Het bericht ‘Honderd Cubanen lopen illegale mars voor homorechten: 'Historisch moment'’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderd Cubanen lopen illegale mars voor homorechten: «Historisch moment»»?1
Ja, het bericht is bekend. Ik kan bevestigen dat er bij een demonstratie voor gelijke rechten van LHBTI’s verschillende demonstranten op een gewelddadige manier zijn opgepakt. De mars op 11 mei jl. was een spontane demonstratie van de LHBTI-gemeenschap in Cuba in reactie op het besluit van de Cubaanse regering om de jaarlijkse Gay Pride af te gelasten. Aan het eind van de demonstratie is een aantal demonstranten met geweld gearresteerd.
Kunt u bevestigen dat bij een mars voor homorechten demonstranten op een gewelddadige manier zijn opgepakt? Zo nee, wat is er volgens u dan gebeurd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat demonstranten die demonstreren voor homorechten door de politie worden opgepakt en belemmerd? Wat zegt dit volgens u over de (veiligheids-)situatie voor LHBTI’ers in Cuba?
Het kabinet betreurt het dat demonstranten zijn belemmerd in het uitoefenen van hun demonstratierecht en zijn opgepakt bij een vreedzame demonstratie voor gelijke rechten van LHBTI’s. Gelijke rechten voor LHBTI’s is een prioriteit van het Nederlandse mensenrechtenbeleid en het is van belang dat ook onafhankelijke LHBTI-activisten kunnen opkomen voor deze rechten. Het gewelddadige einde van deze demonstratie laat zien dat het voor de LHBTI-gemeenschap in Cuba nog steeds moeilijk is om activiteiten te ontplooien.
Bent u na dit incident nog steeds van mening dat er in algemene zin geen reden is om aan te nemen dat LHBTI’ers bescherming tegen terugkeer naar Cuba nodig hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, welke actie gaat u hieraan verbinden?
Hoewel ik het incident uiteraard betreur zie ik hierin, noch op basis van andere bronnen over de positie van LHBTI’s in Cuba, geen reden om tot een ander beleid ten aanzien van LHBTI’s uit Cuba te komen.
Het is mij bekend dat LHBTI’s in Cuba geen gemakkelijk bestaan hebben. Discriminatie van LHBTI’s komt in Cuba voor, maar de omvang en aard hiervan is niet zodanig systematisch en structureel dat in algemene zin moet worden gesproken van vervolging waartegen bescherming dient te worden geboden.
Het gaat er in de beoordeling om of de mate van discriminatie zodanig ernstig is, dat er sprake is van een ernstige schending van de grondrechten van de mens en er daarom sprake is van vervolging. Niet elke schending van een grondrecht leidt tot deze conclusie. Er moet sprake zijn van een onhoudbare situatie als gevolg van discriminatie.
Uiteraard kunnen in individuele zaken de omstandigheden aanleiding geven om alsnog asielbescherming te verlenen. De IND toetst elke aanvraag voor asielbescherming op de individuele omstandigheden in een zorgvuldige procedure, zo ook die van LHBTI’s uit Cuba.
Kunt u aangeven hoe het uitgezette asielzoekers, specifiek LHBTI’ers, naar Cuba vergaat?
Zoals uw Kamer bekend volgt Nederland geen afgewezen asielzoekers die zijn teruggekeerd. Uitgangspunt van ons stelsel is zorgvuldige beoordeling en rechterlijke toetsing voorafgaand aan uitzetting. Monitoring na terugkeer maakt daar geen deel vanuit. Ik kan berichtgeving hierover dan ook niet bevestigen.
Op welke wijze wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken autoriteiten gemonitord hoe het in Cuba gesteld is met LHBTI-rechten, en hoe de uitwerking van nieuwe maatregelen zoals de strafbaarstelling van discriminatie jegens homoseksualiteit en de mogelijkheid om campagne te voeren voor homorechten in de praktijk tot uitvoering wordt gebracht?
Voor actuele informatie over de situatie in Cuba en ook de positie van specifieke groepen als LHBTI’s worden bronnen geraadpleegd zoals rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International, en ook rapportages van NGO’s zowel gericht op mensenrechten in het algemeen en meer specifiek gericht op LHBTI’s in Cuba. Om een idee te geven van de (NGO) bronnen noem ik hieronder een aantal: ILGA (International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association); Inter-American Commission on Human Rights; Observatorio Cubano de Derechos Humanos; en Cubanet.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Cubanen die Cuba ontvluchten bij terugkeer worden opgepakt en in de gevangenis terecht komen vanwege landverraad?2
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze berichtgeving bevestigen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt dit zich volgens u met het Nederlandse beleid dat LHBTI’ers in principe veilig kunnen terugkeren naar Cuba?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vindt u dat de stappen die afgelopen jaren op het gebied van LHBTI-rechten in Cuba zijn gezet zich verhouden tot de politieacties bij de recente homomars en wat zegt dit volgens u over de veiligheid van LHBTI’ers in Cuba?
Met het inwerkingtreden van de nieuwe Cubaanse Grondwet in april 2019 lijkt er op papier bescheiden vooruitgang te zijn geboekt op het gebied van gelijke rechten voor LHBTI’s in Cuba. Artikel 42 van deze Grondwet verbiedt discriminatie op grond van sekse, ras, huidskleur of etnische oorsprong, godsdienst en geloofsovertuiging, handicap, leeftijd, seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Dit is belangrijk voor de nog te hervormen familiewet waarmee het huwelijk van personen van gelijk geslacht mogelijk kan worden gemaakt. Het moet in de praktijk nog blijken hoe de nieuwe Cubaanse Grondwet bescherming biedt aan de LHBTI-gemeenschap. Het gewelddadige einde van de recente demonstratie laat zien dat het voor de LHBTI-gemeenschap in Cuba nog steeds moeilijk is om buiten de Cubaanse regering om activiteiten te ontplooien.
Bent u bereid de rechten van LHBTI’ers in Cuba aan de orde te stellen bij uw eerst volgende contact met uw politieke ambtsgenoot in Cuba?
Ja, daartoe ben ik bereid. Tijdens het bezoek van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur aan Cuba in mei 2019 heeft zij het geweld dat de Cubaanse autoriteiten hebben gebruikt bij de mars opgebracht bij de Cubaanse overheid en haar teleurstelling hierover uitgesproken. Ook heeft zij met zowel aan de staat gelieerde als meer onafhankelijke LHBTI-activisten gesproken. Verder zet Nederland zich actief in voor gelijke rechten van LHBTI’s in Cuba middels een project van de Cubaanse politie, het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) en CENESEX gericht op de bewustwording van de politie van de kwetsbare positie van de LHBTI-gemeenschap.
Hoeveel Cubanen hebben de afgelopen vijf jaar asiel in Nederland aangevraagd, hoeveel hebben er asiel gekregen en hoeveel zijn er afgewezen? In hoeverre is er bij deze laatste groep ook daadwerkelijk sprake van terugkeer?
De hieronder genoemde aantallen zijn afgerond op tientallen. Verder wordt opgemerkt dat op aanvragen mogelijk niet in hetzelfde jaar wordt beslist. Ook betreft het vertrek niet alleen afgewezen asielzoekers, maar alle Cubanen die Nederland hebben verlaten. De jaarcijfers van instroom, doorstroom en vertrek kunnen om die reden niet zomaar met elkaar worden vergeleken.
2015
2016
2017
2018
2019 (t/m april)
Instroom
10
20
260
160
10
Uitstroom
2015
2016
2017
2018
2019 (t/m april)
Afwijzing
10
20
80
290
10
Inwilliging
1
1
6
0
Aantal uitstroom
2014
2015
2016
2017
2018
2019 t/m april
Aantoonbaar vertrek
10
10
10
20
60
0
Geen vertrek
0
0
0
0
30
10
Zelfstandig vertrek zonder toezicht
10
10
10
40
170
10
Bent u nog steeds van mening dat, zoals verwoord in uw brief van 17 mei 2019 aan LGBT Asylum Support, er over de positie van LHBTI’ers in Cuba voldoende betrouwbare en objectieve informatie beschikbaar is uit diverse openbare en vertrouwelijke bronnen, waardoor u geen aanleiding ziet om een nieuw (thematisch) ambtsbericht op te laten stellen? Zo ja, waarom? Over welke bronnen en informatie gaat het? Zo nee, bent u bereid een nieuw thematisch ambtsbericht op te stellen? Zo nee, waarom niet?3
Over de positie van LHBTI’s in Cuba is naar mijn oordeel voldoende betrouwbare en objectieve informatie beschikbaar uit diverse openbare en enkele vertrouwelijke bronnen. De IND is op basis van deze informatie in staat zorgvuldig te beslissen in individuele asielzaken.
Hierbij is het goed om op te merken dat de IND een afdeling heeft met op een land gespecialiseerde medewerkers die door de hoor- en beslismedewerkers benaderd kunnen worden voor actuele en betrouwbare informatie uit diverse betrouwbare bronnen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ziet daarom geen aanleiding het Ministerie van Buitenlandse Zaken te verzoeken een (thematisch) ambtsbericht over LHBTI’s uit Cuba op te stellen. Een dergelijk ambtsbericht zal weinig toe kunnen voegen aan hetgeen reeds uit andere bronnen bekend is. Daarbij wordt ook naar de instroom gekeken of een verzoek voor een ambtsbericht opportuun is. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 12 geeft de huidige instroom hier evenmin aanleiding toe.
De heffingskorting van Nederlanders in het buitenland |
|
Helma Lodders (VVD), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een groep gepensioneerde Nederlanders in het buitenland sinds begin dit jaar geen heffingskorting meer toegepast krijgt op hun AOW?
Ja. Dit komt door de loonbelastingmaatregel uit het pakket Belastingplan 2018. Door deze maatregel ontvangen buitenlandse belastingplichtigen met ingang van 2019 het belastingdeel van de heffingskortingen niet meer via de loonbelasting.1 Hiermee wordt voorkomen dat grote aantallen buitenlandse belastingplichtigen te veel aan heffingskortingen ontvangen waarop ze in de inkomstenbelasting geen of minder recht hebben.
Kunt u inschatten wat de omvang is van de groep voor wie het sinds begin dit jaar is veranderd?
De wijziging waarop wordt gedoeld, behelst een tweetal maatregelen. De eerste maatregel ziet op het feit dat met ingang van 1 januari 2019, buitenlandse belastingplichtigen het belastingdeel van de heffingskortingen – met uitzondering van de arbeidskorting voor inwoners van de landenkring – niet meer via de loonbelasting ontvangen. Zoals al eerder aangegeven naar aanleiding van vragen van het lid Omtzigt, is er een groep van naar schatting 350.000 buitenlandse belastingplichtigen, die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen zijn en die dus vanaf 1 januari 2019 het belastingdeel van de heffingskortingen – met uitzondering van de arbeidskorting voor inwoners van de landenkring – niet meer via de loonbelasting ontvangen. Daarnaast is er een groep van naar schatting 130.000 kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen die recht hebben op dezelfde heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen.2 Zij ontvangen deze heffingskortingen ook niet meer via de loonbelasting, maar kunnen deze te gelde maken via een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of via de aangifte inkomstenbelasting.3
Door de tweede maatregel uit het pakket Belastingplan 2019 die met ingang van 1 januari 2019 is doorgevoerd hebben buitenlandse belastingplichtigen van buiten de landenkring in de inkomstenbelasting niet langer recht op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De groep die per 2019 niet meer het belastingdeel van deze kortingen ontvangt, maakt onderdeel uit van de hiervoor genoemde groep van 350.000 en is geraamd op 15.000 personen.
Een deel van de hiervoor genoemde groepen wordt gevormd door personen met de Nederlandse nationaliteit die AOW-gerechtigd zijn. Het concrete aandeel van deze personen in de aantallen is niet bekend.
Kunt u inschatten welk deel is getroffen door de wijzigingen in het Belastingplan 2018 en welke deel door de wijzigingen in het Belastingplan 2019?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een inschatting geven hoeveel van deze mensen voor 2019 ten onrechte de heffingskorting toegepast kregen op hun AOW?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke aantallen is de raming van de budgettaire opbrengsten gebaseerd bij het Belastingplan in 2018 en 2019?
Voor de loonbelastingmaatregel uit het pakket Belastingplan 2018 is geen budgettaire opbrengst ingeboekt. De reden hiervoor is dat de maatregel het uiteindelijke recht op het belastingdeel van de heffingskortingen niet verandert.
In het pakket Belastingplan 2019 is geregeld dat buitenlandse belastingplichtigen van buiten de landenkring in de inkomstenbelasting niet langer recht hebben op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De budgettaire opbrengst van deze maatregel is geraamd op 3 miljoen euro. De maatregel heeft naar schatting betrekking op ongeveer 15.000 belastingplichtigen.
Betreft het alleen AOW-gerechtigden van buiten de landenkring of ook binnen de EU?
De loonbelastingmaatregel betreft alle buitenlandse belastingplichtigen. Buitenlandse belastingplichtigen, waaronder AOW-gerechtigde Nederlanders, met een fiscale woonplaats buiten de landenkring hebben geen recht op het belastingdeel van heffingskortingen. Bij buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een land uit de landenkring, maar geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn, kunnen het belastingdeel van de arbeidskorting en van de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing zijn. Buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een land uit de landenkring en kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn, hebben recht op dezelfde heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen. Elke heffingskorting kent zijn eigen voorwaarden voor toepassing.
Kunt u een overzicht geven van de heffingskortingen waar Nederlanders in het buitenland wel of niet recht op hebben onder welke voorwaarden?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een inschatting geven hoeveel van deze mensen alsnog recht hebben op de heffingskorting en dat via een vooraangifte kunnen krijgen?
Zie antwoord op de vragen 2, 3 en 4.
Wordt er met de woonlandfactor om te bepalen hoe hoog de AOW in het buitenland is, rekening gehouden met het bruto of netto bedrag van de AOW?
De Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid bepaalt dat de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet op het kindgebonden budget en de WGA-uitkering (en de eventuele toeslag op grond van de Toeslagenwet daarop) worden afgestemd op het kostenniveau van het land waar de belanghebbende of het kind woont. De geëxporteerde uitkering is maximaal even hoog als de uitkeringshoogte in Nederland is. Het woonlandbeginsel is niet van toepassing op landen binnen de EU, de EER (Noorwegen, IJsland, Liechtenstein) en Zwitserland. Het woonlandbeginsel is niet van toepassing op de Algemene Ouderdomswet, zodat 100% van de brutoAOW-uitkeringshoogte zoals deze in Nederland is wordt geëxporteerd. Afhankelijk van het recht op heffingskortingen kan de netto-uitkeringshoogte van geëxporteerde AOW-uitkeringen echter wel afwijken van het niveau zoals dat in Nederland is.
Wordt er met de woonlandfactor rekening gehouden met het stijgende aandeel van de heffingskorting op het bruto bedrag van de AOW?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke manier zijn Nederlanders in het buitenland geïnformeerd over deze wijziging?
De Belastingdienst heeft vanaf het vierde kwartaal 2018 een uitgebreid communicatietraject gevolgd. Naast algemene voorlichting op de website van de Belastingdienst zijn de betrokken belastingplichtigen voor zover deze bij de Belastingdienst bekend zijn zo gericht mogelijk benaderd. Zij zijn per brief gewezen op de gevolgen van de maatregelen in hun individuele situatie. In geval belastingplichtigen voor 2019 vermoedelijk recht hebben op het belastingdeel in de heffingskortingen in de inkomstenbelasting zijn zij gewezen op de mogelijkheid om een voorlopige aanslag te vragen. Van deze mogelijkheid is tot nu toe in 5.000 gevallen gebruik gemaakt. Bij degenen die hier geen gebruik van maken vindt verrekening alsnog bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2019 plaats.
