De berichten ‘VS van plan uit WTO-onderdeel te stappen’ en ‘Chinese bussen kunnen bij aanbesteding niet worden geweerd’ |
|
Thierry Aartsen (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «VS van plan uit WTO-onderdeel te stappen»1 en «Chinese bussen kunnen bij aanbesteding niet worden geweerd»?2
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre u de opvatting van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland deelt dat het juridisch niet mogelijk is om aanbestedingen uit China te weren?
Bij aanbestedingsprocedures is het mogelijk om inschrijvers uit China te weren. Ik informeerde uw Kamer op 23 april jl. hierover bij de beantwoording van vragen over de openbaar vervoersconcessie IJssel-Vecht4 in de provincies Overijssel, Gelderland en Flevoland. U bent ongetwijfeld op de hoogte van de recente berichtgeving over het mogelijke gebruik van «side letters» door Keolis. Dit is een vervelende kwestie waarnaar de provincie Overijssel en Keolis onderzoek doen. Ik volg deze ontwikkelingen op de voet. Deze kwestie staat echter los van de beantwoording waarin in algemene zin wordt uitgelegd onder welke omstandigheden niet-Europese partijen kunnen worden geweerd bij aanbestedingen en ov-concessies. Zowel in het geval van de concessie IJssel-Vecht als in het geval van Noord-Holland zit dat als volgt.
Het is voor Nederlandse en andere Europese aanbestedende diensten mogelijk om inschrijvingen te weigeren uit derde landen die geen partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement (GPA)) van de WTO en/of waarmee de EU geen bilaterale handelsovereenkomst heeft gesloten waarin afspraken over toegang tot de markt voor overheidsopdrachten zijn gemaakt. China is geen partij bij de GPA, noch heeft de EU een bilateraal handelsakkoord met China. Om die reden kunnen inschrijvers uit China worden geweerd. Het is voor speciale-sectorbedrijven in de zin van de Aanbestedingswet 2012 daarnaast mogelijk om een inschrijving op een opdracht voor leveringen af te wijzen indien het aandeel van de uit dergelijke derde landen afkomstige goederen meer dan vijftig procent uitmaakt van de totale waarde van de goederen waarop deze inschrijving betrekking heeft. Deze mogelijkheden vloeien voort uit internationale en Europese regelgeving en worden ook door die regelgeving ingekaderd.
In de gevallen van Overijssel, Gelderland en Flevoland, respectievelijk van Noord-Holland, ging het echter niet om aanbestedingen van bussen maar om verleningen van openbaarvervoersconcessies. In Overijssel, Gelderland en Flevoland was de winnende inschrijver Keolis, een Nederlandse vervoersmaatschappij (in eigendom van Keolis SA in Frankrijk). In Noord-Holland was dat Connexxion, eveneens een Nederlandse vervoersmaatschappij. Deze vervoersmaatschappijen hebben vervolgens bussen aangekocht middels een private transactie. Zoals ook toegelicht in de hiervoor aangehaalde beantwoording van vragen, was het voor de concessieverleners niet mogelijk om de vervoersbedrijven de verplichting op te leggen om bussen uit de EU te betrekken.
De twee gevallen zijn overigens verschillend als het gaat om de herkomst van de bussen. Keolis heeft bussen gekocht van het van oorsprong Chinese bedrijf BYD. In de concessies van de provincie Noord-Holland rijdt Connexxion in de concessie Noord-Holland Noord met bussen van zowel BYD als VDL, in de concessie Haarlem-IJmond met bussen van BYD en VDL en vanaf eind 2020 ook van het Nederlandse bedrijf Ebusco. Voor de concessie Gooi- en Vechtstreek heeft de winnende vervoerder (Transdev) in Nederland geproduceerde bussen (Ebusco & VDL) aangeboden.
Kunt u aangeven hoe deze opvatting van het college zich verhoudt tot het antwoord op eerdere vragen over aanbestedingen uit China van 28 oktober 2019, waarin u mededeelde dat «Nederlandse – en andere Europese – aanbestedende diensten geen inschrijvingen hoeven toe te laten uit landen die niet zijn aangesloten bij de Government Procurement Agreement (GPA) onder de WTO, zoals China»?3
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven in hoeverre de multilaterale overeenkomst over aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) mogelijkheden biedt voor overheden op zowel landelijk als ook provinciaal niveau en gemeentelijk niveau voor het weren van aanbestedingen uit landen die geen partij zijn bij deze overeenkomst?
Onder de GPA van de WTO mogen aanbestedende diensten van de aangesloten landen (potentiële) inschrijvers uit deze landen geen toegang weigeren tot de markt voor overheidsopdrachten. Dit betekent dat de GPA de markt voor overheidsopdrachten van een deelnemend land opent voor inschrijvingen van bedrijven uit andere deelnemende landen. Dit brengt met zich mee dat deze markt gesloten kan blijven voor inschrijvingen van bedrijven uit niet-GPA-landen, ongeacht het bestuurlijk niveau.
Hoe verhoudt de Aanbestedingswet, die geen mogelijkheid biedt tot het geven van een voorkeur aan Nederlandse of Europese partijen, zich tot het GPA?
De Aanbestedingswet 2012 sluit aan op de GPA. De Aanbestedingswet verbiedt namelijk aanbestedende diensten om minder gunstige voorwaarden toe te passen op inschrijvers uit landen die bij de GPA zijn aangesloten of waarmee de EU een bilaterale handelsovereenkomst heeft gesloten waarin afspraken over toegang tot de markt voor overheidsopdrachten zijn gemaakt dan op inschrijvers uit EU-lidstaten. Omgedraaid betekent dit dat aanbestedende diensten wél minder gunstige voorwaarden toe mogen passen op inschrijvers uit landen waar dat niet voor geldt. De Europese Commissie draagt dit standpunt ook actief uit. Ik verwijs in dit geval echter naar mijn antwoord op vraag 2 en 3: het ging hier niet om inschrijvingen uit derde landen op aanbestedingen, maar om private transacties.
Wat is uw inzet ten aanzien van het verduidelijken van de mogelijkheden voor het weren van aanbestedingen vanuit landen die geen partij zijn bij het GPA? Heeft u hierover informatie gedeeld met provincies en/of gemeenten, of bent u voornemens dit te doen?
Ik deel daar informatie over met aanbestedende diensten, zoals provincies en gemeenten, via PIANOo, het expertisecentrum aanbesteden5.
Kunt u aangeven hoe uw inspanningen om het Commissievoorstel over een Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten aan te scherpen vorderen? Op welke momenten heeft u uw voornemen om dit voorstel effectiever te maken en de mogelijkheden voor het nemen van restrictieve maatregelen uit te breiden tot dusver kenbaar gemaakt?
De besprekingen over het voorstel van de Commissie voor een International Procurement Instrument zijn op dit moment in Brussel gaande. Daarbij wordt onderzocht hoe verschillende aanpassingen van het voorstel kunnen uitpakken. De daadwerkelijke tekstuele onderhandelingen zijn nog niet begonnen en de planning daarvan is mede afhankelijk van corona-maatregelen. In de besprekingen tot nu toe is het Nederlands standpunt stelselmatig ingebracht teneinde een effectief instrument tot stand te brengen dat daarnaast zo min mogelijk bestuurlijke en administratieve lasten met zich mee brengt.
Hoe staat u tegenover het – mogelijke – voornemen van de Verenigde Staten om zich terug te trekken uit het GPA?
De door u aangehaalde geruchten zijn niet bevestigd door de Verenigde Staten. Ten algemene blijft overeind dat het kabinet voorstander is van een op regels gebaseerd handelssysteem en van afspraken over internationale toegang tot de markt voor overheidsopdrachten via de GPA.
Kunt u schetsen wat de mogelijke gevolgen kunnen zijn voor Nederlandse ondernemers en de Nederlandse economie wanneer de Verenigde Staten zich uit het GPA terugtrekt? Biedt het GPA mogelijkheden tot het weren van aanbestedingen van bedrijven uit de Verenigde Staten op het moment dat zij niet langer partij zijn bij de GPA?
Nederlandse ondernemers hebben op basis van de GPA toegang tot overheidsaanbestedingen in de Verenigde Staten op het niveau van de federale overheid en op het niveau van de individuele staten. Daarbij geldt dat de mate van toegang per staat verschilt.
Als de Verenigde Staten zich uit de GPA zou terugtrekken, zouden ondernemers uit de EU en andere bij de GPA aangesloten landen die toegang verliezen. Daar staat tegenover dat veel Nederlandse ondernemers op dit moment al zaken doen in de Verenigde Staten via een lokale partner of dochteronderneming. Die praktijk wordt niet geraakt door een eventuele terugtrekking uit de GPA.
Voor wat betreft de mogelijkheden om inschrijvingen uit niet bij de GPA aangesloten landen te weren, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3. De daar geschetste mogelijkheden gelden ook voor Nederlandse aanbestedende diensten die inschrijvers uit de Verenigde Staten zouden willen weren, indien de Verenigde Staten zich terug zouden trekken uit de GPA.
Bent u voornemens om in Europees verband of in diplomatiek contact met de Verenigde Staten uw houding ten opzichte van het mogelijke terugtrekken van de Verenigde Staten uit het GPA en het belang van multilaterale afspraken over internationale aanbestedingen kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het kabinet draagt te allen tijde de boodschap uit dat het hecht aan het multilaterale handelssysteem en de GPA.
Een man die zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering kwijtraakt vanwege een fysiotherapie behandeling |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Man verzwijgt fysio-behandeling, raakt verzekering kwijt»?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Vindt u het aanvaardbaar dat iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt geweigerd vanwege een aantal behandelingen bij de fysiotherapeut?
Als een zelfstandige een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) wil afsluiten, dan heeft de verzekeraar bepaalde gegevens van hem nodig om een inschatting te maken van het risico en een daarbij passende premie vast te kunnen stellen. Voordat een AOV wordt gesloten vragen verzekeraars daarom aan aspirant-verzekerden om een gezondheidsverklaring in te vullen. Deze verklaring bestaat uit een formulier waarin vragen gesteld worden over de persoonlijke omstandigheden en leefstijl van de aspirant-verzekerde en over de medische geschiedenis. Er wordt gevraagd naar een groot aantal aandoeningen en ziekten. Tevens wordt aangegeven dat de aspirant-verzekerde het moet vermelden indien hij bijvoorbeeld een arts heeft bezocht, een (para)medische behandeling heeft ondergaan (zoals fysiotherapie) en/of medicijnen heeft gebruikt. De medisch adviseur van de verzekeraars beoordeelt vervolgens de gezondheidsverklaring.
Op het formulier wordt benadrukt dat het belangrijk en verplicht is om de verklaring goed en volledig in te vullen omdat de verzekeraar anders de AOV kan beëindigen of een uitkering kan weigeren of stopzetten. Een verzekeraar moet immers op de juistheid en volledigheid van de gezondheidsverklaring kunnen vertrouwen.
Het juridische kader is geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 7:928 lid 1 BW is geregeld dat de verzekerde een mededelingsplicht heeft. De gevolgen van het niet nakomen van de mededelingsplicht zijn geregeld in de artikelen 7:929 lid 2, 7:930 lid 2 en lid 3 BW. Cruciaal daarbij is de vraag of de verzekeraar, als hij wel bekend was geweest met het feit dat hem niet is meegedeeld door de verzekerde, de verzekering wel of niet zou hebben gesloten of bepaalde clausules, uitsluitingen of premieverhogingen zou hebben toegepast.
Blijkens de uitspraak van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid)2 draait het in het onderhavige geval om het feit dat de verzekeraar, als hij wel op de hoogte was geweest van het risico c.q. de medische informatie, bepaalde clausules, uitsluitingen of premieverhogingen zou hebben toegepast op de verzekering. Na onderzoek en advies van zijn medisch adviseur heeft de verzekeraar aan de verzekerde de optie gegeven om akkoord te gaan met een uitsluitingsclausule (ten aanzien van aandoeningen van de wervelkolom), dan wel de AOV op te zeggen. De verzekeraar heeft vervolgens de claim van de verzekerde afgewezen omdat deze onder de uitsluitingsclausule zou vallen.
Kunt u juridisch verklaren hoe Aegon NV een zelfstandige, die zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt, op deze gronden een uitkering kan weigeren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt door het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) het belang van de klant gewogen?
Het Kifid is onpartijdig en onafhankelijk. Het Kifid streeft een gelijk speelveld na voor consumenten, ondernemers en financiële dienstverleners. Het Kifid geeft aan daarbij bovendien rekening te houden met een eventuele kennisachterstand van consumenten en ondernemers.
Vindt u het toelaatbaar dat particuliere verzekeraars enkel kerngezonde mensen willen verzekeren en de kosten van klanten die arbeidsongeschikt worden proberen af te wentelen op de maatschappij?
In de media wordt soms het beeld geschetst dat verzekeraars zelfstandigen frequent afwijzen voor een AOV. Van alle zelfstandigen die een aanvraag doen voor een AOV wordt met bijna 80% daadwerkelijk een AOV afgesloten. Bij bijna 15% van de kandidaat-verzekerden die een verzekering aanvragen is er wel een verzekeringsaanbod van de verzekeraar, maar komt de AOV om andere redenen niet tot stand. Bijvoorbeeld omdat de benodigde informatie niet wordt aangeleverd of omdat de kandidaat-verzekerde zelf besluit om de AOV niet af te sluiten. Zo’n 5% van de aspirant-verzekerden wordt geweigerd voor een AOV.3
In 2011 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een onderzoek gedaan naar de claimbeoordeling bij de AOV. De AFM concludeerde toen dat er geen aanwijzingen waren dat verzekeraars structureel onzorgvuldig handelen bij de vaststelling en uitkering van claims. In 2018 heeft de AFM opnieuw een verkenning gedaan: volgens de AFM zijn er geen misstanden waar nader onderzoek naar moet worden gedaan.
Bent u bereid de mogelijkheden tot een acceptatieplicht bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te onderzoeken?
In het Pensioenakkoord hebben kabinet en sociale partners afgesproken dat sociale partners een voorstel uitwerken voor een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. In mijn antwoord op vraag 11 ga ik hier nader op in.
Onderschrijft u dat mede door dit soort incidenten het vertrouwen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering onder ZZP'ers laag is?
Noch de zelfstandige, noch de verzekeraar is gebaat bij incidenten als deze. Verzekeraars proberen daarom dit soort situaties te voorkomen. Zo is in 2017 de model-gezondheidsverklaring gemoderniseerd om het risico op het niet nakomen van de mededelingsplicht te voorkomen. De belangrijkste aanpassing bestaat uit het toevoegen van zogenoemde kruisvragen. Via deze kruisvragen wordt de aspirant-verzekerde gevraagd naar onder meer artsenbezoek, ziekenhuisopname en medicijngebruik. Allerlei informatie over kwalen en aandoeningen die eerder in de verklaring niet is gegeven blijkt bij deze vraag vrijwel altijd alsnog te worden vermeld. Op deze wijze vraagt de verzekeraar niet naar méér informatie, maar stelt hij de vragen op verschillende manieren, en wordt de kans op (onbewuste) verzwijging verkleint.
Een incident als dit komt het imago van verzekeraars niet ten goede. Tegelijkertijd wordt het negatieve beeld van verzekeraars over uitkeringsgedrag en claimbeoordeling niet bevestigd door bovengenoemde verkenningen van de AFM.
Bent u bereid met Aegon NV en andere verzekeraars in overleg te gaan teneinde een mensvriendelijker beleid te bevorderen?
In de onderhavige kwestie zie ik geen aanleiding om in contact te treden met verzekeraars over een mensvriendelijker beleid.
Welke mogelijkheden staan er nog open voor de cafetariahouder in kwestie en wat kunt u voor hem betekenen?
De uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid betreft in dit geval een niet-bindend advies. Hieraan hoeven de consument en de financiële dienstverlener zich niet te houden. Als de cafetariahouder in kwestie het niet eens is met deze niet-bindende uitspraak kan hij deze nog aan de rechter voorleggen.
Hoeveel zelfstandigen maken momenteel gebruik van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van het UWV?
Zelfstandigen kunnen via twee wegen bij UWV verzekerd zijn tegen het risico van arbeidsongeschiktheid: hetzij via de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ), hetzij via de vrijwillige WIA- of WAO-verzekering bij UWV.
