Het feit dat Transavia reizigers straft die het reisadvies willen volgen |
|
Jan Paternotte (D66), Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat een consument door het huidige omboekingsbeleid van Transavia tot wel € 35 per enkele reis kwijt kan zijn voor het omboeken van een vlucht?
Ja.
Klopt het dat deze omboekingskosten alleen voorkomen kunnen worden door voorafgaand aan de vlucht een pakket te boeken (hetFlex-pakket) voor € 9 per vlucht, maar dat deze mogelijkheid alleen bestaat voor vluchten die zijn geboekt na 8 oktober 2020?
Nee, Transavia biedt passagiers de mogelijkheid om bovenop het basistarief een zogenaamd Plus- of Max-pakket aan te schaffen. Dit was ook al voor de uitbraak van COVID-19 mogelijk. Beide opties geven passagiers de mogelijkheid om respectievelijk 14 dagen en 2 uur voor vertrek om te boeken zonder omboekingskosten te betalen. Sinds 8 oktober 2020 is daar het Flex-pakket aan toegevoegd.
Klopt het dat het reisadvies vóór oktober 2020 voor een significant aantal landen nog geel was en dat het boeken van reizen daarmee niet werd afgeraden? Klopt het dan ook dat een consument die vóór 8 oktober 2020 een vlucht boekte naar een land met een geel reisadvies dat vervolgens wijzigde naar oranje, deze € 35 aan omboekingskosten volledig moet betalen aan Transavia?
Al sinds het begin van de coronacrisis kunnen de wijzigingen in reisadviezen elkaar snel opvolgen vanwege de epidemiologische ontwikkelingen in het buitenland. In de periode voor oktober 2020 gold voor ongeveer 70 Schiphol-bestemmingen een geel reisadvies, zie Tabel 1. Voor het overgrote merendeel van de bestemmingen was het reisadvies oranje.
17-09-2020
24-09-2020
1-10-2020
Geel
77
66
70
Oranje
323
335
331
Rood
4
3
4
404
404
405
Begin november heeft het kabinet aangegeven te willen voorkomen dat mensen die terugkomen uit het buitenland, het virus mee naar huis nemen. Daarom heeft het kabinet de dringende oproep gedaan om geen buitenlandse reizen te boeken en te maken – tenzij strikt noodzakelijk. Per december 2020 geldt de facto voor alle landen een oranje reisadvies. Begin van dit jaar heeft het kabinet die oproep verder aangescherpt. De aangescherpte oproep – blijf in Nederland, ga niet op reis en reis alleen naar het buitenland bij ernstige familieomstandigheden of voor werk dat echt niet uitgesteld kan worden en waarbij fysieke aanwezigheid nodig is – loopt tot eind maart. Daarnaast geldt: boek geen reizen voor de periode tot en met 31 maart; of daarna weer naar het buitenland kan worden gereisd is nog niet bekend; en het boeken van een reis is een risico.
Wanneer een passagier besluit om een vlucht niet te maken, bijvoorbeeld omdat het reisadvies veranderd is, dan zijn diens rechten en plichten primair afhankelijk van het type vliegticket en de bijbehorende vervoersvoorwaarden. Zie verder antwoord 2.
Naast de consumenten hebben ook de luchtvaartmaatschappijen een verantwoordelijkheid, namelijk door geen reizen naar risicogebieden aan te prijzen en de consumenten te wijzen op de reisadviezen. Al sinds het begin van de COVID-19-crisis vindt hierover intensief overleg plaats met de gehele Nederlandse luchtvaartsector (inclusief Transavia) en zijn er afspraken gemaakt. Zo bieden de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen en reisorganisaties geen pakketreizen aan naar oranje gebieden en worden consumenten actief op de website en/of in het boekingsproces geattendeerd op het negatieve reisadvies.
Bent u het eens met de stelling dat reizigers die zich aan het reisadvies willen houden, hier niet financieel gestraft voor zouden moeten worden, maar dat dit juist zo veel mogelijk zou moeten worden gestimuleerd? Zo nee, waarom niet?
De coronacrisis begon in maart vorig jaar. Sindsdien veranderden reisadviezen afhankelijk van de situatie op een bestemming of in een land. Luchtvaartmaatschappijen maakten het mede daarom gemakkelijker (en vaak kosteloos) om reizen om te boeken1 (zie Kamerstuk 31936–794). Dat heeft de drempel om een vlucht uit te stellen verlaagd. Naast de reisadviezen heeft het kabinet consumenten meermaals opgeroepen om terughoudend te zijn bij het boeken van vliegreizen. Niet-noodzakelijke reizen kunnen in de epidemiologische situatie waarin wij ons nu bevinden echt niet.
De uitbraak van COVID-19 en de daarmee samenhangende reisadviezen waren in eerste instantie een onvoorziene omstandigheid. Maar, tickets voor het huidige winterseizoen gingen pas later in 2020 in de verkoop, en het maatschappelijke en politieke debat over wisselende reisadviezen is met regelmaat gevoerd. Het is en blijft belangrijk dat mensen de reisadviezen in acht nemen, en daarbij zelf de risicoafweging maken om al dan niet een meerprijs te betalen voor een ticket met flexibeler omboekingsvoorwaarden.
Bent u het eens met de stelling dat een bedrijf dat staatssteun ontvangt, ook een voorbeeldfunctie zou moeten hebben als het aankomt op het reizigers kunnen laten naleven van dringende adviezen van de regering in het belang van de bestrijding van de pandemie? Hoe beoordeelt u het omboekingsbeleid van Transavia?
Transavia maakt een bedrijfseconomische afweging om kosten in rekening te brengen aan passagiers die hun vlucht willen omboeken. Ten opzichte van voor de coronacrisis heeft het de omboekingskosten verlaagd van 50 naar 35 euro.
Tot slot gelden de reisadviezen voor alle reizigers en voor alle luchtvaartmaatschappijen, de steun aan Air France-KLM staat hier los van.
Bent u reeds in overleg getreden met Transavia over het belang van het bieden van coulance en flexibiliteit aan consumenten tijdens deze coronacrisis? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Er is sinds het uitbreken van de crisis veelvuldig overleg geweest met luchtvaartmaatschappijen en de reissector, inclusief Transavia. Naar aanleiding van brieven van burgers in december en januari over de omboekingskosten is contact gezocht met Transavia. Daarin heeft de maatschappij laten weten dat het bedrijfseconomische redenen heeft voor het omboekingsbeleid zoals dat nu door hen is opgezet. Transavia heeft aangegeven niet te overwegen om daarin (net als afgelopen zomer) versoepelingen door te voeren.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het vloeren van een Groningse video-vondst door de Europese omroep |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Europese omroep zet streep door Groningse video-vondst»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u aangeven hoe het kan dat European Broadcasting Union (EBU) eenzijdig de samenwerking met JetStream verbreekt, en ondanks alle gemaakte afspraken met andere partijen in zee gaat?
De European Broadcasting Union (hierna: EBU) geeft aan dat zij geen samenwerking heeft gehad met JetStream. De EBU is als private entiteit niet verplicht openbaar aan te besteden. De EBU geeft wel aan dat zij op basis van een biedingsproces een contract heeft afgesloten met een andere partij.
Kunt u aangeven hoe het kan dat EBU de geheime technische informatie van JetStream openbaar maakt, waardoor concurrenten in staat worden gesteld de techniek te kopiëren?
Het is mij niet bekend of geheime technische informatie openbaar is gemaakt.
Kunt u aangeven welke wet- en regelgeving er is rond het openbaar maken van geheime technische informatie en wat de gevolgen zijn van overtreding hiervan?
Bedrijven zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het beschermen van hun bedrijfsvertrouwelijke gegevens. De overheid stelt bedrijven daartoe in staat met behulp van wetgeving op het gebied van intellectuele eigendomsbescherming en bescherming van bedrijfsgeheimen. Op 23 oktober 2018 is de Wet bescherming bedrijfsgeheimen2 in werking getreden, waaraan ondernemers bescherming kunnen ontlenen als hun bedrijfsgeheim onrechtmatig is verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt. Op grond van deze wet kan bij de rechter een vordering worden ingesteld als iemand inbreuk maakt op hun bedrijfsgeheim, zoals een verbod of schadevergoeding. Daarnaast kan bescherming ook worden verkregen op basis van het algemene contractenrecht als een geheimhoudingsbeding is geschonden, of op basis van de onrechtmatige daad. Indien van toepassing kan er mogelijk een beroep worden gedaan op bescherming tegen een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, zoals octrooirecht.
EBU is gevestigd in Zwitserland. Ik heb geen inzage in de details, maar overeenkomstig een arrest uit 2019 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tussen Jet Stream en EBU3, lijkt een eventuele procedure plaats te moeten vinden in Zwitserland en naar alle waarschijnlijkheid ook naar Zwitsers recht.
Klopt het dat EBU uitsluitend de bedrijfsgeheimen retour naar Groningen willen sturen als JetStream afziet van juridische stappen?
Dit is mij niet bekend.
Wat is de reden dat ook de NPO afhaakt en besluit te kiezen voor distributie via de EBU?
De NPO heeft een pilot gedaan met JetStream. Zoals gebruikelijk bij iedere pilot, is hierna een evaluatie gedaan. Volgens de NPO is na een economische afweging besloten dit niet door te zetten in een langere samenwerking.
Kunt u aangeven of het klopt dat de Groningse methode een eind zou maken aan de Amerikaanse overheersing in deze markt? Kunt u aangeven of de Amerikaanse overheersing nu wordt doorgezet?
De markt van zogenoemde Content Delivery Network dienstverleners is een brede en groeiende markt waarop vele bedrijven actief zijn met diverse producten. Op die markt zijn ook grote Amerikaanse tech-bedrijven als Amazon en Microsoft actief. Ik kan geen inschatting geven of de dienst van het Groningse bedrijf JetStream succesvol zal zijn of niet.
Kunt u aangeven of het klopt dat het gebruik van de diensten van JetStream zou voorkomen dat privacygevoelige informatie uit Europa weglekt naar de Verenigde Staten? Kunt u aangeven of privacygevoelige informatie nu weglekt naar de Verenigde Staten?
Organisaties die persoonsgegevens uitwisselen en verwerken binnen de Europese Unie hebben zich te houden aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Deze verordening geldt wereldwijd voor alle ondernemingen en organisaties die persoonsgegevens bijhouden en verwerken van natuurlijke personen in de Europese Unie, onafhankelijk of er al dan niet betaald wordt voor diensten of producten. Elk EU-lidstaat heeft een onafhankelijke toezichthouder voor gegevensbescherming die ervoor moet zorgen dat instellingen en organisaties het recht op privacy en gegevensbescherming in acht nemen wanneer zij persoonsgegevens verwerken. In Nederland is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de onafhankelijke toezichthouder. Het is aan de toezichthouder om te oordelen of hier sprake is van het weglekken van privacygevoelige informatie.
Het IMVB-convenant Pensioenfondsen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen?
Ja.
Wat is uw reactie op de Voortgangsmeting? Deelt u de mening dat het uitermate zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat de implementatie van het Convenant op alle hoofdindicatoren achterblijft bij de tussentijdse doelstellingen?
In de appreciatie door de stuurgroep van het IMVB-convenant Pensioenfondsen (hierna: convenant) concludeert de stuurgroep dat terwijl de eerste stappen zijn gezet, de implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren achterblijft bij de doelstellingen. Deze voortgangsmeting over 2019 geeft weer dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen. Hoewel de monitoringscommissie concludeert dat er nagenoeg op alle subindicatoren van hoofdindicator »Beleid» voortgang is geboekt, blijkt uit het monitoringsrapport ook dat nog geen enkel pensioenfonds op alle subindicatoren positief scoort. Dit is een punt van aandacht, omdat de convenantdoelstelling voor eind 2020 was dat alle pensioenfondsen positief scoren op hoofdindicator «Beleid». De voortgangsmeting over 2020 wordt in het vierde kwartaal van 2021 verwacht.
Niet alle effecten van de convenantsactiviteiten zijn meegenomen in deze monitoring. Zo is vlak voor de peildatum van deze voortgangsmeting onder andere het instrumentarium gepubliceerd.1 Dit instrumentarium is een hulpmiddel voor de pensioenfondsen om de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) te implementeren. Ook zijn er verschillende webinars en een kennissessie over de implementatie van de OESO-richtlijnen en UNGP’s georganiseerd, waarin het instrumentarium bij pensioenfondsen onder de aandacht is gebracht. Aangezien de implementatie van de OESO-richtlijnen in het beleggingsbeleid de basis vormt voor de verdere due diligence stappen, is het belangrijk dat de pensioenfondsen het beleid zo snel mogelijk op orde krijgen conform afspraken in het convenant. In de stuurgroep en verschillende werkgroepen wordt momenteel een actieplan hiervoor opgesteld.
Hoe kan het dat geen enkele van de deelnemende pensioenfondsen alle subindicatoren voor «Beleid» volledig heeft kunnen realiseren? Hoe verklaart u dat slechts vijf procent van de pensioenfondsen alle stappen van due diligence doorlopen? Hoe verklaart u dat 39 deelnemende pensioenfondsen nog altijd niet het instrumentarium hebben toegepast, hoewel dit slechts gaat om het opnemen van (gesuggereerde) teksten in beleid, contracten en monitoring? Heeft u zicht op waarom de tussendoelstellingen over de gehele breedte gemist zijn?
De «Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen» gaat over eerste jaar (2019) van het convenant. Voor de hoofdindicator «Beleid» is in het convenant vastgelegd dat alle deelnemende pensioenfondsen hieraan moeten voldoen aan het einde van jaar twee.
Het is voor veel deelnemende pensioenfondsen, die bijvoorbeeld kleiner van omvang zijn, een veelomvattende taak om alle stappen van due diligence te doorlopen en om te beschrijven hoe dit ingevuld en verankerd wordt in beleid, contracten en monitoring. Daarom werd van hen verwacht dat zij dit aan het einde van het tweede jaar van het convenant op orde zouden hebben. In de aanstaande monitoring over 2020 zal blijken of de deelnemende pensioenfondsen deze doelstelling hebben behaald. Voor een groot deel van de fondsen is het instrumentarium een noodzakelijk hulpmiddel hierbij. Dit instrumentarium werd aan het einde van het eerste jaar (december 2019) opgeleverd. Dit verklaart mede waarom een deel van de pensioenfondsen dit instrumentarium nog niet volledig heeft kunnen toepassen. Dit heeft bijgedragen aan een lagere realisatie op de tussendoelstellingen voor 2019 dan eerder werd verwacht.
Wat zegt volgens u de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant over de mate waarin pensioenfondsen hun duurzaamheidsrisico’s, zoals fysieke risico’s als waterschaarste, gedegen beheersen?
Bij de implementatie van het convenant draaide het voor de deelnemende pensioenfondsen in het eerste jaar om het starten met het vastleggen van de OESO-richtlijnen in hun beleid voor uitbesteding, monitoring en rapportage (stap één van gepaste zorgvuldigheid onder de OESO-richtlijnen). In lijn met de OESO-richtlijnen is het maken van een risicoanalyse de tweede stap van due diligence. Deze stap moet gezamenlijk met de andere stappen op basis van de afspraken in het convenant aan het einde van jaar twee vastgelegd zijn in het beleid van de pensioenfondsen. Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes de stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee op termijn hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen. In de monitoring wordt gekeken of pensioenfondsen de OESO-richtlijnen hebben geïmplementeerd in hun beleid. Op basis van de huidige voortgang van de implementatie kan ik geen conclusies trekken over de beheersing van specifieke duurzaamheidsrisico’s, omdat deze geen onderdeel van de monitoring binnen het convenant vormen.
Deelt u de mening dat aan de geloofwaardigheid van intenties ten aanzien van engagement afbreuk wordt gedaan, nu blijkt dat pensioenfondsen zeer matig scoren op de mate waarin ze invloed aanwenden om de negatieve impact van beleggingen te voorkomen of te mitigeren (indicator 2c)?
Subindicator 2c is onderdeel van de hoofdindicator «Uitbesteding». In het convenant is afgesproken dat de deelnemende pensioenfondsen voor zover dat nog niet het geval is, de afspraken voor uitbesteding zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het convenant in rapportagevereisten met externe dienstverleners opnemen. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3 is de naleving van de OESO-richtlijnen een veelomvattende taak voor veel pensioenfondsen. Er is bij het vastleggen van de afspraken daarom bewust voor drie jaar gekozen om de deelnemende pensioenfondsen de tijd te geven de uitbesteding goed in te richten. Ik vind het voorbarig om na één van de drie jaren al de geloofwaardigheid van de intenties hierop in twijfel te trekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waterroof: mede mogelijk gemaakt met ons pensioengeld» dat 19 januari jl. op Follow the Money verscheen?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het in de vorige vraag genoemde artikel laat zien dat verscheidene Nederlandse pensioenfondsen medefinancier zijn van gezondheids- en milieurampen in ten minste de Verenigde Staten en Mexico?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, met inachtneming van de toepassing van de OESO-richtlijnen, is een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en de toepassing hiervan verantwoord is en vindt daarbij de fondsen zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het IMVB-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en UNGP’s in het beleid en due diligence van pensioenfondsen.
Wat zegt het volgens u dat er door verschillende Nederlandse pensioenfondsen geen engagement toegepast wordt op een bedrijf als Coca Cola Femsa?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 7 is het beleggingsbeleid van pensioenfondsen een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen zelf. Hieronder vallen ook besluiten over met welke bedrijven een pensioenfonds (of de uitvoeringsorganisatie) een engagementtraject start. Vanuit de afspraken in het convenant is de verwachting dat pensioenfondsen conform de OESO-richtlijnen een risicoanalyse maken en prioriteren welke risico’s zij in hun beleggingsportefeuille willen aanpakken en met welke vorm van beïnvloeding. Dit kan op verschillende manieren, onder andere via stemmen op aandeelhoudersvergaderingen. Een engagementtraject is een andere manier van beïnvloeding en vraagt vaak een lange adem en meer middelen. Pensioenfondsen maken hierin zelf de afweging. Het kabinet kan geen oordeel geven over het al dan niet voeren van engagement met individuele bedrijven door één of meerdere pensioenfondsen.
Vindt u ook dat vanuit het Convenant een verplichting voortkomt voor pensioenfondsen om investeringen individueel te beoordelen en niet slechts via een benchmark?
In het convenant zijn afspraken vastgelegd volgens de stappen van gepaste zorgvuldigheid die de OESO-richtlijnen voorschrijven. Deze richtlijnen en specifiek het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers dat als leidraad wordt gebruikt door pensioenfondsen schrijft niet voor hoe om te gaan met directe beleggingen ten opzichte van het beleggen via een benchmark of index. Uit het convenant volgt geen verplichting voor het individueel beoordelen van investeringen. Wel wordt van pensioenfondsen verwacht dat zij, waar mogelijk, hun invloed aanwenden wanneer negatieve effecten worden vastgesteld bij bedrijven waarin zij investeren. Dit kan eventueel in een gesprek met de index-samensteller.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat veel deelnemende pensioenfondsen due diligence niet van toepassing verklaren op passieve beleggingen? Hoe kijkt u er met terugwerkende kracht op terug dat de inzet ten aanzien van passieve beleggingen in de tekst van het Convenant niet geëxpliciteerd is?
