Het bericht ‘Huizenkopers betalen straks bedrag aan notaris voor negatieve rente’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van het Algemeen Dagblad van 7 juni 2020 «Huizenkopers betalen straks bedrag aan notaris voor negatieve rente»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de problematiek die zal ontstaan vanaf 1 juli aanstaande, als klanten van notarissen moeten opdraaien voor de negatieve rente die banken rekenen op de derdengeldrekeningen, die notarissen moeten aanhouden? Acht u dit wenselijk?
Banken lenen zowel geld in als uit. Zij streven ernaar om daarbij hun rentemarge, het tariefverschil tussen in- en uitleenrentes, op peil te houden. Marktrentes, waarmee de spaarrente sterk samenhangt, laten al langere tijd een dalende trend zien. Aan die lage rente liggen zowel structurele als incidentele oorzaken ten grondslag. Banken rekenen de dalende marktrente door aan zowel hun spaarklanten, als aan klanten die lenen bij de bank.
De rente waartegen banken inlenen op spaardeposito’s daalt al sinds de jaren tachtig en staat momenteel historisch laag. De rentes waartegen banken kunnen uitlenen dalen ook al langere tijd. Huishoudens kunnen daardoor goedkoper lenen, bijvoorbeeld om een huis te kopen. En bedrijven kunnen goedkoper geld lenen om investeringen te doen. De lage rente heeft naast ongemak dus ook positieve kanten.
Afgelopen december schreef ik uw Kamer dat ik een negatieve rente voor gewone spaarders ongewenst vind.2 Op dit moment zijn er voor gewone spaarders voldoende mogelijkheden om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Banken hebben zelf aangegeven dat zij in de voorzienbare toekomst niet over zullen gaan tot een negatieve rente voor gewone spaarders. Ook zij zijn zich zeer bewust van de zorgen van gewone spaarders over de dalende rente. Indien de mogelijkheden voor gewone spaarders om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent significant worden beperkt, zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen, en indien opportuun ook wetgeving overwegen.
Ook voor andere bankklanten dan gewone spaarders kan een negatieve rente vervelende effecten hebben. Dit geldt voor notarissen en hun cliënten alsook voor andere bankklanten, waaronder charitatieve en semipublieke instellingen. Ook zij hebben eerder hun zorgen geuit over het rekenen van negatieve rente.3 Hoewel ik deze zorgen begrijp, acht ik ingrijpen in de prijsstelling op dit moment niet verstandig, mede op grond van bevindingen uit onderzoek van de Nederlandsche Bank (DNB).4 Aanvullend acht ik het onwenselijk en niet proportioneel om notarissen uit te zonderen van negatieve rente en anderen niet.
In de vraag wordt gesproken over de aankoop van een huis waarbij een cliënt de negatieve rente over het aankoopbedrag dient te betalen voor het stallen op de derdengeldenrekening bij de notaris. Doorgaans staat het bedrag van een hypothecaire lening één tot twee dagen op de derdengeldenrekening. De kosten van een eventuele negatieve rente over dit bedrag lijken daardoor te overzien. Wanneer een notaris bijvoorbeeld bij de aankoop van een woning van € 344.000 het bedrag van de hypothecaire lening van zijn cliënt voor twee dagen op de derdengeldenrekening plaatst tegen een negatieve rente van 0,5%, dan rekent de bank ca. € 9 aan negatieve rente.5
De kosten van negatieve rente bij de aankoop van een huis hoeven daarnaast niet dwingend voor rekening van de cliënt te zijn. De notaris zou een andersluidende contractuele afspraak kunnen maken met cliënten bij een bepaald soort transactie, al is hij daartoe niet verplicht (zie hiervoor vraag 3). Ook in het spiegelbeeldige geval van een positieve rente over de derdengeldenrekening wordt deze bijvoorbeeld niet altijd vergoed voor bedragen die slechts kort daar gestald worden. Dit omdat de administratieve lasten van de notaris niet zouden opwegen tegen het uitkeren van de positieve rente.
In hoeverre is de notaris wettelijk verplicht om het bedrag aan negatieve rente door te rekenen aan de cliënt?
In beginsel zijn notarissen op basis van een ministeriële regeling6 verplicht om rente te salderen. Uitgangspunt is namelijk dat de notaris financieel geen voor- of nadeel ondervindt van de rente die aan het saldo van de bijzondere rekening wordt toegevoegd. Het rekenen van negatieve rente houdt in dat een bedrag in mindering wordt gebracht op het aandeel van de rechthebbende wiens gelden tijdelijk worden beheerd. Het aandeel op de bijzondere rekening wordt in beginsel zo spoedig mogelijk en volledig door de notaris aan de rechthebbende uitgekeerd.
Deze regel geldt in beginsel, namelijk tenzij de notaris schriftelijk – bijvoorbeeld bij algemene voorwaarden – anders is overeengekomen met de cliënt. Deze uitzondering is in het verleden bijvoorbeeld gebruikt wanneer bedragen kortdurend op de derdengeldenrekening stonden. Een notaris is als ondernemer vrij om de afweging te maken of hij wel of niet door middel van een contractuele afspraak met zijn klant de negatieve rente niet of slechts gedeeltelijk doorberekent. De ministeriële regeling biedt daar een aangrijpingspunt voor.
Acht u het wenselijk dat, bijvoorbeeld bij de koop van een huis, een cliënt de negatieve rente over het gehele bedrag dient te betalen terwijl de cliënt niet het gehele vermogen op de derdengeldrekening heeft ingebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een overleg te organiseren tussen de Nederlandse Vereniging van Banken, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en uzelf om deze problematiek te bespreken?
Vanwege de mededingingswetgeving past mij terughoudendheid om met belangenorganisaties en de bankensector in gesprek te gaan over dit specifieke onderwerp. Prijsafspraken met concurrenten zijn op grond van artikel 6 van de Mededingingswet in principe niet mogelijk.
Notarissen kunnen zelf in gesprek gaan met hun bank over andere mogelijkheden voor de tegoeden op de derdengeldenrekening. Zo zijn er banken die specifieke afspraken maken met bepaalde andere klantgroepen.7 Met name als de kosten van het tijdelijk stallen van gelden laag zijn, zouden notarissen ook kunnen overeenkomen om deze kosten zelf te dragen, als normale bedrijfslasten (zie ook antwoord op vraag 3).
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met de banken, de derdengeldrekening vrij te stellen van de negatieve rente en in plaats daarvan bijvoorbeeld een neutrale of licht positieve rente te laten gelden bij derdengeldrekeningen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er wettelijke mogelijkheden om de derdengeldrekening vrij te stellen van negatieve rente denkbaar? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er?
Mede op grond van het eerder genoemde onderzoek van DNB, vind ik een verbod op negatieve rente op dit moment ongewenst. Ik vind het niet proportioneel om daarop een uitzondering te maken voor derdengeldenrekeningen en niet voor andere ondernemers. Ik zal het onderwerp opnieuw ter hand nemen indien de mogelijkheden voor gewone spaarders significant worden beperkt om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent.
De uitzending van NPO Radio 1 Reporter Radio over het bericht ‘Bitcoinbedrijven sluiten de deuren door te hoge kosten’ |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van NPO Radio 1 Reporter Radio van 7 juni 2020?1 Kunt u reageren op het bericht «Bitcoinbedrijven sluiten de deuren door te hoge kosten»?
Ja, ik ben bekend met deze uitzending. Zoals ik eerder in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Alkaya2 heb geantwoord, is het mijn streven dat zoveel mogelijk partijen actief blijven op de markt, ook na implementatie van de herziene vierde anti-witwasrichtlijn. Het is wel belangrijk dat ook op deze sector toezicht wordt gehouden. Crypto’s gaan gepaard met een hoge mate van anonimiteit en maken het mogelijk om anoniem transacties uit te voeren. Hierdoor is het gemakkelijk om crypto’s te misbruiken voor criminele doeleinden, zoals het witwassen van crimineel verkregen inkomsten. Om deze risico’s te mitigeren, is wetgeving en toezicht noodzakelijk. Met de implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn is hiervoor de wettelijke basis gelegd. De naleving van de wetgeving en het toezicht brengen kosten met zich mee.
DNB heeft de kosten voor dit toezicht geraamd op € 1,7 miljoen voor 2020. Deze kosten worden, zoals bepaald in de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft), verdeeld onder de geregistreerde bedrijven, zoals dat ook gebeurt bij andere ondernemingen die onder toezicht staan van DNB. Voor 2020 betekent dit dat de kosten voor het doorlopend toezicht rond de € 18.000 per bedrijf zijn.3 Jaarlijks worden op grond van artikel 9 van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 uiterlijk op 1 juni voor alle onder toezicht staande instellingen de tarieven voor het doorlopend toezicht voor het desbetreffende jaar vastgesteld. Verder worden er kosten in rekening gebracht voor eenmalige handelingen. Voor een verzoek tot registratie inclusief toetsing van bestuurders zijn de kosten € 5.000.4
Bovenstaande betekent overigens niet per se dat de kosten «ten minste € 20.000 per jaar» zullen zijn. Deze kosten worden namelijk jaarlijks bepaald aan de hand van de begroting van DNB en de omvang en samenstelling van de populatie van de toezichtcategorie. Zoals ik in antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Alkaya schreef, kunnen vanaf volgend jaar de kosten voor het toezicht op crypto-aanbieders aan de hand van de omzet van de instelling naar draagkracht verdeeld worden.
Herkent u het beeld dat startende, innovatieve bedrijfjes in de cryptosector in de problemen komen door toezichtskosten van ten minste € 20.000 per jaar? Waarom zijn deze kosten voor het lopende jaar pas in mei jl. bekendgemaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt zich deze situatie met de Kamerbreed aangenomen motie-Alkaya/Van der Linde (Kamerstuk 35 245, nr. 15)?
Zoals ik in mijn antwoord op vragen 1 en 2 heb toegelicht is het noodzakelijk om ook cryptodienstverleners te reguleren om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. Gevolg hiervan is dat zij beleid, procedures en maatregelen moeten hebben om misbruik van hun dienstverlening te voorkomen en dat zij cliëntenonderzoek moeten verrichten en ongebruikelijke transacties moeten melden. Deze basis is cruciaal om als poortwachter te kunnen functioneren. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) houdt rekening met kleinere instellingen. De maatregelen zijn risico-gebaseerd en moeten in proportie zijn met de grootte van de instelling. Dit jaar betalen alle instellingen hetzelfde bedrag omdat de omvang van de activiteiten nog niet bekend is. Vanaf volgend jaar worden de kosten voor het toezicht naar draagkracht verrekend. Daardoor kan ook bij de bekostiging rekening worden gehouden met kleine partijen.
Kunt u aangeven waarom autohandelaren, juweliers, trustkantoren en creditcardmaatschappijen minder hoge toezichtskosten hebben? Klopt het dat de toezichtskosten van het Bureau Financieel Toezicht gemiddeld veel lager zijn?
Autohandelaren en juweliers staan niet onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) of De Nederlandsche Bank (DNB) en krijgen de kosten van het toezicht niet doorberekend. Voor trustkantoren geldt in 2020 niet per se een lager tarief dan voor cryptodienstverleners. Een directe vergelijking is lastig, gezien het feit dat de kosten voor trustkantoren al wel gestaffeld kunnen worden naar grootte van het bedrijf en voor cryptobedrijven nog niet. Voor 2020 geldt dat de daadwerkelijk te betalen doorlopende kosten voor cryptodienstverleners even hoog zijn als voor trustkantoren met een omzet tussen de € 100.000 en € 200.000. Trustkantoren die een omzet van meer dan € 200.000 hebben betalen in 2020 significant meer dan geregistreerde cryptobedrijven. Zoals ik in antwoord op vraag 3 schreef, zal vanaf volgend jaar ook voor de cryptosector gelden dat de kosten naar rato worden verdeeld. Voorts is de vergelijking tussen kosten voor creditcardmaatschappijen en cryptodienstverleners niet eenvoudig te maken, omdat de meeste creditcardmaatschappijen die actief zijn in Nederland onder toezicht staan als bank of als betaalinstelling. De kosten die worden gemaakt voor het toezicht op deze creditcardmaatschappijen worden via die toezichtcategorieën doorbelast aan deze instellingen en zijn daarmee dus opgenomen in het bedrag dat is begroot voor die specifieke categorieën.
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) houdt in het kader van de Wwft toezicht op o.a. notarissen, belastingadviseurs en accountants en vergelijkbare beroepen.5 Voor het Wwft-toezicht berekent BFT geen kosten door. De beroepsgroepen waarop BFT toezicht houdt, de werkzaamheden die deze groepen uitvoeren en de daarmee verband houdende naleving van de Wwft verschillen dermate van de cryptosector dat de activiteiten en kosten van DNB niet vergelijkbaar zijn.
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen een «instaptarief» voor startende ondernemers in deze branche?
Zoals ik in antwoord op vragen 3 en 4 heb aangegeven, worden vanaf volgend jaar de kosten aan de hand van omzet verdeeld, waardoor er, de facto, een «instaptarief» voor nieuwe cryptobedrijven zal ontstaan.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat deze sector onder het Nederlands toezicht valt en in Nederland ongebruikelijke transacties meldt? Zo ja, wat vindt u ervan dat een aantal Nederland heeft verlaten? Wat betekent dit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven?
