Het bericht ‘Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer’ |
|
Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Joost Sneller (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de recente uitspraken van de Saudische kroonprins, waarin hij aangeeft wel verantwoordelijk te zijn, maar zelf geen opdracht heeft gegeven tot de moord op Jamal Khashoggi?
Net als veel andere internationale partners acht het kabinet de Saoedische uitleg over de omstandigheden en toedracht van de moord op journalist Jamal Khashoggi nog ontoereikend en incompleet. De uitspraken van de autoriteiten over de moord zijn meerdere keren veranderd en veel vragen zijn door hen tot op heden onbeantwoord gebleven. Het kabinet, evenals veel gelijkgestemde landen, heeft benadrukt dat er een grote verantwoordelijkheid op de Saoedische autoriteiten rust om grondig, geloofwaardig en transparant onderzoek te doen en om betrokkenen bij de moord op Jamal Khashoggi te vervolgen. Het kabinet zal hier in bilateraal en multilateraal verband op blijven aandringen. Ik heb dit ook aangekaart in mijn gesprek met mijn Saoedische ambtsgenoot Minister Al-Assaf en marge van de Algemene Vergadering van de VN op 26 september jl.
Acht u het geloofwaardig dat een besluit tot het vermoorden van een journalist in een consulaat in het buitenland door een door de regering gecontroleerd doodseskader heeft kunnen plaatsvinden zonder het medeweten of de goedkeuring van de eindverantwoordelijke, in dit geval de kroonprins?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het vermoeden dat deze uitspraken eerder het karakter hebben van een charmeoffensief dan een (schuld)bekentenis, en deelt u de opvatting dat de zoektocht naar de waarheid onverminderd door moet gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er naar uw oordeel, precies een jaar na de moord op Jamal Khashoggi, nog voldoende druk op Saudi-Arabië om openheid van zaken te geven?
Nederland blijft samen met gelijkgestemde landen aandacht vragen voor deze zaak. Daarbij moet geconstateerd worden dat de Saoedische autoriteiten, ondanks deze druk vanuit de internationale gemeenschap, tot op heden geen volledige openheid hebben gegeven.
Welke acties heeft u het afgelopen jaar genomen om Saudi-Arabië ertoe te bewegen volledige openheid van zaken te geven?
Nederland heeft zich, samen met de EU en andere gelijkgezinde landen, meerdere malen sterk uitgesproken over de moord op Khashoggi. De gemeenschappelijke verklaringen in de Mensenrechtenraadsessies van 7 maart jl. en van 23 september jl., die mede namens Nederland werden uitgesproken, roepen op de verantwoordelijken te straffen. Ook tijdens de interactieve dialoog met Speciaal Rapporteur Callamard op 26 juni jl. hebben Nederland en de EU de moord op Khashoggi opnieuw sterk veroordeeld en Saoedi-Arabië opgeroepen alle medewerking te verlenen aan onderzoeken naar de moord en alle beschikbare informatie vrij te geven. Daarnaast heeft Nederland zich het afgelopen jaar in EU-verband ingezet voor aandacht voor de zaak van Khashoggi. In de item 4-verklaring van de EU bij de Mensenrechtenraadsessies in maart en september dit jaar werd mede daarom aandacht gevraagd voor deze zaak. Op 2 oktober jl. heeft de EU, ook namens Nederland, een verklaring uitgedaan ter nagedachtenis aan Khashoggi, waarin opnieuw wordt opgeroepen tot een geloofwaardig en transparant strafrechtelijk onderzoek en eerlijke berechting van de daders.
Bent u het eens dat er geen handelsmissie naar Saudi-Arabië plaats kan vinden, zolang er geen volledige verantwoordelijkheid is afgelegd voor de moord op Khashoggi?
Nederland acht het van groot belang dat de daders van de moord op Khashoggi worden berecht in een eerlijk en transparant proces. Tegelijkertijd is het van belang de dialoog met Saoedi-Arabië voort te zetten over zaken als maatschappelijk verantwoord ondernemen, energie, stabiliteit in de regio, ongewenste buitenlandse financiering, alsook handel en wederzijdse investeringen. Daarbij geldt dat economische bezoeken ook de mogelijkheid scheppen om over onderwerpen te spreken waarover Nederland en Saoedi-Arabië met elkaar van mening verschillen, zoals de mensenrechtensituatie. Er zijn vooralsnog geen door de overheid geleide handelsmissies gepland. Toekomstige economische bezoeken zullen op basis van de dan actuele situatie worden afgewogen.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het bevriezen van de tegoeden en het opleggen van een inreisverbod voor de leden van het doodseskader dat de moord op Khashoggi heeft uitgevoerd?
Zoals gesteld in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen (op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3514 en op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3513) is voor het instellen van sancties internationaal brede politieke overeenstemming nodig. Dit is voor Saoedi-Arabië op dit moment niet het geval. Zoals u weet zet Nederland zich zeer actief in voor een EU mensenrechtensanctieregime. Met een dergelijk sanctieregime kan wereldwijd worden ingezet op het instellen van persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders, zoals bijvoorbeeld bevriezing van tegoeden en reisbeperkingen. Met het creëren van het juiste instrumentarium valt op termijn veel te winnen en dit heeft daarom op dit moment onze prioriteit.
Bent u voornemens deel te nemen aan de eerstvolgende G-20 top? Zo ja, bent u dan bereid daar te pleiten voor volledige openheid van zaken over deze moord?
De G20 is voor Nederland een invloedrijk forum waar politieke, maatschappelijke en economische vraagstukken worden besproken die een gezamenlijke internationale aanpak vragen. Afspraken die in G20-verband worden gemaakt kunnen een brede impact hebben. Aanwezigheid bij dit forum biedt Nederland de kans op cruciale onderwerpen invloed uit te oefenen. Voor een open en internationaal georiënteerde economie als Nederland is het belangrijk aan tafel te zitten. Zoals ik ook stelde tijdens het AO RBZ van 8 oktober: aangezien Nederland geen permanent G20-lid is, is Nederlandse deelname afhankelijk van of Nederland – net als tijdens de afgelopen drie jaar onder het Duitse, Argentijnse en Japanse voorzitterschap – wordt uitgenodigd om als gast deel te nemen.
Het ontbreken van data van arbeidsbeperkte werkzoekenden in de kandidatenverkenner van het UWV |
|
René Peters (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de in 2017 ingevoerde kandidatenverkenner (onlinepersoneelsbank) van het UWV niet werkt, omdat de data van arbeidsbeperkte werkzoekenden ontbreken?1
Ja, complete en actuele profielen is door de aard van de doelgroep vanaf de start een uitdaging. Een goed verwachtingsmanagement ten aanzien van de toepassingsmogelijkheden van de kandidatenverkenner vindt de Inspectie SZW van belang2. Een voorbeeld uit het onderzoek van inspectie SZW: «Een jongere die vandaag bemiddelbaar is, hoeft dat morgen niet meer te zijn. Dat kan het selectieproces belemmeren. Ook blijkt soms pas op een werkplek of de jongere echt klaar is om aan het werk te gaan.»
UWV en gemeenten zetten zich dagelijks in om hun klanten beter te kennen. De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak. Deze laat over de afgelopen twee jaar een stijgende lijn zien.
Veel werkgevers gebruiken bij voorkeur het werkgeversservicepunt in de arbeidsmarktregio als eerste aanspreekpunt. Indien matching van kandidaten op geschikt werk tekortschiet, is het zaak dat werkgevers samen met de regionale partners naar een oplossing zoeken. Perspectief op Werk geeft hieraan een impuls in 2019 en 2020.
Kunt u bevestigen dat er inmiddels ruim 157.000 mensen met een arbeidsbeperking in de kandidatenverkenner staan, maar dat nog geen 8% van de mensen uit deze databank beschikbaar is voor werk, omdat noodzakelijke data ontbreken?
Niet helemaal. Meer dan 8% van de profielen is bemiddelbaar en daarmee beschikbaar. Ook de mensen die zitten in een traject gericht op het vinden van werk zijn beschikbaar voor werk. Ook staan er profielen in van kandidaten die aan het werk zijn en daardoor niet beschikbaar zijn voor werk. Zie verder het antwoord bij vraag 5 van de vragen van de leden Tielen en Nijkerken-de Haan (beiden VVD).
Kunt u tevens bevestigen dat van ruim 42% van de mensen in de kandidatenverkenner niet bekend is wat hun opleidingsniveau is en dat bij ruim 60.000 mensen niet is ingevuld in welke sectoren ze willen werken?
Ja. Dit gaat over het totaal van de mensen uit de doelgroep banenafspraak van UWV en gemeenten. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat deze informatie niet bekend is bij medewerkers. De vliegende brigade van UWV kan regio’s ondersteunen om de volledigheid van de gegevens te vergroten.
Van de 225.000 mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren, vallen er 113.000 onder verantwoordelijkheid van UWV. Ongeveer 74% van deze mensen heeft een compleet profiel. 22% heeft geen profiel en 4% heeft een onvolledig profiel. De meerderheid van de UWV-klanten zonder (compleet) profiel heeft reeds een baan. In andere gevallen betreft het mensen die bijvoorbeeld in een medisch behandeltraject zitten of nog aan het studeren zijn/naar school gaan. Bij het compleet maken van het klantprofiel zodat deze via de kandidatenverkenner getoond kan worden, wordt prioriteit gegeven aan de mensen voor wie deelname aan de arbeidsmarkt in zicht is.
Is het juist dat bij de makers van het systeem van de kandidatenverkenner al bekend was dat veel noodzakelijke gegevens ontbreken en dat zij dit in 2016 ook hebben gemeld bij de UWV-top, maar dat met deze mededeling niets is gedaan? Zo ja, wat is uw oordeel over deze handelwijze van de UWV-top?
Vanaf de start van de kandidatenverkenner is bekend dat de kwaliteit en volledigheid van profielen blijvende inzet vraagt van UWV en gemeenten.
UWV heeft verschillende acties gedaan. UWV heeft het voor gemeenten bijvoorbeeld eenvoudiger gemaakt om gemeentelijke profielen in te lezen en ondersteunt gemeenten met een Vliegende Brigade. De Vliegende Brigade helpt bij het transparant maken van het kandidatenbestand banenafspraak. Bijvoorbeeld door middel van het geven van workshops en het uitvoeren van controles op gegevens. Daarnaast zijn zij op afstand in te zetten als hulplijn.
Ook heeft UWV werk gemaakt van het toegankelijk maken van de UWV doelgroep.
Van de 225.000 mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren, vallen er 113.000 onder verantwoordelijkheid van UWV. Ongeveer 74% van deze mensen heeft een compleet profiel. 22% heeft geen profiel en 4% heeft een onvolledig profiel. De meerderheid van de UWV-klanten zonder (compleet) profiel heeft reeds een baan. In andere gevallen betreft het mensen die bijvoorbeeld in een medisch behandeltraject zitten of nog aan het studeren zijn/naar school gaan. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan de mensen voor wie deelname aan de arbeidsmarkt in zicht is.
De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak. Deze laat over de afgelopen twee jaar een stijgende lijn zien.
Vindt u ook dat er alles op alles gezet moet worden om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen en dat het daarvoor nodig is dat er een goed beeld bestaat van de mensen met een arbeidsbeperking die op zoek zijn naar werk?
Ja, werk is belangrijk voor mensen. Het geeft mensen bestaanszekerheid, een inkomen, het zorgt voor contacten en uitdagingen. Dit geldt zeker ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Hoewel er steeds meer mensen met een beperking een baan vinden, staan er ook nog veel te veel mensen aan de kant.
Het breed offensief is een brede agenda om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Een agenda die het simpeler moet maken voor werkgevers om mensen met een beperking in dienst te nemen; met voorstellen om werk meer te laten lonen; waarbij werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker weten te vinden en waarbij mensen niet alleen aan het werk komen maar ook aan het werk blijven.
Zo ja, wat vindt u er in dat licht gezien van dat er in 2017 en 2018 door gebrek aan noodzakelijke data slechts zo’n honderdtal mensen met een beperking aan het werk zijn geholpen, terwijl er alleen al aan IT-kosten 1,3 miljoen euro in de kandidatenverkenner is geïnvesteerd?
De doelstelling van de banenafspraak voor 2018 was 43.500 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Met bijna 52.000 extra banen is die doelstelling ruimschoots gehaald3. Het is niet mogelijk om te bepalen welk aandeel de Kandidatenverkenner hierin heeft gehad. De Kandidatenverkenner fungeert immers niet als een zelfstandig matchingssysteem4. Er is altijd meer nodig voor een match. Bijvoorbeeld inschakeling van de medewerkers van het betreffende werkgeversservicepunt en een persoonlijk gesprek met kandidaten.
Veel werkgevers zijn enthousiast om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Maar er zijn ook nog te veel werkgevers die twijfelen. Het regionale werkgeversservicepunt van UWV en gemeenten helpt bij het maken van de match. De medewerkers koppelen de wensen en mogelijkheden van de mensen uit de doelgroep banenafspraak aan de wensen en mogelijkheden van de werkgevers. Dat deze match tot stand komt, dat is het doel, niet het gebruik van de kandidatenverkenner zelf.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat mensen die geregistreerd staan in de kandidatenverkenner alsnog in beeld komen en aan het werk worden geholpen?
Voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt biedt Perspectief op Werk een extra impuls aan de arbeidstoeleiding van mensen die willen en kunnen werken, maar niet zelfstandig de weg naar werk vinden. Het kabinet heeft hiervoor in totaal 70 miljoen euro beschikbaar gesteld voor 2019 en 2020. Een intensievere samenwerking tussen publieke en private partijen in alle 35 arbeidsmarktregio’s moet zorgen voor goede matches tussen werkzoekenden en beschikbaar werk. Perspectief op Werk is naast een extra impuls ook een leertraject om vanuit de praktijk te bezien hoe de bemiddeling van deze groep verbeterd kan worden.
Als uitwerking van het breed offensief komen er afspraken met VNG en UWV over het structureel verbeteren van de werkgeversdienstverlening en het matchen in de arbeidsmarktregio’s. Deze afspraken betreffen de invulling van drie randvoorwaarden die gelden voor alle arbeidsmarktregio’s en worden opgenomen in de SUWI regelgeving:
Vanaf 2021 wordt structureel 17 miljoen euro jaarlijks ingezet voor het versterken van de 35 arbeidsmarktregio’s5.
Hierover heb ik uw Kamer recent geïnformeerd6.
Corrupte douaniers |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane torpedeerde onderzoek naar corruptie eigen medewerkers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichtgeving?
De versterking van de aanpak van ondermijning met een focus op de illegale
drugsindustrie en de criminele geldstromen is een grote prioriteit voor dit kabinet. Daarbij is de bescherming van de integriteit van medewerkers van betrokken organisaties een onderdeel van de aanpak. Voor een verdere toelichting verwijzen wij u naar de brief waar uw Kamer om heeft verzocht, en die gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen wordt aangeboden.
Herinnert u zich uw reactie naar aanleiding van mijn verzoek tijdens de regeling van werkzaamheden van 16 mei 2019?2
Ja.
Waarom heeft u in uw reactie, «Het is niet aan mij als Minister om te treden in de overwegingen van de onderzoekers om geen eindrapport uit te brengen», niet vermeld dat de douane zich verzette tegen de publicatie van het concepteindrapport, terwijl dit wel relevant is voor de Tweede Kamer om zijn controlerende taak uit te kunnen voeren?
Het betrof een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de Commissie Kennis en Onderzoek (CKO, voorheen bekend als Politie & Wetenschap) van de Politieonderwijsraad. De Politieonderwijsraad is een onafhankelijk adviesorgaan van het Ministerie van Justitie en Veiligheid waarvan positie en taken bij wet zijn geregeld. Ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid maakten geen deel uit van de begeleidingscommissie. Zie voor de rol en reacties van de Douane verder de brief met daarin de kabinetsreactie op de gang van zaken bij dit onderzoek en het antwoord op vraag 6.
Hoe vaak is het in de afgelopen tien jaar voorgekomen dat onderzoekers werkend in opdracht van «Politie & Wetenschap» een onderzoek hebben stopgezet? Hoe vaak gaven ze daarbij als reden op dat er onvoldoende medewerking werd verleend door overheidsorganisaties?
De CKO van de Politieonderwijsraad heeft mij bericht dat onderzoekers werkend in hun opdracht voor zover bekend niet eerder op eigen initiatief hebben besloten geen eindrapport op te leveren.
Kunt u per opsporingsorganisatie die meewerkte aan het bedoelde onderzoek aangeven of en in hoeverre ze hebben meegewerkt? Kunt u per opsporingsorganisatie die meewerkte aan het bedoelde onderzoek aangeven welk bedrijfsonderdeel verantwoordelijk is voor het verlenen van toegang tot de registraties en dossiers die de onderzoekers nodig hadden voor hun onderzoeken? Kunt u in uw antwoord uitputtend en zo specifiek mogelijk zijn?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 4, betrof het een onafhankelijk onderzoek. Het is dan ook niet aan ons om de afweging van de onderzoekers om geen eindrapport op te leveren te beoordelen. Zoals bekend hebben de onderzoekers besloten geen eindrapport op te leveren, onder meer omdat naar hun zeggen een aantal organisaties geen medewerking wilde verlenen aan het onderzoek. Wel willen wij graag ingaan op de medewerking die door de onder onze ministeries vallende organisaties is verleend, te weten de politie, de Douane en de FIOD.
