Het bericht dat er een dreiging is van een extreme tak van IS |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van een onderzoeksbureau dat lokale overheden het gevaar van de «Hazimi-beweging», een radicale tak van IS, onderschatten?1
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten. In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat.
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Is er een actueel beeld hoeveel aanhangers van deze beweging in Nederland actief zijn? Zo ja, hoeveel zijn dat er? Zo nee, waarom niet?
In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.2
Is er afstemming met de lokale overheden die belast zijn met de re-integratie van terugkeerders uit IS-gebied over het gevaar van deze beweging? Worden gemeenten voldoende ondersteund bij de aanpak van deradicalisering? Zo nee, waarom niet?
Het DTN rapporteert periodiek over ontwikkelingen in de dreiging en er verschijnen regelmatig openbare publicaties van de AIVD en/of NCTV over verschillende fenomenen, bijvoorbeeld over Nederlandse jihadistische vrouwen en minderjarigen bij ISIS. Lokale adviseurs van de NCTV attenderen lokale overheden op deze publicaties en ondersteunen lokale casusoverleggen met kennis en expertise. Voor advies en eventuele vragen kunnen de lokale overheden terecht bij de NCTV of andere (landelijke en/of lokale) organisaties met expertise, zoals het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Binnen detentie worden gemeenten reeds betrokken bij het opstellen van een re-integratieplan waarin wordt ingezet op deradicalisering. Dit wordt vormgegeven binnen een Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) waar de betrokken gemeente en Reclassering vaste partners zijn. Na detentie wordt de betrokkene vanuit het lokale casusoverleg onder regie van de gemeente met diverse zorg- en veiligheidspartners gemonitord en het re-integratieplan verder vormgegeven. Een lokaal adviseur van de NCTV kan een gemeente hierin adviseren.
Is er meer landelijke regie na de omstreden aanpak van deradicalisering in Arnhem? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van februari 2019 over de aanpak van radicalisering in Arnhem, legt de burgemeester verantwoording voor de lokale aanpak van radicalisering af aan de gemeenteraad4. De burgemeester van de gemeente Arnhem heeft de aanpak in Arnhem in 2019 extern laten evalueren5. Al met al heeft Arnhem volgens de onderzoekers van de Universiteit Utrecht een krachtige uitgangspositie en kan van daaruit haar radicaliseringsaanpak verder versterken.
Zoals toegelicht in de rapportage integrale aanpak terrorisme6, spelen gemeenten als bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid een cruciale rol in het tegengaan van radicalisering en het reduceren van dreiging die uit kan gaan van extremistische personen. Het Rijk draagt een landelijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de gehele aanpak op extremisme en terrorisme en voor de samenwerking tussen betrokken ketenpartijen. Het Rijk ondersteunt gemeenten actief met als doel ze te versterken in hun regierol richting partners, op een wijze die recht doet aan de lokale situatie. Hierbij wordt specifiek geïnvesteerd in het ontsluiten van kennis en kunde, zodat lokale verschillen in de aanpak niet ontstaan uit willekeur, maar door de toepassing van maatwerk in de lokale context. De afgelopen jaren zijn gemeenten waar de problematiek het meest speelt intensief ondersteund, onder andere met zogenoemde versterkingsgelden. De aangevraagde activiteiten passen binnen de beleidsvisie van mijn departement en het daaruit voortvloeiende bestedingskader. Momenteel wordt de huidige nationale contraterrorisme strategie (2016–2020) geëvalueerd, zodat de inzichten hieruit meegenomen kunnen worden in de gedachtevorming voor de nieuwe strategie. De persoonsgerichte aanpak maakt onderdeel uit van deze evaluatie.
Zijn er instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimibeweging of waar aanhangers van deze beweging actief zijn? Zo ja, is daar een (lokale) subsidierelatie mee?
Nee, er zijn op dit moment geen instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimi-stroming en die het Hazimi-gedachtegoed uitdragen. De aanhangers van deze stroming zijn veelal online actief.
Het bericht 'Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders' |
|
Barry Madlener (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat er voor biomassainstallaties maar één geschikte locatie is, namelijk in uw dromen?
Nee.
Bent u op de hoogte van het feit dat er bij biomassa netto méér CO2 vrijkomt dan bij kolen en gas? Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid, dat geënt is op juist minder CO2-uitstoot, van tegenstrijdheden aan elkaar hangt?
Het gebruik van biomassa is gedurende de transitie een nuttig en noodzakelijk alternatief voor het gebruik van aardgas. Het uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Duurzame biomassa is klimaatneutraal vanwege de kringloop waarbij in de groeifase CO2 uit de lucht wordt opgenomen, waarna diezelfde hoeveelheid CO2 weer vrijkomt bij de energieopwekking en er weer nieuwe vegetatie wordt aangeplant.
Deelt u de mening dat het verbranden van hout slechter is voor mens, dier en natuur dan het gebruik van aardgas? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het te zot voor woorden is dat tuinders hun kassen niet langer met gas, maar met een biomassainstallatie willen verwarmen? Hoe kan men dit in ’s hemelsnaam «duurzaam» noemen?
Zie antwoord vraag 3.
Maken deze achterhaalde biomassaprojecten aanspraak op subsidie? Zo ja, hoeveel? Valt deze subsidie binnen de 14 miljard euro die u de komende jaren voor biomassa beschikbaar wilt stellen?
Nee, ik heb uw Kamer in mijn brief van 15 november 2019 (zie Kamerstuk 32 813, nr. 404) geïnformeerd over de biomassa-installaties die tot dat moment een subsidiebeschikking hadden ontvangen. Voor de bedoelde biomassa-installatie is nog geen subsidie toegekend.
Bent u ertoe bereid deze houtstookprojecten onmiddellijk te stoppen en hier geen cent aan uit te geven?
Zoals ik in mijn brief van 1 juli 2020 heb aangegeven, geeft het kabinet uitvoering aan de motie Sienot c.s. (kenmerk 2020D26309) over het gebruik van vaste houtige biomassa voor energietoepassingen. Er wordt geen nieuwe subsidie beschikbaar gesteld voor het gebruik van vaste houtige biomassa voor de productie van uitsluitend elektriciteit. Ook zal in de najaarsronde van de SDE++ in 2020 geen subsidie aangevraagd kunnen worden voor warmteproductie door verbranding van houtige biomassa middels installaties met een vermogen < 5 MWth. Het kabinet zal bovendien, uitgaande van de tijdige beschikbaarheid van de concrete emissie-eisen, borgen dat installaties voor de verbranding van vaste houtige biomassa die in 2021 SDE++ subsidies aanvragen al aantoonbaar moeten voldoen aan de verwachte aanscherping van de aangescherpte emissie-eisen voor installaties tussen de 0,5 en de 50 MWth, die in 2022 van kracht moeten worden. Tot slot zal in het duurzaamheidskader voor biomassa waar het kabinet aan werkt, een eindjaar worden opgenomen voor de subsidiering van warmteproductie met vaste houtige biomassa en zal ik een uitfaseringsstrategie maken voor 2021 waarin ik op hoofdlijnen toelicht hoe het gebruik van vaste houtige biomassa voor warmte moet worden afgebouwd. Het kabinet streeft ernaar het genoemde duurzaamheidskader zo snel mogelijk na de zomer aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Een belangrijke bouwsteen hiervoor is het advies dat op dit moment door de SER wordt opgesteld. De SER streeft ernaar dit advies in juli af te ronden. Hiermee voldoe ik ook aan het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, die mij heeft gevraagd om deze planning (Kamerstuk 32 813, nr. 489/kenmerk 2020D19253).
Het Rapport ‘Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren’ van Wageningen Food Safety Research |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Rapport «Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren» van Wageningen Food Safety Research?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het nieuws dat bij 15 van de 19 onderzochte monsters aal overschrijdingen zijn aangetroffen ten aanzien van dioxines en polychloorbifenyl (PCB’s) en wat zegt dit volgens u over de waterkwaliteit?
Verontreiniging van paling in de Nederlandse binnenwateren wordt jaarlijks gemonitord. Hierbij gaat het om enkele vaste plekken waarvan reeds bekend is dat er veel dioxines en PCB’s wordt gemeten, om zo eventuele trends te kunnen zien. Zoals aangegeven in het rapport zijn deze gebieden gesloten voor de visserij. Daarnaast wordt ook op enkele andere plekken regelmatig gemeten. Deze meetplekken worden in overleg met onderzoekers aangewezen, waarbij vooral wordt gekeken naar locaties waar mogelijk veel dioxines en PCB’s in het sediment neergeslagen kunnen zijn. Dioxines en PCB’s hebben weinig invloed op de waterkwaliteit zelf omdat ze niet wateroplosbaar zijn. In het sediment kunnen echter wel relatief hoge concentraties dioxines en PCB’s voorkomen. Deze stoffen worden via het voedsel opgenomen door de aal en worden opgeslagen in het vet.
Deelt u de mening dat de bij Urk gevangen paling die bij de laatste metingen maximumlimieten (ML’s) overschrijdt op het gebied van dioxines en PCB’s niet in de handel zou moeten komen vanuit het oogpunt van voedselveiligheid en omdat dit strijdig is met het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat de bij Urk gevangen paling wordt verhandeld?
In 2017 is samen met het Ministerie van VWS een beleidskader2 opgesteld gebaseerd op een advies van Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek NVWA.
Volgens dit beleidskader worden gebieden gesloten voor aal en wolhandkrab wanneer maximumlimieten of beleidsregellimieten twee jaar achtereen overschreden worden. Andersom kunnen ze ook weer open gesteld worden wanneer er twee jaar achtereen geen limietoverschrijdingen worden gemeten. Vorig jaar is voor het eerst een overschrijding gemeten bij Urk. Eén van de drie Europese Maximum Limieten (ML’s) wordt overschreden, namelijk voor de som van dioxines en dl-PCB’s (dioxineachtige polychloorbifenylen). Daarnaast wordt er een beleidsregellimiet uit het beleidskader, welke lager is dan de ML, overschreden voor de som van ndl-PCBs (niet dioxineachtige PCB’s). Dit hoeft niet gelijk zorgelijk te zijn. Het gaat om een geringe verhoging, wat een incident kan zijn. Indien de resultaten bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding van één van de limieten laten zien dan zal dat gebied worden gesloten. Zo wordt voorkomen dat er paling uit gebieden waar de limieten worden overschreden in de handel komt.
Is u bekend hoe kan worden voorkomen dat paling afkomstig uit het met dioxine belaste gebied bij Urk verder het IJsselmeer optrekt of bent u bereid om dit te onderzoeken?
Het is niet te voorkomen dat paling verder het IJsselmeer optrekt. Het algemene standpunt van onderzoekers is wel dat de rode aal (de onvolwassen aal die in deze monitoring wordt gevangen en geanalyseerd) tamelijk honkvast is en niet veel trekt.
Is u bekend of de paling tussen de meetpunten Urk en Medemblik wel aan de betreffende normen voldoet?
In de afgelopen 10 jaar zijn op verschillende locaties in het IJsselmeer palingen bemonsterd en geanalyseerd. De metingen laten zien dat de gehalten in paling in het Noordwestelijk deel en het Noordoostelijk deel van het IJsselmeer voldoen aan de geldende limieten. In het Zuidoostelijk deel (het Ketelmeer en een bufferzone van 1.000 meter) worden verhoogde gehalten geconstateerd. Dit gebied is gesloten voor de visserij. De resultaten van de afgelopen jaren wijzen op een gradueel verloop van de vervuiling. De vervuiling wordt steeds minder bij grotere afstand tot de monding van het Ketelmeer tot aan Medemblik, en daarom worden vanuit een zekere afstand ten noorden van Urk gehalten verwacht die voldoen aan de geldende limieten.
Mocht dit u niet bekend zijn bent u dan bereid om alle IJsselmeerpaling uit voorzorg uit de handel te weren?
Alle IJsselmeerpaling uit de handel weren is niet aan de orde.
Eerst moet uit metingen van WUR dit jaar duidelijk worden of er bij Urk sprake is van structurele verhoging. Als dat zo is, zal het gebied bij Urk worden gesloten voor de visserij.
Het bericht ‘IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de dood van 30 migranten naar aanleiding van een vuurgevecht, waarbij een smokkelaar betrokken was? Kunt u het bericht bevestigen? Kunt u aangeven wat er is gebeurd?
Het kabinet betreurt ten zeerste het incident op 27 mei 2020 waarbij 30 migranten zijn gedood in Mezda, ten zuiden van Tripoli. Deze migranten zijn om het leven gekomen bij een vuurgevecht in een opslagplaats gebruikt door mensensmokkelaren/handelaren. Het is heel ingewikkeld om meer precieze en geverifieerde informatie te verkrijgen omdat het gebied zeer onveilig is en moeilijk te bereiken voor internationale organisaties. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid zich via de JBZ-raad en eventuele andere diplomatieke kanalen uit te spreken voor een onderzoek door de autoriteiten naar dit incident, zodat de daders kunnen worden opgespoord en berecht? Zo nee, waarom niet?
Direct na het incident heeft de EU-delegatie namens alle EU-lidstaten met vertegenwoordiging in Libië (w.o. Nederland) een verklaring uitgebracht waarin de dood van de migranten wordt veroordeeld.2 Daarnaast heeft Nederland in een nationale verklaring in de Mensenrechtenraad op 18 juni jl. afschuw uitgesproken over het incident en de Libische autoriteiten opgeroepen tot een grondig onderzoek met als doel de daders ter verantwoording te brengen.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie voor inwoners en migranten in Libië, gelet op de Coronacrisis en de gevechten die nog steeds in verschillende delen van Libië plaatsvinden?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Libië nauwgezet. De uitbraak van het Covid-19 virus in Libië baart het kabinet zorgen. De gezondheidszorg in Libië is niet voldoende geëquipeerd om een eventuele grootschalige uitbraak van het virus het hoofd te bieden. Dit legt extra druk op een bevolking die door toedoen van het voortdurende conflict al lange tijd onder zware omstandigheden leeft. Een duurzaam staakt-het-vuren heeft absolute prioriteit. Nederland steunt daarom het door de VN geleide politieke proces.
Op welke wijze zet Nederland zich, al dan niet via de EU, concreet in voor het verbeteren van de situatie voor inwoners van Libië en groepen migranten die in Libië verblijven?
Het kabinet heeft in het najaar van 2019 additionele bijdragen aan UNHCR en IOM in Libië (resp. EUR 3,3 mln. en EUR 2,1 mln.) gedaan om de verslechterde humanitaire situatie van vluchtelingen, migranten en intern ontheemden het hoofd te bieden. Deze bijdragen worden o.a. ingezet voor financiële ondersteuning (in contanten) aan vluchtelingen en intern ontheemden in stedelijke centra in Libië, opvang en het faciliteren van vrijwillige terugkeer van migranten, en evacuatie van kwetsbare vluchtelingen vanuit Libië naar het nieuwe ETM Rwanda. Via het EU-Trustfund for Africa (EUTF) is tot op heden € 408 mln. gemobiliseerd voor projecten in Libië, waarbij bijna de helft ten goede aan vluchtelingen, migranten en intern ontheemden. Daarnaast worden er momenteel middels EUTF extra middelen vrij gemaakt voor ondersteuning van migranten en vluchtelingen i.h.k.v. de Coronacrisis.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de sluiting van Libische detentiecentra? Welke inspanningen levert Nederland concreet om deze centra zo snel mogelijk te sluiten?
Zoals uw Kamer bekend, zet het kabinet zich in voor het verbeteren van de situatie van migranten en vluchtelingen in de Libische detentiecentra met als doel de uiteindelijke sluiting daarvan. Hier heeft Nederland in bovengenoemde nationale verklaring in de Mensenrechtenraad wederom tot opgeroepen. Ook de bijdragen genoemd in het antwoord op vraag 5 zijn mede gericht op het sluiten van de centra door hieruit afkomstige migranten en vluchtelingen elders op te vangen. De inzet is hen te helpen om Libië te verlaten of zich te vestigen in stedelijke gebieden. Hoewel het aantal migranten en vluchtelingen dat vastzit en het aantal centra is de afgelopen jaren gedaald is, bevinden zich volgens cijfers van UNHCR momenteel nog ca. 2.000 personen in de officiële detentiecentra.
Selectief aanmeldbeleid bij basisscholen |
|
Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint (SP), Kirsten van den Hul (PvdA), Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek naar het aanmeldbeleid bij Utrechtse basisscholen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat schoolbesturen al langere tijd met hun (voor)aanmeldbeleid in strijd met de wet handelen?
