Hulp aan Kroatië na de recente aardbevingen |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de zware aardbeving in het noorden van Kroatië van 29 december 2020 waarbij zeven doden en tientallen gewonden zijn gevallen?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het gebied sindsdien door meer dan vijftig naschokken met een magnitude boven de 3.0 is getroffen en ook dit veel schade heeft veroorzaakt?
Ja.
Wat kunt u vertellen over de huidige situatie in het getroffen gebied?
De aardbeving die op 29 december 2020 Kroatië trof had een kracht van 6.4, waarbij 7 dodelijke slachtoffers te betreuren zijn. Het kabinet leeft mee met de slachtoffers, hun families en de vele anderen die door de aardbeving en de naschokken geraakt zijn. De aardbeving veroorzaakte veel menselijk leed en materiële schade. Het gebied was bovendien al eerder getroffen door een aardbeving op 22 maart 2020. De Kroatische regio waar deze aardbeving plaatsvond, betreft een economisch achtergebleven gebied in Kroatië.
De meest recente grote naschok dateert van 13 februari 2021 met een kracht van 3.7. De aardbeving en de naschokken hebben een grote impact op de regio. Er is grote schade aan huizen en infrastructuur in de stad Petrinja en de omliggende steden. Gebieden zijn overstroomd en er zijn zinkgaten ontstaan. Enkele dijken zijn beschadigd. De Kroatische autoriteiten en diverse andere organisaties, waaronder het Kroatische Rode Kruis, zijn actief in het getroffen gebied. De prioriteiten hierbij zijn o.a. tijdelijk in onderdak voor ontheemden voorzien. Inmiddels zijn er 1262 containers gebouwd ter opvang van de ontheemde inwoners. Hier zullen er nog 300 bijkomen. Veel huishoudens zijn nog niet aangesloten op gas, water en licht. Volgens Kroatische mediaberichten ontbreekt er nu nog veilige huisvesting voor enige tientallen families.
Na de aardbeving kwam er snel internationale steun op gang. De reconstructie en herstel van de regio zal nog jaren in beslag nemen. Lidstaten of kandidaat-lidstaten van de Europese Unie die zijn getroffen door een natuurramp kunnen onder bepaalde voorwaarden financiële steun aanvragen uit het EU solidariteitsfonds. Kroatië ontving reeds 684 miljoen euro financiële steun voor wederopbouw vanuit het EU-solidariteitsfonds na de eerste grote aardbeving van 22 maart 2020. Kroatië kan n.a.v. de meest recente aardbeving eveneens steun aanvragen vanuit het EU-solidariteitsfonds, bovenop de bilaterale steun die Kroatië al ontvangen heeft. Het kabinet steunt het verlenen van financiële steun aan lidstaten bij natuurrampen en bij grote gezondheidscrises en draagt aan deze steun bij via de EU-begroting.
Klopt het dat er, een maand na de eerste zware aardbeving, nog steeds honderden gezinnen zonder dak boven hun hoofd leven in de steden Petrinja, Glina, Sisak en omliggende dorpen? Zo ja, mag daaruit geconcludeerd worden dat er nog steeds veel Kroaten hulpbehoevend zijn naar aanleiding van de aardbevingen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke contactmomenten zijn er geweest tussen het kabinet en de collega’s in Kroatië naar aanleiding van de aardbeving en wat hebben deze contactmomenten opgeleverd?
Na de aardbeving van 29 december heb ik aan mijn ambtgenoot, Minister van Buitenlandse Zaken Gordan Grlić-Radman, mijn medeleven betuigt met de slachtoffers en families die getroffen zijn door deze verschrikkelijke aardbeving. Minister Grlić-Radman verzocht mij op 7 januari 2021 per brief om materieel te doneren. De Kroatische hulpbehoefte kwam echter niet overeen met de voorraad. In overleg met het Ministerie van Defensie is proactief geïnventariseerd wat voor steun Nederland wel kon bieden. Hieruit kwam naar voren dat Defensie op korte termijn 80 à 120 specialisten van de Genie-eenheid kon leveren voor het bouwen van noodvoorzieningen in Petrinja en de omliggende getroffen steden. Dit voorstel is door de Nederlandse ambassade voorgelegd aan de Kroatische autoriteiten. De Kroatische autoriteiten gaven destijds echter aan geen behoefte te hebben aan deze specifieke steun die Nederland kon bieden
In een brief aan mijn ambtgenoot heb ik aangegeven dat Nederland klaarstaat om nieuwe mogelijkheden te bezien, mocht er in de toekomst nog een Kroatische hulpbehoefte ontstaan.
