Spionage met gebruik van Pegasus- of vergelijkbare software |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat er geen onderscheid in veiligheidsrisico wordt gemaakt tussen ministers, topambtenaren en ander rijkspersoneel als het gaat om digitale veiligheid? Geldt dit beleid Rijksbreed? Zo ja, waarom wordt er geen onderscheid gemaakt, terwijl het zeer goed voorstelbaar is dat hooggeplaatste functionarissen over meer essentiële informatie beschikken en daardoor eerder het doelwit van spionage of een hack zullen zijn?1
Iedere overheidsorganisatie is in eerste plaats zelf verantwoordelijk voor haar digitale veiligheid, en die van haar medewerkers. Voor zowel Rijksoverheden als medeoverheden biedt onder meer de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) wel een aantal kaders en regels. De BIO bevat een palet aan maatregelen die iedere overheidsorganisatie moet nemen, inclusief een risicobeoordeling. De BIO richt zich hiermee niet alleen op specifieke personen of middelen, maar leidt voor iedere organisatie tot een integrale risicogebaseerde aanpak. Voor de rijksoverheid zien de Audit Dienst Rijk (ADR) en de Algemene Rekenkamer (ARK) hierop toe. CISO Rijk monitort, vanuit het CIO-stelsel Rijk, de implementatie van beleid op het gebied van dataveiligheid bij de departementen.
Hierbij geldt nog een specifieke set regels voor omgang met gerubriceerde informatie bij de rijksoverheid. Dit is vastgelegd in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI), dat voorschrijft hoe met gerubriceerde informatie moet worden omgegaan. Dit geldt voor alle rijksambtenaren die vanuit hun werk incidenteel of structureel met gerubriceerde informatie moeten werken. Om het werken met dergelijke informatie mogelijk te maken worden er ook onder meer technische, facilitaire en organisatorische maatregelen genomen, en worden er specifieke middelen en netwerken ter beschikking gesteld om veilig met dergelijke informatie te kunnen werken.
Het gaat hier om kaders die in overeenstemming met de ministerraad zijn vastgesteld om te kunnen waarborgen dat de Ministers hun verantwoordelijkheid voor de digitale veiligheid en een zorgvuldige omgang met gerubriceerde informatie waar kunnen maken. Bij hun aantreden krijgen bewindspersonen instructies over veiligheidsrisico’s. In het «Blauwe Boek» worden bewindspersonen gewezen op het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst/Bijzondere Informatie (VIR-BI)2. Ook krijgen zij middelen aangeboden zoals telefoons.
Deelt u de mening van de beveiligingsspecialist die stelt dat het met het huidige beveiligingsniveau niet te achterhalen is of digitale apparatuur gehackt is met geavanceerdere hacksoftware zoals Pegasus? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de in het antwoord op vraag 1 genoemde Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) worden drie beveiligingsniveaus onderkend, de zogenaamde basisbeveiligingsniveaus (BBN). Er is sprake van basisbeveiligingsniveau 2 wanneer er wordt gewerkt met (departementaal) vertrouwelijke informatie. In dat geval gaat de BIO uit van het concept «assume breach». In feite houdt men er rekening mee dat een systeem vroeg of laat kan worden binnengedrongen door een geavanceerde kwaadwillende actor. Dat betekent dat maatregelen zoals detectie moeten worden ingeregeld, zodat achteraf effectief kan worden opgetreden. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 1 zijn departementen zelf verantwoordelijk voor het implementeren van relevante maatregelen zoals detectiemechanismen.
Garanties zijn echter niet te geven. Dat geldt zeker voor mobiele telefoons, waar binnendringsoftware zoals Pegasus op is gericht. Er is sprake van een continue wedloop van geavanceerde digitale actoren die hun werkwijzen zo aanpassen dat ze niet of moeilijk gedetecteerd kunnen worden. Bovendien maakt een mobiele telefoon per definitie gebruik van een publiek netwerk en is er beperkte controle mogelijk op de software die aanwezig is op een telefoon en is detectie van malware op een telefoon ingewikkeld. De AIVD adviseert daarom terughoudend te zijn met het voeren van (bedrijfs)gevoelige gesprekken via of in de aanwezigheid van een mobiele telefoon.
Gaat u de beveiligingsmaatregelen verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet neemt de statelijke dreiging en risico’s rondom digitale veiligheid bij de overheid serieus. Dat betekent dat het stelsel van maatregelen continu in ontwikkeling blijft. Informatiebeveiliging bij de overheid is dan ook een belangrijk element in de Werkagenda waardengedreven digitalisering en de Nederlandse Cyber Security Strategie, waaruit verschillende acties volgen. Voor de gehele overheid worden wettelijke eisen voor veiligheid ingericht, ook in lijn onder meer met de Europese richtlijn voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB). Het gevolg hiervan zal zijn dat de hiervoor genoemde BIO in de wet als eis geborgd zal zijn. Er wordt verder generiek toezicht ingericht en ook dit wordt via een wettelijke verankering geborgd.
Wordt er naar aanleiding van nieuwe beschikbare informatie over landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht een nieuwe afweging gemaakt of de inzet van bepaalde software nog gerechtvaardigd is, als blijkt dat dergelijke landen gebruik maken van dezelfde software?2, 3
Het is van belang dat opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten beschikken over effectieve bevoegdheden voor het uitvoeren van hun wettelijke taak. Die bevoegdheden worden vormgegeven door de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) en de Wet Computercriminaliteit III. Daarin zijn naast de bevoegdheid van het binnendringen in een geautomatiseerd werk ook de bijbehorende waarborgen verankerd. Voor de uitvoering van deze bevoegdheden kunnen politie, AIVD en MIVD gebruik maken van specifieke soften hardware. De rechtmatigheid daarvan volgt dus uit juridische grondslagen met bijbehorende waarborgen uit hierboven genoemde wetgeving. De rechtmatigheid van de inzet van een bevoegdheid wordt niet bepaald door de gebruikte technologie maar door het geheel van juridische en operationele aspecten van de specifieke casus die gewogen wordt.
Zoals aangegeven in de Kamervragen van de leden Omtzigt (CDA) en van Dijk (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3252) mogen leveranciers van binnendringsoftware die wordt ingekocht door opsporingsdiensten niet leveren aan dubieuze regimes. Het gaat om landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht.5 Om deze reden voert de politie een toets uit voordat over wordt gegaan tot de aanschaf van binnendringsoftware.
In deze toets wordt de leverancier gevraagd niet te hebben geleverd aan landen waartegen vanuit de EU of de VN restrictieve sancties bestaan en wordt gecontroleerd of in het land waar de leverancier is gevestigd een exportcontroleregime bestaat waar het respecteren van mensenrechten een onderdeel is in de beoordeling voor het verstrekken van een exportvergunning6.
De politie past dit beleid toe en eist van leveranciers een bevestiging dat niet aan dergelijke landen wordt geleverd. Aanvullend hierop wordt door de politie deze toets periodiek herhaald. De Wet computercriminaliteit III is recentelijk geëvalueerd en naar verwachting kan in het voorjaar 2023 de beleidsreactie aan uw Kamer worden gezonden7.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen ten behoeve van hun wettelijke taakuitvoering en omgeven door waarborgen bijzondere bevoegdheden inzetten. Over de wijze waarop deze organisaties gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden, en over de afwegingen die daarbij worden gemaakt, kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Deelt u de mening dat het gebruik van dergelijke software de democratische rechtstaat veel schade kan berokkenen, als het wordt ingezet tegen de eigen onschuldige inwoners of het gebruikt wordt om functionarissen van andere lidstaten te bespioneren? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet acht het onrechtmatig gebruik van binnendringsoftware onaanvaardbaar. Dit geldt ook wanneer het om onrechtmatige inzet tegen advocaten, politici, mensenrechtenverdedigers en journalisten gaat. Naast de nationale wetgeving is ook het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens belangrijk in de weging van de rechtmatigheid. In het geval van onrechtmatig gebruik kan de inzet van dit soort software de democratische rechtsstaat schade berokkenen.
Het uitvoeren van de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk door Nederlandse overheidsdiensten is aan strenge voorwaarden en stevige waarborgen gebonden. Deze bevoegdheid kan alleen worden ingezet wanneer minder ingrijpende bevoegdheden niet bruikbaar zijn voor het gestelde doel, en de inzet noodzakelijk en proportioneel is. Voor de voorwaarden en waarborgen die gelden bij de eventuele inzet van binnendringsoftware wordt verwezen naar Kamervragen van de leden Omtzigt (Omtzigt) en Van Dijk (SP) of de samenvatting in antwoord op vraag 6.8 Tegelijkertijd is de rechtmatige inzet van de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk van belang voor onze democratische rechtsstaat. Criminelen en kwaadwillende statelijke actoren zijn een reële bedreiging voor onze maatschappelijke orde, de nationale veiligheid, de mogelijkheid van burgers om vrijelijk van hun rechten te genieten en ons verdienvermogen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat deze software ofwel in het geheel niet gebruikt wordt, dan wel aan strikte regels en toezicht onderworpen wordt, zowel op nationaal als internationaal niveau? Zo nee, waarom niet?
Gegeven het belang van de rechtmatige inzet van binnendringsoftware voor onze democratische rechtsstaat zoals beschreven in antwoord op vraag 5 is het onwenselijk om het gebruik van binnendringsoftware categoriaal te verbieden. Ook deelt het kabinet de opvatting dat inzet van dergelijke software enkel wenselijk is wanneer deze is gebonden aan strikte regels omtrent proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid, en er sprake is van onafhankelijk toezicht.
Effectief en gedetailleerd toezicht op de inzet van middelen door opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan echter, gezien de benodigde toegang tot bijzondere informatie, enkel nationaal vormgegeven zijn.
In de opsporing vindt de uitvoering van de binnendringbevoegdheid plaats onder het gezag van de officier van justitie. Die houdt voor, tijdens en na de inzet door de politie toezicht op de rechtmatigheid van de opsporing en daarmee op de uitvoering van deze bevoegdheid. Een officier van justitie mag een bevel voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk slechts geven na voorafgaande machtiging door een rechter-commissaris. Deze rechter toetst een voorgenomen inzet eveneens vooraf. Na afronding van een inzet wordt deze door de politie in processen-verbaal verantwoord. Tijdens de behandeling ter terechtzitting kan de rechter de rechtmatigheid van de inzet beoordelen. De afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van de software is in eerste instantie aan de officier van justitie, die na machtiging van de rechter-commissaris bevoegd is tot het bevelen van het onderzoek in een geautomatiseerd werk. Deze afweging wordt getoetst door de Centrale Toetsingscommissie bij het OM die het College van Procureurs-generaal adviseert.
De Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) houdt eveneens toezicht op de inzet van binnendringsoftware door het technisch team van de politie. De afweging van het Openbaar Ministerie valt buiten de bevoegdheid van de IJenV. Toezicht op het Openbaar Ministerie wordt op grond van artikel 122 van de wet RO door de procureur-generaal van de Hoge Raad der Nederlanden verricht.
De AIVD en de MIVD mogen onder strikte wettelijke voorwaarden bijzondere bevoegdheden inzetten ten behoeve van de nationale veiligheid. Deze bevoegdheden zijn aan voorwaarden gebonden, die zijn vastgelegd in de Wiv 2017. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
(CTIVD) houdt toezicht op de juiste toepassing van die wet. De Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) richt zich op toetsing voorafgaand aan de inzet van bepaalde bevoegdheden, waaronder het binnendringen in een geautomatiseerd werk. De CTIVD houdt toezicht tijdens en na afloop van inzet van een bevoegdheid.
Verder kan worden gewezen op de internationale afspraken die zijn gemaakt in het kader van toezicht op de handel in binnendringsoftware, zoals de recent geactualiseerde dual-use verordening van de Europese Unie en het Wassenaar Arrangement.
Deelt u de mening dat globale transparantie over of dergelijke software aangekocht is en gebruikt wordt wenselijk is, zodat het parlement de controlerende taak kan uitvoeren? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de opsporing worden ten behoeve van de transparantie jaarlijks statistieken van het gebruik van binnendringsoftware openbaar gemaakt. Het verstrekken van informatie aan derden over welke specifieke software de politie beschikt en gebruikt bij de inzet van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid, brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de inzetbaarheid van die middelen en daarmee het opsporingsbelang. De verwerving van binnendringsoft- en hardware vindt bij de politie onder geheimhouding plaats. Het is voor de afscherming van middelen en methodieken niet mogelijk om openbaar inzicht te geven in welke software de politie gebruikt bij de uitvoering van deze bevoegdheid.
Ook voor de AIVD en de MIVD is transparantie belangrijk. Daarom publiceren de diensten een openbaar jaarverslag en wordt waar mogelijk in de openbaarheid verantwoording afgelegd over het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Tegelijkertijd zijn beide diensten ook wettelijk gehouden aan geheimhouding, onder andere over de werkwijze. Dat geldt dus ook voor de inzet van de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk. De CTIVD en TIB houden toezicht op de taakuitvoering van de diensten. De openbare (jaar)verslagen van de CTIVD en de TIB worden met de Kamer en het publiek gedeeld. Parlementaire controle op de taakuitvoering van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vindt, wanneer nodig vanwege de geheime aspecten, via de geëigende kanalen plaats.
Kunt u aangeven of volgens u het gebruik van dit soort software van Israëlische makelij past binnen de aangenomen Kamermotie waarin uitdrukkelijk de wens is uitgesproken om dergelijke apparatuur niet aan te schaffen uit landen zoals Israël?4
In de verzamelbrief politie van 19 oktober jl. wordt geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Nispen waarin de regering wordt verzocht bij aanbestedingen voor apparatuur, zoals afluisterapparatuur, drones en ANPRcamera’s, aan veiligheidsvereisten een zwaarder belang toe te kennen en te streven naar apparatuur uit Nederland of op z’n minst uit landen binnen de
Europese Unie.10 Zoals in de verzamelbrief is gemeld, moeten Nederlandse overheden en uitvoeringsdiensten zo nodig kunnen beschikken over kwalitatief hoogwaardige producten en diensten, ook van buitenlandse leveranciers, of over producten en diensten die deels in het buitenland zijn ontwikkeld of geproduceerd. Het uitgangspunt is dat het gebruik van apparatuur en programmatuur veilig moet zijn en dat eventuele risico’s beperkt en/of gemonitord worden. Er kunnen bijvoorbeeld technische beveiligings- of organisatorische maatregelen worden getroffen binnen de eigen organisatie. Ook kunnen strenge eisen gesteld worden aan de beveiliging van producten en diensten en kunnen ondernemers gevestigd in bepaalde landen uitgesloten worden van aanbestedingsprocedures. Voorgaande wordt bij alle eventuele aanschaf van binnendringsoftware in acht genomen.
Specifiek in het kader van binnendringsoftware kan ten eerste worden gewezen op de specifieke regelgeving voor de aanschaf van binnendringsoftware genoemd in antwoord op vragen 3 en 4. Ten tweede wordt het doel onderschreven om het betreden van de markt van dergelijke software tot een minimum te beperken. Ten derde dient een technisch hulpmiddel beveiligd te zijn tegen wijziging van geregistreerde gegevens en kennisneming hiervan door onbevoegden
Het bericht ‘Nieuwe penningmeester? ‘Door procedures bank al maanden geen pasje’’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de lange doorlooptijden voor verenigingen in het geval van penningmeesterwisseling en het verkrijgen van bijvoorbeeld een nieuw bankpasje?1
Ja.
Wat is wat u betreft een redelijke termijn voor een dergelijke serviceverlening van banken aan verenigingen, aangezien deze lange wachttijden de nieuwe penningmeester dwingen betalingen te doen onder de naam van diens voorganger wat zeer ongewenst is, mede ook gezien het risico tot aansprakelijkheidstelling?
Ik vind het belangrijk dat bonafide klanten toegang hebben tot het betalingsverkeer en dat dit binnen een redelijke termijn door de bank geboden wordt. Dit geldt ook voor het verkrijgen van een nieuw bankpasje na een bestuurswissel. Toegang tot betalingsverkeer, en met name een bankrekening, is noodzakelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Het is niet de bedoeling dat die deelname belemmerd wordt door lange wachttijden bij de bank. Ik zie dat deze problematiek nu wel voorkomt en dat dit frustrerend is voor degenen die ermee te maken krijgen. Ik licht graag toe wat oorzaken zijn en wat het kabinet hieraan gaat doen.
Banken hebben verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Zij zijn poortwachter en dienen ervoor te zorgen dat het financieel stelsel niet wordt gebruikt voor witwassen. Het beleggen van de poortwachtersfunctie bij banken, andere financiële ondernemingen en verschillende beroepsbeoefenaars wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. Dit volgt niet alleen uit de Europese anti-witwasregelgeving, maar ook uit de standaarden van de Financial Action Task Force (FATF), waarop de Europese anti-witwasrichtlijnen zijn gebaseerd. Een bank dient onder andere aan individueel cliëntenonderzoek te doen en daarbij een inschatting te maken van mogelijke witwasrisico’s bij de klant, op basis van een risicogebaseerde benadering, om de hoge risico’s van de lage te onderscheiden.
De Nederlandsche Bank (DNB) constateert dat de risicogebaseerde aanpak in de praktijk beter kan. De beheersmaatregelen die banken nu nemen staan soms niet in verhouding tot het daadwerkelijke risico op witwassen dat een klant met zich meebrengt.2 Ik ben het met DNB eens dat de risicogebaseerde aanpak van banken beter kan en moet. Uit de laatste nationale risicoanalyse terrorismefinanciering (NRA) is naar voren gekomen dat bepaalde stichtingen en verenigingen een groot risico op terrorismefinanciering met zich meebrengen. Dit betekent echter niet dat elke stichting of vereniging als hoogrisicoklant dient te worden behandeld door banken. Momenteel zijn onderzoekers aan de slag met een nieuwe nationale risicoanalyse terrorismefinanciering. Ik heb de onderzoekers gevraagd of het mogelijk is om factoren aan te wijzen of omstandigheden te noemen die maken dat risico’s voor een bepaalde rechtsvorm of binnen een bepaalde rechtsvorm, zoals stichtingen en verenigingen, hoger of lager zijn. Dit zal de banken verder helpen in hun risicogebaseerde aanpak.
Het kabinet heeft in de beleidsagenda witwassen, die de Minister van Justitie en Veiligheid en ik op 23 september aan uw Kamer hebben aangeboden, uiteengezet wat wij aan het bovenstaande willen doen.3 Ten eerste wil het kabinet de kennisuitwisseling tussen banken en (hoogrisico)sectoren bevorderen om zo de risicogebaseerde aanpak die de Wwft van banken verwacht te verbeteren. Ten tweede wil het kabinet de voorlichting aan klanten verbeteren over het doel van de Wwft en de informatie die banken en andere financiële poortwachters nodig hebben voor het cliëntenonderzoek. Ten derde wil het kabinet in gesprekken met banken en toezichthouders breed kijken naar de uitsluiting van klantengroepen, zodat duidelijk wordt of en welke klantengroepen bij geen enkele bank terecht kunnen en welke oplossing hiervoor nodig is. Hierbij wordt gekeken of en welke randvoorwaarden gesteld kunnen worden om de toegang tot betalingsverkeer te borgen.
Daarnaast vind ik het belangrijk dat banken met hun klanten duidelijk communiceren over doorlooptijden en welke informatie de bank in ieder geval nodig heeft. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) geeft aan in een rapport dat banken dit ook zelf willen.4 Ik kan me voorstellen dat de doorlooptijden kunnen verschillen van geval tot geval. Dat neemt niet weg dat het me redelijk lijkt dat, indien een klant alle noodzakelijke informatie heeft aangeleverd bij de bank, deze op korte termijn de beschikking zou moeten hebben over een bankpasje. Met de beleidsagenda witwassen wordt de oorzaak van de langere wachttijden, namelijk het cliëntenonderzoek geadresseerd. Ik ga ervan uit dat dit leidt tot verkorting van de duur van het cliëntenonderzoek en dat daarmee het verkrijgen van een bankpasje of rekening, wordt bespoedigd.
