Onrust onder BIG geregistreerde verpleegkundigen met een diploma van voor 2012 |
|
John Kerstens (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zo veel ervaring, toch terug naar school»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de onrust die is ontstaan onder veel ervaren verpleegkundigen naar aanleiding van de presentatie van de Wet Big II en het voornemen dat BIG geregistreerde verpleegkundigen met een diploma ouder dan 2012 een cursus of toets zullen moeten doen om zich te kunnen registeren als regieverpleegkundige?
De signalen over de overgangsregeling hebben mij bereikt. Uit die signalen blijkt dat er nog vragen over de overgangsregeling zijn. Allereerst wil ik opmerken dat de functiedifferentiatie een wens is van veldpartijen die al ruim 40 jaar leeft. Omdat het niet gelukt is die functiedifferentiatie door te voeren op de werkvloer hebben de beroepsorganisatie, de werkgeverspartijen en de werknemerspartijen mij gevraagd om de functiedifferentiatie in de Wet BIG te regelen. De afgelopen jaren is intensief gewerkt aan het vaststellen van een overgangsregeling. Dat het een complex vraagstuk is blijkt uit het feit dat er meerdere commissies zijn ingesteld en dat er een onderzoek naar is uitgevoerd. Inmiddels is er op basis van het rapport van de commissie Meurs onder de beroepsorganisatie, de werkgeverspartijen en de werknemerspartijen breed draagvlak voor de overgangsregeling zoals die in de kamerbrief van 5 juni jl. uiteen is gezet.2
Het klopt dat de overgangsregeling van bepaalde groepen verpleegkundigen nog vraagt dat zij ofwel scholing volgen ofwel een toets doen. Immers, de commissie heeft geoordeeld dat het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 dé norm is voor registratie als regieverpleegkundige. Rekening houdende met het gegeven dat verpleegkundigen tijd nodig hebben om aan die kwalificaties te kunnen voldoen, is samen met bovengenoemde partijen gekozen voor een ruime overgangsregeling. Een grote groep verpleegkundigen krijgt direct toegang tot het register van regieverpleegkundigen. Pas over vijf jaar, op het moment van herregistratie, zullen zij moeten aantonen dat zij in die periode de scholing, dan wel de toets met succes hebben afgerond.
Kunt u toelichten waar de grens van 2012 vandaan komt? Hoe verschilt een verpleegkundige met een opleiding uit 2011 van een verpleegkundige met een opleiding uit 2013? En hoe verschillen zij volgens u in competenties met een verpleegkundige met een opleiding uit 1985 met 30 jaar ervaring? Deelt u de mening dat opleiding niet automatisch zwaarder weegt dan ervaring?
De grens van 2012 komt voort uit het advies van de commissie Meurs. De commissie van deskundigen heeft in haar advies geoordeeld dat oud hbo-opgeleide verpleegkundigen die vanaf 2012 zijn afgestudeerd in dezelfde mate de benodigde competenties beheersen als de verpleegkundige met een Bachelor Nursing 2020 diploma, wat het uitgangspunt is van de commissie. De commissie van deskundigen heeft daarom geoordeeld dat deze groep zich direct kan laten registreren als regieverpleegkundigen.
In aanloop naar de invoering van het opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 zijn opleidingen al wijzigingen in hun curricula door gaan voeren. De commissie heeft hier rekening mee willen houden in haar advies, hetgeen geleid heeft tot de 2012-grens. Deze grens is dus coulanter dan dat je strikt zou uitgaan van de datum waarop het Bachelor Nursing 2020 opleidingsprofiel is gestart, namelijk september 2016. Met de huidige regeling, waarvoor zoals gezegd breed draagvlak is onder de beroepsorganisatie, werkgevers- en werknemerspartijen, kunnen dus méér hbo-verpleegkundigen zich direct registreren als regieverpleegkundige zonder het hoeven doen van een toets.
Hoewel ervaring vanzelfsprekend zeer waardevol is voor de uitoefening van het vak, gaat het systeem van de Wet BIG uit van behaalde diploma’s. Ook de overgangsregeling sluit bij deze vaste systematiek aan. Verder verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 7.
Houdt u rekening met het risico dat naar aanleiding van deze functiedifferentiatie en de onrust die is ontstaan nog meer verpleegkundigen de zorg kunnen verlaten? Zo ja, met welke uitstroom als gevolg van de nieuwe eisen houdt u rekening? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben de signalen over de overgangsregeling mij bereikt. Of het voorstel ertoe gaat leiden dat meer verpleegkundigen de sector verlaten, kan ik niet voorspellen. Alle betrokkenen bij het advies van de Commissie Meurs willen, evenals ik, natuurlijk geen vergrote uitstroom. Daarom is sprake van een brede overgangsregeling, zodat een grote groep verpleegkundigen zich op termijn kan registreren als regieverpleegkundige in het BIG-register.
Daarbij wordt al langer voorlichting gegeven aan verpleegkundigen over de vraag of iedereen regieverpleegkundige zal willen worden. Het gaat immers ook over een ander takenpakket en het is geen verplichting om regieverpleegkundige te worden als men voldoet aan de kwalificaties. Tevens zullen werkgevers zelf bezien hoeveel regieverpleegkundige functies zij willen creëren. Indien men in het register van regieverpleegkundige wil blijven staan na 5 jaar, zal men ook aan de bijbehorende werkervaringsuren moeten hebben voldaan. Zo ontstaat na 5 jaar een nieuwe mix van verpleegkundigen en regieverpleegkundigen op de werkvloer.
Hoe beziet u dit risico in het licht van het toch al grote verpleegkundigentekort? Welke gevolgen zal een nog verdergaande uitstroom hebben op de werkdruk van verpleegkundigen en wachtlijsten voor patiënten en cliënten?
Zie de beantwoording van vraag 4. Zolang de HBO-opleiding tot verpleegkundige bestaat, is er de wens in het veld om ook op de werkvloer onderscheid tussen MBO en HBO opgeleiden te maken. Met het voorstel beoog ik op verzoek van partijen bij te dragen aan een duidelijkere en sterkere rol voor verpleegkundigen, en daarmee ook een groter werkplezier. Immers, (regie)verpleegkundigen kunnen door de functiedifferentiatie beter worden ingezet op taken waarvoor ze zijn opgeleid en waarin ze deskundig zijn. Een verhoogde uitstroom vanwege het voorstel voor functiedifferentiatie is vanzelfsprekend onwenselijk en de commissie heeft in haar advies dan ook ruimhartig rekening gehouden met de huidige situatie op de arbeidsmarkt. Dat neemt niet weg dat eenmalig een overgangsregeling nodig is om het onderscheid in registers tot stand te brengen. De duidelijkheid en daarmee het beoogde grotere werkplezier, zou idealiter aan een grotere instroom moeten bijdragen.
We zien dat de redenen voor uitstroom vooral gaan over waardering van leidinggevenden en management, werkdruk en ook de ruimte om zelf te kunnen handelen. Met het actieprogramma Werken in de Zorg zijn we hiermee aan de slag. Hiervoor verwijs ik naar de voortgangsrapportage van 22 mei 2019.3 Tot slot is het belangrijk dat verpleegkundigen met hun werkgever in gesprek gaan over de mogelijkheden tot het krijgen van een functie van regieverpleegkundige en welke afspraken zij daarover maken om daar te komen.
Bent u het eens dat gezien de grote uitstroom onder verpleegkundigen en ondanks dat het goed is dat er eisen worden gesteld aan zo’n belangrijke beroepsgroep, een verpleegkundige die vóór 2012 is afgestudeerd en sindsdien goed haar of zijn werk heeft gedaan en deskundigheid op peil heeft gehouden niet mag aanlopen tegen onnodige drempels om zijn of haar werk voort te zetten? Zo ja, bent u bereid deze onnodige drempels weg te nemen en de eisen te heroverwegen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Het vak van regieverpleegkundige is zoals verwoord in de kamerbrief van 5 juni jl.4 een nieuw beroep met nieuwe competenties. Hoewel de HBO-verpleegkunde opleiding al circa 45 jaar bestaat is de functiedifferentiatie tot op heden nog niet algemeen in de praktijk doorgevoerd. In het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 is uitdrukkelijk rekening gehouden met de huidige en toekomstige zorgvraag. Daarmee is het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 passend bij het nieuwe beroep van regieverpleegkundige. De betrokkenen bij het advies van de Commissie Meurs zien, evenals ik, het doen van een toets of het volgen van scholing daarom niet als een onnodige drempel, maar als een manier om aan te tonen dat eerder afgestudeerde verpleegkundigen met een ouder opleidingsprofiel ook aan de competenties van het Bachelor Nursing 2020 opleidingsprofiel voldoen. Ook hier wil ik benadrukken dat er breed draagvlak is onder voornoemde partijen voor het volgen van scholing of het doen van een toets.
Bent u bereid te bezien of het in andere sectoren toegepaste systeem van «erkenning (van) verworven competenties» (EVC) in dezen zou kunnen worden toegepast waardoor meer recht wordt gedaan aan door betrokkenen opgedane praktijkervaring? Zo nee, waarom niet?
De optie van een EVC-traject kan mogelijk een uitkomst bieden in het bepalen van de vrijstellingen voor het scholingsprogramma. De mogelijkheden hiervan dienen nog te worden onderzocht tijdens de ontwikkeling van het scholingsprogramma.
Achtergehouden informatie van mogelijke fouten met examens |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Calvijn College verprutst examens?1
Ja.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs u reeds op de hoogte gesteld van de onrust op het Calvijn College?
Ja, de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft mij hierover op 13 juni geïnformeerd.
Bent u reeds in contact met het betreffende College, ouders en leerlingen? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn te doen?
Het contact met de school verloopt via de inspectie.
Deelt u de mening dat dergelijke informatie onder geen enkele voorwaarden achtergehouden mag worden voor ouders en leerlingen?
Ik ben van mening dat ouders en leerlingen van een school mogen verwachten dat deze transparant is, zeker over belangrijke zaken zoals een vertraging in de bekendmaking van de uitslag van het eindexamen. Ik betreur dan ook de mogelijke verwarring en onduidelijkheid die door de eerste berichtgeving van de school hierover aanvankelijk is ontstaan. Zoals ik in mijn brief van 14 juni jongstleden aan uw Kamer heb gemeld is de oorzaak van de vertraging terug te voeren op geconstateerde onvolkomenheden in de afronding van het programma van toetsing en afsluiting, en in de registratie daarvan. Dit weekend heeft de school gewerkt aan het in kaart brengen aan de benodigde informatie. De inspectie hoopt het onderzoek zo snel mogelijk af te ronden.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de leerlingen en ouders voor het weekend duidelijkheid krijgen en deze vragen voor het weekend te beantwoorden?
De school heeft ouders en leerlingen afgelopen vrijdag telefonisch geïnformeerd over de stand van zaken en zal hen op de hoogte houden van het verdere proces. In het belang van de leerlingen hoop ik dat de onzekerheid niet langer duurt dan nodig is. Alle betrokkenen spannen zich maximaal in om zo snel mogelijk helderheid te krijgen voor de leerlingen en hun ouders. Zoals ik heb toegezegd in mijn brief van 14 juni zal ik ook uw Kamer op de hoogte houden van de stand van zaken.
Het bericht dat Middelburg stelende asielzoekers beu is |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Middelburg is overlast door stelende asielzoekers beu»?1
Ja.
Hoe kan het dat rovende asielzoekers overal in Nederland nog steeds vrij spel hebben, ondanks herhaalde kabinetsbeloften ze aan te pakken?
In de achterliggende periode is er een stevig pakket aan maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken en tegen te gaan. Mijn ambtsvoorganger heeft op 17 april jl. diverse aanscherpingen en een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd. Een van de nieuwe maatregelen betreft het invoeren van een persoonsgerichte aanpak. De verwachting is dat door deze aanvullende landelijke aanpak bestaande maatregelen doeltreffender en slagvaardiger kunnen worden ingezet. Door het intensiever verbinden van de vreemdelingenketen en strafrechtketen, moet het voor de vreemdeling zichtbaar en voelbaar worden dat hij in beeld is van de overheid en dat zijn gedrag niet wordt getolereerd.
Hoe legt u aan de Nederlandse burger uit dat u dit tuig binnen blijft laten en ook belastinggeld uit blijft geven teneinde ze onderdak, leefgeld, gezondheidszorg etc. te geven?
Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen en het sluiten van de asielzoekerscentra geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet spant zich ervoor in ervoor risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven. Zo wordt er onder meer bij de beoordeling van de verblijfsaanvraag rekening gehouden met criminele antecedenten van de vreemdeling en zijn er verschillende maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken.
Realiseert u zich dat het gekkenwerk is iedereen die het woordje «asiel» uitspreekt op te vangen, ongeacht land van herkomst, crimineel verleden etc.? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het dit jaar, in tegenstelling tot vorig jaar, al gelukt om meer dan vijf criminele asielzoekers op grond van de openbare orde van straat te halen en uit te zetten? Zo nee, schaamt u zich niet voor deze absurde wanprestatie?
Uw vraag refereert vermoedelijk aan de tabel die is opgenomen in paragraaf 3.3.5 van de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. In die tabel staat aangegeven hoeveel asielvergunningen op grond van openbare orde aspecten zijn geweigerd of ingetrokken in 2017 respectievelijk 2018, en hoeveel van de betreffende vreemdelingen nog in datzelfde jaar aantoonbaar zijn vertrokken.
Dat vreemdelingen veelal niet in hetzelfde jaar vertrekken als het jaar waarin hen asiel is geweigerd of hun asielvergunning is ingetrokken, is niet verwonderlijk. Vreemdelingen kunnen immers rechtsmiddelen aanwenden tegen het besluit; daarnaast is de snelheid waarmee het vertrek kan worden gerealiseerd afhankelijk van een breed scala aan factoren, waaronder de medewerking van de vreemdeling zelf en diens land van herkomst. Dit wordt ook uitgelegd in de voetnoot bij de tabel. Ik verwacht dan ook dat vreemdelingen aan wie asiel is geweigerd of wiens asielvergunning is ingetrokken in 2019, nog niet of nauwelijks aantoonbaar (uitzetting, vrijwillig vertrek onder toezicht) zullen zijn vertrokken.
Tenslotte wijs ik u op de tabel in paragraaf 6.6 van de RVK 2018. Deze tabel geeft inzicht in het vertrek van criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. Uit deze tabel blijkt dat in 2018 1.140 criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen zijn vertrokken, waarvan 890 aantoonbaar (uitzetting of zelfstandig vertrek onder toezicht).
Bent u bereid een totale asielstop in te stellen, alle asielzoekerscentra te sluiten en alle criminele asielzoekers en statushouders uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De toepassing van de nieuwe werkinstructie voor de beoordeling van lhbti’s en bekeerlingen |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van het COC over de gebrekkige uitvoering van het LHBTI-asielbeleid en van het rapport «Credibility of Conversion» van de Stichting Gave?1 2
Ja
Wat is uw reactie op de kritiek die naar voren komt in beide stukken? Welke kritiek vindt u terecht en welke vindt u niet terecht en waarom?