Scholen dienen zich te houden aan de wettelijke bepalingen rondom toelating en weigering van leerlingen. Als blijkt dat daaraan niet wordt voldaan kan de Inspectie van het Onderwijs ingrijpen. Ik vind het daarom goed dat er al afspraken gemaakt zijn tussen de gemeente Utrecht en de schoolbesturen om voor volgend schooljaar met een verbeterplan te komen.
Hoe kan het dat al een paar jaar bekend is dat de aanmeldprocedure voor scholen niet correct verloopt, maar dat niet is veranderd?
Signalen over dit type incidenten zijn door de gemeente Utrecht opgepakt met de betreffende schoolbesturen.
Bent u bereid om met de betreffende besturen in gesprek te gaan over de vraag waarom ze deze aanmeldprocedures hanteren?
Er zijn reeds afspraken gemaakt tussen de gemeente Utrecht en de betreffende schoolbesturen. Schoolbesturen werken inmiddels, in samenspraak met de gemeente, aan een verbeterplan dat in oktober gereed zal zijn.
Erkent u dat de wijze waarop deze basisscholen gebruikmaken van (buitenwettelijke) vooraanmeldingsprocedures en de ruimte die zij pakken voor selectie een forse inbreuk zijn op de kansengelijkheid in het onderwijs?
De conclusies en signalen uit het onderzoek zijn zorgelijk. Een negatief effect van het aanmeldingsbeleid op de kansengelijkheid is een onwenselijke ontwikkeling.
Herkent u het beeld dat juist kinderen met (ouders met) een migratie-achtergrond, zoals Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse kinderen, de dupe waren van het aanmeldbeleid van de betreffende scholen?
Het is niet goed wanneer bepaalde groepen ouders en kinderen minder kansen hebben op een plek op de school van hun voorkeur dan anderen. Signalen over dit type incidenten zijn in het verleden door de gemeente Utrecht opgepakt en met de betreffende schoolbesturen besproken. Bij de totstandkoming van het verbeterplan, waar de schoolbesturen en de gemeente nu aan werken, worden daarnaast ook ouders betrokken. Dat vind ik een goede zaak.
Klopt het dat de Onderwijsinspectie desgevraagd aan heeft gegeven deze gang van zaken te herkennen? Zo ja, waarom heeft deze Onderwijsinspectie niet eerder ingegrepen en wat is uw reactie hierop?
De inspectie heeft aangegeven de problematiek rondom schoolsegregatie in algemene zin te herkennen. Constateringen van de inspectie over schoolsegregatie in de grote steden waren mede aanleiding voor het onderzoek dat in Utrecht gedaan is naar het aanmeldbeleid. De gemeente heeft de inspectie bij dit onderzoek betrokken. Specifiek over te vroege aanmeldingen waren er voor dit onderzoek bij de inspectie geen signalen bekend.
Wat kunt en gaat u doen om gemeenten te ondersteunen in het tegengaan van onderwijssegregatie?
Een effectieve aanpak van segregatie in het onderwijs vraagt om landelijk en lokaal beleid. Onderwijssegregatie is namelijk een probleem waar geen eenduidige oplossing voor bestaat en vereist samenwerking met verschillende partijen. Net als de lokale en regionale betrokkenen voel ik mij ervoor verantwoordelijk om alle kinderen gelijke kansen te bieden in het onderwijs.
Daarom zal ik onderzoeken aan welke «knoppen» gedraaid kan worden om segregatie in het onderwijs te verminderen of te voorkomen, zonder daarbij de vrijheid van onderwijs aan te tasten. Aangrijpingspunten die ik daarbij meeneem, zijn onder andere de Lokale Educatieve Agenda (LEA), de rol van gemeenten in onderwijshuisvesting, het toelatingsbeleid van scholen, en brede scholengemeenschappen op één locatie. Ook vraag ik de inspectie om vanuit haar toezicht te monitoren hoe gemeenten tot gemeenschappelijke doelen en afspraken komen op de hiervoor genoemde (LEA) onderwerpen. Ik zal uw Kamer in het najaar, middels een beleidsagenda, informeren over wat kansrijke aangrijpingspunten zijn voor het tegengaan van segregatie in het onderwijs en hoe dit in een samenhangende aanpak, met gemeenten, kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat de Onderwijsinspectie, verantwoordelijk voor het toezicht op aanmeldbeleid, een terughoudende houding aanneemt door aan te geven tegemoet te zien welke vervolgstappen het College onderneemt? Zo ja, wat vindt u dat de Onderwijsinspectie hier voor rol moet pakken? Zo nee, wat is volgens u de meerwaarde van de Onderwijsinspectie als toezichthouder op aanmeldbeleid?
De inspectie was betrokken bij het onderzoek dat in Utrecht is uitgevoerd. De gemeente heeft de in het onderzoek betrokken besturen nadrukkelijk gevraagd om vóór het volgende schooljaar al te beginnen de communicatie en procedures rond aanmelding te verbeteren. In dit geval is er dus geen extra druk vanuit de inspectie nodig geweest. Ook zijn schoolbesturen en gemeente al aan de slag met een breder verbeterplan om de problematiek rond de aanmelding aan te pakken. Dat dit gebeurt, vind ik een goede zaak. De inspectie volgt dit. Daar waar de inspectie concrete signalen krijgt dat scholen zich blijvend niet conformeren aan de wet, zal de inspectie handhavend optreden.
Acht u het mogelijk dat er meer basisscholen zijn die de regelgeving omtrent aanmeldprocedures aan hun laars lappen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u ervoor zorgen dat inzichtelijk wordt welke scholen dit zijn, dat zij daar per direct mee stoppen en betreffende schoolbesturen een gepaste sanctie wordt opgelegd?
De inspectie zal altijd handhavend optreden als zij constateert dat een school zich niet aan wettelijke eisen houdt. Daarnaast heb ik uw Kamer afgelopen jaar toegezegd een breed onderzoek naar toelatingsbeleid en toegankelijkheid in het funderend onderwijs te laten doen, om zo landelijk in kaart te brengen hoe aanmelding, inschrijving en toelating verlopen en welke problemen daarbij spelen. De resultaten daarvan worden deze zomer opgeleverd en zal ik daarna met uw Kamer delen. Er zijn veel verschillen tussen hoe gemeenten, scholen en besturen dit doen, dus het is goed dat we hier gedegen naar kijken. Als het onderzoek daar aanleiding toe geeft, zal ik bekijken welke maatregelen op landelijk niveau nodig zijn om deze problematiek te verhelpen.
De voedselveiligheid in de palingketen |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek «Contaminanten in rode aal uit Nederlandse binnenwateren: Resultaten van 2019»?1
Ja.
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat in het IJsselmeer bij Urk gevangen paling meerdere Europees vastgestelde maximum limieten voor het aantal toegestane polychloorbifenyl (PCB’s) en dioxine-achtige stoffen worden overschreden?
Eén van de drie Europese Maximum Limieten (ML’s) wordt overschreden, namelijk voor de som van dioxines en dl-PCB’s (dioxineachtige polychloorbifenylen). Daarnaast wordt er een beleidsregellimiet uit het beleidskader2, welke lager is dan de ML, overschreden voor de som van ndl-PCBs (niet dioxineachtige PCB’s).
Deelt u de mening dat palingen die de wettelijke normen voor PCB’s en dioxineachtige stoffen overschrijdt, niet in de voedselketen terecht mogen komen? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet? Zo ja, deelt u de zorgen dat de voedselveiligheid van de palingen gevist in het betreffende gebied mogelijk in het geding is?
Palingen waarin de wettelijke normen voor PCB's en dioxineachtige stoffen overschrijden dienen buiten de voedselketen te blijven en ik deel uw zorgen als blijkt dat dit jaar de norm opnieuw wordt overschreden.
Kunt u toelichten of en hoe in de visserijketen na te gaan is of beviste IJsselmeerpaling afkomstig is uit Urk?
In 2017 is samen met het Ministerie van VWS een beleidskader opgesteld gebaseerd op een advies van Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek NVWA.
Volgens dit beleidskader worden gebieden gesloten voor aal en wolhandkrab wanneer maximumlimieten of beleidsregellimieten twee jaar achtereen overschreden worden. Andersom kunnen ze ook weer open gesteld worden wanneer er twee jaar achtereen geen limietoverschrijdingen worden gemeten. Vorig jaar is voor het eerst een overschrijding gemeten bij Urk. Dit hoeft niet gelijk zorgelijk te zijn. Het gaat om een geringe verhoging, wat een incident kan zijn. Indien de resultaten bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding van één van de limieten laten zien dan zal dat gebied worden gesloten. Zo wordt voorkomen dat er paling uit gebieden waar de limieten worden overschreden in de handel komt.
Indien dit niet mogelijk is, bent u van mening dat het vangstverbod op aal en wolhandkrab zoals dat nu geldt voor andere gebieden die zijn verontreinigd met dioxinen of dioxineachtige PCB's in elk geval ter voorzorgsmaatregel zal moeten worden uitgebreid naar het Urkse deel van het IJsselmeer om de voedselveiligheid voldoende te beschermen? Zo ja, op welke termijn verwacht u een dergelijk vangstverbod te kunnen laten gelden? Zo nee, waarom niet en welke andere maatregelen bent u voornemens te nemen om de voedselveiligheid te beschermen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 zal indien de resultaten dit jaar opnieuw een overschrijding van de normen laten zien dat gebied worden gesloten voor de visserij.
Kunt u aangeven of en hoe u invulling heeft gegeven aan de aanbeveling van het onderzoek om de drie locaties waar een overschrijding van het maximum limiet plaatsvond, waaronder het Urkse deel van het IJsselmeer, opnieuw te bemonsteren? Indien u hier nog geen invulling aan heeft gegeven, bent u voornemens dit nog te doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de resultaten van deze bemonstering met de Kamer te delen?
Gehalten van verontreinigingen van paling in de Nederlandse binnenwateren worden jaarlijks gemonitord. Hierbij gaat het om enkele vaste plekken om zo eventuele trends te kunnen opsporen. De gehalten worden ook op enkele andere plekken regelmatig gemeten. De locaties waar nu overschrijdingen zijn gevonden, en die niet onder het gesloten gebied vallen, worden uiteraard meegenomen. De resultaten van de jaarlijkse bemonsteringen worden gepubliceerd op de website van WUR.
Kunt u toelichten hoe de kwaliteit van de aal in het IJsselmeer buiten het gebied rondom Urk is? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
In de afgelopen 10 jaar zijn op verschillende locaties in het IJsselmeer palingen bemonsterd en geanalyseerd. De metingen laten zien dat de gehalten in paling in het Noordwestelijk deel en het Noordoostelijk deel van het IJsselmeer voldoen aan de geldende limieten. In het Zuidoostelijk deel (het Ketelmeer en een bufferzone van 1.000 meter) worden verhoogde gehalten geconstateerd. Dit gebied is gesloten voor de visserij. De resultaten van de afgelopen jaren wijzen op een gradueel verloop van de vervuiling. De vervuiling wordt steeds minder bij grotere afstand tot de monding van het Ketelmeer tot aan Medemblik, en daarom worden vanuit een zekere afstand ten noorden van Urk gehalten verwacht die voldoen aan de geldende limieten.
Is het te voorkomen dat met dioxine en PCB’s belaste paling bij Urk verder het IJsselmeer optrekt? Indien dit niet te voorkomen is, zal dit tot gevolg hebben dat alle IJsselmeerpaling uit voorzorg uit de handel zullen worden geweerd?
Het is niet te voorkomen dat paling verder het IJsselmeer optrekt. Het algemene standpunt van onderzoekers is wel dat rode aal (de onvolwassen aal die in deze monitoring wordt gevangen en geanalyseerd) tamelijk honkvast is en niet veel trekt. Als de resultaten van de bemonstering bij Urk dit jaar opnieuw een overschrijding laat zien zal dit gebied worden gesloten.
Kunt u, gezien het belang van deze vragen voor de voedselveiligheid, deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De persverklaring van Hizb ut Tharir dat vervolging voor de aanbeveling tot vrouwenbesnijdenis een poging zou zijn om moslims te criminaliseren |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Persverklaring 704, vrouwenbesnijdenis de zoveelste poging om moslims te criminaliseren»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat deze politieke organisatie openlijk in een proactieve persverklaring verklaart niet tegen vrouwenbesnijdenis te zijn en ook niet tot het aanbevelen daartoe, zich niet verhoudt tot de vrije waarden van de Nederlandse samenleving en bovendien stigmatiserend kan werken voor moslims die deze vrije waarden wel onderschrijven?
Iedereen in deze samenleving dient de vrijheid te hebben om eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het recht op zelfbeschikking is verankerd in de Nederlandse democratische rechtsstaat en cultuur en dit dient te allen tijde gewaarborgd te worden.
Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Indien sprake is van het aanzetten tot geweld dan wel (een poging tot) het plegen van geweld, kunnen de politie en het OM hier tegen optreden. Iedereen die vrouwelijke genitale verminking (VGV) uitvoert of meewerkt aan de besnijdenis van een meisje is strafbaar en kan worden vervolgd.
Het uitbrengen van een dergelijke persverklaring waarin geen afstand wordt genomen van dergelijke strafbare feiten heeft een negatieve weerslag op de beeldvorming over de islamitische gemeenschappen als geheel en is daarmee onacceptabel.
De casus, waar de organisatie Hizb ut Tahrir in haar persverklaring aan refereert, is door het OM op 5 juni jl. geoordeeld dat sprake is van opruiing en het aanzetten tot mishandeling, en daarmee tot geweld. Dit heeft geresulteerd in een eis van 120 uur werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Het betreft een rechtszaak eerste aanleg.2
Hoe zou u de organisatie Hizb ut Tharir omschrijven en wat is uw oordeel over haar positie in de Nederlandse samenleving?
Hizb ut Tahrir (HuT) is te typeren als een radicale pan-islamistische beweging. HuT is anti-zionistisch. De beweging heeft een afkeer van seculiere regeringen en ideologieën en schrijft een confronterende en sterk polariserende boodschap voor. Kenmerkend voor de HuT is zijn volharding in politiek en de focus op herstel van het kalifaat. De HuT roept niet op tot geweld, maar kan wel aanzetten tot radicalisering en sociaal-isolationisme. Tot op heden lijkt het bereik van en de ontvankelijkheid voor het gedachtegoed van de HuT in Nederland beperkt gebleven.
Op welke wijze houdt de Nederlandse overheid momenteel toezicht op deze organisatie?
Bevoegde instanties houden doorlopend nieuwe ontwikkelingen in de gaten met betrekking tot organisaties die (mogelijk) een dreiging vormen voor de democratische rechtsorde. Gemeenten worden hierin gekend om daar waar nodig te kunnen inzetten op het vergroten van de weerbaarheid en/of handhaving. Als het gaat om problematisch gedrag wordt gebruik gemaakt van de driesporen aanpak (interactie en dialoog, confronteren en handhaven of verstoren). Indien sprake is van mogelijke radicalisering kan de persoonsgerichte aanpak door gemeenten worden ingezet. Dat kan ook bij een vermoeden van radicalisering bij personen die de ideologie van HuT aanhangen. Ik zie momenteel geen aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie. Het OM, de politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert en dat is ook gerechtvaardigd
Is u bekend dat de organisatie in veel islamitische landen verboden is en ook in sommige andere EU-landen zoals Duitsland, onder andere vanwege antisemitische uitingen? Is een verbod ook in Nederland overwogen en zo ja, waarom is hier niet toe overgegaan?
Het is mij bekend dat in 2003 een «Betätigungsverbot», een verbod op de activiteiten van HuT op Duits grondgebied, is ingesteld. In Nederland kan een verzoek tot verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW worden gedaan door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank. Het is aan het Openbaar Ministerie, niet aan het kabinet, om zich uit te spreken over de vraag of er in casu aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek te doen.
Het regeerakkoord stelt dat de verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen moeten worden uitgebreid door aanpassing van artikel 2:20 BW. De regering heeft op 18 december 2019 een daartoe strekkend wetsvoorstel ingediend (Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen).3 Het wetsvoorstel is in behandeling bij uw Kamer.
Ziet u aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie naar aanleiding van de recente persverklaring? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u mogelijkheden op basis van de uit het regeerakkoord voortvloeiende wijziging van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek op te treden tegen deze organisatie en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering naar de organisatie te laten kijken en mogelijke maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van Rijk en gemeenten te versterken, ontwikkelingen te duiden, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering aan te pakken.
