Het bericht ‘Sekte-alarm niet gehoord’ |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Justitie jarenlang verzuimd heeft in te grijpen bij de Orde der Transformanten, terwijl daarover wel ernstige signalen zijn binnengekomen bij meldpunt Sektesignaal?1
Momenteel laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren conform de motie van Van den Berge c.s. van 5 oktober 2020. Slachtoffers van strafbare feiten in het kader van ritueel misbruik kunnen zich melden bij de politie. Onregelmatigheden kunnen worden gemeld bij inspecties/toezichthouders en ggz-instellingen en die kunnen, waar nodig, psychosociale hulp leveren. Het meldpunt Sektesignaal heeft een belangrijke rol gespeeld bij het in contact brengen van de verschillende partijen binnen de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het beter gezamenlijk optrekken en delen van informatie om misstanden vroegtijdig te herkennen en aan te pakken. Mede vanwege deze verworvenheden heb ik geen meerwaarde gezien in het meldpunt Sektesignaal of in het opnieuw opbouwen van een doorverwijzingspunt. Overeenkomstig de motie Van Wijngaarden- Van Toorenburg van 12 februari 2019 zal ik uw Kamer in het voorjaar van 2021 nader berichten.
Is het waar dat het ging om meldingen van opsluitingen, afwijkend seksueel gedrag bij kinderen, arbeidsuitbuiting en financiële uitbuiting?
Politie en het OM geven nooit inhoudelijke informatie over meldingen of aangiftes die zijn gedaan vanwege vertrouwelijkheid en om de privacy van mogelijke daders en slachtoffers te waarborgen.
Hoe kan het dat geen actie is ondernomen op deze meldingen? Lag dat aan de aard van deze meldingen, zijn deze meldingen niet op de juiste plaats terechtgekomen, of niet op waarde geschat?
Zoals bij vraag 2 beantwoord geven politie en OM nooit inhoudelijke informatie over meldingen en aangiftes. Wel kan ik u melden dat iedere melding en aangifte van mogelijk seksueel misbruik wordt opgepakt door de politie. Iedere melding die leidt tot een verdenking van een zedenmisdrijf waarop geen informatief gesprek volgt wordt getoetst op de noodzaak van een ambtshalve opsporingsonderzoek.
Als betrokkene na een informatief gesprek besluit geen aangifte te doen vraagt de politie naar de reden van dit besluit en legt dit vast in het politieregistratiesysteem. Vervolgens wordt door de leiding van het Team Zeden en de zedenofficier van justitie afgewogen of ambtshalve onderzoek mogelijk en noodzakelijk is.
In het politiesysteem wordt geregistreerd op basis van een classificering zoals aanranding, verkrachting en ontucht minderjarigen maar niet op specifieke verschijningsvormen zoals ritueel misbruik, sekte, pro-anacoaches etc.
Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen gaan binnen de politie archieven geraadpleegd worden om te kijken of er in het verleden meldingen zijn gedaan die in verband kunnen worden gebracht met de voornoemde Orde der Transformanten.
Wat zegt dit volgens u over de aanpak bij de politie en het openbaar Ministerie van misstanden bij dit soort gesloten bolwerken? Is naar uw mening voldoende kennis en ervaring aanwezig om sektes aan te pakken?
Iedere melding van mogelijk seksueel misbruik in welke verschijningsvorm en werkwijze dan ook wordt serieus opgepakt en indien noodzakelijk wordt ambtshalve opsporing ingezet. Denk hierbij aan zaken waarbij de veiligheid van het slachtoffer of diens omgeving in gevaar komt.
Indien het OM op de hoogte wordt gebracht van mogelijke gepleegde strafbare feiten, zal een onderzoek worden ingesteld. In beginsel is voldoende kennis en ervaring aanwezig bij opsporings- en vervolgingsinstanties voor de aanpak van strafbare feiten, ook als die worden begaan in de context van een sekte. Indien nodig kunnen politie en OM daarbij de hulp van deskundigen inschakelen.
Helpt het wegbezuinigen van het specialistische meldpunt Sektesignaal, zoals u gedaan heeft, bij de aanpak van sektes? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid Sektesignaal zo snel mogelijk nieuw leven in te blazen en meerjarig te financieren omdat dit waardevol was en nog steeds betekenisvol kan zijn, voor slachtoffers en hun familieleden en de aanpak van misstanden bij sektes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het Internationaal Certificaat voor Pleziervaartuigen (ICP) |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzendingen van Nieuwsuur over het Internationaal Certificaat voor Pleziervaartuigen (ICP)?1
Ja.
Deelt u de mening dat misbruik van het ICP door criminelen zo spoedig mogelijk dient te worden gestopt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit misbruik te stoppen en wanneer wordt dat geëffectueerd?
Ja. Misbruik van het ICP is onacceptabel. Maar het ICP kan wat mij betreft blijven bestaan voor goedwillende Nederlandse watersporters die met hun pleziervaartuig via de kust- en binnenwateren naar andere landen willen varen. Om misbruik tegen te gaan ben ik met de bonden die het ICP afgeven en de politie sinds mei van dit jaar in overleg over een aanscherping van de procedures. Ten eerste wil ik de controle van aanvragen door de bonden versterken door extra informatie te laten meesturen, zoals foto’s van het vaartuig en het vaartuigidentificatienummer. Daarnaast wil ik stoppen met de afgifte van ICP’s aan mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en ook niet in Nederland gevestigd zijn.
Het streven is een nieuw convenant vanaf 1 januari 2021 in werking te laten treden waarin deze aanscherpingen worden vastgelegd.
Deelt u de mening dat oneigenlijk gebruik van het ICP door buitenlanders om zo belastingontduiking in het eigen land mogelijk te maken, gestopt dient te worden? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiervoor nemen en wanneer kunnen deze maatregelen worden geëffectueerd?
Het ICP is geen officiële registratie en geeft de houder niet het recht de Nederlandse vlag te voeren. Een pleziervaartuig met alleen een ICP staat dus nergens officieel geregistreerd. Daarmee kan het ICP in principe ook geen middel zijn om belasting in eigen land te ontduiken. Over de status van het ICP zal ik duidelijk communiceren naar de autoriteiten in de desbetreffende landen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, wil ik de afgifte van ICP’s aan mensen die geen Nederlandse nationaliteit bezitten en ook niet in Nederland gevestigd zijn zo snel mogelijk stopzetten.
Bent bereid te onderzoeken of een lichtere variant van de zeebrief, zoals in enkele ons omringende landen gebruikelijk is voor particuliere, niet-commerciële booteigenaren, ook voor Nederlandse booteigenaren beschikbaar kan komen ter vervanging van het huidige ICP? Zo ja, wanneer kan een dergelijke variant ingevoerd worden? Zo niet, waarom niet?
Het ICP zoals dat door Nederland wordt uitgegeven is gebaseerd op Resolutie 13 van de Europese economische commissie van de Verenigde Naties (UNECE). Naast Nederland zijn er 13 landen die Resolutie 13 toepassen, namelijk Oostenrijk, België, Kroatië, Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Litouwen, Luxemburg, Roemenië, Servië, Slowakije en het Verenigd Koninkrijk. Voor die landen kan het ICP dit laagdrempelig alternatief blijven. Ik heb niet de intentie om de genoemde resolutie op te zeggen en volledig te stoppen met de uitgifte van ICP’s. Het staat booteigenaren overigens vrij om zelf te kiezen voor een formele registratie van hun eigendom bij het kadaster.
Voor de landen die de genoemde resolutie niet toepassen en die het ICP dus niet accepteren, zoals Italië, Portugal en Spanje, wordt gekeken naar een alternatief. Op dit moment is alleen registratie bij het kadaster en aanvraag van een zeebrief beschikbaar als alternatief. Of een «lichtere» variant haalbaar is, is vooral afhankelijk van de nationale regelgeving van die landen. Om hier een helder beeld van te krijgen heb ik Italië en Portugal uitgenodigd de dialoog aan te gaan. Ik heb ook Spanje aangeschreven om met hen het gesprek hierover te voeren. Een alternatieve oplossing heeft enkel zin, indien deze wordt geaccepteerd in deze landen.
Het bericht ‘Hoe een kunstenaar carrière maakt onder aanhoudende beschuldigingen van aanranding en verkrachting’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een kunstenaar carrière maakt onder aanhoudende beschuldigingen van aanranding en verkrachting»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel en de beschuldigingen die in NRC worden geuit?
Grensoverschrijdend gedrag is onaanvaardbaar. Personen die daar slachtoffer van worden verdienen onze steun en aandacht. Het is belangrijk om bij de vertrouwenspersoon of ombudspersoon melding te maken van het grensoverschrijdende gedrag en zo nodig aangifte te doen bij de politie. Zij die zich grensoverschrijdend gedragen moeten worden aangesproken en zo nodig aangepakt.
Of er in dit geval grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden is op dit moment onderwerp van strafrechtelijk onderzoek.
Welke verklaring heeft u voor het feit dat een beeldend kunstenaar die beschuldigd wordt van ernstig grensoverschrijdend gedrag, zo lang ongestoord zijn gang heeft kunnen gaan? Bent u van mening dat kunstinstellingen grensoverschrijdend gedrag van kunstenaars en klachten daarover, serieus genoeg nemen? In hoeverre kan het een rol spelen dat een kunstenaar als «talentvol» wordt gezien?
Of er in dit geval grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden is op dit moment onderwerp van strafrechtelijk onderzoek.
Studenten op kunstvakopleidingen worden uitgedaagd om artistiek gezien de grenzen op te zoeken. Kunst mag «schuren». Het gevaar ligt op de loer dat studenten en docenten onacceptabel gedrag scharen onder dit opzoeken van grenzen. Dat een kunstenaar als «talentvol» wordt gezien kan hierbij zeker een rol spelen. Opleidingen dienen hier alert op te zijn.
Instellingen moeten in het kader van de Arbowet zorgdragen voor een veilige omgeving. Op een hogeschool of universiteit moet iedereen in alle veiligheid kunnen studeren en werken. Studenten, docenten en werknemers behoren bij elke vorm van ongewenst gedrag zich aangemoedigd te voelen om tot melding over te gaan en aangifte te doen als het gaat om strafbaar gedrag. Daarom zijn er op hogescholen, net als op universiteiten, vertrouwenspersonen en een klachtencommissie ongewenst gedrag. In de cao Nederlandse Universiteiten 2020 is afgesproken dat er een ombudsfunctie wordt ingericht op alle universiteiten. Ik zal met de Vereniging Hogescholen het gesprek voeren dat zij het voorbeeld van de universiteiten volgen. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor hoe het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag meer aandacht kan krijgen binnen het onderwijs en de instelling. Het is belangrijk dat binnen opleidingen continu het gesprek gevoerd wordt over wat acceptabel is en wat niet. Wat mag er wel van je gevraagd worden en wat niet?
Heet u kennisgenomen van het instagramaccount «Call out Dutch art institutions» dat dit weekend is geopend, waar mensen persoonlijke verhalen kunnen delen over grensoverschrijdend gedrag en racisme in Nederlandse kunstinstituten, en waar in enkele dagen al tientallen verhalen op zijn geplaatst?2 Wat is uw reactie op deze verhalen?
Ja, ik heb hiervan kennis genomen. Ik schrik van deze verhalen. Ik ondersteun de oproep om te komen tot een sectorbreed protocol. Het is belangrijk dat de sector dit vanuit haar wettelijke verantwoordelijkheid zelf oppakt.
Bent u bekend met het platform Mores, het Meldpunt ongewenste omgangsvormen podiumkunsten-, televisie- en filmsector, kunstvakonderwijs en musea?3 Bent u bekend met het soort klachten die daar binnenkomen? Wat wordt er met die klachten gedaan? In hoeverre zit er een patroon in de klachten? In hoeverre komen de klachten overeen met de verhalen die zijn geuit in het NRC-artikel en op het instagramaccount?
Ik ben bekend met Mores. Ik heb signalen van grensoverschrijdend gedrag altijd serieus genomen en zal dat blijven doen. Mede naar aanleiding van deze berichten heb ik nauw contact met Mores.
Veel brancheverenigingen en culturele instellingen zijn reeds aangesloten bij Mores (o.a. het NAPK, de museumvereniging, Filmfonds en FPK). De overige nog niet aangesloten cultuurfondsen zijn in gesprek over hun deelname. De Zaak Nu (belangenvereniging voor ruim tachtig presentatie-instellingen in Nederland) zal zich op korte termijn aansluiten.
Over het soort klachten dat binnenkomt bij Mores heb ik geen inhoudelijke informatie. De inhoud van de klacht is geheim om zo de privacy van de melder te waarborgen.
Wat er met de klachten gedaan wordt, is afhankelijk van wat de melder wil. De primaire taak van het meldpunt is het luisteren naar de klacht van de melder. De vertrouwenspersoon van Mores kijkt vervolgens samen met de melder welke vervolgstappen er gezet kunnen worden.
In hoeverre is er, gelet op de geuite verhalen zowel in NRC als op het instagramaccount en de klachten die binnenkomen bij Mores, sprake van een structureel probleem van grensoverschrijdend gedrag in de kunst- en cultuursector? Is hier wel eens onderzoek naar gedaan? Zo nee, zou u dat een goed idee vinden? Zo nee, waarom niet?
Elk geval van grensoverschrijdend gedrag is er één teveel, maar het lijkt erop dat er geen sprake is van een structureel probleem. Naar zijn aard komen in de culturele sector soms intieme situaties voor en is het je kwetsbaar opstellen vaak van belang en is er in sommige situaties sprake van afhankelijkheid in relaties. Mores heeft daarom onderzoek laten doen naar grensoverschrijdend gedrag en patronen die dat mogelijk maken. Op basis van dat onderzoek heeft Mores de handreiking voor leden uitgebreid.
Waar kunnen werkenden in de kunst- en cultuursector terecht met klachten over grensoverschrijdend gedrag, als zij niet onder de sectoren van het platform Mores vallen, en indien dit door hun werkgever niet opgepakt wordt? Zou u het goed vinden als er één algemeen meldpunt komt voor klachten over grensoverschrijdend gedrag in de kunst- en cultuursector? Zo nee, waarom niet?