Uit de monitoringsrapportage komt naar voren dat veel pensioenfondsen in de hoor- en wederhoor met de monitoringscommissie hebben aangegeven gepaste zorgvuldigheid (due diligence) niet van toepassing te verklaren op passief beleggen. De appreciatie van de stuurgroep van het convenant is niet specifiek op dit punt ingegaan, maar neemt wel de aanbeveling over van de monitoringscommissie dat het eerder opgestelde instrumentarium geoptimaliseerd en beter toepasbaar gemaakt moet worden. De werkgroep Monitoring werkt momenteel een actieplan uit dat invulling geeft aan de verschillende aanbevelingen.
De convenantafspraken hebben betrekking op doelstelling, inzet en reikwijdte van het convenant. Zij zijn de uitkomst van een langdurige onderhandeling met alle betrokken partijen bij het convenant. Passieve beleggingen zijn daarin niet geëxpliciteerd, maar het huidige instrumentarium benoemt al dat er rekening wordt gehouden met de karakteristieken en beïnvloedingsmogelijkheden van verschillende pensioenfondsen. Te denken valt aan de grootte, de beleggingsstrategieën en de verschillende beleggingscategorieën. Met de voorgestelde optimalisatie van het instrumentarium kan pensioenfondsen een verdere handreiking worden geboden met betrekking tot hun handelingsperspectief voor wat betreft gepaste zorgvuldigheid.
Zet u zich er onverkort voor in dat passieve beleggingen daar, waar het gaat om het uitsluiten van sociale en milieugerelateerde misstanden, aan precies dezelfde doelstellingen onderworpen worden als actieve beleggingen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 10 zijn passieve beleggingen niet geëxpliciteerd in het convenant. Desalniettemin verwacht het kabinet dat pensioenfondsen voor al hun beleggingen (actief en passief) de stappen van gepaste zorgvuldigheid implementeren in hun beleggingsbeleid en gaan toepassen. Wanneer sociale- en milieu gerelateerde misstanden worden geconstateerd en pensioenfondsen hieraan gelinkt zijn, wordt vanuit de OESO-richtlijnen verwacht dat zij hun invloed aanwenden om deze te mitigeren of waar mogelijk te stoppen en in de toekomst te voorkomen. Hoe pensioenfondsen hun invloed aanwenden en in welke mate kan verschillen bij actieve en passieve beleggingen. Het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers2 geeft aan dat de mate van invloed onder andere bepaald wordt door de karakteristieken van de institutionele belegger, de beleggingsstrategie (actief of passief), en geldende wet- en regelgeving. Ook bij passieve beleggingen heeft een pensioenfonds een aantal opties om invloed aan te wenden om betrokkenheid bij misstanden te mitigeren en/of voorkomen.
Deelt u de mening dat er een verband bestaat tussen het gebrekkige optreden van Nederlandse pensioenfondsen in specifieke casussen, zoals uiteengezet in het Follow the Money-artikel, en de gebrekkige voortgang van de implementatie van het convenant? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het FTM-artikel spreekt over de vijf grootste pensioenfondsen en heeft van vier reacties opgenomen (ABP, PFZW, PMT en PME). Daarbij kan opgemerkt worden dat het FTM-artikel ook vermeldt dat bijvoorbeeld PMT en PME één van de genoemde bedrijven uitsluiten. De voortgang van individuele pensioenfondsen in naleving van het convenant is enkel inzichtelijk voor de leden van de monitoringscommissie en het SER-secretariaat dat de commissie ondersteunt bij de verwerking van alle antwoorden die aangeleverd worden in de monitoringtool. Op basis van de geaggregeerde voortgangsrapportage kan daarom niet geconcludeerd worden welke voortgang de vijf grootste pensioenfondsen hebben geboekt in het eerste jaar van het convenant.
Komen de resultaten van de monitoringscommissie voor u als een verrassing? Op welke momenten in het afgelopen jaar heeft u met pensioenfondsen over de voortgang van het Convenant gesproken? Heeft u op enig moment voor de verschijning van de publicatie van de voortgangsrapportage signalen gehad dat de voortgang van de implementatie zeer gebrekkig is? Wat heeft u met deze signalen gedaan?
Binnen de stuurgroep en de verschillende werkgroepen wordt continu het gesprek gevoerd met de Pensioenfederatie en dat deel van de pensioenfondsen dat deelneemt aan de stuurgroep en werkgroepen. In deze gesprekken gaat het over hoe de pensioenfondsen ondersteund kunnen worden bij het implementeren van de OESO-richtlijnen en welke producten er ontwikkeld kunnen worden om dit voor elkaar te krijgen. De monitoringcommissie monitort jaarlijks de voortgang die de partijen boeken op de convenantafspraken en houdt toezicht op de kwaliteit en de kwantiteit van de input van de partijen. Pas uit het jaarlijkse monitoringsrapport wordt daarom volledig inzichtelijk wat de voortgang is van het convenant ten opzichte van de afspraken. Deze eerste voortgangsmeting laat zien dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen.
Deelt u de zienswijze van de monitoringscommissie dat de vertraging op de hoofdindicator beleid consequenties heeft voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren?
De achterblijvende voortgang op de hoofdindicator «Beleid» vormt een risico voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren, omdat het vastleggen van de due diligence stappen in het beleid volgens de due diligence methodiek een voorwaarde vormt voor de verdere uitrol hiervan in uitbesteding, monitoring en rapportage. Deze eerste voortgangsrapportage laat echter ook zien dat een deel van de pensioenfondsen in de praktijk al meer voortgang heeft geboekt op de andere hoofindicatoren, terwijl nog niet alle subindicatoren onder de hoofdindicator «Beleid» zijn behaald.
Betekent de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant dat het dit kabinet onvoldoende gelukt is via het postennetwerk en economische diplomatie de partijen in het convenant te ondersteunen bij het implementeren van hun IMVB-beleid? Zo nee, waar baseert u dit op? Wat is er op dit punt het afgelopen jaar goed gegaan, en wat kan er beter?
Volgens afspraak hebben het postennetwerk en de economische diplomatie het convenant ondersteund, primair in het zogenaamde «diepe spoor» van het convenant waarin de partijen samenwerken aan engagementcasussen. Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 3 betreft dit de voortgang van het eerste jaar van het convenant. Hierin zijn volgens afspraak de eerste twee casussen gestart, te weten een mijnbouwcasus in Peru en een casus in de palmolieketen in Indonesië en Liberia. Vanaf het begin zijn de posten in de desbetreffende landen en/of landenmedewerkers op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag betrokken bij de casussen om duiding te geven aan de lokale context van de sector in het land of andere specifieke vragen die uit het samenwerkingsverband kwamen te beantwoorden.
In het afgelopen jaar, het tweede jaar van het convenant, is dat voortgezet en is er onder andere in de mijnbouwcasus een geslaagd virtueel veldbezoek georganiseerd in samenwerking met de ambassade in Lima. De ambassade heeft zijn netwerk van lokale contacten ingezet, hierdoor hebben meerdere bijeenkomsten tijdens het veldbezoek voor de casuswerkgroep plaatsgehad. De post heeft ook aangeboden om, indien gewenst door de werkgroep, een vervolgbezoek te organiseren voor organisaties waarmee tijdens dit eerste bezoek niet gesproken is.
Heeft u er, wijzende op het gegeven dat de resterende tijd voor realisatie van het convenant afneemt en er meer voortgang gemaakt moet worden dan als de tussendoelstellingen gehaald zijn, nog wel vertrouwen in dat de doelstellingen van het convenant gehaald gaan worden? Zo ja, waarop baseert u dat vertrouwen?
Ja. Deze voortgangsrapportage betreft het eerste jaar van de looptijd van dit convenant. De in het convenant vastgelegde afspraken voor het eerste jaar zijn behaald. Zo is er onder andere een monitoringstool ontwikkeld. Deze wordt door de pensioenfondsen als zeer gebruiksvriendelijk ervaren. Ook is het instrumentarium ontwikkeld en gepubliceerd en zijn de eerste twee casussen geselecteerd en gestart. Hierover is onder andere gecommuniceerd via nieuwsbrieven en een jaarbijeenkomst. De tussendoelstellingen voor de hoofdindicatoren zijn, zoals eerder benoemd in het antwoord van vraag 1, geen vastgelegde afspraak in het convenant, maar opgesteld om de voortgang op de hoofdindicatoren te volgen. De deelnemende pensioenfondsen hebben de eerste stappen gezet. De implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren blijft echter achter bij de tussendoelstellingen. Het is daarom voor alle betrokken partijen duidelijk dat er nog extra stappen gezet moeten worden om de gemaakte afspraken in het convenant waar te maken. Als deze gezet worden acht het kabinet, samen met de andere partijen bij het convenant, de volledige implementatie van het convenant nog steeds haalbaar.
Wat zou de juridische consequentie zijn als het scenario zich materialiseert waarin de Pensioenfondsen de doelstellingen van het Convenant niet halen, gegeven dat het behalen van deze doelstellingen een verplichting is?
De bestuurlijke opzet van het convenant beschikt over een stuurgroep waarin alle geledingen zitting hebben. Wanneer de afspraken uit het convenant niet gehaald worden of er onvoldoende voortgang is, dan is de stuurgroep het aangewezen orgaan om een actieplan op te stellen of deelnemende pensioenfondsen aan te spreken op de verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van het convenant. Dit kan zelfs bij een compleet doorlopen geschillenprocedure die niet succesvol is leiden tot het opzeggen van het convenant jegens de tekortschietende partij. De IMVO-convenanten zijn een vrijwillig instrument binnen het IMVO-beleid van het kabinet. Het niet halen van vastgelegde afspraken heeft geen juridische consequenties.
Op 16 oktober 2020 heeft het kabinet de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Hierbij heeft het kabinet de voorkeur voor een verplichting op Europees niveau.
Hoe verhoudt zich de constatering dat pensioenfondsen in toenemende mate hun eigen ESG-beleid formuleren, met de noodzaak tot harmonisatie van ESG-doelstellingen en -methoden zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet? Vraagt de noodzaak tot harmonisatie te komen om een actievere, meer interveniërende rol van de ministeries op dit specifieke punt? Hoe gaat u daar invulling aan geven?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen, waaronder financiële instellingen, dat zij de OESO-richtlijnen en UNGP’s naleven. Binnen het convenant zijn er verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Van pensioenfondsen wordt verwacht dat dat zij ESG-beleid opstellen volgens de OESO-richtlijnen. De daadwerkelijke invulling van het ESG-beleid is aan de pensioenfondsen zelf.
De noodzaak tot harmonisatie waaraan gerefereerd wordt in de duurzame financieringsstrategie heeft betrekking op harmonisatie van rapportagestandaarden. Om voortgang te kunnen vergelijken en de beschikbaarheid van data te verhogen is het belangrijk dat bedrijven op een uniforme wijze rapporteren, bij voorkeur op een Europese uniforme wijze. Dit is ook de inzet van het kabinet zoals beschreven in de consultatiereacties op de Europese Commissie consultaties van de Hernieuwde Duurzame Financieringsstrategie en de herziening van de richtlijn niet-financiële rapportage.
Ziet u vanuit uw inzet voor gedegen rapportages over ESG-impact en -risico’s, zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet, een speciale verantwoordelijkheid om u er actief tegenaan te bemoeien dat pensioenfondsen beter over voorgenoemde zaken gaan rapporteren, gegeven de slechte resultaten op de vierde hoofdindicator? Op welke manier gaat u hier invulling aan geven?
Rapporteren en transparantie bieden over de genomen beslissingen is een belangrijk onderdeel van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid volgens de OESO-richtlijnen. Ook in het convenant zijn verschillende afspraken opgenomen over transparantie en rapportage. Zo wordt er van de deelnemende pensioenfondsen verwacht dat aan het eind van het vierde jaar het convenant verwerkt is in de rapportages. De monitoringscommissie observeert in het monitoringsrapport over 2019 dat er over het algemeen voortgang is geboekt op deze doelstelling, maar dat daar ook meer tijd voor is vergeleken met de andere doelstellingen, conform het convenant.
Om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen aan het einde van het vierde jaar voldoen aan de afspraken, is er in het tweede jaar van het convenant al een brede kennissessie georganiseerd waarin rapportage ook aan bod kwam als één van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Voor het komende jaar worden er aanvullende webinars georganiseerd; gepland wordt dat daarin ook de verwachtingen op rapportage en transparantie behandeld zullen worden als onderdeel van het actieplan om de implementatie te versnellen.
Deelt u de mening van de monitoringscommissie dat een versnelling van de implementatie meer bestuurlijke aandacht, tijd en middelen vraagt? Wat is de implicatie daarvan voor uw rol?
Ja. De stuurgroep van het convenant, waar alle partijen zitting in hebben, heeft een appreciatie opgesteld van de voortgangsrapportage van de monitoringscommissie. Deze appreciatie onderschrijft de noodzaak van een versnelling. De stuurgroep deelt de mening van de monitoringscommissie dat de implementatie in de toekomst bij de pensioenfondsen meer bestuurlijke aandacht, en waar mogelijk tijd en middelen vergt. De overheid zal, als partij in het convenant, de pensioenfondsen hierin ondersteunen door naast haar inzet in de werkgroepen, expertise beschikbaar te stellen voor kennissessies en webinars. Ook heeft de overheid als partij deelgenomen aan een directeurenoverleg op 4 februari jl. gericht op de noodzakelijke vervolgacties voor deze versnelling.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour zenden aan de Kamer?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Gezien het voorjaarreces was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
Reisbeperkingen |
|
Lammert van Raan (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Corrie van Brenk (PvdA), Cem Laçin (SP), Chris Stoffer (SGP), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de internationale reisbeperkingen per land en van andere Europese landen die zij ingesteld hebben om influx van nieuwe coronavarianten te bestrijden?
In de bijlage treft u een overzicht.
Kunt u uitleggen hoe de reisbeperking van niet-noodzakelijke reizen van bijvoorbeeld Finland en België is vastgelegd en zich verhoudt tot de Europese regelgeving?
In Finland en België zijn respectievelijk tot 25 februari 2021 en 1 maart 2021 in- en uitreisbeperkingen binnen EU- en Schengengebied van kracht. Beide landen hebben hier een aantal groepen reizigers, zoals zorg- en transportpersoneel en dringend familiebezoek, op uitgezonderd. Daarnaast hebben Finland en België binnengrenscontroles ingesteld om iedere reiziger individueel te kunnen controleren. Met deze controles hebben de lidstaten meer handvatten om te controleren of een persoon een noodzakelijke reis maakt. Zij mogen echter niet, louter op basis van de niet-noodzakelijkheid van een reis, personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen de toegang weigeren. Er moet individueel worden beoordeeld of iemand een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Daarnaast kan een Europese lidstaat op basis van de Schengengrenscode niet zonder meer (tijdelijk) binnengrenscontroles invoeren, hiervoor gelden strikte voorwaarden. België en Finland hebben het invoeren van binnengrenscontroles conform Europese procedures gemeld aan de Europese Commissie (EC) en Europese lidstaten.
Kunt u uitleggen hoe reisbeperkingen van niet-noodzakelijke reizen binnen het Schengengebied gerealiseerd kunnen worden binnen de Nederlandse juridische kaders? Bent u bereid dergelijke beperkingen in te voeren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om de verspreiding van COVID-19 via buitenlandse reisbewegingen te beperken. Het kabinet heeft daarnaast nog een aantal maatregelen in voorbereiding, zoals de verplichte quarantaine en een negatieve testuitslag voor inreizende automobilisten. Het aantal niet-noodzakelijke reisbewegingen is mede daardoor reeds sterk gereduceerd. Uw Kamer is op 13 januari jl. geïnformeerd over het feit dat het invoeren van een noodzakelijkheidsverklaring voor vertrek juridisch zeer complex is. Een dergelijke voorwaarde behelst een enorme inperking van de individuele vrijheid van burgers en is voor vervoerders praktisch onuitvoerbaar te controleren.1
Het kabinet stelt zich voorts op het standpunt dat het herinvoeren van de binnengrenscontroles, op grond van de Schengengrenscode naar voorbeeld van België en Finland, eveneens een te ingrijpend middel is met grote gevolgen voor het vrije verkeer van personen en goederen. Daarnaast hebben de Europese regeringsleiders eind januari ook besloten dat een verbod op niet-noodzakelijke reizen binnen de EU onwenselijk is, maar dat deze reizen wel dringend moeten worden ontmoedigd. Hier sluit de Nederlandse aanpak op aan.
Het enkel herinvoeren van grenscontroles betekent daarnaast niet dat er daarmee ook een grondslag ontstaat voor toegangsweigering van EU-burgers. Die grondslag zou kunnen worden gezocht in het Vreemdelingenbesluit, maar alleen als iemand een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of volksgezondheid. De beoordeling hiervan zal altijd individueel gemotiveerd moeten worden. De bepaling van de noodzakelijkheid van de reis staat hier verder los van. Het kabinet acht het derhalve op dit moment niet proportioneel, juridisch kwetsbaar en moeilijk uitvoerbaar om niet-noodzakelijke reizen te verbieden.
Kunt u het OMT om een breed advies vragen over verdere maatregelen om de risico’s van verspreiding van de verschillende coronavarianten te beperken en dit met de Kamer delen voor het algemeen overleg Luchtvaart op 4 februari a.s.?
Het OMT is eind januari gevraagd om advies of er aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals extra vliegverboden. In haar 97e advies (deel II) heeft het OMT aangegeven dit niet noodzakelijk te achten, gezien de overige maatregelen die voor reizigers van kracht zijn geworden, zoals de dubbele negatieve testverplichting. Het kabinet neemt op dit moment dan ook geen aanvullende maatregelen voor reizigers uit hoogrisicogebieden, naast de al aangekondigde maatregelen zoals het verplichten van de quarantaine, een verplichte registratie en een negatieve PCR-testuitslag voor inreizende automobilisten.2
Land
Extra maatregelen i.v.m. mutaties
België
Sinds 25/01 moeten alle personen die vanuit het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika naar België reizen verplicht 10 dagen in zelfquarantaine. Dit moet met een verplichte PCR-test op dag 1 en dag 7 na aankomst in België. Deze maatregel is aanvullend op de geldende inreisbeperkingen.
Niet-noodzakelijke reizen van en naar België zijn van 27/01 tot 01/03 verboden. Strikt noodzakelijke reizen zijn mogelijk onder strenge voorwaarden en in bezit van «verklaring op eer». O.a. grensarbeiders en zakenreizigers blijven uitgezonderd.
Personen die geen hoofdverblijfplaats in België hebben dienen over een negatief testresultaat te beschikken, niet ouder dan 72 uur voor vertrek. Reizigers die niet via een vervoerder naar België komen en voor maximaal 48 uur in België blijven zijn uitgezonderd, dit geld ook voor luchttransfers.
Duitsland
Per 30/01 tot 17/02 geldt een inreisverbod voor vliegtuig/bus/trein/schip voor het VK, Ierland, Portugal, Brazilië en Zuid-Afrika.
Er geldt een testverplichting voor alle reizigers, niet ouder dan 48 uur voor vertrek. Op Länderniveau gelden verschillende regels. Zo maakt Noordrijn-Westfalen een uitzondering voor grensverkeer dat niet langer dan 24 uur in het land verblijft.