Kan voor verenigingen en stichtingen het cliëntenonderzoek worden aangepast naar een meer menselijke maat? Dus een onderzoek voor vrijwilligers digitaal doen in plaats van hen vaak overdag onder hun reguliere werktijden te overstelpen met vragen of vrijwilligers uitnodigen voor een fysiek gesprek en hen faciliteren in het proces?
De Wwft verplicht banken om individueel onderzoek naar haar cliënten uit te voeren en een inschatting te maken van de risico’s van een klant op witwassen en financieren van terrorisme. De bank mag zelf bepalen hoe zij het cliëntenonderzoek wil invullen; de wet biedt voldoende mogelijkheid voor maatwerk. Er zijn geen normen met betrekking tot digitaal of fysiek contact tussen klant en bank. DNB heeft in een recent rapport aangegeven in te willen zetten op een meer risicogebaseerde aanpak.5 Ik onderschrijf deze koers en verwacht dat dit zal leiden tot meer maatwerk in de praktijk. De vormgeving en daarmee het proces van het cliëntenonderzoek ligt primair bij de banken, die – zoals hierboven genoemd – zelf ook meer risicogebaseerde willen werken.6 Ik zal de in de vraag genoemde praktische suggesties meenemen in de gesprekken met de NVB en DNB over deze problematiek.
Bent u bereid hierover met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) in gesprek te gaan en deze te vragen hierin samen met het ministerie op te trekken richting banken, zodat oplossingsrichtingen kunnen worden uitgewerkt?
Ja, zie hiervoor verder het antwoord op vraag 3.
De Hoge Raad heeft eind vorig jaar geoordeeld dat een bank door haar bijzondere zorgplicht «in beginsel» verplicht is een zakelijke bankrekening te openen. Maar als een bank meent dat er onaanvaardbare risico’s zijn bij de potentiële nieuwe klant dan heeft de bank een belang om het openen van een zakelijke bankrekening te weigeren. Bent u van mening dat het feit dat een bestuurswisseling tijd kost (het onderzoek van een risicoprofiel) of het feit dat vrijwilligers lastiger te bereiken zijn, omdat ze veel van hun bestuurstaken in de avonduren moeten doen (naast hun baan), een gegronde reden is om een bankrekening te weigeren?
Nee. Uit de Wwft volgt niet dat een klant geweigerd moet worden op basis van het feit dat het moeite of tijd kost cliëntenonderzoek te doen of een mogelijk witwasrisico te identificeren. Wanneer een bank witwasrisico’s identificeert, dient deze in eerste instantie mitigerende maatregelen te nemen. De klant dient pas geweigerd te worden als het witwasrisico niet gemitigeerd kan worden of het onderzoek niet voltooid kan worden.7 Ik snap dat het voor banken enige tijd kan kosten om het cliëntenonderzoek te voltooien, omdat vrijwilligers niet op dagelijkse basis beschikbaar zijn om aan de verzoeken van banken te voldoen. Er vinden gesprekken plaats tussen de relevante brancheorganisaties, NVB en DNB waarin gezocht wordt naar de stappen die verschillende partijen kunnen zetten in het vergemakkelijken en versnellen van dit proces. Ik merk op dat er ook bereidheid bij de klant moet zijn om de bank tegemoet te komen in diens onderzoeksplicht. Daarbij ga ik ervanuit dat beide partijen transparant communiceren met elkaar.
Het bericht 'NVWA-retributies, een hoge kostenpost die maar doorstijgt' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de nieuwsberichten «NVWA-retributies, een hoge kostenpost die maar doorstijgt» en «Ministerie LNV op ramkoers over NVWA tarieven» op de websites van NePluVi, Vee&Logistiek Nederland en de Centrale Organisatie voor de Vleessector?1, 2, 3
Ja.
Klopt het dat u en uw ambtsvoorgangers niet hebben gereageerd op dringende oproepen van de brancheorganisaties om per 1 januari 2023 geen nieuwe Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)-tarieven in te voeren? Zo niet, hoe en wanneer hebben u of uw ambtsvoorgangers dan wel gereageerd?
Mede naar aanleiding van de dringende oproepen is op ambtelijk niveau voortdurend contact geweest met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Ikzelf heb nadat ik tot een voorgenomen besluit ben gekomen contact gezocht met enkele vertegenwoordigers van de sector. Ook is het afgelopen jaar meermaals onderwerp van gesprek geweest aan de Strategische NVWA-tafel bedrijfsleven en departementen en in een vanuit dit gremium gevormd overleg. Mijn reactiebrief aan de vertegenwoordigers van de verschillende branche organisaties is als bijlage opgenomen bij de brief met de beantwoording van uw vragen.
Klopt het dat alle vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hebben geweigerd deel te nemen aan de consultatiebijeenkomst die u op 21 oktober jongstleden organiseerde, uit onvrede over het verloop van het proces tot nu toe, en het uitblijven van een reactie van uw zijde? Zo niet, welke vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hebben volgens u dan wel deelgenomen en in hoeverre is er met hen inhoudelijk over de nieuwe tariefvoorstellen gesproken? Wat is de verdere uitkomst van de consultatie?
Dat is gedeeltelijk juist. Vertegenwoordigers van het bestuur van PlantNet International en een vertegenwoordiger van GroentenFruithuis waren aanwezig tijdens het algemene deel van de consultatie over de tariefsverhogingen. Daar is op hoofdlijnen gesproken over de nieuwe tarievenvoorstellen. Zij hebben expliciet aangegeven de bijeenkomst niet te zien als consultatie maar slechts als een mogelijkheid om nogmaals hun bezwaren te uiten en te benadrukken dat ze in gesprek willen blijven. De inhoudelijke signalen van het bedrijfsleven over de tariefsverhogingen heb ik meegewogen in mijn voornemen zoals ik dat in de Kamerbrief over tarieven NVWA 2023 d.d. 11 november 20224 heb verwoord.
Kunt u aangeven hoe het proces van de totstandkoming van een nieuw kostprijsmodel en de concept-tarieven 2023 heeft plaatsgevonden? Kunt u specifiek ingaan op de afspraak in het coalitieakkoord waarin de ambitie is opgenomen om het tariefgebouw te hervormen én te komen tot arrangementen en abonnementen die differentiëren naar bedrijfsgrootte en die goed gedrag en naleving belonen?
Voor de totstandkoming van het nieuwe kostprijsmodel is gezamenlijk opgetrokken met vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven in het Programma Herziening Producten-dienstencatalogus, Kostprijsmodel en Retributiestelsel (HPKR).
Medio dit jaar is het nieuwe model doorgerekend op basis van de kosten 2022, zodat een vergelijking kon worden gemaakt met de huidige tarieven 2022. Op basis van de belangrijkste zorgpunten van het bedrijfsleven is vervolgens het kostprijsmodel binnen de vigerende regels waar mogelijk aangepast.
Parallel aan het traject tot herziening van het kostprijsmodel is het proces tot wijziging van de tarieven per 1 januari 2023 opgestart, conform afspraak in het Coalitieakkoord. Allereerst heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de (nieuwe) retribueerbare activiteiten. Vervolgens is, met als uitgangspunt kostendekkendheid, berekend wat de gevolgen waren voor de concept-tarieven per 1 januari 2023.
Het Wageningen Economic Research (WEcR) heeft een impactanalyse uitgevoerd naar de effecten van de tariefstijgingen 2023 voor de sectoren uit het bedrijfsleven. De vraag hierin was in hoeverre de impact op de draagkracht van bedrijven en de concurrentiepositie binnen maatschappelijke aanvaardbare grenzen blijft. Het WEcR-rapport is als bijlage bij de genoemde Kamerbrief van 11 november jl. gevoegd. De uitkomsten van het WeCR-rapport, de door de Tweede Kamer reeds aangenomen motie van 17 mei 2022 inzake maatwerkregels voor zelfslachtende slachters5 en de toezegging aan de heer Van Campen tijdens het commissiedebat van 28 juni jl.6, maar ook de kritiek vanuit het bedrijfsleven op de kosten als gevolg van de regeling «reistijd = werktijd» hebben ertoe geleid dat ik voornemens ben om de huidige demping voor de kleine slachterijen èn voor «reistijd = werktijd» te continueren in 2023.
Op dit moment loopt een haalbaarheidsonderzoek naar andere manieren van verrekenen. Een onderdeel van de onderzoeksvraag is om in de toekomstige systematiek het belonen van goed gedrag en naleving technisch meer te kunnen ondersteunen.
Klopt het dat in het huidige proces nog geen conceptvoorstellen liggen om te komen tot arrangementen of abonnementen die goed gedrag en naleving belonen? Klopt het dat er nog niet is voldaan aan de dringende wens uit de Tweede Kamer om te komen tot efficiencyprikkels en doelmatigheidsbeloningen? Zo ja, kunt u toelichten waarom deze maatregelen, het «zoet» voor het bedrijfsleven, niet zijn opgepakt en er vooral aan kostendekkende tarieven wordt gewerkt, die tot een forse meerprijs (stijging van 35 procent) voor het bedrijfsleven zullen leiden?
Op dit moment loopt een extern onderzoek naar de mogelijkheden van een andere manier van verrekenen. In de stuurgroep van het Programma Herziening Producten-dienstencatalogus, Kostprijsmodel en Retributiestelsel (HPKR) wordt het rapport gepresenteerd en is er de eerste formele gelegenheid waar overheid en bedrijfsleven gezamenlijk reflecteren op de bevindingen en aanbevelingen van de onderzoekers.
Hierbij kijken we ook naar de mogelijkheden die een nieuwe toekomstige verrekensystematiek biedt om het belonen van goed gedrag en naleving te ondersteunen. Het bedrijfsleven wordt in de nadere uitwerking hier nauw bij betrokken.
Los van de verbetering in de techniek van verrekenen ga ik samen met het bedrijfsleven vorm geven aan het gesprek over meer doelmatigheid en efficiency in de hele keten en op diverse niveaus.
Het laatste zonder dat dit de onafhankelijkheid van de NVWA als toezichthouder aantast.
Klopt het dat brancheorganisaties herhaaldelijk bij u en uw ambtsvoorgangers bezwaar tegen het feit dat u afwijkt van het afgesproken proces om tot nieuwe NVWA-tarieven te komen hebben gemaakt, en u desondanks heeft doorgezet? Klopt het dat bedrijven medio november 2022 nog niet weten wat de nieuwe NVWA-tarieven per 1 januari 2023 zullen zijn? Vindt u dit passen binnen de kaders van behoorlijk bestuur? Zo niet, bent u dan bereid de invoering van nieuwe NVWA-tarieven uit te stellen?
Zie mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4. Het reguliere proces om te komen tot een wijziging van bestaande of nieuwe tarieven is van toepassing geweest. Dit jaar was daarbij een sterke focus op de kostendekkendheid, gezien de afspraken in het Coalitieakkoord. In alle transparantie wordt nu een significante stap gezet in het kostendekkend maken van de tarieven samen met het invoeren van het nieuwe betere kostprijsmodel.
Op dit moment zijn de nieuwe NVWA-tarieven nog niet vastgesteld en gepubliceerd. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik zullen hierover pas een besluit nemen als uw Kamer voldoende de gelegenheid heeft gehad om op ons voornemen te reageren. Het voorgaande past binnen het kabinetsbeleid van de vaste verandermomenten en eventuele uitzonderingen daarop7.
Klopt het dat het Programma Herziening Kostprijs en Tarieven NVWA om onder andere het bedrijfsleven te betrekken bij een nieuw kostprijsmodel, nieuwe tarieven, nieuwe tariefvormen en efficiency-afspraken beoogt, zodat er meer transparantie en acceptatie van de NVWA-tarieven ontstaat? Deelt u de mening dat de huidige werkwijze, die afwijkt van het afgesproken programma, het tegenovergestelde lijkt te bereiken? Bent u bereid om de invoering van nieuwe NVWA-tarieven uit te stellen en het programma op te pakken zoals afgesproken, om die transparantie én acceptatie alsnog te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Het programma heeft een nieuw kostprijsmodel opgeleverd en levert daarmee een grote bijdrage aan de gewenste transparantie. Dat ik ook de tarieven kostendekkend maak staat, zoals ik al bij vraag 6 heb aangegeven, los van het programma.
De kostendekkende tarieven betreft een afspraak uit het Coalitieakkoord en ik beschik niet over de financiële middelen om de tarieven te blijven dempen ten laste van mijn begroting.
Ik vind het terecht dat het bedrijfsleven mij aanspreekt om te sturen op doelmatigheid, omdat het gaat om de uitvoering van een wettelijke taak. Zie vraag 5 over mijn afspraken met het bedrijfsleven omtrent doelmatigheid en efficiency.
Klopt het dat volgens de Europese controleverordening (OCR) de toezichthoudende entiteit activiteiten, waarvoor de kosten aan bedrijven worden doorberekend, zo efficiënt mogelijk moet uitvoeren? Kunt u aangeven welke doelmatigheidsprikkels u voor de NVWA heeft ingericht? Zijn deze doelmatigheidsprikkels met het bedrijfsleven besproken?
In de overweging 34 van de OCR wordt benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de belangen van het bedrijfsleven en dat «de last» moet worden beperkt tot wat noodzakelijk is voor de uitvoering van efficiënte en effectieve officiële controles. Dit komt minder expliciet in enkele bepalingen van de OCR terug.
Het uitgangspunt is dat de NVWA haar werkzaamheden doelmatig organiseert en open staat voor doelmatigheidsverbeteringen. Vanuit de eigenaarsrol van LNV maak ik afspraken met de NVWA over productiviteit en (beheerste) kostenontwikkeling. Zie verder mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven of het lukt om het «zuur» (de nieuwe tarieven) tegelijk met het «zoet» (afspraken over efficiencyprikkels voor de overheid en doelmatigheidsbeloningen voor het bedrijfsleven) op te dienen? Zo niet, kunt u dan toezeggen dat u de invoering van nieuwe NVWA-tarieven zal uitstellen totdat er met het bedrijfsleven goede afspraken over de efficiencyprikkels en doelmatigheidsbeloningen zijn gemaakt?
Zie mijn antwoord op vragen 6 en 7.
Kunt u garanderen dat bij het overgaan van de Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) naar de NVWA voor de voormalige KDS-medewerkers niet de inefficiënte «reistijd = werktijd»-regeling gaat gelden, die zo’n 20 tot 30 procent arbeidstijd op de werkvloer gaat kosten? Zo nee, dempt u dan de kosten voor deze inefficiënte regeling, zodat er bij de overheid voldoende prikkel blijft liggen om deze inefficiënte regeling af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken met de vakbonden moeten nog plaatsvinden. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen. Het is nog steeds mijn ambitie om de kosten voor de NVWA lager te krijgen op het gebied van «reistijd = werktijd».
Voor 2023 zal ik de huidige demping op de kosten als gevolg van reistijd = werktijd continueren. Ik kan er nu niet op vooruitlopen hoe de situatie in de toekomst ligt en of ik dit ook ga doen voor latere jaren.
Kunt u in verband met de hoge inflatie en de druk op voedselzekerheid toezeggen dat u de invoering van nieuwe, hogere NVWA-tarieven uitstelt tot de economische situatie zich tegen die tijd aanzienlijk heeft verbeterd?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Het uitgesteld betalen bij het online afrekenen van alcoholische dranken |
|
Anne Kuik (CDA), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van experts als het gaat om webshops die «uitgesteld betalen» aanbieden bij de online verkoop van alcohol?1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze zorgen.
Deelt u de mening dat verkopers van verslavende producten zoals alcohol een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om te helpen voorkomen dat mensen deze producten overmatig gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Alcohol is geen «normaal product» en de verkoop ervan brengt een verantwoordelijkheid met zich mee om overmatig en problematisch alcoholgebruik te voorkomen.
Deelt u de zorg dat de mogelijkheid van uitgesteld betalen overmatig alcoholgebruik aanmoedigt, onder andere doordat het uitstellen van de betaling aanmoedigt dat consumenten meer alcohol bestellen dan zij hadden bedacht? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen dat deze betaalmethode (kwetsbare) doelgroepen kan aanmoedigen om meer alcohol te bestellen en zo de kans op alcoholgebruik en alcohol gerelateerde schade kan vergroten. Dit geldt in het bijzonder voor Buy Now, Pay Later (BNPL) betaaldiensten, omdat deze bijzonder laagdrempelig in gebruik zijn.
Hoe kan het dat de Alcoholwet op het gebied van prijsacties en hoge kortingen allerlei beperkingen oplegt aan de verkoop van alcoholische dranken, maar dat online krediet daar tussendoor glipt?
Het is niet zo dat de Alcoholwet niet van toepassing is wanneer een consument kiest om achteraf te betalen. Ook dan geldt o.a. het verbod op bepaalde prijsacties en hoge kortingen. Consumenten kunnen hun online aankopen steeds vaker afrekenen via een BNPL-betaaldienst. Dit is een relatief nieuw, snelgroeiend fenomeen waarvan de risico’s steeds duidelijker zichtbaar worden.2 Recent zien we dat online slijterijen steeds vaker de consument de keuze geven om te betalen via een BNPL-betaaldienst. Bij het opstellen van de Alcoholwet is dit onderwerp niet als aandachtspunt naar voren gekomen.
Welke alternatieven hebben webshops volgens u om klanten de mogelijkheid te bieden om minimaal 50 procent van de rekening na ontvangst van het product te laten voldoen, als er geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van zogenaamde «buy now pay later»-apps?
Consumenten hebben geen recht om minimaal 50 procent van de rekening na ontvangst van het product te betalen. Er bestaat dus niet zoiets als een recht op achteraf betalen. Wel is het zo dat bij een (online) aankoop de verkoper de consument tot vooruitbetaling van maximaal 50 procent van de koopprijs kan verplichten.3 De betaling moet in beginsel geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering. Enkele (web)winkels met eigen vervoer van de gekochte artikelen bieden consumenten de mogelijkheid om te betalen op het moment van de bezorging aan huis. Achteraf betalen is een andere manier om invulling te geven aan het recht van consumenten om niet het hele bedrag vooruit te hoeven betalen, waar in de praktijk veel webshops voor kiezen. Alternatieven voor achteraf betalen via een BNPL-betaaldienst zijn: het bedrag zelf overmaken, betalen met een creditcard, betaling via een stichting derdengelden, de digitale eenmalige incassomachtiging en de digitale acceptgiro.
Bent u bereid om met online slijterijen in gesprek te gaan met als doel uitgesteld betalen bij de online verkoop van alcoholische dranken te stoppen? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren?
Van een aantal slijterijen heb ik al signalen gekregen dat ze gaan kijken naar andere mogelijkheden om binnen het wettelijke kader geen gebruik meer te maken van de BNPL-betaaldiensten. Ik ben bereid dit ook bij andere partijen onder de aandacht te brengen.
Bent u bereid met regelgeving te komen met als doel uitgesteld betalen bij de online verkoop van alcoholische dranken te verbieden? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 schrijf, heb ik reeds signalen ontvangen dat een aantal slijterijen al overwegen te stoppen met BNPL-betaaldiensten. Als slijterijen niet stoppen, dan ben ik bereid om wettelijke maatregelen te onderzoeken en hierover in gesprek te gaan met mijn collega’s binnen het kabinet.