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) schrijft voor dat ieder bedrijf dat in of vanuit Nederland omwisseldiensten met virtuele valuta of bewaarportemonnees aanbiedt, zich moet registreren bij DNB. Dit geldt ook in geval de partij in een ander land is gevestigd. Aan elk bedrijf dat bij DNB geregistreerd is worden toezichtkosten in rekening gebracht. Hiermee komen alle partijen die in of vanuit Nederland diensten uitvoeren dus onder toezicht te staan en moeten zij in Nederland ongebruikelijke transacties melden. Dit zorgt eveneens voor een gelijk speelveld voor het aanbieden van diensten op de Nederlandse markt. Ik zie daarom geen redenen om voor deze specifieke sector verder stappen te zetten op dit moment. Wel stuur ik deze zomer een FinTech-actieplan naar uw Kamer, waarin ik een aantal nieuwe acties aankondig om de gehele Nederlandse FinTech-sector te stimuleren. Een groot gedeelte van deze acties zal ook voor de gereguleerde cryptobedrijven van toepassing zijn.
Hoe ziet u deze ontwikkelingen in het licht van een Europese antiwitwasaanpak, waarvoor de vicevoorzitter van de Europese Commissie, Dombrovskis, plannen heeft gelanceerd voor een Europese toezichthouder?2
Zoals ik aan uw Kamer schreef in het BNC-fiche ben ik voorstander van de plannen van de Europese Commissie om de Europese regels omtrent witwassen en financieren van terrorisme verder harmoniseren, en een Europese toezichthouder te introduceren. Dit is van belang voor een effectieve en eenduidige grensoverschrijdende aanpak, en om een gelijk speelveld tussen EU-lidstaten te bewaken.
Met name dit laatste is voor startende ondernemers, waaronder nieuwe innovatieve partijen zoals cryptodienstverleners, van groot belang. Harmonisatie helpt, met name bij grensoverschrijdende activiteiten, om complexiteit te verminderen, en eerlijke concurrentie binnen de EU te waarborgen. Volledigheidshalve merk ik op dat Nederland pleit voor een gefaseerde invoering van het centrale Europese toezicht, met als inzet dat uiteindelijk ook cryptodienstverleners hieronder zouden kunnen vallen.
Welke stappen bent u voornemens te zetten om ervoor te zorgen dat Nederlandse bedrijven niet naar het buitenland verhuizen en binnen welke termijn bent u van plan deze te zetten?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Niemand wees Marjolein door’ en vergoeding fysiotherapie bij coronapatiënten die niet in het ziekenhuis zijn opgenomen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Niemand wees Marjolein door» en het niet vergoeden van fysiotherapie bij coronapatiënten die niet in het ziekenhuis zijn opgenomen geweest?1 2
Ik heb kennis genomen van het bericht. Zoals ik eerder heb aangegeven heeft – los van dit bericht – revalidatie na COVID-19 mijn aandacht. Ik heb begin mei het Zorginstituut Nederland gevraagd om mij op korte termijn te adviseren over maatregelen ten aanzien van de aanspraak voor paramedische zorg in de Zorgverzekeringswet om de juiste (na)zorg op de juiste plek te bieden aan patiënten, die herstellen van COVID-19 (Kamerstuk 25 295, nr. 315).
Op welke fysiotherapeutische zorg hebben coronapatiënten recht met de diagnosecode voor een chronische indicatie? Is het aantal behandelingen en de periode waarin mag worden behandeld hierbij gemaximeerd? Kunt u dit toelichten?
Voor coronapatiënten gelden dezelfde aanspraken als voor patiënten die herstellen van andere aandoeningen. Dit betekent dat wanneer fysio- of oefentherapie nodig is voor het herstel na COVID-19, bij iemand die in het ziekenhuis is opgenomen geweest, deze therapie vanaf de 21e behandeling wordt vergoed vanuit het basispakket tot maximaal een jaar na ontslag uit het ziekenhuis. Iemand die niet in het ziekenhuis is opgenomen geweest moet de behandelingen voor fysio- en oefentherapie zelf betalen (of vanuit de aanvullende verzekering mits afgesloten). Dit geldt ook als de behandelend arts deze persoon doorverwijst naar de fysiotherapeut.
De intramurale fysio-en oefentherapie, waaronder behandelingen die worden verleend in het kader van een ziekenhuisopname of opname in een revalidatie-instelling of revalidatiedagbehandeling behoren ook tot het verzekerde pakket.
Klopt het dat ondanks een verwijzing door een behandelend arts coronapatiënten die niet in het ziekenhuis hebben gelegen niet in aanmerking komen voor fysiotherapie op basis van een chronische indicatie in tegenstelling tot patiënten die wel in het ziekenhuis hebben gelegen?
In de huidige aanspraak is dit juist. Zie ook antwoord op vraag 2.
Stel dat in een revalidatietraject 50 behandelingen nodig zijn, kunt u dan aangeven hoeveel patiënten met een basisverzekering gemiddeld kwijt zijn aan persoonlijke kosten in een revalidatietraject bij chronische klachten door corona, uitgaand van situatie a: patiënt heeft een chronische indicatie en b: patiënt heeft geen chronische indicatie?
In het geval van situatie a waarbij de patiënt een chronische indicatie heeft, komen de eerste 20 behandelingen voor eigen rekening (of de aanvullende verzekering). Bij een patiënt zonder chronische indicatie komen alle behandelingen voor eigen rekening. In de huidige aanspraak zijn de precieze kosten per individu afhankelijk van de tarieven en het soort behandeling.
Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is dat mensen met corona in het ziekenhuis moeten hebben gelegen om in aanmerking te kunnen komen voor de chronische indicatie, terwijl een grote groep voormalige coronapatiënten langdurige klachten houdt zonder in het ziekenhuis te zijn beland?3
Op dit moment is er nog veel onduidelijk over wat goede nazorg is voor patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt. Ik vind het van belang om hier snel een goed beeld van te krijgen. Om inzicht te krijgen in welke patiënten met welke klachten welke zorg op welk moment en door welke professional nodig hebben, heb ik begin mei ZonMw de opdracht gegeven om in overleg met relevante partijen een voorlopige kwaliteitsstandaard voor revalidatie- en nazorg na COVID-19 op te stellen. Deze wordt eind juni verwacht.
Omdat de aanspraak voor eerstelijns paramedische zorg – zoals hiervoor beschreven – beperkt is en reeds blijkt dat een deel van de mensen die COVID-19 heeft doorgemaakt gebruik zal maken van deze zorgvormen, heb ik begin mei het Zorginstituut Nederland (ZIN) gevraagd om mij te adviseren of de huidige aanspraak passend is om mensen de juiste (na)zorg te bieden. Ik heb ZIN gevraagd in dit advies rekening te houden met de beperkte beschikbare kennis over de ziekte en het hersteltraject (en daarmee over de effectiviteit van de paramedische zorg bij deze aandoening). Ook heb ik gevraagd op welke manier een eventuele uitbreiding van de aanspraak buiten de reguliere pakketcyclus om vormgegeven zou kunnen worden (bijvoorbeeld in een experimentele setting) en welke rechtvaardigingsgrond er is om een uitzondering te maken voor COVID-19 patiënten. Tot slot heb ik ZIN gevraagd om in te gaan op de manier waarop een eventuele uitbreiding van de aanspraak gepaard kan gaan met onderzoek naar de effectiviteit van paramedische zorg bij de revalidatie na COVID-19. Het ZIN betrekt bij het opstellen van het advies over de aanspraak de informatie uit de kwaliteitsstandaard voor revalidatie- en nazorg na Covid-19 die ZonMw laat ontwikkelen. Ik verwacht het advies van ZIN binnen enkele weken te ontvangen. Op basis hiervan zal ik kijken wat nodig is om de nazorg voor deze patiënten goed te regelen. Hierover zal ik uw Kamer zo snel mogelijk na het zomerreces informeren.
Hoe zit het met de multidisciplinaire vergoeding? Kunnen meerdere zorgverleners op dezelfde code in eenzelfde periode behandelen en hoe wordt dit bekostigd? Als men uit de aanvullende verzekering moet putten, komt dan een aantal diensten uit hetzelfde potje? Kunt u dit toelichten?
In de eerstelijns paramedische zorg kent elke zorgvorm een eigen aanspraak en eigen bekostiging. Het is dus niet zo dat het aantal behandelingen fysiotherapie dat vergoed wordt uit de basisverzekering «ten koste gaat» van het aantal behandelingen diëtetiek of ergotherapie waarop iemand aanspraak kan maken.
Iedere paramedische zorgsector heeft hiervoor sectorspecifieke prestaties met vrije tarieven beschikbaar om zorg in rekening te brengen.
De vergoeding uit de aanvullende verzekering is afhankelijk van de polisvoorwaarden en kan per verzekering verschillen.
Hoe kan een goede structuur worden opgezet voor de bekostiging van een multidisciplinair traject, waarbij de schotten geen rol spelen en de zorg volledig afgestemd kan worden op wat de patiënt nodig heeft?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) brengt in een overzicht samen hoe de revalidatiezorg na COVID-19 georganiseerd kan worden, rekening houdend met de capaciteit en bekostiging. Hierbij stimuleert de NZa de juiste zorg op de juiste plek. De NZa onderzoekt hiervoor onder andere in hoeverre de huidige prestaties en tarieven passend en toereikend zijn voor het herstel van COVID-19 patiënten. Er zijn verschillende bekostigingsopties zowel monodisciplinair als multidisciplinair. Op basis van verdere uitwerking van deze opties en afstemming met de betrokken branchepartijen kan een afweging worden gemaakt of een wijziging in de huidige bekostiging van de revalidatie na COVID-19 in de eerstelijnszorg wenselijk en nodig is. Ik heb ZIN gevraagd het advies over de aanspraak voor paramedische zorg af te stemmen met de NZa.
Tot slot heb ik een bestuurlijke stuurgroep «revalidatiezorg voor (ex-)Covid-19 patiënten» ingesteld. Hierover heb ik u reeds geïnformeerd (Kamerstuk 25 295, nr. 386). Deze stuurgroep gaat ervoor zorgen dat de verschillende trajecten goed op elkaar blijven aansluiten, dat integraal afwegingen worden gemaakt, en dat deze aansluiten bij de voortschrijdende inzichten in de kennisontwikkeling rondom COVID-19.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Pakketbeheer van 17 juni 2020?
Ja.
Een bericht van Hogeschool InHolland op Facebook |
|
Harm Beertema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Hogeschool InHolland op 3 juni jl. op Facebook heeft geplaatst?1
Ja.
Erkent u dat Hogeschool InHolland zich daarmee zonder enig voorbehoud affilieert met de Blacklivesmatter-beweging die in de Verenigde Staten en elders heeft geleid tot buitensporig en onbeheersbaar geweld, moord, brandstichting en plundertochten, mede onder leiding van het subversieve Antifa? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de Kamerbrief kabinetsaanpak van discriminatie2 d.d. 15 juni staat expliciet beschreven dat een inclusieve leeromgeving om beleid vraagt dat enerzijds het bewustzijn en de kennis van studenten en leerlingen over diversiteit vergroot en anderzijds scholieren weerbaarder maakt. Bewustmaking, kennisneming van en het delen van ervaringen zijn elementen die in de Facebookpost worden gestimuleerd.
De hogeschool zelf verklaart de ontstane ophef te betreuren. Inholland wil een hogeschool zijn waar iedereen zich thuis moet kunnen voelen, waar verschil er mag zijn en waar de talenten van ieder individu worden benut. Diversiteit ziet de hogeschool als kracht. Er wordt veel aandacht besteed aan onderwerpen als diversiteit en inclusie en de hogeschool voert structureel de dialoog met collega’s en studenten.
Deelt u de opvatting dat Hogeschool Inholland met het plaatsen van dit bericht op haar Facebook-pagina zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing en flagrante politieke indoctrinatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, het bevorderen van goed burgerschap is een taak van het onderwijs. De manier waarop instellingen deze taak op zich nemen laten wij als maatwerk over aan de instellingen zelf.
Bent u van mening dat van «...samen leren, samen durven...» waar in het bericht op Facebook over gesproken wordt, geen sprake kan zijn als Inholland expliciet en uitsluitend verwijst naar wat blanke studenten kunnen doen tegen racisme en daarbij ook nog verwijst naar de uiterst haatvolle en opruiende speech van Akwasi, waarin zelfs gedreigd werd met fysiek geweld tegen Zwarte Piet, de racistische website withuiswerk.nl en het eveneens racistische boek «Hallo Witte Mensen» van Anousha Nzume? Zo nee, waarom niet?
Het recente rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, «Ervaren discriminatie II», dat op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld, laat zien dat discriminatie een grote impact heeft op het leven van individuen. Zoals beschreven in de Kamerbrief kabinetsaanpak van discriminatie d.d. 15 juni zijn de conclusies van het SCP-rapport te zien als stimulans om discriminatie binnen de school/instelling aan te pakken en bespreekbaar te maken, ook vanuit het thema Burgerschap. De Facebookpost van Hogeschool InHolland is te zien als een aanmoediging om discriminatie bespreekbaar te maken. Naar aanleiding van de gebeurtenissen van de afgelopen weken organiseert de hogeschool een reeks gesprekken over diversiteit en inclusie. Sinds 2017 loopt binnen de hogeschool daarnaast al de onderzoekslijn diversiteitsvraagstukken en is er een structurele verankering van de discussie over diversiteit en inclusie in een community of practice.
Erkent u dat de door de universiteiten en hogescholen aangestelde en gefaciliteerde «diversity officers» bij uitstek het voorbeeld zijn van politieke indoctrinatie in het hoger onderwijs en bent u bereid om met de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in gesprek te gaan om hogescholen en universiteiten te bewegen hun zogenaamde «diversity officers» te ontslaan, omdat het nadrukkelijk geen taak is van de academische gemeenschap om studenten te bewegen in de richting van anarchisme, ondermijnend en splijtend actievoeren, temeer omdat de Nederlandse belastingbetaler zich in overgrote meerderheid afkeert van dergelijke subversie? Zo nee, waarom niet?