De SVB heeft alle in het buitenland wonende AOW-, Anw- en Remigratie-uitkeringsgerechtigden die te maken zouden krijgen met de afschaffing van de heffingskorting hierover eind oktober 2018 met een algemene vooraankondiging geïnformeerd. Achtergrond van deze vroegtijdige communicatie was het voorkomen van verrassingen voor de uitkeringsgerechtigden op het moment van uitbetaling van de lagere uitkering. Eind december heeft de SVB de uitkeringsbeschikking verstuurd, waarin de gevolgen voor de individuele uitkeringsgerechtigde zijn gecommuniceerd. In januari is de aangepaste betaling uitgevoerd.
Hoeveel vragen zijn er binnengekomen bij de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) naar aanleiding van deze wijzigingen? Hoeveel van deze vragen zijn beantwoord?
Bij de Belastingdienst worden de vragen over specifieke maatregelen niet geregistreerd. Deze vragen zullen in het algemeen binnenkomen bij de Belastingtelefoon. Beantwoording daarvan vindt dan direct of bij ingewikkelde vragen korte tijd na het stellen plaats.
Bij de SVB zijn de telefoontjes gespreid binnengekomen naar aanleiding van de vooraankondiging, de beschikking en de eerste betaling in januari. De SVB heeft geen registratie bijgehouden van het aantal telefonische vragen over de wijziging per 1 januari 2019 van de heffingskorting. Hoewel exacte aantallen niet bekend zijn bestaat bij SVB de indruk dat er niet veel gebeld is over de heffingskorting. Voor zover de vragen een fiscaal karakter hadden zijn de bellers voor beantwoording doorverwezen naar de Belastingdienst.
De Nationale ombudsman heeft het Ministerie van Financiën in april 2019 bericht dat diverse AOW’ers zich daar hebben gemeld naar aanleiding van deze wijzigingen. In mei heeft een gesprek plaatsgevonden met de Nationale ombudsman, waarin de gevolgen van de maatregelen voor AOW’ers zijn toegelicht.
Het mensonterende voorval in Zeist |
|
Fleur Agema (PVV), Roy van Aalst (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ontslag voor chauffeur na mensonterend gedrag op facebookfilmpje» van 14 juni 2019?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) en FNV Taxi beiden de noodklok luiden over de «race naar de bodem» die zich bij de inkoop van het zieken- en ouderenvervoer nu voordoet?
Ja, ik ben op de hoogte van de zorgen die het KNV en FNV hebben geuit over contractprijzen in het vervoer.
Deelt u de mening dat dit voorval mede het gevolg is van een steeds grotere werkdruk op regio- en zorgtaxi’s vanwege de lage tarieven die de zorgverzekeraars bij de aanbesteding hanteren?
Nee. Ik betreur zeer dat dit incident plaatsgevonden heeft, maar er is geen reden te veronderstellen dat werkdruk of tarieven tot dit incident hebben geleid. Uitgangspunt is dat regiotaxivervoer tegen een reële prijs wordt gecontracteerd; kwaliteit is een zeer belangrijke maatstaf bij de gunning van contracten.
Naar aanleiding van uw vragen heb ik contact opgenomen met de provincie Utrecht, nu de betreffende rit werd uitgevoerd in het kader van het door hen afgesloten contract voor regiovervoer. De provincie heeft mij bevestigd dat het contract voorziet in reële tarieven. Tevens zijn er in de overeenkomst eisen aan de kwaliteit en dienstverlening gesteld, waaronder opleidingseisen voor chauffeurs.
De provincie heeft mij tevens bevestigd dat de vervoerder snel na het voorval passende (personele) maatregelen heeft genomen.
Bent u bereid met de zorgverzekeraars in gesprek te treden over de manier waarop de lage tarieven de markt onder druk zetten, zodat goed zieken- en ouderenvervoer geborgd kan gaan worden?
Zoals onder 3 aangegeven, betreft het incident regiotaxivervoer dat onder de verantwoordelijkheid van de provincie Utrecht is aanbesteed en wordt uitgevoerd. De provincie Utrecht heeft mij bevestigd dat er sprake is van reële tarieven en adequate eisen ten aanzien van dienstverlening in het contract.
Wat ziekenvervoer betreft geldt dat zorgverzekeraars in het kader van de Zorgverzekeringswet ziekenvervoer inkopen. Tijdens het AO pakketbeheer van afgelopen 26 juni heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport aangegeven dat het goed is dat zorgverzekeraars scherp zijn op de prijs bij de inkoop van zorg, maar daarbij geldt wel de kanttekening dat de prijs niet zo laag mag zijn dat de kwaliteit niet meer gegarandeerd kan worden. Daarbij heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport benoemd dat hij de signalen van de FNV over problemen bij het ziekenvervoer serieus neemt. Om die reden zal hij aan de NZa vragen om een verkenning uit te voeren door met alle partijen (verzekeraars, taxibonden en patiëntenverenigingen) in gesprek te gaan over de mogelijke problemen. De verkenning zal dan antwoord moeten geven op de vraag of er een probleem is met afgesproken prijzen in relatie tot de kwaliteit van de zorg en welke aanpak dat eventuele probleem kan worden aangepakt.
De berichten ‘De schrikbarende stijging die niemand kan verklaren’ en ‘Verkeersanalyse provincie nutteloos door Privacywet’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Tobias van Gent (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «De schrikbarende stijging die niemand kan verklaren» en «Verkeersanalyse provincie nutteloos door Privacywet», beide uit het Brabants Dagblad van 4 juni 2019?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de nieuwe Privacywet een ongevallenanalyse een stuk lastiger maakt?
Dat beeld herken ik deels. Rijkswaterstaat levert, ook onder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), ongevallengegevens waarmee wegbeheerders analyses kunnen maken om verkeersveiligheidsbeleid te formuleren. Daarbij worden gegevens over individuele ongevallen verstrekt, zoals de locatie en omstandigheden van het ongeval, de vervoerswijzen, de letselernst en in welke leeftijdsklasse betrokkenen zich bevinden. Bijzondere persoonsgegevens kunnen op dit moment echter niet worden geleverd. Het gaat bijvoorbeeld om strafbare feiten, zoals rijden onder invloed.
De reden daarvoor is dat er geen expliciete wettelijke grondslag bestaat, terwijl de AVG dat wel vereist. Aan deze wettelijke grondslag wordt momenteel gewerkt. Naar verwachting kan begin volgend jaar aan uw Kamer een wetsvoorstel worden voorgelegd.
Hoe moeten verkeersanalisten voortaan goede interpretaties en onderbouwingen geven van maatregelen als ze cruciale informatie missen over bijvoorbeeld de leeftijd van het verkeersslachtoffer of hoe een ongeluk precies plaatsvond?
Aanvullend op de verkeersongevallengegevens kunnen verkeersanalisten van wegbeheerders informatie voor bijvoorbeeld doelgroepenbeleid op geaggregeerd niveau bij Rijkswaterstaat opvragen. Daarnaast kan diepteonderzoek binnen de grenzen van de privacywetgeving bijdragen aan inzicht in oorzaken van verkeersongevallen. Wetenschappelijke instituten als SWOV en VeiligheidNL kunnen dergelijk onderzoek op verzoek van overheden uitvoeren.
Jaarlijks laat ik de SWOV ook diepteonderzoek uitvoeren naar bepaalde typen ongevallen. Recentelijk waren dit diepteonderzoeken naar ongevallen met scootmobielen, snorfietsers, oudere fietsers en bermongevallen.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de enorme stijging van verkeersdoden in Brabant anders te verklaren?
Zie antwoord 3.
Welke andere bronnen zijn voorhanden en hoe zorgen we ervoor dat er geen nieuwe dodelijke slachtoffers vallen, omdat het lang duurt om een nieuwe risicogestuurde aanpak te vinden?
Ongevallengegevens helpen om verkeersveiligheidsbeleid te formuleren, maar zijn niet de enige bron van informatie. Om ongevallen juist te voorkomen, zet ik samen met overheden en kennispartijen ook in op de ontwikkeling van data voor het in kaart brengen van de belangrijkste veiligheidsrisico’s in het verkeerssysteem. Zo laat ik de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW) deze maand de geanonimiseerde gegevens over gereden snelheden aan overheden beschikbaar stellen.
Deelt u de mening dat we moeten onderzoeken hoe we met oog op de privacywet toch meer data in kunnen zetten om de verkeersveiligheid te bevorderen? Welke mogelijkheden ziet u hiertoe?
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik momenteel, zoals ik in antwoord 2 aangeef, aan de wettelijke grondslag die de AVG vereist om aanvullende ongevallengegevens te kunnen leveren.
Deelt u de mening dat namen van slachtoffers niet nodig zijn, maar dat het om de verkeersveiligheid te bevorderen belangrijk kan zijn informatiebronnen zoals ziekenhuis-, politie-, en ambulancegegevens te koppelen? Hoe kan deze data uitwisseling, met oog voor de privacywetgeving, plaatsvinden?
Ik deel de mening dat namen van slachtoffers niet nodig zijn voor het analyseren van verkeersongevallen.
Onderzoeksinstituten als de SWOV, het CBS en VeiligheidNL kunnen binnen de voor hun geldende wetten/regels, data aan elkaar koppelen en dit geaggregeerd en geanonimiseerd aan derden uitleveren.
Kunt deze vraag één voor één beantwoorden?
Ja, zie hiervoor voorgaande beantwoording per vraag.
De voortgang van het behoud van de zorg in de regio |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de leegloop bij Treant ziekenhuizen is begonnen, vooruitlopend op de sluiting van de spoedhulp in Stadskanaal en Hoogeveen?1
Ja, ik ken het bericht. Een regieteam bestaande uit ziekenhuizen, huisartsen en zorgverzekeraars heeft zoals u weet de handen ineengeslagen om de zorg voor de regio Drenthe en Zuidoost-Groningen beschikbaar te houden. Het regieteam heeft mij laten weten dat het sinds het bekend maken van de plannen op hoofdlijnen, op 11 februari 2019, in dialoog met de omgeving is over de plannen. Tegelijkertijd worden de plannen concreter uitgewerkt. Sinds dit voorjaar zijn de ambulancediensten aangesloten bij het regieteam. Het uitwerken van de plannen bevindt zich momenteel in de laatste fase, aldus het regieteam.
Het regieteam heeft mij overigens laten weten dat er geen sprake is van een «leegloop» bij Treant. Wel is het een feit dat het, vooruitlopend op de ombouw van de SEH’s in Hoogeveen en Stadskanaal naar spoedposten, gebeurt dat patiënten de voorkeur geven aan een ander ziekenhuis, aldus het regieteam.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerder gestelde Kamervragen over het verdwijnen van de spoedeisende zorg in Hoogeveen en Stadskanaal, waarin u aangeeft dat plannen verder worden uitgewerkt, dat gevolgen voor onder andere ambulancediensten in kaart worden gebracht, dat de effecten op de responsetijden in kaart worden gebracht etc? Wat is de meest recente stand van zaken?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat het ziekenhuis Isala de locatie in Meppel wil opwaarderen met een spoedeisende hulp niveau 3? Klopt het dat regionale bestuurders en betrokkenen bij deze beslissing niet geconsulteerd zijn?
Voor SEH’s (niet zijnde een traumacentrum) geldt op dit moment geen indeling in verschillende niveau’s. Alle SEH’s moeten, met name op het gebied van personele bezetting, aan dezelfde minimumvereisten voldoen.
De Raad van Bestuur van het Isala ziekenhuis heeft mij laten weten dat er geen voornemen bestaat om de SEH op de locatie Meppel te wijzigen. Deze heeft een 7 maal 24 uur beschikbaarheid en dat zal naar de toekomst ook zo blijven, juist ook gezien de andere ontwikkelingen in Drenthe. Dit sluit aan bij de opvattingen van het ROAZ en Zilveren Kruis. De Raad van Bestuur is regelmatig in gesprek met regionale bestuurders en betrokkenen over allerlei zaken die spelen in en rond de verschillende ziekenhuislocaties van het Isala. Meer in het bijzonder vindt er goed overleg plaats over de toekomst van de spoedzorg in Drenthe, onder regie van Zilveren Kruis en Menzis.
Deelt u de mening dat de zorgbehoefte van de inwoners centraal dient te staan en niet het aanbod dat zorgverleners willen bieden? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat de (huidige en toekomstige) zorgvraag van de inwoners in een regio en het zorgaanbod in deze regio goed op elkaar aansluiten. De cijfers die ik via het RIVM beschikbaar stel voor het opstellen van regiobeelden geven inzicht in de toekomstige zorgvraag en kunnen dan ook behulpzaam zijn bij de vraag hoe het zorgaanbod in de regio er in de toekomst uit moet zien.
Maar hoewel zorg voldoende toegankelijk moet zijn betekent het voorgaande niet, dat patiënten met iedere zorgvraag terecht moeten kunnen bij een zorgaanbieder in hun regio. En ook niet, dat de bestaande zorgaanbieders in de regio verplicht zijn om alle zorg te bieden waar de inwoners in de regio behoefte aan hebben.
Zorg moet op de juiste plek worden verleend; waar mogelijk dichtbij de mensen, maar in bepaalde gevallen is het ook beter om de zorg wat verder weg te organiseren. Voor de spreiding van SEH’s en ziekenhuisafdelingen voor acute verloskunde bestaat zoals u weet de 45 minuten-norm. Daarnaast moet de zorgverzekeraar er op grond van zijn zorgplicht voor zorgen dat de zorg die in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zit voldoende toegankelijk is. De NZa ziet daarop toe.
Voor zover uw vragen betrekking hebben op de plannen voor de regio Drenthe / Zuidoost-Groningen, kan ik u als volgt informeren.
Het regieteam heeft mij laten weten dat doel van de plannen van het regieteam van ziekenhuizen, huisartsen en zorgverzekeraars in Drenthe en Zuidoost-Groningen juist is om de zorg voor de regio en voor de bewoners beschikbaar te houden. Het streven is nadrukkelijk het huidige zorgaanbod zodanig in te richten dat dit langdurig behouden blijft voor de regio. En, op basis van voorspellingen over de verwachte zorgvraag in de toekomst, te voorkomen dat dit verdwijnt uit de regio, bijvoorbeeld richting Zwolle en Groningen. Door middel van diverse bijeenkomsten met bijvoorbeeld inwoners en betrokken gemeenten houdt de regiegroep nauw contact met de stakeholders en de inwoners om de zorgbehoefte inzichtelijk te maken, aldus het regieteam.
Het regieteam heeft een onderzoeksbureau in de hand genomen, dat het regieteam ondersteunt met cijfers over de zorgbehoefte nu en in de toekomst. Deze cijfers helpen om de zorg in de regio zodanig in te richten dat deze langdurig behouden kan blijven voor de regio, aldus het regieteam.
Deelt u de mening dat de zorgbehoefte zoals deze in kaart wordt gebracht door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en andere cijfers hierbij leidend dienen te zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de observatie dat de ziekenhuisdirecties van Ommeland (Winschoten), Treant (Stadskanaal, Hoogeveen, Emmen), Isala (Zwolle, Meppel) en Wilhelminaziekenhuis (Assen) wellicht wel met regionale bestuurders en betrokkenen spreken, maar vervolgens niets doen met hun inbreng en gewoon hun eigen plan trekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Nee, die observatie deel ik op dit moment niet.
Wat Meppel betreft verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 3.
Treant en Wilhelmina Ziekenhuis Assen maken beiden onderdeel uit van het regieteam dat een visie heeft ontwikkeld voor de ziekenhuiszorg in Drenthe en Zuidoost-Groningen. Het regieteam heeft mij laten weten dat het niet alleen met regionale bestuurders heeft gesproken over de plannen, maar ook met onder andere lokale bestuurders, inwoners, vele zorgorganisaties en patiëntenverenigingen. Het regieteam heeft hierbij steeds duidelijk gemaakt dat de plannen enerzijds absolute noodzaak zijn vanwege personeelsschaarste, maatschappelijke ontwikkelingen en medische eisen, maar dat er tegelijkertijd ruimte is om te kijken naar knelpunten en wensen die leven in de regio. Deze neemt het regieteam mee in de definitieve plannen, aldus het regieteam.