Herinnert u zich uw aanbod om Kroatië bij te staan bij het aanpakken van de nasleep van deze vreselijke ramp?
Ja.
Heeft Kroatië gebruik gemaakt van dit aanbod? Zo ja, welke specifieke hulp heeft Nederland Kroatië sindsdien geboden? En zo nee, staat dit aanbod nog?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid contact op te nemen met de Kroatische autoriteiten om nogmaals kenbaar te maken dat Nederland de slachtoffers van de aardbeving niet is vergeten en bereid is steun te leveren indien gewenst?
Zie antwoord vraag 7.
Welke fondsen en middelen zou Nederland kunnen aanspreken om een bijdrage te leveren voor steun aan Kroatië?
Zie antwoord vraag 7.
De virtuele verkoop van groene stroom aan Amazon |
|
Sandra Beckerman (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in NRC over de virtuele verkoop van groene stroom aan Webwinkel Amazon?1
Ja.
Is het waar dat de verkoop van groene stroom aan Amazon de hoeveelheid energie omvat die circa een half miljoen huishoudens gebruiken?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven op welke wijze dergelijke transacties binnen de huidige wet- en regelgeving vallen en op welke wijze deze bijdragen aan de klimaatdoelen? Ondermijnt een dergelijk contract niet het draagvlak om de klimaatdoelen in ons kleine zeer dichtbevolkte land te halen?
Om de bouw van deze duurzame energiebronnen te bevorderen is er een Europees systeem van Garanties van Oorsprong (GvO’s) afgesproken. Voor elektriciteit is dit in Nederland geregeld in de Elektriciteitswet 1998 en de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong.
Op het eerste gezicht kan het GvO-systeem verwarrend lijken, want het lijkt alsof de opgewekte stroom uit hernieuwbare bronnen daadwerkelijk via een elektriciteitskabel wordt geleverd aan de kopers van de GvO’s. Dat is echter niet zo. Alle elektriciteit die wordt opgewekt, komt op het elektriciteitsnet voor transport naar de afnemers. Op het elektriciteitsnet kan je de elektronen die zijn opgewekt met hernieuwbare bronnen niet onderscheiden van elektronen die zijn opgewekt met fossiele bronnen. Omdat de stroom uit windparken zich met stroom uit bijvoorbeeld kolen- en gascentrales op het elektriciteitsnet mengt, kan een afnemer nooit alleen de stroom uit hernieuwbare bronnen afnemen. GvO’s maken het mogelijk voor elektriciteitsafnemers om administratief te waarborgen dat tegenover hun betaling voor elektriciteit, daadwerkelijk stroom met hernieuwbare bronnen geproduceerd is. Deze administratieve waarborg betekent dus niet dat de door de windparken opgewekte stroom daadwerkelijk naar een datacenter in het buitenland wordt geleverd.
Voor de Klimaatakkoorddoelstellingen geldt dat de CO2-reductie of de opwek van stroom uit hernieuwbare bronnen in Nederland plaats moet vinden. We willen met de opwek van elektriciteit specifiek in Nederland minder CO2 uitstoten.
Indirect vergroot de verkoop van GvO’s juist de kansen voor de energietransitie. Het biedt de opwekker van stroom uit hernieuwbare bronnen een extra inkomstenbron naast de verkoop van de stroom zelf. Dit verbetert de business case, en daarmee de uitrol, van dergelijke duurzame-energieprojecten. Door middel van dergelijke transacties lukt het om de uitrol van wind-op-zeeprojecten in Nederland subsidievrij te krijgen en te houden. Daarmee wordt het realiseren van de klimaatdoelstelling betaalbaarder.
Ligt het niet voor de hand dat de windparken die in de Nederlandse Noordzee worden geplaatst primair bedoeld moeten zijn voor duurzame energie voor Nederlands gebruik?
Zeker, en in de werkelijkheid gebeurt dat ook. Windparken op het Nederlandse deel van de Noordzee zijn primair bedoeld voor verbruik in Nederland. Daarom wordt de stroom van deze windparken ook in Nederland aan land gebracht en op het Nederlandse elektriciteitsnet ingevoed. Via het elektriciteitsnet komt de stroom primair bij de Nederlandse afnemers terecht.
