval een beroep op de overheid wordt gedaan om voorfinanciering te verstrekken gedurende een bepaalde periode. Door de maatregelen die de afgelopen jaren zijn getroffen, is de kans op zo’n scenario verkleind. Het gaat dan om de strengere liquiditeits- en kapitaaleisen met daarbovenop de aangescherpte eisen voor verliesabsorberend kapitaal en bail-in, eventueel nog aangevuld met middelen vanuit het SRF.
Wie zal er uiteindelijk opdraaien voor de kosten als in een toekomstige crisissituatie noch het DGS-fonds voldoende blijkt te zijn om al het gedekte spaargeld van mensen te garanderen, noch het «bail-in»-mechanisme waarin grote spaarders, obligatie- en aandeelhouders eerst verliezen nemen? Wordt er rekening gehouden met dit scenario?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het aannemelijk dat tijdens een financiële crisis andere (systeem)banken kunnen meebetalen aan het DGS, terwijl zij zelf het geld dan hard nodig zullen hebben? Hoe realistisch acht u het scenario dat De Nederlandsche Bank (DNB) de kosten uiteindelijk kan verhalen bij de aan het DGS deelnemende instellingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat het Ministerie van Financiën of een andere overheidsinstelling in een dergelijk crisisscenario zal inspringen om het tekort dat bij DNB kan ontstaan vanwege DGS aan te vullen? Zo niet, deelt u dan de constatering dat Nederlandse burgers uiteindelijk zelf met belastinggeld garant staan voor het eigen spaargeld?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het DGS dus weliswaar een geschikt middel kan zijn om klanten niet de dupe te laten zijn van een specifiek probleem bij een individuele bank, maar waarschijnlijk ongeschikt zal blijken te zijn bij een systeemcrisis, tenzij de belastingbetaler toch bereid is uiteindelijk op te draaien voor de kosten?
Het DGF zal in isolatie niet voldoende zijn om een zware «bankrun» bij een of meerdere systeembanken te beantwoorden. Daarom zijn er behalve de ex ante financiering van het DGS meerdere verdedigingslinies opgeworpen om ook in een crisis te kunnen beschikken over voldoende middelen (zie eerdere antwoorden). Verder gelden er tegenwoordig hogere liquiditeits- en kapitaaleisen en is er sprake van beter toezicht op de banken, zodat een dergelijk doemscenario zich niet snel zal voordoen. Ik ben het niet eens met de veronderstelling van de vraagsteller dat de belastingbetaler per definitie opdraait voor de kosten van het DGS in een zware systeemcrisis. Zelfs als de overheid – na uitputting van alle private financieringsbronnen – over zou gaan tot een (gedeeltelijke) voorfinanciering, dan zal deze in alle gevallen de opgeschorte ex post bijdragen verhalen op de banken zodra de solvabiliteit/liquiditeit van een individuele instelling niet langer bedreigd wordt. De preferente positie van het DGS zorgt er verder voor dat een DGS na herwinning van de boedel in faillissement niet snel verlies leidt. Daarmee is het DGS meer een middel om tijdelijk liquiditeit te geven aan gedekte spaarders dan om verliezen te dekken.
Onevenredige consequenties van het strafblad |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Pedoseksueel delict» – dat staat er op het strafblad van een arts»?1
Ja, ik ken dat bericht.
Hoe kijkt u aan tegen casussen, zoals die in het artikel worden beschreven? Kunt u daarbij ingaan op gevallen waarin de consequenties die het justitieel systeem kennelijk met zich mee kan brengen, onevenredig zijn ten opzichte van het daaraan ten grondslag liggende feit?2
Ik kan mij goed voorstellen dat het voor een betrokkene helder moet zijn welke procedure er bestaat om een strafblad te laten aanpassen. In onderstaande beantwoording en bij vraag 7 ga ik hierop nader in.
Vooropgesteld zij dat voor een goede strafrechtspleging het noodzakelijk is dat justitiële gegevens in iemands Justitiële Documentatie (het zogenaamde strafblad) juist en nauwkeurig verwerkt zijn.
Ingevolge artikel 26 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens kan een betrokkene tegen de verwerking van justitiële gegevens verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Indien het verzet gerechtvaardigd is, wordt de verwerking beëindigd. Dit wordt per geval bekeken waarbij de feiten en omstandigheden van het individuele geval in samenhang worden gewogen ten opzichte van het algemeen belang van het bewaren van justitiële gegevens.