Deelt u de observatie dat hetzelfde geldt voor de ziekenhuisdirectie van Bravis (Bergen op Zoom/Roosendaal)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Bravis heeft mij laten weten de dialoog te hebben gezocht met de inwoners van het verzorgingsgebied van het ziekenhuis. De belangrijkste zorgen bleken zich te richten op de bereikbaarheid van de acute zorg, de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor de chronische patiënt, openbaar vervoer en de gevolgen voor de directe woonomgeving voor omwonenden van de nieuwe locatie van het ziekenhuis. Bravis geeft aan naar dat deze input heeft geleid tot een aantal aanscherpingen in de uitvoering van hun besluit. Zo zal er nadrukkelijk sprake zijn van een stadpolikliniek in de gemeente Bergen op Zoom waarin medisch specialisten spreekuur zullen houden en waar diagnostische mogelijkheden aanwezig zullen zijn. Daarnaast zal er met de diverse huisartsengroepen in de gemeenten van Bravis gesproken worden om te komen tot mogelijkheden van anderhalvelijns zorg. Ook zal met de gemeenten worden gesproken met aanbieders van het openbaar vervoer over de bereikbaarheid van het ziekenhuis, zeker vanuit het westelijk deel van het verzorgingsgebied van Bravis. Tot slot heeft Bravis samen met het gemeentebestuur van Tholen op 28 juni 2019 gesproken met de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) Zeeland over onder andere een mogelijk betere situering van de uitrijdpost van de ambulancedienst op het eiland Tholen. De observatie dat de ziekenhuisdirectie van Bravis wellicht niets met de inbreng van regionale bestuurders en betrokkenen doet, deel ik dan ook niet.
Klopt het dat u reeds handhaaft op de maatregel dat er overleg dient te zijn met betrokkenen (inwoners, patiëntenverenigingen, andere zorgverleners, ketenpartners) en bestuurders bij wijzigingen in de acute zorg?
Zoals u weet is de amvb acute zorg, waarin de communicatie met partijen en inwoners in de regio een belangrijk onderdeel is, nog niet in werking getreden. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze amvb stimuleer ik op dit moment echter reeds dat zorgaanbieders die overwegen om het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie te sluiten, handelen in de lijn van deze concept amvb. Dat wil zeggen dat ze een zeer zorgvuldig besluitvormingsproces inrichten. Ik heb de koepels van de ziekenhuizen, de huisartsenposten en de ggz-crisisdiensten in een brief gevraagd om hun leden te vragen om vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze amvb alvast langs de lijnen van deze concept amvb te handelen. Ook in overleggen die ik voer met zorgaanbieders die een voornemen tot sluiting hebben, benadruk ik het belang van het betrekken van maatschappelijke partners, waaronder ook het regionaal overleg acute zorgketen (ROAZ), bij de besluitvorming.
Een zorgvuldige besluitvormingsprocedure houdt allereerst in dat een zorgaanbieder die overweegt het aanbod van acute zorg op een bepaalde plaats te beëindigen dit dient te melden aan de IGJ en de NZa. Hij moet ook een plan opstellen om de continuïteit van zorg te borgen. Uiteraard moeten afspraken gemaakt worden met zorgverzekeraars. Andere zorgaanbieders voor wie een eventuele sluiting gevolgen kan hebben, waaronder zeker ook de Regionale Ambulancevoorziening, alsmede de gemeenten en inwoners dienen betrokken te worden in het afwegingsproces. Die andere partijen moeten niet alleen maar worden geïnformeerd, zij moeten de kans krijgen bezwaren te uiten en suggesties te doen. De zorgaanbieder moet deze meewegen in zijn besluitvorming en kunnen uitleggen wat hij met die punten heeft gedaan.
Omdat de amvb acute zorg nog niet in werking is getreden, is formele handhaving op de naleving van deze amvb is nog niet mogelijk. Echter, bij wijzigingen in het aanbod van acute zorg heeft de IGJ, nu en in het verleden, reeds aandacht (gehad) voor een gedegen onderbouwing en afstemming met ketenpartners en andere betrokkenen (zoals patiënten en het lokaal bestuur), door de betreffende zorgaanbieder, van besluiten tot afbouw of wijziging van zorgactiviteiten. Verder stellen de IGJ en NZa momenteel, vooruitlopend op deze amvb, gezamenlijk een handreiking op voor een zorgvuldige proces- en besluitvorming bij wijzigingen in het acute zorglandschap, waar overleg met andere betrokken actoren en inwoners uiteraard onderdeel van zal uitmaken. Deze handreiking zal ik naar verwachting in oktober aan uw Kamer doen toekomen.
Deelt u de mening dat «overleggen» hierbij uitgelegd moet worden als consulteren en niet als eenzijdig informeren, en dat consultatie betekent dat plannen ook aangepast moeten kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Wat vindt u ervan dat er naar verwachting bij Treant 2 miljoen euro extra aan tijdelijk personeel wordt uitgegeven in 2019 omdat er bij Treant ziekenhuizen een hoog verloop is omdat medewerkers onzeker zijn over hun toekomst?
Treant heeft aangegeven het uiterste te doen om, tot het moment dat alle partners in de regio gereed zijn voor de plannen zoals die in voorbereiding zijn uit te voeren, de huidige inrichting van de zorg te handhaven. Omdat een tekort van personeel mede aanleiding is voor deze plannen, is tijdelijke inhuur van extra personeel volgens Treant nodig. Tijdelijke inhuur en andere vormen van flexwerk komen steeds meer voor in de zorg. Ik vind het belangrijk dat zorginstellingen en medewerkers hierin een bewuste en goed geïnformeerde keuze maken en dat zorgwerkgevers in aanvulling daarop via goed werkgeverschap negatieve prikkels voor deze keuze zoveel mogelijk proberen te beperken. VWS laat op dit moment een onderzoek uitvoeren naar het verschijnsel van flexwerk. Het is een actiegericht onderzoek, waarmee ook meteen aan mogelijke oplossingsrichtingen wordt gewerkt voor situaties waarin flexwerk als probleem wordt ervaren.
Deelt u de observatie dat het trekken van een eigen plan door iedere directie negatieve gevolgen heeft voor niet alleen de bereikbaarheid maar ook voor de beschikbaarheid van ziekenhuizen, zoals dat er steeds meer patiëntenstops bij ziekenhuizen zijn?3
Ik kan mij niet helemaal vinden in deze absolute stelling, maar u weet dat ik het belangrijk vind dat een ziekenhuis bij een voornemen tot wijziging van het acute zorgaanbod niet solitair handelt. Ziekenhuizen zijn maatschappelijke organisaties en moeten zich als onderdeel van die maatschappij gedragen. Bij het nemen van dergelijke beslissingen moeten zij in overleg met de andere partijen in de regio treden en onder meer een continuïteitsplan maken om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de zorg in de regio ook na sluiting van de betreffende afdeling(en) voldoende is geborgd.
In het regieteam Drenthe / Zuidoost Groningen is er overigens geen sprake van dat ziekenhuisdirecties hun eigen plan trekken. In het regieteam hebben meerdere ziekenhuisdirecties, huisartsen, ambulancediensten en zorgverzekeraars zitting. Deze partijen kijken samen, over hun eigen grenzen heen, naar de best mogelijke inrichting van de zorg in de regio.
Kunt u een overzicht geven wanneer u met welke besturen en directies van ziekenhuizen hebt gesproken sinds 1 juni 2018 met betrekking tot de toekomstige inrichting van de zorg in de regio?
In de periode 1 juni 2018 tot en met 5 juli 2019 heb ik zelf de volgende gesprekken met besturen en directies van ziekenhuizen gevoerd over de toekomstige inrichting van de zorg in de regio:
De gesprekken die betrekking hebben op deze onderwerpen vindt u terug in onderstaand overzicht. Geprobeerd is, in de korte tijd die hiervoor stond, in het overzicht zoveel mogelijk de relevante feiten weer te geven.
Naast de gesprekken die in onderstaand overzicht zijn opgenomen, heb ik uiteraard ook over andere onderwerpen met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken, bijvoorbeeld tijdens mijn werkbezoeken aan de ziekenhuizen.
Ook wil ik tot slot graag noemen dat er uiteraard ook gesprekken hebben plaatsgevonden over andere onderwerpen die van belang zijn voor het zorglandschap c.q. de zorg in de regio, zoals de amvb acute zorg en de positie van het regionaal overleg acute zorg (ROAZ), en de totstandkoming van kwaliteitskaders en de betrokkenheid van en invloed op de regionale ziekenhuizen.
Over de zorg in Drenthe / Zuidoost-Groningen en de regiovisie van het regieteam heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 13 november 2018 (bezoek aan Drentse Zorgtafel); 8 februari 2019; 15 april 2019; en 28 juni 2019.
Op 30 oktober 2018 heb ik u een feitenoverzicht (vanuit het perspectief van VWS en betrokken toezichthouders) toegestuurd, dat zag op de periode van 16 juli tot en met 30 oktober 2018 (Kamerstuk 31 016, nr.113). In aanvulling daarop kan ik u melden dat ik met besturen en directies van ziekenhuizen over het faillissement en de overname van de IJsselmeerziekenhuizen, en de toekomst van de zorg in Flevoland, heb gesproken op: 1, 5, 11, 20 en 28 november 2018; 19 december 2018; 5 februari 2019.
Op 30 oktober 2018 heb ik u een feitenoverzicht (vanuit het perspectief van VWS en betrokken toezichthouders) toegestuurd, dat zag op de periode van 16 juli tot en met 30 oktober 2018 (Kamerstuk 31 016, nr.113). In aanvulling daarop kan ik u melden dat ik (met besturen en directies van ziekenhuizen over het faillissement van MC Slotervaart heb gesproken op: 6, 13, 20 en 27 november 2018; 11 december 2018; 15 januari 2019.
Over het voornemen om (de acute zorg van) locatie Bronovo van het Haaglanden Medisch Centrum te sluiten heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 9 januari 2019 en 23 mei 2019 (zie ook mijn antwoord op vraag 7, in de antwoorden op Kamervragen over de overbelasting van de spoedeisende hulp in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3330).
Over het voornemen van Bravis om de locaties Bergen op Zoom en Roosendaal samen te voegen op één locatie heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 21 februari 2019 en 11 juni 2019.
Over de financiële situatie en toekomst van het Maasziekenhuis in Boxmeer heb ik met besturen en directies van ziekenhuizen gesproken op: 5 en 19 februari 2019; 13 maart 2019; en 2, 5 en 17 april 2019.
Verder hebben er, naast het feit dat ik zelf contact heb gehad met de besturen en directies van ziekenhuizen, uiteraard ook veel contacten plaatsgevonden tussen mijn ambtenaren en/of medewerkers van de IGJ en/of NZa en verschillende ziekenhuizen.
Het gebruik van een levende haan tijdens Kallemooi. |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kinderen in actie tegen ophangen van pinksterhaan Schiermonnikoog: «Verleen hem gratie!»?1
Ja.
Wat vindt u van deze jaarlijkse traditie waarbij een levende haan in een mand aan een achttien meter hoge paal wordt vastgemaakt en daar drie dagen lang moet blijven zitten?
Tradities zijn gebruiken die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven en zijn daarmee typisch iets wat vanuit mensen en maatschappij ontstaat. Tradities verbinden mensen met elkaar. In dit geval betreft het een traditie op Schiermonnikoog. Het is niet aan mij om hier een uitspraak over te doen als hierbij de wetgeving niet wordt overtreden.
Wat is uw reactie op het voorstel van de kinderen om de levende haan te vervangen voor een nephaan, in elkaar geknutseld door de kinderen zelf?
Het is mooi als kinderen een dergelijk initiatief nemen. Het gaat hier om een afweging tussen dierenwelzijn en tradities. Het dierenwelzijn wordt gewaarborgd door de voorwaarden die zijn gesteld.
Wat vindt u ervan dat deze kinderen geen enkele reactie hebben gekregen op hun creatieve oplossing van de burgemeester van Schiermonnikoog?
Het is mij niet bekend of de burgemeester heeft gereageerd, maar ik hoop dat zij de kinderen een reactie stuurt op hun voorstel.
Kunt u toelichten waarom er geen documenten (dierenartsrapportages, filmbeelden, beoordelingsrapportages en adviezen van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming) zijn aangetroffen waaruit blijkt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gecontroleerd hebben of de in 2015 onder bestuursdwang opgelegde maatregelen in de daaropvolgende jaren ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd door het bestuur van het evenement Kallemooi?2
Naar aanleiding van eerdere meldingen van dierenbescherming regio Friesland zijn er door RVO.nl in 2015 in een preventieve last onder dwangsom maatregelen opgelegd om het welzijn en de gezondheid van de haan tijdens Kallemooi te beschermen. Zo moet de haan beschikken over vers drinkwater en voer, goed beschermd worden tegen nadelige weersomstandigheden en dagelijks gecontroleerd worden door een dierenarts.
In 2015 is tijdens een inspectie door de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (de toezichthoudende autoriteit) geconstateerd dat de opgelegde maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd. Het bestuur van het evenement Kallemooi heeft ook aangegeven de haan in de toekomst volgens deze maatregelen te gaan houden. In de daarop volgende jaren heeft geen fysieke controle plaatsgevonden door de LID. Om die reden is er geen documentatie beschikbaar.
Kunt u bevestigen dat dit feitelijk betekent dat er vanaf 2016 niet is gecontroleerd door handhavende autoriteiten of de getroffen maatregelen die onder bestuursdwang werden opgelegd, ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd door het bestuur van het evenement Kallemooi? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, kunt u toelichten hoe de NVWA kan concluderen «dat er geen reden is om op te treden» omdat de organisatie van het feest zich volgens hen houdt aan de regels voor dierenwelzijn terwijl er sinds 2016 niet meer gecontroleerd is of dit ook echt zo is?3
Ja, dat kan ik bevestigen. Na de LID-inspectie in 2015 is de preventieve last onder dwangsom die zag op het evenement in 2015 vervallen. Zie verder het antwoord op vraag 5.
De voorzieningenrechter heeft in 2018 het verzoek van een dierenorganisatie tot het treffen van een voorlopige voorziening gericht tegen de verlening van een vergunning voor het evenement Kallemooi door de burgemeester van Schiermonnikoog afgewezen. Op 26 maart 2019 heeft de rechtbank Noord-Nederland het beroep in dezelfde zaak ongegrond verklaard De rechtbank is daarbij van oordeel dat geen sprake is van dierenmishandeling gelet op de maatregelen die worden getroffen, waaronder het onderzoek van de haan door de dierenarts, het cameratoezicht, de voldoende beschutting, het voedsel en het water die de haan worden geboden. De NVWA baseert haar beslissing om niet op te treden op deze uitspraak. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend waaruit zou blijken dat niet meer wordt voldaan aan de gestelde eisen zoals die eerder onder bestuursdwang zijn opgelegd aan het bestuur van het evenement.
Deelt u de mening dat deze aanpak door de handhavende autoriteiten op geen enkele manier gerechtvaardigd is, aangezien er melding van verdenking van overtreding van de Wet dieren wordt gemaakt en gevraagd wordt handhavend op te treden?4 Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Tot en met 2018 zijn bij handhavende autoriteiten geen handhavingsverzoeken of meldingen ontvangen op grond waarvan een inspectie noodzakelijk werd geacht. In 2019 zijn bij zowel RVO.nl als NVWA handhavingsverzoeken ontvangen. Door RVO.nl wordt onderzocht of er aanwijzingen zijn dat het welzijn van de haan mogelijk in het geding was tijdens het evenement met Pinksteren in 2019. Indien in het onderzoek van 2019 wordt geconstateerd dat er een overtreding van de Wet dieren heeft plaatsgevonden, zullen er maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat dit in 2020 wederom zal gebeuren.
Kunt u uitsluiten dat er vanaf 2016 sprake is geweest van overtreding van de door RVO opgelegde maatregelen wanneer er niet gecontroleerd wordt door uw handhavende autoriteiten? Zo nee, kunt u aangeven of dit voor u aanleiding vormt om de aankomende jaren wel toezicht te houden en handhavend op te treden? Zo nee, waarom niet?