Grensoverschrijdend gedrag komt helaas in veel sectoren voor. Indien de werkgever niet de nodige voorzorgmaatregelen treft, kan een werknemer, OR, personeelsvertegenwoordiging of vakbond een melding doen bij de Inspectie SZW. Indien daartoe aanleiding is, kan zij ter plekke een inspectie uitvoeren. En het is natuurlijk vooral belangrijk dat mensen in geval van strafbaar grensoverschrijdend gedrag aangifte doen bij de politie.
Wat is de verantwoordelijkheid van toezichthoudende organen in de culturele sector in dit soort kwesties en hoe verhoudt dit zich tot de code culturele governance?
Toezichthoudende organen hebben de verantwoordelijkheid om te handelen als goed werkgever. De governance code cultuur zegt hier het volgende over: «Het bestuur handelt als goed werkgever: het schept de randvoorwaarden voor een goede en veilige werkomgeving, betrekt hierbij de interne belanghebbenden en stelt een interne gedrags- of integriteitscode op. De Code Culturele Diversiteit en de Fair Practice Code kunnen hierbij behulpzaam zijn». Toezichthoudende organen moeten hierover binnen de organisatie het gesprek voeren.
Besprekingen op het Catshuis. |
|
Lilian Marijnissen (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat op zondag 23 oktober een discussiestuk «Memo effect maatregelenscenario’s economie – SZW, EZK en FIN» is besproken op het Catshuis?1
Erkent u dat intern beraad geen titel is om documenten of inlichtingen aan een individueel lid van de Tweede Kamer te onthouden als die daarom vraagt, conform de – met algemene stemmen – aangenomen moties op 20 februari 2020?2 3
Kunt u de ter tafel gebrachte documenten van het Catshuisoverleg naar de Kamer sturen? Zo neen, op welke grond is conform artikel 68 een weigering op grond van het belang van de staat gerechtvaardigd? Ligt er een kabinetsbesluit ten grondslag aan het tot staatsgeheim verklaren van betreffend discussiestuk en andere ter tafel gekomen documenten?
Hoe is het discussiestuk van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Klimaat en Financiën tot stand gekomen?
Kunt u verklaren hoe een krant over dit discussiestuk kan berichten, terwijl u dit wilt onthouden aan de Tweede Kamer? Kunt u uw antwoord toelichten?
In zijn algemeenheid zijn mijn inspanningen erop gericht om de vertrouwelijkheid van het beraad te beschermen.
Vindt u dat de Tweede Kamer voldoende in staat wordt gesteld om het kabinetsbeleid te controleren, als haar belangrijke memo’s worden onthouden en de Kamer zodoende niet weet waar het kabinet keuzes op baseert? Kun u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat, naast de door het RIVM verschafte gezondheidseffecten van mogelijke scenario’s, de economische gevolgen van deze scenario’s belangrijk zijn voor de Tweede Kamer om het kabinet te controleren? Zo neen, waarom niet?
Deelt u het oordeel van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Financiën dat „het testbeleid op dit moment niet volstaat, zodat de kans groot is dat na zo’n volledige lockdown het virus weer opleeft? Zo neen, waar maakt u uit op dat het testbeleid voldoende op orde is?
Kunt u verklaren waar het oordeel van de Ministers op gebaseerd is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het COVID-19 reproductiegetal (R) |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen van het Outbreak Management Team (OMT) over het feit dat «niet te beoordelen is in hoeverre deze cijfers [percentage positieve testuitslagen] een onderschatting zijn door gebruik van het toenemend aanbod van commerciële teststraten en andere aanbieders waarvan de aantallen testen niet bekend zijn?»
We moeten inderdaad rekening houden met een onderschatting van het aantal positief geteste personen, maar die onderschatting is beperkt. Er is immers wel degelijk informatie over testen die niet door de GGD worden uitgevoerd. Dat is ook te zien aan de cijfers die het RIVM rapporteert, in week 44 werden er ruim 48 duizend positieve testen gemeld vanuit de GGD-testlocaties. In dezelfde week zijn er ruim 64 duizend nieuwe meldingen bij het RIVM binnengekomen. Naast de GGD-testlocaties is er goed zicht op testen die gedaan worden in zorginstellingen en is er steeds beter zicht op de testen die uitgevoerd worden in de commerciële teststraten.
De IGJ heeft alle bij haar bekende commerciële testlocaties die antigeen sneltesten gebruiken (178) aangeschreven en hen uitdrukkelijk gewezen op de meldplicht voor positieve testresultaten aan de GGD. Ook tijdens toezichtbezoeken heeft dit specifieke aandacht. Tijdens de eerste toezichtbezoeken heeft IGJ overigens gezien dat goed aan die meldplicht wordt voldaan.
Wat zijn de implicaties van het feit dat het aantal besmette personen op dit moment niet volledig in beeld is? Wat betekent dit voor het hanteren van signaalwaarden in de routekaart?
Het OMT adviseert geregeld hoe om te gaan met de signaalwaarden nu steeds meer mensen zich laten testen.
Bent u bekend met de passage van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in deEpidemiologische situatie COVID-19 in Nederland, dat het reproductiegetal (R) geschat wordt op basis van het aantal gemelde COVID-19 gevallen per dag in Nederland?1
Ja.
Kunt u, deze passage in achtnemend, toelichten waarom u tijdens het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus op 28 oktober beargumenteerde dat de R berekend wordt op basis van de ziekenhuisopnames? Kunt u uitleggen hoe uw uitspraak tijdens dit debat te verenigen is met de voornoemde passage van het RIVM? Zo nee, waarom niet?
De R wordt berekend op basis van het aantal positieve gevallen. Ook de R op basis van ziekenhuisopnamen wordt berekend. Omdat deze minstens twee weken achter loopt, wordt deze alleen gebruikt om de R die berekend is op basis van aantal positieve gevallen te confirmeren.
Kunt u toelichten hoe de R berekend wordt?
Voor de schatting van dit reproductiegetal gebruikt het RIVM het aantal gemelde COVID-19 gevallen per dag in Nederland. Met deze informatie wordt de waarde van het reproductiegetal berekend zoals beschreven in Wallinga & Lipsitch 2007. Een uitgebreide beschrijving vindt u in de door u genoemde «Epidemiologische situatie COVID-19 in Nederland». Tot 12 juni jl. werd het reproductiegetal berekend op basis van COVID-19 ziekenhuisopnames.
Wat zegt het feit dat niet alle commerciële teststraten hun positieve testuitslagen doorgeven volgens u over de betrouwbaarheid van de R, in achtnemend dat volgens het RIVM de R wordt gebaseerd op het aantal gemelde COVID-19 gevallen per dag in Nederland?
Hoe completer het overzicht, hoe minder klein de onzekerheidsmarge rond de R. Mijn inspanningen zijn er dus op gericht om alle positieve uitslagen van commerciële teststraten te ontvangen. Ik heb daartoe de uitgangspunten voor commerciële teststraten gepubliceerd2. Bovendien worden de teststraten door de IGJ gewezen op de plicht die ze hebben ten aanzien van het doorgeven van positieve testuitslagen aan de regionale GGD en houdt de IGJ toezicht.
Doet het feit dat niet alle positieve testuitslagen van commerciële teststraten in beeld zijn, volgens u af aan de betrouwbaarheid van de R? Zo nee, waarom niet?
Mijn inspanningen zijn erop gericht om alle positieve testuitslagen van commerciële teststraten in beeld te hebben. De betrouwbaarheid van de R die gebaseerd is op de positieve testen wordt gecontroleerd door deze te vergelijken met de R die berekend kan worden op basis van ziekenhuisopnamen. Zolang deze goed overeen komen heeft het berekenen van de R op basis van positieve uitslagen grote voordelen. Ziekenhuisopnamen lopen immers ongeveer 2 weken achter.
Kunt u in kaart brengen hoeveel commerciële testen er op dit moment in Nederland wekelijks worden afgenomen? Kunt u zorgen dat we zo snel mogelijk zicht krijgen op het aandeel positieve testuitslagen vanuit de commerciële teststraten? Kan dit binnen twee weken zodat een besluit over verdere maatregelen genomen kan worden op basis van volledige gegevens?
Zie hiervoor mijn antwoord bij vraag 1en 7. Mijn inspanningen zijn erop gericht een zo compleet mogelijk overzicht te hebben van positieve uitslagen, ook uit commerciële teststraten.
Wordt er bij positieve testuitslagen van commerciële teststraten bron- en contactonderzoek uitgevoerd?
Indien de commerciële teststraten aan de eisen voldoen wordt bron- en contactonderzoek op dezelfde manier uitgevoerd als bij de andere teststraten. Alleen bij een onbekende status van de test of twijfel hieraan, en bij twijfel aan de kwaliteit van uitvoering, wordt de diagnostiek in een reguliere teststraat herhaald.
Kunt u deze schriftelijke vragen afzonderlijk beantwoorden voor aanvang van het volgende plenaire debat over het coronavirus?
Ik heb mijn uiterste best gedaan uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De berichten ‘Nederlands vaardocument gebruikt bij grootschalige drugssmokkel’ en ‘Nederlandse schepen aan ketting in Italië door omstreden bootpaspoort’ |
|
Lilian Helder (PVV), Roy van Aalst (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) het Internationaal Certificaat voor Pleziervaartuigen (ICP) uitgeeft aan internationale drugsbendes?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat Nederland hiermee grootschalige drugstransporten faciliteert en we internationaal hiermee weer eens te kijk staan als narcostaat? Zo nee, waar baseert u uw mening dan op?
Het ICP geeft een vaartuig niet het recht de Nederlandse vlag te voeren en geeft geen nationaliteit aan het schip. Dat staat ook aangegeven op het ICP. Een pleziervaartuig met alleen een ICP staat dus nergens officieel geregistreerd. Over de status van het ICP zal ik nogmaals duidelijk communiceren naar de autoriteiten in de desbetreffende landen. Ook waren bij de drugsvangsten van de politie die in Nieuwsuur aan de orde kwamen ook schepen betrokken die geen ICP en ook niet een ander geldig Nederlands document hadden.
Zo ja, wat gaat u doen om hier een einde aan te maken?
Het ICP is bedoeld voor watersporters die met hun pleziervaartuig via de kust- en binnenwateren naar andere landen willen varen. Uit signalen die van de politie zijn ontvangen blijkt dat het ICP in sommige gevallen wordt gebruikt op een manier waarvoor die niet is bedoeld. Naar aanleiding van deze signalen over misstanden ben ik sinds mei van dit jaar met de bonden die het ICP afgeven (het Koninklijk Nederlands Watersportverbond de Koninklijke Nederlandsche Motorboot Club) en de politie in overleg over een aanscherping van de procedures. Ten eerste wil ik de controle van aanvragen door de bonden versterken door extra informatie te laten meesturen, zoals foto’s van het vaartuig en het vaartuigidentificatienummer. Daarnaast wil ik stoppen met de afgifte van ICP’s aan mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en ook niet in Nederland gevestigd zijn. Het streven is een nieuw convenant vanaf 1 januari 2021 in werking te laten treden waarin deze aanscherpingen worden vastgelegd.
Bent u het ermee eens dat het schandalig is hoe mensen- en drugssmokkelaars dankzij het slappe optreden van deze regering onder Nederlandse vlag kunnen varen?
Schepen met een ICP varen niet onder Nederlandse vlag. Het ICP geeft een vaartuig niet het recht de Nederlandse vlag te voeren en geeft geen nationaliteit aan het schip. Dat staat ook aangegeven op het ICP.
Daarnaast vind ik het belangrijk om erop te wijzen dat Nieuwsuur zich mede baseert op een signaal afkomstig van het Maritime Analysis and Operations Centre Narcotics (MAOC-N). Nederland maakt samen met zes andere Europese landen deel uit van MAOC-N. In die zin levert Nederland dus ook een goede bijdrage aan de gezamenlijke bestrijding van trans-Atlantische drugssmokkel via onder andere de irreguliere vaart (plezierjachten, zeilschepen e.d.).
Bent u bereid stappen te nemen om te voorkomen dat de reputatie van Nederland nog verder naar de bodem van de oceaan zinkt?
Zie antwoord op vraag 3 en 4.
Bent u bekend met een rapport van de politie Midden-Nederland (2015) waarin wordt gewaarschuwd dat het botenregistratiesysteem «aan alle kanten rammelt»? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
De discussie rond een botenregistratiesysteem staat los van het ICP. In 2015 heeft het Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC) dit bestuurlijk signaal overgebracht aan mij en de Minister van JenV. Het signaal constateerde onder meer het ontbreken van een registratiesysteem voor pleziervaartuigen, behoudens het register voor snelle motorboten. Tevens benoemde het signaal lacunes in dit registratiesysteem voor snelle motorboten. Beide konden volgens het signaal leiden tot fraude en witwassen.
Het signaal is in de eerste plaats door mij aangegrepen om enkele verbeteringen door te voeren in de bestaande registratie van snelle motorboten. De RDW heeft zijn bestanden opgeschoond. Het Ministerie van IenW is op dit moment in overleg met de RDW om de bestaande registratie van snelle motorboten te verbeteren.
Verbeterpunten betreffen met name de juridische verankering van de huidige registratie.
Er hebben naar aanleiding van dit signaal ook gesprekken plaatsgevonden tussen de ministeries van IenW en JenV, en met ketenpartners zoals de politie, het OM, de Belastingdienst, de RDW en met stakeholders zoals de HISWA. De gesprekken dienden om de problematiek verder uit te diepen en te bezien of het wenselijk is de bestaande registratie van snelle motorboten uit te breiden naar alle pleziervaartuigen, al dan niet in combinatie met andere mogelijk te treffen maatregelen. Voor een besluit daarover is meer informatie nodig over de aard en omvang van de problematiek. Die wordt in opdracht van het nieuwe DG Ondermijning van het Ministerie van JenV nu eerst verder in kaart gebracht.
Bent u het ermee eens dat er een duidelijk registratiesysteem moet komen, te beheren door uw Ministerie van IenW zonder tussenpersonen, zodat er een eenduidig systeem is dat landelijk beheerd wordt en waarop toezicht bestaat, zodat het voor criminelen lastiger wordt om boten te kopen met zwart geld dat zo wordt witgewassen? Zo nee, waarom niet?
Ieder registratiesysteem moet uiteraard goed, sluitend, eenduidig zijn, en het doel kunnen dienen waarvoor het is bedoeld. De binnenvaartwetgeving, waarop ook de huidige registratie van snelle motorboten is gebaseerd, is gericht op veilig scheepvaartverkeer. Deze wetgeving leent zich naar mijn idee niet zonder meer voor het tegengaan van witwassen. Ik zal de gesprekken met mijn ambtgenoot van JenV voortzetten om te bekijken of hierin een passende oplossing kan worden gevonden. Daarbij zal ook een goede balans gevonden moeten worden met betrekking tot administratieve lasten, met name met het oog op de goedwillende watersporters die de overgrote meerderheid vormen.