De bevoegde instanties volgen de ontwikkelingen en tegelijkertijd zet de regering in op het vergroten van de weerbaarheid van de islamitische gemeenschap en van vrouwen in het bijzonder. Dat is voor nu het meest passend.
Het bericht ‘Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS»?1
Ja.
In het rapport van onderzoeksbureau NTA wordt gesteld dat de Hazimi-beweging als extremer geldt dan IS en dat de beweging naar schatting bijna honderd aanhangers telt in Nederland, herkent u dit beeld? Zo ja, wat is de actuele situatie rondom deze beweging en welke dreiging gaat ervan uit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hieraan doen?
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten.2 In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat. In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.
Is bij u bekend hoeveel Nederlandse oud-IS aanhangers zich hebben aangesloten bij de Hazimi-beweging? Zo ja, hoe verhoudt de Hazimi-beweging zich qua aantallen tot huidige de IS-beweging in Nederland? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Het is niet nauwkeurig aan te geven hoeveel voormalige ISIS-aanhangers nu gerekend moeten worden tot Hazimi-aanhangers. Zoals gesteld kunnen waarschijnlijk enkele tientallen jihadisten in Nederland gerekend worden tot volgelingen van sheikh al-Hazimi. Het totale aantal jihadisten in Nederland is, zoals vermeld in DTN 52, ruim vijfhonderd.3
Nuance door training en advies (NTA) stelt ook dat veel Hazimi-aanhangers over het hoofd worden gezien door lokale overheden, herkent u dit beeld? Wordt er op dit moment door lokale overheden beleid gevoerd ten aanzien van de Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat wordt er momenteel concreet gedaan om dit op orde te krijgen?
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Onderzoeker Torre Hamming stelde in 2018 al dat de Nederlander Abu Asim al-Magribby een centrale rol speelt binnen de Hazimi beweging, herkent u dit beeld?2 Zo ja, welke rol speelt Abu Asim al-Magribby momenteel binnen de Hazimi beweging en in hoeverre spelen andere Nederlanders een rol in de internationale Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele personen. In algemene zin kan ik u melden dat personen en bewegingen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het OM, politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert. Op de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ik niet ingaan.
Het NTA stelt in hun onderzoek dat de Hazimi beweging online actief is op kanalen zoals Facebook en Telegram, herkent u dit beeld? Zo ja, hoe zien de online-activiteiten van de Hazimi-beweging eruit en bent u bereid maatregelen te nemen tegen (online) verspreiding van deze beweging? Zo nee, waarom niet?
Aanhangers van de Hazimi-beweging voeren dogmatische en ideologische discussies op jihadistische webfora. Op landelijk niveau zet de overheid zich in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. Zo wordt er ingezet op een integrale multidisciplinaire aanpak van extremistisch en terroristisch gebruik van het internet. De Internet Referral Unit (IRU) bij de politie ondersteunt deze aanpak door het signaleren en het verzoeken tot verwijderen van jihadistische content.
Kan bij het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) specifiek worden ingegaan op de laatste ontwikkelingen rondom de dreiging van de Hazimi beweging? Zo nee, waarom niet?
Het DTN is een onafhankelijk product van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het DTN vormt voor de NCTV en partners een leidraad voor het anticiperen op dreigingen en als communicatie-instrument voor het Nederlandse contraterrorismebeleid. Indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal in het DTN worden in gegaan op de Hazimi-beweging.
Het bericht dat de Kansspelautoriteit machteloos staat tegen gokelementen in videogames |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van reporter radio over de machteloosheid van de Kansspelautoriteit (Ksa) als het aankomt op het handhaven van de Wet op de kansspelen (Wok) en gokelementen in videogames?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over dit specifieke onderwerp?2
Ja.
Kan worden verduidelijkt wat de status, dan wel het resultaat, is van het onderzoek naar de twee aanbieders die eerder weigerden hun videogame aan te passen om zo toch, volgens de Ksa, aan de Wok te voldoen? Heeft de Ksa deze aanbieders voor de rechter gedaagd? Zo nee, waarom niet?
Ik merk op dat de Kansspelautoriteit (Ksa) over al dan niet lopende, individuele zaken geen uitspraken kan doen. Wel kan ik in het algemeen het volgende opmerken.
Wanneer een (rechts)persoon zonder vergunning een kansspel aanbiedt, kan de Ksa verschillende maatregelen treffen. Zij kan bijvoorbeeld eerst een normoverdragend gesprek voeren en, als dat niet het gewenste effect heeft, bestuursrechtelijke sancties opleggen, zoals een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. De Ksa maakt opgelegde sancties in beginsel via haar website openbaar. Zowel de Ksa als ik hechten aan snelle handhaving en in de regel is dat mogelijk. Uiteraard is het onwenselijk als tussen het moment van constatering van overtreding van de Wok en feitelijke effectuering van de handhaving daarvan veel tijd ligt. Dit kan echter het gevolg zijn van het succesvol aanwenden van rechtsmiddelen door de aanbieder (bezwaar- en beroepsprocedures).
Op welke manier denkt de Ksa snelle handhaving van de Wok af te dwingen bij aanbieders van videogames die zich volgens de Ksa niet aan de regels houden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat meer dan twee jaar nadat de Ksa concludeerde dat een aantal videogames niet aan de Wok voldeed, een spel als Fifa nog steeds niet aan de regels voldoet? Is een dergelijk lange handhavingstermijn wel uit te leggen als het om de gezondheid (verslavingsgevaar) van veelal jeugdigen gaat? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de kritiek, zoals die naar voren komt in het item van reporter radio, dat de regels, zoals geformuleerd in de huidige Wok, niet duidelijk genoeg zijn?
In de Wet op de kansspelen geldt op basis van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, het verbod om gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars plaatsvindt door kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij een vergunning is verleend door de Kansspelautoriteit. Dit artikel is techniek-neutraal geformuleerd, juist met het oog op nieuwe ontwikkelingen. In de Leidraad beoordeling kansspelen heeft de Kansspelautoriteit de verbodsbepaling nader uitgewerkt. Zij heeft tien spellen met loot boxes onderzocht en geconcludeerd dat bij vier spellen vanwege het aanbod van loot boxes de Wet op de kansspelen is overtreden. Ik zie op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat de regels in de Wok niet duidelijk genoeg zijn.
Waarom lukt het volgens u de Ksa tot nu toe niet om het verbod op gokelementen in videogames bij alle aanbieders te handhaven? Waar ligt dat aan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen voor het VAO Kansspelen beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het RIVM geen richtlijnen wil opleggen voor vliegverkeer |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM-experts: kans dat iemand heel vliegtuig besmet is buitengewoon klein»?1
Ja, dit bericht ken ik.
Kunt u aangeven op basis van welk wetenschappelijk onderzoek de aanname wordt gedaan dat de kans heel klein is dat personen elkaar in een vliegtuig besmetten? Is het waar dat dit zich nog nooit heeft voorgedaan zoals het hoofd Infectieziektenbestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt?
Het RIVM heeft niet gezegd dat een vliegtuigpassagier met COVID-19 nog nooit een andere passagier heeft besmet. Het is ingewikkeld om te onderzoeken of een besmetting in een vliegtuig (of elders) heeft plaatsgevonden. Wat betreft het risico op besmetting in vliegtuigen verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 4.
Kent u het artikel «Here’s how coronavirus spreads on a plane- and the safest place to sit»?2 Wat is uw reactie op de bevindingen in dit artikel, gezien het ontbreken van regels in vliegtuigen die elders wel gelden?
Ja, dit bericht ken ik. Voor een toelichting op de verspreiding van besmettelijke infectieziekten in een vliegtuig verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11.
Waarom zijn wel verplichtende maatregelen van kracht als het gaat om afstand houden en gebruik van beschermende middelen in het openbaar vervoer, restaurants en theaters, maar niet in vliegtuigen?
In beginsel geldt dat binnen samenkomsten mogen plaatsvinden van maximaal 30 personen per gebouw en onder voorwaarde dat mensen 1,5 meter afstand tot elkaar houden. Er vindt altijd een checkgesprek plaats; mensen met verkoudheidsklachten blijven thuis.
Hoewel het effect van de ventilatiesystemen in vliegtuigen op de overdracht van COVID-19 niet wetenschappelijk is onderzocht, acht het RIVM het plausibel dat de ventilatie- en filtersystemen in vliegtuigen zorgen voor een beperking van het risico op eventuele overdracht van het coronavirus. Het ventilatiesysteem zorgt samen met het filter- en airconditioning-systeem voor een verticale, naar beneden gerichte luchtstroom langs de passagiers. Hierdoor worden druppels in de uitademingslucht gericht naar beneden afgevoerd. Ook is de luchtverversing (ventilatievoud) in een vliegtuigcabine hoog en wordt de lucht in een vliegtuig elke drie minuten ververst.
In het protocol van de luchtvaart is een combinatie van maatregelen opgenomen. Het gaat om een gezondheidscheck, triage, het unieke ventilatiesysteem, spreiding waar mogelijk, niet- medische mondkapjes en de mogelijkheid om gericht en snel bron- en contactonderzoek te doen. Dit geldt naast hygiënemaatregelen. Dit maakt dat in capaciteitsrestricties voor de luchtvaart niet is voorzien.
Welke gevolgen kan het feit dat ruim 98% van de virusdragers geen symptomen heeft, hebben voor de verspreiding van het virus ten gevolge van vliegreizen?
In het RIVM advies wordt uitgegaan van het feit dat de virusoverdracht van mensen zonder symptomen minder is dan bij mensen met symptomen. Er zijn maatregelen die genomen kunnen worden zodat virusdragers ook als ze geen symptomen hebben de ziekte minder snel overdragen. Zoals 1,5 meter afstand houden, vaker handen wassen, mondkapjes aan boord van vliegtuigen en een gezondheidscheck voorafgaand aan het vliegen.
Spelen ook economische argumenten mee om bij het reizen per vliegtuig geen richtlijnen op te leggen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke argumenten heeft u dan om dit niet op te leggen?
Nee. De luchtvaart wordt op een verantwoorde manier opgeschaald. Het RIVM heeft op verzoek van het kabinet gereageerd op de protocollen die de maatschappijen en luchthavens in Nederland op basis van de EASA en ECDC richtlijnen hebben opgesteld en de sector heeft de bevindingen van de deskundigen van het RIVM verwerkt.
In hoeverre laat het RIVM zich bij het opstellen van richtlijnen en adviezen (mede) leiden door economische motieven? Deelt u de mening dat het RIVM zich alleen op wetenschappelijk onderzoek dient te baseren? Zo nee, waarom niet?
Het RIVM laat zich bij het opstellen van richtlijnen en adviezen niet leiden door economische motieven. Het RIVM stelt dat, hoewel het effect van de ventilatiesystemen in vliegtuigen op de overdracht van COVID-19 niet wetenschappelijk is onderzocht, het plausibel is dat dit unieke ventilatiesysteem inclusief filtering een beperking heeft van het risico op eventuele overdracht van COVID-19 tussen passagiers. Voor het overige worden de risico’s verminderd door de aanpak uit de door de Nederlandse luchthavens en luchtvaartmaatschappijen opgestelde protocollen, die door het RIVM zijn bezien. Daarvoor wordt verwezen naar de kamerbrief van 12 juni jl.
Kunt u aangeven waarom er bij het reizen met vliegtuigen vanuit wordt gegaan dat mensen met (lichte) klachten thuisblijven, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de horeca en culturele sector waar wel regels zijn opgelegd? Vanwaar dit verschil?
De algemene regel is dat iemand thuisblijft als hij of zij klachten ervaart. Dit geldt zowel wanneer je naar een restaurant wil gaan, een museum wil bezoeken, maar ook wanneer je wil vliegen. Mensen hebben een belangrijke eigen verantwoordelijkheid in het voorkomen van verspreiding van het virus. Vanaf 15 juni geldt dat alle inkomende en uitgaande passagiers op Nederlandse luchthavens een gezondheidsverklaring nodig hebben, om te kunnen reizen. Daarnaast dient, bij het inchecken en voor het binnentreden van het vliegtuig, een gezondheidscheck te worden uitgevoerd door het luchtvaartpersoneel. De Minister van VWS vraagt de GGD Kennemerland aanvullend om in de zomerperiode op Schiphol risico-gestuurde steekproeven op gezondheidsverklaringen en visuele waarneming uit te voeren op inkomende vluchten om de naleving van deze protocollen te zekeren. Daarnaast zijn op Nederlandse luchthavens observers van de luchthaven actief, die pro actief handelen om de drie pijlers van het protocol te borgen: 1,5 meter afstand, gezondheid & hygiëne en informatievoorziening.
Acht u het mogelijk dat een klein risico op verspreiding van het virus in een vliegtuig toch een groot risico betekent, gezien de vele duizenden passagiers die via Schiphol – en andere vliegvelden – reizen en zich verspreiden over Nederland?
Zowel de Nederlandse luchthavens als luchtvaartmaatschappijen hebben heldere protocollen opgesteld om risico’s van verspreiding van het virus te mitigeren. Wanneer reizigers zich goed aan deze regels houden zal het risico op verspreiding aanzienlijk beperkt worden. Bovendien monitoren we de situatie goed op basis van het bron- en contactonderzoek wat uitgevoerd wordt wanneer iemand besmet blijkt met het coronavirus. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt met de luchthavens en de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen – in samenspraak met de veiligheidsregio’s – opnieuw in overleg getreden om te bezien wat nodig is om de gezondheidsrisico’s te beperken.
Bent u van mening dat wanneer luchtvaartmaatschappijen de regels voor social distancing niet kunnen garanderen, mensen die op een Nederlandse luchthaven landen twee weken in quarantaine moeten? Zo nee, waarom niet?
Twee weken quarantaine wordt momenteel dringend geadviseerd wanneer mensen reizen uit hoog-risicolanden. Het is de verantwoordelijkheid van de passagiers en de luchthavens om ervoor te zorgen dat de 1,5 meter toegepast wordt. Voor zover door onverwachte, niet adequaat op de anderhalve meter te managen omstandigheden drukte ontstaat tijdens, bij en op de locatie van het inchecken, de security- en grens processen en het boarden, is als aanvullende mitigerende maatregel het gebruik van niet-medische mondneuskapjes voorgeschreven voor passagiers.
In hoeverre is «indammen van het virus» nog mogelijk wanneer blijkt dat mensen toch besmet raken in een vliegtuig?
Passagiers, cabinepersoneel en bemanningsleden met klachten passend bij COVID-19, zij die in monitoring zijn vanwege een recent contact met een bewezen patiënt met COVID-19, of zij die een gezinslid hebben met klachten passend bij COVID-19, moeten niet aan boord van een vliegtuig gaan. Behalve voorlichting vooraf, om mensen met klachten ervan te doen afzien naar de luchthaven te komen, zijn hiervoor een triage en gezondheidscheck van belang. Mocht achteraf onverhoopt blijken dat een besmet persoon heeft gevlogen, geldt dat er bron- en contactonderzoek plaatsvindt om zo op korte termijn de personen te traceren die rondom de besmettelijke passagier zaten. Luchtvaartmaatschappijen dienen over een procedure voor het opsporen van dergelijke vliegtuigcontacten te beschikken; snelheid is hier immers geboden. De ontwikkelingen in de luchtvaart worden actief gemonitord.
Deelt u de mening dat als de strategie is om het virus zoveel mogelijk te controleren/indammen, er ook maatregelen voor het vliegverkeer moeten worden opgelegd? Zo nee, waarom niet?
In Nederland houden we 1,5 meter afstand en net als de andere sectoren geldt dat ook voor de Nederlandse luchtvaartsector. Op sommige momenten en plekken is dat door het type en intensiteit van handelingen op de luchthaven niet altijd mogelijk. Daarom zijn er voor vliegverkeer aanvullende maatregelen. Dit past in de strategie van maximaal controleren.
Bent u bereid om deze vragen binnen twee weken te beantwoorden, gezien de naderende zomervakantie?
Ja.
Het basisjaar van de CORSIA |
|
Lammert van Raan (PvdD), Jan Paternotte (D66), Suzanne Kröger (GL), Eppo Bruins (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het voorstel van de Europese Commissie om de referentieperiode van het Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA) op basis waarvan de CO2-compensatievereisten worden vastgesteld te beperken naar 2019?1
Ja, van dat voorstel ben ik op de hoogte.