Nee, maar ik zie ook geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is geweest van overtredingen. Zie mijn antwoord bij vraag 5.
Kunt u aangeven of uw conclusie in de brief van 1 mei 20155 dat contact met soortgenoten en vrije bewegingsruimte niet behoren tot de fysiologische en ethologische behoeften van een haan, aangezien deze zaken geen deel uitmaken van de eisen van RVO om de gezondheid en het welzijn van de haan te bevorderen, getrokken is op basis van wetenschappelijke literatuur? Zo ja, welke wetenschappelijke literatuur? Zo nee, kunt u aangeven waarom deze eisen niet zijn opgelegd?
In de brief van 1 mei 2015 is niet expliciet gesproken over contact met soortgenoten en vrije bewegingsruimte. Wel is in de brief aangegeven dat er voor gezorgd moet worden dat de haan niet onnodig in zijn gezondheid en welzijn wordt benadeeld. Hiervoor is als maatregel opgenomen dat het bestuur van Kallemooi ervoor moet zorgen dat een dierenarts dagelijks of meer frequent de toestand van de haan dient te controleren. Aan deze maatregel is voldaan en naar het oordeel van de dierenarts zijn er geen afwijkingen geconstateerd.
Deelt u de mening dat de haan niet aan zijn fysiologische en ethologische behoeften kan voldoen wanneer hij drie dagen lang opgesloten zit in een mand op 18 meter hoogte?
Het is het meest natuurlijke wanneer de haan vrij kan bewegen, maar ik acht een driedaagse beperking van zijn vrijheid niet dusdanig nadelig dat dit het welzijn op lange termijn van de haan aantast.
Deelt u de mening dat de haan angst en stress kan ervaren door hem te gebruiken voor een dergelijk evenement en dat de haan kan lijden door angst en stress?
Hiervoor verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 10.
Deelt u de mening dat de intrinsieke waarde van de haan niet gerespecteerd wordt, wanneer hij louter ter vermaak van de mens drie dagen lang opgesloten zit in een mand op 18 meter hoogte?
De intrinsieke waarde wordt afgewogen tegen andere belangen, wat geleid heeft tot het toestaan, onder voorwaarden, van dit evenement met een haan.
Deelt u de mening dat van het gebruik van een levende haan louter voor het vermaak van mensen een verkeerd signaal uitgaat? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de kans klein dat hier een verkeerd signaal vanuit gaat, omdat het hier een traditie betreft die één keer per jaar voorkomt.
Deelt u de mening dat het gebruik van een levende haan bij Kallemooi verboden zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zolang het bestuur van Kallemooi zich aan de opgelegde maatregelen houdt en de wet niet wordt overtreden, is het gebruik van een levende haan bij Kallemooi niet verboden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er volgend jaar naar de kinderen geluisterd wordt en er geen levende haan maar een diervriendelijk alternatief aan de paal vastgemaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3, worden voorwaarden gesteld die het dierenwelzijn van de haan waarborgen. Aan deze voorwaarden wordt voldaan en daarmee is gewaarborgd dat deze traditie niet het dierenwelzijn aantast.
Het bericht ‘Te veel beperkingen voor Bijbelstudie in azc’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Te veel beperkingen voor Bijbelstudie in azc»?1
Ja.
Klopt het dat gezamenlijke Bijbelstudie niet is toegestaan in het asielzoekerscentrum (azc) in Gilze-Rijen?
Het COA is een politiek en religieus neutrale organisatie en heeft daarbij als taak de persoonlijke levenssfeer van alle bewoners te bewaken en de leefbaarheid en veiligheid op de opvanglocaties te borgen. Bewoners van COA-locaties hebben diverse politieke en (non-)religieuze voorkeuren, waarbij juist die voorkeur vaak aanleiding was om hun land van herkomst te (moeten) verlaten. Om te voorkomen dat bewoners geconfronteerd worden met uitingen van andere bewoners die politieke en religieuze bijeenkomsten houden zijn politieke en religieuze activiteiten die inbreuk plegen op de persoonlijke levenssfeer van anderen niet toegestaan. Het staat daarbij een ieder vrij om zijn politieke of religieuze voorkeur in de privésfeer te belijden. Het betreft dan, zoals mijn voorganger ook heeft toegelicht tijdens het debat over de begrotingsbehandeling op 22 november 2018, kleine, persoonlijke vormen van religiositeit. Het staat een bewoner vrij om een bezoeker te ontvangen en met deze bezoeker op individuele basis in gesprek te gaan over het geloof. Dit privégesprek mag ook een Bijbel- of Koranstudie heten. Politieke en of religieuze (georganiseerde) groepsbijeenkomsten, groter dan het gezinsverband, zijn niet toegestaan. Wanneer bewoners het geloof als collectief willen belijden worden zij doorverwezen naar religieuze instellingen in de omgeving. De Bijbelstudie zoals deze plaatsvond in Gilze-Rijen, in groepsverband, met een bezoeker en meer dan tien bewoners op een kamer was op basis van het bovengenoemde beleid niet toegestaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een vrijwillige, gezamenlijke Bijbelstudie van asielzoekers, op hun eigen bewonerskamer in een azc, door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet toegestaan zou worden omdat dit inbreuk zou plegen op de persoonlijke levenssfeer van andere asielzoekers?
Uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt dat gezamenlijke Bijbelstudie of andere religieuze of politieke bijeenkomsten van asielzoekers in groepsverband, anders dan het gezinsverband, niet zijn toegestaan.
Deelt u de mening dat wanneer gezamenlijke Bijbelstudie van asielzoekers niet is toegestaan de vrijheid van godsdienst in het geding is?
Ik deel niet de mening dat de vrijheid van godsdienst in het geding is wanneer gezamenlijke Bijbelstudie van asielzoekers, of andere religieuze of politieke samenkomsten in groepsverband niet zijn toegestaan op COA-locaties. Het staat bewoners vrij om het geloof te belijden in de privésfeer, in gezinsverband of in een gesprek met een bezoeker. Daarnaast kunnen COA bewoners in een religieuze instelling naar keuze deelnemen aan gebedsdiensten of andere religieuze activiteiten. Voor de afweging om een gezamenlijke Bijbelstudie niet toe te staan verwijs ik naar antwoord 2.
Hoe verhoudt het verbod op Bijbelstudie zich tot het gegeven dat zelfs vormen van islamitische gebedsoproepen toegestaan zijn in asielzoekerscentra?2
Zoals blijkt uit de antwoorden op de vragen 2 en 4 zijn kleine, persoonlijke vormen van religiositeit toegestaan en is het toegestaan om (elk) geloof te belijden in een kleine persoonlijke setting in de privésfeer.
Centrale gebedsoproepen zijn dan ook niet toegestaan op COA-locaties. Het is wel toegestaan om een lied of een gebedsoproep op een eigen telefoon zacht af te spelen. Het COA maakt bij het toekennen van rechten dan wel het opleggen van plichten geen onderscheid tussen religies of levensbeschouwingen.
Kunt u toelichten wat de Handreiking Levensbeschouwing (2018) van het COA zegt over een dergelijke vorm van Bijbelstudie en bent u bereid om deze Handreiking met de Kamer te delen?
Zowel in de Handreiking Levensbeschouwing, de huisregels, de gedragscode als het bezoekersreglement staat dat het COA een politiek en religieus neutrale organisatie is. Bewoners in de opvang leven veelal in een gezamenlijke leefruimte met beperkte mogelijkheden om zich af te zonderen als daar aanleiding toe is. Uitgangspunt is dat de vrijheid van de ene bewoner niet belemmerend mag zijn voor de vrijheid van de ander. Het COA verwijst een bewoner voor het houden of bijwonen van een religieuze bijeenkomst/feest naar religieuze instellingen buiten de locatie. Voor gebedsoproepen geldt dat de vrijheid van de ene bewoner niet mag conflicteren met de vrijheid van een andere bewoner. U treft de Handreiking Levensbeschouwing als bijlage bij de beantwoording aan.
Bent u bereid om met het COA in gesprek te gaan over de wijze waarop het artikel 12 van het COA-bezoekersreglement en de Handreiking Levensbeschouwing toepast en de Kamer hierover te informeren?3
Ik zie geen aanleiding om met het COA in gesprek te gaan over de wijze waarop COA uitvoering geeft aan zijn rol van politiek en religieus neutrale organisatie. De handreiking is voorts mede tot stand gekomen op basis van gesprekken met en input van diverse levensbeschouwelijke, religieuze en belangenorganisaties.4
Achtergehouden informatie van mogelijke fouten met examens |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Calvijn College verprutst examens?1
Ja.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs u reeds op de hoogte gesteld van de onrust op het Calvijn College?
Ja, de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft mij hierover op 13 juni geïnformeerd.
Bent u reeds in contact met het betreffende College, ouders en leerlingen? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn te doen?
Het contact met de school verloopt via de inspectie.
Deelt u de mening dat dergelijke informatie onder geen enkele voorwaarden achtergehouden mag worden voor ouders en leerlingen?
Ik ben van mening dat ouders en leerlingen van een school mogen verwachten dat deze transparant is, zeker over belangrijke zaken zoals een vertraging in de bekendmaking van de uitslag van het eindexamen. Ik betreur dan ook de mogelijke verwarring en onduidelijkheid die door de eerste berichtgeving van de school hierover aanvankelijk is ontstaan. Zoals ik in mijn brief van 14 juni jongstleden aan uw Kamer heb gemeld is de oorzaak van de vertraging terug te voeren op geconstateerde onvolkomenheden in de afronding van het programma van toetsing en afsluiting, en in de registratie daarvan. Dit weekend heeft de school gewerkt aan het in kaart brengen aan de benodigde informatie. De inspectie hoopt het onderzoek zo snel mogelijk af te ronden.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de leerlingen en ouders voor het weekend duidelijkheid krijgen en deze vragen voor het weekend te beantwoorden?
De school heeft ouders en leerlingen afgelopen vrijdag telefonisch geïnformeerd over de stand van zaken en zal hen op de hoogte houden van het verdere proces. In het belang van de leerlingen hoop ik dat de onzekerheid niet langer duurt dan nodig is. Alle betrokkenen spannen zich maximaal in om zo snel mogelijk helderheid te krijgen voor de leerlingen en hun ouders. Zoals ik heb toegezegd in mijn brief van 14 juni zal ik ook uw Kamer op de hoogte houden van de stand van zaken.
Drijvende zonnepanelen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Zon op Water wil honderdduizenden zonnepanelen op open water»1 en «Liander wil rem op zonneparken vanwege tekort aan capaciteit»?2
Ja.
Hoe reageert u op het absurde plan van het Nationaal Consortium Zon op Water voor honderdduizenden drijvende zonnepanelen op open wateren? Deelt u de mening dat de klimaatwaanzin met de dag krankzinniger wordt?
De energietransitie is gebaat bij het onderzoek naar nieuwe technieken en toepassingen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. Dit geldt ook voor onderzoek en ontwikkeling van zonnepanelen op water.
Wat moet dit plan gaan kosten? Hoeveel subsidie zal hiermee gemoeid zijn?
De ontwikkeling van deze plannen wordt overgelaten aan de markt.
De SDE+-regeling is technologie neutraal en maakt een ranking op basis van kosteneffectiviteit. Hiermee komen de goedkoopste projecten als eerste aan bod. Van deze specifieke projecten moet nog blijken voor welke kostprijs zij een aanvraag in kunnen dienen.
Het is nog onduidelijk hoe groot de plannen precies zijn en of ze gerealiseerd zullen worden. Hierdoor is ook nog niet aan te geven hoe groot het gedeelte zal zijn in het totale Nederlandse energieverbruik.
In hoeveel procent van het totale Nederlandse energieverbruik moeten deze drijvende zonnepanelen gaan voorzien?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reageert u op de stelling van de Vogelbescherming dat deze zonnepanelen mogelijk schadelijk kunnen zijn voor dier en natuur? Deelt u de mening dat de klimaatgekte meer kapot maakt dan je lief is?
Projecten voor hernieuwbare energie moeten voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Inclusief met wet- en regelgeving omtrent dier en natuur.
Over de natuureffecten van zonnepanelen op water is weinig bekend. Er kan habitatverlies optreden maar het is nog niet bekend wat het verlies van weggevangen «zonne-energie» voor de waterecosystemen betekent. Tegelijk kunnen drijvende zonnepanelen ook kansen bieden, als schuilgelegenheid voor vissen of als aanhechtingsmateriaal voor mosselen. Voor verdere beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de brief met beantwoording van de moties Dik-Faber over zonneladder, die uw Kamer in of kort na het zomerreces zal ontvangen.
Bent u ertoe bereid dit plan direct een halt toe te roepen en door de shredder te halen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe reageert u op de regionale netbeheerder Liander die de aanleg van zonneparken in Nederland juist wil ontmoedigen omdat het stroomnet het allemaal niet aankan?
De afgelopen jaren heeft er een snelle groei van projecten voor duurzame elektriciteitsproductie plaatsgevonden. De keerzijde van dit succes is dat de afgelopen tijd is gebleken dat op een aantal plekken in Nederland schaarste in het elektriciteitsnet verhindert dat duurzaam opgewekte elektriciteit getransporteerd kan worden. Ik heb hierover met decentrale overheden, netbeheerders en marktpartijen overleg over gevoerd. Ik verwijs verder naar de Kamerbrief van 28 juni over netcapaciteit (Kamerstuk 30 196, nr. 669).
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat er – voornamelijk door u – volop wordt gepleit voor méér duurzame energie, terwijl de netbeheerder concludeert «gaat niet, kan niet»? Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt en niet alleen onzinnig en onbetaalbaar is, maar ook nog eens onmogelijk?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ertoe bereid de netbeheerder toe te staan nieuwe zonneparken niet langer aan te sluiten op het elektriciteitsnet? Bent u er tevens toe bereid alle subsidies voor dergelijke «duurzame» plannen direct stop te zetten?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ambtenaren steeds vaker en luxer in businessclass naar de Caraïben |
|
Nico Drost (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bericht ambtenaren steeds vaker en luxer in businessclass naar de Caraïben»?1
Ja.
Deelt u de mening dat juist gezien de beperkte omvang van de eilanden en het financieel toezicht vanuit Nederland, het niet gepast is wanneer bovenmatig veel geld wordt uitgegeven aan (luxe) reiskosten?
Ik ben niet van mening dat er bovenmatig veel geld wordt uitgegeven aan reiskosten. De reisbewegingen die door bewindspersonen en ambtenaren van de verschillende ministeries naar het Caribisch gebied worden gemaakt, zijn noodzakelijk om de ambities van het kabinet vorm te geven. Denk hierbij aan reizen om de openbare lichamen van Caribisch Nederland te ondersteunen bij bijvoorbeeld het opzetten van een goed functionerend en veilig vliegveld, het verbeteren van het financieel beheer, het versterken van het bestuur, en het uitvoeren van projecten op het gebied van kinderopvang en landbouwontwikkeling. Deze ondersteuning op locatie is een onmisbare schakel in de praktische samenwerking die het kabinet voorstaat. Daarnaast is de investering noodzakelijk om het leven en het voorzieningenniveau van de inwoners van de eilanden te verbeteren. Dit zorgt in de huidige kabinetsperiode voor een toegenomen inzet op bestuurlijk en ambtelijke vlak en resulteert in een verhoging van het aantal reisbewegingen. De toename van het aantal reizen is naast de genoemde ambities van het kabinet ook te verklaren uit de nasleep van orkaan Irma in 2017, waarbij er veel schade was op Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius. Overigens gaan de gemaakte reiskosten niet ten koste van de middelen die beschikbaar zijn voor Caribisch Nederland, noch Sint Maarten.
