Het bericht 'Concrete aanpak stikstof kan maanden duren’ |
|
Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kabinet heeft nog maanden nodig voor stikstofaanpak»?1
Ja.
Klopt het dat het nog enkele maanden gaat duren voor het kabinet met concrete oplossingen komt voor de stikstofcrisis?
In de brief van 4 oktober jl. (Kamerstuk 32 670, nr. 167) heeft het kabinet aangekondigd de oplossing te zoeken in een gebiedsgerichte aanpak. Aangezien de herkomst van stikstofdepositie verschilt per gebied, verschilt ook de aanpak om deze depositie te verminderen per gebied. Er wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor natuurherstel, welke (bron)maatregelen daarvoor in dat gebied beschikbaar zijn, maar ook welke ruimte nodig is om activiteiten in dat gebied te kunnen ontplooien.
Het kabinet heeft aangekondigd welke concrete zaken zij gaat doen: investeren in direct natuurherstel, inzetten op een drempelwaarde voor stikstofdepositie zodat het proces voor het verlenen van toestemming voor (kleine) activiteiten en projecten weer in gang kan worden gezet, toestemmingverlening op gang brengen via intern salderen en extern salderen onder voorwaarden. Ook stelt het kabinet indien nodig financiële en juridische middelen beschikbaar en worden bronmaatregelen genomen waar deze (gebiedsgericht) effect hebben.
Het kabinet gaat per direct aan de slag met de verkenning van een drempelwaarde voor projecten of activiteiten met kleine stikstofdeposities. Daartoe is het nodig om (bron)maatregelen uit te werken. Het kabinet komt voor het einde van het jaar met een uitgewerkt pakket op basis waarvan in het begin van het nieuwe jaar besluitvorming kan plaatsvinden. Per direct worden de gebiedsgerichte processen in gang gezet. Het kabinet informeert u dit jaar over de uitwerking en de eerste resultaten van de gebiedsgerichte aanpak voor natuurherstel.
Het Adviescollege Stikstofproblematiek komt voor het einde van het jaar met een nader advies over beweiden en bemesten. Op basis hiervan zullen de interbestuurlijke partners half januari een besluit nemen over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder beweiden en bemesten mogelijk gemaakt kunnen worden. Begin 2020 is ook het moment voor de interbestuurlijke partners om te besluiten op welke wijze de monitoringssystematiek wordt verbeterd.
In mei 2020 komt het Adviescollege met het laatste deel van het advies en volgt een kabinetsreactie.
Heeft u al een inschatting gemaakt wat de effecten (op stikstof) zijn van het verlagen van de maximumsnelheid? Zo ja, welke trajecten zijn hier in meegenomen? Wat zijn de effecten van een verlaging naar 120, 100 en 80 km/u? Hoe snel kunnen verkeersbesluiten gerealiseerd worden?
Lokaal – dicht bij de weg – kan een verlaging van de maximum snelheid een groter effect hebben. In de brief van 4 oktober jl. heeft het kabinet daarom aangegeven dat wordt gedacht aan gebiedsgerichte verlagingen van de maximum snelheid op rijkswegen en provinciale wegen, daar waar het effect heeft op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Naar aanleiding van het advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek wordt bezien op welke trajecten een gerichte verlaging van de maximumsnelheid een effectieve maatregel is. Ook wordt in beeld gebracht welke bijdrage aan afname van stikstofdepositie op die trajecten verwacht wordt.
Weet u hoeveel veehouderijen er gevestigd zijn in de buurt van Natura 2000-gebieden? Zo ja, met welke afstandscriteria is gerekend en kunt u deze informatie delen?
In de brief van 4 oktober jl. (Kamerstuk 32 670, nr. 167) heeft het kabinet aangekondigd de oplossing te zoeken in een gebiedsgerichte aanpak. Aangezien de herkomst van stikstofdepositie verschilt per gebied, verschilt ook de aanpak om deze depositie te verminderen per gebied. Er wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor natuurherstel, welke (bron)maatregelen daarvoor in dat gebied beschikbaar zijn, maar ook welke ruimte nodig is om activiteiten in dat gebied te kunnen ontplooien. In dit proces wordt ook bezien welke veehouderijen in de buurt van Natura 2000-gebieden zijn gevestigd en welke veehouderijen geen opvolger hebben.
Hoeveel veehouderijen in de buurt van Natura 2000-gebieden hebben geen opvolger? Kunt u deze informatie met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke natuurherstelmaatregelen kunnen er genomen worden en zijn deze maatregelen alleen in de Natura 2000-gebieden of ook daarbuiten?
De natuurherstelmaatregelen die kunnen worden genomen, betreffen de «vrijgegeven» herstelmaatregelen in het rapport Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Deze maatregelen zijn in de (voor het PAS opgestelde) gebiedsanalyses gebiedsgericht uitgewerkt en zijn deels al in uitvoering. De herstelmaatregelen zijn ook toepasbaar in natuurgebieden buiten Natura 2000, maar in de gebiedsanalyses alleen uitgewerkt voor Natura 2000-gebieden, inclusief (in geval van waterhuishoudkundige maatregelen) de directe omgeving daarvan.
Kan de vernieuwde rekentool Aerius de effecten van luchtwassers meten? Zo nee, waarom niet?
De AERIUS rekentool is niet bedoeld om specifiek de effecten van luchtwassers te meten. Met AERIUS Calculator is het mogelijk om de stikstof emissie en stikstofdepositie te bepalen van een bron die door de gebruiker wordt ingevoerd.
Voor het bepalen van de emissie van een ingevoerde stal maakt AERIUS gebruik van de emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav-factoren). De Rav-factoren zijn gebaseerd op metingen. Er zijn verschillende Rav-factoren gemaakt voor verschillende type stallen, zowel voor stallen met als stallen zonder luchtwassers. Aangezien stallen met een luchtwasser veel schoner zijn, heeft dit effect in AERIUS.
Wanneer kan Aerius ingezet worden voor alle projecten?
Met de release van AERIUS Calculator 2019 op 16 september jl. is het weer mogelijk om de stikstofdepositie van projecten te bepalen. Een aantal specifieke omstandigheden vallen nog buiten het toepassingsbereik van de versie. De volgende versie van AERIUS Calculator wordt in januari 2020 verwacht. Dan is het mogelijk om AERIUS ook in te zetten voor situaties die nu buiten het toepassingsbereik vallen.
Wanneer krijgt de Kamer duidelijkheid over de ontbrekende vergunning voor stikstofemissies van vliegvelden?
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft diverse schriftelijke vragen gekregen over de natuurvergunningen voor luchthavens, waarvan de antwoorden op 15 oktober jl. naar uw Kamer zijn verzonden2. Het streven is om die vragen voor de begrotingsbehandeling van Infrastructuur en Waterstaat (16 oktober 2019) te beantwoorden. Wat betreft de ingediende handhavingsverzoeken zal het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit informatie verzamelen, zienswijzen opvragen en oordelen over de vraag of en zo ja welke luchthavens over een natuurvergunning dienen te beschikken. Het handhavingsverzoek zal binnen de daartoe gestelde termijn beantwoord worden en daar kan nu niet op vooruitgelopen worden.
Kunt u deze vragen voor de behandeling van de LNV-begroting beantwoorden?
Ik heb u op 2 oktober jl. laten weten dat ik geen antwoord heb kunnen geven op deze schriftelijke vragen voor het behandeling van de LNV-begroting (Kamerstuk 32 670, nr. 170).
Schoolkassa van ParnasSys |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met ParnasSys Schoolkassa waarmee scholen de vrijwillige ouderbijdrage kunnen innen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de brochure van ParnasSys Schoolkassa wordt gesuggereerd dat er meerdere soorten ouderbijdragen zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit navraag bij ParnasSys blijkt dat met de zinsnede «alle soorten ouderbijdragen» refereert aan de verschillende doelen waarvoor scholen een vrijwillige ouderbijdrage kunnen vragen. Scholen kunnen zelf aangeven hoe ze deze willen uitsplitsen. Daarbij geldt dat elke bijdrage die scholen aan ouders vragen expliciet vrijwillig moet zijn. Scholen zijn verplicht om de vrijwilligheid van de ouderbijdrage te vermelden in de schoolgids en daar duidelijk over te communiceren. Wanneer scholen ouders verplichten om een ouderbijdrage te betalen handelen ze in strijd met de wet. Ouders kunnen, eventueel via de oudergeleding van de medezeggenschapsraad, scholen hierop aanspreken en misstanden melden bij de inspectie.
Vindt u het ook zeer onwenselijk dat in de brochure van ParnasSys Schoolkassa actief het uitsluiten van leerlingen wordt gestimuleerd door deze optie aan te bieden in het systeem als ouders niet betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De brochure van ParnasSys kan inderdaad de suggestie wekken dat ParnasSys het uitsluiten van leerlingen faciliteert. Uit navraag bij ParnasSys is gebleken dat de zinsnede «leidt tot uitsluiting» bedoeld was om aan te geven dat bepaalde ouders uitgesloten kunnen worden van het ontvangen van een betaalverzoek. Dit kan bijvoorbeeld wanneer deze ouders al contant op school betaald hebben. ParnasSys Schoolkassa stimuleert het uitsluiten van kinderen niet. De tekst in de brochure en in de software is inmiddels door ParnasSys aangepast.
Vindt u het tevens onwenselijk dat de brochure het sturen van betaalherinneringen via Schoolkassa ook actief stimuleert, aangezien betaalherinneringen de indruk wekken dat er verplicht betaald moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
ParnasSys Schoolkassa maakt het voor scholen mogelijk om digitaal ouderbijdragen te innen. Het sturen van een betalingsherinnering is daarbij een aanvullende optie in de software. Scholen kiezen zelf welke tekst ze daarbij gebruiken. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij over de vrijwillige ouderbijdrage communiceren met ouders. Scholen zijn verplicht om te melden dat het om een vrijwillige bijdrage gaat, ook als zij hierover via een ouderportaal met ouders communiceren.
Wat vindt u ervan dat Schoolkassa e-mails verstuurt waarin gesproken wordt over een verplichte ouderbijdrage?2
Scholen zijn wettelijk verplicht om de vrijwilligheid van de ouderbijdrage te vermelden in de schoolgids en daar duidelijk over te communiceren. Wanneer zij daar digitaal over communiceren zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de titel en inhoud van de e-mails, ParnasSys faciliteert alleen de verzending. Bij het versturen van mails voor betaalverzoeken, zijn de scholen vrij om zelf de titel en inhoud aan te passen om het verzoek te duiden.
Bent u het eens dat er maar één ouderbijdrage is en die altijd vrijwillig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Scholen mogen voor verschillende doeleinden een vrijwillige ouderbijdrage vragen en kunnen zelf aangeven hoe ze deze willen uitsplitsen. Daarbij geldt dat elke bijdrage die scholen aan ouders vragen expliciet vrijwillig moet zijn.
Bent u bereid in gesprek te gaan met ParnasSys over Schoolkassa en hen te wijzen op de regels omtrent de vrijwillige ouderbijdrage en hen te verzoeken niet mee te werken aan het uitsluiten van kinderen als hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen? Zo nee, waarom niet?
Uit navraag bij ParnasSys is gebleken dat zij zich bewust zijn van de regels omtrent de vrijwillige ouderbijdrage. Hun software maakt het voor scholen mogelijk om ouderbijdragen digitaal te innen. Scholen zijn er zelf voor verantwoordelijk dat dit binnen de kaders van wet- en regelgeving gebeurt.
De veroordeling van een wetenschapper in Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkish scientist sent to prison for publishing environmental study on cancer risk»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Turkse wetenschapper en mensenrechtenactivist Bülent Şık inderdaad is veroordeeld tot een gevangenisstraf vanwege het publiceren van een onderzoek naar kanker? Welke feiten zijn u bekend?
Dhr. Şık is op 26 september jl. door een rechtbank in Istanboel veroordeeld tot 15 maanden cel voor het «openbaren van werkgerelateerde geheimen» in relatie tot onderzoek waaraan hij deelnam en dat werd uitgevoerd in opdracht van het Turkse Ministerie van Gezondheid. Voor twee andere schendingen waarvoor hij werd aangeklaagd, het «beschikbaar stellen van verboden informatie» en het «openbaren van verboden informatie», werd hij vrijgesproken. Voordat hij in november 2016 per decreet werd ontslagen, was Dhr. Şık Technical Assistant Director van het Food Safety and Agricultural Research Center aan de Akdeniz Universiteit in Antalya. Bovendien is hij één van de ondertekenaars van de Academics for Peace petitie m.b.t. de situatie in Zuidoost-Turkije.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat deze veroordeling niets te maken heeft met een eerlijke rechtsgang? Zo nee, waarom niet?
Nederland mengt zich niet in de rechtsgang in andere landen. Zolang een zaak nog niet is afgerond, wat hier het geval is aangezien betrokkene nog in hoger beroep kan gaan, is het oordeel aan de rechter. Dat laat onverlet dat Nederland de zorgen over de rechtsstaat en mensenrechten, waaronder het belang van een eerlijke rechtsgang, regelmatig bij Turkije aan de orde stelt.
Bent u bereid aan te dringen op het vernietigen van de veroordeling van de wetenschapper? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat ondanks extra geld mbo-docenten in de laagste salarisschaal terechtkomen |
|
Peter Kwint (SP), Paul van Meenen (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal docenten in de laagste schaal is toegenomen en dat tegelijkertijd de financiële reserves van instellingen groeien?1
De afgelopen jaren is het totaal aantal docenten in het mbo toegenomen. De toename van het aantal docenten in de laagste schaal kan veel verschillende redenen hebben. Het kan bijvoorbeeld te maken hebben met het vertrek van oudere docenten, waar jongere docenten die (voorlopig) instromen in een lagere schaal, voor in de plaats zijn gekomen. Er is geen directe link te zien met de financiële reserves die instellingen hebben.
We zien dat de afgelopen jaren de financiële reserves bij mbo-instellingen oplopen, bijvoorbeeld met als doel om te investeren in huisvesting in verband met het Klimaatakkoord. Daarom doet de Inspectie van het Onderwijs op dit moment hier nader onderzoek naar (waarvan de resultaten in het voorjaar van 2020 bekend zullen zijn) en voer ik op het moment het gesprek met de sector om de reserves beter in verhouding te brengen met de specifieke risico’s die er zijn, om zo te voorkomen dat mbo-instellingen grotere reserves aanhouden dan nodig.2 Later deze maand maar wel voor de begrotingsbehandeling van OCW zullen de Minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media en ik u een brief sturen met daarin de cijfers over de financiële posities van onder andere de mbo-instellingen in 2018.
In hoeverre zijn de financiële reserves van mbo-instellingen direct inzetbaar voor salarissen van docenten in het mbo? Zit er mogelijk al een bestemming vast aan de reserves?
Hierop is geen eenduidig antwoord te geven, omdat er tussen instellingen grote verschillen te zien zijn in zowel de omvang van de reserves als in waarom deze reserves er zijn. Wel geldt dat in z’n algemeenheid dat reserves niet worden ingezet voor collectieve salarisverhogingen. Individuele werkgevers kunnen uit de reserves eventueel wel individuele toelagen of salarisverhogingen toekennen.
Wat is uw reactie op het rapport «De functiemix in het mbo, een verkenning» van het Platform Medezeggenschap mbo?
Ik vind het positief dat ondernemingsraden kritisch zijn op of en hoe afspraken worden doorvertaald binnen de mbo-instellingen. Dit maakt deel uit van het takenpakket van een ondernemingsraad.
Wat betreft dit rapport geldt dat de resultaten zijn gebaseerd op openbare gegevens. Dat betekent echter niet dat de middelen die beschikbaar zijn vanuit het convenant Leerkracht niet door de instellingen zijn en worden besteed aan de doelen waarvoor zij het hebben ontvangen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de MBO Raad dat de aannames die het platform neerzet in haar verkenning onjuist zijn en zeer schadelijk voor het mbo als geheel?2
Deze uitspraak laat ik aan de MBO Raad. Ik ga wel graag het gesprek aan met de MBO Raad en de vakbonden over de uitkomsten van de verkenning van het Platform Medezeggenschap mbo.
Herkent u de analyse in dit rapport dat extra geld niet besteed is aan het betalen van meer docenten op een hoger functieniveau? Zo niet, waarom niet? Zo wel, wat zegt dit volgens u over het functioneren van de medezeggenschap op mbo-instellingen?