Klopt het dat een aanpassing van het basisjaar, zoals ook is opgemerkt door de Europese Commissie, mogelijk tot een situatie leidt waarin er tot 2023 geen compensatievereisten zijn voor de luchtvaartsector? Kunt u toelichten of u dit wenselijk acht gezien de klimaatopgave waar we voor staan?
De klimaatopgave is gebaat bij een mondiale aanpak van de luchtvaartsector en bij maatregelen die uiteindelijk leiden tot een absolute reductie binnen de sector zelf. Het definiëren van een lange termijn doelstelling is daarvoor van groot belang en mondiaal is dit proces onlangs gestart met het oog op besluitvorming in 2022.
Offsetting maakt deel uit van het traject om tot die absolute reductie te komen, maar is geen doel op zich.
Als er zou worden besloten tot een aanpassing van de baseline naar het jaar 2019 dan is het ook afhankelijk van het herstel van de luchtvaartsector in hoeverre er in de eerste fase van CORSIA van offsetting sprake zal zijn. Het is dus inderdaad mogelijk dat er geen sprake is van offsetting gedurende de eerste periode.
Klopt het dat Nederland tot 9 juni 2020 heeft om schriftelijk een voorstel te doen/voorkeur aan te geven? Bent u van plan dit met de Kamer te delen/bespreken? Zo nee, waarom niet?
Bij de ontwikkeling van de luchtvaart zet Nederland in op ambitieuze doelen en op het behoud en de implementatie van CORSIA met de huidige definitie van de baseline als uitgangspunt. Aanpassingen in CORSIA beschouwt Nederland als fall back optie met oog op het behoud van het systeem.
Het op 9 juni vastgestelde Raadsbesluit over het voorstel van de Europese Commissie is bedoeld als praktische instructie voor de Europese leden in de ICAO Council bij de onderhandelingen over dit onderwerp tijdens de komende vergadering, die duurt van 8 tot 26 juni. Het raadsbesluit is geen besluit tot aanpassing van de baseline. Dat mandaat ligt bij de Raad van ICAO. Het is gebruikelijk dat voorafgaand aan internationale vergaderingen, waaraan de EU deelneemt, een Europees proces wordt doorlopen om vast te stellen welke ruimte de EU (respectievelijk haar deelnemende lidstaten) in de onderhandelingen heeft.
In dit besluit is duidelijk aangegeven op basis van welke juridische en technische overwegingen er ruimte is voor de Europeseleden van de Raad van ICAO om, zoals in het raadsbesluit staat aangegeven «if necessary», een besluit te steunen om de baseline te wijzigen naar 2019 met een voorziene evaluatie in 2022. Tijdens de laatste schriftelijke ronde heeft geen van de 27 Europese lidstaten heeft naar aanleiding van het voorgenomen raadsbesluit gereageerd, waarmee het raadsbesluit unaniem is vastgesteld.
Kunt u de Nederlandse positie met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten wat u bedoelde toen u in de beantwoording van het schriftelijk overleg voor de Transportraad2 schreef: «Nederland is daarbij ambitieus.»? Betekent dit dat Nederland voor ambitieuzere doelen gaat dan het oude voorstel? Voor ambitieuzere doelen dan het nu voorliggende compromis? Of voor ambitieuzere doelen dan het meest vergaande voorstel om de doelen te verzwakken?
De onderhandelingen vinden plaats van 8 tot 26 juni tijdens de 220ste zitting van de Raad van ICAO. Op vrijdag 12 juni heeft een eerste debat over CORSIA plaatsgevonden. Wat Nederland betreft is het uitgangspunt bij deze onderhandelingen de baseline, zoals die in de huidige regels is gedefinieerd als het gemiddelde van de jaren 2019 en 2020 en dat is ambitieuzer dan de ter bespreking voorliggende aanpassing. Gezien de op dit moment sterk uiteenlopende posities van de leden in de Raad van ICAO is het zeer de vraag of er tijdens deze zitting een besluit kan worden genomen. De roep om meer informatie en een beter inzicht in de gevolgen van de verschillende opties wordt steeds sterker.
Kunt u toelichten hoe het internationale proces verder zal verlopen? Wanneer wordt de baseline-kwestie en het EU-standpunt in het verband van de International Civil Aviation Organization (ICAO) besproken? Kunt u aangeven wanneer dit in de ICAO-raad wordt besproken? Wat zal de positie van Nederland in de ICAO-raad zijn op dit onderwerp?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zal (naar uw verwachting) het resultaat zijn voor de korte termijn (vijf jaar) en voor de lange termijn (dertig jaar) voor de effecten van CORSIA op emissies en het klimaat, als de baseline uitsluitend over 2019 wordt berekend in plaats van over 2019 én 2020? Deelt u de analyse van het Öko-Institut3 dat het verschil tussen 2020 wel of niet mee laten tellen over de looptijd van CORSIA honderden of zelfs duizenden megatonnen CO2 kan schelen?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Mede afhankelijk van de ontwikkeling van de luchtvaart in de komende jaren zou een lagere referentielijn eerder kunnen leiden tot de verplichting tot offsetting van emissies en daarmee ook over de totale looptijd van CORSIA (2020 – 2035). Het doel van de verduurzaming van de luchtvaart is uiteindelijk niet gelegen in offsetting, maar in het bereiken van absolute reducties door technologische vernieuwing en schonere brandstof.
Wat vindt u van het advies van het Öko-Institut om te wachten met aanpassingen van de baseline, tot aan de algemene CORSIA-herziening in 2022?
Het wachten met een besluit tot de evaluatie in 2022 is een van de opties die in ICAO op tafel ligt en komt in feite overeen met het handhaven van de huidige definitie van de baseline tijdens de eerste fase. Zie daarover ook mijn antwoord op vragen 5 en 6.
Bent u van mening dat u, mede gezien de motie-Kröger c.s. van 19 april 20184, de Kamer voldoende proactief op de hoogte hebt gehouden van deze ontwikkeling?
Ja.
Kunt u nader uiteenzetten wat uw vervolgstappen zullen zijn als dit voorstel wordt aangenomen en het CORSIA-referentiejaar 2019 wordt?
Mocht er uiteindelijk nu of later dit jaar besloten worden tot een aanpassing van het basisjaar dan zal ik inzetten op de evaluatie die voorzien is in 2022. Gelijktijdig zet ik mij in voor een ambitieus lange termijn doel waarover in ditzelfde jaar in de Algemene Vergadering van ICAO een besluit wordt genomen.
Kunt u toelichten hoe 2019 als referentiejaar zich verhoudt tot de motie van de leden Paternotte en Kröger5 die stelt dat de invoering van CORSIA op geen enkel vlak een verzwakking mag betekenen ten opzichte van het Europese emissiereductiesysteem, en dat het EU-ETS-systeem niet mag worden vervangen totdat het ambitieniveau is verhoogd? Bent u het eens met de vragenstellers dat het ambitieniveau zeker niet verhoogd is met het aannemen van het referentiejaar 2019?
Wat betreft de gelijktijdige toepassing van het EU ETS en CORSIA kijk ook ik uit naar de rapportage van de Europese Commissie over hoe dit vorm te geven mede in het licht van de voorgenomen evaluatie en aanscherping van het EU ETS. Volgens de laatste berichten staat deze nu gepland voor dit najaar.
Het ambitieniveau van CORSIA is koolstofneutrale groei vanaf 2020. Wat de keuze voor het jaar 2019 als referentiejaar precies betekent zal feitelijk tegen het einde van 2020 bekend worden, wanneer nauwkeuriger kan worden vastgesteld hoe het gemiddelde van 2019 en 2020 zich zal verhouden tot het jaar 2019. Het uitgangspunt voor Nederland is behoud van de huidige ambitie.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voordat u het Nederlandse voorstel indient?
Zie mijn beantwoording.
De versterking in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hoe vaak is er inmiddels een Inspectie op Verzoek gevraagd bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG)?
Tot en met 12 juni 2020 zijn 523 aanvragen voor een opname op verzoek ingediend bij de NCG.
Hoe vaak zijn die verzoeken gehonoreerd? Hoe vaak zijn ze afgewezen?
Van de ingediende aanvragen zijn 330 gehonoreerd, 175 afgewezen en 18 nog in behandeling.
Bent u bekend met het feit dat er inwoners zijn van wie een Verzoek tot Inspectie werd afgewezen met redenen dat (1) de inwoner geen eigenaar zou zijn, (2) zij niet in één van de gemeenten woont en (3) haar huis geen verhoogd risicoprofiel zou hebben, maar dat na telefonisch overleg bleek dat zij al in een versterkingsprogramma zit zonder dat zij dit wist? Wat is daarop uw reactie?
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 12 juni 2020 (Kamerstuk 33 529, nr. 770), kunnen eigenaren van gebouwen die niet zijn opgenomen in de lokale plannen van aanpak van de betreffende gemeente zich melden als zij behoefte hebben aan een opname. Om in aanmerking te komen voor een opname op verzoek geldt een drietal voorwaarden: de aanmelder is eigenaar van het gebouw waarvoor de aanvraag is gedaan, het gebouw staat in de gemeente Appingedam, Delfzijl, Groningen, Het Hogeland, Loppersum, Midden-Groningen of Oldambt en het gebouw heeft een normaal risico bij aardbevingen en zit daarmee niet al in het versterkingsprogramma van de NCG.
Er zijn gemeenten die nog niet naar alle adressen hebben gecommuniceerd dat zij in de scope van het versterkingsprogramma van ca. 26.000 adressen zitten. Dat geldt met name voor adressen die volgens de lokale plannen van aanpak pas op een later moment door gemeenten zijn aangedragen en geen verhoogd risico hebben. De gemeenten hebben de mogelijkheid om indien daar aanleiding toe is huizen toe te voegen naast de huizen waar een verhoogd risico is. In de prioritering van de plannen van aanpak blijft wel gelden dat de meest risicovolle huizen eerst worden opgenomen en beoordeeld. Als een eigenaar van een dergelijk adres een aanvraag bij het loket opname op verzoek indient, kan het voorkomen dat deze eigenaar in reactie op die aanvraag voor het eerst hoort dat het adres reeds is opgenomen in het versterkingsprogramma door de gemeente. Mede om die reden is voor een tiental adressen vanuit het loket opname op verzoek het besluit rondom toelating uitgesteld (deze aanvragen zijn nog in behandeling). Zo wordt gemeenten de gelegenheid geboden deze adressen hiervan op de hoogte te stellen.
Bent u bekend met het feit dat er inwoners zijn van wie de woning met licht verhoogd risico in 2019 geïnspecteerd zou worden, afgelopen week een brief kregen waarin staat dat dat in 2020 nog steeds niet kan gebeuren?
Alle gemeenten stellen jaarlijks na overleg in de gemeenteraad een plan van aanpak vast waarin onder meer de prioritering van de versterkingsopgave is opgenomen, en communiceren dit naar de inwoners. Alle lokale plannen van aanpak zijn het afgelopen voorjaar vastgesteld. Voor deze plannen van aanpak geldt dat de meest risicovolle huizen als eerste worden beoordeeld. Er is contact met bewoners over de opnames die dit jaar zijn gepland. De gemeentelijke plannen zijn daarin voor de NCG leidend. Het is mogelijk dat naar aanleiding daarvan aan inwoners is gecommuniceerd dat de opname of beoordeling van een woning niet dit kalenderjaar in het proces is opgenomen.
Bent u bekend met het feit dat er inwoners zijn van wie de woning in 2017 is geïnspecteerd en daarna nooit meer iets hebben gehoord? Wat is daarop uw reactie?
De woningen die in 2017 zijn geïnspecteerd zitten in verschillende batches. Per batch wordt met bewoners over de inspecties gecommuniceerd. Na de inspecties in 2017 is de prioritering in het versterkingsprogramma overgegaan van een gebiedsgerichte aanpak naar een risicogerichte aanpak. Dat heeft ertoe geleid dat in sommige gevallen bewoners langer op de uitkomst van de inspectie hebben moeten wachten. Daarover is contact geweest met de bewoners.
De NCG laat weten de door u geschetste gevallen van adressen die reeds zijn geïnspecteerd maar daarna nooit een bericht hebben ontvangen, niet te herkennen. Uiteraard sta ik open voor concrete signalen over dergelijke gevallen, zodat kan worden uitgezocht hoe dit zit en eventueel actie kan worden ondernomen.
Bent u bekend met het feit dat er inwoners zijn van wie het rapport van de inspectie in december 2019 zou komen, maar nog steeds niets hebben ontvangen?
Ja, ik ben hiermee bekend. Daarbij ga ik ervan uit dat u de inwoners waarvan het versterkingsadvies in december 2019 zou komen bedoelt. Binnen de gemeente Groningen is begin 2019 in een informatiebijeenkomst georganiseerd voor eigenaren met een woning met een verhoogd risicoprofiel (P50). Aan hen is aangegeven dat het versterkingsadvies eind 2019 beschikbaar zou zijn. De review van de versterkingsadviezen neemt helaas meer tijd in beslag dan vooraf is voorzien. Daarom is het niet gelukt om goedgekeurde versterkingsadviezen voor de P50 groep eind 2019 beschikbaar te hebben. De versterkingsadviezen voor gebouwen met een verhoogd risicoprofiel (P50) komen één voor één binnen. Zodra een bewonersvriendelijk versterkingsadvies beschikbaar is, wordt daarover contact opgenomen met de betreffende eigenaar.
Hoe gaat u, om de inwoners toch enig perspectief te geven, uitvoering geven aan de moties Beckerman/Moorlag (Kamerstuk 35 328, nr. 10) en Beckerman c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 746), beiden met algemene stemmen aangenomen, zodat bij alle inwoners op zijn minst bekend is óf en wanneer hun huis versterkt wordt?
Het is belangrijk dat de bewoners in Groningen zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen of hun huis moet worden versterkt en als dat het geval is, wanneer de versterking wordt uitgevoerd. Daarom heb ik samen met de NCG, de provincie en de gemeenten veel werk verzet om de capaciteit voor opnames en beoordelingen te maximaliseren. Door de NCG wordt er hard aan gewerkt dit jaar 4.000 opnames en 4.000 beoordelingen af te ronden. Deze doelstelling lijkt voor dit jaar haalbaar. Maar zoals ik ook in het notaoverleg van 27 mei jl. heb aangegeven, is het is niet haalbaar uiterlijk eind 2020 alle gebouwen die in het versterkingsprogramma zijn opgenomen te beoordelen.
Wat vindt u van de conclusie van hoogleraar sociale psychologie, Tom Postmes, in maart 2020, dat mensen niet in de knoop raken door de aardbevingen maar door het stroperige proces? Wat gaat u hiertegen doen?1
Het versterkingsprogramma heeft een grote impact op de bewoners in Groningen. Ik vind het daarom van belang dat bewoners hierin centraal staan en meer regie krijgen in het versterkingsprogramma. Dat is één van de redenen dat in het Versnellingspakket verschillende maatregelen zijn aangekondigd om het versterkingsprogramma te versnellen en het bewonersperspectief te verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn de praktijkaanpak en de inrichting van het loket opname op verzoek. Een ander voorbeeld is het publiek maken van de uitvoering van het versterkingsprogramma per 1 januari 2020 door het te beleggen bij één uitvoeringsorganisatie, de NCG.
Wilt u de vragen één voor één beantwoorden voor 22 juni 2020, zonder verwijzingen naar de beantwoording van andere partijen, zodat het betrokken kan worden bij het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen?
Ja.
Het rapport Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport (advies 3456) van de Commissie voor de m.e.r. d.d. 31 maart 2020 |
|
Eppo Bruins (CU), Suzanne Kröger (GL), Jan Paternotte (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wordt in AERIUS voor het berekenen van de depositie ten gevolge van wegverkeer de standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit gebruikt, zoals de werkgroep in de Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport adviseert?
De depositiebijdrage van wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2). Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-depositiebijdrage-bronnen-sector-verkeer-en-vervoer/.
Klopt het dat in AERIUS voor emissiebronnen uit alle andere sectoren dan wegverkeer de depositie wordt berekend met OPS?
De depositiebijdrage van andere bronnen dan wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met het rekenmodel OPS. Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-verspreiding-en-deposities-met-ops/.
Klopt het dat in AERIUS met SRM2 de depositie tot een rekengrens van 5 km links en rechts van de weg wordt berekend? Zo ja, wat is de (technisch) inhoudelijke reden dat depositie verder dan 5 km links en rechts van de weg wordt afgekapt?
De implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator hanteert inderdaad een maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg. Deze keuze is gemaakt omdat berekende bijdragen van wegverkeer op enkele kilometers van de weg op het detailniveau van een hectare niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project. Deze maximum rekenafstand wordt niet alleen toegepast bij berekeningen van de depositiebijdrage van wegenprojecten in het MIRT, maar bijvoorbeeld ook bij het bepalen van de depositiebijdrage door de verkeersaantrekkende werking van woningbouwprojecten. Ook in de technische beschrijving van SRM2 van het RIVM is aangegeven dat voor wegverkeer op basis van SRM2 niet tot willekeurig grote afstanden mag worden gerekend. Door uit te gaan van een maximale rekenafstand van 5 km bij de doorrekening van individuele projecten, wordt hieraan invulling gegeven in AERIUS Calculator.
SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Ook de consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt in de monitoring van luchtkwaliteit langs wegen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) speelt een rol in de keuze voor SRM2 bij de berekeningen voor deposities van wegverkeer.
Het gebruik van dit model is daarbij eerder door de Raad van State geaccepteerd, inclusief een maximale rekenafstand. De maximale rekenafstand geldt bij projectspecifieke berekeningen. Voor het vaststellen van de bijdrage van wegverkeer aan de totale landelijke deposities wordt wel landsdekkend gerekend. Dat is mogelijk omdat de bijdragen dan niet herleidbaar hoeven te zijn tot een specifiek project.
Als de met SRM2 berekende bijdragen op meer dan enkele kilometers van de weg niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project, geldt dat dan niet net zozeer voor andere sectoren en andere depositiemodellen, zoals OPS? Zo nee, waarom niet?
Er zijn goede redenen om voor wegverkeer met SRM2 te rekenen en een maximale rekenafstand van 5 kilometer te hanteren (zie hiertoe ook het antwoord op vraag 3). In hoeverre ook voor andere bronnen een maximale rekenafstand (vergelijkbaar met wegverkeer) kan worden gehanteerd, vraagt om nader onderzoek.
Het kabinet komt na de zomer met een uitgebreidere inhoudelijke kabinetsreactie op zowel het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek als het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens de technische omschrijving van SRM2 door het RIVM1 SRM2 niet ontwikkeld is voor afstanden groter dan 3,5 km van de weg? Is die technische omschrijving nog geldig? Zo ja, waarom wordt in AERIUS SRM2 dan toegepast tot 5 km, dus buiten het toepassingsgebied? Zo nee, wat is er aangepast aan SRM2 om het tot 5 km toepasbaar te maken?
In het RIVM-rapport met de technische beschrijving van SRM2 is weliswaar aangegeven dat de bijdrage van SRM2-wegen in de Monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt berekend tot 3.5 kilometer van de weg, maar voor projectspecifieke berekeningen van de luchtkwaliteit is de NSL-Rekentool beschikbaar (https://www.nsl-monitoring.nl/rekenen/). De implementatie van SRM2 in deze rekentool rekent tot 5 kilometer van de weg. Bij de implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator is aangesloten op de maximale rekenafstand die ook wordt gehanteerd in de NSL Rekentool2. AERIUS Calculator is voorgeschreven in de regeling natuurbescherming voor het berekenen van projectspecifieke stikstofdepositiebijdragen.
Klopt het dat de depositie veroorzaakt door een (drukke) weg veelal ook op afstanden groter dan 5 km significant is?
De depositiebijdrage van extra verkeer als gevolg van een individueel project is op afstanden groter dan 5 kilometer niet meer betekenisvol te herleiden tot een individueel project op het detailniveau van een hectare.
Dat betekent niet dat er voorbij 5 kilometer geen sprake kan zijn van stikstofdepositie als gevolg van wegverkeer. Stikstofemissies kunnen zich tot honderden kilometers en verder verspreiden voordat ze op het oppervlak neerslaan. Een relatief groot deel van de emissies verspreidt zich tot ver van de bron, maar de logaritmische toename van het oppervlak waarover de emissies zich verspreiden zorgt ervoor dat de depositiebijdrage per hectare buiten 5 kilometer een fractie is van wat binnen 5 kilometer per hectare neerslaat3.
In welke mate komt de totale depositie berekend voor wegverkeer met SRM2 overeen met de depositie berekend met OPS (voor eenzelfde emissie met dezelfde emissie-kenmerken als uitstoothoogte, warmte-inhoud, spreiding en temporele variatie)? Welk percentage van de depositie mist ruwweg door het afkappen bij 5 km in SRM2?
De wijze waarop de verspreiding van emissies in SRM2 is gemodelleerd verschilt van de wijze waarop dat in OPS gebeurt. Dat betekent dat de berekende depositiebijdrage van een bron met OPS verschilt van de berekende depositiebijdrage van dezelfde bron met SRM2.
De modellering in SRM2 is gericht op de lokale verspreiding van emissies van wegverkeer op buitenstedelijke wegen. OPS is niet toegespitst op een specifieke broncategorie en vooral bedoeld voor grootschalige berekeningen. SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Dat maakt SRM2 meer geschikt voor projectspecifieke berekeningen van wegverkeer dan OPS.
Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof stelt in haar eindrapport dat het grootste gedeelte van de NH3- en NOX-deposities neerslaat op een grotere afstand dan 5 kilometer van de bron. Uit figuur 1 in het eindrapport volgt dat grofweg 80–90% van de NH3 emissies en 90–95% van de NOX-emissies voorbij 5 kilometer neerslaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het oppervlak waarover de depositie neerslaat logaritmisch toeneemt met de afstand tot de bron waardoor de depositie per hectare verder van de bron sterk afneemt. Zie antwoord op vraag 6.
Hoe verhoudt de depositie berekend met SRM2 zich tot die berekend met OPS dicht bij de weg, zeg op afstanden van 100 m, 500 m, en 1, 2, 3, 4 en 5 km?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 leiden de verschillen in de wijze van modellering tussen SRM2 en OPS tot verschillen in de berekende deposities. De verschillen zijn ook afhankelijk van de precieze locatie van de bron, wegkenmerken en de locatie van de rekenpunten.
Klopt het dat SRM2 door het afkappen bij 5 km geen enkele depositie berekent voorbij de afstandsgrens ongeacht de hoeveelheid emissies, terwijl OPS rekent zonder afstandsgrens, en dus per definitie meer depositie berekent voorbij de afstandsgrens?
De maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg in SRM2 betekent inderdaad dat AERIUS Calculator geen depositiebijdragen van wegverkeer berekent voorbij 5 kilometer. Deze maximale rekenafstand is onafhankelijk van de omvang van de emissies van de bron. OPS hanteert geen maximale rekenafstand en kan in AERIUS Calculator voor individuele projecten depositiebijdragen berekenen op grotere afstanden dan 5 kilometer.
Zouden SRM2 en OPS dezelfde depositie opleveren indien de afkapping uit SRM2 wordt verwijderd?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Is voor het berekenen van deposities SRM2 net zo veelvuldig getoetst op geschiktheid als het OPS-model? Door welke instantie heeft de toetsing plaatsgevonden? Is deze toetsing openbaar gemaakt en beschikbaar?
Standaardrekenmethode 2 (SRM2) is uitgebreid gevalideerd, in windtunnels en veldexperimenten. Dit is beschreven in hoofdstuk 3 van de technische beschrijving van het RIVM bij de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014–0109.pdf). Daarin zijn ook de betrokken instanties genoemd en verwijzingen opgenomen naar rapporten.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen ten aanzien van SRM2 gedaan door TNO in een audit van AERIUS uit 20152, welke bestond uit drie opties: a) De definitie van SRM2 aanpassen, b) geen source depletion meenemen of c) SRM2 vervangen door OPS? Welke actie is sindsdien ondernomen en welke van de opties is gekozen?
TNO constateerde in het genoemde doelmatigheidsonderzoek in 2015 dat bij gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen in AERIUS een correctie wordt toegepast voor de zogenoemde source depletion. Dit is een correctie die gebruikt wordt om in rekening te brengen dat de concentratie van een stof met de afstand tot de bron niet alleen daalt als gevolg van verdunning, maar ook door depositie van die stof. De keuzes die TNO voorstelde hadden tot doel om AERIUS transparanter en eenvoudiger te maken. Er waren geen inhoudelijke bezwaren tegen toepassen van SRM2 met een correctie voor source depletion. Er is destijds gekozen voor een correctie voor source depletion om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Gebruikt AERIUS momenteel een versie met source depletion? Erkent u dat deze volgens TNO in het genoemde rapport niet voldoet aan de SRM-eisen omdat het niet aan meetgegevens is getoetst (pag. 19)? In geval van gebruik van een versie met source depletion door AERIUS, hoe garandeert u dan de geschiktheid van SRM2 in het licht van deze opmerking van TNO?
AERIUS Calculator houdt bij de berekening van de depositiebijdragen door wegverkeer rekening met source depletion. De opmerking van TNO in het genoemde rapport betekent niet dat de SRM2 implementatie in AERIUS Calculator niet geschikt is. In het genoemde rapport concludeert TNO namelijk dat AERIUS Calculator geschikt is voor het berekenen van de effecten van projecten ten behoeve van toestemmingsbesluiten. TNO stelt daarbij dat de rekenkern (OPS en SRM2) van voldoende kwaliteit is, en dat het OPS-model en SRM2 op de juist wijze zijn geïmplementeerd in AERIUS Calculator.
De depositiebijdragen van wegverkeer worden in AERIUS Calculator berekend door een combinatie van Standaardrekenmethode (SRM2) en OPS. AERIUS berekent eerst de concentratiebijdrage met SRM2. Vervolgens wordt de depositiebijdrage berekend door de concentratiebijdrage te corrigeren voor de source depletion en vervolgens te vermenigvuldigen met de depositiesnelheid. Zowel de source depletion als de depositiesnelheid zijn door RIVM afgeleid met OPS. Dit is beschreven in de technische beschrijving van de SRM2 implementatie in AERIUS5.
In het rapport maakt TNO de opmerking dat de correctie voor source depletion niet is opgenomen in de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In AERIUS Calculator zijn de concentratiebijdragen berekend conform de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. De correctie voor source depletion en de vermenigvuldiging met de depositiesnelheid zijn nabewerkingen op de berekende concentraties met SRM2 die bedoeld zijn om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Is SRM2 volgens u geschikt om een betrouwbare depositie te berekenen?
Het kabinet beschouwt op basis van het oordeel van het RIVM SRM2 als een geschikte methode op de depositiebijdrage van wegverkeer te berekenen. Belangrijk inhoudelijk argument is dat SRM2 rekening houdt met typische wegkenmerken zoals de hoogteligging en schermen. Gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen zorgt ook voor consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt voor luchtkwaliteitsberekeningen en is voorgeschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007). SRM2 wordt al meer dan 10 jaar toegepast in de Monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en wordt ook toegepast bij de toetsing of projecten voldoen aan de Europese normen voor bijvoorbeeld fijnstof en stikstofdioxide.
Het debat over burgerslachtoffers in Irak op mei 2020 |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u, aangezien u stelt dat niemand de tragische gevolgen van de aanval op Hawija ontkent of bagatelliseert, uiteenzetten wat deze tragische gevolgen precies zijn? Welk dodental hanteert u hierbij en van hoeveel gewonden gaat u uit?
U bent reeds in de Kamerbrieven van 4 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 670), 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673), 24 maart jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 707), 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 711) en in de debatten over dit onderwerp geïnformeerd over de tragische gevolgen van deze aanval.
Bent u bereid bij CENTCOM te informeren waarom u verkeerd bent ingelicht over het aantal doden dat in de officiële telling werd gehanteerd voor de aanval op Hawija? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u het antwoord van CENTCOM met de Kamer delen?
De Kamer is hier in de brief van 24 maart jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 707) reeds over geïnformeerd. Daarin geef ik aan dat ik en marge van de Munich Security Conference (12–15 februari jl.) de heer Esper heb gesproken over deze kwestie, evenals over de brief die ik hem in dat kader had gestuurd. Het antwoord van dhr. Esper is de Kamer reeds bekend.
Wilt u contact opnemen met het internationale Rode Kruis om navraag te doen naar hun informatie over de burgerslachtoffers van de aanval op Hawija die in 2015 is gedeeld en te vragen of u de Kamer over deze informatie kunt informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief met antwoorden op nadere vragen over de wapeninzet in Hawija van 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673), deelde ICRC in augustus 2015 met de ambassade in Bagdad een vertrouwelijke lijst van onbevestigde gevallen van burgerslachtoffers in Irak waarbij de anti-ISIS coalitie mogelijk betrokken was. In contacten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met ICRC voorafgaand aan de Kamerbrief van 25 november 2019 herbevestigde ICRC reeds het vertrouwelijke karakter van deze lijst. Zie voorts de voorgenoemde Kamerbrief.
Bent u bereid bij CENTCOM te informeren of filmmateriaal van de aanval op Hawija publiek gemaakt kan worden? Zo nee, waarom niet? Bent u, aangezien u zelf pleit voor meer transparantie, zelf voorstander van het vrijgeven van dit videomateriaal? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is reeds beantwoord in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 712, zie het antwoord op vragen 7 t/m 9).
Wat is uw reactie op de uitlating van NRC-journalist Kees Versteegh, die stelt dat het aantal van minimaal zeventig burgerslachtoffers voor Hawija dat meteen na de aanval werd gerapporteerd in internationale media al vrij snel door de Amerikanen deels geverifieerd werd via militaire satellieten, verkenningsvliegtuigen, drones en informanten ter plaatse? Kunt u dit bevestigen? Hebt u kennis van deze gedeeltelijke verificatie? Wat is er precies gedeeltelijk geverifieerd? Indien u dit niet weet, bent u bereid hier opheldering over te vragen bij de VS?1
Zoals in de brief van 4 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 670) wordt aangegeven voert CENTCOM standaard onderzoek uit wanneer er sprake is van een vermoeden van burgerslachtoffers. Zoals wordt aangegeven in de brief van 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673) heeft het Ministerie van Defensie kort na de wapeninzet kennis genomen van het initiële CENTCOM-rapport over de wapeninzet van 15 juni 2015, en op 22 januari 2016 van de uitkomst van het aanvullende onderzoek naar het targeting proces (het zogenaamde AR 15–6 onderzoek). Het zijn deze onderzoeksrapporten waar het Ministerie van Defensie zich op baseert. De Kamer is op 21 april jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 709) geïnformeerd dat beide rapporten door de VS zijn vrijgegeven, wat de Kamer in staat stelt om zelf kennis te nemen van de inhoud ervan.
Bent u ermee bekend dat een ander coalitieland eerder heeft aangegeven de aanval op Hawija te hebben geweigerd?2
Deze vragen zijn reeds geadresseerd in de brieven van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vraag 2 en Kamerstuk 27 925, nr. 712, zie het antwoord op vragen 31 en 32). Het is het Ministerie van Defensie niet bekend dat een ander land de aanval zou hebben geweigerd.
Klopt het dat u voorafgaand aan het debat met de Kamer op 14 mei 2020 geen contact hebt opgenomen met andere landen van de coalitie met de vraag of, en zo ja, waarom, zij de aanval op Hawija hebben geweigerd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid contact op te nemen met de verschillende landen die in juni 2015 Irak bombardeerden en te vragen wie eerder de uiteindelijk door Nederland uitgevoerde aanval op Hawija heeft geweigerd, waarom dat het geval was en, indien het land dat weigerde daarmee akkoord is, de Kamer hierover (desnoods, indien door het betreffende land gewenst, vertrouwelijk) te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel landen bombardeerden Irak in juni 2015? Welke landen waren dat?
Dit zijn negen landen, te weten Australië, België, Canada, Denemarken, Frankrijk, Jordanië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Klopt het dat u voorafgaand aan het debat op 14 mei 2020 geen navraag hebt gedaan bij CENTCOM of de term «meer waarschijnlijk dan niet» vaker wordt gehanteerd in de officiële telling van de coalitie? Zo ja, waarom hebt u daar geen navraag naar gedaan?
Zoals op 7 mei jl. in antwoord op gelijksoortige vragen (ingezonden 7 april 2020 met kenmerk 27 925, nr. 707) is aangegeven, betreft het hier een registratiesysteem dat niet door het Ministerie van Defensie wordt beheerd (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vragen 47 t/m 49 en 53). Daarom kunnen deze vragen niet door het ministerie worden beantwoord.
Klopt het dat het vaker voorkomt dat in de lijst van de door CENTCOM zelf onderzochte incidenten een dodental niet is bevestigd maar «meer waarschijnlijk dan niet» wordt geacht, zoals in het geval van Hawija? Indien u dit niet weet, wilt u hier dan navraag naar doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat de doden die CENTCOM in de eigen telling bijhoudt allemaal «meer waarschijnlijk dan niet» worden geacht en men aangaande deze lijst niet de term «bevestigd» hanteert?