Ik waardeer het dat belangenorganisaties de IND kritisch volgen. Dat betekent echter niet dat ik het eens ben met de kritiek. Ik baseer mijn standpunt niet alleen op kritiek van belangenorganisaties maar ook op uitspraken van rechters. Uit deze uitspraken blijkt zeker niet dat de IND zijn werk niet goed doet of dat er regelmatig fouten gemaakt worden. Ik sluit echter niet uit dat er af en toe fouten worden gemaakt. Hierna zal ik nader ingaan op de kritiek die door COC en Stichting Gave is benoemd.
Ten aanzien van de beoordeling van lhbti en de kritiek die wordt gegeven op het nog steeds gebruiken van de begrippen bewustwordingsproces en zelfacceptatie en het onvoldoende rekening houden met verklaringen van derden verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3 en 5.
De kritiek in de brief van het COC dat de IND bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid nog steeds gebruik maakt van stereotyperingen herken ik niet. Gelet op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie dient de beoordelende instantie erop te letten dat de beoordeling niet louter op stereotiepe opvattingen berust. Er moet ook rekening worden gehouden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden.3 Het is al geruime tijd staande praktijk dat de IND stereotypen slechts gebruikt indien deze de verklaringen van de vreemdeling ondersteunen. In de werkinstructie lhbti staat ook duidelijk verwoord dat de beoordeling niet gebaseerd mag zijn op vooroordelen.
Dit neemt niet weg dat van een asielzoeker wel mag worden verwacht dat hij kan uitleggen hoe hij zijn seksuele gerichtheid heeft ervaren in een land waarin culturele en religieuze factoren deze gerichtheid sterk afwijzen en hoe hij daarmee is omgegaan. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een niet heteroseksuele gerichtheid maatschappelijk onacceptabel en/of strafbaar is. Hier zullen tijdens het gehoor dus ook vragen over gesteld worden en dit zal ook worden betrokken in de besluitvorming. Ik zie dit echter niet als het gebruik van stereotypering bij het horen en beslissen in lhbti-zaken.
Met de stelling dat te veel de nadruk wordt gelegd op cognitieve aspecten en dat sociale en emotionele aspecten die ten grondslag liggen aan een bekering door de IND worden genegeerd ben ik het niet eens. In de werkinstructie bekeerlingen wordt expliciet aandacht besteed aan de verschillende aspecten die tot een bekering kunnen leiden. Bij het horen en beoordelen van bekeringszaken wordt de persoonlijke beleving van de vreemdeling als uitgangspunt genomen. Daarbij is er ook aandacht voor sociale en emotionele aspecten. Ten aanzien van deze aspecten geldt uiteraard wel dat van de vreemdeling verwacht mag worden dat hij hierover kan verklaren en dat hij aannemelijk moet maken dat sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. De IND zal tijdens gehoren dan ook doorvragen indien de vreemdeling stelt dat sprake is van een bekering die is voortgekomen uit sociale en emotionele aspecten. De praktijk sluit hiermee aan bij hetgeen in de werkinstructie staat.
Ik kan evenmin instemmen met de kritiek dat de IND zaken te veel vanuit een westers perspectief beoordeelt. In de werkinstructie bekeerlingen wordt de persoonlijke belevenis van de vreemdeling als uitgangspunt genomen bij het horen en beoordelen van bekeringszaken. Aldus wordt zoveel mogelijk geprobeerd aan te sluiten bij het (culturele) referentiekader van de vreemdeling. Daarnaast wordt tijdens de opleiding van medewerkers aandacht besteed aan de verschillende achtergronden en referentiekaders van vreemdelingen waar de IND mee te maken krijgt en aan de vraag hoe zoveel mogelijk aansluiting kan worden gezocht bij het referentiekader van de vreemdeling. Dit geldt overigens niet alleen voor gehoren van bekeerlingen, maar voor alle asielgehoren.
Het uitgangspunt in de praktijk is dat begeleide kinderen onder de 12 jaar niet zelfstandig worden gehoord. Kinderen vanaf 15 jaar worden zelfstandig gehoord, zonder aanwezigheid van de ouders. Zij dienen ook een zelfstandige asielaanvraag in. Kinderen van 12 jaar tot 15 jaar worden zelfstandig gehoord indien zij of hun ouders hierom verzoeken. Ik ben van mening dat deze werkwijze een passend en toereikend kader vormt, ook waar het gaat om bekeringszaken.
Sinds enige tijd wordt de IND benaderd met de wens om (zeer) jonge kinderen te horen over hun bekering, veelal nadat de aanvraag van de ouders is afgewezen. Hoewel het is voorgekomen dat de IND in een enkele zaak kinderen onder de 12 jaar heeft gehoord, acht ik dit niet wenselijk. Juist in bekeringszaken geldt dat van dergelijke jonge kinderen niet verlangd kan worden dat zij uitgebreid, onderbouwd en consistent kunnen verklaren over hun proces en de motieven van een bekering, noch dat zij vragen kunnen beantwoorden die zien op een al dan niet diepgewortelde innerlijke overtuiging. Het is voorts lastig, zo niet onmogelijk, om te onderscheiden of er bij jonge kinderen sprake is van een individuele, diepgewortelde innerlijke overtuiging of dat deze kinderen de ouders volgen ten aanzien van het bezoeken van kerkdiensten, het lezen van de Bijbel of het volgen van onderwijs op een christelijke basisschool. Het is ook niet in het belang van kinderen als zij het gevoel krijgen dat de verantwoordelijkheid voor het slagen van de asielaanvraag van hun ouders op hun schouders rust. Als kinderen zelfstandig worden gehoord, zullen dan ook bij de beoordeling van de oprechtheid van de bekering, in ieder geval bij kinderen tot 15 jaar, de verklaringen van de ouders worden meegewogen.
Ten aanzien van de kritiek van Stichting Gave over het erkennen van passieve bekeerlingen en het verdiepen in andere religies verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 6, 7, 8 en 9.
Ten aanzien van het inwinnen van adviezen van externe deskundigen verwijs ik naar de brief van mijn ambtsvoorganger waarin wordt uitgelegd waarom geen gebruik gemaakt wordt van externe deskundigen.4
Klopt het dat de concepten «bewustwordingsprocessen» en «zelfacceptatie» nog steeds worden gebruikt als criteria om de seksuele gerichtheid van asielzoekers mee te toetsen? Erkent u dat deze begrippen daarvoor niet of althans in veel gevallen niet geschikt zijn?
In de brief van mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer van juli 20185 alsmede in bovengenoemde brief van november 2018 staat reeds aangegeven dat er geen nadruk meer gelegd wordt op het bewustwordingsproces en zelfacceptatie en dat deze begrippen om die reden zijn geschrapt uit de werkinstructie. Dat op deze begrippen niet langer de nadruk wordt gelegd betekent echter niet dat deze termen nooit meer gebruikt worden in besluiten van de IND. Zo komt het geregeld voor dat de vreemdeling deze begrippen zelf gebruikt of dat wordt aangevoerd dat in het vorige besluit teveel de nadruk lag op het bewustwordingsproces of zelfacceptatie. In die gevallen zal de IND daarop ingaan in het voornemen, het besluit of in beroep en zullen de termen dus terugkomen. Daarnaast zullen vragen aan de orde komen over persoonlijke ervaringen en gevoelens ten aanzien van de geaardheid en daarmee onlosmakelijk ook over het moment waarop een vreemdeling zich bewust werd van zijn seksuele gerichtheid, zijn eigen reactie daarop en hoe hij hier vervolgens in zijn land van herkomst en later in Nederland mee is omgegaan. Afzien van het stellen van vragen daarover en het meewegen daarvan in de beoordeling zou wezenlijke elementen buiten beschouwing plaatsen. Dat is met de werkinstructie nimmer beoogd.
Deelt u de mening dat asielverzoeken waarin op grond van deze criteria het relaas van de asielzoeker ongeloofwaardig is bevonden opnieuw beoordeeld moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook is aangegeven in de brief van november 2018 houdt de aanpassing van de werkwijze die de IND hanteert bij de beoordeling van asielverzoeken van lhbti en bekeerlingen geen beleidswijziging in. Het betreft hier een verbetering in de wijze van beoordeling van asielverzoeken. Ik zie dus geen aanleiding om in zijn algemeenheid alle zaken opnieuw te beoordelen. Voor wat betreft asielzaken die voor de publicatie van de nieuwe werkinstructie zijn gestart geldt dat, indien de overwegingen vrijwel uitsluitend zagen op het bewustwordingsproces en/of op zelfacceptatie, een aanvullend gehoor of besluit nodig kan zijn. Als dit niet het geval is zal de vreemdeling nieuwe feiten moeten aanvoeren om te komen tot een mogelijke herbeoordeling.
Gaat u de medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), na de uitspraak van de rechtbank Haarlem dat verklaringen van derden niet zonder motivatie ter zijde geschoven mogen worden en dat aangegeven moet worden om welke redenen verklaringen van derden al dan niet tot een ander oordeel leiden, instrueren voortaan in alle gevallen op deze manier te motiveren? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u het feit dat dit nu kennelijk niet altijd gebeurt?
Zowel in de werkinstructie bekeerlingen (WI 2018/10) als in de werkinstructie LHBTI (WI 2018/9) staat beschreven hoe IND medewerkers om moeten gaan met verklaringen van derden. Wat hierbij van belang is, is dat altijd in de motivering van de beslissing van de IND moet worden aangegeven welke betekenis wordt gehecht aan door de vreemdeling overgelegde verklaringen van derden. Dat dit in de zaak waar de uitspraak van de rechtbank Haarlem op ziet niet in voldoende mate is gebeurd, betekent niet dat de algehele systematiek dan wel de algemene uitvoeringspraktijk niet in lijn is met de werkinstructie. Medewerkers van de IND zullen met inachtneming van de uitspraak opnieuw een besluit nemen. Zoals ook in de brief van 13 november aan de Kamer staat beschreven, geldt voor verklaringen van derden dat de IND deze met name beoordeelt op de aanwezigheid van nieuwe feitelijke informatie. Een verklaring van een derde heeft voor de IND dan ook vooral meerwaarde als het gaat om eigen waarnemingen van derden die nieuwe feitelijke informatie bevatten dan wel een bevestiging van feitelijke informatie die al eerder door de vreemdeling naar voren werd gebracht. Een louter andere interpretatie van het asielrelaas, een alternatieve beoordeling van de geloofwaardigheid of een verklaring met de enkele stelling dat iemand lhbti of bekeerd is, zal niet voldoende zijn. Voorts blijft het uitgangspunt dat primair wordt gekeken naar de verklaringen van de vreemdeling. In twijfelgevallen kunnen de verklaringen van derden – mits deze verklaringen daadwerkelijk, zoals bovenbeschreven, een feitelijke toevoeging zijn op het dossier – de doorslag geven.
Hoe komt het dat ook na het van kracht worden van de nieuwe werkinstructie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeringen de passieve vorm van bekering in verschillende gevallen niet erkend of genegeerd wordt?
Ik sluit niet uit dat het in een individuele zaak voorkomt dat een passieve bekering niet als zodanig (h)erkend is, maar het is niet zo dat passieve bekeringen per definitie niet worden (h)erkend of zelfs genegeerd worden. In het kader van de beoordeling van passieve bekeringen geldt geen wezenlijk andere methode van onderzoek en beoordeling dan bij actieve bekeringen. In een voornemen of beschikking hoeft ook niet expliciet te worden aangegeven dat sprake is geweest van een passieve of actieve bekering. Ook is er in veel gevallen geen sprake van een zuivere actieve of een zuivere passieve bekering, maar van een mengvorm van beide.
Bij een passieve bekering zal de IND zich met name richten op de periode na de gebeurtenis die heeft geleid tot de (plotselinge) bekering. Ook indien sprake is van een bekering in een (relatief) korte tijdspanne met een hoog emotioneel effect, mag verwacht worden dat de vreemdeling hierover een authentiek verhaal kan vertellen én aan kan geven waarom een gebeurtenis zo ingrijpend was dat hij om die reden bekeerd is. Verder geldt ook bij een passieve bekering dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat bij hem sprake is van een diepgewortelde overtuiging. Dat de (passieve) bekering een vreemdeling is overkomen en de vreemdeling aangeeft om die reden nu christen te zijn, is voor de IND niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een diepgewortelde overtuiging.
Hoe komt het dat ook na het van kracht worden van de nieuwe werkinstructie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeringen nog steeds van asielzoekers verwacht wordt dat zij zich verdiepen in andere religies, stromingen of zelfs denominaties?
Van asielzoekers wordt in zijn algemeenheid niet verlangd of verwacht dat zij zich verdiept hebben in andere religies of stromingen. Wel kan aan een asielzoeker die stelt zich te hebben bekeerd gevraagd worden waarom hij zich bij een bepaalde stroming of religie heeft aangesloten. Asielzoekers geven soms ook zelf aan zich verdiept te hebben in een bepaalde religie of stroming. In dat geval kan er aanleiding zijn om daarop door te vragen.
Deelt u de mening dat asielverzoeken waarin het onderscheid tussen passieve en actieve vormen van bekering niet gemaakt is of waarin de asielzoeker tegengeworpen is dat hij of zij zich niet verdiept heeft in andere religies, stromingen of denominaties opnieuw beoordeeld zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Ik verwijs hiertoe naar het antwoord op vraag 9.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de motie-Voordewind c.s.?3
In de genoemde motie Voordewind werd verzocht om herhaalde aanvragen van een asielzoeker, waarvan de eerdere bekering was afgewezen omdat de overwegingen uitsluitend zagen op het zich niet hebben verdiept in andere religies en stromingen en aanvragen waarbij geen rekening gehouden was met een passieve bekering, opnieuw te beoordelen conform de nieuwe werkinstructie bekeerlingen.
Indien een vreemdeling van mening is dat van deze situatie sprake is kan hij zich melden voor het indienen van een herhaalde aanvraag. De IND zal dan bezien of de voorgaande asielaanvraag enkel om (één van) deze reden(en) is afgewezen. Indien daarvan sprake is zal de aanvraag opnieuw beoordeeld worden conform de nieuwe werkinstructie. Indien hiervan geen sprake is dient de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag te leggen. Als in een voornemen of beschikking niet expliciet is aangegeven dat sprake is geweest van een passieve of actieve bekering betekent dit niet dat de IND de actieve of passieve bekering niet als zodanig heeft (h)erkend of dat de beoordeling daarvan op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Zoals eerder vermeld zit er immers geen wezenlijk verschil in onderzoek en beoordeling van een passieve of actieve bekering. Ook is er in veel gevallen geen sprake van een zuivere actieve of een zuivere passieve bekering, maar van een mengvorm van beide.