Ik deel deze analyse niet. Het extra geld dat op basis van het convenant Actieplan Leerkracht van Nederland beschikbaar wordt gesteld, wordt volgens de verantwoording van de mbo-instellingen besteed waaraan het moet worden besteed, bijvoorbeeld voor het plaatsen van docenten in een hogere schaal en het aannemen van extra onderwijsgevenden. Het is goed dat de medezeggenschap daar binnen de betreffende instelling alert op is en blijft en indien nodig haar bestuurders er op aan spreekt, wanneer dit in de toekomst niet meer zo is.
Daarbij geldt dat er ook onderscheid gemaakt moet worden tussen scholen binnen en buiten de Randstad. Immers, alleen de mbo-scholen binnen de Randstad (26 van de 65 mbo-scholen) hebben extra middelen ontvangen voor het verhogen van het aantal docenten in hogere schalen. Bij deze scholen is sinds 2008 wel een stijging van het aantal docenten met een LC- en LD-schalen.
Indien u de analyse vanuit dit rapport herkent, bent u bereid stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat het voor docenten gereserveerde geld hier alsnog terechtkomt?
Zoals gemeld bij het antwoord op vraag 5, deel ik deze analyse niet.
Wat is uw inzet bij het gesprek met de MBO Raad, aangezien zij de conclusies van het Platform Medezeggenschap niet onderschrijven?
Het doel van het gesprek met de ondertekenaars van het convenant is om te achterhalen of alle ambities uit het convenant zijn behaald en zo nee, wat daarvoor dan de redenen zijn. De afspraken waar het gaat om het terugbrengen van het aantal periodieken per schaal in de cao en de koppeling tussen het toekennen van periodieken en de cyclus van functionerings- en beoordelingsgesprekken zijn behaald. Tegelijkertijd zien we dat, terwijl het extra geld wel wordt besteed aan de geformuleerde doelen en het totaal aantal docenten in de sector toeneemt, het percentage docenten in de LB-schaal is toegenomen, terwijl het percentage docenten in hogere schalen juist daalt. In het gesprek zal duidelijk moeten worden wat de reden hiervan is. Afhankelijk van de uitkomsten van dit overleg, zal nader bezien worden welke vervolgacties nodig zijn. Daarbij is ook relevant dat er voor 2020 al een evaluatie gepland stond voor de salarismix in de randstadregio’s in het mbo.
Bent u voornemens om enkel met de MBO Raad in gesprek te gaan of zijn er nog andere partners waarmee u het gesprek hierover aangaat?
Ik ben voornemens om in ieder geval het gesprek aan te gaan met de partijen met wie in 2008 het convenant is afgesloten, zijnde (wat betreft het mbo) de MBO Raad en de vakbonden.
Het bericht ‘Arbeidsmigranten Westland luiden noodklok: Ik mocht niet naar huis toen ik ziek was’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Arbeidsmigranten Westland luiden noodklok: Ik mocht niet naar huis toen ik ziek was»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u ervan dat tegen een zwangere vrouw die zich niet lekker voelt, wordt gezegd «als je nu naar huis gaat, hoef je niet meer terug te komen»?
Een zodanige bejegening van een uitzendkracht verhoudt zich niet met goed werkgeverschap. Dit geldt niet alleen voor een zwangere vrouw die zich niet lekker voelt, maar in algemene zin voor alle werkenden, uitzendkracht of direct in dienst.
Klopt het dat als de zwangere vrouw uit het artikel al enige tijd in Nederland werkzaam was, zij recht heeft op zwangerschapsverlof?
Als je als uitzendkracht zwanger bent, dan heb je recht op betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof, net als werknemers met een arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd. Uitgangspunt bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is echter dat deze na het verstrijken van de periode waarvoor de overeenkomst is aangegaan, van rechtswege afloopt. Dit geldt ook als de werknemer op het moment van beëindiging verkeert in omstandigheden waarin bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een opzegverbod zou gelden, bijvoorbeeld zwangerschap of ziekte. Is sprake van een contract voor bepaalde tijd met een uitzendbeding, dan kan het contract beëindigd worden bij ziekte. Het uitzendbureau meldt de uitzendkracht vervolgens ziek bij het UWV en de uitzendkracht kan via het UWV een ziektewetuitkering krijgen.
Als de werknemer het echter niet eens is met de beëindiging van het contract, dan staat de weg open naar het College voor de Rechten van de Mens of de burgerlijke rechter. Arbeidsmigranten die de Nederlandse taal niet spreken, kunnen (in de eigen taal) ondersteuning krijgen via de niet-gouvernementele organisatie FairWork of de vakbond.
Is van de genoemde voorbeelden in het artikel melding gemaakt bij de Inspectie SZW?
De Inspectie SZW heeft de afgelopen periode verschillende meldingen ontvangen over dit uitzendbureau. De Inspectie SZW laat zich niet uit over de vraag of bij bedrijven onderzoek is of wordt gedaan.
Bent u in gesprek met bedrijven als Polska Porada, die stapels met voorbeelden van misstanden verzamelen? Staan zij in contact met de Inspectie SZW?
De Inspectie SZW heeft regelmatig contact met bedrijven zoals Polska Porada, maar ook met organisaties en burgers die informatie over misstanden willen delen.
Klopt het dat inspecties altijd van tevoren worden aangekondigd? Vindt u dat wenselijk gezien de omstandigheden waarin wordt gewerkt?
Dit is onjuist. De inspecties van de Inspectie SZW op het terrein eerlijk werk, zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Arbeidstijdenwet zijn onaangekondigd.
Op welke manier worden arbeidsmigranten op hun rechten gewezen als zij in Nederland aan het werk gaan? Is informatie over rechten op de werkvloer bijvoorbeeld ook in het Engels of Pools beschikbaar?
Er is informatie beschikbaar over rechten en plichten voor Polen die in Nederland willen gaan werken via de Nederlands ambassade in Polen. In Nederland zijn brochures in verschillende talen, waaronder Engels en Pools, beschikbaar over wonen en werken via de site www.nieuwinnederland.nl en de Inspectie SZW. De ngo FairWork biedt in verschillende talen informatie aan, waarbij ook social media worden ingezet. De gemeente Westland heeft ook een animatiefilmpje ontwikkeld in verschillende talen over rechten op onder andere eerlijk, gezond en veilig werken. In het kader van de aanpak van misstanden rondom arbeidsmigranten wordt ook door verschillende partijen ingezet op informatie voor arbeidsmigranten over rechten en plichten in verschillende talen, zowel in het land van herkomst als in Nederland.
Wat is de actuele stand van zaken rondom de aanpak misstanden arbeidsmigranten?
Er vinden nu gesprekken plaats met de betrokken ministeries, gemeenten, sociale partners en andere belanghebbenden over de thema’s die zijn genoemd in de brief aan uw Kamer van 21 juni 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 29 861, nr. 47), namelijk voorlichting, registratie, huisvesting, malafide uitzendbureaus en de afhankelijkheidsrelatie. Voor het einde van het jaar zal uw Kamer worden geïnformeerd over de integrale aanpak van de misstanden rondom arbeidsmigranten.
Hoe staat het met de werkgroep van ministeries, gemeenten, sociale partners en andere belanghebbenden waarmee zal worden bezien hoe afhankelijkheidsrelaties bij arbeidsmigranten kunnen worden verminderd?
Zie antwoord vraag 8.
De burnpits doofpot |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»?1
Ja.
Herinnert u zich nog de vraag over het openbaar maken van alle gezondheidsgevaren? Kunt u aangeven waarom u destijds niet op de proppen kwam met dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe R&D-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouwprogramma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen en te valideren zijn er in een laboratoriumopstelling beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De opzet van het TNO-onderzoek zorgde er bovendien voor dat er geen conclusies konden worden getrokken over de gezondheidsrisico’s omdat de gemeten waarden niet representatief waren voor de situatie onder operationele omstandigheden. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Bent u bereid om – met een dringend appel op uw inlichtingenplicht ex artikel 68 van de Grondwet – een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze problemen en risico’s bestaan, welke oorzaken hieraan (mogelijk) ten grondslag lagen en welke stappen zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
De inzet van militairen brengt bijzondere risico’s met zich mee. Tijdens inzet worden militairen onder meer blootgesteld aan extreme temperaturen en opereren zij in gebieden waar de luchtkwaliteit en de infrastructuur niet vergelijkbaar is met de westerse standaarden. Aan de voorkant van missies wordt daarom in principe een zogeheten «site survey» uitgevoerd. Hierbij worden de specifieke lokale en infrastructurele omstandigheden in kaart gebracht. Waar mogelijk worden risico’s vermeden dan wel beperkt. Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen omdat veel van deze informatie valt onder het medisch geheim. Door middel van de door mij eerder aangekondigde op te zetten gezondheidsmonitoring wil ik voor de toekomst meer zicht krijgen op de gezondheidsrisico’s die militairen lopen.
Deelt u de mening dat het onder de pet houden van onderzoeksresultaten, in combinatie met de overige defensiepuinhopen (o.a. chroom-6, PX10, burnpits, hitteletsels en vreselijke gewelds- en misbruikincidenten), niet alleen in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, maar ook een ambtsmisdrijf oplevert? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in de Defensienota wil Defensie transparant en betrouwbaar zijn in wat we doen en wat we bereiken. In gevallen waar er een directe relatie bestaat tussen het werken bij Defensie en gezondheidsklachten, zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Bent u bereid de verantwoordelijken van de burnpits (waaronder ook de voormalige Minister van Defensie) te bestraffen en de schade op hen te verhalen? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dit tot uw snelle actiebereidheid op het gebied van diversiteit, milieu en Europese defensiesamenwerking?
Er is nog onvoldoende duidelijkheid over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend.
Bent u bereid de slachtoffers van de burnpits een laagdrempelige en ruimhartige schaderegeling te geven door te bezuinigen op diversiteitsgedram, JSF-toestellen en een peperduur tweede regeringstoestel ter waarde van 100 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
In mijn Kamerbrief d.d. 18 april jl. (Kenmerk 35 000-X-133) heb ik de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een brede literatuurbeschouwing en de analyse van het relatief kleine aantal binnengekomen meldingen (0.3% van het totale bestand uitgezonden Nederlandse militairen). In de Kamerbrief heb ik aangegeven dat er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend. Mocht er in de toekomst meer duidelijkheid ontstaan over deze relatie, dan zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Kunt u deze vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het ontbreken van data van arbeidsbeperkte werkzoekenden in de kandidatenverkenner van het UWV |
|
René Peters (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de in 2017 ingevoerde kandidatenverkenner (onlinepersoneelsbank) van het UWV niet werkt, omdat de data van arbeidsbeperkte werkzoekenden ontbreken?1
Ja, complete en actuele profielen is door de aard van de doelgroep vanaf de start een uitdaging. Een goed verwachtingsmanagement ten aanzien van de toepassingsmogelijkheden van de kandidatenverkenner vindt de Inspectie SZW van belang2. Een voorbeeld uit het onderzoek van inspectie SZW: «Een jongere die vandaag bemiddelbaar is, hoeft dat morgen niet meer te zijn. Dat kan het selectieproces belemmeren. Ook blijkt soms pas op een werkplek of de jongere echt klaar is om aan het werk te gaan.»
UWV en gemeenten zetten zich dagelijks in om hun klanten beter te kennen. De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak. Deze laat over de afgelopen twee jaar een stijgende lijn zien.
Veel werkgevers gebruiken bij voorkeur het werkgeversservicepunt in de arbeidsmarktregio als eerste aanspreekpunt. Indien matching van kandidaten op geschikt werk tekortschiet, is het zaak dat werkgevers samen met de regionale partners naar een oplossing zoeken. Perspectief op Werk geeft hieraan een impuls in 2019 en 2020.
Kunt u bevestigen dat er inmiddels ruim 157.000 mensen met een arbeidsbeperking in de kandidatenverkenner staan, maar dat nog geen 8% van de mensen uit deze databank beschikbaar is voor werk, omdat noodzakelijke data ontbreken?
Niet helemaal. Meer dan 8% van de profielen is bemiddelbaar en daarmee beschikbaar. Ook de mensen die zitten in een traject gericht op het vinden van werk zijn beschikbaar voor werk. Ook staan er profielen in van kandidaten die aan het werk zijn en daardoor niet beschikbaar zijn voor werk. Zie verder het antwoord bij vraag 5 van de vragen van de leden Tielen en Nijkerken-de Haan (beiden VVD).
Kunt u tevens bevestigen dat van ruim 42% van de mensen in de kandidatenverkenner niet bekend is wat hun opleidingsniveau is en dat bij ruim 60.000 mensen niet is ingevuld in welke sectoren ze willen werken?
Ja. Dit gaat over het totaal van de mensen uit de doelgroep banenafspraak van UWV en gemeenten. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat deze informatie niet bekend is bij medewerkers. De vliegende brigade van UWV kan regio’s ondersteunen om de volledigheid van de gegevens te vergroten.
Van de 225.000 mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren, vallen er 113.000 onder verantwoordelijkheid van UWV. Ongeveer 74% van deze mensen heeft een compleet profiel. 22% heeft geen profiel en 4% heeft een onvolledig profiel. De meerderheid van de UWV-klanten zonder (compleet) profiel heeft reeds een baan. In andere gevallen betreft het mensen die bijvoorbeeld in een medisch behandeltraject zitten of nog aan het studeren zijn/naar school gaan. Bij het compleet maken van het klantprofiel zodat deze via de kandidatenverkenner getoond kan worden, wordt prioriteit gegeven aan de mensen voor wie deelname aan de arbeidsmarkt in zicht is.
Is het juist dat bij de makers van het systeem van de kandidatenverkenner al bekend was dat veel noodzakelijke gegevens ontbreken en dat zij dit in 2016 ook hebben gemeld bij de UWV-top, maar dat met deze mededeling niets is gedaan? Zo ja, wat is uw oordeel over deze handelwijze van de UWV-top?
Vanaf de start van de kandidatenverkenner is bekend dat de kwaliteit en volledigheid van profielen blijvende inzet vraagt van UWV en gemeenten.
UWV heeft verschillende acties gedaan. UWV heeft het voor gemeenten bijvoorbeeld eenvoudiger gemaakt om gemeentelijke profielen in te lezen en ondersteunt gemeenten met een Vliegende Brigade. De Vliegende Brigade helpt bij het transparant maken van het kandidatenbestand banenafspraak. Bijvoorbeeld door middel van het geven van workshops en het uitvoeren van controles op gegevens. Daarnaast zijn zij op afstand in te zetten als hulplijn.
Ook heeft UWV werk gemaakt van het toegankelijk maken van de UWV doelgroep.
Van de 225.000 mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren, vallen er 113.000 onder verantwoordelijkheid van UWV. Ongeveer 74% van deze mensen heeft een compleet profiel. 22% heeft geen profiel en 4% heeft een onvolledig profiel. De meerderheid van de UWV-klanten zonder (compleet) profiel heeft reeds een baan. In andere gevallen betreft het mensen die bijvoorbeeld in een medisch behandeltraject zitten of nog aan het studeren zijn/naar school gaan. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan de mensen voor wie deelname aan de arbeidsmarkt in zicht is.
De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen banenafspraak geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak. Deze laat over de afgelopen twee jaar een stijgende lijn zien.
Vindt u ook dat er alles op alles gezet moet worden om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen en dat het daarvoor nodig is dat er een goed beeld bestaat van de mensen met een arbeidsbeperking die op zoek zijn naar werk?
Ja, werk is belangrijk voor mensen. Het geeft mensen bestaanszekerheid, een inkomen, het zorgt voor contacten en uitdagingen. Dit geldt zeker ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Hoewel er steeds meer mensen met een beperking een baan vinden, staan er ook nog veel te veel mensen aan de kant.
Het breed offensief is een brede agenda om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Een agenda die het simpeler moet maken voor werkgevers om mensen met een beperking in dienst te nemen; met voorstellen om werk meer te laten lonen; waarbij werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker weten te vinden en waarbij mensen niet alleen aan het werk komen maar ook aan het werk blijven.
Zo ja, wat vindt u er in dat licht gezien van dat er in 2017 en 2018 door gebrek aan noodzakelijke data slechts zo’n honderdtal mensen met een beperking aan het werk zijn geholpen, terwijl er alleen al aan IT-kosten 1,3 miljoen euro in de kandidatenverkenner is geïnvesteerd?