Kunt u zich inspannen deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat over leefstijlpreventie op 8 december a.s.?
Ja.
Het duurzaamheidsrisicobeheer van banken |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van het ECB-onderzoek (European Central Bank) naar het duurzaamheidsrisicobeheer van Europese banken?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van de ECB dat het glas langzaam voller wordt, maar nog niet eens halfvol is? En bent u het met GroenLinks eens dat het zeer zorgelijk is dat 96% van de banken blinde vlekken heeft in het beheer van duurzaamheidsrisico’s?
De ECB heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop banken aan klimaat gerelateerde financiële risico’s en andere aan het milieu gerelateerde risico’s, zoals biodiversiteitsverlies, identificeren en beheersen. Uit dit onderzoek blijkt dat 85% van de banken in ieder geval een basis heeft gelegd voor de beheersing van aan klimaat gerelateerde financiële risico’s, door bijvoorbeeld het in kaart brengen van deze risico’s en het gebruik van risico-indicatoren. Echter blijkt ook dat vrijwel alle banken nog belangrijke stappen dienen te zetten in het gebruik van meer geavanceerde methodes, zoals vooruitkijkende analyses, voor goede identificatie en beheersing van deze risico’s. De ECB is daarnaast bezorgd over de uitvoering van het duurzaamheidsrisicobeleid bij banken. Hierdoor blijven banken, volgens de ECB, milieurisico’s onderschatten en heeft 96% van de banken blinde vlekken in de identificatie van risico’s voor bijvoorbeeld belangrijke sectoren of regio’s.
Zoals ik ook in mijn beleidsagenda duurzame financiering schrijf, is het van belang dat banken en andere financiële ondernemingen duurzaamheidsrisico’s op goede wijzen identificeren en beheersen. Een adequate beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen is van belang voor de financiële stabiliteit en zorgt ervoor dat financiële instellingen hun maatschappelijke rol kunnen blijven vervullen en de transitie naar een duurzame economie kunnen blijven financieren. Ik vind het zorgelijk dat de ECB op basis van dit onderzoek concludeert dat veel banken dit nog onvoldoende doen. Ik verwelkom dan ook de aangekondigde vervolgacties van de ECB om de identificatie en beheersing van milieurisico’s op de bankbalans te verbeteren. De ECB verwacht dat aan het einde van 2024 alle banken aan haar verwachtingen ten aanzien van aan klimaat en milieu gerelateerde risico’s voldoen. Deze risico’s dienen volledig geïntegreerd te worden in het bedrijfsmodel, de bedrijfsvoering en de risicobeheersing van banken. Ik steun de ECB ook in haar aankondiging om dit waar nodig te handhaven via het proces voor beoordeling en evaluatie door de toezichthouder.
Daarnaast zie ik de resultaten van dit onderzoek als ondersteuning voor mijn inzet voor de betere integratie van duurzaamheidsrisico’s in de toezichtraamwerken voor financiële instellingen, bijvoorbeeld in het prudentiële raamwerk voor banken.
Klopt het dat dit onderzoek is uitgevoerd door de gezamenlijke toezichtteams van nationale centrale banken en de ECB? In hoeverre heeft De Nederlandsche Bank (DNB) op basis van dit onderzoek een beeld verkregen van de mate waarin Nederlandse banken duurzaamheidsrisico’s adequaat beheersen?
Het onderzoek is uitgevoerd door de ECB en 21 nationale toezichthouders. DNB was één van deze nationale toezichthouders. In het onderzoek zijn 186 banken bekeken. Van deze banken kwamen er 28 uit Nederland. Dit waren zeven zogeheten significante instellingen en 21 zogeheten minder significante instellingen. DNB heeft op basis van dit onderzoek een beter beeld gekregen van de mate waarin Nederlandse banken aan klimaat en milieu gerelateerde risico's adequaat beheersen.
In de rapportage wordt aangegeven dat de ECB de resultaten van het onderzoek heeft besproken met de desbetreffende banken en de gemeenschappelijke toezichtteams, waar DNB voor de Nederlandse banken ook onderdeel van uitmaakt. Deze gemeenschappelijke toezichtteams zullen waar nodig actie ondernemen.
In hoeverre geven deze onderzoeksresultaten aanvullend inzicht op de resultaten uit het DNB-onderzoek «Naar een duurzame balans»2? Zijn er ook nieuwe inzichten?
In haar rapportage «Op weg naar een duurzame balans» heeft DNB de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de kernprocessen van de financiële sector onderzocht. Op basis van dit onderzoek concludeerde DNB eind 2021 dat financiële instellingen nog maar in beperkte mate duurzaamheidsrisico’s meenemen. De resultaten van dit ECB-onderzoek bevestigen voor mij het beeld dat banken nog belangrijke stappen dienen te zetten voor de integratie van aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s. Ik vind het waardevol dat in het onderzoek specifieker geïdentificeerd wordt waarin deze stappen gezet dienen te worden, zoals bijvoorbeeld het gebruik van meer geavanceerde methodes voor goede identificatie en beheersing van deze risico’s.
Bent u van plan de resultaten van het onderzoek voor Nederlandse banken met DNB te bespreken? En wat zijn de mogelijkheden om op geaggregeerd, geanonimiseerd niveau, de onderzoeksresultaten voor Nederlandse banken te publiceren? Bent u daartoe bereid?
Het Ministerie van Financiën spreekt regelmatig met DNB over duurzaamheidrisico’s in de financiële sector. Het ligt hierin voor de hand dat het onderzoek van de ECB ook wordt besproken.
De onderzoeksresultaten zijn gebaseerd op toezichtvertrouwelijke informatie en daarover beschik ik niet. De eventuele publicatie van informatie is daarom een vraag voor de toezichthouders. DNB heeft aangegeven dat vanwege de vertrouwelijke aard, deze informatie niet kan worden gedeeld.
Op welke manier bent u van plan de onderzoeksresultaten mee te nemen in de monitoring van de voortgang van het klimaatakkoordcommitment van de financiële sector? Bent u dit van plan door bijvoorbeeld extra aandacht te geven aan tussendoelen, hetgeen waar het volgens de ECB-onderzoeksresultaten nog te vaak aan ontbreekt?
Het klimaatcommitment ziet primair op de bijdrage van de ondertekenaars aan de klimaattransitie, het meten van het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen en het opstellen van actieplannen om dit CO2-gehalte terug te brengen. De beheersing van aan klimaat gerelateerde financiële risico’s is dan ook niet het doel. Ik verwacht wel dat met name door de afspraak om klimaatactieplannen op te stellen de klimaatrisico’s waaraan de deelnemers aan het commitment zijn blootgesteld, beter beheerst zullen worden. In mijn beleidsagenda schrijf ik onder andere dat ik van financiële instellingen verwacht dat zij in hun actieplannen voldoende inzichtelijk maken op welke wijze hun maatregelen in de praktijk leiden tot het bereiken van de CO2-reductiedoelstellingen. In dat kader verwacht ik van financiële instellingen kwantitatieve reductiedoelstellingen voor 2050 en 2030 en tussentijdse doelstellingen om hier te komen. In de monitoring van het klimaatcommitment houd ik dus ook aandacht voor tussendoelstellingen.
Eind dit jaar en begin volgend jaar zullen twee voortgangsrapportages verschijnen in het kader van het klimaatcommitment. Op korte termijn zal ik aan uw Kamer een brief sturen met daarin mijn reactie op de eerste voortgangsrapportage over het meten en rapporteren over het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen over boekjaar 2021. Op basis van de inhoud van beide voortgangsrapportages zal ik, samen met de Minister voor Klimaat en Energie, de collectieve voortgang ten aanzien van het klimaatcommitment van een reactie voorzien. Bevindingen uit andere recente onderzoeken op dat gebied, zoals dat van het New Climate Institute, kunnen bij de weging die aan deze reactie voorafgaat een rol spelen.
Op welke manier heeft u het onderzoek van het NewClimate Institute van juli dit jaar3, die de kwaliteit van de klimaatplannen van acht grote Nederlandse financiële instellingen als laag of zeer laag beoordeelde, meegenomen in de monitoring van de voortgang van het commitment?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u op deze plek, ofwel in de beantwoording van de vragen die gesteld zijn tijdens het schriftelijk overleg over de strategie voor duurzame financiering, een inhoudelijke update geven over hoe het staat met de voortgang in het klimaatakkoordcommitment richting het einde van 2022, als de actieplannen met doelen voor 2030 gepresenteerd moeten worden?
De voortgang van het klimaatcommitment wordt gemonitord op basis van voortgangsrapportages die worden voorbereid door adviesbureau KPMG. Ik verwacht voor het kerstreces de voortgangsrapportage die zich met name richt op de afspraak uit het klimaatcommitment om de CO2-uitstoot van relevante financieringen en beleggingen met uw Kamer te kunnen delen. In het voorjaar zal deze opgevolgd worden door een voortgangsrapportage die betrekking heeft op de afspraak om uiterlijk in 2022 actieplannen met reductiedoelstellingen voor 2030 te presenteren. Ik wil daar niet op vooruit lopen.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek van Milieudefensie naar de (indirecte) uitstoot van de Nederlandse financiële sector?
Milieudefensie kijkt in haar rapport «Gefinancierde uitstoot van de Nederlandse financiële sector» naar de gefinancierde uitstoot van zestien Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen. De wereldwijde uitstoot van deze partijen schat Milieudefensie op 244 miljoen ton CO2.4 In haar onderzoek wordt dit per sector en per instelling uitgesplitst. Het onderzoek beveelt aan dat meer financiële instellingen over een groter deel van hun balans de CO2-intensiteit rapporteren. Dit zouden ze ook op een meer gestandaardiseerde wijze moeten doen. Hierdoor wordt het gemakkelijker om te volgen in hoeverre instellingen hun balans in lijn brengen met het 1,5 graden scenario van het Klimaatakkoord van Parijs.
Zoals ik noem in de beleidsagenda voor duurzame financiering, onderschrijf ik het belang van transparantie over de uitstoot van financiële instellingen en zet ik in op een ambitieuze invulling van Europese regelgeving betreffende het rapporteren van duurzaamheidsfactoren.5 Daarnaast vind ik het van belang dat financiële instellingen hun balans in lijn brengen met het Klimaatakkoord van Parijs. Dit onderzoek van Milieudefensie benadrukt dit nogmaals voor mij. De financiële sector speelt een grote rol in de financiering van de duurzame transitie. In de beleidsagenda heb ik aangegeven samen met de Minister voor Klimaat en Energie te verkennen of eventueel overheidsoptreden gepast en mogelijk is indien de voortgang binnen het klimaatcommitment onvoldoende blijkt.
De ‘escalatie kanalen’ en het ‘desinformatieteam BZK’ naar aanleiding van een Wob-verzoek |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is de Minister zich ervan bewust dat de Interdepartementale Werkgroep Desinformatie in een advies aan het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie te kennen heeft gegeven dat het BZK desinformatieteam toegang heeft «tot zogeheten «escalatie kanalen» van Facebook, Google en Twitter»?1
Ja. Het Ministerie van BZK heeft de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Sinds wanneer zijn deze drie «escalatie kanalen» operationeel?
Het Ministerie van BZK is sinds mei 2019 trusted flagger binnen het Partner Support Portal bij Twitter. Dit account is aangevraagd in aanloop naar de provinciale staten verkiezing van 2019 en geactiveerd in mei 2019. Van dit account is tot 11 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK is sinds medio 2019 trusted flagger binnen het Election Security Escalation Channel van Facebook (nu Meta). Van dit account is tot 9 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK heeft bij Google, TikTok en Snapchat de status van «trusted flagger» gekregen in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021.
Wie heeft waarom het initiatief genomen tot het oprichten van deze drie «escalatie kanalen»?
In 2019 boden Twitter en Facebook het ministerie de mogelijkheid een account aan te maken als trusted flagger zodat meldingen van het ministerie over des- of misinformatie, waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden, met prioriteit zouden worden behandeld. Het ministerie heeft gebruik gemaakt van dit aanbod maar de accounts pas in 2021 voor het eerst gebruikt.
In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021 was er extra aandacht voor het tegengaan van desinformatie. In deze context is door meer online platformen de mogelijkheid tot het worden van «trusted flagger» opengesteld. Het ministerie heeft hier gebruik van gemaakt. Dit om voorbereid te zijn, mocht er veel desinformatie rondgaan over het verkiezingsproces.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Facebook via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Facebook ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» medio 2019 heeft het Ministerie van BZK vier keer een casus voorgedragen bij Facebook/Meta gedaan.
De eerste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2021. Het betrof een video die rondging op Facebook, waarin werd gezegd dat je door te gaan stemmen gelijk toestemming zou geven voor een covid-19 vaccinatie. Deze informatie is op 8 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers.3 Het Ministerie van BZK heeft Facebook daarom op deze factcheck gewezen en gevraagd naar deze video te kijken. Facebook heeft daarop aangegeven dat de video voorzien is van een label vanwege de factcheck door onafhankelijke factcheckers.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een bericht dat op Facebook en Twitter werd verspreid, waarin werd gezegd dat je deze verkiezingen twee vakjes rood mocht kleuren op het stembiljet. «Twijfel je nog steeds tussen de PVV en FvD? Vergeet niet, dit jaar mag je twee vakjes rood kleuren op het stembiljet», was te lezen in diverse berichten. Deze informatie is op 16 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers van DPA-factchecking. 4 Na deze factcheck werden dergelijke berichten al vaak van een label voorzien door Facebook, maar niet overal. Het Ministerie van BZK heeft daarom een melding gedaan van zeven berichten die nog niet van een dergelijk label waren voorzien.5 Ook heeft het Ministerie van BZK zelf een bericht op Twitter geplaatst in reactie op deze berichtgeving. Het inkleuren van twee vakjes leidt namelijk tot een ongeldige stem. Facebook heeft de zeven berichten daarna van een label voorzien.
De derde melding werd gedaan op 18 november 2021 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de herindelingsverkiezingen voor de nieuwe gemeente Dijk en Waard, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding dat een link naar de lokale Stemwijzer werd geblokkeerd wanneer de gemeente deze op haar pagina wilde plaatsen kort voor de herindelingsverkiezingen. Het Ministerie van BZK vernam op 18 december 2021 van Facebook dat het probleem was opgelost.
De vierde en laatste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2022 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de gemeenteraadsverkiezingen, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding van een raadslid uit de gemeente Beek dat zijn Instagram pagina en die van de lokale CDA-afdeling waren geblokkeerd, een paar dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen. De gemeente kreeg zelf geen gehoor bij Meta, dus het Ministerie van BZK heeft het verzoek van de gemeente om te kijken wat er mis ging, overgebracht aan Meta. Meta liet het ministerie weten dat de accounts gedeblokkeerd waren, maar gaf geen reden voor de blokkade.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Google via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Google ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» heeft het Ministerie van BZK geen enkele casus voorgedragen bij Google.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Twitter via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Twitter ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» op 3 mei 2019 heeft het Ministerie van BZK tweemaal een casus voorgedragen bij Twitter.
De eerste melding werd gedaan op 11 maart 2021. Het betrof een mail van de gemeente Midden-Delfland dat haar Twitteraccount geblokkeerd was, en Twitter haar hier geen reden voor gaf. Het ministerie heeft bij Twitter navraag gedaan, waarbij Twitter reageerde er een probleem was met het verifiëren van een telefoonnummer dat aan het account gekoppeld was, maar dat het account inmiddels weer gedeblokkeerd was.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een zelfde casus als beschreven onder vraag 4, de tweede melding bij Facebook. Het Ministerie van BZK heeft verder niet gevolgd wat Twitter met de gedane melding heeft gedaan.
Zijn verzoeken vanuit de staat via de «escalatie kanalen» altijd verzoeken om desinformatie te verwijderen of zijn er ook andere type verzoeken die via de «escalatie kanalen' kunnen worden doorgegeven?
Zoals ook opgemerkt in de beantwoording van vraag 1 kan het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» niet gebruiken om een verzoek tot verwijdering in te dienen. De status dient als middel om een melding te doen van berichten waarvan het ministerie vermoedt dat ze niet voldoen aan de gebruikersvoorwaarden van bedrijven. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan, maken hierbij nog altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden, en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het Ministerie van BZK zet de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid in: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van misleidende informatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van de reacties van Facebook, Google en Twitter op alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Hoe stelt het BZK desinformatieteam vast dat er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade toe te brengen?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Zoals aangegeven in eerdere Kamerbrieven is dit primair een taak van onafhankelijke factcheckers, media en wetenschappers. Wel heeft het Ministerie van BZK de taak om de integriteit van de verkiezingen te beschermen. Waar het gaat om misleidende of onjuiste informatie over het verkiezingsproces, zoals onjuiste informatie over de sluitingstijden van stemlokalen of de wijze van stemmen, kan het ministerie deze toetsen aan de geldende regels en procedures.
Betekent «doelbewust» dat het BZK desinformatieteam (om immers vast te kunnen stellen of er sprake is van «desinformatie» of niet) bij elk verzoek dat wordt ingediend via een «escalatie kanaal», eerst moet vaststellen wat de intentie van de verspreider van «desinformatie» is? Of betekent het iets anders? En betekent «doel om schade toe te brengen» dat deze intentie ook kwaadwillend moet zijn? Of betekent het iets anders?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. De afdeling Democratie van BZK gebruikt de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Dit volgt uit de verantwoordelijkheid van BZK voor het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Het risico op belemmering van de integriteit van het verkiezingsproces staat daarbij centraal, niet de intentie van de verspreider.
Hoe slaagt het BZK desinformatieteam erin een onderscheid te maken tussen het bewust en het onbewust verspreiden van misleidende informatie? Welke methode, welke instrumenten, welke protocollen worden daarvoor gehanteerd? Kan de Minister een paar voorbeelden geven van het bewust versus het onbewust verspreiden van misleidende informatie?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven... Voor het onderscheid tussen bewuste en onbewuste verspreiding van misleidende informatie kijken bedrijven bijvoorbeeld naar technieken die worden ingezet om berichten te verspreiden. Zo hadden internetdiensten Facebook, Twitter, Google, Microsoft, TikTok en Snapchat richting de Tweede Kamerverkiezing van 2021 maatregelen genomen om misinformatie en desinformatie tegen te gaan en hierop extra alert te zijn. Dit betekende onder meer dat door internetdiensten actief gezocht is naar gecoördineerd niet-authentiek gedrag die berichten kunstmatig populairder kunnen laten lijken.6
Staat er wellicht ergens op een ons nog onbekend «Ministerie van Waarheid» een apparaat waarmee men niet alleen met absolute zekerheid kan vaststellen of iets «waar» of «niet waar» (en dus wel of niet «misleidend») is, maar kan dit apparaat misschien gelijk ook feilloos de goedwillende dan wel kwaadwillende intentie van de verspreider van de misleidende informatie vaststellen?2 En als zo’n apparaat niet bestaat, hoe kan de Minister er dan zeker van zijn dat verzoeken ingediend door de staat bij Facebook, Google en Twitter via de «escalatie kanalen» om «desinformatie» te verwijderen niet onbedoeld resulteren in censuur van informatie die niet (doelbewust) misleidend is? Censuur die dus gelijk staat aan het onterecht en onnodig beknotten van de vrijheid van meningsuiting?
Nee, een dergelijk apparaat en het «Ministerie van Waarheid» bestaan allebei niet in Nederland.
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven. De betreffende bedrijven bij wie de melding wordt gedaan, maken altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Hiervoor maken zij gebruik van de eigen gebruikersvoorwaarden.
