Kent u het bericht «Politie Limburg wil DNA-onderzoeken onderbrengen bij een commercieel forensisch instituut»?1
Ja.
Wat vindt u van de proef van de politie eenheid Limburg en het openbaar ministerie (OM) waarbij een commerciële organisatie (TMFI) DNA-sporen onderzoekt? Heeft u al officieel gereageerd op het ingediende plan?
Het staat de politie en het Openbaar Ministerie (OM) in beginsel vrij om te onderzoeken of meer en sneller forensisch onderzoek kan worden gedaan als een andere werkwijze wordt gevolgd. Dat vergt geen officiële reactie of toestemming van mij. Het nadenken over het onderbrengen van bepaalde sporen bij een privaat forensisch instituut vindt plaats in het kader van het regionale plan «Daadwerkelijk veranderen», dat deel uitmaakt van een verandertraject binnen de politie in het kader van het programma «Toekomstbestendig opsporen en vervolgen» van het OM en de politie.
Het NFI heeft aangeboden graag samen met politie en OM hierin op te trekken. In een gesprek met de politie Limburg, naar aanleiding van dit krantenartikel, benadrukt het NFI dat interne verbeteringen worden gerealiseerd en ontwikkelingen gestimuleerd. Zo is de levertijd voor DNA enorm versneld en wil het NFI met de snelle «DNA straat», de politie beter ondersteunen in «de hartslag van de opsporing».
Overigens hebben de partijen al de mogelijkheid om via de One Stop Shop (OSS) van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) DNA-onderzoeken bij andere partijen te laten plaatsvinden. Het NFI maakt sinds een aantal jaren middels de genoemde OSS ook al gebruik van de DNA-onderzoeksmogelijkheden bij The Maastricht Forensic Institute (TMFI). Dit is een particuliere instelling die nauw gelieerd is aan de Universiteit van Maastricht en onafhankelijk en wetenschappelijk geborgd forensisch-technisch en wetenschappelijk (DNA-) onderzoek verricht op verzoek van het OM, de zittende magistratuur en de advocatuur.
Is het juist dat de eenheid Limburg maar 86 digitale- of DNA-sporen kan insturen bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)? Zo ja, voor welke tijdsperiode is dit en kunt u dit maximum verklaren? Is het eveneens juist dat de doorlooptijden van DNA-onderzoeken gemiddeld twee maanden bedragen? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken waarom dit het geval is?
Het is onduidelijk op welke sporen in het artikel wordt gedoeld, het artikel maakt geen onderscheid tussen digitale sporen en DNA-sporen. Het NFI kent verschillende typen digitaal onderzoek en verschillende typen DNA-onderzoek, met allemaal een eigen productiecapaciteit. Voor DNA-onderzoek wordt dit door de politie vertaald naar de capaciteit die voor iedere eenheid beschikbaar is. Voor de in het artikel genoemde politie-eenheid Limburg betreft dit 86 DNA-sporen per maand voor «bulkzaken» (High Volume Crime en High Impact Crime) op basis van de capaciteit van 2018. Dit zijn de standaard-vergelijkingen met de DNA-databank (niet zijnde handmatige vergelijkingen, mengprofielen, partiële profielen etc.).
De aantallen door het NFI te onderzoeken sporen zijn afgesproken in het service level agreement met het NFI. De doorlooptijden verschillen per type product, zijn afhankelijk van de complexiteit en variëren van tussen de 6 uur bij grote spoed tot meer dan 60 dagen bij complexe zaken.
Deelt u de mening dat eenvoudige digitale en DNA-sporenonderzoeken kunnen worden uitgevoerd door een commerciële instelling om onderzoekszaken sneller te kunnen afronden en het NFI te ontlasten?
Ja, en deels gebeurt dit al via de OSS. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u een inschatting geven van het aantal zaken waarbij dit tot een versnelling zou kunnen leiden?
De proef bevindt zich nog in de onderzoeksfase. Zowel het aantal zaken waarbij dit tot een versnelling zou kunnen leiden als de termijn waarop uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet slagen van de proef is lastig in te schatten. Pas na een langere duur van de proef, met een robuust aantal zaken, kan tot een goede effectmeting worden gekomen. Hierbij wordt gedacht aan een periode van minimaal drie jaar.
Op welke termijn kunt u uitsluitsel geven over het al dan niet slagen van de proef?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de wijze van bescherming van persoonsgegevens bij commerciële organisaties die werken met digitale en DNA-sporen?
In algemene zin is het zo dat ingeschakelde private partijen zich contractueel dienen te houden aan de eisen die het NFI oplegt. Die eisen worden ook getoetst.
Deze eisen omvatten ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of privacy. In het licht van de vorig jaar ingevoerde Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en andere relevante wetgeving op het gebied van privacy hebben zowel het TMFI als de politie en alle andere (overheids-)instanties de verplichting om overeenkomstig die AVG en wetgeving te handelen.
Het bericht dat Shell van plan is stakers te korten op hun salaris |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht dat oliemaatschappij Shell van plan is de lonen te korten van de stakers in Pernis en Moerdijk?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht. Staken is een sociaal recht en mag niet zomaar worden beperkt of bestraft. De werkgever heeft wel de mogelijkheid het loon over de gestaakte uren in te houden. Zie ook mijn antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u via de korte lijnen die het kabinet heeft met Shell bevestigen of dit inderdaad het geval is?
De woordvoering van Shell heeft bevestigd dat Shell loonmaatregelen wil treffen in het geval werknemers gaan staken. Inmiddels is bekend dat de stakingen voorlopig zijn opgeschort.
Wat vindt u van de redenatie van Shell dat werknemers het recht hebben om te staken, maar dat zij ook het recht hebben om loonmaatregelen te treffen»?
Kunt u aangeven of het Europees Sociaal Handvest ook voor Nederland geldt en daarmee ook voor Nederlandse werkgevers, waaronder Shell?
Nederland heeft het Europees Sociaal Handvest (ESH) in 1980 geratificeerd. Het stakingsrecht is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het ESH. Daarin staat dat werkgevers en werknemers het recht hebben om collectief op te treden als sprake is van een belangengeschil, met inbegrip van het stakingsrecht. Dit artikel is eveneens opgenomen in het Europees Sociaal Handvest (herzien), dat Nederland in 2006 heeft geratificeerd.
Is het waar dat staken een recht is en stakende werknemers niet mogen worden ontslagen of op een andere manier mogen worden gestraft?
Bent u bereid de oliemaatschappij aan te spreken op deze zoveelste middelvinger van Shell richting de Nederlandse samenleving?
Stakingen zijn een zaak tussen werkgevers en vakbonden. Het is aan hen om collectieve onderhandelingen te voeren en invulling te geven aan het recht op collectief optreden. Ik speel hierin geen rol.
De huurcommissie |
|
Erik Ronnes (CDA), Henk Nijboer (PvdA), Paul Smeulders (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerder gestelde Kamervragen over de Huurcommissie?1
Ja.
Hoeveel extra budget heeft u aan de Huurcommissie beschikbaar gesteld om de achterstanden in te lopen en hoe wordt dit budget ingezet? Is dit budget structureel of incidenteel ter beschikking gesteld?
De Huurcommissie en ik vinden het belangrijk om de toegenomen werkvoorraad zo snel mogelijk in te halen en de doorlooptijden te normaliseren. De beschikbare personele capaciteit en het absorptievermogen bij de organisatie is momenteel leidend voor het tempo van de inhaalslag om de achterstanden in te halen. Het werven van extra medewerkers vormt hierbij een bottleneck, omdat het inwerken van deze medewerkers ten koste gaat van de capaciteit die ingezet kan worden op het proces van de behandeling van geschillen. Daarom is ook zorgvuldig gekeken hoe hierin een balans kan worden gevonden en tegelijkertijd het absorptievermogen van de organisatie voor dit jaar en voor komende jaren optimaal benut kan worden met de voorziene instroom van geschillen en de toegenomen werkvoorraad. We hebben hierbij niet alleen gekeken naar de werving van extra medewerkers maar ook naar de efficiencymogelijkheden in het primaire proces van de behandeling van geschillen. Daaruit is een set aan aanvullende maatregelen uit voortgekomen waarmee de Huurcommissie de productie kan bijsturen. In Kamerbrief, 27 926, nr. 311, heb ik deze maatregelen nader toegelicht. Maar er blijft sprake van risico’s over de haalbaarheid van de productiedoelstelling van 7.500 zaken in 2019, deze is o.a. afhankelijk van de vraag of de beoogde werving van de extra medewerkers binnen de planning kan worden gerealiseerd en hoe snel deze nieuwe medewerkers zijn ingewerkt.
Aan de versterking van het primaire proces werk ik sinds het jaar 2017, ik heb sindsdien een bedrag van cumulatief circa € 10 miljoen gereserveerd voor een impuls aan de ICT, opleidingen van medewerkers en extra medewerkers bij de Huurcommissie. Voor het jaar 2019 verwacht ik dat een bedrag van ca. € 4 miljoen nodig is, dit heb ik gereserveerd. Ik bezie periodiek of dit bedrag voldoende is, dit is mede afhankelijk van het verloop van de instroom en werkvoorraad. In de begroting van 2020 zal ik uw Kamer hierover nader informeren.
Kunt u nader ingaan op de doorlooptijden en daarbij een overzicht geven van de doorlooptijden per soort geschil?
Hoe lang de doorlooptijd is, verschilt sterk van zaak tot zaak. Het ene huurprijsgeschil is bijvoorbeeld na twee maanden helemaal afgehandeld, terwijl bij het andere huurprijsgeschil het dossier pas na zes maanden compleet genoeg is om aan de zittingscommissie voor te kunnen leggen. Het grootste deel van de doorlooptijd gebruikt de Huurcommissie om het dossier compleet te maken, zodat ze het geschil echt in behandeling kan nemen. Zo moeten de juiste gegevens van de wederpartij worden gecheckt of opgezocht en informatie over de woning, jaarafrekeningen en het (achterliggende) conflict moet worden verzameld en gecontroleerd. Hoe lang het duurt om het dossier compleet te maken, is afhankelijk van veel factoren.
Een belangrijke factor is de medewerking van huurder en verhuurder. Als beiden constructief in het geschil staan, kan de Huurcommissie hen sneller helpen via informatieverstrekking en bemiddeling. Ook leveren zij dan sneller de benodigde gegevens aan en werken zij beter mee aan bijvoorbeeld het onderzoek in de woning.
Een andere relevante factor is de complexiteit van het geschil. Waar het aantal geschillen bij de Huurcommissie de afgelopen tien jaar is afgenomen, is het aandeel complexe geschillen juist toegenomen. Geschillen waarvoor de Huurcommissie veel informatie moet verzamelen of controleren, hebben een langere doorlooptijd. Bij geschillen over de afrekening van de servicekosten moeten bijvoorbeeld veel kostenposten worden gecontroleerd én moet bijvoorbeeld in de woning worden nagegaan welke stoffering aanwezig is. Het opstellen van een onderzoeksrapport over de afrekening van de servicekosten duurt daardoor gemiddeld meer dan twee keer zo lang als bij het toetsen van de jaarlijkse huurverhoging. Daar komt nog bij dat de huidige beschikbare capaciteit aan onderzoekers kwetsbaar is. Dit komt door de huidige gespannen arbeidsmarkt die zich in het bijzonder laat gelden bij specialisme als bouwkundige keuring. De Huurcommissie heeft voor de werving van extra medewerkers met deze specialisme een recruiter ingehuurd.
Verder is voor het compleet maken van het dossier van belang hoeveel zaken in een bepaalde tijd bij de Huurcommissie binnenkomen. Het komt een paar keer per jaar voor dat in korte tijd veel zaken tegelijk worden ingediend. Bijvoorbeeld omdat een wettelijke termijn voor het indienen van geschillen afloopt, of omdat een groep huurders of een grote verhuurder veel zaken tegelijk indient. Als de Huurcommissie veel zaken tegelijk binnen krijgt, leidt dit vaak tot enige vertraging in de afhandeling. Dan is de capaciteit tijdelijk niet toereikend. Is het dossier compleet, dan kan het geschil meestal vlot worden afgehandeld. Het wordt dan gebruikt als informatiebron bij bemiddeling of in de zitting en de raadkamer.
De Huurcommissie streeft ernaar geschillen zo snel mogelijk te behandelen, binnen de mogelijkheden en middelen die haar ter beschikking staan. Zij vindt het van belang dat het geschil tussen huurder en verhuurder niet langer duurt dan nodig is. Veel factoren die van invloed zijn op de tijd die nodig is om het dossier compleet te maken, kan de Huurcommissie niet beïnvloeden. De aard van het geschil, hoe diep het conflict tussen huurder en verhuurder is en de grillige instroom van geschillen vallen buiten haar invloedsfeer.
Wat de Huurcommissie wel kan doen, is ervoor zorgen dat de ambtelijke dienst (DHC) die het dossier compleet maakt, beter wordt ingericht om de binnenkomende geschillen goed op te vangen. Bijvoorbeeld door geschillen die voor het indienen zijn gebonden aan bepaalde data, projectmatig op te vangen.
Wat zijn de oorzaken van het feit dat geschillen complexer worden?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een relatie te leggen tussen aantallen klachten en de verschillende woningmarktregio’s? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal klachten per woningmarktregio?
De instroom van zaken lijkt in de grote steden groter te zijn dan in de kleinere steden. Ook andere factoren buiten de woningmarkt zijn van belang, zoals de aanwezigheid van een huurteam en de mate waarin die actief is.
1.507
300.510
0,50%
663
63.030
1,05%
814
200.557
0,41%
563
145.771
0,39%
578
83.083
0,70%
202
45.267
0,45%
129
31.804
0,41%
129
34.949
0,37%
126
59.421
0,21%
98
29.361
0,33%
86
37.681
0,23%
Bron jaarverslag Huurcommissie, 2017
Bron ABF Research – Systeem woningvoorraad (Syswov)
851
183
49
158
528
562
285
82
1.894
741
2.183
72
Bron jaarverslag Huurcommissie, 2017
Welke mogelijkheden zijn er om te voorkomen dat een van beide procespartijen niet goed meewerkt aan de behandeling van een geschil doordat bijvoorbeeld gegevens te laat worden aangeleverd of bij het plannen van een bezoek aan een woning?
De Huurcommissie heeft beleidsregels vastgesteld voor het verloop van een procedure, naast de in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bepaalde minimumtermijnen tussen het aankondigen van onderzoeken en zittingen en de datum van die onderzoeken en zittingen. Deze beleidsregels hebben enerzijds als doel om voldoende tempo in de procedure te houden, en anderzijds als doel om de zorgvuldigheid van de geschilbehandeling en het draagvlak bij partijen te borgen. Hieronder wordt het proces, met voorbeelden, nader toegelicht.
Na het ontvangen van een verzoek en betaling van de leges, verzamelt de Huurcommissie de benodigde informatie voor de verdere behandeling van het verzoek. Dit gebeurt via een telefonische intake, schriftelijk opvragen van gegevens of in een aantal gevallen via een onderzoek in de woonruimte. Zo krijgt de (ver)huurder bericht van de Huurcommissie waarin staat welke informatie nodig is om het verzoek inhoudelijk te beoordelen. In deze brief staat dat de informatie binnen twee weken opgestuurd moet worden. De (ver)huurder kan de gevraagde gegevens via de website of per post versturen. Indien de (ver)huurder meer tijd nodig heeft om de gegevens aan de Huurcommissie te verstrekken, kan de (ver)huurder om uitstel vragen. Dit verzoek tot uitstel moet de (ver)huurder binnen de termijn van twee weken doen, anders wordt een rapportage opgesteld aan de hand van de gegevens die wel bij de Huurcommissie bekend zijn.
Per brief wordt de datum van het onderzoek in de woning aan de partijen aangekondigd. Als deze datum niet schikt dan kan de huurder dit aangeven. De Huurcommissie plant dan éénmaal een nieuw onderzoek in. Als er dan ook niemand thuis is, wordt de zaak zonder onderzoek in de woning op zitting gebracht. De zittingscommissie heeft vervolgens de vrijheid alsnog een onderzoek in te laten plannen. Dat kan als er een verschoonbare reden is waardoor het eerdere onderzoek niet plaats heeft kunnen vinden.