Wat is de verklaring voor de toename van het aantal vluchten? Valt inzichtelijk te maken welk gedeelte van de toename direct toe te schrijven is aan de gevolgen van orkaan Irma?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat er weliswaar sprake is van een toename in de kosten van de vluchten, maar niet van de hotelverblijven? Betekent dit dat er sprake is van meer maar wel kortere dienstreizen? Zo ja, is dit het meest efficiënt?
Ik heb geen overzicht van de duur van de dienstreizen. Er wordt bij elke dienstreis zorgvuldig gekeken naar het nut en de noodzaak van de reis. Het doel van het bezoek wordt afgewogen tegen de kosten en er wordt rekening gehouden met de reisduur in combinatie met de beperkte uitvoeringskracht van de eilanden. Aanscherping van het afwegingskader acht ik niet nodig.
Wat is de verklaring voor de toename van het aandeel in de kosten dat uit businessclasstickets komt? Is het mogelijk het aantal businessclasstickets uit te splitsen naar ministerie?
In aanvulling op de antwoorden 2 en 3 over de toename van de reisbewegingen, kan ik u informeren dat er in de rijksbrede Reisregeling buitenland een urennorm is opgenomen. Wanneer een vliegreis zes uur of langer duurt, mag een ambtenaar businessclass vliegen. Voor de opsplitsing per ministerie verwijs ik u naar het gepubliceerde WOB-verzoek waar deze gegevens in zijn opgenomen.2
Ik heb geen overzicht van de rijksbrede reisbewegingen naar andere bestemmingen die langer dan zes uur vliegen zijn.
Hoe verhoudt bij deze reizen het aandeel in de kosten dat uit businessclasstickets komt zich tot reizen naar andere bestemmingen die verder dan zes uur vliegen liggen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is grosso modo het afwegingskader dat wordt gemaakt bij het besluit tot een dienstreis voor de noodzaak, de kosten, het aantal personen, de duur en de klasse waarin wordt gevlogen? Is hierin voldoende op het netvlies dat deze reizen vanuit publiek geld worden betaald? Zou een aanscherping van dit afwegingskader nodig zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid binnen uw eigen ministerie en bij andere bewindspersonen aandacht te vragen voor een meer selectief gebruik van businessclasstickets, is het denkbaar dat de keuze bij vluchten langer dan zes uur niet bij de ambtenaar zelf maar bij een leidinggevende wordt gelegd?
De rijksoverheid wil werken als één organisatie, in binnen- en buitenland. In dit kader is het reisbeleid per 1 januari 2017 rijksbreed geharmoniseerd. Dit heeft geresulteerd in een wijziging van de Reisregeling buitenland. In de Reisregeling is een urennorm opgenomen. Wanneer een vliegreis zes uur of langer duurt, heeft de ambtenaar recht om businessclass te vliegen. Dit is echter geen verplichting; deze beslissing wordt door de ambtenaar zelf genomen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik zien geen reden om de Reisregeling buitenland aan te passen.
Het bericht ‘Police Can’t Guarantee Pride Safety Outdoors – Ministry’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Police Can’t Guarantee Pride Safety Outdoors – Ministry»?1
Ja.
Klopt het dat deelnemers aan LHBTI-evenementen in Georgië in het verleden meerdere malen slachtoffer zijn geworden van geweld gericht op LHBTI's?
Ja. Met name op 17 mei 2013 vielen er gewonden tijdens een manifestatie voor gelijke rechten voor LHBTI’s in Georgië. Toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans heeft daarover een verklaring afgelegd waarin hij stelde dat het onacceptabel is dat lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgender personen geen gebruik kunnen maken van hun fundamentele rechten als het recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame demonstratie.2
Klopt het volgens de voor u beschikbare informatie dat het Georgische Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Georgische politie hebben aangegeven de aanstaande Pride-optocht niet van politiebescherming te kunnen voorzien?
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Georgië heeft op 31 mei jl. verklaard de veiligheid van de deelnemers niet te kunnen garanderen wanneer de Pride-optocht in het centrum van Tbilisi gehouden zou worden, zoals de organisatoren zich hebben voorgenomen. Er zijn ook alternatieven voorgesteld door het ministerie, waaronder in een park buiten het centrum en in een stadion in het centrum. Hoewel het ministerie stelt de veiligheid bij een optocht door het centrum niet te kunnen garanderen vanwege het risico op incidenten, stelde Minister van Binnenlandse Zaken Gakharia op 5 juni jl. dat er wel politiebescherming zal zijn van de Pride-optocht, ongeacht waar deze plaats zal vinden. Er zijn nog gesprekken gaande tussen de organisatoren en de autoriteiten over de route.
Deelt u de mening dat het succesvol en veilig organiseren van de eerste Pride in Georgië een positief signaal kan zijn voor de LHBTI-gemeenschap in Georgië en elders, namelijk dat zij mogen zijn wie ze zijn en mogen houden van wie zij houden?
Ja.
Deelt u de mening dat het absoluut onwenselijk is als Pride-optochten, net als andere vreedzame optochten, op een gewelddadige manier verstoord worden?
Ja.
Deelt u de mening dat het tevens onwenselijk is als dergelijke optochten binnen georganiseerd moeten worden, omdat de veiligheid buiten niet gegarandeerd wordt?
Ja.
Bent u bereid voorafgaand aan de geplande Pride op 22 juni 2019 uw zorgen over het niet organiseren van politie-beveiliging voor deze Pride over te brengen aan de Georgische ambassadeur in Den Haag? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur in Tbilisi heeft mijn zorgen rondom de beveiliging van de geplande Pride-optocht inmiddels op politiek niveau overgebracht in een gesprek met de Georgische Minister van Buitenlandse Zaken Zalkaliani op 17 juni jl. Daarnaast staat de ambassade in nauw contact met alle relevante autoriteiten (inclusief geestelijke leiders) over de organisatie van deze Pride-optocht.
Zijn diplomaten van uw ambassade in Tbilisi bereid om mee te lopen met de Pride op 22 juni, zoals in sommige landen gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 21 juni 2019 beantwoorden?
Ja.
De Stuwmeerregeling Groningen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom hebt u besloten de deadline van de vaste vergoeding van 5.000 euro uit de Stuwmeerregeling Groningen wel te verruimen naar 12 juni 2019, maar bij de variabele vergoeding tot 11.000 euro de deadline van 1 januari 2019 te handhaven?1 Deelt u de mening dat hiermee het risico van rechtsongelijkheid blijft bestaan en hierdoor «twee soorten gedupeerden» worden gecreëerd?
De TCMG heeft mij geadviseerd om zowel de variant van 5.000 euro als de variant van € 11.000,– van de stuwmeerregeling te laten gelden voor iedereen die een schademelding heeft gedaan tot 1 januari 2019. TCMG heeft in haar afweging het terugbrengen van het stuwmeer afgewogen tegen het feit dat deze maatregel ook leidt tot rechtsongelijkheid. Daarnaast is gekeken naar uitvoeringsbelasting.
Er is op een zeer fundamentele manier, met alle bestuurders van Groningen en met de maatschappelijke organisaties, gekozen voor een onafhankelijke positie van de TCMG. Ik hecht daar veel waarde aan. In het laatste bestuurlijk overleg werd duidelijk dat alle partijen, zeker ook de maatschappelijke organisaties de onafhankelijke positie onderschrijven. Het is dus niet gepast om lichtzinnig van het advies van de TCMG af te wijken.
De € 11.000,– variant biedt een verdergaande oplossing die het risico van ongelijkheid verder vergroot. Daarnaast wil ik dat de stuwmeerregeling daadwerkelijk een oplossing biedt voor gedupeerden die al lang wachten. De € 11.000,– variant legt naar verwachting een hoger beslag op de uitvoeringsorganisatie. Dossiers worden nog steeds achteraf administratief afgehandeld door de TCMG (controleren declaraties, betalen etc.). Bij de eenmalige betaling van € 5.000,– is hier geen sprake van. Dit is ook de reden dat ik niet bereid ben het maximumbedrag van de variabele vergoeding te schrappen en te laten gelden voor alle schadeclaims die na 1 januari 2019 zijn ingediend.
Gedupeerden die geen gebruik kunnen maken van de regeling, gedupeerden die een hoger bedrag dan 11.000 euro aan herstelkosten verwachten te maken of geen gebruik willen maken van de regeling, kunnen gebruik maken van het reguliere proces en binnenkort ook van de aannemersvariant nieuwe stijl waarmee uiteindelijk hetzelfde doel wordt bereikt. Hier kan zonder een maximum bedrag een eigen aannemer, die aan de minimumvereisten voldoet, de opname en calculatie doen, waarna een toets door de deskundige plaatsvindt en bij toekenning de aannemer de herstelwerkzaamheden kan uitvoeren.
Ik besef dat elke datum onderwerp van discussie zal zijn en een groep aanvragers splitst, waarbij er altijd mensen net buiten de regeling vallen. Een ruimhartige eenmalige regeling als deze is echter alleen uitvoerbaar als de grens strikt wordt gehanteerd. Alle betrokken partijen hebben begrip getoond voor de noodzaak van een harde begrenzing, en aangegeven dat principe te onderschrijven.
Hoe groot is het risico dat gedupeerden die in werkelijkheid meer dan 5.000 euro schade hebben toch akkoord gaan met uitbetaling van dit bedrag, simpelweg omdat zij compleet moegestreden zijn en het jarenlange wachten beu zijn? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedereen op korte termijn uitgekeerd krijgt waar men recht op heeft?
Aanvragers hebben de keuze om deel te nemen aan deze regeling of om in de reguliere, zorgvuldige procedure van schadeafhandeling te blijven. Ik zal mensen hier goed over laten informeren.
Bent u ertoe bereid, zoals eerder is voorgesteld, het maximumbedrag van de variabele vergoeding (11.000 euro) te schrappen en deze ook te laten gelden voor schadeclaims die na 1 januari 2019 zijn ingediend? Zo nee, bent u er dan op z’n minst toe bereid om de «deadline» van de variabele vergoeding ook te verruimen naar 12 juni 2019?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat gedupeerden – ondanks dat u met veel bombarie hebt verkondigd de schadeafhandeling rigoureus te vereenvoudigen en te versnellen – een brief van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen(TCMG) hebben ontvangen, waarin staat dat zij «opeens» twee keer zo lang op afhandeling van hun schade moeten wachten? Deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is? Wat gaat u hieraan doen?
Tot mijn grote spijt kan ik niet terugdraaien dat 5.400 mensen al ruim 15 maanden wachten op een besluit en nu nog langer moeten wachten. De lange doorlooptijden zijn voor mij reden geweest om een vergaande maatregel als de stuwmeerregeling te treffen. Met deze regeling moet de werkvoorraad van TCMG worden teruggebracht tot werkbare proporties. Hiermee kan TCMG de resterende schademeldingen binnen een redelijke termijn en met een zorgvuldig proces afhandelen. Maar de omstandigheid dat de beslistermijn voor nieuwe aanvragers door deze maatregel korter wordt, helpt de 5400 mensen die al 15 maanden gewacht hebben en nog langer moet wachten op hun besluit niet. Wel kunnen zij gebruik maken van de stuwmeerregeling, waarmee, als zij het aanbod accepteren, bewoner gelijk duidelijkheid heeft en 5.000 euro ontvangt, waarmee schade hersteld kan worden of gelijk een aannemer in de arm kunnen nemen en de bonnetjes kan declareren bij de TCMG.
Deelt u de mening dat uw zogenaamde versnellingsmaatregelen al hebben gefaald nog voordat deze praktisch in werking zijn getreden? Wat gaat u doen om gedupeerden niet nog langer te laten wachten, maar de boel echt te versnellen?
Nee. Naast de stuwmeerregeling heb ik per brief van 3 juni jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 639) al geïnformeerd over de stappen die gezet worden om het reguliere proces van schadeafhandeling te verbeteren.
Bent u bereid een streep te zetten onder alle ingediende schadeclaims en direct tot uitbetaling dan wel versterking over te gaan? Zo nee, waarom niet?
Nee. De stuwmeerregeling is een eenmalige maatregel voor gedupeerden die lang moeten wachten, omdat het stuwmeer de TCMG belemmert om schademeldingen binnen een redelijke termijn af te doen. Met deze maatregel heb ik er vertrouwen in dat voor de overige en toekomstige meldingen het reguliere proces van schadeafhandeling door de TCMG kan worden voortgezet. Uiteraard houd ik daarbij samen met de TCMG een vinger aan de pols.
Deelt u de conclusie dat onder uw bewind het Groningse aardbevingsdrama dramatischer, complexer en voor veel gedupeerden uitzichtlozer is geworden? Zo nee, hoe bewijst u, gezien de toenemende ellende, het tegendeel?
Nee, die conclusie deel ik niet. De maatschappelijke impact van de aardbevingen door gaswinning in Groningen is groot. De aardbevingen hebben geleid tot gevoelens van onveiligheid en machteloosheid. Rijk en regio erkennen gezamenlijk dat dit zo niet langer kan.
De gaswinning uit het Groningenveld gaat daarom zo snel mogelijk naar nul. Dat is volgens het kabinet de beste manier om de veiligheid in Groningen op korte termijn te verbeteren en op langere termijn te garanderen. Daarnaast is de afgelopen maanden gezocht naar versnellingsmogelijkheden voor de schadeafhandeling, de versterking van woningen en de afbouw van de gaswinning. Ik heb vertrouwen in de effecten van deze maatregelen.
Het bericht dat een zeer gevaarlijke reuzenteek aangetroffen is nabij Nederland |
|
Fleur Agema (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gevaarlijke reuzenteek aangetroffen vlakbij Nederlandse grens»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat deze hyalomma-teek het Krim-Congo-virus bij zich draagt dat een ernstig ziektebeeld kent waarbij een sterfte wordt gezien van 30 tot 50%?
De Hyalomma-teek kan het krim-congovirus (Crimean Congo Hemorragic Fever, CCHF) overdragen in gebieden waar dit virus endemisch voorkomt, zoals in Azië, Afrika en Zuid-Europa (Griekenland, Spanje, Turkije en de Balkan). In deze regio’s worden mensen sporadisch besmet met CCHF via de beet van een Hyalomma-teek of door het fijnknijpen bij het verwijderen van deze teek bij landbouwhuisdieren. In 2016 waren er zes humane gevallen van CCHF in Europa (Bulgarije en Spanje) en in 2017 waren dat er twee (in Bulgarije).
Dat neemt niet weg dat dit iets is om alert op te zijn. Dat gebeurt in Nederland binnen de signaleringsstructuur zoönosen. Daarin wordt ook de monitoring van vectoren besproken. Het is al langere tijd bekend dat larven en nimfen van Hyalomma-teken af en toe met trekvogels en (zeer) sporadisch met geïmporteerde paarden of reptielen in West-Europa, dus ook in Nederland, terecht komen. In veel gevallen worden deze Hyalomma-teken getest op CCHF-virus en tot nu toe is het virus nog niet aangetroffen.
Onder gunstige weersomstandigheden kunnen de Hyalomma-larven en -nimfen van trekvogels vervellen tot volwassen teken. Vorig jaar was een uitzonderlijk warm jaar en werden in Duitsland 35 volwassen Hyalomma-teken gerapporteerd op paarden. Dit jaar zijn er tot nu toe vijf volwassen Hyalomma-teken gerapporteerd aan het RIVM uit de Achterhoek, Drenthe en de Flevopolder. Naar aanleiding van deze vondsten doet het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) van de NVWA bronopsporing. Op de vindplaatsen zijn verder geen Hyalomma-teken gevonden. Bij onderzoek is bij één van de 5 volwassen Hyalomma-teken de bacterie Rickettsia aeschlimannii aangetroffen. De bijbehorende ziekteverschijnselen zijn koorts en karakteristieke huiduitslag, vandaar de naam vlekkenkoorts en de ziekte is goed te behandelen met antibiotica. In gebieden waar deze teek veel voorkomt, wordt ziekte veroorzaakt door R. aeschlimannii echter zeer incidenteel beschreven.