Aan het belang van het verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging komt dusdanig gewicht toe dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de verwerking van die gegevens moet worden beëindigd. De justitiële gegevens moeten immers een officier van justitie of een rechter een goed en zo compleet mogelijk beeld geven van iemands strafrechtelijk verleden. Om het verzet te kunnen honoreren moet het gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie ten behoeve van een goede strafrechtspleging een volledige registratie bevat.
Herkent u het sturend optreden tijdens verhoren van de politie, zoals in het artikel verwoord? Zo ja, hoe vaak komt het voor?
In een verhoorsituatie zal gezien de aard van de situatie een verdachte meestentijds enige druk percipiëren. De verhoormethodes mogen er echter niet toe leiden dat een verdachte anders verklaart dan de werkelijkheid en/of iets bekent wat hij niet heeft gedaan.
De politie heeft veel aandacht voor het continu verbeteren van verhoren middels nieuwe inzichten en ontwikkelingen. De politie neemt ook aanvullende maatregelen bij het verhoren van minderjarige verdachten. Sinds 2012 bestaat de opleiding «Verhoren van kwetsbare verdachten». Hier worden gespecialiseerde verhoorders opgeleid voor het verhoren van kwetsbare verdachten, hieronder vallen onder andere minderjarigen. Daarnaast hebben zich juridische veranderingen voorgedaan ter aanscherping van de rechten van minderjarige verdachten. Zo heeft een minderjarige verdachte rechtsbijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens een verhoor. Eén van de bevoegdheden van de advocaat tijdens het verhoor is om erop te wijzen wanneer ongeoorloofde druk op de verdachte wordt uitgeoefend. Ouders mogen (behoudens bepaalde uitzonderingen) ook aanwezig zijn bij het verhoor. Tot slot worden verhoren vaker dan voorheen auditief en/of audiovisueel geregistreerd, hetgeen de kwaliteit van het verhoor verder kan ondersteunen.
Benoemt het openbaar ministerie (OM) bij het transactievoorstel welke juridische consequenties daaraan zitten? Zo nee, bent u voornemens dat te gaan veranderen?
Met de invoering van de strafbeschikking is in een geval als het onderhavige, waarin een taakstraf van meer dan 32 uur aan een jeugdige wordt aangeboden, rechtsbijstand verplicht (zie daartoe artikel 291 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Deze verplichting draagt bij aan het beter inzicht hebben in de juridische consequenties van de (afdoeningen van de) strafzaak voor de jeugdige en diens ouders.
Als gevolg van de invoering van de Wet OM-afdoening en de invoering van de strafbeschikking komen transactievoorstellen slechts sporadisch voor.
Wat vindt u van de situatie, zoals in het artikel beschreven, waarin het OM op de vraag van de vader van de verdachte of dit gevolgen zou hebben voor zijn studie geneeskunde antwoordt «nee, dit heeft geen consequenties. Over een paar jaar verjaart dit en dan is het klaar»?
Over individuele zaken doe ik geen uitspraak.
Klopt het dat de kennis over de gevolgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag niet aanwezig is bij officieren van justitie? Hoe is het met die kennis bij de administratief juridisch medewerkers van het OM die door de officieren van justitie zijn gemandateerd om een transactie aan te bieden?
Het is mij niet gebleken dat de kennis bij de officieren van justitie en bij andere verantwoordelijke medewerkers bij het OM in het algemeen of op dit specifieke vlak onder de maat zou zijn.
De afgelopen jaren heeft screeningsautoriteit Justis een aantal informatiebijeenkomsten over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) georganiseerd speciaal voor officieren van justitie en andere verantwoordelijke medewerkers van het OM. Tijdens deze bijeenkomsten is onder meer uitleg gegeven over wat de VOG is, welke strafbare feiten bij de beoordeling van een VOG-aanvraag worden betrokken en op welke wijze Justis een afweging maakt.
Wat is de procedure indien achteraf blijkt dat de schuldvaststelling van een strafbaar feit, waarvoor een schikking met de verdachte is getroffen, niet deugt? Welke mogelijkheden heeft het OM een strafblad aan te passen en wanneer wordt daartoe door het OM besloten?