Sinds 14 februari zijn de Duitse grenzen met Tsjechië en Tirol (Oostenrijk) gesloten, vanwege de aanwezigheid van de Zuid-Afrikaanse variant aldaar. Forenzen uit Tsjechië en Tirol (Oostenrijk), die werken in cruciale sectoren, mogen Duitsland wel inreizen. Daarnaast zijn noodzakelijke reizen – waaronder goederenvervoer -uitgezonderd, mits zij hun reis vooraf aanmelden, men een negatieve testverklaring kan overleggen en in quarantaine gaat.
Finland
In Finland zijn tot 25 februari 2021 in- en uitreisbeperkingen van kracht voor zowel Finse ingezetenen als EU/Schengenburgers. Op deze in-en uitreis beperkingen zijn een aantal essentiële reizen gedefinieerd, zoals zorg- en transportpersoneel en voor reizen familiebezoek, die uitgezonderd zijn.
Er geldt geen testverplichting, maar een advies voor reizigers om zich te laten testen.
Frankrijk
Per 31/01 geldt een reisverbod voor niet-noodzakelijke (vlieg)reizen van en naar Frankrijk en de Franse overzeese gebieden. Dit verbod geldt voor alle landen, met uitzondering van lidstaten van de Europese Unie, Andorra, IJsland, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Zwitserland en Vaticaanstad. Daarnaast geldt er een uitzondering voor personen woonachtig in Frankrijk, mits zij vóór 31/01 jl. zijn vertrokken uit Frankrijk.
Reizigers die een dergelijke reis willen maken, dienen in het bezit te zijn van een noodzakelijkheidsverklaring en de benodigde bewijsstukken. Deze reizigers dienen na aankomst 7 dagen in quarantaine te gaan en zich na deze periode te laten testen.
Er geldt een algemene testverplichting voor alle reizigers, ongeacht modaliteit. Alle reizigers moeten beschikken over een PCR-testuitslag, die niet ouder is dan 72 uur voor vertrek.
* De informatie in deze tabel is aan (dagelijkse) verandering onderhevig.
De publicatie van de scorekaart van Farma ter Verantwoording |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde scorekaart van Farma ter Verantwoording waarop verschillende farmaceutische producenten van geneesmiddelen tegen COVID-19 worden gescoord op mensenrechten?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe u denkt over de bevinding van Farma ter Verantwoording dat geen van de gescoorde farmaceutische producenten goed scoort binnen de categorie «publiceert de tekst van de licentieovereenkomst»?
Een licentieovereenkomst is in de regel een vertrouwelijke overeenkomst tussen twee partijen. Het is dan ook aan deze partijen om te bepalen of ze deze overeenkomst openbaar willen maken. De Nederlandse overheid is zelf geen octrooi- of licentiehouder, wel financiert ze onderzoek door Nederlandse publieke instellingen die mogelijk een octrooi aanvragen op gedane ontdekkingen. Ik heb recentelijk aan u gecommuniceerd over de verwachtingen die ik heb wanneer publieke instellingen een licentie verlenen op een octrooi dat is verkregen door publiek gefinancierd onderzoek2. Nederlandse kennisinstellingen gaan rapporteren over het gebruik van de toolkit en de 10 principes van Maatschappelijk Verantwoord Licentïeren in licenties, maar ze zullen dat doen op geaggregeerde manier, om geen inbreuk te maken op de geheimhouding van overeenkomsten. Het risico bestaat dat als de Nederlandse kennisinstellingen geen geheimhouding accepteren er minder licentienemers (bedrijven) langs komen.
Dat laat onverlet dat openbaarheid van licentieovereenkomsten, als bedrijven dat toestaan, een mooie vorm van transparantie kan zijn.
Denkt u dat de Nederlandse samenleving baat zou kunnen hebben bij de introductie van transparantie inzake licentieovereenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het noodzakelijk dat de verschillende farmaceutische producenten voldoende scoren op de verschillende categorieën in de scorekaart?
Nee, het gaat hier om een lijst categorieën die eenzijdig zijn opgesteld door een stichting. Hoewel er zeker raakvlakken zijn met de beleidslijn die ik voorsta geldt dit niet voor alle categorieën.
Hoe bent u voornemens om ervoor te zorgen dat de onvoldoende scorende farmaceuten in de nabije toekomst voldoende zullen scoren?
Mijn beleid is er niet op gericht om te zorgen dat farmaceutische producenten een voldoende score in de beoordeling door deze stichting. Wel zijn er raakvlakken tussen mijn beleid en de doelen die deze stichting nastreeft. Ik zet mij op diverse manieren in om enerzijds transparantie over de kosten van medicijnonderzoek en -productie af te dwingen, en anderzijds om beschikbaarheid te borgen, zowel in Nederland als wereldwijd. Dit doe ik bijvoorbeeld door in gesprekken met farmaceutische producenten het belang van transparantie over kosten en prijs te benadrukken, iets wat ik ook doe in alle gesprekken over covid-19 medicatie. Daarnaast steunt de Nederlandse overheid een onafhankelijke stichting, de Access to Medicine Foundation3, welke zich inzet voor deze onderwerpen en bedrijven en overheden een spiegel voorhoudt door het opstellen van zogeheten «benchmarks». Zo steunt de Minister van Buitenlandse Zaken een benchmark gericht op wereldwijde toegankelijkheid tot medicijnen, en steunt VWS een benchmark gericht op onderzoek, ontwikkeling en toegankelijkheid van antibiotica.
Deelt u de mening dat de verschillende farmaceutische producenten onvoldoende scoren op punten die van cruciaal belang zijn voor een eerlijke wereldwijde toegang tot farmaceutische middelen tegen COVID-19?
Het is mij niet helemaal duidelijk op welke punten u doelt. Ik kan wel aangeven dat het kabinet zich continu inzet voor eerlijke toegang tot farmaceutische middelen tegen covid-19. In de Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling covid-19 vaccins» van 18 december 20204 wordt hier uitgebreid op ingegaan.
Tevens zie ik dat sommige farmaceutische producenten ervoor kiezen om hun vaccin tegen kostprijs op de markt te gaan brengen. Om toegang binnen de Europese Unie te borgen roep ik farmaceutische producenten in bilaterale gesprekken op om hun producten in Europa via een joint-procurement bij de Europese Commissie beschikbaar te maken, zodat deze producten met gelijke toegang en op basis van de hoogste nood in Europa verdeeld kunnen worden.
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het feit dat Farma ter Verantwoording constateert dat geen enkel van de verschillende farmaceutische producenten de gemiddelde of marginale kosten van productie publiceert?
In de Voortgangsbrief algemeen geneesmiddelenbeleid 20215 heb ik u geïnformeerd over mijn beleid om tot maatschappelijk aanvaardbare prijzen te komen. Ik vind de prijs van een geneesmiddel maatschappelijk aanvaardbaar als (1) het geneesmiddel kosteneffectief is (de gezondheidsuitkomsten staan in verhouding tot de extra kosten), (2) die zich in redelijke en proportionele mate verhoudt tot de inspanningen en investeringen die zijn gedaan om tot het geneesmiddel te komen en (3) deze voldoende ruimte biedt voor innovatie. Het gaat dus niet alleen om de gemiddelde of marginale kosten van productie.
Heeft u, en de Nederlandse regering als mede-onderhandelaar van de Europese aankoop van COVID-19-vaccins, aangedrongen bij de farmaceutische producenten op het delen van kennis en intellectueel eigendom? Zo ja, kunt u een weergave van deze discussie delen? Zo nee, waarom niet?
De onderhandelingen door de Europese Commissie gingen primair over de aankoop van vaccins. De farmaceutische producenten waarmee de EU contracten zijn aangegaan hebben wel bij subcontractors de productie uitbesteedt. Dus de farmaceutische bedrijven delen hun kennis met subcontractors of er worden samenwerkingsverbanden opgezocht om hun productiecapaciteit te vergroten. Het delen van intellectueel eigendom is, buiten voorgenoemde, niet uitgebreid aan de orde geweest.
Het belang van brede toegankelijkheid wordt ook door de Europese Commissie onderstreept. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Acht u het noodzakelijk dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom wordt gepromoot om zo wereldwijde vaccintekorten in te perken? Zo ja, wat doet u hier aan? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet per se. Het is van belang dat de farmaceuten die nu een geregistreerd vaccin hebben, niet alleen de beschikbare productiecapaciteit binnen hun eigen organisatie aanwenden om het vaccin te produceren. We constateren dat zij samenwerkingsverbanden aan gaan met onderaannemers en ook andere farmaceutische bedrijven om de productie in brede zin te realiseren.
Hoe is Nederland, als officiële co-sponsor, betrokken bij het operationaliseren van het Coronavirus Treatment Acceleration Program (C-TAP)? Welke concrete stappen heeft u uitgevoerd, naast de steun uitroepen tijdens de vorige World Health Assembly?
In het kader van C-TAP wordt mede gesproken over het succesvol positioneren van de patentpool. Met WHO wordt verder gesproken over de invulling van C-TAP, zodat de data van bedrijven voldoende beschermd zijn en de noodzakelijke informatie wel breder gedeeld kan worden. Nederland maakt deel uit van een kerngroep op C-TAP met Brazilië, Maleisië, Pakistan en Zuid-Afrika, onder leiding van Costa Rica. Nederland spreekt tevens in dit kader met Portugal om in het kader van het Europese voorzitterschap een symposium te organiseren over C-TAP.
Overweegt de Europese Commissie ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen? Zo ja, kunt u garanderen dat actieve kennisoverdracht en het delen van intellectueel eigendom gesprek worden van de onderhandelingen?
Ja, de Europese Commissie overweegt ook potentieel werkzame geneesmiddelen tegen COVID-19 gezamenlijk in te kopen. En ingaand op het tweede gedeelte van uw vraag, nee, dat kan ik niet garanderen.
Het bericht 'De strijd om het coronavaccin barst nu pas echt los' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «De strijd om het coronavaccin barst nu pas echt los»?1 Wat heeft u gedaan om een dergelijke strijd te proberen te voorkomen?
Het woord strijd is niet mijn woordkeuze, maar het is duidelijk dat er een scherpe discussie plaatsvindt tussen de Europese Unie en AstraZeneca (AZ). Het is ook niet niets wat er aan de hand is. AZ meldt zonder waarschuwing aan de vooravond van hun markttoelating, dat hun leveringen vooralsnog ruim 60% lager zijn dan eerder aangegeven. De EU wil een goede verklaring voor deze vertraging, duidelijkheid over de vraag waarom er ook geen eerder geproduceerde vaccins klaarliggen (AZ zou immers al in 2020 kunnen starten met was hun eerdere boodschap) en het is van belang te weten van hen waar we de komende maanden aan toe zijn qua leveringen. Dit is een serieuze zaak en daarbij vallen naar mijn idee terecht soms stevige woorden. Maar uiteindelijk moeten we wel met elkaar verder. Ik denk dat de recente bijeenkomsten tussen de EU en AZ, perspectief bieden voor een constructieve samenwerking richting de toekomst.
Kunt u toelichten wat het openbaar register voor de export van vaccins naar landen buiten de EU inhoudt en wat u hiervan vindt? In hoeverre biedt dit soelaas?
De Europese Unie/Commissie heeft op 31 januari een besluit genomen over de inzet van exportlicenties. Dat zorgt ervoor dat een producent van vaccins tegen COVID-19, waarmee de EU een contract heeft, deze producten alleen mogen exporteren na afgifte van een licentie. Lidstaten moeten daarbij steeds de afweging maken of een licentie wordt afgegeven. Hiermee wordt duidelijk of, en zo ja welke, vaccins de EU verlaten. Overwogen wordt ook om dit met terugwerkende kracht te doen, zodat we weten wat er in de afgelopen maanden is gebeurd. Ik denk dat het gezien de algehele gevoeligheid rond de aankoop van vaccins tegen COVID-19, verstandig is om nu deze stap te zetten.
Zijn er signalen bij u bekend dat er vaccins, bedoeld voor Europa, naar het buitenland geëxporteerd worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn nu vooral geruchten. Ik denk daarom dat het in ieders belang is dat dit goed wordt uitgezocht. Daartoe lopen nu verschillende acties. Ik denk dat het verstandig is hier op terug te komen als de feiten op tafel liggen.
Kunt u reageren op de uitspraak van uw Duitse evenknie dat «dit geen kwestie van «Europa eerst» [is], maar van een evenredig deel voor Europa»? Wat vindt u van deze uitspraak in de wetenschap dat er veel landen zijn die überhaupt nog niet zijn begonnen met vaccineren?
De strategie van de EU is om de inkoopmacht van de EU te gebruiken om grote contracten te sluiten. Dit lukt goed. Deze volumes zijn uiteraard bedoeld voor de bevolking van de EU, maar ook voor donatie en doorverkoop aan o.a. COVAX, zodat deze inkoopkracht ook ten goede kan komen aan landen die zelf minder goed in staat zijn vaccins in te kopen. Ik denk dat de gekozen strategie daarom een goede is. Momenteel wordt nader uitgewerkt hoe een systeem voor donatie en doorverkoop het best kan functioneren. Maar laten we niet vergeten dat we momenteel wel grote contracten hebben, maar nog maar weinig leveringen. Dat maakt donaties nu nog lastig.
Wat is de oorzaak van de verminderde levering van het vaccin van AstraZeneca?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heeft de Europese Unie hier bij AstraZeneca om opheldering over gevraagd.
Wat vindt u van de juridische stappen die de Italiaanse regering richting Pfizer neemt om vergelijkbare redenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment ben ik niet op de hoogte van de juridische stappen die de Italiaanse overheid neemt richting Pfizer. Ik zal dit nagaan en u hier later over informeren.
Deelt u de mening dat deze ontwikkelingen aantonen dat het van belang is dat patenten worden vrijgegeven en actieve kennisoverdracht plaatsvindt zodat andere fabrikanten de vaccins kunnen produceren en zo de wereldwijde productie kan worden opgeschroefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het systeem van intellectuele eigendom heeft in deze pandemie grootschalig en kostbaar onderzoek naar mogelijke vaccins gestimuleerd. Dat heeft nu geleid tot de eerste positieve resultaten met werkzame vaccins. Dit toont aan dat het systeem van intellectuele eigendom, als stimulans om te investeren en te innoveren, zijn vruchten afwerpt. Ik heb geen indicatie dat octrooien of de opstelling van de industrie een barrière vormen voor het opschalen van de productiecapaciteit. Het «vrijgeven» van octrooien biedt daarom geen oplossing. Snelle beschikbaarheid en het opschalen van productiecapaciteit van vaccins wordt juist vanwege het stelsel van octrooibescherming, licentieverlening en kennisdeling gerealiseerd. We doen uiteraard een beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven, naast de afspraken die we hebben gemaakt in contracten, en roepen hen op het maximale te doen om productiecapaciteit uit te breiden, waaronder het onder redelijke voorwaarden delen van kennis en intellectuele eigendom als daarmee productiecapaciteit kan worden opgeschaald. Gelukkig zien we ook vanuit bedrijven de wil om hieraan mee te werken. Zo hebben BioNTech en Sanofi bijvoorbeeld recent aangegeven samen te werken om productie op te schalen2. Ook andere bedrijven werken samen om de pandemie zo goed mogelijk aan te pakken.
Ik heb ook mijn steun aangeboden wanneer het zou gaan om de inzet van bedrijven in Nederland.
Welke rol zou de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) van de Wereldgezondheidsorganisatie hierin kunnen spelen?
Nederland steunt het beleid van de WHO om er voor te zorgen dat vaccins en geneesmiddelen beschikbaar komen voor iedereen, en er voor te zorgen dat intellectueel eigendom niet in de weg staat van eerlijke toegang voor armere landen en bevolkingsgroepen. Hiertoe bestonden al verschillende initiatieven, bijvoorbeeld de Medicines Patent Pool (MPP). In aanvulling daarop is de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) op verzoek van een aantal lidstaten opgericht. Met steun van de WHO en Unitaid heeft de MPP daarop haar mandaat uitgebreid tot alle COVID-19-gerelateerde gezondheidstechnologieën, waaronder vaccins en diagnostiek. De WHO heeft de afgelopen maanden consultaties gehad met de private sector om hen er toe te bewegen kennis en IP in de pool onder te brengen. U bent al eerder geïnformeerd (Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling COVID-19 vaccins» d.d. 18 december 2020, Kamerstuk 25 295, nr. 902) over het feit dat verschillende intellectuele eigendomsrechten gratis zijn aangeboden. Dit geldt echter niet voor rechten voor vaccins. Het is echter de vraag of dit eerlijke toegang tot vaccins wereldwijd ook daadwerkelijk belemmerd. Immers, uit recente gegevens van COVAX blijkt dat COVAX er in is geslaagd afspraken te maken met bestaande vaccinproducenten. Het kabinet is van mening dat wel voortdurend goed gekeken moet worden naar mogelijke knelpunten op het gebied van intellectuele eigendom die opschaling van productie en betaalbaarheid van COVID-19-vaccins zouden kunnen belemmeren. Nederland steunt daartoe actief de inzet van de Commissie om zorgen hierover serieus te onderzoeken en te bekijken of er op onderdelen pragmatische stappen nodig zijn.
Bent u bereid om in kaart te brengen welke andere fabrikanten de vaccins zouden kunnen produceren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bereid initiatieven te ondersteunen die leiden tot meer samenwerking, en waardoor het productieproces kan verbeteren. Het is uiteraard aan de producenten om aan te geven waar de grootste obstakels in het productieproces liggen en ook welke bedrijven daarbij een rol kunnen spelen om die op te lossen.
Zijn er fabrieken in de Nederland die dit vaccin zouden kunnen produceren?
Elk vaccin kent zijn eigen technologie en heeft andere grondstoffen nodig en brengt andere productieprocessen met zich mee. Het is dus niet eenvoudig om te antwoorden of en welke fabrieken die in Nederland staan het kunnen produceren.
En of daar überhaupt productiecapaciteit is. En voor de volledigheid: het is nu aan AstraZeneca om met oplossingen te komen voor hun problemen in de vaccinproductie. Echter zijn we wel bereid om te helpen indien nodig, dit in het verlengde van mijn antwoord op vraag 9.
In hoeverre kunnen dwanglicenties daarbij een rol spelen (met betrekking tot de vorige twee vragen)?
Het instrument dwanglicenties is, met toepassing van een zorgvuldig afwegingskader, een optie die het kabinet openhoudt. Een dwanglicentie komt echter pas in beeld als de octrooihouder niet bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden vrijwillig te verlenen, andere instrumenten niet helpen, inzet van de dwanglicentie proportioneel is richting octrooihouder en daadwerkelijk kan leiden tot beschikbaarheid van een vaccin. Het kabinet heeft geen indicatie dat een dergelijke situatie zich nu voordoet.
Kan bij Intravacc niet weer een productiefaciliteit worden opgebouwd met het oog op de toekomst?
Intravacc heeft nu geen voorzieningen voor de (grootschalige) productie van vaccins. Dat is op dit moment ook niet hun deskundigheid. Ondernemers die aan alle kwaliteits-, veiligheids- en vergunningseisen kunnen voldoen, kunnen in Nederland nieuwe productiefaciliteiten oprichten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus in de Kamer?