Met de inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ is de toegang tot de WAZ geëindigd in 2006. De WAZ is gehandhaafd voor de toen lopende WAZ-uitkeringen en kent momenteel ruim 10.000 lopende uitkeringen – hieronder vallen overigens ook uitkeringen aan meewerkende echtgenoten.
De vrijwillige verzekering van UWV staat onder meer open voor zelfstandigen die voorheen verplicht verzekerd waren voor de werknemersverzekeringen (waaronder de WIA). De vrijwillige verzekering bij UWV staat bovendien ook open voor andere groepen, zoals dienstverleners aan huis (waaronder alfahulpen).
Het totale verzekerdenbestand voor de vrijwillige WAO- en WIA-verzekering bedraagt bijna 15.000.4 Het aandeel zelfstandigen hierin wordt niet bijgehouden.
Bent u bereid om zelf een goede en betaalbare arbeidsongeschiktheidsverzekering in het leven te roepen waar zelfstandigen gebruik van kunnen maken?
Conform de afspraak in het Pensioenakkoord hebben sociale partners een voorstel uitgewerkt voor een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Dit voorstel hebben zij op 3 maart jongstleden aan mij aangeboden. Op dit moment ben ik bezig om dit advies te bestuderen en de precieze implicaties ervan in kaart te brengen. Voor de zomer van 2020 komt het kabinet met een voorstel aan de Tweede Kamer.
Iraniërs die dreigen met de vernietiging van historische Joodse graftombes |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Iraniërs dreigen de historische Joodse graftombes van Ester en Mordechai in Iran te vernietigen?1
Ja.
Kunt u nagaan hoe de Iraanse autoriteiten hebben gereageerd op de oproep van de terroristische Basiji-militie om de historische Joodse graftombes te vernietigen?
Daar hebben de Iraanse autoriteiten voor zover bekend niet op gereageerd.
Klopt het dat de Basiji-militie onderdeel is van de Revolutionaire Garde en op de terreurlijst staat van onder meer de VS? Zo ja, bent u bereid deze militie toe te voegen aan de Nederlandse lijst van terreurorganisaties?
De Basij-militie is sinds 1981 formeel ingelijfd in de Islamitische Revolutionaire Garde Corps (IRGC) en staat sinds 2007 onder commando van de IRGC-commandant. De IRGC staat sinds 2010 gelist onder het EU-sanctieregime inzake het Iraanse nucleaire programma. In 2019 heeft de VS de IRGC op de nationale terreurlijst geplaatst. Tevens staan diverse huidige en voormalige Basij-kopstukken gelist onder het EU-sanctieregime inzake de mensenrechtensituatie in Iran.
Zijn de graftombes nog steeds geregistreerd als cultureel erfgoed bij de Iraanse Cultural Heritage and Tourism Organization, zoals u eerder aangaf? Zo nee, waarom niet?2
De graftombes zijn nog steeds geregistreerd als cultureel erfgoed bij de Iraanse Cultural Heritage and Tourism Organization.
Bent u, gezien de acute dreiging voor de Joodse graftombes, bereid er bij de Iraanse autoriteiten op aan te dringen dat heilige plaatsen zoals de Joodse graftombes te allen tijde behouden en beschermd dienen te worden?
Nu de graftombes reeds adequaat beschermd worden middels nationale wetgeving, lijkt hiertoe geen noodzaak te bestaan.
Het bericht 'Kabinet gebruikt drukmiddelen niet om asielzoekers terug te sturen' |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «overbelast COA zoekt gymzalen en evenementenhallen voor asielzoekers»1 en «Kabinet gebruikt drukmiddelen niet om asielzoekers terug te sturen»?2
Ja.
Herkent u zich in de inschattingen dat de uitzetting van afgewezen asielzoekers moeizaam verloopt en dat het gebruik van drukmiddelen om terugkeersamenwerking te bevorderen belemmert wordt door een prioritering voor de bescherming van handels- en diplomatieke belangen?
Nederland doet het in vergelijking met andere EU-lidstaten redelijk goed wanneer het aankomt op de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers.3 Dit neemt niet weg dat er noodzaak is tot verbetering.
Het vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers is afhankelijk van veel factoren, waar de samenwerking met het land van herkomst er één van is. Nederland is actief in gesprek met relevante landen van herkomst over terugkeer en bekijkt per land op welke wijze we effectief onze terugkeersamenwerking kunnen verbeteren. Als het kabinet bepaalde instrumenten niet heeft ingezet, dan is dat omdat op dat moment zo’n maatregel voor dat specifieke land niet effectief dan wel gewenst werd geacht.
Kunt u aangeven welk afwegingskader u hanteert bij het al dan niet inzetten van drukmiddelen in het kader van «more for more, less for less» ter bevordering van de terugkeersamenwerking met derde landen?
Het kabinet bekijkt per relevant land van herkomst op welke wijze we effectief onze terugkeersamenwerking kunnen verbeteren. Op deze problematiek wordt meer in detail ingegaan in de kamerbrief d.d. 10 juli 2020 naar aanleiding van de motie Becker c.s.4.
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Algerije, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Eritrea, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Ethiopië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Marokko, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Irak, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Iran, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Moldavië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Nigeria, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Pakistan, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Somalië, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u een beoordeling geven van de effectiviteit van de terugkeersamenwerking met Turkije, inclusief een overzicht van de omvang van de ontwikkelingsrelatie vanuit Nederland respectievelijk vanuit de EU, de handelsstromen respectievelijk van Nederland en van de EU, en een overzicht van de stappen die in deze kabinetsperiode zijn genomen ter bevordering van de terugkeersamenwerking met dit land in het kader van «more for more, less for less»?
Kunt u de bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
De immorele marketing door een medicijnfabrikant die is veroordeeld door de rechter |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechter over de marketing van geneesmiddelenfabrikant Boehringer Ingelheim en op het Signalement Farmamarketing?1 en2
De rechter heeft in deze zaak geoordeeld dat Boehringer Ingelheim reclame heeft gemaakt die het rationele gebruik van deze geneesmiddelen niet bevordert wegens het ontbreken van een objectieve voorstelling van zaken. In brieven waarin de voorschrijvende artsen op de hoogte worden gebracht van de terugbetalingsregeling van Boehringer Ingelheim wordt geen objectieve voorstelling van zaken gegeven. Hen wordt voorgehouden dat het rationele farmacotherapie is om Jardiance® en Synjardy® in te zetten bij patiënten met diabetes type 2 die insuline gebruiken, terwijl dit op grond van de huidige stand van de wetenschap (nog) niet is aangetoond. De voorschrijvende artsen worden hierdoor op het verkeerde been gezet ofwel misleid. Door in de brieven daarvan geen melding te maken, worden de verboden van artikel 84 lid 3 en ook van 84 lid 4 Geneesmiddelenwet overtreden. De terugbetalingsregeling is om die reden al ontoelaatbaar. Het toepassen van deze terugbetalingsregeling is onrechtmatig tegenover Novo Nordisk, die geneesmiddelen tegen diabetes type 2 in de markt brengt die wel worden vergoed.
Na dit vonnis is tussen partijen een schikking getroffen, en is een nieuwe terugbetaalregeling in het leven geroepen.
Ik heb dit onder de aandacht gebracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Zie verder mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat artsen deze medicatie bleven voorschrijven vanwege wetenschappelijke artikelen die overmatig waren beïnvloed door de industrie?
Het is mij niet bekend dat artsen deze medicatie bleven voorschrijven vanwege artikelen die beïnvloed waren door de industrie.
Zijn er meer gevallen waarbij volgens u de terugbetaalregeling van fabrikanten kan worden aangemerkt als reclame?
Er zijn mij geen gevallen bekend waarbij een terugbetaalregeling kan worden aangemerkt als reclame. Terugbetaalregelingen zijn als zodanig in principe niet verboden.
Bedacht moet worden het vonnis van de Rechtbank Midden Nederland een zeer specifieke casus betreft, waarbij de rechter oordeelde dat de door Boehringer verstrekte informatie onvolledig was. Deze uitspraak kan daarom niet zomaar worden vertaald naar terugbetalingsregelingen in het algemeen.
Wat zegt het vonnis volgens u over terugbetaalregelingen door fabrikanten in het algemeen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de voorzitter van de recente richtlijnencommissie inzake cardiovasculair risicomanagement (CVRM) directeur is van een contract research organisation (CRO), die afhankelijk is van onderzoeksopdrachten van de farmaceutische industrie? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?3
Voor zover ik heb kunnen nagaan is de voorzitter van deze richtlijncommissie niet verbonden aan een CRO.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de farmaceutische industrie geen invloed kan uitoefenen op richtlijnen, met als resultaat dat rationeel gebruik van een geneesmiddel niet wordt bevorderd of dat wordt aangezet tot off-label gebruik van een geneesmiddel?
Dat is de taak van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd. Deze heeft voldoende handvatten om op te treden tegen wetsovertredingen.
Wat vindt u ervan dat deze uitspraak pas kwam nadat de concurrent een kort geding had aangespannen? Wordt er voldoende toezicht gehouden op onrechtmatige marketingpraktijken door fabrikanten?
De handelwijze van Boehringer werd door de rechter onrechtmatig geacht jegens Novo Nordisk. Het is begrijpelijk dat dit aan het licht komt na een kort geding.
Ik vind dat de IGJ voldoende toezicht houdt en ook dat zij voldoende wettelijke handvatten heeft. Zoals gezegd in mijn antwoord op vraag 1 onderzoekt de IGJ de terugbetaalregeling van Boehringer.
Het bericht ‘Hoe de Facebook-CEO zichzelf zou inperken’ |
|
Dennis Wiersma (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe de Facebook-CEO zichzelf zou inperken»?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Hoe staat u tegenover de uitspraken van Věra Jourová, voormalig Europees Commissaris voor Justitie, dat algoritmes onderworpen moeten worden aan een audit en dat academici meer toegang moeten krijgen om algoritmes beter te begrijpen? In hoeverre gebeurt dit al in Nederland?
Onderzoek naar algoritmes is belangrijk om grip te blijven houden op AI-toepassingen. Kennis uit verschillende wetenschapsgebieden is van belang om te kunnen beoordelen waaraan algoritmes kunnen voldoen. Naast de technische aspecten is er ook kennis nodig uit de sociale en geesteswetenschappen om bijvoorbeeld te beoordelen wanneer er sprake is van bias of andere onwenselijke gevolgen van bepaalde algoritmes. Onderzoekers hebben toegang tot algoritmes voor zover deze openbaar zijn of indien er toegang wordt gegeven door de rechthebbende van het algoritme. Het kabinet juicht, zoals beschreven in het Strategisch Actieplan AI, toe dat marktpartijen hun verantwoordelijkheid nemen in aanvulling op bestaande wettelijke vereisten. Er zijn verschillende initiatieven die hier invulling aan geven, zoals vertrouwde derde partijen die audits uitvoeren op algoritmes.2
Naast de kennis die academici gaan inbrengen zal er ook behoefte zijn aan toezichthouders die erop toezien, en indien nodig handhavend optreden, wanneer men algoritmes ontwikkelt en in gebruik neemt die mogelijke ongewenste effecten tot gevolg kunnen hebben. Daarom werken de Nederlandse toezichthouders nauw met elkaar samen om kennis te delen. Zo is bijvoorbeeld de Inspectieraad met alle Rijksinspecties bezig met het ontwikkelen van een programma waarin ze uitdagingen omtrent algoritmes en toezicht willen adresseren en samen tot gepaste oplossingen willen komen.
Hoe staat u tegenover hervorming van de manier waarop technologiebedrijven belasting betalen in Nederland? Hoe zoekt Nederland de samenwerking op dit terrein binnen de OESO en bijvoorbeeld met Frankrijk?
Bij de OESO vinden binnen het Inclusive Framework (waaronder OESO-leden en niet-leden) discussies plaats over een nieuw internationaal stelsel voor belastingheffing in een digitaliserende economie (Pijler 1, zie brief Staatssecretaris van Financiën van 10 oktober 2019) en over internationale afspraken om een minimumniveau van winstbelasting te waarborgen (Pijler 2, zie brief Staatssecretaris van Financiën van 14 november 2019).3 Voor de laatste stand van zaken verwijs ik u graag naar de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, en zijn brief van 10 februari 2020 met zijn reactie in het kader van twee schriftelijke overleggen hieromtrent.
Wat vindt u ervan dat Facebook elke vorm van overheidsregulering tegenwerkt en dit verdedigt door te zeggen dat de gebruiker instemt met de gebruikersvoorwaarden? Hoe omzeilt Facebook op dit moment de nationale wetgeving? Welke andere techreuzen omzeilen nationale of Europese wetgeving? Wat is uw inzet hierop? Zijn er lopende onderzoeken vanuit het Nederland naar techreuzen?
Ik begrijp dat u zich afvraagt of grote techbedrijven, zoals Facebook, strategisch opereren. De nieuwe dienstverlening die dit soort ondernemingen biedt, en de wijze waarop ze dat doen, leidt soms tot de vraag welke wet- of regelgeving van toepassing is. Dit kan ertoe leiden dat er verschillen van mening ontstaan over de toepasselijkheid van wet- of regelgeving. Uiteraard zullen bedrijven daarbij de voor hen meest gunstige uitleg daarvan bepleiten, hetgeen kan betekenen dat zij zich op het standpunt stellen dat bepaalde wet- of regelgeving niet op hen van toepassing is. In dit kader is het positief om te zien dat deze vraagstukken worden voorgelegd aan de rechterlijke macht zodat die daar een oordeel over kan vellen en duidelijkheid kan verschaffen. Zie bijvoorbeeld de recente uitspraak van de rechter Amsterdam in de zaak tussen Facebook en John de Mol, of de uitspraken van het Hof van Justitie van de EU inzake UberPop en Airbnb. Dit soort uitspraken verduidelijkt welke wet- en regelgeving voor dit soort ondernemingen van toepassing is voor de diensten die zij bieden. Zodra deze duidelijkheid er is, dienen deze ondernemingen zich uiteraard daarnaar te voegen en zo nodig hun handelen daarop aan te passen.4 Hoewel het natuurlijk ondernemingen vrij staat om wetgeving op de voor hen meest gunstige wijze uit te leggen, doe ik een moreel appel op grote techbedrijven om hun verantwoordelijkheid proactief te nemen gegeven hun sterke positie en bij hun handelen oog te hebben voor het publieke belang.
Hoe ondervinden Nederlandse bedrijven oneerlijke concurrentie van deze techreuzen? Hoe gaat u dit tegen? Welke hulp biedt u aan deze bedrijven?
Nederlandse bedrijven kunnen oneerlijke concurrentie van techreuzen ondervinden doordat deze bedrijven hun machtspositie misbruiken. Via bestaande mededingingsregelgeving wordt via toezicht achteraf (ex post) opgetreden tegen ondernemingen die misbruik maken van een economische machtspositie. Zo heeft de Europese Commissie in de afgelopen jaren in verschillende zaken waarin grote platforms betrokken waren boetes opgelegd voor het overtreden van de mededingingsregels. Tevens ondervinden Nederlandse bedrijven dat in de digitale economie het risico bestaat dat grote platforms een dusdanig belangrijke marktpositie hebben dat consumenten en ondernemers hier niet of nauwelijks meer omheen kunnen (en dus een poortwachtersfunctie hebben). Ondanks dat er geen sprake hoeft te zijn van machtsmisbruik, wordt toetreding door nieuwe ondernemingen hierdoor nagenoeg onmogelijk. In deze situatie is alleen achteraf toezicht zoals in het huidige mededingingsrecht onvoldoende.
Om ervoor te zorgen dat de concurrentie ook in de digitale economie wordt geborgd, pleit ik in Europa dat er in specifieke situaties, in ieder geval op Europees niveau, ook vooraf (ex ante) maatregelen moeten kunnen worden gesteld om de concurrentiemogelijkheden te versterken en bewaken. Een voorbeeld van zo’n maatregel kan zijn dat een platform specifieke data moet delen. Op 17 mei 2019 heb ik hierover een brief met mijn beleidsinzet naar de Kamer gestuurd waarin drie maatregelen, waaronder het ex ante instrument, worden beschreven.5 Deze maatregelen moeten er samen voor zorgen dat consumenten en ondernemers hun keuzevrijheid behouden en die kunnen benutten om de kansen die de platformeconomie biedt optimaal te verzilveren.