Betekent een dergelijke transactie niet dat de druk om op land meer windturbines te plaatsen waartegen toenemende weerstand ontstaat, toeneemt?
Nee. Zoals ik hierboven heb beschreven komt alle stroom van de windparken op zee feitelijk primair bij de Nederlandse afnemers terecht.
Hoeveel SDE subsidie is gemoeid met de realisatie van dit windpark nu en in de toekomst?
Met dit windpark is geen SDE-subsidie gemoeid. Alleen de eerste twee windparken voor de kust bij Borssele hebben SDE-subsidie ontvangen. De laatste drie windparken die getenderd zijn, ontvangen alle geen subsidie. Het kabinet streeft ernaar om alle toekomstige windparken op zee subsidievrij te laten ontwikkelen door marktpartijen, en de extra waarde die GvO’s hebben helpt daarbij.
Hoeveel publiek geld is er gemoeid met het leggen van de electriteitskabels naar het vasteland en aansluiting op het net?
De kosten voor het net op zee voor de windparken uit de routekaart 2023 bedragen gemiddeld € 200 miljoen per jaar over een afschrijvingsperiode van 20 jaar. Naar schatting zullen de jaarlijkse gemiddelde kosten voor de routekaart 2030 € 650–750 miljoen worden. Dit is echter van vele factoren afhankelijk, zoals bijvoorbeeld de rentestand en de afschrijvingstermijn.
Bent u bereid een overzicht te geven van alle virtuele transacties rond groene stroom die in Nederland wordt geproduceerd?
Ja, feitelijk gebeurt dat al. Het systeem van GvO’s voor elektriciteit wordt uitgevoerd door CertiQ. Op de internetpagina van CertiQ wordt maandelijks een overzicht gepubliceerd over de gecertificeerde productie van duurzame elektriciteit in Nederland. Daarnaast wordt er gerapporteerd over import en export van GvO's. Dit overzicht biedt wel geaggregeerde volumes in verband met bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Bent u bereid een overzicht te geven van alle Nederlandse bedrijven die elders in de wereld virtuele groene stroom aankopen zonder die zelf te gebruiken?
Alle Nederlandse energieleveranciers zijn op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet verplicht om jaarlijks een stroometiket op te stellen. Bedrijven en huishoudens ontvangen dit stroometiket, passend bij hun energiecontract, jaarlijks. Op het stroometiket onderbouwen energieleveranciers op basis van hun afgeboekte certificaten van welke energiebron de geleverde elektriciteit afkomstig is. Op de internetpagina van CertiQ is geaggregeerde informatie te vinden over de import van certificaten uit het buitenland. Hieruit blijkt dat vooral GvO’s voor windenergie worden geïmporteerd uit bijvoorbeeld Italië en Spanje.
Kunt u aangeven hoeveel megawatt in Nederland geproduceerde groene stroom virtueel ons land verlaat en hoe deze in de nul-emissie-elektriciteit wordt meegenomen in de boekhouding van het bedrijf dat de energie virtueel heeft aangekocht en de Nederlandse boekhouding rond de emissie? Kunt u hiervan een overzicht geven?
GvO’s kunnen zowel in Nederland als in het buitenland worden gebruikt voor de onderbouwing van de levering van duurzame elektriciteit. Nederland importeert meer GvO’s uit het buitenland dan dat het exporteert. De netto import van GvO’s in Nederland was in 2020 42.689 GWh. De netto export van GvO’s was 2.528 GWh. Dat betekent dat GvO’s van in Nederland geproduceerde elektriciteit grotendeels worden gebruikt voor de onderbouwing van levering van elektriciteit in Nederland.
Kunt u aangeven hoe de ontstane grijze stroom wordt verkocht en hoe de controle op de juiste registratie van de emissie boekhouding is georganiseerd en op welke wijze hierop bij dubbele registratie wordt gehandhaafd?
De levering van grijze stroom wordt sinds 1 januari 2020 ook onderbouwd met certificaten (certificaten van oorsprong). Ook dit is geregeld in de Elektriciteitswet 1998 en de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong. De grijze stroom zelf kan verkocht worden op de elektriciteitsmarkt of via bilaterale contracten. De emissieboekhouding staat geheel los van het systeem van certificaten. Hierdoor kan er van dubbele registratie ook geen sprake zijn. De Nederlandse Emissieautoriteit borgt dat bedrijven, die deelnemen aan het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) of vallen onder de wet- en regelgeving voor hernieuwbare energie vervoer en brandstoffen luchtverontreiniging, voldoen aan hun verplichtingen.