Zo ja, wat gaat u doen en per wanneer? Kunt u een tijdslijn opstellen en de Kamer van de vorderingen periodiek op de hoogte houden? Zo nee, waarom niet?
Wat het ICP betreft werk ik al enige tijd met de bonden die het ICP afgeven en de politie aan aanscherping van de voorwaarden. Een nieuw convenant met de bonden die het ICP afgeven is nagenoeg klaar. Het streven is deze vanaf 1 januari 2021 in werking te laten treden waarin deze nieuwe werkwijze wordt vastgelegd.
Wat de eigendomsregistratie betreft zal ik de gesprekken met mijn ambtgenoot van JenV voortzetten en de Kamer van de vorderingen op de hoogte te houden. Hoe de tijdlijn voor eventuele maatregelen eruit ziet hangt ook af van de uitkomst van die gesprekken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van IenW en/of het Ministerie van J&V?
Dit is helaas niet gelukt.
Herindelingsverkiezing Eemsdelta |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Valse start dreigt voor Eemsdelta»?1
Ja.
Waarom is niet eerder getracht en/of niet gelukt om wettelijk voor de herindelingsverkiezingen extra volmachten, poststemmen of vervroeg stemmen mogelijk te maken
Iedere stap in het verkiezingsproces wordt bepaald door de Kieswet, dit is zo vastgelegd in de Grondwet. De Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 is op vrijdag 6 november jl. in werking getreden. Deze wet geeft naar mijn mening een goede basis om de gemeenteraadsverkiezing van 18 november a.s. op een veilige wijze te kunnen houden. De maatregelen die op basis van deze wet gaan gelden waarborgen de veiligheid van de kiezer in het stemlokaal. Voor kiezers in zorginstellingen kunnen stemlokalen met beperkte toegang worden ingericht zodat deze kwetsbare kiezers in de instelling kunnen stemmen. De mogelijkheden om mobiele en bijzondere stembureaus in te stellen zijn verruimd en als de stemlokalen te klein zijn kunnen de stembiljetten elders worden geteld.
In overleg met de gemeenten is besloten om de verhoging van het aantal volmachten bij de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 niet in werking te laten treden. Reden daarvoor is dat deze maatregel voor verschillende herindelingsgemeenten niet uitvoerbaar is binnen de nog beschikbare tijd tot aan de herindelingsverkiezingen. Wettelijk kan er op dit onderdeel geen verschil gemaakt worden tussen gemeenten om dit wel of niet te doen. In de evaluatie zal ik aandacht schenken aan het aantal uitgebrachte volmachten.
Voor de Tweede Kamerverkiezing op 17 maart 2021 worden op verzoek van uw Kamer nog aanvullende maatregelen voorzien zoals het stemmen per brief voor kiezers van 70 jaar en ouder en vervroegd stemmen op de twee dagen voor de verkiezingsdag. Een wetsvoorstel om dat te regelen wordt voorbereid. En ook de uitvoering daarvan vergt alle tijd tot aan de verkiezing in maart. Het gaat om majeure wijzigingen in het verkiezingsproces die, ook in juridische zin, voorbereidingstijd vragen om er zeker van te zijn dat de maatregelen uitvoerbaar kunnen zijn. Dat is de reden waarom deze maatregelen nog niet kunnen gelden bij de verkiezingen van 18 november a.s.
Is het waar dat bestuurders, betrokken bij de herindeling Eemsdelta, hier al tijdig bij u om hebben gevraagd? Zo ja, wanneer, en waarom is hier eerder niets mee gedaan?
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u nog om mensen voor de herindelingsverkiezingen te laten stemmen?
De Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 biedt naar mijn mening een goede basis voor kiezers om hun stem uit te brengen bij de herindelingsverkiezingen.
Gemeenten hebben een brede communicatiecampagne opgezet richting de kiezers. In overleg met de gemeenten lever ik ondersteuning waar de gemeenten dat wensen. In de communicatie wordt ook ingegaan op het gebruik van een volmacht en kiezers opgeroepen waar mogelijk gespreid te gaan stemmen.
Bent u bereid om door middel van extra communicatie kiezers te wijzen op de mogelijkheid en het gebruik van een volmacht en op te roepen waar mogelijk gespreid te gaan stemmen?
Zie antwoord vraag 4.
Nagorno-Karabach |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU), Sadet Karabulut (SP), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Welke consequenties voor de betrokken landen verbindt u aan uw constatering in uw brief van 26 oktober 2020 over het verslag van de Europese Raad van 15-16 oktober1, dat Turkije inderdaad betrokken is bij de inzet van Syrische strijders aan Azeri-zijde in en rond het conflict rond Nagorno Karabach (Artsach), hetgeen u bij het algemeen overleg met de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Kamer op 6 oktober jl. niet zei te weten, en in de antwoorden op de vragen van de leden de Roon en Wilders eveneens d.d. 6 oktober2 niet kon bevestigen, omdat deze «ontkend worden door Turkije en Azerbeidzjan»?
Zoals medegedeeld in het verslag van de Europese Raad (Kamerstuk 21 501-20, nr.1620), is het kabinet er inmiddels van op de hoogte dat Turkije inderdaad betrokken is bij de inzet van Syrische strijders aan Azerbeidzjaanse zijde.
Zoals gemeld in antwoord op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 645) heeft mede op initiatief van Nederland de Europese Raad zich op 1 oktober jl. uitgesproken tegen elke externe inmenging en opgeroepen tot de-escalatie, staakt het vuren en de noodzaak om terug te keren naar de onderhandelingstafel. Daarnaast wijs ik op de diverse verklaringen van de EU Hoge Vertegenwoordiger waarin de EU zich uitspreekt tegen externe inmenging. Dit geldt ook voor EU verklaringen binnen de OVSE en de Raad van Europa. Nederland veroordeelt de inzet van Syrische strijders in het conflict in Nagorno-Karabach en blijft in contact met diverse internationale actoren om de zorgen daarover kenbaar te maken.
Kunt u bevestigen dat u, gelet op hun ongeloofwaardigheid en de stelstelmatige ontkenning door hen van welk bericht dan ook, in het vervolg de uitlatingen van genoemde landen over de oorlog in Nagorno Karabach, zoals over wie de oorlog begon, wie als eerste het staakt-het-vuren schond, alsmede dat huurlingen zijn ingezet enzovoorts, niet langer zult laten meewegen respectievelijk afwachten om tot een oordeel te komen en handelend op te treden, zoals vele bondgenoten dat reeds voor 6 oktober terecht hadden geconcludeerd?
Beiden landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Er heerst veel desinformatie. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, alsook wie het staakt-het-vuren als eerste schond. Op dit moment lijkt het vierde staakt-het-vuren stand te houden; het kabinet verwelkomt het feit dat de wapens zijn neergelegd. Het kabinet heeft in de voorbije weken alle partijen oproepen zich te weerhouden van acties en dergelijke uitspraken die het conflict verder doen escaleren. Ik heb op 29 september jl. met beide ministers van Buitenlandse Zaken gebeld en hen opgeroepen tot de-escalatie en terugkeer naar onderhandelingen.
Mede dankzij Nederlandse inzet heeft de Europese Raad op 1 oktober jl. ook opgeroepen tot de-escalatie en zich uitgesproken tegen elke inmenging van buitenaf. De EU heeft daarbij expliciet steun uitgesproken voor de co-voorzitters van de Minsk Groep. Deze boodschap van de EU is ook in OVSE-kader zeer regelmatig herhaald. Achter de schermen is er door de co-voorzitters hard gewerkt en er hebben verschillende bijeenkomsten en gesprekken plaatsgevonden op presidentieel dan wel ministerieel niveau. De internationaal politieke en diplomatieke druk is voortdurend hoog geweest. Beide partijen namen deel aan onderhandelingen, zoals op 30 oktober in Genève. Vredesbesprekingen hebben geleid tot het tekenen van de trilaterale verklaring tussen Poetin, Pashinyan en Aliyev in de nacht van 10 november. Wat betreft de vraag over motie 2215 verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Is het u bekend dat inmiddels van verschillende oorspronkelijk Syrische verzetsgroepen in totaal duizenden jihadistische huurlingen via Turkije naar Azerbeidzjan zijn overgebracht en daar over een groot gebied verspreid zijn, met als taak zoveel mogelijk Armeniërs te doden, letterlijk tot er niemand meer over zou zijn; dat zij inmiddels reeds honderden Armeense soldaten en burgers hebben gedood, en dat uit bekentenissen van enkele krijgsgevangen genomen huurlingen onder andere naar voren komt, dat hen bij hun rekrutering door Turkije boven hun salaris nog eens 100 dollar wordt geboden voor elke onthoofde Armeniër? Acht u het aanvaardbaar dat deze actieve inzet door Turkije tot onmenselijke daden als onthoofding tot op dit moment zonder enig gevolg hoegenaamd van de zijde van Nederland is gebleven?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe past in uw ogen de militaire inzet, met oorlogsretoriek, met NAVO-wapens en vliegtuigen, met inzet en financiering van huurlingen en eigen militairen in Azerbeidzjan, bij de rol van Turkije als NAVO-bondgenoot? Erkent u dat door dit als NAVO toe te laten de huidige oorlog reeds aan naar schatting vijfduizend militairen en burgers het leven heeft gekost, zonder dat een einde zelfs maar in zicht is? Welke sancties worden overwogen, bijvoorbeeld gerichte sancties tegen verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen c.q. gericht tegen de entourage van president Erdogan, zoals bevriezing van tegoeden?
Zes weken lang conflict heeft enorme humanitaire gevolgen teweeggebracht. Het is daarom positief dat vooralsnog het vierde staakt-het-vuren stand lijkt te houden. Nederland, alsook de Europese Unie, hebben in de afgelopen weken de beide partijen meermaals opgeroepen om de wapens neer te leggen. Nederland hecht waarde aan het eensgezinde EU optreden in dezen. Sancties zijn op dit moment niet aan de orde. Het kabinet was bezig, ook in reactie op de tweede paragraaf van motie van Helvert (Kamerstuk 35 373, nr. 18 gewijzigd), te onderzoeken welke aanknopingspunten de OP-samenwerking biedt om de beide partijen te beïnvloeden ten einde de vijandelijkheden te staken en te werken aan een duurzame oplossing voor het geschil. Gezien de recente ontwikkelingen en in het bijzonder het feit dat het huidige staakt-het-vuren gehonoreerd lijkt te worden, is het van belang dit prille akkoord eerst een kans te geven.
Het kabinet heeft conform de moties Karabulut (Kamerstuk 21 501-02 nr. 2218), Voordewind cs. (Kamerstuk 35 373, nr. 8) en Van Helvert cs. (21 501-02, nr. 2216) de oorlogsretoriek van alle landen, waaronder Turkije, in EU verband veroordeeld, en zowel in EU als NAVO verband zorgen geuit over contraproductieve buitenlandse inmenging. Daarbij zijn alle landen, waaronder NAVO bondgenoot Turkije, opgeroepen om zich in te zetten voor het handhaven van het staakt-het-vuren en een terugkeer naar de onderhandelingstafel onder auspiciën van de OVSE Minsk Groep.
De VN Hoge Commissaris voor Mensenrechten, Michelle Bachelet, bracht op 2 november jl. een verklaring uit waarin zij waarschuwde voor willekeurig geweld tegen de burgerbevolking – wat een schending is van het internationaal recht en een oorlogsmisdrijf kan zijn. Zij riep de strijdende partijen op om verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht na te komen en burgers en civiele infrastructuur te beschermen. De EU heeft de aanvallen op burgers veroordeeld en beide landen meermalen opgeroepen de burgerbevolking te beschermen.
Het kabinet is bekend met de rapporten van Human Rights Watch over het gebruik van clustermunitie door beide partijen. Armenië en Azerbeidzjan zijn geen partij bij het Verdrag inzake clustermunitie, dat het gebruik van clustermunitie verbiedt vanwege de humanitaire consequenties en schade die deze soort munitie vaak toebrengt aan de burgerbevolking. Partijen dienen bij gewapende conflicten hun verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht te eerbiedigen, in het bijzonder de verplichtingen over het maken van onderscheid tussen militaire doelen en burgerobjecten, het nemen van voorzorgsmaatregelen bij de keuze van hun methoden en middelen van oorlogvoering teneinde de burgerbevolking zoveel mogelijk te beschermen.
Het kabinet is eveneens bekend met de berichten over het gebruik van fosfor. Beide partijen beschuldigen elkaar hiervan. Fosfor is geen chemisch wapen. Derhalve zou een OPCW onderzoek in beginsel niet aan de orde zijn. Het gebruik van fosfor voor het creëren van een rookgordijn of om het slagveld te verlichten is niet verboden. Het gebruik van fosfor als brandwapen tijdens gewapend conflict is gereguleerd in Protocol III bij het CCW-verdrag (Certain Conventional Weapons). Het kabinet keurt het gebruik van fosfor als brandwapen af. Omdat Armenië noch Azerbeidzjan partij is bij het CCW verdrag, gelden deze verdragsregels niet voor hen. Wel gelden de algemene regels van het humanitair oorlogsrecht voor het voeren van vijandelijkheden, zoals de beginselen van onderscheid en voorzorgsmaatregelen, die dienen om de burgerbevolking te beschermen.
Kunt u inmiddels wel aangeven, dat in dit conflict Azerbeidzjan ook naar eigen aankondiging tevoren en verklaring nadien van dat land, de partij is die militair heeft aangevallen, de aanval wil voortzetten «tot het eind», en geen onderhandelingen wil, en daarom drie keer het staakt het vuren heeft geschonden, terwijl de Armeense kant zich hiertegen verdedigt en bereid is tot onderhandelingen, daar de laatste opvattingen hierover van uw kant van 28 september (notaoverleg over Ruslandstrategie) en 6 oktober (Algemeen Overleg over de Raad Buitenlandse Zaken) stammen en luiden dat u niet kunt beoordelen welke partij agressor was, en daarom alle moties die in uw ogen naar een van de partijen (lees Azerbeidzjan) wijzen, ontraden zijn uit oogpunt van «even-handedness». Wat zou nu uw oordeel zijn over bijvoorbeeld de aangehouden motie-Voordewind3, die om die reden was ontraden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid op de kortst mogelijk termijn in de EU te bevorderen dat er een moratorium komt op de levering van wapens respectievelijk onderdelen van wapens aan de bij het conflict betrokken partijen in de strijd in Nagorno Karabach? Zo nee, waarom niet?