De Europese Commissie heeft op 19 februari 2020 haar digitale strategie gepubliceerd en kondigt daarin aan om de mogelijkheid om vooraf (ex ante) in te kunnen grijpen bij platforms met een poortwachtersfunctie te gaan verkennen en eind 2020 met een voorstel te komen.6 Dit is in lijn met mijn beleidsinzet. Ik ben verheugd dat het uitdragen van deze beleidsinzet bij verschillende gelegenheden effect heeft gehad en dat de Europese Commissie ook het belang inziet van een gezamenlijke aanpak op Europees niveau voor het borgen van de concurrentie in onze digitale economie. Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de digitale strategie van de Europese Commissie middels een BNC-fiche.
Heeft de sterke marktpositie van techreuzen gevolgen voor innovatie, bijvoorbeeld doordat innovatieve bedrijven en/of concurrenten worden opgekocht door grote techbedrijven? Zo ja, wat kan hier aan worden gedaan? Zo nee, waarom denkt u dat? Kunt u in dat verband ook toelichten wat een land als Nederland meer zou kunnen doen bij dit soort risico’s?
Grote platforms hebben binnen de digitale economie op verschillende manieren invloed op innovatie in de markt. Aan de ene kant kunnen ze een positieve invloed hebben op innovatie, omdat het ervoor kan zorgen dat bij de overname van een startup een bepaalde innovatie waar de startup aan werkt, wordt doorontwikkeld door een kapitaalkrachtig bedrijf. Om die reden is het bedrijfsmodel van sommige startups ook om een innovatie op de markt te zetten en vervolgens te worden overgenomen door een groot platform. Aan de andere kant komt het ook voor dat grote bedrijven concurrenten overnemen die een potentiële bedreiging voor ze vormen. Vooral bedrijven met marktmacht kunnen een prikkel hebben om toekomstige concurrenten over te nemen en hun innovaties stop te zetten. Een bedrijf met een duurzame machtspositie ervaart immers minder druk om te investeren in innovatie.
Op dit moment zijn de meldingsdrempels in het concentratietoezicht gebaseerd op omzet. Overnames van relatief kleine innovatie startups, die te weinig omzet maken om boven de meldingsdrempels uit te komen, blijven nu buiten het zicht van toezichthouders. Deze overnames kunnen de mededinging en daarmee de innovatie toch significant beperken. Om ervoor te zorgen dat zowel de potentiële beperking van de mededinging als de mogelijke voordelen voor bijvoorbeeld innovatie en daarmee consumenten beoordeeld kunnen worden, is het belangrijk dat de toezichthouder ook deze fusies of overnames in het vizier krijgt. Daarom pleit ik in Europa voor aanpassing van de huidige meldingsdrempels voor fusies – bijvoorbeeld door ze te baseren op de transactiewaarde van een fusie of de verhouding tussen de omzet en transactiewaarde. Op die manier zullen ook deze fusies en overnames van bedrijven die (nog) geen hoge omzet hebben, maar wel ingrijpende mededingingseffecten kunnen hebben, in het vizier van de toezichthouder komen.
Daarnaast zet ik me in voor de aanpassing van de Europese richtsnoeren waar de toepassing van mededingingsregels in is vastgelegd. Zo kan bijvoorbeeld worden verduidelijkt hoe kan worden beoordeeld of bij een overname door een groot platform sprake is van een potentiële concurrent. In haar digitale strategie heeft de Europese Commissie aangekondigd de mededingingsregels te evalueren en een mogelijke aanpassing van de mededingingsregels te verkennen om te zorgen dat de toepassing van de regels nog effectief blijft in een digitaliserende wereld.
Hoeveel werkgelegenheid heeft Nederland te danken aan grote techbedrijven zoals Google, Amazon, Facebook, Apple en Netflix? Hoeveel is dit in vergelijking met andere sectoren?
De werkgelegenheid die techbedrijven voor Nederland opleveren bestaat allereerst uit directe werkgelegenheid, zoals de ruim 5.000 medewerkers die voor Booking.com in Amsterdam werken. Techbedrijven zijn geen aparte bedrijfstak in de officiële statistieken, dus de werkgelegenheid die deze bedrijven opleveren wordt niet bijgehouden. Ook de werkgelegenheid dit indirect tot stand komt als gevolg van de aanwezigheid van kantoren van techbedrijven in Nederland wordt niet bijgehouden. Daarnaast werkt ongeveer 0,4% van de beroepsbevolking via techbedrijven in de «kluseconomie»: maaltijdbezorging, huishoudelijke dienstverlening. Hierbij is het de vraag in hoeverre dit additionele werkgelegenheid is, en welk deel ervan slechts vervanging van reeds bestaande werkgelegenheid is. Het CBS is verder bezig om te kijken naar mogelijkheden om platformen in Nederland te meten.
Onbegrijpelijk hoge rekeningen bij blokverwarming |
|
William Moorlag (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Radar over hoge rekeningen bij blokverwarming?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de recente wijziging van de Warmtewet voor eigenaar-bewoners die gebruik maken van blokverwarming? Met welke argumenten is ervoor gekozen om Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) niet langer toegang te verschaffen tot een geschillencommissie?
In blokverwarmingssituaties zijn het vaak verhuurders of Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) die warmte doorleveren van externe warmteleveranciers. Ook kan worden gedacht aan een appartementencomplex dat een gasgestookte ketel in de kelder van het gebouw heeft staan waarmee warmte wordt opgewekt die vervolgens geleverd wordt aan de bewoners van het gebouw.
Bij de evaluatie van de Warmtewet in 2015 hebben zowel verhuurders als VvE’s aangegeven dat zij als gevolg van de Warmtewet geconfronteerd worden met hoge en disproportionele administratieve lasten en extra kosten. Ook gaven zij aan dat zij in het geval van doorlevering zelf niet altijd de bescherming van de Warmtewet genieten (omdat die beperkt was tot verbruikers met een aansluiting van maximaal 100 kilowatt). De warmtelevering door verhuurders aan huurders wordt reeds door het huurrecht gereguleerd. Daarbij worden huurders door het huurrecht op een gelijkwaardige wijze beschermd. Verbruikers die warmte afnemen van een VvE waarvan zij, als eigenaar van een woon- of bedrijfsruimte in een gebouw, lid zijn, gaven aan dat zij de Warmtewet ervaren als overbodige bescherming tegen zichzelf.
Om die reden is de reikwijdte van de Warmtewet aangepast en is de levering door een leverancier die tevens optreedt als verhuurder of VvE’s uitgezonderd van de Warmtewet (met uitzondering van de bepalingen omtrent meetverplichtingen).
Daarnaast is door de recente wijziging van de Warmtewet de bescherming van verhuurders en VvE’s die warmte van een externe warmteleverancier doorleveren aan respectievelijk hun huurders en hun leden gelijkgetrokken met de bescherming voor kleinverbruikers. Huurders en leden van een VvE worden op die manier indirect beschermd. Een VvE die warmte van een externe warmteleverancier doorlevert aan haar leden kan bij een conflict met die externe warmteleverancier daardoor ook aankloppen bij een geschillencommissie (artikel 3b van de Warmtewet).
Voor de leden van een VvE die warmte (door)geleverd krijgen van hun VvE, geldt dat zij als lid van de vereniging van eigenaren, op grond van de regelgeving omtrent verenigingen van eigenaren in het Burgerlijk Wetboek (Boek 5, Titel 9, Afdeling 2, van het BW), inspraak hebben in beslissingen over de wijze waarop het gebouw verwarmd wordt en de voorwaarden waaronder dat gebeurt, waaronder de kosten die daarvoor in rekening worden gebracht. Daarnaast genieten individuele eigenaren waarborgen vanuit Boek 5 van het BW en staat hen de weg naar de burgerlijke rechter open. Het is dus niet nodig om hiervoor de weg naar een geschillencommissie open te stellen.
In paragraaf 4.1 van de memorie van toelichting bij de wijziging van de Warmtewet (Kamerstuk 34 723, nr. 3) over de reikwijdte van de wet worden de wijzigingen nader toegelicht.
Vindt u het acceptabel dat eigenaar-bewoners hoge kosten moeten maken om warmtemeters te laten controleren door de leverancier? Zou het niet beter zijn als zij hiervoor een onafhankelijk instituut kunnen inschakelen?
Een warmtemeter is een meetinstrument in de zin van de Metrologiewet. De Metrologiewet borgt de werking van het meetinstrument door eisen aan het instrument te stellen. De eisen aan warmtemeters sluiten volledig aan bij de Europese richtlijn inzake meetinstrumenten (2014/32EU). Er mogen geen andere metrologische eisen gesteld worden dan in die richtlijn zijn opgenomen. De Metrologiewet zegt niets over de kosten die in rekening gebracht mogen worden voor een controle van een meetinstrument. In de energiesector is het gangbaar dat de toedeling van de kosten van deze controle plaatsvindt op basis van de conclusie van de controle. Er zijn twee onafhankelijke bedrijven in Nederland gevestigd die een controle aan een warmtemeter kunnen uitvoeren.
De uitzending van Radar gaat in op warmtekostenverdelers die op de radiator zijn geplaatst. Dit is geen meetinstrument in de zin van de Metrologiewet. Er worden geen eisen aan gesteld. Op grond van de Warmtewet (artikel 8a, achtste lid) kan een verbruiker een leverancier verzoeken de werking van de warmtekostenverdeler te laten controleren door een onafhankelijke deskundige. Deze bepaling is in 2014 bij amendement van Jan Vos (PvdA) aan de oorspronkelijke wet toegevoegd (Kamerstuk 32 839, nr. 21). In het hiervoor genoemde bij amendement toegevoegde lid is bepaald dat de toedeling van de kosten van deze controle plaats vindt op basis van de conclusie van het onderzoek. Dat betekent dat de kosten voor rekening van de leveranciers komen als bij de controle blijkt dat de warmtekostenverdeler niet goed werkt. Omgekeerd komen de kosten van de controle voor rekening van de verbruiker als blijkt dat de warmtekostenverdeler wel goed werkt.
Op basis van de Warmtewet wordt voor de kosten van het meten zelf jaarlijks een maximumprijs vastgesteld door ACM. Deze bepaling geldt niet voor huurders die warmte geleverd krijgen door hun verhuurder en leden van een VvE die warmte geleverd krijgen door hun VvE. Het antwoord op vraag 2 licht deze uitzondering nader toe. Verhuurders en VVE’s kunnen deze maximumprijs op basis van de Warmtewet wel als richtlijn nemen voor het vaststellen van de meetkosten.
Op welke wijze kunnen eigenaar-bewoners hun recht halen indien zij van mening zijn dat hun energierekening bij blokverwarming buitensporig hoog is? Acht u deze procedures redelijk, bijvoorbeeld in gemengde complexen waar woningcorporaties een grote stem hebben in de VvE?
Wanneer (een of meerdere) individuele eigenaren in een VvE het niet eens zijn met de voorwaarden waaronder de warmte geleverd wordt, zoals de kosten, kunnen zij dit aan de orde stellen bij de VvE. Daarnaast genieten ze waarborgen vanuit Boek 5 van het BW en staat hen de weg naar de burgerlijke rechter open.
Deze procedure acht ik redelijk. Er zijn geen wezenlijke verschillen tussen enerzijds complexen met uitsluitend eigenaar-bewoners en anderzijds gemengde complexen waar woningcorporaties een grote stem hebben in de VvE. Woningcorporaties kunnen door hun huurders worden aangesproken op grond van de huurregelgeving. Bij een buitensporig hoge energierekening kan dit leiden tot een procedure bij de huurcommissie. De huurcommissie heeft dan de mogelijkheid om de door de huurders betaalde kosten terug te brengen op grond van de redelijkheid. Ook woningcorporaties hebben daardoor een zelfstandig belang dat de energierekening niet buitensporig hoog wordt.
Het bericht ‘Vrouwen willen wél meer werken in de zorg: oplossing voor personeelstekort?’ |
|
Judith Tielen (VVD), Kelly Regterschot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen willen wél meer werken in de zorg: oplossing voor personeelstekort?»1 en de inhoud van het onderliggende onderzoek van de stichting Het Potentieel Pakken, dat uitgevoerd is onder 17.500 zorgmedewerkers?2
Ja.
Bent u het met de uitspraken in het artikel eens dat er, ondanks de aandacht voor vacatures en tekorten, veel te weinig aandacht is voor het potentieel aan deeltijdwerkende professionals die nu al werkzaam zijn in de zorg? Zo nee, kunt u aangeven hoe u hiernaar kijkt?
Het verhogen van de deeltijdfactor vormt één van de oplossingsrichtingen voor het arbeidsmarktvraagstuk. Het gesprek over de wens om meer uren te werken kan hier een belangrijke rol in spelen. Dit gesprek moet meer worden gevoerd.
Vindt u het ook een probleem dat zorgprofessionals die deeltijd werken, maar meer uren willen werken, daarvoor blijkbaar niet de kans krijgen? Zo ja, op welke manier wilt u dit probleem bespreekbaar maken en oplossen? Zo nee, hoe kwalificeert u deze bevinding?
Het verhogen van de deeltijdfactor vormt één van de oplossingsrichtingen voor het arbeidsmarktvraagstuk. Het kabinet plaatst dit thema graag hoger op de agenda. Daarbij wil ik benadrukken dat de wens tot meer óf minder werken altijd een persoonlijke afweging is. Het gesprek over de wens om meer te werken wordt nog onvoldoende gevoerd binnen zorgorganisaties. Ik heb dit dan ook besproken met werkgevers en werknemers aan de Landelijke Actietafel, in het kader van het Actieprogramma Werken in de Zorg. Het belang van dit thema wordt breed gedeeld.
Verder ondersteunt het kabinet de stichting Het Potentieel Pakken (financieel) in hun werkwijze. De stichting ondersteunt zorgorganisaties in het verkrijgen van inzicht en de mogelijkheden voor personeel om meer uren te werken. De grootste belemmeringen voor zorgorganisaties om meer uren aan te bieden kunnen met hun aanpak worden weggenomen, zoals een goed plan- en roosterbeleid. De bewezen inzichten en aanpak worden verwerkt in een draaiboek. Hierdoor kan de aanpak gemakkelijk worden opgeschaald. Uit een inventarisatie onder de leden van ActiZ blijkt dat er veel interesse is in de aanpak van de stichting Het Potentieel Pakken. De voorzitter en oprichter van de stichting is daarnaast ook aangesteld als ambassadeur van het Actie Leer Netwerk voor het thema «meer uren werken».
De sector gaat er ook zelf mee aan de slag. Op initiatief van de Brancheorganisaties Zorg4 wordt er een gezamenlijke inspiratiebijeenkomst georganiseerd, samen met de stichting Het Potentieel Pakken, met ondersteuning van het Actie Leer Netwerk. Naar aanleiding van deze inspiratiebijeenkomst faciliteert het Actie Leer Netwerk vervolgens leerbijeenkomsten. Deze leerbijeenkomsten zijn bedoeld voor HR professionals van verschillende branches om in hun organisatie daadwerkelijk met het thema «meer uren werken» aan de slag te gaan en om leerervaringen uit te wisselen.
Tenslotte noem ik het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk waarin onder andere zal worden geanalyseerd welke belemmeringen werknemers nu ervaren als het gaat om meer uren werken. Dit onderzoek en de kabinetsreactie wordt deze winter aan de Kamer toegezonden.
Op welke manier bent u van plan uitvoering te geven aan de oplossingen die aangedragen worden in het rapport?3
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier bent u bezig uitvoering te geven aan de aangenomen motie van de leden Tielen en Van Weyenberg over het mogelijk maken van tijdelijke uitbreiding van contracturen en het stimuleren van werkgevers om extra uren aan te bieden aan deeltijdwerkenden?4
Een reactie op de motie van de leden Tielen en Van Weyenberg zal volgen in de kabinetsreactie op het IBO Deeltijdwerk. Zoals benoemd in het antwoord op vragen 4, 5 en 6 wordt dit deze winter verwacht.