Ja
De ontheffing van de avondklok voor de jacht op zwijnen en vossen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ontheffing van avondklok voor jacht op zwijnen en vossen»?1
Ja.
Is het waar dat de Minister van LNV aan provincies en provinciale faunabeheereenheden gevraagd heeft om «ontheffingen te regelen voor de jacht op zwijnen en vossen»? Zo nee, is er vergelijkbare communicatie geweest waarop de KNJV (Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging) zich baseert? Zo ja, met welke partijen?
Het ministerie heeft in de derde week van januari, voorafgaand aan de invoering van de avondklok, verzoeken ontvangen van onder andere de KNJV over het in de nacht kunnen uitvoeren van noodzakelijk wildbeheer. Mijn ministerie heeft op 21 januari jl. aangegeven dat Rijk en provincies samen zouden bekijken wat de mogelijkheden zijn om nachtelijk wildbeheer uit te zonderen van de maatregelen horend bij de invoering van de avondklok. Op het moment van publicatie van het bericht waar u naar verwijst was er nog geen besluit genomen.
Beaamt u dat jacht geen uitzonderingsgrond is voor een ontheffing op de avondklok? Zo ja, wat is dan de wettelijke basis voor deze ontheffingen?
Jacht is geen uitzonderingsgrond voor de avondklok. Het beheer van wilde zwijnen om de aantallen te reduceren en zodoende de kans van introductie van Afrikaanse varkenspest zo klein mogelijk te maken, beschouw ik als een noodzakelijke werkzaamheid. In de regeling avondklok2 is een algemene uitzondering opgenomen voor het uitvoeren van noodzakelijke beroepsmatige werkzaamheden. Er is dus geen sprake van een specifieke uitzondering of ontheffing voor wildbeheer.
Ook het afhandelen van door aanrijding gewond geraakt wild (valwild) is een noodzakelijk werk. Andere vormen van wildbeheer en jacht die tijdens de uren van avondklok plaatsvinden zijn geen noodzakelijke werkzaamheden tijdens de uren van de avondklok. Dit is ook gecommuniceerd richting de KNJV en de faunabeheereenheden.
Kunt u aangeven welk doel gediend is met het verontrusten, bejagen en doden van vossen en zwijnen gedurende de nachtelijke uren?
In overleg met het Interprovinciaal Overleg (IPO) is besloten momenteel uitsluitend het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond geraakt wild dier tijdens de avondklokuren als noodzakelijke werkzaamheden te beschouwen. Het beheer van de wildezwijnenpopulaties is noodzakelijk om de kans van introductie van Afrikaanse varkenspest zo klein mogelijk te maken. De noodzaak van het verkleinen van populaties wilde zwijnen is onder andere verwoord in het Plan van Aanpak «besmetting van wilde zwijnen met AVP»3 en in de Roadmap «preventie introductie AVP», die vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd4.
Deelt u de mening dat er gedurende de nachtelijke uren op geen enkele wijze sociale controle uitgeoefend kan worden op de jacht en dat BOA’s of jachtopzichters niet zelden in dienst van de jagers zijn?
Die mening deel ik niet.
Waarom kiest u voor een centrale oproep om ontheffingen af te geven, waar u in andere gevallen doorgaans kiest voor decentrale verantwoordelijkheden met betrekking tot de jacht?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangeef is er geen sprake van ontheffingen. Bovengenoemd besluit is in samenspraak met het IPO tot stand gekomen om te zorgen voor een zo eenduidig mogelijk beleid.
Hoe verhoudt deze oproep zich tot een recente uitspraak van de rechtbank in Den Haag, die de ontheffing op nachtelijk jagen op vossen heeft verboden in Zuid-Holland?2
Zoals hierboven aangegeven beschouw ik op dit moment alleen het beheer van wilde zwijnen als noodzakelijke werkzaamheid. Dit dient te gebeuren binnen alle geldende regels en ontheffingen.
In welke andere Europese landen krijgen jagers ontheffing van coronapreventie, zoals de avondklok?
Zowel in België als in de aan Nederland grenzende Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen zijn er uitzonderingen in de regelgeving zodat urgente jachtactiviteiten kunnen worden uitgevoerd. Specifiek wordt hier ook het beheer van zwijnenpopulaties ter voorkoming van epidemieën zoals de Afrikaanse Varkenspest benoemd.
Beaamt u dat het gebruik van lichtbakken, restlichtversterkers, nachtzichtapparatuur en geluidsdempers in de regel beschouwd wordt als een onwenselijke stropersmethode? Zo nee, waarom niet?
Wildstroperij is geen wettelijk gedefinieerde term, in de volksmond wordt hiermee bedoeld het bemachtigen en doden van dieren zonder hiervoor het wettelijke recht te hebben. Er zijn derhalve ook geen «stropersmiddelen», alleen middelen die al dan niet wettelijk mogen worden ingezet voor het bemachtigen en doden van dieren. Conform art. 3.25 en 3.26 van de Wet natuurbescherming kunnen provincies ontheffing afgeven voor het gebruik van de genoemde middelen indien de noodzaak goed kan worden gemotiveerd. Wanneer deze middelen op de juiste en ontheven manier worden gebruikt, is er geen sprake van wildstroperij.
Naast een ontheffing voor het gebruik van de middelen moet de gebruiker ook over een jachtakte beschikken op grond van de Wet wapens en munitie. Als zonder jachtakte en/of ontheffingen beschermde dieren worden bemachtigd/gevangen/gedood, is dat strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Waarom zouden jagers dieren gemakkelijker kunnen benaderen in het donker dan overdag en hoe verhoudt die noodzaak zich tot een vermeende overpopulatie?
Wilde zwijnen zijn in de meeste gebieden in Nederland door recreatie en andere menselijke activiteiten ’s nachts actief. Effectief afschot is daarom eigenlijk alleen mogelijk in die uren. Bovendien kunnen de dieren in de nacht minder goed zien, waardoor het zwijn een jager niet snel opmerkt. Het beheer van wilde zwijnen vindt, net als in andere jaren, hoofdzakelijk na zonsondergang en voor zonsopkomst plaats. Hierin verandert dus niets in vergelijking met de situatie onder «normale» omstandigheden.
Welke invloed heeft nachtelijke bejaging op de verkeersveiligheid en het oversteekgedrag van opgejaagde dieren, in de randen van de nacht en vroege ochtend?
Het gaat in dit geval om het beheer van wilde zwijnen. De wijze waarop die worden geschoten leidt niet tot een wezenlijke vergroting van de normale nachtelijke bewegingen van wilde zwijnen – de dieren worden niet opgejaagd. Deze vorm van beheer is niet van invloed op de verkeersveiligheid.
Hoe past de door u bepleite ontheffing zich tot het zoveel mogelijk beperken van ontheffingen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangeef is er geen sprake van ontheffingen.
Is er een formeel of informeel verzoek bij u ingediend waarin gepleit werd voor ontheffing van de avondklok? Zo ja, van wie was dat verzoek afkomstig en kunt u dat met de Kamer delen? Zo nee, waardoor werd uw initiatief dan ingegeven?
Er zijn bij mij informele verzoeken binnengekomen vanuit de KNJV, de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG), een provincie en enkele faunabeheereenheden uit provincies waar de varkenspestproblematiek speelt. Deze benadrukten de noodzaak van het beheer van wilde zwijnen in het kader van de preventie van Afrikaanse varkenspest.
In de correspondentie staan persoonlijke gegevens. Gelet op de benodigde zorgvuldigheid zal de gevraagde informatie op een later moment worden nagestuurd.
Kunt u deze vragen gelet op de urgentie van invoering van de avondklok en het ontheffingenbeleid binnen een week beantwoorden?
De vragen zullen binnen de termijn worden beantwoord.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Ja.
De verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs per 1 september 2020 voor drie maanden de bekostiging gedeeltelijk (15 procent) van de Joodse school Cheider heeft opgeschort?1
Ja, dat klopt.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs tot deze maatregel is overgegaan door zorgen over de sociale veiligheid van leerlingen en een gebrek in het wettelijk verplichte onderwijsaanbod over seksualiteit en levensbeschouwing?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat ook het financiële beheer van de school tekort zou schieten volgens de Inspectie van het Onderwijs?
De Inspectie ziet financiële risico’s voor de continuïteit van het onderwijs. De continuïteit is één van de onderdelen waarop de inspectie het kwaliteitsgebied Financieel beheer beoordeelt.
Klopt het eveneens dat de Inspectie van het Onderwijs tot de conclusie kwam dat Cheider te weinig zou doen om de zaken te verbeteren?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven wanneer de Inspectie van het Onderwijs overgaat tot opschorting van (gedeeltelijke) bekostiging van een school?
De Inspectie kan alleen overgaan tot opschorting van de bekostiging van de school indien één of meer onderdelen van de wet- en regelgeving niet worden nageleefd. Indien de Inspectie na onderzoek heeft geconstateerd dat er sprake is van een overtreding van de wet- en regelgeving, dan biedt de Inspectie eerst tijd om de overtreding te herstellen. Indien na deze hersteltermijn een schoolbestuur nog steeds in gebreke blijft, en er geen zicht is op concrete verbetering, dan kan de Inspectie overgaan tot opschorting van de bekostiging.
Klopt het niet dat het doel tot het nemen van een bekostigingsmaatregel is dat de school nu eindelijk eens werk gaat maken van de conclusies van de Inspectie van het Onderwijs, zodat ze zo snel als mogelijk voldoen aan de wettelijke vereisten? En dat een bekostigingsmaatregel dus als doel heeft een school zo snel als mogelijk te bewegen om aan deze voorwaarden te voldoen?
Het oogmerk van het opschorten of inhouden van subsidie of bekostiging is primair het herstellen van een met de wet strijdige situatie. Het gaat erom een gedragsverandering bij het bestuur van de onderwijsinstelling te bewerkstelligen gericht op naleving van de wet- en regelgeving. Daarnaast mag worden aangenomen dat van dergelijke sancties een preventief effect uitgaat. Voordat inhouding van de bekostiging plaatsvindt, vindt in eerst opschorting plaats. Indien de wettelijke voorschriften alsnog door de school of instelling worden nageleefd, worden de opgeschorte bedragen alsnog uitbetaald. Ingehouden bedragen worden uiteraard niet nabetaald.
Hoe beoordeelt u dan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van het opschortings- en inhoudingsbesluit, dat de bekostigingsmaatregel opgeschort dient te worden tot na uitspraak in de bodemprocedure vanwege de verregaande gevolgen van de maatregel? Is dat niet juist het doel van de maatregel, dat het gevolgen heeft voor de betreffende school? Op welke manier wordt in de tussentijd de sociale veiligheid van leerlingen op deze school dan gewaarborgd?
De rechter heeft vastgesteld dat Cheider aan de hand van overlegde financiële gegevens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt. Bij de uitspraak heeft de rechter enerzijds het belang van Cheider meegewogen, namelijk het voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat doordat de continuïteit van het onderwijs in gevaar komt door het wegvallen van de benodigde bekostiging. Anderzijds heeft de rechter ook het belang van de Minister meegewogen om, door middel van een effectief handhavingsbeleid, veranderingen in het gedrag bij Cheider te bewerkstelligen omdat Cheider, naar het oordeel van de Minister, wettelijke voorschriften heeft overtreden. De voorzieningenrechter is van mening dat het belang van Cheider bij het voorkomen van onomkeerbare gevolgen zwaarder weegt. De rechter heeft de sanctiebesluiten geschorst tot zes weken na de beslissing(en) op bezwaar. De bezwaarprocedure tegen het opschortings- en inhoudingsbesluit loopt nog. Deze zal zo spoedig mogelijk worden afgehandeld. Vervolgens zal de inspectie kijken naar eventuele vervolgstappen. Intussen is en blijft het bestuur verantwoordelijk voor de sociale veiligheid van de leerlingen op deze school.
Wat zijn de volgende stappen die u gaat nemen om te garanderen dat de sociale veiligheid op het Cheider wordt gewaarborgd, dat ze zo snel als mogelijk gaan voldoen aan de wettelijke vereisten in het onderwijsaanbod als het gaat om seksualiteit en levensbeschouwing en dat het financiële beheer van de school weer in orde is?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat bij slechte prestaties van schoolbesturen, er zo snel als mogelijk ingegrepen dient te worden zodat we voorkomen dat we leerlingen blootstellen aan sociaal onveilige situaties of wanneer het onderwijs niet voldoet aan de wettelijk eisen?
Het is zeker mijn wens dat alle leerlingen onderwijs krijgen in een veilige situatie met onderwijs dat voldoet aan alle wettelijke eisen. Het bestuur is daarvoor verantwoordelijk. De Inspectie heeft de mogelijkheid om bij tekortkomingen herstelopdrachten te geven en herstelsancties op te leggen, om een schoolbestuur te bewegen alsnog aan de wettelijke voorschriften te voldoen. Daarbij dienen rechterlijke uitspraken te worden gerespecteerd. Zoals in het antwoord op vraag 7 al aangegeven: de bezwaarprocedure tegen het opschortings- en inhoudingsbesluit loopt nog. Deze zal zo spoedig mogelijk worden afgehandeld. Vervolgens zal de inspectie kijken naar eventuele vervolgstappen.
Het nieuws dat jagers worden uitgezonderd van de avondklok |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontheffing van avondklok voor jacht op zwijnen en vossen»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u ervoor kiest om uitzonderingen op de avondklok toe te staan voor jagers?
Zoals ik ook heb aangegeven in mijn antwoorden op de vragen van het lid Wassenberg, is in overleg met het IPO besloten momenteel uitsluitend het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond geraakt wild tijdens de avondklok als noodzakelijke werkzaamheden te beschouwen. Het beheer van de wildezwijnenpopulaties is noodzakelijk om een uitbraak van Afrikaanse varkenspest te voorkomen. Een van de manieren om de kans op insleep van het virus te verkleinen is het reduceren van populaties wilde zwijnen. Het afschot is daarvoor de geëigende methode. We zetten nog meer acties en maatregelen in om de risico’s verder te verkleinen. Deze zijn opgenomen in de Roadmap Preventie introductie AVP die vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd.
Wat is volgens u de urgentie om nu op korte termijn afschotmaatregelen te nemen tegen groot wild?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich voorstellen dat mensen boos worden als zij lezen dat zij omwille van de volksgezondheid na 21.00 uur niet de straat op mogen terwijl dit ondertussen wel wordt toegestaan voor mensen die op pad gaan om dieren te doden?
Dat kan ik mij voorstellen, daarom heb ik in de berichtgeving ook benadrukt dat alleen het beheer van wilde zwijnen een noodzakelijke werkzaamheid is, alle andere vormen van wildbeheer zijn op dit moment geen noodzakelijke werkzaamheden. Jagers dienen zich tijdens de werkzaamheden te houden aan alle andere beperkende maatregelen die zijn genomen om SARS-CoV-2 te bestrijden en verspreiding ervan tussen mensen te minimaliseren.
Deelt u de mening dat buitensporige verstoring van het leefgebied van zwijnen en vossen in natuurgebieden ook op andere wijze kan worden voorkomen dan door afschot?
Nee die mening deel ik niet. Het beheer van wilde zwijnen vindt net als in andere jaren hoofdzakelijk na zonsondergang en voor zonsopkomst plaats. Hierin verandert dus niets in vergelijking met de situatie onder normale omstandigheden. Het beheer van populaties wilde dieren in de nachtelijke uren leidt niet tot een buitensporige verstoring van het leefgebied. Het beheer is noodzakelijk om groei van de populatie tegen te gaan. De zwijnenpopulaties dienen in stand te worden gehouden in de aangewezen leefgebieden. Daarbuiten geldt die verplichting niet. De provincies houden bij het beheer rekening met diverse belangen, waaronder verkeersveiligheid, vraatschade en risico’s van dierziekten.
Deelt u de mening dat deze uitzonderingspositie op de avondklok voor jagers per direct dient te worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in het antwoord op vragen 2 en 3 aangeef zie ik het beheer van wilde zwijnen als noodzakelijk in het kader van de preventie van Afrikaanse varkenspest.
Het bericht ‘Nieuwkoopse stikstofboeren krijgen tonnen subsidie van minister Schouten voor project: ‘Dit moeten we een kans geven’‘ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat vijftig melkveehouders rond de Nieuwkoopse Plasssen 300.000 euro subsidie van het Ministerie van LNV en 200.000 euro subsidie van de provincie Zuid-Holland krijgen voor een onderzoek naar emissie-arme melkveehouderij?1
Er is behoefte aan kennis en inzicht om de bedrijfsprocessen te verduurzamen, met name op het gebied van ammoniak. Deze kennis is de basis voor innovatie. Door LNV is voor deze pilot € 300.000 toegezegd, de provincies Zuid-Holland en Utrecht hebben de bereidheid uitgesproken om ook bij te dragen maar moeten het bedrag nog vaststellen.
Klopt het dat als onderdeel van de pilot de benodigde innovatie betaald zou worden door andere bedrijven door middel van het verleasen van ammoniakuitstoot? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de subsidies van het ministerie en de provincie?
De intentie is om er voor te zorgen dat de via saldering te verwaarden maatregelen niet met overheidssubsidie gerealiseerd worden. Zowel in de nog op te stellen Beleidsregel voor het verleasen vanuit innovatie als bij de subsidieverlening zal hier aandacht aan worden besteed mede vanwege staatssteunregels. De subsidie vanuit mijn ministerie is gericht op het vergroten van kennis en niet op het treffen van fysieke maatregelen.
Klopt het dat de milieuwinst in de vorm van ammoniakuitstoot wordt verleaset aan andere bedrijven? Zo ja, wordt deze milieuwinst daadwerkelijk uitgesloten van de extern salderen-maatregel door de provincie?2
Er wordt voor de pilot in de Nieuwkoopse plassen een constructie van samenhangende regels voorzien waarbij saldering tijdelijk of permanent mogelijk wordt gemaakt, maar beperkt wordt tot saldering van innovatieruimte. Bij tijdelijke saldering kan er tussen de private partijen sprake zijn van een leasecontract met een langere termijn. Van belang daarbij is dat niet de volledige door innovatie verkregen winst zal worden gesaldeerd, maar 56% hiervan. De overige 44% komt ten goede aan de natuur.
Wordt er helemaal geen stikstofruimte teruggeven aan de natuur, waar in de eerste berichtgeving nog sprake van was?3
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat maar 70% van de verleasde stikstofruimte ingezet kan en mag worden gedurende de looptijd van de overeenkomst, zoals is toegezegd? Zo ja, hoe is het mogelijk dat de provincie Zuid-Holland een uitzondering geeft? Zo nee, hoeveel procent van de verleaste stikstofruimte wordt teruggegeven aan de natuur?4
Zie antwoord vraag 3.
Rechtvaardigt dit de investering bezien vanuit de afspraken die reeds zijn gemaakt rondom emissiebeperkingen en -plafonds?
De pilot zal uit moeten wijzen of er door middel van het verleasen van een deel van de bespaarde stikstofreductie een sluitend verdienmodel te maken is om de innovatie in het gebied te versnellen en daarmee de totale uitstoot te verlagen.
Kunt u toelichten hoe deze casus past in de pas aangenomen stikstofwetgeving?