Wanneer gaat u de Kamer informeren over de resultaten van de pilot in het aanmeldcentrum in Den Bosch?
Informatie over de resultaten van de pilot in aanmeldcentrum Den Bosch wordt meegenomen in mijn beleidsreactie op het WODC rapport over de beoordeling van de geloofwaardigheid van asielverzoeken van lhbti en bekeerlingen.
Hoe gaat u zorgen dat de kennis over de beoordeling van bekeerlingen en lhbti’s verspreid wordt in de organisatie en alle IND-medewerkers hier ook van op de hoogte zijn?
De IND hoor- en beslismedewerkers zijn ten tijde van de publicatie geïnformeerd over de nieuwe werkinstructies. Verder vinden er binnen de IND op dit moment workshops plaats over het horen en de beoordeling van bekeerlingen en zal er binnenkort ook gestart worden met workshops over het horen en de beoordeling van lhbti-zaken. Daarnaast zijn op alle asiellocaties bekerings- en lhbti-coördinatoren werkzaam. Medewerkers kunnen de coördinatoren raadplegen bij vragen over het horen en beslissen in deze zaken. De coördinatoren zorgen ook voor verspreiding van kennis ten aanzien van deze onderwerpen. Tevens worden er vaste intervisiemomenten ingebouwd, waarin medewerkers de dilemma’s waar zij bij het horen en de beoordeling van deze zaken mee geconfronteerd worden kunnen bespreken en waarbij best practices gedeeld kunnen worden.
Hoe gaat u zorgen dat de werkinstructie uit 2018 door alle medewerkers nagevolgd wordt?
Zie antwoord op vraag 11.
Het bericht ‘Malmström – Finalizing Mercosur deal is ‘priority number one’’ |
|
Helma Lodders (VVD), Wybren van Haga (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u zich het verzoek van het lid Lodders (VVD) herinneren tijdens het algemeen overleg ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad van 18 juni (AO Landbouw- en Visserijraad van 12 juni 2019) over de stand van zaken van de Mercosur-onderhandelingen?
Ja.
Wanneer kan de Kamer deze brief met de stand van zaken verwachten?
Op 28 juni jl. hebben de Europese Unie en Mercosur een politiek akkoord bereikt over een handelsovereenkomst. Als de geconsolideerde teksten hiervan beschikbaar zijn, zal het Kabinet de balans opmaken van de brede voor- en nadelen van het handelsakkoord, inclusief voor de land- en tuinbouwsector. Een hoofdlijnendocument van het handelsakkoord is door de Europese Commissie gepubliceerd1.
Wordt de inbreng van de Kamer, meegegeven in onder meer Kamervragen van de leden Lodders en Van Haga (documentnummer 2019D22303) waarin zij hun zorg hebben geuit over het feit dat Nederlandse boeren en tuinders geconfronteerd worden met steeds strengere regels en over producten uit die landen die in de Nederlandse schappen terecht komen die onder veel minder strenge voorwaarden zijn geproduceerd en waar chemicaliën aan te pas zijn gekomen die allang in Nederland en in de Europese Unie (EU) verboden zijn, meegenomen in de onderhandelingen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De onderhandelingen met Mercosur zijn in 2001 gestart op basis van een mandaat aan de Europese Commissie. De afgelopen jaren is de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen altijd geweest om te komen tot een gebalanceerd akkoord met ambitieuze afspraken over handhaving van sanitaire- en fytosanitaire standaarden, dierenwelzijn en duurzame ontwikkeling. Ook nu moeten alle naar de EU geëxporteerde producten voldoen aan Europese standaarden, zoals eisen op het gebied van voedselveiligheid, etikettering en consumentenbescherming. Een handelsakkoord met Mercosur verandert hier niets aan. De Europese standaarden worden door een Mercosur akkoord dus niet verlaagd. Zoals eerder geantwoord geldt dit ook voor producten waarvan is aangetoond dat chemicaliën zijn gebruikt die binnen de EU verboden zijn2.
Kunt u ingaan op de «regels van oorsprong» die tijdens de onderhandelingen van 11 tot en met 15 maart 2019 aan bod zijn gekomen? Op welke landbouwproducten wordt gedoeld? Om welke productspecifieke voorschriften in de machine- en chemische sector gaat het?
Voor informatie over de uitkomsten van de onderhandelingen van 11-15 maart 2019 verwijs ik u naar de website van Europese Commissie.
Vanwaar de urgentie bij de Europese Commissie om nog in de maand juni het Mercosur verdrag te sluiten? Is de urgentie aan Europese zijde verstandig voor de Europese onderhandelingspositie?
Aan de zijde van Mercosur was er sprake van nieuw momentum dat een doorbraak in de onderhandelingen mogelijk heeft gemaakt, hetgeen geresulteerd heeft in het politiek akkoord. De Commissie zal vervolgens de uitkomsten van de onderhandelingen voorleggen aan de lidstaten en het Europees parlement ter beoordeling. De Europese Commissie is zich bewust van de gevoeligheden die bij de lidstaten liggen. Samen met andere EU-lidstaten heeft Nederland bij de Europese Commissie aangedrongen op een akkoord met een evenwichtige balans tussen exportbelangen, gevoelige sectoren en duurzaamheidsdoelstellingen.
Hoe hebben uw ambtsgenoten gereageerd op de uitspraken van Eurocommissaris Malmström over de urgentie van een snel akkoord en eventuele concessies op het gebied van landbouw en landbouwproducten?
De reacties delen mijn ambtsgenoten via de bestaande, bekende kanalen. Het is niet aan mij om hun reacties openbaar te maken of te delen.
Welke concessies op het gebied van landbouw en landbouwproducten liggen op dit moment op tafel en hoe verhouden deze zich tot de opbrengsten van het verdrag voor de EU?
De onderhandelingen met Mercosur hebben geleid tot een politiek akkoord tussen de EU en Mercosur. Als de geconsolideerde teksten beschikbaar komen, kan het kabinet de balans op te maken van de voor- en nadelen van het handelsakkoord voor Nederland.
Wat betekenen de eventuele concessies voor Nederland en in het bijzonder de Nederlandse landbouwbelangen? Zijn de gevolgen van eventuele concessies in het meest verregaande geval proportioneel ten opzichte van de te verwachten meerwaarde van het verdrag voor Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Welke voordelen van dit verdrag maken concessies op het vlak van de landbouw proportioneel?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Justitie blundert met persoonlijke brief aan vermoorde Hümeyra’ |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Justitie blundert met persoonlijke brief aan vermoorde Hümeyra»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat het openbaar ministerie (OM) de vermoorde Hümeyra (16) een persoonlijke slachtofferbrief heeft gestuurd?
Er is hier sprake van een ernstige fout, dat betreur ik zeer.
Klopt het dat deze brief ten onrechte is verstuurd aan het slachtoffer in plaats van de nabestaanden? Wat is uw oordeel daarover?
Dat klopt. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven is hier een ernstige fout gemaakt.
Bent u bereid excuses aan te bieden voor deze vreselijke misser? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de nabestaanden van Hümeyra op vrijdag 7 juni een persoonlijke brief gestuurd om mijn spijt te betuigen. Verder heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) mij bericht dat het ook een brief heeft gestuurd om spijt te betuigen. De hoofdofficier van justitie heeft een persoonlijk gesprek gehad met de familie. Dit is volgens het OM een open en constructief gesprek geweest waarbij de hoofdofficier van justitie excuses heeft aangeboden voor de adressering.
Deelt u de mening dat deze brief symbool staat voor de missers die uw ministerie heeft gemaakt in de zaak van Hümeyra? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Dit laat echter onverlet dat ik me realiseer dat het ontvangen van de brief uiterst pijnlijk moet zijn geweest voor de nabestaanden van Hümeyra.
Kunt u al iets melden over het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar het handelen van de betrokken instanties? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie kan op dit moment nog niets zeggen over de uitkomsten omdat het onderzoek nog in volle gang is. De bevindingen van de Inspectie zijn inmiddels voor een factcheck (wederhoor) aan de betrokken organisaties voorgelegd.
Naast de politie heeft de Inspectie (meerdere) gesprekken gevoerd met de Reclassering, Veiligheidshuis, Slachtofferhulp Nederland, de advocate van de familie van Hümeyra en Veilig Thuis. Aan het OM heeft de Inspectie schriftelijk vragen gesteld zoals de afgesproken werkwijze tussen de Inspectie en het OM voorschrijft. Ook heeft de Inspectie met de familie van Hümeyra gesproken. In dat gesprek heeft de Inspectie hun werkwijze uiteengezet, verteld wat de stand van zaken is, wat wel en niet in het rapport wordt besproken en wat de planning van het onderzoek is. Ook heeft de Inspectie met hen afgesproken dat ze voorafgaand aan de publicatie van het rapport (persoonlijk) een toelichting aan de familie geven.
Deelt u de mening dat de overheid moet zorgen voor bewaking van mensen die bedreigd worden? Zo ja, is dit volgens u goed geborgd?
Zoals gezegd kan ik niet vooruitlopen op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In zijn algemeenheid vormt in geval van bedreiging een melding of aangifte het startpunt voor de politie en het OM om af te wegen of, en zo ja, welke beveiligingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De overheid is aan zet voor het nemen van aanvullende beveiligingsmaatregelen wanneer blijkt dat personen en organisaties zelf niet voldoende weerstand kunnen bieden tegen dreiging en risico.
Vindt u het de taak van de overheid te voorkomen dat slachtoffers van stalking uit angst de straat niet meer op durven te gaan? Zo ja, hoe gaat u regelen dat de verantwoordelijke instanties serieuze maatregelen nemen teneinde ervoor te zorgen dat zorgelijke signalen goed worden afgehandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het van het grootste belang dat tijdig wordt ingegrepen als er sprake is van stalking en/of bedreiging. Bij de politie kan een melding of een aangifte worden gedaan van stalking en/of bedreiging. Slachtoffers, professionals en omstanders kunnen zich melden bij Veilig Thuis bij (het vermoeden van) een onveilige situatie. De inzet van de politie en het OM is gericht op het stoppen van het geweld en het beschermen van het slachtoffer. Een gezamenlijke aanpak met partners zoals Veilig Thuis en de Reclassering is hierbij essentieel.
Veilig Thuis voert op basis van de melding een veiligheidsbeoordeling uit. De politie bepaalt bij een aangifte of melding het dreigingsniveau en de urgentie die uitgaat van de stalking. Er is bij de politie een aangescherpte aanpak in ex-partnerstalking – n.a.v. de Commissie Eenhoorn2 – die bijdraagt aan eerdere herkenning van stalking, vroegtijdige risico-inventarisatie en vroegtijdige interventie. Na de veiligheidsbeoordeling van Veilig Thuis en de screening door politie wordt een gezamenlijke aanpak bepaald, gericht op gedragsverandering bij de verdachte en op bescherming van het slachtoffer. Zo nodig werken politie en Veilig Thuis samen met partners als hulpverlening, reclassering, Slachtofferhulp Nederland en het OM. Per situatie wordt bekeken welke combinatie van interventies op het gebied van zorg, bestuursrecht en/of strafrecht het meest effectief is. Indien de dreiging als acuut wordt ingeschat kunnen adequate beschermingsmaatregelen worden ingezet zoals contact- en locatieverboden, het dragen van een alarmknop, een (stop)gesprek met de dreiger of het bieden van een opvangadres. Om de stalking duurzaam te stoppen is hulpverlening noodzakelijk, omdat de dader tot een gedragsverandering moet komen.
De Inspectie van Justitie en Veiligheid beziet in haar onderzoek naar het handelen van de betrokken instanties of er volgens de geldende kaders, regels en normen, zoals de risicotaxatie in de eerdergenoemde werkinstructie is gehandeld. Ook zal de Inspectie in haar onderzoek de uitwerking van de verbetermaatregelen betrekken zoals aanbevolen door de Commissie Eenhoorn. Hierover heb ik met uw commissie gesproken tijdens het AO Bewaken en Beveiligen op 4 april jl. De Minister voor Rechtsbescherming en ik zullen uw Kamer zo spoedig mogelijk na oplevering berichten over de uitkomsten van dit Inspectieonderzoek.
Relevant in dit kader is ook het recente WODC-rapport over de handhaving van individuele beschermingsmaatregelen.3 Dit kunnen maatregelen zijn die worden ingezet in een geval van stalking, maar ook in andere zaken waarbij een slachtoffer bescherming nodig heeft. In de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni jl. staat dat uit onderzoek van het WODC blijkt dat zowel slachtoffers als professionals de individuele beschermingsmaatregelen als een belangrijk beschermingsinstrument beschouwen. Maar ook dat de uitvoering in de praktijk voor verbetering vatbaar is, met name op het gebied van handhaving. De Minister voor Rechtsbescherming gaat daarom in samenspraak met de ketenpartners onderzoeken op welke wijze de handhaving verbeterd kan worden. In het najaar ontvangt u een beleidsreactie met concrete verbetervoorstellen.
Kunt u garanderen dat de aangiften van slachtoffers van stalking in de toekomst goed en weloverwogen worden behandeld? Zo ja, hoe voorkomt u dat betrokken instanties zich schuldig blijven maken aan nalatigheid of inschattingsfouten?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u uitsluiten dat slachtoffers in de toekomst moedeloos en machteloos aan hun lot worden overgelaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het terughalen van Nederlandse kinderen uit Syrië |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jan de Groot hoopt zijn kleinkinderen uit Syrië snel te zien»?1
Ja.
Klopt het dat medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) of Nederlandse diplomaten twee-wekelijks het kamp in Al-Roj bezoeken? Is het doel van hun bezoek het voorbereiden van terugkeer? Zo ja, kunt u een toelichting geven? Kunt u een overzicht geven van hoe vaak een Nederlandse delegatie kampen in Syrië heeft bezocht en met welk doel?
Over de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt in het openbaar geen uitspraken gedaan. De informatie als zouden Nederlandse diplomaten het Al-Roj kamp tweewekelijks bezoeken is onjuist.
Hoe verhoudt dit zich tot het standpunt van het kabinet dat Syrië te onveilig is om diplomaten te sturen en burgers terug te halen?
Zie antwoord vraag 2.
Bereidt Nederland zich voor op de terugkeer van deze kinderen en hun ouders? Zo ja, kunt u toelichten wat deze voorbereidingen inhouden?
Het kabinetsbeleid is dat indien Nederlandse uitreizigers zich melden op een diplomatieke vertegenwoordiging in de regio, zij in beginsel gecontroleerd naar Nederland worden gebracht met het oog op vervolging. De kinderen worden in eerste instantie als slachtoffer van de keus van hun ouders aangemerkt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft individuele opvangplannen gereed indien kinderen van uitreizigers terugkeren.