Nee, de onderwijsinstellingen hebben de vrijheid het onderwijs zelf in te richten binnen de wettelijke kaders. Het is aan de instellingen om te bepalen of er wel of geen diversity officers aangesteld worden. Hier is sprake van maatwerk.
Bent u tenslotte bereid om de VSNU te bewegen wetenschappelijke onderzoeken en publicaties die nuance aanbrengen, waartoe het artikel van Syp Wynia een goede basis biedt, omdat die betogen dat in Nederland bij uitstek nauwelijks sprake is van institutioneel racisme, onder de aandacht te brengen van docenten, hoogleraren en studenten? Zo nee, waarom niet?2
Nee, dat is aan hogeronderwijsinstellingen.
Het bericht dat de Kansspelautoriteit machteloos staat tegen gokelementen in videogames |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van reporter radio over de machteloosheid van de Kansspelautoriteit (Ksa) als het aankomt op het handhaven van de Wet op de kansspelen (Wok) en gokelementen in videogames?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over dit specifieke onderwerp?2
Ja.
Kan worden verduidelijkt wat de status, dan wel het resultaat, is van het onderzoek naar de twee aanbieders die eerder weigerden hun videogame aan te passen om zo toch, volgens de Ksa, aan de Wok te voldoen? Heeft de Ksa deze aanbieders voor de rechter gedaagd? Zo nee, waarom niet?
Ik merk op dat de Kansspelautoriteit (Ksa) over al dan niet lopende, individuele zaken geen uitspraken kan doen. Wel kan ik in het algemeen het volgende opmerken.
Wanneer een (rechts)persoon zonder vergunning een kansspel aanbiedt, kan de Ksa verschillende maatregelen treffen. Zij kan bijvoorbeeld eerst een normoverdragend gesprek voeren en, als dat niet het gewenste effect heeft, bestuursrechtelijke sancties opleggen, zoals een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. De Ksa maakt opgelegde sancties in beginsel via haar website openbaar. Zowel de Ksa als ik hechten aan snelle handhaving en in de regel is dat mogelijk. Uiteraard is het onwenselijk als tussen het moment van constatering van overtreding van de Wok en feitelijke effectuering van de handhaving daarvan veel tijd ligt. Dit kan echter het gevolg zijn van het succesvol aanwenden van rechtsmiddelen door de aanbieder (bezwaar- en beroepsprocedures).
Op welke manier denkt de Ksa snelle handhaving van de Wok af te dwingen bij aanbieders van videogames die zich volgens de Ksa niet aan de regels houden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat meer dan twee jaar nadat de Ksa concludeerde dat een aantal videogames niet aan de Wok voldeed, een spel als Fifa nog steeds niet aan de regels voldoet? Is een dergelijk lange handhavingstermijn wel uit te leggen als het om de gezondheid (verslavingsgevaar) van veelal jeugdigen gaat? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de kritiek, zoals die naar voren komt in het item van reporter radio, dat de regels, zoals geformuleerd in de huidige Wok, niet duidelijk genoeg zijn?
In de Wet op de kansspelen geldt op basis van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, het verbod om gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars plaatsvindt door kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij een vergunning is verleend door de Kansspelautoriteit. Dit artikel is techniek-neutraal geformuleerd, juist met het oog op nieuwe ontwikkelingen. In de Leidraad beoordeling kansspelen heeft de Kansspelautoriteit de verbodsbepaling nader uitgewerkt. Zij heeft tien spellen met loot boxes onderzocht en geconcludeerd dat bij vier spellen vanwege het aanbod van loot boxes de Wet op de kansspelen is overtreden. Ik zie op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat de regels in de Wok niet duidelijk genoeg zijn.
Waarom lukt het volgens u de Ksa tot nu toe niet om het verbod op gokelementen in videogames bij alle aanbieders te handhaven? Waar ligt dat aan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen voor het VAO Kansspelen beantwoorden?
Ja.
Het basisjaar van de CORSIA |
|
Jan Paternotte (D66), Suzanne Kröger (GL), Eppo Bruins (CU), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het voorstel van de Europese Commissie om de referentieperiode van het Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA) op basis waarvan de CO2-compensatievereisten worden vastgesteld te beperken naar 2019?1
Ja, van dat voorstel ben ik op de hoogte.
Klopt het dat een aanpassing van het basisjaar, zoals ook is opgemerkt door de Europese Commissie, mogelijk tot een situatie leidt waarin er tot 2023 geen compensatievereisten zijn voor de luchtvaartsector? Kunt u toelichten of u dit wenselijk acht gezien de klimaatopgave waar we voor staan?
De klimaatopgave is gebaat bij een mondiale aanpak van de luchtvaartsector en bij maatregelen die uiteindelijk leiden tot een absolute reductie binnen de sector zelf. Het definiëren van een lange termijn doelstelling is daarvoor van groot belang en mondiaal is dit proces onlangs gestart met het oog op besluitvorming in 2022.
Offsetting maakt deel uit van het traject om tot die absolute reductie te komen, maar is geen doel op zich.
Als er zou worden besloten tot een aanpassing van de baseline naar het jaar 2019 dan is het ook afhankelijk van het herstel van de luchtvaartsector in hoeverre er in de eerste fase van CORSIA van offsetting sprake zal zijn. Het is dus inderdaad mogelijk dat er geen sprake is van offsetting gedurende de eerste periode.
Klopt het dat Nederland tot 9 juni 2020 heeft om schriftelijk een voorstel te doen/voorkeur aan te geven? Bent u van plan dit met de Kamer te delen/bespreken? Zo nee, waarom niet?
Bij de ontwikkeling van de luchtvaart zet Nederland in op ambitieuze doelen en op het behoud en de implementatie van CORSIA met de huidige definitie van de baseline als uitgangspunt. Aanpassingen in CORSIA beschouwt Nederland als fall back optie met oog op het behoud van het systeem.
Het op 9 juni vastgestelde Raadsbesluit over het voorstel van de Europese Commissie is bedoeld als praktische instructie voor de Europese leden in de ICAO Council bij de onderhandelingen over dit onderwerp tijdens de komende vergadering, die duurt van 8 tot 26 juni. Het raadsbesluit is geen besluit tot aanpassing van de baseline. Dat mandaat ligt bij de Raad van ICAO. Het is gebruikelijk dat voorafgaand aan internationale vergaderingen, waaraan de EU deelneemt, een Europees proces wordt doorlopen om vast te stellen welke ruimte de EU (respectievelijk haar deelnemende lidstaten) in de onderhandelingen heeft.
In dit besluit is duidelijk aangegeven op basis van welke juridische en technische overwegingen er ruimte is voor de Europeseleden van de Raad van ICAO om, zoals in het raadsbesluit staat aangegeven «if necessary», een besluit te steunen om de baseline te wijzigen naar 2019 met een voorziene evaluatie in 2022. Tijdens de laatste schriftelijke ronde heeft geen van de 27 Europese lidstaten heeft naar aanleiding van het voorgenomen raadsbesluit gereageerd, waarmee het raadsbesluit unaniem is vastgesteld.
Kunt u de Nederlandse positie met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten wat u bedoelde toen u in de beantwoording van het schriftelijk overleg voor de Transportraad2 schreef: «Nederland is daarbij ambitieus.»? Betekent dit dat Nederland voor ambitieuzere doelen gaat dan het oude voorstel? Voor ambitieuzere doelen dan het nu voorliggende compromis? Of voor ambitieuzere doelen dan het meest vergaande voorstel om de doelen te verzwakken?
De onderhandelingen vinden plaats van 8 tot 26 juni tijdens de 220ste zitting van de Raad van ICAO. Op vrijdag 12 juni heeft een eerste debat over CORSIA plaatsgevonden. Wat Nederland betreft is het uitgangspunt bij deze onderhandelingen de baseline, zoals die in de huidige regels is gedefinieerd als het gemiddelde van de jaren 2019 en 2020 en dat is ambitieuzer dan de ter bespreking voorliggende aanpassing. Gezien de op dit moment sterk uiteenlopende posities van de leden in de Raad van ICAO is het zeer de vraag of er tijdens deze zitting een besluit kan worden genomen. De roep om meer informatie en een beter inzicht in de gevolgen van de verschillende opties wordt steeds sterker.
Kunt u toelichten hoe het internationale proces verder zal verlopen? Wanneer wordt de baseline-kwestie en het EU-standpunt in het verband van de International Civil Aviation Organization (ICAO) besproken? Kunt u aangeven wanneer dit in de ICAO-raad wordt besproken? Wat zal de positie van Nederland in de ICAO-raad zijn op dit onderwerp?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zal (naar uw verwachting) het resultaat zijn voor de korte termijn (vijf jaar) en voor de lange termijn (dertig jaar) voor de effecten van CORSIA op emissies en het klimaat, als de baseline uitsluitend over 2019 wordt berekend in plaats van over 2019 én 2020? Deelt u de analyse van het Öko-Institut3 dat het verschil tussen 2020 wel of niet mee laten tellen over de looptijd van CORSIA honderden of zelfs duizenden megatonnen CO2 kan schelen?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Mede afhankelijk van de ontwikkeling van de luchtvaart in de komende jaren zou een lagere referentielijn eerder kunnen leiden tot de verplichting tot offsetting van emissies en daarmee ook over de totale looptijd van CORSIA (2020 – 2035). Het doel van de verduurzaming van de luchtvaart is uiteindelijk niet gelegen in offsetting, maar in het bereiken van absolute reducties door technologische vernieuwing en schonere brandstof.
Wat vindt u van het advies van het Öko-Institut om te wachten met aanpassingen van de baseline, tot aan de algemene CORSIA-herziening in 2022?
Het wachten met een besluit tot de evaluatie in 2022 is een van de opties die in ICAO op tafel ligt en komt in feite overeen met het handhaven van de huidige definitie van de baseline tijdens de eerste fase. Zie daarover ook mijn antwoord op vragen 5 en 6.
Bent u van mening dat u, mede gezien de motie-Kröger c.s. van 19 april 20184, de Kamer voldoende proactief op de hoogte hebt gehouden van deze ontwikkeling?
Ja.
Kunt u nader uiteenzetten wat uw vervolgstappen zullen zijn als dit voorstel wordt aangenomen en het CORSIA-referentiejaar 2019 wordt?
Mocht er uiteindelijk nu of later dit jaar besloten worden tot een aanpassing van het basisjaar dan zal ik inzetten op de evaluatie die voorzien is in 2022. Gelijktijdig zet ik mij in voor een ambitieus lange termijn doel waarover in ditzelfde jaar in de Algemene Vergadering van ICAO een besluit wordt genomen.
Kunt u toelichten hoe 2019 als referentiejaar zich verhoudt tot de motie van de leden Paternotte en Kröger5 die stelt dat de invoering van CORSIA op geen enkel vlak een verzwakking mag betekenen ten opzichte van het Europese emissiereductiesysteem, en dat het EU-ETS-systeem niet mag worden vervangen totdat het ambitieniveau is verhoogd? Bent u het eens met de vragenstellers dat het ambitieniveau zeker niet verhoogd is met het aannemen van het referentiejaar 2019?
Wat betreft de gelijktijdige toepassing van het EU ETS en CORSIA kijk ook ik uit naar de rapportage van de Europese Commissie over hoe dit vorm te geven mede in het licht van de voorgenomen evaluatie en aanscherping van het EU ETS. Volgens de laatste berichten staat deze nu gepland voor dit najaar.
Het ambitieniveau van CORSIA is koolstofneutrale groei vanaf 2020. Wat de keuze voor het jaar 2019 als referentiejaar precies betekent zal feitelijk tegen het einde van 2020 bekend worden, wanneer nauwkeuriger kan worden vastgesteld hoe het gemiddelde van 2019 en 2020 zich zal verhouden tot het jaar 2019. Het uitgangspunt voor Nederland is behoud van de huidige ambitie.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voordat u het Nederlandse voorstel indient?
Zie mijn beantwoording.
Verontrustende berichtgeving met betrekking tot de As Soennah Moskee en de reactie van de burgemeester van Den Haag op het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom |
|
Bente Becker (VVD), Jasper van Dijk (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
U geeft aan reeds in contact te staan met de gemeente Den Haag. Betreft het hier ook contact omtrent handhaving en zo ja op welke wijze?1 Zo nee waarom niet?
Ik ben op de hoogte van de beantwoording van het WOB-verzoek van Femmes For Freedom door de gemeente Den Haag. Het contact met de gemeente Den Haag heeft inderdaad geen betrekking op gezamenlijke mogelijkheden tot handhaving in dit specifieke geval. Ik heb in de beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp een algemene notie gemaakt2.
Daarbij heb ik bedoeld in samenwerking met de NCTV doorlopend in contact te staan met gemeenten over de benodigde ondersteuning bij de lokale aanpak van radicalisering en extremisme. In dit verband onderhoud ik ook contact met de gemeente Den Haag.
Strafrechtelijk ligt er nu een veroordeling in eerste aanleg (uitspraak van 19 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5469)3. De procedure over het handhavingsverzoek bevindt zich in de fase van beroep bij de rechtbank. Vooruitlopend op de vraag naar handhavingsmogelijkheden vanuit de Minister van Justitie en Veiligheid, is in genoemde eerdere Kamervragen (nr. 2020D09559) gereageerd op de mogelijkheden op grond van de Tijdelijke Wet Bestuurlijke Maatregelen Terrorisme (hierna: TWBMT). In die beantwoording is aangegeven dat in deze casus geen sprake is van terroristische activiteiten en dat daarom het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van de TWBMT niet mogelijk is.
Bent u op de hoogte van de beantwoording van het WOB-verzoek van Femmes For Freedom waarin wordt aangegeven dat u geen contact heeft gehad over gezamenlijke mogelijkheden tot handhaving? Is deze bewering juist? Zo ja, waarover gaat/ging het contact dan wel? Waarom is er over handhaving geen contact geweest?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is het van belang om de lopende procedure van het handhavingsverzoek af te wachten alvorens u respectievelijk uw ministerie of de burgemeester handhavend kan optreden?