Het voorstel voor de Wet stikstofreductie en natuurverbetering dat onlangs is aangenomen, strekt ertoe de structurele aanpak wettelijk te verankeren. Het hoofddoel van de structurele aanpak is het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitattypen. Salderingstechnieken zoals verleasen, die tot doel hebben om – onder voorwaarden – toestemmingverlening mogelijk te maken, zijn geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel.
Deze werkwijze beoogt echter wel de stikstofemissie versneld te verminderen en een substantieel deel van die reductie ten goede te laten komen aan de natuur. De vormgeving van de pilot zorgt ervoor dat de betrokken boeren gestimuleerd worden een uiterste inzet op stikstofreductie te plegen en hun bedrijf een gezonde toekomst te geven. Daarnaast ondersteun ik deze boeren om hun bedrijfsvoering te verduurzamen, waarmee emissies afnemen.
Op welke manier past deze uitzondering binnen de voorgenomen reductiedoelstelling voor stikstof die reeds binnen de structurele aanpak stikstof is afgesproken en die geldt voor alle agrarische ondernemers in Nederland? Is hier sprake van een gelijk speelveld?
De aanpak in deze pilot vind ik belangrijk vanwege de versnelling die deze kan geven in het optimaal reduceren van stikstofemissie, het toekomstperspectief dat het geeft aan de betrokken boeren en de verlaagde stikstofdepositie op de natuur. Indien de pilot de verwachtingen waarmaakt zal dit het bereiken van de reductiedoelstelling plaatselijk versnellen.
Zit er een maximum aan het aantal keer dat de stikstofruimte door deze ondernemers verleaset mag worden?
Er zal bij tijdelijke saldering (met onderliggend leasecontract tussen private partijen) sprake zijn van een maximale periode dat de ruimte beschikbaar kan worden gesteld. Deze periode wordt vastgelegd in de provinciale beleidsregels. Het is aan de ondernemer of de ruimte in één keer of in meerdere kleine delen binnen deze periode beschikbaar wordt gesteld.
Op welke manier past deze uitzondering op het extern salderen bij het aangekondigde Omschakelprogramma waarbij integraal bijgedragen moet worden aan het vergroten van de biodiversiteit, vermindering van externe inputs en verbeteren van de bodemkwaliteit?5
Met het omschakelprogramma beoog ik boeren perspectief te bieden en wil ik ze stimuleren en ondersteunen om versneld om te schakelen naar stikstofarme(re) en meer duurzame agrarische bedrijfsvoering.
Het Investeringsfonds is de kern van het Omschakelprogramma, met het fonds zullen op basis van goedgekeurde bedrijfsplannen achtergestelde leningen (risicodragend kapitaal) worden verstrekt aan agrarische ondernemers die willen investeren in de omschakeling naar een meer extensieve en/of meer circulaire bedrijfsvoering. Hierbij wil ik benadrukken dat het echt om een omschakeling in het bedrijfssysteem moet gaan, het Investeringsfonds ondersteunt de investeringen die nodig zijn voor het realiseren van het integrale bedrijfsplan voor omschakeling. Dat betekent dat een ondernemer die bijvoorbeeld enkel een stal renoveert en daarvoor middelen aanvraagt uit het Investeringsfonds niet in aanmerking zal komen. Over de voorwaarden en aanmeldingsprocedures van de pilot van het Investeringsfonds zal ik u later dit voorjaar nader informeren.
De pilot in de Nieuwkoopse plassen heeft een bredere doelstelling dan het verlagen van de stikstofuitstoot door innovatieve stalsystemen en mestopslag. Ook andere mogelijkheden om in de bedrijfsvoering te komen tot emissiereductie zijn onderdeel van de pilot. Daarmee zie ik geen spanning tussen deze aanpak en de doelen van het Omschakelprogramma.
Komt de verleaste stikstofruimte na de verleaseperiode weer tot de vrije beschikking van de ondernemer?
De afroming van 44% is permanent. Bij het kortstondige verleasen wat in veel provincies mogelijk is gemaakt komt de volledige ruimte na de verleaseperiode weer terug bij de ondernemer. In de pilot kan slechts 56% van de ruimte weer teruggaan naar de ondernemer. Daartoe zal de ondernemer dan wel een aanvraag moeten indienen bij het bevoegd gezag voor een project of plan waarvoor deze of minder ruimte nodig is.
Klopt het dat deze ondernemer die stikstofruimte kan gebruiken voor het vergroten van de veestapel, onder het gebruikelijke voorbehoud van fosfaatrechten en de regels rondom grondgebondenheid? Zo ja, in hoeverre zorgt de pilot daarmee voor een versnelling van de reductie van stikstofuitstoot rondom de Nieuwkoopse Plassen ten opzichte van het huidige voorgenomen stikstofbeleid?
Binnen de specifieke beleidsregels voor de pilot zou het voor een deelnemende veehouder inderdaad mogelijk zijn om met een deel van de bespaarde emissieruimte zijn bedrijf uit te breiden. Ook voor een eventuele uitbreiding geldt dat die optimaal stikstofemissie moet reduceren. Door het samenstel van prikkels, de betrokkenheid van de boeren in het gebied en de afroming voor de natuur zal er sneller gekomen worden tot investeringen in de boerderijen in het gebied en tot reductie van de depositie. Daarnaast wordt er een voorbeeld gegeven voor versnelde verschoning voor de sector als geheel.
Deelt u de mening dat subsidiëring van innovatie nodig is om de transitie in te zetten naar een nieuwe vorm van landbouw waarbij de natuur ook wordt hersteld? Zo ja, hoe zorgt u dat extern salderen ook daadwerkelijk reductie oplevert, met inachtneming van de mogelijkheid om te salderen met latente ruimte? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillende programma’s voor de ondersteuning van innovatie en transitie in de landbouw, die ik erg belangrijk vind. Daarbij kunt u onder andere denken aan de Subsidieregeling brongerichte verduurzaming en het Omschakelprogramma. Daarnaast juich ik initiatieven als in de Nieuwkoopse plassen toe om andere financieringsbronnen te vinden. Als uit innovaties ruimte ontstaat om extern te salderen, borgen de beleidsregels intern en extern salderen dat er daadwerkelijk depositiereductie optreedt.
Het bericht 'Egypte: doden in gevangenissen na marteling en slechte medische zorg' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Egypte: doden in gevangenissen na marteling en slechte medische zorg» d.d. 25 januari jl?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het inhoud van het rapport «What do I care if you die» van Amnesty International?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het rapport van Amnesty International?
Het Amnesty International rapport schetst een zorgwekkend beeld, waaronder de situatie waarin vele personen soms jarenlang vastzitten zonder toegang tot goede gezondheidszorg. Naar aanleiding van het Amnesty International rapport is er contact geweest met de Egyptische autoriteiten waarbij zij hun visie hebben gegeven op de situatie in Egyptische gevangenissen.
Deelt u de zorgen over de mensenrechtensituatie in Egyptische gevangenissen? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen jaren is de algehele mensenrechtensituatie in Egypte en die in Egyptische gevangenissen verslechterd. Maatschappelijke organisaties brengen met enige regelmaat berichten naar buiten over de slechte omstandigheden in het Egyptische gevangeniswezen. Veel gevangenen, inclusief politieke gevangenen, zitten jarenlang vast zonder te worden aangeklaagd of berecht.
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 januari jl. (zie verslag dd. 29-01-2021, Kamerstuk 21 501-02, nr. 2265) werd de mensenrechtensituatie in Egypte besproken. Vele LS hebben zorgen over die situatie. Ook Nederland is hierop ingegaan. Zorgen hieromtrent worden door Nederland en andere landen daarnaast in zowel bilateraal als multilateraal verband aangekaart. Tijdens de Universal Periodic Review van 2019 heeft Egypte meerdere aanbevelingen gekregen over de omstandigheden in het gevangeniswezen, waaronder het gebrek aan adequate medische zorg.
Wat vindt u van de wijze waarop politieke gevangen in Egypte worden behandeld?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat als er sprake is van het bewust ontzeggen van toegang tot gezondheidszorg als straf en het zwaar lijden of pijn veroorzaakt, het gaat het om marteling? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het VN verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat zowel Nederland als Egypte hebben geratificeerd. Nederland heeft dit ter sprake gebracht bij de Egyptische autoriteiten in bilateraal en multilateraal verband.
Bent u bereid per omgaande met uw Europese collega’s in overleg te treden om de Egyptische autoriteiten op te roepen om mensen die willekeurig gevangen zijn gezet vrij te laten? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 25 januari jl. werd de brede mensenrechtensituatie in Egypte besproken waarbij Nederland zorg uitsprak over de situatie (zie ook antwoord op vraag 4 en 5). In VN- en EU-verband worden zorgen overgebracht over arbitraire detentie en de omstandigheden in Egyptische gevangenissen. Tijdens de eerste maanden van de COVID-19 crisis heeft Nederland samen met gelijkgestemde landen via diplomatieke kanalen de Egyptische autoriteiten opgeroepen om de gevangenispopulatie te verkleinen door de meest kwetsbare groepen – zoals ouderen en gedetineerden met onderliggende gezondheidsproblemen – vrij te laten.
Bent u bereid per omgaande met uw Europese collega’s in overleg te treden om de Egyptische autoriteiten op te roepen om de kwetsbaarste gevangenen vrij te laten, zoals ouderen en gevangenen met onderliggende gezondheidsproblemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat alle gedetineerden toegang moeten krijgen tot goede gezondheidszorg zoals een Covid-19-vaccinatie, zonder enige vorm van discriminatie? Zo ja, op welke wijze gaat u dit in bilateraal en/of multilateraal verband bij de Egyptische autoriteiten onder de aandacht brengen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft dit bij de Egyptische autoriteiten onder de aandacht gebracht. In gesprekken met de Egyptische mensenrechtenambassadeur heeft Nederland zorgen uitgesproken over het verlenen van adequate gezondheidszorg voor alle gedetineerden in Egyptische gevangenissen. In toekomstige dialoog zal Nederland, waar mogelijk, ook de toegang tot Covid-19-vaccinaties benadrukken.
Het bericht 'Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de AvroTros Radar-uitzending over de Ballerine?1
Patiëntveiligheid bij medische hulpmiddelen en in het bijzonder implantaten staan voor mij voorop. Ik begrijp heel goed dat de mediaberichten tot ongerustheid leiden bij vrouwen met de Ballerine spiraal en er onduidelijkheid heerst onder zorgverleners over de veilige toepassing daarvan. Deze kwestie heeft mijn volle aandacht. De signalen over de Ballerine spiraal waren reeds bekend bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zij zal op korte termijn de problematiek nader geduid hebben en indien nodig passende maatregelen nemen. Daarnaast was al voor de uitzending, op basis van de ingekomen meldingen bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI), een attendering in voorbereiding. Een dergelijke waarschuwing is bedoeld om (kennis over) al eerder geïdentificeerde risico’s bij het gebruik van implantaten in de dagelijkse praktijk te verspreiden onder zorgverleners en patiënten. Per 26 mei 2021 is de Europese Medical Device Regulation (MDR) van toepassing, die nog strengere eisen zal stellen aan het op de markt komen en blijven van medische hulpmiddelen. Ik ben ervan overtuigd dat dit de patiëntveiligheid zeker ten goede zal komen.
Welke meldingen rondom de Ballerine zijn bij u bekend? Hoeveel vrouwen gebruiken thans in Nederland een Ballerine?
Er zijn diverse kanalen waar klachten en bijwerkingen kunnen worden gemeld. Het is belangrijk dat zorgverleners, patiënten en fabrikanten dat ook laagdrempelig blijven doen, zodat mogelijke problemen met de Ballerine spiraal goed zichtbaar worden en met betrokken partijen kunnen worden aangepakt.
Voor het melden van bijwerkingen bij implantaten heb ik in 2017 het MEBI opgericht. Zowel zorgverleners als patiënten kunnen hierin melden. Het MEBI heeft tussen 24 januari 2020 (datum eerste melding) en 19 januari 2021 33 meldingen ontvangen over de Ballerine spiraal. 31 meldingen kwamen van zorgverleners en 2 van patiënten. De meldingen gaan vooral over (gedeeltelijke) uitstoting van het spiraaltje of onverwachte zwangerschap. Op basis van het aantal meldingen in MEBI was reeds een attendering in voorbereiding, waarmee zorgverleners en patiënten actief geïnformeerd worden over de geïdentificeerde risico’s.
Het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ heeft voor de uitzending 1 melding van een patiënt ontvangen en sindsdien geen nieuwe. Het betreft een uitstoting met onverwachte zwangerschap.
Distributeur Titus Health Care heeft aangegeven 258 klachten uit Nederland aan de fabrikant te hebben doorgegeven over voornamelijk het uitstoten van het spiraaltje door het lichaam, maar ook perforaties en onverwachte zwangerschappen. Deze klachten zijn niet allemaal door de fabrikant bij de IGJ gemeld. Dat hoeft ook niet altijd, bijvoorbeeld omdat het reeds bekende complicaties en bijwerkingen betreffen die in lijn zijn met reeds bestaande vergelijkbare spiraaltjes.
Fabrikanten en zorgverleners zijn wettelijk verplicht incidenten en calamiteiten te melden bij de IGJ. In 2020 ontving de IGJ 5 meldingen, alle via de fabrikant (OCON). Het gaat concreet om 5 perforaties, waarvan 4 tot een onverwachte zwangerschap hebben geleid. Zorgverleners hebben in 2020 dus geen meldingen gedaan bij de IGJ.
De Ballerine spiraal is sinds april 2019 in Nederland op de markt. De distributeur heeft aan de IGJ aangegeven dat in de periode van april 2019 t/m december 2020 7682 Ballerine spiraaltjes zijn geleverd in Nederland. Hiervan zal mogelijk nog een gedeelte op voorraad liggen bij zorgaanbieders en nog niet zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het advies van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), die als richtlijn hebben aangegeven dat de Ballerine geen eerste keus spiraal is omdat onvoldoende gerandomiseerd onderzoek is gedaan om de veiligheid en efffectiviteit van de Ballerine aan te tonen?
Het is aan de notified body om te beoordelen of voldoende klinisch bewijs is geleverd ter onderbouwing van de veiligheid en effectiviteit van het medisch hulpmiddel. De bevoegde autoriteit van het betreffende land houdt vervolgens toezicht op de notified body. Ik ga ervan uit dat ook in dit geval de gebruikelijke procedure adequaat doorlopen is. Uiteraard hecht ik grote waarde aan het aantonen van de effectiviteit en veiligheid van het spiraaltje met gepast onderzoek. Om er zeker van te zijn dat de Ballerine spiraal voldoet aan deze criteria voor markttoelating heeft de IGJ de Franse inspectie (ANSM) en de Franse notified body (LNE/G-MED) om nadere duiding gevraagd. Zo wordt de eventuele problematiek rondom de Ballerine spiraal op korte termijn in kaart gebracht, zodat vervolgens waar nodig passende maatregelen zullen worden genomen. Onder de MDR die op 26 mei 2021 van toepassing wordt, zullen de criteria voor klinisch bewijs strenger zijn.
Het Geneesmiddelen Bulletin raadt het gebruik af omdat de meerwaarde en veiligheid ten opzichte van de klassieke koperhoudende spiraaltjes niet is aangetoond, is dat voor u aanleiding om de fabrikant te verzoeken de Ballerine van de markt te halen? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u niet dat bij herregistratie van de Ballerine de werkzaamheid en veiligheid via deugdelijk gerandomiseerd onderzoek moeten worden aangetoond, waarbij groepen vrouwen worden vergeleken die hetzij de klassieke koperhoudende spiraal dragen, hetzij de Ballerine conform het advies van het Geneesmiddelenbulletin?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar misstanden rondom de Ballerine, bijvoorbeeld of er sprake is van ongewenste belangenverstrengeling tussen hulpverleners en Titus Health Care? Hoe is precies de relatie tussen het Vrouwen Medisch Centrum 's-Hertogenbosch, dat kennelijk allemaal spiraaltjes van Titus Health Care plaatst? Krijgt het Vrouwen Medisch Centrum daarvoor betaald of krijgt ze de spiralen tegen korting of zelfs gratis?3
De IGJ is alert op gunstbetoon en volgt marktontwikkelingen nauwgezet. Op dit moment ziet de IGJ geen aanleiding voor een onderzoek naar belangenverstrengeling.
De NHG-Richtlijn voor Anticonceptie4 geeft de behandelaar voor het plaatsen van een koperspiraal twee voorkeuren. De individuele behandelaar kan in samenspraak met de patiënt hiervan afwijken en een ander op de Nederlandse markt te verkrijgen koperspiraaltje plaatsen, zoals de Ballerine spiraal. Volgens Radar plaatste het Vrouwen Medisch Centrum (VMC) in 2020 413 spiralen, waarvan 141 Ballerine spiraaltjes. Hieruit is op te maken dat het VMC ook andere spiralen plaatst.
In het Transparantie Register Zorg is geen relatie tussen Titus Health Care en VMC gemeld in 2019. Aangenomen kan worden dat er in 2019 in ieder geval geen financiële relatie was tussen Titus Health Care en VMC. Het verstrekken van korting bij de inkoop van medische hulpmiddelen aan een instelling is wettelijk toegestaan en zal in de contracten moeten zijn opgenomen.
Wat is het oordeel van het bijwerkingencentrum voor hulpmiddelen, het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van het RIVM? Is het juist dat het MEBI 24 meldingen over bijwerkingen van de Ballerine heeft ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot andere spiraaltjes die vrouwen dragen?
Inmiddels heeft het MEBI t/m 19 januari jl. 33 meldingen ontvangen. Zoals eerder aangegeven in antwoorden op vraag 1 en 2, komt MEBI op korte termijn met een attendering.
De IGJ onderzoekt of het aantal bijwerkingen met de Ballerine spiraal afwijkt van wat verwacht mag worden en of er aanleiding is om maatregelen te treffen.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie over steekproefsgewijze controle en beoordeling van de documentatie die ten grondslag heeft gelegen aan markttoegang voor een implantaat door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Gebeurt dit?4
In mijn voortgangsbrief medisch hulpmiddelen beleid d.d. 9 oktober 20206 aan de Kamer heb ik u reeds laten weten dat het controleren van documentatie die ten grondslag ligt aan de markttoelating, op dit moment al onderdeel uitmaakt van het toezicht op implantaten. De IGJ vraagt fabrikanten en notified body’s regelmatig om technische documentatie en inzicht in de klinische onderbouwing van een implantaat, bijvoorbeeld in het kader van het toezicht op het werk van notified body’s of de onderzoeken die het RIVM voor de IGJ uitvoert naar bepaalde typen implantaten. Zo nodig neemt de IGJ maatregelen. Gaat het om een buitenlands bedrijf, dan vraagt de IGJ de toezichthouder in dat land om maatregelen te nemen. Omdat hier sprake is van Europese samenwerking, werkt de IGJ in het toezicht ook veel samen met andere toezichthouders van de EU-lidstaten.
Is de IGJ bereid om op korte termijn haar oordeel te vellen over de Ballerine en de klachten die haar hebben bereikt en een signaal af te geven?