De doelstelling van de banenafspraak voor 2018 was 43.500 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Met bijna 52.000 extra banen is die doelstelling ruimschoots gehaald3. Het is niet mogelijk om te bepalen welk aandeel de Kandidatenverkenner hierin heeft gehad. De Kandidatenverkenner fungeert immers niet als een zelfstandig matchingssysteem4. Er is altijd meer nodig voor een match. Bijvoorbeeld inschakeling van de medewerkers van het betreffende werkgeversservicepunt en een persoonlijk gesprek met kandidaten.
Veel werkgevers zijn enthousiast om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Maar er zijn ook nog te veel werkgevers die twijfelen. Het regionale werkgeversservicepunt van UWV en gemeenten helpt bij het maken van de match. De medewerkers koppelen de wensen en mogelijkheden van de mensen uit de doelgroep banenafspraak aan de wensen en mogelijkheden van de werkgevers. Dat deze match tot stand komt, dat is het doel, niet het gebruik van de kandidatenverkenner zelf.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat mensen die geregistreerd staan in de kandidatenverkenner alsnog in beeld komen en aan het werk worden geholpen?
Voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt biedt Perspectief op Werk een extra impuls aan de arbeidstoeleiding van mensen die willen en kunnen werken, maar niet zelfstandig de weg naar werk vinden. Het kabinet heeft hiervoor in totaal 70 miljoen euro beschikbaar gesteld voor 2019 en 2020. Een intensievere samenwerking tussen publieke en private partijen in alle 35 arbeidsmarktregio’s moet zorgen voor goede matches tussen werkzoekenden en beschikbaar werk. Perspectief op Werk is naast een extra impuls ook een leertraject om vanuit de praktijk te bezien hoe de bemiddeling van deze groep verbeterd kan worden.
Als uitwerking van het breed offensief komen er afspraken met VNG en UWV over het structureel verbeteren van de werkgeversdienstverlening en het matchen in de arbeidsmarktregio’s. Deze afspraken betreffen de invulling van drie randvoorwaarden die gelden voor alle arbeidsmarktregio’s en worden opgenomen in de SUWI regelgeving:
Vanaf 2021 wordt structureel 17 miljoen euro jaarlijks ingezet voor het versterken van de 35 arbeidsmarktregio’s5.
Hierover heb ik uw Kamer recent geïnformeerd6.
Nederlanders die meevechten in de burgeroorlog in Oekraïne |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker acht Nederlanders vechten mee in burgeroorlog Oekraïne, aan beide kanten van het front»1?
Ja.
Was het u bekend dat deze acht Nederlanders betrokken zijn (geweest) in de burgeroorlog in Oekraïne, aan beide kanten van het front? Zo ja, sinds wanneer is deze informatie bij u bekend?
Het artikel waaraan u refereert is gebaseerd op een onderzoeksrapport van het Amerikaanse onderzoeksbureau The Soufan Center. Het rapport bevat een tabel met Foreign Fighters in Oekraïne in de periode 2014–2019. Daar staat ook Nederland in vermeld, maar dat wordt verder niet onderbouwd in het rapport.
Het kabinet herkent dat er betrokkenheid is van Nederlanders bij de strijd in Oekraïne. Cijfers over Nederlanders die deel zouden nemen of deel zouden hebben genomen aan de strijd in Oekraïne, kunnen echter niet worden bevestigd.
Bent u op de hoogte van de identiteit van de personen die meevechten in de burgeroorlog in Oekraïne? Zo ja, sinds wanneer bent u op de hoogte van hun deelname aan het conflict? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord vraag 2.
Worden desbetreffende personen gemonitord? Wordt in de gaten gehouden wanneer zij terugreizen naar Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord vraag 2.
Zijn er al Nederlanders, die actief betrokken zijn geweest bij de strijd in Oekraïne, naar Nederland teruggekeerd? Zo ja, wanneer?
Zie het antwoord vraag 2.
Welke maatregelen worden genomen tegen Nederlanders die actief betrokken zijn geweest in de strijd in Oekraïne? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord vraag 2. Over het algemeen geldt dat, wanneer er sprake is van radicalisering en extremistische uitingen, de integrale aanpak extremisme en terrorisme wordt ingezet, ongeacht de ideologische achtergrond. Basis hiervan is de lokale, persoonsgerichte aanpak, met een mix van repressieve en preventieve interventies.
Hebt u reden om aan te nemen of is het u bekend dat er meer Nederlanders betrokken zijn geweest bij de strijd in Oost-Oekraïne?
Hier zijn geen nadere gegevens over bekend.
Hoe oordeelt u over het oordeel van het Amerikaanse onderzoeksbureau The Soufan Center dat «White supremacists wereldwijde netwerken aan het vormen zijn»2? Herkent u dit risico en neemt u maatregelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit soort rapporten zijn waardevol om een beeld te krijgen over mondiale ontwikkelingen ten aanzien van rechts-extremisme. Ook het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland vermeldt het ontstaan van een internationale parallelle online-wereld met een eigen beeldtaal en radicaliserend discours. Alhoewel dezelfde voedingsbodem aanwezig is en het discours online opruiend en agressief is, wordt in Nederland in het algemeen niet overgegaan tot geweld. Zo nodig worden maatregelen genomen uit integrale aanpak van terrorisme en extremisme.
Het bericht ‘Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer’ |
|
Sadet Karabulut (SP), Lilianne Ploumen (PvdA), Bram van Ojik (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de recente uitspraken van de Saudische kroonprins, waarin hij aangeeft wel verantwoordelijk te zijn, maar zelf geen opdracht heeft gegeven tot de moord op Jamal Khashoggi?
Net als veel andere internationale partners acht het kabinet de Saoedische uitleg over de omstandigheden en toedracht van de moord op journalist Jamal Khashoggi nog ontoereikend en incompleet. De uitspraken van de autoriteiten over de moord zijn meerdere keren veranderd en veel vragen zijn door hen tot op heden onbeantwoord gebleven. Het kabinet, evenals veel gelijkgestemde landen, heeft benadrukt dat er een grote verantwoordelijkheid op de Saoedische autoriteiten rust om grondig, geloofwaardig en transparant onderzoek te doen en om betrokkenen bij de moord op Jamal Khashoggi te vervolgen. Het kabinet zal hier in bilateraal en multilateraal verband op blijven aandringen. Ik heb dit ook aangekaart in mijn gesprek met mijn Saoedische ambtsgenoot Minister Al-Assaf en marge van de Algemene Vergadering van de VN op 26 september jl.
Acht u het geloofwaardig dat een besluit tot het vermoorden van een journalist in een consulaat in het buitenland door een door de regering gecontroleerd doodseskader heeft kunnen plaatsvinden zonder het medeweten of de goedkeuring van de eindverantwoordelijke, in dit geval de kroonprins?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het vermoeden dat deze uitspraken eerder het karakter hebben van een charmeoffensief dan een (schuld)bekentenis, en deelt u de opvatting dat de zoektocht naar de waarheid onverminderd door moet gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er naar uw oordeel, precies een jaar na de moord op Jamal Khashoggi, nog voldoende druk op Saudi-Arabië om openheid van zaken te geven?
Nederland blijft samen met gelijkgestemde landen aandacht vragen voor deze zaak. Daarbij moet geconstateerd worden dat de Saoedische autoriteiten, ondanks deze druk vanuit de internationale gemeenschap, tot op heden geen volledige openheid hebben gegeven.
Welke acties heeft u het afgelopen jaar genomen om Saudi-Arabië ertoe te bewegen volledige openheid van zaken te geven?
Nederland heeft zich, samen met de EU en andere gelijkgezinde landen, meerdere malen sterk uitgesproken over de moord op Khashoggi. De gemeenschappelijke verklaringen in de Mensenrechtenraadsessies van 7 maart jl. en van 23 september jl., die mede namens Nederland werden uitgesproken, roepen op de verantwoordelijken te straffen. Ook tijdens de interactieve dialoog met Speciaal Rapporteur Callamard op 26 juni jl. hebben Nederland en de EU de moord op Khashoggi opnieuw sterk veroordeeld en Saoedi-Arabië opgeroepen alle medewerking te verlenen aan onderzoeken naar de moord en alle beschikbare informatie vrij te geven. Daarnaast heeft Nederland zich het afgelopen jaar in EU-verband ingezet voor aandacht voor de zaak van Khashoggi. In de item 4-verklaring van de EU bij de Mensenrechtenraadsessies in maart en september dit jaar werd mede daarom aandacht gevraagd voor deze zaak. Op 2 oktober jl. heeft de EU, ook namens Nederland, een verklaring uitgedaan ter nagedachtenis aan Khashoggi, waarin opnieuw wordt opgeroepen tot een geloofwaardig en transparant strafrechtelijk onderzoek en eerlijke berechting van de daders.
Bent u het eens dat er geen handelsmissie naar Saudi-Arabië plaats kan vinden, zolang er geen volledige verantwoordelijkheid is afgelegd voor de moord op Khashoggi?
Nederland acht het van groot belang dat de daders van de moord op Khashoggi worden berecht in een eerlijk en transparant proces. Tegelijkertijd is het van belang de dialoog met Saoedi-Arabië voort te zetten over zaken als maatschappelijk verantwoord ondernemen, energie, stabiliteit in de regio, ongewenste buitenlandse financiering, alsook handel en wederzijdse investeringen. Daarbij geldt dat economische bezoeken ook de mogelijkheid scheppen om over onderwerpen te spreken waarover Nederland en Saoedi-Arabië met elkaar van mening verschillen, zoals de mensenrechtensituatie. Er zijn vooralsnog geen door de overheid geleide handelsmissies gepland. Toekomstige economische bezoeken zullen op basis van de dan actuele situatie worden afgewogen.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het bevriezen van de tegoeden en het opleggen van een inreisverbod voor de leden van het doodseskader dat de moord op Khashoggi heeft uitgevoerd?
Zoals gesteld in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen (op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3514 en op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3513) is voor het instellen van sancties internationaal brede politieke overeenstemming nodig. Dit is voor Saoedi-Arabië op dit moment niet het geval. Zoals u weet zet Nederland zich zeer actief in voor een EU mensenrechtensanctieregime. Met een dergelijk sanctieregime kan wereldwijd worden ingezet op het instellen van persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders, zoals bijvoorbeeld bevriezing van tegoeden en reisbeperkingen. Met het creëren van het juiste instrumentarium valt op termijn veel te winnen en dit heeft daarom op dit moment onze prioriteit.
Bent u voornemens deel te nemen aan de eerstvolgende G-20 top? Zo ja, bent u dan bereid daar te pleiten voor volledige openheid van zaken over deze moord?
De G20 is voor Nederland een invloedrijk forum waar politieke, maatschappelijke en economische vraagstukken worden besproken die een gezamenlijke internationale aanpak vragen. Afspraken die in G20-verband worden gemaakt kunnen een brede impact hebben. Aanwezigheid bij dit forum biedt Nederland de kans op cruciale onderwerpen invloed uit te oefenen. Voor een open en internationaal georiënteerde economie als Nederland is het belangrijk aan tafel te zitten. Zoals ik ook stelde tijdens het AO RBZ van 8 oktober: aangezien Nederland geen permanent G20-lid is, is Nederlandse deelname afhankelijk van of Nederland – net als tijdens de afgelopen drie jaar onder het Duitse, Argentijnse en Japanse voorzitterschap – wordt uitgenodigd om als gast deel te nemen.
Agrarische panden |
|
Jan Middendorp (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen van de leden Middendorp en Lodders over agrarische panden?1
Ja.
Herkent u de berichtgeving dat de meeste hoeves in eigendom van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) zwaar gedateerd en nodig aan onderhoud toe zijn?2
Ja, zie ook het antwoord op vraag 7.
Op welke manier kunnen pachters van agrarische hoeven klachten, onderhoudsverzoeken en dergelijke doorgeven aan het RVB? Kan dit fysiek en digitaal? Hoeveel klachten zijn er de afgelopen 10 jaar binnengekomen (uitgesplitst per jaar), wat is de aard van de klachten en wat wordt hier vervolgens mee gedaan?
Afhankelijk van hun voorkeur kunnen pachters zowel telefonisch als ook per email bij de storingsdienst van het RVB melding maken van klachten, onderhoudsverzoeken en dergelijke.
Het aantal bij de storingsdienst binnengekomen klachten is:
In 2016: 55
In 2017: 84
In 2018: 83
In 2019: 130 (peildatum: 20 november 2019).
De meldingen van vóór 2016 zijn niet systematisch gearchiveerd.
De meeste klachten en meldingen hebben betrekking op lekkages van vooral daken. Daarnaast is houtrot een veel voorkomend probleem. Er zijn ook problemen met houten elementen van de woningen, zoals dakgoten, kozijnen, ramen en deuren. Naar aanleiding van de gemelde storingen wordt een afweging gemaakt of de klachten spoedeisend zijn. Spoedeisende klachten worden zo snel mogelijk verholpen. In het geval van achterstallig onderhoud wordt het herstel in de planning opgenomen.
Op basis van welke indicatoren wordt de pachtprijs bepaald en welke invloed heeft de staat van een hoeve op de pachtprijs? Deelt u de mening dat de pachtprijs met enige regelmaat, mede afhankelijk van de staat van de hoeve, geactualiseerd moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom gebeurt dit nog niet?
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt het Pachtprijzenbesluit en de Uitvoeringsregeling pacht vast. Het Rijksvastgoedbedrijf voert deze regelgeving uit en berekent de pachtprijs volgens de Uitvoeringsregeling. Hierbij zijn onder andere wooncomfort en de doelmatigheid van de bedrijfsgebouwen belangrijke criteria, waarbij met pachtcontracten van vóór 2007 wordt gewerkt met een veranderpercentage en pachtcontracten na 2017 met een puntenstelsel. De Grondkamer heeft op basis van het Pachtprijzenbesluit als onafhankelijke partij een taak om op verzoek van de pachter of de verpachter de pachtprijs voor een woonobject te toetsen. Mocht een pachter het niet eens zijn met de voorgestelde pachtprijs, kan de pachter de Grondkamer verzoeken om de pachtprijs te herzien. De actualisering van de pachtprijs verloopt volgens deze route.
Zijn in 2018 de inspecties van alle 164 hoeven in beheer van het RVB uitgevoerd? Zo nee, waarom niet en heeft u de pachters tijdig hierover geïnformeerd?
Op dit moment zijn 150 hoeven volledig geïnspecteerd. Acht hoeven dienen nog geïnspecteerd te worden. Bij zes hoeven is (nog) geen toegang tot het erf verkregen. De pachters zijn in 2018 geïnformeerd over de op handen zijnde inspecties.
Kunt u toelichten wat uit de inspecties naar voren kwam en welke kosten geraamd zijn voor het onderhoud van de hoeven?
Uit de inspecties komt naar voren dat bij een groot deel van de hoeven de houten deuren, kozijnen, ramen en goten in slechte staat zijn. Ook is er in de boerderijen die geïnspecteerd zijn asbest verwerkt. Aangezien de inspecties nog afgerond moeten worden, is er nog geen volledige raming voor de kosten voor het onderhoud van de hoeven bekend.
Binnen welke termijn wilt u al het benodigde onderhoud aan de hoeven hebben afgerond?
Spoedeisende werkzaamheden zijn in het verleden met voorrang uitgevoerd en deze werkzaamheden worden voortgezet. In januari 2020 worden de inspecties voltooid en een plan van aanpak afgerond. Op dit moment is voor de pachtboerderijen € 0,5 mln. structureel op de begroting gereserveerd. In 2019 is dit budget eenmalig met € 1,3 mln. verhoogd. Ik zal in het kader van de voorjaarsnota 2020 een interdepartementaal overleg starten om de middelen vrij te maken, die nodig zijn om de onderhoudswerkzaamheden uit te kunnen voeren.
Op welke manier worden de pachters van alle 164 hoeven meegenomen in de inspecties, het benodigde onderhoud (zowel aan de buitenschil als intern) aan de hoeven, het totale kostenplaatje en het tijdspad waarin het onderhoud gaat plaatsvinden?
Naast een brief aan alle pachters over de planning en de uitvoering van de werkzaamheden worden pachters individueel op de hoogte gehouden van de herstelwerkzaamheden aan hun hoeve.