Het is aan de burgemeester om een dergelijk handhavingsverzoek te beoordelen en daarop, na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, een beslissing te nemen. De burgemeester van Den Haag heeft besloten dat er geen gronden zijn om handhavend op te treden jegens de As Soennah moskee. Over dergelijke beslissingen legt hij verantwoording af aan de gemeenteraad.
Tegen een beslissing van de burgemeester kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Dat is in deze zaak ook gebeurd. Die procedure loopt nog. Het is uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of de burgemeester zijn besluit al dan niet terecht heeft genomen. Ik treed niet in die overweging, noch in die beslissing.
Wordt de Taskforce – ondanks voldoende handelingsperspectief bij de gemeente – betrokken om te zorgen dat deze op de hoogte is van de actuele stand van zaken, om de kennis van de aanpak bij de Taskforce te vergroten en om de integraliteit van het overheidsoptreden te borgen? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce is niet inhoudelijk betrokken bij de reactie van de burgemeester van Den Haag op het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom. Dat verzoek is gericht aan de burgemeester van Den Haag. Het is aan de burgemeester om op het verzoek te beslissen.
Wel werkt de Taskforce in algemene zin nauw samen met gemeenten, ook met de gemeente Den Haag. Daarbij staat het uitwisselen van kennis en ervaringen centraal.
Is u bekend dat de burgemeester al heeft besloten om niet handhavend jegens de As Soennah moskee op te treden en het handhavingsverzoek heeft afgewezen, en de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Den Haag de burgemeester eveneens heeft geadviseerd niet over te gaan tot handhaving? Zo ja, waarom moet u alle lopende procedures afwachten, terwijl de burgemeester reeds heeft aangegeven niet handhavend te willen optreden?
Ja, het is mij bekend dat de burgemeester van Den Haag het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom heeft afgewezen. De zaak is nog onder de rechter; zoals gezegd loopt er nu een beroepsprocedure. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3.
Overigens wijs ik u erop dat ik al eerder heb geantwoord dat in deze zaak geen sprake is van terroristische activiteiten en dat ik daarom niet kan optreden op grond van de TWBMT4.
Er is strafrechtelijk onderzoek gedaan. Dat heeft geleid tot een veroordeling in eerste aanleg (uitspraak van 19 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5469)5.
Heeft een burgemeester de bevoegdheid om een gebedshuis alleen op grond van artikel 174 Gemeentewet te sluiten?
Artikel 174 Gemeentewet belast burgemeesters met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Burgemeesters mogen in verband met dat toezicht de bevelen geven die nodig zijn met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid. Ook is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover die betrekking hebben op die toezichtstaak. Het gaat hierbij om onverwijld ingrijpen ter bescherming van veiligheid en gezondheid van de burger in individuele gevallen en op bepaalde plaatsen. Bijvoorbeeld de ontruiming van een brandgevaarlijk gebouw. Of een burgemeester artikel 174 Gemeentewet in een specifiek geval aanwendt, staat ter beoordeling van die burgemeester.
In algemene zin geldt dat burgemeesters aan deze bepaling niet de bevoegdheid kunnen ontlenen om grondwettelijk beschermde grondrechten te beperken. Een gebedshuis is een religieus gebouw dat als besloten plaats voor geloofsbelijdenis wordt beschermd door artikel 6 van de Grondwet. Artikel 174 Gemeentewet biedt dan ook geen basis biedt voor sluiting van een gebedshuis.
Dient het oproepen tot haat en geweld jegens vrouwen te worden gezien als schending van de openbare orde?
Oproepen tot haat en geweld is ten alle tijden onacceptabel – en een strafbaar feit. Het Openbaar Ministerie is belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Of die oproep mogelijk ook een schending van de openbare orde betekent, staat ter beoordeling van de burgemeester en gebeurt op basis van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. In een juridische procedure kan die vraag ook aan de rechter worden voorgelegd. In zijn algemeenheid merk ik op dat het, in het kader van de bevoegdheden van de burgemeester, bij openbare orde gaat om het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse.
Bent u bereid nog eens de mogelijkheden te heroverwegen voor (gezamenlijk) handhavend optreden?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Het is aan de burgemeester om al dan niet handhavend op te treden. Strafrechtelijke vervolging is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Desgewenst kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
Het bericht dat plastic afval nauwelijks gerecycled wordt |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er nauwelijks afnemers zijn voor gerecycled plastic en de hoeveelheden zich inmiddels ophopen?1
De daling van de prijs van virgin plastics als gevolg van de dalende olieprijs verslechtert de concurrentiepositie van recyclaat. Daarnaast is, mede door bijvoorbeeld de stilvallende productie in de auto-industrie, het aantal afnemers van recyclaat afgenomen.
Kunt u verder toelichten waarom het hier «een grote uitdaging» betreft? Hoe pakt u deze uitdaging op?
Plasticrecyclaat kan in prijs nog niet concurreren met virgin plastic. Voor een substantieel deel van de plasticstroom ontbreekt een hoogwaardige toepassing en daarmee een volwassen marktvraag naar het recyclaat.
De coronacrisis legt dergelijke structurele uitdagingen binnen de sector bloot. Ook vóór de coronacrisis was de uitdaging voor de kunststofketen om de verschillende soorten plastic hoogwaardig te kunnen recyclen en het recyclaat af te kunnen zetten.
Er is niet één oplossing voor deze situatie. Ik wil samen met alle betrokken partijen kijken wat er gedaan kan worden. Binnenkort organiseert het Versnellingshuis CE een rondetafelbijeenkomst. Hierin worden de relevante spelers uit de kunststofketen bij elkaar gebracht om te bezien wat op korte en op langere termijn nodig is en hoe de samenwerking binnen de keten kan worden versterkt. Hierbij betrekt het Versnellingshuis de partijen uit het netwerk van het Plastic Pact NL en de Transitieagenda Kunststoffen.
Het is daarbij belangrijk om op korte en op lange termijn vast te houden aan de gestelde doelstellingen. De recycling van plastics wordt gestimuleerd door middel van verschillende wettelijke normen en verwerkingsstandaarden. Deze normen en standaarden gelden ook in tijden van crises en bieden de recyclingmarkt zekerheid.
Tegelijkertijd zet ik op Europees niveau in op het versnellen van de in het Europese Actieprogramma Circulaire Economie aangekondigde verplichting voor toepassing van plastic recyclaat in nieuwe producten en verpakkingen.
Kunt u uiteenzetten wat u sinds de brandbrief van de branchevereniging in april 2020 inmiddels hebt ondernomen?
Ik ben in gesprek met de betrokken partijen en heb recent een werkbezoek aan Van Werven Recycling afgelegd waar ik de groeiende voorraad recyclaat zelf heb kunnen zien en heb gesproken over de problemen die spelen en de mogelijke oplossingsrichtingen. Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 2, komt er binnenkort een rondetafelbijeenkomst om dit ook in een breder gremium te bespreken.
Daarnaast financier ik de versnelling van lopende normalisatie (NEN-)trajecten voor de ontwikkeling van private normen met afspraken over de specificaties van recyclaat. Dit is een belangrijke stap in de verdere marktontwikkeling in toepassing van recyclaat.
Deelt u de mening dat dit probleem aantoont dat niet alles aan de markt overgelaten kan worden en het oplossen van dit probleem wet- en regelgeving van de overheid vergt?
Niet alles kan aan de markt worden overgelaten, maar de overheid kan ook niet alles oplossen. Het gaat om de toepassing van een juiste mix van beleidsinstrumenten waarbij steeds gekeken moet worden wat het geëigende niveau is om zaken te regelen. Als het gaat om een verplichting van een bepaald percentage recyclaat in kunststofproducten, dan ben ik ervan overtuigd dat dit in EU-verband tot stand moet komen.
Op welke wijze kan een minimumeis voor hergebruikt plastic de recycling bevorderen? Wordt hiermee ook een minimum hoeveelheid te gebruiken gerecycled plastic bedoeld?
Hiermee wordt inderdaad een minimum hoeveelheid te gebruiken plastic recyclaat bedoeld. Als dit verplicht wordt gesteld, zijn alle producenten van kunststofproducten verplicht om een percentage recyclaat in nieuwe producten «bij te mengen». Dit zorgt voor een grotere vraag naar recyclaat.
Wacht u op een Europees besluit, dat er misschien nooit komt? Waarom bent u niet bereid dit nu al voor Nederland te regelen?
Het voorschrijven dat een product een verplicht percentage recyclaat moet bevatten is effectiever op EU-niveau en waarborgt het gelijke speelveld. Ik heb tijdens de Milieuraad op 23 juni jongstleden bij de Europese Commissie erop aangedrongen om binnen een jaar tot een Europese verplichte toepassing van plastic recyclaat te komen en zal dit blijven doen. Diverse bedrijven en regionale overheden hebben al aangeboden om de lidstaten en de Europese Commissie te ondersteunen in deze versnelde aanpak.
Mogelijk kan het recent bekendgemaakte herstelpakket van de Commissie helpen om de problemen met recyclaat te bespoedigen en ook aanleiding zijn om dit wetgevingsvoorstel te bespoedigen.
Vooruitlopend op Europese wet- en regelgeving zijn er afspraken gemaakt in het Europees en Nederlands Plastic Pact om de toepassing van recyclaat te bevorderen. De Europese Commissie heeft bovendien in de Green Deal en in het nieuwe actieplan voor een circulaire economie aangekondigd dat zij voor onder meer verpakkingen, voertuigen en bouwmaterialen een verplicht percentage recyclaat zal voorstellen (in 2021/2022). Daarnaast zijn er al (EU-)voorschriften die een verplicht percentage recyclaat voorstellen: kunststoffen drankflessen van maximaal 3 liter moeten op grond van de SUP richtlijn vanaf 2025 voor minstens 25 procent uit gerecyclede kunststoffen bestaan en vanaf 2030 voor minstens 30 procent.
Het bericht ‘Paleis Noordeinde deze zomer niet open voor publiek’ |
|
Joost Sneller (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Paleis Noordeinde deze zomer niet open voor publiek»?1
Ja.
Waarom zouden paleis Noordeinde en de Koninklijke Stallen niet kunnen leren van hoe musea sinds 1 juni opereren en alsnog hun deuren kunnen openen voor publiek?
Paleis Noordeinde is een van de drie paleizen die op grond van artikel 4 van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis aan de Koning tot gebruik ter beschikking worden gesteld. Het paleis fungeert als werkpaleis van de Koning. De toegang tot de paleizen is een aangelegenheid waarvoor artikel 41 van de Grondwet geldt: de Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn huis in. Hierbij worden alle relevante overwegingen betrokken, in het bijzonder de maatregelen die gelden ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus (COVID-19).
De Rijksvoorlichtingsdienst en de Dienst koninklijk huis (Koninklijke Verzamelingen) werken overigens op dit moment een (online) alternatief uit voor de openstelling, die voor 2020 was voorzien. Het paleiscomplex is het gehele jaar ook virtueel te «bezoeken» via Google Street View.
Deelt u de observatie dat de gangen van menig museum smaller zijn en de trappen en overige zalen minder ruim dan die op paleis Noordeinde? Hoe beoordeelt u dit argument dat de Koninklijke Verzamelingen aandraagt om de deuren deze zomer gesloten te houden voor publiek?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat paleis Noordeinde en de Koninklijke Stallen altijd al werken met een beperkt aantal toegangskaartjes over een beperkt aantal dagen binnen bepaalde tijdslots?
Ja.
Kunt u reflecteren op de gedachte dat de bezoekersaantallen gewoon gehandhaafd kunnen worden, en er tevens recht gedaan kan worden aan de coronamaatregelen, als het paleis en de stallen juist méér dagen worden opengesteld en bezoekers worden verdeeld over die dagen?
Het is, gelet op het bovenstaande in antwoord op de vragen 2 en 3, niet aan de orde om te reflecteren op alternatieve wijzen van openstelling van de paleizen.
Bent u bereid met de Koninklijke Verzamelingen in overleg te treden en een dergelijk scenario uit te werken, opdat bezoekers deze zomer voor het eerst in twee jaar het paleis en de stallen weer kunnen bezoeken?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb toegelicht werken de Rijksvoorlichtingsdienst en de Dienst Koninklijk Huis (Koninklijke Verzamelingen) op dit moment een (online) alternatief uit voor de openstelling die voor 2020 was voorzien. Overigens wijs ik er op dat in de zomer van 2019 het paleis Noordeinde en de Koninklijke stallen opengesteld zijn, zij het dat deze openstelling gedurende één weekend kwam te vervallen na het overlijden van Prinses Christina op 16 augustus 2019.
Het bericht dat er een dreiging is van een extreme tak van IS |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van een onderzoeksbureau dat lokale overheden het gevaar van de «Hazimi-beweging», een radicale tak van IS, onderschatten?1
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten. In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat.
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Is er een actueel beeld hoeveel aanhangers van deze beweging in Nederland actief zijn? Zo ja, hoeveel zijn dat er? Zo nee, waarom niet?
In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.2
Is er afstemming met de lokale overheden die belast zijn met de re-integratie van terugkeerders uit IS-gebied over het gevaar van deze beweging? Worden gemeenten voldoende ondersteund bij de aanpak van deradicalisering? Zo nee, waarom niet?