Het Openbaar Ministerie beschikt niet over mogelijkheden tot aanpassing van het strafblad.
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 2 kan de betrokkene ingevolge artikel 26 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJsg) tegen de verwerking van justitiële gegevens verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Dit verzet dient te worden gericht aan de Minister voor Rechtsbescherming. De beoordeling vindt vervolgens plaats door Justid. Bij die beoordeling wordt ook het Openbaar Ministerie om advies gevraagd. De beslissing wordt middels een beschikking aan de betrokkene kenbaar gemaakt. Tegen deze beschikking staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open (bezwaar en beroep).
1600 kinderen die verdwenen zijn uit asielopvang |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «1.600 kinderen verdwenen uit de asielopvang»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. Deze problematiek is reeds bekend, maar daarom niet minder zorgelijk.
Hoeveel kinderen zijn nog voor aankomst in Ter Apel verdwenen? Maken zij deel uit van de genoemde 1600 kinderen?
Zoals ik bij brief van vandaag aan uw Kamer heb gemeld, doelt de NRC op het aantal amv’s dat volgens cijfers van het COA en van Nidos met onbekende bestemming is vertrokken uit amv-opvanglocaties tussen 2015 en april 2019. De cijfers van het COA en Nidos heb ik echter nog niet kunnen verifiëren en bevatten wellicht nog onderlinge dubbeltellingen of andere onzuiverheden. Jongeren die in het toezicht worden aangetroffen en met onbekende bestemming vertrekken voordat zij kunnen worden geregistreerd in Ter Apel, worden nog niet opgevangen in een amv-opvanglocatie en maken geen deel uit van het door NRC genoemde aantal. Op basis van de verschafte gegevens van het COA en Nidos kan geen uitspraak gedaan worden over het aantal amv’s dat nog vóór aankomst in Ter Apel vertrekt met onbekende bestemming, omdat hiervan geen centrale registratie plaatsvindt.
Het aantal dat op 2 mei 2019 in antwoord op vraag 3 naar uw Kamer is verzonden is gebaseerd op cijfers van alleen het COA. Het betreft het aantal amv’s dat zelfstandig zonder toezicht is vertrokken uit opvanglocaties van het COA tussen 2014 en februari 2019. Cijfers van het Nidos zijn hier niet in opgenomen. Aanleiding voor de Kamervragen van 4 april 2019 was een aflevering van het programma Argos. De cijfers die in deze aflevering door Argos werden genoemd – en waar in vraag 3 om werd gevraagd –, had Argos van het COA verkregen via een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot het antwoord op vraag 3 van de Kamervragen van 4 april 2019?2 Zijn de verdwijningen van bij het Nidos geplaatste kinderen daar niet in opgenomen? Zo ja, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van kinderen die zich in Nederland bevinden?
Ik acht het van belang dat jonge migranten veilig in Nederland kunnen verblijven. Over de verschillende maatregelen die worden genomen om het vertrek met onbekende bestemming van amv’s uit de opvang tegen te gaan en om jongeren te beschermen tegen mensenhandel heeft mijn voorganger uw Kamer reeds meerdere keren geïnformeerd (bijvoorbeeld in de beantwoording van Kamervragen van de leden Bouali en Groothuizen van 12 november 2018).
Bij brief van 24 april 2019 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd dat de komende maanden twee gerelateerde onderzoeken worden uitgevoerd. Allereerst wordt een analyse uitgevoerd van de gegevens die bij de samenwerkingspartners binnen de migratieketen beschikbaar zijn over het vertrek met onbekende bestemming van amv’s uit de opvang. Deze analyse zal een beter beeld geven van de problematiek en de daarbij horende aantallen. Vooralsnog bestaat het beeld binnen de keten dat het vooral jongeren van 16 en 17 jaar oud betreft.
Daarnaast voert het EMM een fenomeenonderzoek uit dat twee onderzoeksrichtingen kent. Enerzijds zal het EMM onderzoek doen naar de omvang van- en de omstandigheden waarin vreemdelingen met de Vietnamese nationaliteit met onbekende bestemming uit de beschermde opvang zijn vertrokken in de periode 2015 tot 2019. Anderzijds zal het EMM onderzoek doen naar de betrokkenheid van vreemdelingen met de Vietnamese nationaliteit bij signalen van- en opsporingsonderzoeken naar mensenhandel en mensensmokkel in Nederland in de periode 2015 tot 2019.