Kunt u aangeven op welke wijze de virtuele handel in energie bijdraagt aan het terugdringen van het gebruik van fossiele brandstof en de uitstoot van CO2 en NOx bij de koper van de virtuele energie?
GvO’s maken het mogelijk om een link te leggen tussen duurzame energieproductie en de levering van energie. De waarde van GvO’s zorgt voor een betere business case voor subsidieloze duurzame-energieprojecten. Een positieve business case is noodzakelijk om projecten als Hollandse Kust Noord subsidievrij te kunnen realiseren. In de SDE++ wordt bij aanvragen vanaf 2020 gecorrigeerd voor de waarde van GvO’s, waardoor er minder subsidie hoeft te worden uitgekeerd en er meer middelen beschikbaar blijven voor aanvullende projecten voor CO2-reductie.
Deelt u de mening dat een wildgroei van oncontroleerbare virtuele transacties rond energie onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke regelgeving kunnen we hierover verwachten?
Nee, die mening deel ik niet, aangezien de handel in GvO’s is vastgelegd in Europese en nationale regelgeving. Er is dus geen sprake van oncontroleerbare virtuele transacties.
Kunt u aangeven op welke wijze ook particulieren kunnen profiteren van de virtuele aankoop van energie? Kan iemand zijn gas- of kolenkachel blijven stoken door elders virtueel energie aan te kopen en weer door te verkopen?
GvO’s zijn het enige instrument waardoor de herkomst kan worden aangetoond van hernieuwbare bronnen. Zij worden enkel gebruikt voor informatie over de herkomst van elektriciteit, gas en warmte bij de levering aan huishoudens. Door het gebruik van GvO’s kan er geen grijze energie verkocht worden als groene energie. De energieproductie wordt gecontroleerd door CertiQ zodat de juiste certificaten worden afgegeven.
Kunt u aangeven of ook overheden in ons land gebruik maken van de aan- en verkoop van virtuele stroom, om zo hun klimaatdoelen te halen? Zo ja, graag een overzicht van de mate waarop dit principe wordt toegepast en de gevolgen die dit heeft voor de klimaatdoelen in verhouding tot de werkelijk gerealiseerde vermindering van uitstoot?
De klimaatdoelstellingen worden niet gemeten op basis van GvO’s. Voor het behalen van de reductiedoelstellingen wordt alleen gekeken naar de energieproductie in Nederland. Hier wordt gekeken hoeveel CO2 Nederland uitstoot bij deze productie. Ook in de berekening van het aandeel hernieuwbare energie spelen GvO’s geen rol, omdat uitsluitend naar de productie van energie wordt gekeken en niet naar de handel daarin.
Het bericht ‘Slechte eigenrisicokeuzes maken de zorgverzekering duurder voor laagopgeleiden’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Slechte eigenrisicokeuzes maken de zorgverzekering duurder voor laagopgeleiden»?1
Het onderzoek onderstreept de bekende bevinding dat mensen met een relatief laag inkomen of laag opleidingsniveau minder geneigd zijn om voor een vrijwillig eigen risico te kiezen dan mensen met een relatief hoog inkomen of hoog opleidingsniveau. Dit vind ik niet onlogisch, want een verzekerde met een lager inkomen heeft mogelijk meer behoefte aan financiële zekerheid. De mogelijkheid dat een verzekerde bij het gebruik van zorg bijvoorbeeld 885 euro (bij een vrijwillig eigen risico van 500 euro) uit eigen zak moet betalen, maakt wellicht dat hij of zij terughoudend is om voor een vrijwillig eigen risico te kiezen.
Ik vind het belangrijk dat verzekerden goed geïnformeerd worden over het vrijwillig eigen risico. Het is daarom goed dat vergelijkingssites en zorgverzekeraars het vrijwillig eigen risico toelichten aan de hand van bijvoorbeeld keuzehulpen en rekenvoorbeelden. Daarnaast zijn er initiatieven (zoals de VoorzieningenWijzer en Poliswijzer) die verzekerden helpen bij het kiezen van de juiste zorgpolis.