Huurder en verhuurder hebben beiden de mogelijkheid om één keer een andere datum voor de zitting te vragen. De zitting vindt dan vervolgens plaats, ook als één of beide partijen niet aanwezig kunnen zijn.
Tijdens de intake kan de Huurcommissie bemiddeling aanbieden voor geschillen die hiervoor geschikt zijn. Bemiddeling houdt in dat de Huurcommissie contact opneemt met beide partijen met als doel om het conflict, zonder een uitspraak door de voorzitter of Huurcommissie, op te lossen. De Huurcommissie ziet dat als partijen voor een bemiddeltraject kiezen, zij meer betrokken zijn bij de procedure en dat leidt dan ook tot minder vertraging en afzeggingen.
Kan de Huurcommissie besluiten om een geschil alsnog snel af te doen als bijvoorbeeld de verhuurder de behandeling zonder goede reden vertraagt? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Nee, er moet een inhoudelijke uitspraak worden gedaan door de commissie in zitting bijeen. Mocht er bijvoorbeeld in een servicekostenzaak geen gegevens worden geleverd door de verhuurder, ondanks het uitdrukkelijke schriftelijke verzoek daartoe, dan wordt toch een rapport opgemaakt en op zitting gebracht.
Er is hierover geen cijfermateriaal beschikbaar.
Hoeveel fte is de capaciteit van de Huurcommissie nu? Hoeveel zittingsvoorzitters en hoeveel zittingsleden heeft de Huurcommissie nu?
De Huurcommissie bestaat uit 2 organisaties: een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) en een ondersteunende ambtelijke dienst (DHC).
De bestuursleden, zittingsvoorzitters en zittingsleden zijn lid van het ZBO. Bij het ZBO is geen sprake van een reorganisatie en ook is er geen tekort in de zittingscapaciteit.
Bij de DHC is wel sprake van een reorganisatie. De DHC had in 2017 een gemiddelde bezetting van circa 88 fte’s. Op 31-3-2019 bedraagt de bezetting 83,8 fte’s. De Huurcommissie is gestart met de werving om de personele capaciteit in het primaire proces van de behandeling van geschillen voor dit jaar uit te breiden met circa 10 fte’s.
Hoeveel fte was de capaciteit vóór de reorganisatie? Hoeveel zittingsvoorzitters en hoeveel zittingsleden had de Huurcommissie vóór de reorganisatie?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het onvoldoende lijkt om in 2019 7.500 geschillen af te handelen, terwijl 2018 10.000 geschillen zijn voorgelegd? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke termijn verwacht u dat de achterstand van het afhandelen van geschillen is weggewerkt? Waar baseert u deze verwachting op?
De Huurcommissie heeft een raming opgesteld voor de te verwachten en na te streven productie in 2019 en komende jaren. De Huurcommissie heeft zich hierbij laten bijstaan door een externe deskundige. Afhankelijk van het verloop van de instroom en werkvoorraad verwacht de Huurcommissie in de loop van 2021 de achterstanden in te lopen, omdat capaciteit die nu wordt geworven volledig productief zal zijn. Ook zijn wijzigingen in de werkwijze effectief over het gehele jaar. Het verloop van de werkvoorraad in volgend jaren is buiten de reguliere fluctuaties afhankelijk van de wetswijzigingen die voortvloeien uit het sociaal huurakkoord en de uitwerkingen van de motie Ronnes c.s. (27 926, nr. 294). Eind 2018 bedroeg de voorraad nog af te handelen zaken ca. 5.700 zaken, eind 2019 zal deze oplopen tot maximaal ca. 8.000 zaken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Woningcorporaties?
Ja.
Het bericht 'Gitarist en oud-student UvA zucht in Egyptische cel' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gitarist en oud-student UvA zucht in Egyptische cel»?1
Ja.
Heeft u sinds in mei 2018 Rami Sidky is opgepakt contact gehad met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hierover nader informeren?
Nederland heeft de zaak van Rami Sidky meerdere malen onder de aandacht gebracht bij de Egyptische autoriteiten. Tijdens haar bezoek aan Egypte in april jl. bracht de mensenrechtenambassadeur de Nederlandse zorgen over deze zaak over aan de Egyptische autoriteiten. Eerder vroeg de Nederlandse ambassadeur in Egypte hiervoor al aandacht en verzocht Nederland op hoog ambtelijk niveau de Egyptische ambassadeur om meer informatie over de zaak.
Is er sinds mei 2018 contact geweest met de UVA om te vragen wat u zou kunnen doen om de UVA te ondersteunen? En zo nee, waarom niet? En zo ja, wat heeft dit contact opgeleverd?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in contact met de Universiteit van Amsterdam en er wordt informatie uitgewisseld over ontwikkelingen rond de zaak van Sidky.
Heeft u contact gehad met het Europees parlement, de VN-Mensenrechtenraad, de EU external action service, en/of de Duitse overheid die zich hebben uitgesproken over deze zaak? Eb zo nee, waarom niet? En zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
Nederland onderhoudt contact met andere EU-lidstaten en gelijkgezinde landen, waaronder Duitsland, over deze zaak. Op voorspraak van Nederland is de zaak van Sidky toegevoegd aan de lijst met zaken die in EU-verband wordt gemonitord. De EU-delegatie zal, samen met één van de lidstaten, de rechter toestemming vragen de zitting bij te wonen.
Voelt u, voor een oud student van een Nederlandse universiteit zoals Rami Sidky, een bijzondere verantwoordelijkheid voor de situatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Mensenrechten vormen een belangrijke pijler van het Nederlands buitenlands beleid en de vrijheid van meningsuiting vormt één van de prioriteiten van het Nederlands mensenrechtenbeleid. De zaak van Rami Sidky maakt veel los in de Nederlandse maatschappij en heeft dan ook de aandacht van het kabinet. Zoals aangeven in antwoord op vraag 2 en 4 heeft Nederland de zaak meerdere malen aangekaart bij de Egyptische autoriteiten en wordt ingezet op monitoring van de rechtszaak.
Bent u bereid in aanvulling op uw laatste brief over de situatie in Egypte waarin u ingaat op de mensenrechtensituatie in Egypte, zich in dit geval rechtstreeks uit te spreken richting de Egyptische autoriteiten en de zorgen over de situatie van Rami Sidky over te brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen?
Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 4.
Bent u bereid de Egyptische overheid aan te spreken over de duur en de wijze waarop Rami Sidky in voorhechtenis zit, zonder directe toegang tot zijn advocaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen?
In de Egyptische Grondwet is vastgelegd dat voorarrest maximaal twee jaar mag duren. De berichten dat Sidky geen toegang heeft tot zijn advocaat zijn zorgelijk, en Nederland heeft dit aangekaart bij de Egyptische autoriteiten, meest recent tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Egypte begin april.
Heeft u aanvullende informatie over de gronden waarop Rami Sidky nog altijd in voorhechtenis zit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u laten weten op welke termijn u verwacht dat er een einde komt aan de voorhechtenis en wat de volgende fase zal zijn?
Nederland heeft de Egyptische autoriteiten meermaals verzocht de gronden waarop Sidky sinds mei 2018 wordt vastgehouden te delen. Tot op heden is nog geen aanvullende informatie door de Egyptische autoriteiten beschikbaar gesteld. Zo lang deze informatie niet wordt overhandigd, zal Nederland bij de autoriteiten het verzoek tot informatie blijven herhalen en aandacht blijven vragen voor de zaak van Sidky.
Bent u bereid bij de Egyptische autoriteiten aan te dringen op onmiddellijke vrijlating van Rami Sidky? Zo nee, waarom niet?
Egypte is een soevereine staat met een eigen rechtspraak waar Nederland zich niet in kan mengen. Het kabinet zal de zaak wel blijven volgen en de Egyptische autoriteiten oproepen tot een transparante en eerlijke procedure.
De verkoop en distributie van pakketjes door Alibaba in Nederland |
|
Wybren van Haga (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf miljoen Nederlandse consumenten winkelen online over de grens»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat van alle «cross-border»-uitgaven een steeds groter deel naar Chinese webshops gaat, in het bijzonder als enkel wordt gekeken naar producten?
Volgens een recente studie uitgevoerd in opdracht van Thuiswinkel.org in samenwerking met PostNL, hebben Nederlanders in 2018 voor € 880 mln. gekocht via buitenlandse webwinkels2. Daarvan is 31% uitgegeven in Chinese webwinkels. Van oudsher is internationale handel van groot belang voor Nederland met zijn open economie. Eerlijke en duidelijke handelsregels zijn daarbij essentieel. Consumenten kunnen door grensoverschrijdend online winkelen profiteren van ruimere productkeuze en lagere prijzen. Bovendien prikkelt de buitenlandse concurrentie Nederlandse ondernemers om hun webwinkels nog innovatiever en klantgerichter in te richten.
Klopt het dat er op AliExpress vele duizenden pakketjes te koop zijn, die tegen een zodanig lage prijs worden verkocht en bezorgd in Nederland dat alleen al de verzendkosten binnen de EU hoger zouden moeten zijn dan het door de consument te betalen product?2 Zo ja, hoe verklaart u dit?
Deze vraag valt niet eenduidig te beantwoorden omdat de commerciële contracten tussen postvervoerders en tussen verzenders en postvervoerders die hieronder liggen niet openbaar zijn. Het tarief dat de consument betaalt voor verzending staat namelijk los van de vergoeding die een verzender (in dit geval een Chinese webshop) betaalt aan het (post)vervoerbedrijf dat de afhandeling verzorgt. Dit kan het Chinese postbedrijf zijn dat vervolgens bijvoorbeeld PostNL een door de Wereldpostunie vastgestelde vergoeding moet betalen voor de uiteindelijke bezorging in Nederland (zie vraag 6), maar het is ook mogelijk dat de Chinese webshop rechtstreeks zakendoet met een vervoerbedrijf (zie bijvoorbeeld het persbericht van PostNL van 4 mei 2017 waarin werd aangekondigd dat PostNL zendingen van AliExpress rechtstreeks vanuit China in haar logistieke proces ging opnemen).
Het kan zijn dat een webshop een bepaalde verkoopstrategie hanteert waarbij de verzendkosten voor de consument laag worden gehouden maar de postvervoerder wel meer vergoed krijgt.
Ten tweede moet er in dit kader voor worden gewaakt dat appels met peren worden vergeleken. Chinese e-commerce bedrijven bieden verschillende verzendopties aan. Factoren als levertijd, track & trace of verzekerd verzenden spelen een belangrijke rol bij de hoogte van het verzendtarief. In geval van het goedkoopste tarief wordt het product meestal per boot verzonden en kan de levering tot 90 dagen duren.
Hebt u, ook tegen de achtergrond van de stappen die de Amerikaanse regering zet om namaakproducten aan te pakken, kennisgenomen van het bericht over de verkoop van kleding met het logo van de Nederlandse politie erop op webwinkels?3 Klopt het dat dit strafbaar is? Zo ja, is er vanuit de Nederlandse overheid actie ondernomen om de aanbieders, onder meer AliExpress, hier op te wijzen?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht. Internationale online handelssites bieden een platform waarop producenten/aanbieders en klanten elkaar kunnen vinden. Het is niet uitgesloten dat Chinese platforms een minder streng beleid hanteren dan in Nederland het geval is voor wat betreft het voorkomen van het aanbieden van merkvervalste spullen. Merken zijn beschermd in Nederland. Het is verboden merkartikelen na te maken en het is niet toegestaan om in valse merkartikelen te handelen. Er zijn ook regelmatig strafrechtelijke onderzoeken op dit gebied. Dit betreft vaak gezamenlijke acties van FIOD, politie, Douane en het Functioneel Parket. De politie kan, indien zij vermoedt dat er inbreuk op intellectueel eigendomsrechten wordt gemaakt, bijvoorbeeld aan de Douane vragen om op te treden (Art 6. Vo (EU) nr. 608/2013). Indien er wordt geconstateerd dat er binnen de Nederlandse grenzen sprake is van handel in of ongeoorloofd gebruik van namaakproducten of inbreuk op merkrecht, dan zal daar tegen worden opgetreden. In dat verband kunnen er ook opsporingmethoden worden ingezet die het onderscheppen van bepaalde postzendingen mogelijk maken. Tenslotte bieden internationale gremia als de World Intellectual Property Organization (WIPO) en de World Trade Organization (WTO) de mogelijkheid voor individuele lidstaten of voor de EU om nadere afspraken te maken of signalen af te geven over inbreuk op rechten.
Bent u bekend met het bericht «Alibaba doet Chinese pakjesstroom exploderen»?4 In hoeverre is de in dit artikel beschreven situatie ook van toepassing in Nederland?
Alibaba is een gesloten bedrijf wat betreft informatieverstrekking. Volgens de prognose van International Post Corporation («IPC Cross-border e-commerce shopper survey 2018») worden uit China (inclusief Hong Kong) in Nederland in 2019 naar schatting zo'n 27 miljoen e-commerce zendingen geïmporteerd. Eén van de marktpartijen, PostNL, bevestigt het beeld dat het aantal brievenbuspakjes uit China de afgelopen jaren is toegenomen.
Klopt het dat onder de afspraken van de Wereldpostunie geldt dat de zogeheten «last mile», het transport van het verdeelcentrum tot aan de voordeur van de consument, van een pakketje van onder de twee kilo dat afkomstig is uit een «ontwikkelingsland» tegen een gunsttarief dient te worden gedistribueerd? Zo ja, hoe verhoudt dit tarief zich tot de verzendkosten van een binnen Nederland gedistribueerd pakketje?
Binnen de Wereldpostunie worden afspraken gemaakt over de afhandeling van internationale post. Een van die afspraken betreft de onderlinge vergoedingssystematiek. Eindkostenvergoedingen zijn vergoedingen die postbedrijven elkaar betalen voor de binnenlandse bezorging van internationale post. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de vergoedingen voor landen die behoren tot het «doelsysteem» (de geïndustrialiseerde landen) en die voor landen in het overgangssysteem (ontwikkelingslanden). Deze classificatie is gebaseerd op verschillen in economische ontwikkeling en het kwaliteitsniveau van de postale dienstverlening. De vergoedingssystematiek is zo ingericht dat de landen in het overgangssysteem worden gesteund in de ontwikkeling van hun postale systeem. Het doel is om deze landen op termijn op hetzelfde postale dienstenniveau te krijgen van de geïndustrialiseerde landen.
Afhankelijk van de betreffende afspraken tussen postvervoerders en Chinese marktpartijen hebben Chinese bedrijven in sommige gevallen langere tijd voordeel gehad ten opzichte van retailers in geïndustrialiseerde landen doordat China in de vergoedingssystematiek tot de ontwikkelingslanden werd gerekend. Hierdoor konden zij hun producten goedkoper versturen. Deze tariefongelijkheid wordt echter gefaseerd weggenomen door de recente afspraken die in 2016 binnen de Wereldpostunie zijn gemaakt en deze zal per 2021 zijn verdwenen. Deze afspraken houden in dat er per 1 januari 2018 een wijziging van het internationale tariefsysteem van de Wereldpostunie van kracht is geworden waardoor het vanuit China versturen van e-commerce post duurder is geworden. Tevens geldt er reciprociteit van tarieven voor landen die in de overgangscategorie zitten. Dat betekent dat China sinds begin 2018, voor zover zijn nog lagere tarieven betalen, ook dezelfde lagere tarieven van andere postvervoerders ontvangen.
Los van de afspraken binnen de Wereldpostunie moeten webwinkels van buiten de EU met ingang van 2021 ook btw gaan afdragen voor cross-border zendingen met een orderwaarde lager dan € 22,–. Hierdoor zal in 2021 ook op dit vlak een gelijk speelveld zijn ontstaan met betrekking tot de verzending van e-commerce producten.
Met betrekking tot de vraag hoe het tarief voor de vergoeding van de «last mile» zich verhoudt tot de verzendkosten binnen Nederland, ga ik ervan uit dat u met «verzendkosten» doelt op de kosten die PostNL moet maken voor het bezorgen van dit pakket binnen Nederland. Door de besluiten van de UPU in 2016 draagt de vergoeding voor de bezorging in Nederland voor pakketten uit China nu positief bij aan het resultaat van PostNL.
Kunt u toelichten aan welke internationale afspraken over een «last mile» Nederland precies gebonden is? Kunt u daarbij alle onderlinge vergoedingen betrekken en toelichten welke afspraak wanneer is vastgelegd?