Door gebruik te maken van diensten van online platformen – bijvoorbeeld door een account aan te maken, het online spelen van games, het plaatsen van eigen content of het lezen van content van overige gebruikers – stemmen gebruikers in met de gebruikersvoorwaarden van dat online platform. Hiermee gaan zij een civielrechtelijke overeenkomst met dat platform aan, waarbij het toepasselijke rechtsstelsel bij geschillen wordt bepaald door het betreffende platform. In het kader van de contractvrijheid staat het aanbieders van online platformen vrij om grenzen te stellen aan het soort content op hun platform en de manier waarop hun platform wordt gebruikt. Ook staat het hen vrij actie te ondernemen indien zij van mening zijn dat gebruikers hun gebruiksvoorwaarden overtreden. Dat behelst ook de mogelijkheid om content te verwijderen of een gebruikersaccount op te schorten. Het idee hierachter is, dat gebruikers zelf de vrijheid en mogelijkheid hebben om te bepalen of zij gebruik maken van een bepaald online platform – en daarmee instemmen met de gebruikersvoorwaarden – of niet. Voor meer informatie verwijs ik u graag door naar de Kamerbrief over contentmoderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen van 21 september 2021.8
Kan de Minister de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat zorgverzekeraar VGZ gratis en voor niks reclame maakt voor bepaalde apotheekketens |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht dat zorgverzekeraar VGZ gratis en voor niks reclame maakt voor bepaalde apotheekketens?1
VGZ heeft haar verzekerden geïnformeerd dat zij niet alleen bij reguliere apotheken terecht kunnen, maar ook bij online-apotheken. Ook heeft VGZ haar verzekerden geïnformeerd over de wijze van dienstverlening van de online-apotheken die zij heeft gecontracteerd. Verzekerden kunnen beoordelen of zij deze wijze van dienstverlening prefereren boven die van een andere apotheek. Zorgverzekeraars kunnen hun verzekerden informeren over het aanbod van zorgaanbieders waarmee zij een contract hebben. Het is daarbij van belang dat de verstrekte informatie juist en evenwichtig is.
Wat is uw visie op de opkomst van grote commerciële apotheekketens, die zich met name richten op de meer lucratieve apotheekdiensten, zoals herhaalreceptuur, en de minder lucratieve levering van acute medicatie aan de traditionele apotheken laten? Bent u het ermee eens dat dit een onwenselijk bedrijfsmodel is?
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) heb ik met zorgaanbieders en zorgverzekeraars afspraken gemaakt met als doel de zorg voor de toekomst kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Hieronder valt ook het meer inzetten van digitale zorg; niet als doel op zich, maar als middel om de zorg ook in de toekomst houdbaar te houden.
Transities en transformaties in het zorglandschap, die passende zorg bevorderen en helpen om de schaarse capaciteit in de zorg zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten ten behoeve van de verzekerden, zijn hierbij noodzakelijk. Hieruit volgt dat niet iedere zorgaanbieder hetzelfde aanbod hoeft te hebben. Zorgaanbieders, ook apothekers, kunnen er voor kiezen zich te specialiseren op een bepaalde patiëntengroep, of om vooral online diensten aan te bieden.
Ik vind het wenselijk dat zorgverzekeraars dergelijke transformaties in de zorg bevorderen en faciliteren. De noodzaak daartoe is er. Dit geldt ook voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van apothekerszorg, juist ook in de toekomst. Nieuwe zorgvormen en digitale zorgvormen kunnen daarbij helpen. Ook de Patiëntenfederatie ondersteunt de wenselijkheid van variatie in aanbod.2
Verzekerden hebben vervolgens zelf de keuze welke vorm van apothekerszorg bij hen past. De wensen en behoeften van patiënten lopen uiteen. Het is daarom ook aan de partijen in de zorg om er voor waken dat alle noodzakelijke en gewenste vormen van (farmaceutische) zorg geboden worden. Ik reken erop dat zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht en hun taak om kwalitatief goede doelmatige zorg in te kopen, goed onderhandelen met apothekers. Zij hebben de verantwoordelijkheid om niet alleen daar waar dat kan lage vergoedingen uit te onderhandelen, bijvoorbeeld door de inzet van online apotheken, maar ook om daar waar het nodig is ruimte bieden aan intensievere (en duurdere) vormen van zorg, met bijpassende vergoedingen. De NZa ziet toe op het proces van zorginkoop.
VGZ werkt samen met twee online apotheken die landelijk opereren, maar klein van omvang zijn in vergelijking met andere landelijke apotheekketens en -formules. Bij beide apotheken kunnen patiënten zowel terecht voor eenmalige receptuur als herhaalrecepten. Deze apotheken moeten aan dezelfde eisen voldoen als iedere andere apotheek. Hierop wordt toegezien door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat zorgverzekeraars zoals VGZ de opkomst van dit soort ketens stimuleren? Zo ja, bent u bereid om VGZ en eventuele andere verzekeraars die zich hier ook aan schuldig maken hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe bent u van plan om ervoor te zorgen dat de vertrouwde apotheek in de wijk of het dorp behouden blijft en niet weg wordt geconcurreerd door commerciële ketens die enkel de meest lucratieve zorg willen verlenen?
In het IZA hebben we afgesproken om een beweging in zetten naar zorg die digitaal geleverd wordt waar dit kan, maar ook dat deze fysiek blijft waar dit moet. Gezien de groeiende zorgvraag en de druk op de arbeidsmarkt verwacht ik dat we in de toekomst alle zorgvormen hard nodig zullen hebben, zowel online zorg als ook de apotheekzorg in wijk of dorp. In het IZA is afgesproken om de eerstelijnszorg te versterken. De apotheek in de wijk heeft daar een belangrijke rol in te spelen, ook bij het ontlasten van de huisarts. Er is zeker plek voor online apotheken, maar de farmaceutische zorg in de wijk moeten we koesteren en verder optimaliseren. Ik ga met partijen in overleg hoe we deze optimalisering kunnen realiseren.
Het bericht 'Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel van Nieuwe Oogst «Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het is bekend dat de gestegen energiekosten een grote impact hebben op de glastuinbouw. Dit heeft ook een effect op de keuzes die ondernemers maken, zoals extensivering, bedrijfsbeëindiging of elektriciteitslevering. Dit wordt ook beschreven in de tweede verkenning van WEcR van de mogelijke inkomenseffecten van de oorlog in Oekraïne voor bedrijven in de land- en tuinbouw die u op 9 november heeft ontvangen.2 Exacte cijfers zijn niet bekend, mede doordat er grote verschillen binnen de sector bestaan.
Meerdere ondernemers gaan stoppen met hun bedrijf of zijn genoodzaakt de productie aanzienlijk terug te schroeven, wat gaat dit volgens u betekenen voor het aanbod van groenten, zoals tomaten, paprika’s en komkommers?
Indien productie wordt verlaagd of beëindigd zal het aanbod van producten uit de glasgroententeelt afnemen. Mogelijk wordt het weggevallen aanbod vervangen door groenten uit het buitenland. In de eerder aangehaalde verkenning wordt uitgegaan van volumedalingen in 2022 van circa 10% voor komkommers en circa 15% voor tomaten. Voor paprika’s vermoed men dat de volumes ongewijzigd zijn ten opzichte van het vorige jaar. Hierbij wordt wel een voorbehoud gemaakt, namelijk dat de landelijke arealen van de diverse teelten ook van invloed zijn om bovengenoemde volumeontwikkelingen. Daarbij is de situatie divers en zijn er ook veel telers die het winterseizoen overslaan. Dat betekent dat het aanbod van Nederlandse groenten in de winter daalt, terwijl richting zomer veel aanbod gelijktijdig op de markt komt.
Wat zijn de gevolgen van het terugschroeven van de productiecapaciteit voor de prijzen van groenten?
In algemene zin zullen prijzen stijgen wanneer het aanbod daalt. De prijzen van groenten zijn echter ook sterk afhankelijk van opbrengsten in andere landen, gezien het om een internationale markt gaat en het de vraag is in hoeverre de daling in aanbod in Nederland door producten uit andere landen opgevuld zullen gaan worden. De verwachting is dat richting zomer het aanbod van Nederlandse groenten juist weer stijgt.
Het komende tekort aan groenten gaat waarschijnlijk gecompenseerd worden door import vanuit Marokko en Spanje. Dergelijke ontwikkelingen staan haaks op de duurzaamheidsambities. Wat is uw reflectie hierop?
Bij de beantwoording van deze vraag moeten twee voorbehouden worden gemaakt. Ten eerste is er niet genoeg data voorhanden om hier sluitende uitspraken over te doen. Ten tweede is het antwoord ook afhankelijk van of het duurzaamheidsperspectief smal (broeikasgasuitstoot) of breed (zoals effecten op biodiversiteit) is.
Voor tomaten uit Spanje en Marokko geldt dat deze veelal in de buitenlucht of onder plastic worden geteeld. In vergelijking met de Nederlandse glastuinbouw betekent dat dus een vermoedelijk minder energie-intensieve teeltwijze en dat er dus ook vermoedelijk minder koolstoflekkage optreedt. Dat moet opgewogen worden tegen het transport van de producten uit zuidelijke landen. Anderzijds scoort de Nederlandse glastuinbouw in algemene zin beter op watergebruik en wordt ook veel biologische plaagbestrijding ingezet.
Door de hoge gasprijzen en het ontbreken van financiële steun verplaatsen verschillende ondernemers hun research & developtment naar landen als India, wat zijn de gevolgen hiervan op onze concurrentiepositie?
Vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten is het moeilijk om generieke uitspraken te doen over de specifieke gevolgen voor de concurrentiepositie. Enerzijds betekenen de hoge energieprijzen dat de glastuinbouw minder concurrerend wordt. Anderzijds zal, voor zover er concurrentie plaatsvindt met buitenlandse energie-intensieve glastuinbouw, dit effect ook gelden voor het buitenland.
In een ledenenquête van glastuinbouw Nederland geeft 8% van de ondernemers aan dit jaar faillissement aan te moeten vragen, wat zijn hiervan de gevolgen voor onze hoogwaardige tuinbouwcluster?2
Het is vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten moeilijk om generieke uitspraken te doen over wat het effect is van faillissementen op de rest van het cluster. In algemene zin kan gesteld worden dat een disruptie zoals de energiecrisis negatief is voor het cluster, dit heeft immers ook effect op de keten van toeleveranciers en afnemers. Daarbij kunnen de hoge kosten leiden tot minder investeringsruimte. Door de diversiteit binnen de sector is het lastig in te schatten wanneer een dusdanig keteneffect optreedt dat het cluster als geheel wordt bedreigd.
Kunt u vertellen waarom de motie van de leden Grinwis en Erkens over een tijdelijke correctieregeling duurzame warmte in het leven roepen (Kamerstuk 29 023, nr. 322)?
Helaas lijkt er een deel van de vraag weggevallen. Ik ga er daarom vanuit dat de vraag ziet op de stand van zaken van de afhandeling van de motie. Ik verwacht uw Kamer op korte termijn over de uitvoering van de motie te kunnen informeren.
Vanwege de hoge energieprijzen en het uitblijven van afdoende financiële steun is er geen kapitaal om te investeren in verdere verduurzamingsmaatregelen, wat zijn de gevolgen hiervan op de energietransitie?
Het is vanwege de uiteenlopende situaties op bedrijfsniveau lastig te zeggen wat het effect is van de energiecrisis op de energietransitie. Wel worden via verschillende instrumenten middelen vrijgemaakt voor de energietransitie in de glastuinbouw, zo is het budget voor subsidie op energiebesparende maatregelen opgehoogd naar € 60 mln. om zoveel mogelijk aanvragen te kunnen honoreren. Tegelijk wordt met Glastuinbouw Nederland en Greenports Nederland gesproken over mogelijkheden om de energietransitie te versnellen. Voorts kan ik u melden dat eraan gewerkt wordt dat de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten zo gauw als de staatssteun-goedkeuring verkregen wordt, tijdelijk een optie gaat bieden voor glastuinbouwbedrijven die vanwege de hoge energieprijzen over aanvullend werkkapitaal moeten kunnen beschikken om in bedrijf te kunnen blijven. De Kamer is daarover in een aparte brief van mijn collega’s van EZK en LNV (2022Z25539) uitgebreider geïnformeerd.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Het is vanwege de benodigde afstemming helaas niet gelukt om aan dit verzoek te voldoen.
Het bericht ‘Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Joost Eerdmans (JA21), Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Marieke Koekkoek (D66), Don Ceder (CU), Farid Azarkan (DENK), Danai van Weerdenburg (PVV), Henri Bontenbal (CDA), Renske Leijten (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Bouchallikh |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Kunt u een schatting geven hoeveel Nederlanders momenteel gebruik maken van TikTok? Hoeveel van deze gebruikers zijn kinderen?
In januari 2022 waren er ongeveer drie miljoen Nederlandse gebruikers van TikTok.2 De minimumleeftijd voor het gebruik van TikTok, volgens het beleid van TikTok, is 13 jaar. Bij TikTok is nagevraagd hoeveel van de gebruikers in Nederland minderjarig zijn. Hierbij heeft TikTok aangegeven dat zij deze informatie niet openbaar kunnen maken, omdat het voor TikTok bedrijfsgevoelige informatie betreft. Het is moeilijk met zekerheid vast te stellen hoeveel van de Nederlandse gebruikers minderjarig zijn. Hierbij speelt een rol dat de juistheid van de door gebruikers opgegeven leeftijd door TikTok niet wordt geverifieerd. Minderjarigen kunnen zich daarom als meerderjarigen voordoen. Uit onderzoek van de Britse (telecom) toezichthouder Office of Communications (Ofcom) bleek vorige maand dat één op de drie Britse kinderen een sociale media-account voor volwassenen heeft.3 Naar alle verwachting zijn er ook in Nederland kinderen die een account voor een volwassene hebben.
Welke medewerkers hebben toegang tot de verzamelde informatie? Klopt het dat een deel van de medewerkers van TikTok een dubbelrol hebben bij de Chinese Communistische Partij en dat dus de Chinese overheid toegang krijgt tot al deze persoonlijke informatie?
Op dit moment weten we niet welke medewerkers van TikTok toegang hebben tot welke gegevens. TikTok is benaderd om hier meer informatie over te geven, maar TikTok heeft aangegeven hier geen antwoord op te kunnen geven. Uiteraard zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) worden doorgegeven aan de Chinese overheid.
De voorwaarden waaronder persoonsgegevens vanuit de EU naar derde landen kunnen worden doorgegeven liggen vast in de AVG. Doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, waaronder China, dient plaats te vinden volgens hoofdstuk V van de AVG. Of er bij TikTok sprake is van een onrechtmatige doorgifte, is niet aan mij of dit kabinet om vast te stellen, maar aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of diens collega in de lidstaat waar TikTok haar hoofdzetel heeft.
Momenteel doet de Ierse toezichthouder (DPC) als leidende autoriteit van de EU onderzoek naar de wijze waarop TikTok persoonsgegevens verwerkt. Het betreft een tweetal onderzoeken. Het eerste onderzoek richt zich op de verwerking van persoonsgegevens van minderjarige gebruikers in de context van de platforminstellingen van het TikTok-platform met betrekking tot accounts van gebruikers jonger dan 18 jaar en leeftijdsverificatiemaatregelen. Het onderzoek gaat ook na of TikTok heeft voldaan aan de transparantieverplichtingen van de AVG in het kader van de verwerking van persoonsgegevens van gebruikers jonger dan 18 jaar. Het tweede onderzoek richt zich op de overdracht door TikTok van persoonsgegevens naar derde landen waaronder China en de naleving van de vereisten van de AVG voor deze overdrachten.
De DPC is beide onderzoeken gestart in september 2021. De DPC heeft haar ontwerpbesluit in het eerste onderzoek begin september 2022 voorgelegd aan de toezichthouders – waaronder de AP – in de andere lidstaten. Dit maakt deel uit van het proces op grond van artikel 60 van de AVG. Voor het tweede onderzoek waar het gaat om de doorgifte naar derde landen heeft de Minister voor Rechtsbescherming de AP gevraagd om bij haar Ierse collega te vragen naar de stand van zaken van dit onderzoek.
Kunt u toelichten om wat voor een data het hier gaat? Gaat het hier om persoonsgegevens, persoonlijke voorkeuren of psychologische profielen?
Het is mij niet bekend welke gegevens op welke manier verwerkt worden en welke TikTok-medewerkers toegang hebben tot welke gegevens. TikTok geeft in zijn privacybeleid aan welke gegevens worden verzameld. In zijn beleid schrijft TikTok dat gegevens onder drie categorieën wordt verzameld: (1) informatie die de gebruiker verstrekt, (2) automatisch verzamelde informatie en (3) informatie uit andere bronnen.
Het gaat hier o.a. om profielinformatie, gebruikerscontent en informatie uit directe berichten van gebruikers, maar ook om locatiegegevens van de gebruikers, technische gegevens met betrekking tot het apparaat van de gebruiker, gebruikers informatie en cookies. Ook wordt in gevallen door adverteerders op TikTok informatie over gebruikers gedeeld met TikTok.4
Acht u het wenselijk dat de Chinese overheid toegang heeft tot dit soort informatie, met name ook over kinderen?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 schreef, zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de AVG worden doorgegeven aan de Chinese overheid. Binnenkort ga ik met TikTok in gesprek in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. In dat gesprek zullen de hierboven genoemde uitgangspunten bij TikTok onder de aandacht worden gebracht.
Bent u bereid om TikTok per direct op te roepen geen gegevens van Europese gebruikers opgeslagen binnen de Europese Unie met China te delen?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 3 kan doorgifte van persoonsgegevens in derde landen rechtmatig plaatsvinden, mits voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. Op 18 juni 2021 heeft het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) richtsnoeren vastgesteld die beogen bedrijven en organisaties handvatten te bieden bij de beoordeling welke aanvullende maatregelen zij kunnen treffen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG.
Ik vind het onacceptabel indien gegevens van Nederlandse burgers onrechtmatig worden gedeeld met de Chinese overheid. Binnenkort spreek ik met TikTok in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. De hierboven genoemde uitgangspunten zullen bij TikTok onder de aandacht worden gebracht, mede naar aanleiding van de berichtgeving hierover. Het blijft aan de onafhankelijke toezichthouder om de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen te onderzoeken en daar op te handhaven.
Welke stappen acht u noodzakelijk richting TikTok in Nederland en de Europese Unie zolang persoonlijke gegevens terecht komen in handen van de Chinese overheid?
Het is in de eerste plaats aan de onafhankelijke toezichthouder om onderzoek te doen naar rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens, en om daar vervolgens tegen op te treden. In het stelsel van de AVG zijn geen bevoegdheden toegekend aan het kabinet. Daarbij wil ik graag opmerken dat de toezichthouder binnen de AVG een breed scala aan bevoegdheden heeft tot het nemen van corrigerende maatregelen mocht zij dat nodig achten. De toezichthouder kan bijvoorbeeld de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waarschuwen, berispen of gelasten een verzoek van betrokkene voor de uitoefening van zijn of haar rechten in te willigen. Ook kan er ook een geldboete worden opgelegd en de toezichthouder kan ook een tijdelijk of definitief verwerkingsverbod opleggen of gelasten de gegevensstromen naar een ontvanger in een derde land op te schorten.
Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3, voert de DPC momenteel onderzoek uit naar of de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen – waaronder China – voldoet aan de AVG-vereisten voor deze doorgifte. Daarnaast heeft de AP vorig jaar een boete van 750.000 euro aan TikTok opgelegd wegens het schenden van de privacy van jonge kinderen. De informatie die de Nederlandse gebruikers van TikTok kregen bij het installeren en gebruiken van de app was in het Engels en daardoor niet goed te begrijpen door jonge kinderen. Door de privacyverklaring niet in het Nederlands aan te bieden, legde TikTok onvoldoende uit hoe de app persoonsgegevens verzamelt, verwerkt en gebruikt. Tijdens het onderzoek door de AP heeft TikTok zich gevestigd in Ierland en de AP was vanaf dat moment alleen nog bevoegd om te oordelen over de privacyverklaring van TikTok, omdat de overtreding was beëindigd.