Sinds 1992 geldt een OVSE-embargo op levering van militaire goederen aan partijen betrokken bij het conflict in Nagorno-Karabach. Alle EU lidstaten hebben zich daarmee al verplicht tot het niet leveren van militaire goederen die in dit conflict kunnen worden ingezet. Alle EU-landen hebben zich gecommitteerd aan zorgvuldige toetsing van vergunningaanvragen voor de export van militair materieel aan de acht EU-wapenexportcriteria. Daarbij wordt onder meer getoetst of een transactie in strijd is met internationale verplichtingen, zoals de wapenembargo’s op Nagorno-Karabach (criterium 1). Ook wordt er getoetst op het risico dat goederen die worden geleverd aan derde landen worden omgeleid naar bestemmingen waarvoor een wapenembargo geldt zoals Nagorno-Karabach (criterium 7). Een EU-breed moratorium voegt daar weinig aan toe. Wel ben ik graag bereid om in de EU Raadswerkgroep COARM een uniforme toepassing van dit embargo te bepleiten.
Kunt u bevestigen dat vanuit Nederland geen wapens respectievelijk onderdelen worden geleverd aan de bij het conflict betrokken partijen, zulks gelet op het sinds 1992 van kracht zijnde embargo van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) m.b.t. «forces engaged in combat in Nagorno-Karabach»?
Ja, Nederland geeft gevolg aan dit embargo en geeft geen vergunningen af voor militaire goederen die in dit conflict kunnen worden ingezet.
Wat is uw oordeel over berichten dat Azerbeidzjan op grote schaal en al vijf weken lang oorlogsmisdaden pleegt, onder andere door onophoudelijke clusterbommen op woongebieden, zoals in de rapporten van onder andere Human Right Watch staat vermeld, maar ook zichtbaar is in talloze video’s? Dat tevens oorlogsmisdaden plaatsvinden onder andere door gebruik van chemische middelen zoals witte fosfor, behandeling krijgsgevangenen met executies en verminkingen etcetera. Klopt het dat er fosfor-wapens worden ingezet? Hoe beoordeelt u het gebruik van fosfor in de strijd? Deelt u de mening dat Nederland, zelf en in EU-verband, thans alle middelen behoort in te zetten die effectief kunnen zijn om Azerbeidzjan, dat keer op keer aangeeft «tot het einde te zullen doorgaan», te stoppen, zoals door economische sancties en sancties tegen de omgeving van president Aliyev? Kunt u aangeven waarom deze sancties nog niet zijn ingesteld?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid stappen te initiëren om sancties op Turkije en Azerbeidzjan op te leggen door alle vormen van samenwerking met deze landen op te schorten, de onderhandelingen tussen de EU over economische samenwerking op te schorten evenals de steun die aan Azerbeidzjan verstrekt wordt vanuit het Oostelijk Partnerschap?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de rapporten van Genocide Watch en van de International Association of Genocide Scholars over de genocidale bedoelingen van Azerbeidzjan en Turkije?
Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend. Aan beide zijden zijn veel burgerslachtoffers gevallen. Het kabinet is op de hoogte van het alert van Genocide Watch. Deze waarschuwing bevestigt het belang dat internationale organisaties zoals OHCHR en OVSE de situatie in Nagorno-Karabach goed moeten kunnen blijven volgen. De waarschuwing onderstreepte tevens de noodzaak van het bereiken van een staakt-het-vuren. Volgens het trilaterale akkoord van 10 november tussen Armenië, Azerbeidzjan en Rusland, zal er een vredeshandhavingsmissie komen in de regio om het staakt-het-vuren te monitoren.
Wat is uw positie ten aanzien van het idee om in de gegeven omstandigheden, en gezien de uitgesproken onwil van Azerbeidzjan, hierin gesteund door Turkije, om de agressie te beëindigen, thans – gelet op het principe van Responsibility to Protect, op basis van het principe van «remedial secession», derhalve als laatste redmiddel – de onafhankelijkheid van Nagorno Karabach (Artsach) te erkennen? Kunt u uw standpunt onderbouwen?
Het Nederlandse standpunt is bekend en ongewijzigd. Nederland ondersteunt het streven naar een duurzame en vreedzame oplossing voor het conflict. De gevechten zijn inmiddels beëindigd en het staakt-het-vuren wordt vooralsnog gehonoreerd. Het idee van erkenning van de onafhankelijkheid van Nagorno-Karabach (Artsach) staat haaks op de inspanningen van de internationale gemeenschap om tot een vreedzame oplossing van het conflict te komen en is dan ook niet aan de orde.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de aanvang van de plenaire behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat niet alle bijzonder hoogleraren voeding aan de Wageningen University & Research (WUR) transparant zijn over nevenwerkzaamheden |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de publicatie van Foodwatch die stelt dat Wageningse voedingswetenschappers regels overschrijden?1
Ik heb kennisgenomen van de publicatie. Ik heb me ervan vergewist dat het bestuur van Wageningen University & Research (WUR) naar aanleiding van de publicatie dit nader heeft onderzocht en de nodige maatregelen heeft getroffen.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat bijna de helft van de bijzonder hoogleraren voeding van de WUR hun nevenwerkzaamheden niet allemaal openbaar toegankelijk maken op hun universiteitsprofielpagina?
WUR heeft mij ervan op de hoogte gesteld dat Foodwatch terecht constateert dat niet bij alle onderzochte bijzonder hoogleraren de nevenwerkzaamheden openbaar gemaakt zijn. Hier is inmiddels actie op ondernomen. WUR heeft alle bijzonder hoogleraren nogmaals benaderd en dringend verzocht de tekortkomingen rond nevenwerkzaamheden in het systeem op korte termijn aan te passen.
Bent u van mening dat hiermee de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt overtreden en dat de onafhankelijkheid van de wetenschap hiermee in het gedrang is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De gedragscode is een vorm van zelfregulering van de sector. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de Sectorregeling nevenwerkzaamheden en de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit ligt bij de instellingsbesturen. Als het instellingsbestuur vermoedt dat één of meer normen niet zijn nageleefd, heeft het bestuur de verantwoordelijkheid dat dit integer en eerlijk wordt onderzocht.
Hoe kan het dat nog steeds nevenfuncties onvermeld blijven, terwijl in 2007 al de belofte werd gedaan om volledige openbaarheid te geven? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de afspraken rond nevenwerkzaamheden wordt nageleefd?
De afgelopen jaren hebben universiteiten flinke vooruitgang geboekt met de registratie van nevenwerkzaamheden. De VSNU meldt dat uit de meest recente inventarisatie (voorjaar 2019) blijkt dat van 97% van alle hoogleraren nevenwerkzaamheden online staan. In 2017 was dit 87%. Bij de bijzonder hoogleraren heeft 88% zijn of haar nevenwerkzaamheden in 2019 ingevuld, waar dit in 2017 nog 64% was. Universiteiten houden aandacht voor het registreren van nevenwerkzaamheden.
Erkent u dat transparantie over nevenwerkzaamheden in het geval van bijzonder hoogleraren belangrijk is, aangezien hun leerstoel door een derde partij wordt gefinancierd? Kunt u dit toelichten?
Transparantie over nevenwerkzaamheden van hoogleraren is in alle gevallen belangrijk. Bijzonder hoogleraren horen niet meer of minder transparant te zijn dan andere hoogleraren. Het ligt in de aard van de functie dat een bijzonder hoogleraar door een derde partij wordt gefinancierd. In dat opzicht mag wel van een bijzonder hoogleraar verwacht worden dat hij of zij zich op voorhand realiseert dat er sprake is van nevenwerkzaamheden of een financieringsrelatie die gemeld moet worden.
Bent u bereid om met de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in gesprek te gaan om de onderzoeksmethode voor inventarisatie en rapportage met betrekking tot de registratie van nevenwerkzaamheden te verduidelijken om volledige transparantie van wetenschappers te waarborgen?
Ik zie onvoldoende aanleiding, gezien de genomen maatregelen, om hierover nu met de VSNU in gesprek te gaan.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat op korte termijn alle nevenfuncties van hoogleraren volstrekt openbaar zijn? Bent u bereid sancties in te stellen indien instellingen medewerking weigeren?
Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de universiteiten, en van elk van de besturen, om zich ervan te vergewissen dat de Sectorregeling nevenwerkzaamheden en de Gedragscode wetenschappelijke integriteit worden nageleefd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat instellingen zich daar niet voor inspannen.
Hoe komt het dat de VSNU (veel) positievere cijfers rapporteert met betrekking tot de inventarisatie van nevenwerkzaamheden, en dat dit niet strookt met andere inventarisaties zoals door Foodwatch (2020) en de Groene Amsterdammer (2013 en 2014)?
De inventarisatie van Foodwatch betreft een specifiek onderzoeksgebied (voeding) binnen een specifieke universiteit (WUR) en is beperkt tot een inventarisatie van 24 bijzonder hoogleraren. Dat een dergelijke selectie andere percentages oplevert dan een landelijk beeld is niet vreemd. Daarnaast is het logisch dat er veel positievere cijfers door de VSNU worden gerapporteerd dan de inventarisatie van de Groene Amsterdammer uit 2013 en 2014 omdat er sindsdien een flinke vooruitgang is geboekt door de universiteiten met de registratie van nevenwerkzaamheden (zie ook mijn antwoord op vraag 4). De VSNU heeft mij verzekerd dat transparantie rondom het onderwerp nevenwerkzaamheden hoog op de agenda staat en onverminderd de aandacht houdt.
Het bericht ‘Geen 4 maanden, maar één dag cel en taakstraf voor man (46) die betaalde seks met 16-jarig meisje had’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van BN de Stem van 27 oktober 2020, «Geen 4 maanden, maar één dag cel en taakstraf voor man (46) die betaalde seks met 16-jarig meisje had»?1
Ja
Deelt u de mening dat mensenhandel en gedwongen prostitutie bestaat doordat er klanten zijn en dat zij hiervoor ook bestraft moeten worden?
Klanten die producten of diensten kopen waarbij mensenhandel betrokken is, hebben een aanzienlijke rol bij het in stand houden van mensenhandel.
Klantenspelen een belangrijke rol in de bestrijding van mensenhandel en kunnen zo bijdragen aan een veilige en gezonde sector voor sekswerkers. Enerzijds hebben zij een signalerende functie en kunnen zij melding maken uitbuiting. Anderzijds kunnen zij, als afnemers, misstanden voorkomen door geen gebruik te maken van illegale vormen van prostitutie.
Het bericht van BN/de Stem gaat over een meerderjarige man die betaalde seks had met een meisje van 16 jaar oud. Betaalde seks met minderjarigen is te allen tijde verboden; Alle klanten die dergelijke praktijken in stand houden moeten hard worden aangepakt. In de beantwoording bij vraag 9 ga ik hier nader op in.
Kunt u ingaan op de bedoeling van de wetgever met de strafmaat in artikel248b Sr?
In artikel 248b Sr («Jeugdprostitutie») wordt degene strafbaar gesteld die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. De wettelijke maximale straf die de rechter bij artikel 248b kan opleggen is een gevangenisstraf van vier jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Met dit wettelijk strafmaximum wordt tot uitdrukking gebracht dat klanten van betaalde seks met minderjarigen in deze leeftijdscategorie zich schuldig maken aan een ernstig strafbaar feit. Tevens gaat hiervan een afschrikwekkende werking uit richting potentiële klanten. Op artikel 248b Sr is daarnaast het taakstrafverbod van toepassing. Dat betekent dat bij een veroordeling geen kale taakstraf kan worden opgelegd. Wel kan een taakstraf worden gecombineerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Hoe beoordeelt u rechterlijke uitspraken die het taakstrafverbod omzeilen en daarmee de intentie die de wetgever heeft met het taakstrafverbod, mogelijk ondermijnt?
Het OM en de rechtspraak hebben voor 248b Sr richtlijnen voor strafvordering respectievelijk oriëntatiepunten voor de straftoemeting opgesteld. Zoals eerder aangegeven, kan bij de daadwerkelijke straftoemeting in zaken waarin het taakstrafverbod van toepassing is, een taakstraf wel worden gecombineerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het is aan de rechter om de duur daarvan te bepalen, waarbij een wettelijke minimumduur geldt van één dag.
Ik wil benadrukken dat elk persoon dat slachtoffer wordt van een zedenmisdrijf of mensenhandel, er één teveel is. Dit doet echter niets af aan het feit dat de rechter een ruime straftoemetingsvrijheid heeft en per individueel geval maatwerk kan leveren en een passende straf kan opleggen.
Kunt u cijfermatig inzichtelijk maken hoe de rechter sinds de invoering van het taakstrafverbod heeft geoordeeld over klanten van minderjarige prostituees en kunt u op basis van dat overzicht aangeven of er sprake is van een verontrustende trend van rechterlijke uitspraken waar het taakstrafverbod wordt omzeild? Zo nee, waarom niet?
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
20201
Totaal
Totaal aantal zaken waarin artikel 248b bewezen verklaard
0
3
8
39
29
17
8
5
12
121
Aantal zaken waarin artikel 248b bewezen verklaard en met als straf 1 of 2 dagen cel en taakstraf
0
0
0
1
4
5
0
0
1
11
Bron: Raad voor de Rechtspraak
1 januari t/m 6 november 2020
Vanaf 2012 is in totaal in 121 zaken iemand veroordeeld op basis van artikel 248b Sr, waarvan elf maal een straf is opgelegd van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van één of twee dagen en een taakstraf, zo blijkt uit de inventarisatie van de Raad van de Rechtspraak. Ik constateer dat in 2016 en 2017 het vaker voor is gekomen dat een strafoplegging van 1 of 2 dagen cel en een taakstraf voorkwam na bewezenverklaring 248b, dan in de jaren hieraan voorafgaand. In 2018 tot en met november 2020 ligt dit aantal lager.
Op basis van dergelijke kleine aantallen strafopleggingen waarbij sprake is van één of twee dagen cel en taakstraf, met de jaren 2016 en 2017 die eruit springen, is het lastig om te spreken van een trend.