Bent u ervan op de hoogte dat Frankrijk ook kinderen ophaalt van wie de moeder toestemming geeft om van de kinderen gescheiden te worden? Overweegt u dit ook? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Nee, het kabinetsbeleid is dat als Nederlandse uitreizigers zich in een naburig land bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging melden, gekeken zal worden of en welke consulaire bijstand geleverd kan worden. De inzet zal vervolgens zijn om hen gecontroleerd naar Nederland over te brengen met het oog op vervolging. Dit geldt ook voor moeders met kinderen.
De statushouder die een 68 jarige vrouw doodmartelde |
|
Gidi Markuszower (PVV), Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verdachte fatale mishandeling Amsterdam is statushouder»?1
Ja
Wat is de nationaliteit van deze verdachte, wanneer is hij tot Nederland toegelaten en op welke grond? Hoe is het mogelijk dat deze gevaarlijke persoon door de screening is gekomen?
Over individuele gevallen doe ik in beginsel geen uitspraken.
Over de screening in het algemeen kan ik zeggen dat de IND deze uitvoert bij alle asielzoekers voorafgaand aan de asielprocedure. Het betreft een onderzoek waarbij de al verzamelde informatie wordt bezien in samenhang met een socialmediacheck. Hierbij wordt bekeken of er sprake is van signalen die kunnen wijzen op een mogelijk gevaar voor de nationale veiligheid, maar ook bijvoorbeeld op betrokkenheid bij misdrijven genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag of fraude.
Ook tijdens het verdere verloop van de asielprocedure is de IND alert op nieuwe signalen, zoals bijvoorbeeld klik- of tipbrieven van burgers en slachtoffers/getuigen. Hiernaast zijn de medewerkers van het COA alert op signalen. Als er tijdens de asielprocedure signalen zijn die erop duiden dat de persoon mogelijk een gevaar is voor de nationale veiligheid, kan dit een reden zijn om de verblijfsvergunning te onthouden. Deze signalen worden doorgezet naar de inlichtingen-en-veiligheidsdiensten en politie. Signalen van betrokkenheid bij misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden doorgezet naar de unit 1F van de IND.
Kunt u garanderen dat de verblijfsvergunning van deze persoon wordt ingetrokken en dat hij, na een hopelijk lange gevangenisstraf, direct uit Nederland wordt verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Het is staand kabinetsbeleid dat het vertonen van maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag in beginsel gevolgen moet hebben voor een aangevraagde of verleende verblijfsvergunning, ook als dat een asielvergunning is. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat als een persoon in het bezit is gesteld van een asielvergunning, daarmee is vastgesteld dat hij of zij zelf bescherming van de Nederlandse overheid nodig heeft. Daarom is in internationale verdragen en Europese wetgeving (Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn) vastgelegd onder welke omstandigheden een asielvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken en wanneer een statushouder, die een (bijzonder) ernstig misdrijf heeft gepleegd, kan worden teruggestuurd naar zijn of haar land van herkomst.
Het vorige kabinet heeft het beleid op dit punt twee maal aangescherpt. Uw Kamer is daarover geïnformeerd bij brieven van 25 november 2015 en 25 mei 2016.2 Het kabinet is van oordeel dat we hiermee de grens hebben bereikt van wat we op dit punt kunnen doen met inachtneming van de Europese regels, maar ook het Vluchtelingenverdrag.3
Over de consequenties in deze individuele zaak merk ik op dat, buiten het feit dat ik hier niet kan ingaan op de individuele omstandigheden van het geval, ik ook niet kan vooruitlopen op het oordeel van de rechter en de eventuele gevolgen voor het verblijfsrecht in deze zaak.
Hoe legt u aan de samenleving en aan nabestaanden van slachtoffers van dit soort gruwelijkheden uit dat u achter het open grenzen beleid blijft staan, ondanks het feit dat u zelf geen enkel idee heeft wat voor tuig u binnenlaat?
Er is in Nederland geen sprake van een opengrenzenbeleid waar het gaat om de toelating van personen die internationale bescherming zoeken. Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor alle asielzoekers en migranten uit islamitische landen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet kiest ervoor risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven. Het mag nooit beleid zijn om mensen vanwege hun afkomst of religie te discrimineren of te stigmatiseren.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en alle migranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voorts bereid alle asielzoekers en statushouders die een misdrijf hebben gepleegd uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het onderwijsboek Geobas 7 |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderwijsboek Geobas 7 (4e editie) van Noordhoff Uitgevers?
Ja.
Zie voor de beantwoording van de vragen 2 tot en met 9 het antwoord onder vraag 9.
Wat vindt u van de pagina waarop gesproken wordt over «grauwe buitenwijken» in combinatie met de woorden «gastarbeiders», «moskee», «criminaliteit», «kakkerlakken», «werkloos»?
Met enige regelmaat krijgt het kabinet vragen over de inhoud van leermiddelen. Hoe begrijpelijk het ook is dat bepaalde passages uit leermiddelen soms vragen oproepen, hecht ik eraan om de formele verantwoordelijkheidsverdeling omtrent de inhoud van leermiddelen te respecteren.
Zoals ik en mijn voorgangers in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen al hebben aangegeven, is het niet aan het kabinet om de inhoud van leermiddelen te beoordelen, maar aan de scholen. We hebben, via de vrijheid van onderwijs, grondwettelijk verankerd dat scholen het onderwijs zelf mogen inrichten en daarbij leermiddelen van hun keuze mogen gebruiken. Dit past bij de autonomie van scholen en bij de professionele ruimte van leraren om daarin hun eigen afwegingen te maken.
Tegelijkertijd is onderdeel van die vrijheid dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om richting ouders en leerlingen aanspreekbaar te zijn op de gemaakte keuzes en de omgang met leermethoden. Ouders en leerlingen kunnen eventuele vragen hierover via hun vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad onder de aandacht brengen van het schoolbestuur. Daarnaast kan een klacht worden ingediend via de daarvoor geldende klachtenregeling. Bovendien zijn de grondwettelijke vrijheden van scholen niet onbegrensd; zij worden bijvoorbeeld begrensd door het strafrecht. Indien er strafrechtelijke grenzen worden overschreden, is het aan het Openbaar Ministerie om op te treden.
Deelt u de mening dat op deze manier allerlei vooroordelen en stereotypen kunnen worden aangewakkerd dan wel bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 te vragen de onderhavige editie te vervangen door een editie waarin geen sprake is van het aanwakkeren van vooroordelen en stereotypen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de uitgever van Geobas 7 te vragen de onderhavige editie niet meer voor het volgende schooljaar te gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de uitgever van Geobas 7 te vragen om al zijn onderwijsmateriaal aan een kritische blik te onderwerpen en indien nodig het materiaal zo aan te passen dat er geen sprake meer is van het aanwakkeren dan wel bevestigen van vooroordelen en stereotypen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een organisatie met expertise op het gebied van discriminatie (zoals bijvoorbeeld RADAR) een scan van al het Nederlandse onderwijsmateriaal in het basis- en voortgezet onderwijs te laten maken om te kijken bij welk materiaal er sprake is van het aanwakkeren van vooroordelen en stereotypen, en op basis van dit onderzoek de betreffende uitgevers hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de door boeken, zoals Geobas 7, aangewakkerde vooroordelen en stereotypen te bestrijden door een antivooroordeel campagne op scholen in het basis- en voortgezet onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het uitblijven van een wetsvoorstel rond het vaststellen van staatloosheid |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in antwoord op Kamervragen heeft aangegeven dat u het wetsvoorstel over de vaststelling van staatloosheid in het voorjaar van 2018 zou indienen?1 Waarom is dit, ruim een jaar later, nog steeds niet gebeurd?
Het wetsvoorstel over staatloosheid bestaat uit twee onderdelen. Allereerst wordt een procedure in het leven geroepen om staatloosheid te laten vaststellen door een civiele rechter. Met deze nieuwe vaststellingsprocedure kunnen meer personen hun staatloosheid aantonen. Het wetsvoorstel strekt voorts tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Aan deze rijkswet worden twee nieuwe optierechten toegevoegd, specifiek gericht op staatloos in Nederland geboren kinderen. Aan de totstandkoming van dit wetsvoorstel wordt al geruime tijd gewerkt. Anders dan gehoopt is het eerder aan uw Kamer gecommuniceerde moment van indiening niet gehaald. Ik zal u na de zomer nader berichten over de vervolgstappen in dit wetgevingsproces.
Bent u zich ervan bewust dat in de jaarplanning 2019 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die u naar de Kamer heeft gezonden, de behandeling van het wetsvoorstel was gepland voor het eerste kwartaal van 2019?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer gaat u het wetsvoorstel aan de Kamer aanbieden? Kunt u een concrete datum geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het bericht «Utrecht wil staatlozen helpen»?2
Ja.
Kunt u de schatting van Statelessness and Inclusion bevestigen dat circa 8.000 mensen momenteel staatloos zijn?
Het betreft hier geen schatting van het aantal vreemdelingen in Nederland dat vastgesteld staatloos is, maar een schatting van het aantal personen van wie verondersteld wordt dat zij voor de status van staatloze in aanmerking komen. Ik beschik niet over informatie waarop deze veronderstelling gebaseerd kan worden. Mij zijn alleen de aantallen bekend van vreemdelingen die op dit moment als staatloos zijn geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP), en van vreemdelingen die nog in procedure zijn in afwachting van een beslissing op een verblijfsaanvraag en in hun vreemdelingendossier staan vermeld als staatloos.
Bent u bereid om in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om gemeenten te ondersteunen en handvaten aan te rijken, bijvoorbeeld ten aanzien van het opnemen van mensen in de Basisregistratie Personen en voor het helpen van staatlozen, zolang het wetsvoorstel nog niet is behandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid tot overleg om scherp te krijgen welke problematiek zich concreet voordoet en op welke wijze gemeenten zouden kunnen worden ondersteund. Mogelijk kunnen reeds lopende overleggen met mijn departement worden gebruikt om informatie van de zijde van de gemeenten in te brengen. Voor wat betreft uw verwijzing naar de BRP kan ik alvast het volgende melden. Indien de gemeente de nationaliteit, of in dit geval de staatloosheid, niet kan vaststellen op grond van artikel 2.15 van de Wet basisregistratie personen dan informeert de gemeente, op basis van artikel 2.17 van deze wet, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met welk nationaliteitsgegeven betrokkene bij de IND bekend is. Indien de Minister van Justitie en Veiligheid dit gegeven in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland heeft vastgesteld, dient de gemeente dat gegeven te ontlenen aan de mededeling daarover van de Minister en vervolgens in de BRP op te nemen. Indien betrokkene ook bij de IND niet bekend is als staatloos, zal hij in de BRP worden geregistreerd met de vermelding dat de nationaliteit onbekend is. Overigens kunnen uitsluitend vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven als ingezetene in de BRP worden opgenomen.
Het artikel ‘Gedupeerden gaswinning moeten twee keer zo lang wachten op afhandeling schade’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Carla Dik-Faber (CU), Agnes Mulder (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gedupeerden gaswinning moeten twee keer zo lang wachten op afhandeling schade»?1
Ja.
Bent u bekend met het besluit van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) dat schadeafhandeling vijftien maanden later komt en daarmee een totale wachttijd van 30 maanden ontstaat? Wat is uw reactie hierop?
Ja. De TCMG heeft naar 5.400 schademelders een brief gestuurd waarin staat dat de TCMG niet in staat is om de beslistermijn van vijftien maanden te halen die aanvankelijk is bekend gemaakt nadat op 19 maart 2018 de aanvraag bij TCMG binnenkwam. Tot mijn grote spijt kan ik niet terugdraaien dat 5.400 mensen al ruim 15 maanden wachten op een besluit en nu nog langer moeten wachten.
De voornaamste reden dat de beslistermijn over de 15 maanden is gekomen is gelegen in de grote hoeveelheid meldingen die de TCMG bij haar start overgedragen heeft gekregen. Dit heeft bijgedragen tot een stuwmeer. Dit is voor mij reden geweest om te besluiten om een vergaande maatregel als de stuwmeerregeling door te voeren. Met deze regeling kan de werkvoorraad van TCMG worden teruggebracht tot werkbare proporties. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat TCMG de resterende schademeldingen binnen een redelijke termijn en met een zorgvuldig proces afhandelen.
Welke actie onderneemt u om het zogenoemde stuwmeer aan schademeldingen snel af te handelen?
Ik heb besloten het de TCMG mogelijk te maken de vaste vergoeding van € 5.000,– uit de stuwmeerregeling te laten gelden voor alle aanvragen die door de TCMG zijn ontvangen tot en met 12 juni 2019, 12 uur ’s avonds. Daarmee wordt aan alle aanvragers met een melding waarop nog niet is beslist een aanbod gedaan. Voor de door de TCMG voorgestelde variabele vergoeding tot € 11.000,– geldt de datum van 1 januari 2019. Ik zal dit vastleggen in aanvulling op het Besluit mijnbouwschade Groningen.
Ook na deze eenmalige regeling blijft een voortvarende, onafhankelijke en zorgvuldige schadeafhandeling van belang. Samen met de TCMG blijf ik hiervoor alles in het werk stellen. Met deze eenmalige regeling en de andere versnellingsmaatregelen door de TCMG geef ik invulling aan de motie-Sienot (33 529, nr. 628). Met de stuwmeerregeling wordt de werkvoorraad teruggebracht tot werkbare proporties die de TCMG niet meer beperkt in de voortvarende schadeafhandeling. De brieven van de TCMG zijn een formele stap, maar geen aankondiging van de voorziene afhandelingstermijn. Deze regeling heeft dus ook als doel om verder onzekerheid ten gevolge van verdagingsberichten zoveel als mogelijk te voorkomen. Bovendien kan de TCMG met deze regeling de resterende schademeldingen binnen een redelijke termijn en met een zorgvuldig proces afhandelen.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie-Sienot c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 636) dat oproept om de 16.000 schademeldingen voor 2020 af te handelen? Hoe verhoudt dit recente bericht van de TCMG met uitstel tot de beloofde versnelde aanpak van schadeafhandeling?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe voorkomt u extra onzekerheid bij schademelders door dergelijke berichtgeving van de TCMG?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Aanval op WTO door Trump dwingt Europa tot noodgreep' |
|
Achraf Bouali (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aanval op WTO door Trump dwingt Europa tot noodgreep»?1
Ja.
Klopt het dat het Beroepsorgaan van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) minimaal drie leden nodig heeft om operationeel te blijven en dat de ambtstermijn van twee van de laatste drie overgebleven leden van het WTO-Beroepsorgaan op 10 december 2019 eindigt? Zo ja, hoe duidt u deze ontwikkelingen? Wat zullen hiervan de gevolgen zijn?