Het DTN rapporteert periodiek over ontwikkelingen in de dreiging en er verschijnen regelmatig openbare publicaties van de AIVD en/of NCTV over verschillende fenomenen, bijvoorbeeld over Nederlandse jihadistische vrouwen en minderjarigen bij ISIS. Lokale adviseurs van de NCTV attenderen lokale overheden op deze publicaties en ondersteunen lokale casusoverleggen met kennis en expertise. Voor advies en eventuele vragen kunnen de lokale overheden terecht bij de NCTV of andere (landelijke en/of lokale) organisaties met expertise, zoals het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Binnen detentie worden gemeenten reeds betrokken bij het opstellen van een re-integratieplan waarin wordt ingezet op deradicalisering. Dit wordt vormgegeven binnen een Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) waar de betrokken gemeente en Reclassering vaste partners zijn. Na detentie wordt de betrokkene vanuit het lokale casusoverleg onder regie van de gemeente met diverse zorg- en veiligheidspartners gemonitord en het re-integratieplan verder vormgegeven. Een lokaal adviseur van de NCTV kan een gemeente hierin adviseren.
Is er meer landelijke regie na de omstreden aanpak van deradicalisering in Arnhem? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van februari 2019 over de aanpak van radicalisering in Arnhem, legt de burgemeester verantwoording voor de lokale aanpak van radicalisering af aan de gemeenteraad4. De burgemeester van de gemeente Arnhem heeft de aanpak in Arnhem in 2019 extern laten evalueren5. Al met al heeft Arnhem volgens de onderzoekers van de Universiteit Utrecht een krachtige uitgangspositie en kan van daaruit haar radicaliseringsaanpak verder versterken.
Zoals toegelicht in de rapportage integrale aanpak terrorisme6, spelen gemeenten als bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid een cruciale rol in het tegengaan van radicalisering en het reduceren van dreiging die uit kan gaan van extremistische personen. Het Rijk draagt een landelijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de gehele aanpak op extremisme en terrorisme en voor de samenwerking tussen betrokken ketenpartijen. Het Rijk ondersteunt gemeenten actief met als doel ze te versterken in hun regierol richting partners, op een wijze die recht doet aan de lokale situatie. Hierbij wordt specifiek geïnvesteerd in het ontsluiten van kennis en kunde, zodat lokale verschillen in de aanpak niet ontstaan uit willekeur, maar door de toepassing van maatwerk in de lokale context. De afgelopen jaren zijn gemeenten waar de problematiek het meest speelt intensief ondersteund, onder andere met zogenoemde versterkingsgelden. De aangevraagde activiteiten passen binnen de beleidsvisie van mijn departement en het daaruit voortvloeiende bestedingskader. Momenteel wordt de huidige nationale contraterrorisme strategie (2016–2020) geëvalueerd, zodat de inzichten hieruit meegenomen kunnen worden in de gedachtevorming voor de nieuwe strategie. De persoonsgerichte aanpak maakt onderdeel uit van deze evaluatie.
Zijn er instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimibeweging of waar aanhangers van deze beweging actief zijn? Zo ja, is daar een (lokale) subsidierelatie mee?
Nee, er zijn op dit moment geen instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimi-stroming en die het Hazimi-gedachtegoed uitdragen. De aanhangers van deze stroming zijn veelal online actief.
Het bericht 'Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders' |
|
Barry Madlener (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat er voor biomassainstallaties maar één geschikte locatie is, namelijk in uw dromen?
Nee.
Bent u op de hoogte van het feit dat er bij biomassa netto méér CO2 vrijkomt dan bij kolen en gas? Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid, dat geënt is op juist minder CO2-uitstoot, van tegenstrijdheden aan elkaar hangt?
Het gebruik van biomassa is gedurende de transitie een nuttig en noodzakelijk alternatief voor het gebruik van aardgas. Het uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Duurzame biomassa is klimaatneutraal vanwege de kringloop waarbij in de groeifase CO2 uit de lucht wordt opgenomen, waarna diezelfde hoeveelheid CO2 weer vrijkomt bij de energieopwekking en er weer nieuwe vegetatie wordt aangeplant.
Deelt u de mening dat het verbranden van hout slechter is voor mens, dier en natuur dan het gebruik van aardgas? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het te zot voor woorden is dat tuinders hun kassen niet langer met gas, maar met een biomassainstallatie willen verwarmen? Hoe kan men dit in ’s hemelsnaam «duurzaam» noemen?
Zie antwoord vraag 3.
Maken deze achterhaalde biomassaprojecten aanspraak op subsidie? Zo ja, hoeveel? Valt deze subsidie binnen de 14 miljard euro die u de komende jaren voor biomassa beschikbaar wilt stellen?
Nee, ik heb uw Kamer in mijn brief van 15 november 2019 (zie Kamerstuk 32 813, nr. 404) geïnformeerd over de biomassa-installaties die tot dat moment een subsidiebeschikking hadden ontvangen. Voor de bedoelde biomassa-installatie is nog geen subsidie toegekend.
Bent u ertoe bereid deze houtstookprojecten onmiddellijk te stoppen en hier geen cent aan uit te geven?
Zoals ik in mijn brief van 1 juli 2020 heb aangegeven, geeft het kabinet uitvoering aan de motie Sienot c.s. (kenmerk 2020D26309) over het gebruik van vaste houtige biomassa voor energietoepassingen. Er wordt geen nieuwe subsidie beschikbaar gesteld voor het gebruik van vaste houtige biomassa voor de productie van uitsluitend elektriciteit. Ook zal in de najaarsronde van de SDE++ in 2020 geen subsidie aangevraagd kunnen worden voor warmteproductie door verbranding van houtige biomassa middels installaties met een vermogen < 5 MWth. Het kabinet zal bovendien, uitgaande van de tijdige beschikbaarheid van de concrete emissie-eisen, borgen dat installaties voor de verbranding van vaste houtige biomassa die in 2021 SDE++ subsidies aanvragen al aantoonbaar moeten voldoen aan de verwachte aanscherping van de aangescherpte emissie-eisen voor installaties tussen de 0,5 en de 50 MWth, die in 2022 van kracht moeten worden. Tot slot zal in het duurzaamheidskader voor biomassa waar het kabinet aan werkt, een eindjaar worden opgenomen voor de subsidiering van warmteproductie met vaste houtige biomassa en zal ik een uitfaseringsstrategie maken voor 2021 waarin ik op hoofdlijnen toelicht hoe het gebruik van vaste houtige biomassa voor warmte moet worden afgebouwd. Het kabinet streeft ernaar het genoemde duurzaamheidskader zo snel mogelijk na de zomer aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Een belangrijke bouwsteen hiervoor is het advies dat op dit moment door de SER wordt opgesteld. De SER streeft ernaar dit advies in juli af te ronden. Hiermee voldoe ik ook aan het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, die mij heeft gevraagd om deze planning (Kamerstuk 32 813, nr. 489/kenmerk 2020D19253).
Het Rapport ‘Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren’ van Wageningen Food Safety Research |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Rapport «Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren» van Wageningen Food Safety Research?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het nieuws dat bij 15 van de 19 onderzochte monsters aal overschrijdingen zijn aangetroffen ten aanzien van dioxines en polychloorbifenyl (PCB’s) en wat zegt dit volgens u over de waterkwaliteit?
Verontreiniging van paling in de Nederlandse binnenwateren wordt jaarlijks gemonitord. Hierbij gaat het om enkele vaste plekken waarvan reeds bekend is dat er veel dioxines en PCB’s wordt gemeten, om zo eventuele trends te kunnen zien. Zoals aangegeven in het rapport zijn deze gebieden gesloten voor de visserij. Daarnaast wordt ook op enkele andere plekken regelmatig gemeten. Deze meetplekken worden in overleg met onderzoekers aangewezen, waarbij vooral wordt gekeken naar locaties waar mogelijk veel dioxines en PCB’s in het sediment neergeslagen kunnen zijn. Dioxines en PCB’s hebben weinig invloed op de waterkwaliteit zelf omdat ze niet wateroplosbaar zijn. In het sediment kunnen echter wel relatief hoge concentraties dioxines en PCB’s voorkomen. Deze stoffen worden via het voedsel opgenomen door de aal en worden opgeslagen in het vet.
Deelt u de mening dat de bij Urk gevangen paling die bij de laatste metingen maximumlimieten (ML’s) overschrijdt op het gebied van dioxines en PCB’s niet in de handel zou moeten komen vanuit het oogpunt van voedselveiligheid en omdat dit strijdig is met het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat de bij Urk gevangen paling wordt verhandeld?
In 2017 is samen met het Ministerie van VWS een beleidskader2 opgesteld gebaseerd op een advies van Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek NVWA.
Volgens dit beleidskader worden gebieden gesloten voor aal en wolhandkrab wanneer maximumlimieten of beleidsregellimieten twee jaar achtereen overschreden worden. Andersom kunnen ze ook weer open gesteld worden wanneer er twee jaar achtereen geen limietoverschrijdingen worden gemeten. Vorig jaar is voor het eerst een overschrijding gemeten bij Urk. Eén van de drie Europese Maximum Limieten (ML’s) wordt overschreden, namelijk voor de som van dioxines en dl-PCB’s (dioxineachtige polychloorbifenylen). Daarnaast wordt er een beleidsregellimiet uit het beleidskader, welke lager is dan de ML, overschreden voor de som van ndl-PCBs (niet dioxineachtige PCB’s). Dit hoeft niet gelijk zorgelijk te zijn. Het gaat om een geringe verhoging, wat een incident kan zijn. Indien de resultaten bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding van één van de limieten laten zien dan zal dat gebied worden gesloten. Zo wordt voorkomen dat er paling uit gebieden waar de limieten worden overschreden in de handel komt.
Is u bekend hoe kan worden voorkomen dat paling afkomstig uit het met dioxine belaste gebied bij Urk verder het IJsselmeer optrekt of bent u bereid om dit te onderzoeken?
Het is niet te voorkomen dat paling verder het IJsselmeer optrekt. Het algemene standpunt van onderzoekers is wel dat de rode aal (de onvolwassen aal die in deze monitoring wordt gevangen en geanalyseerd) tamelijk honkvast is en niet veel trekt.
Is u bekend of de paling tussen de meetpunten Urk en Medemblik wel aan de betreffende normen voldoet?
In de afgelopen 10 jaar zijn op verschillende locaties in het IJsselmeer palingen bemonsterd en geanalyseerd. De metingen laten zien dat de gehalten in paling in het Noordwestelijk deel en het Noordoostelijk deel van het IJsselmeer voldoen aan de geldende limieten. In het Zuidoostelijk deel (het Ketelmeer en een bufferzone van 1.000 meter) worden verhoogde gehalten geconstateerd. Dit gebied is gesloten voor de visserij. De resultaten van de afgelopen jaren wijzen op een gradueel verloop van de vervuiling. De vervuiling wordt steeds minder bij grotere afstand tot de monding van het Ketelmeer tot aan Medemblik, en daarom worden vanuit een zekere afstand ten noorden van Urk gehalten verwacht die voldoen aan de geldende limieten.
Mocht dit u niet bekend zijn bent u dan bereid om alle IJsselmeerpaling uit voorzorg uit de handel te weren?
Alle IJsselmeerpaling uit de handel weren is niet aan de orde.
Eerst moet uit metingen van WUR dit jaar duidelijk worden of er bij Urk sprake is van structurele verhoging. Als dat zo is, zal het gebied bij Urk worden gesloten voor de visserij.
Het rapport Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport (advies 3456) van de Commissie voor de m.e.r. d.d. 31 maart 2020 |
|
Eppo Bruins (CU), Suzanne Kröger (GL), Jan Paternotte (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wordt in AERIUS voor het berekenen van de depositie ten gevolge van wegverkeer de standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit gebruikt, zoals de werkgroep in de Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport adviseert?
De depositiebijdrage van wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2). Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-depositiebijdrage-bronnen-sector-verkeer-en-vervoer/.
Klopt het dat in AERIUS voor emissiebronnen uit alle andere sectoren dan wegverkeer de depositie wordt berekend met OPS?
De depositiebijdrage van andere bronnen dan wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met het rekenmodel OPS. Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-verspreiding-en-deposities-met-ops/.
Klopt het dat in AERIUS met SRM2 de depositie tot een rekengrens van 5 km links en rechts van de weg wordt berekend? Zo ja, wat is de (technisch) inhoudelijke reden dat depositie verder dan 5 km links en rechts van de weg wordt afgekapt?
De implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator hanteert inderdaad een maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg. Deze keuze is gemaakt omdat berekende bijdragen van wegverkeer op enkele kilometers van de weg op het detailniveau van een hectare niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project. Deze maximum rekenafstand wordt niet alleen toegepast bij berekeningen van de depositiebijdrage van wegenprojecten in het MIRT, maar bijvoorbeeld ook bij het bepalen van de depositiebijdrage door de verkeersaantrekkende werking van woningbouwprojecten. Ook in de technische beschrijving van SRM2 van het RIVM is aangegeven dat voor wegverkeer op basis van SRM2 niet tot willekeurig grote afstanden mag worden gerekend. Door uit te gaan van een maximale rekenafstand van 5 km bij de doorrekening van individuele projecten, wordt hieraan invulling gegeven in AERIUS Calculator.
SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Ook de consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt in de monitoring van luchtkwaliteit langs wegen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) speelt een rol in de keuze voor SRM2 bij de berekeningen voor deposities van wegverkeer.
Het gebruik van dit model is daarbij eerder door de Raad van State geaccepteerd, inclusief een maximale rekenafstand. De maximale rekenafstand geldt bij projectspecifieke berekeningen. Voor het vaststellen van de bijdrage van wegverkeer aan de totale landelijke deposities wordt wel landsdekkend gerekend. Dat is mogelijk omdat de bijdragen dan niet herleidbaar hoeven te zijn tot een specifiek project.
Als de met SRM2 berekende bijdragen op meer dan enkele kilometers van de weg niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project, geldt dat dan niet net zozeer voor andere sectoren en andere depositiemodellen, zoals OPS? Zo nee, waarom niet?