Het RIVM en zijn partners zijn zich bewust van de risico’s van Hyalomma-teken door de ziekteverwekkers die zij met zich mee kunnen dragen. Zij verzamelen actuele kennis over deze vector. Het RIVM is leider van een Europees consortium (Vectornet) dat actuele verspreidingsgebieden van vectoren in Europa in kaart brengt.
Het RIVM is betrokken bij een WHO-project dat plannen maakt ter voorkoming van een uitbraak van CCHF. In dat project wordt samengewerkt op het terrein van diagnostiek, behandeling en CCHF-vaccins voor toepassing in mensen en landbouwhuisdieren. In datzelfde project wordt ook nagedacht over de ontwikkeling van een vaccin tegen de Hyalomma-teek zelf. Nederland (Amsterdam UMC en RIVM) heeft ervaring met onderzoek naar de ontwikkeling van een vaccin tegen de Ixodes-teek (schapenteek) die in Europa verantwoordelijk is voor de overdracht van de Lyme-bacteriën.
Klopt het dat het Krim-Congo-virus ook van mens op mens en van dier op dier overdraagbaar is? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, dat klopt. De infectie kan voorkomen bij veel verschillende diersoorten inclusief de mens. Het virus kan via teken worden overgedragen maar ook door contact met bloed of weefsel (en ongepasteuriseerde melk) van besmette dieren en mensen.
Overdracht van CCHF van een patiënt naar gezondheidspersoneel is beschreven in situaties waarbij er onvoldoende voorzorgsmaatregelen in acht werden genomen. Ook besmetting van laboratoriummedewerkers is beschreven. Het is daarom belangrijk om vroegtijdig te denken aan deze ziekte bij een patiënt die in een gebied is geweest waar CCHF endemisch is. Gezien de ernst van het beloop van de ziekte en de besmettelijkheid van het virus is CCHF een meldingsplichtige ziekte in groep A op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg). Zodra er aan de ziekte wordt gedacht, moet de patiënt geïsoleerd verpleegd worden, waarbij gezondheidspersoneel beschermende kleding moet dragen om direct contact met lichaamsvloeistoffen te vermijden. In Nederland zijn medische faciliteiten en geschoold medisch personeel beschikbaar om mensen met zeer besmettelijke virusziekten zoals CCHF te verplegen en te behandelen.
Relevante beroepsgroepen worden door het RIVM met enige regelmaat geïnformeerd over uitbraken of besmettingsgevallen in gebieden waar CCHF endemisch voorkomt.
Welk gevaar dreigt voor de mensen in ons land? Voor de landbouwhuisdieren in ons land? Voor de grote en kleine dieren die in onze bossen wonen?
Het huidige risico op een besmetting met CCHF in Nederland wordt door experts als verwaarloosbaar ingeschat voor zowel mens als dier, want er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat het virus in Nederland voorkomt.
Het is bekend dat Hyalomma-teken met trekvogels in Nederland terecht komen. Het aantal Hyalomma-teken dat (tijdelijk) in Nederland overleeft is zeer klein. Er zijn geen aanwijzingen dat de Hyalomma-teek in Nederland heeft overwinterd of zich gevestigd heeft. De Hyalomma-teken die in Duitsland en in Nederland zijn aangetroffen zijn getest op CCHF met negatief resultaat.
Partners in de signaleringsstructuur zoönosen zijn alert op een mogelijke introductie van de Hyalomma-teek. Modelstudies van de omstandigheden waaronder het de teek lukt zijn levenscyclus te voltooien lieten zien dat Nederland niet erg geschikt is voor de vestiging van deze soort. Dat dat in Duitsland in 2018 en 2019 toch tenminste tijdelijk lijkt te zijn gebeurd, is reden voor verder verdiepend onderzoek door het RIVM en het Centrum Monitoring Vectoren van de NVWA. Deze organisaties voeren samen met de Faculteit Diergeneeskunde dit jaar nog een quick scan uit bij Nederlandse maneges om te onderzoeken of, net als in Duitsland, de Hyalomma-teek op paarden wordt aangetroffen.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat de inwoners van Nederland over deze teek, de gevaren van de beet alsmede wat te doen, geïnformeerd worden?
Na het bekend worden van de vondst hebben het RIVM en zijn partners diverse reacties gegeven in de media, waaronder het Algemeen Dagblad en NPO-Radio 1.
Daarnaast heeft het RIVM een webpagina gemaakt over de Hyalomma-teek en is er informatie beschikbaar over CCHF. Preventieve maatregelen zoals het dragen van bedekkende kleding in een tekenrijke omgeving, het gebruik van insectenwerende middelen en het correct en vroegtijdig verwijderen van teken zijn in Nederland vooral van belang om besmetting met de ziekte van Lyme te voorkomen.
Staat u er voor open om een tekenlijn in het leven te roepen waar mensen met hun vragen terecht kunnen?
Mochten er nog vragen zijn, dan kunnen mensen op dit moment al vragen stellen aan de GGD’en en het RIVM. Ook is er een website (www.tekenradar.nl) waar mensen informatie kunnen vinden en vragen kunnen stellen over teken en tekenbeten. De afgelopen maanden hebben burgers en de media het RIVM weten te vinden met vragen over de Hyalomma-teek. Het CMV heeft een website waarin burgers eventuele vondsten van Hyalomma-teken kunnen melden. De toegevoegde waarde van een extra «tekenlijn» vind ik daarom beperkt.
Voor welke groepen mensen is een beet van deze teek het meest gevaarlijk?
Dat zijn mensen die wonen, werken of recreëren in gebieden waar CCHF én de Hyalomma-teek samen endemisch voorkomen. In Europa zijn dat met name Bulgarije, Spanje en andere Balkan-landen. Ook Turkije is endemisch voor het virus én de Hyalomma-teek. In gebieden waar het virus endemisch is wordt CCHF sporadisch gezien bij herders, veehouders, slagers, veeartsen en militairen. Het betreft dus voornamelijk mensen die vanwege hun werk veel in de natuur zijn of met bloed van besmette zoogdieren in aanraking komen.
Daarnaast zijn gezondheidswerkers die patiënten met CCHF verplegen zonder adequate beschermende maatregelen een risicogroep omdat de ziekte van mens op mens overdraagbaar is als er direct contact is met lichaamsvloeistoffen. Dit laatste kan vermeden worden door beschermende kleding en het geïsoleerd verplegen van de patiënt.
Wat gaat u doen om de (verdere) verspreiding van de gevaarlijke reuzenteek tegen te gaan?
De Hyalomma-teek heeft binnen Europa een ruim verspreidingsgebied.
Aangezien deze teek «meelift» op gastheren, zoals trekvogels of zoogdieren die grenzen oversteken via aaneengesloten natuurgebieden, is het niet mogelijk om natuurlijke verspreiding tegen te gaan. Het CMV, gefinancierd door de ministeries van LNV en VWS, voert een onderzoeksprogramma uit naar de aanwezigheid van vectoren zoals teken en muggen die in Nederland een risico vormen voor humane- en diergezondheid. Op basis hiervan kunnen door het RIVM en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) risico-analyses worden gedaan om de kans op introductie van de vectoren of verspreiding te bepalen. Ook kan er dan lokaal gericht worden voorgelicht of onderzoek naar eventueel aanwezige ziekteverwekkers worden gedaan.
Vanwege de recente bevindingen in Duitsland gaan het RIVM en het CMV met partijen de monitoring uitbreiden. Daarvoor worden de volgende stappen gezet:
Heeft deze teek – evenals de reguliere teek – natuurlijke vijanden in de zin van andere insecten, schimmels of anderszins die ingezet zouden kunnen worden voor de bestrijding?
Zelfs in endemische gebieden is weinig bekend over de ecologie van Hyalomma-teken. Van succesvolle biologische bestrijding van deze teek zijn geen voorbeelden voorhanden.
Deelt u de mening dat de hyalomma-teek als een groot gezondheidsrisico aangemerkt dient te worden?
Het gevaar is bekend en wordt onderkend door experts, maar het gezondheidsrisico in Nederland wordt op dit moment als (zeer) laag ingeschat omdat de vector niet in Nederland is gevestigd en het virus niet is aangetroffen.
Wordt er onderzoek gedaan naar de bestrijding van teken en hyalomma-teken? Ook in ons land? Zo ja, zijn er vorderingen te melden in de zin van bijvoorbeeld op handen zijnde vaccins?
Er wordt op diverse plekken in binnen- en buitenland wel gewerkt aan vaccins maar de ontwikkeling daarvan vergt veel tijd.
Is onze gezondheidszorg en onze ziekenhuiszorg toegerust op de behandeling van mensen met het Krim-Congo-virus? Zo ja, hoe? Ook als het veel gevallen betreft?
Een infectie met het virus is een meldingsplichtige ziekte groep A, vallend onder de hemorragische koortsen, en moet volgens de Wpg al bij een vermoeden gemeld worden aan de GGD. Het is op deze manier mogelijk om snel te handelen als deze ziekte in Nederland geconstateerd wordt. Door snel aan CCHF te denken bij een patiënt met een passend ziektebeeld en patiënten in isolatie te verplegen kan mens-op-mens verspreiding voorkomen worden. De ziekte is echter zeer zeldzaam. In de afgelopen 10 jaar is de ziekte in Nederland niet vastgesteld. Ook bij Nederlanders die op reis zijn geweest in endemische gebieden is tot nu toe nog nooit CCHF geconstateerd.
Zijn veehouders toegerust op het herkennen van het Krim-Congo-virus bij hun dieren? Hoe gaat u voorkomen dat het virus zich gaat verspreiden onder landbouwhuisdieren?
De infectie verloopt bij dieren meestal symptoomloos. Het voorkómen van contact van landbouwhuisdieren met teken is de belangrijkste maatregel die veehouders kunnen nemen om hun dieren te beschermen. Verspreiding van het virus kan in afwezigheid van de vector en het virus in Nederland niet plaatsvinden.
Hoe krijgt u zieke grote en kleine dieren in het bos in beeld en hoe kunnen zij behandeld worden?
In Nederland houdt het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) de gezondheid en ziekte van wilde dieren in de gaten. Het DWHC maakt deel uit van de zoönosestructuur. In het buitenland zijn geen aanwijzingen dat wilde dieren ziek worden van de Hyalomma-teek of het virus. Het DWHC werkt nauw samen met het RIVM en CMV en mocht DWHC ongebruikelijke geleedpotigen, zoals Hyalomma-teken, tegenkomen op wilde dieren die ter sectie worden aangeboden, dan wordt contact opgenomen met het CMV of RIVM.
Herinnert u zich dat u eerder tijdens een debat over preventie een tekenaanpak heeft toegezegd? Wanneer kan de Kamer die verwachten?
Op 11 april 2019 heeft de Kamer bij brief (kenmerk 1511838-189076-PG) mijn aanpak reeds toegezonden gekregen. Deze brief had uw Kamer geagendeerd tijdens het Algemeen Overleg Medische Preventie van 18 april jl.
Het toegenomen aantal patiëntenstops als gevolg van drukte op spoedafdelingen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat spoedafdelingen van ziekenhuizen in Noord-Holland en Flevoland in 2018 twee keer zo vaak een patiëntenstop hebben moeten instellen als drie jaar eerder?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in reactie op de motie-Van den Berg over het aantal opname-time-outs bij ziekenhuislocaties hebt aangegeven dat u met de Zorgautoriteit en het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) in gesprek wil gaan om te kijken of en in hoeverre u informatie over patiëntenstops boven tafel kan krijgen?2
Ja.
Heeft dit overleg inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat is hiervan de uitkomst geweest?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 19 juni jl. (Kamerstuk 29 247, nr. 285) met een reactie op de stand van zaken moties en toezeggingen AO ambulancezorg d.d 3 april 2019 heb aangegeven, heb ik, na overleg met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ), de NZa verzocht om te bekijken in hoeverre zij mij de gevraagde informatie over stops (ook in relatie tot de zorgplicht van de verzekeraars) ter beschikking kan stellen. Ik heb daarbij toegezegd dat ik u zo snel mogelijk, maar in ieder geval uiterlijk in september zal informeren over de reactie van de NZa. (Zie ook mijn Commissiebrief van 25 juni jl. inzake Patiëntenstops spoedzorg ziekenhuizen).
Kunt u de Kamer inmiddels een overzicht verstrekken van het aantal time-outs per dag per ziekenhuislocatie en per specialisme sinds begin 2018?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke registratie van patiëntenstops de NRC zich in het artikel baseert? Kloppen de cijfers dat er in Noord-Holland en Flevoland in 2018 gemiddeld 15 stops per dag waren?
Ik heb gevraagd of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mij informatie kon verstrekken voor de beantwoording van deze vraag. De NZa heeft mij laten weten meer tijd nodig te hebben om de data waar de NZa over beschikt te analyseren. Het antwoord op deze vraag zal ik meenemen in de reactie op de motie-Van den Berg (Kamerstuk 29 247, nr. 271), die ik zoals toegezegd uiterlijk in september naar uw Kamer stuur.
Klopt het dat in Zeeland en Twente is afgesproken dat er nooit een patiëntenstop mag zijn op de spoedeisende hulp? Hoe hebben de ziekenhuizen in deze regio’s dit georganiseerd? Zijn daar wat u betreft lessen uit te trekken voor de andere regio’s?
Dat klopt.
In de ziekenhuizen in Zeeland gaat nooit een SEH dicht. Beide ziekenhuizen werken met een intern opschalingsprotocol om de drukte aan te kunnen.
Ook in de ROAZ-regio Euregio zijn er afspraken gemaakt dat er geen stop op de SEH mag zijn, vanwege de reisafstanden naar de andere ziekenhuislocaties. Het kan wel zo zijn dat de kliniek van het ziekenhuis vol ligt en er dus een opnamestop is; daarbij moeten patiënten die na diagnostiek en behandeling op de SEH moeten worden opgenomen, alsnog worden overgeplaatst naar een ziekenhuis waar wel plek is om patiënten op te nemen. Omdat er geen opvangstop mag zijn, kan het dus wel zo zijn dat het erg druk is op de SEH. Daarbij geldt dan dat de meest urgente patiënten als eerste geholpen worden. De ziekenhuizen hebben verschillende maatregelen om deze extra drukte op te kunnen vangen, bijvoorbeeld medisch specialisten die bijspringen op de SEH of breed geschoold personeel (SEH/eerste hart hulp/IC), dat flexibel inzetbaar is.
Deze voorbeelden worden gedeeld tussen de verschillende regio’s maar de dynamiek is in iedere regio anders.
Klopt het dat er binnen Amsterdam in 20 procent van de tijd een patiëntenstop is bij een van de spoedposten? Is dit toegenomen sinds het faillissement van Slotervaart MC?
Ik heb gevraagd of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mij informatie kon verstrekken voor de beantwoording van deze vraag. De NZa heeft mij laten weten meer tijd nodig te hebben om de data waar de NZa over beschikt te analyseren. Het antwoord op deze vraag zal ik meenemen in de reactie op de motie-Van den Berg (TK 2018–2019, 29 247, nr. 271), die ik zoals toegezegd uiterlijk in september naar uw Kamer stuur.
Klopt het dat een aantal ziekenhuizen gezamenlijk criteria om een spoedeisende hulp te sluiten hebben afgesproken? Welke ziekenhuizen zijn dit? En wat houden deze criteria in?
Dat geldt inderdaad voor ziekenhuizen in die regio’s die werken met een systeem dat inzicht geeft in de capaciteit. De criteria verschillen per regio.
De beantwoording van vragen over het bericht dat oud-minister Opstelten het minder Marokkanen-proces heeft beïnvloed |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Realiseert u zich dat er drie anonieme bronnen zijn die zich hebben uitsproken over politieke beïnvloeding van mijn vervolging door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie?1 Deelt u de mening dat dit meer dan voldoende reden is om dit wanstaltige politieke proces te staken?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Het is niet aan mij, als Minister van Justitie en Veiligheid, te oordelen over een individuele strafzaak.
Wanneer en door wie bent u op de hoogte gesteld dat op 25 september 2014 een overleg heeft plaatsgevonden tussen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal naar aanleiding van het ambtsbericht van 10 september 2014 en de bijbehorende nota?