De IGJ werkt momenteel aan een duiding van alle informatie, waaronder het lopende onderzoek van de betrokken notified body naar de Ballerine spiraal. IGJ zal een samenvatting van de uitkomsten van de gedane duiding publiceren op haar website. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven zal de IGJ in samenspraak met de Franse toezichthouder passende maatregelen treffen. Afhankelijk van de bevindingen kan dit bijvoorbeeld variëren van de fabrikant een correctieve actie laten uitvoeren, de notified body verzoeken het CE-certificaat te schorsen totdat tekortkomingen zijn opgelost, tot het compleet uit de handel laten halen van de spiraal.
Is de kwestie met de Ballerine nog aanleiding voor u om een onafhankelijke notified body (aangemelde instantie) te bewerkstelligen, die als een college beoordeling implantaten, implantaten beoordeelt zonder commerciële drijfveren?
Tijdens de onderhandelingen over de nieuwe verordeningen voor medische hulpmiddelen en diagnostische testen is in Europees verband lang en intensief gesproken over de wijze waarop de veiligheid en effectiviteit van medische hulpmiddelen, waaronder implantaten, het best verbeterd kon worden. Er was brede steun bij zowel lidstaten, het Europees parlement als de Europese Raad, om het bestaande stelsel met een beoordeling door een notified body verder aan te scherpen. Ik sta achter deze keuze voor behoud van het huidige stelsel van certificering door een notified body, aangevuld met de extra waarborgen die de verordeningen straks bieden. Dit systeem waarin een beoordeling door een aangemelde instantie die onder toezicht staat van de IGJ, centraal staat, biedt de beste waarborg om de benodigde kennis en expertise om medische hulpmiddelen te beoordelen, op de juiste manier in te zetten. Door een zorgvuldige beoordeling voorafgaand aan de markttoelating van het medisch hulpmiddel, in combinatie met een goede monitoring van een hulpmiddel na markttoelating, kunnen risico’s straks beter en sneller worden erkend en kunnen gepaste maatregelen worden genomen. Een vergelijking met landen waar de overheid een grotere invloed heeft op de toets voorafgaand aan markttoelating, laat zien dat zich in die landen vergelijkbare risico’s voordoen, nadat hulpmiddelen tot de markt zijn toegelaten. De keuze voor een dergelijk stelsel kan deze risico’s dus niet wegnemen.
Het bericht dat er mogelijk bezuinigd gaat worden op de kinderbijslag |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitkeringsorganisaties maken meer kosten, en ouders mogen het betalen»?1
Ja.
Waarom moeten gezinnen met kinderen de rekening betalen van de extra kosten bij het UWV en de Sociale Verzekeringsbank?
Het kabinet zet in op een versterking van de uitvoering. Met het traject «Werk aan uitvoering» worden voorstellen gedaan om de dienstverlening aan burgers, bedrijven en instellingen te versterken en om de wendbaarheid, continuïteit en toekomstbestendigheid van diverse uitvoeringsorganisaties te vergroten. Dit is hard nodig om het vertrouwen van burgers in de overheid te houden en te versterken.
Het kabinet heeft binnen de begroting van SZW gezocht naar dekking voor deze investering. Het kabinet stelt voor om een deel van deze investering te dekken door de kinderbijslag in 2022 en 2023 niet, en in 2024 deels niet te indexeren. Omdat dit over ruim 1,9 miljoen gezinnen wordt gespreid, zijn de inkomens-effecten relatief beperkt en acht het kabinet dit aanvaardbaar. Ter illustratie: het cumulatieve, mediane inkomenseffect over de gehele periode 2022–2024 van de groep huishoudens met kinderen is -0,1%.
Overigens vindt het kabinet het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Daarom heeft het kabinet deze kabinetsperiode fors, zo’n € 900 miljoen extra, geïnvesteerd in de ondersteuning van gezinnen. Veel ouders zijn er daardoor structureel op vooruit gegaan.
Om welke extra kosten bij de uitvoeringsorganisaties gaat het en waarom kan het budget hiervoor niet op een andere wijze worden ingevuld?
Met de uitvoering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) worden miljoenen burgers in ons land ondersteund. De uitvoering van de sociale zekerheid is echter kwetsbaar. De continuïteit in het verlenen van de juiste dienstverlening staat onder grote druk. Sluipenderwijs is achterstallig onderhoud ontstaan en is de kwaliteit onder druk komen te staan.
Via de Ministeriële Commissie Uitvoering en de daarbij horende «Werkagenda voor de uitvoering» werkt het kabinet hard aan het toekomstbestendig maken van de uitvoering. In het rapport «Werk aan uitvoering fase II – handelingsperspectieven en samenvatting probleemanalyse» zijn concrete handelingsperspectieven opgenomen voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn.
Vooruitlopend op de kabinetsreactie op het traject «Werk aan de Uitvoering» (WAU) investeert het kabinet € 100 miljoen in UWV, de SVB en het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) vanaf 2022. De middelen worden ingezet voor onderhoud en modernisering van ICT, het verbeteren van en maatwerk bieden in de dienstverlening en voor artsen- en handhavingscapaciteit. Voor BKWI wordt structureel extra ontwikkelcapaciteit beschikbaar gesteld. Voor deze investering is dekking nodig binnen de Begroting SZW.
Omdat het inkomenseffect relatief beperkt is, acht het kabinet de voorgestelde dekkingsmaatregel aanvaardbaar.
Hoe beoordeelt u het dat juist in deze crisistijd de kinderbijslag mogelijk ruim twee jaar lang niet geïndexeerd wordt, terwijl op grond van de Wet koppeling en afwijkingsbevoegdheid (WKA) halfjaarlijks een indexering moet plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het ongepast is om in deze crisistijd, waarin gezinnen het al erg zwaar te verduren hebben, met dergelijke bezuinigingsvoorstellen te komen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet in 2019 ook al voornemens was een kindregeling (het kindgebonden budget) niet te indexeren, om een budgettaire tegenvaller te dekken?
Ja. Als gevolg van het herstellen van een omissie in de uitvoeringspraktijk bij de Belastingdienst/Toeslagen nam het niet-gebruik van het kindgebonden budget sterk af, waardoor veel extra gezinnen recht op kindgebonden budget kregen. Gevolg hiervan was dat de structurele uitgaven aan kindgebonden budget naar verwachting hoger uitvielen dan in de SZW-begroting was voorzien. Het kabinet heeft op dat moment eveneens de afweging gemaakt de budgettaire gevolgen van dekking te voorzien door geen indexering van het kindgebonden budget voor te stellen.2 Het kabinet heeft echter met het oog op het koopkrachtbeeld de maatregel later ongedaan gemaakt, waardoor indexering van het kindgebonden budget wel heeft plaatsgevonden.3
Bent u het eens met de stelling dat ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid en dat dit jojobeleid ten aanzien van het wel of niet indexeren van kindregelingen daar niet bij past? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Algemene Kinderbijslagwet wordt het basiskinderbijslagbedrag twee keer per jaar aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex zodat deze de algemene prijsontwikkeling volgt en daarmee zijn waarde behoudt.4 Het wetvoorstel dat van 13 januari tot en met 10 februari in internetconsultatie is geweest, stelt voor daar voor de jaren 2022, 2023, en deels in 2024 vanaf te zien.
Ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid. De kinderbijslag inclusief indexering maakt onderdeel uit van het geheel aan instrumenten waarover het kabinet beschikt om ouders financieel te ondersteunen. Dit kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Dit kabinet heeft deze kabinetsperiode daarom fors extra geïnvesteerd in gezinnen en kinderen. De kinderbijslag is verhoogd met € 250 mln, het kindgebonden budget voor paren met € 500 mln en recent het kindgebonden budget vanaf het derde kind met € 150 mln. Daarnaast ontvangen werkende ouders kinderopvangtoeslag en ondersteunt het kabinet via gemeenten kinderen die in armoede opgroeien.
Door bovengenoemde maatregelen zijn ouders er structureel op vooruit gegaan. De voorgenomen niet-indexering doet daar niet aan af. Per saldo is er van bezuinigingen geen sprake. Door de relatief beperkte inkomenseffecten van de voorgenomen niet-indexering en de versterking van de uitvoering waaraan deze intensivering bijdraagt, vindt het kabinet het (deels) niet-indexeren binnen dit totaalpakket aan structurele intensiveringen aanvaardbaar.
Deelt u de mening dat de reflex om te bezuinigen op gezinnen met kinderen door middel van bezuinigingen op het kindgebonden budget en de kinderbijslag onwenselijk is en dat de gezinnen niet langer als het kind van de rekening moeten worden gezien?
Zie antwoord vraag 7.
Steun aan de culturele en creatieve sector. |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van EY over de culturele sector getiteld «Rebuilding Europe: the cultural and creative economy before and after the Covid-19 crisis»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat de omvang van de Europese culturele sector met 31 procent is gekrompen? Wat zijn de specifieke gevolgen voor de kunst en cultuur in Nederland?
De bestrijding van het coronavirus vraagt veel van de culturele en creatieve sector, zowel op Europees als landelijk niveau. De sector wordt hard geraakt. Dat bleek al uit eerdere gegevens van het CBS2 en nu ook uit het onderzoek van EY dat een Europese focus heeft. Ten aanzien van dit laatste onderzoek wil ik benadrukken dat dit onderzoek niet een volledig totaalbeeld geeft. Zo is in dit onderzoek wel de reclamesector (als onderdeel van de mediasector) meegenomen, maar bijvoorbeeld de erfgoedsector niet.
Om de gevolgen van de crisis op de Nederlandse culturele en creatieve sector goed in kaart te brengen, worden er op dit moment diverse onderzoeken uitgevoerd. Zo voert de Boekmanstichting onderzoek uit naar de impact van de coronacrisis op de culturele en creatieve sector. De resultaten van dit onderzoek worden dit voorjaar verwacht. Ook ander onderzoek draagt bij aan het beeld van de effecten van de corona crisis op de culturele en creatieve sector, zoals het eerder aan uw Kamer gepresenteerde onderzoek van het CBS naar de omzetbelasting aangiften in de eerste twee kwartalen van 20203 en de Monitor Creatieve Industrie (editie 2021, met data tot en met 2020) die in voorbereiding is en die naar verwachting eind 2021 verschijnt.
Deelt u de conclusie dat grootschalige publieke investeringen noodzakelijk zijn om kunst en cultuur in Nederland te stutten en ook opnieuw op te bouwen na de crisis? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet investeert ruim € 1,7 miljard om instellingen, ondernemingen en makers in de culturele en creatieve sector te ondersteunen, zodat de sector na de crisis, de draad weer kan oppakken. In 2020 is er € 300 miljoen4 voor instellingen en makers plus € 40 miljoen5 voor het niet gesubsidieerde deel van de podiumkunsten, waaronder de vrije theater producenten beschikbaar gesteld. In mijn brief van 28 augustus6 jl. heb ik aangekondigd dat er € 414 miljoen beschikbaar komt om de culturele en creatieve sector te ondersteunen in de eerste helft van 2021. In deze brief werd ook aangekondigd dat gemeenten en provincies via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) nog eens € 68 miljoen krijgen voor compensatie van de geleden schade in de regionale en lokale culturele infrastructuur in 2020. Dit bedrag komt bovenop de € 60 miljoen die gemeenten reeds in mei ontvingen. Vanwege de verzwaarde lockdown7eind december 2020 en vervolgens de verlenging van de lockdown8 in januari 2021, heeft het kabinet in totaal € 24 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de culturele en creatieve sector. Ten slotte kan de sector gebruikmaken van de generieke maatregelen. Het verwachte gebruik hiervan tot en met januari 2021 is ruim 800 miljoen.
Met deze investeringen wordt getracht om de schade zoveel mogelijk te beperken. Zodat er na deze coronacrisis een culturele sector is die nog kwaliteit in zich heeft en die veerkrachtig is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat ook private partijen investeren in kunst en cultuur na de coronapandemie? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat we talent maximaal ontwikkelen en benutten?
Ondanks de crisis blijft het ontwikkelen van talent speerpunt van mijn beleid. Juist nu is investering in scholing zeer urgent. In het najaar van 2020 is het Werktuig Permanente Professionele Ontwikkeling (PPO) van Platform ACCT van start gegaan. Werktuig PPO heeft tot doel om scholing in de sector te stimuleren en bewustwording te creëren dat scholingsmiddelen onderdeel moeten zijn van afspraken over arbeidsvoorwaarden. Mijn initiële steun voor dit instrument was € 19 miljoen voor de jaren 2020–2024. In mijn brief van 28 augustus jl. heb ik aangekondigd nog eens € 4 miljoen beschikbaar te stellen om tijdelijk aanvullende steun te geven aan zelfstandigen die vanwege de crisis zonder opdracht zitten. In deze crisis hebben verschillende private partijen initiatief genomen om de culturele en creatieve sector te ondersteunen. Vanuit mijn beleid heb ik aan enkele initiatieven kunnen bijdragen, om hun werking te vergroten. Het gaat om de volgende bijdragen, van in totaal circa € 91 miljoen:
Tot slot wordt in 2021 gestart met het project «Leve het geven» dat tot doel heeft het geven aan cultuur te stimuleren en in de periode 2021–2024 met € 0,5 mln. per jaar vanuit OCW wordt ondersteund.
Inzetten op talentontwikkeling blijft de komende periode onverminderd belangrijk. Vooral met het oog op uitingsvormen en verdienmodellen die door de coronacrisis lijken te veranderen. Het is zaak dat de ontwikkeling van talenten meebeweegt met deze veranderingen.
Deelt u de opvatting dat een aanvullend steun- en opbouw pakket noodzakelijk is voor kunst en cultuur? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij mijn reactie op punt 3 is er een uitgebreid steunpakket beschikbaar voor het eerste half jaar van 2021. Dit pakket is in samenspraak met vertegenwoordigers uit de sector tot stand gekomen en sluit aan op de noden binnen de sector. Hiermee is de culturele en creatieve sector dit half jaar toegerust om met de uitdagingen van deze tijd om te gaan. Naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur «Onderweg naar overmorgen» blijf ik in gesprek over het meer wendbaar en weerbaar maken van de culturele en creatieve sector.
Bent u bereid zich in in Europees verband in te zetten voor een Europees garantiefonds voor de culturele sector? Zo nee, waarom niet?
Binnen het programma Creative Europe bestaat al het instrument van een garantiefaciliteit voor de culturele – en creatieve sector. Dit is de zogenoemde CCS garantiefaciliteit. Er is een Nederlandse bank in het proces om intermediair te worden voor het CCS garantie instrument, om deze in te gaan zetten bij de financiering van projecten in de culturele – en creatieve sector in onder andere Nederland. Dit proces ligt op schema en wordt naar verwachting in de komende maanden afgerond. De CCS garantiefaciliteit valt in het nieuwe Creative Europe-programma 2021–2027 onder het Invest EU-programma. In het Media Action Plan wordt naast de CCS garantiefaciliteit een nieuw financieel instrument voorgesteld, MediaInvest9, om private investeringen in de audiovisuele productie en distributie te stimuleren.
Het tekenen van een contract om de zorgbonus terug te moeten betalen als deze niet wordt uitgekeerd. |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht juist dat werkgevers werknemers verplichten een contract te ondertekenen dat ze hun zorgbonus moeten terugbetalen als de werkgever voor deze werknemers geen zorgbonusgeld ontvangt?1
Ik ben bekend met de signalen zoals deze in het artikel in de Telegraaf van 26 januari jl. zijn benoemd.
Wat is uw oordeel daarover?
Het getuigt wat mij betreft niet van goed werkgeverschap en het is ook niet de bedoeling dat het risico van het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden en -verplichtingen wordt afgewenteld op de zorgprofessional. De zorgaanbieder draagt de verantwoordelijkheid voor het aanvragen van de subsidie voor de zorgbonus. Daarbij past niet dat zorgmedewerkers een formulier dienen te ondertekenen waarin zij toezeggen de zorgbonus terug te betalen wanneer blijkt dat de zorgaanbieder geen recht had op de ontvangen subsidie. Dit is niet in lijn met het doel en de voorwaarden van de Subsidieregeling. Ik heb naar aanleiding van deze berichten reeds richting werkgevers aangegeven wat de bedoeling is en hen verzocht in lijn met het doel, de voorwaarden en de verplichtingen van de Subsidieregeling te handelen. Zorgprofessionals die worden gevraagd een dergelijke verklaring te ondertekenen, raad ik aan hiervan melding te maken bij een daartoe geschikt orgaan bij de werkgever, zoals de ondernemingsraad. De ondernemingsraad heeft de mogelijkheden om de onwenselijkheid van deze werkwijze bij de zorgaanbieder te adresseren.
Wat gaat u ondernemen om deze praktijken te voorkomen, aangezien dergelijke praktijken een klap in het gezicht zijn voor deze werknemers?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het komende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronacrisis?
Het is helaas niet mogelijk gebleken de beantwoording voor het plenair debat van 4 februari jl. te versturen.
Onvoldoende reguliere zorg door strategische belangen van ziekenhuizen en onvoldoende regie van zorgverzekeraars |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de restcapaciteit van de reguliere zorg tijdens de eerste coronagolf deels onbenut is gebleven?1 Wat is uw reactie?
Er zijn mij geen feiten bekend over zorgcapaciteit die tijdens de eerste golf doelbewust onbenut is gebleven. Tijdens de eerste coronagolf waren er ingrijpende acties nodig in de zorg om de plotselinge toename van patiënten op de verpleegafdelingen en de Intensive Care (IC). Waar deze patiëntenstroom aanvankelijk in Noord-Brabant en later ook op andere plekken een grotere zorgbelasting als gevolg had, werd nationaal gereageerd door de reguliere zorg af te schalen om de stroom covid-patiënten op te kunnen vangen of over te nemen uit andere centra. De afschaling van de reguliere zorg verschilde aanvankelijk per regio en zelfs per instelling. Dit maakte in de acute setting van de eerste covid-golf dat inzicht in de resterende capaciteit van de reguliere zorg moeilijk in kaart te brengen was. Een belangrijke les na de eerste golf was dat bij eventuele volgende golven van de pandemie zo veel mogelijk voorkomen zou moeten worden dat reguliere zorg afgeschaald wordt. Daarop zijn maatregelen genomen, zoals de uitbreiding van de covid-zorgcapaciteit met het Opschalingsplan2 van 30 juni 2020 en met het tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie3 dat ik op 23 oktober heb gedeeld met de Kamer.
Klopt het dat ziekenhuizen met veel coronapatiënten weigerden patiënten door te verwijzen naar ziekenhuizen die nog wel plek hadden voor reguliere zorg uit angst patiënten kwijt te raken? Zo ja wat is uw reactie hierop?
Als gevolg van het grote aantal covid-patiënten dat in ziekenhuizen werd opgenomen en de uitval van zorgverleners, kon een deel van de reguliere zorg niet geleverd worden. Bij het besluit om patiënten over te plaatsen spelen veel verschillende overwegingen, waaronder natuurlijk het belang van continuïteit in de behandeling en de eigen voorkeur van patiënten. Er zijn geen concrete signalen bekend dat financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om patiënten al dan niet over te plaatsen of door te verwijzen. Door het ontsluiten van informatie over het aanbod van reguliere zorg en door het bevorderen van financiële afspraken is het zo efficiënt mogelijk benutten van de beschikbare capaciteit bevorderd.