Waarom hanteert het RVB het beleid dat agrarische (bedrijfs-)panden niet verkocht worden?3 Acht u dit wenselijk wanneer blijkt dat het kostenplaatje voor het Rijk enorm oploopt terwijl er pachters zijn die de hoeve graag met eigen geld en naar eigen inzicht zouden willen opknappen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan de Kamer over de Actualisatie van het beleid voor de agrarische gronden van de Staat (Kamerstuk 24.490 nr.4 zette ik uiteen dat de stop op de verkoop van losse cultuurgrond en agrarische erven aan zittende (erf)pachters, zoals in het jaar 2000 ingesteld door het Kabinet Kok II, van kracht blijft.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen strategische en niet-strategische gronden.
Strategische gronden zijn de gronden waarvoor in het kader van de planologie een andere bestemming is voorzien. Voor de strategische gronden wordt verwacht dat deze binnen 20 jaar mogelijk kunnen worden ingezet tegen een marktconforme grondvergoeding voor de strategische opgaven van het regeerakkoord van dit Kabinet, met als thema’s duurzaamheid, energietransitie, infrastructuur, natuurontwikkeling, de waterrobuuste inrichting van Nederland, wonen en sociaaleconomische vraagstukken in de regio.
Alleen niet-strategische, in (erf)pacht uitgegeven erven die bovendien niet gebruikt kunnen worden als ruilgrond voor het compenseren van agrariërs die elders hun bedrijf hebben moeten beëindigen ten gunste van een publiek doel, kunnen onder voorwaarden verkocht worden aan zittende (erf)pachters
In de praktijk betekent dit dat op dit moment 13 erven verkocht worden. De verkoopprocedures van al deze hoeves zijn opgestart.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De artikelen ‘Asielzoekers uit veilige landen terroriseren Harderwijk’ en ‘Harderwijk is diefstallen door asielzoekers beu’ |
|
Arne Weverling (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Asielzoekers uit veilige landen terroriseren Harderwijk»1 en «Harderwijk is diefstallen door asielzoekers beu»?2
Ja.
In hoeverre herkent u de cijfers en percentages die in de artikelen worden genoemd over de criminaliteit die wordt gepleegd door veilige landers?
Jaarlijks informeer ik uw Kamer over incidenten door middel van het incidentenoverzicht in de Rapportage Vreemdelingenketen (RVK). Dit is een landelijk overzicht, cijfers op gemeenteniveau worden door het lokale bevoegd gezag verstrekt. Ik kan dan ook niet ingaan op de specifieke situatie in Harderwijk. Wel kan ik ingaan op het landelijke beeld.
In de RVK 20183 is een overzicht (3.15) opgenomen dat gegevens van politie bevat omtrent geregistreerde incidenten van asielzoekers die in deze periode – geheel of gedeeltelijk – in een COA-locatie verbleven en die bijvoorbeeld als verdachte van een misdrijf zijn aangemerkt en/of zijn veroordeeld. In de RVK is aangegeven dat bijna de helft van de verdachten bij de politie en het OM in 2018 afkomstig waren uit Algerije en Marokko. Op afstand volgden onderdanen uit Libië en Tunesië. Voor een nadere duiding van deze incidentcijfers verwijs ik u verder naar mijn brief van 1 juli 20194.
In hoeverre is klopt het dat deze mensen uit Marokko, Algerije en Albanië komen? Uit welke landen nog meer?
Zie antwoord vraag 2.
Welk deel van de veilige landers vertrekt met onbekende bestemming? Hoe bent u van plan dit deel te verkleinen?
Van de circa 4.830 vreemdelingen afkomstig uit een veilig land van herkomst die in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 zijn vertrokken, zijn circa 2.640 vreemdelingen zelfstandig vertrokken zonder toezicht van de rijksoverheid.
Dat een groot deel van de vertrekplichtige vreemdelingen vertrekt buiten het toezicht is onwenselijk, aangezien niet kan worden uitgesloten dat een deel van hen buiten het zicht van de overheid in Nederland blijft. Gecontroleerd vertrek heeft daarom de voorkeur. Dit wordt ten eerste bevorderd door vrijwillig vertrek te bevorderen door middel van programma’s en projecten voor terugkeer- en herintegratieondersteuning, bijvoorbeeld door de Internationale Organisatie voor Migratie of ngo’s. Indien vreemdelingen niet vrijwillig vertrekken, komt gedwongen vertrek in beeld. Het kabinet zet zich in voor het wegnemen van belemmeringen voor gedwongen vertrek, door enerzijds medewerking van herkomstlanden te bevorderen en anderzijds binnen de EU te pleiten voor aanpassing van regelgeving die te beperkend is voor het toepassen van vreemdelingenbewaring.
Welk deel van de veilige landers zonder recht op asiel keert aantoonbaar weer terug naar het eigen land? Welk deel van de criminaliteit komt voor rekening van veilige landers?
Van de circa 4.830 vreemdelingen afkomstig uit een veilig land van herkomst die in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 zijn vertrokken uit Nederland, zijn circa 2.190 vreemdelingen aantoonbaar vertrokken. Dit is inclusief de gevallen waarbij sprake is van overdracht naar een andere EU-lidstaat in het kader van de EU-Dublinverordening. Circa 1.660 vreemdelingen zijn vertrokken naar het land van herkomst. In deze aantallen valt – binnen de termijn die staat voor de beantwoording van deze vragen – geen onderscheid te maken tussen vreemdelingen met of zonder asielachtergrond.
Welk deel van de criminaliteit voor rekening komt van personen met de nationaliteit van een veilig land is tot nu toe niet opgenomen in het incidentenoverzicht van de RVK. Ik beraad mij op de manier waarop het eerstvolgende incidentenoverzicht wordt vormgegeven. Dit incidentenoverzicht wordt in het voorjaar 2020 aan uw Kamer aangeboden.
Welke beleidskeuzes gaat u de komende zes maanden omzetten in gerichte actie teneinde met landen van herkomst bilaterale, multilaterale dan wel Europese afspraken te maken over het daadwerkelijk terugnemen van eigen onderdanen?
Het kabinet zet zich in om de samenwerking met belangrijke herkomst- en transitlanden te intensiveren langs de lijnen van de integrale migratieagenda (voorkomen irreguliere migratie, versterken opvang en bescherming in de regio, solidair asielstelsel binnen de EU en in NL, meer terugkeer, bevorderen legale migratie en stimuleren van integratie en participatie). Hiervoor wordt de brede bilaterale relatie benut. Door kabinetsbreed naar de bilaterale relatie met een herkomstland te kijken, wordt duidelijk waar mogelijkheden liggen voor het realiseren van meer terugkeer5. Voor de komende zes maanden zijn er bilaterale en EU-bezoeken gepland aan en van een aantal van deze relevante landen, met als doel om te investeren in een brede relatie en gevoeligheden rondom terugkeersamenwerking ter sprake te brengen.
Klopt het dat in het regeerakkoord staat dat om de gecontroleerde migratiestroom naar Europa te reguleren, overeenkomsten met betrekking tot migratie gesloten worden met veilige landen, die materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag en dat via deze overeenkomsten in EU-verband afspraken worden gemaakt met transitlanden over de opvang en het terugnemen van asielzoekers, zowel van eigen onderdanen als van andere landen uit de regio? Welke vormen van ontwikkelingssamenwerking of andere vormen van samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van handelsrelaties en personen- goederen en dienstenverkeer, zijn er tot nu afhankelijk gemaakt van medewerking door een veilig land aan de effectieve en soepele terugkeer van de eigen onderdanen?
Het Regeerakkoord stelt dat deze overeenkomsten gesloten kunnen worden, bij voorkeur in Europees verband, om de ongecontroleerde migratiestroom naar Europa te reguleren, het verdienmodel van mensensmokkelaars te breken en een einde te maken aan de talloze verdrinkingen op de Middellandse Zee. Deze overeenkomsten moeten materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag. Het gaat hierbij dus om afspraken om de migratiesamenwerking in den brede te bevorderen. Via deze overeenkomsten moeten in EU-verband afspraken worden gemaakt met transitlanden en landen in de regio over de opvang en het terugnemen van personen die geen recht op verblijf in de EU hebben, zowel van eigen onderdanen als van andere landen uit de regio, aldus het Regeerakkoord.
Zoals eerder met uw Kamer gecommuniceerd6, is terugkeer ook voor de EU een beleidsprioriteit, waarbij een «more for more» en «less for less»-aanpak wordt gehanteerd. Een voorbeeld van het inzetten van verschillende instrumenten is de (onder meer door Nederland gesteunde) aankondiging door de EU over mogelijke maatregelen op het terrein van het visumbeleid ten aanzien van Bangladesh. Dit heeft geleid tot verbetering van de terugkeersamenwerking met dit land. Met gezamenlijk optreden van de EU kunnen dus resultaten op terugkeer worden bereikt. Net als bij alle maatregelen binnen de strategische landenbenadering is de inzet maatwerk. Er zal bij het inzetten van negatieve prikkels oog moeten worden gehouden voor potentieel negatieve impact op belangen van zowel Nederland als van de EU en mogelijke repercussies in de relaties.
Welke belemmeringen staan in de weg bij het maken van afspraken met veilige landen over een effectieve terugkeer naar deze landen?
De gebrekkige medewerking van een aantal herkomstlanden bij terugname van hun eigen onderdanen verdient onverminderd aandacht. Er ligt een heldere en samenhangende beleidsinzet ten aanzien van prioritaire migratielanden conform het principe van «more for more, less for less». Deze is gericht op gecontroleerde escalatie/de-escalatie, zodat herkomstlanden worden gestimuleerd hun eigen onderdanen terug te nemen. Belangrijke voorwaarde daarbij is dat er steeds dient te worden geanticipeerd op belemmeringen «in eigen huis», voortvloeiend uit Europese en nationale wet- en regelgeving, voor de uitvoering van het terugkeerbeleid. Vanwege deze belemmeringen gebeurt het regelmatig dat een persoon zonder recht op verblijf, ondanks verkregen medewerking van het herkomstland, niet meer uitzetbaar of beschikbaar is.
Op welke wijze kunnen veilige landen beloond dan wel gesanctioneerd worden indien zij niet alsnog aan hun verplichting voldoen om hun eigen onderdanen terug te nemen? In welke mate en bij welke landen is dit al gebeurd?
Zoals gesteld in de integrale migratieagenda van dit kabinet, kan door kabinetsbreed naar de bilaterale relatie met een herkomstland te kijken duidelijk worden waar mogelijkheden liggen voor het realiseren van meer terugkeer. Gedacht kan worden aan bilaterale samenwerking of capaciteitsopbouw op terreinen als rechtshulp en politie en grensbewaking. Daarnaast behoort ook het beter benutten van bestaande legale migratiekanalen – zoals het aanbieden van studiebeurzen – tot de mogelijkheden. Naast «more for more»-samenwerking zet het kabinet ook in op de «less for less»-aanpak gericht op het daadwerkelijk bewerkstelligen van terugkeer, bijvoorbeeld door het treffen van visummaatregelen. De invoering van de gewijzigde EU visumcode per 2 februari 2020 biedt wat dat betreft extra mogelijkheden. Welke aanpak werkt, blijft maatwerk.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en voor het algemeen overleg over het vreemdelingen en asielbeleid te beantwoorden?
Vraag 2 en 3 liggen in elkaars verlengde. In het belang van een overzichtelijke beantwoording heb ik deze vragen gezamenlijk beantwoord.
Het artikel ’Elektriciteitsnet op steeds meer plekken vol’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Elektriciteitsnet op steeds meer plekken vol»?1
Ja.
Erkent u de constatering van netbeheerder Liander, die verantwoordelijk is voor elektriciteitstransport van drie miljoen woningen, dat het elektriciteitsnet vol raakt en daarmee aansluiting op het stroomnet op een aantal plekken voor grote bedrijven niet meer mogelijk is? Kunt u dit toelichten?
Ik erken de constatering, Zoals ook beschreven in mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 (Kamerstuk 30 196, nr. 669) zijn gebieden in Nederland waar het elektriciteitsnet niet de capaciteit heeft om de toegenomen decentrale productie te transporteren. Andere gebieden hebben te maken met een snel groeiende vraag naar elektriciteit. Dit kan er ook toe leiden dat een aansluiting niet gerealiseerd kan worden. In de provincie Noord-Holland is een sterke groei in de vraag naar elektriciteit.
Deelt u de constatering van de netbeheerder dat het door lange vergunningstrajecten en procedures nog langer duurt totdat het netcapaciteitsprobleem wordt opgelost? Welke stappen neemt u om deze procedures te versnellen?
Ik deel de constatering, grote netverzwaringen kennen zorgvuldige ruimtelijke besluitvormingsprocedures. Daarbij is het voor overheden belangrijk om te investeren in inspraak, participatie en onderzoek naar de milieueffecten. De netverzwaringen hebben immers impact op de leefomgeving van mensen, op natuur en landschap. Dergelijke besluitvormingsprocedures kennen daarom een zekere doorlooptijd. Door de aanpassing van de Crisis- en Herstelwet zijn procedures al zoveel mogelijk verkort door bijvoorbeeld direct beroep bij de rechter mogelijk te maken.
Versnelling van de doorlooptijd ontstaat vooral door een integrale visie op de ruimtelijke locaties voor nieuwe opwek en energie infrastructuur. De Regionale Energiestrategieën, waaraan de netbeheerders actief bijdragen, dragen in belangrijke mate bij aan versnelling van de besluitvorming voor nieuwe projecten.
Bent u ermee bekend dat tuinders inmiddels genoodzaakt zijn om hun lampen uit te zetten omdat de vraag naar stroom te groot is? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke situatie is?
Ja ik ben hier mee bekend. Om de problemen die het gevolg zijn van een tekort aan transportcapaciteit te beperken, wordt in afwachting van de realisatie van de benodigde netverzwaring onder meer gezocht naar mogelijkheden om gebruik te maken van tijdelijke of structurele inkoop van flexibiliteit. Hierbij ontvangen aangeslotenen die in staat zijn hun productie of afname van elektriciteit te verhogen of te verlagen een vergoeding om door middel van die verhoging of verlaging bij te dragen aan het beperken van de congestie op het elektriciteitsnet. Deze situatie is niet onwenselijk en draagt bij aan een efficiënt gebruik van het elektriciteitsnet.
Hoe staat u tegenover een nationaal masterplan voor de energie-infrastructuur, zoals de netbeheerders voorstellen? Kunt u dit toelichten?
Netbeheerders beogen vooral een borging van tijdige besluitvorming over de energie-infrastructuur, op de verschillende bestuurlijke niveaus. Ik wil een nationaal masterplan niet uitleggen als een plan waarin het Rijk precies ruimtelijk uittekent waar ruimte moet komen voor energie-infrastructuur. Hier ligt immers een belangrijke gezamenlijke taak voor gemeenten, provincies en Rijk.
Wel ben ik met medeoverheden en netbeheerders in gesprek over de borging van de energie-infrastructuur op de verschillende bestuurlijke niveaus zodanig dat klimaatdoelen tijdig gehaald worden en de energietransitie wordt gefaciliteerd, Ik doe dit in het kader van het nationaal programma regionale energiestrategieën en in het kader van het nationaal programma energiehoofdstructuur.
Begin 2020 zal ik een startnotitie voor het programma energiehoofdstructuur vaststellen en naar de Kamer sturen, waarin staat wat de precieze reikwijdte en planning van het programma wordt. Onder coördinatie van het nationaal programma regionale energiestrategieën zal een appreciatie van de regionale energiestrategieën worden uitgevoerd. De appreciatie bestaat uit analyses van PBL en peer-reviews en wordt door de opdracht gevende partijen voorzien van een advies aan de regionale energiestrategie regio’s. Dit advies is naar verwachting na de zomer van 2020 gereed. Ik zal uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de genoemde constatering dat een tekort aan technisch personeel een van de oorzaken van problemen met netcapaciteit is? Wat doet u om de werving van technisch personeel te stimuleren?
Een tekort aan technisch personeel is een probleem voor de sector. Netbeheerders zullen veel moeten investeren in het net en voor de uitvoering daarvan is technisch personeel nodig. Werkgevers en werknemers in de elektriciteitssector hebben in het Klimaatakkoord afgesproken een gezamenlijke agenda af te spreken en een platform voor overleg met sociale partners te creëren om baankansen in de sector te vergroten.
Hoe verklaart u dat sinds 2013, toen het Energieakkoord werd afgesloten, met een bijbehorende intensivering van duurzame energieopwekking, in de afgelopen jaren de nodige investering in netcapaciteit achter is gebleven?