Nederland is als lidstaat van de Wereldpostunie verplicht om een aanbieder of aanbieders aan te wijzen voor de verzorging van de grensoverschrijdende postale diensten. Op grond van de verdragen van de Wereldpostunie hebben de aangewezen postdienstverleners van de lidstaten de verplichting om elkaar internationale postdiensten te verlenen en te voldoen aan de andere verplichtingen die uit die verdragen voortvloeien, en volgens de voorwaarden en eindvergoedingen die op grond van die verdragen gelden. In 2016 zijn de lidstaten van de Unie akkoord gegaan met een wijziging van de voorwaarden en de hoogte van de geldende eindvergoedingen. De eerste stap van de toen overeengekomen maatregelen is op 1 januari 2018 van kracht geworden. Uw Kamer is over deze wijzigingen geïnformeerd bij brief van 24 november 2017 (Kamerstuk 34 840 (R2095).
Welke instantie vergoedt onder de afspraken van de Wereldpostunie de «last mile»? Om hoeveel geld gaat het hierbij op jaarbasis in de afgelopen vier jaar?
Dit hangt af van de nationale regelgeving en de eigendomsverhoudingen van het aangewezen postbedrijf. De eindkostenvergoedingen worden jaarlijks in rekening gebracht bij nationale postbedrijven op basis van de volumes van de ingaande en uitgaande post. In Nederland is het een private partij (PostNL) die financieel afrekent met alle overige internationale postvervoerders waar het op grond van het Wereldpostunieverdrag zaken mee doet.
Hoe wordt bepaald welke landen onder de afspraken van de Wereldpostunie gelden als «ontwikkelingslanden»? Welke criteria gelden hier voor? Kunt u opsommen welke landen op dit moment onder die definitie vallen?
De methodologie die binnen de UPU wordt toegepast bij de categorisering van landen is in 2016 herzien en is gebaseerd op de postale ontwikkelingsindicator (PDI). De PDI bestaat uit een macro-economisch deel (het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking) en een specifiek postaal element (de reguliere kosten per brief). Het laatste element is een indicatie van de benodigde human resources per brief, land-specifieke eigenschappen en geografische belemmeringen bij het bezorgen van post. Hoe hoger de reguliere kosten per brief als gevolg van deze factoren, des te lager komt het land op de classificatieranglijst.
In 2016 heeft er een herschikking plaatsgevonden op basis van het herziene classificatie systeem. Het huidige systeem gaat uit van vier categorieën: de meest geïndustrialiseerde landen zitten in groep I (ook wel het doelsysteem genoemd), landen met wat minder ontwikkelde of geografisch lastiger postale dienstverlening in groep II en III (de overgangsgroep) en de minst ontwikkelde landen in groep IV. Groepen II en III werken in fasen toe naar het doelsysteem waarbij de eindvergoedingen op termijn gelijk worden getrokken (zie ook beantwoording bij vraag 6). China zit nu in groep III, samen met landen als Argentinië, Brazilië, Mexico, Rusland, Thailand en Turkije.
De groep IV landen zijn: Albanië, Algerije, Afghanistan, Angola, Armenië, Azerbaijan, Bangladesh, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Colombia, Comoren, Congo, Djibouti, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Equatoriaal Guinee, Eritrea, Ethiopië, Filippijnen, Gambia, Georgië, Ghana, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Iran, Irak, Ivoorkust, Jemen, Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kenia, Kiribati, Kirgizië, Laos, Lesotho, Liberia, Libië, Madagaskar, Malawi, Malediven, Mali, Mauritanië, Moldavië, Mongolië, Marokko, Mozambique, Myanmar, Namibië, Nepal, Nicaragua, Nieuw Zeeland, Niger, Noord-Korea, Oeganda, Oezbekistan, Oost-Timor, Pakistan, Palestina, Papua Nieuw Guinea, Paraguay, Peru, Rwanda, Samoa, Sao Tomé en Principe, Senegal, Sierra Leone, Soedan, Solomon Eilanden, Somalië, Sri Lanka, Swaziland, Syrië, Tajikistan, Tanzania, Togo, Tonga, Tunesië, Turkmenistan, Tuvalu, Vanuatu, Vietnam, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Soedan.
Bent u bekend met het eerder door de Amerikaanse president geuite voornemen om uit een postverdrag met China te stappen?5 Kunt u toelichten uit welk verdrag de Amerikaanse president wil(de) stappen, welke landen partijen zijn bij dit verdrag en of de Amerikaanse regering al concrete stappen heeft ondernomen om dit voornemen te effectueren?
Ja. De VS hebben op 17 oktober 2018 aangekondigd uit de Wereldpostunie te stappen. Dat zou concreet betekenen dat het land niet langer verdragspartij is bij de afspraken die binnen de Wereldpostunie zijn gemaakt over de wereldwijde afhandeling van postaal verkeer. De VS zet dit besluit in als drukmiddel om een fundamentele wijziging van het huidige systeem van eindkostenvergoedingen te realiseren. De VS hebben aangeven dat de achterliggende reden hiervoor is dat China nog steeds oneigenlijk profiteert van het huidige systeem. Wat de VS betreft zijn de maatregelen waartoe in 2016 reeds is besloten kennelijk onvoldoende. Daarom hebben de VS een voorkeur uitgesproken voor een zeer verregaande hervorming van de eindkostenvergoedingen. De hervorming die door de Amerikanen wordt voorgesteld stuit op verzet van veel andere lidstaten en nationale postbedrijven omdat de impact van de voorgestelde implementatietermijn en de inhoudelijke wijzingen als zeer ingrijpend wordt ervaren. Het voorstel zal leiden tot enorme prijsstijgingen in één keer, en daardoor tot sterke volumedalingen en verstoring van de e-commerce markt. Daarom is door een groep lidstaten een tweetal andere voorstellen uitgewerkt, waaronder een afgezwakte vorm van de voorkeursoptie van de VS, met als doel om de belangen van alle 192 lidstaten op een evenwichtige wijze mee te nemen en ook de VS binnenboord te houden. De bedoeling is dat er later dit jaar over de drie opties wordt gestemd.
De VS hebben via hun ambassades, waaronder die in Nederland, inmiddels ook een uitvraag gedaan wat het voor de postale betrekkingen zou betekenen indien de VS uit de Wereldpostunie zou stappen. Dat zou het geval zijn op 18 oktober 2019 indien de voorkeursoptie van de VS dan niet is aangenomen. Het antwoord op deze vragen komt erop neer dat de VS dan geheel afhankelijk is van bilateraal onderhandelde commerciële afspraken met elke individuele nationale postvervoerder en ze geen gebruik meer kunnen maken van de verschillende faciliteiten die de Wereldpostunie biedt voor een gestroomlijnde internationale afhandeling van postvervoer (bijv. douanefaciliteiten, inklaring, documenten, online tools). Op basis van een door de UPU uitgevoerde impactstudie zullen de (negatieve) gevolgen voor de VS groot zijn (vanwege de transactiekosten die voor 192 landen gemaakt moeten worden en het moeten ontwikkelen van alternatieve uitwisselingssystemen) en voor de overige lidstaten beperkt. PostNL heeft aangegeven dat het bedrijf noch haar klanten negatieve effecten zullen ondervinden van een uittreding van de VS.
Deelt u de zorgen van de Amerikaanse president over de postmarkt en de postafspraken met China? Zo ja, hoe hebt u dit kenbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Het huidige systeem van eindvergoedingen kent kritiek. Tegenstanders van het systeem zijn doorgaans landen die veel meer importeren (vaak vanuit Aziatische landen die in veel gevallen lagere eindvergoedingen mogen rekenen bij zendingen) dan dat ze exporteren. Nederland is voor wat betreft e-commerce juist een exporterend land, d.w.z. de export van e-commerce pakketten overtreft de import in ruime mate. Vanwege deze netto-export van e-commerce heeft PostNL voordeel bij lage eindkosten in de landen waar de distributie plaatsvindt. Ongeveer 70% van de kosten van exportpost zit namelijk in de eindkosten. PostNL heeft dus baat bij zo min mogelijk rigoureuze veranderingen van het systeem. Dat neemt niet weg dat de lage classificatie van China in de eindvergoedingensystematiek niet meer in overeenstemming is met de economisch snelle opmars van het land. Juist daarom zijn tijdens het Wereldpostunie congres in 2016 reeds maatregelen afgesproken om de disbalans in tarieven te adresseren. Nederland heeft, evenals de VS, deze maatregelen gesteund. De zorgen die Nederland destijds met de VS deelde, zijn met deze maatregelen goeddeels weggenomen.
Tijdens het Wereldpostunie Congres van 2016 is afgesproken dat de vergoedingen die China moet betalen voor briefpost aan andere landen, omhooggaan. Dit betekent onder meer dat China in de periode 2018–2021 voor small packets per jaar 13% meer gaat betalen. In geval van aangetekende pakketjes vanuit China gaat de toeslag ook fors omhoog: in 2018 met 64% en daarna met 8% per jaar. China heeft aangegeven dat het volume dat wordt verzonden naar andere landen als gevolg van de wijziging in vergoedingen inmiddels met circa 20–30% is afgenomen.
De volgende stappen van het in 2016 overeengekomen pakket aan maatregelen worden de komende jaren geïmplementeerd. De bedoeling is dat het niveau van eindvergoedingen steeds verder naar elkaar toe groeit en dat er op een gegeven moment geen verschil meer is tussen categorieën landen. Deze maatregelen sorteren nu reeds effect en moeten daarom worden doorgezet. Nederland kan zich niet vinden in de opstelling van de VS omdat zij nu terugkomen op de afspraken uit 2016 die in multilateraal verband tot stand zijn gekomen. Deze wijzigingen zullen een negatieve impact hebben op de huidige internationale positie van PostNL. Nederland kan zich wel vinden in de optie om de implementatie van de afspraken uit 2016 te versnellen.
Bestaan er schattingen over het aantal uit China afkomstige pakketten dat tegen het eerder genoemde gunsttarief worden verzonden? Zo nee, waarom niet?
Volgens de prognose van IPC (International Post Corporation) worden uit China (inclusief Hong Kong) in Nederland in 2019 zo'n 27 miljoen e-commerce zendingen geïmporteerd. Dat is 35% van het totaal aantal binnenkomende e-commerce zendingen. Wellicht ten overvloede wijs ik u erop dat anno 2019 van een «gunsttarief» geen sprake meer is (zie beantwoording van vraag 6).
Hoeveel (e-commerce)pakketjes worden er jaarlijks vanuit Nederland naar China verzonden?
Deze gegevens zijn niet bekend. Wat wel gezegd kan worden is dat de e-commercestroom naar China bij tijd en wijle zeer substantieel is. Als voorbeeld is hierbij de Chinese babymelkcrisis te noemen.
Is het net zo makkelijk voor Nederlandse e-commercebedrijven om pakketjes aan in China gevestigde consumenten te verkopen en te bezorgen als andersom?
In het rapport «China, cross-border e-commerce; kansen voor Nederlandse bedrijven» van het Nederlandse Consulaat-Generaal in Guangzhou, uit 2015, wordt geconstateerd dat verzending per post vanuit Nederland rechtstreeks aan de Chinese consument voor verzenders «zeer betaalbaar is». Overigens zijn verzendkosten maar één van de onderdelen voor succesvolle e-commerce. De gids «China cross-border e-commerce» van het Nederlandse Consulaat-Generaal in Shanghai uit 2017 laat zien dat dat er verschillende mogelijkheden zijn voor Nederlandse bedrijven om hun producten online in China te verkopen en te distribueren.
Is China Post actief in Nederland of werkt China Post in Nederland samen met een of meerdere in Nederland gevestigde postbedrijven? Kunt u, indien het laatste het geval is, toelichten welke?
Nee, China Post is niet actief in Nederland. China Post heeft net als overige vergelijkbare internationale postbedrijven afspraken met PostNL in het kader van de verplichtingen die voortvloeien uit het Wereldpostunie Verdrag.
Hoeveel via AliExpress bestelde pakketjes worden jaarlijks via PostNL verspreid? Kunt u nagaan hoeveel PostNL hier – voor zover de informatie niet bedrijfsgevoelig is – (gemiddeld) aan verdient?
Dit betreft commercieel gevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Kunt u nagaan welke – voor zover niet bedrijfsgevoelig – afspraken PostNL heeft met China Post en/of Alibaba?6
Dit betreft commercieel gevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Op welke wijze worden China Post en/of Alibaba gesteund door de Chinese overheid? Kunt u precies toelichten uit welke elementen die steun bestaat?
De Nederlandse overheid heeft geen zicht op de precieze vormen van steun die beide bedrijven al of niet ontvangen van de Chinese overheid.
Bent u van mening dat, gezien de relatie tussen Alibaba, China Post en de Chinese overheid, sprake is van eerlijke concurrentie voor Europese e-commercebedrijven?
Het gebrek aan transparantie over de relatie tussen de Chinese overheid en bedrijven als Alibaba en China Post en de mogelijke gevolgen daarvan voor de concurrentie met Europese e-commercebedrijven verdient nadere aandacht. Om die reden zet Nederland in op het versterken van de monitoringsfunctie van de WTO, door bijvoorbeeld het verbeteren van de notificatieplicht van subsidies aan bedrijven, en op het ontwikkelen van aanvullende WTO-regels voor geoorloofde subsidies.
Kunt u zich herinneren dat u de Kamer informeerde over de gesprekken in internationale gremia over gemeenschappelijke regels voor e-commerce binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en over controlesystemen hiervoor binnen de EU?7 Kunt u toelichten welke ontwikkelingen zich sinds de antwoorden op deze schriftelijke vragen hebben voorgedaan? Wat is hieromtrent de laatste stand van zaken?
Ja, in mijn brief van 27 februari jl. heb ik u over deze onderwerpen geïnformeerd.9 Binnen de WTO hebben 76 leden (inclusief de EU, China en de VS) in januari 2019 de Gezamenlijke Verklaring aangaande e-Commerce ondertekend, waarin zij de intentie uitspraken om onderhandelingen te beginnen over de handelsaspecten van e-commerce.10 Op 3 mei jl. heeft de Europese Commissie een EU-onderhandelingsvoorstel aan de WTO-leden voorgesteld.11 Belangrijke onderdelen uit dit voorstel zijn het regelen van grensoverschrijdende datastromen, het verhogen van consumentenbescherming met betrekking tot e-commerce en het definitief afspreken dat er geen douaneheffingen op elektronische transmissies (inclusief digitale content) worden toegepast. Daarnaast heeft de Europese Commissie voorstellen gedaan ter bescherming van het Europese acquis rondom de bescherming van persoonsgegevens en privacy.
Nederland steunt de aanpak van de Europese Commissie. Het Commissievoorstel is met alle andere geïnteresseerde WTO-leden, van 13-15 mei 2019 besproken. De eerstvolgende besprekingen staan gepland van 18 – 20 juni en van 15 – 17 juli dit jaar.
Wordt of is de situatie rondom (het ongelijke speelveld in de) e-commerce, ondanks het feit dat er op dit moment geen sprake is van een adequaat handels- en investeringsverdrag met China, besproken in het Breed Handelsberaad? Zo nee, waarom niet?
De agenda van het Breed Handelsberaad volgt die van de Raad Buitenlandse Zaken en deelnemers kunnen de handelsvragen stellen die ze willen, ongeacht of een bepaald onderwerp op de agenda staat of niet. De ontwikkelingen in de WTO komen regelmatig aan bod. Nu de e-commerce onderhandelingen gestart zijn, zal dit onderwerp ook op de agenda van het Breed Handelsberaad terugkeren.
Bent u voornemens de situatie in de e-commerce en de postmarkt te betrekken bij de Nederlandse Chinanotitie in wording? Bent u daarnaast voornemens de situatie aan de orde te stellen tijdens of en marge van de besprekingen van de China-strategie van de EU? Zo nee, waarom niet?
Op 15 mei jl. heeft het kabinet haar China strategie gepubliceerd12. De China notitie zal koersgevend zijn voor een veelheid aan dossiers, waaronder e-commerce en de postmarkt. Belangrijk uitgangspunt hierin is het vergroten van een «gelijk speelveld» en het aanpakken van marktverstorende praktijken. Dit uitgangspunt komt overeen met de mededeling van de Europese Commissie «EU-China, a strategic outlook»13 die Nederland heeft verwelkomd tijdens de Europese Raad (21-22 maart jl.). Ook tijdens de voorbereidingen van de EU-China top (9 april jl.) heeft Nederland deze boodschap uitgedragen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De (bij)stook van biomassa in centrales |
|
Lammert van Raan (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de aflevering van Nieuwsuur gezien over het bijstoken van (houtige)biomassa in kolencentrales?1
Ja.