Gedurende de eerste covid-golf bleef de (semi-)acute en kritiek planbare zorg beschikbaar, en tevens werden manieren gevonden om zorg te vervangen zoals bijvoorbeeld het videoconsult om zorg op afstand te blijven leveren. Wanneer afspraken voor reguliere zorg werden uitgesteld had dit niet als gevolg dat mensen géén zorg zouden ontvangen. Overigens zijn patiënten niet afhankelijk
van een verwijzing om te wisselen van zorgaanbieder. Zij kunnen zelf contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling, of rechtstreeks met een andere zorgaanbieder.
Klopt het dat na de eerste golf aanbieders van electieve zorg patiënten die op zorg wachtten, niet mochten behandelen omdat ziekenhuizen die veel coronapatiënten behandelden, dit als oneerlijke concurrentie zagen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Nee, er zijn geen afspraken gemaakt tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat bepaalde zorg niet geleverd mocht worden. Er zijn nooit beperkingen opgelegd in het verlenen van zorg aan individuele patiënten. De insteek vanaf die periode was juist gericht op het aangaan van diverse vormen van samenwerking.
Klopt het dat het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis aanbood patiënten van omliggende ziekenhuizen over te nemen, maar dat van dit aanbod nauwelijks gebruik werd gemaakt? Hoe is dit te rijmen met het feit dat de Nederlandse ziekenhuizen vorig jaar de oncologische zorg met 70% moesten terugdraaien?
Ja, het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis heeft dit aangeboden en daar is beperkt gebruik van gemaakt. Dat betekent echter niet dat patiënten geen zorg hebben ontvangen, bijvoorbeeld omdat omliggende ziekenhuizen hun eigen patiënten hebben kunnen opereren of er minder patiënten gediagnostiseerd of verwezen waren en daarom minder behandelingen aan de orde waren. De voornaamste reden voor de afname in oncologische zorg was het stopzetten van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker is. Het bevolkingsonderzoek resulteert normaliter in veel verwijzingen voor oncologische zorg. Het door u genoemde percentage van 70% afschaling van de oncologische zorg in Nederland in 2020 herken ik niet; zie verder ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat het Alexander Monro Ziekenhuis een protocol ontwikkelde voor veilige overname van borstkankerpatiënten, maar dat hiervan onvoldoende gebruik is gemaakt? Wat is uw reactie?
Het klopt dat het Alexander Monro Ziekenhuis (AMZ) een protocol heeft opgesteld voor veilige overname van borstkankerpatiënten. De capaciteit die ter beschikking was in het AMZ is niet volledig benut, onder andere omdat er minder verwijzingen hebben plaatsgevonden bijvoorbeeld omdat mensen niet naar de huisarts durfden te gaan of de zorg niet verder wilden belasten. Daarbij zijn er ook patiënten die niet de voorkeur hadden om verwezen te worden naar een andere zorginstelling en/of een andere behandelend arts om eerder zorg te kunnen ontvangen.
Hoeveel oncologische patiënten in de regio Amsterdam hebben moeten wachten op zorg, terwijl zij wel terecht haden gekund bij het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis? Hoeveel patiënten met borstkanker hebben moeten wachten op een behandeling terwijl zij wel terecht hadden gekund bij het Alexander Monro Ziekenhuis?
Specifiek voor de regio Amsterdam is deze informatie niet beschikbaar. Daarentegen heeft het Integraal Kankercentrum Nederland geconstateerd dat in de periode van maart 2020 tot en met mei 2020 als gevolg van de coronacrisis minstens vijfduizend kankerdiagnoses in Nederland nog niet waren gesteld. Dit is 20–25% lager dan gebruikelijk. Het aantal nieuwe kankerpatiënten in deze maanden lag duidelijk lager dan in dezelfde periode in de drie voorgaande jaren. In juni, juli en augustus was het aantal nieuwe kankerpatiënten weer vrijwel gelijk aan de voorgaande jaren.
Uit de data van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) blijkt dat operaties of andere oncologische behandelingen zoals chemo- en radiotherapie niet op grote schaal voor langere tijd zijn uitgesteld. De afname in productie bij oncologische zorg was relatief beperkt en in lijn met de verwijzingen. De wachttijden voor oncologische aandoeningen zijn niet toegenomen en de NZa heeft geen aanwijzing dat patiënten langer hebben moeten wachten op oncologische zorg. Daarbij hebben patiënten zelf de mogelijkheid om te wisselen van zorgaanbieder indien zij van mening zijn te lang te moeten wachten op zorg.
Hoe kan het dat volgens schattingen 2000 patiënten met borstkanker en 1000 patiënten met darmkanker niet geholpen konden worden, terwijl er wel een aanbod voor zorg lag?
Het is mij onbekend hoe deze specifieke schatting tot stand is gekomen. Zoals hierboven beschreven lijkt dit om patiënten te gaan bij wie de diagnose nog niet gesteld is, voor een groot deel vanwege het bevolkingsonderzoek dat stil was gezet. Momenteel gaan de bevolkingsonderzoeken ondanks de grote druk op de zorg weer door en is er zelfs sprake van inhaalzorg.
Kunt u uitleggen welke rol de organisatie van de zorg en het huidige stelsel van marktwerking gespeeld hebben bij het feit dat mensen geen zorg kregen terwijl die wel beschikbaar was?
Zoals in voorgaande antwoorden is uitgelegd, zijn er geen feiten of signalen bekend over het (al dan niet doelbewust) onthouden van zorg aan mensen terwijl die wel beschikbaar was.
De coronacrisis is een ongekend ingrijpende gebeurtenis geweest in het medisch zorglandschap, waarbij zeker tijdens de eerste coronagolf moest worden gezocht naar nieuwe vormen van organisatie van zorg die aansloten bij de crisissituatie. Er was een veel grotere behoefte aan samenwerking en regie dan in een normale situatie, bijvoorbeeld op het gebied van coördinatie van IC-capaciteit, en die ruimte is er ook binnen het huidige stelsel. Zorgverzekeraars hebben intensief samengewerkt om de zorg toegankelijk te kunnen houden. Ze hebben bijvoorbeeld snel samen regelingen kunnen en mogen optuigen om zorgaanbieders financieel comfort te geven. Hierin was marktwerking nadrukkelijk niet het leidende principe, maar continuïteit van zorg en hiermee zijn de randvoorwaarden geschapen waarbinnen zorgaanbieders zich maximaal konden richten op het belang van de patiënt.
Welke rol hebben zorgverzekeraars gespeeld bij de opvang van coronapatiënten en de daaruit voorkomende noodzakelijke herverdeling van de reguliere zorg?
De zorgverzekeraars vervullen een bemiddelende rol bij de herverdeling van patiënten wanneer patiënten hierom vragen. Tevens zitten zij aan de ROAZ-tafel en hebben zij hier een informerende en adviserende rol bij patiëntenspreiding. De ROAZ-vertegenwoordigers van de zorgverzekeraars zijn de marktleiders voor de desbetreffende regio en daarmee ook gemandateerd om lokale financiële issues te bespreken en tot op zeker hoogte afspraken hierover te maken, zodat er snel gehandeld kan worden.
Zou het gezien de regierol van zorgverzekeraars logisch zijn van zorgverzekeraars te verwachten dat zij hun rol juist ten tijde van een pandemie waarmaken en zorgen dat zoveel mogelijk patiënten de juiste zorg krijgen door te bemiddelen in het verplaatsen van die zorg naar ziekenhuizen die wel ruimte hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd?
Net zoals in normale tijden is het ook in crisistijd het van groot belang om de juiste zorg te bieden aan zoveel mogelijk patiënten. De zorgverzekeraar zorgt voor goede afspraken met zorgaanbieders om continuïteit te waarborgen voor patiënten. De NZa heeft nader onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van zorg door de wachttijden landelijk en regionaal in kaart te brengen en te vergelijken met de treeknorm. De treeknorm is de maximaal aanvaardbare wachttijd waarbinnen de patiënt zorg moet kunnen krijgen, zoals afgesproken door veldpartijen in het Treekoverleg en vastgelegd in het «Toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw»4. Deze wachttijden laten een gemengd beeld zien. Het aantal overschrijdingen van de treeknorm voor de polikliniek en diagnostiek lag in juni en juli van 2020 ongeveer op het niveau van begin 2020. Voor behandelingen in het ziekenhuis is er sprake van een lichte stijging van het aantal overschrijdingen van de treeknorm, waarbij er behoorlijke regionale verschillen zijn. Voor verschillende behandelingen in het ziekenhuis waren de wachttijden ook voor de corona-uitbraak al langer dan de Treeknormen.
Patiënten zijn zelf ook actief op zoek gegaan naar behandelingen buiten de ziekenhuizen om, in zelfstandige klinieken, of ze zochten contact met hun zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars zetten zich actief in om te bemiddelen bij wachttijden. Deze zorgbemiddeling door de zorgverzekeraars richt zich op de niet-acute zorg en heeft een hoge slagingskans. De behoefte tijdens de pandemie lag vooral op de acute zorg en het verplaatsen hiervan; hier is de spreiding van de patiënten een (meer) medische aangelegenheid en zie je dat de bemiddeling tussen ziekenhuizen onderling, in ROAZ-verband en van (huis)arts tot arts plaatsvindt. De rol voor de zorgverzekeraar is hier het creëren van het kader dat de financiering de patiënt kan blijven volgen.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars liever de wachtlijsten wat lieten oplopen dan extra te betalen voor zorg in een andere kliniek? Hoe is dit te rijmen met de wettelijke zorgplicht die zorgverzekeraars hebben? In hoeverre is die zorgplicht geschonden?
Ik ken geen feiten of signalen over zorgverzekeraars die doelbewust de wachtlijsten zouden hebben laten oplopen. Met alle ziekenhuizen en klinieken zijn in 2020 continuïteitsregelingen getroffen, wat maakte dat zij gecompenseerd zijn voor productieverlies. Daarbij is steeds aangegeven dat bij het verplaatsen van patiënten naar een kliniek de financiering moet volgen en dat tussen ziekenhuis en kliniek een financiële afrekening moet plaatsvinden. Anders wordt de zorg dubbel betaald en dat is ook in een pandemie niet gewenst en verantwoord. Zorgverzekeraars werken samen met de NZa aan het inzichtelijk krijgen van de beschikbare capaciteit en nemen deze inzichten mee naar de ROAZ-tafels en zorgbemiddeling.
Het is belangrijk om hierbij te realiseren dat klinieken niet alle reguliere zorg kunnen leveren, omdat ze hiervoor niet geëquipeerd zijn. Het is daarom in een situatie als de covid-pandemie onvermijdelijk dat sommige wachtlijsten oplopen.
Deelt u de mening dat de vangnetregeling van zorgverzekeraars niet mag betekenen dat reguliere zorg die elders geleverd kan worden, wordt uitgesteld?
Ik deel de mening dat het onwenselijk is als er reguliere zorg onnodig wordt uitgesteld, omdat er een vangnetregeling is. De vangnetregeling van verzekeraars heeft dat ook niet als doel. Ongeacht het bestaan van een vangnetregeling kunnen verzekerden die te lang moeten wachten bij een bepaalde zorgaanbieder zich melden bij hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling.
Zorgverzekeraars hebben op basis van hun zorgplicht ook de taak om ziekenhuizen aan te spreken als dergelijke situaties zich zichtbaar voordoen en zij monitoren hier dan ook op.
Wat zouden de kosten zijn geweest van het wel vergoeden van deze reguliere zorg in andere klinieken? Welk percentage van de reserves van zorgverzekeraars betreft dit?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 en 2, zijn er geen feiten bekend over patiënten die tijdens de eerste golf doelbewust niet zijn doorverwezen of overgeplaatst naar een zorginstelling waar nog capaciteit zou zijn geweest. De door u gevraagde kostinschatting is derhalve niet te maken.
Is er op dit moment nog steeds sprake van onbenut aanbod in ziekenhuizen? Klopt het dat daarnaast zeker 100.000 mensen wachten op een uitgestelde operatie? Wat is op dit moment de stand van zaken ten aanzien van aantallen mensen die wachten op verschillende vormen van zorg? Kunt u een overzicht geven?
In algemene zin kan gesteld worden dat de ziekenhuizen er op dit moment alles aan doen om enerzijds de voortdurende en hoge instroom van covid-patiënten zo goed mogelijk op te vangen, waarbij ook afschaling van reguliere zorg nodig is om voldoende personeelscapaciteit voor de covid-bedden vrij te spelen; en anderzijds alles op alles zetten om de reguliere zorg zo goed mogelijk doorgang te kunnen laten vinden. De NZa monitort de ontwikkelingen en rapporteert onder meer over het aantal verwijzingen dat niet heeft plaatsgevonden gedurende deze crisis. Een deel van deze verwijzingen zal niet ingehaald hoeven worden, omdat klachten vanzelf zijn overgegaan of op een andere manier aan de zorgvraag (bijvoorbeeld door de huisarts) is voldaan. Gezien de huidige ernst van covid-besmettingen en de dreiging van een eventuele nieuwe piek als gevolg van de VK-variant is de niet-kritiek planbare zorg vooralsnog nationaal afgeschaald, zoals op 12 januari is gecommuniceerd naar uw Kamer5. Uiteraard wordt getracht om eventuele uitgestelde zorg zo snel mogelijk weer in te halen, zodra de omstandigheden daartoe weer een mogelijkheid bieden.
Wat is de stand van zaken van overleg tussen ziekenhuizen, zorgverzekeraars en zelfstandig behandelcentra (ZBC's) ten aanzien van het inhalen van planbare zorg en het aanbieden van reguliere zorg? Is er al een begin gemaakt met deze inhaalslag of blijft het nog bij overleg? Kunt u dit zo spoedig mogelijk inventariseren en de Kamer hierover gedetailleerd informeren?
In december is de Kamer geïnformeerd dat Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) overeenstemming hebben bereikt over een regeling inzake de contractering 2021 en specifiek over hoe om te gaan met de financiële consequenties van covid-19 in 20216. Deze regeling biedt, onder andere, een passende vergoeding voor gederfde inkomsten en de extra kosten door de uitbraak van covid. Daarnaast zijn er afspraken opgenomen over hoe om te gaan met de uitgaven met betrekking tot inhaalzorg die in 2021 zal worden verleend.
Met de zelfstandige klinieken zijn reguliere (lokale, bilaterale) inkoopafspraken voor 2021 gemaakt of is dit proces nog in de afrondingsfase. ZN overlegt periodiek met NVZ, NFU en ZKN of de huidige financiële afspraken toereikend zijn voor de situatie.
Ook is het mogelijk, na gezamenlijk overleg in het ROAZ, om personeel van zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) in te zetten in ziekenhuizen om bij te dragen aan de covid-zorg en (semi-) acute zorg. Klinieken die hun medewerkers uitlenen voor behoud van de continuïteit van de meer acute zorg (categorie 1,2,3) en de zorg voor coronapatiënten worden door de zorgverzekeraars financieel gecompenseerd als daarvoor hun eigen zorg moet worden afgeschaald.
Van deze regeling wordt vooralsnog beperkt gebruik gemaakt omdat in de praktijk blijkt dat partijen toch kiezen voor het in standhouden van zoveel mogelijk capaciteit voor juist ook de (urgentere) reguliere zorg. De concrete vraag vanuit ziekenhuizen komt nog niet op gang omdat zij nu zelf ook steeds meer kans zien de reguliere zorg weer op te pakken. Toch is het goed deze maatregel achter de hand te houden voor het waarborgen van de acute zorg zoals beschreven in het tijdelijk beleidskader.
Wanneer zorg wordt uitgesteld is het begrijpelijk dat mensen willen weten wanneer hun zorg wel door kan gaan. Hiervoor kan contact op worden genomen met de behandelaar en/of zorgverzekeraar. In zijn algemeenheid is namelijk niet te zeggen wanneer behandelingen plaats kunnen vinden, dit verschilt per individu en is afhankelijk van de aandoening. Wanneer er weer ruimte komt voor de reguliere zorg, zullen zeker ook stappen worden gezet om extra inhaalzorg te realiseren. Dit zal een geleidelijk proces zijn dat samenhangt met verschillende factoren zoals ziekteverzuim onder zorgverleners.
Kunt u garanderen dat dat, wat in de eerste coronagolf gebeurde nu, niet meer kan voorkomen en dat alle plaatsen in de reguliere zorg die beschikbaar zijn, ook daadwerkelijk worden gebruikt voor patiënten? Zo ja, wat is er veranderd? Zo nee, waarom niet?
De lessen van de eerste coronagolf zijn opgenomen in het «Tijdelijk beleidskader waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie» van 23 oktober. Met dit beleidskader wordt getracht om zoveel mogelijk reguliere zorg doorgang te laten hebben door middel van een evenwichtige spreiding van covid-19 patiënten in Nederland.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden vóór het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
De vragen afzonderlijk beantwoorden is gelukt, beantwoording voor het eerstvolgende debat helaas niet.
Het bericht 'Boeren ontevreden over maatregelen ganzen verjagen' |
|
Gerard van den Anker (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boeren ontevreden over maatregelen ganzen verjagen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de schade aan gewassen door dieren, met name ganzen, zwanen en mezen, in de meeste provincies is toegenomen de afgelopen jaren?
Het klopt dat sinds de jaren ’90 de uitgekeerde schadebedragen gestegen zijn. De afgelopen vijf jaar schommelt het uitgekeerde schadebedrag rond de 24 miljoen euro. Van de getaxeerde schade wordt ca 85% veroorzaakt door verschillende soorten ganzen.
Kunt u bevestigen dat de maatregelen voor natuurherstel en -ontwikkeling onder andere als doel hebben om de biodiversiteit te vergroten?
Met het programma Natuur geeft het kabinet een stevige impuls aan natuurherstel- en verbetering door voor de periode 2021–2030 jaarlijks een bedrag te investeren in het versterken en intensiveren van het natuurbeleid, oplopend tot € 300 miljoen per jaar (totaal € 3 miljard). Met de middelen zullen versneld maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit te verminderen en de natuur en biodiversiteit te verbeteren.
Deelt u dan ook de verwachting dat het aantal dieren dat faunaschade veroorzaakt, waaronder ganzen, zwanen en mezen, ook de komende jaren zal toenemen als gevolg van de maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Ganzenbeleid, evenals beleid voor natuurherstel en -ontwikkeling is een verantwoordelijkheid van provincies. Uitgangspunt bij dit beleid is het vinden van een balans tussen het bieden van voldoende bescherming en het voorkomen, bestrijden en vergoeden van schade.
Dankzij de combinatie van waterrijke gebieden, waar ganzen broeden en slapen, met eiwitrijke graslanden waar ganzen foerageren, is Nederland een aantrekkelijk land voor ganzen en andere watervogels. De precieze aard van schadeproblematiek kan per gebied sterk verschillen. De relatie tussen beheer, populatieontwikkelingen en optredende schade is bovendien complex. Naast ingrepen in het landschap, en andere vormen van beheer, waaronder verjaging en afschot, spelen ook veranderingen in klimaat, agrarisch landgebruik en migratiepatronen een belangrijke rol2. Om die redenen wordt bij natuurherstel en -ontwikkeling altijd gestreefd naar lokaal maatwerk, waarbij alle partijen, waaronder agrariërs, zo goed mogelijk worden betrokken.
Het is mijns inziens daarom niet in zijn algemeenheid te stellen dat maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling zonder meer zullen leiden tot een toename van faunaschade.