In het Energieakkoord zijn twee hoofddoelen afgesproken die van belang voor hernieuwbaar op land. In de Kamerbrief over de uitvoering van het Energie-akkoord van 14 februari 2018 (Kamerstuk 30 196, nr. 573) wordt aangegeven hoe het met de uitvoering van de doelen staat. Om de doelen te behalen is in grote mate ingezet op het behalen van 6.000 MW wind op land in 2020. Hiermee zou 10 PJ extra hernieuwbare energieproductie worden gerealiseerd. Het kabinet heeft hierover met de provincies afspraken gemaakt, zie ook de brief van 28 juni 2019 (Kamerstuk 33 612, nr. 70).
De netbeheerders hebben deze voorziene toename tijdig kunnen faciliteren doordat sinds 2013 grootschalige netverzwaringen hebben plaatsgevonden met name voor wind op land en zon-op-dak. De afgelopen jaren heeft echter een intensivering plaats gevonden, die ook in het NEV 2017, waar werd uitgegaan van de toename van hernieuwbaar op grond van het Energieakkoord, niet is voorzien. Netbeheerders bereiden nieuwe grootschalige verzwaringen voor van de netten om aan de groeiende vraag naar netcapaciteit te voldoen. Het aanbod van duurzame productie groeit vooral in dunbevolkte gebieden met van oudsher weinig vraag naar elektriciteit, waar dus de dunste elektriciteitsnetten zijn neergelegd. Dit zijn tegelijkertijd de gebieden waar sinds 2017 de meeste (grootschalige) zonneparken worden gepland. Projecten voor deze vorm van duurzame elektriciteitsproductie zijn 4 a 5 keer sneller te realiseren dan aanpassingen in het elektriciteitsnet. De snelle groei is hierdoor niet bij te houden door de netbeheerders. In mijn brief aan de Kamer van 28 juni 2019 ben ik ingegaan op deze problematiek en heb hier meerdere maatregelen aangekondigd die de problematiek moet verlichten. Begin 2020 zal ik de Kamer informeren over de voortgang van deze maatregelen.
Paspoorthandel op Malta |
|
Maarten Groothuizen (D66), Kees Verhoeven (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Paspoorthandel: schatrijke buitenlanders kopen staatsburgerschap op Malta1», «Wat is de rol van deze Nederlandse hoogleraar bij omstreden paspoorthandel?»2 en «Onderzoek naar Groningse hoogleraar vanwege paspoorthandel Malta»?3
Ja.
Hoeveel paspoorten en visa heeft Malta in de afgelopen vijf jaar verkocht?
Volgens het rapport van de Office of the Regulator on the Individual Investor Programme (ORiip) d.d. november 2018, zijn er tot 1 juli 2018 961 paspoorten afgegeven.4
Welke nationaliteiten hebben de personen die deze paspoorten en visa hebben gekocht?
Volgens hetzelfde Oriip-rapport is er voor wat betreft paspoortafgifte over de periode 1 juli 2015 tot 1 juli 2018 een geografische verdeling bekend: 266 uit Europa, 70 uit Azië, 67 uit de Golfregio, 36 uit Afrika, 20 uit Noord Amerika, 16 uit het Midden Oosten, 4 uit Zuid Amerika, 3 uit het Caribisch gebied en 1 uit Oceanië. In de eerste editie van het rapport (2014) en de tweede editie (2015) is de geografische verdeling voor wat betreft aanmeldingen wel bijgehouden maar niet de afgifte.
Is het mogelijk dat Malta paspoorten verkoopt aan mensen die (elders) in de EU worden verdacht van of zijn veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, zoals witwassen of corruptie? Zo ja, hoe beoordeelt u dat? Zo nee, hoe kunt u dat garanderen?
De Maltese overheid geeft aan dat zij bij de aanvraag voor een Maltees paspoort een uitgebreide due dilligence toets uitvoert, onder meer bestaande uit het checken van Interpol en Europol en voor niet-EU burgers de standaard Schengentoetsing (check op onder meer EURODAC) en een toets of het politically exposed persons betreft dan wel of zij op een internationale sanctielijst voorkomen. Daarnaast wordt aanvullend onderzoek gedaan in het land van herkomst naar de achtergronden van de betreffende investeerder en gezinsleden, wat kan bestaan uit interviews met personen die de betrokkenen kennen.
Een dergelijke uitgebreide toets is helaas nooit een garantie dat er geen paspoort wordt verkocht aan de in de vraag genoemde personen.
Hoe beoordeelt u de verkoop van paspoorten door de overheid van Malta, waarbij iemand zich voor 900.000 euro kan laten naturaliseren tot Maltees, waarmee iemand indirect ook het EU-burgerschap kan kopen?
Het kabinet acht het zogenoemd verkopen van paspoorten, waardoor een derdelander ook het EU-burgerschap kan verkrijgen, een onwenselijke wijze van naturalisatie. Evenwel bepaalt elke staat zelf, op grond van internationaal recht en met inachtneming van de daarin gegeven beperkingen, op basis van zijn eigen wetgeving wie zijn onderdanen zijn. Deze nationale wetgeving wordt door andere Staten geaccepteerd voor zover zij overeenstemt met internationaal recht. Het is aan het land om vast te stellen of aan nationale (wettelijke) voorwaarden voor verstrekking van een paspoort is voldaan.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid om paspoorten te kopen criminaliteit in de hand kan werken en een halt toegeroepen zou moeten worden? Deelt u voorts de mening dat het überhaupt niet mogelijk zou moeten zijn om het Europese burgerschap te kunnen kopen? Wat gaat u doen om deze problematiek aan te kaarten bij uw Europese, en in het bijzonder uw Maltese collega’s?
De mogelijkheid om een paspoort te verkrijgen op basis van een investering kan criminaliteit in de hand werken indien er geen goede toets is op openbare orde.
Met betrekking tot de tweede vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Met betrekking tot de derde vraag wijs ik erop dat de bezorgdheid om regelingen, op basis waarvan paspoorten kunnen worden afgegeven aan buitenlandse investeerders, breder leeft binnen de EU. Zo heeft de Europese Commissie naar aanleiding van haar rapport over Investor Citizenship and Residence Schemes 2 van 23 januari jl. aangegeven dat zij de genoemde regelingen zal monitoren. Bovendien heeft zij een expertgroep in het leven geroepen die de risico’s van deze regelingen nader onderzoekt. Naar aanleiding daarvan bereidt de Commissie een gezamenlijke set van veiligheidschecks voor om risico’s op het gebied van veiligheid, witwassen en corruptie tegen te gaan. Op basis van de uitkomst van dit initiatief van de Commissie wil het Kabinet de dialoog – bij voorkeur op EU-niveau – over genoemde regelingen aangaan.
Deelt u de mening dat het verkrijgen van een EU-paspoort een logische vervolgstap kan zijn in het wegsluizen van grote sommen geld en vermogensbestanddelen, en daarmee in feite een schakel in corruptie en witwassen is, omdat het na het veiligstellen van vermogen logisch is dat mensen ongestoord van hun vermogen willen kunnen genieten? Zo ja, is hier dan geen sprake van het mogelijk faciliteren van corruptie en witwassen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan niet uitsluiten dat er gevallen zijn waarin het verkrijgen van een EU-paspoort een schakel vormt in een groter corruptie- en witwasplan. Of dit feitelijk het geval is en of er daarbij sprake is van het faciliteren van corruptie en witwassen, vergt per geval een beoordeling. Zoals gemeld in de beantwoording van vraag6 heeft Malta aangegeven een uitgebreide due dilligence toets uit te voeren bij de aanvraag van een paspoort.
Deelt u de mening dat het indirect kunnen kopen van het EU-burgerschap de veiligheid en integriteit van het vrije verkeer van personen in de Europese Unie kan ondermijnen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit het oogpunt van veiligheid en integriteit is het zorgelijk wanneer het kopen van het EU-burgerschap de uitwerking heeft zoals die recent werd geschetst in de uitzending van Nieuwsuur.
In het antwoord op vraag zes is aangegeven dat op EU-niveau dit risico ook wordt onderkend en dat Nederland bij voorkeur in EU-verband de dialoog over dit soort regelingen wil aangaan.
In hoeverre is bekend of de personen die een paspoort of visum hebben gekocht in Malta, daar ook verblijven of anderzijds een link hebben met Malta? Indien deze personen niet in Malta verblijven maar daar wel een woonadres hebben, hoe beoordeelt u dat en welke risico’s ziet u daarbij?
Het is mij niet bekend of genoemde personen die de Maltese nationaliteit hebben verkregen ook daadwerkelijk in Malta wonen. Het hebben verkregen van een nationaliteit brengt geen verplichting met zich mee om in het desbetreffende land te verblijven. Zo zijn er ook personen met een Nederlands paspoort die zelden of nooit in Nederland verblijven.
Ten aanzien van de risico’s verwijs ik naar de beantwoording van vraag7 over initiatieven terzake van de Europese Commissie.
Hoe heeft Nederland zich tot nu toe opgesteld in de Europese Unie als het gaat om visa- en paspoorthandel, en in het bijzonder bij de inspanningen van de Europese Commissie op dit terrein naar aanleiding van de initiatieven volgend op het rapport «Investor Citizenship and Residence Schemes in the European Union»?4 Ziet u aanleiding om de opstelling van het Nederlandse kabinet te veranderen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft een expert afgevaardigd naar een bijeenkomst op 5 april jl. van de expertgroep (Group of Member States Experts on Investor Citizenship and Residence Schemes) die de Commissie in het leven heeft geroepen (zie ook vraag9 en is betrokken bij het opstellen van een rapport dat de Commissie aan het schrijven is. Dit rapport zal naar verwachting aan het einde van het jaar openbaar worden. Zoals in de beantwoording van vraag 6 is aangegeven, is het verstandig om de uitkomst van deze initiatieven van de Commissie af te wachten en op basis daarvan de dialoog – bij voorkeur op EU-niveau – over genoemde regelingen aan te gaan.
Op welke wijze levert het kabinet expertise om de Europese Commissie te ondersteunen in de monitoring van deze problematiek en wat voor resultaten heeft dit tot nu toe opgeleverd? Kunt u bevestigen dat er inderdaad geen misbruik van bestaande regelingen wordt gemaakt?5
Nederland heeft een expert afgevaardigd naar een bijeenkomst op 5 april jl. van de expertgroep die de Commissie in het leven heeft geroepen (zie ook vraag11 en is betrokken bij het opstellen van een rapport dat de Commissie aan het schrijven is. Dit rapport zal naar verwachting aan het einde van het jaar openbaar worden. Ik kan op dit moment niet bevestigen dat er geen misbruik wordt gemaakt van bestaande regelingen in andere lidstaten.
Hoe beziet u het probleem dat EU-lidstaten zelf beslissen wie hun nationaliteit krijgt, maar daarmee ook zelf beslissen wie het Europese burgerschap krijgt? Is dit wenselijk volgens u? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op grond van internationaal recht, en met inachtneming van de daarin gegeven
beperkingen, bepaalt elke Staat op basis van zijn eigen wetgeving wie zijn onderdanen zijn – en derhalve ook wie het EU-burgerschap verkrijgt. Deze wetgeving wordt door andere Staten geaccepteerd voor
zover zij overeenstemt met internationaal recht. Het is aan het land om vast te
stellen of aan de nationale (wettelijke) voorwaarden voor verstrekking van een paspoort is voldaan en om te voorkomen dat daardoor mogelijkerwijs criminelen worden gefaciliteerd.
Het kabinet is van mening dat het verlenen van de nationaliteit de bevoegdheid van de EU-lidstaten moet blijven. Vanwege de relatie met het EU-burgerschap is het wel wenselijk dat, wanneer het verlenen van de nationaliteit negatieve effecten zou hebben voor andere lidstaten dit – het liefst op EU-niveau – met de desbetreffende lidstaat wordt besproken. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat de AIVD eerder heeft gewaarschuwd voor de risico’s die deze paspoorthandel met zich meebrengt? Zo ja, wat heeft u gedaan met deze waarschuwing? Welke oplossingen draagt de AIVD aan en wat heeft u daar tot nu toe mee gedaan?
Ik verwijs in dit verband naar de brief aan uw Kamer van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (kenmerk 2019Z21261). Daarin is vermeld dat vanuit het oogpunt van (nationale) veiligheid en openbare orde het zorgelijk is wanneer het Maltese programma de uitwerking heeft zoals die recent werd geschetst in de uitzending van Nieuwsuur. Belangrijk is daarom dat bij regelingen van lidstaten waarbij derdelanders het recht krijgen om vrij binnen de EU te reizen (zoals bij de paspoortregeling van Malta) een toets op gevaar voor (nationale) veiligheid en openbare orde wordt uitgevoerd.
Wat vindt u ervan dat de AIVD deze paspoorthandel een «gevaar voor de nationale veiligheid» noemt? Bent u dit met de AIVD eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ik verwijs naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (Kamerstuk 30 573, nr. 177) en de beantwoording van vraag 4 hierboven.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de AIVD dat door deze paspoorthandel «inlichtingenofficieren met kwade bedoelingen vrij kunnen reizen binnen de EU»?
Ook voor dit antwoord verwijs ik naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november jl. (Kamerstuk 30 573, nr. 177) en de beantwoording van vraag 4 hierboven.
In hoeverre is het u bekend dat deze zorgen ook bij inlichtingendiensten van andere lidstaten leven? Welke kansen ziet u om samen op te trekken met andere lidstaten en hun inlichtingendiensten om deze handel aan banden te leggen?
Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over de informatievoorziening van of de samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten.
In welke andere EU-lidstaten is het mogelijk paspoorten en visa te kopen? Hoeveel paspoorten en visa hebben deze lidstaten individueel verkocht? Welke nationaliteiten hebben de personen die deze paspoorten en visa hebben gekocht? Welke zaken vallen u op als u deze informatie bekijkt?
In het rapport van de Europese Commissie «Investor Citizenship and Residence Schemes in the European Union» d.d. 23 januari jl. staat aangegeven, dat dergelijke paspoortregelingen in drie lidstaten bestaan: Bulgarije, Cyprus en Malta. Wat betreft dergelijke visa regelingen gaat het om twintig lidstaten: Bulgarije, Tsjechië, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije en het VK.
De regering beschikt niet over eigenstandige gegevens ten aanzien van de verstrekking van paspoorten en visa aan derdelanders. Het hierboven aangehaalde rapport van de Europese Commissie stelt bovendien dat beschikbare informatie hierover incompleet is.
Welk verband is er volgens u tussen de moord op journaliste Caruana Galizia, die veel onderzoek deed naar de paspoorthandel, en de Maltese overheid die verantwoordelijkheid draagt voor de paspoorthandel in Malta? Hoe kijkt u naar het besluit dat is genomen door de Maltese overheid om een openbaar en onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de moord?
In de beantwoording van de vragen van uw Kamer over het moordonderzoek naar Daphne Caruana Galizia (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 867) heb ik verwelkomd dat de Maltese regering onlangs, conform de aanbeveling van de Raad van Europa, een openbaar onderzoek heeft ingesteld. Het kabinet ziet dit als een teken dat Malta de zaak serieus neemt en open staat voor de aanbevelingen van gezaghebbende instituties zoals de Raad van Europa. De samenstelling van de onderzoekscommissie is nog onderwerp van overleg tussen de regering en de familie. Het is aan de onderzoekscommissie om het onderzoek op onafhankelijke wijze vorm te geven.
Ik verwacht dat de Maltese overheid pas na afronding van de volledige rechtsgang en bovengenoemd openbaar onderzoek uitsluitsel zal kunnen geven over diverse vragen die er leven rondom deze afschuwelijke moord.
Hoe beoordeelt u de rol van de Nederlandse hoogleraar bij deze paspoorthandel?
Over de rol van deze hoogleraar kan het Kabinet op dit moment geen oordeel geven. Zijn rol in de advisering van de Maltese overheid is onderwerp van een onafhankelijk onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Rijksuniversiteit Groningen zal worden uitgevoerd.
Bent u van mening dat hij voldoende onafhankelijk is om te kunnen opereren als onafhankelijk academicus op de Rijksuniversiteit Groningen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ook hierover kan het Kabinet op dit moment geen oordeel vellen. Het door de Rijksuniversiteit Groningen in te stellen onderzoek zal hierover duidelijkheid moeten geven.
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen van de leden Groothuizen en den Boer, ingezonden op 24 januari 2019?6
Ja.