De politie is op verschillende wijzen betrokken geweest bij het onderzoek. Zo zijn onderzoeksdossiers aangeleverd, hebben diverse referenten een interview gegeven en heeft het bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) zijn medewerking verleend. Ook heeft de politiechef van de Eenheid Rotterdam een aanbevelingsbrief geschreven aan bedrijven in de haven, waarin hij hen opriep mee te werken aan het onderzoek. Tot slot hebben de onderzoekers met behulp van een informatierechercheur kunnen zoeken in de politiesystemen.
De Douane heeft op verschillende manieren meegewerkt aan het onderzoek. Onderzoekers hebben met douaniers gesproken, er zijn (beleids)stukken aangeleverd en er is deelgenomen in de begeleidingscommissie. Wat betreft het verzoek om informatie over mogelijke integriteitsschendingen in functie en met een relatie tot criminaliteit heeft de Douane de onderzoekers doorverwezen naar het Openbaar Ministerie en de FIOD. De onderzoekers zijn voor informatie over strafrechtelijke onderzoeken bij de Douane verwezen naar het OM omdat de Douane deze informatie niet eigenstandig ter beschikking mag stellen aan derden. Daarnaast hebben de onderzoekers van het Bureau Integriteit en Veiligheid van de FIOD informatie gekregen over mogelijke integriteitsschendingen bij de Douane.
Toen de onderzoekers zich in 2018 wederom tot de Douane hebben gewend met het verzoek om informatie over mogelijke integriteitsschendingen van douaniers in functie en met een relatie tot criminaliteit in de periode 1996 – 2016 heeft de Douane geen antwoord gegeven op deze vraag en heeft Douane verzuimd aan de onderzoekers te melden, dat de informatie die gevraagd werd en op dat moment beschikbaar was al in 2017 door de FIOD was verstrekt. Achteraf gezien had de Douane daarover duidelijker met de onderzoekers moeten communiceren.
De uitgebreidere beschrijving is opgenomen in de brief met daarin de kabinetsreactie op de gang van zaken bij dit onderzoek.
Kunt u in tabelvorm de integriteitsschendingen, gerelateerd aan de Rotterdamse haven, uiteenzetten in de periode 1996–2016 bij Douane, FIOD en andere bij het bedoelde onderzoek betrokken instanties? Hoeveel hiervan zijn nader onderzocht?
Gegevens over die periode en naar de gevraagde onderverdeling zijn niet beschikbaar. De meldingen over mogelijke integriteitsschendingen bij de Douane in de periode 2013–2018 zijn opgenomen in de tabel in de brief met onze reactie op de gang van zaken bij het onderzoek «Als de prooi de jager pakt». Voor de gegevens over de politie verwijzen wij u naar de jaarverantwoording van de politie. In de jaarverantwoording en in losse berichtgeving publiceert de politie jaarlijks over het aantal integriteitsschendingen, oriënterende –, disciplinaire – (plus top drie van categorieën) en strafrechtelijke onderzoeken dat de politie start.
Waarom rust op het onderzoek een geheimhoudingsplicht?
Er is geen sprake van een geheimhoudingsplicht. Wel rust in algemene zin op wetenschappelijke onderzoeksrapporten die nog niet definitief zijn vastgesteld als «eindrapport» een embargo, waaraan de leden van de begeleidingscommissie zijn gebonden.
Zou het niet wenselijk zijn de geheimhoudingsplicht ten aanzien van dit onderzoek op te heffen, opdat dit probleem kan worden opgelost en de Tweede Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid het concept-rapport, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De Politieonderwijsraad opereert onafhankelijk van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De onderzoekers opereren op hun beurt onafhankelijk van de Politieonderwijsraad en de CKO. Het is om die reden niet aan ons om te beslissen over het al dan niet verstrekken van een concept-rapport.
Doet de Rijksrecherche onderzoek, of gaat zij dat doen, naar aanleiding van de concept-rapportage die het Arrondissementsparket Rotterdam van het Openbaar Ministerie wel heeft ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat de concept-rapportage geen aanleiding gaf tot onderzoek, daar de betreffende informatie al bekend was bij de opsporingsorganisaties en de Rijksrecherche.
Is er een verband tussen de «signalen» van mogelijke corruptie, integriteitsschendingen en samenwerking met de georganiseerde criminaliteit en uw brief van 22 augustus 2019 om de screening bij de Douane te gaan versterken? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Integere medewerkers zijn essentieel voor het vertrouwen van burgers en bedrijven in de Douane en het goed functioneren van de organisatie. Douaniers beschikken over informatie, hebben toegang tot beveiligde terreinen en hebben bevoegdheden die potentieel interessant kunnen zijn voor mensen uit het criminele circuit. De Douane maakt veel werk van integriteit en past maatregelen toe om medewerkers te beschermen. Het bevorderen van integer handelen en het voorkomen van integriteitsschendingen bestaat uit een geheel van samenhangende en elkaar aanvullende maatregelen; het integriteitsmanagement. Het gaat om verschillende soorten maatregelen, waaronder ten aanzien van autorisaties in geautomatiseerde systemen, toegang tot en beveiliging van locaties, functiescheiding en screening. Het integriteitsbeleid van de Douane is dynamisch en wordt voortdurend bijgesteld aan de hand van nieuwe ontwikkelingen binnen het Rijksbeleid, wetenschappelijke inzichten en incidenten. Dat geldt ook voor screening. Zo is voor het onderzoek naar de mogelijkheden ter versterking van de screening een vergelijking gemaakt met de wijze waarop de politie haar screening heeft ingericht. De risico’s die douaniers lopen, zijn immers deels vergelijkbaar met risico’s die medewerkers van de politie kunnen lopen. Beide doelgroepen zijn potentieel interessant voor criminelen als gevolg van de aard van het werk dat zij doen.
Welke mogelijkheden ziet u om de VOG politiegegevens bij de Douane te gaan gebruiken? Op welke plekken binnen de Douane zou u die mogelijkheden willen gaan onderzoeken? Zou u deze vragen ook kunnen beantwoorden voor periodieke screening zoals dat bij BOA-functionarissen en vertrouwensfuncties reeds het geval is?
In de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Kamer van 22 augustus jl. zijn diverse maatregelen aangekondigd om de screening bij de Douane te versterken. Daarbij is aangegeven dat screening één van de onderdelen is van het totale integriteitsbeleid van de Douane. In het algemeen geldt dat screening een ingrijpende maatregel is omdat het de privacy van de medewerkers raakt. Daarom zal worden bezien wat de effecten van maatregelen inzake screening zijn, of ze proportioneel zijn en of het doel niet op een andere, minder ingrijpende manier, bereikt kan worden. Verwacht wordt dat in de eerste helft van 2020, op basis van de ervaringen, een eerste beoordeling zal plaatsvinden of tot dan toe toegepaste maatregelen voldoende effect hebben om permanent onderdeel uit te gaan maken van het integrale integriteitsbeleid van de Douane. Dan zal ook bezien worden of er aanleiding is de screening verder te versterken en zullen ook de mogelijkheden en wenselijkheid van continue screening, waarnaar het lid Omtzigt heeft gevraagd, aan de orde komen.
In de brief zijn de verdieping van VOG-screening en de aandacht voor periodieke screening als mogelijke maatregelen genoemd.
VOG Politiegegevens
Het wetsvoorstel «VOG politiegegevens» heeft tot doel te bewerkstelligen dat de VOG niet alleen kan worden geweigerd op basis van justitiële documentatie, maar dat deze ook kan worden geweigerd op basis van relevante politiegegevens. De Raad van State heeft kort geleden advies uitgebracht over dit conceptwetsvoorstel. Het nader rapport is in voorbereiding. Het wetsvoorstel kan naar verwachting begin volgend jaar bij de Tweede Kamer worden ingediend.
De mogelijkheid om een VOG-aanvraag af te wijzen louter op basis van politiegegevens is een ingrijpend middel. Hierbij is het uitgangspunt dat dit instrument onderdeel uitmaakt van een breder integriteits- en veiligheidsbeleid van de organisatie waarbinnen de functie wordt uitgevoerd.
De VOG politiegegevens zou ook voor diverse functies bij de Douane relevant kunnen zijn. Over mogelijkheden voor het gebruik van de VOG politiegegevens voor functies bij de Douane zullen wij nader in gesprek treden.
Periodieke en continue screening
BOA functionarissen en functionarissen op vertrouwensfuncties bij de Douane worden periodiek opnieuw gescreend. De Douane heeft de wens dat voor meer douanemedewerkers dan nu het geval is, periodieke screening mogelijk wordt.
Daarvoor is een wettelijke grondslag nodig en overleg met werknemersbonden, aangezien het een wijziging van de arbeidsvoorwaarden betreft.
De Douane neemt deel aan een werkgroep vanuit het Interdepartementaal Platform Integriteitsmanagement (IPIM). Deze werkgroep heeft de opdracht om beleidsvoorstellen te formuleren ten aanzien van het gebruik van screening als instrument binnen de rijksoverheid, waaronder periodieke screening.
Bij continue screening past de kanttekening dat het een nog ingrijpender instrument is dan periodieke screening, en dat het beperkt wordt toegepast. In twee sectoren bestaat reeds een vorm van continue screening, de taxibranche en de kinderopvang. Bij het evalueren van de maatregelen die reeds in gang zijn gezet zal Douane de mogelijkheden van continue screening expliciet betrekken. Bij de besluitvorming over de eventuele toepassing ervan bij de Douane, zal dan worden afgewogen of het belang zo groot is dat het een dergelijke ingrijpende maatregel rechtvaardigt en of dat belang op een andere wijze kan worden gediend.
Het bericht dat ondanks extra geld mbo-docenten in de laagste salarisschaal terechtkomen |
|
Peter Kwint (SP), Paul van Meenen (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal docenten in de laagste schaal is toegenomen en dat tegelijkertijd de financiële reserves van instellingen groeien?1
De afgelopen jaren is het totaal aantal docenten in het mbo toegenomen. De toename van het aantal docenten in de laagste schaal kan veel verschillende redenen hebben. Het kan bijvoorbeeld te maken hebben met het vertrek van oudere docenten, waar jongere docenten die (voorlopig) instromen in een lagere schaal, voor in de plaats zijn gekomen. Er is geen directe link te zien met de financiële reserves die instellingen hebben.
We zien dat de afgelopen jaren de financiële reserves bij mbo-instellingen oplopen, bijvoorbeeld met als doel om te investeren in huisvesting in verband met het Klimaatakkoord. Daarom doet de Inspectie van het Onderwijs op dit moment hier nader onderzoek naar (waarvan de resultaten in het voorjaar van 2020 bekend zullen zijn) en voer ik op het moment het gesprek met de sector om de reserves beter in verhouding te brengen met de specifieke risico’s die er zijn, om zo te voorkomen dat mbo-instellingen grotere reserves aanhouden dan nodig.2 Later deze maand maar wel voor de begrotingsbehandeling van OCW zullen de Minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media en ik u een brief sturen met daarin de cijfers over de financiële posities van onder andere de mbo-instellingen in 2018.
In hoeverre zijn de financiële reserves van mbo-instellingen direct inzetbaar voor salarissen van docenten in het mbo? Zit er mogelijk al een bestemming vast aan de reserves?
Hierop is geen eenduidig antwoord te geven, omdat er tussen instellingen grote verschillen te zien zijn in zowel de omvang van de reserves als in waarom deze reserves er zijn. Wel geldt dat in z’n algemeenheid dat reserves niet worden ingezet voor collectieve salarisverhogingen. Individuele werkgevers kunnen uit de reserves eventueel wel individuele toelagen of salarisverhogingen toekennen.
Wat is uw reactie op het rapport «De functiemix in het mbo, een verkenning» van het Platform Medezeggenschap mbo?
Ik vind het positief dat ondernemingsraden kritisch zijn op of en hoe afspraken worden doorvertaald binnen de mbo-instellingen. Dit maakt deel uit van het takenpakket van een ondernemingsraad.
Wat betreft dit rapport geldt dat de resultaten zijn gebaseerd op openbare gegevens. Dat betekent echter niet dat de middelen die beschikbaar zijn vanuit het convenant Leerkracht niet door de instellingen zijn en worden besteed aan de doelen waarvoor zij het hebben ontvangen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de MBO Raad dat de aannames die het platform neerzet in haar verkenning onjuist zijn en zeer schadelijk voor het mbo als geheel?2
Deze uitspraak laat ik aan de MBO Raad. Ik ga wel graag het gesprek aan met de MBO Raad en de vakbonden over de uitkomsten van de verkenning van het Platform Medezeggenschap mbo.
Herkent u de analyse in dit rapport dat extra geld niet besteed is aan het betalen van meer docenten op een hoger functieniveau? Zo niet, waarom niet? Zo wel, wat zegt dit volgens u over het functioneren van de medezeggenschap op mbo-instellingen?
Ik deel deze analyse niet. Het extra geld dat op basis van het convenant Actieplan Leerkracht van Nederland beschikbaar wordt gesteld, wordt volgens de verantwoording van de mbo-instellingen besteed waaraan het moet worden besteed, bijvoorbeeld voor het plaatsen van docenten in een hogere schaal en het aannemen van extra onderwijsgevenden. Het is goed dat de medezeggenschap daar binnen de betreffende instelling alert op is en blijft en indien nodig haar bestuurders er op aan spreekt, wanneer dit in de toekomst niet meer zo is.
Daarbij geldt dat er ook onderscheid gemaakt moet worden tussen scholen binnen en buiten de Randstad. Immers, alleen de mbo-scholen binnen de Randstad (26 van de 65 mbo-scholen) hebben extra middelen ontvangen voor het verhogen van het aantal docenten in hogere schalen. Bij deze scholen is sinds 2008 wel een stijging van het aantal docenten met een LC- en LD-schalen.
Indien u de analyse vanuit dit rapport herkent, bent u bereid stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat het voor docenten gereserveerde geld hier alsnog terechtkomt?
Zoals gemeld bij het antwoord op vraag 5, deel ik deze analyse niet.
Wat is uw inzet bij het gesprek met de MBO Raad, aangezien zij de conclusies van het Platform Medezeggenschap niet onderschrijven?
Het doel van het gesprek met de ondertekenaars van het convenant is om te achterhalen of alle ambities uit het convenant zijn behaald en zo nee, wat daarvoor dan de redenen zijn. De afspraken waar het gaat om het terugbrengen van het aantal periodieken per schaal in de cao en de koppeling tussen het toekennen van periodieken en de cyclus van functionerings- en beoordelingsgesprekken zijn behaald. Tegelijkertijd zien we dat, terwijl het extra geld wel wordt besteed aan de geformuleerde doelen en het totaal aantal docenten in de sector toeneemt, het percentage docenten in de LB-schaal is toegenomen, terwijl het percentage docenten in hogere schalen juist daalt. In het gesprek zal duidelijk moeten worden wat de reden hiervan is. Afhankelijk van de uitkomsten van dit overleg, zal nader bezien worden welke vervolgacties nodig zijn. Daarbij is ook relevant dat er voor 2020 al een evaluatie gepland stond voor de salarismix in de randstadregio’s in het mbo.
Bent u voornemens om enkel met de MBO Raad in gesprek te gaan of zijn er nog andere partners waarmee u het gesprek hierover aangaat?
Ik ben voornemens om in ieder geval het gesprek aan te gaan met de partijen met wie in 2008 het convenant is afgesloten, zijnde (wat betreft het mbo) de MBO Raad en de vakbonden.
De burnpits doofpot |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»?1
Ja.
Herinnert u zich nog de vraag over het openbaar maken van alle gezondheidsgevaren? Kunt u aangeven waarom u destijds niet op de proppen kwam met dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe R&D-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouwprogramma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen en te valideren zijn er in een laboratoriumopstelling beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De opzet van het TNO-onderzoek zorgde er bovendien voor dat er geen conclusies konden worden getrokken over de gezondheidsrisico’s omdat de gemeten waarden niet representatief waren voor de situatie onder operationele omstandigheden. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Bent u bereid om – met een dringend appel op uw inlichtingenplicht ex artikel 68 van de Grondwet – een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze problemen en risico’s bestaan, welke oorzaken hieraan (mogelijk) ten grondslag lagen en welke stappen zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
De inzet van militairen brengt bijzondere risico’s met zich mee. Tijdens inzet worden militairen onder meer blootgesteld aan extreme temperaturen en opereren zij in gebieden waar de luchtkwaliteit en de infrastructuur niet vergelijkbaar is met de westerse standaarden. Aan de voorkant van missies wordt daarom in principe een zogeheten «site survey» uitgevoerd. Hierbij worden de specifieke lokale en infrastructurele omstandigheden in kaart gebracht. Waar mogelijk worden risico’s vermeden dan wel beperkt. Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen omdat veel van deze informatie valt onder het medisch geheim. Door middel van de door mij eerder aangekondigde op te zetten gezondheidsmonitoring wil ik voor de toekomst meer zicht krijgen op de gezondheidsrisico’s die militairen lopen.
Deelt u de mening dat het onder de pet houden van onderzoeksresultaten, in combinatie met de overige defensiepuinhopen (o.a. chroom-6, PX10, burnpits, hitteletsels en vreselijke gewelds- en misbruikincidenten), niet alleen in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, maar ook een ambtsmisdrijf oplevert? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in de Defensienota wil Defensie transparant en betrouwbaar zijn in wat we doen en wat we bereiken. In gevallen waar er een directe relatie bestaat tussen het werken bij Defensie en gezondheidsklachten, zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Bent u bereid de verantwoordelijken van de burnpits (waaronder ook de voormalige Minister van Defensie) te bestraffen en de schade op hen te verhalen? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dit tot uw snelle actiebereidheid op het gebied van diversiteit, milieu en Europese defensiesamenwerking?