Dat klopt. De ontwikkelingen omtrent de blokkade van de selectieprocedures voor Beroepsorgaan (Appellate Body) zijn zorgelijk. Als er geen oplossing wordt gevonden die tegemoet komt aan de zorgpunten van de VS, is het Beroepsorgaan niet meer operationeel per 11 december 2019. Het Beroepsorgaan kan dan geen beroepszaken meer in behandeling kan nemen. Dit betekent tevens dat het risico bestaat dat handelsgeschillen stranden voordat een juridisch bindende uitspraak is vastgesteld. Internationale handel vaart wel bij de voorspelbaarheid die bindende geschillenbeslechting bij de WTO biedt. Het systeem biedt daarbij duidelijkheid aan bedrijven over de geldende importtarieven van WTO-leden. Het is zorgwekkend dat door de blokkade van het Beroepsorgaan, het WTO-systeem onder druk staat. De blokkade van het Beroepsorgaan is inmiddels ruim twee jaar bezig en is aan de orde bij elke Raad Buitenlandse Zaken Handel, waarover u vooraf geïnformeerd wordt via de geannoteerde agenda.
Hoe duidt u het feit dat de Verenigde Staten al langere tijd de werking van het WTO-Beroepsorgaan frustreren?
De VS heeft zorgen geuit over het Beroepsorgaan. Deze zorgen leven bij de VS al sinds de oprichting van de WTO in 1995. Niettemin heeft de VS er vanaf het voorjaar van 2017 voor gekozen om deze zorgpunten om te zetten in aanhoudende blokkade van de selectieprocedures voor nieuwe leden van het Beroepsorgaan, hetgeen over enkele maanden betekent dat het Beroepsorgaan tot stilstand komt.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) samen met gelijkgezinde WTO-leden een tijdelijke beroepsprocedure wil optuigen die de functies van het Beroepsorgaan grotendeels «kopieert»?2 Zo ja, hoe schat u de haalbaarheid van deze onderneming? Zo nee, op welke wijze werkt de EU op enige andere wijze aan een oplossing?
De EU is in overleg met andere WTO-leden om tot een interim-oplossing te komen. Doel is te komen tot een alternatief voor de behandeling van nieuwe beroepszaken door het Beroepsorgaan en het garanderen van de continuïteit van lopende beroepszaken. Het is de verwachting dat meerdere grote gebruikers van het geschillenbeslechtingsmechanisme van de WTO interesse zullen hebben in een dergelijke oplossing. Of deze andere WTO-leden het eens zijn met de aanpak die de EU voorstelt, is vooralsnog onduidelijk.
Op welke wijze zet Nederland zich, zowel individueel als binnen de EU, in om te voorkomen dat de WTO zijn functie in beslechting van handelsconflicten verliest? Wat zijn de Nederlandse inzet en standpunten rondom de huidige ontwikkelingen?
Nederland steunt de Europese Commissie in het uitdragen van het belang van het multilaterale handelssysteem, met een systeem van bindende geschillenbeslechting. Dit betekent primair het zo snel mogelijk opheffen van de blokkade van het Beroepsorgaan. Het kabinet draagt deze boodschap in multilaterale en bilaterale kanalen uit, evenals in publieke uitingen.
Het bericht ‘Mediterranean will be 'sea of blood' without rescue boats, UN warns’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Mediterranean will be «sea of blood» without rescue boats, UN warns»?1
Ja.
Wat vindt u van deze waarschuwing van de Verenigde Naties (VN)? In hoeverre heeft u dit met uw collega’s besproken, bijvoorbeeld bij de meest recente JBZ-raad? Gaat u op een bepaalde manier gevolg geven aan deze waarschuwing? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel Nederland, als de overige Europese lidstaten, roepen op om de situatie op de Middellandse Zee te verbeteren. Zoals uw Kamer is gemeld in het verslag van de informele JBZ-Raad,2 vinden momenteel op EU-niveau bijeenkomsten plaats om de situatie op de Middellandse Zee en in het bijzonder de ontscheping van drenkelingen in de EU te bespreken. Op de uitkomsten daarvan zal ik niet vooruitlopen.
Deelt u de mening van de VN dat de kans op verdrinkingen op de Middellandse Zee alleen maar toeneemt sinds het oplaaiende geweld in Libië en de afnemende aanwezigheid van NGO-reddingschepen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke oorzakelijke verbanden zijn lastig aan te tonen. Het risico op verdrinkingen wordt bepaald door diverse factoren, waaronder de weersomstandigheden en het seizoen, de gekozen vaarroute, de door mensensmokkelaars geboden ondersteuning, waaronder met name de zeewaardigheid en uitrusting van boten, alsmede de aanwezigheid van schepen die reddingsoperaties uitvoeren. Daarbij komt dat mensensmokkelaars hun werkwijze voortdurend wijzigen. Waar aanvankelijk sprake was van grotere schepen, worden migranten nu veelal vervoerd in nauwelijks zeewaardige rubberboten. Soms ook met onvoldoende brandstof om de dichtstbijzijnde EU-lidstaten te kunnen bereiken. Het effect van de aanwezigheid en activiteiten van NGO-schepen is onderwerp van debat. Vast staat dat activiteiten van deze schepen effect hebben op het handelen van mensensmokkelaars. EASO heeft geconstateerd, dat smokkelaars op sociale netwerken hun diensten adverteren en daarbij melden in welke gebieden NGO-schepen actief zijn. Ook anderszins zijn de posities van deze schepen via de sociale media kenbaar.3 De kans bestaat dat zowel smokkelaars als opvarenden erop rekenen dat men onderweg zal worden opgepikt.
Overigens tonen cijfers van IOM aan dat het absolute aantal verdrinkingen elk jaar significant afneemt.4 Volgens cijfers van UNHCR valt na maart 2019 geen toename te constateren van het percentage doden en vermissingen van het aantal irreguliere aankomsten over zee via de Centraal Mediterrane route.5
Hoe bereiden de Europese Unie (EU) en Nederland zich voor op komende zomer, gelet op het gegeven dat in de zomer het aantal migranten en vluchtelingen dat de oversteek waagt toeneemt?
Het aantal irreguliere aankomsten in de EU ligt op dit moment lager dan in dezelfde periode in 2018. Het kabinet is positief over het feit dat maatregelen hebben geleid tot een daling van het aantal levensgevaarlijke overtochten. Hoewel de huidige situatie ten opzichte van 2015 wellicht beter onder controle lijkt, is er nog veel werk te verzetten. Daar dringt het kabinet in EU-verband ook doorlopend op aan.
Van belang is dat er op EU-niveau een structurele oplossing komt voor het ontschepingsvraagstuk, dat de samenwerking met (Noord-) Afrikaanse partners verder wordt versterkt, dat de asielprocedure inclusief de opvang in lidstaten van eerste aankomst wordt versterkt, en dat terugkeer wordt bevorderd. Daarnaast wordt gewerkt aan het wegnemen van de grondoorzaken die leiden tot het besluit van mensen om hun land te verlaten. Dit zijn lange termijn investeringen. Zowel het kabinet als de EU hebben hier middelen en experts voor beschikbaar gesteld, waarover met regelmaat met uw Kamer wordt gewisseld. Met uw Kamer zou het kabinet echter graag zien dat in sommige lidstaten sneller stappen worden gezet om structurele verbeteringen door te voeren.
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 en 8, neemt met de vermindering van het aantal pogingen tot oversteek ook het absolute aantal verdrinkingen af. De nauwe samenwerking met landen van herkomst en transit draagt hier aan bij. Deze lange-termijn investeringen moeten wat het kabinet betreft worden voortgezet. Door onder andere assistentie te verlenen bij grens- en kustbewaking, te zorgen voor betere, werkende opvang en beschermingsprocedures in deze landen en mensensmokkel- en handel aan te pakken.
Welke trends neemt u waar als het gaat om het aantal verdrinkingen op de Middellandse Zee, sinds het inkrimpen van Operatie Sophia afgelopen maart en de afwezigheid van een groot deel van reddingsschepen van niet-gouvernementele organisaties (ngo's)? Welke conclusies verbindt u aan deze trends?
Kortheidshalve verwijs ik naar de voorgaande beantwoording van vragen 3 en 8. Ten aanzien van Operatie Sophia wijst het kabinet er op dat het aantal door Sophia-schepen geredde drenkelingen de laatste maanden voordat de inzet van schepen op 27 maart 2019 werd opgeschort, zeer beperkt was. Tussen juni en december 2018 vond één reddingsactie plaats waarbij 106 mensen werden gered. Sindsdien hebben Sophia-schepen geen enkele keer reddend op hoeven treden.6Nogmaals wijst het kabinet op het mandaat van Operatie Sophia waar de redding van drenkelingen geen deel van uitmaakt. Het is een verplichting die voortvloeit uit het internationaal zeerecht.
Welke mogelijkheden in Europees verband ziet u om het aantal verdrinkingen op de Middellandse zee terug te dringen, niet alleen op beleidsniveau maar juist ook als het gaat om operationele interventies op korte termijn? Welke specifieke bijdrage kan Nederland daaraan leveren? Welke acties onderneemt u daartoe al en welke acties kunt u nog ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u om samen te werken met externe partijen om het aantal verdrinkingen op de Middellandse Zee tegen te gaan?
Het kabinet ziet geen reden om een aparte samenwerking met andere externe partijen op te zetten dan UNHCR, IOM en de autoriteiten van andere landen. In EU-verband wordt intensief samengewerkt met IOM en UNHCR, zowel in EU lidstaten als daarbuiten. Bovendien geldt de plicht om mensen in nood op zee te redden voor iedereen op grond van het internationaal zeerecht en bestaan er duidelijke richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie en UNCHR in de omgang met drenkelingen die aangeven internationale bescherming te zoeken. Het is zaak dat voor deze groepen veilige havens worden gevonden waar zij zich kunnen wenden tot nationale autoriteiten of UNHCR. Daar is niet alleen sprake van in de EU, maar ook al in andere landen, bijvoorbeeld in Noord Afrika.
Kunt u bevestigen dat het aantal migranten en vluchtelingen dat de overtocht probeert te maken zonder de aanwezigheid van schepen van ngo's, hoger ligt dan mét de aanwezigheid van schepen van ngo's? Deelt u de mening dat het argument dat reddingsboten van ngo's een aantrekkingskracht zou hebben op migranten en vluchtelingen om de overtocht te maken hierbij dus niet opgaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het bericht «Asylum seekers in EU on the rise again»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het aantal mensen dat in de EU asiel heeft aangevraagd sinds januari dit jaar is toegenomen met 15% ten opzichte van vorig jaar? Welke verklaring heeft u hiervoor?
Het totaal aantal asielaanvragen dat in 2019 is gedaan, lag tot en met mei 14% hoger ten opzichte van dezelfde periode in 2018.8 EASO noemt hier meerdere verklaringen voor. De stijging wordt volgens EASO onder andere verklaard door het aantal herhaalde aanvragen, maar met name door de opvallende stijging van het aantal eerste asielaanvragen van onderdanen uit visumvrije landen. Zo zijn in Spanje circa 75% van de ruim 56.800 asielaanvragen in 2019 gedaan door onderdanen uit Venezuela, Colombia, Honduras, Nicaragua en El Salvador.
Kunt u bevestigen dat het aantal asielaanvragen uit Afghanistan is toegenomen met 36%? Welke verklaring heeft u hiervoor?
De cijfers van Eurostat tonen inderdaad een toename van het aantal eerste asielaanvragen dat door Afghanen wordt ingediend. Daarvoor zijn verschillende verklaringen, waaronder de stijging van het aantal aankomsten van Afghaanse onderdanen op de Griekse eilanden. Deels heeft dit te maken met de omstandigheden in Afghanistan zelf. Uit verschillende analyses blijkt echter ook dat er sprake is van een grote groep die eerst langere tijd in andere opvanglanden, zoals Iran, Pakistan en Turkije, verbleef en er recent voor heeft gekozen om door te reizen.
Kunt u bevestigen dat het aantal asielaanvragen uit Syrië is afgenomen met 8%? Welke verklaring heeft u hiervoor?
Uit cijfers van EASO blijkt dat er sprake is van een afname van het aantal eerste asielaanvragen dat door Syriërs wordt ingediend. De afname wordt mede verklaard door de daling van het aantal aankomsten van Syriërs in met name Griekenland.
Wat voor effecten heeft deze totale toename van het aantal asielaanvragen volgens u voor de stabiliteit van het Europese asielbeleid? Welke gevolgen verwacht u op korte en middellange termijn? Welke maatregelen worden er genomen om deze toename op te vangen?
Hoewel het aantal asielaanvragen is toegenomen in vergelijking met het aantal ingediende asielaanvragen tot 2018, is het nog altijd vele malen lager dan in 2015. De toename van het aantal asielaanvragen loopt niet gelijk met de ontwikkelingen in irreguliere aankomsten aan de buitengrenzen. Dit is mede het gevolg van secundaire migratie, maar ook doordat steeds meer onderdanen uit visumvrije landen in met name Spanje asielaanvragen indienen. Dit zet de asielprocedure in verschillende lidstaten onder druk. Het kabinet pleit daarom in EU-verband voor het invoeren van een verplichte grensprocedure waarin snel onderscheid wordt gemaakt tussen zij die recht hebben op bescherming en zij die dat niet hebben. In de tussentijd is het van belang dat lidstaten hun procedures verder versnellen en de terugkeersamenwerking met landen van herkomst wordt verbeterd om te zorgen dat zij die geen recht op asiel hebben zo snel mogelijk terugkeren. Steun van agentschappen EASO en Frontex is hier van groot belang. Het kabinet waardeert dan ook de intensievere samenwerking tussen EASO en Spanje, naast uiteraard de bestaande inzet van EASO en Frontex in Griekenland en Italië.
In hoeverre zijn deze recente cijfers meegenomen in de discussie tijdens de JBZ-raad van 7 en 8 juni 2019 over de nieuwe terugkeerrichtlijn?
Tijdens de discussie die leidde tot een gedeeltelijke algemene oriëntatie inzake de Terugkeerrichtlijn is niet specifiek gesproken over cijfers. In het algemeen benadrukten verschillende lidstaten het belang van efficiënte procedures om versneld terugkeer in gang te zetten. Daarbij noemden zij verschillende aandachtpunten zoals de detentietermijnen en het schorsende effect van herhaalde asielaanvragen en beroep.
Het bericht 'Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding' |
|
Martin Wörsdörfer (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tientallen kleine bedrijven failliet door hoge kosten crowdfunding»?1 Wat is uw reactie daarop? Hoe verhouden de feiten in het artikel zich tot de regelgeving rond crowdfunding?
Ja. Mijn reactie op het artikel ligt besloten in de beantwoording van de overige vragen.
Deelt u de mening dat crowdfundingplatforms een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de bestaande financieringsmogelijkheden?
Crowdfunding is een waardevolle toevoeging aan het aanbod van financiering voor vooral het midden- en kleinbedrijf. Doordat crowdfunding relatief laagdrempelig is, is het voor ondernemers gemakkelijker om investeerders te bereiken die via meer traditionele financieringsvormen niet bereikt zouden worden.