Bent u het eens met de stelling dat de werkgevers in de zorgsector zelf meer eigenaarschap kunnen nemen bij het oplossen van de personeelstekorten door beter in te spelen op de mogelijkheden van de al in de sector werkzame zorgprofessionals? Zo ja, hoe wilt u dat stimuleren? Zo nee, hoe kijkt u hier dan wel tegenaan?
Zie antwoord vraag 3.
Verwacht u dat de in de zorg geconstateerde bevindingen met betrekking tot deeltijdwerkenden, vergelijkbaar zijn met deeltijdwerkenden in andere sectoren zoals de onderwijssector? Zo ja, op welke manier wilt u ervoor zorgen dat er meer afstemming komt tussen de betrokken vakministers over tekorten en oplossingen met betrekking tot de uitbreiding van deeltijdwerk? Zo nee, waarom niet?
Om te monitoren of de inspanningen in de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt voldoende zijn houdt het kabinet een vinger aan de pols in sectoren waar de overheid zelf werkgever is of de randvoorwaarden voor werkgevers sterk beïnvloedt. Begin 2018 leidde dit tot het vormgeven van een gezamenlijke aanpak van krapte op de arbeidsmarkt.6 Zoals eerder toegelicht in de reactie op moties en toezeggingen, ingediend en gedaan tijdens het debat over het tekort aan arbeidskrachten van 12 september jl.7, zijn veel van de uitdagingen waar de verschillende sectoren mee te maken hebben zeer divers en vaak regioafhankelijk. Daarom is gekozen om binnen de overkoepelende aanpak sectorspecifiek beleid te voeren in de aanpak van arbeidsmarktkrapte.
Regelmatig wordt bezien waar de aanpakken in de publieke sectoren elkaar kunnen versterken. Recent vond hierover opnieuw een gesprek plaats, waarbij de Ministeries van VWS, OCW, Defensie, J&V, SZW en de VNG aanwezig waren. Het delen van ervaringen en leren van elkaars aanpak stond hierbij centraal. Dit voorjaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de gedeelde ervaringen. Overigens is het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ook partner van de stichting het Potentieel Pakken en tevens op deze wijze nauw betrokken bij de initiatieven.
Bent u het eens met de stelling dat het waarschijnlijk (kosten-)effectiever is om het huidige personeel te stimuleren om meer uren te werken en hen te binden aan de sector dan te investeren in werving? Zo ja, hoe verwerkt u dat in de verschillende programma’s ten behoeve van de arbeidsmarkt? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Nee, hier ben ik het niet mee eens. Het gaat om én én. Het actieprogramma Werken in de Zorg wordt gericht op drie actielijnen: 1) Meer werken in de zorg; 2) beter leren; en 3) anders werken in de zorg. Het stimuleren om meer uren te werken is hierbinnen één van de oplossingsrichtingen. Voor een uitgebreide stand van zaken verwijs ik u naar de meest recente voortgangsrapportage8.
Nieuw onderzoek naar fysiotherapie voor COPD-patiënten |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek «Effecten van de frequentiereductie van langdurige fysiotherapeutische revalidatie bij ernstig COPD: een niet-gerandomiseerde multicenter effectstudie»?1
Het is belangrijk dat dit type onderzoek wordt verricht. Bij het uitbrengen van het advies over fysio- en oefentherapie bij COPD in 2018 is dit ook door het Zorginstituut geadviseerd. Helaas is van genoemd onderzoek alleen een kort abstract ter beschikking gesteld en niet het gehele onderzoeksrapport. Dat maakt het – ook voor het Zorginstituut – voorbarig om op de conclusies van dit onderzoek te reageren. Daarvoor is meer gedetailleerde informatie nodig over onder meer de onderzoeksgroepen en -methoden. Ik roep de onderzoekers daarom op de volledige onderzoekresultaten ter beoordeling aan het Zorginstituut te sturen.
Wat is uw reactie op de conclusie van het onderzoek dat de ziektesymptomen ernstiger zijn bij patiënten die minder fysiotherapie ontvangen?
Het Zorginstituut constateerde in 2018 dat fysio- en oefentherapie effectief is voor het verbeteren van de gezondheidstoestand van COPD-patiënten, maar dat de doelmatigheid van de inzet van fysiotherapie niet optimaal was. Er was geen wetenschappelijke onderbouwing voor het hoge aantal behandelsessies bij een aanzienlijk deel van de patiënten, in tegenstelling tot het geadviseerde lagere aantal behandelsessies waarvoor wel onderbouwing beschikbaar was.
Het Zorginstituut gaf in haar advies aan dat meer onderzoek naar de meest doelmatige inzet van fysio- of oefentherapie, zowel in de eerste behandelfase als in de continueringsfase gewenst is. Het is dus goed dat hier onderzoek naar wordt gedaan.
Zoals bij vraag 1 aangegeven, adviseer ik de onderzoekers om hun volledige onderzoek aan het Zorginstituut voor te leggen. Het Zorginstituut kan vervolgens beoordelen of dit aanleiding geeft opnieuw te adviseren over de aanspraak.
Wat is uw reactie op de conclusie van het onderzoek dat het ontvangen van minder fysiotherapie leidt tot meer medicijngebruik en ziekenhuisopnames?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de conclusie van het onderzoek dat de maximering van het aantal behandelingen waar Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD)-patiënten recht op hebben, tot hogere zorgkosten leidt?
Zie antwoord vraag 2.
Staat u ondanks de conclusies van dit onderzoek nog steeds achter uw uitspraak dat er geen directe relatie bekend is tussen het ontvangen van fysio- of oefentherapie en de frequentie van longaanvallen? Zo ja, waarom?2
De vragen van het lid Ploumen gingen over patiënten die vanwege een verbetering van de gezondheidssituatie geen of een lagere aanspraak krijgen op fysiotherapie. Vanuit dit perspectief – patiënten met een verbeterde gezondheidssituatie – heb ik aangegeven dat bij COPD veel fluctuaties in de ernst van de symptomen kunnen optreden en dat er geen directe relatie daarvan bekend is met het ontvangen van fysio- of oefentherapie. Er is geen wetenschappelijke onderbouwing voor de relatie tussen het opnieuw krijgen van longaanvallen en het ontvangen van fysio- of oefentherapie en de frequentie daarvan bij patiënten waarvan de gezondheidssituatie is verbeterd.
Het onderzoek van de Vereniging Fysiotherapie en Wetenschap gaat niet over de relatie tussen het wel/niet ontvangen van fysio- of oefentherapie en de frequentie van longaanvallen. Op basis van het abstract lijkt het onderzoek te gaan over de vraag of bij patiënten die meerdere behandelingen per week hebben ontvangen minder longaanvallen zijn voorgekomen dan bij patiënten die (gemiddeld) één behandeling per week hebben ontvangen. Alle patiënten in het onderzoek hebben dus fysiotherapie gehad. In hoeverre dit onderzoek gedegen wetenschappelijke onderbouwing levert met betrekking tot de noodzakelijke behandelfrequentie laat ik ter beoordeling aan het Zorginstituut.
Deelt u de mening dat bovengenoemde uitspraak over het uitblijven van verbeterde behandeluitkomsten bij het ontvangen van fysiotherapie voor ernstig COPD, in strijd is met de actuele stand van de wetenschap en het recente Verbetersignalement «Zorgtraject van mensen met COPD» van het Zorginstituut Nederland?3
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de maximering op het aantal behandelingen oefen- en fysiotherapie voor COPD-patiënten los te laten? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven is het de rol van het Zorginstituut om te beoordelen of het onderzoek aanleiding geeft om het advies over de aanspraak te herzien.
Ik kan hier niet op vooruitlopen.
Het bericht ‘Ondernemers durven politie niet in te schakelen en zwijgen over afpersing‘ |
|
Thierry Aartsen (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers durven politie niet in te schakelen en zwijgen over afpersing»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel ondernemers in 2019 te maken hebben gehad met afpersing? Zo nee, waarom niet?
Uit politieregistraties blijkt dat in 2019 1409 keer aangifte is gedaan van afpersing en/of chantage. Het is niet mogelijk om op basis van de registratie onderscheid te maken tussen ondernemers en particulieren.
Klopt het dat de Vertrouwenslijn Afpersing in 2019 slechts 25 keer advies heeft verstrekt? Kunt u aangeven hoe vaak de hulplijn is ingeschakeld door ondernemers in 2019?
De Vertrouwenslijn Afpersing is in 2019 124 telefonisch benaderd. In 17 cases is een dossier opgemaakt en heeft de hulplijn een concreet advies aan ondernemers gegeven. De overige contacten waren signalen van sextortion, financiële/zakelijke conflicten zonder dreiging, waarbij de hulplijn heeft verwezen naar andere organisaties en instanties. Het grootste deel van de meldingen wordt door de front-office telefonisch afgehandeld, van een deel van de meldingen wordt een dossier voor ondernemers samengesteld. Naast ondernemers wordt de meldlijn ook veel benaderd door particulieren.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keer dat de Vertrouwenslijn Afpersing sinds haar oprichting is ingeschakeld door ondernemers, opgesplitst per jaar? En kunt u een overzicht toevoegen van de vervolgacties?
2016: 232 keer telefonisch benaderd, 22 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2017: 70 keer telefonisch benaderd, 12 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2018: 85 keer telefonisch benaderd, 15 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2019: 124 keer telefonisch benaderd, 17 dossiers opgemaakt voor ondernemers
Bij al deze dossiers zijn er concrete maatwerk adviezen gegeven aan ondernemers. Dit zijn adviezen in acties zoals warme overdracht naar afpersingspecialisten binnen de nationale politie eenheden, het doen van aangiftes bij politie, adviezen over veiligheid en (rechts)bijstand.
Herkent u het beeld dat door een woordvoerder van de hulpijn wordt geschetst dat de hulplijn nog niet bekend genoeg is bij ondernemers? Zo ja, wat bent u van plan te ondernemen om meer bekendheid te verwerven voor de hulplijn? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Afpersing behoort tot het soort misdaad dat wordt bestempeld als «verborgen delicten». Angst werkt voor deze groep ondernemers (slachtoffers) verlammend en kan pas worden doorbroken als de ondernemers weten waar zij laagdrempelig hulp/advies kunnen krijgen en het vertrouwen voelen deze hulplijn veilig te kunnen bellen. Daarom heeft het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing in de afgelopen jaren opnieuw aandacht gegeven aan het vergroten van de bekendheid van de meldlijn. Door extra communicatie vanuit NL Confidential, maar ook via de Ondernemer Alert bijeenkomsten die landelijk worden georganiseerd om ondernemers bewust te maken van de risico’s voor ondermijnende criminaliteit. Hierbij worden ook handelingsperspectieven geboden, waarbij de meldlijn wordt genoemd.
Kunt u aangeven binnen welke sectoren afpersing van ondernemers het vaakst voorkomt en wat de aard en omvang is?
Dit is voor de Vertrouwenslijn niet te concluderen. De hulplijn ontvangt signalen van afpersing uit een groot scala van sectoren. Vooralsnog is er geen specifieke sector die in de dossiers bovengemiddeld voorkomt.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om de aangiftebereidheid en de pakkans van de daders te verhogen, gezien het feit dat uit onderzoek blijkt dat ondanks dat één op de tien ondernemers te maken heeft met afpersing, jaarlijks slechts enkele tientallen aangiften binnen komen bij de politie?
De politie is erop gericht dat contact tussen burger/ondernemer en politie zo laagdrempelig mogelijk verloopt. Hierbij wordt geluisterd naar de behoefte van de burger. Wanneer de burger een aangifte of melding wil doen moet dit zo makkelijk mogelijk worden gemaakt. Daarom kan de burger kiezen uit het medium dat het beste bij hem/haar past: op het bureau, via internet, telefonisch, bij een agent op straat, bij het slachtoffer thuis, en in verschillende plaatsen in de wijk zoals wijksteunpunten. De politie werkt voortdurend aan het verbeteren van de kanalen voor burgercontact.
Bent u bereid om verder, in samenwerking met brancheorganisaties, maatregelen te treffen om ondernemers die risico lopen, beter te ondersteunen en daar waar nodig te beschermen? Zo ja, zou u hierover de Kamer willen informeren bij het eerstvolgende algemeen overleg criminaliteitsbestrijding?
Binnen het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing spreek ik regelmatig met branches, politie en openbaar ministerie over actuele ontwikkelingen en de (voortgang van de) integrale aanpak van verschillende vormen van criminaliteit. Bij brief van 23 juli 2019 (Kamerstuk 29 911, nr. 251) heb ik uw kamer het Actieprogramma Veilig Ondernemen toegestuurd. Onderdeel van dit actieprogramma is de publiek private aanpak van ondermijnende criminaliteit, waarbij maatregelen worden getroffen gericht op het vergroten van de weerbaarheid van ondernemers, specifiek in een aantal kwetsbare branches. Ik ga met partners in overleg over hoe meldingen van ondernemers op een toegankelijke en veilige manier kunnen worden opgepakt. Verder onderzoek ik hoe de Platforms Veilig Ondernemen een brugfunctie kunnen vervullen tussen ondernemer en daartoe aangewezen instanties. Ik zal de Kamer hierover nader informeren.
De geldverspilling van de EU aan de promotie van vlees |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het feit dat er vanuit het Europees landbouwbeleid sinds 2017 maar liefst 60 miljoen euro is uitgegeven ter promotie van «Europees vlees»?1
Ik ben van mening dat algemene afzetbevordering van landbouwproducten een verantwoordelijkheid is van de landbouwsector zelf. Ik ben daarom ten algemene geen voorstander van medefinanciering daarvan door de EU via de
EU-promotieregeling. Nederland heeft destijds ook tegen de verordening gestemd waarin dit geregeld is (Verordening (EU) Nr. 1144/2014)2. Zoals destijds ben ik nog steeds geen voorstander van EU-financiering van promotie van een specifiek product, zoals brood of vlees. Gegeven het bestaan van de EU-subsidie voor promotie wil ik in dat kader alleen financiering van programma’s ter bevordering van de consumptie van gezond en duurzaam geproduceerd voedsel ondersteunen.
Kunt u aangeven wat «Europees vlees» is?
«Europees vlees» is vlees dat in de EU is geproduceerd.
Erkent u dat het bizar is dat, ondanks het gigantische bedrag dat al besteed wordt aan de landbouwsubsidies, de Europese Commissie het nog nodig acht om een deel van dit geld te gebruiken om vlees te promoten?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven heeft Nederland destijds tegen de EU-promotieregeling gestemd. Nu deze regeling er toch is, wil ik mij er voor inzetten om deze zoveel mogelijk te richten op voorlichting over duurzaam en diervriendelijk geproduceerd en gezond voedsel.
Vindt u het niet storend dat deze promotie ook tegen het nationaal beleid omtrent consumptie ingaat, waarin er vanuit Nederland wordt gestuurd op het juist minder consumeren van vlees?
Door de EU gesteunde promotiecampagnes zijn vooral gericht op het onder de aandacht brengen van de kenmerken van in de EU geproduceerde landbouwproducten om daarmee consumenten in en buiten de EU een beter beeld te geven hoe deze producten tot stand zijn gekomen. Inherent aan de inhoud van verordening (EU) nr. 1144/2014 is dat ook campagnes voor vlees gehonoreerd worden.
Het kabinet vraagt de Nederlanders aandacht voor een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Een verantwoorde consumptie van vlees is hierbij niet uitgesloten.
Daarnaast is er binnen mijn ministerie ook aandacht voor de verschuiving in de balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten. De voorlichting die het Voedingscentrum aan consumenten geeft over een gezond en duurzaam voedingspatroon staat hierbij centraal.
Heeft u het idee dat de 60 miljoen euro ter promotie van het consumeren van vlees goed besteed belastinggeld is, aangezien dit onder andere betaald wordt door de Nederlandse belastingbetaler?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid zich in te zetten om, ondanks het feit dat Eurocommissaris Timmermans heeft aangegeven deze subsidies niet te willen stopzetten, de Europese Commissie en de andere Europese instellingen te overtuigen van het feit dat deze subsidies absolute geldverspilling zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland heeft in 2014 de totstandkoming van de Europese promotieverordening (EU) Nr. 1144/2014 niet tegen kunnen houden, omdat een meerderheid van de lidstaten een voorstander van deze Verordening was.