Er is nog onvoldoende duidelijkheid over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend.
Bent u bereid de slachtoffers van de burnpits een laagdrempelige en ruimhartige schaderegeling te geven door te bezuinigen op diversiteitsgedram, JSF-toestellen en een peperduur tweede regeringstoestel ter waarde van 100 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
In mijn Kamerbrief d.d. 18 april jl. (Kenmerk 35 000-X-133) heb ik de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een brede literatuurbeschouwing en de analyse van het relatief kleine aantal binnengekomen meldingen (0.3% van het totale bestand uitgezonden Nederlandse militairen). In de Kamerbrief heb ik aangegeven dat er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend. Mocht er in de toekomst meer duidelijkheid ontstaan over deze relatie, dan zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Kunt u deze vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Paspoorthandel op Malta |
|
Monica den Boer (D66), Kees Verhoeven (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Paspoorthandel: schatrijke buitenlanders kopen staatsburgerschap op Malta1», «Wat is de rol van deze Nederlandse hoogleraar bij omstreden paspoorthandel?»2 en «Onderzoek naar Groningse hoogleraar vanwege paspoorthandel Malta»?3
Ja.
Hoeveel paspoorten en visa heeft Malta in de afgelopen vijf jaar verkocht?
Volgens het rapport van de Office of the Regulator on the Individual Investor Programme (ORiip) d.d. november 2018, zijn er tot 1 juli 2018 961 paspoorten afgegeven.4
Welke nationaliteiten hebben de personen die deze paspoorten en visa hebben gekocht?
Volgens hetzelfde Oriip-rapport is er voor wat betreft paspoortafgifte over de periode 1 juli 2015 tot 1 juli 2018 een geografische verdeling bekend: 266 uit Europa, 70 uit Azië, 67 uit de Golfregio, 36 uit Afrika, 20 uit Noord Amerika, 16 uit het Midden Oosten, 4 uit Zuid Amerika, 3 uit het Caribisch gebied en 1 uit Oceanië. In de eerste editie van het rapport (2014) en de tweede editie (2015) is de geografische verdeling voor wat betreft aanmeldingen wel bijgehouden maar niet de afgifte.
Is het mogelijk dat Malta paspoorten verkoopt aan mensen die (elders) in de EU worden verdacht van of zijn veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, zoals witwassen of corruptie? Zo ja, hoe beoordeelt u dat? Zo nee, hoe kunt u dat garanderen?
De Maltese overheid geeft aan dat zij bij de aanvraag voor een Maltees paspoort een uitgebreide due dilligence toets uitvoert, onder meer bestaande uit het checken van Interpol en Europol en voor niet-EU burgers de standaard Schengentoetsing (check op onder meer EURODAC) en een toets of het politically exposed persons betreft dan wel of zij op een internationale sanctielijst voorkomen. Daarnaast wordt aanvullend onderzoek gedaan in het land van herkomst naar de achtergronden van de betreffende investeerder en gezinsleden, wat kan bestaan uit interviews met personen die de betrokkenen kennen.
Een dergelijke uitgebreide toets is helaas nooit een garantie dat er geen paspoort wordt verkocht aan de in de vraag genoemde personen.
Hoe beoordeelt u de verkoop van paspoorten door de overheid van Malta, waarbij iemand zich voor 900.000 euro kan laten naturaliseren tot Maltees, waarmee iemand indirect ook het EU-burgerschap kan kopen?
Het kabinet acht het zogenoemd verkopen van paspoorten, waardoor een derdelander ook het EU-burgerschap kan verkrijgen, een onwenselijke wijze van naturalisatie. Evenwel bepaalt elke staat zelf, op grond van internationaal recht en met inachtneming van de daarin gegeven beperkingen, op basis van zijn eigen wetgeving wie zijn onderdanen zijn. Deze nationale wetgeving wordt door andere Staten geaccepteerd voor zover zij overeenstemt met internationaal recht. Het is aan het land om vast te stellen of aan nationale (wettelijke) voorwaarden voor verstrekking van een paspoort is voldaan.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid om paspoorten te kopen criminaliteit in de hand kan werken en een halt toegeroepen zou moeten worden? Deelt u voorts de mening dat het überhaupt niet mogelijk zou moeten zijn om het Europese burgerschap te kunnen kopen? Wat gaat u doen om deze problematiek aan te kaarten bij uw Europese, en in het bijzonder uw Maltese collega’s?
De mogelijkheid om een paspoort te verkrijgen op basis van een investering kan criminaliteit in de hand werken indien er geen goede toets is op openbare orde.
Met betrekking tot de tweede vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Met betrekking tot de derde vraag wijs ik erop dat de bezorgdheid om regelingen, op basis waarvan paspoorten kunnen worden afgegeven aan buitenlandse investeerders, breder leeft binnen de EU. Zo heeft de Europese Commissie naar aanleiding van haar rapport over Investor Citizenship and Residence Schemes 2 van 23 januari jl. aangegeven dat zij de genoemde regelingen zal monitoren. Bovendien heeft zij een expertgroep in het leven geroepen die de risico’s van deze regelingen nader onderzoekt. Naar aanleiding daarvan bereidt de Commissie een gezamenlijke set van veiligheidschecks voor om risico’s op het gebied van veiligheid, witwassen en corruptie tegen te gaan. Op basis van de uitkomst van dit initiatief van de Commissie wil het Kabinet de dialoog – bij voorkeur op EU-niveau – over genoemde regelingen aangaan.
Deelt u de mening dat het verkrijgen van een EU-paspoort een logische vervolgstap kan zijn in het wegsluizen van grote sommen geld en vermogensbestanddelen, en daarmee in feite een schakel in corruptie en witwassen is, omdat het na het veiligstellen van vermogen logisch is dat mensen ongestoord van hun vermogen willen kunnen genieten? Zo ja, is hier dan geen sprake van het mogelijk faciliteren van corruptie en witwassen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan niet uitsluiten dat er gevallen zijn waarin het verkrijgen van een EU-paspoort een schakel vormt in een groter corruptie- en witwasplan. Of dit feitelijk het geval is en of er daarbij sprake is van het faciliteren van corruptie en witwassen, vergt per geval een beoordeling. Zoals gemeld in de beantwoording van vraag6 heeft Malta aangegeven een uitgebreide due dilligence toets uit te voeren bij de aanvraag van een paspoort.
Deelt u de mening dat het indirect kunnen kopen van het EU-burgerschap de veiligheid en integriteit van het vrije verkeer van personen in de Europese Unie kan ondermijnen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit het oogpunt van veiligheid en integriteit is het zorgelijk wanneer het kopen van het EU-burgerschap de uitwerking heeft zoals die recent werd geschetst in de uitzending van Nieuwsuur.
In het antwoord op vraag zes is aangegeven dat op EU-niveau dit risico ook wordt onderkend en dat Nederland bij voorkeur in EU-verband de dialoog over dit soort regelingen wil aangaan.
In hoeverre is bekend of de personen die een paspoort of visum hebben gekocht in Malta, daar ook verblijven of anderzijds een link hebben met Malta? Indien deze personen niet in Malta verblijven maar daar wel een woonadres hebben, hoe beoordeelt u dat en welke risico’s ziet u daarbij?
Het is mij niet bekend of genoemde personen die de Maltese nationaliteit hebben verkregen ook daadwerkelijk in Malta wonen. Het hebben verkregen van een nationaliteit brengt geen verplichting met zich mee om in het desbetreffende land te verblijven. Zo zijn er ook personen met een Nederlands paspoort die zelden of nooit in Nederland verblijven.
Ten aanzien van de risico’s verwijs ik naar de beantwoording van vraag7 over initiatieven terzake van de Europese Commissie.
Hoe heeft Nederland zich tot nu toe opgesteld in de Europese Unie als het gaat om visa- en paspoorthandel, en in het bijzonder bij de inspanningen van de Europese Commissie op dit terrein naar aanleiding van de initiatieven volgend op het rapport «Investor Citizenship and Residence Schemes in the European Union»?4 Ziet u aanleiding om de opstelling van het Nederlandse kabinet te veranderen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft een expert afgevaardigd naar een bijeenkomst op 5 april jl. van de expertgroep (Group of Member States Experts on Investor Citizenship and Residence Schemes) die de Commissie in het leven heeft geroepen (zie ook vraag9 en is betrokken bij het opstellen van een rapport dat de Commissie aan het schrijven is. Dit rapport zal naar verwachting aan het einde van het jaar openbaar worden. Zoals in de beantwoording van vraag 6 is aangegeven, is het verstandig om de uitkomst van deze initiatieven van de Commissie af te wachten en op basis daarvan de dialoog – bij voorkeur op EU-niveau – over genoemde regelingen aan te gaan.
Op welke wijze levert het kabinet expertise om de Europese Commissie te ondersteunen in de monitoring van deze problematiek en wat voor resultaten heeft dit tot nu toe opgeleverd? Kunt u bevestigen dat er inderdaad geen misbruik van bestaande regelingen wordt gemaakt?5
Nederland heeft een expert afgevaardigd naar een bijeenkomst op 5 april jl. van de expertgroep die de Commissie in het leven heeft geroepen (zie ook vraag11 en is betrokken bij het opstellen van een rapport dat de Commissie aan het schrijven is. Dit rapport zal naar verwachting aan het einde van het jaar openbaar worden. Ik kan op dit moment niet bevestigen dat er geen misbruik wordt gemaakt van bestaande regelingen in andere lidstaten.
Hoe beziet u het probleem dat EU-lidstaten zelf beslissen wie hun nationaliteit krijgt, maar daarmee ook zelf beslissen wie het Europese burgerschap krijgt? Is dit wenselijk volgens u? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op grond van internationaal recht, en met inachtneming van de daarin gegeven
beperkingen, bepaalt elke Staat op basis van zijn eigen wetgeving wie zijn onderdanen zijn – en derhalve ook wie het EU-burgerschap verkrijgt. Deze wetgeving wordt door andere Staten geaccepteerd voor
zover zij overeenstemt met internationaal recht. Het is aan het land om vast te
stellen of aan de nationale (wettelijke) voorwaarden voor verstrekking van een paspoort is voldaan en om te voorkomen dat daardoor mogelijkerwijs criminelen worden gefaciliteerd.
Het kabinet is van mening dat het verlenen van de nationaliteit de bevoegdheid van de EU-lidstaten moet blijven. Vanwege de relatie met het EU-burgerschap is het wel wenselijk dat, wanneer het verlenen van de nationaliteit negatieve effecten zou hebben voor andere lidstaten dit – het liefst op EU-niveau – met de desbetreffende lidstaat wordt besproken. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat de AIVD eerder heeft gewaarschuwd voor de risico’s die deze paspoorthandel met zich meebrengt? Zo ja, wat heeft u gedaan met deze waarschuwing? Welke oplossingen draagt de AIVD aan en wat heeft u daar tot nu toe mee gedaan?
Ik verwijs in dit verband naar de brief aan uw Kamer van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (kenmerk 2019Z21261). Daarin is vermeld dat vanuit het oogpunt van (nationale) veiligheid en openbare orde het zorgelijk is wanneer het Maltese programma de uitwerking heeft zoals die recent werd geschetst in de uitzending van Nieuwsuur. Belangrijk is daarom dat bij regelingen van lidstaten waarbij derdelanders het recht krijgen om vrij binnen de EU te reizen (zoals bij de paspoortregeling van Malta) een toets op gevaar voor (nationale) veiligheid en openbare orde wordt uitgevoerd.
Wat vindt u ervan dat de AIVD deze paspoorthandel een «gevaar voor de nationale veiligheid» noemt? Bent u dit met de AIVD eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ik verwijs naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (Kamerstuk 30 573, nr. 177) en de beantwoording van vraag 4 hierboven.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de AIVD dat door deze paspoorthandel «inlichtingenofficieren met kwade bedoelingen vrij kunnen reizen binnen de EU»?
Ook voor dit antwoord verwijs ik naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (Kamerstuk 30 573, nr. 177) en de beantwoording van vraag 4 hierboven.
In hoeverre is het u bekend dat deze zorgen ook bij inlichtingendiensten van andere lidstaten leven? Welke kansen ziet u om samen op te trekken met andere lidstaten en hun inlichtingendiensten om deze handel aan banden te leggen?
Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over de informatievoorziening van of de samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten.
In welke andere EU-lidstaten is het mogelijk paspoorten en visa te kopen? Hoeveel paspoorten en visa hebben deze lidstaten individueel verkocht? Welke nationaliteiten hebben de personen die deze paspoorten en visa hebben gekocht? Welke zaken vallen u op als u deze informatie bekijkt?
In het rapport van de Europese Commissie «Investor Citizenship and Residence Schemes in the European Union» d.d. 23 januari jl. staat aangegeven, dat dergelijke paspoortregelingen in drie lidstaten bestaan: Bulgarije, Cyprus en Malta. Wat betreft dergelijke visa regelingen gaat het om twintig lidstaten: Bulgarije, Tsjechië, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije en het VK.
De regering beschikt niet over eigenstandige gegevens ten aanzien van de verstrekking van paspoorten en visa aan derdelanders. Het hierboven aangehaalde rapport van de Europese Commissie stelt bovendien dat beschikbare informatie hierover incompleet is.
Welk verband is er volgens u tussen de moord op journaliste Caruana Galizia, die veel onderzoek deed naar de paspoorthandel, en de Maltese overheid die verantwoordelijkheid draagt voor de paspoorthandel in Malta? Hoe kijkt u naar het besluit dat is genomen door de Maltese overheid om een openbaar en onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de moord?
In de beantwoording van de vragen van uw Kamer over het moordonderzoek naar Daphne Caruana Galizia (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 867) heb ik verwelkomd dat de Maltese regering onlangs, conform de aanbeveling van de Raad van Europa, een openbaar onderzoek heeft ingesteld. Het kabinet ziet dit als een teken dat Malta de zaak serieus neemt en open staat voor de aanbevelingen van gezaghebbende instituties zoals de Raad van Europa. De samenstelling van de onderzoekscommissie is nog onderwerp van overleg tussen de regering en de familie. Het is aan de onderzoekscommissie om het onderzoek op onafhankelijke wijze vorm te geven.
Ik verwacht dat de Maltese overheid pas na afronding van de volledige rechtsgang en bovengenoemd openbaar onderzoek uitsluitsel zal kunnen geven over diverse vragen die er leven rondom deze afschuwelijke moord.
Hoe beoordeelt u de rol van de Nederlandse hoogleraar bij deze paspoorthandel?
Over de rol van deze hoogleraar kan het Kabinet op dit moment geen oordeel geven. Zijn rol in de advisering van de Maltese overheid is onderwerp van een onafhankelijk onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Rijksuniversiteit Groningen zal worden uitgevoerd.
Bent u van mening dat hij voldoende onafhankelijk is om te kunnen opereren als onafhankelijk academicus op de Rijksuniversiteit Groningen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ook hierover kan het Kabinet op dit moment geen oordeel vellen. Het door de Rijksuniversiteit Groningen in te stellen onderzoek zal hierover duidelijkheid moeten geven.
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen van de leden Groothuizen en den Boer, ingezonden op 24 januari 2019?6
Ja.
Bent u van mening dat u het probleem van gouden paspoorten en visa voldoende serieus neemt, gelet op uw eerdere antwoorden dat «het een probleem kan zijn als bij de afgifte van «gouden paspoorten» en «gouden visa» door lidstaten onvoldoende wordt getoetst op openbare orde en nationale veiligheid»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Kabinet neemt de risico’s van de afgifte van «gouden paspoorten» en «gouden visa» zeer serieus. Omdat het een EU-breed vraagstuk is, kijkt Nederland in de eerste plaats naar een aanpak op het niveau van de Europese Unie en steunt Nederland de Commissie in het haar streven om de regelingen te monitoren op mogelijke risico’s en op verenigbaarheid met het EU-recht.
Hoeveel mensen hebben er sinds de invoering van de toelatingsregeling voor buitenlandse investeerders7 in 2013 gebruik gemaakt van deze regeling? Kunt u aangeven of de regeling sinds hij van kracht is wel eens misbruikt is, doordat het bijvoorbeeld is ingezet voor corrupte doeleinden?
Tot nu toe zijn er minder dan 10 verblijfsvergunningen aan buitenlandse investeerders afgegeven. Van misbruik van de regeling is het Kabinet niets bekend. Met name de inschakeling van de Financial Intelligence Unit (FIU) in Nederland en in het land van herkomst van de investeerder is een effectief middel om misbruik te voorkomen.
Hoe effectief beoordeelt u de regeling? Bent u van mening dat de regeling wordt ingezet waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was? In hoeverre overweegt u de regeling stop te zetten, gelet op het feit dat de Europese Commissie zorgen heeft over zogehete «investor citizenship?
Nederland stelt, in vergelijking met overige lidstaten, hoge eisen aan haar invulling van de toelatingsregeling die borgen dat de investering van toegevoegde waarde is voor de Nederlandse economie en misbruik wordt voorkomen.