Zie antwoord vraag 10.
Worden er verschillende termen gebruikt voor de mate van waarschijnlijkheid in de telling van burgerdoden van CENTCOM? Zo ja, welke termen worden voor de verschillende incidenten gebruikt?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat het vaker voorkomt dat in de lijst van de door CENTCOM zelf onderzochte incidenten een specifiek dodental is opgenomen, terwijl men niet precies weet hoeveel doden er zijn gevallen, zoals in het geval van Hawija? Indien u dit niet weet, wilt u hier dan navraag naar doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u toelichten op basis van wat voor informatie besloten is tot de aanval op Mosul in september 2015, waarbij vier burgerdoden vielen, en hoe het mogelijk was dat deze informatie niet deugde?
Deze vragen zijn reeds op 10 februari jl. geadresseerd in antwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1667, zie het antwoord op vraag 19), waarbij onder andere is verwezen naar het door de VS zelf uitgegeven openbare memorandum over het CIVCAS Closure Report van deze wapeninzet. Daarnaast is het eigen onderzoek van het Ministerie van Defensie naar deze wapeninzet openbaar gemaakt op 17 februari jl. (Kamerstuk 27 925, nrs. 682 en 705). In dit onderzoek is onder andere opgenomen op basis van welke informatie de aanval is uitgevoerd.
Op basis van welke informatie stemde de Red Card Holder van Nederland in met de aanval op Mosul? Beschikte hij over alle informatie over het doelwit of ontbraken allerlei details daarover omdat enkel de uitkomst van het inlichtingenproces werd gedeeld, zoals ook in het geval van de aanval op Hawija?
Zie antwoord vraag 15.
Is vastgesteld hoe de aanval op Mosul zo verschrikkelijk mis kon gaan? Zo ja, hoe is dat gedaan en wat is er vastgesteld? Kunt u toelichten hoe het dodental van vier van de aanval op Mosul in september 2015 is bevestigd? Op basis waarvan heeft CENTCOM besloten vier burgers op te nemen in de lijst van slachtoffers?
Zie antwoord vraag 15.
Zijn er aanbevelingen opgesteld naar aanleiding van de aanval op Mosul? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat CENTCOM/de coalitie geen obstakel vormde om het parlement jaren geleden al te informeren over de vele burgerdoden bij het bombardement op Hawija en dat het dus nationaal beleid was dat de Kamer niet in detail werd ingelicht hierover?
In de brief van 4 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 670) is hierover reeds het volgende aangegeven. Binnen de anti-ISIS coalitie wordt in een kerngroep van 13 landen op een zeer intensief niveau samengewerkt. Deze groep bestaat uit landen die een langdurige (militaire) relatie met elkaar hebben, waardoor er sprake is van een mate van vertrouwen die noodzakelijk is om in het hoogste geweldsspectrum met elkaar in een militaire coalitie te functioneren. Daarbij hoort dat partners geen uitspraken doen over nevenschade of burgerslachtoffers ten gevolge van wapeninzet van andere coalitiepartners, en dat ieder land eigenstandig bepaalt hoe hierover wordt gecommuniceerd. Wanneer door CENTCOM op basis van informatie van derden of op basis van eigen informatie kan worden vastgesteld dat een coalitiepartner mogelijk betrokken was bij mogelijke burgerslachtoffers, wordt het desbetreffende land daar zo snel mogelijk van op de hoogte gesteld. Het land in kwestie bepaalt vervolgens eigenstandig hoe met die kennis wordt omgegaan.
Kunt u bevestigen dat de VS al twee maanden na een vergelijkbaar omvangrijke miskleun, in Mosul in maart 2017, verantwoordelijkheid nam voor een aanval waarbij meer dan honderd burgerdoden vielen?3
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u toelichten wat u bedoeld met uw opmerking dat er afspraken waren op basis waarvan tijdens het vliegen, tijdens het opereren, geen informatie met wie dan ook gedeeld zou worden? Kunt u de letterlijke tekst(en) van deze afspraken met de Kamer delen?
Het antwoord op vraag 21 vloeit voort uit het feit dat, zoals in de brief van 4 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 670) is gemeld, het kabinet van oordeel was en is dat, gedurende de hele inzetperiode, het vrijgeven van de exacte locatie, datum en het vermoedelijke aantal burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet een te groot risico had gevormd voor de nationale, operationele en personele veiligheid en/of niet viel binnen de mogelijkheden van het opereren in de anti-ISIS coalitie. Vragen 22 en 23 zijn reeds geadresseerd in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vraag 4). Daarin staat ook aangegeven dat de Kamer tussen 2016 en 2019 op verschillende momenten is geïnformeerd over mogelijke burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet.
Wanneer werden deze afspraken gemaakt en door wie?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat uit de interne nota van uw ministerie deze afspraken niet blijken?4
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u toelichten op basis van welke informatie er bij uw ministerie geen andere gevallen bekend zijn, waarbij mogelijk sprake is van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet?
Deze vragen zijn reeds geadresseerd in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vragen 8, 20, 21, 25 t/m 27, 83 t/m 85).
Kan uitgesloten worden dat Nederland betrokken is bij incidenten met burgerslachtoffers waar monitoringsorganisatie Airwars over rapporteert, waaronder incidenten die door Centcom niet zijn opgenomen in de officiële telling? Zo ja, hoe is dit uitgesloten?
Zie antwoord vraag 24.
Heeft u studie gemaakt van de data van Airwars en dit gelegd naast de eigen data? Zo nee, waarom dan niet?
Zie antwoord vraag 24.
Klopt het dat, wanneer bijvoorbeeld een ngo zich meldt bij Defensie met een vraag naar Nederlandse betrokkenheid bij een aanval met burgerslachtoffers, u hierover geen informatie verschaft als CENTCOM het specifieke incident niet heeft opgenomen in de eigen telling? Zo ja, waarom is dat het geval?
Zie antwoord vraag 24.
Kunt u toelichten waarom het nemen van verantwoordelijkheid voor de aanvallen op Hawija en Mosul mogelijk is, maar dat in andere gevallen vanwege redenen van veiligheid niet zou kunnen? Waarom zou het vrijgeven van datum, tijdstip en precieze locatie in andere gevallen wel onacceptabele gevolgen hebben voor de veiligheid? Waarop is deze analyse gebaseerd?
Zie antwoord vraag 24.
Kunt u precies, in detail, aangeven hoe u in de toekomst anders om wilt gaan met transparantie? Welke wijzigingen zijn er op dit terrein doorgevoerd?
Kunt u toelichten wat u ermee bedoelt dat, als er bij toekomstige missies ook maar enige aanwijzing is voor burgerslachtoffers of anderszins, de Kamer onverwijld geïnformeerd zal moeten worden, het liefst openbaar, maar vertrouwelijk als dat niet openbaar kan tijdens de missie?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de brief Voorstel procedure informeren Tweede Kamer bij het vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet in het kader van art. 100 van de Grondwet, die de Kamer op 23 juni jl. is toegekomen (Kamerstuk 27 925, nr. 723).
Kunt u de omstandigheden toelichten, waarin u openbaar informeren niet mogelijk acht?
Zie antwoord vraag 30.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met de opmerking dat de Kamer ook in staat moet zijn om haar controlerende taak te kunnen uitoefenen?
Ik doel daarmee op wat ik in het debat van 14 mei jl. aangaf, namelijk dat omdat het kabinet verantwoordelijk is voor de veiligheid van Nederland, dit soms betekent dat het kabinet wel transparanter wil zijn, maar dat het kabinet het nog niet kan zijn. Transparantie moet er immers niet toe leiden dat de vijand wijzer wordt gemaakt, dat is iedere keer een weging. In de brief Voorstel procedure informeren Tweede Kamer bij het vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet in het kader van art. 100 van de Grondwet, die de Kamer op 23 juni jl. is toegekomen (Kamerstuk 27 925, nr. 723), doe ik een concreet voorstel voor een gezamenlijk met de Kamer vast te stellen procedure voor de toekomst.
Klopt het dat u, als in de toekomst Nederland wederom betrokken is bij incidenten met burgerslachtoffers, de mogelijkheid openhoudt de Kamer hierover niet in detail te informeren, dat wil zeggen het parlement bijvoorbeeld niet te informeren over het (mogelijke/waarschijnlijke) aantal doden en de plaats van de aanval? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 31.
Zouden de incidenten in Hawija en Mosul wel direct en concreet (dus herleidbaar tot openbare informatie over de beide aanvallen) aan de Kamer zijn gemeld als uw nieuwe regels voor transparantie al zouden hebben gegolden voor de inzet van Nederlandse F-16’s in Irak in de strijd tegen IS? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zou het in deze gevallen dan om vertrouwelijk informeren gaan? Zo ja, waarom?
De Kamer zou hierover zo spoedig mogelijk zijn geïnformeerd, binnen de kaders van de verschillende veiligheidsoverwegingen (inzake personele, operationele en nationale veiligheid)5 alsmede de afspraken binnen de coalitie waarin Nederland op dat moment opereerde. Zie ook het antwoord op vraag 31.
Kunt u een update geven van uw inspanningen om de slachtoffers en nabestaanden van de aanvallen op Hawija en Mosul tegemoet te komen? Waarom is er in beide gevallen nog steeds geen regeling getroffen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief Voortgang transparantiebeleid burgerslachtoffers die de Kamer gelijktijdig met deze beantwoording is toegekomen.
De btw-verlaging op o.a. groente en fruit in Duitsland. |
|
Femke Merel Arissen (PvdT) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Duitsland gaat economie stimuleren met pakket van recordomvang», waarin melding wordt gemaakt van een tijdelijke verlaging van de «mehrwertsteuer» van 19 tot 16 procent?1 Kent u het bericht «Groente en fruit goedkoper na Duits steunpakket btw»2 waarin wordt vermeld dat het lage btw-tarief van 7% naar 5% gaat?
Ja.
Kunt u de (te verwachten) effecten beschrijven van de Duitse btw-verlaging op de Nederlandse economie?
De effecten van de Duitse btw-verlaging op de Nederlandse economie zijn onzeker, maar om een aantal redenen is te verwachten dat de effecten beperkt zijn. Ten eerste betreft het betrekkelijk kleine aanpassingen van de tarieven. Ten tweede betreft het tijdelijke aanpassingen. Het is de vraag in hoeverre de btw-verlaging wordt doorgerekend in verlaging van de consumentenprijzen. Potentieel kan de verlaging van de Duitse btw leiden tot een toename van de consumptie in Duitsland. Een stijging van de consumptie kan positieve effecten hebben op Nederlandse ondernemers die leveren aan afnemers in Duitsland, zoals de landbouwsector. De toename van de consumptie in Duitsland kan ook deels voortvloeien uit verschuivingen van koopstromen tussen EU-landen. Dit kan betekenen dat Nederlandse ondernemers in de grensregio enige klandizie verliezen. Nederlanders kunnen namelijk meer over de grens gaan kopen en Duitsers kunnen minder in Nederland gaan kopen.
In aanloop naar de verhoging van het verlaagde btw-tarief in Nederland van 6% naar 9% in 2019, is door ITEM onderzoek gedaan naar de mogelijke grenseffecten.3 Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat de grenseffecten van een verandering van de btw-tarieven van enkele procenten naar verwachting beperkt zijn. De bestaande prijsverschillen tussen landen variëren sterk per product en zijn vaak groter dan enkele procenten btw.
Kunt u specifiek ingaan op de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers in de grensregio?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat ondernemers in de grensstreek door de coronacrisis al extra zijn getroffen door het deels sluiten van de grenzen voor personenverkeer en dat deze btw-verlaging in Duitsland dit versterkt?
Het kabinet zijn geen cijfers bekend over regio-specifieke effecten van de coronacrisis. Uiteraard is het van belang dat wij oog houden voor de effecten van verschillende nationale en internationale beleidsontwikkelingen.
Welke maatregelen zijn er feitelijk mogelijk om de negatieve gevolgen voor ondernemers in de grensstreek te compenseren? Hoe beoordeelt u deze maatregelen en gaat u deze maatregelen treffen? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet heeft voor ondernemers die moeilijkheden ervaren tijdens de coronacrisis diverse fiscale maatregelen getroffen, zoals bijzondere uitstel van betaling van belastingen of een belastingvrije Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19. Aan de hand van de reeds genomen maatregelen wordt ondersteuning geboden aan bedrijven die de directe gevolgen ondervinden van de coronacrisis. Daarentegen zijn maatregelen die gekoppeld zijn aan de geografische ligging van ondernemers strijdig met de neutraliteit van het beleid. Gelet op het bovenstaande en de naar verwachting beperkte gevolgen in Nederland van de Duitse btw-verlaging, liggen aanvullende maatregelen naar aanleiding van de Duitse btw-verlaging momenteel nog niet voor de hand.
Hoe staat u tegenover een vergelijkbare, tijdelijke verlaging van de btw in Nederland? Overweegt u zo’n tijdelijke btw-verlaging? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de btw-verlaging in Duitsland en België bekijkt het kabinet wat verstandig is om te doen op dit punt. Momenteel is het kabinet niet voornemens de btw-tarieven in Nederland tijdelijk te verlagen. Nut en noodzaak lijken beperkt, gezien de naar verwachting beperkte effecten. In theorie biedt een btw-verlaging een algemene stimulans aan de koopkracht. Het is echter onbekend hoe de tariefsverlaging zou worden doorberekend in de prijzen en wie hiervan profiteert. Een algemene btw-verlaging begunstigt voornamelijk de sectoren met veel omzet, terwijl juist sectoren met omzetverlies de stimulans nodig hebben. In de vrijetijdssector lijkt de stimulering van de afzet überhaupt niet aan de orde, gelet op de beperkte capaciteit door de regels omtrent afstand houden. Een tijdelijke verlaging zou bovendien ongericht zijn in het compenseren van de ondernemers in de grensstreek en leiden tot veel administratieve kosten voor bedrijven voor aanpassing van prijzen in de winkels en ict-systemen. Het verlagen van de btw-tarieven voor een half jaar is dus naar verwachting ondoelmatig. De introductie van een nieuw, nog niet bestaand tarief is bovendien op korte termijn IT-technisch niet mogelijk voor de Belastingdienst.
Kunt u uiteenzetten wat de (te verwachten) effecten zijn op de Nederlandse economie indien een vergelijkbare tijdelijke btw-verlaging ook in Nederland ingevoerd zou worden, waarbij u aandacht besteedt aan de effecten voor producenten, het midden en kleinbedrijf en consumenten, of bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zoals in vraag 6 is aangegeven, bestaat twijfel of een btw-verlaging in Nederland de gewenste effecten heeft. Het kabinet begrijpt de wens om een onderzoek te doen, om de wenselijkheid van beleidsopties in kaart te brengen. Het kabinet ziet echter af van een onderzoek naar een btw-verlaging in reactie op de Duitse btw-verlaging, omdat dit pas tot resultaten leidt tegen de tijd dat Duitsland de btw-tarieven weer verhoogt en omdat de maatregel niet uitvoerbaar is voor de Belastingdienst op korte termijn.
Kunt u uiteenzetten wat de (te verwachten) effecten zijn voor de Nederlandse economie indien u besluit de btw op alle in Nederland geproduceerde producten tijdelijk te verlagen of geheel vrij te stellen van btw, waarbij u in uw antwoord aandacht besteedt aan de effecten voor producenten, het mkb en consumenten, of bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
De Europees geharmoniseerde BTW-richtlijn 2006 staat niet toe om een onderscheid te maken naar afkomst van een product. In de btw geldt als hoofdregel dat de levering van een goed of dienst belast is naar het btw-tarief van het land van bestemming. Dit betekent dat een voedingsmiddel afkomstig uit Frankrijk, Duitsland of China belast is tegen hetzelfde btw-tarief als een voedingsmiddel afkomstig uit Nederland.
Kunt u aangeven wat het effect is geweest van de verhoging van het lage btw-tarief3 van 6 naar 9 procent op de consumptie van groente en fruit? Bent u bereid om de verhoging van de btw op groente en fruit te verlagen of minimaal terug te draaien, hetzij tijdelijk hetzij structureel? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment heeft het Kabinet niet de beschikking over data over de consumptie van groente en fruit in 2019. Meerdere factoren beïnvloeden de consumptie van groente en fruit. Aangezien de btw in 2019 niet alleen is verhoogd op groente en fruit, maar ook op alle andere voedingsmiddelen, is naar verwachting de consumptie van groente en fruit niet gedaald door deze maatregel.