De uitkomsten van deze twee onderzoeken verwacht ik in het najaar. Afhankelijk van de bevindingen daaruit zal gekeken worden welke aanvullende maatregelen moeten worden genomen om het vertrek met onbekende bestemming van amv’s zoveel mogelijk te voorkomen. Ook zal bezien worden of de uitkomsten aanleiding geven om de maatregelen in de beschermde opvang aan te scherpen of anderszins te wijzigen.
Hoe voorkomt u dat deze kinderen in handen vallen van criminelen en mensenhandelaren?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u meer kwetsbare kinderen in de beschermde opvang opnemen? Zo nee, hoe gaat u deze kinderen dan beschermen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat bij kleinschalige opvang de kans dat kinderen verdwijnen geringer is dan bij grootschalige opvang? Zo ja, bent u bereid deze kinderen zoveel mogelijk in kleinschalige opvang onder te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat een gezamenlijke opvang van kinderen met respectievelijk veel en weinig kans op een status, beter is dan gescheiden opvang, omdat dat nadelig uitpakt voor kinderen met weinig kans op een status?
Met de inwerkingtreding van het nieuwe amv-opvangmodel in 2016 is doelbewust gekozen voor het apart opvangen van jongeren afhankelijk van hun status. Volgens het opvangmodel is COA verantwoordelijk voor de opvang van jongeren die in afwachting zijn van een beslissing op hun verblijfsaanvraag en jongeren van wie de verblijfsaanvraag is afgewezen. Nidos is verantwoordelijk voor de opvang van amv’s met een verblijfsvergunning (en de opvang in opvanggezinnen van jongeren onder de 15 jaar).
Het idee achter de gescheiden opvang is dat dit duidelijkheid schept over het toekomstperspectief van de jongeren, waardoor zij beter begeleid kunnen worden naar integratie dan wel terugkeer. In het rapport over de evaluatie van het amv-opvangmodel dat in 2018 is uitgevoerd, gaf ABDTOPConsult aan dat het nader onderzoek verdient wat amv’s zelf vinden van gescheiden opvang naar perspectief (integratie of terugkeer), omdat dit niet bekend is. Ik kan uw Kamer informeren dat het WODC in mei 2019 is begonnen met een onderzoek naar amv’s die sinds 2014 een asielaanvraag hebben ingediend in Nederland. Als onderdeel van dit onderzoek zal worden gekeken wat de ervaringen zijn van jongeren van wie de asielaanvraag is afgewezen met gescheiden opvang.
Gaat u zorgen voor voldoende politie-inzet voor het terugvinden van verdwenen kinderen alsmede voor het opsporen en vervolgen van mensenhandelaren?
De problematiek van jongeren die met onbekende bestemming de opvang verlaten heeft de aandacht van de politie. Indien de politie een melding van vermissing binnen krijgt, wordt deze afgehandeld conform de landelijke werkinstructie vermiste personen. Deze werkinstructie is van toepassing bij alle vermissingen ongeacht nationaliteit. In de werkinstructie wordt onderscheid gemaakt tussen een vermissing van volwassenen en van jongeren. In het geval dat het een vreemdeling betreft, wordt door de basispolitiezorg informatie ingewonnen bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel. Over de wijze waarop de melding van een vermissing van een minderjarige vreemdeling wordt gedaan, zijn afspraken gemaakt met het NIDOS om dit gelijk te trekken met de wijze waarop vermissingen van minderjarigen uit instellingen worden gemeld.
Daarnaast is er de afgelopen periode al flink geïnvesteerd in de aanpak van Mensenhandel binnen de politie. Naast de middelen die eerder beschikbaar zijn gesteld aan het OM en de politie (2 miljoen euro), is in het regeerakkoord sprake van een flinke intensivering voor de aanpak mensenhandel. Onder andere worden ieder jaar 20 extra rechercheurs opgeleid tot gecertificeerd mensenhandelrechercheurs. Ook worden de komende drie jaar alle eerstelijns politiemedewerkers (die in hun dagelijks werk te maken kunnen krijgen met mensenhandel) getraind in het herkennen van signalen van mensenhandel.