Investeringen binnen de regeling moeten van voldoende toegevoegde waarde zijn voor de Nederlandse economie. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is verantwoordelijk voor de toetsing. Er is sprake van toegevoegde waarde als de investering aan twee van de volgende criteria voldoet:14 Binnen vijf jaar worden ten minste 10 arbeidsplaatsen gecreëerd,15 De investering draagt bij aan vergroting van de innovativiteit van het Nederlandse bedrijf,16 Er is sprake van een overige niet-financiële toegevoegde waarde, zoals specifieke kennis, netwerken, afnemers en actieve betrokkenheid van de investeerder.
Ondanks de tegenvallende resultaten in het verleden, wil het kabinet bezien of via het aanpassen van de regeling deze meer potentie krijgt om een bijdrage te leveren aan het Nederlandse investeringsklimaat en (door)ontwikkeling van innovatieve bedrijven. Dit is in lijn met de inzet zoals beschreven in de Kamerbrief «Technologie en Ondernemerschap; de hoogste tijd voor een nieuwe impuls», van 3 juni 2019 van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, waarin het belang van verbinding tussen startups en buitenlandse investeerders wordt onderstreept. Mocht na één jaar blijken dat de regeling deze potentie niet heeft, dan wordt zij afgeschaft. In dit jaar wordt rekening gehouden met de door de Europese Commissie aankondigde gezamenlijk set van aanbevelingen inzake veiligheidschecks op vergelijkbare regelingen om risico’s op het gebied van veiligheid, witwassen en corruptie tegen te gaan.
De verplichte tussenkomst van de Nederlands Financial Intelligence Unit (FIU, onderdeel van de politie belast met de bestrijding van witwassen) en die van het land van herkomst blijft behouden om misbruik, bijvoorbeeld in de vorm van witwassen, in de toekomst te blijven voorkomen. Met deze tussenkomst is de Nederlandse invulling van de regeling binnen de Europese Unie uniek.
Wat vindt u van het idee om bijvoorbeeld EuropOL of de Europese Commissie onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de paspoorthandel in Malta en andere lidstaten om onafhankelijk te kunnen vaststellen wat de effecten, gevolgen en gevaren zijn van deze handel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hiervoor te pleiten bij uw Europese collega’s?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 6.
Zijn er Nederlandse bedrijven, dan wel in Nederland ingeschreven bedrijven die actief zijn in de handel in paspoorten? Zo ja, hoe beoordeelt u deze activiteiten vanuit het oogpunt van het bestrijden van witwassen en corruptie?
Het is het Kabinet niet bekend dat Nederlandse dan wel in Nederland ingeschreven bedrijven actief zijn in de handel in paspoorten.
Hoe rijmt u de Nederlandse en Europese inzet op het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit zoals witwassen en corruptie tegenover de visa- en paspoorthandel die zich in Malta en andere lidstaten afspeelt? Deelt u de mening dat dit tegenstrijdig is met elkaar? Zo nee, waarom niet?
Binnen de Europese Unie wordt actief ingezet op het tegengaan van onder meer witwassen. Dit is ook de Nederlandse inzet, zie het recente gezamenlijke paper van Nederland met Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en Letland over Europees anti-witwastoezicht. De actieve inzet leidt bijvoorbeeld tot regels op het gebied van openbare orde en nationale veiligheid en tot EU-richtlijnen inzake het voorkomen en bestrijden van witwassen. Deze maatregelen beogen complementair te zijn aan elkaar, niet strijdig. Elke lidstaat van de Europese Unie is hieraan gehouden.
Bent u nog steeds van mening dat «EU-regelgeving op dit gebied niet wenselijk [is] en naar verwachting ook geen oplossing [biedt]», zoals geschetst in uw brief van 7 februari jl.?8 Deelt u de mening dat het bestrijden van witwassen en corruptie een Europese aanpak vraagt, zoals tevens ook bepleit door dit kabinet, en dat er dus ook kritisch gekeken moet worden naar regelingen voor het verkrijgen van paspoorten en verblijfsvergunningen in ruil voor investeringen, zowel door Nederland als door de andere lidstaten en de Europese Unie tezamen?
Beide vragen kan ik bevestigend beantwoorden. Zie ook het antwoord op vraag 22.
Bent u bereid deze vragen individueel te beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk te beantwoorden voor aanvang van het plenaire debat over de paspoorthandel in Malta?
Dat is afhankelijk van het tijdstip van dat debat.
Het tekort aan netcapaciteit |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Elektriciteitsnet op steeds meer plekken vol»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het absurd is dat er massaal zonneparken en windmolens worden aangelegd, terwijl het elektriciteitsnet het niet eens aankan (aldus netbeheerder Liander)?
Ik deel de mening niet. De afgelopen jaren heeft er een snelle groei van projecten voor duurzame elektriciteitsproductie plaatsgevonden, Projecten voor duurzame elektriciteitsproductie zijn 4 a 5 keer sneller te realiseren dan aanpassingen in het elektriciteitsnet. De snelle groei is hierdoor niet bij te houden door de netbeheerders. In mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 (Kamerstuk 30 196, nr. 669) ben ik ingegaan op deze problematiek en heb hier meerdere maatregelen aangekondigd die de problematiek moet verlichten. Met bijvoorbeeld een algemene maatregel van bestuur die zo snel mogelijk in 2020 in werking treedt, kan vrijstelling kan worden gegeven voor de juridische eis dat het landelijke hoogspanningsnet redundant moet worden uitgevoerd. Hierdoor kan gebruik gemaakt worden van de spitsstrook van het net. Bijvoorbeeld in de regio Emmen kan deze algemene maatregel van bestuur in de periode tussen nu en 4 jaar voor circa 20–25% van de in de regio geregistreerde wachtenden een oplossing bieden. Begin 2020 zal ik de Kamer informeren over de voortgang van deze maatregelen.
Deelt u de mening dat het bespottelijk is dat op sommige plekken grote bedrijven niet meer op het stroomnet worden aangesloten, omdat er door deze zonneparken en windmolens niet genoeg netcapaciteit meer is?
Ik deel het door u gelegde verband niet. Zoals ook beschreven in mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 (Kamerstuk 30 196, nr. 669) zijn er gebieden in Nederland waar het elektriciteitsnet niet de capaciteit heeft om de toegenomen decentrale productie te transporteren. Andere gebieden hebben te maken met een snel groeiende vraag naar elektriciteit. Dit kan er ook toe leiden dat een aansluiting niet op korte termijn gerealiseerd kan worden. In de provincie Noord-Holland is een sterke groei in de vraag naar elektriciteit. Netbeheerders moeten inzetten op uitbreiden en verzwaren van het net zodat zo snel mogelijk de toestand is hersteld waarbij iedereen binnen een redelijke termijn de gewenste hoeveelheid elektriciteit kan transporteren of afnemen.
Deelt u de mening dat het «initiatief» van netbeheerder Liander, waarbij tuinders hun lampen moeten uitzetten wanneer er veel vraag naar stroom is, een belachelijke nepoplossing is? Bent u ertoe bereid de netbeheerder toe te staan nieuwe zonneparken en/of windmolens niet langer aan te sluiten op het elektriciteitsnet? Bent u er tevens toe bereid alle subsidies onmiddellijk te stoppen?
Ik deel de mening niet. Om de problemen die het gevolg zijn van een tekort aan transportcapaciteit te beperken, wordt in afwachting van de realisatie van de benodigde netverzwaring onder meer gezocht naar mogelijkheden om gebruik te maken van tijdelijke of structurele inkoop van flexibiliteit. Hierbij ontvangen aangeslotenen die in staat zijn hun productie of afname van elektriciteit te verhogen of te verlagen een vergoeding om door middel van die verhoging of verlaging bij te dragen aan het beperken van de congestie op het elektriciteitsnet. Deze situatie is niet onwenselijk en draagt bij aan een efficiënt gebruik van het elektriciteitsnet. De afgelopen jaren heeft er een snelle groei van projecten voor duurzame elektriciteitsproductie plaatsgevonden, een positieve ontwikkeling voor het reduceren van CO2 en voor de energietransitie. Voor het verkrijgen van de SDE+-subsidie moet door de aanvrager van nieuwe hernieuwbare elektriciteitsprojecten vanaf de najaarsronde 2019 een transportindicatie van de netbeheerder worden overgelegd waaruit blijkt dat transportcapaciteit beschikbaar is op de locatie waar de productie-installatie is voorzien. Zo wordt meer resultaat behaald met de SDE+.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat u volop pleit voor méér duurzame energie, terwijl het elektriciteitsnet dat helemaal niet kan verwerken? Deelt u de conclusie dat uw eigen klimaatagenda niet alleen onzinnig en onbetaalbaar is, maar ook nog eens onmogelijk?
Ik deel de mening niet, de inzet is om ervoor te zorgen dat het elektriciteitsnet klaar is voor de toekomst en de afspraken uit het Klimaatakkoord voor 2030 aan kan, zodat marktpartijen hernieuwbare elektriciteitsprojecten kunnen blijven realiseren. Door middel van de transportindicatie die benodigd is voor het verkrijgen van de SDE+-subsidie vanaf de najaarsronde 2019, is het de bedoeling dat projecten voor duurzame elektriciteitsproductie gerealiseerd worden op plaatsen in Nederland waar er wel ruimte is op het elektriciteitsnet. Ondertussen doen de netbeheerders er alles aan om te zorgen dat er meer ruimte op het elektriciteitsnet ontstaat op plekken waar er sprake is van onvoldoende netcapaciteit, zo investeert TenneT nu bijvoorbeeld 215 miljoen euro in netverzwaringen in Noord-Nederland.
Ik blijf dan ook in overleg met alle partijen om op alle mogelijk manieren samen te werken aan het zo snel mogelijk vergroten van de capaciteit in het elektriciteitsnet. Ik ben ervan overtuigd dat als we met alle betrokken partijen al onze creativiteit inzetten, de regelgeving wijzigen op de hierboven beschreven punten en de prikkels de goede kant op laten wijzen, we voor de energietransitie belangrijke stappen zetten.
Deelt u de conclusie dat er zonder zonneparken en windmolens helemaal geen nettekort zou zijn geweest? Bent u ertoe bereid om te stoppen met deze klimaat- en duurzaamheidswaanzin?
Nee, deze conclusie deel ik niet en nee, daar ben ik niet toe bereid.
Bent u ertoe bereid deze Kamervragen – in tegenstelling tot eerder gestelde vragen2 – nu wél afzonderlijk en volledig te beantwoorden?
Ja.
Data van werkzoekenden die massaal ontbreken bij een databank van het UWV |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel «Data arbeidsbeperkte werkzoekenden ontbreken massaal bij UWV?1
Journalisten bepalen zelf de vorm en inhoud van hun media-aanbod. Ik heb hier dan ook geen oordeel over. Voor een verdere inhoudelijke reactie verwijs ik u naar mijn antwoorden.
Kent u het «vernietigende rapport» van onderzoeksbureau Mediatest uit 2018? Hoe kan het dat dit rapport in een la verdween bij het UWV?
Ik heb kennisgenomen van het rapport. UWV heeft het rapport medio september jl. aan mij toegezonden en op 1 oktober jl. ook zelf gepubliceerd op haar website. Ik heb het rapport ook meegezonden als bijlage bij deze brief.2 Het is goed dat UWV zelf onderzoek doet in het kader van haar reguliere taken en daar ook vervolgacties aan verbindt. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de leer- en verbetercyclus binnen UWV. Het is gebruikelijk dat UWV dergelijke interne onderzoeken niet publiceert. Op deze manier kunnen respondenten (waaronder medewerkers) bijvoorbeeld vrijelijk verbeterpunten aandragen.
De bevindingen van het rapport zijn niet nieuw, ze sluiten aan bij de beelden die al bestonden over regionale verschillen in dienstverlening en het belang voor gemeenten3 en UWV om hun kandidaten goed in beeld te hebben en zichtbaar te maken voor werkgevers4. Ook het beperkte gebruik en bruikbaarheid van de kandidatenverkenner banenafspraak en de verwachtingen daarbij van werkgevers zijn niet nieuw5.
Ik wil daarom in mijn antwoord de kandidatenverkenner banenafspraak (hierna: kandidatenverkenner) in een bredere context plaatsen.
Werkgevers en werkzoekenden moeten elkaar veel beter vinden, daar heb ik zorgen over, zo gaf ik aan in mijn brief over het breed offensief van 20 november 2018. Daarom loopt in 2019 en 2020 samen met alle betrokken partijen het programma Perspectief op Werk met 2 x € 35 miljoen voor de arbeidsmarktregio’s. Een intensievere samenwerking tussen publieke en private partijen in alle 35 arbeidsmarktregio’s moet zorgen voor goede matches tussen werkzoekenden en beschikbaar werk. De doe-agenda perspectief op werk zorgt ervoor dat elke regio actief aan de slag gaat met het in kaart brengen van de mensen die willen en kunnen werken, maar niet zelfstandig aan het werk kunnen komen. Dit vraagt van alle partijen inzet.
Voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod is de toegang tot digitale profielen van kandidaten behulpzaam voor werkgevers. De kandidatenverkenner geeft werkgevers inzicht in anonieme profielen van kandidaten die behoren tot de doelgroep banenafspraak. Dus ook profielen van kandidaten die al (tijdelijk) aan het werk zijn. Het gaat daarbij veelal om mensen die in meer of mindere mate een vorm van begeleiding of aanpassingen van het werk of de werkplek nodig hebben en dat vraagt maatwerk. Het is goed om hier bewust van te zijn in het gebruik van de kandidatenverkenner. De Kandidatenverkenner is geen zelfstandig matchingssysteem.
Werkgevers die verder kijken in de kandidatenverkenner dan de profielen van kandidaten die «direct beschikbaar» zijn vinden meer potentiële kandidaten. Ook andere kandidaten zijn immers beschikbaar voor werk middels begeleiding. Vervolgens kan een werkgever extra informatie over de gewenste kandidaat opvragen bij het werkgeversservicepunt (WSP) naar keuze en om te komen tot een definitieve selectie. Een kandidaat moet altijd instemmen om aan de werkgever voorgesteld te worden. Vervolgens brengt het WSP beide met elkaar in contact. De kandidatenverkenner Banenafspraak is een extra zoekmogelijkheid voor werkgevers. Voor het matchen is altijd contact nodig met het publieke werkgeversservicepunt. Werkgevers doen er goed aan gebruik te maken van de publieke werkgeversservicepunten in de 35 arbeidsmarktregio’s en de dienstverlening voor landelijke en bovenregionale werkgevers van UWV en gemeenten.
De kandidatenverkenner wordt geleidelijk door UWV en gemeenten gevuld met meer complete profielen. De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak.
Het aantal profielen en de kwaliteit van de profielen kan echt beter. UWV en gemeenten moeten hun werkzoekenden in beeld hebben en ook houden (persoonlijke dienstverlening) om ze in de digitale systemen te kunnen invoeren en ook bij het matchen daarna zijn gesprekken met kandidaten en werkgever nodig.
Ook al zijn er veel wensen voor verbetering, er is nu geen alternatief instrument beschikbaar op landelijk niveau dat werkgevers rechtstreeks inzicht geeft in kandidaten van UWV en gemeenten. Voor het verbeteren van het inzicht in de profielen van werkzoekenden op de langere termijn is het Ministerie van SZW samen met VNG en UWV het programma Verbeteren Uitwisseling Matchingsgegevens (VUM) gestart. Dit moet leiden tot één landelijke standaard voor matchingsgegevens en digitale gegevensuitwisseling, welke in een later stadium ook in het Besluit SUWI zal worden opgenomen. Hierover heb ik uw Kamer recent geïnformeerd6.
De resultaten van de banenafspraak laten overigens zien dat er voor mensen met een arbeidsbeperking veel meer banen zijn gekomen. De opgave voor markt en overheid tot en met 2018 was om 43.500 extra banen te realiseren. De doelstelling van 43.500 banen is met 51.956 extra banen ruim gehaald. In totaal, inclusief de 75.179 banen ten tijde van de nulmeting, zijn er eind 2018 127.135 banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak7.
Deelt u de mening dat dit rapport openbaar gemaakt had moeten worden? Hoe oordeelt u over de handelwijze van het UWV hieromtrent?
Zie hiervoor het antwoord bij vraag 2.
Wat zijn de totale kosten van de kandidatenverkenner tot op heden (inclusief de 1,3 miljoen euro aan ICT-kosten)?
UWV geeft aan dat de incidentele ontwikkelkosten in totaal 1.3 mln. euro bedroegen. Het instrument is nu in regulier beheer en het gebruik is voor werkgevers en gemeenten gratis.
Deelt u de mening dat de gemaakte kosten in geen verhouding staan tot het aantal geplaatste kandidaten (in 2017 en 2018 rond de honderd personen)?
De doelstelling van de banenafspraak voor 2018 is ruimschoots gehaald8. Het is niet mogelijk om te bepalen welk aandeel de Kandidatenverkenner hierin heeft gehad. De Kandidatenverkenner fungeert immers niet als een zelfstandig matchingssysteem9. Er is altijd meer nodig voor een match. Bijvoorbeeld inschakeling van de medewerkers van het betreffende werkgeversservicepunt voor een persoonlijk gesprek met kandidaten.
De motie van Heerma en Schouten van 29 maart 2016 verzocht de regering om, voor de zomer (van 2016) mogelijk te maken dat werkgevers direct toegang krijgen tot de profielen van mensen uit de doelgroep van de Participatiewet in de bestanden van het UWV10. Daar is door mijn ambtsvoorganger Klijnsma gehoor aan gegeven. UWV heeft daarop de kandidatenverkenner ontwikkeld in nauwe samenwerking met gemeenten en werkgevers.