Acht u het wenselijk dat klanten van minderjarige prostituees weg komen met lage straffen en deelt u de mening dat hiermee deze praktijken gemakkelijker in stand gehouden kunnen worden?
Ik acht het wenselijk dat klanten van seks met minderjarigen worden bestraft. Binnen de kaders die de wet schept, is de rechter vrij om een passende straf op te leggen.
Bestraffing van klanten van betaalde seks met minderjarigen is wat mij betreft ook een onmisbaar onderdeel van mijn bredere aanpak van personen en organisaties die bij mensenhandel, of daaraan verwante delicten, betrokken zijn. OM en politie hebben hun strafrechtelijke aanpak van dit probleem afgelopen jaren reeds verscherpt. In het geval van een opsporingsonderzoek naar seksuele uitbuiting van een minderjarige wordt ingezet op het opsporen en vervolgen van de klant.
Welke mogelijkheden ziet u om rechtszaken over mensenhandel voorrang te geven, zodat deze sneller voor de rechter kunnen komen?
OM en de rechtspraak hebben een belangrijke rol in de afweging welke zaken wanneer op zitting komen. Dit plannings- en appointeringsproces gebeurt in samenspraak en samenwerking tussen OM en rechtspraak. Indien er behoefte is vanuit het OM om een bepaalde categorie zaken met voorrang op zitting te plannen, kunnen daar lokaal afspraken over worden gemaakt, door bijvoorbeeld van gewone zittingen, themazittingen te maken. Waar er sprake is van voorlopige hechtenis is er al sprake van snellere behandeling.
Door het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB) zijn vorig jaar professionele normen vastgesteld, met het oogmerk om doorlooptijden binnen de strafrechtketen te verbeteren en stabiliteit aan te brengen in zaakstromen.
Wanneer komt u met een concrete uitwerking van het pakket van maatregelen om de koop van seks met minderjarigen te ontmoedigen, naar aanleiding van motie Kuik c.s. (Kamerstuk 28 638, nr. 166)?
Klanten die seks kopen van minderjarigen moeten hard worden aangepakt. Gesterkt door uw motie om – kortgezegd – met een pakket van maatregelen te komen om klanten die seks kopen van minderjarigen, te ontmoedigen2 heeft mijn departement, samen met het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), de afgelopen maanden gewerkt aan een pakket van maatregelen om klanten op hun verantwoordelijkheid te wijzen, en waar nodig strafrechtelijk aan te pakken. Uw kamer is bij brief van 1 juli geïnformeerd over een viertal aandachtsgebieden waarbinnen nieuwe maatregelen te verwachten waren3. Deze zijn in de voortgangsbrief over het programma Samen tegen Mensenhandel van 18 november jl.4 nader uitgewerkt.
Wordt het harder kunnen aanpakken van personen die betaalde seks hebben met minderjarigen door middel van het strafrecht ook onderdeel van dit pakket van maatregelen? Zo nee, waarom niet?
In de voortgangsbrief over het programma Samen tegen mensenhandel heb ik aangegeven dat ik het betalingsaspect bij de vervolging van klanten die seks hebben gekocht van minderjarigen onder de zestien nader wil expliciteren. Ik beschouw de aangenomen motie van lid Kuik en Van der Graaf (Kamerstuk 35570-VI, nr.5 als extra steun in de rug hierbij. Ter uitvoering hiervan wordt in het wetsvoorstel seksuele misdrijven wettelijk geregeld dat betaalde seks met zestienminners strafverzwarend is.
Tijdens de uitvoering van de maatregelen die in het kader van Motie Kuik c.s. werden aangekondigd blijf ik met Politie en OM alert op kansen om de stafrechtelijke aanpak een nadere impuls te geven. De onderzoeken naar een klantenprofiel en strafoplegging die onderdeel maken van het maatregelenpakket, zullen mogelijk aangrijpingspunten voor beleidsontwikkeling bieden.
Misstanden rondom meldingen van sociale onveiligheid op universiteiten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wangedrag docent «UvA nam klachten over grensoverschrijdend gedrag niet serieus»»?1
Ja.
Bent u van mening dat de vele acties die door universiteiten in gang zijn gezet om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen en de meldingsprocedures te verbeteren2 voldoende zijn gezien de harde kritiek van dit onderzoek?
In het onderzoek bij de Universiteit van Amsterdam naar aanleiding van een specifieke casus wordt geconstateerd dat er sprake is van twee werelden, de ervaringen van de studenten in een kleine opleiding enerzijds en die van de formele structuren met regels en protocollen anderzijds, die niet bij elkaar kwamen. Het rapport geeft aan dat enerzijds alert is opgetreden, de klachten als voldoende ernstig zijn beschouwd en maatregelen zijn genomen, maar anderzijds dat de betrokken studenten onvoldoende zijn geholpen, zich niet gehoord hebben gevoeld en dat is nagelaten een extern onderzoek in te stellen omdat werd vertrouwd op de reguliere klachtenprocedures.
Door universiteiten zijn en worden stappen gezet met als doel een sociaal veilige cultuur te creëren die ondersteund wordt door een formele structuur. Naast het verder verbeteren van bijvoorbeeld meldingsprocedures moet ook gekeken worden naar de specifieke academische cultuur die elementen kan bevatten die een voedingsbodem zijn voor ongewenst gedrag. Ik heb daarom de KNAW gevraagd om te adviseren over de preventie en aanpak van wangedrag en intimidatie in de academische wereld en daarvoor een commissie in te stellen. Ik heb de KNAW daarbij verzocht om concrete aanbevelingen die de cultuur en de structuur van de wetenschap kunnen veranderen en die ertoe kunnen bijdragen dat op een (meer) preventieve wijze gewerkt kan worden aan een veilig en duurzaam academisch klimaat.
Bent u bereid naar aanleiding van dit bericht (nogmaals) met de Universiteit van Amsterdam in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft in een reactie op het onderzoeksrapport laten weten de aanbeveling van de commissie om alsnog een extern onderzoek uit te laten uitvoeren, over te nemen. De UvA acht de aanbevelingen waardevol en zal deze gebruiken bij de verdere versterking van sociale veiligheid binnen de universiteit.
Dit geeft mij voldoende vertrouwen dat de UvA concrete stappen zet, zowel in deze specifieke casus als in het algemeen bij het versterken van de sociale veiligheid aan de UvA.
Deelt u de mening dat de lage meldingsbereidheid onder slachtoffers waarschijnlijk deels te wijten is aan het slechte meldingsbeleid dat wordt gehanteerd, waardoor melders nul op rekest krijgen, meldingen niet goed worden gedocumenteerd en geen duidelijk patroon van wangedrag duidelijk wordt? Zo ja, welke lessen trekt u uit deze specifieke casus die elders ook voor verbetering zullen zorgen?
Er kunnen verschillende redenen zijn voor de terughoudendheid om ongewenst gedrag te melden of meldingen door te zetten. Zo kan er angst zijn dat dit negatieve gevolgen heeft voor de carrière van de melder, schaamte en onzekerheid kunnen een rol spelen, en de overtuiging dat meldingen door functionarissen niet geregistreerd of niet goed afgehandeld worden en dat procedures zeer tijdrovend zijn en uiteindelijk geen oplossing bieden.
Het onderzoeksrapport doet suggesties en aanbevelingen om de meldingsbereidheid te vergroten en de formele procedures, waaronder het registreren van klachten, te verbeteren. Deze suggesties en aanbevelingen kunnen ook voor andere universiteiten van belang zijn.
De sterke academische hiërarchie en de competitieve cultuur spelen een rol bij de terughoudendheid om ongewenst gedrag te melden. Om een cultuurverandering te ondersteunen heb ik – zoals vermeld in de beantwoording op vraag 2 – de KNAW om advies gevraagd. De werking van bestaande meldingsstructuren voor de aanpak van ongewenst gedrag wordt eveneens in het KNAW-advies meegenomen.
Welke verschillen ziet u tussen de ombudsfuncties per universiteit met «stroomschema» samengesteld door de Nationale ombudsman en de VSNU3, met uitwijkmogelijkheid naar de Nationale ombudsman en een mogelijk nationaal onafhankelijk meldpunt?
De VSNU en werknemersorganisaties hebben op basis van het rapport Evaluatie universitaire ombudsfunctie een Landelijk kader voor invulling universitaire ombudsfunctie opgesteld. Ik zal uw Kamer hier voor het Kerstreces nader over informeren.
Bent u van mening dat de toekomstige ombudsmogelijkheden voldoende zijn om personen een veilige en onafhankelijke plek te bieden waar zij hun melding kunnen doen?
Ik acht het van groot belang dat universiteiten een veilige omgeving bieden waarin ruimte is om meldingen van ongewenst gedrag te doen. Het inbedden van een ombudsfunctie binnen de bestaande meldingsstructuren bij universiteiten kan bijdragen aan een meer gedegen systeem voor de melding, rapportage en aanpak van ongewenst gedrag. Zoals aangekondigd in de beantwoording van vraag 5 zal ik u nader informeren over het Landelijk kader voor invulling universitaire ombudsfunctie waarin rol en scope van de ombudsfunctie staan omschreven.
Kunt u toelichten in hoeverre studenten(organisaties) worden betrokken bij de aanpak van grensoverschrijdend gedrag?
De UvA heeft mij geïnformeerd dat de studenten (en de medezeggenschap in brede zin) nauw betrokken zijn bij de opstelling van regels op dit terrein en ook zitting hebben in klachtencommissies van de UvA.
In de evaluatie van de pilot met ombudspersonen zijn het ISO en de LSVb betrokken als respondenten.
Voor het creëren van een sociaal veilige omgeving is betrokkenheid van de (studenten)medezeggenschap noodzakelijk. Het is aan instellingen zelf om die betrokkenheid goed vorm te geven.
Bieden de conclusies uit genoemd bericht aanleiding om alsnog een landelijk meldpunt in te stellen, om te verzekeren dat patronen van ongewenst gedrag duidelijk worden en melders een zo laag mogelijke drempel ervaren, gezien de complexiteit van procedures waardoor een «stroomschema» noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie in het aangehaalde rapport geen aanleiding tot het instellen van een landelijk meldpunt. Wel geeft het rapport andere concrete aanbevelingen om de sociale veiligheid binnen de academische wereld te versterken.
Het bericht dat ontsnapte chimpansees zijn doodgeschoten in Dierenpark Amersfoort. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in de ochtend van 3 november 2020 twee ontsnapte chimpansees in Dierenpark Amersfoort zijn doodgeschoten?1
Ja.
Wat was de precieze oorzaak van de ontsnapping van de chimpansees en klopt het dat een van de verzorgers het verblijf niet goed had gesloten?
De dieren konden ontsnappen door een menselijke fout bij het sluiten van het verblijf.
Klopt het dat de chimpansees zijn doodgeschoten en kunt u toelichten waarom verdoving niet aan de orde was?
Wanneer een chimpansee verdoving krijgt toegediend, duurt het ongeveer een kwartier voordat het effect hiervan merkbaar is. Als dieren opgewonden of gestrest zijn, kan dit nog langer duren. Chimpansees zijn behendige dieren die zich snel kunnen verplaatsen. De ontsnapte dieren hadden zich in dit tijdbestek binnen en buiten het park kunnen verplaatsen. Dat kan uitmonden in een gevaarlijke situatie. De dieren vertoonden imponeergedrag, en mannelijke chimpansees zijn vele malen sterker dan mensen en hebben grote hoektanden. Uit veiligheidsoverwegingen is daarom besloten de dieren neer te schieten. Dit is een verdrietige maar noodzakelijke keuze in deze situatie.
Zijn de bezoekers van de dierentuin in gevaar geweest en kunt u dat toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe is het mogelijk dat één menselijke fout kan leiden tot een dergelijk drama en waarom waren er kennelijk geen veiligheidsmaatregelen die konden voorkomen dat één fout heeft geleid tot dit drama?
Dierverblijven in dierentuinen moeten beschikken over een adequate afscheiding die het uitbreken van dieren voorkomt en een veilige barrière tussen de dieren en het publiek vormt. Hierop wordt getoetst bij verlening van een dierentuinvergunning. Ik vind het belangrijk dat, wanneer een dier onverhoopt toch ontsnapt, geëvalueerd wordt waar het is misgegaan en wat verbeterd kan worden. Dierenpark Amersfoort neemt hierin haar verantwoordelijkheid en is een onafhankelijk onderzoek gestart.
Vindt u het in dit licht verantwoord om chimpansees in gevangenschap te houden en tentoon te stellen aan bezoekers?
Het betreft hier een bijzonder verdrietig maar ook uitzonderlijk incident. Het gaat te ver om naar aanleiding hiervan het tentoonstellen van chimpansees in dierentuinen te verbieden.
Vormt het incident voor u aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de huisvestingseisen voor dierentuindieren en de veiligheid in dierentuinen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben van mening dat er alles aan gedaan wordt om de veiligheid van mens en dier in dierentuinen te waarborgen. Bij het verlenen van een dierentuinvergunning wordt de huisvesting beoordeeld, waarbij nadrukkelijk naar veiligheid ten aanzien van mens en dier wordt gekeken. Ook is de veiligheid van dieren en mensen onderdeel van inspecties in de dierentuinen.
Deelt u de mening dat een dergelijke situatie, waarbij een in gevangenschap gehouden dier wordt gedood zodra hij een gevaar vormt voor het publiek, geen recht doet aan de intrinsieke waarde van het dier zoals omschreven in artikel 1.3 van de Wet dieren en kunt u dat toelichten?
Artikel 1.3 van de Wet dieren richt zich tot de overheid en creëert geen directe verplichting voor burgers. In het artikel wordt de intrinsieke waarde van dieren erkend en wordt de overheid verplicht om bij het stellen van regels bij of krachtens de Wet dieren ten volle rekening te houden met de gevolgen die deze regels hebben voor de intrinsieke waarde van het dier. Op grond van artikel 1.3 Wet dieren zijn in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren verplichtingen opgenomen voor houders die het welzijn van dieren beogen te beschermen, waaronder de eisen die in het Besluit houders van dieren worden gesteld aan de huisvesting van dierentuindieren. Indien wordt geconstateerd dat deze verplichtingen niet worden nagekomen, en dus het welzijn van dieren onnodig wordt benadeeld door houders, dan kan hiertegen opgetreden worden.