Onderschrijft u dat het (bij)stoken van biomassa in centrales de meest klimaatvervuilende energie per kilowattuur (kWh, elektriciteit) en gigajoule (GJ, th) oplevert? Zo nee, waarom niet?
Over de duurzaamheid van biomassa in allerlei vormen en voor allerlei toepassingen, zijn vele opvattingen in omloop. Het kabinet baseert zich op de onderzoeken door aangewezen onafhankelijke deskundige organisaties op nationaal (PBL) en internationaal (EU, VN) niveau.
Op basis daarvan wordt biomassa, mits passend in de strikte criteria, beschouwd als duurzaam, omdat de CO2-emissie bij verbranding evenveel is, als de vegetatie bij groei heeft opgenomen uit de lucht
Onderschrijft u dat de CO2-uitstoot door biomassa-bijstook in kolencentrales per kWh. 2,3 maal zoveel is als bij gasstook en dat de uitstoot zelfs 3 keer zoveel is wanneer biomassa wordt verstookt in kleinere biomassa-centrales? Kunt u aangeven welk aandeel afkomstig is van de productie, het transport en de verwerking van biomassa? Zo nee, waarom niet?
Het is een feit dat bij verbranding – ook van biomassa – CO2 vrij komt. Echter, zoals aangegeven in reactie op vraag 2 wordt het (bij)stoken van biomassa op basis van internationale afspraken als CO2-neutraal gezien.
Ik kan geen exacte uitsplitsing geven van de CO2-uitstoot die samenhangt met de productie, het transport en de verwerking van biomassa. In dit kader is het belangrijk te benadrukken dat, om te voldoen aan de duurzaamheidscriteria uit de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen (hierna: duurzaamheidscriteria), de inzet van biomassa over de gehele keten bezien tot minimaal 70% minder CO2-uitstoot moet leiden dan het gebruik van fossiele brandstoffen. Daarmee is geborgd dat met de inzet van biomassa CO2-winst bereikt wordt.
Onderschrijft u dat de classificatie van het stoken van biomassa als CO2-neutraal slechts een papieren werkelijkheid is, alleen al omdat het transport en de verwerking van biomassa CO2-uitstoot veroorzaakt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik onderschrijf dit niet. Conform internationale afspraken wordt het (bij)stoken van biomassa als CO2-neutraal gezien. Daarnaast zorgen de duurzaamheidscriteria er voor dat de gehele keten in ogenschouw genomen wordt.
Kunt u bevestigen dat de inzet van biomassa vanaf 2016 tot 2020 mogelijk 17 maal zo veel wordt?2 Zo ja, is daarmee de conclusie gerechtvaardigd dat er in 2020 mogelijk 10 á 12 MT meer CO2 de lucht in gaat dan wat nu op papier geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Volgens de meest recente gegevens in de Nationale Energieverkenning (NEV) 2017 zal de totale hoeveelheid energieproductie door middel van inzet van biomassa stijgen van 78,5 PJ in 2016 naar 148,9 PJ in 2020. De conclusie dat dit mogelijk leidt tot 10 á 12 MT meer CO2 in de lucht, deel ik niet, omdat de CO2-uitstoot gecompenseerd door de aanplant van nieuwe vegetatie waarmee een even grote hoeveelheid CO2 uit de lucht wordt gehaald.
Deelt u de mening dat een vrijstelling voor de CO2-heffing een onterechte beloning zou zijn voor biomassa (bij)stook en zo kan werken als een perverse prikkel? Zo ja, bent u bereid de CO2-heffing ook voor biomassa (bij)stook te laten gelden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Biomassa is een vorm van hernieuwbare energie, zoals ik ook in mijn bovenstaande antwoorden heb toegelicht. Omdat de bij- en meestook van biomassa netto niet tot CO2-uitstoot leidt, is er ook geen CO2-uitstoot waarvoor de CO2-heffing zou moeten gelden.
Kunt u een overzicht geven van de (te verwachten) groei van de inzet van biomassa en biobrandstoffen in de energiemix van 2016 (start van omvangrijke bijstook), 2020 (CO2-doelstelling Urgenda Klimaatzaak) en 2023 (EU-doelstelling hernieuwbare energie), aangevuld met een berekening van de daadwerkelijke emissies verbonden aan dat gebruik? Zo nee, waarom niet?
De NEV 2017 geeft realisaties en projecties voor het bruto eindverbruik hernieuwbare energie (vastgesteld en voorgenomen beleid). Hieronder is in een tabel opgenomen wat de NEV 2017 aangeeft over biomassa en biobrandstoffen. Zoals gezegd geldt de inzet van biomassa conform internationale afspraken als CO2-neutraal.
2016
2020
2023
Biomassa
78,5
148,9
155,9
Meestook elektriciteitscentrales
–
148,9
129,9
Afvalverbrandingsinstallaties
20,5
19,8
20,4
Biomassa huishoudens
19,0
19,0
19,0
Biomassa ketels, bedrijven
–
27,7
35,4
Biogas
10,9
13,9
20,1
Vloeibare biotransportbrandstoffen
10,4
41,3
33,3
Onderschrijft u de dreiging en de grote impact van het bereiken van de zogenaamde omslagpunten («tippingpoints»), zoals aan de orde bij het smelten van landijs en de methaanuitstoot uit permafrost, mogelijk al op een termijn van 15 tot 30 jaar? Zo nee, waarom niet?
Onafhankelijk van de inzet van biomassa is het beleid van de regering er op gericht dat de temperatuurstijging, conform het Klimaatakkoord van Parijs, ruim onder de 2 graden Celsius blijft ten opzichte van de pre-industriële tijd. Door onze inzet nationaal en internationaal moet voorkomen worden dat de zogenaamde omslagpunten worden bereikt.
Heeft de CO2-uitstoot van een steeds omvangrijkere inzet van biomassa en biobrandstoffen een versnellend effect op de nadering van dergelijke omslagpunten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Onderschrijft u de opvatting van vele deskundigen (onder andere Tropenbos Int.) dat het gemiddeld 60 tot 100 jaar duurt voor de CO2-uitstoot van houtstook weer in bossen is vastgelegd (los van de bijkomende CO2-uitstoot van het transport, het vrijkomen van CO2 uit de achterblijvende wortels, de luchtverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit etcetera)? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat er tijd overheen gaat om de uitstoot die vrijkomt bij het stoken van biomassa weer op te nemen in nieuwe bomen. In de duurzaamheidscriteria is vastgelegd dat de aangroei en het behoud van het bos waaruit (vaste) biomassa wordt verkregen groter is dan het verlies aan koolstof. Op die manier treedt geen netto schuld op maar wordt daadwerkelijk een vermindering van de CO2-uitstoot bereikt.
Erkent u dat alleen wanneer een korte termijn wordt genomen en alle bijkomstige CO2-uitstoot zoals opgesomd in vraag tien, het bijstoken van (houtige)biomassa energieneutraal kan worden genoemd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in bovenstaande antwoorden wordt het (bij)stoken van biomassa in internationaal kader als CO2-neutraal beschouwd en hanteert Nederland hiervoor bovendien zeer strikte duurzaamheidscriteria.
Past de omvangrijke inzet van biomassa -en biobrandstoffen volgens u nog in een efficiënte aanpak van het urgente klimaatprobleem? Zo ja, waar baseert u zich op? Zo nee, welke maatregelen volgen hier uit voort?
Het kabinet is ervan overtuigd dat de inzet van biomassa nu en richting 2030 en 2050 noodzakelijk is voor de verduurzaming van onze economie en het realiseren van de klimaatopgave. Uit verschillende PBL-studies blijkt ook dat de inzet van biomassa past in een kostenefficiënte transitie.3 Uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan verduurzaming van de economie en dat duurzame biomassa op mondiaal niveau op termijn schaars zal zijn. Daarom is op termijn een zo hoogwaardig mogelijke inzet van biomassa nodig.
Het bericht ‘Dagbehandeling autisme voor kinderen uit regio Eindhoven op de helling; GGzE worstelt met bezuinigingen' |
|
Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Wat vindt u ervan dat het onderwijsaanbod op het terrein van de Grote Beek, hoofdlocatie voor GGzE in Eindhoven, dreigt te verdwijnen door, zoals de GGzE het zelf zegt, «landelijke ontwikkelingen en lokale bezuinigingen», terwijl leerlingen met (een ernstige vorm van) autisme juist veel baat hebben bij dit speciale hulpaanbod, waardoor zelfs kinderen die soms al een jaar thuis zitten alsnog hun opleiding afmaken, een baan vinden of een leerwerkplaats vinden?1
Samen met mijn collega van VWS deel ik dat er een goed aanbod van jeugdhulp en onderwijs dient te zijn voor deze jongeren. GGZ Eindhoven (GGzE) verzorgt sinds enkele jaren een aanbod van dagbehandeling aan circa 15 jongeren met een ernstige vorm van autisme. De GGZ-instelling heeft aangegeven dat de huidige bekostiging vanuit de Jeugdwet niet voldoende zou zijn. De gemeente heeft aangegeven dat zij de benodigde jeugdhulp aan deze jongeren wil (blijven) bieden.
Inmiddels heeft de gemeente aangegeven het huidige aanbod te willen continueren tot 1 augustus 2021. Daarmee heeft de regio meer ruimte om een duurzaam onderwijszorgarrangement te gaan ontwikkelen voor lange termijn.
Deelt u de mening dat deze vorm van onderwijs juist een goed voorbeeld is van echt passend onderwijs en niet zou mogen verdwijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vanuit GGzE wordt jeugdhulp geboden en geen onderwijs. Wel zijn er scholen betrokken bij deze jongeren, die hen op locatie van de zorginstelling een aanbod bieden. De samenwerkingsverbanden passend onderwijs en de scholen waar de leerlingen zijn ingeschreven zijn ervoor verantwoordelijk dat er voor de jongeren een goed onderwijsaanbod (in afstemming met de behandelaars van de jongeren) beschikbaar is.
Wat vindt u ervan dat de GGzE tot sluiting van dit speciale project gedwongen wordt, door keuzes van de gemeente Eindhoven die meer met (gebrek aan) geld te maken hebben dan met duurzame zorginhoudelijke overwegingen?
Het is aan de gemeente om binnen de kaders van de Jeugdwet en het regionale jeugdbeleid zoals vastgesteld in de jeugdregio, een samenhangend geheel aan jeugdhulp te bieden voor alle jeugdigen in de gemeente. Uit ons contact met de regio blijkt niet dat de gemeente enkel handelt vanuit financiële overwegingen zonder daarbij zorginhoudelijke overwegingen in acht te nemen. De zorgaanbieder en gemeente zijn samen aan zet om het aanbod vorm te geven.
Deelt u de mening dat het onderwijsaanbod op dit speciale project van de GGzE op de Grote Beek juist in stand moet worden gehouden voor deze groep autistische kinderen? Zo ja, welke actie(s) gaat u ondernemen om dit voor elkaar te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het belangrijk dat er voor deze jongeren een onderwijsaanbod beschikbaar is. Twee scholen voor voortgezet speciaal onderwijs bieden binnen de dagbehandeling een aantal uren onderwijs aan. Dit onderwijsaanbod is niet geheel in lijn met wet- en regelgeving. Het is van belang dat dit onderwijs (eventueel op locatie van de jeugdhulpaanbieder) duidelijker wordt geregeld, zodat voor de jongeren in kwestie de kwaliteit van zowel het jeugdzorgaanbod als het onderwijsaanbod gewaarborgd is en de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hierop toe kunnen zien.
Bent u bereid om met de gemeente Eindhoven in gesprek te gaan over de mogelijkheden om er alsnog voor te zorgen dat het project kan blijven bestaan of op zijn minst uitstel kan verkrijgen om aan een alternatief te werken (waar de wanhopige ouders bijna om smeken)? Zo nee, waarom niet?
In de afgelopen periode is er meerdere keren contact geweest met gemeente Eindhoven. OCW en VWS hebben aan gemeente en samenwerkingsverbanden aangeboden waar nodig informatie over de mogelijkheden voor maatwerk te geven. De gemeente heeft aangegeven dat men in de regio met alle partners werkt aan het vervolg. Inmiddels heeft besluitvorming plaats gevonden. Daarbij is er nadrukkelijk aandacht voor continuïteit van het zorgaanbod en doorlopende leerlijnen. Het is niet de bedoeling dat deze jongeren, hangende de besluitvorming, tussen wal en schip vallen.
Bent u bereid met de Onderwijsinspectie in gesprek te gaan om in lijn met de op 27 maart 2019 voorgestelde en op 2 april 2019 aangenomen motie-Kwint over het beleggen van doorzettingsmacht bij de onderwijsinspectie2 alles te doen wat mogelijk is om het onderwijswijsaanbod op dit speciale project voor Eindhoven en de betrokken leerlingen en hun ouders te behouden?
Zie het antwoord op vraag 5. De Inspectie van het Onderwijs is op de hoogte van de situatie over de situatie in regio Eindhoven en spreekt de betrokken schoolbesturen aan op het vinden van een oplossing.
Het bericht dat het basisonderwijs het meest seizoengevoelige beroep in de Werkloosheidswet (WW) is |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Duiding Arbeidsmarktontwikkelingen» van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en hun bevindingen met betrekking tot de leerkracht in het basisonderwijs?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding van het UWV dat «de leerkracht basisonderwijs heeft het sterkste seizoenspatroon, met een sterke piek in de zomer?2
Traditioneel kent het onderwijs en zogenoemde «zomerpiek» wat betreft de instroom in de werkloosheid. Voor een groot deel is deze te verklaren door de wisseling van het schooljaar (einde oude schooljaar en begin van het nieuwe). Dat neemt niet weg dat ik van mening ben dat besturen, waar mogelijk, de instroom in de WW moeten voorkomen door goed personeelsbeleid te voeren.
In de bijlage bij de brief over de arbeidsmarkt leraren 2018, met de titel: »Samenvatting van relevante cijfers en onderzoeken over de arbeidsmarkt voor leraren po, vo en mbo»3 wordt de jaarlijkse zomerpiek toegelicht.
Verder blijkt uit gegevens van het UWV dat de zomerpiek in 2018 in het po met 38% is afgenomen ten opzichte van 20174. Dit vertaalt zich in een afnemende werkloosheid in het po. Ik verwacht dat de instroom in werkloosheid verder zal teruglopen door het lerarentekort. UWV geeft in zijn factsheet onderwijs van februari 20195 aan dat de zomerpiek in 2018 uitblijft in regio’s met weinig werkzoekenden per vacature. In die regio’s is de instroom in de werkloosheid sterk teruggelopen.
Is volgens u – het feit dat de leerkracht basisonderwijs een zeer sterk seizoenspatroon heeft, met een hoge piek in de zomer, zoals het UWV-rapport stelt – een van de oorzaken hiervan het ontslag van leerkrachten in het basisonderwijs gedurende de zomer?
Zoals in het antwoord op vraag 2 reeds is aangegeven, hangt het seizoenspartoon van instroom in de WW-uitkering in het zomerseizoen samen met het einde van het oude schooljaar en het begin van het nieuwe. Door de formatie die per schooljaar wordt vastgesteld en de ontwikkeling van het aantal leerlingen die jaarlijks per schoolbestuur kunnen fluctueren kent de onderwijssector een groter aantal beëindigingen van tijdelijke dienstverbanden, maar ook vaste dienstverbanden in de zomer dan door het jaar heen. Daarnaast worden vervangingen wegens ziekte vrijwel altijd beëindigd voor de start van de zomervakantie.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is en nadelig voor de aantrekkelijkheid van het beroep dat, in tijden van een lerarentekort, leerkrachten basisonderwijs zo sterk gebonden zijn aan seizoenspatronen en blijkbaar bij aanvang van de zomervakantie worden ontslagen?