Wat betreft de inzet van TikTok voor overheidscommunicatie kan ik u melden dat de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) sinds september adviseert om de inzet van TikTok voor de rijksoverheid op te schorten vanwege zorgen over gegevensbescherming.
Welke stappen worden er op dit moment binnen de Europese Unie gezet om de juridische kaders ten aanzien van adequate beveiliging van data-transfers wereldwijd te verduidelijken en uit te breiden om te voorkomen dat buitenlandse inlichtingendiensten toegang krijgen tot persoonsgegevens van Europese gebruikers?
Binnen de EU zijn bepalingen uit de AVG t.a.v. adequate beveiliging van data-transfer verduidelijkt via richtsnoeren van de EDPB (zie ook antwoord op vraag 6).5 Deze richtsnoeren beogen organisaties handvatten te bieden voor veiligheidsmaatregelen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG. Zo worden in deze richtsnoeren praktische voorbeelden gegeven van hoe veiligheidsmaatregelen getroffen kunnen worden. In deze richtlijnen staat bijvoorbeeld hoe gegevens gepseudonimiseerd kunnen worden doorgegeven en hoe gegevens versleuteld kunnen worden om deze te beschermen tegen toegang voor overheidsinstanties van het derde land.
Welke stappen zet u richting de Europese Commissie om hier aandacht voor te vragen en actie op te ondernemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe geeft u uitvoering aan de afspraak uit het coalitieakkoord dat we kinderen beschermen door ze het recht te geven niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen?
Wat betreft het recht van kinderen om niet gevolgd te worden en geen dataprofiel te krijgen is Europese wetgeving van belang. In het gegevensbeschermingsrecht hebben kinderen het recht op specifieke bescherming, met name bij het gebruik van hun persoonsgegevens voor marketingdoeleinden of voor het opstellen van persoonlijkheids- of gebruikersprofielen (overweging 38 AVG). Deze bescherming zal versterkt worden door de Digital Services Act (DSA) die in 2024 in werking treedt. Het wordt dan voor zeer grote platforms zoals TikTok verboden om data van minderjarigen te verzamelen voor het profileren voor marketingdoeleinden
De Europese Commissie heeft in de geactualiseerde Better Internet For Kids (BIK+) strategie aangekondigd een EU gedragscode voor leeftijdsgeschikt ontwerpen te gaan publiceren. Deze gedragscode moet er aan bijdragen dat de verplichtingen neergelegd in de DSA en AVG worden nageleefd om zo te voorkomen dat kinderen gevolgd worden en dataprofielen krijgen. Wij zijn nauw betrokken bij deze Europese ontwikkelingen en maken ons er hard voor om de bescherming van kinderen in de digitale wereld verder te versterken.
Kunt u deze vragen nog voor het begrotingsdebat Digitale Zaken op 14 november 2022 afzonderlijk beantwoorden?2
Ja.
Een ‘speciale portal’ bij techbedrijven |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met berichten dat de Biden regering een «speciale portal» bij techbedrijven heeft voor het aangeven van desinformatie?1
Ja.
Heeft de Nederlandse staat ook toegang tot een dergelijke speciale portal bij Twitter (of Facebook of Instagram) voor het aangeven van desinformatie, misinformatie of nepnieuws bij deze techbedrijven?
Het Ministerie van BZK heeft geen toegang tot een Content Request System zoals beschreven in de artikelen in de bijlagen. Wel heeft het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Voor meer informatie over deze status van «trusted flaggers» verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen over de «escalatie kanalen» en het «desinformatieteam BZK» naar aanleiding van een Wob-verzoek die u op 7 november 2022 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 914).
Onderhoudt de Nederlandse staat contact met de bovengenoemde drie sociale mediabedrijven en indien dit het geval is door wie en op welke manier (bijvoorbeeld telefonisch, via mailverkeer) en waarom wordt dit contact onderhouden?
Ja. Het Ministerie van BZK houdt vanwege verschillende redenen contact met bovengenoemde bedrijven. Dit contact kan zowel op ambtelijk als op ministerieel niveau plaatsvinden. Het kan bestaan uit telefonisch contact, mailverkeer, of gesprekken in persoon. Zo heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 juni 2022 een kennismakingsgesprek gehad met vertegenwoordigers van Meta, waarover die dag op Twitter publiekelijk is gecommuniceerd.3 In het kader van hoor en wederhoor is er contact met Meta over het DPIA traject Facebook Pages4. Via de status van «trusted flagger» kan het ministerie contact op nemen met deze bedrijven wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden.
Het bericht ‘Gestreste ondernemer is makkelijke prooi: trap niet in fraudeval’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Gestreste ondernemer is makkelijke prooi: trap niet in fraudeval»1?
Ja.
Herkent u de trend dat fraudeurs steeds geraffineerder te werk gaan waardoor ondernemers eerder slachtoffer zijn van phishing of gijzelsoftware? Zo ja, op welke manier worden ondernemers voorgelicht over deze steeds geraffineerdere manier van werken van fraudeurs?
Ja. Uit het in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerde cybersecurity onderzoek Alert Online 2022 blijkt dat 56% van de onderzochte organisaties in de 12 maanden voor het onderzoek met phishing te maken heeft gehad. Dergelijke mails zijn een veel gebruikte methode om diverse vormen van criminaliteit te plegen, waaronder online fraude2 en computervredebreuk. Ransomware (ook wel gijzelsoftware genoemd) betreft een specifieke vorm van cybercrime.3 Uit het cybersecurity onderzoek Alert Online 2022 blijkt dat ongeveer 1% van de organisaties met ransomware te maken kreeg. Kleinere organisaties blijken er vaker last van te hebben dan grotere. Van de kleine organisaties betrof het 2,4%.4
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft het Digital Trust Center (hierna ook: DTC) opgericht met als taak het digitaal weerbaarder maken van ondernemers tegen toenemende cyberdreigingen. Het DTC deelt via de website, social media kanalen en de DTC Community de voor ondernemers relevante algemene informatie over cyberdreigingen en kwetsbaarheden. Bedrijfsspecifieke dreigingsinformatie wordt – proactief ongevraagd en in specifieke gevallen gevraagd – gedeeld met individuele bedrijven. U bent hierover geïnformeerd in de brief van 27 juni 2022 met betrekking tot de voortgang van de informatiedienst van het DTC.5 Op deze manier kunnen bedrijven snel actie ondernemen om een cyberaanval te voorkomen of de schade te beperken.
Ook verspreidt het Digital Trust Center via de DTC Community dreigingsinformatie vanuit het Nationaal Cyber Security Centrum (hierna ook: NCSC), zijnde onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en biedt het DTC via dit kanaal aangesloten bedrijven de mogelijkheid om, in een besloten omgeving, actuele en relevante informatie met elkaar uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn vragen, discussies of onderzoeken over phishing en/of ransomware.
Tenslotte biedt het Digital Trust Center naast de phishing-quiz die op de website van het DTC staat, veel laagdrempelige informatie over onder andere phishing. Met een verscheidenheid aan tools en content op de website en social media kanalen van het DTC worden ondernemers geïnformeerd over het herkennen van phishing.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is coördinator van de integrale aanpak online fraude en de integrale aanpak cybercrime. Voorts is in beide aanpakken aandacht voor de voorlichting van ondernemers over phishing. In het kader van de integrale aanpak online fraude loopt de verkenning naar welke wijze het bedrijfsleven het beste voorgelicht en ondersteund kan worden om slachtofferschap te voorkomen.
In de Kamerbrief naar aanleiding van de moties van de leden Ephraim en Hermans van 6 juli 20226 bent u geïnformeerd over de activiteiten om cybercrime in het midden- en kleinbedrijf tegen te gaan. In de Kamerbrief over de integrale aanpak van cybercrime van 4 november 20227 is een overzicht van activiteiten van de aanpak van cybercrime opgenomen. Het informeren van ondernemers over maatregelen die zij kunnen nemen om geen slachtoffer te worden en schade te beperken, maakt daar deel van uit. Het betreft onder meer een campagne voor het stimuleren van multi-factorauthenticatie, de City Deal Lokale Weerbaarheid Cybercrime waarin gemeenten worden ondersteund door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, om preventieve maatregelen te stimuleren, de factsheet Ransomware waarmee het NCSC en het DTC een overzicht geven van de verschillende soorten ransomware en maatregelen die organisaties kunnen nemen om een aanval te voorkomen, en het Incidentresponsplan ransomware van het NCSC met praktische handvatten om bij een ransomwareaanval adequaat te reageren.
In hoeverre hebben ondernemers aangifte gedaan van phishing? Is hier sprake van een stijgende of dalende trend? Welke mogelijkheden ziet u om de aangiftebereidheid onder ondernemers te verhogen?
Aangiften van bedrijven worden vaak gedaan door een persoon en het bedrijf wordt niet altijd genoemd in de registratie. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen hoe vaak ondernemers aangifte doen van phishing. Uit de aangiftecijfers van 2022 blijkt dat 2,5% van de aangiften van phishing is gedaan door een ondernemer. Er is sinds juni 2022 een stijgende trend te zien in het aantal aangiften van phishing door ondernemers. De reden hiervoor is onbekend. In het algemeen wordt een ieder aangespoord om aangifte te doen van een strafbaar feit. Het is mogelijk om digitaal aangifte te doen voor meerdere vormen van online criminaliteit waaronder phishing. Met deze optie wordt de drempel om aangifte te doen verlaagd.
Bent u het ermee eens dat het niet altijd makkelijk is om in te schatten of je met een bonafide bedrijf of persoon zaken doet en contact hebt? Zo ja, welke rol zou de overheid hierin kunnen spelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Fraudeurs en cybercriminelen maken namelijk gebruik van social engineering, een techniek waarbij misbruik wordt gemaakt van de menselijke eigenschappen zoals nieuwsgierigheid, vertrouwen, hebzucht, angst en onwetendheid.
Het Digital Trust Center, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, publiceert adviezen, handelingsperspectieven en tools om de kennis bij ondernemers te verhogen, bijvoorbeeld door voorbeelden te geven van phishingmails. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Algemene Zaken verkennen welke interventies kunnen worden ingezet om veilig gedrag te bevorderen.
Meerdere partijen waarschuwen daarnaast voor verschillende vormen van online fraude en zetten gerichte campagnes daartoe in. Bijvoorbeeld door de Fraudehelpdesk, die volledig wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, tezamen met de Autoriteit Consument en Markt, de politie, het Europees Consumenten Centrum en de Consumentenbond waarschuwen het publiek rond Black Friday, Sinterklaas en Kerst voor nepwebshop en aan- en verkoopfraude met de campagne «Eerst Checken, dan bestellen».
Ook de Nederlandse Vereniging van Banken waarschuwt voor social engineering in de campagne «zo werkt een fraudeur». In deze campagne wordt de werkwijze van de fraudeurs uiteengezet, zodat men deze vormen van fraude snel kan herkennen.
Ten slotte heeft Slachtofferhulp Nederland in november een nieuwe campagne gelanceerd «online oplichting is een serieuze misdaad». Slachtoffers worden daarin opgeroepen hulp te zoeken bij Slachtofferhulp Nederland.
Bent u het ermee eens dat de ondersteuning van gedupeerde ondernemers van phishing verbeterd moet worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffer worden van phishing kan voor ondernemingen zeer ernstige gevolgen hebben. Daarom is het van groot belang dat ondernemers in eerste instantie zelf investeren in de eigen digitale veiligheid. Daarnaast is het mogelijk je te verzekeren bij een verzekeraar tegen schade als gevolg van cyberincidenten. Bij een cyberincident kan bovendien ondersteuning worden geboden door cybersecuritybedrijven. Met deze maatregelen kan een onderneming zelf de mogelijke schade voorkómen of beperken.
Er zijn verschillende instanties die ondernemers daarbij ondersteunen, zowel bij het voorkomen van schade als het oplossen daarvan. De Fraudehelpdesk, die volledig wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, kan adviseren en doorverwijzen naar instanties die specifiek verder kunnen ondersteunen. Ook kunnen gedupeerde ondernemers aangifte doen bij de politie. Daarnaast biedt Slachtofferhulp Nederland de individuele slachtoffers van phishing ondersteuning en emotionele hulp.
Bent u het ermee eens dat er ook voor de telecomsector een rol weggelegd is om frauduleuze telefoontjes en misbruik van nummers tegen te gaan? Zo ja, bent u bereid hierover met de sector in gesprek te gaan en te kijken waar aanvullende maatregelen mogelijk zijn en de Kamer hierover te informeren?
Ja. Hierover is de Minister van Economische Zaken en Klimaat, samen met de Autoriteit Consument en Markt, reeds in overleg met de sector. Dit overleg vindt plaats mede in het kader van een wetsvoorstel voor aanscherping van het spoofingverbod, een beperking van het gebruik van Nederlandse nummers vanuit het buitenland en flankerende maatregelen. Bij de aanpak door de telecomsector wordt aangesloten bij de integrale aanpak van online fraude. Hierover is uw Kamer geïnformeerd met de brief van 8 juli 2022.8
Herkent u het beeld dat de vele campagnes en trainingen onvoldoende effect lijken te hebben en dat het essentieel is om van jongs af aan bewust te zijn van gevaren van de online wereld en bent u bereid om online oplichting een prominente plek te geven in de pilot cyberrijbewijs voor basisscholen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
Het effect van de combinatie van bewustwordingsmaatregelen is lastig te meten. Wel blijkt uit onder meer het Cybersecurity onderzoek Alert Online 2022 dat bewustwording nog nadere aandacht behoeft. Zo komt uit dit onderzoek naar voren dat een derde van de medewerkers van bedrijven hun kennis over online veiligheid als (zeer) slecht tot matig inschat.
Het project Mijn cyberrijbewijs is in samenwerking met FutureNL en het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontwikkeld. Dit project maakt deel uit van de inspanningen om bewustwording te vergroten bij de jeugd. Begin oktober is de interventie Mijn Cyberrijbewijs gelanceerd: een gratis lesprogramma voor groep 7 en 8 van het primair onderwijs. Online oplichting krijgt hierin als fenomeen, een prominente plek. Naast kennis over schadelijke fenomenen geeft de verkenning «Online Ontspoord»9 van het Rathenau Instituut aanknopingspunten om digitale weerbaarheid onder van doelgroep verder te ontwikkelen. In dit onderzoek zijn 18 mechanisme in kaart gebracht die ervoor zorgen dat online gedrag sneller ontspoort dan in het fysieke domein. Mijn Cyberrijbewijs maakt jonge mensen bewust van deze mechanismes en de online risico’s.
Het ECP Platform voor de Informatiesamenleving vormt daarnaast samen met het expertisecentrum voor Online Kindermisbruik en het Netwerk Mediawijsheid Safer Internet Center voor kinderen een nationale invulling van de Europese strategie voor een beter internet voor kinderen. In het netwerk kijken overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties hoe kinderen en jongeren op een veilige manier de digitale wereld kunnen betreden, bijvoorbeeld met lespakketten voor scholen of speciale uitgaven van de Donald Duck, de zogenaamde Digiducks.
Welke belemmeringen ervaart de Fraudehelpdesk om ondernemers en burgers zo goed mogelijk te kunnen informeren over malafide personen, websites en bedrijven? Bent u bereid deze weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Bij de Fraudehelpdesk, die volledig wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, kunnen slachtoffers melding maken van fraude en oplichting. De Fraudehelpdesk biedt voorlichting en verwijst slachtoffers zo nodig door voor hulp en het doen van aangifte. De Fraudehelpdesk wil voor een goed onderbouwd advies aan melders gegevens kunnen verwerken, zoals telefoonnummers, sms en mogelijk malafide links. De Fraudehelpdesk heeft hiervoor een vergunning aangevraagd, maar de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft de aanvraag afgewezen. De Fraudehelpdesk heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit is nog onder de rechter.
Het is belangrijk dat relevante gegevens gedeeld kunnen worden, bijvoorbeeld over modus operandi. Zoals aangegeven in de brief van 8 juli jl. verkent het Ministerie van Justitie en Veiligheid o.a. met meldpunten, waaronder de Fraudehelpdesk, hoe we dit binnen de kaders van de AVG vorm kunnen geven.
Bent u het ermee eens dat landen als België een zeer interessante aanpak hebben in het voorkomen van phishing door informatie over malafide websites snel binnen te halen en te verspreiden en daarmee slachtoffers te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren hoe u lessen gaat trekken van andere landen en daarmee Nederlanders een stukje veiliger houdt?
Ja. Zoals gemeld in de bijlage bij de Kamerbrief over de integrale aanpak van cybercrime van 4 november jl. verkent het Ministerie van Justitie en Veiligheid, tezamen met het NCSC of een «anti-phishing-schild» naar Belgisch voorbeeld ook in Nederland kan worden opgezet. Daarmee zou het mogelijk worden criminele links in berichten te melden om deze vervolgens onschadelijk te maken, dan wel van een waarschuwing te voorzien. Dit zou het slachtofferschap van phishing en daaropvolgende delicten kunnen tegengaan.
De gevolgen van de Porthos uitspraak van de Raad van State voor de vergunningaanvraag voor gaswinning bij Ternaard |
|
Tjeerd de Groot (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de Raad van State in de Porthos-zaak voor het vergunningverleningsproces rondom de gaswinning bij Ternaard?1
De uitspraak in de Porthos-zaak heeft tot gevolg dat ook de stikstofdepositie die in de bouw- en aanlegfase op Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt, moet worden getoetst bij de aanvraag om een natuurvergunning. Zoals vermeld in mijn brief aan uw Kamer d.d. 3 november jl. over de uitspraak Porthos, geldt immers voor ieder project dat alsnog moet worden gekeken naar de stikstofeffecten van de aanlegfase.
Wanneer denkt u de besluitvorming rondom de vergunning voor Ternaard af te kunnen ronden?
Op dit moment kan ik nog niet aangeven wanneer de besluitvorming precies kan worden afgerond. De besluitvorming loopt door het alsnog betrekken van de stikstofeffecten in de aanlegfase bij de beoordeling, vertraging op. Omdat het project valt onder de Rijkscoördinatieregeling, ben ik in contact met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het vervolg van de procedure. Ik heb de NAM tot en met het eerste kwartaal van 2023 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen, om zo alsnog deze effecten te kunnen toetsen. Daarna zal de procedure omtrent de besluitvorming hervat kunnen worden.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de Raad van State in de Porthos-zaak voor gaswinning op de Noordzee en de vergunningverlening daaromtrent?
De gevolgen voor de vergunningverlening voor gaswinning op de Noordzee zijn gelijk aan die voor alle andere projecten waarbij bouw- en/of aanlegwerkzaamheden plaatsvinden. Ik verwijs hierbij ook naar mijn eerder genoemde brief van 3 november.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Natuur dat gepland staat op 9 november 2022?
Tot mijn spijt is dat niet gelukt.
Het bericht dat Rusland voorlopig niet akkoord gaat met verlenging van de graandeal |
|
Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Rusland voorlopig niet akkoord gaat met verlenging van de graandeal?1
Ja
Rusland meent dat toezeggingen over het vereenvoudigen van export uit Rusland en bepalingen uit de overeenkomst niet zouden worden nagekomen. Om welke concrete bepalingen gaat dit en worden deze inderdaad niet nagekomen?