Wist u dat dergelijke gevaarlijke incidenten in dierentuinen wereldwijd veelvuldig voorkomen, zoals recent bijvoorbeeld in Zürich en in Madrid en vindt u dit een aanvaardbaar risico van het houden van dieren in gevangenschap?2 3
Wanneer dieren worden gehouden, is het belangrijk dat er goede voorzorgsmaatregelen worden genomen om ontsnappingen te voorkomen. Als een ontsnapping toch voorkomt, moet hier adequaat op gereageerd worden om gevaarlijke situaties te voorkomen. Daarom moeten dierentuinen in het bezit zijn van een noodprotocol. Hier wordt bij de vergunningverlening op getoetst. Dierenpark Amersfoort heeft het noodprotocol tijdens de ontsnapping gevolgd.
Vormt een dergelijk incident voor u aanleiding om het bestaansrecht van dierentuinen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het betreft hier een uitzonderlijk incident, terwijl dierentuinen een belangrijke maatschappelijke bijdrage leveren op het gebied van educatie en conservatie.
Bent u bereid een verbod in te stellen op het houden en tentoonstellen van chimpansees in dierentuinen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Het bericht ‘Beatrixziekenhuis dreigt zijn spoedeisende hulppost te verliezen’. |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Beatrixziekenhuis dreigt zijn spoedeisende hulppost te verliezen»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel. Het artikel beschrijft dat het Beatrixziekenhuis in Gorinchem dreigt de spoedeisende hulppost te verliezen en legt daarbij een relatie met de houtskoolschets acute zorg.
Ik heb me over de situatie in het Beatrixziekenhuis laten informeren door de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. Er blijkt geen sprake (van de noodzaak) van het sluiten van de spoedeisende hulp (SEH). Ook in het verleden is dit niet aan de orde geweest.
Ik onderschrijf dat toegankelijkheid tot de acute zorg van groot belang is.
De houtskoolschets acute zorg beschrijft een perspectief op een nieuwe inrichting en bekostiging van het acutezorglandschap. Het is bedoeld als een richtinggevend discussiedocument. De houtskoolschets bouwt op zes pijlers: het voorkomen van acute zorg, regionale zorgmeldkamers voor niet levensbedreigende acute zorg, meer acute zorg thuis, integrale spoedposten, hoogcomplexe of levensbedreigende acute zorg en traumacentra. Ik vind het van groot belang dat de uiteindelijke inrichting en bekostiging van het acutezorglandschap kan rekenen op draagvlak bij betrokkenen. Daarom is er een consultatietraject gestart. Alle betrokkenen en belangstellenden kunnen tot 1 januari aanstaande reageren. Nadat ik de reacties heb ontvangen zal ik die reacties bundelen, samenvatten en aanbieden aan uw Kamer. Ik streef ernaar dit voor het verkiezingsreces te doen. Daarna zal een aantal onderwerpen uit de houtskoolschets nader moeten worden verkend, onderbouwd en uitgewerkt. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld spoedposten. Dit zal samen met partijen gedaan worden die zijn betrokken bij de acute zorg. Definitieve besluitvorming is aan het nieuwe kabinet.
Deelt u de mening dat met het sluiten van een spoedeisende hulppost de functie van een ziekenhuis uitgehold wordt?
De houtskoolschets beschrijft dat uitsluitend de hoog-complexe acute zorg geconcentreerd zal worden om de beste kwaliteit te borgen. Het overgrote deel van de acute zorg kan nog steeds lokaal, dichtbij de patiënt, verleend worden. Het is dan ook niet per definitie de bedoeling dat er minder locaties komen waar acute zorg geleverd kan worden, het kan zelfs zijn dat er meer locaties met acute zorg komen. De precieze uitwerking volgt en besluitvorming hierover is aan het nieuwe kabinet.
Is het waar dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deze spoedeisende hulpposten wil opheffen net als bij 27 andere regionale ziekenhuizen? Kunt u uw standpunt toelichten?
Nee, dat is niet het geval. Er moet nog een groot aantal onderwerpen uit de houtskoolschets, zoals de invulling van integrale spoedposten, nader worden verkend, onderbouwd en uitgewerkt. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld spoedposten. Dit zal samen met partijen gedaan worden die zijn betrokken bij de acute zorg. Definitieve besluitvorming is aan het nieuwe kabinet.
Wat is uw reactie op de volgende opmerking van de burgemeester van Winterswijk: «Zeker nu in de coronacrisis heeft een lokaal ziekenhuis zijn dienst meer dan bewezen. Het levert bovendien een belangrijke bijdrage aan de aantrekkelijkheid van je stad of dorp. Het speelt een belangrijke sociaaleconomische rol»? Bent u het hiermee eens? Zo ja, vindt u de sluiting van deze spoedeisende hulppost logisch?
In alle ziekenhuizen wordt ontzettend hard gewerkt om zorg te verlenen aan alle COVID-19 patiënten en reguliere patiënten. De aantrekkelijkheid van een stad of dorp wordt door veel verschillende factoren bepaald. De nabijheid van bepaalde zorgvormen kan daarbij ook een rol spelen. Het is nog te vroeg om het beeld uit de houtskoolschets te vertalen voor concrete situaties. Diverse onderwerpen uit de houtskoolschets moeten eerst nader worden verkend, onderbouwd en uitgewerkt. Dat doe ik samen met partijen die betrokken zijn bij de acute zorg. De eerste stap is dat we zorgvuldig kijken naar de reacties die ik in het kader van de consultatie ontvang. Definitieve besluitvorming is aan het nieuwe kabinet.
Wat is uw reactie op de volgende opmerking van de burgemeester van Vijfheerenlanden: «Wij achten het een slechte ontwikkeling als het Beatrixziekenhuis in Gorinchem geen spoedeisende hulppost meer heeft. Voor een deel van onze inwoners ligt een alternatief ziekenhuis verder weg»?
Zie antwoord vraag 4.
Ligt het niet in de rede dat het Beatrixziekenhuis een volwaardig ziekenhuis blijft aangezien het een gevoelig ziekenhuis is waar acute verloskunde dient te worden aangeboden?2
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de coronacrisis heeft aangetoond dat voldoende ziekenhuiscapaciteit onmisbaar is?
Voldoende ziekenhuiscapaciteit is onmisbaar. Het is het van belang om de inrichting van de (acute) zorg toekomstbestendig te maken zodat we voor de toekomst de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van acute zorg voor iedereen kunnen garanderen.
Deelt u de mening dat de coronacrisis juist heeft aangetoond dat het van belang is om de spoedeisende hulp en andere ziekenhuiszorg op te bouwen en te versterken en dat deze zorg niet de afgebouwd en/of verzwakt moet worden?
Zie antwoord vraag 7.
Het beoogd VN-datacentrum in China |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «China uses the U.N. to Expand Its Surveillance Reach»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Verenigde Naties van plan is om een «Global Geospatial Knowledge and Innovation Center» en een «International Research Center of Big Data for Sustainable Development Goals» in China neer te zetten?
De Verenigde Naties (VN) hebben bevestigd dat er voorbereidingen worden getroffen voor het oprichten van een UN Global Geospatial Knowledge and Innovation Centre in Deqing, China. Daarnaast heeft de VN bevestigd dat in Hangzhou, eveneens in China, een regionale hub is gecreëerd ter ondersteuning van het VN Global Platform als onderdeel van de VN Global Working Group on Big Data. Naast de hub in Hangzhou zijn er regionale hubs gecreëerd in Rwanda, de Verenigde Arabische Emiraten en wordt er gewerkt aan een vierde hub in Brazilië.
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving?
Het kabinet ondersteunt het zorgvuldig gebruik van data en onderzoek dat kan bijdragen aan verbetering van het werk van de VN, de implementatie van de Sustainable Development Goals en de samenwerking tussen VN-lidstaten. Tegelijkertijd brengt het concentreren van wereldwijde datastromen over topografie, infrastructuur en menselijk gedrag in een enkel land mogelijk kwetsbaarheden met zich mee. Technologische ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van big data, spelen immers een rol in de machtsbalans tussen landen. Daarom acht het kabinet het van belang dat er duidelijke en controleerbare afspraken komen over de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens. Vooralsnog heeft het kabinet geen indicatie dat de data ook persoonsgegevens bevatten. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet.
Welke landen financieren de bouw van deze data-centra in China?
Het VN Geospatial Knowledge and Innovation Centre is een initiatief ontwikkeld door alle VN-lidstaten onder begeleiding van het VN Committee of Experts on Global Geospatial Information Management (UN-GGIM), dat valt onder ECOSOC. Het centrum wordt opgericht door het VN Department of Economic and Social Affairs (UNDESA).
De regionale hub die is gecreëerd ter ondersteuning van het VN Global Platform is onderdeel van de VN Global Working Group on Big Data. De VN Global Working Group on Big Data is een intergouvernementeel orgaan waaraan 30 landen en 16 internationale organisaties aan deelnemen, waaronder Nederland.
Is er contact geweest met de Verenigde Naties over de bouw van deze data-centra? Zo ja, heeft de Verenigde Naties de berichtgeving bevestigd? Zo nee, kunt u de Verenigde Naties om toelichting vragen?
Ja, zie antwoord op vraag 2.
Zou u deze vragen voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken willen beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat in Groningen minder stemlokalen worden ingericht |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de gemeente Groningen van plan is minder stemlokalen in te richten?1
Tussen 19 oktober en 13 november is er in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een peiling uitgevoerd naar het verwachte aantal stemlokalen voor de aankomende Tweede Kamerverkiezing per gemeente. De peiling is verstuurd aan alle gemeenten en 316 daarvan hebben de peiling ingevuld. De uitkomsten van de peiling is als bijlage aan deze beantwoording toegevoegd. 2
De peiling geeft een eerste beeld naar het aantal voorziene stemlocaties in gemeenten. Daarbij plaats ik nadrukkelijk de kanttekening dat in veel gemeenten het inventarisatieproces naar geschikte stemlocaties nog volop in gang is en dat uit contacten met gemeenten blijkt dat de peiling op verschillende wijze is ingevuld. Deze resultaten zijn dus een momentopname van hoe gemeenten er voorstaan in het zoeken van stemlocaties en er veranderen nog voortdurend zaken. Ik ben voornemens de peiling in januari te herhalen.
Uit de peiling blijkt dat tijdens de Tweede Kamerverkiezing van 2021 64 gemeenten voorzien dat zij meer stemlokalen in kunnen richten dan tijdens de Tweede Kamerverkiezing van 2017. Ook voorzien 80 gemeenten dat zij evenveel stemlokalen instellen tijdens de aankomende Tweede Kamerverkiezing.
Daarnaast hebben 121 gemeenten aangegeven dat het nog onbekend is hoeveel stemlokalen zij tijdens de aankomende Tweede Kamerverkiezing gaan inrichten.
Uit deze peiling blijkt voorlopig dat 51 gemeenten, waaronder de gemeente Groningen, op dit moment minder stemlokalen verwachten bij de aankomende Tweede Kamerverkiezing.
De gemeente Groningen is voornemens tijdens de aankomende Tweede Kamerverkiezing 145 stembureaus op 120 locaties in te richten. Tijdens de Provinciale Statenverkiezingen waren dat er 150 op 143 locaties. Hiermee heeft gemeente Groningen in vergelijking met andere gemeenten van dezelfde omvang overigens gemiddeld een relatief laag aantal kiesgerechtigden per stemlokaal.
Bent u bereid met de gemeente in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat in de gemeente niet minder maar méér stemlokalen worden ingericht, zoals de aangenomen motie-Van Raak vraagt?2
Zoals uitgesproken in uw Kamer, heb ik de ambitie dat het aantal stemlokalen voor de aankomende Tweede Kamerverkiezing minimaal op peil blijft. Dat sluit ook aan bij de door uw Kamer aangenomen motie-Van Raak.
Om alle gemeenten nogmaals te wijzen op het belang hiervan heb ik hen een brief gestuurd waarin ik de resultaten van de peiling met hen deel. Daarbij plaats ik ook de kanttekening dat de peiling slechts een momentopname is en dat de situatie in gemeenten inmiddels kan zijn veranderd. Gemeenten bied ik ondersteuning aan middels het door mij ingestelde Ondersteuningsteam stemlokalen. Dit ondersteuningsteam probeert landelijk afspraken te maken over het aanbod aan gebouwen en deze, waar mogelijk, te koppelen aan de gemeenten. De brief is toegevoegd aan de beantwoording van deze Kamervragen.
Bent u bereid de gemeente erop te wijzen dat ook in buurten en wijken rondom het centrum meer stembureaus moeten komen en dat het niet voldoende is vooral locaties te clusteren? Zo nee, waarom niet?
Uit de eerdergenoemde peiling blijkt dat verschillende gemeenten nu kiezen voor grote locaties. In mijn brief aan uw Kamer van 30 oktober jl. schreef ik al dat ik het niet onmogelijk wil maken voor gemeenten om gebruik te maken van grote stem- en tellocaties.4 Wel ben ik mij ervan bewust dat dit tot gevolg kan hebben dat de spreiding van de stembureaus in de gemeenten minder zal zijn. Dat vind ik niet wenselijk. Daarom heb ik in de brief aan de colleges van burgemeester en wethouders aangegeven dat stemlokalen met daarin één of meerdere stembureaus, als gevolg kunnen hebben dat de verkiezingen minder toegankelijk zijn, omdat kiezers een grotere afstand naar het stemlokaal moeten afleggen. Ik vraag de colleges daarom om daarmee rekening te houden en te kijken of zij, al dan niet met hulp van het ondersteuningsteam, nog extra geschikte stemlocaties kunnen vinden.
Deelt u mijn zorg dat meer gemeenten zullen kiezen voor meer grote locaties en dat hiermee de spreiding van stembureaus onder druk komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De investeringsaftrek voor windenergie op zee |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Investeringsaftrek offshore gas met terugwerkende kracht al dit jaar omhoog»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de windenergiesector een veelbelovende sector is en het plaatsen van genoeg windparken op zee essentieel is voor het slagen van de energietransitie? Deelt u de mening dat daarom het investeren in windparken op zee zeer aantrekkelijk moet worden gemaakt?
Windenergie op zee is een belangrijke pijler van de energietransitie. Met de huidige routekaart windenergie op zee 2030 zal de opgestelde capaciteit groeien naar circa 11 GW in 2030, wat goed is voor circa 40% van ons huidige elektriciteitsverbruik. Ook voor de verdere verduurzamingsopgave richting 2050 zal windenergie op zee een belangrijke rol spelen.