Bent u een voorstander van een hogere groente- en fruit consumptie, nu ook artsen en wetenschappers, waaronder van het RIVM, stellen dat meer aandacht voor preventie, een gezondere levensstijl, mensen weerbaarder maakt in de strijd tegen het coronavirus?
Het kabinet is er voorstander van dat Nederlanders zoveel mogelijk eten volgens de Schijf van Vijf. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlanders betekent dat een hogere groente- en fruitconsumptie. De afgelopen weken is onder andere door wetenschappers en medici aandacht gevraagd voor het belang van een gezonde leefstijl om weerbaarder te zijn tegen de gevolgen van een coronabesmetting. Het kabinet deelt de oproepen dat een gezonde leefstijl belangrijk is. Dat geldt natuurlijk altijd, ook los van COVID-19. De Staatssecretaris van VWS is in gesprek met deze wetenschappers en artsen om te bezien op welke wijze gezonde leefstijl – ook op korte termijn- kan worden gestimuleerd.
Bent u bekend met het feit dat veel Nederlandse ouderen te weinig groente en fruit eten en dat dit hun gezondheid schaadt?
Van de volwassen Nederlanders eet zo’n 16% de dagelijks aanbevolen hoeveelheid groenten en zo’n 13% dagelijks aanbevolen hoeveelheid fruit (bron: www.wateetnederland.nl). Hier is nog veel ruimte voor verbetering. De consumptie neemt, zeker voor groenten, toe met de leeftijd. De ouderen doen het dus relatief goed. Dit neemt niet weg dat er ook bij ouderen gezondheidswinst te behalen is als ze meer groente en fruit eten.
Indien u de consumptie van voldoende groente en fruit in Nederland belangrijk vindt, welke maatregelen neemt het kabinet of heeft het kabinet genomen om de consumptie van groente en fruit te verhogen en welke effecten zijn daarvan bekend of worden daarvan verwacht? Stellen de resultaten u tevreden? Zo nee, welke extra inspanningen zijn nodig?
Een gezonde leefstijl is waar veel maatschappelijke organisaties, kennisinstituten en gemeenten zich met het Nationaal Preventieakkoord (NPA) en het Nationaal Sportakkoord landelijk en lokaal voor inzetten. Een van de doelen uit het NPA is dat alle inwoners van Nederland eten en drinken op een wijze die bijdraagt aan een gezond gewicht en een gezond voedingspatroon. De Schijf van Vijf is hier de leidraad voor en consumptie van voldoende groente en fruit is daar een belangrijk onderdeel van. Om de gezonde keuze makkelijker te maken wordt bijvoorbeeld op diverse plekken zoals school- en sportkantines en ziekenhuizen gewerkt aan een gezondere voedselomgeving en stimuleert de horecabranche haar leden meer groente aan te bieden. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van VWS toe naar de introductie van een nieuw voedselkeuzelogo, Nutri-Score, waarbij de hoeveelheid groente en fruit in een product mede bepaalt hoe gezond een product scoort. De staatsecretaris van VWS heeft uw Kamer 22 juni geïnformeerd over de voortgang van het Nationaal Preventieakkoord. Specifiek voor deze tijd van coronacrisis staan op het Loket Gezond leven van het RIVM leefstijladviezen voor thuis, ook omdat voor heel veel Nederlanders de woon- en werkomgeving opeens is veranderd; thuis werken, thuis eten, minder gelegenheid om te sporten. Gezonde keuzes maken is voor veel mensen dan ook een nog grotere uitdaging dan normaal.
De waardedalingsregeling in het Groninger aardbevingsgebied. |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel van RTV Noord over de teleurstelling van oud-hoogleraar De Kam inzake de inhoud van de waardedalingsregeling?1 Wat is daarop uw reactie?
De adviescommissie Hammerstein heeft advies uitgebracht over de vraag welke van de zes bekende onderzoeksmethodes om waardedaling vast te stellen, het beste kan worden gebruikt om schade door waardedaling vast te stellen. De commissie heeft na een grondige vergelijking aanbevolen de methode van Atlas voor Gemeenten te gebruiken. De kwartiermaker IMG heeft, zoals ook voorgesteld en conform de gewijzigde motie van de leden Agnes Mulder en Sienot (Kamerstuk 35 250, nr. 39), de commissie Hammerstein gevraagd alsnog ook te adviseren over de methode van Invisor, welke methode nog niet was gepubliceerd ten tijde van het uitbrengen van het oorspronkelijke advies door de adviescommissie Hammerstein. In een aanvullend advies heeft de adviescommissie Hammerstein uitvoerig gemotiveerd waarom de eerder door haar geselecteerde methode nog steeds de voorkeur verdient. De commissie heeft namelijk wetenschappelijke en methodologische bezwaren tegen deze methode en beoordeelt de uitkomsten als niet plausibel. Zo gaf de methode uitkomsten waarbij woningen in de kern van het aardbevingsgebied zich in de afgelopen jaren ongeveer op dezelfde manier ontwikkelden als woningen in de meest gewilde delen van de Randstad. De kwartiermaker komt tot de conclusie dat er onvoldoende argumenten zijn om te kiezen voor deze methode en ziet geen reden om af te wijken van de aanbevelingen van de commissie Hammerstein.
De kwartiermaker IMG heeft daarom geen aanleiding gezien om voor een andere methode te kiezen en zal de waardedaling vaststellen aan de hand van de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Uit de Tijdelijke wet Groningen vloeit voort dat het IMG geheel onafhankelijk zijn werkwijze vaststelt. Desondanks vind ik het jammer om te moeten vernemen dat de heer De Kam de gekozen methode door het IMG niet ondersteunt.
Gaat het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) ook de mensen die de afgelopen jaren veel te weinig compensatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) hebben gekregen alsnog tegemoetkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bewoners die al van de NAM een vergoeding voor waardedaling hebben ontvangen, kunnen niet opnieuw een aanvraag om vergoeding van schade door waardedaling indienen bij het IMG. Het IMG is niet bevoegd om reeds vergoede schades door NAM opnieuw te beoordelen.
Wat gaat u doen om deze mensen alsnog te compenseren voor het verlies dat zij hebben geleden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom is er gekozen voor de voorwaarde om in aanmerking te komen voor waardedalingscompensatie dat minstens 20% in het postcodegebied schade heeft?
Dit is een afweging van het IMG. Het IMG i.o. heeft daar het volgende over gecommuniceerd: Het IMG i.o. neemt de aanbevelingen van de Adviescommissie Waardedaling over. Deze adviseert de gebiedsafbakening uit de methode van Atlas voor Gemeenten te gebruiken en dit toepassingsgebied zekerheidshalve ruim vast te stellen. Het gebied waar sprake is van waardedaling, is vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de verkoopprijzen van 45.000 woningen in het aardbevingsgebied met woningen in de rest van Nederland. Uit deze grootschalige vergelijking komt naar voren dat in postcodegebieden vanaf 40% toegekende schademeldingen significant sprake is van waardedaling. Bewoners in postcodegebieden met 20–40% toegekende schademeldingen komen echter ook voor schadevergoeding in aanmerking, omdat waardedaling daar niet uitgesloten kan worden. De grens van 20% is dus geen voorwaarde, maar een resultante van het door Atlas voor Gemeenten uitgevoerde onderzoek.
Hoe vaak komt het voor dat eigenaren niet in aanmerking komen voor compensatie van waardedaling omdat ze in een buurt met veel huurders wonen die hun schade niet melden en daarom niet aan de 20% schademeldingen komen?
Het IMG heeft laten weten dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat geen of minder vaak schade wordt gemeld aan verhuurde woningen. Zo heeft het IMG i.o. bijvoorbeeld ook specifiek een convenant afgesloten met de woningcorporaties om de aan hun woningbezit ontstane schade af te handelen. Zie voorts het antwoord op vraag 6 met betrekking tot het ruim afbakenen van het toepassingsgebied.
Deelt u de mening dat iedereen wiens huis in waarde is gedaald door mijnbouwactiviteiten, ook buiten de postcodegebieden, recht heeft op compensatie van waardedaling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in antwoord op vraag 4 is aangegeven, wordt het toepassingsgebied zekerheidshalve ruim afgebakend door schadevergoeding toe te kennen in postcodegebieden vanaf 20% toegekende schademeldingen. In postcodegebieden met minder dan 20% toegekende schademeldingen wordt een tegenovergesteld effect gevonden. De waarde van deze woningen is gestegen in vergelijking met woningen in de rest van Nederland, zo blijkt uit de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Van een verminderde waardeontwikkeling is bij deze woningen dus geen sprake.
Klopt het dat mensen in Drenthe die ook met waardedaling van hun huis te maken hebben, niet in aanmerking komen voor waardedalingscompensatie? Zo ja, wat vindt u daar van? Zo nee, hoe en wanneer worden deze mensen geïnformeerd over hun mogelijkheden om de compensatie aan te vragen?
Indien er in de provincie Drenthe daadwerkelijk sprake is van schade door waardedaling, wordt die vergoed. Zo is op de website van het IMG i.o. bijvoorbeeld te zien dat voor de Drentse gemeente Aa en Hunze, een procentuele waardedaling is vastgesteld. Voor het overige is er dus geen sprake van waardedaling. Zie voor verdere toelichting op het toepassingsgebied het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u er van dat mensen 200 meter van het postcodegebied wonen, grote schades hebben, maar niet gecompenseerd worden?
Het IMG i.o. geeft aan dat de compensatie voor waardedaling losstaat van fysieke schade aan woningen. Het kan dus inderdaad, zoals toegelicht in antwoord op vraag 5 en 6, voorkomen dat bij een woning met fysieke schade geen sprake is van waardedaling. De fysieke schade wordt afzonderlijk vergoed.
Vindt u het rechtvaardig dat mensen in de kern van het bevingsgebied iedereen gecompenseerd wordt, maar dat mensen die verder weg wonen, bijvoorbeeld in Delfzijl en Hoogezand, naar verhouding minder compensatie krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij het vaststellen van de schade als gevolg van waardedaling hanteert het IMG de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Daarin is, nadat het toepassingsgebied is vastgesteld, onderzocht of er verklarende factoren zijn voor de omvang van de waardedaling binnen het gebied. De ligging in het gebied (imago-effect) en het aantal ondervonden aardbevingen blijken de verklarende factoren te zijn: de waardedaling in de kern van het aardbevingsgebied blijkt groter te zijn dan aan de randen van het gebied. Het percentage waardedaling kent daarom twee componenten. In de eerste plaats een imago-effect van 2,7%. Dit percentage bevat een toeslag van 0.4% ten gunste van de bewoner die rekening houdt met eventuele onzekerheden. Het tweede component bevat een percentage dat afhankelijk is van het aantal ondervonden aardbevingen op de plek van de woningen. Dit betekent bijvoorbeeld dat in het zwaarst door aardbevingen getroffen deel van Loppersum 18,4% wordt toegekend in plaats van de gemeten 16,3% waardedaling. De gemeenten Delfzijl en Hoogezand vallen overigens geheel binnen het toepassingsgebied van de waardedalingsregeling.
Wat gaat u doen om de regeling rechtvaardiger te maken?
Ik benadruk hier graag de onafhankelijkheid van het IMG. Het IMG bepaalt binnen de gestelde wettelijke kaders haar eigen werkwijze en oordeelt over wie uiteindelijk een vergoeding ontvangt voor schade door waardedaling.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden voor 22 juni 2020 zodat ze betrokken kunnen worden bij het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen?
Ja.
De oprichting van de Inclusieve Vaccin Alliantie |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
In hoeverre kan de oprichting van de zogeheten «Inclusieve Vaccin Alliantie» samen met Duitsland, Frankrijk en Italië worden gezien als een opmaat naar één gezamenlijke Europese inkoop van een vaccin/vaccins tegen het coronavirus?1
Nederland heeft met Duitsland, Frankrijk en Italië een stevige stap naar voren gezet, omdat snelheid nodig is en de situatie erom vraagt nu te handelen om te komen tot een vaccin tegen het coronavirus. Daarbij is het uitgangspunt vooropgezet dat elke afspraak voor alle EU-lidstaten onder dezelfde condities als voor de initiatiefnemers toegankelijk zou moeten zijn. Het initiatief van de Alliantie is niet onopgemerkt gebleven en het is goed dat nu ook de Europese Commissie een stap naar voren heeft gezet met de presentatie van de EU Vaccin Strategie op 17 juni jl. Daarbij zijn de vier landen van de Alliantie inmiddels gevraagd om samen met de Commissie in een Joint Negotiation Team de al lopende maar ook aankomende onderhandelingen te gaan voeren. De Commissie heeft daarbij een budget van 2,7 miljard euro beschikbaar gesteld. We stellen onze kennis en kunde graag ter beschikking aan deze brede Europese samenwerking.
Verwacht u dat op korte termijn meer landen aanhaken bij deze alliantie? Zo ja, met welke landen worden op dit moment gesprekken gevoerd over toetreding?
Er wordt op dit moment met een aantal EU-lidstaten gesprekken gevoerd over toetreding tot de overeenkomst die de Inclusieve Vaccin Alliantie met AstraZeneca heeft gesloten. Ik verwacht dat een flink aantal EU-lidstaten zich bij deze overeenkomst zal aansluiten.
Overweegt u samen met uw collega’s ook om de alliantie uit te breiden met landen die zich buiten Europa bevinden en die eveneens streven naar een wereldwijd toegankelijk en betaalbaar vaccin?
Een van de uitgangspunten van de Alliantie is om te investeren in bredere toegankelijkheid van vaccins voor ook kwetsbare landen. De onderhandelingen en afspraken concentreren zich momenteel op het maken van afspraken voor EU-lidstaten, maar hierbij wordt wel bezien hoe aan deze bredere toegankelijkheid kan worden voldaan. Daarnaast is er vanuit landen die geen lid van de EU zijn interesse getoond in de afspraak die de Alliantie met AstraZeneca heeft gemaakt. Momenteel wordt nog bezien hoe daarmee kan worden omgegaan.
Hoe verhoudt het streven van de alliantie enerzijds om te verzekeren dat voldoende vaccins beschikbaar komen voor inwoners van Europese landen zich tot het streven van de alliantie anderzijds om ook bij te dragen aan het verzekeren van vaccins voor kwetsbare landen, zoals op het Afrikaanse continent? Gaat het eerste voor op het tweede en is hierbij sprake van een bepaalde verdeelsleutel?
We volgen meerdere paden om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaccins te vergroten. De Alliantie is primair bedoeld om de Europese bevolking van vaccins te voorzien, maar in het MoU is nadrukkelijk opgenomen dat de Alliantie zich zal inzetten voor het vergroten van de beschikbaarheid buiten de EU – en met name voor kwetsbare landen. De landen van de Alliantie hebben bijvoorbeeld forse financiële bijdragen toegezegd aan CEPI, die inmiddels met AstraZeneca een vergelijkbaar contract heeft afgesloten voor de levering van het «Oxford vaccin».
Hoe verhoudt de oprichting van de Inclusieve Vaccin Alliantie zich tot andere internationale initiatieven die streven naar een wereldwijd toegankelijk en betaalbaar vaccin en waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd, zoals de Covid-19 pool?2 Bestaat er een risico dat deze initiatieven elkaar in de weg kunnen gaan zitten?
Om zo snel mogelijk een veilig en effectief vaccin tegen het coronavirus beschikbaar te krijgen zijn verschillende initiatieven nodig. Een spoor is het daarbij inzetten op kennisdeling, een ander spoor is het om te investeren in concrete beschikbaarheid van grotere hoeveelheden (kandidaat-)vaccins. Inderdaad moet worden voorkomen dat initiatieven elkaar in de weg gaan zitten. Daarom is het goed dat de inspanningen van de Inclusieve Vaccin Alliantie en de EU Vaccin Strategie elkaar versterken.
Op welke manieren gaan u en uw ambtsgenoten concreet proberen om via de alliantie de productie van een vaccin in Europese faciliteiten te stimuleren?
Met AstraZeneca is afgesproken dat de vaccins zoveel mogelijk in de EU geproduceerd zullen worden. De EU Vaccin Strategie bevat eveneens de mogelijkheid om te investeren in het uitbreiden van de productiecapaciteit in Europa.