Daarnaast is het thema Mensenhandel opgenomen in de A-lijst van de veiligheidsagenda van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Voor een uitwerking van de veiligheidsagenda op het thema Mensenhandel verwijs ik naar het halfjaarbericht dat begin juli aan uw Kamer wordt gezonden. Hierin wordt onder andere gemeld dat met de doorontwikkeling van het informatiebeeld verschillende politiedomeinen (waaronder opsporing) beter worden verbonden. Dit omvat ook een versterkte samenwerking met het landelijke samenwerkingsverband EMM en andere externe partners.
De politie werkt aan het verbeteren van haar informatiepositie op het gebied van het verdwijnen van minderjarige vreemdelingen. Daarvoor werkt de politie nationaal en internationaal samen met ketenpartners.
Voorts merk ik op dat ik graag de uitkomsten van de onderzoeken afwacht die genoemd zijn in de beantwoording van de vorige vragen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het komende algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid?
Ja.
Examens van 38 eindexamenleerlingen van de Duin en Kruidbergmavo uit Driehuis aangetekend op weg waren naar de tweede correctie, maar niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Opnieuw examens per post verdwenen. Voor vierde keer raak in één week»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat er opnieuw examenwerk van examenkandidaten bij de postverwerking is verdwenen?
Scholen zijn op basis van het Eindexamenbesluit vo (artikel 41, tweede lid) zelf verantwoordelijk voor de verzending van het werk aan de tweede corrector. In de examenprotocollen van de VO-raad is opgenomen dat scholen het werk aangetekend verzenden. Hiermee wordt goed geborgd dat er een bevestiging is van zowel verzending als ontvangst en kan het werk worden getraceerd. Er zijn geen aanwijzingen dat de betreffende scholen zich niet aan de geldende regels of protocollen hiervoor hebben gehouden. Scholen mogen er op vertrouwen dat na het afgeven van de examens aan de verzenddienst er zorgvuldig met de post wordt omgegaan.
Hoe beoordeelt u of verzending van examenwerk per aangetekende post nog betrouwbaar is nu dit voor de vierde maal is misgegaan in één week?
In de regel is verzending van het examenwerk per aangetekende post betrouwbaar. Het kan in uitzonderlijke gevallen voor komen dat hierbij iets mis gaat en ieder jaar zijn er enkele van deze gevallen. Navraag bij de Inspectie van het Onderwijs hierover wijst uit dat er dit jaar zes gevallen bekend zijn. Bij drie van die gevallen ging het om eenzelfde busje van PostNL, dat gebruikt werd om werk tussen deze drie scholen te verzenden (voor tweede correctie). In totaal betrof het in vier van de zes gevallen diefstal en tweemaal is er sprake van vermissing van de poststukken. Bij één van deze twee scholen waar er sprake was van vermissing van de poststukken zijn de examens inmiddels terecht.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is ten opzichte van examenkandidaten als telkens sommigen voortaan examens moeten overdoen ten gevolge van zulke fouten in de postverwerking?
Voor leerlingen is het uiteraard zeer vervelend als zij reeds gemaakte examens moeten overdoen als gevolg van het zoekraken van het gemaakte werk. Het is voor de borging van de kwaliteit van diploma’s wel erg belangrijk dat er een volledige eerste en tweede correctie van de examens plaatsvindt. Dit is uiteindelijk ook in het belang van de leerling.
Wat voor alternatieven ziet u als PostNL niet in staat mocht blijken de verzending van aangetekende post voortaan vlekkeloos te laten verlopen? Kan het werk scannen en mailen voor de tweede correctie zo’n alternatief vormen?
Over het algemeen verloopt het verzenden van examenwerk zonder problemen. Scholen kunnen er voor kiezen het werk voor verzending te kopiëren. Dit kan uitkomst bieden voor het alsnog of opnieuw uitvoeren van een volledige correctie in het geval dat werk verdwijnt. Als het gemaakte werk verdwijnt nadat de tweede correctie is verricht en de eerste en tweede corrector de score aantoonbaar hebben vastgesteld, hoeft het examen niet opnieuw gemaakt te worden. Het is echter wel belangrijk dat het originele leerlingenwerk fysiek aan de tweede corrector wordt verzonden. Bij het verzenden van kopieën of bij het scannen en mailen van het werk is er een groter risico op fraude, bijvoorbeeld door digitale manipulatie van het gemaakte werk. Scannen en mailen is daarnaast kwetsbaar voor hacking en storingen van ICT-systemen.