Toen er bij de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3034), welke zijn beantwoord op 7 juni 2019, naar is gevraagd heb ik uw Kamer van dit overleg op de hoogte gesteld. Ik ben er specifiek over ingelicht toen er naar werd gevraagd bij de hierboven genoemde Kamervragen.
Wat is de reden dat u de informatie dat op 25 september 2014 een overleg heeft plaatsgevonden tussen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal naar aanleiding van het ambtsbericht van 10 september 2014 en de bijbehorende nota, niet eerder heeft vermeld bij de beantwoording van bijvoorbeeld vraag 13 en/of vraag 21 van de Kamervragen van 30 november 2018?2
De reden daarvoor is gelegen in de vraagstelling zelf. Zo is in vraag 17 van de Kamervragen, beantwoord op 30 november 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 805) specifiek gevraagd naar periodieke overleggen tussen de toenmalig Minister en de toenmalig voorzitter van het College in de periode tussen de desbetreffende uitspraken van de heer Wilders (op 12 en 19 maart 2014) en het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om tot vervolging over te gaan. Dit ging dus over het tijdvlak tussen de uitspraken op 12 en 19 maart 2014 en de beslissing van het OM tot vervolging over te gaan d.d. 10 september 2014.
Ten aanzien van de beantwoording van 30 november 2018 van de vragen 13 en 21 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 805) kan ik tenslotte het volgende opmerken. In vraag 13 van de Kamervragen, beantwoord op 30 november 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 805) is heel duidelijk gevraagd naar de informatie over de (overwegingen omtrent de) vervolgingsbeslissing die de Minister destijds heeft ontvangen. Ik heb in antwoord op deze vraag gemeld dat mijn ambtsvoorganger door het College van procureurs-generaal bij ambtsbericht van 10 september 2014 over de door het OM genomen vervolgingsbeslissing is geïnformeerd. Op 25 september 2014 heeft naar aanleiding van dit ambtsbericht overleg plaatsgevonden. Wat er tijdens dit overleg is besproken is mij niet bekend. Ik kon en kan dus niet aangeven of tijdens dit overleg (nadere) informatie omtrent de vervolgingsbeslissing is verschaft aan de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie.
In vraag 21 van de Kamervragen beantwoord op 30 november 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 805) is specifiek gevraagd naar de wijze waarop het OM mijn ambtsvoorganger heeft geïnformeerd over de voorgenomen vervolgingsbeslissing. Ook hierop heb ik geantwoord dat mijn toenmalige ambtsvoorganger door het College van procureurs-generaal bij ambtsbericht van 10 september 2014 over de door het OM reeds genomen vervolgingsbeslissing is geïnformeerd.
Bent u zich ervan bewust dat op 25 september 2014 door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal over de zaak is gesproken naar aanleiding van het ambtsbericht van 10 september 2014 en de begeleidende nota? Op wiens initiatief werd dit overleg gepland? Betrof dit een zogenaamd periodiek overleg? Zo nee, wat voor overleg betrof dit dan wel? Wat is daar besproken?
Zoals ik in het antwoord op vraag 26 van de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3034) d.d. 7 juni jl. heb aangegeven, heeft naar aanleiding van het ambtsbericht en de begeleidende nota een overleg plaatsgevonden op 25 september 2014. Wat er tijdens dit overleg is besproken is mij niet bekend. Navraag bij de toenmalig betrokkenen leert dat er geen verslag is gemaakt van dit overleg.
Realiseert u zich dat, doordat u pas afgelopen week bekend maakte dat op 25 september 2014 een overleg is geweest tussen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal, de verdediging in de zaak Wilders niet de kans heeft gehad om de getuigen te bevragen bij de raadsheer-commissaris over dit overleg van 25 september 2014 en dat daarmee dus feitelijk een eerlijke rechtsgang is belemmerd? Realiseert u zich dat dit komt door uw handelen? Hoe gaat u dit corrigeren?
Ik kan als Minister van Justitie en Veiligheid niet ingaan op lopende strafzaken. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de opmerking van uw voorlichter – dat niet eerder melding is gemaakt van het overleg van 25 september 2014 omdat er niet expliciet naar zou zijn gevraagd3 – een public official uit Oeganda of Zimbabwe niet zou misstaan, maar in een democratische rechtsstaat die Nederland pretendeert te zijn volstrekt onacceptabel is?
Nee, ik verwijs naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u in dat licht uitleggen hoe ik via schriftelijke vragen expliciet naar iets zou kunnen vragen waar ik geen weet van heb of zou kunnen hebben?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3.
Realiseert u zich, doordat u pas afgelopen week bekend maakte dat op 25 september 2014 een overleg is geweest tussen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal, de verdediging in de zaak Wilders niet de kans heeft gehad om de getuigen te bevragen over dit overleg van 25 september 2014 en dat het daarmee dus (nog) geen onderwerp is van deze lopende strafzaak? Zo ja, bent u dan bereid om alle informatie met betrekking tot bovengenoemd overleg van 25 september 2014 alsnog naar de Kamer te sturen, inclusief eventuele schriftelijke stukken zoals agenda’s, notities, verslagen etc.? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 7. Van het overleg op 25 september 2014 zijn mij geen stukken bekend, zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven welke «vervolgstappen» het ambtsbericht van 7 oktober 2014 behelst? Zo nee, waarom niet?
Nee, in ambtsberichten informeert het College de Minister van Justitie en Veiligheid in alle vertrouwelijkheid over bepaalde gevoelige zaken en onderwerpen. Openbaarmaking van deze informatie kan de strafrechtelijke opsporing en vervolging en daarmee het goed functioneren van het OM frustreren. Daarnaast brengt openbaarmaking van deze documenten het reële risico met zich dat de volledige vrijheid en vertrouwelijkheid van de communicatie tussen mijn departement en het OM in het geding komt. Het is, gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid, aan mij deze schriftelijke communicatiestroom tegen elke belemmering te beschermen.
De in artikel 128 van de Wet RO vervatte aanwijzingsbevoegdheid kent overigens een duidelijke procedure waarmee – ingeval een aanwijzing wordt gegeven – de openbaarheid daarvan, via uw Kamer of via de behandeling van de strafzaak, gewaarborgd is. Deze aanwijzingsbevoegdheid wordt slechts met grote terughoudendheid toegepast (zie ook antwoord 7 op de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 805) d.d. 30 november 2018).
Kunt u nu eens klip en klaar aangeven of de vervolgingsbeslissing, vervat in het ambtsbericht van 10 september 2014, een voorlopige beslissing of een definitieve beslissing betrof?
Het College van procureurs-generaal heeft mijn toenmalig ambtsvoorganger bij ambtsbericht van 10 september 2014 bericht dat het OM heeft besloten vervolging tegen de heer Wilders in te stellen. Zie verder het antwoord op vraag 12 en 13.
Indien het een definitieve vervolgingsbeslissing betrof, wat was dan het doel of de functie van het overleg van 25 september 2014 tussen de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalige voorzitter van het College van procureurs-generaal?
Ik kan niet aangeven wat het exacte doel is geweest van dit specifieke overleg. In algemene zin is het zo dat in gevoelige zaken het OM na een verstrekt ambtsbericht daar nadere toelichting op kan geven aan de Minister van Justitie en Veiligheid, destijds Minister van Veiligheid en Justitie.
Indien het een definitieve vervolgingsbeslissing betrof, wat was dan het doel of de functie van het verhoor van de heer Wilders door de Rijksrecherche op 8 december 2014?
Het OM heeft mij desgevraagd gemeld dat het OM met het persbericht van 9 oktober 2014 naar buiten heeft gebracht dat het, na uitvoerige juridische analyse, tot de conclusie is gekomen dat de uitlatingen van de heer Wilders een verdenking van een strafbaar feit opleveren, waarbij tevens is aangegeven dat strafvervolging in de rede ligt. En vast onderdeel van vrijwel alle strafrechtelijke onderzoeken is dat, na de vaststelling door het OM dat sprake is van een strafbaar feit, vervolgens een verdachte in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. De verklaring van de verdachte heeft geen wijziging gebracht in de conclusie van het OM dat vervolging in de rede lag, waarna de definitieve vervolgingsbeslissing aan verdachte en via een persbericht van 18 december 2014 aan het publiek bekend is gemaakt.
Indien het een definitieve vervolgingsbeslissing betrof, waarom verklaarde het openbaar ministerie dan op 9 oktober 2014 dat het onderzoek nog niet was afgerond en de definitieve vervolgingsbeslissing pas genomen zou worden na het verhoor van de heer Wilders op 8 december 2014?
Zie antwoord vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoord op vraag 32 van Kamervragen van 7 juni 2019 schrijft u dat twee nota’s over de kwestie Wilders zijn opgesteld? Klopt het dat één nota behoort bij het ambtsbericht van 10 september 2014? Kunt u aangeven of de andere aangetroffen nota ook behoort bij een ambtsbericht? Zo ja, bij welk ambtsbericht, wat is de datum van de nota en door wie is hij opgesteld? Zo nee, ten behoeve waarvan en door wie is deze nota dan opgesteld? Beschikt u ook over e-mails ter voorbereiding op die nota? Zo ja, op welke datum zijn deze opgesteld en wie is de afzender/ontvanger?
Zoals in de op 7 juni jl. beantwoorde Kamervragen is aangegeven, is één van deze nota’s opgesteld naar aanleiding van het ambtsbericht van 10 september 2014. De andere nota is opgesteld na ontvangst van het ambtsbericht van 17 december 2014. De nota’s zijn opgesteld door de destijds betrokken ambtenaren.
Herinnert u zich dat u in antwoord op vraag 3 van de Kamervragen van 30 november 2018 maakt u melding van een memo van het openbaar Ministerie van 24 september 2014 inzake de beveiliging rondom een eventuele rechtszaak? Kunt u aangeven waar dit «eventuele» vanaf hing? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 12 en 13. Tevens bestaat altijd de mogelijkheid dat door onvoorziene omstandigheden een rechtszaak niet door kan gaan.
Zijn de getuigen in de zaak Wilders door uw ministerie voorzien van schriftelijke (digitale) stukken ter voorbereiding op hun verhoor? Zo ja, door wie, op wiens verantwoordelijkheid is dit gebeurd en kunt u een overzicht geven van de stukken die elk van de getuigen hebben ontvangen?
Zoals in het antwoord op de vragen 8 en 9 van de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3034) van 7 juni jl. aangegeven, heeft een getuige het recht zich voor te bereiden op een getuigengehoor bij de rechter. Dat is niet anders voor mensen die werkzaam zijn (geweest) bij een ministerie. Op grond van goed werkgeverschap wordt ingevolge artikel 125ter Ambtenarenwet bijstand aangeboden. Onderdeel daarvan is dat voormalige ambtenaren en bewindspersonen wordt gevraagd of men ter voorbereiding relevante stukken wil inzien. Dat kan betrekking hebben op openbare stukken of ambtelijke stukken waar men destijds persoonlijk kennis van heeft genomen. In onderhavige casus is dit ook op gezag van de SG gebeurd.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 19 juni 2019 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Onrust onder BIG geregistreerde verpleegkundigen met een diploma van voor 2012 |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zo veel ervaring, toch terug naar school»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de onrust die is ontstaan onder veel ervaren verpleegkundigen naar aanleiding van de presentatie van de Wet Big II en het voornemen dat BIG geregistreerde verpleegkundigen met een diploma ouder dan 2012 een cursus of toets zullen moeten doen om zich te kunnen registeren als regieverpleegkundige?
De signalen over de overgangsregeling hebben mij bereikt. Uit die signalen blijkt dat er nog vragen over de overgangsregeling zijn. Allereerst wil ik opmerken dat de functiedifferentiatie een wens is van veldpartijen die al ruim 40 jaar leeft. Omdat het niet gelukt is die functiedifferentiatie door te voeren op de werkvloer hebben de beroepsorganisatie, de werkgeverspartijen en de werknemerspartijen mij gevraagd om de functiedifferentiatie in de Wet BIG te regelen. De afgelopen jaren is intensief gewerkt aan het vaststellen van een overgangsregeling. Dat het een complex vraagstuk is blijkt uit het feit dat er meerdere commissies zijn ingesteld en dat er een onderzoek naar is uitgevoerd. Inmiddels is er op basis van het rapport van de commissie Meurs onder de beroepsorganisatie, de werkgeverspartijen en de werknemerspartijen breed draagvlak voor de overgangsregeling zoals die in de kamerbrief van 5 juni jl. uiteen is gezet.2
Het klopt dat de overgangsregeling van bepaalde groepen verpleegkundigen nog vraagt dat zij ofwel scholing volgen ofwel een toets doen. Immers, de commissie heeft geoordeeld dat het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 dé norm is voor registratie als regieverpleegkundige. Rekening houdende met het gegeven dat verpleegkundigen tijd nodig hebben om aan die kwalificaties te kunnen voldoen, is samen met bovengenoemde partijen gekozen voor een ruime overgangsregeling. Een grote groep verpleegkundigen krijgt direct toegang tot het register van regieverpleegkundigen. Pas over vijf jaar, op het moment van herregistratie, zullen zij moeten aantonen dat zij in die periode de scholing, dan wel de toets met succes hebben afgerond.
Kunt u toelichten waar de grens van 2012 vandaan komt? Hoe verschilt een verpleegkundige met een opleiding uit 2011 van een verpleegkundige met een opleiding uit 2013? En hoe verschillen zij volgens u in competenties met een verpleegkundige met een opleiding uit 1985 met 30 jaar ervaring? Deelt u de mening dat opleiding niet automatisch zwaarder weegt dan ervaring?
De grens van 2012 komt voort uit het advies van de commissie Meurs. De commissie van deskundigen heeft in haar advies geoordeeld dat oud hbo-opgeleide verpleegkundigen die vanaf 2012 zijn afgestudeerd in dezelfde mate de benodigde competenties beheersen als de verpleegkundige met een Bachelor Nursing 2020 diploma, wat het uitgangspunt is van de commissie. De commissie van deskundigen heeft daarom geoordeeld dat deze groep zich direct kan laten registreren als regieverpleegkundigen.
In aanloop naar de invoering van het opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 zijn opleidingen al wijzigingen in hun curricula door gaan voeren. De commissie heeft hier rekening mee willen houden in haar advies, hetgeen geleid heeft tot de 2012-grens. Deze grens is dus coulanter dan dat je strikt zou uitgaan van de datum waarop het Bachelor Nursing 2020 opleidingsprofiel is gestart, namelijk september 2016. Met de huidige regeling, waarvoor zoals gezegd breed draagvlak is onder de beroepsorganisatie, werkgevers- en werknemerspartijen, kunnen dus méér hbo-verpleegkundigen zich direct registreren als regieverpleegkundige zonder het hoeven doen van een toets.
Hoewel ervaring vanzelfsprekend zeer waardevol is voor de uitoefening van het vak, gaat het systeem van de Wet BIG uit van behaalde diploma’s. Ook de overgangsregeling sluit bij deze vaste systematiek aan. Verder verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 7.
Houdt u rekening met het risico dat naar aanleiding van deze functiedifferentiatie en de onrust die is ontstaan nog meer verpleegkundigen de zorg kunnen verlaten? Zo ja, met welke uitstroom als gevolg van de nieuwe eisen houdt u rekening? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben de signalen over de overgangsregeling mij bereikt. Of het voorstel ertoe gaat leiden dat meer verpleegkundigen de sector verlaten, kan ik niet voorspellen. Alle betrokkenen bij het advies van de Commissie Meurs willen, evenals ik, natuurlijk geen vergrote uitstroom. Daarom is sprake van een brede overgangsregeling, zodat een grote groep verpleegkundigen zich op termijn kan registreren als regieverpleegkundige in het BIG-register.