Bedrijven in de Europese Unie zijn momenteel voor hun financiering grotendeels afhankelijk van banken. Door de inzet van andere financieringsvormen, zoals crowdfunding, worden bedrijven minder afhankelijk van bankfinanciering. Door de spreiding van financiële risico’s over verschillende financieringsvormen kunnen economische schokken vervolgens beter worden opgevangen. Crowdfunding is daarom ook met het oog op een Europese kapitaalmarktunie een belangrijke vorm van alternatieve financiering.
Is de regelgeving op dit moment voldoende adequaat om mkb’ers te laten profiteren van de voordelen van crowdfunding, maar te beschermen tegen uitwassen? Kunt u uiteenzetten hoe mkb’ers nu precies beschermd zijn?
Ondernemers verschillen in omvang, draagkracht en kennis- of opleidingsniveau. De mate van zelfredzaamheid verschilt ook per ondernemer. Bij sommige zakelijke klanten kan bescherming wenselijk zijn, terwijl dit bij andere zakelijke klanten kan worden ervaren als een onnodige belemmering voor het verkrijgen van adequate financiering. De wettelijke bescherming van zakelijke klanten in de Wet op het financieel toezicht (Wft) verschilt dan ook per financieel product en type klant. Dit vindt zijn oorsprong in Europese sectorale regelgeving, waarbij veelal per producttype is bepaald welk type klant beschermd wordt. Voor kredietverlening geldt dat louter consumenten beschermd worden. Indien een financiële onderneming een financiële dienst verleent aan een natuurlijk persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, kwalificeert deze persoon als ondernemer en wordt deze niet beschermd door de regels ter bescherming van consumenten. De gedachte hierachter is dat een bewuste keuze is gemaakt om te ondernemen en er voor ondernemers, vergeleken met consumenten, een grotere adviesmarkt beschikbaar is.
In het najaar van 2016 heeft een openbare consultatie plaatsgevonden over de effectiviteit en gewenste mate van bescherming voor zzp-ers en mkb-ers, zogenaamde kleinzakelijke klanten, bij financiële diensten en producten.2 U bent bij brief van 12 april 2018 geïnformeerd over de uitkomsten daarvan.3 Uit de consultatie kwam naar voren dat een effectievere bescherming van kleinzakelijke klanten wenselijk is, met name op het gebied van kredietverlening. Tegelijkertijd gaven veel marktpartijen aan dat dit niet hoeft te betekenen dat er direct aanleiding is om één en ander in wetgeving neer te leggen. Vooralsnog is door het kabinet daarom ingezet op verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten door middel van zelfregulering. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft de gedragscode Kleinzakelijke Financiering ontwikkeld t.b.v. kredietverlening aan kleinzakelijke klanten. De gedragscode Kleinzakelijke Financiering is op 1 juli 2018 in werking getreden. De stichting MKB-financiering – waarin verschillende niet-bancaire kredietverleners, zoals enkele crowdfundingplatformen – zijn verenigd, heeft de gedragscode MKB Financiers opgesteld. Deze gedragscode is per 1 juli jongstleden in werking getreden.
Wat betreft de stand van zaken omtrent het juridisch kader voor crowdfunding wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
Welke stappen zet de overheid om crowdfunding een reëel alternatief te maken voor bankfinanciering bij mkb’ers?
Het kabinet ondersteunt de verdere professionalisering van de non-bancaire financieringssector. Dit gebeurt onder meer door middel van een financiële bijdrage aan de Stichting MKB Financiering voor activiteiten waarbij het publiek belang wordt gediend, zoals het opstellen van een gedragscode en voorlichting over non-bancaire financieringsvormen vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast wordt in Europees verband onderhandeld over een nieuw regelgevend kader voor crowdfundingdienstverleners. Verder is binnen het huidige instrumentarium de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) opengesteld voor non-bancaire financiers. Verschillende risicokapitaalinstrumenten zoals de Seed Capital regeling en het Dutch Venture Initiative (DVI) zijn bij uitstek instrumenten die door non-bancaire financiers worden gebruikt. Daarmee wordt wat betreft overheidsstimulering een zo gelijk mogelijk speelveld nagestreefd.
Deelt u de mening dat de door deze crowdfundingplatforms gehanteerde woekerrentes niet wenselijk zijn voor kwetsbare midden- en kleinbedrijven en het mkb onnodig op kosten jagen?
Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend zijn. Dit zal afhangen van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Het is aan de financier en de klant om in een concrete situatie onderling af te spreken welk rentepercentage (en overige leenvoorwaarden) als passend worden gezien. De gedragscodes waarnaar bij de beantwoording van vraag 3 werd verwezen, bieden partijen handvatten om hier goede afspraken over te maken. Indien een kleinzakelijke klant (later) toch niet tevreden is, voorzien de gedragscodes in een laagdrempelige klachtenprocedure via het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
Welke expliciete stappen onderneemt de overheid om kwetsbare mkb’ers te beschermen tegen woekerrentes, zoals de in het artikel gestelde rentes van 15 tot 20 procent? Zijn deze maatregelen afdoende?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 is aangegeven, zet het kabinet wat betreft de verbetering van de bescherming voor kleinzakelijke klanten in op zelfregulering. Dit heeft onder meer geleid tot de gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de stichting MKB-financiering. De uitgangspunten van deze gedragscode zijn een zorgvuldige dienstverlening aan de kleinzakelijke klant en het bieden van een passende financiering. De Gedragscode MKB Financiers bevat een specifieke bepaling rond het maximaal te hanteren rentepercentage; er wordt uitgegaan van de wettelijke rente met een opslag van maximaal 12%.
Is het waar dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) stelt dat wettelijke regels rondom crowdfunding nodig zijn om misstanden te kunnen aanpakken?2 In hoeverre is toezicht van AFM vereist op eerder genoemde crowdfundingplatforms?
Crowdfunding vindt plaats in verschillende vormen, waarvan er bij twee vormen sprake is van een financiële tegenprestatie in de vorm van bijvoorbeeld rente of dividend. Het gaat hierbij om crowdfunding door de uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties, en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening. De AFM houdt toezicht op deze twee vormen. Bij crowdfunding in effecten dient het crowdfunding platform te beschikken over een vergunning om beleggingsdiensten te verlenen. De regels die hiervoor gelden, vloeien voort uit de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, ook wel bekend als MiFID II.5 Het gaat om regels met betrekking tot de bescherming van consumenten, informatieverstrekking en een beheerste en integere bedrijfsvoering.
In het geval van crowdfunding in onderhandse leningen, dienen platformen te beschikken over een ontheffing van de AFM. Om een dergelijke ontheffing te krijgen, dient een platform zich aan bepaalde regels uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft te houden. Deze regels zijn in 2016 uitgebreid specifiek ten aanzien van crowdfunding en zijn vooral gericht op het borgen van een beheerste en integere bedrijfsvoering en de continuïteit van het platform.
De AFM heeft eerder haar zorgen geuit over het ontbreken van een duidelijk uniform wettelijk kader voor crowdfunding (in onderhandse leningen). Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven die zorgen te delen.6 Er heeft daarom eind 2017 een openbare consultatie plaatsgevonden over de (mogelijke) elementen van een juridisch kader voor crowdfunding in onderhandse leningen.7 Tijdens de consultatie bleek echter, in tegenstelling tot eerdere signalen, dat de Europese Commissie regelgeving voor crowdfunding in voorbereiding had. In maart 2018 heeft de Europese Commissie voorstellen gedaan voor een regelgevend kader voor crowdfundundingdienstverleners. Het voorstel introduceert een vergunningsplicht en doorlopend toezicht voor crowdfundingplatformen en bevat eisen betreffende de bedrijfsvoering van platformen en bepalingen omtrent de bescherming van investeerders. Uw Kamer is op 13 april 2018 per BNC-fiche over de voorstellen geïnformeerd.8
Het is de vraag in hoeverre het wenselijk en mogelijk is om naast het Europese kader een aanvullend nationaal regelgevend kader op te stellen. Vooralsnog wordt daarom ingezet op het Europese traject. Wanneer het Europese traject is afgerond zal worden bezien of het mogelijk en zinvol is om aanvullende nationale regels voor crowdfunding in onderhandse leningen op te stellen.
Kunt u uiteenzetten hoe de zorgplicht van banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
In de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB wordt vastgelegd wat kleinzakelijke klanten mogen verwachten van een bank wanneer zij een financiering afnemen. Zorgvuldige behandeling van de kleinzakelijke klant is het leidend principe. De Gedragscode Kleinzakelijke Financiering bevat geen specifieke bepalingen wat betreft de hoogte van de gehanteerde rente. Of een financiering en de bijbehorende voorwaarden, inclusief het rentepercentage, passend wordt geacht, zal afhangen van de concrete situatie en afhankelijk zijn van zaken als omvang en duur van de financiering, beschikbare zekerheden, de financiële positie van de klant en het bestedingsdoel. Een bank dient bij een aanvraag volgens hoofdstuk 5.2 van de gedragscode naar dergelijke zaken te kijken.
Alternatieve financiers zijn niet aangesloten bij de NVB en derhalve niet per se gebonden aan de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering. Wel biedt de gedragscode de mogelijkheid voor andere financiers om zich aan te sluiten bij de gedragscode.
Kunt u uiteenzetten hoe de Code Banken zich verhoudt tot de door crowdfundingplatforms gehanteerde rentetarieven aan kwetsbare mkb’ers?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van initiatieven om alternatieve financiers zich te laten aansluiten bij de Code Banken?
Het belangrijkste initiatief op dit terrein is de vaststelling van de gedragscode MKB financiers door de Stichting MKB Financiering die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Hiermee is het aansluiten van alternatieve financiers bij de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering van de NVB minder relevant geworden. Overigens zullen beide gedragscodes worden geëvalueerd; de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering in 2021 en de gedragscode MKB financiers in 2020.
Bent u bereid te onderzoeken of het openstellen van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) voor mkb’ers met klachten over alternatieve financiering die niet afkomstig is van partijen die de gedragscode MKB Financiers hebben ondertekend, wenselijk is?
Het klachtenloket voor alternatieve financiering bij Kifid is een initiatief van de Stichting MKB Financiering en maakt deel uit van de Gedragscode MKB Financiers. Om klachten af te handelen is een zeker kader nodig dat in dit geval wordt geboden door de gedragscode. Het is daarom moeilijk voor te stellen dat ten aanzien van financieringsovereenkomsten die niet onder de gedragscode zijn gesloten klachtenbeslechting bij het klachtenloket voor alternatieve financiering plaats kan vinden. Daarbij kan aansluiting bij de gedragscode als onderscheidend element in de financieringsmarkt werken: kleinzakelijke klanten weten dat ze meer bescherming genieten indien financiering wordt verkregen van bij een bij de Stichting MKB financiering aangesloten financier.
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is uiteengezet, wordt vooralsnog ingezet op zelfregulering ten aanzien van de verbetering van de bescherming van kleinzakelijke klanten. Daar de gedragscode MKB Financiers zeer recentelijk in werking is getreden, zie ik op dit moment geen noodzaak om aanvullende maatregelen op het gebied van klachtenbeslechting te overwegen.
Acht u aanvullende stappen wenselijk om crowdfundingplatforms een welkome aanvulling te laten blijven op het bestaande financieringsinstrumentarium? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Naast de initiatieven die genoemd zijn in de beantwoording op vraag 4 werkt de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat momenteel aan een onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, waarin ook de evaluaties van de financieringsregelingen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden meegenomen. Dit onderzoek kan aanleiding vormen voor eventuele aanpassingen van voornoemde regelingen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat organiseert begin juli 2019 in het kader van dit onderzoek een aantal expertbijeenkomsten. In het najaar van 2019 worden de uitkomsten van het onderzoek naar de werking van de MKB-financieringsmarkt, aangeboden aan uw Kamer.
Het bericht dat de Groningse universiteit meer grip wil krijgen op het Koninklijk Nederlands Instituut Rome |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Rel over Groningse «coup» in Rome?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja.
In de koepel Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland, de NWIB, werken zes Nederlandse universiteiten samen. De samenwerking betreft vijf instituten in Athene, Florence, Caïro, Sint-Petersburg en Rome. De UvA is penvoerder voor Sint-Petersburg en Athene, de Leidse universiteit voor Caïro (met Vlaanderen), UU voor Florence en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) voor het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome (Hierna: KNIR).
In 1990 is een overdrachtsprotocol opgesteld, waarin is vastgelegd dat het beheer van het KNIR is overgedragen van mijn departement naar de RUG. Sinds 1991 is de RUG derhalve integraal verantwoordelijk voor het KNIR.
Voor het inhoudelijke programma van het KNIR geldt dat de RUG hiervoor samenwerkt met de hierboven genoemde instellingen, aangevuld met de VU en de Radboud Universiteit. De zes instellingen hebben in de Gemeenschappelijke Regeling vastgelegd hoe zij de programma’s van de instituten vormgeven, de kwaliteit ervan bewaken en hoe zij de financiering onderling regelen.
Bij de overdracht is vastgesteld dat de primaire wetenschappelijk taken van het KNIR intact blijven. In het overdrachtsprotocol wordt daarnaast benadrukt dat het instituut ontmoetingen en samenwerkingen stimuleert tussen de Nederlandse en internationale instituten op de werkterreinen van het KNIR. Voor mijn reactie op het bericht, zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het Koninklijk Nederlands Instituut in Rome, dat het oudste en grootste van de Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland is en dat onderzoek doet naar stukken in de Vaticaanse archieven die over de Nederlandse geschiedenis handelen, gerenommeerd en van nationaal belang is?
Het KNIR is een uitvalsbasis voor Nederlandse studenten en onderzoekers in de geesteswetenschappen. Daarnaast verrichten wetenschappers van het KNIR zelf onderzoek en verzorgen onderwijs dat is gericht op archeologie, oudheid en kunsthistorie, Italiaanse geschiedenis en de relatie tussen Nederland en Italië in historisch perspectief. Ik wil benadrukken dat de RUG als penvoerder in eerste instantie verantwoording aflegt aan het koepelbestuur van de NWIB, zowel over de inhoudelijke vormgeving van onderwijs en onderzoek, als over de opvolgingskwestie binnen de directie. Ik ga ervan uit dat de nationale belangen die het instituut dient, geborgd worden door de RUG zelf ondersteund met toezicht vanuit het koepelbestuur. Ik heb begrepen dat het NWIB-bestuur in overleg op 28 juni 2019 heeft geconstateerd dat er geen verschil van inzicht bestaat over de koers van het instituut. Het is verder aan de RUG in nauwe afstemming met de NWIB-koepel hier invulling aan te geven.
In het instituut wordt al sinds 1904 onderzoek verricht naar historische, kunsthistorische en archeologische bronnen die speciaal in Rome ontsloten kunnen worden. Al ruim honderd jaar staat het KNIR voor hoogstaand onderzoek en interdisciplinair onderwijs in de geesteswetenschappen, waarbij het een brugfunctie vervult tussen de Nederlandse universiteiten en de academische wereld in Italië.