Bent u van mening dat u het probleem van gouden paspoorten en visa voldoende serieus neemt, gelet op uw eerdere antwoorden dat «het een probleem kan zijn als bij de afgifte van «gouden paspoorten» en «gouden visa» door lidstaten onvoldoende wordt getoetst op openbare orde en nationale veiligheid»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Kabinet neemt de risico’s van de afgifte van «gouden paspoorten» en «gouden visa» zeer serieus. Omdat het een EU-breed vraagstuk is, kijkt Nederland in de eerste plaats naar een aanpak op het niveau van de Europese Unie en steunt Nederland de Commissie in het haar streven om de regelingen te monitoren op mogelijke risico’s en op verenigbaarheid met het EU-recht.
Hoeveel mensen hebben er sinds de invoering van de toelatingsregeling voor buitenlandse investeerders7 in 2013 gebruik gemaakt van deze regeling? Kunt u aangeven of de regeling sinds hij van kracht is wel eens misbruikt is, doordat het bijvoorbeeld is ingezet voor corrupte doeleinden?
Tot nu toe zijn er minder dan 10 verblijfsvergunningen aan buitenlandse investeerders afgegeven. Van misbruik van de regeling is het Kabinet niets bekend. Met name de inschakeling van de Financial Intelligence Unit (FIU) in Nederland en in het land van herkomst van de investeerder is een effectief middel om misbruik te voorkomen.
Hoe effectief beoordeelt u de regeling? Bent u van mening dat de regeling wordt ingezet waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was? In hoeverre overweegt u de regeling stop te zetten, gelet op het feit dat de Europese Commissie zorgen heeft over zogehete «investor citizenship?
Nederland stelt, in vergelijking met overige lidstaten, hoge eisen aan haar invulling van de toelatingsregeling die borgen dat de investering van toegevoegde waarde is voor de Nederlandse economie en misbruik wordt voorkomen.
Investeringen binnen de regeling moeten van voldoende toegevoegde waarde zijn voor de Nederlandse economie. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is verantwoordelijk voor de toetsing. Er is sprake van toegevoegde waarde als de investering aan twee van de volgende criteria voldoet:14 Binnen vijf jaar worden ten minste 10 arbeidsplaatsen gecreëerd,15 De investering draagt bij aan vergroting van de innovativiteit van het Nederlandse bedrijf,16 Er is sprake van een overige niet-financiële toegevoegde waarde, zoals specifieke kennis, netwerken, afnemers en actieve betrokkenheid van de investeerder.
Ondanks de tegenvallende resultaten in het verleden, wil het kabinet bezien of via het aanpassen van de regeling deze meer potentie krijgt om een bijdrage te leveren aan het Nederlandse investeringsklimaat en (door)ontwikkeling van innovatieve bedrijven. Dit is in lijn met de inzet zoals beschreven in de Kamerbrief «Technologie en Ondernemerschap; de hoogste tijd voor een nieuwe impuls», van 3 juni 2019 van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, waarin het belang van verbinding tussen startups en buitenlandse investeerders wordt onderstreept. Mocht na één jaar blijken dat de regeling deze potentie niet heeft, dan wordt zij afgeschaft. In dit jaar wordt rekening gehouden met de door de Europese Commissie aankondigde gezamenlijk set van aanbevelingen inzake veiligheidschecks op vergelijkbare regelingen om risico’s op het gebied van veiligheid, witwassen en corruptie tegen te gaan.
De verplichte tussenkomst van de Nederlands Financial Intelligence Unit (FIU, onderdeel van de politie belast met de bestrijding van witwassen) en die van het land van herkomst blijft behouden om misbruik, bijvoorbeeld in de vorm van witwassen, in de toekomst te blijven voorkomen. Met deze tussenkomst is de Nederlandse invulling van de regeling binnen de Europese Unie uniek.
Wat vindt u van het idee om bijvoorbeeld EuropOL of de Europese Commissie onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de paspoorthandel in Malta en andere lidstaten om onafhankelijk te kunnen vaststellen wat de effecten, gevolgen en gevaren zijn van deze handel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hiervoor te pleiten bij uw Europese collega’s?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 6.
Zijn er Nederlandse bedrijven, dan wel in Nederland ingeschreven bedrijven die actief zijn in de handel in paspoorten? Zo ja, hoe beoordeelt u deze activiteiten vanuit het oogpunt van het bestrijden van witwassen en corruptie?
Het is het Kabinet niet bekend dat Nederlandse dan wel in Nederland ingeschreven bedrijven actief zijn in de handel in paspoorten.
Hoe rijmt u de Nederlandse en Europese inzet op het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit zoals witwassen en corruptie tegenover de visa- en paspoorthandel die zich in Malta en andere lidstaten afspeelt? Deelt u de mening dat dit tegenstrijdig is met elkaar? Zo nee, waarom niet?
Binnen de Europese Unie wordt actief ingezet op het tegengaan van onder meer witwassen. Dit is ook de Nederlandse inzet, zie het recente gezamenlijke paper van Nederland met Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en Letland over Europees anti-witwastoezicht. De actieve inzet leidt bijvoorbeeld tot regels op het gebied van openbare orde en nationale veiligheid en tot EU-richtlijnen inzake het voorkomen en bestrijden van witwassen. Deze maatregelen beogen complementair te zijn aan elkaar, niet strijdig. Elke lidstaat van de Europese Unie is hieraan gehouden.
Bent u nog steeds van mening dat «EU-regelgeving op dit gebied niet wenselijk [is] en naar verwachting ook geen oplossing [biedt]», zoals geschetst in uw brief van 7 februari jl.?8 Deelt u de mening dat het bestrijden van witwassen en corruptie een Europese aanpak vraagt, zoals tevens ook bepleit door dit kabinet, en dat er dus ook kritisch gekeken moet worden naar regelingen voor het verkrijgen van paspoorten en verblijfsvergunningen in ruil voor investeringen, zowel door Nederland als door de andere lidstaten en de Europese Unie tezamen?
Beide vragen kan ik bevestigend beantwoorden. Zie ook het antwoord op vraag 22.
Bent u bereid deze vragen individueel te beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk te beantwoorden voor aanvang van het plenaire debat over de paspoorthandel in Malta?
Dat is afhankelijk van het tijdstip van dat debat.
Een door de Europese Unie gefinancierd Turks rapport over islamofobie |
|
Raymond de Roon (PVV), Vicky Maeijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent gepubliceerde rapport «European Islamophobia Report 2018»?1
Ja.
Klopt het dat de opsteller van het rapport (de Turkse denktank SETA) nauwe banden onderhoudt met de regerende AK-partij van president Erdogan?2
De Turkse denktank SETA is formeel een onafhankelijke denktank. Uit publicaties en de werkwijze van SETA kan wel worden geconcludeerd dat deze organisatie qua gedachtegoed dicht staat bij de AK-partij.
Bent u bekend met het feit dat deze dubieuze Turks-islamitische denktank eerder een rapport heeft uitgebracht waarmee kritische journalisten werden gecriminaliseerd?3
Ja.
Klopt het dat de Europese Unie dit propagandavehikel van president Erdogan en zijn AK-partij financiert, zoals onder meer op de kaft van het rapport staat?
SETA ontving samen met het Leopard Weiss Institute for the Study of Contemporary Muslim Life and Thought vanuit het EU-Turkey Civil Society Dialogue (CSD) programma financiering voor het rapport genoemd in vraag 1.
Vanuit het CSD-programma worden in totaal 40 projecten gesteund die door Europese en Turkse non-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd. In dit specifieke geval is 90% van het totaalbudget van € 126,951.81 voor deze publicatie van SETA door CSD gefinancierd. Het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken beheert het CSD-programma. De EU stelt strikte richtlijnen op voor de selectie van projecten, maar is niet betrokken bij de uiteindelijke selectie. Dat gebeurt door het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoals vermeld op de tweede pagina van de onderhavige publicatie, is de EU niet verantwoordelijk voor de inhoud van rapportages en onderschrijft de EU deze niet noodzakelijkerwijs.
Het CSD-programma wordt gefinancierd in het kader van de pretoetredingssteun aan Turkije.
Zo ja, hoeveel EU-subsidie heeft deze «denktank» gekregen, uit welk potje komt het geld en met welk doel is het naar Ankara overgemaakt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het rapport – waarin de PVV en FvD als extreemrechts worden bestempeld en islampartijen als DENK en NIDA worden geprezen – pure moslimpropaganda is, bedoeld om de slachtofferstatus van moslims op te poetsen?
Ik kan mij voorstellen dat lezers het rapport als eenzijdig beschouwen. Ik kan mij echter niet vinden in de woordkeuze in uw vraag. In het algemeen kan gesteld worden dat het kabinet staat voor een samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn, vorm kan geven aan zijn of haar leven en kan geloven wat hij of zij wil. Kennis die bijdraagt aan het beter kunnen aanpakken en voorkomen van discriminatie is hiervoor van belang.
Wilt u ervoor zorgen dat Brussel de absurde financiering van de Turkse denktank SETA per direct stopzet? Zo nee, waarom niet?
SETA ontving financiering uit het CSD-programma voor een specifieke publicatie. Deze publicatie is inmiddels verschenen. Daarnaast geldt dat Nederland in Europees kader reeds geruime tijd de opschorting bepleit van preaccessiesteun aan Turkije, conform de motie Roemer/Segers (Kamerstuk 32 823, nr. 158) en de motie Van der Graaf (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2058). Hier is echter onvoldoende draagvlak voor.
Het bericht dat een onderzoek over burnpits jarenlang op de plank heeft gelegen |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»1?
Ja.
Waarom heeft u het rapport «Evaluation of ernvironmental and toxicity monitoring methods during improvised burn pits» van TNO (2012) niet veel eerder in zijn volledigheid naar de Kamer gestuurd?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe Research & Development (R&D)-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouw-programma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast en verkennend wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. Het testen van nieuwe technieken voor monstername en analysemethoden was één van de aandachtspunten. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen zijn onder gecontroleerde condities in een afgesloten ruimte beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De condities waaronder is gemeten, zijn niet representatief voor de blootstelling tijdens missies waardoor geen conclusies getrokken kunnen worden over de mogelijke gezondheidsrisico’s tijdens missies. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek, het testen van monstername en analyse methodes, was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Waarom stelt uw ministerie in reactie op vragen van EenVandaag dat het TNO-onderzoek niet was bedoeld om de gezondheidseffecten voor militairen te meten, maar het vinden van de beste meetmethode voor schadelijke stoffen van burn pits? Dit doet toch niet af aan de conclusies uit het rapport, en is daarmee toch geen reden dit rapport niet in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het in vraag 2 genoemde onderzoek alsnog in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de bijlage treft u het rapport aan dat inmiddels openbaar is gemaakt.2
Bent u bereid andere relevante rapporten, waarin conclusies worden getrokken over de zogenaamde combinatie-toxiciteit van stoffen in burn pits, van Nederlandse dan wel buitenlandse onderzoeksinstituten aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Met mijn Kamerbrief (Kenmerk 35 000-x-133) d.d. 18 april jl. heb ik u geïnformeerd over de literatuurbeschouwing die het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) heeft uitgevoerd naar 46 publicaties en rapporten burnpits, de uitstoot van burnpits en de eventueel daaraan gerelateerde klachten. Veel van de publicaties en rapporten die zijn opgenomen in de literatuurlijst zijn open bronnen. Een aantal (internationale) publicaties en rapporten dat is gebruikt voor de literatuurbeschouwing worden echter beschermd door auteursrechten. Tot slot is gebruik gemaakt van een rapport van het Belgische Ministerie van de Defensie. Hiervoor is inmiddels een verzoek ingediend bij het Belgische Ministerie van Defensie om dit rapport vertrouwelijk te mogen delen met de Kamer.
Op welke termijn verwacht u dat het door u aangekondigde validatie-onderzoek van de literatuurstudie van het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) wordt afgerond? Deelt u de mening dat dit op zo kort mogelijke termijn moet gebeuren, gelet op het belang van duidelijkheid voor de betrokken militairen?
Defensie heeft de Kamer toegezegd om de uitgevoerde literatuurbeschouwing te laten valideren door een externe partij. Defensie is na het publiceren van het rapport van het CEAG in contact getreden met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM heeft na overleg met Defensie aangegeven de validatie niet te kunnen uitvoeren. Dit heeft ons gedwongen om nieuwe gerenommeerde instellingen aan te schrijven. Op dit moment is het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht als enige partij over en zijn we bezig met de aanbestedingsprocedure.
Zal in het door u aangekondigde validatie-onderzoek expliciet worden gekeken naar combinatie-toxiciteit? Zo nee, waarom niet?
Het validatieonderzoek heeft tot doel de uitkomsten van de literatuurbeschouwing en de meldingen van het meldpunt Burnpits van het CEAG van 8 april 2019 en de daarin opgenomen literatuurstudies in het geheel te toetsen. Er is niet gevraagd specifiek te kijken naar (mogelijke) deelaspecten van de beschreven studies.
De uitzending van EenVandaag over de versterkingsoperatie |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aflevering van EenVandaag van 1 oktober 2019 over de versterking in Groningen?1 Wat is daarop uw reactie?
Ik heb kennisgenomen van de uitzending.
Erkent u het niet nakomen van verwachtingen van inwoners in het bevingsgebied? Zo ja, wat gaat u er aan doen dat verwachtingen wel worden nagekomen?
De situatie uit de uitzending betreft een woning die binnen de batch 1581 een normaal risicoprofiel heeft. Bij de opname van de adressen in batch 1581 is in 2017 nog gebruik gemaakt van de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR) uit 2015. Dit is een oude versie van de richtlijn gebaseerd op het winningsniveau en bijbehorende seismische dreiging van destijds. Na het besluit dat in maart 2018 genomen is om de gaswinning naar nul te brengen, is ervoor gekozen om te werken aan een nieuwe versterkingsaanpak. In deze aanpak, die op basis van het Mijnraadadvies gekozen is, wordt de hoogste prioriteit gegeven aan de versterking van de meest risicovolle woningen. Bewoners die al een versterkingsadvies hadden gekregen, worden uiteraard versterkt conform het versterkingsadvies. Voor de bewoners die nog niet hun versterkingsadviezen hadden ontvangen, is bestuurlijk afgesproken, gezien de nieuwe aanpak, om deze versterkingsadviezen niet alsnog naar de bewoners te sturen.
Vervolgens zijn er met de regio in juni 2019, bestuurlijke afspraken gemaakt over deze batch waarvan de bewoners nog geen versterkingsadvies hadden ontvangen. De afspraak is dat de versterking van huizen uit de batch 1581 met een (licht) verhoogd risicoprofiel (P50 en P90) uitgevoerd zullen worden en dus onderdeel zullen uitmaken van de lokale plannen van aanpak. Voor de huizen met een normaal risicoprofiel uit batch 1581 wordt, conform de bestuurlijke afspraken met de regio, via een steekproef bekeken of er niet een te zwaar versterkingsadvies ligt (oftewel dat de beoordeling met een update van de richtlijn op andere maatregelen uitkomt). Deze steekproef is momenteel in de afrondende fase. Zodra er duidelijkheid is over wat dit voor de daadwerkelijke versterking zal gaan betekenen, zal het kabinet de bewoners en uw Kamer hierover informeren.
De bewoner uit de uitzending heeft het versterkingsadvies, buiten het reguliere proces om, op eigen verzoek ontvangen. Meerdere eigenaren die op eigen verzoek het versterkingsadvies hebben ontvangen zijn geïnformeerd over de status van deze adviezen en het vervolgtraject waarbij is aangegeven dat aan deze versterkingsadviezen geen rechten kunnen worden ontleend. Van een belofte over versterking is daarmee uitdrukkelijk nooit sprake geweest. Dit neemt niet weg dat het voor deze bewoners een vervelende situatie is, waarbij hun huis al geruime tijd geleden geïnspecteerd is, maar zij nog geen duidelijkheid hebben of hun huis versterkt moet worden.
Waarom krijgen inwoners niet «gewoon» hun rapport wanneer zij er om vragen? Waarom moet dat via een WOB-verzoek?
Allereerst waren voor veel panden de versterkingsadviezen nog niet afgerond. Deze zijn, op verzoek van de regio, alsnog vervaardigd met als basis het winningsniveau en bijbehorende seismische dreiging van NPR:2015. Dit is bestuurlijk zo afgesproken vanwege de aanname dat een beoordeling met een nieuwere NPR eenvoudiger zou zijn als er al een volledig NPR:2015-rapport van een pand zou liggen. Deze versterkingsadviezen zijn voor een groot gedeelte in het najaar van 2018 binnengekomen. Bestuurlijk was afgesproken om deze versterkingsadviezen niet actief te delen: de versterkingsmaatregelen hieruit zouden immers niet worden uitgevoerd en zodoende onjuiste verwachtingen bij bewoners te wekken. Wanneer bewoners toch om hun versterkingsadvies verzochten, is dit aan hen geleverd.