In mijn Kamerbrief van 26 mei (Kamerstuk 33 561 nr. 51) heb ik aangegeven dat een solide businesscase voor windenergie op zee een absolute randvoorwaarde is voor succesvolle verdere uitrol. In dezelfde brief heb ik aangekondigd een bredere brief te sturen over de toekomstige uitrol van windenergie op zee. Ik verwacht deze brief op korte termijn aan uw Kamer te sturen. In deze brief zal ik uitgebreid ingaan op het belang van een rendabele businesscase voor deze projecten om ook de verdere groei van windenergie op zee subsidievrij te houden.
Deelt u de analyse dat de vraag naar aardgas de komende decennia daarentegen sterk omlaag zal gaan en dit in feite een krimpende sector is?
In de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050 zal de rol van aardgas steeds kleiner worden. Dat betekent dat de betreffende sector zal krimpen, maar niet dat deze onbelangrijk zal zijn de komende decennia. Zolang er nog onvoldoende duurzame alternatieven zijn, is aardgas in de transitiefase van essentieel belang voor onze energievoorziening. Onder meer gelet op de milieueffecten geeft het kabinet de voorkeur aan gaswinning uit eigen bodem zolang aardgas nog nodig is en daar waar het veilig en verantwoord mogelijk is.
Geldt voor windprojecten op zee ook een investeringsaftrek?
De investeringsaftrek geldt alleen voor aardolie- en aardgasprojecten en niet voor windenergie-op-zee-projecten. De investeringsaftrek is onderdeel van de Mijnbouwwet. Deze kan gebruikt worden bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor het winstaandeel dat op grond van artikel 65 van de Mijnbouwwet wordt geheven van mijnbouwondernemingen die een vergunning hebben voor de winning van aardolie of aardgas. De investeringsaftrek is dus een korting op de additionele winstheffing die partijen die aardolie en aardgas winnen, moeten betalen aan de Staat, naast de vennootschapsbelasting. Partijen die windenergie-op-zee-projecten ontwikkelen en/of exploiteren betalen niet een dergelijke extra winstheffing. Een korting op een niet bestaande heffing is uiteraard niet mogelijk en daarom kan ook geen inschatting worden gegeven van het effect ervan.
Desalniettemin vind ik het van belang om de businesscase voor windenergie-op-zee-projecten rendabel te houden. De overheid doet in de huidige aanpak van windenergie op zee veel om risico’s voor deze projecten te verkleinen en daarmee investeren in windenergie op zee aantrekkelijk te maken. Zo worden alle voorbereidingen voor het windpark (locatiestudies en vergunningen) en de netaansluiting door de overheid geregeld. De praktijk laat zien dat dit leidt tot een aantrekkelijk investeringsklimaat. De tenders voor windenergie op zee zijn sinds enkele jaren – als een van de eerste plekken in de wereld – zonder subsidie succesvol.
Begin dit jaar heeft onderzoeksbureau Afry in mijn opdracht onderzoek gedaan naar hoe windenergie op zee ook in de toekomst rendabel kan blijven (Kamerstuk 33 561, nr. 51). De belangrijkste aanbevelingen in dit rapport zagen op het goed verbinden van nieuwe vraag naar elektriciteit en nieuw aanbod van windenergie op zee in de toekomst. In de eerder genoemde brief over de toekomstige uitrol van windenergie op zee zal ik aangeven welke acties in gang worden gezet om de aanpak rondom windenergie op zee toekomstbestendig te maken zodat de verdere uitrol van windenergie op zee goed aansluit op de vraag en investeren in windenergie op zee aantrekkelijk blijft.
Bent u van plan om windprojecten op zee ook gebruik te laten maken van deze (verhoogde) investeringsaftrek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat naar schatting het effect op de kostprijs van windprojecten op zee zou zijn als ook zij gebruik kunnen maken van deze verhoogde investeringsaftrek?
Zie antwoord vraag 4.
Het nieuws dat de controle op visvangst in de Nederlandse havens tekortschiet |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Brussel: controle op visvangst in Nederlandse havens deugt niet» en «Europese Commissie: controle op visvangst in Nederlandse havens deugt niet»?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuws dat de controle en inspectie van de wegingen, het transport en de traceerbaarheid van de vis en de vangstregistratie in Nederlandse havens tekortschieten?
De tekortkomingen die door de Europese Commissie zijn geconstateerd rondom de controle en inspectie van wegingen, transport, registratie en traceerbaarheid van vis neem ik zeer serieus. De Nederlandse invulling van risico-gebaseerde controle, handhaving en inspectie, wordt door de Europese Commissie als onvoldoende beoordeeld. De geconstateerde punten in de ingebrekestelling zien op zowel onvolkomenheden in het steekproef- en controleplan als op de beschikbare capaciteit bij de NVWA hiervoor. Als gevolg van deze ingebrekestelling zal het steekproef- en controleplan aangescherpt worden en zal de capaciteit bij de NVWA uitgebreid worden om op een goede manier invulling te geven aan de Europese verplichtingen ten aanzien van de controle en handhaving op het wegen, transport en traceerbaarheid van vis.
Bent u bereid om de betreffende brief van de Europese Commissie spoedig te delen met de Kamer?
Nee, het gaat hier om een juridische procedure tussen de Europese Commissie en de Nederlandse regering. Een dergelijke procedure is vertrouwelijk van aard. Alle correspondentie die hierover tussen de Nederlandse regering en de Europese Commissie wordt gewisseld kan dan ook niet naar buiten worden gebracht.
Erkent u dat er verbeteringen noodzakelijk zijn bij de controle op de Nederlandse visvangst, duurzaam visserijbeheer en het tegengaan van overbevissing en stroperij? Zo ja, hoe wenst u die verbeteringen door te voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u aan tegen de bevindingen van Deloitte, dat in opdracht van uw ministerie onder meer concludeerde dat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) onvoldoende capaciteit heeft om afdoende te kunnen handhaven op het domein Vis duurzaamheid?3
In mijn reactie op de bevindingen van Deloitte (Kamerstuk 33 835, nr. 171) heb ik aangegeven dat voor het domein Vis Duurzaamheid de beschikbare capaciteit voor de NVWA niet toereikend is voor het uitvoeren van haar taken op dit domein.
Verwacht u op basis van de conclusies van de rapportage van Deloitte dat u de capaciteitsproblemen bij de NVWA het hoofd kunt bieden en waarom heeft u ervoor gekozen om geen nieuwe middelen voor personele kosten vrij te maken in de rijksbegroting?
Dat is wel mijn inzet. Ik zal zoeken naar een structurele oplossing om de capaciteitsproblemen bij de NVWA aan te pakken.
Hoe groot schat u de kans in dat er ten aanzien van het toezicht op visserij in gesloten gebieden tevens risico's op basis van de voedselveiligheid zijn, zoals Deloitte constateert, en bent u bereid om de potentiële risico's snel in kaart te brengen?
Het sluiten van gebieden voor de visserij is bedoeld om bepaalde voedselveiligheidsrisico’s te voorkomen, met name de vangst van paling en wolhandkrab in gebieden die sterk verontreinigd zijn met dioxinen en PCB’s. Als het toezicht op de vangstverbod in deze gebieden niet optimaal is, zijn voedselveiligheidsrisico’s niet uit te sluiten. De NVWA is op dit moment bezig met het opstellen van een Integrale Ketenanalyse van de visketen, waarin onder andere de voedselveiligheidsrisico’s in de visketen in kaart worden gebracht. Overigens ziet de constatering van Deloitte op de binnenvisserij en staat deze los van de controle op visvangst in de Nederlandse havens waarop de brief van de Europese Commissie betrekking heeft.
Welke sancties kan Nederland volgens u tegemoetzien op basis van de huidige tekortkomingen?
Mijn inzet is erop gericht om aan de kritiekpunten van de Europese Commissie te voldoen teneinde verdere stappen van de Europese Commissie in deze ingebrekestelling te voorkomen. De Europese Commissie heeft de mogelijkheid om in een latere fase van de procedure naar het Europese Hof te stappen indien zij van mening blijft dat Nederland zijn verplichtingen niet nakomt. In dat kader beschikt het Europese Hof over de mogelijkheid om een boete en/of een dwangsom op te leggen.
Heeft u eerder waarschuwingen van de Europese Commissie ontvangen als het gaat om de controle en handhaving van visvangst in Nederland?
De Europese Commissie heeft in mei vorig jaar in Nederland een audit uitgevoerd naar het toezicht op wegen, het transport, de traceerbaarheid en de registratie van vis. In deze audit werden door de Europese Commissie tekortkomingen geconstateerd in de controle en handhaving van verplichtingen met betrekking tot onder andere het wegen van vis. Naar aanleiding hiervan is met de Europese Commissie gesproken over verbeteringen. Voor de Europese Commissie was dit echter niet voldoende en daarop heeft de Commissie besloten tot een ingebrekestelling.
Bent u bekend met de brief van 19 december 2019 van de gemeente Horst aan de Maas over geothermie in Noord- en Midden-Limburg?
Ja.
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Aardwarmteproject nabij Venlo nu niet hervat»?1
Ja.
Bent u bekend met de kansen die geothermie biedt voor een duurzame energievoorziening in de regio Noord- en Midden-Limburg? Kunt u dit toelichten?
Ik zie de toepassing van geothermie als een belangrijke optie in de verduurzaming van de warmtevraag. Mijn beleid is er daarom ook op gericht om de toepassing van geothermie te versterken en te versnellen zoals ik heb aangegeven in mijn brieven aan uw Kamer van 8 februari 2018 (Kamerstuk 31 239, nr. 282) en van 28 mei 2020 (Kamerstuk 31 239, nr. 320). De provincie Limburg heeft aangegeven dat ook zij geothermie als belangrijk optie ziet voor de toekomstige warmtevoorziening voor zowel de glastuinbouw als de gebouwde omgeving.
Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat geothermie alleen toegepast kan en mag worden als het ook veilig kan. Door de natuurlijke spanningen op de breuken van de Roerdalslenk en de daaruit voortkomende seismiciteit in Limburg brengt het toepassen van geothermie nabij deze breuken mogelijk onaanvaardbare risico’s met zich mee. Omdat we nog niet in staat zijn deze risico’s goed te kwantificeren, adviseert SodM mij vooralsnog geen geothermie nabij deze breuken toe te staan. Wel ben ik aan het inventariseren welke onderzoeksinspanning nodig is om geothermie binnen dit gebied op grotere afstand van breuken toch mogelijk te maken.
Wat vindt u ervan dat bestaande geothermische bronnen eerder zijn stilgezet vanwege de mogelijke relatie met seismische activiteiten in de bodem, terwijl er na onderzoek geen eenduidig vast te stellen oorzaak hiervan te vinden is?
In dit gebied waren twee geothermie projecten actief. Dit betroffen CWG en CLG. Bij de productie van eerstgenoemde zijn diverse bevingen geconstateerd waarop de winning is beëindigd. Bij CLG is tussen SodM en CLG afgesproken dat de winning gestaakt zou worden als een beving bij dit systeem zou worden gesignaleerd. Helaas is die beving gesignaleerd (in augustus 2018). Daarop is de winning stilgelegd door de operator. Vervolgens zijn er naschokken gesignaleerd die groter waren dan van te voren als maximum berekend was. De oorzaak van die zwaardere naschokken is niet met 100% zekerheid vast te stellen. Echter, de serie aardbevingen zijn ruimtelijk en in de tijd te relateren aan de productie van aardwarmte bij de genoemde systemen. De winning kan wat mij betreft alleen plaatsvinden als die veilig is. Ik sta daarom achter het besluit om de winning in deze gevallen stil te leggen.
Wat was de rolverdeling tussen het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) bij dit project? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
SodM is allereerst toezichthouder en daarnaast adviseur in het vergunningsverleningsproces, waaronder ook bij het winningsplan. Mijn ministerie is enerzijds bevoegd gezag voor de vergunningverlening met betrekking tot mijnbouw en anderzijds verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het gebied van mijnbouw.
Het geothermie systeem van CLG is in 2017 opgestart met een langlopende put-test (extended well-test). Op dat moment was CLG in het bezit van een winningsvergunning, maar nog niet in het bezit van een instemming op het winningsplan (waarin de risico’s van winning zijn beschreven). Door de toezichthouder (SodM) is toegezien op de extended well-test. In juli 2018 is de extended well-test door de toezichthouder geëvalueerd. Op basis van de evaluatie heeft SodM toestemming gegeven om onder voorwaarden over te gaan naar de winningsfase zonder dat CLG in het bezit was van een ingestemd winningsplan.
De voorwaarden voor winning zonder winningsplan waren – onder andere – een door SodM goedgekeurde seismische risicoanalyse en de daarbij behorende risicobeheersmaatregelen. Totdat aan deze voorwaarden was voldaan, mocht CLG toch opstarten van SodM onder de aanvullende voorwaarde dat iedere beving in de nabijheid van CLG zou leiden tot stilleggen van de productie.
In augustus 2018 is na een beving op basis van de gestelde voorwaarden en in overleg met SodM de winning van aardwarmte door CLG stilgelegd.
SodM heeft vervolgens CLG verzocht om – op basis van de voorwaarde – een seismische risicoanalyse met risicobeheersmaatregelen aan te leveren. Deze zijn in april 2019 aan SodM voorgelegd en in juni 2019 door SodM als onvoldoende beoordeeld. Hervatten van de winning zonder winningsplan werd hierdoor voor CLG onmogelijk.
In april 2019 is door mijn ministerie gestart om alle 21 reeds actieve geothermieprojecten in Nederland van een besluit op het ingediende winningsplan te voorzien. Ook CLG – dat al buiten productie was – heeft daarbij een verzoek tot instemming met het winningsplan ingediend. In de procedure wordt SodM gevraagd advies te leveren op het winningsplan ten aanzien van veiligheid en milieu. Hier heeft SodM dus de rol als adviseur.
Mijn departement stelt momenteel een weigeringsbesluit op, op basis van o.a. de adviezen van SodM, maar ook van TNO, de Mijnraad, decentrale overheden en de Technische Commissie Bodembeweging.
Kunt u aan SodM opdracht verstrekken voor het uitvoeren van een gedegen onderzoek bij Californië Lipzig Gielen Geothermie (CLG) en Californië Wijnen Geothermie (CWG) om zo voldoende data te genereren? Op welke termijn zou u dit kunnen doen?