Ik erken en waardeer de wetenschappelijke reputatie van het instituut en hecht eraan dat de nationale functie die het met succes vervult voor Nederlandse onderzoekers, docenten en studenten van alle deelnemende universiteiten behouden blijft. Ik waardeer ook het feit dat in het huidige meerjarenplan van het KNIR staat dat het beleid erop is gericht het instituut te ontsluiten voor studenten en onderzoekers van meer disciplines, een beleid dat wordt gevoerd voor alle instituten die vallen onder de NWIB-koepel.
Kunt u garanderen dat de kwaliteit van het hoogstaande interdisciplinaire onderwijs en onderzoek gewaarborgd blijft? Welke stappen gaat u zetten als de kwaliteit dreigt te dalen?
Het instituut is ingebed in de in Nederland vigerende systemen voor de kwaliteitszorg van onderwijs en onderzoek. Dat biedt voldoende waarborgen voor de kwaliteit. Ik ga er vanuit dat dit zo blijft.
Deelt u de mening van scheidend directeur Hendrix dat de Groningse notitie is gebaseerd op deels onvolledige en onjuiste informatie en dat het Groningse plan een degradatie is van het instituut? Kunt u dit toelichten?
Het is aan het NWIB-bestuur deze punten in haar overwegingen mee te nemen.
Kunt u informatie verschaffen over de hoogte van de bijdragen van de RUG en andere universiteiten aan het instituut? Klopt het dat de RUG evenveel bijdraagt als andere universiteiten?
Als eerder gemeld, is de RUG sinds 1991 zowel beheers- als beleidsmatig verantwoordelijk voor het KNIR. Om dit mogelijk te maken, heeft de overheid de voor het KNIR benodigde middelen verwerkt in de rijksbijdrage van de RUG (lumpsum). Op basis van de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling wordt deze bijdrage geïndexeerd. Deze middelen zijn een bijdrage in de kosten en staan los van de daadwerkelijke kosten die de RUG maakt voor het KNIR. Ik heb geen inzage in de precieze begroting van het KNIR, de beoordeling daarvan laat ik aan de NWIB-koepel. De RUG heeft mij laten weten dat de bij de RUG gemaakte kosten voor een part time directeur beheer, het personeelsmanagement, de financiële administratie en ondersteuning van de bibliotheek, niet drukken op de begroting van het KNIR.
De berichten ‘Havengebied dreigt een warzone te worden’, ‘Wordt ruimte straks de grote uitdaging voor Amsterdam?’ en ‘Kock wil verzelfstandiging havenbedrijf terugdraaien’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen uit recente edities van het Nieuwsblad Transport «Havengebied dreigt een warzone te worden», «Amsterdam: woningbouw schuurt met havenbelang», «Wordt ruimte straks de grote uitdaging voor Amsterdam?» en «Kock wil verzelfstandiging havenbedrijf terugdraaien.»1
Ja.
Deelt u de mening van de organisatie voor ondernemend Amsterdam (ondernemersvereniging ORAM), dat de haven van Amsterdam geen stadshaven is, maar een nationaal en internationaal knooppunt met talrijke multinationals en dat het hier gaat om het vestigingsklimaat van Nederland?
Ja, de Amsterdamse haven is voor de stad, de Metropoolregio Amsterdam (MRA), het Noordzeekanaalgebied (NZKG) en Nederland van grote economische betekenis. De Amsterdamse haven is een haven van nationaal belang en is naar op- en overslag gemeten de vierde haven van Europa (na Rotterdam, Antwerpen en Hamburg). De haven is daarmee een nationaal en internationaal knooppunt voor bedrijven en goederenstromen. De haven maakt onderdeel uit van de Europese TEN-T corridors Noordzee – Baltische Staten, Rijn – Alpen en Noordzee – Middellandse Zeegebied. Voor het vestigingsklimaat van de Amsterdamse haven en om de haven in de top van de Europese zeehavens te kunnen houden, is de bouw van de nieuwe zeesluis als maritieme toegang tot de haven belangrijk. Tegelijkertijd is het voor de internationale concurrentiepositie van Nederland cruciaal om steden en (stedelijke) regio’s bereikbaar, gezond, leefbaar en aantrekkelijk te houden. (Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI), kamerstuk 34682–27, 20 juni 2019). Het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften maakt daar onderdeel van uit, en is eveneens een nationaal belang. De Metropoolregio Amsterdam is daarbij één van de regio’s met de grootste bouwopgave, waar de Minister van BZK recent een woondeal mee heeft gesloten om daar in samenwerking invulling aan te geven.
Hoeveel banen zijn er gemoeid met werkgelegenheid in en rondom de Amsterdamse haven, zowel direct, als indirect en welke economische waarde vertegenwoordigt de haven en de omgeving?
Bron: Havenmonitor 2017 (uitgebracht in 2018)
Is het een gezonde situatie dat het Amsterdamse havenbedrijf voor 100% in handen van de hoofdstad is? Hoe wordt het nationaal belang gewaarborgd?
Het Amsterdamse havenbedrijf is in 2013 verzelfstandigd naar een Naamloze Vennootschap (N.V.). De aandelen zijn in handen van de gemeente Amsterdam. Het is aan de gemeente Amsterdam als 100% aandeelhouder om op een goede manier invulling te geven aan haar eigenaarschap van het Havenbedrijf Amsterdam N.V. De rijksoverheid waarborgt het nationale belang van het Amsterdamse havengebied op verschillende manieren, variërend van bekostiging van infrastructuur tot inrichting van milieuregels of inspecties, tot zorgdragen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat en leefbare (woon)omgeving.
Begrijpt u de zorgen van ondernemers die vinden dat het huidige gemeentebestuur wel erg haar stempel drukt op de haven?
Het is aan de gemeente Amsterdam om in samenwerking met gemeenten in de regio en de provincie Noord-Holland voldoende locaties beschikbaar te stellen voor de verschillende opgaven. Daarbij moet uiteraard goed rekening worden gehouden met andere publieke belangen. In de Haven-Stad strategie gaat de gemeente Amsterdam nader in op de milieu, geluid- en veiligheidseisen voor bedrijven en op de mogelijkheden om tot een gefaseerde aanpak te komen voor woningbouw in het havengebied binnen de Ring West. Voor het ondernemersklimaat in de haven is van belang dat er duidelijkheid is voor bedrijven tot wanneer zij eventueel kunnen blijven zitten, of zij zich elders in het havengebied kunnen vestigen (zoals het veroorzakersprincipe in principe vereist en waarvoor de mogelijk nieuw aan te leggen Houtrakhaven reeds als uitbreidingslocatie in de Visie Noordzeekanaalgebied 2040 is vastgelegd) of dat zij een beroep kunnen doen op financiële compensatie bij (gedwongen) vertrek uit bestaand havengebied.
De gemeente Amsterdam werkt daarom op dit moment ook in overleg met het bedrijfsleven aan een bedrijventerreinenstrategie die inzicht moet bieden in alternatieve vestigingslocaties voor bedrijven.
Herkent u de twijfel van buitenlandse aandeelhouders, die zich inmiddels zijn gaan afvragen in hoeverre nieuwe investeringen in hun bedrijf in Amsterdam nog rendabel of zeker is?
Investeringen kennen altijd onzekerheden en de druk van woningbouw komt in veel Europese havens voor. De benodigde duidelijkheid voor ondernemingen moet volgen uit de hierboven benoemde bedrijventerreinenstrategie.
Wat is de invloed van het Rijk op de woningbouwplannen en het investeringsklimaat in Amsterdam? Als het Rijk fors investeert in alle soorten infra (weg, water en spoor) in en rondom de stad en tegelijkertijd het gemeentebestuur haar eigen agenda voert, is het dan wel verstandig om Amsterdam nog langer financieel daarmee te helpen, zeker als dit conflicteert met het Rijksbelang? Is een pas op de plaats te overwegen, zolang er discussies lopen en er tegengestelde belangen zijn?
In dit gebied komen meerdere (rijks)belangen samen. Naast een optimale bereikbaarheid en (door)ontwikkeling van de haven zijn ook het vergroten en versnellen van de woningbouwproductie evenals sterke en gezonde steden en ruimte voor klimaatadaptatie en verduurzaming/energietransitie (rijks)belangen. Gezien de economische kracht van de regio – juist mede dankzij de haven – is de verwachting dat de sterke groei van de woningbehoefte in deze regio zal doorzetten en is het belangrijk dat de regio nu al nadenkt over waar die grote bouwopgave gaat landen. Voor het Rijk is zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften een nationaal belang (Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI)) en dat betekent dat ook de MRA voldoende locaties beschikbaar moet stellen om te voorzien in de bouwopgave. Een vertrek van de haven uit de stad vraagt, als we recht willen doen aan de investering in de zeesluis IJmuiden en de Amsterdamse haven in de top van de Europese zeehavens willen houden, wel om nieuwe ontwikkelruimte elders. Rijk en regio komen gezamenlijk tot een zorgvuldige en integrale afweging van de verschillende publieke belangen in dit gebied, zodat wonen, werken, recreëren en verduurzaming met elkaar in balans blijven. Het Rijk is hiertoe met de gemeente Amsterdam en de regio in diverse gremia in overleg over de aanleg van (Rijks)infrastructuur en de uitvoering van woningbouwplannen in samenhang met opgaven op het gebied van leefbaarheid, bereikbaarheid, werken, landschap, klimaatadaptatie, circulaire economie en energietransitie. Door het overleg wordt voorkomen dat tegengestelde belangen in een late fase van de ontwikkeling van een project tot een pas op de plaats leiden
Het bericht dat de Verenigde Staten korting hebben gekregen op de F-35-toestellen |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Staten een fikse korting hebben gekregen op de F-35-toestellen?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland ook recht heeft op korting onder andere vanwege de verleende ontwikkelingsactiviteiten en de vele problemen bij de F-35-toestellen? Zo nee, waarom niet?
Het Amerikaanse F-35 Joint Program Office (JPO) onderhandelt namens alle partners in het programma met de industrie over de stuksprijzen. Deze stuksprijzen zijn in de afgelopen jaren voor alle partners gedaald en zullen met deze overeenkomst in de komende jaren waarschijnlijk verder dalen. De formalisering tussen het JPO en de Amerikaanse industrie over de stuksprijzen van de F-35 jachtvliegtuigen in LOT 12, 13 en 14 (LOTs waarin Nederlandse F-35A jachtvliegtuigen worden geproduceerd) is echter nog gaande. De formele stuksprijzen zullen later dit jaar door het JPO worden gecommuniceerd. Ik kan derhalve nog niet ingaan op de stuksprijzen van de bestelde Nederlandse F-35A jachtvliegtuigen. In de jaarlijkse voortgangsrapportage van het project Verwerving F-35, die uw Kamer uiterlijk op Prinsjesdag ontvangt, wordt u geïnformeerd over de ontwikkeling van de stuksprijs van de F-35A.
Bent u bereid om in overleg te treden, of desnoods juridische middelen in te zetten, om korting te krijgen op de vliegende Titanic? Zo nee, waarom niet?
Allereerst merk ik op dat de kwalificatie in de vraagstelling voor rekening van de vraagsteller is.
In antwoord op uw vraag: nee, dit is niet noodzakelijk. Het JPO maakt zich namelijk al sterk om voor het gehele F-35 programma de beste stuksprijs te realiseren voor de nog te verwerven F-35 Lightning II jachtvliegtuigen.
Bent u bereid om, indien korting verkregen is, het vrijgekomen budget te besteden aan het Defensiepersoneel? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd wil ik niet vooruitlopen op de nog overeen te komen stuksprijzen van de bestelde en nog te leveren Nederlandse F-35A jachtvliegtuigen.
Kunt u een overzicht geven van alle kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de vliegende Titanic? Zo nee, waarom niet?
Op 15 mei jl. heb ik mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en
Klimaat de financiële verantwoording 2018 project verwerving F-35 (Kamerstuk 26 488, nr. 450) naar de Kamer gestuurd. In september 2019 wordt uw Kamer op Prinsjesdag met de jaarlijkse voortgangsrapportage geïnformeerd over de actuele ramingen. Voorgenoemde wijze van rapporteren is conform de (recent gewijzigde) uitgangspuntennotitie groot project Verwerving F-35 (kenmerk 2019Z03999/2019D09255), zoals vastgesteld in de procedurevergadering van de vaste commissie voor Defensie van 7 maart 2019.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht 'Menzis eist 6 ton van zorgbureau Care Free Twente' |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de tv-uitzending «Menzis eist 6 ton van zorgbureau Care Free Twente» van RTV Oost?1
Ja.
Klopt het dat Menzis eisen kan stellen bij de inkoop van zorg om alleen met gediplomeerd personeel te werken?
Ja, want Menzis sluit daarbij aan bij het kwaliteitskader wijkverpleging2. In het kwaliteitskader wijkverpleging is opgenomen dat verpleegkundigen en verzorgenden die zorg leveren gekwalificeerd zijn en moeten voldoen aan de eisen en regels van het betreffende beroep. Dit houdt in dat zij over de competenties beschikken zoals beschreven in de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onderliggende regelgeving. Op deze manier wordt geborgd dat zij de juiste kennis, vaardigheden en houding hebben om de verpleging en verzorging te leveren. Zorgverzekeraars kunnen op basis hiervan eisen stellen aan de inkoop van zorg.
Klopt het dat zorgverzekeraar Menzis vorig jaar een onderzoek instelde naar Care Free Twente, omdat er vermoedens waren van fraude en omdat er signalen waren van verzekerden dat er dingen niet klopten?
Ja, het klopt dat Menzis op basis van sterke vermoedens een onderzoek heeft ingesteld. Dit is mede ingegeven door het feit dat meerdere verzekerden aan Menzis hebben verklaard geen zorg te hebben ontvangen. Een door Menzis uitgevoerde analyse op declaraties voor wijkverpleging heeft de vermoedens van fraude onderstreept en verantwoordden een nader onderzoek naar frauduleus handelen en de rechtmatigheid van declaraties.
Kunt u aangeven wanneer precies vast is komen te staan dat er sprake is van fraude en wat de fraude dan precies behelst?
Menzis heeft geconstateerd dat 90 procent van het personeel bij zorgbureau Care Free niet gediplomeerd is. Daarnaast heeft Menzis vastgesteld dat er sprake is van foutieve declaraties, waarbij gedeclareerde uren niet geleverd bleken te zijn en uren zorg geleverd is aan mensen die dat medisch gezien niet nodig hadden.