Er zijn goede redenen om voor wegverkeer met SRM2 te rekenen en een maximale rekenafstand van 5 kilometer te hanteren (zie hiertoe ook het antwoord op vraag 3). In hoeverre ook voor andere bronnen een maximale rekenafstand (vergelijkbaar met wegverkeer) kan worden gehanteerd, vraagt om nader onderzoek.
Het kabinet komt na de zomer met een uitgebreidere inhoudelijke kabinetsreactie op zowel het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek als het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens de technische omschrijving van SRM2 door het RIVM1 SRM2 niet ontwikkeld is voor afstanden groter dan 3,5 km van de weg? Is die technische omschrijving nog geldig? Zo ja, waarom wordt in AERIUS SRM2 dan toegepast tot 5 km, dus buiten het toepassingsgebied? Zo nee, wat is er aangepast aan SRM2 om het tot 5 km toepasbaar te maken?
In het RIVM-rapport met de technische beschrijving van SRM2 is weliswaar aangegeven dat de bijdrage van SRM2-wegen in de Monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt berekend tot 3.5 kilometer van de weg, maar voor projectspecifieke berekeningen van de luchtkwaliteit is de NSL-Rekentool beschikbaar (https://www.nsl-monitoring.nl/rekenen/). De implementatie van SRM2 in deze rekentool rekent tot 5 kilometer van de weg. Bij de implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator is aangesloten op de maximale rekenafstand die ook wordt gehanteerd in de NSL Rekentool2. AERIUS Calculator is voorgeschreven in de regeling natuurbescherming voor het berekenen van projectspecifieke stikstofdepositiebijdragen.
Klopt het dat de depositie veroorzaakt door een (drukke) weg veelal ook op afstanden groter dan 5 km significant is?
De depositiebijdrage van extra verkeer als gevolg van een individueel project is op afstanden groter dan 5 kilometer niet meer betekenisvol te herleiden tot een individueel project op het detailniveau van een hectare.
Dat betekent niet dat er voorbij 5 kilometer geen sprake kan zijn van stikstofdepositie als gevolg van wegverkeer. Stikstofemissies kunnen zich tot honderden kilometers en verder verspreiden voordat ze op het oppervlak neerslaan. Een relatief groot deel van de emissies verspreidt zich tot ver van de bron, maar de logaritmische toename van het oppervlak waarover de emissies zich verspreiden zorgt ervoor dat de depositiebijdrage per hectare buiten 5 kilometer een fractie is van wat binnen 5 kilometer per hectare neerslaat3.
In welke mate komt de totale depositie berekend voor wegverkeer met SRM2 overeen met de depositie berekend met OPS (voor eenzelfde emissie met dezelfde emissie-kenmerken als uitstoothoogte, warmte-inhoud, spreiding en temporele variatie)? Welk percentage van de depositie mist ruwweg door het afkappen bij 5 km in SRM2?
De wijze waarop de verspreiding van emissies in SRM2 is gemodelleerd verschilt van de wijze waarop dat in OPS gebeurt. Dat betekent dat de berekende depositiebijdrage van een bron met OPS verschilt van de berekende depositiebijdrage van dezelfde bron met SRM2.
De modellering in SRM2 is gericht op de lokale verspreiding van emissies van wegverkeer op buitenstedelijke wegen. OPS is niet toegespitst op een specifieke broncategorie en vooral bedoeld voor grootschalige berekeningen. SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Dat maakt SRM2 meer geschikt voor projectspecifieke berekeningen van wegverkeer dan OPS.
Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof stelt in haar eindrapport dat het grootste gedeelte van de NH3- en NOX-deposities neerslaat op een grotere afstand dan 5 kilometer van de bron. Uit figuur 1 in het eindrapport volgt dat grofweg 80–90% van de NH3 emissies en 90–95% van de NOX-emissies voorbij 5 kilometer neerslaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het oppervlak waarover de depositie neerslaat logaritmisch toeneemt met de afstand tot de bron waardoor de depositie per hectare verder van de bron sterk afneemt. Zie antwoord op vraag 6.
Hoe verhoudt de depositie berekend met SRM2 zich tot die berekend met OPS dicht bij de weg, zeg op afstanden van 100 m, 500 m, en 1, 2, 3, 4 en 5 km?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 leiden de verschillen in de wijze van modellering tussen SRM2 en OPS tot verschillen in de berekende deposities. De verschillen zijn ook afhankelijk van de precieze locatie van de bron, wegkenmerken en de locatie van de rekenpunten.
Klopt het dat SRM2 door het afkappen bij 5 km geen enkele depositie berekent voorbij de afstandsgrens ongeacht de hoeveelheid emissies, terwijl OPS rekent zonder afstandsgrens, en dus per definitie meer depositie berekent voorbij de afstandsgrens?
De maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg in SRM2 betekent inderdaad dat AERIUS Calculator geen depositiebijdragen van wegverkeer berekent voorbij 5 kilometer. Deze maximale rekenafstand is onafhankelijk van de omvang van de emissies van de bron. OPS hanteert geen maximale rekenafstand en kan in AERIUS Calculator voor individuele projecten depositiebijdragen berekenen op grotere afstanden dan 5 kilometer.
Zouden SRM2 en OPS dezelfde depositie opleveren indien de afkapping uit SRM2 wordt verwijderd?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Is voor het berekenen van deposities SRM2 net zo veelvuldig getoetst op geschiktheid als het OPS-model? Door welke instantie heeft de toetsing plaatsgevonden? Is deze toetsing openbaar gemaakt en beschikbaar?
Standaardrekenmethode 2 (SRM2) is uitgebreid gevalideerd, in windtunnels en veldexperimenten. Dit is beschreven in hoofdstuk 3 van de technische beschrijving van het RIVM bij de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014–0109.pdf). Daarin zijn ook de betrokken instanties genoemd en verwijzingen opgenomen naar rapporten.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen ten aanzien van SRM2 gedaan door TNO in een audit van AERIUS uit 20152, welke bestond uit drie opties: a) De definitie van SRM2 aanpassen, b) geen source depletion meenemen of c) SRM2 vervangen door OPS? Welke actie is sindsdien ondernomen en welke van de opties is gekozen?
TNO constateerde in het genoemde doelmatigheidsonderzoek in 2015 dat bij gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen in AERIUS een correctie wordt toegepast voor de zogenoemde source depletion. Dit is een correctie die gebruikt wordt om in rekening te brengen dat de concentratie van een stof met de afstand tot de bron niet alleen daalt als gevolg van verdunning, maar ook door depositie van die stof. De keuzes die TNO voorstelde hadden tot doel om AERIUS transparanter en eenvoudiger te maken. Er waren geen inhoudelijke bezwaren tegen toepassen van SRM2 met een correctie voor source depletion. Er is destijds gekozen voor een correctie voor source depletion om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Gebruikt AERIUS momenteel een versie met source depletion? Erkent u dat deze volgens TNO in het genoemde rapport niet voldoet aan de SRM-eisen omdat het niet aan meetgegevens is getoetst (pag. 19)? In geval van gebruik van een versie met source depletion door AERIUS, hoe garandeert u dan de geschiktheid van SRM2 in het licht van deze opmerking van TNO?
AERIUS Calculator houdt bij de berekening van de depositiebijdragen door wegverkeer rekening met source depletion. De opmerking van TNO in het genoemde rapport betekent niet dat de SRM2 implementatie in AERIUS Calculator niet geschikt is. In het genoemde rapport concludeert TNO namelijk dat AERIUS Calculator geschikt is voor het berekenen van de effecten van projecten ten behoeve van toestemmingsbesluiten. TNO stelt daarbij dat de rekenkern (OPS en SRM2) van voldoende kwaliteit is, en dat het OPS-model en SRM2 op de juist wijze zijn geïmplementeerd in AERIUS Calculator.
De depositiebijdragen van wegverkeer worden in AERIUS Calculator berekend door een combinatie van Standaardrekenmethode (SRM2) en OPS. AERIUS berekent eerst de concentratiebijdrage met SRM2. Vervolgens wordt de depositiebijdrage berekend door de concentratiebijdrage te corrigeren voor de source depletion en vervolgens te vermenigvuldigen met de depositiesnelheid. Zowel de source depletion als de depositiesnelheid zijn door RIVM afgeleid met OPS. Dit is beschreven in de technische beschrijving van de SRM2 implementatie in AERIUS5.
In het rapport maakt TNO de opmerking dat de correctie voor source depletion niet is opgenomen in de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In AERIUS Calculator zijn de concentratiebijdragen berekend conform de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. De correctie voor source depletion en de vermenigvuldiging met de depositiesnelheid zijn nabewerkingen op de berekende concentraties met SRM2 die bedoeld zijn om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Is SRM2 volgens u geschikt om een betrouwbare depositie te berekenen?
Het kabinet beschouwt op basis van het oordeel van het RIVM SRM2 als een geschikte methode op de depositiebijdrage van wegverkeer te berekenen. Belangrijk inhoudelijk argument is dat SRM2 rekening houdt met typische wegkenmerken zoals de hoogteligging en schermen. Gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen zorgt ook voor consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt voor luchtkwaliteitsberekeningen en is voorgeschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007). SRM2 wordt al meer dan 10 jaar toegepast in de Monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en wordt ook toegepast bij de toetsing of projecten voldoen aan de Europese normen voor bijvoorbeeld fijnstof en stikstofdioxide.
Selectief aanmeldbeleid bij basisscholen |
|
Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint (SP), Kirsten van den Hul (PvdA), Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek naar het aanmeldbeleid bij Utrechtse basisscholen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat schoolbesturen al langere tijd met hun (voor)aanmeldbeleid in strijd met de wet handelen?
Scholen dienen zich te houden aan de wettelijke bepalingen rondom toelating en weigering van leerlingen. Als blijkt dat daaraan niet wordt voldaan kan de Inspectie van het Onderwijs ingrijpen. Ik vind het daarom goed dat er al afspraken gemaakt zijn tussen de gemeente Utrecht en de schoolbesturen om voor volgend schooljaar met een verbeterplan te komen.
Hoe kan het dat al een paar jaar bekend is dat de aanmeldprocedure voor scholen niet correct verloopt, maar dat niet is veranderd?
Signalen over dit type incidenten zijn door de gemeente Utrecht opgepakt met de betreffende schoolbesturen.
Bent u bereid om met de betreffende besturen in gesprek te gaan over de vraag waarom ze deze aanmeldprocedures hanteren?
Er zijn reeds afspraken gemaakt tussen de gemeente Utrecht en de betreffende schoolbesturen. Schoolbesturen werken inmiddels, in samenspraak met de gemeente, aan een verbeterplan dat in oktober gereed zal zijn.
Erkent u dat de wijze waarop deze basisscholen gebruikmaken van (buitenwettelijke) vooraanmeldingsprocedures en de ruimte die zij pakken voor selectie een forse inbreuk zijn op de kansengelijkheid in het onderwijs?
De conclusies en signalen uit het onderzoek zijn zorgelijk. Een negatief effect van het aanmeldingsbeleid op de kansengelijkheid is een onwenselijke ontwikkeling.
Herkent u het beeld dat juist kinderen met (ouders met) een migratie-achtergrond, zoals Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse kinderen, de dupe waren van het aanmeldbeleid van de betreffende scholen?
Het is niet goed wanneer bepaalde groepen ouders en kinderen minder kansen hebben op een plek op de school van hun voorkeur dan anderen. Signalen over dit type incidenten zijn in het verleden door de gemeente Utrecht opgepakt en met de betreffende schoolbesturen besproken. Bij de totstandkoming van het verbeterplan, waar de schoolbesturen en de gemeente nu aan werken, worden daarnaast ook ouders betrokken. Dat vind ik een goede zaak.
Klopt het dat de Onderwijsinspectie desgevraagd aan heeft gegeven deze gang van zaken te herkennen? Zo ja, waarom heeft deze Onderwijsinspectie niet eerder ingegrepen en wat is uw reactie hierop?
De inspectie heeft aangegeven de problematiek rondom schoolsegregatie in algemene zin te herkennen. Constateringen van de inspectie over schoolsegregatie in de grote steden waren mede aanleiding voor het onderzoek dat in Utrecht gedaan is naar het aanmeldbeleid. De gemeente heeft de inspectie bij dit onderzoek betrokken. Specifiek over te vroege aanmeldingen waren er voor dit onderzoek bij de inspectie geen signalen bekend.
Wat kunt en gaat u doen om gemeenten te ondersteunen in het tegengaan van onderwijssegregatie?
Een effectieve aanpak van segregatie in het onderwijs vraagt om landelijk en lokaal beleid. Onderwijssegregatie is namelijk een probleem waar geen eenduidige oplossing voor bestaat en vereist samenwerking met verschillende partijen. Net als de lokale en regionale betrokkenen voel ik mij ervoor verantwoordelijk om alle kinderen gelijke kansen te bieden in het onderwijs.
Daarom zal ik onderzoeken aan welke «knoppen» gedraaid kan worden om segregatie in het onderwijs te verminderen of te voorkomen, zonder daarbij de vrijheid van onderwijs aan te tasten. Aangrijpingspunten die ik daarbij meeneem, zijn onder andere de Lokale Educatieve Agenda (LEA), de rol van gemeenten in onderwijshuisvesting, het toelatingsbeleid van scholen, en brede scholengemeenschappen op één locatie. Ook vraag ik de inspectie om vanuit haar toezicht te monitoren hoe gemeenten tot gemeenschappelijke doelen en afspraken komen op de hiervoor genoemde (LEA) onderwerpen. Ik zal uw Kamer in het najaar, middels een beleidsagenda, informeren over wat kansrijke aangrijpingspunten zijn voor het tegengaan van segregatie in het onderwijs en hoe dit in een samenhangende aanpak, met gemeenten, kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat de Onderwijsinspectie, verantwoordelijk voor het toezicht op aanmeldbeleid, een terughoudende houding aanneemt door aan te geven tegemoet te zien welke vervolgstappen het College onderneemt? Zo ja, wat vindt u dat de Onderwijsinspectie hier voor rol moet pakken? Zo nee, wat is volgens u de meerwaarde van de Onderwijsinspectie als toezichthouder op aanmeldbeleid?