SodM heeft als taak toezicht en advies en niet de taak van onderzoeksinstelling. Binnen verschillende onderzoeksprogramma’s zowel in Nederland als wereldwijd wordt gekeken naar de risico’s van geothermie in en nabij gespannen breuken. Dit zijn complexe onderzoeken die tijd kosten, mede door het gebrek aan data over de relatie tussen de operationele parameters van productie/injectie, spanningen in de ondergrond en bevingen. Experimenten waarbij mogelijk weer bevingen ontstaan, zijn niet de weg voorwaarts. Een situatie zoals ontstaan na de beving in 1991 in Roermond, kunnen wij ons niet veroorloven. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik geothermie alleen zal toestaan als het veilig kan en de risico’s voor omwonenden aanvaardbaar en beheersbaar zijn. Ik kan dat in dit gebied nabij breuken met een voorspanning op basis van de nu beschikbare kennis niet garanderen. Ik vind een pilotproject daarom geen goed idee.
Vindt u het een goed idee om de regio Noord- en Midden-Limburg uit te roepen tot een pilotgebied voor onderzoek naar geothermische activiteiten in breuklijnen? Zo ja, op welke termijn kunt u dit uitvoeren, en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘27.000 statushouders moeten volgend jaar huis krijgen’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «27.000 statushouders moeten volgend jaar huis krijgen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de taakstelling om 27.000 statushouders te huisvesten heel ingewikkeld is voor veel gemeenten?
Ja, die zorg deel ik. Met name omdat de taakstelling voor 2021 substantieel hoger is dan de taakstelling van 13.000 van afgelopen jaar. Deze hoge taakstelling stelt gemeenten voor een enorme huisvestingsopgave in een moeilijke tijd vanwege bestaande woningtekorten. Aan de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie (LRT) van 28 oktober jongstleden heb ik daarom samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal overleg (IPO) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) besproken hoe gemeenten geholpen kunnen worden om deze piek zo goed mogelijk op te vangen. In een brief van de LRT van 3 november jongstleden, zijn ondersteuningsmaatregelen aangekondigd die gemeenten moeten helpen bij het halen van deze forse taakstelling.
Wat is het effect op de wachtlijsten voor sociale huurwoningen als (een groot deel van) die 27.000 statushouders worden gehuisvest in sociale huurwoningen? Hoe waarschijnlijk is dit zonder extra maatregelen?
Wat precies het effect is van de komende taakstelling op de wachtlijsten voor de sociale huurwoningen is mij niet bekend, maar duidelijk is dat bij een gelijkblijvend aanbod en een toenemende vraag, de druk toeneemt. Nog belangrijker dan de toewijzing van woningen is daarom de beschikbaarheid van voldoende woningen. Door veel partijen wordt daarom gezamenlijk hard gewerkt om het aanbod te vergroten. Daarbij is het van belang te zorgen voor meer flexibiliteit op de woningmarkt en betere aansluiting met de asielopvang te creëren. Het kabinet heeft daarom al eerder 3 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een tiental pilots waarbij wordt geëxperimenteerd met flexibele opvang- en/of huisvestingsoplossingen. Te denken valt aan het tijdelijk en gemixt huisvesten van verschillende doelgroepen alsook het aanbieden van opvangoplossingen in de buurt van de gemeente van uitplaatsing. De eerste pilots zijn gestart (zie ook het antwoord op vraag 5).
Eveneens wijs ik op het beschikbaar stellen van 50 miljoen euro voor 2020 als stimulans voor de bouw van (flexibele) huisvesting voor kwetsbare groepen. Deze woningen kunnen doorgaans snel geplaatst worden, doordat een impuls wordt gegeven aan concrete projecten die snel te realiseren zijn. Een deel van deze projecten voorziet ook in de huisvesting van statushouders. In 2021 zal het Kabinet nogmaals 50 miljoen euro vrijmaken voor de huisvesting van kwetsbare groepen.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat tijdige huisvesting niet alleen in het belang van statushouders is, maar ook in het belang van de Nederlandse samenleving. Dan kunnen zij tenslotte sneller participeren in en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Bovendien zorgt een snelle doorstroom naar huisvesting ervoor dat de maatschappelijke impact en financiële kosten die gepaard gaan met de opvang van asielzoekers beperkt worden gehouden.
Deelt u de mening dat gemeenten ook aan hun taakstelling voldoen als (een groot deel van) die 27.000 statushouders worden gehuisvest in sobere tijdelijke huisvesting?
Gemeenten zoeken veelal in samenwerking met corporaties naar passende woonruimte voor verschillende doelgroepen in de gemeente, ook voor asielzoekers waarvan is bepaald dat zij verblijfsrecht in Nederland hebben. Dat kunnen sociale huurwoningen zijn, maar gemeenten kunnen er ook voor kiezen om bepaalde doelgroepen op een andere wijze te huisvesten, zoals in verbouwde kantoren of zorgvastgoed, in verplaatsbare woningen of in een gemengd wonen project. Als statushouders op deze manieren worden gehuisvest, telt dat gewoon mee in het behalen van de taakstelling.
Hoe lopen de pilots tijdelijke huisvesting statushouders in Rotterdam, Haarlemmermeer en Castricum?
De projecten bevinden zich in verschillende stadia van planvorming en voorbereiding. De belangrijkste knelpunten, die naar voren komen in de pilots zijn de rendabiliteit van de business case en het vormgeven van burgerparticipatie op een efficiënte, maar gedegen wijze.
Bent u bereid om meer pilots in gemeenten te starten, om te voorkomen dat volgend jaar (grote) problemen ontstaan bij het huisvesten van statushouders?
Ja. Ik zal voor volgend jaar binnen de extra middelen voor de huisvesting van kwetsbare groepen € 3 miljoen beschikbaar stellen voor voorbeeldprojecten die voorzien in de flexibele huisvesting van vergunninghouders en andere doelgroepen. Vereisten daarbij zijn dat gemeenten deze projecten snel realiseren en dat ze grotendeels bestemd zijn voor statushouders. Hiermee bouwen we verder op de bestaande pilots, maar sluiten we ook aan bij de vraagstukken en mogelijkheden van gemeenten en bij de ervaringen die reeds in de praktijk zijn opgedaan.
Hoe lang duurt het gemiddeld tot tijdelijke woningen of flexwoningen kunnen worden geplaatst?
Hoe lang het duurt voordat met de bouw/plaatsing van flexwoningen kan worden gestart, is mede afhankelijk van de vraag of het project voldoet aan het geldende bestemmingsplan. Indien dat het geval is, kan een vergunning sowieso binnen 8 weken worden verleend en in werking treden. Als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, duurt de procedure om tot vergunningverlening te komen in principe zes maanden. De fase voorafgaand aan de indiening, de planontwikkeling, van een aanvraag neemt vaak de meeste tijd in beslag, blijkt uit het onderzoek De bouw van tijdelijke woningenvan het Expertisecentrum Flexwonen2, onder meer vanwege ambtelijke voorbereiding en afstemming, onderzoek en participatie. Veruit de meeste projecten voor tijdelijke en flexibele woningbouw worden ondanks een soms lange planvormingsfase nog steeds sneller gerealiseerd dan reguliere woningbouw.
Welke maatregelen ziet u om procedures voor het plaatsen van tijdelijke woningen of flexwoningen te versnellen?
Via zogeheten Versnellingskamers Flexwonen bied ik gemeenten actief ondersteuning aan bij het verkorten van de planfase. Gemeenten doen hier ook steeds vaker een beroep op.
Daarnaast is het op grond van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (de zo wel genoemde kruimellijst) al mogelijk gemaakt om voor transformaties van bijvoorbeeld kantoren naar wonen, vergunningen voor de afwijking van het bestemmingsplan met de reguliere procedure (binnen acht weken) te verlenen. Dat geldt ook voor tijdelijke nieuwbouw in afwijking van het bestemmingsplan met een duur van maximaal tien jaar.
Een beperking in die mogelijkheid geldt echter voor projecten waarvoor beoordeeld moet worden of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een zogenoemd stedelijk ontwikkelingsproject. Ook als is geoordeeld dat voor zo’n project geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt, geldt toch dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure (zes maanden) moet worden toegepast.
Via de Crisis- en herstelwet is al een experiment mogelijk gemaakt om aanvullend de reguliere procedure toe te passen. Maar ook daar is er de beperking dat alleen projecten voor aanwijzing in aanmerking kunnen komen, als van te voren al duidelijk is dat daarvoor geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Om de aanwijzing van projecten verder te kunnen verruimen, zal ik de regeling van dit experiment zo aanpassen dat voor aangewezen projecten alleen de uitgebreide procedure hoeft te worden toegepast als wordt vastgesteld dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Omdat na deze wijziging uit het experiment zelf voortvloeit dat de uitgebreide procedure moet worden toegepast als een milieueffectrapport opgesteld moet worden, ontstaat er een veel ruimere mogelijkheid projecten hiervoor aan te wijzen. En omdat voor het merendeel van de projecten geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, zal de reguliere procedure daardoor ook veel vaker van toepassing kunnen zijn. Ik zal hiertoe op korte termijn een wijziging meenemen in de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, opdat deze mogelijkheid ook optimaal benut kan worden voor de bouw van (tijdelijke of flexibele) woningen.
Bent u bereid om voor het einde van het jaar met spoedwetgeving te komen, bijvoorbeeld onder de Crisis-en herstelwet, om tijdelijke woningen of flexwoningen bijvoorbeeld binnen 6 maanden te kunnen plaatsen en om te voorkomen dat volgend jaar (grote) problemen ontstaan bij het huisvesten van statushouders?
Met de hierboven beschreven wijziging in de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, is er geen aparte spoedwetgeving nodig om tijdelijke woningen of flexwoningen binnen 6 maanden te kunnen plaatsen en geef ik eveneens invulling aan de aangenomen motie van de leden Koerhuis en Terpstra3, ingediend tijdens het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte van 9 november jl.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte?
Gegeven de beperkte tijdspanne is dat niet gelukt.
Het bericht 'Docenten Emmauscollege bedreigd om spotprent na aandacht voor moord op Samuel Paty' |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bedreiging van docenten van het Rotterdamse Emmauscollege nadat een spotprent in de klas werd opgehangen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bedreigingen van de docenten van het Rotterdamse Emmauscollege?
Het is volstrekt onacceptabel dat een leraar is geïntimideerd en bedreigd omdat hij de waarde van het vrije woord wil overbrengen op zijn leerlingen. Ik ben ontsteld dat dit in Nederland kan gebeuren en leef erg mee met de bedreigde leraar. De bedreigingen hebben vanzelfsprekend een enorme impact op deze school en in het bijzonder op de leraar die het betreft.
Bedreigingen als deze raken de samenleving als geheel. Leraren zullen zich afvragen of zij nog wel in vrijheid en veiligheid les kunnen geven op de manier zoals zij willen. Op momenten dat de vrijheid en veiligheid van leraren onder druk komt te staan is het van groot belang om hen te steunen en met elkaar pal achter de vrijheid van meningsuiting te gaan staan. Ik heb dan ook direct persoonlijk contact gezocht met het Emmauscollege en de betreffende leraar, om mijn steun en medeleven over te brengen en om er zeker van te zijn dat zij alle benodigde hulp krijgen. Dat is gelukkig het geval.
Eerder deze week heb ik naar aanleiding van de verschrikkelijke aanslag in Frankrijk samen met mijn collega Van Engelshoven scholen opgeroepen aandacht te besteden aan de vrijheid van meningsuiting. Scholen hebben hier in groten getale gehoor aan gegeven. Op 4 november jl. hebben wij ook in een brief aan uw Kamer gereageerd op deze aanslag en op de impact hiervan op het onderwijs in Nederland.2
Is er inmiddels aangifte gedaan van de bedreigingen?
Ja. Het is ook belangrijk dat dit is gebeurd. De politie, de Inspectie van het Onderwijs (inspectie) en een ondersteuningsteam van de Stichting School en Veiligheid (SSV) zijn nauw betrokken bij de situatie. Alles wordt in het werk gesteld om de veiligheid van alle betrokkenen te garanderen en hen zo goed mogelijk te helpen bij deze situatie.
Zijn er recent meer voorbeelden bekend van bedreigingen van docenten na bijvoorbeeld het tonen van spotprenten?
Naast de situatie in Rotterdam heeft zich recent ook in Den Bosch een incident voorgedaan. Hier zijn vergelijkbare maatregelen genomen en ook hier zijn de politie, de inspectie en SSV betrokken. Ook met deze school en leraar heb ik persoonlijk contact opgenomen. Er zijn op het moment van schrijven geen vergelijkbare incidenten bekend bij mij, de SSV of de VO-raad.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om te waarborgen dat docenten op een veilige manier hun les kunnen geven en de vrijheid hebben om gewoon spotprenten in hun lessen te tonen en maatschappelijke problemen te kunnen bespreken?
Leraren moeten in volledige vrijheid en veiligheid hun werk kunnen doen. Daarbij horen autonome keuzes van de leerkracht aangaande de meest passende vorm om maatschappelijke thema’s te bespreken. Elke vorm van intimidatie en bedreiging vanwege een gekozen lesvorm is te allen tijde onacceptabel. Juist wanneer het onderwerpen betreft die gevoelig kunnen liggen is het noodzakelijk om deze bespreekbaar te maken in de klas. Door het verzorgen van goed burgerschapsonderwijs kunnen bepaalde kwesties in een maatschappelijke en rechtstatelijke context worden geplaatst en leren leerlingen omgaan met andere perspectieven en meningen. Daarbij leren zij ook respect te hebben voor meningen en uitingsvormen die hen onwelgevallig zijn, of zelfs kwetsend kunnen zijn. Leraren worden op diverse wijze ondersteund om zulke gesprekken te voeren. Voor de maatregelen en de ondersteuningsstructuur verwijs ik naar de brief van 4 november.
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de veiligheid van leraren. Als de veiligheid in het geding dreigt te komen is het van belang dat het bevoegd gezag de politie hiervan zo snel mogelijk op de hoogte stelt, zodat gepaste maatregelen genomen kunnen worden. Het is daarnaast raadzaam om SSV en de inspectie in te schakelen om de school te ondersteunen bij het omgaan met een dergelijke situatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg «Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs» van 9 november 2020?
Ja.