Het niet voldoen aan verzekeringsvoorwaarden door 90% van het personeel zonder diploma in te zetten is een onrechtmatigheid. Ook het declareren van foutieve declaraties wordt in dit onderzoek onder fraude geschaard. Gaande het onderzoek, gestart op 11 december 2018, is Menzis meerdere keren in gesprek geweest met de eigenaar van zorgbureau Care Free Twente. In het zes maanden durende onderzoek is tot in april 2019 informatie opgevraagd bij de zorgaanbieder ten behoeve van het onderzoek, omdat gegevens niet compleet waren. Uiteindelijk heeft dit geleid tot hoor- en wederhoor en een brief met voorlopige bevindingen. Menzis is tot de conclusie gekomen dat het fraude betreft door de gedeclareerde uren zorg af te zetten tegen de geregistreerde uren zorg en de verloonde uren op basis van aangeleverde documenten van de eigenaar van zorgbureau Care Free. Op 29 mei jl. heeft Menzis een op basis van het gehele onderzoek een brief met een definitieve beslissing naar de zorgaanbieder gestuurd. Daarmee is het onderzoek afgerond.
Heeft Menzis tijdens de onderzoeksfase ook samengewerkt met bijvoorbeeld gemeenten uit de regio die ook gebruik maken van zorgbureau Care Free Twente om te onderzoeken of daar vergelijkbare signalen waren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, Menzis heeft aan mij aangegeven contact te hebben gehad met de gemeente Enschede. De gemeente en Menzis hebben geen gezamenlijk onderzoek gedraaid.
Zijn er bij gemeenten waar zorgbureau Care Free Twente voor werkt ook signalen binnengekomen van fraude of signalen van gebruikers van zorg dat het niet klopte?
Organisatie voor Zorg en Jeugdhulp Twente (OZJT)/Samen14, de samenwerking tussen de veertien Twentse gemeenten op het gebied van jeugdhulp en Wmo zorg, doet geen uitspraken en mededelingen over (lopende) onderzoeken en individuele aanbieders. OZJT heeft kennis genomen van de situatie Care Free Twente en Menzis.
Wie is verantwoordelijk om te controleren dat zorgbureaus werken met gekwalificeerd personeel?
De zorgaanbieder zorgt dat er voldoende en deskundige zorgverleners beschikbaar zijn, afgestemd op de aanwezige cliënten en hun actuele zorgvragen. Dit volgt uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het kwaliteitskader wijkverpleging sluit daarbij aan. Het toezicht op de Wkkgz is belegd bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op ondersteuning die in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geboden wordt.
Moeten organisaties als Care Free Twente na afloop van het jaar verantwoording afleggen aan de zorgverzekeraar en ook aan gemeenten waar zij zorg aan leveren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een zorgaanbieder hoeft niet jaarlijks verantwoording aan de zorgverzekeraar af te leggen. De zorgverzekeraar voert het hele jaar door risicogerichte controles uit om te controleren of de geleverde zorg rechtmatig en doelmatig is verleend. Dit is een wettelijke taak van zorgzorgverzekeraars. De zorgverzekeraar is zelfs strafbaar als een declaratie met een onjuiste prestatiebeschrijving of onjuist tarief wordt betaald of vergoed. Zorgverzekeraars voeren formele en materiële controles uit op de declaraties die zij ontvangen. De formele controle houdt kort gezegd in: het controleren of de declaratie betrekking heeft op een bij de zorgverzekeraar verzekerde persoon, of de gedeclareerde zorg in het pakket zit van die verzekerde, of de zorgaanbieder bevoegd was tot het verlenen van deze zorg en of het juiste tarief hiervoor in rekening is gebracht. Materiële controle houdt in dat de zorgverzekeraar nagaat of de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk is geleverd, en of die zorg redelijkerwijs was aangewezen gezien de gezondheidssituatie van de verzekerde. De uitvoering van de controles door de zorgverzekeraar is aan strenge regels gebonden. De zorgverzekeraar moet zich bij de controletaken houden aan een stappenplan waarbij iedere stap met waarborgen is omgeven en controleerbaar is voor de zorgaanbieder. Dit stappenplan en bijbehorende regels voor de materiële controle zijn door Zorgverzekeraars Nederland nader uitgewerkt in het daarop gebaseerde Protocol materiële controle.
Gemeenten zijn in het kader van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het formuleren van kwaliteitscriteria en het contracteren van aanbieders. Derhalve kunnen gemeenten ook zelf specifieke voorwaarden stellen waar zorgaanbieders aan dienen te voldoen. Zo geldt voor zorgaanbieders die onder OZJT vallen dat zorgaanbieders met een omzet van meer dan € 125.000 een accountantsverklaring moeten kunnen overleggen over ieder jaar dat de omzet meer dan € 125.000 bedraagt.
Het bericht dat criminelen en amateurvoetbalclubs infiltreren |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Criminelen proberen binnen te komen in Brabants amateurvoetbal»?1
Ja.
Welke belangen kunnen criminelen hebben om een amateurvoetbalclub te financieren of daar op andere wijze invloed te krijgen?
Ik kan niet beoordelen welke individuele afwegingen criminelen maken. In algemene zin is uit informatie van de partners die betrokken zijn bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit wel bekend dat criminelen op verschillende manieren invloed proberen te verwerven in maatschappelijke sectoren. Uit een inventariserend onderzoek van Politie en Wetenschap met als titel «ondermijning door criminele weldoeners» (2018)2 blijkt dat de belangen van criminelen uiteen lopen. Het kan gaan om personen die een amateurvoetbalclub gebruiken om criminele activiteiten te ontplooien. Ook de wens om gezien te worden als een respectabel burger die investeert in goede maatschappelijke doelen kan een belang zijn om een amateurvoetbalclub te financieren of daar invloed te verwerven.
Als criminelen invloed op amateurvoetbalclubs of andere sportverenigingen uitoefenen kan het zijn dat de onderwereld de bovenwereld binnendringt, bijvoorbeeld als hiervoor crimineel vermogen wordt gebruikt. Het risico van sponsoren die via sportclubs geld witwassen wordt ook genoemd in het Nationaal Dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit uit 2017.3
Het belang van een sportieve en integere sportbeleving staat voor mij voorop. Het is belangrijk dat sportverenigingen zich bewust zijn van het risico op «criminele infiltratie». Ik zal met mijn ambtgenoot van VWS de uitkomsten van het onderzoek dat in opdracht van de Taskforce Brabant Zeeland is uitgevoerd – die overigens thans nog niet beschikbaar zijn – bespreken en bezien of en op welke wijze dit thema ook bij de lokale sportakkoorden aan de orde kan komen. Hierbij zullen wij ook de motie van het lid De Pater-Postma c.s.4 betrekken, waarin de regering wordt verzocht om een breder onderzoek naar aard en omvang van criminele inmenging in de amateursport.
Deelt u de mening dat de onderwereld de bovenwereld binnendringt doordat criminelen invloed uitoefenen op amateurvoetbalclubs? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunnen amateurvoetbalclubs doen om na te gaan of potentiële geldschieters bona fide zijn? Kunnen zij een verklaring omtrent gedrag vereisen?
De organisatie van een vereniging wordt bij wet bepaald, door haar statuten en reglementen. De modelstatuten en het modelhuishoudelijk reglement van het NOCNSF zijn een goed voorbeeld waarmee een sportief en integer verenigingsleven gestimuleerd wordt. In het modelhuishoudelijk reglement is bijvoorbeeld een artikel opgenomen dat het bestuur de mogelijkheid geeft om richtlijnen voor sponsorschap op te stellen. Ook wordt de bestraffing van leden geregeld voor handelen of nalaten in strijd met de wet, statuten en/of reglementen.
Uit het eerder genoemde onderzoek van Politie en Wetenschap blijkt dat het bij sponsoren in de praktijk meestal gaat om rechtspersonen. Als er sprake is van een zakelijke overeenkomst (sponsoring) met een rechtspersoon kan de club als eis stellen dat de betreffende rechtspersoon een VOG RP dient te overleggen. Een VOG RP wordt afgegeven als uit het onderzoek van JDS blijkt dat de onderzochte rechtspersoon en de direct daarbij betrokken natuurlijke personen geen relevante strafbare feiten op hun naam hebben staan.
Kan de lokale overheid eisen stellen aan bestuurders of financiers van een amateurvoetbalclub bijvoorbeeld bij het verlenen van vergunningen of subsidie? Zo ja, op welke wijze kan dat? Zo nee, waarom niet en acht u het wenselijk dat dit wel mogelijk wordt?
Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters heeft een uitgave opgesteld waarin onderscheiden gemeentelijke bevoegdheden en hun toepassingsbereik zijn toegelicht (Zakboek openbare orde en veiligheid, 2017). Daarnaast hebben de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) mede tot taak gemeenten te ondersteunen bij het tegengaan van ondermijning. Zij wijzen gemeenten in dat verband op een adequate toepassing van de beschikbare (bestuursrechtelijke) instrumenten. Zo zou in bepaalde gevallen voorschriften kunnen worden verbonden aan een vergunning bijvoorbeeld met betrekking tot transparante geldstromen: contante betaling door sponsoren niet toestaan. Verschillende gemeenten hebben daar in het kader van het afgeven van een vergunning voor een vechtsportevenement reeds ervaring in opgedaan. Ook kunnen er voorwaarden worden verbonden aan gebruikersovereenkomsten voor sportaccommodaties, zoals gebeurt in de gemeente Amsterdam. De voorwaarden die door de gemeente Amsterdam worden verbonden aan de overeenkomst zijn er onder meer op gericht de overeenkomst te kunnen ontbinden wanneer er sprake is van integriteitsrisico’s. De gemeentelijke bevoegdheden kunnen het maatschappelijk probleem ondermijning echter niet alleen oplossen. Samenwerking met andere gemeenten, de sportwereld, politie en de belastingdienst is cruciaal om criminelen buiten de deur te houden. Ook zou het vergroten van de bewustwording een bijdrage kunnen leveren om bestuurders van verenigingen en gemeenten meer te helpen criminelen te weren bij sportverenigingen. Ik zal dit punt betrekken bij de bespreking over de uitkomsten van het onderzoek dat in opdracht van de Taskforce Brabant Zeeland is uitgevoerd en waarnaar wordt verwezen bij de beantwoording van de vragen 2 en 3.
In hoeverre is een Bibob-toets mogelijk ten aanzien van financiers of bestuurders van een amateurvoetbalclub? Acht u het wenselijk om die mogelijkheid uit te breiden? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom acht u dit niet wenselijk?
Sportverenigingen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de keuze om al dan niet met een potentiële geldschieter in zee te gaan. Voor zover het om optreden van de gemeente gaat, kan het Bibob-instrumentarium op verschillende manieren worden ingezet. De Wet Bibob is van toepassing op aangewezen vergunningen en subsidies en op vastgoedtransacties met de gemeente. De gemeente kan de aanvrager of wederpartij bij dergelijke overheidshandelingen op integriteit screenen. Ten behoeve van het onderzoek in het kader van de Wet Bibob moeten gegevens worden verstrekt over de wijze van financiering en over de (directe en indirecte) financier. Te denken valt bijvoorbeeld aan een gemeentelijke subsidie voor een amateurvoetbalclub, een exploitatie- en/of een Drank- en Horecawetvergunning voor een sportkantine of een huurovereenkomst voor gebruik van een sportaccommodatie. Een aangevraagde beschikking kan worden geweigerd en een gegeven beschikking kan worden ingetrokken, als ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of om strafbare feiten te plegen. Een vergelijkbare bevoegdheid geldt voor vastgoedtransacties met de gemeente.
Bovendien verschaft de in uw Kamer voorliggende uitbreiding van de Wet Bibob van 4 maart 2019 nog een mogelijkheid voor toepasbaarheid, namelijk de mogelijkheid om Bibob toe te passen bij vervreemding van erfpachtrecht.5 Het kan namelijk voorkomen dat sportverenigingen het recht van erfpacht hebben op eigendommen van de gemeenten. In dat geval is er sprake van een relatie tussen de gemeente en de sportvereniging, bijvoorbeeld in de vorm van een canon (vergoeding). Als in de erfpachtvoorwaarden een gemeentelijke toestemming voor vervreemding van de erfpacht is opgenomen, kan de gemeente een onderzoek in het kader van de Wet Bibob starten naar de nieuwe erfpachter van de sportvereniging.
De mogelijke executie van een Saudische tiener |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Mogelijk doodstraf voor Saudische tiener die als 10-jarige demonstreerde»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Saudische tiener Murtaja Qureiris mogelijk geëxecuteerd wordt, omdat hij als 10-jarige deelnam aan een demonstratie? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
De Saoedische jongen Murtaja Qureiris werd in 2014 op 13 jarige leeftijd gearresteerd. Op 7 juni 2019 meldden verschillende media dat Qureiris, die inmiddels 18 jaar is, mogelijk de doodstraf zou krijgen. Kort daarop maakte de familie van Murtaja Qureiris bekend dat hij niet de doodstraf heeft gekregen. Wel is hij door het Speciale Strafhof voor terrorisme veroordeeld tot 12 jaar cel. De familie heeft laten weten in beroep te zullen gaan. Nederland blijft de zaak volgen.
Klopt het dat in Saudi-Arabië vaker verdachten worden geëxecuteerd die minderjarig waren toen ze werden opgepakt? Hoe vaak komt dit voor?
Er zijn geen officiële cijfers beschikbaar over het totaal aantal executies van mensen die minderjarig waren toen ze werden opgepakt, maar er zijn wel gevallen bekend waar dit is gebeurd. Op 23 april jl. werden drie mensen geëxecuteerd die minderjarig waren toen ze hun vermeende misdrijf pleegden. De EU heeft hierover haar sterke afkeuring uitgesproken.2 Nederland is te allen tijde tegenstander van de doodstraf, maar het executeren op basis van vermeende misdrijven die als kind zijn gepleegd, is extra verwerpelijk. Dergelijke executies zijn bovendien in strijd met het VN-kinderrechtenverdrag, waar Saoedi-Arabië partij bij is.
Bent u bereid om op korte termijn contact op te nemen met Saudi-Arabië, bij voorkeur met zoveel mogelijk gelijkgestemde andere landen, om te protesteren tegen de doodstraf in het algemeen en tegen de voorgenomen executie van Murtaja Qureiris in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich al jarenlang in voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en opereert hierbij vaak in EU-verband. De EU Delegatie in Riyad heeft namens de EU zorgen geuit over de zaak van Murtaja Qureiris in een gesprek met de Saoedische autoriteiten. Inmiddels is bekend gemaakt dat de doodstraf niet zal worden opgelegd. Nederland blijft de zaak volgen wanneer deze in hoger beroep gaat.
Bent u bereid zich in te zetten om te komen tot gerichte sancties tegen Saudi-Arabië vanwege ernstige mensenrechtenschendingen op structurele basis? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich in voor verbetering van de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië. In daarvoor bestemde multilaterale fora, tijdens bilaterale gesprekken en in EU-verband spreekt Nederland de Saoedische autoriteiten hierop aan. Zoals gesteld in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2614) is voor het instellen van sancties internationaal brede politieke overeenstemming nodig. Dit is voor Saoedi-Arabië op dit moment niet het geval.