Deelt u de mening dat de mensen met een arbeidsbeperking door het falen van de kandidatenverkenner dubbel gepakt worden, aangezien zij al getroffen werden door het sluiten van de sociale werkvoorziening (SW)-bedrijven door het kabinet Rutte II?
Nee, de resultaten van de banenafspraak laten zien dat er voor mensen met een arbeidsbeperking veel meer banen zijn gekomen. Zie hiervoor verder het antwoord bij vraag 2. In de afgelopen jaren hebben verschillende wijzigingen plaatsgevonden in de uitvoering van de sociale werkvoorziening. Van het sluiten van de sociale werkvoorziening is geen sprake, sinds 2015 is nieuwe instroom niet meer mogelijk. Er is binnen de Participatiewet nog steeds beschut werk mogelijk voor de doelgroep die daarop is aangewezen, ook voor de groep die eind 2014 op de Wsw-wachtlijst stond. Mensen die conform de oude Wet sociale werkvoorziening (Wsw) werken, behouden hun rechten en banen. Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij hun uitvoering van de benodigde functionaliteiten willen organiseren. Sociale werkbedrijven die voorheen voornamelijk de Wsw uitvoerden vormen zich sinds de invoering van de Participatiewet om tot toekomstbestendige bredere sociaal ontwikkelbedrijven met verschillende organisatievormen. Gemeenten kiezen soms voor een gehele of gedeeltelijke fusie met de gemeentelijke sociale dienst. Bij een andere keuze treden gemeenten uit een Gemeenschappelijke Regeling (GR), maar blijven zij via een inkooprelatie wel diensten van het sociaal ontwikkelbedrijf afnemen. Hoe de organisatie ook vorm krijgt, mensen die conform de oude Wsw werken behouden hun rechten en banen.
Ik interpreteer deze veranderingen als noodzakelijk om de Participatiewet op een goede wijze uit te kunnen voeren en beschouw dit niet als sluiting of afbraak van sociale werkbedrijven, maar als toekomstbestendige omvorming van de uitvoering. Daar bestaat mijns inziens ook niet één model voor, maar kunnen verschillende keuzes in worden gemaakt. Ik vind het belangrijk dat deze kwetsbare groep de benodigde ondersteuning krijgt en, als dat mogelijk is, weer aan het werk komt.
Is een investering in het werkbaar maken van de kandidatenverkenner werkelijk de beste optie, gezien de hoge kosten en de lage output tot dusverre? Bent u bereid een kosten-batenanalyse hieromtrent te maken?2
Van tijdrovende en daarmee kostbare aanpassingen aan de kandidatenverkenner is geen sprake. Kleine aanpassingen worden in het reguliere onderhoud meegenomen door UWV. Ik zie daarmee geen aanleiding om een kosten-batenanalyse te laten maken.
Het kabinet investeert in het kader van het breed offensief volop in het beter werkend krijgen van het matchen tussen de werkzoekenden van UWV en gemeenten met grote afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder de doelgroep banenafspraak. Naast Perspectief op Werk maak ik ook afspraken met VNG en UWV over het structureel verbeteren van de werkgeversdienstverlening en het matchen in de arbeidsmarktregio’s. Deze afspraken betreffen de invulling van drie randvoorwaarden die gelden voor alle arbeidsmarktregio’s en worden opgenomen in de SUWI regelgeving:
Vanaf 2021 wordt jaarlijks 17 miljoen euro ingezet voor het versterken van de 35 arbeidsmarktregio’s12. Hierover heb ik uw Kamer recent geïnformeerd13.
Is het juist dat uw ministerie in samenwerking met gemeenten en UWV bezig is een nieuwe landelijke dataset op te zetten? Denkt u werkelijk dat dit een oplossing gaat bieden?
Ja, als onderdeel van het breed offensief, zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 7. Voor de registratie en transparant maken van werkzoekenden maken gemeenten op dit moment gebruik van de ICT systemen die het UWV daarvoor heeft ontwikkeld. Maar in de praktijk blijkt dat dit niet altijd gebeurt. Want gemeenten werken vaak ook met eigen, onderling verschillende, ICT systemen die beter aansluiten bij de gemeentelijke taken en processen. Om gegevens te tonen in de Kandidatenverkenner betekent dit óf tweemaal invoeren óf gegevens beschikbaar maken en inlezen bij UWV. Daarom worden nu in het kader van het breed offensief met VNG en UWV afspraken gemaakt om in de toekomst de digitale uitwisseling van matchingsgegevens tussen de verschillende ICT systemen van UWV, gemeenten en private partijen beter mogelijk maken, door landelijke standaarden af te spreken over de gegevensset en de digitale uitwisseling. Niet alleen voor de doelgroep banenafspraak, maar voor de brede doelgroep werkzoekenden van gemeenten en UWV. Werkgevers geven aan dat zij hiermee makkelijker kandidaten kunnen vinden.
Voor het transparant maken van profielen van werkzoekenden blijft het ook bij zo’n andere aanpak op langere termijn van belang dat gemeenten en UWV hun kandidaten goed in beeld hebben en houden en daarvoor capaciteit voor persoonlijke dienstverlening inzetten. Vervolgens moeten zij gegevens van kandidaten goed blijven bijhouden en deze gegevens digitaal beschikbaar (transparant) maken. Daarbij moeten ook de rechten van kandidaten goed zijn geborgd (privacy).
In hoeverre is de online kaartenbak overbodig geworden, nu blijkt dat werkgevers liever naar een werkgeversservicepunt in de regio gaan «omdat je daar een gesprek kan voeren»?
De kandidatenverkenner is op dit moment nog niet overbodig geworden. Een aantal regio’s en werkgevers maakt er gebruik van (zo blijkt ook uit het UWV rapport) en werkgevers willen zelfstandig toegang tot profielen van mogelijke kandidaten. Het is belangrijk dat werkgevers de weg naar het werkgeversservicepunt in de regio weten te vinden, daarin kan de kandidatenverkenner een hulpmiddel zijn. Ook is het belangrijk dat gemeenten en UWV verder gaan met het vullen van de kandidatenverkenner parallel aan het realiseren van de structurele verbeteringen via het breed offensief. Wanneer de structurele verbeteringen zijn gerealiseerd zal ik de kamer informeren over de verdere levenscyclus van de kandidatenverkenner banenafspraak. Zie tevens het antwoord bij vraag 5 en 7.
Erkent u dat er de afgelopen jaren te veel is bezuinigd op de taken van het UWV? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de afgelopen jaren hebben taakstellingen grote invloed gehad op de vormgeving van de dienstverlening, maar ook op zaken als controle en handhaving binnen UWV. Het is van belang dat er een goede balans is tussen ambities en middelen in de uitvoering; dit is onderdeel van de reguliere gesprekscyclus tussen SZW en UWV.
Hoe gaat u voorkomen dat het UWV veel tijd kwijt is aan een tijdrovende aanpassing van het IT-systeem?3
Zie het antwoord bij vraag 8.
Hoe kan het dat signalen van de mensen op de werkvloer over de kandidatenverkenner zo slecht zijn opgepikt door bestuur en directie van het UWV?
Dit onderzoek onder werkgevers, intermediairs en medewerkers van UWV op Werkgeversservicepunten is uitgevoerd op initiatief en in opdracht van UWV.
Dit laat zien dat UWV oog heeft voor wensen en signalen bij gebruikers van de kandidatenverkenner, waaronder ook medewerkers van UWV zelf.
Hoe gaat u de dienstverlening van het UWV aan mensen met een arbeidsbeperking verbeteren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Het bericht ‘Family of murdered Maltese journalist raise concerns over public inquiry’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Family of murdered Maltese journalist raise concerns over public inquiry»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat de moord op de Maltese anti-corruptie journalist Daphne Caruana Galizia geheel onafhankelijk wordt onderzocht?
De afschuwelijke moord op de onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia krijgt terecht veel aandacht, ook in Nederland, en verdient zoals eerder door mij is aangegeven, een grondig onderzoek.
Ik verwelkom het feit dat de Maltese regering onlangs, conform de aanbeveling van de Raad van Europa, een openbaar onderzoek heeft ingesteld en zie dit als een teken dat Malta de zaak serieus neemt en open staat voor de aanbevelingen van gezaghebbende instituties zoals de Raad van Europa. De samenstelling van de onderzoekscommissie is nog onderwerp van overleg tussen de regering en de familie. Het is aan de onderzoekscommissie om het onderzoek op onafhankelijke wijze vorm te geven.
Deelt u de mening dat voor een onafhankelijke onderzoekscommissie het noodzakelijk is dat zij geen banden hebben met personen die de vermoordde journalist onderzocht en er geen enkele twijfel mag bestaan over de onafhankelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de onafhankelijkheid van de leden van de onderzoekscommissie naar de moord op Daphne Caruana Galizia in twijfel te trekken valt, vanwege relaties met personen die de journalist onderzocht en vanwege een afhankelijkheidsrelatie van de regering? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, in het kader van rechtsstatelijke ontwikkelingen in de Europese Unie, dit onderwerp te bespreken met uw Maltese collega en er bij hem op aan te dringen dat de onderzoekscommissie geheel onafhankelijk moet zijn?
Het Kabinet blijft, zoals in eerdere beantwoording door mij aangegeven, deze kwestie op de voet volgen. Dit geldt ook voor de Raad van Europa en de Europese Commissie, die aangaven de ontwikkelingen rondom het proces zorgvuldig te bekijken.
Het onderwerp stond niet geagendeerd tijdens de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 7 en 8 oktober jl of de Raad Algemene Zaken van 15 oktober jl. De regering van Malta heeft een openbaar onderzoek ingesteld en is hierover in overleg met de familie van Daphne Caruana Galizia. Op dit moment is er daarom wat het kabinet betreft geen noodzaak de kwestie binnen de EU te agenderen.
Bilateraal blijft Nederland de zaak en het belang van gedegen en onafhankelijk onderzoek bij Malta onder de aandacht brengen. De Nederlandse ambassade volgt de ontwikkelingen op de voet en brengt de Nederlandse zorgen op in gesprekken met vertegenwoordigers van de Maltese overheid. Ook ik breng de zaak regelmatig op in gesprekken die ik voer met mijn Maltese collega.
Bent u van plan deze situatie en de vragen die het oproept over de rechtsstatelijkheid in Malta te bespreken met uw Europese collega’s? Bent u van plan dit te bespreken tijdens de Raad Algemene Zaken van 15 oktober 2019 en/of de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 7/8 oktober 2019? Kunt u deze vragen beantwoorden voor deze Raden?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich uw BNC-fiche «Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie» van 29 mei 2019 herinneren? Kunt u daaruit de uitspraak «Als waardengemeenschap zijn de EU en haar lidstaten verplicht om erop toe te zien dat de democratische rechtsstaat binnen de Unie wordt gerespecteerd en versterkt»2 herinneren? Kunt u uw inzet op rechtsstatelijkheid in Malta toelichten in licht van deze uitspraak?
Nederland acht het van groot belang dat de rechtsstaat in de Europese Unie en haar lidstaten goed functioneert, en maakt zich hiervoor samen met gelijkgezinde lidstaten in Europees verband sterk.
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen van het lid Leijtern (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 1481) heb aangegeven, worden in de rapportage van de Venetië Commissie zorgen geuit over het functioneren van onderdelen van de rechtsstaat in Malta, en worden aanbevelingen gedaan.
Het kabinet neemt de zorgen van de Venetië Commissie serieus, en ziet graag dat Malta de aanbevelingen uit het rapport overneemt. Het kabinet vindt het bemoedigend dat de Maltese regering heeft aangegeven de aanbevelingen en conclusies in het rapport op te willen volgen. Malta heeft inmiddels de aanbeveling opgevolgd om de verantwoordelijkheden van de Procureur-Generaal te splitsen. Andere aanbevelingen worden momenteel door Malta bestudeerd. Het kabinet blijft de ontwikkelingen volgen en is bereid, als verdere stappen uitblijven, hierover het gesprek aan te gaan met Malta.
Hoe ziet u de rechtsstatelijke situatie in Malta? Deelt u de mening dat effectief onafhankelijk onderzoek en rechtspraak essentieel zijn? Hoe duidt u specifiek de rechtsstatelijke situatie in Malta in het kader van «bevorderen, voorkomen, handhaven»?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het rapport van de Venetië-Commissie van de Raad van Europa over Malta?3 4 Bent u van mening dat Malta alle aanbevelingen uit dat rapport moet implementeren? Bent u op de hoogte hoe ver Malta hiermee is? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ervan op de hoogte dat er nog steeds strafzaken in het kader van smaad en laster lopen tegen Daphne Caruana Galizia?5 Bent u het eens dat deze zo spoedig mogelijk moeten worden ingetrokken? Bent u bereid uw Maltese collega hierop aan te spreken? Kunt u uw mening toelichten?
Het is aan de Maltese rechter om over deze zaken een uitspraak te doen.
Kunt u de Kamer informeren over de relevante ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Malta?
Zie beantwoording van de vragen 7–9.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk te beantwoorden voor aanvang van het plenaire debat over de paspoorthandel in Malta?
Ja, op het moment van schrijven is een debat nog niet ingepland.
Een door de Europese Unie gefinancierd Turks rapport over islamofobie |
|
Raymond de Roon (PVV), Vicky Maeijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent gepubliceerde rapport «European Islamophobia Report 2018»?1
Ja.
Klopt het dat de opsteller van het rapport (de Turkse denktank SETA) nauwe banden onderhoudt met de regerende AK-partij van president Erdogan?2
De Turkse denktank SETA is formeel een onafhankelijke denktank. Uit publicaties en de werkwijze van SETA kan wel worden geconcludeerd dat deze organisatie qua gedachtegoed dicht staat bij de AK-partij.
Bent u bekend met het feit dat deze dubieuze Turks-islamitische denktank eerder een rapport heeft uitgebracht waarmee kritische journalisten werden gecriminaliseerd?3
Ja.
Klopt het dat de Europese Unie dit propagandavehikel van president Erdogan en zijn AK-partij financiert, zoals onder meer op de kaft van het rapport staat?
SETA ontving samen met het Leopard Weiss Institute for the Study of Contemporary Muslim Life and Thought vanuit het EU-Turkey Civil Society Dialogue (CSD) programma financiering voor het rapport genoemd in vraag 1.
Vanuit het CSD-programma worden in totaal 40 projecten gesteund die door Europese en Turkse non-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd. In dit specifieke geval is 90% van het totaalbudget van € 126,951.81 voor deze publicatie van SETA door CSD gefinancierd. Het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken beheert het CSD-programma. De EU stelt strikte richtlijnen op voor de selectie van projecten, maar is niet betrokken bij de uiteindelijke selectie. Dat gebeurt door het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoals vermeld op de tweede pagina van de onderhavige publicatie, is de EU niet verantwoordelijk voor de inhoud van rapportages en onderschrijft de EU deze niet noodzakelijkerwijs.
Het CSD-programma wordt gefinancierd in het kader van de pretoetredingssteun aan Turkije.
Zo ja, hoeveel EU-subsidie heeft deze «denktank» gekregen, uit welk potje komt het geld en met welk doel is het naar Ankara overgemaakt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het rapport – waarin de PVV en FvD als extreemrechts worden bestempeld en islampartijen als DENK en NIDA worden geprezen – pure moslimpropaganda is, bedoeld om de slachtofferstatus van moslims op te poetsen?
Ik kan mij voorstellen dat lezers het rapport als eenzijdig beschouwen. Ik kan mij echter niet vinden in de woordkeuze in uw vraag. In het algemeen kan gesteld worden dat het kabinet staat voor een samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn, vorm kan geven aan zijn of haar leven en kan geloven wat hij of zij wil. Kennis die bijdraagt aan het beter kunnen aanpakken en voorkomen van discriminatie is hiervoor van belang.
Wilt u ervoor zorgen dat Brussel de absurde financiering van de Turkse denktank SETA per direct stopzet? Zo nee, waarom niet?
SETA ontving financiering uit het CSD-programma voor een specifieke publicatie. Deze publicatie is inmiddels verschenen. Daarnaast geldt dat Nederland in Europees kader reeds geruime tijd de opschorting bepleit van preaccessiesteun aan Turkije, conform de motie Roemer/Segers (Kamerstuk 32 823, nr. 158) en de motie Van der Graaf (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2058). Hier is echter onvoldoende draagvlak voor.
De bescherming van Nederlands cultureel erfgoed |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het advies «Van terughoudend naar betrokken» van de Raad voor Cultuur?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat de bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland tekort schiet? Bent u van plan maatregelen te treffen om de Collectie Nederland beter te beschermen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het beschermen van cultureel erfgoed, ook het erfgoed dat in handen is van particulieren, is zeer belangrijk. Het is noodzakelijk dat wat we voor Nederland bewaren met de tijd meegaat. Het beleid was hierin naar mijn optiek te terughoudend. Om te beoordelen of de bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in de wet goed geborgd is en welke instrumenten de wet hiervoor biedt, is aan de commissie-Pechtold gevraagd hier naar te kijken. De commissie heeft een gedegen beeld geschetst van de mogelijkheden om de bescherming van cultureel erfgoed in particulier bezit te versterken. Het advies laat zien dat de huidige wet- en regelgeving veel handvatten biedt, maar dat een andere invulling van beleid nodig is. In mijn beleidsreactie op dit rapport, heb ik uiteen gezet welke actie ik ga ondernemen voor een betere bescherming.