Dit neemt niet weg dat ik in voorkomende gevallen in EU-verband mijn bezwaren tegen EU-financiering voor promotie van landbouwproducten naar voren blijf brengen. Als de EU al steun verleent aan promotie van landbouwproducten, dan moet die steun gericht zijn op promotie van gezonde en duurzaam geproduceerde kwaliteitsproducten.
Het artikel ‘Burgemeesters roepen na gewelddadig weekeinde op tot messenverbod voor minderjarigen’. |
|
Attje Kuiken (PvdA), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Burgemeesters roepen na gewelddadig weekeinde op tot messenverbod voor minderjarigen»?1
Ja.
In hoeverre is de toevoeging van het verbod op stiletto-, vlinder- en valmessen in de circulaire wet wapens en munitie effectief gebleken? Hoeveel individuele wapenverzamelaars hebben sinds 2012 de ontheffing op verbod gekregen en hoeveel aanvragen zijn er afgewezen?
Of de genoemde toevoeging van het verbod op stiletto-, vlinder- en valmessen effectief is gebleken is niet aan te geven, aangezien onbekend is hoe de situatie zonder die toevoeging zou zijn geweest.
Op grond van artikel 4 van de Wet wapens en munitie zijn er sinds 2012 zeven ontheffingen afgegeven in het kader van het verzamelen van messen (messenverzamelaars) en drie aanvragen daarvoor zijn afgewezen. Ik heb geen indicatie dat verzamelaars van wapens een aandeel hebben in de problematiek van illegaal wapenbezit.
Kunt u uiteenzetten op welke manier de preventie, waarover de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in uw naam heeft gesproken tijdens het vragenuur van 14 januari 2020, tot uiting zal komen, naast het preventief fouilleren dat u in uw brief van 3 februari 2020 toelichtte?
De Minister van Rechtsbescherming en ik zijn met onder andere burgemeesters en politie in gesprek over de mogelijkheden om het wapenprobleem aan te pakken. Zoals toegezegd tijdens het genoemde vragenuur en in de brief van 3 februari informeer ik uw Kamer over de uitkomsten in het voorjaar.
Kunt u delen hoe de eerste gesprekken met onder andere de politie omtrent meerdere steekincidenten de afgelopen tijd verlopen? Bent u tevens in gesprek met belangenorganisaties van wapen- en munitiebezitters, in- en externe deskundigen, vertegenwoordigers van de diverse ministeries en de burgemeesters van de betrokken gemeentes, zoals Nissewaard, Ridderkerk, Haarlemmermeer en Smallingerland?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de lijst met verboden wapens uit te breiden wanneer uit de analyses die de politie nu uitvoert blijkt dat er wapens tussen zaten die niet verboden waren?
Op basis van de Wet wapens en munitie is elk voorwerp verboden als gelet op de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder het voorwerp wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Onder deze omstandigheden kan dus ook het dragen van bijvoorbeeld schroevendraaiers en kleinere keukenmessen in de openbare ruimte verboden en dus strafbaar zijn. Zoals aangegeven in de eerdergenoemde brief acht ik dat vooralsnog een afdoende verbodsbepaling. Mocht uit de gesprekken anderszins blijken, dan ben ik uiteraard bereid dit standpunt in heroverweging te nemen.
Bent u bereid te bekijken hoe de regels ten aanzien van steekwapens kunnen worden aangescherpt? Hoe kijkt u aan tegen het voorstel van de burgemeesters Van Oosten uit Nissewaard en Attema uit Ridderkerk voor een wettelijk verbod voor minderjarigen om überhaupt een mes op zak te hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om, in overleg met de politie, het Openbaar Ministerie, het genootschap van burgemeesters, belangenorganisaties van wapenbezitters en andere deskundigen, te bezien of de waarborgen voor het controleren of een aanvrager van een wapen nog steeds kan worden beschouwd als een «actief en serieus verzamelaar» nog voldoen en eventueel uit te breiden? Zo ja, bent u bereid een verslag van dit overleg met de Kamer te delen?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 zijn de Minister van Rechtsbescherming en ik met onder andere burgemeesters en politie in gesprek over de mogelijkheden om het wapenprobleem aan te pakken. Ik informeer uw Kamer in het voorjaar over de uitkomsten daarvan.
Het Ministerie van JenV, de politie en de Dienst JUSTIS staan doorlopend met elkaar in contact over de uitvoering van de zogenoemde «Korpscheftaken» uit de Wet wapens en munitie. Bij de aanvraag voor een ontheffing en wapenverlof vindt screening van de aanvrager plaats, onder meer met behulp van referenten. De screening is onlangs nog aangescherpt met de – fasegewijze – invoering van de e-screener. Een ontheffing en een verlof is een jaar geldig; bij verlenging wordt de screening opnieuw uitgevoerd. De politie voert gedurende het jaar ook controles uit, waaronder een huisbezoek. Ook voor wapenhandelaren geldt een erkennings- en controlesystematiek dat gericht is op het tegengaan van illegale handel in wapens.
Een Eurocommissaris die wordt benaderd door de energielobby waar hij zelf aandelen in bezit |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Eurocommissaris Johannes Hahn, ondanks het feit dat hij Eurocommissaris is, 2.200 aandelen heeft in de Oostenrijkse energieleverancier Verbund AG?1
Ja, dit blijkt uit de belangenverklaring die Eurocommissaris Hahn conform de gedragscode voor leden van de Europese Commissie van 31 januari 2018 (besluit 2018/C 65/06) heeft gepubliceerd. Voorafgaand aan zijn benoeming heeft de Commissie Juridische Zaken van het Europees parlement (JURI) deze verklaring in het kader van de hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen onderzocht en heeft het Europees parlement ingestemd met zijn benoeming.
De belangenverklaringen worden elk jaar op 1 januari opnieuw ingediend; wanneer de op te geven informatie tijdens de ambtstermijn van een lid wijzigt, wordt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk twee maanden na de betrokken wijziging, een nieuwe verklaring ingediend. In deze belangenverklaring doen de leden van de Commissie opgave van alle financiële en andere belangen en vermogensbestanddelen die bij de uitoefening van hun taken een belangenconflict zouden kunnen veroorzaken of daarbij anderszins relevant zijn.
Hoe weegt u het feit dat Hahn actief is benaderd door deze energiemaatschappij als onderdeel van de energielobby, volgens Corporate Europe Observatory al sinds 2014?2
Zowel voor Eurocommissaris Hahn alsook alle andere Eurocommissarissen geldt dat zij zich aan de voorschriften van de gedragscode voor de leden van de Europese Commissie moeten houden. Dit betekent dat zij het ambt met volledige onafhankelijkheid dienen uit te oefenen. Tevens dienen alle bijeenkomsten van Eurocommissarissen en hooggeplaatste EU-ambtenaren met belangenvertegenwoordigers gepubliceerd te worden.
Voor het kabinet is het van belang dat het contact tussen de Europese Commissie en belangenvertegenwoordigers op een transparante en controleerbare wijze gebeurt. Het kabinet acht het van belang dat de Europese Commissie informatie over zulke bijeenkomsten openbaar maakt.
Hoe acht u het mogelijk dat deze energiemaatschappij financieel belang heeft bij de positie waar Eurocommissaris Hahn in verkeerd? En Hahn andersom?
Voorafgaand aan de benoeming heeft de JURI-commissie van het Europees parlement de belangenverklaringen van de voorgedragen commissarissen onderzocht. Nadat de JURI-commissie haar onderzoek heeft afgerond en de hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen plaats hebben gevonden, heeft het Europees parlement ingestemd met de benoeming van de voorgedragen commissarissen.
Conform de meest recente en uitgebreide gedragscode voor de leden van de Europese Commissie dienen de leden zich te gedragen en hun ambt uit te oefenen met volledige onafhankelijkheid, integriteit, waardigheid, loyaliteit en kiesheid. De voorzitter van de Europese Commissie, bijgestaan door het onafhankelijk ethisch comité, ziet toe op de juiste toepassing van deze gedragscode.
De leden van de Europese Commissie houden zich afzijdig van elk besluit of behandeling van een dossier en van deelname aan een bespreking, debat of stemming met betrekking tot een zaak die aanleiding kan geven tot een belangenconflict of die redelijkerwijs als zodanig kan worden opgevat.
In geval van belangenconflict of schijn van belangenconflict neemt de voorzitter van de Europese Commissie alle maatregelen die zij passend acht, zo nodig na raadpleging van het onafhankelijk ethisch comité, zoals:
Het kabinet vertrouwt erop dat de voorzitter van de Europese Commissie, bijgestaan door het onafhankelijk ethisch comité, toeziet op naleving van deze gedragscode voor de leden van de Europese Commissie.
Kunt u zich voorstellen dat Verbund AG een gat in de lucht heeft gesprongen toen Hahn Eurocommissaris Budget en Administratie werd?
Zie antwoord vraag 3.
Is deze situatie volgens u niet het perfecte voorbeeld van belangenverstrengeling?
Zie antwoord vraag 3.
Wist u dat ook Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlands beleid en veiligheid en vicevoorzitter van de Europese Commissie Josep Borrell aandelen heeft in chemiegigant Bayer, de financiële groep Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (BBVA) en de energiemaatschappij Iberdrola?
Ja, dit blijkt uit de belangenverklaring die de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Europese Commissie Josep Borrell heeft gepubliceerd. Voorafgaand aan zijn benoeming heeft de JURI-commissie van het Europees parlement deze verklaring in het kader van de hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen onderzocht en heeft het Europees parlement ingestemd met zijn benoeming.
Vindt u het normaal dat Eurocommissarissen wanneer zij hun functie innemen, nog aandelen in hun bezit hebben, en al helemaal wanneer dit aandelen zijn in bedrijven die actief lobbyen in Brussel?
Voor het kabinet is het van belang dat de Eurocommissarissen zich aan de geldende voorschriften van de gedragscode voor de leden van de Europese Commissie houden. In geval van belangenconflicten of schijn van belangenconflicten dient er conform de gedragscode gehandeld te worden. Het kabinet vertrouwt erop dat de voorzitter van de Europese Commissie en het onafhankelijk ethisch comité toezien op naleving van deze voorschriften en indien noodzakelijk passende maatregelen treffen.
Vindt u het ook essentieel dat, om het vertrouwen van mensen in de EU te behouden, het belangrijk is dat alle mogelijke vormen van belangenverstrengeling koste wat kost zouden moeten worden voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om de samenwerking op te zoeken met Europese Ombudsman Emily O’Reilly op dit onderwerp, die ook druk bezig is met dit onderwerp en het verbeteren en verscherpen van de regels rondom belangenverstrengeling?
Het kabinet hecht veel waarde aan duidelijke, transparante en strikte voorschriften om (schijn van) belangenconflicten te voorkomen.
Ik heb reeds een uitstekende samenwerking met de Europese Ombudsman en ik kijk ernaar uit om die samenwerking voort te zetten.
Onduidelijke tarieven bij laadpalen voor elektrische auto’s |
|
Rutger Schonis (D66), Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Kassa-uitzending over onduidelijke tarieven bij laadpalen voor elektrische auto’s?1
Ja.
Herkent u het beeld dat wordt geschetst in de uitzending over het gebrek aan transparantie van de tarieven bij publieke laadpalen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat het belangrijk is dat tarieven transparant en duidelijk gecommuniceerd worden. Verschillende partijen en factoren bepalen de prijs bij publieke laadpalen. Laadpunten worden beheerd door een exploitant die in ruil voor dit beheer en het leveren van stroom een tarief per kWh elektriciteit rekent. Op basis van (concessie)afspraken met gemeenten kunnen piek- en dal tarieven per kWh gelden. Ook gelden in sommige gemeenten lagere kWh-tarieven voor «slim laden» op momenten dat veel groene stroom beschikbaar is en gelden in enkele gemeenten tijdsgebonden connectietarieven om «laadpaalkleven» te voorkomen.
Daarnaast maken vrijwel alle consumenten gebruik van een pasje of app van een serviceprovider om eenvoudig laadsessies te starten en per factuur te betalen. De consument bepaalt zelf of hij gebruik maakt van een serviceprovider en welk contract hij hiermee afsluit. Voorbeelden van prijsmodellen van serviceproviders zijn een vast bedrag per maand voor onbeperkt laden, een standaard kWh-tarief voor elke laadsessie of een opslag op het kWh-tarief van de exploitant.
Consumenten hoeven geen gebruik te maken van een serviceprovider. Zij kunnen ook kiezen voor «ad-hoc» laden. Daarbij wordt een laadsessie rechtstreeks aan de exploitant betaald, zonder tussenkomst van een serviceprovider. Bij elk publiek laadpunt dient zo’n ad-hoc betaaloptie te zijn.
Afhankelijk van de keuze voor ad-hoc laden of laden via een serviceprovider, het contract van de consument met zijn serviceprovider en de kWh-prijs op het uur van de dag, kan de prijs voor een laadsessie bij een laadpaal verschillen. Het is op basis van wetgeving over prijstransparantie aan de exploitanten en serviceproviders om hierover helder te communiceren. Dat doen zij vooraf via hun websites en apps en achteraf op de facturen voor laadsessies. Toch kan het door de combinatie van prijzen en spelers lastig zijn voor consumenten om het tarief voor een specifieke laadsessie te weten te komen.
Hoe verklaart u dat bij eenzelfde publieke laadpaal verschillende tarieven gehanteerd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er vooraf duidelijkheid is over de transparantie van prijzen? Zo nee, waarom niet?
Ja, er gelden wetten voor prijstransparantie, die ervoor zorgen dat consumenten goed geïnformeerde keuzes kunnen maken. Prijstransparantie is belangrijk voor de verdere groei van elektrisch rijden. Ik heb met de brancheverenigingen van exploitanten en serviceproviders in het kader van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) nadere afspraken gemaakt over prijstransparantie. Die afspraken zijn eind 2019 door eViolin (branchevereniging van exploitanten en serviceproviders) vertaald in een gedragscode met afspraken over onderlinge verantwoordelijkheden en data-uitwisseling voor prijstransparantie. Daarnaast hebben enkele decentrale overheden in concessies stevige afspraken met exploitanten over prijstransparantie, waarbij de optie bestaat om serviceproviders die geen transparantie bieden tijdelijk de toegang tot laadpalen te ontzeggen. Ten slotte heeft prijstransparantie inzake laadpalen de komende jaren ook de verscherpte aandacht van toezichthouder ACM, getuige haar ACM-Agenda 2020–2021.
Bent u het ermee eens dat, zeker nu elektrisch rijden ook voor particulieren steeds aantrekkelijker wordt, het een vereiste is dat elektrisch laden makkelijk, transparant en betaalbaar voor iedereen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe staat het met de afspraak met de sector om voor 2020 de prijzen aan de laadpaal op een transparante wijze weer te geven? Indien de uitvoering van deze afspraak is vertraagd, wat is hiervoor de reden?
Ik heb begin dit jaar samen met de brancheorganisaties geconstateerd dat verbetering nodig is. Exploitanten en serviceproviders hebben daarop als eerste stap op hun websites en apps de statische prijslijsten en beschrijvingen van de opbouw van hun prijzen op orde gebracht. eViolin blijft dit monitoren. Echter, doordat prijzen kunnen wisselen per gebied of tijdstip kan het met enkel zo’n statische prijslijst of beschrijving voor de consument nog steeds lastig zijn om uit te vinden welk tarief op een bepaald moment geldt bij een specifieke laadpaal.
Er zijn exploitanten en serviceproviders die daarom op hun website of app dynamische overzichtskaarten bieden, waarop per paal de tarieven voor het laden worden getoond. Dit doen echter nog niet alle aanbieders en op de bestaande kaarten zijn nog niet voor alle laadpunten de prijzen te zien. Om de actuele prijzen per paal te tonen is koppeling van de systemen en frequente uitwisseling van prijsdata door alle exploitanten en providers nodig. Zij zijn daar nog niet volledig in geslaagd, mede door de (financiële) investeringen die hiervoor nodig zijn. Ook spelen er discussies over data-eigendom en bedrijfsgevoeligheid van data in deze relatief nieuwe markt.
eViolin heeft toegezegd dat haar leden per 1 juni 2020 hun systemen gereed hebben gemaakt voor het onderling uitwisselen van de actuele laadprijzen. Hierdoor kunnen providers voor elke specifieke paal de actuele laadprijs weergeven, die ontstaat door de combinatie van het exploitantentarief en het eigen providertarief. Leden die dit niet doen zal eViolin schorsen. Daarnaast wordt door het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur, de vereniging DOET en eViolin in afstemming met eigenaren van publieke laadpunten en de Vereniging Elektrisch Rijders (VER) voor de zomer een onafhankelijke testmethode voor prijstransparantie ontwikkeld. Tot slot zal in het kader van de NAL met decentrale overheden worden samengewerkt om tot concessies te komen waarin nauwkeurige afspraken over prijstransparantie worden gemaakt.