Hoe verklaart u het serieuze versterkingsrapport van mevrouw Ziengs uit Loppersum uit 2017, maar dat dit pand niet als een pand met verhoogd risico uit het Hazard and Risk Assessment (HRA)-model komt?
Er is bij de berekening bij het versterkingsadvies gebruikgemaakt van de toen geldende versie van de NPR uit 2015. Destijds werd zodoende gerekend met een veel hoger gaswinningsniveau. De HRA-run waaruit naar voren kwam dat het pand een normaal risicoprofiel heeft, is later uitgevoerd. Hierdoor is de verlaging van het gaswinningsniveau deels wel meegenomen, waardoor de seismische dreiging ook lager was. Ook was de HRA inmiddels verrijkt met nieuwe kennis op basis waarvan de sterkte van een gebouw beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Beide factoren leiden er onder andere toe dat er een verschil op kan treden.
Hoeveel panden hebben een versterkingsadvies maar komen niet als een pand met risico uit het HRA-model? Kunt u een overzicht maken van hoeveel panden per gemeente het gaat?
De NPR en de HRA zijn verschillende instrumenten, met elk een eigen doel. De HRA wordt gebruikt om naar beste kunnen een inschatting te geven van de gebouwen die naar verwachting een hoog risico kennen. De NPR wordt gebruikt om te bepalen welke maatregelen moeten worden genomen. Zowel de NPR als ook de HRA worden continu verbeterd. Een objectieve vergelijking tussen de uitkomst voor een individueel gebouw met een HRA en een met de NPR hangt af van zowel de NPR-versie als de HRA-versie. Een algemeen overzicht voor het aantal panden in het gehele gebied is niet te geven. In de lopende actualisatie van de NPR wordt onderzocht hoe het kan dat de NPR en de HRA op voor een individueel gebouw mogelijk tot verschillende uitkomsten kunnen leiden en zo ja wat daarvan de oorzaak is.
Waarom kan de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) geen garanties geven dat panden met een versterkingsadvies versterkt gaan worden?
In de situatie zoals deze in EenVandaag geschetst werd, hebben de bewoners hun versterkingsadvies op eigen verzoek ontvangen, waarbij in de bijgevoegde brief expliciet staat aangegeven dat de voorgestelde maatregelen niet per definitie zullen worden uitgevoerd. Ook stond in de brief aangegeven dat bewoners kunnen kiezen of zij hun woning opnieuw willen laten beoordelen. Als uit die beoordeling de noodzaak van versterking zou blijken, dan kan het pand inderdaad versterkt worden.
Zijn de normen van de inspecties van panden nu anders dan voorheen? Zo nee, waarom worden dan niet alle panden met een advies uit het verleden versterkt? Zo ja, kunt u dat verklaren? Waarom zou een pand nu een beving wel overleven, terwijl dat twee jaar geleden niet zo was?
Als gevolg van de afbouw van de gaswinning en de risicogerichte prioritering van de versterkingsoperatie zal naar verwachting een steeds groter aantal adressen na opname en beoordeling minder of geen versterking nodig blijken te hebben. De afbouw van de gaswinning leidt tot een verlaging van de seismische dreiging. Met deze verlaging van de seismische dreiging wordt in de herbeoordeling gerekend.
In het Bestuurlijk Overleg van 5 juni 2019 is, zoals eerder is benoemd, afgesproken om via een steekproef van een deelverzameling van deze groep (batch 1851-adressen met een niet verhoogd risicoprofiel) te onderzoeken of herbeoordeling, met een verlaagde seismische dreiging, wezenlijk nieuwe inzichten oplevert. Deze steekproef is momenteel in de afrondende fase. Zodra er duidelijkheid is over wat dit voor de daadwerkelijke versterking zal gaan betekenen, zal het kabinet de bewoners en uw Kamer hierover informeren.
Hoe duidt u de opmerking van de NCG dat het inderdaad onbegrijpelijk is en dat de NCG begrijpt dat mensen vinden dat zij aan het lijntje worden gehouden?
De NCG heeft in de versterkingsoperatie de meeste contacten met de bewoner en voert deze uit conform de bestuurlijke afspraken die gemaakt zijn. In de vele gesprekken die met de bewoner worden gevoerd, probeert de NCG de bewoner zo goed mogelijk mee te nemen en te informeren over het proces. De afgelopen twee jaar zijn belangrijke stappen gezet: de gaswinning wordt zo snel mogelijk afgebouwd, de NAM is op afstand geplaatst en er is voor een risicogerichte versterkingsaanpak gekozen. Gezien deze veranderingen en de resultaten van deze besluiten nog niet voor iedereen voldoende merkbaar zijn, is het begrijpelijk dat bestuurlijke keuzes soms moeilijk voor bewoners te volgen zijn.
Kunt u de angst van mevrouw Ziengs weerleggen als zij stelt: «Het is heel fijn dat de gaskraan nu dicht gaat, maar je kunt niet na al die beloften in het gebied zeggen, we doen de gaskraan dicht en pakken onze spullen en gaan weg.»?
Met de afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld beoogt het kabinet de oorzaak van de veiligheidsrisico’s weg te nemen. Dit heeft geen gevolgen voor de versterking: de versterkingsoperatie gaat onverminderd door. Zoals in de brief van 16 oktober jl. (Kamerstuk 33 259, nr. 695) is aangegeven, volgt uit de meest recente HRA-run (maart 2019) dat het aantal adressen met een verhoogd risico is gedaald tot onder de 1.000. Dit neemt niet weg dat conform bestuurlijke afspraken met de regio en eerdere toezeggingen de totale scope van opname en beoordeling hoger is. De scope van het aantal adressen dat in aanmerking komt voor opname en beoordeling bestaat uit ruim 26.000 adressen. Dit komt ten eerste doordat, conform het advies van de Mijnraad, gewekte verwachtingen en gedane toezeggingen worden nagekomen. Dit is van toepassing op de zogenoemde «batches» die worden uitgevoerd volgens bestaande versterkingsadviezen, ongeacht nieuwe inzichten in de veiligheidssituatie (Kamerstuk 33 529, nr. 502). Ten tweede zijn, in lijn met het Mijnraadadvies, naast de adressen met een verhoogd risico ook adressen met een licht verhoogd risico (P90) opgenomen in de scope. Ten derde blijven in lijn met deze afspraken alle adressen die eerder als (licht) verhoogd risicovol zijn geïdentificeerd onderdeel van de scope, ook als zij dat op basis van recente inzichten niet langer zijn. Ten vierde zijn op verzoek van de gemeenten adressen toegevoegd vanuit het perspectief van een coherente uitvoering in plaats van sec technische veiligheid. Dat gaat bijvoorbeeld om het realiseren van tempo binnen een straat of wijk, om maatschappelijk draagvlak, gebiedsontwikkeling en/of het minimaliseren van overlast.
Als gevolg van de afbouw van de gaswinning en de risicogerichte prioritering van de versterkingsoperatie zal naar verwachting een steeds groter aantal adressen na opname en beoordeling minder of geen versterking nodig blijken te hebben. Daarnaast wordt met het Nationaal Programma Groningen (NPG) geïnvesteerd in toekomstperspectief voor de regio. Mevrouw Ziengs hoeft zich dan ook geen zorgen te maken: ook met het verlagen van de gaswinning, blijft het Rijk zich met de versterkingsoperatie inzetten voor een veilig Groningen.
Worden alle versterkingsadviezen uitgevoerd, ook al zijn die adviezen volgens de oude Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR), zoals u stelde tijdens het algemeen overleg van 12 september? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn beantwoording van vraag 2.
Krijgt de Kamer dit jaar inzicht in de cijfers over de versterking? Dus hoeveel panden zijn er geïnspecteerd en geëngineerd? Hoeveel zijn er versterkt?
In mijn brief aan uw Kamer over de overdracht taken van EZK naar BZK, is een dashboard bijgevoegd (Kamerstuk 33 259, nr. 695). Het dashboard biedt inzicht in de voortgang en realisatie van de versterkingsoperatie tot nu toe en geeft een eerste prognose voor de rest van dit jaar. Daarin staat dat tot 7 oktober 2019 14.370 adressen zijn opgenomen, 6.886 adressen zijn beoordeeld, 1.799 projecten zijn vastgesteld en 1.007 gebouwen versterkt zijn opgeleverd.
Kunt u de cijfers uit vraag 11 ook voorspellen voor 2020? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de prognose?
In het dashboard staat een prognose voor de rest van 2019 opgenomen. Op dit moment werken de gemeenten en NCG aan de lokale programma’s van aanpak voor 2020.
Seksuele intimidatie op de werkvloer bij universiteiten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Universiteiten bieden onvoldoende bescherming tegen intimidatie op de werkvloer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat klachten over seksuele en wetenschappelijke intimidatie veelal niet serieus worden genomen in de academische wereld? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, hoe verklaart u dat de respondenten in het onderzoek aangeven dat slechts de helft van de klachten in behandeling is genomen, waarvan slechts één klacht naar tevredenheid is afgehandeld?
Ik herken het beeld dat in de studies wordt geschetst en ik zie dat seksuele en wetenschappelijke intimidatie een probleem vormt binnen de academische wereld. Tegelijkertijd zie ik dat het onderwerp serieus wordt opgepakt en hoog op de agenda staat. De rapporten van het LNVH en het FNV/VAWO over dit onderwerp hebben zowel de Kamer, het ministerie als de universiteiten tot actie aangespoord. Zodoende heeft VSNU dit voorjaar een statement uitgebracht waarin alle vormen van intimidatie en wangedrag door de universiteiten worden verworpen.2 Op dit moment zijn er veel acties in gang gezet door alle universiteiten, zoals verschillende trainingen en het herzien van hun eigen procedures rond meldingen van intimidatie. Intimidatie betreft een veelzijdig en diepgeworteld probleem, waar meerdere initiatieven nodig zijn om een cultuuromslag kracht bij te zetten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met universiteitsbestuurders over seksuele en wetenschappelijke intimidatie op de werkvloer en het serieus nemen van klachten? Zo nee, hoe duidt u dat universiteitsbestuurders volgens de onderzoeker stellen dat wangedrag op hun universiteit niet voorkomt?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Ik ben hierover al in gesprek met de VSNU. Bovenal spreek ik de universiteiten aan op hun rol als goede werkgever. Ik kom daarbij geen bestuurders tegen die beweren dat wangedrag in hun instelling niet voorkomt. De opmerking in het artikel komt dan ook niet overeen met mijn beeld. Sinds de publicatie van rapporten zoals «Harassment in Dutch academia»3 is er een actieve discussie op gang gekomen, waarin ik zie dat het probleem wordt erkend en besproken. De verschenen rapporten schetsen de status quo vóór deze discussie, op dit moment zijn alle partijen betrokken om intimidatie te bespreken en bespreekbaar te maken.
Deelt u de opvatting van de onderzoeker dat we slechts het topje van de ijsberg in kaart hebben waar het gaat om seksuele en wetenschappelijke intimidatie? Wat gaat u eraan doen om hier een completer beeld van te krijgen waarmee we preventiever kunnen optreden, slachtoffers een helpende hand kunnen bieden en plegers kunnen aanpakken?
Aangezien er een lage meldingsfrequentie in de studie naar voren komt, hebben we inderdaad geen zicht op de werkelijke omvang van het probleem. Elk incident is er echter één te veel. Daarom wil ik ook niet met actie wachten totdat we meer data hebben. Het beeld is en blijft helder. De VSNU (en haar leden) heeft bij mij aangegeven dat zij maatregelen hebben genomen – en blijft nemen – om verdere misstanden te voorkomen.
Verder loopt er op dit moment een pilot ombudspersoon binnen vier universiteiten. In december is een tussenevaluatie van deze pilots gereed. Deze tussenevaluatie wordt betrokken bij het vervolg op de motie Van Meenen. Op basis van deze gegevens informeer ik de Kamer zo snel mogelijk daarna over het vervolgproces, zoals u verzoekt in uw Commissiebrieven met kenmerk 2019D40244 en 2019D41543. Daarbij zal ik ook nader ingaan op de stappen die universiteiten nu nemen. Daarnaast ben ik met de KNAW en LNVH in gesprek over een mogelijk onderzoek naar de preventie en aanpak van intimidatie, dit ook gezien de samenhang van toekomstige acties met wetenschappelijke integriteit en wetenschapsbeleid.
Wat is uw reactie op de door de onderzoeker geponeerde stelling dat vertrouwenspersonen onvoldoende onafhankelijk zijn als het om seksuele en wetenschappelijke intimidatie gaat? Hoe kijkt u in dit licht aan tegen de suggestie om een onafhankelijk nationaal instituut op te richten?
Momenteel zijn enkele universiteiten bezig met het invullen van een ombudsfunctie. De VSNU en ik willen de uitkomsten hiervan afwachten, maar zijn zeker van plan verdere stappen te nemen. Ik hoop dat de ombudsfunctie een belangrijke rol kan vervullen, maar wil ook benadrukken dat een ombudspersoon geen panacee vormt om intimidatie op te lossen. Uit mijn gesprekken met het veld lijkt één nationaal instituut geen oplossing te vormen voor het probleem. Op de lange termijn dient de cultuur binnen universiteiten te veranderen, om zo wangedrag te voorkomen. Verder hoop ik dat mijn inspanningen om het universitaire systeem minder competitief te maken, door samenwerking te bevorderen, op termijn ook een positieve invloed heeft op de algemene cultuur binnen universiteiten.
De Marokkaanse journaliste die is veroordeeld vanwege een abortus |
|
Sadet Karabulut (SP), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jaar cel voor Marokkaanse journaliste om «illegale abortus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat alle vrouwen overal ter wereld toegang zouden moeten hebben tot legale en veilige abortus?
Ja. Nederland zet zich in voor respect, bescherming en verwezenlijking van universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) inclusief hiv/aids, zoals ook uiteen gezet in de beleidsnota Investeren in Perspectief uit 2018. Een van de uitgangspunten daarbij is het recht van mensen om zelf te bepalen of, met wie en wanneer zij kinderen krijgen. Toegang tot goede informatie en seksuele voorlichting alsook goede toegang tot voorbehoedsmiddelen zijn belangrijk om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. In het geval dat zich toch een ongewenste zwangerschap voordoet is legale toegang tot veilige abortus belangrijk om onveilige abortus en de daaraan verbonden gezondheidsrisico’s (waaronder moedersterfte en blijvende gezondheidsproblemen) te voorkomen. De Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (International Conference on Population and Development (ICPD)) en de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization (WHO)) vormen daarbij referentiekaders.
Hoe vindt u het dat de journaliste Hajar Raissounia door de rechtbank in Rabat tot een jaar is veroordeeld vanwege «seks buiten het huwelijk» en «illegale abortus»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bekend met de uitspraak van de rechtbank. Inmiddels is bekend geworden dat mevrouw Raissouni gratie is verleend.
Wat vindt u ervan dat door mensenrechtenorganisaties wordt verondersteld dat de aanhouding en veroordeling van Raissouni is bedoeld om haar de mond te snoeren, aangezien zij veel schreef over politiek, mensenrechten en de Rif-protesten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bekend met de visie van verschillende mensenrechtenorganisaties op de motivaties achter de arrestatie. Ik vind het niet opportuun hierover te speculeren.
Zowel Nederland, de EU als enkele andere Europese lidstaten waren aanwezig bij de uitspraak van deze zaak. Dit toont de aandacht waarmee wij deze zaak hebben gevolgd. Inmiddels is bekend dat aan haar gratie is verleend en dat zij is vrijgelaten. Ik zie dan ook geen reden om hierover in gesprek te treden met mijn ambtsgenoot.
Hoe vindt u het dat aanklachten als «illegale abortus», «overspel» en «seksueel wangedrag» door Marokko worden gebruikt om kritische journalisten te veroordelen, zoals ook in het geval van de oprichter van het kritische dagblad Akhbar al Yaoum die vorig jaar tot twaalf jaar cel werd veroordeeld?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om zich in te zetten voor de vrijlating van Hajar Raissounia en andere journalisten die in Marokko worden vastgehouden? Zo ja, zult u hierover in gesprek treden met uw Marokkaanse ambtsgenoot? Welke andere acties zult u ondernemen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om zich in te zetten voor vrouwenrechten en toegang tot legale en veilige abortus in Marokko? Welke maatregelen zult u nemen?