Het faillissement van Huize de Berg |
|
Maarten Hijink (SP), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het ontstaan van het faillissement van Huize de Berg in Heerlen?1
Ik heb bij de IGJ, NZa en de Blueprint Group navraag gedaan over de situatie bij Huize de Berg. Zij melden mij het volgende:
Huize de Berg is een kloostercomplex waar ongeveer vijftig zusters van de Kleine Zusters van de Heilige Joseph wonen. Tot 2018 was het klooster eigendom van de congregatie, die ook eigen personeel in dienst had. De congregatie heeft het complex in 2018 verkocht aan de Blueprint Group en huurt het sindsdien van hen. De medewerkers die in dienst waren van de congregatie zijn toen overgegaan naar Allerlei Gastvrij (een dochter-bv van de Blueprint Group, tevens bekend onder de naam Hospitality & Service Nederland BV).
Allerlei Gastvrij levert facilitaire dienstverlening aan de zusters in het klooster, zoals maaltijden en schoonmaak. Een deel van de zusters (ongeveer twintig) ontvangt ook zorg via een Volledig Pakket Thuis. Deze zorg werd en wordt geleverd door zorginstelling Bergweide.
Het faillissement heeft betrekking op Allerlei Gastvrij. Zoals hierboven beschreven leverde Allerlei Gastvrij geen zorg, maar dienstverlening in Huize de Berg. De zusters nemen deze dienstverlening nu af bij een andere partij. Het faillissement heeft geen invloed op Bergweide, dat nog steeds de zorg aan de zusters in Huize de Berg levert.
De curator heeft op basis van de Faillissementswet de taak om onderzoek te doen naar de oorzaken van het faillissement. Ik kan vanuit mijn positie geen oordeel vellen over dit specifieke geval.
Vindt u het acceptabel dat Huize de Berg over de rug van zusters en personeelsleden is doorverkocht aan een commerciële partij die vervolgens een faillissement heeft aangevraagd en het personeel heeft ontslagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat de medewerkers van Huize de Berg niet onder de zorg-cao vallen, maar onder de cao van de horeca? Kunt u dit laten uitzoeken? Zo nee, waarom niet?
De medewerkers van Allerlei Gastvrij verlenen geen zorg maar dienstverlening. De medewerkers van Bergweide, die de zorg verlenen aan de zusters in Huize de Berg, vallen onder de cao VVT.
Gaat u ervoor zorgen dat personeel hun gemiste salaris en vakantiegeld krijgen uitbetaald? Zo nee, waarom niet?
Bij een faillissement hebben werknemers -als zij aan de voorwaarden voldoen- recht op een uitkering op grond van hoofdstuk 4 van de WW. De werknemer kan bij een faillissement een beroep doen op de loongarantieregeling waarbij UWV salarisaanspraken overneemt (op basis WW). Het gaat om het loon over maximaal dertien weken voorafgaande aan het ontslag, vakantiegeld en vakantiedagen tot maximaal een jaar terug en het loon over de opzegtermijn tot maximaal zes weken. Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt het personeel dat zorg levert (werkzaam bij Bergweide) niet geraakt door het faillissement.
Is het waar dat Blueprint Group voornemens is een doorstart te maken met Huize de Berg in een zuster-bv? Wilt u dit laten uitzoeken? Zo nee, waarom niet?
Blueprint Group heeft mij laten weten niet voornemens te zijn om een doorstart te maken in een zuster-bv.
Kunt u een overzicht verstrekken van de bv's die zorgconsortium Blueprint Group herbergt? Zo nee, waarom niet?
Concernrelaties, voor zover het bv’s betreft met 100% aandeelhouderschap, zijn voor iedereen die daar inzicht in wil hebben, openbaar beschikbaar via het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Een overzicht van aan de Blueprint Group gerelateerde rechtspersonen heb ik bijgevoegd (zie bijlage)2.