Bent u bereid om met de sector in gesprek te gaan over de mogelijkheid en wenselijkheid van een standaardlaadtarief? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat al een soort standaardtarief, namelijk de «ad-hoc» prijs voor laden zonder tussenkomst van een provider. Consument kunnen kiezen voor deze ad-hoc prijs van de exploitant of voor betalen met de pas van een serviceprovider met de bijbehorende prijs. Daarnaast kunnen consumenten die de zekerheid van een vaste laadprijs willen daarvoor bij diverse providers abonnementen afsluiten.
Het opleggen van een vast laadtarief waarmee alle tariefdifferentiatie uit de markt verdwijnt acht ik niet wenselijk. Voor de ontwikkeling van de laadmarkt is prijsconcurrentie nodig. Zo komen nieuwe diensten en producten tot stand, zoals de mogelijkheid om tegen lagere tarieven te laden als de consument bereid is te laden op momenten dat er veel groene stroom beschikbaar is. Een standaardtarief zou deze prijsconcurrentie beperken. Zoals aangegeven ben ik wel met de sector in gesprek om de prijstransparantie te vergroten.
Bent u bekend met de voorstellen van de Vereniging Elektrische Rijders?2
Ja. Ook de ACM is bekend met de voorstellen van de VER.
Ziet u kansen om aan de slag te gaan met deze voorstellen? Zo nee, waarom niet?
De aanbevelingen liggen in lijn met de hierboven beschreven acties en afspraken. Over ad-hoc betalen heeft eViolin toegezegd dat alle exploitanten voor 1 juni 2020 een ad-hoc betaaloptie bieden op alle publieke toegankelijke palen en een manier om het ad-hoc tarief te raadplegen. Dat kan bijvoorbeeld een QR-code op de paal zijn die de klant naar een betaalwebsite doorstuurt. Ook gaan zij voor die datum online en of bij de paal communiceren dat de prijs voor laden met een pas of app van een serviceprovider kan afwijken van de «ad-hoc laadprijs». Daarnaast stellen veel decentrale overheden in concessies expliciete eisen over ad-hoc betaalopties. Aanvullend werk ik aan een wetswijziging waarmee wordt geregeld dat voor alle publieke laadpunten in Nederland via een nationaal toegangspunt voor laadpuntendata het ad-hoc tarief te vinden is. Deze wetswijziging gaat naar verwachting in de eerste helft van 2020 in consultatie.
Bent u bereid om de Autoriteit Consument & Markt op te roepen om strenger toe te zien op de transparantie en de hoogte van de prijzen bij de laadpaal? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in contact met de ACM over hun toezicht op prijstransparantie. De ACM heeft in de afgelopen periode al gesprekken gevoerd met de brancheverenigingen van exploitanten en serviceproviders over de regels rond prijstransparantie. In haar ACM-Agenda 2020–2021 heeft de ACM verscherpte aandacht voor transparantie van laadtarieven aangekondigd en geeft zij aan op te kunnen treden bij misstanden. De ACM maakt daarin als onafhankelijke toezichthouder haar eigen afweging.
Bent u in de gelegenheid om deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Duurzaam Vervoer van 22 april 2020?
Ja.
Het bericht ‘Justitie laat het bedrijfsleven lelijk in de steek bij corruptiezaken’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Justitie laat het bedrijfsleven lelijk in de steek bij corruptiezaken»?1
Ja.
Hoeveel bedrijven zijn de laatste vijf jaar strafrechtelijk vervolgd voor corruptiedelicten? Hoeveel van die bedrijven hebben geschikt met het Openbaar Ministerie? Hoeveel bedrijven zijn veroordeeld?
Er wordt onderscheid gemaakt in verschillende vormen van corruptie, te weten ambtelijk binnenlandse corruptie, niet-ambtelijke binnenlandse corruptie, ambtelijke buitenlandse corruptie en niet-ambtelijke buitenlandse corruptie. Corruptiedelicten kunnen zich in formeel-juridische zin uiten in verschillende strafbare feiten (art. 177, 178 en 328ter Sr, maar ook art. 225 Sr). Als gevolg hiervan is een exact cijfer van het aantal strafzaken waarin vervolging is ingesteld niet te geven. Momenteel lopen er enkele tientallen strafrechtelijke onderzoeken door het Functioneel Parket en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie naar verdenkingen van buitenlandse en niet-ambtelijke omkoping.
De afgelopen vijf jaar is sprake geweest van omstreeks vijf bedrijven waaraan een (hoge) transactie is aangeboden en geaccepteerd voor corruptiedelicten. Het OM brengt bij een hoge transactie ook een persbericht uit. Ten aanzien van verschillende lopende corruptieonderzoeken is het onderzoek nog in volle gang en is een vervolgingsbeslissing derhalve nog niet genomen.
Herkent u het beeld dat wij in Nederland te maken hebben met «primitief, onderontwikkeld recht» op het gebied van corruptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar kan het beter? Kunt u ingaan op de stelling van de heer Verbruggen dat de regelgeving verbrokkeld is en verspreid over onderdelen van ons Wetboek van Strafrecht?
Nee, ik herken mij niet in dit beeld. Omkoping is in Nederland strafbaar gesteld in de artikelen 177, 178, 178a, 328ter, 363, 364 en 364a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De artikelen 177, 178 en 178a Sr betreffen het omkopen van ambtenaren en rechters (actieve omkoping). Deze artikelen zijn ondergebracht in Titel VIII (Misdrijven tegen het openbaar gezag). De passieve varianten van deze vorm van omkoping, dus het aannemen van een gift, belofte of dienst voor het iets doen of nalaten in de functie van ambtenaar of rechter, zijn strafbaar gesteld als ambtsmisdrijf in de artikelen 363, 364 en 364a (Titel XXVIII Ambtsmisdrijven). De actieve en passieve, niet-ambtelijke omkoping is strafbaar gesteld in artikel 328ter (Titel XXV Bedrog). De plaatsing in het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald door het belang dat met de strafbaarstelling wordt beschermd. De plaatsing van deze artikelen heeft geen invloed op de strafbaarstelling. Er is ook geen aanleiding de indeling van deze artikelen te wijzigen.
Nederland is partij bij een aantal internationale corruptieverdragen van de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) en de Verenigde Naties (VN). In het kader van deze verdragen wordt Nederland ook periodiek onderworpen aan evaluaties in de vorm van een peer review om te bezien of Nederland voldoet aan de verdragsverplichtingen. Het beleid van het kabinet is erop gericht naar vermogen en volledig rekening houdende met Nederlandse rechtsprincipes uitvoering te geven aan deze aanbevelingen. In februari 2019 is het rapport van de vijfde evaluatieronde van de Groep Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (hierna: GRECO) gepubliceerd. In 2020 wordt Nederland aan twee evaluaties in het kader van de OESO en VN-verdragen onderworpen.
De afgelopen jaren zijn diverse investeringen gedaan door Nederland in de opsporing en vervolging van alle vormen van corruptie. Hier wordt ook aan gerefereerd in mijn recente Kamerbrief naar aanleiding van een artikel van Transparency International inzake de aanpak van corruptie in Nederland.2
Klopt het dat de strafbaarheid van de omkoping van buitenlandse ambtenaren niet alle situaties dekt? Zo ja, waar zitten de hiaten? Bent u voornemens daaraan iets te doen? Zo nee, waarom niet?
Het is juist dat de Nederlandse strafwet er niet in voorziet dat vervolging kan worden ingesteld tegen omkoping die in het buitenland heeft plaatsgevonden terwijl er geen relatie met Nederland is, bijvoorbeeld omdat de natuurlijke persoon of rechtspersoon door wie het feit is begaan niet-Nederlands is en degene die is omgekocht ook niet Nederlands is. Dit betreft geen kwestie van strafbaarheid, maar de reikwijdte van de extraterritoriale rechtsmacht. In een dergelijke situatie is er geen rechtens te beschermen belang aan de orde, dat noopt tot uitbreiding van de Nederlandse rechtsmacht. Nederland kent een uitgebreide rechtsmacht op dit terrein, waardoor in veel situaties vervolging in Nederland mogelijk is, ook als het strafbare feit in het buitenland is gepleegd. Daarbij kan worden opgemerkt dat Nederland voldoet aan de verplichtingen op basis van internationale verdragen tot strafbaarstelling van buitenlandse omkoping.
Kunt u de verschillen uiteenzetten tussen de Nederlandse anti-corruptiewetgeving en de anti-corruptiewetgeving van Engeland en Frankrijk?
Een volledig overzicht van de verschillen tussen de Nederlandse anti-corruptiewetgeving en de anti-corruptiewetgeving van Engeland en Frankrijk kan ik u niet geven. Enkele in het oog springende verschillen worden hier genoemd.
Het Verenigd Koninkrijk kent de «UK Bribery Act 2010» welke per 1 juli 2011 in werking is getreden. Ook Frankrijk kent separate wetgeving bekend als Sapin II, die in November 2016 is aangenomen.
Beide wetten kennen een «Defered Prosecution Agreement (DPA)» een soort uitgestelde vervolgingsovereenkomst. Nederland kent deze modaliteit niet. Een DPA ziet op een schikking tussen het OM en een onderneming die verdacht wordt van overtreding van de wet, waarbij vervolging van die onderneming voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld. Indien de onderneming zich aan het einde van de gestelde periode aan vooraf afgesproken voorwaarden heeft gehouden, wordt er niet tot vervolging overgegaan en zal het OM de aanklacht tegen de onderneming waarop de DPA van toepassing is, laten vallen. Ook kennen beide wetten specifieke bepalingen ten aanzien van zogeheten compliance programma’s ter voorkoming van omkoping. Bedrijven dragen, afhankelijk van aantal werknemers of omzet, in dit kader de verantwoordelijkheid om gepaste maatregelen te treffen en adequate procedures te implementeren om te waarborgen dat de natuurlijke- en rechtspersonen die binnen de invloedssfeer van het bedrijf vallen, zich conform het verbod op buitenlandse omkoping gedragen. Hoe ver deze ketenaansprakelijkheid in de praktijk reikt, is afhankelijk van een beoordeling van de feiten en omstandigheden in het specifieke geval. In Frankrijk worden de compliance programma’s overzien door de hiertoe opgerichte «Agence Francaise Anticorruption» (AFA).
In de meest recente brochure «eerlijk zakendoen zonder corruptie», die wordt uitgebracht in samenwerking tussen VNO-NCW, MKB-Nederland en ICC Nederland samen met de Ministeries van Buitenlandse Zaken, van Justitie en Veiligheid en van Economische Zaken, wordt nader ingegaan op de wetgeving van het VK. Zie ook https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2017/01/19/eerlijk-zakendoen-zonder-corruptie.
Deelt u de mening dat de wetgever actie moet ondernemen om de anti-corruptiewetgeving te moderniseren? Zo ja, heeft u al concrete acties hiervoor op de agenda staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, op dit moment zie ik geen aanleiding tot modernisering van de anti-corruptiewetgeving. De Nederlandse anti-corruptiewetgeving voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. Indien de lopende internationale evaluaties hier wel aanleiding toe geven, zal ik de aanbevelingen van deze organisaties op basis van hetgeen ik onder antwoord 3 heb aangeven ter hand nemen.
Ook wordt er, zoals aan uw Kamer gecommuniceerd naar aanleiding van de «evaluatie Wet OM-afdoening», gewerkt aan de invoering van een rechterlijke toets bij hoge transacties.3
De passagiers op het schip Westerdam |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Martijn van Helvert (CDA), Anne Kuik (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de situatie van de passagiers op het schip «de Westerdam» van de Holland America Line, waar toch een Amerikaanse passagiere besmet bleek te zijn met het Coronavirus?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat veel passagiers die nu nog in Cambodja zijn, vinden dat ze niet duidelijk geïnformeerd worden?
Deze vragen heb ik reeds beantwoord in de Kamerbrief van 17 februari jl. (kenmerk 1653733-202415-PG) over de situatie van passagiers op de cruiseschepen en de wijze waarop zij kunnen terugkeren naar Nederland. Met betrekking tot vraag 7 kan ik u in aanvulling daarop informeren dat inmiddels zo’n 30 Nederlanders zijn teruggekeerd uit Cambodja.
Bent u op de hoogte dat de Holland America Line tickets terugboekt via Kuala Lumpur (waar passagiers niet toegelaten zullen worden) en via China?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier werken het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) samen om ervoor te zorgen dat deze passagiers naar Nederland komen, maar dat het risico op besmettingen nu zo veel mogelijk beperkt wordt? Kunt u hier een uitgebreid antwoord op geven? Kunt u aangeven waar de passagiers voor hulp terechtkunnen?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de Nederlandse autoriteiten een passagierslijst van het schip?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben alle Nederlandse passagiers van het schip zich bij thuiskomst gemeld?
Met de passagiers waarvan bekend is dat deze zijn teruggekeerd in Nederland is contact geweest met de lokale GGD. Zij worden allemaal gedurende 14 dagen gemonitord. Daarnaast zijn er op dit moment nog enkele passagiers onderweg naar Nederland, zodra deze zijn teruggekeerd zal de GGD ook met hen contact opnemen.
Wanneer en hoe zullen de Nederlanders die nog in Cambodja zijn, naar huis kunnen komen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er enig verschil in risico op besmetting tussen de passagiers die al teruggekeerd zijn in Nederland en de groepen die nog in de hotels en op het schip in Cambodja zijn?
Op het moment dat de passagiers het schip verlieten, bestonden er geen verdenkingen van besmettingen met of ziektegevallen door het nieuwe coronavirus op het schip. Mensen mochten dus gewoon van boord af en hun reis naar Nederland, of elders, vervolgen. Vervolgens bleek zaterdag 15 februari jl. een niet-Nederlandse toerist die aan boord was van het cruiseschip de Westerdam, na onderzoek in Maleisië, besmet te zijn met het nieuwe coronavirus. Pas daarna zijn de resterende personen door de Cambodjaanse overheid in quarantaine geplaatst op het cruiseschip of in een hotel. Deze passagiers zijn allemaal getest op het nieuwe coronavirus. Alle testuitslagen zijn negatief. De personen mogen van de lokale overheid naar huis vliegen.
De personen die nog in Cambodja zijn hebben geen groter risico op ziekte dan de personen die het schip al eerder verlaten hebben.
Acht u het nog verstandig dat mensen op cruiseschepen door Azië trekken? Indien er beperkingen zijn, hoe gaat u dit duidelijk maken in uw reisadvies?
De reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gaan over de veiligheidssituatie per land, ongeacht het vervoersmiddel. Indien Nederlanders van plan zijn naar het buitenland te reizen is het raadzaam de reisadviezen goed in de gaten te houden. Veel landen in de Aziatische regio, maar ook daarbuiten nemen strenge maatregelen om de verspreiding van het nieuwe coronavirus tegen te gaan. Die maatregelen kunnen invloed hebben op het verloop van de reis. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken houdt dit in de gaten en neemt indien nodig hierover informatie op in het reisadvies. We raden mensen ook altijd aan contact op te nemen met hun reisorganisatie.
Voor adviezen over persoonlijke gezondheid kunnen mensen terecht bij het RIVM, dat een uitbereide informatiepagina heeft met adviezen over het nieuwe coronavirus op de website.
Herinnert u zich dat RIVM op 6 februari 2020 tweette: «De teruggekeerde Nederlanders hadden geen ziekteverschijnselen en pas als ze ziek worden zijn ze besmettelijk ^MS»?1
Ja, ik herinner mij deze tweet.