De inspectie was betrokken bij het onderzoek dat in Utrecht is uitgevoerd. De gemeente heeft de in het onderzoek betrokken besturen nadrukkelijk gevraagd om vóór het volgende schooljaar al te beginnen de communicatie en procedures rond aanmelding te verbeteren. In dit geval is er dus geen extra druk vanuit de inspectie nodig geweest. Ook zijn schoolbesturen en gemeente al aan de slag met een breder verbeterplan om de problematiek rond de aanmelding aan te pakken. Dat dit gebeurt, vind ik een goede zaak. De inspectie volgt dit. Daar waar de inspectie concrete signalen krijgt dat scholen zich blijvend niet conformeren aan de wet, zal de inspectie handhavend optreden.
Acht u het mogelijk dat er meer basisscholen zijn die de regelgeving omtrent aanmeldprocedures aan hun laars lappen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u ervoor zorgen dat inzichtelijk wordt welke scholen dit zijn, dat zij daar per direct mee stoppen en betreffende schoolbesturen een gepaste sanctie wordt opgelegd?
De inspectie zal altijd handhavend optreden als zij constateert dat een school zich niet aan wettelijke eisen houdt. Daarnaast heb ik uw Kamer afgelopen jaar toegezegd een breed onderzoek naar toelatingsbeleid en toegankelijkheid in het funderend onderwijs te laten doen, om zo landelijk in kaart te brengen hoe aanmelding, inschrijving en toelating verlopen en welke problemen daarbij spelen. De resultaten daarvan worden deze zomer opgeleverd en zal ik daarna met uw Kamer delen. Er zijn veel verschillen tussen hoe gemeenten, scholen en besturen dit doen, dus het is goed dat we hier gedegen naar kijken. Als het onderzoek daar aanleiding toe geeft, zal ik bekijken welke maatregelen op landelijk niveau nodig zijn om deze problematiek te verhelpen.
Het bericht ‘Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS»?1
Ja.
In het rapport van onderzoeksbureau NTA wordt gesteld dat de Hazimi-beweging als extremer geldt dan IS en dat de beweging naar schatting bijna honderd aanhangers telt in Nederland, herkent u dit beeld? Zo ja, wat is de actuele situatie rondom deze beweging en welke dreiging gaat ervan uit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hieraan doen?
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten.2 In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat. In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.
Is bij u bekend hoeveel Nederlandse oud-IS aanhangers zich hebben aangesloten bij de Hazimi-beweging? Zo ja, hoe verhoudt de Hazimi-beweging zich qua aantallen tot huidige de IS-beweging in Nederland? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Het is niet nauwkeurig aan te geven hoeveel voormalige ISIS-aanhangers nu gerekend moeten worden tot Hazimi-aanhangers. Zoals gesteld kunnen waarschijnlijk enkele tientallen jihadisten in Nederland gerekend worden tot volgelingen van sheikh al-Hazimi. Het totale aantal jihadisten in Nederland is, zoals vermeld in DTN 52, ruim vijfhonderd.3
Nuance door training en advies (NTA) stelt ook dat veel Hazimi-aanhangers over het hoofd worden gezien door lokale overheden, herkent u dit beeld? Wordt er op dit moment door lokale overheden beleid gevoerd ten aanzien van de Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat wordt er momenteel concreet gedaan om dit op orde te krijgen?
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Onderzoeker Torre Hamming stelde in 2018 al dat de Nederlander Abu Asim al-Magribby een centrale rol speelt binnen de Hazimi beweging, herkent u dit beeld?2 Zo ja, welke rol speelt Abu Asim al-Magribby momenteel binnen de Hazimi beweging en in hoeverre spelen andere Nederlanders een rol in de internationale Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele personen. In algemene zin kan ik u melden dat personen en bewegingen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het OM, politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert. Op de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ik niet ingaan.
Het NTA stelt in hun onderzoek dat de Hazimi beweging online actief is op kanalen zoals Facebook en Telegram, herkent u dit beeld? Zo ja, hoe zien de online-activiteiten van de Hazimi-beweging eruit en bent u bereid maatregelen te nemen tegen (online) verspreiding van deze beweging? Zo nee, waarom niet?
Aanhangers van de Hazimi-beweging voeren dogmatische en ideologische discussies op jihadistische webfora. Op landelijk niveau zet de overheid zich in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. Zo wordt er ingezet op een integrale multidisciplinaire aanpak van extremistisch en terroristisch gebruik van het internet. De Internet Referral Unit (IRU) bij de politie ondersteunt deze aanpak door het signaleren en het verzoeken tot verwijderen van jihadistische content.
Kan bij het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) specifiek worden ingegaan op de laatste ontwikkelingen rondom de dreiging van de Hazimi beweging? Zo nee, waarom niet?
Het DTN is een onafhankelijk product van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het DTN vormt voor de NCTV en partners een leidraad voor het anticiperen op dreigingen en als communicatie-instrument voor het Nederlandse contraterrorismebeleid. Indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal in het DTN worden in gegaan op de Hazimi-beweging.
Het bericht ‘IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de dood van 30 migranten naar aanleiding van een vuurgevecht, waarbij een smokkelaar betrokken was? Kunt u het bericht bevestigen? Kunt u aangeven wat er is gebeurd?
Het kabinet betreurt ten zeerste het incident op 27 mei 2020 waarbij 30 migranten zijn gedood in Mezda, ten zuiden van Tripoli. Deze migranten zijn om het leven gekomen bij een vuurgevecht in een opslagplaats gebruikt door mensensmokkelaren/handelaren. Het is heel ingewikkeld om meer precieze en geverifieerde informatie te verkrijgen omdat het gebied zeer onveilig is en moeilijk te bereiken voor internationale organisaties. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid zich via de JBZ-raad en eventuele andere diplomatieke kanalen uit te spreken voor een onderzoek door de autoriteiten naar dit incident, zodat de daders kunnen worden opgespoord en berecht? Zo nee, waarom niet?
Direct na het incident heeft de EU-delegatie namens alle EU-lidstaten met vertegenwoordiging in Libië (w.o. Nederland) een verklaring uitgebracht waarin de dood van de migranten wordt veroordeeld.2 Daarnaast heeft Nederland in een nationale verklaring in de Mensenrechtenraad op 18 juni jl. afschuw uitgesproken over het incident en de Libische autoriteiten opgeroepen tot een grondig onderzoek met als doel de daders ter verantwoording te brengen.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie voor inwoners en migranten in Libië, gelet op de Coronacrisis en de gevechten die nog steeds in verschillende delen van Libië plaatsvinden?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Libië nauwgezet. De uitbraak van het Covid-19 virus in Libië baart het kabinet zorgen. De gezondheidszorg in Libië is niet voldoende geëquipeerd om een eventuele grootschalige uitbraak van het virus het hoofd te bieden. Dit legt extra druk op een bevolking die door toedoen van het voortdurende conflict al lange tijd onder zware omstandigheden leeft. Een duurzaam staakt-het-vuren heeft absolute prioriteit. Nederland steunt daarom het door de VN geleide politieke proces.
Op welke wijze zet Nederland zich, al dan niet via de EU, concreet in voor het verbeteren van de situatie voor inwoners van Libië en groepen migranten die in Libië verblijven?
Het kabinet heeft in het najaar van 2019 additionele bijdragen aan UNHCR en IOM in Libië (resp. EUR 3,3 mln. en EUR 2,1 mln.) gedaan om de verslechterde humanitaire situatie van vluchtelingen, migranten en intern ontheemden het hoofd te bieden. Deze bijdragen worden o.a. ingezet voor financiële ondersteuning (in contanten) aan vluchtelingen en intern ontheemden in stedelijke centra in Libië, opvang en het faciliteren van vrijwillige terugkeer van migranten, en evacuatie van kwetsbare vluchtelingen vanuit Libië naar het nieuwe ETM Rwanda. Via het EU-Trustfund for Africa (EUTF) is tot op heden € 408 mln. gemobiliseerd voor projecten in Libië, waarbij bijna de helft ten goede aan vluchtelingen, migranten en intern ontheemden. Daarnaast worden er momenteel middels EUTF extra middelen vrij gemaakt voor ondersteuning van migranten en vluchtelingen i.h.k.v. de Coronacrisis.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de sluiting van Libische detentiecentra? Welke inspanningen levert Nederland concreet om deze centra zo snel mogelijk te sluiten?
Zoals uw Kamer bekend, zet het kabinet zich in voor het verbeteren van de situatie van migranten en vluchtelingen in de Libische detentiecentra met als doel de uiteindelijke sluiting daarvan. Hier heeft Nederland in bovengenoemde nationale verklaring in de Mensenrechtenraad wederom tot opgeroepen. Ook de bijdragen genoemd in het antwoord op vraag 5 zijn mede gericht op het sluiten van de centra door hieruit afkomstige migranten en vluchtelingen elders op te vangen. De inzet is hen te helpen om Libië te verlaten of zich te vestigen in stedelijke gebieden. Hoewel het aantal migranten en vluchtelingen dat vastzit en het aantal centra is de afgelopen jaren gedaald is, bevinden zich volgens cijfers van UNHCR momenteel nog ca. 2.000 personen in de officiële detentiecentra.
De persverklaring van Hizb ut Tharir dat vervolging voor de aanbeveling tot vrouwenbesnijdenis een poging zou zijn om moslims te criminaliseren |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Persverklaring 704, vrouwenbesnijdenis de zoveelste poging om moslims te criminaliseren»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat deze politieke organisatie openlijk in een proactieve persverklaring verklaart niet tegen vrouwenbesnijdenis te zijn en ook niet tot het aanbevelen daartoe, zich niet verhoudt tot de vrije waarden van de Nederlandse samenleving en bovendien stigmatiserend kan werken voor moslims die deze vrije waarden wel onderschrijven?
Iedereen in deze samenleving dient de vrijheid te hebben om eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het recht op zelfbeschikking is verankerd in de Nederlandse democratische rechtsstaat en cultuur en dit dient te allen tijde gewaarborgd te worden.
Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Indien sprake is van het aanzetten tot geweld dan wel (een poging tot) het plegen van geweld, kunnen de politie en het OM hier tegen optreden. Iedereen die vrouwelijke genitale verminking (VGV) uitvoert of meewerkt aan de besnijdenis van een meisje is strafbaar en kan worden vervolgd.
Het uitbrengen van een dergelijke persverklaring waarin geen afstand wordt genomen van dergelijke strafbare feiten heeft een negatieve weerslag op de beeldvorming over de islamitische gemeenschappen als geheel en is daarmee onacceptabel.
De casus, waar de organisatie Hizb ut Tahrir in haar persverklaring aan refereert, is door het OM op 5 juni jl. geoordeeld dat sprake is van opruiing en het aanzetten tot mishandeling, en daarmee tot geweld. Dit heeft geresulteerd in een eis van 120 uur werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Het betreft een rechtszaak eerste aanleg.2
Hoe zou u de organisatie Hizb ut Tharir omschrijven en wat is uw oordeel over haar positie in de Nederlandse samenleving?
Hizb ut Tahrir (HuT) is te typeren als een radicale pan-islamistische beweging. HuT is anti-zionistisch. De beweging heeft een afkeer van seculiere regeringen en ideologieën en schrijft een confronterende en sterk polariserende boodschap voor. Kenmerkend voor de HuT is zijn volharding in politiek en de focus op herstel van het kalifaat. De HuT roept niet op tot geweld, maar kan wel aanzetten tot radicalisering en sociaal-isolationisme. Tot op heden lijkt het bereik van en de ontvankelijkheid voor het gedachtegoed van de HuT in Nederland beperkt gebleven.
Op welke wijze houdt de Nederlandse overheid momenteel toezicht op deze organisatie?
Bevoegde instanties houden doorlopend nieuwe ontwikkelingen in de gaten met betrekking tot organisaties die (mogelijk) een dreiging vormen voor de democratische rechtsorde. Gemeenten worden hierin gekend om daar waar nodig te kunnen inzetten op het vergroten van de weerbaarheid en/of handhaving. Als het gaat om problematisch gedrag wordt gebruik gemaakt van de driesporen aanpak (interactie en dialoog, confronteren en handhaven of verstoren). Indien sprake is van mogelijke radicalisering kan de persoonsgerichte aanpak door gemeenten worden ingezet. Dat kan ook bij een vermoeden van radicalisering bij personen die de ideologie van HuT aanhangen. Ik zie momenteel geen aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie. Het OM, de politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert en dat is ook gerechtvaardigd
Is u bekend dat de organisatie in veel islamitische landen verboden is en ook in sommige andere EU-landen zoals Duitsland, onder andere vanwege antisemitische uitingen? Is een verbod ook in Nederland overwogen en zo ja, waarom is hier niet toe overgegaan?
Het is mij bekend dat in 2003 een «Betätigungsverbot», een verbod op de activiteiten van HuT op Duits grondgebied, is ingesteld. In Nederland kan een verzoek tot verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW worden gedaan door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank. Het is aan het Openbaar Ministerie, niet aan het kabinet, om zich uit te spreken over de vraag of er in casu aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek te doen.
Het regeerakkoord stelt dat de verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen moeten worden uitgebreid door aanpassing van artikel 2:20 BW. De regering heeft op 18 december 2019 een daartoe strekkend wetsvoorstel ingediend (Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen).3 Het wetsvoorstel is in behandeling bij uw Kamer.