Een grootschalige zomerpiek van instroom in werkloosheid komt de aantrekkelijkheid van het beroep niet ten goede. Echter, door het systeem van schooljaren en jaarlijkse formatie die afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal leerlingen, zal er altijd een zekere mate van frictiewerkloosheid zijn. Dit is niet helemaal te voorkomen. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 staat, ben ik van mening dat dit zoveel mogelijk voorkomen moet worden door middel van goed personeelsbeleid.
Kunt u nader toelichten of er meer bekend is over de oorzaken van en de situatie rondom de sterkte in het seizoenspatroon van leerkrachten basisonderwijs?
Zie de beantwoording van vraag 3.
Kunt u nader toelichten wat de percentuele en absolute cijfers zijn van de verdeling tussen vaste contracten en flexibele contracten (arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, uitzendovereenkomst, detacheringsovereenkomst, nulurencontract, seizoenscontracten etc.) binnen het basisonderwijs?
Binnen het basisonderwijs is er personeel in loondienst met vaste en tijdelijke contracten, en is er sprake van (tijdelijk) personeel niet in loondienst (hierna: PNIL) zoals uitzendkrachten, payrollers en zzp’ers.
Van het personeel in loondienst weten we door leveringen van scholen vanuit de salarisadministraties aan DUO, de door u gevraagde informatie in aantallen (en fte’s):
van de ca. 175.000 medewerkers in het primair onderwijs zijn er circa 85% in vaste dienst en 15% in tijdelijke dienst.
Van de PNIL weten we slechts hoeveel geld eraan wordt besteed, maar bijvoorbeeld niet de aantallen, fte’s en functies die worden ingehuurd door basisscholen. Onlangs is de pilot om deze PNIL-informatie op te gaan vragen van start gegaan. Dat heb ik uw Kamer eerder toegezegd6.
Kunt u uiteenzetten hoeveel (percentueel en absoluut) en welke specifieke contracten binnen elke categorie contracten hebben geleid tot een status van WW voor leerkrachten basisonderwijs?
Deze gegevens zijn in het gevraagde verband niet beschikbaar in de systemen van UWV. In de Polisadministratie staan geen beroepen van werkenden. De Polisadministratie biedt UWV daarom geen inzicht in het aantal of aandeel leerkrachten dat in het basisonderwijs heeft gewerkt en dat vervolgens in de WW instroomt. Van personen met een WW-uitkering heeft UWV wel informatie over het beroep waarin zij werk willen vinden (het zogenaamde bemiddelingsberoep). In de notitie Duiding arbeidsmarktontwikkelingen april 2019 heeft UWV gebruik gemaakt van cijfers over het aantal WW-gerechtigden met het bemiddelingsberoep «leerkracht basisonderwijs». Het bemiddelingsberoep is het beroep van WW-gerechtigden waarin zij werk willen vinden, ongeacht het beroep dat zij voorheen vervulden. Het aantal personen met het bemiddelingsberoep «leerkracht basisonderwijs» kan afwijken van het aantal personen dat daadwerkelijk vanuit het beroep leerkracht basisonderwijs in de WW is gekomen. Werkzoekenden kunnen bij werkloosheid voor een andere beroepsgroep kiezen.
Als de werkgever na de zomervakantie dezelfde persoon voor dezelfde functie in dienst neemt, vindt u dan dat de werkgever voor de tussenliggende periode aannemelijk kan maken dat er onvoldoende werk is om deze persoon in dienst te houden? Is de zomervakantie niet een integraal onderdeel van de functie en wat zou dat wat u betreft moeten betekenen voor het recht op WW?
Doorbetalen tijdens vakanties is verplicht wanneer men een dienstverband heeft. Dat geldt ook voor het onderwijs. Bij een eerste indiensttreding is het gebruikelijk in het onderwijs dat men een jaar tijdelijk in dienst is met uitzicht op vast. Ook dan wordt in de vakantie doorbetaald wanneer het dienstverband wordt voortgezet. Dit geldt niet wanneer men in die periode wisselt van werkgever. Dit kan door beëindiging van een tijdelijk dienstverband of wanneer het contract afloopt bij het einde van de vervanging van een afwezige leraar. De werkgever is in deze gehouden aan de afspraken hierover die in de cao po zijn vastgelegd. Daar zit wel flexibiliteit om langer of korter te kunnen doorbetalen in de zomervakantie, c.q. dienstverbanden eerder of later te beëindigen.
Kunt u toelichten welke stappen u gaat ondernemen om ervoor te zorgen het basisonderwijs als het meest seizoengevoelige beroep in de WW stabieler wordt?
Het schoolbestuur is als werkgever verantwoordelijk voor zijn personeelsbeleid en voor de goede uitvoering van de cao-afspraken ter zake. De werkgever heeft de mogelijkheid om personeel aan zich te binden door hen een vast dienstverband aan te bieden en te voorkomen dat men werkloos wordt in de zomervakantie. Bijvoorbeeld via een dienstverband bij een invalpool. Ik heb de werkgevers aan de landelijke tafel lerarentekort hier op gewezen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met werkgevers en vakbonden over de maatregelen die nodig zijn, wettelijk of in de CAO, om deze ongewenste ontwikkeling te keren?
Zie mijn antwoord op vraag 9. De cao bevat al afspraken over doorbetaling tijdens de zomervakantie. Ik ben niet van plan om wettelijke maatregelen te treffen. De werkgevers en werknemers in het po gaan zelf over de totstandkoming van de cao po.
Het statement gemaakt door de (werkgroep Legal Affairs en Human Rights van de) parlementaire assemblee van de Raad van Europa |
|
Martijn van Helvert (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het statement gemaakt door de werkgroep Legal Affairs en Human Rights van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa van 5 april 2019 over mevrouw Kovesi?1
Ja.
Deelt u de waardering over de situatie waarin mevrouw Kovesi zich thans bevindt, zoals beschreven door deze werkgroep?
Het kabinet heeft, net als de werkgroep Legal Affairs en Human Rights van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, grote waardering voor het verdienstelijke werk van mevrouw Kövesi bij anti-corruptiebureau DNA en haar succesvolle strijd tegen corruptie in Roemenië. Deze verdiensten maken haar bij uitstek een geschikte kandidaat voor de functie van hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie.
Zoals Minister Grapperhaus duidelijk heeft aangegeven tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 5 maart jl. heeft het kabinet vertrouwen in de kwaliteiten van mevrouw Kövesi en vindt het dat het oordeel van het onafhankelijk selectiepanel zwaar moet meewegen bij de uiteindelijke keuze.
Het kabinet vindt het van groot belang dat alle kandidaten een gelijke en eerlijke kans moeten krijgen om hun kandidatuur ten volle uit te dragen, dus ook de Roemeense kandidate. De situatie van mevrouw Kövesi wordt door Nederland en gelijkgezinde landen dan ook aandachtig gevolgd. Het is nu echter allereerst aan de Roemeense rechter om zich uit te spreken over de zaken die zijn aangespannen tegen mevrouw Kövesi.
Wat is u opvatting over de dreigende vervolging van mevrouw Kovesi door de Roemeense autoriteiten? Heeft u de indruk dat de Roemeense overheid hiermee probeert te voorkomen dat mevrouw Kovesi de nieuwe voorzitter wordt van het Europees Openbaar Ministerie? Denkt u dat de verdiensten van mevrouw Kovesi op het vlak van bestrijding van corruptie in Roemenië hierin een rol speelt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid op korte termijn opheldering te vragen bij Roemenië over de vervolging en de bejegening van mevrouw Kovesi? Bent u bereid als Nederlandse regering maar ook vanuit Europa een krachtige veroordeling te laten horen over de wijze waarop de Roemeense overheid zich verhoudt tot haar?
Zie antwoord vraag 2.
Een keurmerk voor voedsel |
|
William Moorlag (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zo werkt het toekomstige voedselkeurmerk Nutriscore»?1
Ja, dit bericht is bij mij bekend.
Herinnert u zich de vragen van het lid Moorlag (PvdA) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het oerwoud aan keurmerken in supermarkten?2
Ja, deze vragen herinner ik mij.
Deelt u de mening van de Consumentenbond dat Nutriscore het beste voedselkeuzelogo is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke betere logo’s of keurmerken zijn er dan?
Hierop kan ik nog geen antwoord geven. Op dit moment onderzoek ik welk voedselkeuzelogo voor Nederland het meest geschikt is. Hiervoor worden bestaande (Europese) logo’s vergeleken en wordt een onderzoek bij de Nederlandse consument uitgevoerd om te kijken welk(e) logo(’s) goed wordt begrepen. Op dit moment heb ik nog geen oordeel over welk voedselkeuzelogo het meest geschikt is voor Nederland.
Kent u de inventarisatie van de Consumentenbond van 50 tussendoortjes die voorzien zijn van de Nutriscore?3
Ja, de inventarisatie van de Consumentenbond is mij bekend.
Deelt u de mening dat de Nutriscore het kiezen van tussendoortjes voor consumenten makkelijker maakt? Zo ja, wat zegt dat over de waarde die Nutriscore kan hebben voor andere voedselproducten? Zo nee, waarom niet?
De Consumentenbond laat zien hoe de verschillende tussendoortjes worden ingedeeld in de categorieën van Nutriscore. Met deze indeling wordt inderdaad in één oogopslag duidelijk welke tussendoortjes beter scoren ten opzichte van andere tussendoortjes. Ik weet nog niet hoe dit uitpakt voor andere productcategorieën. Ik laat onderzoeken hoe de verschillende logosystemen, waaronder Nutriscore, aansluiten bij de Nederlandse voedingsrichtlijnen en dus een goed systeem kan zijn voor Nederlandse consumenten om gezonder te kiezen.
Bent u voornemens om te laten onderzoeken of en onder welke voorwaarden Nutriscore ingevoerd kan worden en daarover in overleg te treden met de Consumentenbond? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer de uitkomst van dit onderzoek tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Voordat het toekomstige voedselkeuzelogo kan worden ingevoerd moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Het logo moet begrijpelijk zijn voor consumenten, het logo moet rekening houden met de Schijf van Vijf, internationale logo’s moeten in ogenschouw worden genomen en er moet breed draagvlak zijn bij belanghebbenden. Ik overleg regelmatig met een groep belanghebbenden. De Consumentenbond zit hier vanaf het begin bij.
Op dit moment worden de bestaande Europese logo’s vergeleken en wordt een consumentenonderzoek gestart om te zien welk(e) logo(’s) consumenten goed begrijpen. Zie ook het antwoord op vraag 3. De uitkomsten van de onderzoeken bieden de informatie onder welke voorwaarden een nieuw voedselkeuzelogo kan worden ingevoerd en welk logo het beste in Nederland kan worden ingevoerd.
Ik verwacht u na de zomer, maar uiterlijk eind 2019 te kunnen informeren over de uitkomsten van de onderzoeken en mijn beslissing over het nieuwe voedselkeuzelogo.
Het gevangeniswezen van Sint Maarten |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de Voortgangscommissie Sint Maarten u op 22 februari 2019 een brief heeft gestuurd waarin vier oplossingsrichtingen worden voorgesteld, waaronder het voorstel dat het Koninkrijk der Nederlanden de volledige verantwoordelijkheid voor het gevangeniswezen op Sint Maarten overneemt?1 Zo ja, waarom is een afschrift van deze brief niet eerder doorgestuurd naar de Kamer, bijvoorbeeld als bijlage bij de heden verschenen 32ste rapportage van de Voortgangscommissie Sint Maarten? Bent u bereid deze brief alsnog naar de Kamer te sturen, vergezeld van uw appreciatie van de voorgestelde oplossingsrichtingen? Zo nee, waarom niet?
Op 22 februari 2019 stuurde de Voortgangscommissie een brief aan het Ministerieel Overleg Plannen van Aanpak Sint Maarten, ingesteld op grond van artikel 10 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak Landstaken Curaçao en Sint Maarten (hierna: Samenwerkingsregeling). Het betreffende Ministerieel Overleg bestaat uit twee leden, namelijk de Minister-President van het Land Sint Maarten en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (in casu: de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). De brief waaraan wordt gerefereerd, betreft correspondentie ten behoeve van intern beraad. Daarbij geldt als uitgangspunt dat persoonlijke beleidsopvattingen in documenten voor intern beraad in beginsel niet openbaar worden gemaakt. Het is dan ook staand beleid van het kabinet om documenten die zijn opgesteld voor intern beraad, geen onderwerp te maken van het politieke debat om ervoor te zorgen dat in vertrouwelijkheid van gedachten kan worden gewisseld ten behoeve van zorgvuldige besluitvorming. Ik betreur het dan ook dat deze brief op verschillende mediaplatforms is gepubliceerd. Het zou een ongewenst precedent scheppen als ik deze brief nu wel zou sturen.
Wat vindt u van het verwijt van de Voortgangscommissie dat Nederland en Sint Maarten zich onvoldoende inspannen om de jarenlange impasse rond het gevangeniswezen te doorbreken? Deelt u de mening dat, gezien de zeer zorgelijke detentieomstandigheden, juist een constructieve samenwerking mag worden verwacht? Zo ja, kunt u precies aangeven waaruit uw aandeel bestaat om de detentieomstandigheden substantieel te verbeteren?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik herkennen ons niet in dit verwijt. Ik voer in het kader van de Samenwerkingsregeling regelmatig een Ministerieel Overleg met de Minister-President van Sint Maarten over de voortgang van het (gewijzigde) plan van aanpak gevangeniswezen, waarbij ik de Ministers van Justitie en Financiën van Sint Maarten actief betrek. Daarnaast brachten de Minister voor Rechtsbescherming en ik op 11 april jl. een werkbezoek aan de vier detentiefaciliteiten op Sint Maarten. Hierover heb ik uw Kamer onlangs per brief geïnformeerd2. De houding van Nederland richting Sint Maarten is samenwerkingsgericht. De Minister voor Rechtsbescherming en ik hebben meerdere malen op diverse terreinen kennis en kunde aan Sint Maarten aangeboden.
Klopt het dat de Voortgangscommissie Sint Maarten in de brief van 22 februari 2019 constateert dat de situatie in de Point Blanche gevangenis verder is verslechterd? Zo ja, hoe valt deze constatering te rijmen met het feit dat u in oktober 2018 afspraken hebt gemaakt met de regering van Sint Maarten en de nakoming daarvan nauwlettend volgt? En hoe verhoudt deze constatering zich tot uw uitspraken tijdens het Mondelinge vragenuur van 5 maart 2019 dat door het maken van heel concrete afspraken de detentiesituatie verbetert?2
De Voortgangscommissie stelt in de betreffende brief dat de situatie in de Point Blanche Gevangenis in »de loop der jaren« is verslechterd, waarbij de verwoestende orkanen die situatie hebben verergerd. De overeenkomst van 19 oktober 2018, waaraan u refereert, kwam voort uit de constatering dat Sint Maarten de afspraken die verbonden waren aan de bijstand die Nederland na orkaan Irma aan Sint Maarten verleende, niet, niet volledig of niet binnen de gestelde termijnen is nagekomen. Ten aanzien van de nakoming van deze afspraken verwijs ik u opnieuw naar het verslag van het werkbezoek, dat de Minister voor Rechtsbescherming en ik op 11 april jl. brachten aan Sint Maarten. De Nederlandse Vertegenwoordiging te Philipsburg monitort het nakomen van de afgesproken verbetermaatregelen nauwgezet. Er vindt tweewekelijks een onderhoud plaats tussen de Vertegenwoordiging en het Ministerie van Justitie van Sint Maarten.
Klopt het dat de Voortgangscommissie de indruk heeft verwoord dat u zich vooral richt op het laten terugkeren van de tijdelijk in Nederland gehuisveste gedetineerden? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om geen gedetineerden terug te sturen zolang de huidige zeer zorgelijke detentieomstandigheden in de Point Blanche gevangenis voortduren? Zo nee, waarom niet?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik achten het van belang dat de detentiesituatie op Sint Maarten verbetert. De Voortgangscommissie Sint Maarten rapporteert met terugwerkende kracht per kwartaal over de uitvoering van de plannen van aanpak detentiewezen en politie, waardoor deze rapportages per definitie achterlopen in de tijd. In de brieven die ik al dan niet samen met de Minister voor Rechtsbescherming aan u heb gestuurd, informeer ik u over de actuele stand van zaken en samenwerking met Sint Maarten om de detentiesituatie te verbeteren. Dit is de kern van onze inspanningen. Onderdeel daarvan is het streven van de Nederlandse regering om de gedetineerden conform afspraak zo snel mogelijk te laten terugkeren, wat onder meer een goede re-integratie op Sint Maarten ten goede komt, zoals gesteld in de beantwoording van de Kamervragen4 van het lid Buitenweg (GroenLinks) aan de Minister voor Rechtsbescherming. Deze terugplaatsing hangt sterk samen met de door Sint Maarten door te voeren verbetermaatregelen.