Klopt deze tweet – en dan met name het deel dat mensen pas besmettelijk zijn als ze ziek zijn? Zo nee, is er dan op meer momenten te stellig gecommuniceerd in de eerste weken? Zo ja, op welke momenten?2 en3
Ja, op dit moment nemen wij op basis van de ons beschikbare wetenschappelijke informatie van het RIVM aan dat een persoon pas besmettelijk is vanaf het moment dat er symptomen zijn (hoesten, koorts, luchtwegklachten) en iemand in China is geweest, of een persoon in contact is geweest met iemand met een bevestigde infectie van het nieuwe coronavirus.
Wat is volgens het RIVM op dit moment de maximale incubatieperiode van het Coronavirus?
Het RIVM geeft aan dat voor het nieuwe coronavirus een gemiddelde incubatietijd van 7 dagen geldt, met een maximum van 14 dagen.
Wat zijn volgens het RIVM de transmissiemechanismes van het Coronavirus?
Op basis van beschikbare wetenschappelijke informatie geeft het RIVM aan dat het nieuwe coronavirus kan worden verspreid via druppeltjes bij hoesten en waarschijnlijk via handen en oppervlakken van voorwerpen die recent zijn aangeraakt (zoals deurknoppen). Waarschijnlijk is het virus oorspronkelijk afkomstig van dieren. Of dieren nog een rol spelen in de transmissie in China is nog in onderzoek. De bron is nog niet gevonden. De voornaamste overdracht vindt op dit moment plaats van mens op mens. Buiten China spelen dieren geen rol in de transmissie van het virus.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen een week beantwoorden? Kunt u de derde vraag zo spoedig mogelijk beantwoorden (het liefst per ommegaande)?
Ja.
Het bericht ‘Multinationals niet langer grootste banenmotor, politie grootste werkgever’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Multinationals niet langer grootste banenmotor, politie grootste werkgever»?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat multinationals niet langer de grootste banenmotor zijn? Hoe plaatst u dit in internationaal perspectief?
Het Volkskrant artikel noemt bij de opsomming van grootste werkgevers in de (semi)publieke en private sectoren, zeer verschillende bedrijven en organisaties in Nederland die een grote diversiteit in bedrijfs- en marktomstandigheden kennen. De werkgelegenheid die de genoemde bedrijven en organisaties creëren, reflecteert een diversiteit aan nationale en internationale ontwikkelingen in de verschillende bedrijfstakken.
Dat multinationals niet langer de grootste banenmotor zouden zijn, herken ik niet. Naast de bedrijven die in de Volkskrant-top 10 van grootste werkgevers genoemd staan, zijn er nog heel veel andere multinationaal opererende bedrijven. Nederland telde begin 2019 zo’n 1,8 miljoen bedrijven waaronder zo’n 24 000 multinationals. Deze multinationals verschaffen ongeveer 21% van de totale werkgelegenheid. Dit is vergelijkbaar met het aandeel van multinationals in de werkgelegenheid in de OESO-landen.2
Het CBS geeft aan dat – behalve het binnenlandse MKB en grootbedrijf – vooral ook de buitenlandse multinationals in Nederland in de periode 2010–2016 meer banen hebben gecreëerd. De werkgelegenheid nam in die periode met meer dan 10 procent toe bij Nederlandse MKB-multinationals en de buitenlandse multinationals. Wel is volgens het CBS bij de grote Nederlandse multinationals het aantal banen licht afgenomen in de periode 2010–2016. Dat heeft te maken met de internationale economische concurrentie waar Nederlandse bedrijven zich steeds meer focussen en specialiseren op de meer hoogwaardige activiteiten in de waardeketen. Binnen de Nederlandse economie realiseerden de grote Nederlandse multinationals in de periode 2010–2016 de hoogste arbeidsproductiviteitsgroei en droegen zo bovenmatig bij aan onze welvaart.
Een recente publicatie van het CPB3 laat zien dat in Nederland er ieder jaar rond de 10 à 15% van de banen (1 à 1,5 mln banen) verdwijnen en er ieder jaar ook rond de 10 à 15% bijkomen; in de afgelopen periode van hoogconjunctuur kwamen er meer banen bij dan verdwenen. Het verplaatsen van banen naar het buitenland of het vanuit het buitenland terug naar Nederland verplaatsen van banen zijn, net als werkgelegenheidsgroei door start ups en groei van bedrijven en werkgelegenheidsafname door bedrijfsinkrimpingen en bedrijfssluitingen, uitingen van het dynamische economische proces van baancreatie en baandestructie. In verhouding tot deze totale werkgelegenheidsdynamiek spelen het verplaatsen van banen naar het buitenland of het vanuit het buitenland terug naar Nederland verplaatsen, slechts een zeer bescheiden rol van enkele procenten in het totaal van deze werkgelegenheidsdynamiek.
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat multinationals niet langer de grootste banenmotor zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u de afname van de banen binnen de multinationals, in het licht dat deze bedrijven meestal wel nog behoorlijk winstgevend zijn en het goed doen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een analyse geven van wat er is gebeurd met deze banen en hoe zich deze ontwikkeling verhoudt tot het aantal verplaatste banen naar het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u in de afgelopen periode met deze bedrijven in gesprek geweest over hun rol en betekenis voor Nederland en de werkgelegenheid?
Voor de uitvoering van mijn beleid gericht op duurzame economische groei ben ik continu met het Nederlandse bedrijfsleven en alle andere relevante stakeholders in gesprek. Hierbij kijk ik steeds hoe deze bedrijven bijdragen aan de kabinetsdoelen op verdienvermogen, verduurzaming, innovatiekracht en digitalisering van Nederland.
Hoe faciliteert Nederland op dit moment de komst van de zogenoemde «banenkanonnen»?
Nederland behoort tot de top van de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën in de wereld. Nederland staat in de ranglijst van het World Economic Forum op de 4de plek wereldwijd en is daarbij als meest concurrerende economie van Europa genoemd. Nederland is ook één van de landen met de hoogste arbeidsproductiviteit ter wereld.
Met mijn bedrijvenbeleid zet ik erop in, deze toppositie te behouden, uitmondend in een bedrijvenpopulatie met hoge toegevoegde waarde, innovatie en banen. Mijn beleid is er niet specifiek op gericht om zogenoemde banenkanonnen te creëren, maar een klimaat waarin alle bedrijven optimaal kunnen functioneren en groeien. In mijn recente brief over de groeistrategie voor Nederland op de lange termijn4 zet ik uiteen wat Nederland nodig heeft om aantrekkelijk te blijven om te wonen, werken en ondernemen. Dat vergt een goed geschoold arbeidsaanbod en inzet op arbeidsproductiviteit door innovatie, naast investeringen in de toekomstbestendige infrastructuur voor transities naar CO2-neutrale, circulaire en digitale economie en een gunstig ondernemers- en vestigingsklimaat dat inspeelt op de toekomstige bedrijvigheid.
Ook blijft onverkort belangrijk dat Nederland een aantrekkelijke plaats moet blijven om te wonen, werken en ondernemen, zeker in het licht van de mondiale strijd om talent. Met betrekking tot het aantrekken van buitenlandse bedrijven zal ik uw Kamer binnenkort informeren over de nieuwe Invest in Holland strategie (brief Minister van EZK aan de Tweede Kamer «naar meer focus in de acquisitie van buitenlandse bedrijven»). Deze zet uiteen hoe het acquisitiebeleid, nog meer dan voorheen, focust op het aantrekken van juist die buitenlandse bedrijven die Nederland innovatiever en duurzamer maken en bijdragen aan de verdere digitalisering van ons land, in lijn met de duurzame groeiambities van dit kabinet en de doelstellingen van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid.
Hoeveel van deze schaarse banenkanonnen kent Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Welke stappen zet u zodat meer van deze bedrijven zich zullen vestigen in Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Wat doet Nederland op internationaal terrein om bedrijven aan Nederland te binden? Hoe heeft deze ontwikkeling invloed op toekomstige economische groei?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten hebben deze ontwikkelingen op het Nederlandse vestigingsklimaat?
De kwaliteit van het vestigingsklimaat is een belangrijke randvoorwaarde om buitenlandse bedrijven, die kunnen bijdragen aan de versterking van de Nederlandse innovatie-ecosystemen en de verduurzaming en digitalisering van de Nederlandse economie, aan te kunnen trekken. Ik houd oog op hoe de beoordeling van het Nederlandse vestigingsklimaat zich ontwikkelt en waar dit mogelijk kan worden verbeterd. Uit verschillende internationale ranglijsten blijkt dat Nederland nu een aantrekkelijk vestigingsklimaat heeft. Om te zorgen dat Nederland ook in de toekomst aantrekkelijk blijft als vestigingsplaats voor vestiging van buitenlandse bedrijven, worden beschikbaarheid van geschikt personeel en een stabiel en concurrerend fiscaal stelsel vaak als aandachtspunten genoemd. Het kabinet heeft het voornemen om verder te laten onderzoeken welke andere specifieke elementen in ons vestigingsklimaat nodig zijn om aantrekkelijk te zijn voor deze specifieke groep van buitenlandse bedrijven. Het is mijn streven om uw Kamer begin 2021 over de inzichten uit dit onderzoek te informeren.
Kunt u een overzicht geven van de nieuwe groeikoers en daarmee het aantal banen in de hightechsector? Hoe en waarmee kan Nederland beleidsmatig de nieuwe groeiers, zoals ASML, VDL Groep en Booking.com het beste helpen om verder te groeien?
De hightechsector is belangrijk voor de Nederlandse economie. Zo is de arbeidsproductiviteit (de toegevoegde waarde per werkzaam persoon) in deze sector twee keer hoger dan het gemiddelde voor de gehele marktsector en hebben bedrijven gezien hun sterke internationale focus vaak goede toegang tot belangrijke Europese en mondiale (kennis)netwerken. Van het totaal aantal werknemers in de marktsector is zo’n 3% werkzaam in de hightech sector. Het aantal werkzame personen in hightech systemen en materialen (HTSM) is volgens de CBS Monitor Topsectoren 2018 de afgelopen jaren gegroeid van 458.000 FTE in 2010 naar 480.000 FTE in 2017. Daarbij moet worden aangetekend dat het potentieel voor verdere groei wordt belemmerd door een tekort aan goed geschoold personeel. CBS en werkgeversorganisatie FME schatten dit tekort in op 120.000 FTE tot 2030.
De groeikoers van de hightech sector, die onder andere bepalend is voor het aantal banen in deze sector, wordt overwegend bepaald door de bedrijven zelf.
Ik help de bedrijven in deze sector op verschillende wijze om door te groeien.
In algemene zin geldt daarvoor als beleidskader de inzet op arbeidsproductiviteitsgroei zoals beschreven in mijn recente groeibrief, en de versterking van een gunstig ondernemings- en vestigingsklimaat vanuit het bedrijvenbeleid. In het bijzonder noem ik hier het missiegedreven topsectoren en innovatiebeleid gericht op de ontwikkeling van nieuwe kennis en (sleutel)technologieën die onze welvaart in economische en bredere zin versterkt en waar de hightech sector kansen in kan aangrijpen. Deze kabinetsperiode wordt bijvoorbeeld ook 65 miljoen euro extra in het Nederlandse startup- en scale-up beleid geïnvesteerd, onder andere om knelpunten rondom personeel en financiering aan te pakken. Bij het versterken van de concurrentiekracht gaat de aandacht ook uit naar het borgen van het Nederlandse belang vanuit het economische veiligheidsperspectief, bedoeld om de continuïteit van vitale processen te bewaken, ongewenste (geopolitieke) afhankelijkheden tegen te gaan en te voorkómen dat hoogwaardige data en kennis weglekt die raakt aan het nationale veiligheidsbelang.
Zijn er eventuele knelpunten in beleid die deze nieuwe groeiers tegenwerkers? Zo ja, welke zijn dit? En is de Minister ook bereid om voorwaarden te stellen op basis van wederkerigheid, zodat het wederzijdse commitment aan Nederland ook wordt verstevigd?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een overzicht geven van de verdeling van de banen tussen de publieke en private sector en wie daarin werken gedurende de afgelopen tien jaar? Hoe past dit bij de ambitie van het kabinet voor het versterken van het duurzaam verdienvermogen?
In de afgelopen 10 jaar is de verhouding van de werkgelegenheid in personen tussen de overheid en het bedrijfsleven nagenoeg constant gebleven. Onderstaande tabel laat ziet dat ongeveer 89% werkzaam is in het brede bedrijfsleven. Het aantal banen in de private sector is in deze periode toegenomen met 670.000 werkzame personen. In de publieke sector was er een toename van 26.000 werkzame personen.
Voor de betaalbaarheid van collectieve arrangementen waaronder arbeidsintensieve diensten zoals zorg en veiligheid, zijn efficiëntie en arbeidsproductiviteitgroei belangrijke opgaven. Innovatie en digitalisering kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Zoals in mijn recente groeibrief toegelicht, zet het kabinet, om het Nederlandse duurzame verdienvermogen op peil te houden en te versterken, in op een goed geschoold arbeidsaanbod, arbeidsproductiviteitsontwikkeling door innovatie, investeringen in de toekomstbestendige infrastructuur voor transities naar CO2-neutrale, circulaire en digitale economie en een gunstig ondernemers- en vestigingsklimaat dat inspeelt op de toekomstige bedrijvigheid.
2009
2019
Werkzame personen x 1.000
% van alle werkzame personen
Werkzame personen x 1000
% van alle werkzame personen
8.839
9.535
Publieke sector
1.015
11,5
1.041
10,9
Publieke sector + zorg
2.356
26,7
2.512
26,3
Private sector
7.824
88,5
8.494
89,1
Landbouw, bosbouw en visserij
205
2,3
203
2,1
Nijverheid (geen bouw) en energie
883
10,0
874
9,2
Bouwnijverheid
536
6,1
491
5,1
Handel, vervoer en horeca
2.130
24,1
2.376
24,9
Informatie en communicatie
263
3,0
316
3,3
Financiële dienstverlening
263
3,0
206
2,2
Verhuur en handel van onroerend goed
82
0,9
75
0,8
Zakelijke dienstverlening
1.746
19,8
2.070
21,7
Openbaar bestuur en onderwijs
1.015
11,5
1.041
10,9
Gezondheids- en welzijnszorg
1.341
15,2
1.471
15,4
Cultuur, recreatie, overige diensten
376
4,3
412
4,3
Bron: CBS
Friesland als niet-regenboogprovincie |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat Friesland de enige niet-regenboogprovincie van Nederland is?1
Ja, maar daar is verandering in gekomen. De motie hierover om regenboogprovincie te worden is 27 mei jl. aangenomen door de provinciale staten. Zie ook antwoord bij vraag 6.
Bent u het met presentator en producent Sipke Jan Bousema eens als hij zegt: «Ik zou het fantastisch vinden als eerbetoon, niet alleen voor homo’s en lesbiennes, maar ook voor de ouders die ze omarmen, dat die regenboogvlag wordt gehesen»?
Ja.
Deelt u de mening dat het ontzettend belangrijk is voor mensen uit de lhbti-gemeenschap dat zij ook steun krijgen van de provincie om zichtbaar zichzelf te kunnen zijn?
Ja.
Welke invulling geven andere provincies aan het feit dat zij regenboogprovincie zijn?
Provincies richten zich vooral op het stimuleren van de samenwerking tussen gemeenten en maatschappelijke organisaties die zich met het LHBTI-thema bezighouden. Eigen activiteiten van provincies op het LHBTI-thema vinden vooral plaats op jaarlijks terugkerende vieringen, zoals Coming Out-dag. Daarnaast hechten de meeste provincies eraan om als werkgever het goede voorbeeld te geven als het gaat om acceptatie van LHBTI-personen. Ze geven veelal aan dat ze hieraan werken door het voeren van een inclusief personeelsbeleid.
Is er net als met de Regenboogsteden ook samenwerking tussen het Rijk en de regenboogprovincies?
Het initiatief van Regenboogprovincies komt van de provincies zelf.
Hiertoe hebben zij een informeel overleg geïnitieerd. Het Ministerie is hierbij betrokken en binnen het overleg is specifiek aandacht voor de verbinding met de regenboogsteden.
Bent u bereid om zich in te zetten om van Friesland toch een regenboogprovincie te maken?
Op 27 mei jl. werd de motie over Regenboogprovincie Friesland door de provinciale staten aangenomen. Ik ben verheugd dat de provincie Friesland zich aansluit bij de samenwerkende regenboogprovincies en op die wijze een extra impuls geeft aan de sociale acceptatie en – veiligheid van LHBTI-personen. Vanzelfsprekend zal ik de ontwikkelingen rond de regenboogprovincies nauwgezet volgen.