Voorts wordt de productie in de EU gestimuleerd door procedures waar mogelijk te versnellen. Voor de helderheid, de toelating van een uiteindelijk vaccin zal inhoudelijk echter hetzelfde blijven, op dit gebied gaat het dan eerder om het vergroten van de capaciteit bij de beoordeling van resultaten.
Een garantietermijn van twee jaar bij de nieuwe Wajong |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie-Schalk c.s. over tijdelijke maatregelen in spoedwetgeving als gevolg van de Corona-crisis?1
Conform mijn brief van 25 mei 2020 aan de Eerste Kamer2 zal ik de door de heer Schalk in zijn motie geschetste optie om de termijn waarin het garantiebedrag kan herleven te verlengen naar twee jaar voor de duur van de crisis betrekken bij uitwerking van de motie Stienen c.s.3.
Deelt u de opvatting dat de kans op betaald werk ernstig is verslechterd voor mensen met een Wajong-uitkering als gevolg van de Coronacrisis?
De crisis als gevolg van COVID-19 heeft de arbeidsmarkt hard geraakt en heeft daarmee ook effect op de arbeidsmarktmogelijkheden van Wajongers. Met de noodpakketten ondersteunt het kabinet het baanbehoud van werknemers, dus ook voor werkende Wajongers. Zoals ik ook bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heb aangegeven, heb ik vooralsnog geen zicht op de feitelijke arbeidsmarkteffecten voor Wajongers. Juist omdat het om een kwetsbare groep gaat, vind ik het van belang om de gevolgen nauwlettend te monitoren. Conform de motie Stienen c.s. zal ik de Eerste Kamer in de zomer van 2020 informeren over hoe ik de gevolgen van de crisis ga monitoren en in 2021 zal inzetten op het versterken van de crisisbestendigheid van het garantiebedrag. Ik zal deze brief ook aan uw Kamer toesturen.
Deelt u de analyse dat economische crises vaak langdurig negatieve economische gevolgen hebben voor mensen met een arbeidsbeperking en dat de gevolgen aanhouden lang nadat economisch herstel intreedt? Betrekt u dit gegeven bij de uitwerking van de verlenging van de garantietermijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een langere garantietermijn te hanteren of de geldigheidsduur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht, zoals ik ook in mijn brief van 25 mei 2020, heb aangegeven aan de volgorde zoals is opgenomen in de motie Stienen c.s.
Monitoring en evaluatie aan de hand van objectieve gegevens over het daadwerkelijke effect van de coronacrisis voor de doelgroep, is van belang om te bepalen of aanvullend beleid nodig is. Als monitoring en evaluatie daartoe aanleiding geven in 2021, zal ik bezien op welke wijze het garantiebedrag meer crisisbestendig gemaakt moet worden.
Ik vind het belangrijk om met de doelgroep in gesprek te blijven over signalen en de gevolgen van de coronacrisis voor de doelgroep. Mijn departement en UWV hebben daarom regelmatig contact met de doelgroep en belangenorganisaties. Daarbij zal ook worden gesproken over de invulling van de betreffende motie.
Bent u bereid om naar aanleiding van de aangenomen motie in contact te treden met organisaties die mensen met een arbeidsbeperking vertegenwoordigen, zoals de Landelijke Cliëntenraad, Wij Staan Op, Ieder(in), de Wajonggroep van de FNV, de Minister van Gehandicaptenzaken, Noortje van Lith et cetera, om mensen met een Wajong-uitkering meer zekerheid te bieden? Zo nee, waarom acht u dit niet belangrijk?
Zie antwoord vraag 4.
De Inclusieve Vaccin Alliantie |
|
Corinne Ellemeet (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe verhouden de verschillende parallelle initiatieven, waar Nederland haar steun heeft toegezegd, wat betreft het delen van informatie en steunen van kansrijke vaccins voor Covid-19 zich tot elkaar, te weten de covid pool1, de Inclusieve Vaccin Alliantie2 en de «Access to Covid-19 Tools» (ACT)?3
Ik ben van mening dat er verschillende paden bewandeld moeten worden om zo snel mogelijk een veilig en effectief vaccin tegen COVID-19 beschikbaar te maken. Van belang daarbij is dat een mogelijk vaccin wereldwijd toegankelijk en betaalbaar zal zijn. De genoemde initiatieven dragen daar op verschillende wijze aan bij.
De Access to Covid-19 Tools (ACT) is een oproep van een aantal internationale organisaties, filantropen en NGO’s om samen te werken bij de ontwikkeling en productie van gezondheidstechnologieën inzake de bestrijding van COVID-19. De door mij ondertekende Call to Action met betrekking tot de Technology Patent Pool roept op tot het beschikbaar stellen van data, kennis en intellectueel eigendom en is complementair aan ACT. Met de Inclusieve Vaccin Alliantie kunnen we sneller een toegankelijk, beschikbaar en betaalbaar vaccin realiseren voor de Europese bevolking en daarbuiten. Inmiddels is er een samenwerkingsovereenkomst gesloten met AstraZeneca, waarover u in mijn brief van 12 juni jl. bent geïnformeerd. De op 17 juni presenteerde EU Strategie voor COVID-19 vaccins volgt eenzelfde benadering als de Alliantie. Daarin trekken we gezamenlijk met de Europese Commissie op.
Hoe zorgt u ervoor dat Nederland koploper blijft in het steunen van de covid pool als de landen van de Inclusieve Vaccin Alliantie dit initiatief niet steunen en exclusieve licenties daarmee de overhand krijgen?
Nederland heeft steun toegezegd aan een vrijwillige COVID-19 pool, evenals de 37 andere landen die zich achter de Solidarity Call to Action hebben geschaard. Het vrijwillig delen van intellectueel eigendom, kennis en data is een potentieel belangrijke, maar niet de enige manier om een wereldwijd toegankelijk en betaalbaar vaccin te realiseren. Nederland stelt zich solidair op, zowel naar landen binnen de EU als daarbuiten. Zowel in de Memorandum of Understanding (MoU) over de Inclusieve Vaccin Alliantie als in de EU Strategie wordt duidelijk gesteld dat de inzet is om ook kwetsbare landen te ondersteunen bij het verkrijgen van een COVID-19 vaccin. Die solidariteit blijkt ook uit de financiële toezeggingen die door een aantal Europese lidstaten, waaronder Nederland, en de Europese Commissie voor CEPI en GAVI zijn gedaan.
Erkent u het risico dat regionale initiatieven, zoals de Inclusieve Vaccin Alliantie, de internationale solidariteit met landen buiten de Europese Unie (EU) kunnen ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de complementariteit van de Inclusieve Vaccin Alliantie ten aanzien van covid pool?
Beide initiatieven dragen bij aan het breed beschikbaar maken van een veilig en effectief vaccin tegen COVID-19 dat toegankelijk en betaalbaar zal zijn.
In hoeverre ondermijnt een benadering gericht op het realiseren van toegang allereerst in Europa (de Inclusieve Vaccin Alliantie) de realisatie van een mondiaal plan voor wereldwijde toegang op basis van behoefte (de covid pool)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook binnen de Inclusieve Vaccin Alliantie en de EU Strategie zijn er afspraken gemaakt om kwetsbare landen, ook buiten de Europese regio, van vaccins te voorzien. Zowel landen uit de Inclusieve Vaccin Alliantie als de EU Vaccin Strategie zetten zich gezamenlijk in om de productiecapaciteit van vaccins in Europa en daarbuiten te maximaliseren. Juist die productiecapaciteit is van belang wereldwijde toegang te bewerkstelligen. Daarmee kunnen de verschillende initiatieven elkaar versterken.
Op welke manier gaat u er binnen de Inclusieve Vaccin Alliantie voor zorgen dat het vaccin tegen een redelijke prijs beschikbaar worden gesteld?
In de samenwerkingsovereenkomst met AstraZeneca zijn afspraken gemaakt over de prijsstelling. AstraZeneca zal de vaccins tegen kostprijs leveren. Bij verdere onderhandelingen met andere farmaceutische bedrijven is een redelijke prijsstelling uiteraard ons uitgangspunt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de drie andere landen om voorwaarden te verbinden aan publieke financiering die gaan over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van vaccins wereldwijd alsook over deelname aan de covid pool?
In het MoU dat Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië hebben gesloten, is reeds opgenomen dat de doelstelling van de Inclusieve Vaccin Alliantie is om te onderhandelen met farmaceutische bedrijven over een redelijke prijs die gelijk is voor alle landen die deelnemen aan overeenkomsten die de Inclusieve Vaccin Alliantie sluit. Ook is afgesproken dat de landen van de Alliantie zich inzetten voor betaalbaarheid en beschikbaarheid van vaccins voor kwetsbare landen, thans samen met de Europese Commissie.
Deelt u de mening dat de Inclusieve Vaccin Alliantie er niet op gericht mag zijn om «Europa eerst» te voorzien van een vaccin en alleen wanneer er iets over is dit te verstrekken aan lage inkomenslanden, maar dat landen waar het vaccin het hardst nodig is het eerst aan bod komen als er nog niet genoeg is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het zal lastig zijn te bepalen welke landen een vaccin het hardst nodig hebben en hierover mondiale overeenstemming te bereiken. Er zijn verschillende initiatieven die erop gericht zijn ook lage inkomenslanden van vaccins te voorzien. CEPI heeft bijvoorbeeld met AstraZeneca een vergelijkbare overeenkomst afgesloten als de Alliantie heeft gedaan. Ik wil daarnaast wijzen op de initiatieven van de Bill and Melinda Gates Foundation en GAVI. De Alliantie heeft afspraken gemaakt waarbij EU-lidstaten kunnen aansluiten, maar er is nadrukkelijk bepaald dat er solidariteit met lage - en middeninkomenslanden moet zijn.
Hoe schat u het risico in dat farmaceuten landen en regio’s (zoals de Verenigde Staten en de EU) tegen elkaar uitspelen (en prijzen voor vaccins worden opgedreven) wanneer er in plaats van internationale samenwerking ingezet wordt op «eigen regio eerst beleid» en regionale onderhandelingen met farmaceutische bedrijven? Kunt u uw antwoord toelichten en aangeven hoe gaat u dit voorkomen?
Op het moment dat er veilige en effectieve vaccins beschikbaar komen, zal er schaarste zijn en dit kan tot prijsopdrijving leiden. Door juist nu – in een vroegtijdig stadium – goede afspraken te maken over prijsstelling, het aantal te leveren vaccins en het opschalen van productiefaciliteiten kunnen we prijsopdrijving voorkomen. Dit zijn de doelstellingen waarop we in de Alliantie en met de Europese Commissie samenwerken.
In hoeverre worden farmaceuten waarmee de Inclusieve Vaccin Alliantie spreekt ook aangespoord om hun kennis en technologieën te delen in de covid pool?
Dit is onderwerp van gesprek. Ik benadruk dat er meerdere manieren zijn om te werken aan brede beschikbaarheid van vaccins. Het maken van afspraken over grote volumes (kandidaat-)vaccins draagt daaraan bij.
Het bericht ‘Utrechtse arbeidsmarkt minder hard geraakt dan andere regio’s’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht van RTV Utrecht en de cijfers van het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) waarnaar verwezen wordt?1
Ja.
Kunt u de cijfers van het UWV over de arbeidsmarktregio’s, waarnaar verwezen wordt, op korte termijn naar de Kamer sturen?
Deze informatie is openbaar te vinden op de website van www.uwv.nl. Het stuk is gepubliceerd op 4 juni 2020 genaamd: «Coronacrisis: regionale verschillen in impact op werkgelegenheid». Ik heb de publicatie van UWV meegezonden als bijlage bij deze brief.
Wat is het verschil tussen de ergst getroffen en de minst erg getroffen arbeidsmarktregio en hoe is dit verschil te verklaren? Welke kenmerken, naast de in het artikel benoemde sectoren, zijn van invloed op de mate van impact van de crisis?
Het verschil zit onder andere in een aantal sectoren dat in sommige regio’s meer vertegenwoordigd zijn. De sectoren die het meest getroffen worden zijn onder andere de horeca, cultuur, metaal en technologische industrie. Zo werkt in regio Groot Amsterdam bijvoorbeeld 34% in een sector waar een (zeer) grote krimp verwacht wordt, terwijl dit percentage in regio Midden-Utrecht op 28% ligt2.
Andere kenmerken die een invloed hebben zijn onder andere: het aantal flexibele contracten, het aantal zzp’ers en het aantal jongeren. Deze groepen werkenden worden relatief hard getroffen door de coronacrisis en de contact beperkende maatregelen. Als een regio relatief veel van deze groepen heeft, wordt de regio ook harder getroffen door de coronacrisis.
Is er na de vorige crisis onderzoek gedaan naar de verschillen tussen de arbeidsmarktregio’s als het gaat om de impact van de crisis en de mate en snelheid van herstel? Welke conclusies en aanbevelingen hebben deze onderzoeken opgeleverd?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2013 een studie verricht naar de veerkracht van regionale arbeidsmarkten. Een van de conclusies was dat werknemers na ontslag nauwelijks naar een andere regio verhuizen voor een nieuwe baan. Werknemers die hun baan verliezen hebben echter niet overal in Nederland dezelfde mogelijkheden voor het vinden van een nieuwe baan. De samenhang tussen sectoren in de regio speelt daarbij een belangrijke rol. Een van de conclusies/aanbevelingen die werd gedaan is om een brug te slaan tussen het arbeidsmarktbeleid, het werkgelegenheidsbeleid en het onderwijs. In de kamerbrief van 5 juli 2019 «Arbeidsmarktbeleid in crisistijd» is ingegaan op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt tijdens de Grote Recessie. Elke crisis is uniek. Op basis van de ontwikkelingen tijdens de vorige crisis kunnen we wel een aantal algemene lessen trekken:
Is het mogelijk het gebruik van de NOW en de Tozo per arbeidsmarktregio in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn is een dergelijk overzicht beschikbaar te maken en naar de Kamer te sturen?
Het overzicht van de NOW is inmiddels als bijlage bij de Kamerbrief «Monitoring Arbeidsmarkt en Beroep Noodpakket» verzonden naar uw Kamer3.
Het gebruik van de Tozo is op dit moment nog niet regionaal inzichtelijk te maken. Dit hangt samen met de decentrale uitvoering van deze regeling. Gegevens over het gebruik van Tozo worden door het CBS in de bijstandsstatistiek verzameld. Het streven is in het vierde kwartaal 2020 een betrouwbaar beeld te hebben van het totale aantal toegekende Tozo-uitkeringen en verstrekkingen bedrijfskapitaal en de regionale verdeling ervan.
Op welke wijze worden arbeidsmarktregio’s betrokken bij de opzet en invulling van andere steun- en herstelmaatregelen, zoals het platform Nederlandwerktdoor.nl en het beoogde platform nlleertdoor.nl? In hoeverre is daarbij een arbeidsmarktregiospecifieke invulling?
NLWerktDoor is opgezet door werkgevers, VNO-NCW, MKB Nederland, LTO, UWV, VNG, gemeenten, vakbonden, private intermediairs, SBB, MBO-raad en de ministeries van SZW en OCW. Het platform kent veel enthousiasme binnen de arbeidsmarktregio’s. Zij geven aan dat dit goed aansluit op hun werkgeversdienstverlening en aandacht genereert voor de regionale werkgeversservicepunten.
Het platform «NLWerktDoor» wil vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar brengen. Werkgevers kunnen met hun vraag naar personeel naar het platform www.NLwerktdoor.nl gaan. Het platform geleidt de vraag van werkgevers door naar het relevante werkgeversservicepunt (WSP) in een van de 35 arbeidsmarktregio’s. In de arbeidsmarktregio wordt vervolgens de match gemaakt. Daarnaast verbindt het platform bestaande platforms en initiatieven, waaronder de van werk naar werk platforms in de arbeidsmarktregio’s zoals Rijnmond werkt door en Werk Samen Midden Brabant.
Voor NL Leert Door wordt op dit moment een subsidieregeling uitgewerkt voor ontwikkeladviezen en online-scholing. De Kamer wordt hierover binnenkort nader geïnformeerd. De bedoeling van de regeling is dat mensen kosteloos ontwikkeladvies kunnen krijgen en/of online-scholing kunnen volgen. Via de begeleidende campagne worden stakeholders, waaronder partijen in arbeidsmarktregio’s, gevraagd potentiële deelnemers die baat kunnen hebben bij ontwikkeladvies of online-scholing, te benaderen en erop te wijzen dat deze mogelijkheden er zijn. Ook kunnen zij hen eventueel ondersteunen om een geschikte loopbaanadviseur of scholingsactiviteit te vinden.