Het bericht dat de AIVD niet langer gegevens met Oostenrijk deelt |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Russland-Nähe der FPÖ sorgt für Isolation des BVT»?1
Ja.
Is het waar dat het Oostenrijkse Bundesamt für Verfassungsschutz und Terrorismusbekämpfung (BVT) niet langer deelneemt aan de Club van Bern, het overlegorgaan bestaande uit de hoofden van de Europese veiligheidsdiensten? Zo ja, waarom neemt de Oostenrijkse dienst niet langer deel en wat zijn de gevolgen voor de samenwerking met de AIVD? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Conform art. 88 lid 2 Wiv 2017 dienen de AIVD en de MIVD voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst vast te stellen of de eventuele samenwerking tot risico’s kan leiden. Deze risicoinschatting wordt uitgevoerd in de vorm van een weging, op basis van de vijf samenwerkingscriteria2 die in art. 88 lid 3 Wiv 2017 zijn beschreven. Op basis van deze weging wordt de aard en intensiteit van de samenwerkingsrelatie met de buitenlandse dienst bepaald.
Het belang van samenwerking met een buitenlandse dienst wordt gewogen tegen de mogelijke risico’s die op basis van de weging zijn geconstateerd. Welke mate van risico acceptabel is, hangt onder meer af van het nationale veiligheidsbelang dat wordt gediend met de samenwerking en de mogelijkheden die bestaan om risico’s te mitigeren. De constatering dat samenwerking met een buitenlandse dienst gepaard kan gaan met risico’s, betekent dus niet dat samenwerking in biof multilateraal verband is uitgesloten.
Wegingsnotities zijn geen statische documenten. Artikel 88 lid 5 Wiv 2017 stelt dat, als omstandigheden daartoe aanleiding geven, de aard en intensiteit van de samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst opnieuw moet worden gewogen. Zowel positieve als negatieve ontwikkelingen rondom een buitenlandse dienst of het desbetreffende land kunnen aanleiding geven tot een herziening van de wegingsnotitie. De AIVD en MIVD dragen zorg voor het monitoren van dergelijke ontwikkelingen.
De AIVD en MIVD doen in het openbaar geen uitspraken over de precieze invulling van de samenwerking met inlichtingen- of veiligheidsdiensten (hierna: buitenlandse diensten).
Is het waar dat Nederland gelobbyd heeft tegen de samenwerking met de BVT in de Club van Bern? Zo ja, waarom heeft Nederland dat gedaan? Had dat verband met contacten tussen de Oostenrijkse regeringspartij FPÖ en Rusland?
Zie antwoord op vraag 2.
Kan de samenstelling van de regering of parlement van een lidstaat van de Europese Unie van belang zijn voor de samenwerkingsrelaties tussen de AIVD en de dienst van de desbetreffende lidstaat? Zo ja, waarom en op welke wijze? En zo ja, op grond van welke van de bepalingen uit de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 ten aanzien van de samenwerking met buitenlandse diensten (WIV, art. 88 e.v.) kan de samenwerking met een dienst van een ander land beperkt worden als het de samenstelling van een democratisch gekozen regering van een EU-lidstaat betreft? Zo nee, waarom kan dat niet?
Conform art. 88 lid 2 Wiv 2017 dienen de AIVD en de MIVD voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst vast te stellen of die eventuele samenwerking tot risico’s kan leiden. Deze risicoinschatting wordt uitgevoerd in de vorm van een weging, op basis van de vijf samenwerkingscriteria die in art. 88 lid 3 Wiv 2017 zijn beschreven. Op basis van deze weging wordt de aard en intensiteit van de samenwerkingsrelatie met de buitenlandse dienst bepaald. De wet maakt daarbij geen onderscheid tussen diensten van EU-lidstaten en diensten van landen buiten de EU.
Kunnen de banden die een regering van een EU-lidstaat met een ander land heeft aanleiding zijn om de uitwisseling van informatie tussen de AIVD en de dienst van dat land te beperken? Zo ja, waarom en welke bepaling uit de WIV 2017 biedt daar een aanknopingspunt voor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Deelt u de mening dat, indien een regering of een deel van een regering van een bevriend land intensieve vriendschappelijke contacten heeft met Rusland of zelfs persoonlijke banden met de Russische president, de AIVD dan tenminste terughoudend zou moeten zijn met het delen van informatie met een dienst van dat bevriende land? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat toezichthouders een rem willen op BV-constructies |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Toezichthouders willen rem op BV-constructies»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat na de Inspectie Gezin en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) nu ook de Nederlandse Vereniging Van Toezichthouders in de Zorg (NVTZ) feitelijk pleit voor meer en stevigere controle op allerlei ondoorzichtige financiële constructies in de zorg die het toezicht (zowel door de eigen toezichthouder als door externe toezichthouders c.q. Inspecties) ingewikkelder maken?
Het pleidooi van de NVTZ bevestigt voor mij het beeld dat zowel het interne als externe toezicht op zorgaanbieders in sommige gevallen belemmerd wordt door ondoorzichtige financiële constructies. In mijn beleidsreactie op het IGJ-onderzoek naar Zorggroep Alliade en de gezamenlijke signalering van de IGJ en NZa2 heb ik aangekondigd te werken aan het versterken van het externe toezicht op de integere bedrijfsvoering van zorgaanbieders. Daarbij wordt zowel gekeken naar de handhaafbaarheid van bestaande normen als de wenselijkheid van aanvullende wet- en regelgeving. Ik zal uw Kamer hier rond de zomer nader over informeren.
Bent u van oordeel dat voor dergelijke constructies (zeker als die de geschetste effecten hebben) geen plaats is in de zorg?
Er kunnen voor zorgorganisaties goede redenen zijn om bepaalde ondernemingsrechtelijke constructies te hanteren. Door activiteiten in aparte rechtspersonen onder te brengen worden risico’s binnen een zorgorganisatie gespreid of kunnen samenwerkingsverbanden met andere zorgaanbieders of bijvoorbeeld een woningcorporatie eenvoudiger worden vormgegeven. Ook wordt kruisfinanciering tussen financieringsstromen binnen de verschillende zorgdomeinen voorkomen. De gekozen constructie moet echter transparant zijn en altijd bijdragen aan de maatschappelijke doelstelling van een zorgorganisatie: het verlenen van goede, betaalbare en toegankelijke zorg. Het mag nooit zo zijn dat bestuurders en interne toezichthouders het overzicht en grip op de organisatie verliezen. Dit is overigens in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van bestuurders en interne toezichthouders zelf.
Hoe en op welke termijn gaat u de hiervoor bedoelde constructies aanpakken?
De Wet toelating zorginstellingen (WTZi) bevat regels rondom de transparante bedrijfsvoering, het verbod op winstoogmerk en onafhankelijk intern toezicht binnen zorgaanbieders. De IGJ kan, als toezichthouder op de WTZi, dus nu al handhavend optreden bij een overtreding van deze regels. Daarnaast kan de IGJ op grond van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg ingrijpen in de bedrijfsvoering van zorgaanbieders indien deze kan leiden tot risico’s voor de kwaliteit en integriteit van de patiëntenzorg.
Tegelijkertijd kunnen de IGJ en NZa niet of slechts indirect handhaven op een overtreding van de Governancecode zorg 2017 en regels op het gebied van goed bestuur die zijn vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek.
Zoals aangegeven werk ik daarom samen met de IGJ en NZa aan het verder versterken van het toezicht op de bedrijfsvoering van zorgaanbieders. Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Vooruitlopend daarop is de IGJ, in nauwe samenwerking met de NZa, in het najaar van 2018 gestart met het programma Toezicht op Integere Bedrijfsvoering (TIB). Dit programma richt zich onder andere op het uitbreiden van de bestaande toezichtexpertise op het gebied van bedrijfsvoering en de ontwikkeling van nieuwe indicatoren voor financieel en integriteitstoezicht.
Welke instrumenten hebben c.q. welke instrumenten geeft u bijvoorbeeld IGJ en NZa om in afwachting van de in ieder geval door de vragensteller en genoemde organisaties gewenste extra regelgeving c.q. bevoegdheden de onder vraag 2 bedoelde constructies en de negatieve effecten ervan aan te pakken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ook van mening dat ingeval een bestuurder tevens (groot-)aandeelhouder is de schijn van belangentegenstelling eerder wordt gewekt? Zo ja, wat vindt u daarvan respectievelijk gaat u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Dat een directeur tevens eigenaar is van een zorgorganisatie hoeft niet te leiden tot belangenverstrengeling, mits er binnen de organisatie sprake is van goed gepositioneerd en kritisch intern toezicht, goed functionerende medezeggenschaporganen en een transparante bedrijfsvoering. Deze aspecten worden nadrukkelijk meegenomen bij de eerder genoemde versterking van het externe toezicht. Ik ga hierover ook actief in gesprek met veldpartijen zoals de NVTZ.
Het artikel ‘EU eist van Den Haag nieuw plan voor duurzame energie’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «EU eist van Den Haag nieuw plan voor duurzame energie»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat door Eurocommissaris Cañete in het artikel wordt geschetst, waarin gesproken wordt over Nederland als «het land met het grootste gat»? Welke oorzaken ziet u hiervoor?
Het kabinet is gecommitteerd aan het realiseren van de doelen van het Energieakkoord en aan de nationale verplichtingen onder de Richtlijn hernieuwbare energie. In het Energieakkoord is uitgegaan van een sterke stijging in het aandeel hernieuwbaar richting 2020 en 2023 en deze zien we ook in de ramingen terug. Tevens zijn in het ontwerp-Klimaatakkoord hoge ambities geformuleerd richting 2030.
Nederland ligt op dit moment nog achter op het pad voor de nationale doelstelling voor hernieuwbare energie in 2020. Het aandeel hernieuwbare energie lag in 2017 op 6,6%. Het PBL raamde in januari jl. dat het aandeel hernieuwbare energie in Nederland in 2020 op 12,2% zal uitkomen, met een bandbreedte van 11–13%. Daarmee ligt de raming onder het nationale doel van 14%. Zoals ik in mijn aanbiedingsbrief van de Rapportage van het PBL «Kortetermijnraming voor emissies en energie in 2020» en proces uitvoering Urgenda-vonnis (Kamerstuk 32 813, nr. 267) heb aangeven, zijn er nog allerlei onzekerheden die het uiteindelijk aandeel hernieuwbare energie in 2020 bepalen.
Het huidige tekort wordt vooral veroorzaakt door vertraging in de realisatie van het Energieakkoord. Deze vertraging doet zich met name voor bij wind op land. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd met de brief over de Structuurvisie Windenergie op land (Kamerstuk 33 612, nr. 68). Daarin ga ik in op de oorzaken en aanpak van vertraging van de Monitor Wind op Land 2017. Een tweede reden is de stijging in het totale energieverbruik. Ondanks de toename van de productie van hernieuwbare energie in absolute zin ten opzichte van een eerdere raming van het PBL is het aandeel hernieuwbare energie hierdoor lager dan eerder werd verwacht.
Kunt u toelichten hoe het kabinet voorkomt dat Nederland een boete krijgt van de Europese Unie wanneer Nederland zijn doelstelling niet haalt? Hoe hoog zou deze boete zijn mocht Nederland deze toch ontvangen?
Het kabinet verkent momenteel alle mogelijke opties die bij kunnen dragen aan de doelstelling voor hernieuwbare energie. Conform de motie van de leden Sienot en Agnes Mulder (Kamerstuk 32 813, nr. 256) zal ik voor het zomerreces met een brief komen waarin ik de mogelijkheden hiervoor uiteenzet. Over de hoogte van de eventuele boete kan ik geen uitspraken doen; dit is nu niet aan de orde en er zijn nog veel onzekere factoren.
Ziet u al reden om de verkenning te versnellen naar het Joint Project Mechanism waartoe de Kamer u eind vorig jaar opriep (motie-Sienot/Mulder, Kamerstuk 32 813, nr. 256)? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in antwoord op de vragen over het artikel «Nederland onderaan EU-lijst duurzame energie» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 1996) blijft het kabinet gecommitteerd aan het realiseren van de doelen van het Energieakkoord in Nederland. Daarnaast ben ik op dit moment bezig met het verkennen of buitenlandse energieprojecten, door middel van het Joint Project Mechanism, kunnen bijdragen aan het hernieuwbare energiedoel voor 2020. Deze verkenning loopt en kan ik niet versnellen. Conform de motie van de leden Sienot en Agnes Mulder (Kamerstuk 32 813, nr. 256) zal ik voor het zomerreces met een brief komen waarin ik de mogelijkheden hiervoor uiteenzet.
Welke maatregelen overweegt u in eigen land om de doelen te halen? Waar is versnelling mogelijk?
Het kabinet heeft de afgelopen jaren veel aanvullende maatregelen genomen om de doelen in eigen land te halen. Het kabinet zet in op alle mogelijke opties die bij kunnen dragen aan het aandeel hernieuwbare energie in 2020 en daarna. Hierbij sluit ik geen opties op voorhand uit. Ik zal in de brief, die ik voor het zomerreces aan de Kamer zend, ook ingaan op de mogelijkheden om het doel in eigen land te halen.
Deelt u de mening dat doodsbedreigingen onaanvaardbaar zijn?1 Deelt u voorts de mening dat het niet aanvaardbaar is dat doodsbedreigingen aan politici, in dit geval tegen de leider van een oppositiepartij, in een diepe la verdwijnen en er dus niets mee gebeurt?
Ja, die meningen deel ik. Ik wijs er hierbij op dat deze bedreigingen zijn opgepakt en niet in een la zijn beland. Verder verwijs ik u hieromtrent naar hetgeen ik daarover op de mondelinge vragen van het lid Wilders van uw Kamer heb geantwoord op 16 april jongstleden.
Kunt u zich nog de Pakistaan herinneren die vorig jaar vanuit het buitenland Geert Wilders bedreigde en al reeds in Den Haag was om daad bij zijn woord te voegen? Zo ja, waar zijn de concrete aanwijzingen van het OM op gebaseerd dat de bedreigers die het OM nu niet wilt vervolgen, vanuit het buitenland zich niet naar Nederland zullen begeven?
Ja, dat kan ik mij herinneren. Het Openbaar Ministerie heeft laten weten dat uit het onderzoek is gekomen dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat de afzenders van de bedreigingen naar Nederland zullen komen.
Deelt u de mening dat het OM hiermee het signaal afgeeft dat doodsbedreigingen, die mogelijk uit het buitenland komen, worden getolereerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik zeker niet. Ik verwijs naar hetgeen ik tijdens de mondelinge beantwoording op 16 april jongstleden hierover heb aangegeven. In dit soort zaken wordt gevolg gegeven aan opsporingsindicaties. Dat geldt voor zaken die in Nederland spelen, in Europa, maar ook buiten Europa. Per zaak wordt gekeken wat kan en moet gebeuren om verdachten op te sporen.
Waarom doet het OM er wel alles aan om bijvoorbeeld georganiseerde misdaad internationaal te vervolgen maar laat zij het afweten ten aanzien van de doodsbedreigingen tegen een Nederlandse politicus zoals in de noot bij deze vragen staat vermeld? Heeft het er iets mee te maken dat de onderhavige politicus tot de oppositie behoort?
Ik werp de suggestie die uw vraag behelst verre van mij. Onderhavige zaken zijn zeer ernstig en worden zeer serieus genomen. Ik verwijs u naar hetgeen ik daarover op 16 april jongstleden al heb aangegeven.
Beseft u dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van alle Nederlanders, ook van bedreigde politici en dat u met dit laakbare optreden van het OM er niet alles aan doet de veiligheid te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd vind ik deze bedreigingen onacceptabel. Als centraal bevoegd gezag heb ik een bijzondere verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen die in het zogenaamde Rijksdomein vallen. Dit zijn personen met een bijzondere functie in de democratische rechtsorde, waaronder nationale politici. Er worden beveiligingsmaatregelen getroffen als dreiging en risico daartoe aanleiding geven.