Op 17 november jl. werd bekend dat met dank aan de inzet van de VN en Turkije, de graandeal is verlengd met 4 maanden. Hierdoor kan Oekraïne graan en andere landbouwproducten via zijn havens aan de Zwarte Zee blijven exporteren. Inmiddels is sinds 1 augustus meer dan 11 miljoen ton aan landbouwproducten verscheept vanuit de drie Oekraïense havens op meer dan 400 scheepsbewegingen.
De VN, en namens de VN ook UNCTAD, zijn regelmatig in overleg met de EU en met individuele landen om de uitzonderingen op het sanctieregime voor landbouwproducten en kunstmest ook gestand te doen. Het doel van deze uitzonderingen is expliciet gelegen in het mitigeren van de impact van de oorlog voor de meest kwetsbare landen en meest kwetsbare mensen. In dat kader is ook Nederland door de VN benaderd vanwege een lading kunstmest die eigendom was van een Russisch bedrijf en hier bevroren was onder het EU sanctieregime. Inmiddels is er een overeenkomst tot stand gekomen tussen de Russische eigenaar, het Wereldvoedselprogramma en Malawi over donatie van deze lading kunstmest aan Malawi. De lading is hiertoe inmiddels vrijgegeven.
Hoe verenigbaar acht u deze toezeggingen en bepalingen met het huidige sanctie pakket? Vindt u dat dergelijke vereenvoudiging afdoet aan de effectiviteit van de sancties?
Zie antwoord vraag 2.
Op de dag dat de graandeal gesloten werd (22 juli jl.) gaf u te kennen dat «Nederland bereid is om te helpen waar nodig» met betrekking tot de graandeal en de uitvoering door alle partijen daarvan. Hoe heeft deze Nederlandse inzet vorm gekregen?2
Het kabinet hecht groot belang aan voortzetting van de graandeal en steunt actief inspanningen om dat mogelijk te maken. Op verzoek van de Secretaris-Generaal van de VN Guterres heeft Nederland op 10 november jl. een 2-jarige overeenkomst met UNCTAD getekend voor een financiële bijdrage van 1,9 miljoen dollar. Hiermee ondersteunt Nederland de inspanningen van UNCTAD in de door Guterres opgezette Global Crisis Response Group on Food, Energy and Finance en in de onderhandelingen en monitoring van de uitvoering van de graandeal in de Zwarte Zee. UNCTAD speelt daarnaast ook een belangrijke rol in de contacten met Rusland over de graandeal en de uitvoering van de afspraken rond uitzonderingen op de sancties waarmee Russisch voedsel en kunstmest beschikbaar blijft voor de wereldmarkt.
Het Centre for Humanitarian Dialogue (CHD) speelde een bemiddelende rol bij de totstandkoming van de graandeal (als onderdeel van het VN-team) en is thans betrokken bij de implementatie. CHD zet staf in bij het Joint Coordination Centre (JCC) in Istanbul. Deze personen zien toe op naleving van de deal en het ondersteunen bij de uitvoering, bijvoorbeeld door het bepalen van veilige vaarroutes en het mogelijk maken van certificering en inspectie van schepen. Nederland had al een lopende relatie met CHD, maar heeft voor deze inzet een additionele bijdrage van Euro 250.000 beschikbaar gemaakt. De Nederlandse steun aan CHD blijft ook na verlenging van de graandeal doorlopen.
Via het World Food Program (WFP) draagt Nederland Euro 4 mln. bij aan het door President Zelensky gelanceerde «Grain from Ukraine»-initiatief. Dit initiatief werd genomen in het kader van 90-jaar Holodomor-herdenking door Oekraïne. Het betreft hier twinning programma’s van WFP waarbij door Oekraïne gedoneerd graan wordt verscheept naar Jemen en Soedan met behulp van financiering door donoren als Nederland. Ook andere donoren als VS, VK, Canada en Duitsland namen hieraan deel.
In de kamerbrief «Stand van zaken hulp, herstel en wederopbouw Oekraïne» stelt u dat «Nederland via organisaties die de graandeal uitvoeren, UNCTAD en Centre for Humanitarian Dialogue (CHD) voor het Istanboel Coördinatie Mechanisme, ondersteuning gaat bieden.» Hoe heeft deze samenwerking concreet vorm gekregen? Blijft deze samenwerking in dezelfde vorm bestaan?3
Zie antwoord vraag 4.
Hoe groot acht u de kans dat de graandeal niet voor 19 november wordt verlengd? Welke gevolgen zou dit voor Nederland direct hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen onderneemt u zelf, dan wel in VN-verband, om verlenging van de graandeal te realiseren?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Terwijl Amerikanen zwaar materieel aanvoeren voor de oorlog, verkopen EU-staten havens aan China’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Terwijl Amerikanen zwaar materieel aanvoeren voor de oorlog, verkopen EU-staten havens aan China»?1
Ja.
Klopt het dat China of bedrijven uit China inmiddels in 22 Europese havens een belang hebben?
Het kabinet is op de hoogte van het feit dat Chinese partijen belangen verwerven en hebben verworven in Europese zee- en binnenhavens. Een volledig overzicht met de exacte belangen van Chinese partijen per Europese haven is echter niet aanwezig.
Heeft u inzicht in de belangen van China of Chinese bedrijven in de Nederlandse havens Rotterdam, Amsterdam, North Sea Ports en Groningen Seaportsm, waarbij met havens wordt bedoeld niet alleen het havenbedrijf, maar ook bedrijven die binnen het havengebied actief zijn, zoals containerterminals, railterminals en andere bedrijven? Kunt u hiervan per haven een overzicht verstrekken? Zijn er in Nederland ontwikkelingen soortgelijk aan de situatie in Hamburg waarvan u op de hoogte bent?
De havenbedrijven van de havens van Rotterdam, Moerdijk, Amsterdam, North Sea Port en Groningen Seaports zijn in handen van Nederlandse publieke aandeelhouders. Dat geldt ook voor de overige fysieke hoofdinfrastructuur van Nederland zoals het hoofdwegennet, vaar- en spoorwegen. De fysieke publieke infrastructuur van Nederland is daarmee in publiek bezit. Binnen de havengebieden zijn bedrijven die (voor een deel) in eigendom zijn van Chinese partijen. Het kabinet houdt dit niet per haven bij. Wel heeft de Erasmus universiteit in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in 2021 onderzoek gedaan naar de invloed van China in de logistiek in de voor Nederland belangrijkste goederenstromen2. Uit dat onderzoek blijkt dat er geen dominantie is van Chinese spelers in de onderzochte ketens afgezien van de ketens rond containers. Daarin zien we een sterke aanwezigheid van Chinese bedrijven, vooral in de deepsea containerterminal sector in Rotterdam. Daar wordt zo’n 12 miljoen TEU3 van de huidige capaciteit van 16,4 miljoen TEU overgeslagen via terminals die in handen zijn van Chinese bedrijven.
Hebben Europese bedrijven en/of staatsdeelnemingen in de praktijk de mogelijkheden om mede-eigenaar te worden van Chinese havenbedrijven of substantieel te participeren in (bedrijven in) Chinese havens?
Het is voor Europese bedrijven moeilijk mede-eigenaar te worden van Chinese havenbedrijven of substantieel te participeren in bijvoorbeeld terminals. Volgens contacten bij het Chinese Ministerie van Transport zijn er geen formele restricties op buitenlandse investeringen in deze sector. Er zijn dan ook meerdere voorbeelden van bedrijven die aandelen kochten in Chinese havens, zoals het Deense bedrijf Maersk dat in 2017 deed in de haven van Ningbo. Daarnaast is een groot deel van de haven in Hongkong in bezit van private ontwikkelaars die op hun beurt buitenlandse investeringen toestaan. In de praktijk blijkt echter in bredere zin dat het voor buitenlandse investeerders moeilijk is om de Chinese markt te betreden, zelfs als er geen formele wet- en regelgeving bestaat om die investeringen te weren. Waar activiteiten in Chinese havens overheidsopdrachten betreffen en Europese bedrijven restricties ervaren in de toegang hiertoe, dan zou de EU ook gebruik kunnen maken van het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI) om in te zetten op wederkerigheid in markttoegang.
Hoe kijkt u in algemene zin aan tegen de balans tussen het waarborgen van de open markt en eerlijke concurrentie enerzijds, en het beschermen van strategische belangen anderzijds? Deelt u de mening dat het beschermen van strategische belangen en het borgen van onze strategische autonomie steeds belangrijker wordt?
Een open markt en eerlijke concurrentie zijn belangrijke randvoorwaarden van de internationale economie, en cruciaal voor de Nederlandse welvaart. Het levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse innovatiepositie, het concurrentievermogen en een goed ondernemersklimaat. Daarbij zijn afhankelijkheden van andere landen een gegeven, aangezien geen enkel land beschikt over alle kennis, technologie en productiemiddelen om onafhankelijk te opereren. Een open markt en eerlijke concurrentie zijn dan ook belangrijke randvoorwaarden van de internationale economie, en cruciaal voor de Nederlandse welvaart. Het levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse innovatiepositie, het concurrentievermogen en een goed ondernemersklimaat.
Verschuivende geopolitieke verhoudingen zetten het open wereldwijde economisch systeem en het op regels gebaseerde multilaterale handelssysteem echter in toenemende mate onder druk. Ook zien we dat landen in toenemende mate bereid zijn om economische invloed in te zetten als geopolitiek wapen4. Deze ontwikkelingen kunnen grote gevolgen hebben voor de veiligheid en open strategische autonomie van de EU en van Nederland. Daarom kijkt het kabinet steeds nauwkeuriger naar risicovolle strategische afhankelijkheden, van Rusland, van China en van andere derde landen, en naar het mitigeren van risico’s voor onze nationale veiligheid en andere publieke belangen. Hierover bent u recentelijk5 geïnformeerd middels een Kamerbrief over de kabinetsbrede inzet ten aanzien van open strategische autonomie waarvan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden een van de hoofdthema’s is. In het kader weerbaarheid tegen statelijke dreigingen wijs ik u ook graag op de aanpak statelijke dreigingen.6 Het bevorderen en beschermen van de economische veiligheid maakt daar onderdeel van uit. Het kabinet pakt hiermee de kwetsbaarheid aan van vitale processen voor onder andere sabotage en ongewenste invloed van buitenlandse actoren.
Kunt u de vierde vraag ook beantwoorden specifiek voor de situatie van de Europese havens en toenemende belangen van China in deze havens?
Ik kan deze vraag niet voor alle Europese lidstaten beantwoorden. Wat de Nederlandse situatie betreft, is de lijn dat het aandeelhouderschap van de Nederlandse havenbedrijven in publieke handen moet blijven om voldoende regie en sturing te kunnen houden op havenbeheer om daarmee de vitale maatschappelijke en economische belangen van de havens voor ons land te kunnen bewaken. Wel zijn er binnen de havengebieden bedrijven die (voor een deel) in eigendom zijn van Chinese partijen. Met name in de logistiek rond containers is er een sterke aanwezigheid van Chinese bedrijven (zie ook het antwoord op vraag 3).
Behoren de Nederlandse havens volgens u tot de vitale/kritieke infrastructuur waar de risico’s van de Chinese economische aanwezigheid het grootst zijn?
Op dit moment is wat betreft de Nederlandse zeehavens de divisie Havenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam aangemerkt als aanbieder van een vitaal proces, namelijk de vlotte en veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer. In de EU wordt gewerkt aan de herziening van regelgeving m.b.t. het verhogen van de weerbaarheid van vitale infrastructuur (te weten de NIS 2 en CER-richtlijn)7, waarna naar verwachting meer havens en havenfaciliteiten zullen worden aangemerkt als essentiële of belangrijke entiteit8 en daarmee onderdeel van de vitale infrastructuur worden. Over de implementatie van de NIS2- en CER-richtlijn en de versterkte aanpak vitaal wordt u begin volgend jaar geïnformeerd.
Ik ben van mening dat het essentieel is dat onze havens hun belangrijke maritiem-logistieke functie voor onze economie onafhankelijk en veilig kunnen uitoefenen. Waar de Chinese (economische) aanwezigheid dat belang in gevaar brengt dient actie genomen te worden. In dat kader verwijs ik naar een scenario-onderzoek dat recentelijk is uitgevoerd in opdracht van het China Kennisnetwerk9 en mijn ministerie. Dit onderzoek laat zien dat zowel het behouden van een prominente hub functie voor de Nederlandse zeehavens als het beschermen van strategische bewegingsruimte onder druk staat als gevolg van de Chinese invloed. Dit vraagt nu en in de toekomst om een zorgvuldige afweging tussen economisch belang, open strategische autonomie en nationale veiligheid. Het is daarbij belangrijk om te blijven bezien of het instrumentarium dat voorhanden is om risico’s te voorkomen of te verminderen, afdoende is. Afstemming met onze buurlanden en de Europese Commissie is daarbij tevens essentieel.
Hoe werkt u in Europa samen om de havens te beschermen tegen de toenemende (politieke) invloed van China en Chinese bedrijven? Deelt u de mening dat Nederland hierin het voortouw moet nemen, gezien de aanwezigheid en het belang van de grote havens in Nederland?
Ik deel uw mening dat voorkomen moet worden dat China haar belangen in de Europese havens kan gebruiken voor politieke doeleinden. Het Ministerie van I&W heeft reeds het voortouw genomen door zowel met de Europese Commissie als met Duitsland de problematiek aan te kaarten en te bespreken.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een Europese havenstrategie, om ervoor te zorgen dat lidstaten gezamenlijk optrekken en niet tegenover elkaar komen te staan in het beschermen van de belangen van Europese havens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8, zijn er reeds gesprekken met de Europese Commissie en Duitsland. Samen met Duitsland spreek ik ook met Frankrijk en België en wil ik in Brussel pleiten voor een gezamenlijke Europese aanpak voor het beschermen van de Europese zeehavens.
Het faillissement van Aldel te Delfzijl |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichtgeving over het faillissement van aluminiumproducent Aldel te Delfzijl?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit faillissement een klap is voor de werkgelegenheid in Delfzijl en omgeving? Zo ja, kunt u, gezien het feit dat de energiecrisis de oorzaak van het faillissement is, duiden wat u tot op heden heeft gedaan om aluminiumproducent Aldel in de benen te houden? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Voor de betrokken medewerkers kan ik mij goed voorstellen dat deze klap hard aankomt. Mijn hoop en verwachting is dat het merendeel van hen, gezien de huidige tekorten op de arbeidsmarkt, spoedig een nieuwe arbeidsbetrekking zal vinden.
Zoals bekend is dit niet de eerste maal dat Aldel failliet is gegaan. Ook in 2013 en 2017 ging het bedrijf failliet. In 2017 gebeurde dit ondanks een uitgebreide doorstart en reddingsplan in 2014 met publiek geld en diverse overheidssubsidies. In het najaar van 2021 heeft Aldel bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een individueel steunverzoek ingediend, dat op basis van het Afwegingskader bij steunverzoeken individuele bedrijven is beoordeeld. Hieruit is naar voren gekomen dat er onvoldoende politiek-maatschappelijk belang bestaat om over te gaan tot steunverlening. Hierover is uw Kamer destijds in vertrouwen geïnformeerd. Begin dit jaar heeft Aldel gevraagd om vervroegde uitbetaling van de Indirecte Kostencompensatie ETS, maar aan dit verzoek heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat niet kunnen voldoen wegens strijdigheid met Europees recht, dat uitbetaling van een voorschot van staatssteun op basis van een (destijds nog) niet-goedgekeurde regeling verbiedt.
Welke noodscenario’s liggen er voor andere energie-intensieve bedrijven die kopje onder dreigen te gaan? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Naast de aangekondigde maatregelen voor het energie-intensieve mkb, onderzoekt het kabinet momenteel of het wenselijk is om voor het energie-intensieve industriële grootbedrijf tot een nieuw handelingsperspectief te komen. Uitgangspunt hierin is dat het kabinet grote waarde hecht aan een sterke strategisch gepositioneerde en groene industrie in Europa. Ook ziet het kabinet een belangrijke rol voor de industrie in het realiseren van de Nederlandse verduurzamingsdoelen. De huidige onzekerheid op de Europese energiemarkten creëert nu veel onrust, waarmee ook de urgentie om op nationaal dan wel Europese schaal tot gepaste antwoorden te komen wordt vergroot.
Het kabinet zet zich daarom in om een goede impactanalyse te doen voor de sectoren. Op basis hiervan kunnen kwetsbaarheden van de industrie, weerbaarheid van de economie en mogelijke ongewenste afhankelijkheden in de mondiale keten worden vastgesteld. Het kabinet zal voor het eind van het jaar haar visie, plus een afwegingskader voor eventueel handelen geven op nationaal en Europees niveau. Mogelijke verstoring van het gelijke speelveld binnen Europa zal hier ook in worden meegewogen, nu verschillende Europese bondgenoten al maatregelen hebben aangekondigd om de eigen industrie te ondersteunen.
Ondertussen kunnen bedrijven, naast het bestaande instrumentarium dat de overheid heeft klaarliggen zoals garantieregelingen, ook een verzoek indienen voor individuele staatssteun. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat maakt bij het binnenkomen van een dergelijk verzoek gebruik van het Afwegingskader bij steunverzoeken individuele bedrijven, dat uw Kamer op 1 mei 2020 is toegestuurd (Kamerstuk 35 420, nr. 36). Aan de hand van dit kader wordt het steunverzoek getoetst op politiek-maatschappelijk belang en op bedrijfseconomische aspecten. Het verkrijgen van EU-goedkeuring is ook een voorwaarde.
Welke ultieme poging gaat u ondernemen om Aldel alsnog een reddingsboei toe te werpen?
Geen, de curator is nu bezig om een nieuwe koper voor het bedrijf te vinden zodat een doorstart gemaakt kan worden.
Welke netwerken heeft het kabinet om geldschieters te vinden om een doorstart mogelijk te maken?
Dit is geen taak voor de overheid.
De overname van contracten van failliete energiebedrijven zoals Welkom energie |
|
Pieter Omtzigt (Lid Omtzigt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
Herinnert u zich eerdere vragen van mij en van de leden Leijten en Beckerman (Aanhangsel handelingen 2021/22, nr. 1107), van het lid Bontenbal (Aanhangsel handelingen 2021/22, nr. 1104) en van mij (Aanhangsel handelingen 2021/22, nr. 1105) beantwoord heeft over het faillissement van Welkom Energie?
Ja.
Herinnert u zich onder andere de antwoorden op de vragen 11 t/m 13 van de vragen van het lid Omtzigt over de gang van zaken rond het faillissement van Welkom Energie, de grote gevolgen voor klanten en de rol van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) bij de afwikkeling, die veel te laat beantwoord werden, waardoor er niet meer ingegrepen kon worden. (Aanhangsel handelingen 2021/22, nr. 1105).
Het kabinet streeft er altijd naar om vragen zo snel mogelijk te beantwoorden, echter het is ook van belang dat dit zorgvuldig gebeurt. De beantwoording van vragen betreft het verstrekken van informatie aan de Kamer en staat los van de mogelijkheden van partijen om te handelen.
Bent u bekend met de WOB-stukken van 17 oktober, waarin duidelijk is geworden dat er zeer intensief overleg is geweest tussen het ministerie en de ACM over het faillissement van Welkom Energie?
Ja.
Bent u bekend met twee recente gerechtelijke uitspraken over consumenten die gedwongen werden naar een andere leverancier over te stappen na een vergelijkbaar faillissement en prepack als bij Welkom Energie?1
Ja.
Heeft u kennis genomen van onderdeel drie van de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam op 7 oktober 2022?
Ja.