Had de verkoop van de Rubens-tekeningen aan het buitenland, gezien de conclusies van de commissie, mogelijk kunnen worden voorkomen? Welke maatregelen gaat u nemen om een verkoop zoals die van de Rubens-tekeningen in de toekomst te voorkomen?
We kunnen niet met terugwerkende kracht zeggen wat er was gebeurd met de Rubens-tekening als het advies van de commissiePechtold al zou zijn geïmplementeerd. Zoals al geantwoord op vraag 2, staat in mijn reactie op dit advies hoe ik mij zal inzetten voor de bescherming van cultuurgoederen voor Nederland in de toekomst.
Hoe leest u het oordeel van de commissie dat een scherpe, actuele visie op de Collectie Nederland ontbreekt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vond het beleid ten aanzien van de Collectie Nederland te terughoudend. Ik zag dat er aanleiding was om het beleid en het instrumentarium tegen het licht te houden. Ik heb daarom de commissie-Pechtold gevraagd om hierover te adviseren. Zoals ik in mijn beleidsreactie heb aangegeven, zie ik dat het advies veel aanknopingspunten biedt om te komen tot een nieuwe visie op de Collectie Nederland.
Bent u het eens met het oordeel van de commissie dat er wordt gehandeld vanuit de gedachte dat de Collectie Nederland «af» zou zijn? Erkent u dat er sprake is van terughoudendheid bij de overheid in verdere vorming van zowel het publieke als het particuliere deel van de Collectie Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in mijn beleidsreactie aangeef, deel ik het beeld dat de Collectie Nederland dynamisch van aard is, en dit geldt evenzeer voor het beleid daaromtrent. Daarom vond ik het nodig te komen tot een herziening van het beleid van mijn voorgangers.
Wat vindt u van het oordeel van de commissie dat de vorming van de Collectie Nederland berust op «puur toeval»? Bent u het eens dat een overkoepelende visie ten opzichte van de samenstelling van de Collectie Nederland ontbreekt? Zo ja, wat gaat u doen om dit te veranderen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik aangeef in mijn reactie op het advies, zie ik dat er aanleiding is om de visie, het beleid en de uitvoering ten aanzien van de Collectie Nederland te herzien.
Wat vindt u van de constatering van de commissie dat er in het register belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen ontbreken of juist onnodig in het register staan vermeld? Bent u het met de commissie eens dat er geen sprake is van een verantwoorde samenstelling van het register? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Ik constateer dat de inhoud van het register het resultaat is van het gevoerde beleid uit het verleden. Ik merk op dat in dit beleid niet alleen het belang van cultuurgoederen daarbij een rol speelde, maar vooral ook de urgente bedreiging ervan in het licht van de Collectie Nederland. Dit verklaart bijvoorbeeld dat er diverse bijzonder kerkelijk erfgoed op de lijst staat als gevolg van de acute sluiting van kerken. Dit verklaart ook dat er geen werken van Mondriaan en Van Gogh op de lijst staan omdat die (gelukkig) ruimschoots onbedreigd deel uit maken van de collecties in onze publieke musea. Ik heb in mijn beleidsreactie aangegeven hoe ik hier in de toekomst mee om zal gaan.
Bent u het eens met de conclusie van de commissie dat de wettelijke bescherming van cultuurgoederen op papier goed geregeld is, maar in de uitvoering onvoldoende is en weinig transparant? Kunt u uw antwoord toelichten?
In mijn beleidsreactie op het advies heb ik aangegeven hoe ik in de toekomst de uitvoering wil inrichten en welke acties ik hiertoe ga ondernemen.
Zult u opvolging geven aan de oproep van de commissie om actiever gebruik te maken van uw bevoegdheid om belangwekkende cultuurgoederen aan te wijzen als «beschermd»? Kunt u uw antwoord toelichten?
In mijn beleidsreactie heb ik omschreven hoe ik omga met mijn bevoegdheden om cultuurgoederen in de toekomst voor de collectie Nederland te behouden.
Bent u van plan om een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie in te stellen die als taak krijgt het cultuurgoed in Nederland te inventariseren en actualiseren zoals de commissie adviseert?
Ja.
Een Afghaanse tolk die vreest voor zijn leven omdat hij Nederland dreigt te worden uitgezet. |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Tolk vreest uitzetting: Ik kan beter hier sterven dan in Afghanistan»1
Uit het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken van 1 maart 2019 over Afghanistan kwam naar voren dat burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP. Daarom is deze groep in het landgebonden asielbeleid als risicogroep toegevoegd.3
Dit betekent dat iemand op basis van geringe indicaties voor bescherming in aanmerking kan komen. Afhankelijk van de individuele omstandigheden wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaald of betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor bescherming. Het behoren tot een risicogroep betekent echter niet dat er automatisch recht op bescherming ontstaat. Personen die in Afghanistan als tolk hebben gewerkt voor Nederland of andere buitenlandse troepen werden in beginsel tot deze risicogroep gerekend.
Op 12 november 2019 is door uw Kamer een motie4 van het lid Belhaj c.s. aangenomen om tolken als systematisch vervolgde groep aan te merken. Het kabinet heeft besloten om conform de motie, systematische vervolging aan te nemen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire missies in Afghanistan. Dat betekent dat personen die tot deze categorie behoren voor bescherming in Nederland in aanmerking komen, tenzij het asielverzoek kan worden afgewezen bijvoorbeeld omdat er verboden gedragingen zijn gepleegd als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van de Dublinverordening of er sprake is van een veilig derde land. Een meer uitgebreide reactie op de motie ontvangt u via een separate brief aan uw Kamer.
Bent u bereid om Afghanen die bijvoorbeeld als tolk hebben gewerkt voor westerse mogendheden en daarmee in de ogen van de Taliban met de vijand hebben geheuld, categoriale bescherming te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat mensen die met gevaar voor eigen leven voor de bondgenoten van Nederland hebben gewerkt, te allen tijde bescherming verdienen? Zo nee, hoe rijmt u dat met de uitspraak van de Minister van Defensie over Afghaanse tolken: «Mensen die met gevaar voor eigen leven voor ons hebben gewerkt, verdienen onze aandacht en zorg»?2
Zie antwoord vraag 1.
Welke aanleiding heeft u om te veronderstellen dat Afghaanse tolken die voor de Amerikanen hebben gewerkt geen gevaar lopen, terwijl u Afghaanse tolken die voor Nederland hebben gewerkt wel bescherming biedt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel tolken die hebben gewerkt voor westerse mogendheden zijn op dit moment ondergedoken in Afghanistan? Hoeveel van deze tolken zijn inmiddels gedood?
Ik beschik niet over deze informatie. Ik kan deze vraag derhalve niet beantwoorden.
Hoe rijmt u het eventuele terugsturen van deze tolk met het beginsel van non-refoulement?
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen 1 t/m 4 en 7 wordt elke aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld. Hierbij wordt ook gekeken of het terugsturen van een persoon naar het land van herkomst niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
Bent u bereid om de uitzetting van Afghaanse tolken te staken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Seksuele intimidatie op de werkvloer bij universiteiten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Universiteiten bieden onvoldoende bescherming tegen intimidatie op de werkvloer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat klachten over seksuele en wetenschappelijke intimidatie veelal niet serieus worden genomen in de academische wereld? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, hoe verklaart u dat de respondenten in het onderzoek aangeven dat slechts de helft van de klachten in behandeling is genomen, waarvan slechts één klacht naar tevredenheid is afgehandeld?
Ik herken het beeld dat in de studies wordt geschetst en ik zie dat seksuele en wetenschappelijke intimidatie een probleem vormt binnen de academische wereld. Tegelijkertijd zie ik dat het onderwerp serieus wordt opgepakt en hoog op de agenda staat. De rapporten van het LNVH en het FNV/VAWO over dit onderwerp hebben zowel de Kamer, het ministerie als de universiteiten tot actie aangespoord. Zodoende heeft VSNU dit voorjaar een statement uitgebracht waarin alle vormen van intimidatie en wangedrag door de universiteiten worden verworpen.2 Op dit moment zijn er veel acties in gang gezet door alle universiteiten, zoals verschillende trainingen en het herzien van hun eigen procedures rond meldingen van intimidatie. Intimidatie betreft een veelzijdig en diepgeworteld probleem, waar meerdere initiatieven nodig zijn om een cultuuromslag kracht bij te zetten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met universiteitsbestuurders over seksuele en wetenschappelijke intimidatie op de werkvloer en het serieus nemen van klachten? Zo nee, hoe duidt u dat universiteitsbestuurders volgens de onderzoeker stellen dat wangedrag op hun universiteit niet voorkomt?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Ik ben hierover al in gesprek met de VSNU. Bovenal spreek ik de universiteiten aan op hun rol als goede werkgever. Ik kom daarbij geen bestuurders tegen die beweren dat wangedrag in hun instelling niet voorkomt. De opmerking in het artikel komt dan ook niet overeen met mijn beeld. Sinds de publicatie van rapporten zoals «Harassment in Dutch academia»3 is er een actieve discussie op gang gekomen, waarin ik zie dat het probleem wordt erkend en besproken. De verschenen rapporten schetsen de status quo vóór deze discussie, op dit moment zijn alle partijen betrokken om intimidatie te bespreken en bespreekbaar te maken.
Deelt u de opvatting van de onderzoeker dat we slechts het topje van de ijsberg in kaart hebben waar het gaat om seksuele en wetenschappelijke intimidatie? Wat gaat u eraan doen om hier een completer beeld van te krijgen waarmee we preventiever kunnen optreden, slachtoffers een helpende hand kunnen bieden en plegers kunnen aanpakken?
Aangezien er een lage meldingsfrequentie in de studie naar voren komt, hebben we inderdaad geen zicht op de werkelijke omvang van het probleem. Elk incident is er echter één te veel. Daarom wil ik ook niet met actie wachten totdat we meer data hebben. Het beeld is en blijft helder. De VSNU (en haar leden) heeft bij mij aangegeven dat zij maatregelen hebben genomen – en blijft nemen – om verdere misstanden te voorkomen.
Verder loopt er op dit moment een pilot ombudspersoon binnen vier universiteiten. In december is een tussenevaluatie van deze pilots gereed. Deze tussenevaluatie wordt betrokken bij het vervolg op de motie Van Meenen. Op basis van deze gegevens informeer ik de Kamer zo snel mogelijk daarna over het vervolgproces, zoals u verzoekt in uw Commissiebrieven met kenmerk 2019D40244 en 2019D41543. Daarbij zal ik ook nader ingaan op de stappen die universiteiten nu nemen. Daarnaast ben ik met de KNAW en LNVH in gesprek over een mogelijk onderzoek naar de preventie en aanpak van intimidatie, dit ook gezien de samenhang van toekomstige acties met wetenschappelijke integriteit en wetenschapsbeleid.
Wat is uw reactie op de door de onderzoeker geponeerde stelling dat vertrouwenspersonen onvoldoende onafhankelijk zijn als het om seksuele en wetenschappelijke intimidatie gaat? Hoe kijkt u in dit licht aan tegen de suggestie om een onafhankelijk nationaal instituut op te richten?
Momenteel zijn enkele universiteiten bezig met het invullen van een ombudsfunctie. De VSNU en ik willen de uitkomsten hiervan afwachten, maar zijn zeker van plan verdere stappen te nemen. Ik hoop dat de ombudsfunctie een belangrijke rol kan vervullen, maar wil ook benadrukken dat een ombudspersoon geen panacee vormt om intimidatie op te lossen. Uit mijn gesprekken met het veld lijkt één nationaal instituut geen oplossing te vormen voor het probleem. Op de lange termijn dient de cultuur binnen universiteiten te veranderen, om zo wangedrag te voorkomen. Verder hoop ik dat mijn inspanningen om het universitaire systeem minder competitief te maken, door samenwerking te bevorderen, op termijn ook een positieve invloed heeft op de algemene cultuur binnen universiteiten.
Het bericht dat hypotheekverstrekkers toegang tot studieschuldgegevens bij DUO kunnen vragen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het voornemen van softwarebedrijf Ockto om de gegevens van studenten over hun studieschuld toegankelijk te maken bij hypotheekverstrekkers, en vindt u dit een wenselijke ontwikkeling?1
Studenten en oud-studenten moeten bij de aanvraag van een hypotheek aan de hypotheekverstrekker een eventueel aanwezige studieschuld vermelden. Dit is ook in het belang van de (oud-)student omdat er anders sprake kan zijn van overkreditering, waardoor de totale lasten mogelijk te hoog worden. (Oud-)studenten kunnen de benodigde gegevens zelf via DUO opvragen en doorgeven aan de hypotheekverstrekker. Wanneer het voornemen van Ockto werkelijkheid wordt en de hypotheekverstrekker deze optie aanbiedt, is het ook een mogelijkheid voor de (oud-)student om deze gegevens via Ockto bij de hypotheekverstrekker aan te leveren. Een dergelijk initiatief kan leiden tot meer gebruiksgemak. Tegelijkertijd blijft de (oud-)student zelf verantwoordelijk dat de juiste gegevens worden aangeleverd en wordt door DUO niet geborgd dat via Ockto de correcte gegevens worden opgehaald2bij DUO, omdat DUO hier niet bij betrokken is. De (oud-)student moet altijd zelf (vanuit de app van Ockto) inloggen op Mijn DUO en daarmee toestemming geven aan Ockto voor het ophalen van zijn gegevens uit Mijn DUO.
Het kabinet heeft in de beleidsbrief Regie op Gegevens van 11 juli jl. het digitaal kunnen delen van de eigen gegevens (zoals met woningcorporaties, zorgverleners, schuldhulpverleners of kerkinstellingen) aangemerkt als een gewenste ontwikkeling, die het actief wil stimuleren. Niet alle toepassingen voor het delen van gegevens zijn echter even wenselijk en delen van gegevens kent ook risico’s. Het kabinet zal daarom kaders ontwikkelen waar toepassingen voor het delen van gegevens (zoals Ockto) aan moeten voldoen, en zal deze verankeren in de Wet digitale overheid, aanvullend op wat in de AVG al is geregeld. Zo moet voor de burger helder zijn waarvoor zijn gegevens worden gebruikt, mag hij niet onder druk worden gezet om zijn gegevens te verstrekken, en moet duidelijk zijn hoe hij de toestemming voor het delen van zijn gegevens weer kan intrekken.
Hoe strookt het voornemen van softwarebedrijf Ockto om de gegevens van studenten over hun studieschuld toegankelijk te maken bij hypotheekverstrekkers met de motie Van Meenen c.s.?2
De betreffende motie roept de regering op om af te zien van de ontwikkeling van een afzonderlijke schuldverklaring. Dit betrof een digitale, gewaarmerkte verklaring, die mogelijk zou worden gemaakt door de Blauwe Knop-toepassing van DUO, en die studenten op eigen initiatief aan de hypotheekverstrekker zouden kunnen sturen. Naar aanleiding van deze motie zijn de werkzaamheden rondom de Blauwe Knop bij DUO stopgezet.
Ockto is een marktpartij die (oud-)studenten de gelegenheid geeft om gegevens over de studieschuld, waar zij via hun persoonlijke dossier nu reeds digitale inzage in hebben, via de Ockto-app door te geven aan een hypotheekverstrekker. Anders dan bij de Blauwe Knop hebben OCW en DUO hier geen invloed op en is het aan de (oud-)student of hij of zij gebruik wil maken van Ockto.
Hoe gaat u voorkomen dat de gegevens van studenten via een omweg alsnog bij hypotheekverstrekkers terecht komen?
Het is in het belang van zowel de (oud-)student als de hypotheekverstrekker dat gegevens over een studieschuld bekend zijn. Dat is al heel lang zo; kredietverstrekkers moeten hiernaar vragen en de (oud-)student moet de informatie verstrekken en heeft daarmee een eigen verantwoordelijkheid. Of (oud-)studenten daarvoor gebruik willen maken van een bedrijf als Ockto, is een eigen keuze.
In hoeverre kunnen hypotheekadviseurs en banken klanten verplichten inzage te geven in hun studieschuld?
Op grond van de Wet op het financieel toezicht moet een kredietaanbieder informatie inwinnen over de financiële positie van een consument om overkreditering te voorkomen.4 Overige financiële verplichtingen zoals een studieschuld, maar ook een consumptief krediet of partneralimentatie, drukken op het besteedbaar inkomen en verminderen daardoor het maximale hypotheekbedrag. Een consument is verplicht om alle financiële verplichtingen te melden bij het aanvragen van een hypotheek. Als een consument een studieschuld niet meldt, kan het gevolg zijn dat de maandelijkse lasten van de hypotheek te hoog zijn en de consument in financiële problemen komt. Indien een consument een hypotheek heeft afgesloten met Nationale Hypotheek Garantie (NHG), zal een eventuele restschuld niet worden kwijtgescholden als een studieschuld verzwegen is. Het initiatief van Ockto verandert niets aan de rechten en plichten van studenten en kredietverstrekkers, maar heeft alleen invloed in de wijze waarop aan die verplichting kan worden voldaan.
Op basis waarvan kunnen commerciële partijen zoals Ockto gegevens van burgers bij de overheid opvragen?
De burger heeft op basis van de AVG het recht om zijn eigen persoonsgegevens bij de overheid digitaal in te zien. Hij hoeft niet nader te motiveren met welk doel hij de gegevens wil inzien. Hij kan vervolgens zelf besluiten om deze gegevens te delen met derden, zoals Ockto. In de meeste gevallen vindt dat plaats buiten medeweten van de overheid.