Bent u bereid het OM met de grootste spoed te instrueren alsnog deze verdachten op te sporen en te vervolgen? Zo nee, beseft u dat als deze doodsbedreigers eenmaal de grens over zijn, het dan al te laat kan zijn, en dat u hier dan mede verantwoordelijkheid voor draagt?Zo nee, waarom niet?
Zoals ik mondeling tijdens het vragenuur op 16 april jongsteleden al aangaf is er door het Team Bedreigde Politici van de politie-eenheid Den Haag en het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan naar de meldingen van de bedreigingen. Per zaak bekijken het Openbaar Ministerie en de politie wat kan en moet gebeuren. Daarbij worden alle mogelijkheden benut. Het maakt daarbij niet uit of zaken in het buitenland spelen.
Het bericht dat de trouwkosten per gemeente fors verschillen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de trouwkosten per gemeente fors kunnen verschillen?1
Ja.
Waarom kiezen zoveel gemeenten ervoor dat trouwen op een vrijdag, als doordeweekse dag, zoveel meer kost dan trouwen op een andere doordeweekse dag?
Het vaststellen van de tarieven geschiedt binnen de lokale autonomie die gemeenten hebben. Verschillen in de tarieven per dag zijn lokaal gekozen. Op vrijdag trouwen is doorgaans duurder, omdat dit een populaire dag is om in het huwelijk te treden. Een hoger tarief op vrijdag zorgt voor een betere spreiding van de drukte gedurende de rest van de week. Ook is het mogelijk dat door een hoger tarief op vrijdag te vragen de gemeente de huwelijksvoltrekking op andere werkdagen goedkoper kan aanbieden.
Deelt u de mening dat een mooie plechtigheid op één van de mooiste dagen van je leven voor iedereen betaalbaar zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten moeten de mogelijkheid bieden om gratis te trouwen. Gemeenten met meer dan tienduizend inwoners moeten twee momenten per week bieden. Het zou dientengevolge voor iedereen betaalbaar moeten zijn om te trouwen. Voorgaande blijkt uit art. 4 lid 1 Wet rechten burgerlijke stand. Sommige gemeenten kiezen er daarnaast ook voor om kwijtschelding van trouwleges te verlenen aan personen die in aanmerking komen voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen.
Is het voor gemeenten mogelijk om bij het vaststellen van de trouwkosten te kijken naar het inkomen van het bruidspaar? Zo nee, waarom niet?
Op grond van art. 219 lid 2 Gemeentewet mogen gemeenten geen belasting heffen naar inkomen, winst of vermogen. Belastingheffing op die grondslagen is voorbehouden aan de rijksoverheid. Bij het vaststellen van het legestarief voor het trouwen mag een gemeente het inkomen dus niet meewegen.
Waarom is ervoor gekozen om geen maximum te stellen aan wat gemeenten mogen vragen als bijdrage aan de trouwkosten?
Gemeenten bieden verschillende vormen van service aan bij de huwelijksvoltrekking, bijvoorbeeld om het geheel meer feestelijk te maken of op een speciale locatie te laten plaatsvinden. Dit gaat gepaard met hogere kosten. Ook zijn er lokaal verschillen in kosten. Een maximumtarief voor trouwleges zou geen recht doen aan lokaal gemaakte democratische keuzes en lokale kostenverschillen. Als de trouwleges als te hoog worden ervaren, is het aan de gemeenteraad om deze te verlagen. Er is geen reden om aan te nemen dat de lokale democratie ten aanzien van trouwleges niet goed zou functioneren. Overigens is het wel zo dat het totaal aan leges maximaal kostendekkend moet zijn. Een individueel tarief, zoals bijvoorbeeld voor trouwen, hoeft daarbij niet kostendekkend te zijn, maar de kosten zijn wel het uitgangspunt. In die zin is al sprake van een zekere maximering.
De 40dB-contour |
|
Lammert van Raan (PvdD), Cem Laçin (SP), Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de wijziging van de aansluitroute, die voorgesteld is na overleg met Wezep en Nunspeet effect heeft op de 40dB-contour?
In overleg met de gemeenten Oldebroek, Hattem, Heerde, Elburg, Kampen en Zwolle en bewoners wordt een mogelijke aanpassing van de vliegroute bij Wezep bekeken. Doel is dat er minder over bebouwd gebied wordt gevlogen. In deze regio liggen geen wettelijke geluidscontouren bij 10.000 en 45.000 vliegtuigbewegingen. In het geactualiseerde MER, welke ter visie heeft gelegen tot en met 21 februari jl., is rekening gehouden met een mogelijke aanpassing van de route middels een gevoeligheidsanalyse. Bij de situatie van 10.000 vliegtuigbewegingen, waar het hier om gaat, ligt in deze regio ook geen 40 dB(A) Lden contour; de niet-wettelijke contour die ter informatie in de MER in beeld is gebracht.
Gezien het feit dat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau de 40dB-contour als het onderzoeksgebied van de milieueffectrapportage (MER) benoemt, welke implicaties hebben de veranderingen in de 40dB-contour op de MER?
Zie antwoord vraag 1.
Op basis waarvan stelt u dat de gevoeligheidsanalyse bedoeld is voor wijzigingen in de aansluitroutes, als u schrijft dat in de geactualiseerde MER rekening is gehouden met mogelijke aanpassingen van de route, middels een gevoeligheidsanalyse?
De gevoeligheidsanalyse was bedoeld om te laten zien dat een beperkte routewijziging in dit gebied geen effect heeft op de wettelijke geluidscontouren.
Klopt het dat de gevoeligheidsanalyse slechts bedoeld is voor gebruikte vliegtuigen, hun bestemming en het moment van doorklimmen?
Nee, bij de gevoeligheidsanalyses is ook gekeken wat een routeverschuiving voor geluid zou betekenen. Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat de Commissie voor de milieueffectrapportage in haar rapport stelt dat de gevoeligheidsanalyse niet kan worden beschouwd als een beschrijving van alternatieven?
Deelt u de mening dat een wijziging van de aansluitroute de facto een alternatief is? En dat hiervoor de gevoeligheidsanalyse dus niet bedoeld is?
De routevarianten verschillen qua ligging, niet in de hoogte. Bij de situatie van 10.000 vliegtuigbewegingen, waar het hier om gaat, laat de gevoeligheidsanalyse zien dat er geen effect is op wettelijke geluidscontouren en ook niet op de ter informatie in beeld gebrachte 40 dB(A) Lden contour. In het MER is aangetoond dat de effecten van de tijdelijke situatie tot 10.000 vliegtuigbewegingen binnen de eindsituatie van 45.000 vliegtuigbewegingen blijven. Een mogelijke wijziging past naast geluid dus ook binnen de in het MER beschreven andere milieueffecten. Omdat de routevarianten niet verschillen in hoogte heeft dat voor andere milieueffecten geen gevolgen.
Zoals gemeld in mijn antwoorden op Kamervragen van de leden Bruins (ChristenUnie), Amhaouch (CDA) en Paternotte (D66) is afgesproken dat de effecten van de verschillende routevarianten op het aantal inwoners in beeld gebracht zou worden. Dat is inmiddels gebeurd en toegelicht en besproken met gemeenten en inwoners. De resultaten zijn ook gepubliceerd op www.luchtvaartindetoekomst.nl. Daaruit blijkt dat er regionale aandachtspunten zijn die moeten worden afgewogen. Bewoners mogen hun voorkeur richting hun betreffende gemeente en het ministerie uitspreken voor een van de routeontwerpen. Gemeenten kunnen de reacties meewegen in hun standpuntbepaling en hun reactie richting het ministerie.
Aangezien in deze regio bij de tijdelijke situatie van maximaal 10.000 vliegtuigbewegingen noch sprake is van wettelijke Lden contouren noch van niet-wettelijke 40 dB(A) Lden contour, kon van deze maat geen gebruik gemaakt worden om te laten zien wat de effecten van de routevarianten op het aantal inwoners zijn. Daarom is gebruik gemaakt van tellingen binnen de niet-wettelijke en indicatieve LAmax op ≥55db (zone direct onder de route) en ≥50db (bredere ruimtelijke zone) gebaseerd op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Kadaster.
Met bovenstaande heb ik inzicht gegeven in de effecten en maak ik in samenspraak met de regio de afwegingen alvorens tot een mogelijke aanpassing van de route over te gaan.
Moeten dan niet alsnog de alternatieven en de gevolgen hiervan voor het milieu en de omgeving worden onderzocht en beschreven?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het berekenen en publiceren van een 40dB-contour van grote waarde is voor de omwonenden en deelt u de mening dat hiermee verwachtingen zijn gewekt bij die omwonenden?
De 40 dB(A) contour is ter informatie in beeld gebracht. Dat heeft een zekere informatieve waarde, maar er zijn geen ruimtelijke beperkingen aan gekoppeld. Het doel van een mogelijke routewijziging is dat er minder over bebouwd gebied wordt gevlogen.
Bent u bereid om de milieueffecten van een gewijzigde route en een gewijzigde 40dB-contour in kaart te brengen, te publiceren en het publiek de gelegenheid te geven zich hierover uit te spreken?
Zie antwoord vraag 6.
De behandeling van informeel-kapitaal-structuren in het vernieuwde rulingbeleid |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier gaat de Belastingdienst bepalen of internationale belastingbesparing de doorslaggevende beweegreden is voor een structuur of transactie waarvoor een ruling wordt aangevraagd?
In de vernieuwde rulingpraktijk zal geen zekerheid vooraf worden gegeven indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. Omdat dit wordt beoordeeld aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of hiervan sprake is. Deze maatregel is uitgeschreven in een beleidsbesluit over de vernieuwde rulingpraktijk dat vanaf 1 juli aanstaande van kracht wordt. In mijn brief over het beleid in de vernieuwde rulingpraktijk heb ik meer inzicht gegeven in deze voorwaarden door ook een aantal voorbeelden op te nemen waarin naar mijn mening belastingbesparing de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is. Tevens is het beleidsbesluit dat ik voornemens ben te publiceren als bijlage bij deze brief gevoegd.
Wordt bij een analyse of internationale belastingbesparing de doorslaggevende beweegreden is ook gekeken naar effecten voor derde landen van waaruit een Nederlandse entiteit inkomsten ontvangt (zoals royalty’s, rente of vergoedingen voor intra-groep diensten)?
Dat kan ik bevestigen. Bij de beoordeling of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, zal ook worden gekeken naar (rechts)handeling(en) of transacties met derde landen en de gevolgen daarvan voor de belastingheffing in het buitenland. Indien de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is het besparen van belasting in het buitenland, zal geen zekerheid vooraf worden gegeven.
Indien de Belastingdienst vaststelt dat een structuur of transactie leidt tot dubbele niet-belasting, omdat tegenover een vrijstelling of neerwaartse aanpassing van de belastinggrondslag in Nederland geen corresponderende heffing in het buitenland staat, wordt dan vanaf 1 juli 2019 geen ruling meer afgegeven voor een dergelijke structuur of transactie?
Er zal geen vooroverleg worden gevoerd en derhalve geen ruling tot stand komen indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige of doorslaggevende reden is voor de rechtshandeling. Indien tegenover een vrijstelling of neerwaartse aanpassing van de belastinggrondslag in Nederland geen corresponderende bijtelling in het buitenland staat zal belastingbesparing het enige dan wel doorslaggevende motief zijn en zal in die gevallen geen ruling worden afgegeven.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat de wet niet wijzigt als gevolg van het niet langer afgeven van rulings. Informeel kapitaal situaties zullen dus niet verdwijnen. Op basis van het arm’s length beginsel dienen gelieerde ondernemingen voor fiscale doeleinden onderling te handelen zoals onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden zouden doen. Dit kan ertoe leiden dat de fiscale winst opwaarts of neerwaarts moet worden bijgesteld. In mijn brief van 23 februari 2018 heb ik aangegeven dat met name dat laatste effect kan knellen met de aanpak van belastingontwijking en heb ik om die reden aangegeven te onderzoeken of het arm’s length beginsel aanpassing behoeft.1
Indien de Belastingdienst vaststelt dat een structuur of transactie leidt tot een vrijstelling of neerwaartse aanpassing van de belastinggrondslag in Nederland, en hier tegenover wel een corresponderende heffing in het buitenland staat, maar deze heffing tegen een (zeer) laag tarief plaatsvindt, wordt dan vanaf 1 juli 2019 geen ruling meer afgegeven voor een dergelijke structuur of transactie? Waar trekt de Belastingdienst in dat geval de grens van een (zeer) laag tarief?
Indien geen sprake is van economische nexus, het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige of doorslaggevende reden is voor de rechtshandeling is het uitgangspunt dat geen zekerheid vooraf wordt gegeven. Ook als de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in landen die zijn opgenomen in de Nederlandse lijst met laagbelastende landen is het uitgangspunt dat geen zekerheid vooraf wordt gegeven.2 Het voorgaande wordt beoordeeld aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.
Zullen er na de door u voorgestelde maatregelen voor vernieuwing van de rulingpraktijk nog informeel-kapitaal-rulings worden afgegeven? Zo ja, aan welke inhoudelijke voorwaarden moet de structuur waarvoor de ruling wordt aangevraagd dan voldoen?
Het eerste voorbeeld dat is bijgevoegd bij mijn brief over het beleid in de vernieuwde rulingpraktijk ziet op zekerheid vooraf over informeel kapitaalsituaties. Hieruit blijkt dat geen zekerheid vooraf wordt gegeven omdat in deze situaties de enige dan wel doorslaggevende beweegreden gericht zal zijn op internationale belastingbesparing. Wanneer het gaat om binnenlandse informeel kapitaalsituaties vallen deze niet onder de regels voor de vernieuwde rulingpraktijk. Deze zien immers op rulings met een internationaal karakter. Dat is echter geen probleem omdat in binnenlandse situaties er geen sprake is van een mismatch tussen belastingstelsels. In binnenlandse situaties staat tegenover de neerwaartse bijstelling van de winst bij de Nederlandse dochter een gelijke opwaartse bijstelling van de winst bij de Nederlandse moeder.
Kunt u specifieke voorbeelden geven van informeel-kapitaal-structuren waarvoor vanaf 1 juli 2019 geen ruling meer wordt verstrekt?
Zie antwoord vraag 5.
Indien van toepassing, kunt u specifieke voorbeelden geven van informeel-kapitaal-structuren waarvoor vanaf 1 juli 2019 nog wel een ruling wordt verstrekt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat de Belastingdienst ermee om wanneer na afgifte van een ruling blijkt dat in de praktijk bij de structuur of transactie waarvoor de ruling is afgegeven er toch sprake lijkt te zijn van internationale belastingbesparing als doorslaggevende beweegreden?
Indien een verzoek om zekerheid vooraf wordt ingediend wordt beoordeeld of, al dan niet als gevolg van een dubbele vrijstelling, internationale belasting besparing de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor de voorgenomen rechtshandeling of transactie. Deze beoordeling vindt dus plaats voorafgaand aan het afgeven van de ruling. Indien er toegang is tot het vooroverleg en in het voorgelegde geval sprake is van overeenstemming met overige wet-, beleid en regelgeving, kan de ruling tot stand komen. Vervolgens zal de belastingplichtige ieder jaar aangifte moeten doen. De aangifte van de belastingplichtige loopt mee in het reguliere, risicogerichte toezicht van de Belastingdienst. Indien blijkt dat de belastingplichtige een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, kan hij geen zekerheid ontlenen aan de ruling. Als de feiten na de totstandkoming van de ruling wijzigen, moet worden beoordeeld of sprake is een relevante wijziging van feiten of omstandigheden die ertoe kan leiden dat de ruling vervalt.
Hoe gaat de Belastingdienst ermee om wanneer na afgifte van een ruling blijkt dat in de praktijk bij de structuur of transactie waarvoor de ruling is afgegeven er toch sprake is van een dubbele vrijstelling?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de vernieuwde rulingpraktijk op 24 april 2019?
Ja.
Regeldruk bij volkscultuur en het adviesrapport Vermindering regeldruk bij evenementen in Limburg |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het adviesrapport Vermindering regeldruk bij evenementen in Limburg?1
Ja.