Is de constatering juist dat er van de drie miljard euro die op dit moment beschikbaar is voor natuurherstel en -ontwikkeling, geen geld is uitgetrokken voor de vergoeding van faunaschade als gevolg van de maatregelen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 stel zijn de daar genoemde maatregelen en bijbehorende middelen bedoeld om de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit te verminderen en de natuur en biodiversiteit te verbeteren. Hierbij zijn geen middelen voor faunaschade gereserveerd.
Bent u het ermee eens dat bij de maatregelen voor natuurherstel en -ontwikkeling een belangrijke rol is weggelegd voor de agrarische sector en hiervoor een stimulerend beleid voor agrariërs wenselijk/noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar bestaat volgens u die rol dan uit?
Onze agrariërs kunnen met natuurinclusieve kringlooplandbouw een belangrijke bijdrage leveren aan natuurherstel en -ontwikkeling. Denk bijvoorbeeld aan het verweven van landschapselementen (de zogenaamde groenblauwe dooradering) die versnippering van natuur tegengaat. Niet voor niets zet ik met de LNV-visie hierop in, onder andere met stimulerend beleid in de vorm van een omschakelprogramma (Kamerstuk 35 334, nr. 126).
Bent u het ermee eens dat in het kader van stimulerend beleid de maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling, die het maatschappelijke belang dienen, niet voor rekening van de agrariërs mogen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat waar deze maatregelen faunaschade tot gevolgen hebben voor agrariërs, zij daarvoor binnen de gebruikelijke kaders dienen te worden gecompenseerd.
Kunt u toelichten waarom faunaschade niet integraal is opgenomen in het budget voor natuurherstel en -ontwikkeling? Over welke onderzoeken naar faunaschade beschikt u?
Zoals ik in het antwoord bij vraag 5 toelicht is er geen directe relatie tussen natuurherstel en ontwikkeling en een toename van faunaschade.
Wanneer beschermde, inheemse diersoorten, zoals ganzen, zwanen en mezen, schade aan landbouwgewassen toebrengen, kunnen grondgebruikers in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. BIJ12 verzorgt het tegemoetkomingsproces namens de 12 provincies. Om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, wordt van een grondgebruiker verwacht dat deze eerst zelf een redelijke inspanning pleegt om schade te voorkomen.
BIJ12, evenals individuele provincies, laat veelvuldig onderzoek uitvoeren naar faunaschade. Voor een overzicht verwijs ik u naar de website van BIJ12.
Tegemoetkomingen in faunaschade worden gefinancierd uit provinciale middelen. De hoogte van de uitgekeerde tegemoetkoming wordt bepaald met behulp van taxaties. De totale hoogte van de vergoedde faunaschade is dus gebaseerd op daadwerkelijk ondervonden opbrengstdervingen en staat los van maatregelen en budgetten voor natuurherstel en -ontwikkeling. Er zit geen plafond aan de tegemoetkomingen voor faunaschade aan landbouwgewassen.
Op welke manier bent u voornemens deze toenemende faunaschade te vergoeden en waar komen de financiële middelen vandaan?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht “Zoekgebieden, phishing en AERIUS” van dhr. Hanekamp |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zoekgebieden, phishing en AERIUS» van de heer Hanekamp»?1
Ja.
Kunt u antwoord geven op de vraag die in het artikel gesteld wordt: «Wat maakt het dat in Nederland er willens en wetens wordt vastgehouden aan een modellensystematiek met een fundamenteel gebrek dat resulteert in een nooit haalbaar detailniveau?»
In het artikel van de heer Hanekamp wordt het oordeel aangehaald van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof over het gebruik van AERIUS Calculator bij toestemmingsverlening. Zoals aangeven in de kabinetsreactie van 13 oktober 2020 (met het kenmerk 2020Z18692), is het kabinet ervan overtuigd dat met het structurele pakket een basis wordt gelegd om – in lijn met het advies van het Adviescollege – minder gedetailleerd te kunnen rekenen. Samen met het RIVM onderzoekt het kabinet in hoeverre aanpassing van de rekenkundige grenswaarde van 0,005 mol/ha/jr mogelijk is. Daarnaast wordt het AERIUS instrumentarium continu doorontwikkeld en geactualiseerd op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De aanbevelingen van het Adviescollege ondersteunen deze doorlopende ontwikkeling.
Kunt u toelichten wat precies wordt verstaan onder maatgevende hexagonen, waar deze liggen en hoe de «maatgevendheid» bepaald wordt?
Maatgevende hexagonen betreffen de in AERIUS gebruikte hexagonen waarvan verwacht wordt dat daarop de hoogste depositiebijdrage in een gebied plaatsvindt. Ze worden geselecteerd uit de alle relevante hexagonen in dat gebied (relevante hexagonen zijn locaties in het gebied waar habitattypen en/of leefgebieden voorkomen die in het gebied beschermd worden). Het selecteren van maatgevende hexagonen is alleen bedoeld als hulpmiddel voor AERIUS Aankoop Calculator in het kader van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden, die is gericht op het kunnen opkopen door provincies van «piekbelasters»: bedrijven die een relatief hoge stikstofbelasting veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelig én overbelast zijn. Voor het in beeld brengen van de bijdrage van verschillende bedrijven aan de stikstofdepositie in natuurgebieden is het niet noodzakelijk om alle relevante hexagonen in de analyse te betrekken.
Hoe het selectieproces werkt, wordt uitgelegd in de «Toelichting op rekenmethodiek Aankoop Calculator» op de website https://aankoopcalculator.aerius.nl.
De maatgevende hexagonen worden niet gebruikt voor andere doeleinden en hebben geen juridische status.
Kunt u aangeven of het klopt dat er geen eenduidige definitie van «zoekgebied» is? Zo ja, waarom is dit het geval en welke definitie zou volgens u gehanteerd moeten worden? Zo nee, wat is volgens u de definitie van zoekgebied?
Onder zoekgebied wordt verstaan: een locatie waarvan onduidelijk is of een bepaald habitattype of leefgebied daadwerkelijk aanwezig is of niet. De reden voor het onderscheiden van deze categorie is dat een habitat in principe in het hele gebied waar het voor is aangewezen beschermd is. Inperking van die bescherming kan alleen als zeker is dat het habitat in bepaalde delen van een gebied afwezig is. In de praktijk betekent dit dat zo goed mogelijk in beeld wordt gebracht waar een habitat met zekerheid aanwezig is en met zekerheid afwezig is, met als restcategorie een zoekgebied. Bij habitattypen is het aandeel zoekgebied vrij klein, omdat de karteringen van vegetaties in het algemeen voldoende duidelijkheid bieden. Bij leefgebieden van soorten is dat aandeel groter, omdat daar gelet moet worden op zowel fysieke kenmerken (met name vegetatie) als op de aanwezigheid van een soort. Want leefgebied is pas relevant als een soort er ook daadwerkelijk gebruik van maakt. Bij het maken van de kaarten voor leefgebieden is geconcludeerd dat het lastig is om met zekerheid te stellen dat een geschikt leefgebied níet «bezet» is. Dat een soort recent niet is gezien op een locatie kán veroorzaakt zijn door een te geringe waarnemingsinspanning. Vandaar dat er een relatief groot areaal te boek staat als «mogelijk bezet leefgebied», wat in AERIUS wordt aangeduid als zoekgebied.
Wat vindt u van de conclusie in het artikel: «Het niet goed zoeken of vinden of kennis hebben van habitats in een bepaald hexagon kan eenvoudig gekoppeld worden aan de ontwikkeling van nieuwe natuur»?
Dat is een onjuiste conclusie. De term «zoekgebied» wordt bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie Gelderland gebruikt voor de realisatie van nieuwe natuur. Maar er is geen inhoudelijke relatie tussen het gebruik van dezelfde term in AERIUS en in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie.
Kunt u reageren op de vijf observaties die in het artikel genoemd worden?
Per geciteerde observatie geef ik hieronder een reactie (cursief de observaties en niet-cursief mijn reactie):
De Aankoop Calculator kan niet iets tot een obstakel voor natuurbehoud en -ontwikkeling máken: alleen uit onderzoek kan blijken of iets daadwerkelijk zo'n obstakel is. Langdurig en grondig onderzoek laat zien dat stikstof vanuit de landbouw een belangrijke oorzaak is van de ongunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuur in Nederland.
In het genoemde rapport wordt geconstateerd dat de vergelijking van oppervlakten habitattypen in heden en verleden wordt gehinderd door veranderende interpretaties van habitattypen, andere basisgegevens en daadwerkelijke veranderingen. Het bieden van helderheid is inderdaad heel belangrijk, maar is tijdrovend specialistisch werk. Daardoor kon het nog niet worden afgerond, maar de inspanningen van de betrokken overheden zijn hier wel op gericht.
Het is inderdaad belangrijk dat het aandeel «zoekgebieden» zo klein mogelijk wordt als gevolg van het met zekerheid onderscheiden van stikstofgevoelig en niet-stikstofgevoelig habitat. De natuurbaten van de opkoopregeling zijn echter niet wezenlijk afhankelijk van deze verheldering.
Als uitvoering van de motie Geurts/Harbers (Kamerstuk 35 600, nr. 30) zal een maatschappelijke kosten-batenanalyse worden uitgevoerd waarin. Er vindt nog besluitvorming plaats of de aankoop hierin zal worden meegenomen.
Bent u het eens met de slotconclusie dat «veel te veel van de benodigde data, berekeningen, definities, kaarten enzovoort worden óf niet óf onduidelijk óf moeilijk/nauwelijks vindbaar (non-)gecommuniceerd»? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te veranderen? Zo nee, waarom niet?
Met die conclusie ben ik het niet eens. Zowel het kabinet als de betrokken (kennis)instellingen, zoals het RIVM, PBL en Bij12 achten transparantie in het stikstofdossier van groot belang en doen er alles aan om helder te communiceren over onder meer de staat van de natuur, stikstofdepositie-effecten, bronmaatregelen en toestemmingsverlening. Op de website van het RIVM zijn alle meetresultaten en modellen beschikbaar en door iedereen in te zien of te gebruiken. Ook het belangrijkste instrument voor stikstofberekeningen, AERIUS, is open-source software en dus voor iedereen inzichtelijk en beschikbaar. Op de websites van de rijksoverheid (www.aanpakstikstof.nl) en Bij12 (www.bij12.nl) zijn diverse handreikingen, factsheets, beleidsregels te vinden. Ook is er een helpdesk Stikstof en Natura 2000 ingericht om burgers, ondernemers en agrariërs wegwijs te maken.
Kunt u reageren op de vijf conclusies in het artikel over de AERIUS-aankoopcalculator?
De vijf conclusies zijn een uitwerking van de stelling «Het is duidelijk dat de AERIUS aankoopcalculator mystificeert op meerdere niveaus, zoals daar bijvoorbeeld zijn: ...». Per geciteerde conclusie geef ik hieronder een reactie (cursief de conclusies en niet-cursief mijn reactie):
De rekenwijze is qua nauwkeurigheid gelijk aan die van de andere AERIUS-producten. De rekenwijze van de Aankoop Calculator is door het gebruik van de maatgevende hexagonen iets robuuster en voldoende voor het doel waarvoor de calculator is gemaakt: een hulpmiddel voor het opkopen van «piekbelasters».
De onzekerheden zijn hetzelfde als bij de bestaande AERIUS-producten, zo blijkt uit de toelichting (genoemd in het antwoord op vraag 3). Voor uitleg over die onzekerheden, zie de documenten op www.aerius.nl.
In de genoemde toelichting is de methode uitgelegd. De maatgevende hexagonen zijn zichtbaar voor de provincies die met de calculator werken. Ze kunnen op verzoek openbaar worden gemaakt.
Dat het gunstig voor de natuur is als «piekbelasters» worden opgekocht, staat vast, omdat die opkoop (met name lokaal) leidt tot vermindering van stikstofdepositie en daarmee tot een gezondere natuur.
Dat is een feitelijk juiste constatering. Maar het is niet nodig om op voorhand voor elk onderdeel van het beleid een MKBA te laten opstellen. De effecten van het structurele pakket (waar opkoop deel van uitmaakt) zijn doorgerekend door het PBL. Na de PAS-uitspraak van de Raad van State kan er overigens ook geen twijfel over bestaan dat de stikstofdepositie teruggebracht moet worden, ook om economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.
Een opgepakte journalist in Marokko en gedetineerde Rif-activisten |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de actie van Amnesty International naar aanleiding van de arrestatie in Marokko van mensenrechtenverdediger en journalist Maati Monjib, waarin opgeroepen wordt tot zijn directe vrijlating?1
Ja ik ben bekend met de actie van Amnesty International.
Bent u het eens met de mensenrechtenorganisatie dat Monjib vrijgelaten moet worden? Zo nee, waarom niet?
Als onderdeel van het mensenrechtenbeleid volgen Nederlandse ambassades wereldwijd ontwikkelingen rondom persvrijheid, de positie van journalisten, als ook ontwikkelingen rondom eerlijke rechtsgang volgens internationale standaarden. In dit licht spreekt de Nederlandse ambassade in Rabat wanneer opportuun ook met Marokko over deze onderwerpen, waar mogelijk ook in EU-verband De ambassade heeft de processen in de zaak Monjib gevolgd en wanneer mogelijk zittingen bijgewoond. Het is aan de Marokkaanse autoriteiten om een zorgvuldige rechtsgang te borgen.
Bent u bereid contact op te nemen met de Marokkaanse autoriteiten om te pleiten voor de vrijlating van Monjib? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het bericht en kunt u bevestigen dat gedetineerde Rif-activisten zijn verdeeld over verschillende gevangenissen?2
Het is aan de Marokkaanse autoriteiten om toe te zien op de situatie en naleving van regels in hun gevangenissen en zo ook de verdeling van gedetineerden over verschillende gevangenissen.
Volgens mijn laatste informatie zijn de gevangenen weer terug in de gevangenis in Tanger.
Deelt u de lezing in het artikel dat deze verdeling vooral een onnodige strafmaatregel is?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid contact op te nemen met de Marokkaanse autoriteiten om vrijlating te bepleiten voor de politieke gevangenen uit de Rif? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in reactie op uw eerdere vragen over dit onderwerp zijn de Marokkaanse autoriteiten voldoende op de hoogte van de eerdere Nederlandse reactie (referte ook aan ons Kamerdebat, Kamerstuk 34 775 V, nr. 87 en Kamerstuk 32 735, nr. 208). Daarnaast loopt er nog een verzoek tot cassatie.
Het landgebonden asielbeleid voor China |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oeigoeren in Turkije vrezen uitleveringsverdrag met China»?1
Ja
Kunt u in het licht van het in vraag 1 genoemde bericht toelichten waarom u ervoor kiest in het recent door u gewijzigde landgebonden asielbeleid voor China te handhaven dat voor Oeigoeren wordt onderzocht of met name Turkije kan worden aangemerkt als eerste land van asiel of veilig derde land?2
Op 27 september 2016 heeft toenmalig Staatssecretaris Dijkhoff uw Kamer bericht over het instellen van dit beleid.3 Daarbij is aangegeven dat Turkije ten aanzien van Oeigoerse migranten een opendeurpolitiek volgt die uit 2014 stamt. Op basis daarvan is besloten om in voorkomende gevallen te onderzoeken of Turkije kan worden aangemerkt als eerste land van asiel of als veilig derde land in de zin van de Procedurerichtlijn. Hierbij worden de actuele ontwikkelingen in Turkije betrokken bij de individuele beoordeling of Turkije als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt ten aanzien van Oeigoeren.
Het bestaan van het uitleveringsverdrag is mij bekend. Omdat het nog niet is geratificeerd en omdat bij de toepassing van de concepten eerste land van asiel en veilig derde land steeds ook moet worden gekeken naar de vraag of het derde land ook in het specifieke individuele geval veilig is, zie ik geen aanleiding het beleid op dit moment te wijzigen.
Heeft u informatie over wanneer het Turkse parlement het genoemde uitleveringsverdrag met China gaat behandelen, of dat dit al reeds gebeurd is? Zo nee, bent u bereid hierover informatie in te winnen?
Uit informatie die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen, blijkt dat het Turkse parlement het uitleveringsverdrag nog niet heeft geratificeerd. Op dit moment is onduidelijk of men tot ratificatie wil overgaan. Ik zal de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houden en waar nodig informatie hierover inwinnen.
Hoeveel Oeigoeren hebben het afgelopen jaar in Nederland asiel aangevraagd? Hoeveel van hen zijn uitgezet naar Turkije?
Van vreemdelingen die een asielaanvraag indienen wordt niet geautomatiseerd de etniciteit bijgehouden. Het is daarom niet mogelijk om specifieke aantallen voor Oeigoeren te geven.
De cijfers voor alle vreemdelingen met de Chinese nationaliteit zijn als volgt.
In 2020 hebben 56 vreemdelingen met de Chinese nationaliteit een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland.
Vanuit de caseload van de DT&V zijn in 2020 geen vreemdelingen met de Chinese nationaliteit zelfstandig of gedwongen vertrokken naar Turkije.
Kunt u bevestigen dat indien China en Turkije een uitleveringsverdrag overeenkomen op basis waarvan Oeigoeren in Turkije uitgeleverd zullen worden aan China, Turkije voor Oeigoeren in geen geval aangemerkt kan worden als veilig derde land? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling of een derde land kan worden aangemerkt als veilig derde land, vindt steeds op individuele grondslag plaats. De individuele omstandigheden van de vreemdeling worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in het algemeen bekend is over de situatie van asielzoekers en vluchtelingen in het betreffende derde land.
Met betrekking tot het uitleveringsverdrag tussen Turkije en China houd ik de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Indien het uitleveringsverdrag daadwerkelijk in werking treedt, zal opnieuw worden beoordeeld of dit gevolgen moet hebben voor het beleid en de beoordeling in individuele zaken.
Kunt u nader motiveren waarom u van mening bent dat uit China afkomstige journalisten en bloggers niet aangemerkt hoeven te worden als risicogroep, omdat niet alle journalisten en bloggers zich bezig houden met onderwerpen die door de autoriteiten als bedreigend worden ervaren? Dit geldt toch voor journalisten en bloggers in alle landen? Zou deze argumentatie daarmee in analogie niet betekenen dat journalisten en bloggers in geen enkel land aangemerkt kunnen worden als risicogroep?
Op 17 augustus 2018 heeft toenmalig Staatssecretaris Harbers uw Kamer geïnformeerd over het besluit om politieke opponenten, mensenrechtenadvocaten en dissidenten aan te merken als risicogroep.4 Daarbij is aangegeven dat journalisten en bloggers ook hieronder kunnen vallen indien zij door de overheid als dissident of politiek activist worden aangemerkt. Ik ben het met mijn voorganger eens dat, althans in China, de groep van journalisten en bloggers op zichzelf te breed is om zonder meer als risicogroep aan te merken, omdat niet iedere journalist of blogger zich immers bezighoudt met onderwerpen die voor hen een risico opleveren.
Een dergelijke risico-inschatting dient per land te worden gemaakt en ik ben van mening dat de uitkomst per land kan verschillen. Ik ben het dan ook niet eens met de stelling dat dat dan voor journalisten en bloggers in alle landen geldt.