Ockto kan dus geen gegevens van burgers bij de overheid opvragen, maar ontvangt deze uitsluitend met toestemming en met tussenkomst van de burger zelf.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat Ockto DUO niet toevoegt als databron? Kunt u dit toelichten?
Nee. Ockto is een private dienstverlener, die diensten biedt aan burgers. Het voornemen om DUO toe te voegen als databron is niet in strijd met de AVG of andere wetgeving. Ik vind het belangrijk dat de (oud)-student zelf regie heeft over zijn of haar gegevens en dat is ook bij het voornemen van Ockto het geval.
Hoe ziet het verdienmodel van Ockto eruit? Wie betaalt er voor de diensten, de hypotheekverstrekker of de woningzoekende?
De hypotheekverstrekker of hypotheekadviseur betaalt Ockto voor het ter beschikking stellen en onderhouden van het technische platform. Voor de burger/consument is het gebruik van Ockto gratis.
Voldoen de huidige werkwijze en het voornemen van Ockto aan de AVG, en waar blijkt dit uit?
Zie de antwoorden op vragen 5 en 6.
Heeft u een overzicht van (commerciële) organisaties die persoonlijke gegevens van burgers bundelen, verzamelen en kunnen inzien? Zo ja, kunt u dat naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen overzicht van (commerciële) organisaties die persoonlijke gegevens van burgers bundelen, verzamelen en kunnen inzien. Dit heeft er onder meer mee te maken dat burgers op basis van de AVG het recht hebben om hun eigen persoonsgegevens bij de overheid digitaal in te zien, en zelf kunnen besluiten om deze digitaal te delen met derden. Zie ook het antwoord op vraag 5 en de beleidsbrief Regie op gegevens die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 11 juli jl. naar uw Kamer heeft gestuurd.
Kunt u garanderen dat nu en in de toekomst commerciële organisaties geen persoonlijke gegevens van burgers kunnen inzien, zoals studieschulden?
Nee. Het kunnen delen van persoonlijke gegevens met private dienstverleners kan ten goede komen aan het gebruiksgemak voor de burger, waarbij het kabinet oog heeft voor de risico’s, zoals ook in het eerste antwoord aangegeven. Belangrijk hierbij is dat de burger regie heeft en dus zelf toestemming geeft voor het delen van die gegevens.
Het storten van vervuild baggerslib uit België in Nederlandse zandwinputten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Zembla over «Gokken met bagger»?1
Ja
Hoe waardeert u de constatering dat onder al dan niet toeziend oog van de overheid door de labeling «nuttige toepassing» en de toegestane ruimte voor toepassing van maximaal 20% bodemvreemd materiaal tot vorig jaar plastic, piepschuim, arseen, asbest en accu’s via baggerslib in zandwinputten zijn terechtgekomen, met alle risico’s van dien voor zwemmers, natuur en drinkwaterwinning?
Een nuttige toepassing van grond en baggerspecie alleen is niet voldoende, er gelden namelijk voor de grond en baggerspecie milieueisen. Op grond daarvan mogen bijvoorbeeld asbest en arseen slechts in lage concentraties in de grond en baggerspecie aanwezig zijn. Hiervoor zijn in het Besluit bodemkwaliteit specifieke normen gesteld. Bodemvreemd materiaal anders dan hout en steenachtig materiaal – zoals bijvoorbeeld plastics en piepschuim – hoort niet in het milieu thuis. Deze materialen mogen slechts sporadisch aanwezig zijn. Om dit te verduidelijken heb ik op 29 november 2018 – na een aantal incidenten met plastics bij verondiepingsprojecten – de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd. Verder is een accu een afvalstof, deze mag niet worden gedumpt. Ik heb uw Kamer op 11 oktober jl. geïnformeerd over de diverse acties die ik in dit kader heb ingezet (Kamerstuk 30 015, nr. 61).
Hoe waardeert u de constatering dat de nieuwe eis dat alleen sporadisch bodemvreemd materiaal mee mag komen met baggerslib onvoldoende duidelijkheid geeft en alsnog ruimte laat voor het storten van de hiervoor genoemde materialen?
De term sporadisch biedt nagenoeg geen ruimte voor de aanwezigheid van andere materialen dan hout en steenachtig materiaal. Nagenoeg geen ruimte geldt dus voor bodemvreemd materiaal, zoals plastics en piepschuim. Hiervoor moet grond en baggerspecie zorgvuldig worden ontgraven of bewerkt, zodat er zo min mogelijk bodemvreemd materiaal in de grond of baggerspecie terecht komt. Voor zover in de grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal aanwezig is, moet dat vóór het toepassen daaruit worden verwijderd. De term sporadisch is gekozen omdat er na zorgvuldige ontgraving en zeven tijdens het bagger- of grondwerk altijd kans is dat er nog minimale hoeveelheden bodemvreemd materiaal aanwezig zijn. Bijmengen van bodemvreemd materiaal is niet toegestaan.
De regelgeving voor bodemvreemd materiaal is hiermee adequaat.
Bent u voornemens regelgeving en beleid op dit punt aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe waardeert u de constatering dat er in de praktijk nauwelijks gehandhaafd wordt, dat handhaving vooral het controleren van de papieren betreft en niet het nemen van monsters dan wel een inspectie van het scheepsruim, en dat als gecontroleerd wordt er regelmatig sprake is van overtredingen?
Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het toezicht op de diepe plassen in de Rijkswateren en de waterschappen voor het toezicht op de diepe plassen in de niet-Rijkswateren. Daarnaast houdt de ILT toezicht op het grensoverschrijdend afvaltransport, de bedrijven die voor het bodemonderzoek zijn gecertificeerd en op diepe plassen wanneer Rijkswaterstaat zelf initiatiefnemer is. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Rijkswaterstaat hebben sinds 2018 de samenwerking versterkt, inspecties worden in de bodemketen gezamenlijk uitgevoerd. In het kader van de samenwerking is nadrukkelijk aandacht voor de import van grond en baggerspecie. Rijkswaterstaat en de ILT verrichten administratieve controles en voeren steekproefsgewijs controles uit in het veld. Naast controle van de administratie wordt ook steekproefsgewijs de kwaliteit van de grond met bodemonderzoek geverifieerd. De controles vinden risico gestuurd plaats. De ILT heeft extra financiële middelen van het kabinet gekregen, deze middelen worden onder meer ingezet om het toezicht op de bodemketen te versterken.
Bent u voornemens het handhavingsbeleid aan te scherpen?
De ILT en Rijkwaterstaat beschikken over het benodigde instrumentarium voor toezicht en handhaving. Het toezicht op de import van grond ten behoeve van de verondieping van diepe plassen als ook de samenwerking tussen de ILT en Rijkwaterstaat is geïntensiveerd. Zo nodig wordt door Rijkswaterstaat of de ILT volgens het geldende beleid handhavend opgetreden. Ik zie daarom geen aanleiding om het handhavingsbeleid aan te scherpen.
Op welke wijze wordt de waterkwaliteit van zandwinputten gecontroleerd?
In een plan voor de verondieping van een diepe plas moet aandacht zijn besteed aan de controle van de waterkwaliteit. Hiervoor zijn in de «Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen» aanwijzingen opgenomen. De aard van de controle van de waterkwaliteit is afhankelijk van de ligging van een diepe plas en/of de kwaliteit van het watersysteem. Controle van de waterkwaliteit kan plaatsvinden voor de chemische kwaliteit als ook de ecologische toestand. Voor de uitvoeringsfase kunnen actiewaarden worden vastgesteld. Als deze waarden worden overschreden kan de uitvoering worden stilgelegd en moeten er door de initiatiefnemer maatregelen worden getroffen. Controle van de waterkwaliteit kan plaatsvinden tijdens de uitvoeringsfase en na de realisatie van een verondieping.
Hoe gaat u voorkomen dat opnieuw vervuild baggerslib uit België wordt geïmporteerd? Gaat u in overleg met onder meer de Vlaamse regering en gaat u zorgen voor meer toezicht bij het laden van schepen met baggerslib, ook in België?
De ILT is vanuit Europese Regelgeving (EVOA) verantwoordelijk voor het toezicht op grensoverschrijdende afvalstromen. Wanneer baggerslib uit België voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, kan import van licht-verontreinigd baggerslib plaatsvinden, ook mede in het licht van het vrij handelsverkeer van goederen en de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Om meer zicht te krijgen op de import heeft er – zoals aangegeven in mijn brief2 van 5 september 2018 – een eerste overleg plaatsgevonden tussen de ILT en Rijkswaterstaat met de Vlaamse overheidsdienst OVAM en de Vlaamse milieu-inspectie om te verkennen of de samenwerking op het gebied van bodemtoezicht en handhaving kan worden geïntensiveerd. Dit overleg krijgt een vervolg. Daarnaast zal ik verkennen of een harmonisatie van de regelgeving op Europees niveau mogelijk is. Omdat harmonisatie van de regelgeving op Europees niveau een lange weg is, zal ik parallel daaraan bilateraal met België en Duitsland de mogelijkheden tot harmonisatie verkennen.
De artikelen ‘Data arbeidsbeperkte werkzoekenden ontbreken massaal bij UWV’ en ‘UWV-manager Astrid Hendriks legt uit hoe de onlinekaartenbak mislukte’ |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemde artikelen over de kandidatenverkenner van het UWV?1 en 2
Ja.
Herinnert u zich de verschillende momenten vanaf 2016 waarin aandacht is gevraagd voor de vindbaarheid van kandidaten uit de doelgroep en de werking van de kandidatenverkenner?
Ja, en tot en met 25 oktober 2017 werd dit regelmatig onder de aandacht gebracht door ambtsvoorganger Klijnsma. Zij heeft ook diverse malen met uw Kamer over dit onderwerp van gedachten gewisseld en maatregelen genomen, mede naar aanleiding van de motie Heerma-Schouten3.
Deelt u de mening dat de kandidatenverkenner, met als doel transparant en toegankelijk weergeven welke potentiële werknemers behoren tot de doelgroep Banenafspraak, als waardevol startpunt moet dienen voor een match tussen werkgever en potentiële kandidaat?
Ja. Meer inzicht in het aanbod van UWV en gemeenten helpt om werkzoekenden naar werk te begeleiden. De kandidatenverkenner kan één van de kanalen en een extra hulpmiddel zijn voor de doelgroep banenafspraak. Voor sommige werkgevers kan de kandidatenverkenner een startpunt/ingang zijn, andere werkgevers geven er de voorkeur aan om het (eerste) contact direct met een medewerker van het werkgeversservicepunt (WSP) te laten lopen.
Om een match tussen werkgever en werkzoekende tot stand te brengen is persoonlijk contact van groot belang. De regionale werkgeversservicepunten (WSP’s) van UWV en gemeenten hebben hier een belangrijke rol in. Om deze reden richt het breed offensief zich op het verbeteren van de werkgeverdienstverlening en het matchen.
Deelt u de mening dat het voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt van belang is dat zij in ieder geval gevonden kunnen worden door werkgevers en dat het daarbij van belang is dat een profiel zo compleet mogelijk is ingevuld?
Voor zowel werkgever als potentiële werknemer is het belangrijk dat ze elkaar kunnen vinden. Profielen moeten daarom de informatie bevatten die ervoor zorgt dat er een gesprek tot stand gebracht kan worden. Van belang is dat werkgevers de weg naar het WSP weten te vinden en dat UWV en gemeenten hun kandidaten goed kennen en weten wat de vraag van werkgevers is. Voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt biedt de Doe agenda Perspectief op Werk in 2019 en 2020 een extra impuls aan de arbeidstoeleiding van mensen die willen en kunnen werken, maar niet zelfstandig de weg naar werk vinden. Het kabinet heeft hiervoor in totaal 70 mln. beschikbaar gesteld voor 2019 en 2020.
Hoe beoordeelt u in dat licht de incompleetheid van de gegevens van deze kandidaten in de kandidatenverkenner en Werk.nl? Wat gaat u eraan doen om het aantal complete profielen van mensen die tot de doelgroep behoren te verhogen?
Complete en actuele profielen is door de aard van de doelgroep vanaf de start een uitdaging. Een goed verwachtingsmanagement ten aanzien van de toepassingsmogelijkheden van de kandidatenverkenner vindt de Inspectie SZW van belang4. Een voorbeeld uit het onderzoek van inspectie SZW: «Een jongere die vandaag bemiddelbaar is, hoeft dat morgen niet meer te zijn. Dat kan het selectieproces belemmeren. Ook blijkt soms pas op een werkplek of de jongere echt klaar is om aan het werk te gaan».
UWV en gemeenten zetten zich dagelijks in om hun klanten beter te kennen. De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak. Deze laat over de afgelopen twee jaar een stijgende lijn zien.
Veel werkgevers gebruiken bij voorkeur het werkgeversservicepunt in de arbeidsmarktregio als eerste aanspreekpunt. Indien matching van kandidaten op geschikt werk tekortschiet, is het zaak dat werkgevers samen met de regionale partners naar een oplossing zoeken. Perspectief op Werk geeft hieraan een impuls. Zie verder het antwoord bij vraag 2 van de vragen van het lid Jasper van Dijk (SP).
Hoe beoordeelt u de gedane uitspraak van de projectleider kandidatenverkenner: «hoeveel werkgevers er gebruik van maken of hoeveel kandidaten er worden geselecteerd, is geen doel op zich.»?
Om het doel van de banenafspraak – 125.000 extra banen in 2025 – te behalen is het belangrijk dat de match gemaakt wordt tussen de kandidaten uit de doelgroep en de banen bij werkgevers. Het daadwerkelijk maken van een match vindt via het werkgeversservicepunt plaats waar de medewerkers de wensen en mogelijkheden van de werkgever koppelen aan de wensen en mogelijkheden van de mensen uit de doelgroep. Dat deze match tot stand komt, dat is het doel, niet het gebruik van de kandidatenverkenner zelf.
Deelt u de mening dat werkgevers die mensen zoeken serieus moeten worden genomen door het UWV in hun zoektocht? Op welke manier kunt en wilt u bijdragen aan een klantgerichte houding van het UWV jegens werkgevers?
Ja. In totaal vonden in 2018 ruim 38.000 werkzoekenden een baan via de werkgeversdienstverlening van UWV. Deze werd door werkgevers beoordeeld met een 6,6. In 2018 heeft UWV verder geïnvesteerd in haar netwerk met werkgevers, ondernemersverenigingen en brancheorganisaties. Op jaarbasis (2018) had UWV ruim 70.000 contactmomenten met werkgevers (in 2017: 60.000). Het draaide primair om het vinden van potentieel interessante werkgevers voor werkzoekende kandidaten. Daarnaast gaf UWV nazorg, om na te gaan of de bemiddelde kandidaat binnen het bedrijf tot zijn recht komt. UWV organiseerde grootschalige evenementen zoals banenmarkten en inspiratiedagen, maar ook kleinschalige ontmoetingen zoals ontbijtsessies of ondernemersbijeenkomsten. Hiermee heeft UWV duizenden werkzoekenden en werkgevers met elkaar in contact gebracht. Landelijk zijn ruim tachtig samenwerkingsovereenkomsten met grote werkgevers afgesloten of verlengd in verschillende sectoren zoals de ICT, bouw, techniek, zorg en detailhandel. Ook regionaal zijn enkele honderden samenwerkingsafspraken en/of arrangementen afgesloten (Jaarverslag UWV 2018).
Is het in het artikel genoemde onderzoeksrapport van Mediatest, waarin de kandidatenverkenner is geëvalueerd bij u bekend? Zo ja, kunt u de conclusies uit dit rapport met de Kamer delen?
Het rapport is meegezonden als bijlage bij de antwoorden en daarmee gedeeld met de Kamer. 5
Welke stappen heeft het UWV gezet om de door Mediatest genoemde ernstige knelpunten, waaronder het gebrek aan concrete profielen en ondersteuning van werkgevers, weg te nemen?
Het aantal profielen in de kandidatenverkenner en de kwaliteit daarvan kent in de afgelopen twee jaar een stijgende lijn. Het kennen van de kandidaten, nog los van de kandidatenverkenner, vraagt blijvend om aandacht van gemeenten en UWV. Hier spanningen gemeenten en UWV zich voor in. Zie tevens het antwoord op vraag 5 en het antwoord op vragen 2 en 7 van de vragen van het lid Jasper van Dijk (SP).
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het doel van de kandidatenverkenner binnen Werk.nl maximaal bijdraagt aan het inzichtelijk maken van de competenties van mensen uit de doelgroep zodat het systeem ondersteunend is aan het matchen van potentiele kandidaten en werkgevers?
Met breed offensief is een samenhangend pakket aan maatregelen genomen. Onderdeel hiervan is om zowel op korte termijn via de Doe agenda Perspectief op Werk in 2019 en 2020 als structureel verbeteringen door te voeren in de werking van de regionale arbeidsmarktregio’s, de dienstverlening aan werkgevers en de standaardisatie van de uitwisseling van matchingsgegevens. Zie tevens het antwoord op de vragen 7 en 8 van het lid Jasper van Dijk (SP).
Het artikel ’Elektriciteitsnet op steeds meer plekken vol’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Elektriciteitsnet op steeds meer plekken vol»?1
Ja.
Erkent u de constatering van netbeheerder Liander, die verantwoordelijk is voor elektriciteitstransport van drie miljoen woningen, dat het elektriciteitsnet vol raakt en daarmee aansluiting op het stroomnet op een aantal plekken voor grote bedrijven niet meer mogelijk is? Kunt u dit toelichten?