Deelt u de mening dat de regeldruk op zowel gemeentelijk, provinciaal als landelijk niveau dergelijke volkscultuur onder druk zet en zelfs het voortbestaan kan bedreigen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik herken dat organisatoren van evenementen, festivals en optochten die in de volkscultuur en het immaterieel erfgoed plaatsvinden de afgelopen jaren in toenemende mate te maken hebben met de druk van regelgeving. Dat blijkt onder andere uit de inventarisatie die het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) in 2018 onder immaterieel erfgoedgemeenschappen heeft uitgevoerd naar de knelpunten en regeldruk bij het beoefenen van immaterieel erfgoed. Volgens deze inventarisatie hebben zij te maken met extra maatregelen, regels en kosten bij crowd management, veiligheidsplannen en vergunningaanvragen. Dat zet zware druk op desbetreffende gemeenschappen, aldus het KIEN.
Deze bevindingen komen overeen met de conclusies van het onderzoek van de provincie Limburg naar de regeldruk voor organisatoren van evenementen, waaronder carnavalsfestiviteiten en schuttersfeesten.
Deelt u de mening dat volkscultuur verbroedert, verbindt, inspireert en prikkelt en dat daarom zuinig met deze vormen van cultuur moet worden omgegaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u eens dat volkscultuur en immaterieel erfgoed inspireren. Het samen beoefenen van immaterieel erfgoed verbindt mensen en geeft hen een gevoel van identiteit. Om het immaterieel erfgoed op eigentijdse wijze voor de toekomst te behouden en eigentijds te ontwikkelen voer ik in samenwerking met de andere overheden een actief beleid. In dat kader ondersteunt het rijksgesubsidieerde KIEN erfgoedgemeenschappen met informatie en kennis en voert het Fonds voor Cultuurparticipatie dit jaar en aankomende jaren een brede regeling «behoud en ontwikkeling immaterieel erfgoed» uit.
Herkent u de signalen van regeldruk op alle drie de overheidsniveaus die in dit rapport geschetst worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord onder 2.
Bent u bereid om met de opdrachtgever van dit onderzoek, de Provincie Limburg, te overleggen hoe deze knelpunten aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het VAO op 4 juli 2019 heb ik in antwoord op de motie van het lid Aartsen over knellende regelgeving voor verenigingen en organisaties op het gebied van volkscultuur en immaterieel erfgoed (Kamerstuk 32 820, nr. 307) toegezegd dat ik samen met de Staatssecretaris van BZK en in samenspraak met alle betrokkenen de knelpunten in kaart zal brengen en oplossingen zal verkennen om regeldruk te voorkomen bij volkscultuur en immaterieel erfgoed. Daartoe zal ik samen met het Ministerie van BZK een ronde tafel organiseren en de resultaten van het rapport van de provincie Limburg daarbij betrekken. Op basis van de uitkomsten van de ronde tafel zal een actieplan worden ontwikkeld dat aansluit bij het reeds gevoerde beleid, zoals het programma van BZK om knelpunten weg te nemen voor georganiseerde burgers en de trainingen die het KIEN dit jaar al organiseert om immaterieel erfgoedgemeenschappen te ondersteunen met informatie en kennis over regelgeving bij het organiseren van evenementen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Ruim 39.000 klachten over Maastricht Aachen Airport’ |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ruim 39.000 klachten over Maastricht Aachen Airport»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u verklaren waarom er een enorme stijging van het aantal klachten in 2018 ten opzichte van 2017 heeft plaatsgevonden over Maastricht Aachen Airport (MAA)? Zo nee, waarom niet?
In 2018 is er sprake geweest van een daling van het aantal vliegtuigbewegingen op MAA ten opzichte van 2017: van 18.359 vliegtuigbewegingen in 2017 naar 15.781 in 2018. Er is echter wel sprake geweest van een toename van het aandeel groot handelsverkeer (vracht- en passagiersvervoer). Dit aantal is toegenomen van 4.419 vliegtuigbewegingen in 2017 naar 6.013 in 20182. Uit de klachtenrapportage 2018 van het Klachtenbureau Luchtverkeer Limburg valt op te maken dat de meeste klachten in 2018 zijn ingediend over groot handelsverkeer. Het is aannemelijk dat deze toename één van de oorzaken is van de stijging van het aantal klachten.
Daarbij merk ik wel op dat een belangrijk deel van de klachten door een kleine groep klagers is ingediend: in 2018 hebben 44 klagers (4% van het totaal aantal klagers) in totaal 24.038 klachten ingediend (62% van het totaal aantal klachten).
Deelt u de mening dat groei van MAA niet vanzelfsprekend is en dat omwonenden, klimaat, milieu en werkgelegenheid een centrale rol moeten spelen in de toekomstplannen van het vliegveld?
Allereerst acht ik het van belang op te merken dat MAA opereert op basis van een geldende gebruiksvergunning (Omzettingsregeling luchthaven Maastricht) die nog enige ruimte voor groei biedt. De vergunning is tot stand gekomen na een uitvoerig besluitvormingsproces, conform alle toen geldende wet- en regelgeving. In de discussie over de toekomst van de luchthaven heeft de provincie Limburg, eigenaar van MAA, aangegeven dat de huidige wettelijke kaders uitgangspunt blijven. In die zin is er dan ook geen sprake van groeiplannen.
Met de brief aan uw Kamer van 4 december 20184 heb ik u geïnformeerd over het verzoek van de provincie om de procedure van de lopende aanvraag voor een nieuw luchthavenbesluit voor MAA stop te zetten. De provincie heeft daarbij aangegeven dat de ontwikkeling van MAA om een voortdurende balans vraagt tussen maatschappelijke inzichten, omgevingsfactoren en het optimaal benutten van economische kansen. Gezien deze balans heeft de provincie besloten de toekomstplannen van de luchthaven bij te stellen en de aanvraag voor een luchthavenbesluit te willen actualiseren. Zij heeft aangegeven hiervoor verschillende opties te bestuderen, ook rekening houdend met de omgeving. Rekening houdend met deze diverse belangen zal de provincie samen met de exploitant nagaan op welke wijze de luchthaven optimaal ontwikkeld kan worden. Hierbij blijft het economische belang in balans met de omgeving uitgangspunt.
Zoals ik u in mijn brief van 4 december 2018 heb aangegeven wacht ik de vervolgstappen en de nieuwe aanvraag voor een luchthavenbesluit van de provincie af. Ik verwacht daarbij van de provincie een uiterst zorgvuldig en uitgebreid traject van onderzoek, onderbouwing en consultatie van de omgeving.
In de Luchtvaartnota wordt ook gekeken naar de toekomstige rol en positie van de regionale luchthavens, waaronder MAA. Ik zal de toekomstige aanvraag dan ook in dat licht bezien.
Vindt u dat de schetsen voor de toekomst van MAA in de ijskast moeten, voordat er een beslissing is genomen over de toekomst van het vliegveld?2
Zie antwoord vraag 3.
Zal er een onafhankelijke maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd worden, indien het vliegveld verder wil groeien?
Zoals ik in het antwoord van vraag 4 heb aangegeven wacht ik nu de aanvraag voor een luchthavenbesluit van de luchthaven af. Die aanvraag zal vergezeld gaan van een nieuw MER en een nieuwe economische onderbouwing waarin ook macro-economische effecten (zoals werkgelegenheid) beschouwd moeten worden. De economische onderbouwing zal, in het kader van de beoordeling van de aanvraag ook door een extern bureau getoetst worden.
Kunt u reageren op de brief die Recron, VVV Zuid-Limburg en Horeca Nederland hebben gestuurd naar de Provincie Limburg met hun zorgen over het toerisme, de werkgelegenheid en de gevolgen voor klimaat en natuur in combinatie met eventuele groei van MAA?3
Ik heb kennis genomen van de brief die Recron, VVV Zuid-Limburg en Horeca Nederland hebben gestuurd naar de provincie Limburg en de reactie van de provincie hierop. Uit de reactie van de provincie maak ik op dat zij de zorgen die geuit zijn serieus nemen en meenemen in de dialoog over de toekomst van MAA. Om de discussie goed te voeren geeft de provincie aan de behoefte te hebben aan een objectief beeld van de ontwikkeling in de toeristische sector en welke effecten er van de luchtvaart te verwachten zijn. Zij onderschrijven de noodzaak om hierbij over meer feitelijke informatie te beschikken om de discussie evenwichtig te kunnen voeren. Dat vind ik een goede zaak.
Is er onderzoek gedaan naar de waardevermindering van woningen door overlast veroorzaakt door vliegbewegingen van en naar MAA? Zo ja, wat heeft dit opgeleverd? Zo niet, bent u bereid om dit onderzoek te laten doen of de Provincie Limburg te vragen om dit onderzoek te laten doen?
Nee, hier is geen onderzoek naar gedaan. Zoals ik u in de antwoorden op eerder door u gestelde vragen over MAA6 heb gemeld is op voorhand niet aan te geven of en zo ja welke schade (in dit geval waardevermindering van woningen) optreedt als gevolg van het vliegverkeer dat met een luchthavenbesluit mogelijk wordt gemaakt. Dit wordt bezien bij concrete schadeverzoeken. In het eerdere Aanwijzingsbesluit Maastricht uit 2004 was hiervoor een nadeelcompensatie-regeling opgenomen. In een nieuw luchthavenbesluit zal dit ook zo zijn. Dat betekent dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen om een verzoek voor schadevergoeding in te dienen wanneer een nieuw luchthavenbesluit wordt vastgesteld. In beginsel zullen alle schadeclaims worden behandeld volgens de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014. Hierin is uitgewerkt hoe de procedure van een schadeverzoek verloopt, hoe de schade wordt bepaald en welke criteria hierbij worden gehanteerd.
Is bekend vanaf welke dB(A) waardevermindering van woningen plaatsvindt en hoeveel die waardevermindering per dB(A) is? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te laten doen?
Zie antwoord op vraag 7.
Zijn er metingen gedaan van geluidsoverlast van taxiënde vliegtuigen na de landing op en voor het stijgen vanaf MAA? Zo ja, wat hebben deze metingen opgeleverd? Zo nee, bent u bereid om deze metingen te doen? Deelt u de mening dat taxiënde vliegtuigen ook voor geluidsoverlast zorgen?
In opdracht van de provincie Limburg zijn metingen gedaan. Binnenkort zullen de meetresultaten beschikbaar zijn en in een speciale werkgroep van de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Maastricht besproken worden. Aan de hand daarvan zal bezien worden welke hinderbeperkende maatregelen gewenst en uitvoerbaar zijn om de geluidoverlast van taxiënde vliegtuigen te beperken.
Bent u bekend met het gegeven dat Zuid-Limburg met drie geluidszones te maken heeft, namelijk voor MAA, Bierset (Luik) en de AWACS-basis (Geilenkirchen)? Is er met dit gegeven onderzoek gedaan naar de effecten op de luchtkwaliteit in Zuid-Limburg? Zo ja, wat heeft dit onderzoek opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
In het luchtkwaliteitsonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de inmiddels ingetrokken aanvraag van het Luchthavenbesluit Maastricht is de bijdrage van omringende industrie en alle andere bronnen in de omgeving (waaronder ook het verkeer op de A2 na ingebruikname van de tunnel in Maastricht) volgens de meest recente inzichten opnieuw geëvalueerd. Hierbij is gebruik gemaakt van de informatie uit de NSL-monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Hieruit is gebleken dat MAA een bijdrage levert van enkele μg/m3 aan de totale concentraties luchtverontreinigende stoffen. De grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen worden niet overschreden. Ten behoeve van een nieuwe aanvraag voor een luchthavenbesluit zal dit onderzoek worden geactualiseerd.
Een permanente controle op het naleven van de grenswaarden voor luchtkwaliteit vindt plaats zowel op basis van metingen (zie http://www.lml.rivm.nl/meetnet/index.php en http://www.luchtmeetnet-limburg.nl) als op basis van een combinatie van metingen en berekeningen (zie www.nsl-monitoring.nl). Uit de resultaten van deze permanente controle van de naleving van de grenswaarden blijkt dat er in de omgeving van de luchthaven Maastricht geen overschrijding van grenswaarden is te verwachten.
Kunt u inzichtelijk maken welk bedrag er in totaal door de Provincie Limburg is geïnvesteerd in MAA vanaf 2014, wat MAA de provincie heeft opgeleverd en wat de omzet en winst zijn van de exploitant van MAA? Zo nee, waarom?
Dit is een aangelegenheid van de provincie Limburg respectievelijk de exploitant van de luchthaven. De informatie die mij beschikbaar is betreft de informatie die de initiatiefnemer in oktober 2016 bij de (ingetrokken) aanvraag voor het Luchthavenbesluit Maastricht heeft gevoegd. Daaruit is gebleken dat voor het achterstallige onderhoud en investeringen en voor uitbreidingsinvesteringen circa € 30 miljoen door de provincie Limburg is gereserveerd. Verder volgt uit de aanvraag dat de exploitant rekening houdt met verschillende opbrengsten (haven- en afhandelingsgelden, concessie inkomsten, parkeergelden en directe opbrengsten uit General Aviation) en kosten (personeels- en bedrijfskosten, investerings- en onderhoudskosten, marketingkosten). De exploitant verwachtte omstreeks 2018 een positief exploitatiesaldo te bereiken. Uitgangspunt daarbij is dat er een bijdrage wordt gedaan in de kosten voor niet-economische diensten van algemeen belang (NEDAB). De provincie Limburg heeft hiervoor € 30 miljoen gereserveerd, waarvan op het moment van de aanvraag circa € 8,3 miljoen was vastgelegd.
Verder is mij bekend dat de provincie Limburg het project Maastricht Aachen Airport heeft aangewezen als Groot Project. Daarmee valt dit project onder de Regeling Grote Projecten Provincie Limburg 2018. Dat betekent dat middels periodieke voortgangsrapportages aan provinciale staten van Limburg gerapporteerd wordt over de voortgang van het project, waaronder bedrijfseconomische aspecten.
Kunt u bevestigen dat de extra 250 meter startbaan per 1 april 2019 niet meer gebruikt wordt?
Ja, dat kan ik bevestigen. De overgangsperiode van het gebruik van de 2.750 meter baan voor startend vrachtverkeer liep tot en met 31 maart 2019. Per 1 april 2019 is de toegestane baanlengte voor dit verkeer teruggebracht naar 2.500 meter. Dat betekent dat de vigerende gebruiksvergunning (Omzettingsregeling luchthaven Maastricht) weer onverkort van kracht is.
Naast het feit dat MAA heeft bevestigd dat het vanaf 1 april een maximale startlengte hanteert van 2.500 meter heeft hierover een officiële publicatie plaatsgevonden waarmee alle luchtvaartmaatschappijen wereldwijd bekend zijn gemaakt met de gewijzigde baanlengte en verplicht zijn dit als uitgangspunt in hun vliegplannen mee te nemen. Daarnaast kan ik u melden dat een team van de ILT begin april jl. onderzoek op de luchthaven heeft gedaan en geconstateerd heeft dat bij de onderzochte vluchten uit is gegaan van de juiste startlengte. Verder neemt de ILT het toezicht op het baangebruik mee in haar reguliere toezicht.
Wat vindt u, achteraf gezien, van uw beslissing eind 2017 om het gebruik van de 250 meter extra startbaan toe te staan zonder inspraak van omwonenden met onder andere vliegende dakpannen tot gevolg?
Ik heb in de brief aan uw Kamer van 5 december 20177 uitvoerig beschreven wat de overwegingen zijn geweest om vooruitlopend op het te wijzigen Luchthavenbesluit Maastricht het gebruik van de 250 meter extra startbaan toe te staan. Naar mijn mening is dit besluit zorgvuldig tot stand gekomen waarbij de belangen van alle partijen, ook van omwonenden, zijn afgewogen.
In de antwoorden op de Kamervragen die eerder zijn gesteld over de kwestie van de afwaaiende dakpannen heb ik uw Kamer gemeld dat de luchthaven hier onderzoek naar doet en dat ik aan de luchthaven gevraagd heb de uitkomsten van hun onderzoek verder te bespreken in de Commissie regionaal overleg luchthaven Maastricht (CRO MAA) en indien daar aanleiding toe is verdere actie te ondernemen. Ik heb begrepen dat dit onderzoek inmiddels is afgerond en de uitkomsten in de CRO MAA worden gesproken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het AO Luchtvaart op 25 april 2019?
Ja.