Het bericht ‘Te hoge belasting omdat gemeente VvE- reserve meerekent in WOZ bepaling’. |
|
Helma Lodders (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Te hoge belasting omdat gemeente VvE- reserve meerekent in WOZ bepaling»?1
Ja.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van de leden Lodders en Koerhuis over verplicht sparen voor onderhoud appartement?2
Ja.
Herinnert u zich dat u vorig jaar aangaf dat het niet klopt dat gemeenten verschillend handelen in de waardebepaling van een wooncomplex?3
Ja, zoals aangegeven in antwoord 9 van de beantwoording van de vragen van de leden Lodders en Koerhuis d.d. 21 mei 20191 worden gemeenten geacht de WOZ-taxaties op uniforme wijze uit te voeren. De Waarderingskamer geeft aan dat gemeenten voldoende uniform uitvoering geven aan de WOZ-taxaties.
Voor alle gemeenten geldt dat het (eventuele) aandeel in de reserve van de Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE-reserve) niet meetelt bij de waardebepaling van het betreffende appartement in het kader van de Wet WOZ. De taxatie en de taxatiemodellen zijn immers gericht op het inschatten van de marktwaarde van een appartement, waarbij het (eventuele) aandeel in een VvE-reserve buiten beschouwing wordt gelaten.
Het beoordelen van (het eventuele aandeel in) een VvE-reserve is uitsluitend aan de orde bij het analyseren van de verkoopprijs van een vergelijkbaar appartement (hierna: vergelijkingsobject) en bij het gebruiken van deze verkoopprijs bij het inrichten en optimaliseren van de taxatiemodellen die voor de WOZ-taxaties worden gebruikt. Conform de richtlijnen van de Waarderingskamer houden alle gemeenten daarbij rekening met de (eventuele) aanwezigheid van een VvE-reserve.
De Hoge Raad heeft in 1993 voorgeschreven dat «de invloed van de aanwezigheid van een dergelijke reserve [red. op verkoopprijzen van vergelijkbare onroerende zaken] steeds wordt uitgeschakeld door met dat gedeelte van de verkoopprijzen dat aan die reserve kan worden toegerekend geen rekening te houden».4 Het uitschakelen van de invloed van het aandeel in de VvE-reserve op de verkoopprijs is niet hetzelfde als het zonder meer rekenkundig aftrekken van het aandeel in de VvE-reserve van de verkoopprijs.
Bij het analyseren van de verkoopprijs van een vergelijkingsobject moet de taxateur dan ook op basis van de verkoopprijs inclusief het aandeel in de VvE-reserve een inschatting maken van de prijs die koper en verkoper zouden zijn overeengekomen als niet ook het aandeel in de VvE-reserve zou zijn overgedragen. Daartoe moet worden onderzocht of en in welke mate het aandeel in de VvE-reserve van invloed is geweest op de verkoopprijs, waarbij moet worden bekeken of en in welke mate de koper bereid is geweest het aandeel in de VvE-reserve als «extra» bedrag bovenop de prijs voor het appartement te betalen.
Ingeval sprake is van een vergelijkingsobject met een gebruikelijke of beperkte VvE-reserve, blijft bij veel gemeenten een gedetailleerde analyse van het aandeel in de VvE-reserve op het moment van de verkoop van het vergelijkingsobject achterwege. Een gebruikelijke of beperkte VvE-reserve heeft doorgaans geen betekenisvolle invloed op de verkoopprijs en dus de WOZ-taxatie. Deze werkwijze voorkomt dat administratieve lasten worden opgelegd aan kopers van appartementen en administrateurs van VvE’s, terwijl die activiteiten geen bijdrage leveren aan de nauwkeurigheid van de WOZ-taxaties. Gemeenten houden derhalve alleen rekening met significante, en dus betekenisvolle, VvE-reserves bij het analyseren van de verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten ten behoeve van de waardebepaling van een appartement.
Wat vindt u van het signaal dat het probleem van gemeenten die de reserve van de Vereniging van Eigenaren (VvE) meerekenen in de WOZ-bepaling «omvangrijk» is? En hoe verklaart u dit in relatie tot uw antwoord op vragen van de leden Lodders en Koerhuis4; «... alle gemeenten op een uniforme wijze bij de WOZ-marktanalyse (moeten) «corrigeren» voor het bedrag dat is betaald voor een eventuele bovenmatige reserve van de VvE»?
Er wordt geen probleem ervaren met de wijze waarop gemeenten rekening houden met het aandeel in de VvE-reserve bij het vaststellen van WOZ-waarden. Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van de leden Lodders en Koerhuis d.d. 21 mei 20193, brengen gemeenten bij de analyse van de verkoopprijs van een vergelijkingsobject een correctie aan ingeval deze is beïnvloed door een significant aandeel in de VvE-reserve.
Zoals aangegeven in antwoord 3 is het uitschakelen van de invloed van het aandeel in de VvE-reserve op de verkoopprijs echter niet hetzelfde als het zonder meer rekenkundig aftrekken van het aandeel in de VvE-reserve van de verkoopprijs. Zoals gezegd moet de taxateur bij de marktanalyse onderzoeken of en in welke mate een koper bij het bepalen van de aankoopprijs rekening heeft gehouden met de omvang van het aandeel in de VvE-reserve.
Ingeval sprake is van een vergelijkingsobject met een gebruikelijke of beperkte VvE-reserve, blijft bij veel gemeenten een gedetailleerde analyse van het aandeel in de VvE-reserve op het moment van de verkoop van het vergelijkingsobject achterwege. Een gebruikelijke of beperkte VvE-reserve heeft doorgaans namelijk geen betekenisvolle invloed op de verkoopprijs en dus de hoogte van de WOZ-taxatie.
Komt het aantal tekortkomingen geconstateerd door de Waarderingskamer overeen met het «omvangrijke» probleem? Zo ja, om hoeveel tekortkomingen gaat het en wanneer is dit geconstateerd? Zo nee, hoe kan het zijn dat er een substantieel verschil is tussen praktijkervaring en de controle door de Waarderingskamer?
De Waarderingskamer heeft op dit punt geen tekortkomingen geconstateerd. De Waarderingskamer hanteert de stringente eis dat gemeenten bij de marktanalyse voor de WOZ-taxaties nader onderzoek doen in geval van significante VvE-reserves. Daardoor laat de Waarderingskamer de gemeenten enige ruimte voor het maken van een afweging tussen de administratieve lasten voor kopers en administrateurs van VvE's aan de ene kant en de invloed die de aldus verkregen informatie kan hebben op de nauwkeurigheid van de WOZ-taxaties aan de andere kant.
Deelt u de mening dat het op verkeerde gronden bepalen van de WOZ-waarde zeer onwenselijk is omdat de WOZ-waarde niet alleen voor de gemeentelijke onroerendezaakbelasting (ozb) wordt gebruikt maar ook voor bijvoorbeeld de waterschapheffing en dit dus leidt tot te hoge belastingaanslag?
Ja.
Hoe gaat u er voor zorgdragen dat de waardebepaling op juiste gronden plaatsvindt en de controle hierop versterkt wordt?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen van de leden Lodders en Koerhuis d.d. 21 mei 20194, worden de in antwoord 3 beschreven werkwijze van gemeenten en de door de Waarderingskamer bij haar toezicht gehanteerde kwaliteitseisen onderschreven. Op dit moment worden derhalve geen maatregelen nodig geacht.
Wat vindt u van het feit dat veel gemeenten bezwaar tegen de verhoogde WOZ-waarde afwijzen, ondanks dat duidelijk is dat die significant hoger is door het meerekenen van de VvE-reserve?
Wanneer sprake is van een onjuist vastgestelde WOZ-waarde moeten en zullen gemeenten de WOZ-waarde, al dan niet in een bezwaarprocedure, corrigeren. Indien een verschil van inzicht met betrekking tot de hoogte van de WOZ-waarde uitsluitend verband houdt met de eventuele invloed van het (gebruikelijke of beperkte) aandeel in de VvE-reserve op de verkoopprijs van een vergelijkingsobject, ligt het niet voor de hand dat sprake is van een significant verschil. Dit heeft te maken met het feit dat, zoals reeds aangegeven in antwoorden 3, 4 en 5, de invloed van het aandeel in de VvE-reserve op de verkoopprijs van een vergelijkingsobject dat is gebruikt bij de WOZ-taxatie in de eerste plaats niet kan worden uitgeschakeld door dat aandeel rekenkundig af te trekken van die verkoopprijs en in de tweede plaats doorgaans niet betekenisvol is (ingeval sprake is van een gebruikelijke of beperkte VvE-reserve).
Deelt u de mening dat er voor alle mensen die verenigd zijn in een VvE duidelijkheid moet komen over de waardebepaling van het complex zonder dat de VvE’s hiervoor bezwaarprocedures moeten starten? Zo nee, waarom niet?
De VvE is niet belanghebbend bij de vaststelling van de WOZ-waarden van de afzonderlijke appartementen en heeft daarom zelf ook geen bezwaarmogelijkheid. De Wet WOZ biedt een laagdrempelige mogelijkheid voor de belanghebbende eigenaar en belanghebbende gebruiker van een appartement (of woning) om (formeel) in bezwaar te gaan tegen de vastgestelde WOZ-waarde. Daarnaast bieden de meeste gemeenten de mogelijkheid om hen (daaraan voorafgaand) bijvoorbeeld al telefonisch te informeren over een bezwaar tegen de WOZ-waarde.
Welke stappen gaat u ondernemen om een te hoge waardebepaling op basis van het vermogen van een VvE te voorkomen?
Zoals aangegeven in antwoord 7 worden op dit moment geen maatregelen nodig geacht. Ingeval nadere jurisprudentie op enig moment noopt tot aanpassing van de gehanteerde werkwijze van gemeenten en van de kwaliteitseisen die de Waarderingskamer bij haar toezicht daarop hanteert, vertrouwen wij erop dat betrokkenen daar op adequate wijze gevolg aan zullen geven.
Bent u bereid om de Kamer voor de zomer te informeren over de te nemen stappen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in voorgaande antwoorden is er geen aanleiding voor nadere stappen.
Algoritmische analyse van vonnissen |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Namen en rugnummers, s’il vous plaît» en «Software weet wat de judge graag hoort; Ravel Law RELX-dochter ontwikkelt profielen van rechters en hun gedrag»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de ontwikkelingen in de Verenigde Staten waar een bedrijf digitale profielen van rechters maakt om op deze wijze advocaten te assisteren en waarbij wordt gekeken naar data als hoe vaak gaat een rechter mee in het betoog van de officier van justitie, welke zaak citeert een rechter vaak, welke woorden gebruikt de rechter? Vindt u deze ontwikkeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het analyseren van uitspraken is van alle tijden. Professionele procespartijen, zoals advocaten en officieren van justitie, delen van oudsher intern informatie die betrekking heeft op de wijze waarop rechters recht spreken. De inzet van nieuwe technologie maakt het mogelijk dergelijke informatie op veel grotere schaal te ontsluiten, in hogere mate van detail te bestuderen, op veel efficiëntere wijze te analyseren en overzichtelijker ter beschikking te stellen. Die ontwikkeling speelt in de Verenigde Staten, maar ook in verschillende andere landen.
Meer inzicht in eventuele verschillen tussen (de motivering van) vonnissen, en het voor een grotere doelgroep beschikbaar stellen van dat inzicht, kan voordelen bieden. Zo kunnen ook anderen dan professionele procespartijen over dat inzicht beschikken. Ook zou dergelijk inzicht kunnen worden benut voor discussie in de Rechtspraak, hetgeen de kwaliteit van gerechtelijke uitspraken verder zou kunnen bevorderen.
Aan de andere kant is ook denkbaar dat vergaande profilering van rechters leidt tot misplaatste negatieve aandacht voor de persoon van de rechter. Of dat inzichten alleen ter beschikking komen van partijen die daarvoor veel geld betalen. Dat acht ik onwenselijk.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Kunt u de mogelijke gevolgen schetsen die u voorziet bij het gebruik van algoritmische analyse van vonnissen? Bent u van mening dat dit ondermijnende processtrategieën tot gevolg kan hebben of ziet u het als een mogelijkheid tot betere kennis van het recht? Wat betekent het in uw opzicht voor de positie van de individuele rechter?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel procent van het aantal gerechtelijke uitspraken wordt in Nederland online gepubliceerd?
Het percentage van het aantal gerechtelijke uitspraken in Nederland dat online wordt gepubliceerd ligt tussen 2–3% en is licht stijgende. In het kader van het prijsakkoord 2020–2022 heb ik met de Raad voor de rechtspraak afgesproken dat dit percentage in de komende drie jaar stijgt naar 5%.
Bent u bekend met de toepassing van kunstmatige intelligentie op gerechtelijke uitspraken in Nederland naast de ontslagrechtdatabank Lexalyse?2 Zo ja, welke toepassingen kent u? Hoe staat u tegenover deze toepassingen?
Ja, daar ben ik mee bekend. Zo wordt bij de Rechtbank Oost-Brabant een promotieonderzoek uitgevoerd onder de naam Kunstmatige Intelligentie Kennissysteem voor de Rechtspraak. Dit project ziet op het analyseren van ingevoerde data (processtukken), het zoeken op vergelijkbare Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) zaken en het inzichtelijk maken van de tien meest vergelijkbare WAHV-zaken. Daarnaast voert het OM een experiment uit om met kunstmatige intelligentie jurisprudentie te analyseren met als doel een officier voor te bereiden op een zaak of zitting. Ik moedig dergelijke experimenten aan. Op dit moment beschik ik niet over een overzicht van toepassingen van private partijen, waarbij Nederlandse gerechtelijke uitspraken met toepassing van kunstmatige intelligentie worden geanalyseerd. Dat dit gebeurt, blijkt naast de databank Lexalyse bijvoorbeeld ook uit een onderzoek van Deloitte, waarover recent door het Financieele Dagblad is bericht.3
Wat is het wettelijk kader voor de toepassing van kunstmatige intelligentie op gerechtelijke uitspraken in Nederland?
Daarvoor geldt geen specifiek wettelijk kader.
Wat is uw reactie op de hervorming in Frankrijk waarbij enerzijds is besloten dat alle uitspraken openbaar toegankelijk worden en anderzijds dat het verboden is uitspraken te gebruiken voor analyses op basis van identiteitsgegevens van rechters? Hoe verhoudt dit verbod zich tot de vrijheid van meningsuiting?
Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over de wijze waarop maatregelen van de Franse wetgever zich verhouden tot de vrijheid van meningsuiting. In het algemeen kan ik wel het volgende opmerken. Op dit moment wordt, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, een gering deel van de Nederlandse uitspraken openbaar gemaakt. Omdat alle uitspraken die worden gepubliceerd, dienen te zijn geanonimiseerd volgens anonimiseringsrichtlijnen, ontbreekt op dit moment de capaciteit om alle uitspraken te publiceren. Daarnaast dienen potentiële negatieve consequenties van het publiceren van alle uitspraken te worden bezien. Van belang is een goede balans tussen openbare Rechtspraak aan de ene kant en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen (burgers en professionals) aan de andere kant. Daarbij spelen ook de begrijpelijkheid van de uitspraak en de toegang tot de rechter een rol.
Rekening houdend met het voorgaande, verdient het overweging om te onderzoeken of, en zo ja, hoe, op grotere schaal analyse van Nederlandse gerechtelijke uitspraken plaats kan vinden. Ik denk daarbij aan doeleinden ten behoeve van de Rechtspraak zelf, zoals het analyseren van uitspraken ten behoeve van het verhogen van inzicht in eventuele verschillen in motivering. Verder zie ik onder meer potentieel meerwaarde in de analyse van gerechtelijke uitspraken ten behoeve van anderen dan professionele procespartijen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin een burger zou kunnen raadplegen welke gerechtelijke uitspraken zijn gedaan in situaties die vergelijkbaar zijn met zijn situatie. De Raad voor de rechtspraak heeft oog voor dergelijke mogelijkheden en ontwikkelt momenteel een Visie op Data. Daarin onderzoekt hij ook het spanningsveld tussen de openbaarheid van de Rechtspraak en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik blijf hierover graag met de Raad in overleg.