Daarbij wordt al langer voorlichting gegeven aan verpleegkundigen over de vraag of iedereen regieverpleegkundige zal willen worden. Het gaat immers ook over een ander takenpakket en het is geen verplichting om regieverpleegkundige te worden als men voldoet aan de kwalificaties. Tevens zullen werkgevers zelf bezien hoeveel regieverpleegkundige functies zij willen creëren. Indien men in het register van regieverpleegkundige wil blijven staan na 5 jaar, zal men ook aan de bijbehorende werkervaringsuren moeten hebben voldaan. Zo ontstaat na 5 jaar een nieuwe mix van verpleegkundigen en regieverpleegkundigen op de werkvloer.
Hoe beziet u dit risico in het licht van het toch al grote verpleegkundigentekort? Welke gevolgen zal een nog verdergaande uitstroom hebben op de werkdruk van verpleegkundigen en wachtlijsten voor patiënten en cliënten?
Zie de beantwoording van vraag 4. Zolang de HBO-opleiding tot verpleegkundige bestaat, is er de wens in het veld om ook op de werkvloer onderscheid tussen MBO en HBO opgeleiden te maken. Met het voorstel beoog ik op verzoek van partijen bij te dragen aan een duidelijkere en sterkere rol voor verpleegkundigen, en daarmee ook een groter werkplezier. Immers, (regie)verpleegkundigen kunnen door de functiedifferentiatie beter worden ingezet op taken waarvoor ze zijn opgeleid en waarin ze deskundig zijn. Een verhoogde uitstroom vanwege het voorstel voor functiedifferentiatie is vanzelfsprekend onwenselijk en de commissie heeft in haar advies dan ook ruimhartig rekening gehouden met de huidige situatie op de arbeidsmarkt. Dat neemt niet weg dat eenmalig een overgangsregeling nodig is om het onderscheid in registers tot stand te brengen. De duidelijkheid en daarmee het beoogde grotere werkplezier, zou idealiter aan een grotere instroom moeten bijdragen.
We zien dat de redenen voor uitstroom vooral gaan over waardering van leidinggevenden en management, werkdruk en ook de ruimte om zelf te kunnen handelen. Met het actieprogramma Werken in de Zorg zijn we hiermee aan de slag. Hiervoor verwijs ik naar de voortgangsrapportage van 22 mei 2019.3 Tot slot is het belangrijk dat verpleegkundigen met hun werkgever in gesprek gaan over de mogelijkheden tot het krijgen van een functie van regieverpleegkundige en welke afspraken zij daarover maken om daar te komen.
Bent u het eens dat gezien de grote uitstroom onder verpleegkundigen en ondanks dat het goed is dat er eisen worden gesteld aan zo’n belangrijke beroepsgroep, een verpleegkundige die vóór 2012 is afgestudeerd en sindsdien goed haar of zijn werk heeft gedaan en deskundigheid op peil heeft gehouden niet mag aanlopen tegen onnodige drempels om zijn of haar werk voort te zetten? Zo ja, bent u bereid deze onnodige drempels weg te nemen en de eisen te heroverwegen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Het vak van regieverpleegkundige is zoals verwoord in de kamerbrief van 5 juni jl.4 een nieuw beroep met nieuwe competenties. Hoewel de HBO-verpleegkunde opleiding al circa 45 jaar bestaat is de functiedifferentiatie tot op heden nog niet algemeen in de praktijk doorgevoerd. In het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 is uitdrukkelijk rekening gehouden met de huidige en toekomstige zorgvraag. Daarmee is het nieuwe opleidingsprofiel Bachelor Nursing 2020 passend bij het nieuwe beroep van regieverpleegkundige. De betrokkenen bij het advies van de Commissie Meurs zien, evenals ik, het doen van een toets of het volgen van scholing daarom niet als een onnodige drempel, maar als een manier om aan te tonen dat eerder afgestudeerde verpleegkundigen met een ouder opleidingsprofiel ook aan de competenties van het Bachelor Nursing 2020 opleidingsprofiel voldoen. Ook hier wil ik benadrukken dat er breed draagvlak is onder voornoemde partijen voor het volgen van scholing of het doen van een toets.
Bent u bereid te bezien of het in andere sectoren toegepaste systeem van «erkenning (van) verworven competenties» (EVC) in dezen zou kunnen worden toegepast waardoor meer recht wordt gedaan aan door betrokkenen opgedane praktijkervaring? Zo nee, waarom niet?
De optie van een EVC-traject kan mogelijk een uitkomst bieden in het bepalen van de vrijstellingen voor het scholingsprogramma. De mogelijkheden hiervan dienen nog te worden onderzocht tijdens de ontwikkeling van het scholingsprogramma.
De uitspraak van de Raad van State inzake de PAS |
|
Cem Laçin (SP), Lammert van Raan (PvdD), Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Een nieuw vliegveld is waanzin»?1
Ja, ik ben bekend met het betreffende artikel.
Wat bedoelde u met uw interview voor het NOS-journaal, waarin u zegt op zoek te zijn naar «een list»?
Wat ik bedoeld heb is het volgende. Het uitgangspunt van het kabinet wás en blíjft om de natuur te versterken én economische ontwikkeling mogelijk te maken. De uitspraak van de Raad van State betekent dat het PAS niet langer gebruikt kan worden als onderbouwing voor besluiten. Er wordt nu in brede zin onderzocht op welke wijze we recht kunnen blijven doen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden en tegelijkertijd ruimte kunnen bieden aan economische ontwikkelingen. Het spreekt voor zich dat dat zal worden gedaan binnen de daarvoor geldende wettelijke vereisten. Dát is de puzzel die we aan het leggen zijn en hetgeen ik met deze term heb proberen aan te geven. Ook voor Lelystad Airport wordt onderzocht wat de consequenties zijn van de uitspraak van de Raad van State. In mijn brief van 2 juli jl. heb ik aangegeven dat een eerste analyse van de oplossingsrichtingen laat zien dat meer tijd nodig is om hiervoor op zorgvuldige wijze tot een oplossing te komen.
Wat voor een type beleidsmaatregelen zou u als een list typeren, of doelt u op een juridische verkenning om de uitspraak van de Raad van State te omzeilen?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, wordt momenteel onderzocht op welke wijze uitvoering gegeven kan worden aan de uitspraak van de Raad van State.
Hoe verhoudt zich dit tot de relatie tussen de uitvoerende en de rechtsprekende macht? Betekent dit dat u niet van plan bent te handelen naar de letter en geest van de uitspraak van ons hoogste rechtscollege?
Binnen het kader van de uitspraak van de Raad van State zijn uitvoerende keuzes te maken die recht moeten doen aan zowel de letter als de geest van de uitspraak.
Welke gevolgen denkt u dat deze uitspraak over het verzinnen van «een list» heeft voor het beschadigde vertrouwen van omwonenden in u en in de overheid?
De gevleugelde uitspraak van de Heer Bommel is bij velen een bekende uitspraak die niet zo letterlijk genomen dient te worden en duidt op de zoektocht die tot een oplossing leidt. Wij zetten ons in om op een zorgvuldige wijze tot een goede oplossing te komen.
Bent u bereid de formulering «een list» terug te nemen?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Het wegzenden van Taiwanese waarnemers bij het World Meteorological Congress 2019 |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat twee Taiwanezen, na (nota bene) te zijn uitgenodigd als waarnemer bij het World Meteorological Congress van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), na één dag werden uitgesloten?1
Ja, ik ben bekend met de berichten waarnaar wordt verwezen.
Bent u bereid om de WMO te vragen naar een officiële verklaring voor het uitsluiten van de twee Taiwanese meteorologische experts? Zo nee, waarom niet?
Navraag bij WMO leert dat de twee Taiwanese meteorologische experts niet door WMO waren uitgenodigd of geaccrediteerd om als waarnemers bij het World Meteorological Congress aanwezig te zijn. Zij waren door de (niet-gouvernementele) Association of Hydro-Meteorological Equipment Industry (HMEI) geaccrediteerd voor deelname aan de Meteorological Technology World Expo die gelijktijdig met het World Meteorological Congress elders in Genève plaatsvond, en die niet door WMO of onder VN-vlag werd georganiseerd. HMEI had WMO verzocht de twee experts als (ngo-)waarnemers bij het World Meteorological Congress aanwezig te laten zijn, echter zonder daarbij de nationaliteit van de experts te vermelden. WMO heeft vooraf duidelijk te kennen gegeven dat het uitsluitend personen bij het World Meteorological Congress (of iedere andere officiële bijeenkomst van WMO als VN-organisatie) zou toelaten die een paspoort of nationaal identiteitsbewijs van een door de VN erkend land konden overleggen. Zodra de nationaliteit van de twee experts bekend werd bij WMO, is hen (verdere) toegang tot het World Meteorological Congress ontzegd.
Deze informatie is door WMO tijdens het World Meteorological Congress ook met de aanwezig pers gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze van deze «gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties»?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Middelburg stelende asielzoekers beu is |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Middelburg is overlast door stelende asielzoekers beu»?1
Ja.
Hoe kan het dat rovende asielzoekers overal in Nederland nog steeds vrij spel hebben, ondanks herhaalde kabinetsbeloften ze aan te pakken?
In de achterliggende periode is er een stevig pakket aan maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken en tegen te gaan. Mijn ambtsvoorganger heeft op 17 april jl. diverse aanscherpingen en een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd. Een van de nieuwe maatregelen betreft het invoeren van een persoonsgerichte aanpak. De verwachting is dat door deze aanvullende landelijke aanpak bestaande maatregelen doeltreffender en slagvaardiger kunnen worden ingezet. Door het intensiever verbinden van de vreemdelingenketen en strafrechtketen, moet het voor de vreemdeling zichtbaar en voelbaar worden dat hij in beeld is van de overheid en dat zijn gedrag niet wordt getolereerd.
Hoe legt u aan de Nederlandse burger uit dat u dit tuig binnen blijft laten en ook belastinggeld uit blijft geven teneinde ze onderdak, leefgeld, gezondheidszorg etc. te geven?
Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen en het sluiten van de asielzoekerscentra geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet spant zich ervoor in ervoor risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven. Zo wordt er onder meer bij de beoordeling van de verblijfsaanvraag rekening gehouden met criminele antecedenten van de vreemdeling en zijn er verschillende maatregelen getroffen om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken.
Realiseert u zich dat het gekkenwerk is iedereen die het woordje «asiel» uitspreekt op te vangen, ongeacht land van herkomst, crimineel verleden etc.? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het dit jaar, in tegenstelling tot vorig jaar, al gelukt om meer dan vijf criminele asielzoekers op grond van de openbare orde van straat te halen en uit te zetten? Zo nee, schaamt u zich niet voor deze absurde wanprestatie?
Uw vraag refereert vermoedelijk aan de tabel die is opgenomen in paragraaf 3.3.5 van de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. In die tabel staat aangegeven hoeveel asielvergunningen op grond van openbare orde aspecten zijn geweigerd of ingetrokken in 2017 respectievelijk 2018, en hoeveel van de betreffende vreemdelingen nog in datzelfde jaar aantoonbaar zijn vertrokken.
Dat vreemdelingen veelal niet in hetzelfde jaar vertrekken als het jaar waarin hen asiel is geweigerd of hun asielvergunning is ingetrokken, is niet verwonderlijk. Vreemdelingen kunnen immers rechtsmiddelen aanwenden tegen het besluit; daarnaast is de snelheid waarmee het vertrek kan worden gerealiseerd afhankelijk van een breed scala aan factoren, waaronder de medewerking van de vreemdeling zelf en diens land van herkomst. Dit wordt ook uitgelegd in de voetnoot bij de tabel. Ik verwacht dan ook dat vreemdelingen aan wie asiel is geweigerd of wiens asielvergunning is ingetrokken in 2019, nog niet of nauwelijks aantoonbaar (uitzetting, vrijwillig vertrek onder toezicht) zullen zijn vertrokken.
Tenslotte wijs ik u op de tabel in paragraaf 6.6 van de RVK 2018. Deze tabel geeft inzicht in het vertrek van criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. Uit deze tabel blijkt dat in 2018 1.140 criminele, illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen zijn vertrokken, waarvan 890 aantoonbaar (uitzetting of zelfstandig vertrek onder toezicht).
Bent u bereid een totale asielstop in te stellen, alle asielzoekerscentra te sluiten en alle criminele asielzoekers en statushouders uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De brandbrief van jeugdrechtadvocaten |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brandbrief van jeugdrechtadvocaten?1
Ja.
Erkent u dat de richtlijn die procedurele waarborgen voor kinderen regelt2 ertoe leidt dat het voor minderjarigen niet langer mogelijk is afstand te doen van rechtsbijstand bij het politieverhoor, dat dit tot extra werk en verplichtingen voor jeugdrechtadvocaten leidt, maar dat de bijbehorende adequate vergoeding door u niet geleverd wordt? Hoe komt dat?
Richtlijn 2016/800/EU die procedurele waarborgen voor kinderen regelt en de wet tot implementatie van deze richtlijn (Stb. 2019, 180) leiden er inderdaad toe dat minderjarigen verzekerd zijn van rechtsbijstand bij het politieverhoor, en daarvan geen afstand kunnen doen. Dit leidt tot extra werkaanbod voor jeugdrechtadvocaten, waarvoor zij een vergoeding ontvangen overeenkomstig de geldende systematiek. Ik ben bekend met de zorgen van de advocatuur over de hoogte van de vergoedingen. Bij de implementatie van de richtlijn per 1 juni jongstleden is ervoor gekozen de vergoeding aan te laten sluiten bij de huidige puntenvergoeding voor het bijwonen van politieverhoren. In 2016 is deze puntenvergoeding voor minderjarige verdachten met 50% verhoogd tot het niveau van de vergoeding voor verhoorbijstand voor meerderjarige verdachten. Ik stel vast dat dit voorstel in het kader van de consultatie niet tot kritiek heeft geleid.
Kunt u ingaan op alle afzonderlijke knelpunten die door de jeugdrechtadvocaten worden genoemd in de brief?
Het voert te ver om in dit stadium, waarbij de ketenpartners en ik nog geen overleg heb kunnen voeren met de (jeugdrecht)advocatuur naar aanleiding van deze brief, in te gaan op alle afzonderlijke knelpunten. In hoofdlijnen onderscheid ik twee aandachtspunten in de brief, te weten de vergoeding voor de (extra) werkzaamheden, en daarnaast de organisatorische aspecten in verband met de implementatie van de richtlijn – daarbij inbegrepen de rol en verantwoordelijkheid van alle ketenpartners. Op het eerste aspect ben ik reeds ingegaan bij de beantwoording van de vorige vraag; voor het tweede aspect verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op het verwijt dat u bij de implementatie onvoldoende rekening heeft gehouden met de praktische en financiële gevolgen voor advocaten van deze verplichting tot bijstand bij elk verhoor, en het verwijt dat de politie en het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid voor de effectuering van deze verplichting die op Nederland rust eenzijdig bij de advocatuur legt?
Afgezien van mijn eigen verantwoordelijkheid voor de implementatie en de stappen die ik daarin steeds met de ketenpartners heb gezet, merk ik op dat in de dagelijkse praktijk politie en openbaar ministerie, samen met de (jeugdrecht)advocatuur, een belangrijke verantwoordelijkheid uitoefenen voor de effectuering van de verplichtingen die op Nederland rusten. Voor zover mij bekend nemen deze ketenpartners dit tot nu toe op constructieve wijze ter hand. Ik herken mij derhalve niet in het verwijt dat politie en openbaar ministerie de verantwoordelijkheid voor de effectuering van deze verplichting die op Nederland rust, eenzijdig bij de advocatuur leggen.
Bent u bereid met spoed in deze kwestie met voorstellen te komen die recht doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze richtlijn en tegemoetkomen aan de in deze brandbrief geuite zorgen?
Mede naar aanleiding van deze brief zal ik op korte termijn, in het kader van de reeds bestaande functionele contacten over de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoering van de wet ter uitvoering van deze richtlijn, samen met politie en openbaar ministerie nader in overleg treden met de (jeugdrecht)advocatuur en daarbij ook de gesignaleerde knelpunten bespreken. Ik zal uw Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling berichten.