Herinnert u zich dat bij Welkom Energie er sprake was van een vooropgezet plan waarbij eerst de concentratiemelding zou plaatsvinden, daarna het faillissement en dat daarna het klantenbestand verkocht is aan Eneco voor 2 miljoen euro en dat de klanten daarna hogere prijzen moesten betalen aan Eneco dan klanten die langer bij Eneco zaten?
Het klopt dat er eerst sprake is geweest van een concentratiemelding voordat het faillissement is uitgesproken. Ik heb geen inzicht in de motieven van betrokken partijen en ik kan niet oordelen of er sprake is geweest van een vooropgezet plan.
Heeft de ACM bij het faillissement van Welkom Energie, Eneco op basis van artikel 2 lid 6 onder b en c van het Besluit Leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 aangewezen? Zo nee, op basis van welke wettelijke grondslag heeft de ACM dan Eneco aangewezen? Of is er geen wettelijke grondslag?
Nee, artikel 2, zesde lid, is niet toegepast; er was geen sprake van een toepassing van de herverdelingsprocedure. De ACM heeft als onafhankelijk toezichthouder bij besluiten van 26 oktober 2021 op grond van de Elektriciteit- en Gaswet de leveringsvergunning van elektriciteit en gas van Welkom Energie ingetrokken.2
Op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Mededingingswet heeft de ACM de concentratiemelding goedgekeurd.3
Onderschrijft u het deel van de rechterlijke uitspraak waarin staat dat de ACM slechts de mogelijkheid heeft om op basis van een aanwijzing de leveringszekerheid te garanderen indien er geen overeenkomst met de curator tot stand komt (overweging 3). Zo nee, op basis waarvan betwist u dit?
Ik heb kennis genomen van het onafhankelijk oordeel van de Rechtbank Amsterdam. Het is niet aan mij om hierover te oordelen.
Was Eneco verplicht op de contracten van Welkom Energie te respecteren? Indien het antwoord nee is, op basis waarvan mocht Eneco afwijken?
Het is aan de rechter om te oordelen over de specifieke omstandigheden in een bepaald geval.
Heeft u of de ACM op enig moment in de afgelopen 15 maanden juridisch advies gehad over de overname/faillissementen van energiemaatschappijen? Zo ja, kunt u aangeven van wie en wanneer en kunt u die met de Kamer delen?
Zowel aan de zijde van het ministerie als van de toezichthouder is er destijds gekeken naar de juridische aspecten van de procedure. De ACM heeft extern juridisch advies ingewonnen.
Kunt u aangeven of de ACM zich aan de geldende wet-en regelgeving gevolgd heeft bij het faillissement van Welkom?
Ik ga ervan uit dat de ACM als onafhankelijk toezichthouder de regelgeving toepast. Het is aan de rechter om te oordelen over de specifieke omstandigheden in een bepaald geval. De ACM heeft mij verzocht om het Besluit leveringszekerheid op dit punt te verduidelijken. In de uitwerking van de lagere regelgeving onder de Energiewet heb ik mij reeds voorgenomen de procedure voor het overnemen van klanten bij faillissement van een energieleverancier te verduidelijken. Ik vind het van belang dat het voor alle betrokken partijen, maar in het bijzonder voor consumenten, duidelijk is waar zij aan toe zijn als hun leverancier failliet gaat.
Indien het antwoord op de vorige vraag niet ondubbelzinnig ja is, wilt u dat bevorderen dat er onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar uw rol en de rol van de ACM bij het faillissement van Welkom Energie?
Zowel de ACM als ik hebben naar aanleiding van onder andere dit faillissement onderzoek laten doen naar hoe de kans op faillissementen te verkleinen is en naar het verbeteren van de bescherming van de consument in geval van een faillissement. Ik heb uw Kamer hierover op 20 september geïnformeerd (zie ook het antwoord op vraag 13).4
Heeft de ACM de klanten van het failliete Welkom Energie voldoende beschermd?
In wetgeving is het kader neergelegd dat borgt dat bij een faillissement van een vergunninghoudende leverancier consumenten in voldoende mate worden beschermd en de leveringszekerheid niet in gevaar komt. De ACM ziet toe vanuit haar rol als onafhankelijke toezichthouder op de naleving van deze regels door energieleveranciers. Het is aan de rechter om te oordelen of de regels juist zijn toegepast.
Wilt u aangeven welke schriftelijke vragen die eerder over Welkom Energie gesteld zijn, aangevuld dienen te worden nu de WOB door het ministerie beantwoord is en de rechter deze uitspraken gedaan heeft?
Er is geen reden om de antwoorden te herzien.
Hoe beoordeelt u de e-mail van dinsdag 23 november 2021 om 14:03 in het WOB verzoek, gezien de bovenstaande antwoorden en de juridische uitspraken?
Het beoordelen van een enkele e-mail dient in de juiste context te gebeuren. Het gaat om een e-mail van een medewerker van ACM aan een ambtenaar van mijn ministerie. Onderwerp was de vraag wat mijn ambtenaren doen met de input die ACM had gestuurd ten behoeve van de beantwoording van Kamervragen over Welkom Energie en de vraag of er nog op korte termijn debatten op handen waren over het onderwerp.
Hebben het toezicht van de ACM en uw actie geleid tot onnodig hoge schade bij de voormalig klanten van Welkom Energie? Kunt u dit antwoord uitvoerig toelichten?
Een oordeel over of er sprake is van (onnodig hoge) schade en door wiens toedoen is aan de rechter.
Aangezien u zo nauw overleg voert bij de ACM, wilt u bevorderen dat de ACM alle relevante documenten over het faillissement van Welkom Energie alsnog openbaar maakt?
Voor openbaarmaking van stukken door ACM gelden de regels uit de Wet Open Overheid (WOO).
Wilt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Vanwege afstemming met betrokken partijen en een zorgvuldige duiding van de uitspraak van de rechter heb ik de beantwoording moeten uitstellen.
De uitspraken van de rechtbank over het behoud van contracten bij faillissement energieleverancier. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Rechtbank: klanten van failliete leverancier met behoud van contract naar nieuwe leverancier» en de uitspraken van de rechtbank waar naar verwezen wordt in het artikel?1
Ja.
Klopt het dat de rechter tot de conclusie is gekomen dat bij een faillissement van een energieleverancier bij het overnemen van het klantenbestand door een andere energie leverancier ook energieovereenkomsten (contractvoorwaarden) moeten worden overgenomen? Wat zijn de gevolgen van deze uitspraak voor de werkwijze die de Autoriteit Consument & Markt (ACM) tot op heden heeft gehanteerd?
De Rechtbank Amsterdam heeft in deze zaak geoordeeld dat «het overnemen van een klantenbestand, zonder dat daarbij de energieovereenkomsten worden overgenomen, een figuur is die in het Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 niet voor komt». De Rechtbank Amsterdam heeft hierbij geoordeeld dat bij een overname artikel 2, vijfde lid, van het Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 moet worden geïnterpreteerd zodanig dat de leveringsovereenkomst door de overnemende leverancier dient te worden voortgezet onder dezelfde voorwaarden die golden bij de failliete leverancier. Het is aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder om de regelgeving toe te passen.
Zijn de uitspraken die de rechtbank nu heeft gedaan ook van toepassing op de gang van zaken rondom de overname van het klantenbestand van het failliete Welkom Energie door Eneco? Zo ja, welke gevolgen heeft deze uitspraak voor deze klanten?
De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam betrof een andere zaak en is van een latere datum dan het faillissement van Welkom Energie. Het is aan de rechter om te oordelen over de gevolgen met inachtneming van de specifieke omstandigheden in een bepaald geval.
Klopt het dat bij faillissement de curator in de zogenaamde vensterperiode het klantenbestand kan verkopen aan een andere energieleverancier?2 Klopt het dat dit altijd de eerste stap is na faillissement van een energieleverancier? Wat zijn de voorwaarden waaronder een klantenbestand verkocht mag worden?
In beginsel kan tot en met tien werkdagen na het tijdstip waarop de beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning is genomen een (bewindvoerder met) vergunninghouder of de curator het bestand aan kleinverbruikers die een verbintenis met de vergunninghouder hebben overdragen aan één of meer andere vergunninghouders, die de levering van elektriciteit aan de betrokken kleinverbruikers voortzetten.3 Deze optie wordt doorgaans inderdaad als eerste verkend. Zoals de Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld, diende in de voorliggende casus de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden die golden bij Flexenergie te worden voortgezet.
Klopt het dat als het klantenbestand niet of deels niet verkocht wordt, de (overige) klanten naar rato verdeeld worden over de andere energieleveranciers? Geldt hier (nu) ook dat de energieovereenkomsten overgenomen dienen te worden door de nieuwe energieleverancier? Zo nee, waarom niet?
Indien het klantenbestand in de eerste tien werkdagen na het tijdstip waarop de beschikking tot intrekking van een leveringsvergunning is genomen niet is overgenomen, geschiedt de verdeling van de klanten over de andere vergunninghouders naar evenredigheid van het totale aantal kleinverbruikers dat de andere vergunninghouders reeds beleveren.4 Een uitzondering is alleen mogelijk als de ACM op grond van de aan haar gemandateerde bevoegdheid tot een andere wijze van verdeling besluit. Bij de procedure van herverdeling geldt dat de aldus aangewezen vergunninghouder de levering van elektriciteit en/of gas met een overeenkomst voor onbepaalde tijd en verder onder zijn voorwaarden voortzet. Dit betekent dat de nieuwe leverancier de nieuwe klanten een nieuwe overeenkomst zal aanbieden.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de procedures voor het overnemen van klanten bij faillissement van een energieleverancier, zodat huishoudens beter beschermd worden dan nu het geval is?
De ACM heeft mij verzocht om het Besluit leveringszekerheid op dit punt te verduidelijken. In de uitwerking van de lagere regelgeving onder de Energiewet heb ik mij reeds voorgenomen de procedure voor het overnemen van klanten bij faillissement van een energieleverancier te verduidelijken. Ik vind het van belang dat het voor alle betrokken partijen, maar in het bijzonder voor consumenten, duidelijk is waar zij aan toe zijn als hun leverancier failliet gaat.
Hoe kijkt u aan tegen de voorstellen die gedaan zijn in het pamflet «5 maatregelen om de energiemarkt te versterken»3 van het CDA en de VVD? Kunt u voor de maatregelen twee t/m vijf per maatregel aangeven hoe u deze waardeert en of u bereid bent deze op te volgen?
Ik heb met interesse kennisgenomen van het pamflet «5 maatregelen om de energiemarkt te versterken» van de leden Bontenbal (CDA) en Erkens (VVD) en ik ga hier uitgebreider op in, in mijn brief aan de Kamer met betrekking tot het aanbieden van vaste contracten.
Het combineren van maatregelen voor het reduceren van de uitstoot van stikstof en CO2 door industriële bedrijven |
|
Henri Bontenbal (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Industriële bedrijven zien uitkoop of verplaatsing om stikstof niet zitten»?1
Ja.
Welke industriële bedrijven, bijvoorbeeld uit de lijst van de top 100 uitstoters van ammoniak 2), spelen zowel een belangrijke rol in de stikstofproblematiek als bij de klimaataanpak? (bijlage bij Aanhangsel handelingen 2021/22, nr. 2340.)
De stikstofproblematiek draait in de kern om de te grote stikstofdepositie op onze natuurgebieden. De industrie, inclusief de energiesector, draagt daar gemiddeld ongeveer twee procent aan bij, ondanks een aandeel in de uitstoot van tien procent. Het merendeel van de industriële stikstofuitstoot verdwijnt via de stikstofdeken naar het buitenland. Ongeveer 25 industrie- en energiebedrijven kwalificeren op grond van de gekozen benadering voor de aanpak van piekbelasters als piekbelaster.2 Het definitieve aantal bedrijven zal in april blijken zodra de drempelwaarde voor kwalificatie als piekbelaster bekend wordt gemaakt. Een aantal van die (voorlopige) 25 bedrijven wordt ook genoemd in het RIVM Briefrapport over de bijdrage aan de stikstofdepositie in de natuur vanuit de industrie, het verkeer en de consumenten3 en/of komt in de emissieregistratie naar boven als grote stikstofemittent.4 In de maatwerkaanpak van de 20 grootste CO2-emittenten, waarvan voorlopig tien bedrijven ook als piekbelaster kwalificeren, wordt naast CO2-reductie ook expliciet gekeken naar mogelijkheden tot extra en/of versnelde reductie van stikstofemissies. Op die manier kunnen deze ongeveer 35 bedrijven mogelijk een rol spelen in zowel de stikstofproblematiek als de klimaataanpak.
Bij hoeveel van deze bedrijven zou met maatregelen voor de reductie van de CO2-uitstoot ook (deels) worden voldaan aan de opgave op het gebied van stikstof?
Op 10 februari jl. presenteerde het kabinet de sectordoelen, waarin een reductiedoel voor de industrie inclusief de energiesector is opgenomen van 38 procent.5 Dit doel is gebaseerd op berekeningen van het PBL van de emissie-effecten van klimaat- en luchtkwaliteitsbeleid zoals dat bekend was op 1 mei 2022. Hieronder vallen zowel generieke maatregelen, die in beginsel alle 35 bedrijven kunnen raken, als maatregelen die individuele bedrijven hebben genomen of aangekondigd. Niet inbegrepen zijn de aanpak piekbelasters industrie en de stikstofeffecten van de eventuele maatregelen die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het IBO Klimaat. De bij het antwoord op vraag 2 genoemde 35 bedrijven kunnen met CO2-reductiemaatregelen in sommige gevallen ook NOx-reductie realiseren. Hoeveel reductie van beide emissies daadwerkelijk gerealiseerd zal worden, zal pas bekend worden zodra de betreffende (maatwerk)afspraken overeen zijn gekomen.
Op welke wijze werken de Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken en Klimaat samen om tot een geïntegreerde aanpak van de stikstof- en klimaatproblematiek te komen specifiek voor deze bedrijven? Tot welke concrete verduurzamingsprojecten heeft dat tot nu toe geleid?
De Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Economische Zaken en Klimaat, en ook het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, werken nauw samen op dit gebied. Dit gebeurt vanuit beide invalshoeken: klimaat en stikstof. Zo wordt in de maatwerkaanpak met de betreffende bedrijven bekeken wat het stikstofeffect van de voorgenomen klimaatmaatregelen is en of mogelijk nog grotere stikstofreductie te realiseren is. Tegelijkertijd kan de aanpak van de industriële piekbelasters aanleiding vormen om een industriebedrijf versneld te helpen verduurzamen, zodat CO2- en NOx-uitstoot versneld gereduceerd kunnen worden, zoals aangekondigd in het kader van de piekbelastersaanpak.6
Welke concrete mogelijkheden ziet u om, door in te zetten op versnelde verduurzaming van deze industriële bedrijven, gelijktijdig de stikstofuitstoot en CO2-uitstoot naar beneden te brengen?
Daar waar bedrijven kunnen afstappen van het gebruik van fossiele brandstoffen of hun CO2-uitstoot kunnen afvangen en opslaan (CCS), zullen zij doorgaans hun stikstofuitstoot verminderen. Met name als de zware industrie elektrificeert dan kan dit tot die gelijktijdige reducties leiden. Cruciaal daarbij is dat de randvoorwaarden voor deze verduurzamingsslag ingevuld worden, zoals de tijdige aanleg van infrastructuur benodigd voor de energietransitie, zoals nu met de MIEK-projecten gebeurt. Het kabinet zet daarom met partners vol in op verzwaring en uitbreiding van het stroomnetwerk, bevorderen van kennisdeling, opleiding en scholing van personeel, stroomlijning van vergunningverlening en toegang tot financiering via bijvoorbeeld de VEKI-regeling, die op 15 maart opnieuw is opengesteld tot 9 januari 2024. Door het wegvallen van de bouwvrijstelling lijkt het er nu op dat projecten die noodzakelijk zijn voor de energietransitie met ongeveer een jaar worden vertraagd, omdat daarvoor op een andere manier een vergunning moeten worden verkregen – als dat al mogelijk is. Die onzekerheid en vertraging zijn moeilijk verteerbaar, omdat deze projecten niet alleen noodzakelijk zijn vanwege de klimaatproblematiek. Deze projecten zijn óók noodzakelijk voor vermindering van de stikstofemissies bij energieproductie en -gebruik, en daarmee voor het toekomstig behoud en herstel van natuurgebieden.
Bent u bereid om op zo kort mogelijke termijn in overleg met deze bedrijven een plan van aanpak te ontwikkelen voor versnelde verduurzaming, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zowel het oplossen van de stikstofproblematiek als het klimaatvraagstuk?
Ja. Zoals aangegeven in de Kamerbrief over voortgang maatwerkafspraken van 27 februari jl. (Kamerstuk 29 826, nr. 148) ben ik al gestart met de aanpak van de 20 grootste industriële CO2-emittenten een maatwerkaanpak overeen te komen om zowel de CO2- als de stikstofuitstoot van deze bedrijven te reduceren. Daarnaast werk ik momenteel samen met onder meer de Staatssecretaris van IenW en het IPO de aanpak uit van industriële piekbelasters die niet al onder de maatwerkaanpak vallen.
Een grote stijging van de bouw van recreatiewoningen en hotels vlakbij beschermde natuur |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Hugo de Jonge (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «bouw recreatiewoningen en hotels vlakbij beschermde natuur stijgt in 5 jaar met 90 procent»?1
Ja.
Kunt u inzichtelijk maken, het liefst op een kaart, in welke Natura 2000-gebieden de afgelopen vijf jaar is gebouwd?
Nee, ik beschik nu niet over deze informatie en kan deze zodoende niet ter beschikking stellen. Pointer heeft voor haar informatie samengewerkt met de geodienst van de Rijksuniversiteit Groningen. Deze data is niet gepubliceerd. De nieuwbouwmonitor2 van deze geodienst is alleen beschikbaar per gemeente, zonder specifieke informatie met betrekking tot natuur. In ons gedecentraliseerde bestel zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor vergunningverlening en handhaving met betrekking tot Natura 2000-gebieden. Ik ben echter voornemens deze data in de nabije toekomst wel zelf beschikbaar te hebben. Het Kadaster is door het Ministerie voor VRO gevraagd om deze data via een uitbreiding van de Monitor Landschap inzichtelijk te maken.
Kunt u ook toelichten hoeveel en wat er is gebouwd in deze gebieden?
Dit is informatie waarover ik niet beschik.
Kunt u toelichten welke regels er precies bestaan om het bouwen in Natura 2000-gebieden te reguleren? Vindt u deze regels toereikend? Hoe zouden deze kunnen worden aangescherpt?
Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig wanneer een project significant negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Wanneer in een passende beoordeling wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, kan de vergunning worden verleend.
Daarnaast gelden ook in Natura 2000-gebieden de regels van de soortenbescherming van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming en de planologische regels van de betreffende provincie en gemeente. Gemeenten bepalen – binnen de kaders van het Rijk en de provincie – via hun ruimtelijk beleid en regelgeving waar en onder welke voorwaarden mag worden gebouwd. Daarbij zijn zij verplicht om het effect van nieuwe ontwikkelingen op de natuur in beeld te brengen.
Ik acht deze regels toereikend, omdat zij stevige bescherming bieden, en er naast reactieve bescherming ook actief beleid is voor Natura 2000-gebieden. Naast de bevoegdheid om vergunningen te verstrekken staat de opdracht van artikel 2.2 Wnb dat het bevoegd gezag de noodzakelijke passende en instandhoudingsmaatregelen neemt.
Vindt u het wenselijk dat in, of direct rondom Natura 2000-gebieden, zo een grote stijging te zien is van de bouw en plaatsing van hotels, recreatiewoningen, stacaravans en chalets? Kunt u dit antwoord toelichten?
Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Het antwoord is afhankelijk van de specifieke situatie per geval. De beoordeling hiervan vindt plaats door provincies en gemeenten, die hiervoor bevoegd gezag zijn. Gedeputeerde staten dragen op grond van artikel 2.2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) zorg dat de noodzakelijke passende en instandhoudingsmaatregelen worden genomen. Zij beoordelen ook de aanvragen om een vergunning op grond van de Wnb.
Ik deel de mening dat versnippering van natuurgebieden niet gewenst is. Tegelijkertijd is er grote verscheidenheid van Natura 2000-gebieden. Grote delen van het rivierengebied liggen binnen vijf kilometer van een Natura 2000-gebied. In de berekeningen zullen vermoedelijk alle bouwwerkzaamheden van Apeldoorn, Arnhem, Deventer, Nijmegen, Tiel, Wageningen, Zutphen en Zwolle zijn meegenomen, om maar enkele grotere plaatsen te noemen.
Bent u het eens met de bewering van universitair hoofddocent Raoul Beunen dat overheden te makkelijk toestemming geven om te bouwen in de buurt van Natura 2000-gebieden?
Ik herken dat bij vergunningen sprake kan zijn van grote maatschappelijke belangen, terwijl het onwaarschijnlijk is dat de natuur significante schade kan ondervinden van het specifieke project. Alle activiteiten in een gebied opgeteld zullen daarentegen wel effect hebben op de natuur. Daarom is er niet alleen sprake van een vergunningplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen hebben, maar ook de opgave bij gedeputeerde staten om de noodzakelijke maatregelen te nemen om verslechtering te voorkomen en de instandhoudingsdoelen te bereiken.
Hoeveel bezwaren zijn er ingediend over de bouw van projecten in of nabij de directe omgeving (tot en met een straal van drie kilometer) van Natura 2000-gebieden in de afgelopen jaren? Hoeveel van deze bezwaren zijn gegrond verklaard?
Dit is informatie waarover ik niet beschik. In ons gedecentraliseerde bestel zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor vergunningverlening en handhaving in Natura 2000-gebieden.
Kunt u aangeven of goed is onderzocht of er echt geen alternatieven beschikbaar waren voor het afgeven van een bouwvergunning in Natura 2000-gebieden? Kunt u dit toelichten met een voorbeeld?
Dit is informatie waarover ik niet beschik. In ons gedecentraliseerde bestel zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor vergunningverlening en handhaving in Natura 2000-gebieden.
Waren er projecten die absoluut door moesten gaan vanwege groot openbaar belang? Welke projecten waren dit?
Voor zover bekend zijn er de laatste jaren vergunningen verleend met toepassing van artikel 2.8, vierde lid, van de Wnb (de adc-toets) voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie, een rioolwaterput, een dijkversterking, een overnachtingshaven, een weg en een waterwinning.
Welke afspraken in Europees verband bestaan er met Nederland over het creëren van extra beschermd natuurgebied?
In de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2030 staat dat in totaal 30% van het landoppervlak én 30% van het zeeoppervlak beschermd gebied moet worden. Een derde deel daarvan moet strikt beschermd worden. Dit doel geldt voor de gehele EU. Alle lidstaten dienen een billijke bijdrage aan dit doel te geven, maar dat wil dus niet zeggen dat elke lidstaat precies 30% van het grondgebied moet beschermen. Deze bescherming hoeft niet te bestaan uit een strenge Europese bescherming, zoals Natura 2000. De gebieden mogen ook beschermd worden via nationale beschermingsregimes, zoals het NNN, en zogenaamde OECM’s (gebieden waar duurzame positieve ontwikkelingen voor biodiversiteit worden gecombineerd met andere functies).
Kunt u nagaan hoeveel stikstof er is uitgestoten in de laatste vijf jaar in of rondom deze natuurgebieden door de bouw of plaatsing van hotels, recreatiewoningen, stacaravans en chalets?
Dit is informatie waarover ik niet beschik. In ons gedecentraliseerde bestel zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag voor vergunningverlening en handhaving in Natura 2000-gebieden.
Kunt u aangeven of deze projecten tot extra druk op de natuur hebben geleid? Zo ja, in welke mate en is deze extra druk volgens u gerechtvaardigd? Op welke manier uit deze druk zich?
Ik kan niet aangeven of deze projecten tot extra druk op de natuur hebben geleid. Dit vereist informatie waarover ik niet beschik.
Deelt u de mening dat de overheid zou moeten streven naar het creëren van grotere, meer aaneengesloten stukken natuur in Nederland?
Ja. Ik streef naar robuuste natuur, dus natuur die minder kwetsbaar is voor drukfactoren als verdroging, verzuring en versnippering. Vergroting van gebieden kan de natuur robuuster maken omdat daardoor versnippering kan worden verminderd en verdroging en verzuring grootschaliger kan worden aangepakt. Maar ook kleinere gebieden kunnen in principe robuust zijn door bijzonder gunstige milieu en wateromstandigheden die worden weerspiegeld in een opvallend hoge biodiversiteit. Met de provincies zijn daarom afspraken gemaakt over het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland.
Rapportages van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geven aan dat uitbreiding van leefgebied nodig is voor het uiteindelijk realiseren van een gunstige staat van instandhouding van de natuur in Nederland. In het coalitieakkoord is uitbreiding van het natuurareaal ook als ambitie opgenomen om de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn dichterbij te brengen.
Hebben deze projecten daaraan bijgedragen? Of hebben ze, zoals in het artikel naar voren komt, juist bijgedragen aan een verdere versnippering van natuurgebieden?
Aangezien ik de projecten niet per geval ken, kan ik hier geen uitspraak over doen. Ik deel de mening dat versnippering van natuurgebieden niet gewenst is.
Deelt u de mening dat meer bouwen in of rondom Natura 2000-gebieden niet gaat bijdragen aan het creëren van deze extra natuurgebieden?
Ik deel deze mening niet. Afhankelijk van de situatie ter plaatse en de wijze waarop gebouwd wordt, hoeft bouwen geen effecten te hebben op de natuur. Als natuurinclusief gebouwd wordt, kan dat zelfs bijdragen aan de natuur. Gedeputeerde staten wegen dit af bij hun ruimtelijk natuurbeleid en toetsen op effecten bij de vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming.
Hoe gaat u voorkomen dat er in of rondom kwetsbare natuurgebieden nog meer onnodig zal worden gebouwd?
Gedeputeerde staten van de provincies zijn verantwoordelijk voor het behalen van de instandhoudingsdoelen in de gebieden waar zij bevoegd gezag voor zijn. Ik treed niet in de belangenafweging die een provincie als bevoegd gezag maakt. Tegen deze afwegingen staat in de regel toetsing bij de rechter open. Samen met mijn collega van BZK gaan we in gesprek met provincies en gemeenten om te onderzoeken of het bestaande instrumentarium voldoet en of eventueel aanvullende actie nodig is. Daarnaast bekijken we of de bestaande monitor landschap kan worden uitgebreid met het monitoren van de bouw van vakantieparken.
Kunt u iedere vraag apart beantwoorden en niet clusteren alstublieft?
Ja.
Speculatie op de gasbeurs |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse gasbeurs onder vuur vanwege speculanten»?1
Ja.
Welke signalen van speculatie op de gasmarkt heeft u ontvangen en wat is daarop uw reactie geweest?
Op financiële markten worden derivaten(contracten), zoals futures en opties, met als onderliggende waarde aardgas (gasderivaten) verhandeld.
Voor haar toezicht op de handel in TTF-gasderivaten maakt de AFM onder meer gebruik van eigen data-analyses en meldingen van verdachte of afwijkende transacties, die marktpartijen en exploitanten en handelsplatformen verplicht zijn om te melden bij de toezichthouder. De AFM onderzoekt die meldingen, waaruit kan blijken of er al dan niet daadwerkelijk sprake is van marktmanipulatie of een andere vorm van marktmisbruik. In dat geval kan de AFM handhavend optreden. De AFM heeft vooralsnog geen indicaties dat er bij de handel in gasderivaten recentelijk sprake is (geweest) van enige vorm van marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik.
Bij de handel in gasderivaten zijn naast energiebedrijven – die posities in dergelijke derivaten aanhouden om hun bedrijfsrisico’s af te dekken –, ook financiële ondernemingen betrokken. Tot die financiële ondernemingen behoren zogenoemde market makers die op de handelsplatformen waarop gasderivaten worden verhandeld voortdurend bied- en laatprijzen afgeven. Daarmee zorgen zij voor liquiditeit op die handelsplatformen, zodat energiebedrijven, maar ook financiële ondernemingen, hun risico’s kunnen beheren door te handelen in die derivaten en de omvang van hun posities in gasderivaten aan te passen. Door die liquiditeit kan de spread (het verschil tussen de bied- en laatprijzen) worden verkleind, wat tot lagere transactiekosten leidt.
Naast market makers zijn op de handelsplatformen waarop gasderivaten worden verhandeld ook financiële ondernemingen actief, die in opdracht van hun klanten transacties in gasderivaten uitvoeren. Tot de klanten van dergelijke brokers behoren zowel energiebedrijven als financiële ondernemingen. Market makers en brokers zijn altijd aanwezig op de markt, maar juist in een situatie waarin een markt erg volatiel is, zoals recentelijk de markt voor aardgas, is het van belang dat zij op deze handelsplatformen liquiditeit verschaffen, zodat marktpartijen die posities in gasderivaten aanhouden hun bedrijfsrisico’s kunnen afdekken.
Heeft u in beeld in hoeverre de gasprijs op de Title Transfer Facility (TTF) wordt beïnvloed door speculatie en wat daarvan de effecten zijn op de gasprijzen voor bedrijven en huishoudens?
De TTF is een virtuele marktplaats waar gas in het Nederlandse gassysteem door marktpartijen aan elkaar kan worden overgedragen. Partijen kunnen de TTF voor dit doel gebruiken in bilaterale contracten, maar ook de handel op verschillende gasbeurzen, zoals ICE Endex, vindt plaats via de TTF. De handel via gasbeurzen betreft slechts een deel van het totaal aantal transacties via de TTF. Bovendien zijn er verschillende korte- en lange termijn producten die via de TTF verhandeld worden, zoals de daghandel en de termijnmarkt. Er is bijgevolg geen sprake van één «TTF prijs». Vaak zit er bijvoorbeeld een prijsverschil tussen de daghandel (spotmarkt) via de TTF en de termijnhandel via de TTF.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, heeft de AFM, die toezicht houdt op handel via de gasbeurzen, vooralsnog geen indicaties dat er bij deze handel sprake is van enige mate van marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik. Op de financiële markten zijn financiële ondernemingen en niet-financiële ondernemingen, zoals energiebedrijven, actief die transacties in gasderivaten uitvoeren of laten uitvoeren. De TTF Futures derivatenmarkt is een van de meest liquide financiële markten voor aardgas. Het meest verhandelde gascontract is het maandcontract voor de volgende maand (front-month). De prijs hiervan wordt veelal als referentieprijs gehanteerd. Omdat de TTF gebaseerd is op gas dat daadwerkelijk in het fysieke netwerk wordt geïnjecteerd (via gasvelden, LNG-terminals en pijpleidingen uit het buitenland) is het de meest betrouwbare maatstaf voor vraag en aanbod binnen het grootste marksegment van de EU (Noordwest-Europa). Om die reden is de front-month TTF-prijs de belangrijkste referentieprijs in Europa en zijn veel leveringscontracten voor de lange termijn gebaseerd op deze referentieprijs, ook buiten Europa.
De laatste tijd is de prijs die op de TTF tot stand is gekomen erg volatiel, en worden TTF-contracten tegen een relatief hoge prijs verhandeld in vergelijking met afgelopen jaren (figuur 1). Of huishoudens en bedrijven hiervan iets merken is afhankelijk van het energiecontract dat een huishouden of bedrijf heeft afgesloten, van het type contract waarmee de energieleverancier het gas heeft ingekocht (via een gasbeurs of bijvoorbeeld bilateraal), het moment waarop de energieleverancier zijn gas heeft ingekocht en tegen welke prijs. De voornaamste oorzaak van de prijsstijging is de geopolitieke situatie en de daaropvolgende afgenomen invoer van gas (met name uit Rusland) naar Europa, terwijl gelijktijdig grote inspanningen zijn verricht om de Europese gasvoorraden te vullen (waardoor de vraag toenam).
Figuur 1. TTF-gasprijs (van het meest liquide contract (fronth-month). Bron: AFM Trendzicht 2023 (figuur 11).
Welke mate van volatiliteit op de TTF kan worden toegeschreven aan speculanten? Is daar een inschatting van te maken?
Het aantal partijen dat actief is op de TTF en op het handelsplatform van ICE Endex, waar TTF-futures en -opties worden verhandeld, is gelijk gebleven. Het aandeel financiële partijen ten opzichte van niet-financiële partijen met openstaande posities is eveneens stabiel.2 Tijdens de huidige energiecrisis is de liquiditeit op de gasderivatenmarkt van ICE Endex echter afgenomen. Waar in januari 2021 nog ongeveer 1,5 miljard MWh aan posities op de futuresmarkt openstond is dit sinds het voorjaar met ruim 50% afgenomen en sindsdien stabiel gebleven (figuur 2). Deze afname had volgens experts vooral te maken met de hogere gasprijzen die eveneens tot hogere onderpandverplichtingen bij centrale tegenpartijen leidden (waardoor het simpelweg duurder is om grote posities aan te houden). De beperktere liquiditeit, in combinatie met de spanningen op de gasmarkt, heeft geleid tot een hogere volatiliteit.
Figuur 2. Aantal openstaande contracten en het handelsvolume van TTF-gascontracten. Bron: AFM Trendzicht 2023 (figuur 13).
Daarnaast kan ik opmerken dat op grond van Europese en nationale wet- en regelgeving positiebeheercontroles en positielimieten zijn vastgesteld voor de belangrijkste grondstoffenderivaten. Daaronder vallen ook de in Nederland verhandelde TTF-gasderivaten. Deze positiebeheercontroles en positielimieten moeten voorkomen dat een marktpartij een zodanig grote positie in het TTF-gasderivaat kan aanhouden dat hij de prijs van de onderliggende waarde van het contract (aardgas) kan beïnvloeden. De AFM stelt in Nederland deze positielimieten vast en houdt toezicht op de naleving van de relevante Europese en nationale wet – en regelgeving en kan handhavend optreden indien die wet- en regelgeving niet wordt nageleefd. Tevens houdt de AFM toezicht op de handel in TTF-gasderivaten om marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik te voorkomen. De AFM kan tevens handhavend optreden indien zich bij de handel in TTF-gasderivaten een situatie voordoet (of dreigt voor te doen) die als marktmanipulatie of een andere vorm van marktmisbruik kunnen worden gekwalificeerd. In verband met de recente volatiliteit op de markt voor aardgas heeft zich een dergelijke situatie niet voorgedaan.
In hoeverre is speculatie met de gasprijs op de TTF toegenomen tijdens de huidige energiecrisis ten opzichte van de marktsituatie voor de energiecrisis?
Zie antwoord vraag 4.
Is het juist dat er afgelopen jaar bijna 113 keer meer gas op de TTF werd verhandeld dan Nederland in een jaar gebruikt en dat er op de gasbeurs meer dan 160 partijen actief zijn? Hoe verhouden deze aantallen qua volume verhandeld gas en actieve partijen zich tot eerdere jaren?
De TTF is sinds de liberalisatie van de energiemarkten uitgegroeid tot de grootste gasbeurs van Europa. Dit betekent dat bijna al het gas in Noordwest-Europa – en dus niet alleen gas dat voor Nederlands gebruik is bestemd – op de TTF is of wordt verhandeld. Volgens het jaarverslag van Gasunie werd er in 2021 voor 47.705 TWh aan gas verhandeld op de TTF en waren er maximaal 175 partijen op één dag actief.3 Dit was een toename van respectievelijk 5% en 3% ten opzichte van het vorige jaar.
In hetzelfde jaar werd in Nederland ongeveer 40 miljoen kubieke meter aardgas gebruikt4, wat met het laagcalorische gas in Nederland overeenkomt met 390 TWh. Op basis van deze indicatieve berekening kan worden aangenomen dat het klopt dat er ruim honderd keer zoveel gas op de TTF werd verhandeld als in Nederland werd gebruikt in dat jaar. Een kanttekening hierbij is dat de handel in TTF op basis van energie (in MWh) plaatsvindt en niet volume in kubieke meters. De calorische waarde van het verhandelde gas op de TTF ligt niet vast.
Acht u het wenselijk dat partijen zoals zakenbanken, hedgefondsen, durfinvesteerders en private-equitybedrijven gas inkopen en doorverkopen met als doel om daarmee zoveel mogelijk geld te verdienen, waardoor gas voor het bij de eindverbruiker beland soms wel honderd keer van eigenaar wisselt?
Het kabinet staat voor de leveringszekerheid van gas en een goed werkende gasmarkt. De markt is tot nu toe – ook in de ongewone omstandigheden van dit jaar – in staat gebleken om voldoende gas aan te trekken om in de leveringszekerheid te voorzien. Op de gasmarkt moeten alle deelnemers zich aan regels houden, waar de AFM en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthouders op toezien. Op het moment dat er signalen zijn dat er partijen zijn die zich niet aan de regels houden, kunnen de toezichthouders daarop acteren. Zoals ik in de antwoorden hierboven heb beschreven, is de activiteit van financiële ondernemingen op de gasmarkt bevorderlijk voor de marktwerking, doordat zij liquiditeit bieden en marktpartijen daarmee de mogelijkheid bieden risico’s af te dekken.
Tevens is de TTF-termijnmarkt een fysieke markt. Alle partijen hebben door deelname een leveringsverplichting richting Gasunie Transport Services en zijn daarmee verplicht te leveren aan de infrastructuur na afloop van het termijncontract. Dit weerhoudt in principe partijen met een puur speculatief karakter van deelname, omdat zij niet in staat zijn daadwerkelijk aan een potentiële leveringsverplichting te voldoen.
Deelt u de mening dat de stelling dat meer handel efficiëntere prijzen oplevert in de huidige situatie puur theoretisch is en dat speculatie en het veelvoudig in- en doorverkopen van gas derhalve geen maatschappelijke meerwaarde hebben? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven beschreven leidt een hoge liquiditeit op een termijnmarkt juist tot stabiele en betrouwbare prijsvorming. Mede daarom is de TTF uitgegroeid tot de toonaangevende gasbeurs in Europa en zelfs in de wereld. Handelaren in gas zullen alleen gebruik willen maken van een termijnmarkt wanneer deze betrouwbaar en stabiel is en niet beïnvloed kan worden door één of enkele partijen.
Welke mogelijkheden ziet u om speculatie met de gasprijs op de TTF in te perken, zodanig dat prijsopdrijvende effecten worden voorkomen? Bent u bereid om hiervoor op korte termijn een aanpak uit te werken?
Het inperken van handel op de TTF evenals van de handel op financiële markten waar gasderivaten(contracten) worden verhandeld, heeft op de langere termijn negatieve gevolgen voor de prijsstabiliteit en leveringszekerheid van gas. In een normale marktsituatie zorgt de handel op de spotmarkt voor efficiënte allocatie van gas in het TTF-pijpleidingennetwerk. Contracten voor de langere termijn zorgen juist voor meer zekerheid en stabiliteit op de markt.
Zoals in mijn antwoord op de vragen 4 en 5 beschreven, is er Europese en nationale wet- en regelgeving om excessieve speculatie en marktmanipulatie tegen te gaan.