Leefbaar loon in de kledingindustrie |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op het rapport van de Schone Kleren Campagne over het feit dat grote kledingverkopers nauwelijks kunnen aantonen dat degenen die hun product maken een leefbaar loon ontvangen, terwijl zij dit wel als doel benoemen voor hun inkoopbeleid?1
Het rapport heeft het beleid van twintig modemerken onderzocht, waaronder twee Nederlandse merken, C&A en G-Star, die onder het Nederlandse Convenant Duurzame Kleding en Textiel (hierna: het textielconvenant) vallen. Het kabinet betreurt de situatie die het rapport beschrijft en deelt de opvatting van de Schone Kleren Campagne dat kledingmerken concrete stappen moeten zetten om de kloof tussen feitelijke lonen en leefbare lonen te dichten. Dat is ook de afspraak in het Nederlandse textielconvenant. Zie hiervoor ook de antwoorden op de Kamervragen van 23 november 2018 over het leefbaar loon beleid van H&M (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 741).
Wat onderneemt u om leefbare lonen in de productielanden op de agenda te krijgen? Welke resultaten zijn op dit vlak te benoemen? Is een eventueel gebrek hieraan aanleiding om uw beleid te wijzigen?
Leefbaar loon en leefbaar inkomen is een beleidsprioriteit binnen de BHOS-agenda. Voor de uitvoering van deze agenda wordt samengewerkt met de ILO, het partnerschap van Fair Wear Foundation, CNV Internationaal, Mondiaal FNV en de Schone Kleren Campagne. Ook binnen het IMVO-textielconvenant, gericht op de Nederlandse markt en waarbij de overheid partij is, is leefbaar loon een prioritair thema. Het Convenant zoekt internationale samenwerking en opschaling met bestaande initiatieven, waaronder ACT2.
Daarnaast agendeert het kabinet het onderwerp rechtstreeks bij overheden van productielanden. De inzet vanuit het kabinet op leefbaar loon richt zich voornamelijk op de landen Bangladesh, Cambodja, Ethiopië, India, Indonesië, Myanmar en Vietnam. In Ethiopië, India, Indonesië en Vietnam werkt de ILO met steun van Nederland aan een methode voor berekening van kosten van levensonderhoud, als basis voor de bepaling van het niveau van het wettelijk minimumloon. De ILO betrekt daarbij overheden, werkgevers en vakbonden. Nederland en de ILO spannen zich in om onder andere in de textielsector inkopende merken bij dit project te betrekken, ter bevordering van afspraken over lonen die de kosten van levensonderhoud van werknemers kunnen dekken.
Hoewel de betaling van een leefbaar loon geen eenvoudige kwestie is, ziet het kabinet dat kennis over het onderwerp toeneemt en de noodzaak van leefbaar loon steeds meer wordt erkend, zowel door overheden als bedrijven. Het kabinet ziet dan ook de eerste voorzichtige positieve ontwikkelingen, met name waar het gaat om de verhoging van minimumlonen. Zo zal Ethiopië naar verwachting in 2020 voor het eerst een minimumloon invoeren. In India wordt de benchmark voor kosten van levensonderhoud besproken als basis voor verhoging van het minimumloon. En in Vietnam overweegt de overheid in de arbeidswet vast te leggen dat er bij de vaststelling van het wettelijk minimumloon rekening moet worden gehouden met de kosten van levensonderhoud.
Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding om de koers van haar beleid te wijzigen.
In hoeverre zijn leefbare lonen onderdeel van het convenant Duurzame kleding en textiel? In hoeverre zijn de hierover in het convenant opgenomen regels afdwingbaar?
Het thema leefbaar loon is een van de negen prioritaire thema’s in het textielconvenant. De convenantspartijen hebben afgesproken ernaar te streven dat in 2020 een leefbaar loon in de productie- of toeleveringsketen wordt betaald. Deze ambitieuze doelstelling vergt van aangesloten bedrijven dat zij zich maximaal moeten inspannen voor leefbare lonen. Hieronder valt dat bedrijven het risico op het niet betalen van een leefbaar loon moeten identificeren, mitigeren en voorkomen, bijvoorbeeld aan de hand van hun inkoopprocessen. Ook worden de bedrijven geacht de kloof tussen gangbare lonen en leefbare lonen bij hun producenten in beeld te brengen en te overbruggen. Het textielconvenant heeft een klachten- en geschillenmechanisme, voor het geval dat afspraken niet worden nagekomen. Dat betreft ook de afspraken over leefbare lonen. Deze zomer moeten de bedrijven in hun actieplannen aangeven welke acties met betrekking tot leefbaar loon zij zullen ondernemen. De voortgang hiervan wordt jaarlijks gemonitord.