Wat is uw reactie op de constatering dat er een sterke samenhang bestaat tussen de sociaaleconomische status (inkomen, opleiding) van mensen en de keuzekwaliteit en dat dus het vrijwillige eigen risico een ongelijkheidsdimensie in de zorg introduceert?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de constatering dat marktconforme voorzieningen tot een aanzienlijke ongelijkheid kunnen leiden wanneer bepaalde consumentencategorieën in dit soort omgevingen «slechtere» beslissingen nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderzoek binnen de gedragswetenschappen laat zien dat het vermogen van consumenten om informatie te wegen en rationale keuzes te maken begrensd is. Financiële keuzes worden nogal eens onbewust, snel en intuïtief gemaakt. Deze effecten worden versterkt in situaties die gepaard gaan met stress, waardoor mensen minder goed in staat zijn om weloverwogen keuzes te maken. Bekend is dat lager opgeleiden vaker te maken hebben met financiële stress, omdat zij een grotere kans hebben om te behoren tot de groep financieel kwetsbare Nederlanders.2
Daarom is het van belang dat de keuzeomgeving en de dienstverlening zo ingericht wordt dat mensen worden geholpen bij het maken van financieel gezonde keuzes. In het Actieplan Consumentenkeuzes, dat de Minister van Financiën eind 2019, in samenwerking met Wijzer in geldzaken, is gestart (zie Kamerstuk 32 013, nr. 224) werken bijvoorbeeld de financiële sector, consumentenorganisaties en kennisinstituten samen aan de ontwikkeling van vernieuwende manieren om consumentenkeuzes te faciliteren. Recent heeft de Minister van Financiën uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Actieplan.3 Bovendien zet het kabinet in op het bevorderen van de financiële geletterdheid van burgers.
Wat is uw reactie op het feit dat van de groep mensen die een kleine kans heeft op hoge zorgkosten, met name mensen met een hoog inkomen een hoog vrijwillig eigen risico kiezen?
Verzekerden maken zelf de afweging of zij een vrijwillig eigen risico willen afsluiten. Hierbij spelen factoren als verwachte zorgkosten, maar bijvoorbeeld ook de premiekorting, de eigen financiële positie en de mate van risicoaversie een rol. Cijfers4 laten zien dat circa 13 procent van de verzekerden voor een vrijwillig eigen risico kiest. Het is dus niet zo dat slechts enkele verzekerden voor een vrijwillig eigen risico kiezen.
Deelt u de mening dat dit onderzoek bevestigt dat het vrijwillig eigen risico slechts enkelen ten goede komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het vrijwillig eigen risico de solidariteit in het zorgstelsel aantast? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) laat zien dat iedereen per jaar 3 euro (mee)betaalt aan de verstrekte premiekortingen voor het vrijwillig eigen risico (zie Kamerstuk 29 689, nr. 1025). Dit is een zeer beperkt bedrag ten opzichte van de inkomensafhankelijke bijdrage en de jaarlijkse premie. De zorg is in Nederland namelijk in hoge mate gebaseerd op inkomens- en risicosolidariteit. Zo wordt de helft van de zorgkosten voor de curatieve zorg betaald door middel van de inkomensafhankelijk bijdrage. De andere helft bestaat uit de nominale premie en de eigen betalingen. Voor de nominale premie geldt een verbod op premiedifferentiatie. Dit betekent dat gezonde en ongezonde verzekerden dezelfde premie betalen voor hetzelfde verzekeringsproduct. De zorgtoeslag biedt verzekerden met een laag inkomen ondersteuning voor de nominale premie en het eigen risico.
Uit «Zorgkeuzes in Kaart 2020» blijkt dat door afschaffing van het vrijwillig eigen risico de zorguitgaven met afgerond 100 miljoen euro per jaar zouden stijgen, omdat verzekerden die op dit moment een vrijwillig eigen risico hebben na afschaffing meer zorg zouden gaan gebruiken.