Ik erken de constatering, Zoals ook beschreven in mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 (Kamerstuk 30 196, nr. 669) zijn gebieden in Nederland waar het elektriciteitsnet niet de capaciteit heeft om de toegenomen decentrale productie te transporteren. Andere gebieden hebben te maken met een snel groeiende vraag naar elektriciteit. Dit kan er ook toe leiden dat een aansluiting niet gerealiseerd kan worden. In de provincie Noord-Holland is een sterke groei in de vraag naar elektriciteit.
Deelt u de constatering van de netbeheerder dat het door lange vergunningstrajecten en procedures nog langer duurt totdat het netcapaciteitsprobleem wordt opgelost? Welke stappen neemt u om deze procedures te versnellen?
Ik deel de constatering, grote netverzwaringen kennen zorgvuldige ruimtelijke besluitvormingsprocedures. Daarbij is het voor overheden belangrijk om te investeren in inspraak, participatie en onderzoek naar de milieueffecten. De netverzwaringen hebben immers impact op de leefomgeving van mensen, op natuur en landschap. Dergelijke besluitvormingsprocedures kennen daarom een zekere doorlooptijd. Door de aanpassing van de Crisis- en Herstelwet zijn procedures al zoveel mogelijk verkort door bijvoorbeeld direct beroep bij de rechter mogelijk te maken.
Versnelling van de doorlooptijd ontstaat vooral door een integrale visie op de ruimtelijke locaties voor nieuwe opwek en energie infrastructuur. De Regionale Energiestrategieën, waaraan de netbeheerders actief bijdragen, dragen in belangrijke mate bij aan versnelling van de besluitvorming voor nieuwe projecten.
Bent u ermee bekend dat tuinders inmiddels genoodzaakt zijn om hun lampen uit te zetten omdat de vraag naar stroom te groot is? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke situatie is?
Ja ik ben hier mee bekend. Om de problemen die het gevolg zijn van een tekort aan transportcapaciteit te beperken, wordt in afwachting van de realisatie van de benodigde netverzwaring onder meer gezocht naar mogelijkheden om gebruik te maken van tijdelijke of structurele inkoop van flexibiliteit. Hierbij ontvangen aangeslotenen die in staat zijn hun productie of afname van elektriciteit te verhogen of te verlagen een vergoeding om door middel van die verhoging of verlaging bij te dragen aan het beperken van de congestie op het elektriciteitsnet. Deze situatie is niet onwenselijk en draagt bij aan een efficiënt gebruik van het elektriciteitsnet.
Hoe staat u tegenover een nationaal masterplan voor de energie-infrastructuur, zoals de netbeheerders voorstellen? Kunt u dit toelichten?
Netbeheerders beogen vooral een borging van tijdige besluitvorming over de energie-infrastructuur, op de verschillende bestuurlijke niveaus. Ik wil een nationaal masterplan niet uitleggen als een plan waarin het Rijk precies ruimtelijk uittekent waar ruimte moet komen voor energie-infrastructuur. Hier ligt immers een belangrijke gezamenlijke taak voor gemeenten, provincies en Rijk.
Wel ben ik met medeoverheden en netbeheerders in gesprek over de borging van de energie-infrastructuur op de verschillende bestuurlijke niveaus zodanig dat klimaatdoelen tijdig gehaald worden en de energietransitie wordt gefaciliteerd, Ik doe dit in het kader van het nationaal programma regionale energiestrategieën en in het kader van het nationaal programma energiehoofdstructuur.
Begin 2020 zal ik een startnotitie voor het programma energiehoofdstructuur vaststellen en naar de Kamer sturen, waarin staat wat de precieze reikwijdte en planning van het programma wordt. Onder coördinatie van het nationaal programma regionale energiestrategieën zal een appreciatie van de regionale energiestrategieën worden uitgevoerd. De appreciatie bestaat uit analyses van PBL en peer-reviews en wordt door de opdracht gevende partijen voorzien van een advies aan de regionale energiestrategie regio’s. Dit advies is naar verwachting na de zomer van 2020 gereed. Ik zal uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de genoemde constatering dat een tekort aan technisch personeel een van de oorzaken van problemen met netcapaciteit is? Wat doet u om de werving van technisch personeel te stimuleren?
Een tekort aan technisch personeel is een probleem voor de sector. Netbeheerders zullen veel moeten investeren in het net en voor de uitvoering daarvan is technisch personeel nodig. Werkgevers en werknemers in de elektriciteitssector hebben in het Klimaatakkoord afgesproken een gezamenlijke agenda af te spreken en een platform voor overleg met sociale partners te creëren om baankansen in de sector te vergroten.
Hoe verklaart u dat sinds 2013, toen het Energieakkoord werd afgesloten, met een bijbehorende intensivering van duurzame energieopwekking, in de afgelopen jaren de nodige investering in netcapaciteit achter is gebleven?
In het Energieakkoord zijn twee hoofddoelen afgesproken die van belang voor hernieuwbaar op land. In de Kamerbrief over de uitvoering van het Energie-akkoord van 14 februari 2018 (Kamerstuk 30 196, nr. 573) wordt aangegeven hoe het met de uitvoering van de doelen staat. Om de doelen te behalen is in grote mate ingezet op het behalen van 6.000 MW wind op land in 2020. Hiermee zou 10 PJ extra hernieuwbare energieproductie worden gerealiseerd. Het kabinet heeft hierover met de provincies afspraken gemaakt, zie ook de brief van 28 juni 2019 (Kamerstuk 33 612, nr. 70).
De netbeheerders hebben deze voorziene toename tijdig kunnen faciliteren doordat sinds 2013 grootschalige netverzwaringen hebben plaatsgevonden met name voor wind op land en zon-op-dak. De afgelopen jaren heeft echter een intensivering plaats gevonden, die ook in het NEV 2017, waar werd uitgegaan van de toename van hernieuwbaar op grond van het Energieakkoord, niet is voorzien. Netbeheerders bereiden nieuwe grootschalige verzwaringen voor van de netten om aan de groeiende vraag naar netcapaciteit te voldoen. Het aanbod van duurzame productie groeit vooral in dunbevolkte gebieden met van oudsher weinig vraag naar elektriciteit, waar dus de dunste elektriciteitsnetten zijn neergelegd. Dit zijn tegelijkertijd de gebieden waar sinds 2017 de meeste (grootschalige) zonneparken worden gepland. Projecten voor deze vorm van duurzame elektriciteitsproductie zijn 4 a 5 keer sneller te realiseren dan aanpassingen in het elektriciteitsnet. De snelle groei is hierdoor niet bij te houden door de netbeheerders. In mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 ben ik ingegaan op deze problematiek en heb hier meerdere maatregelen aangekondigd die de problematiek moet verlichten. Begin 2020 zal ik de Kamer informeren over de voortgang van deze maatregelen.
De Autoriteit Persoonsgegevens |
|
Jan Middendorp (VVD), Tobias van Gent (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat reacties van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) vaak tot onduidelijkheid leiden, omdat zij regelmatig niet helder maakt of bepaalde handelingen wel of niet zijn toegestaan? Zo nee, waarom niet?
De AP geeft op verschillende manieren voorlichting. Ze geeft algemene voorlichting via haar website, via vele gesprekken met brancheorganisaties, via presentaties en via voorlichtingscampagnes.
Ik kan mij voorstellen dat de algemene voorlichting in een specifieke casus niet altijd helder maakt of bepaalde handelingen wel of niet zijn toegestaan. Daarom is het voor organisaties en hun functionarissen gegevensbescherming (FG’s) mogelijk, om naast algemene voorlichting, ook specifieke vragen aan de AP voor te leggen. Zij kunnen telefonisch, per mail of in de vorm van een zogeheten voorafgaande raadpleging hun specifieke vragen voorleggen. De AP past de vragen en antwoorden op haar website continu aan. In veel gevallen gebeurt dit naar aanleiding van specifieke vragen die de AP van buiten krijgt of specifieke feedback.
Bent u van mening dat de AP in sommige gevallen verschillende interpretaties gebruikt, zoals bij het gebruik van cookies?1
De AP heeft op haar website duidelijke normuitleg over het gebruik van cookies en cookiewalls geplaatst.2
Ik ben bekend met de uitspraak van de Autoriteit dat gratis websites ook gratis toegankelijk moeten zijn voor bezoekers die geen toestemming geven voor zogenaamde «tracking cookies»» ten bate van gericht adverteren.
Door middel van tracking cookies (volgsoftware) kunnen bedrijven het internetgedrag van mensen volgen. Persoonlijke interesses kunnen zo worden afgeleid om vervolgens profielen van deze mensen samen te stellen en gericht te kunnen adverteren. Op grond van artikel 11.7a Telecommunicatiewet (Tw) is voor het gebruik van tracking cookies toestemming van de gebruiker vereist. Nu in artikel 11.7a van de Tw verwezen wordt naar de AVG is het begrip toestemming in de Tw gelijk aan het begrip toestemming zoals dat gedefinieerd is in de AVG. Dit betekent onder meer dat de toestemming vrijelijk moet zijn gegeven en moet voldoen aan de eisen van artikel 7 van de AVG. Artikel 7, vierde lid, van de AVG bepaalt dat bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven onder meer ten sterkste rekening moet worden gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst (...) toestemming is vereist voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst. De AP komt op grond van deze bepaling tot het oordeel dat er bij gebruik van cookiewalls geen sprake is van vrijelijk gegeven toestemming en dat cookiewalls derhalve niet zijn toegestaan.
Bent u bereid als onderdeel van een gezamenlijk extern onderzoek dat u, zoals u in uw brief van 16 september jl. aangeeft, met de AP gaat starten, de vraag mee te nemen of de AP meer aandacht zou moeten besteden aan haar voorlichtende taak, zodat onduidelijkheden weggenomen kunnen worden? Zo nee, waarom niet?2
In de brief van 16 september jl. heb ik aangegeven tezamen met de AP een extern onderzoek te starten naar met name de grondslagen van de financiering van de AP. Het genoemde onderzoek is een breed onderzoek met als doel om te komen tot een gedeeld beeld van een gezonde financiële basis voor de uitoefening door de AP van haar wettelijke taken, waarbij voorlichting één van die wettelijke taken van de AP is.
Het bericht dat een onderzoek over burnpits jarenlang op de plank heeft gelegen |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»1?
Ja.
Waarom heeft u het rapport «Evaluation of ernvironmental and toxicity monitoring methods during improvised burn pits» van TNO (2012) niet veel eerder in zijn volledigheid naar de Kamer gestuurd?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe Research & Development (R&D)-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouw-programma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast en verkennend wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. Het testen van nieuwe technieken voor monstername en analysemethoden was één van de aandachtspunten. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen zijn onder gecontroleerde condities in een afgesloten ruimte beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De condities waaronder is gemeten, zijn niet representatief voor de blootstelling tijdens missies waardoor geen conclusies getrokken kunnen worden over de mogelijke gezondheidsrisico’s tijdens missies. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek, het testen van monstername en analyse methodes, was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Waarom stelt uw ministerie in reactie op vragen van EenVandaag dat het TNO-onderzoek niet was bedoeld om de gezondheidseffecten voor militairen te meten, maar het vinden van de beste meetmethode voor schadelijke stoffen van burn pits? Dit doet toch niet af aan de conclusies uit het rapport, en is daarmee toch geen reden dit rapport niet in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het in vraag 2 genoemde onderzoek alsnog in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de bijlage treft u het rapport aan dat inmiddels openbaar is gemaakt.2
Bent u bereid andere relevante rapporten, waarin conclusies worden getrokken over de zogenaamde combinatie-toxiciteit van stoffen in burn pits, van Nederlandse dan wel buitenlandse onderzoeksinstituten aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Met mijn Kamerbrief (Kenmerk 35 000-x-133) d.d. 18 april jl. heb ik u geïnformeerd over de literatuurbeschouwing die het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) heeft uitgevoerd naar 46 publicaties en rapporten burnpits, de uitstoot van burnpits en de eventueel daaraan gerelateerde klachten. Veel van de publicaties en rapporten die zijn opgenomen in de literatuurlijst zijn open bronnen. Een aantal (internationale) publicaties en rapporten dat is gebruikt voor de literatuurbeschouwing worden echter beschermd door auteursrechten. Tot slot is gebruik gemaakt van een rapport van het Belgische Ministerie van de Defensie. Hiervoor is inmiddels een verzoek ingediend bij het Belgische Ministerie van Defensie om dit rapport vertrouwelijk te mogen delen met de Kamer.
Op welke termijn verwacht u dat het door u aangekondigde validatie-onderzoek van de literatuurstudie van het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) wordt afgerond? Deelt u de mening dat dit op zo kort mogelijke termijn moet gebeuren, gelet op het belang van duidelijkheid voor de betrokken militairen?
Defensie heeft de Kamer toegezegd om de uitgevoerde literatuurbeschouwing te laten valideren door een externe partij. Defensie is na het publiceren van het rapport van het CEAG in contact getreden met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM heeft na overleg met Defensie aangegeven de validatie niet te kunnen uitvoeren. Dit heeft ons gedwongen om nieuwe gerenommeerde instellingen aan te schrijven. Op dit moment is het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht als enige partij over en zijn we bezig met de aanbestedingsprocedure.
Zal in het door u aangekondigde validatie-onderzoek expliciet worden gekeken naar combinatie-toxiciteit? Zo nee, waarom niet?
Het validatieonderzoek heeft tot doel de uitkomsten van de literatuurbeschouwing en de meldingen van het meldpunt Burnpits van het CEAG van 8 april 2019 en de daarin opgenomen literatuurstudies in het geheel te toetsen. Er is niet gevraagd specifiek te kijken naar (mogelijke) deelaspecten van de beschreven studies.
De Marokkaanse journaliste die is veroordeeld vanwege een abortus |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jaar cel voor Marokkaanse journaliste om «illegale abortus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat alle vrouwen overal ter wereld toegang zouden moeten hebben tot legale en veilige abortus?
Ja. Nederland zet zich in voor respect, bescherming en verwezenlijking van universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) inclusief hiv/aids, zoals ook uiteen gezet in de beleidsnota Investeren in Perspectief uit 2018. Een van de uitgangspunten daarbij is het recht van mensen om zelf te bepalen of, met wie en wanneer zij kinderen krijgen. Toegang tot goede informatie en seksuele voorlichting alsook goede toegang tot voorbehoedsmiddelen zijn belangrijk om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. In het geval dat zich toch een ongewenste zwangerschap voordoet is legale toegang tot veilige abortus belangrijk om onveilige abortus en de daaraan verbonden gezondheidsrisico’s (waaronder moedersterfte en blijvende gezondheidsproblemen) te voorkomen. De Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (International Conference on Population and Development (ICPD)) en de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization (WHO)) vormen daarbij referentiekaders.
Hoe vindt u het dat de journaliste Hajar Raissounia door de rechtbank in Rabat tot een jaar is veroordeeld vanwege «seks buiten het huwelijk» en «illegale abortus»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bekend met de uitspraak van de rechtbank. Inmiddels is bekend geworden dat mevrouw Raissouni gratie is verleend.
Wat vindt u ervan dat door mensenrechtenorganisaties wordt verondersteld dat de aanhouding en veroordeling van Raissouni is bedoeld om haar de mond te snoeren, aangezien zij veel schreef over politiek, mensenrechten en de Rif-protesten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bekend met de visie van verschillende mensenrechtenorganisaties op de motivaties achter de arrestatie. Ik vind het niet opportuun hierover te speculeren.
Zowel Nederland, de EU als enkele andere Europese lidstaten waren aanwezig bij de uitspraak van deze zaak. Dit toont de aandacht waarmee wij deze zaak hebben gevolgd. Inmiddels is bekend dat aan haar gratie is verleend en dat zij is vrijgelaten. Ik zie dan ook geen reden om hierover in gesprek te treden met mijn ambtsgenoot.
Hoe vindt u het dat aanklachten als «illegale abortus», «overspel» en «seksueel wangedrag» door Marokko worden gebruikt om kritische journalisten te veroordelen, zoals ook in het geval van de oprichter van het kritische dagblad Akhbar al Yaoum die vorig jaar tot twaalf jaar cel werd veroordeeld?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om zich in te zetten voor de vrijlating van Hajar Raissounia en andere journalisten die in Marokko worden vastgehouden? Zo ja, zult u hierover in gesprek treden met uw Marokkaanse ambtsgenoot? Welke andere acties zult u ondernemen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om zich in te zetten voor vrouwenrechten en toegang tot legale en veilige abortus in Marokko? Welke maatregelen zult u nemen?
Nederlands steunt in Marokko reeds meerdere organisaties die zich actief inzetten voor bevordering van gelijke rechten voor vrouwen en meisjes. Dit betreft onder meer het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), alsook het recht van elk individu volledige zeggenschap te hebben, en vrij en verantwoordelijk te beslissen over zijn of haar seksualiteit en seksuele en reproductieve gezondheid, vrij van discriminatie, dwang en geweld. In Marokko steunt Nederland geen specifieke programma’s gericht op legale danwel veilige abortus.
Hoe vindt u het dat ook de arts die de abortus zou hebben uitgevoerd, een tweede arts en haar partner zijn veroordeeld? Zult u zich ook inzetten voor de vrijlating van deze personen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te treffen? Zo nee, waarom niet?
Ook van deze veroordelingen heb ik kennis genomen. Inmiddels is bekend dat ook aan de arts en haar partner gratie is verleend.