Daarnaast voeren convenantspartijen gezamenlijk, en in samenwerking met (internationale) steunbetuigers, een project uit gericht op leefbaar loon. Binnen dit project hebben bedrijven een training gevolgd over leefbaar loon. Deze training is verplicht voor alle bij het convenant aangesloten bedrijven. De training ondersteunt bedrijven bij het vormgeven van hun acties ten aanzien van leefbare lonen. Ook worden dit jaar trainingen gegeven aan productielocaties in de keten van Nederlandse textielmerken.
Neemt u leefbare lonen op in uw evaluatie van het convenantenbeleid en bent u bereid het bieden van een leefbaar loon op te nemen als afdwingbaar criterium in eventuele wetgeving die gaat volgen op dit beleid?
De evaluatie van het convenantenbeleid is erop gericht om inzicht te krijgen in de resultaten van de IMVO-convenanten en de mate waarin deze de implementatie van de OESO-richtlijnen en de UNGP’s door bedrijven in hoog risicosectoren bevorderen. Resultaten op het gebied van leefbaar loon maken daar deel van uit, zeker voor de convenanten die aparte afspraken over leefbaar loon hebben gemaakt. Op basis van deze evaluatie, en andere onderzoeken, consultaties en kennissessies, wil het kabinet bezien of en zo ja, welke aanvullende maatregelen nodig zijn binnen een verbeterd IMVO-beleid.
Kunt u aangeven hoe de kostprijs van kledingstukken in productielanden zich verhouden tot de verkoopprijs in Nederlandse winkels? Zou het bieden van een leefbaar loon in een land als Bangladesh tot significante prijsverhogingen leiden? Zo ja, wie profiteert hier het meest van in de keten en ziet u mogelijkheden om verkoopprijzen gelijk te houden bij het bieden van een leefbaar loon?
Kledingmerken stellen zelf hun winkelprijzen vast. Die prijzen lopen sterk uiteen. Fair Wear Foundation geeft aan dat zij in de textielsector waarnemen dat de kostprijs per schakel percentagegewijs verder verhoogd wordt. Ze schatten hierbij in dat tussen de kostprijs van een kledingstuk in een productieland en de verkoopprijs in de Nederlandse winkels een prijsverhoging met een factor zes zit. Aangezien de looncomponent maar een deel uitmaakt van de kostprijs, hoeft een verhoging hiervan niet per definitie tot een significant hogere prijs te leiden. Naast leefbare lonen kunnen zowel andere sociaal- en milieu gerelateerde kosten als kosten in de schakels voorafgaand aan de fabriek, leiden tot een verhoging van de kostprijs.
Omdat elk kledingmerk haar keten anders heeft georganiseerd is niet te zeggen welke schakel in de keten het meest profiteert van het verhogen van de verkoopprijs in de textielfabriek. Daarbij wordt de kostprijsverhoging door de keten heen niet alleen veroorzaakt door winstopslag, maar ook door zaken als invoerheffingen en BTW.
Er zijn evenwel voorbeelden van bedrijven die zorgen voor koopkrachtverbetering van werknemers zonder dat de kosten hiervan verder in de keten tot (grote) prijsverhogingen leiden. Dit kan bijvoorbeeld door het financieren van voorzieningen als gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting of transport voor werknemers. Kledingmerken kunnen ook het aantal schakels in de keten verminderen door werkzaamheden zelf uit te voeren, of andere voorwaarden stellen aan het verdienmodel van een ketenpartij. Om de verhoging van winkelprijzen als gevolg van het betalen van leefbare lonen beperkt te houden, zouden textielbedrijven meer met genoemde alternatieven kunnen experimenteren. Merken kunnen er uiteraard ook voor kiezen de consequentie van hogere kosten voor hun rekening te nemen en deze al dan niet door te berekenen in de winkelprijs. Er zijn voorlopers die deze keuzes maken.