Ziet u aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie naar aanleiding van de recente persverklaring? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u mogelijkheden op basis van de uit het regeerakkoord voortvloeiende wijziging van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek op te treden tegen deze organisatie en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering naar de organisatie te laten kijken en mogelijke maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van Rijk en gemeenten te versterken, ontwikkelingen te duiden, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering aan te pakken.
De bevoegde instanties volgen de ontwikkelingen en tegelijkertijd zet de regering in op het vergroten van de weerbaarheid van de islamitische gemeenschap en van vrouwen in het bijzonder. Dat is voor nu het meest passend.
Het bericht ‘Theater Markant wil wel showroom voor Nederland worden’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Theater Markant wil wel showroom voor Nederland worden»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u van het protocol dat theater Markant heeft opgesteld?
Ik heb veel waardering voor de creativiteit, waarmee Theater Markant en Tausch vorm proberen te geven aan een nieuw verdienmodel. Onderzoek van TNO wijst op dit moment echter uit, dat het gebruik van spatschermen binnen niet veilig genoeg is. Het gebruik van spatschermen in de buitenlucht, bijvoorbeeld op terrassen, is wel veilig bevonden.
Deelt u de mening dat aangezien het niet rendabel is voor instellingen zoals theaters, podia en bioscopen om slechts 30 tot 100 man toe te laten, het belangrijk is dat dit soort initiatieven gestimuleerd worden door de overheid?
In theaters, bioscopen en concertzalen geldt vanaf 1 juli geen maximum meer van 30 personen. Vanaf dan is de ruimte leidend in plaats van het aantal bezoekers. Wel moeten de basisregels, zoals 1,5 meter afstand houden, in acht genomen worden.
Ik besef dat maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het Coronavirus onvermijdelijke gevolgen hebben voor de culturele sector. We zien dat daardoor ook theaters, podia en bioscopen zwaar getroffen worden, net als andere sectoren. Ik heb oog voor de precaire situatie waarin de sector zit. Daarom ben ik samen met mijn collega’s van EZK, VWS en J&V in goed overleg met de evenementenbranche, die zich heeft verenigd in de Alliantie van Evenementenbouwers. De Alliantie zal, onder andere met behulp van een bijdrage van verschillende ministeries waaronder OCW, via de Topsector Creatieve Industrie werken aan een Fieldlab-aanpak. Het Fieldlab heeft tot doel wetenschappelijke kennis te combineren met innovaties uit de sector om inzichtelijk te maken hoe de gezondheidsrisico’s kunnen worden beperkt en de druk op de openbare ruimte en het OV voorkomen wordt. De sector zal zelf enkele testlocaties selecteren en daarmee voor de volle breedte van de eventindustrie voor binnen- en buitenevents belangrijke vraagstukken in relatie tot veilige openstelling gaan testen.
Bent u bereid te onderzoeken, indien nodig met de opstellers, of het mogelijk is om dit protocol landelijk uit te rollen en daarbij ook adviezen van het RIVM en TNO mee te nemen?
Protocollen worden opgesteld door de sector en het is aan de sector om een protocol landelijk uit te rollen. De overheid kan daarbij alleen adviseren. Pilots, zoals in het voorbeeld van Theater Markant, zouden zich ook kunnen melden bij het Fieldlab. Afstemming over wie zich kan aansluiten bij de experimenten is vervolgens aan de sector.
Heeft u kennisgenomen van het initiatief «Werkgroep Laat ons weer zingen»?2
Ja, ik heb kennisgenomen van dit initiatief.
Bent u bereid serieus naar het voorstel van dit initiatief te kijken om weer te mogen zingen onder strenge voorwaarden, zoals anderhalve meter afstand houden, geen grote groepen en mits het buiten is waar goede ventilatie mogelijk is?
Professionele en amateurkoren en zanggroepen mogen repeteren en optreden als zij hierbij de aanvullende richtlijnen van het RIVM opvolgen. Zo moet tussen elk koorlid in ieder geval minimaal 1,5 meter afstand zijn, bij voorkeur niet achter elkaar, maar in een zigzag formatie. Daarnaast worden uit voorzorg extra maatregelen voor de ventilatie (binnen) geadviseerd, naast de gebruikelijke preventieve adviezen.
De voedselveiligheid in de palingketen |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek «Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren: Resultaten van 2019»?1
Ja.
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat in het IJsselmeer bij Urk gevangen paling meerdere Europees vastgestelde maximum limieten voor het aantal toegestane polychloorbifenyl (PCB’s) en dioxine-achtige stoffen worden overschreden?
Eén van de drie Europese Maximum Limieten (ML’s) wordt overschreden, namelijk voor de som van dioxines en dl-PCB’s (dioxineachtige polychloorbifenylen). Daarnaast wordt er een beleidsregellimiet uit het beleidskader2, welke lager is dan de ML, overschreden voor de som van ndl-PCBs (niet dioxineachtige PCB’s).
Deelt u de mening dat palingen die de wettelijke normen voor PCB’s en dioxineachtige stoffen overschrijdt, niet in de voedselketen terecht mogen komen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet? Zo ja, deelt u de zorgen dat de voedselveiligheid van de palingen gevist in het betreffende gebied mogelijk in het geding is?
Palingen waarin de wettelijke normen voor PCB's en dioxineachtige stoffen overschrijden dienen buiten de voedselketen te blijven en ik deel uw zorgen als blijkt dat dit jaar de norm opnieuw wordt overschreden.
Kunt u toelichten of en hoe in de visserijketen na te gaan is of beviste IJsselmeerpaling afkomstig is uit Urk?
In 2017 is samen met het Ministerie van VWS een beleidskader opgesteld gebaseerd op een advies van Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek NVWA.
Volgens dit beleidskader worden gebieden gesloten voor aal en wolhandkrab wanneer maximumlimieten of beleidsregellimieten twee jaar achtereen overschreden worden. Andersom kunnen ze ook weer open gesteld worden wanneer er twee jaar achtereen geen limietoverschrijdingen worden gemeten. Vorig jaar is voor het eerst een overschrijding gemeten bij Urk. Dit hoeft niet gelijk zorgelijk te zijn. Het gaat om een geringe verhoging, wat een incident kan zijn. Indien de resultaten bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding van één van de limieten laten zien dan zal dat gebied worden gesloten. Zo wordt voorkomen dat er paling uit gebieden waar de limieten worden overschreden in de handel komt.
Indien dit niet mogelijk is, bent u van mening dat het vangstverbod op aal en wolhandkrab zoals dat nu geldt voor andere gebieden die zijn verontreinigd met dioxinen of dioxineachtige PCB's in elk geval ter voorzorgsmaatregel zal moeten worden uitgebreid naar het Urkse deel van het IJsselmeer om de voedselveiligheid voldoende te beschermen? Zo ja, op welke termijn verwacht u een dergelijk vangstverbod te kunnen laten gelden? Zo nee, waarom niet en welke andere maatregelen bent u voornemens te nemen om de voedselveiligheid te beschermen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 zal indien de resultaten dit jaar opnieuw een overschrijding van de normen laten zien dat gebied worden gesloten voor de visserij.
Kunt u aangeven of en hoe u invulling heeft gegeven aan de aanbeveling van het onderzoek om de drie locaties waar een overschrijding van het maximum limiet plaatsvond, waaronder het Urkse deel van het IJsselmeer, opnieuw te bemonsteren? Indien u hier nog geen invulling aan heeft gegeven, bent u voornemens dit nog te doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de resultaten van deze bemonstering met de Kamer te delen?
Gehalten van verontreinigingen van paling in de Nederlandse binnenwateren worden jaarlijks gemonitord. Hierbij gaat het om enkele vaste plekken om zo eventuele trends te kunnen opsporen. De gehalten worden ook op enkele andere plekken regelmatig gemeten. De locaties waar nu overschrijdingen zijn gevonden, en die niet onder het gesloten gebied vallen, worden uiteraard meegenomen. De resultaten van de jaarlijkse bemonsteringen worden gepubliceerd op de website van WUR.
Kunt u toelichten hoe de kwaliteit van de aal in het IJsselmeer buiten het gebied rondom Urk is? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
In de afgelopen 10 jaar zijn op verschillende locaties in het IJsselmeer palingen bemonsterd en geanalyseerd. De metingen laten zien dat de gehalten in paling in het Noordwestelijk deel en het Noordoostelijk deel van het IJsselmeer voldoen aan de geldende limieten. In het Zuidoostelijk deel (het Ketelmeer en een bufferzone van 1.000 meter) worden verhoogde gehalten geconstateerd. Dit gebied is gesloten voor de visserij. De resultaten van de afgelopen jaren wijzen op een gradueel verloop van de vervuiling. De vervuiling wordt steeds minder bij grotere afstand tot de monding van het Ketelmeer tot aan Medemblik, en daarom worden vanuit een zekere afstand ten noorden van Urk gehalten verwacht die voldoen aan de geldende limieten.
Is het te voorkomen dat met dioxine en PCB’s belaste paling bij Urk verder het IJsselmeer optrekt? Indien dit niet te voorkomen is, zal dit tot gevolg hebben dat alle IJsselmeerpaling uit voorzorg uit de handel zullen worden geweerd?
Het is niet te voorkomen dat paling verder het IJsselmeer optrekt. Het algemene standpunt van onderzoekers is wel dat rode aal (de onvolwassen aal die in deze monitoring wordt gevangen en geanalyseerd) tamelijk honkvast is en niet veel trekt. Als de resultaten van de bemonstering bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding laat zien zal dit gebied worden gesloten.
Kunt u, gezien het belang van deze vragen voor de voedselveiligheid, deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Roemenië schrapt seksuele voorlichting’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Roemenië schrapt seksuele voorlichting»?1 2
Ja.
Hoe vindt u het dat onder druk van de orthodoxe kerk het Roemeense parlement zwichtte om seksuele voorlichting geen verplicht schoolvak te laten zijn in Roemenië?
In 2018 werd een wetsinitiatief ingediend, dat beoogde seksuele voorlichting als een standaard onderdeel van het Roemeense onderwijs curriculum in te voeren. Dit voorstel werd begin dit jaar aangenomen met steun vanuit parlementariërs van nagenoeg alle partijen. Deze nieuwe wet vormt een grote vooruitgang voor de toegankelijkheid van seksuele voorlichting in Roemenië, gezien deze tot op heden geen vast onderdeel van het onderwijsaanbod vormde.
Het amendement waarover in juni gestemd werd, voegt ouderlijke toestemming als voorwaarde voor deelname aan de voorlichting toe. Dit amendement treedt pas in werking wanneer de Roemeense president zijn goedkeuring heeft verleend. De president heeft het wetsvoorstel ter beoordeling voorgelegd aan het Constitutioneel Hof. Zij zullen een uitspraak doen over de verenigbaarheid met de Grondwet. Tot die tijd zal het wetsvoorstel niet in werking treden.
Maakt u zich net als wij zorgen over de toenemende invloed die conservatieve krachten uitoefenen op vrouwen en lhbti’ers in Roemenië en de omliggende regio? Bent u het eens dat dit niet past binnen de waarden van de Europese Unie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet beschouwt invloeden die een bedreiging kunnen vormen voor de realisatie van vrouwenrechten, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en gelijke rechten voor LHBTI’s als zorgelijk, en volgt de ontwikkelingen daarover wereldwijd, ook binnen de EU, met aandacht. In het Verdrag inzake de Europese Unie is in artikel 2 neergelegd dat onder meer eerbied voor de menselijke waardigheid en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust. Dat geldt evenzeer en onverkort voor vrouwen en LHBTI’s.
Dergelijke initiatieven vinden in Roemenië overigens niet vanzelfsprekend weerklank bij de meerderheid van de bevolking. Zo werd in 2018 bij het referendum over de grondwettelijke definitie van het huwelijk – waarbij voorgesteld werd de gender-neutrale tekst te wijzigen naar «een huwelijk tussen man en vrouw» – de kiesdrempel niet behaald.
Deelt u daarnaast de mening dat seksuele voorlichting van groot belang is in het tegengaan van tienerzwangerschappen en seksuele overdraagbare aandoeningen, juist in een land met het op een na hoogste aantal tienerzwangerschappen van Europa? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De International Technical Guidance on Sexuality Education3 van de Verenigde Naties concludeert dat seksuele voorlichting onder meer bijdraagt aan verminderd risicovol seksueel gedrag, en frequenter gebruik van condooms en andere anticonceptiemiddelen. Dit heeft weer effect op het verminderen van tienerzwangerschappen en verspreiding van seksueel overdraagbare aandoeningen. Nederland bepleit dan ook toegang tot seksuele voorlichting als onderdeel van haar inzet op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Hebt u uw zorgen over de invloed van conservatieve krachten uitgesproken tegen uw Roemeense ambtsgenoot? Hebt u zich hierover uitgesproken in EU-verband? Bent u van plan dit op korte termijn te doen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven volgt het kabinet de ontwikkelingen op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, vrouwenrechten en gelijke rechten van LHBTI’s nauwlettend.
De onderhavige wetswijzing ligt op dit moment ter beoordeling bij het Roemeense Constitutionele Hof. Ook is de wetswijziging onderwerp van het debat tussen de Roemeense regering en het maatschappelijk middenveld. Het kabinet waardeert de betrokkenheid van de diverse Roemeense spelers hierin en acht het in dit stadium aan hen om de koers voor Roemenië te bepalen.
In bredere zin zet de Ambassade in Boekarest zich in samenwerking met het maatschappelijk middenveld actief in voor vrouwenrechten en gelijke rechten voor LHBTI’s. Meest recentelijk door een bijdrage aan een publiek statement met like-minded landen ter gelegenheid van de Internationale dag tegen homofobie, bifobie en transfobie (IDAHOT).