Nederlands steunt in Marokko reeds meerdere organisaties die zich actief inzetten voor bevordering van gelijke rechten voor vrouwen en meisjes. Dit betreft onder meer het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), alsook het recht van elk individu volledige zeggenschap te hebben, en vrij en verantwoordelijk te beslissen over zijn of haar seksualiteit en seksuele en reproductieve gezondheid, vrij van discriminatie, dwang en geweld. In Marokko steunt Nederland geen specifieke programma’s gericht op legale danwel veilige abortus.
Hoe vindt u het dat ook de arts die de abortus zou hebben uitgevoerd, een tweede arts en haar partner zijn veroordeeld? Zult u zich ook inzetten voor de vrijlating van deze personen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te treffen? Zo nee, waarom niet?
Ook van deze veroordelingen heb ik kennis genomen. Inmiddels is bekend dat ook aan de arts en haar partner gratie is verleend.
De bescherming van Nederlands cultureel erfgoed |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het advies «Van terughoudend naar betrokken» van de Raad voor Cultuur?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat de bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland tekort schiet? Bent u van plan maatregelen te treffen om de Collectie Nederland beter te beschermen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het beschermen van cultureel erfgoed, ook het erfgoed dat in handen is van particulieren, is zeer belangrijk. Het is noodzakelijk dat wat we voor Nederland bewaren met de tijd meegaat. Het beleid was hierin naar mijn optiek te terughoudend. Om te beoordelen of de bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in de wet goed geborgd is en welke instrumenten de wet hiervoor biedt, is aan de commissie-Pechtold gevraagd hier naar te kijken. De commissie heeft een gedegen beeld geschetst van de mogelijkheden om de bescherming van cultureel erfgoed in particulier bezit te versterken. Het advies laat zien dat de huidige wet- en regelgeving veel handvatten biedt, maar dat een andere invulling van beleid nodig is. In mijn beleidsreactie op dit rapport, heb ik uiteen gezet welke actie ik ga ondernemen voor een betere bescherming.
Had de verkoop van de Rubens-tekeningen aan het buitenland, gezien de conclusies van de commissie, mogelijk kunnen worden voorkomen? Welke maatregelen gaat u nemen om een verkoop zoals die van de Rubens-tekeningen in de toekomst te voorkomen?
We kunnen niet met terugwerkende kracht zeggen wat er was gebeurd met de Rubens-tekening als het advies van de commissiePechtold al zou zijn geïmplementeerd. Zoals al geantwoord op vraag 2, staat in mijn reactie op dit advies hoe ik mij zal inzetten voor de bescherming van cultuurgoederen voor Nederland in de toekomst.
Hoe leest u het oordeel van de commissie dat een scherpe, actuele visie op de Collectie Nederland ontbreekt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vond het beleid ten aanzien van de Collectie Nederland te terughoudend. Ik zag dat er aanleiding was om het beleid en het instrumentarium tegen het licht te houden. Ik heb daarom de commissie-Pechtold gevraagd om hierover te adviseren. Zoals ik in mijn beleidsreactie heb aangegeven, zie ik dat het advies veel aanknopingspunten biedt om te komen tot een nieuwe visie op de Collectie Nederland.
Bent u het eens met het oordeel van de commissie dat er wordt gehandeld vanuit de gedachte dat de Collectie Nederland «af» zou zijn? Erkent u dat er sprake is van terughoudendheid bij de overheid in verdere vorming van zowel het publieke als het particuliere deel van de Collectie Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in mijn beleidsreactie aangeef, deel ik het beeld dat de Collectie Nederland dynamisch van aard is, en dit geldt evenzeer voor het beleid daaromtrent. Daarom vond ik het nodig te komen tot een herziening van het beleid van mijn voorgangers.
Wat vindt u van het oordeel van de commissie dat de vorming van de Collectie Nederland berust op «puur toeval»? Bent u het eens dat een overkoepelende visie ten opzichte van de samenstelling van de Collectie Nederland ontbreekt? Zo ja, wat gaat u doen om dit te veranderen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik aangeef in mijn reactie op het advies, zie ik dat er aanleiding is om de visie, het beleid en de uitvoering ten aanzien van de Collectie Nederland te herzien.
Wat vindt u van de constatering van de commissie dat er in het register belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen ontbreken of juist onnodig in het register staan vermeld? Bent u het met de commissie eens dat er geen sprake is van een verantwoorde samenstelling van het register? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Ik constateer dat de inhoud van het register het resultaat is van het gevoerde beleid uit het verleden. Ik merk op dat in dit beleid niet alleen het belang van cultuurgoederen daarbij een rol speelde, maar vooral ook de urgente bedreiging ervan in het licht van de Collectie Nederland. Dit verklaart bijvoorbeeld dat er diverse bijzonder kerkelijk erfgoed op de lijst staat als gevolg van de acute sluiting van kerken. Dit verklaart ook dat er geen werken van Mondriaan en Van Gogh op de lijst staan omdat die (gelukkig) ruimschoots onbedreigd deel uit maken van de collecties in onze publieke musea. Ik heb in mijn beleidsreactie aangegeven hoe ik hier in de toekomst mee om zal gaan.
Bent u het eens met de conclusie van de commissie dat de wettelijke bescherming van cultuurgoederen op papier goed geregeld is, maar in de uitvoering onvoldoende is en weinig transparant? Kunt u uw antwoord toelichten?
In mijn beleidsreactie op het advies heb ik aangegeven hoe ik in de toekomst de uitvoering wil inrichten en welke acties ik hiertoe ga ondernemen.
Zult u opvolging geven aan de oproep van de commissie om actiever gebruik te maken van uw bevoegdheid om belangwekkende cultuurgoederen aan te wijzen als «beschermd»? Kunt u uw antwoord toelichten?
In mijn beleidsreactie heb ik omschreven hoe ik omga met mijn bevoegdheden om cultuurgoederen in de toekomst voor de collectie Nederland te behouden.
Bent u van plan om een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie in te stellen die als taak krijgt het cultuurgoed in Nederland te inventariseren en actualiseren zoals de commissie adviseert?
Ja.
Het manifest van Ieder(in) en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) over de toegang tot huisartsenzorg voor mensen met een beperking |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het Manifest van Ieder(in) en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), waarin staat dat: «duizenden mensen met een beperking verstoken blijven van noodzakelijke huisartsenzorg»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen «dat steeds meer huisartsen en huisartsenposten weigeren om algemene medische zorg te bieden aan mensen met een beperking die zijn aangewezen op zorg vanuit de Wet Langdurige zorg (Wlz-zorg») dan wel voor Wlz-zorg een indicatie hebben gekregen?
Ik krijg in toenemende mate signalen over opzeggingen van zorgverlening van huisartsenposten aan patiënten met een Wlz-indicatie. Daarnaast zijn er signalen over het niet inschrijven door huisartspraktijken van patiënten met een Wlz-indicatie. Van huisartsen en huisartsenposten ontvang ik signalen dat deze zorg de competentie van huisartsen te boven gaat, dat beschikbaarheid van of bekendheid met de consultfunctie van de Arts voor Verstandelijk Gehandicapten (AVG) een probleem is en over het ontbreken van een verpleegkundige voorwacht met goede triage bij zorginstellingen.
Kunt u tevens de uitkomsten uit een onderzoek onder VGN-leden bevestigen: «dat de huisartsenzorg in de avonden, nachten en weekeinden nu al voor zo’n 13.000 cliënten een knelpunt is» en daarnaast «dat inmiddels al voor ruim 5.000 cliënten opzeggingen van huisartsen zijn ontvangen»?
Ik heb de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eind augustus een opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de signalen over afnemende toegankelijkheid van de medisch-generalistische zorg (de zorg zoals huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen voor verstandelijk gehandicapten plegen te bieden) voor deze patiëntgroep. De NZa is gevraagd de bevindingen van de VGN, alsmede signalen van huisartsen, patiënten en zorgkantoren, mee te nemen in dit onderzoek. Begin 2020 verschijnen de uitkomsten van dit onderzoek.
Is in de leidraad «Algemeen medische zorg voor verstandelijk gehandicapten in VG-zorginstellingen» van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) gesteld: «dat zorg voor cliënten die in een Wlz-instelling of een geclusterde woonvorm verblijven niet onder het basisaanbod van de huisarts valt», dat onder voorwaarden die zorg desgewenst wel geleverd kan worden, maar dat voor de LHV uitgangspunt is «dat dit niet hoeft»?
Ja, in de leidraad Algemeen medische zorg voor verstandelijk gehandicapten in VG-instellingen stelt de LHV dat verstandelijk gehandicapten met een Wlz-indicatie, die verblijven in een geclusterde woonvorm of instellingsterrein, niet vallen onder het basisaanbod huisartsgeneeskundige zorg dat de huisarts in de thuissituatie levert.
De LHV benoemt in haar leidraad randvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan om huisartsenzorg te kunnen (blijven) verlenen. De LHV noemt daarbij bijvoorbeeld dat zorgaanbieders moeten zorgdragen voor (telefonische) beschikbaarheid van de AVG, goede triage, deskundig personeel en digitale gegevensuitwisseling. Ik begrijp dat huisartsen randvoorwaarden stellen aan zorgaanbieders voor het kunnen leveren van goede zorg.
Ik zet mij ervoor in dat mensen met een verstandelijke beperking de zorg ontvangen die ze nodig hebben. Ik vind het dan ook onwenselijk als er problemen ontstaan in de beschikbaarheid en toegankelijkheid van medisch-generalistische zorg. Iedereen in Nederland moet, als dat nodig is, 24 uur per dag terecht kunnen voor medisch-generalistische zorg.
Erkent u dat een Arts Verstandelijk Gehandicapten (AVG) een zelfstandig specialist is, niet is opgeleid tot huisarts en dan ook niet de algemeen medische zorg over kan nemen van de huisarts? Vindt u ook dat in dat licht gezien de huisarts en de AVG complementair aan elkaar zijn? Zo neen, wat is dan uw opvatting?
Ja, huisartsen enerzijds en AVG’s anderzijds zijn complementair aan elkaar en hebben elkaar nodig om medisch-generalistische zorg te verlenen. De zorg die de AVG levert, kenschetst het Zorginstituut als «generalistisch geneeskundige zorg». Huisartsen en AVG’s leveren geen medisch-specialistische zorg. Het Zorginstituut heeft aangegeven dat de AVG’s zich van hetzelfde professionele arsenaal bedienen als de huisartsen. Tegelijkertijd heeft de AVG specifieke deskundigheid binnen de generalistisch geneeskundige zorg en hebben zij ieder een erkend specialisme op grond van artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidzorg. Deze specifieke deskundigheid verrijkt het technische, professionele arsenaal van de AVG. Er zijn circa 230 AVG’s werkzaam in Nederland. De AVG is dus geen huisarts voor mensen met een verstandelijke beperking, maar richt zich op de complexe gezondheidsproblematiek van deze kwetsbare groep.
Wat is uw oordeel over de inhoud van deze leidraad van de LHV en, in het verlengde daarvan, over het uitgangspunt, zoals dat door de LHV is gekozen, mede gezien in het licht van het feit dat een ieder in ons land in beginsel toegang moet hebben tot huisartsenzorg?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe is deze gang van zaken te rijmen met artikel 25 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap én met het Programma «Onbeperkt meedoen! – implementatie VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap»?
In artikel 25 van het VN-verdrag is opgenomen dat voor mensen met een beperking geen onderscheid gemaakt mag worden bij de aanspraak op gezondheidszorg. Er mag uitsluitend op medisch inhoudelijke gronden worden vastgesteld of aanspraak bestaat. In juli 2018 is de initiële rapportage over de implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap verzonden naar het VN-comité in Geneve (de Tweede Kamer heeft op 13 juli 2018 een afschrift van die rapportage ontvangen, Kamerstuk 33 990, nr. 65). In die rapportage is ingegaan op de wijze waarop Nederland invulling geeft aan artikel 25 van het Verdrag. Daarbij is onder meer opgenomen dat het recht op zorg is geborgd in de Grondwet en het gezondheidszorgsysteem de gelijke toegang tot zorg voor elke verzekerde borgt.
Ik benadruk nogmaals dat ik het onwenselijk vind als er problemen ontstaan in de beschikbaarheid en toegankelijkheid van medisch-generalistische zorg. Iedereen in Nederland moet, als dat nodig is, 24 uur per dag terecht kunnen voor medisch-generalistische zorg. Ik begrijp daarbij goed dat artsen randvoorwaarden stellen aan zorgaanbieders voor het kunnen leveren van goede zorg.
Door zorgkantoren en zorgverzekeraars moet in de regio het gesprek worden gevoerd over de manier waarop huisartsen, huisartsenposten en AVG’s gezamenlijk met zorgaanbieders kunnen borgen dat iedereen de medisch, generalistische zorg krijgt die hij of zij nodig heeft, zowel overdag als in de avond-, nacht- en weekenden. In deze gesprekken moeten afspraken worden gemaakt om op korte en langere termijn zichtbare stappen te maken om de juiste medisch-generalistische zorg op de juiste plek in de regio te bieden. Zorgaanbieders dienen daarbij te zorgen voor optimale randvoorwaarden waaronder huisartsen en AVG’s hun werk kunnen doen.
Wat is uw oordeel over het feit dat een groeiend aantal mensen met een beperking als gevolg van deze ontwikkeling verstoken blijft van de invulling van hun recht op noodzakelijke huisartsenzorg?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u dat de huisartsenzorg en de toegang daartoe, zeker ook voor mensen met een beperking die zijn aangewezen op Wlz-zorg, te allen tijde gegarandeerd moet zijn? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Zo ja, wat vindt u in dat licht van de opvatting van de LHV dat de algemeen medische zorg voor álle Wlz-cliënten die in een instelling verblijven niet tot het basisaanbod van de huisarts(enpost) behoort?
Zie antwoord vraag 7.
Zult u zeer binnenkort het initiatief nemen tot een overleg met de LHV over hun opvatting en bewerkstelligen dat de toegang tot huisartsenzorg voor mensen met een beperking die zijn aangewezen op Wlz-zorg gegarandeerd en verzekerd blijft? Zo neen, waarom niet?
Op 15 oktober 2019 heeft op initiatief van de VGN een constructieve bestuurdersbijeenkomst plaatsgevonden over de toegang tot medisch generalistische zorg voor mensen met een beperking. Bij dit overleg waren Ieder(in), IGJ, Ineen, KansPlus, LHV, NVAVG, NZa, V&VN, VGN, VWS, ZN en Zorginstituut aanwezig. Daarbij zijn door partijen gezamenlijk acties benoemd voor de korte en lange termijn. Die afspraken zijn erop gericht dat alle mensen met een beperking de medisch-generalistische zorg krijgen die zij nodig hebben, zowel overdag als in de avond-, nacht- en weekenden. Deze acties worden nu verder uitgewerkt. In het overleg van 15 oktober zijn de LHV en Ineen opgeroepen aan hun leden te vragen om geen overeenkomsten op te zeggen en reeds gedane opzeggingen op te schorten. Er is benadrukt dat zich terugtrekken uit overleggen en overeenkomsten niet bijdraagt aan duurzame oplossingen in de regio. Ik ga ervan uit dat de uitkomsten van dit overleg en de uitwerking die hieraan de komende periode samen wordt gegeven de leden van LHV en Ineen het vertrouwen geeft om de zorg aan mensen met een beperking te continueren.
Ik heb eerder toegezegd aan de Tweede Kamer dat ik eind dit jaar kom met een aanpak voor toekomstbestendige medisch-generalistische zorg aan patiënten met een Wlz-indicatie. In die brief zal ik ook ingaan op de uitwerking van de afspraken gemaakt op 15 oktober.
Wilt u deze vragen beantwoorden uiterlijk een week voor de start van de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2020 in de Tweede Kamer?
U ontvangt deze antwoorden nu pas omdat ik de positieve uitkomsten van de bestuurdersbijeenkomst op 15 oktober 2019 wilde verwerken bij de beantwoording.
Wilt u tevens de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van uw gesprek(ken) met de LHV en over de afgesproken stappen in dit dossier?
Zie antwoord vraag 11.