Als het vrijwillig eigen risico niet eerlijk uitpakt, is het dan niet beter het vrijwillig eigen risico af te schaffen? Kunt u uw standpunt toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Austria sounds alarm over South Africa Coronavirus Variant in Tyrol region’ |
|
Maarten Hijink (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de snelle verspreiding van de Zuid-Afrikaanse variant van het coronavirus in Oostenrijk?1
De situatie in Tirol is zorgelijk. Op 9 februari jl. werden door de federale regering, ondanks de recente aankondiging van scherpere handhaving door Tirol, striktere maatregelen bekendgemaakt. Vanaf vrijdag 12 februari is het uitreizen uit Tirol alleen nog mogelijk zijn met een negatieve coronatest, die niet ouder mag zijn dan 48 uur. Uitzonderingen gelden daarbij onder andere voor het goederenverkeer en passagiers die op doorreis zijn door Tirol. Dit dient wel geloofwaardig te kunnen worden gemaakt. Ook Duitsland heeft de regels voor reizen uit Oostenrijk aangepast. Op 23 januari 2021 jl. werd voor het eerst de Zuid-Afrikaanse mutatie van het coronavirus in Oostenrijk vastgesteld. Zeven gevallen werden op die dag ontdekt in de deelstaat Tirol. Sindsdien is het aantal besmettingen met de Zuid-Afrikaanse variant in Tirol gestegen. Momenteel is Tirol na Zuid-Afrika de belangrijkste brandhaard voor de mutatievariant B.1.351. De deelstaat Tirol kende lange tijd minder strikte maatregelen dan andere regio’s in Oostenrijk.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de besmetting van de verschillende virusvarianten in Nederland, en hoeveel besmettelijker zijn deze varianten dan de «klassieke» variant van het virus?
De aantallen veranderen elke dag, en worden één keer per week, op dinsdag, uitgebreider door het RIVM gerapporteerd. Bijgaand vindt u de stand van zaken van 23 februari. Inmiddels wordt het grootste deel van de besmettingen in Nederland veroorzaakt door de Britste variant. Deze had op 5 februari een R van 1,14 (1,07 – 1,20), het reproductiegetal van de oude variant in Nederland op die datum was 0,90 (0,85–0,94). De zogenoemde Zuid-Afrikaanse variant werd tot dit moment 26 keer in de kiemsurveillance en 28 keer bij bron- en contactonderzoek gevonden. Er zijn in de kiemsurveillance en bij bron- en contactonderzoek twee coronavarianten in Nederland gevonden die beide hun oorsprong in Brazilië hebben, namelijk de P1- en de P2-variant. De P1-variant is bij drie personen die kortgeleden in Brazilië zijn geweest vastgesteld. Daarnaast is de P1-variant één keer aangetroffen in de kiemsurveillance. De P2 variant is bij negen mensen gevonden, zeven keer bij iemand die onlangs in Brazilië is geweest en twee keer zonder reisgeschiedenis.
Hoeveel procent van de positieve testen in Nederland wordt thans gesequenced?
Het RIVM volgt de ECDC-norm voor kiemsurveillance en haalt deze op dit moment ruimschoots. ECDC adviseert om minimaal een aselecte steekproef van 500 monsters per week te analyseren om inzicht te krijgen in circulerende varianten (kiemsurveillance). De afgelopen weken voerde Nederland een oplopend aantal van in het totaal 900–1300 sequentieanalyses per week uit. Bij een COVID-19-incidentie van 25.000–30.000 positieven per week is dat ongeveer 3–5% van het totaal aan positieve monsters.
Het behalen van een sequentie-analysecapaciteit van ten minste 5% van de positieve testresultaten is geen doel op zich binnen het Nederlands beleid. Het RIVM vaart op wetenschappelijke adviezen van het ECDC en eigen inhoudelijke kennis en inzichten om het minimaal aantal testen te bepalen, waarmee met voldoende zekerheid en voldoende «aanlooptijd» de circulatie van bepaalde varianten van het virus «SARS-CoV-2» kunnen worden gemonitord. Het RIVM schaalt dan ook op naar een hogere en duurzame capaciteit.
Wordt in Nederland voldoende gesequenced om eventuele verregaande verspreiding van nieuwe virusvarianten op tijd te ontdekken en de kop in te drukken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Om zicht te houden op circulerende SARS-CoV-2 varianten in Nederland bepaalt het RIVM wekelijks de sequentie van een aselecte steekproef van monsters uit GGD-teststraten en zorginstellingen. Bij opvallende observaties in een bepaalde regio wordt de kiemsurveillance lokaal geïntensiveerd. Om te komen tot een hogere en duurzame capaciteit schaalt het RIVM momenteel op. Met 1500 monsters per week is het mogelijk om een nieuwe variant twee maanden voordat deze variant dominant wordt in Nederland te detecteren. Bij de opschaling werkt het RIVM samen met de Dienst Testen, ErasmusMC en andere laboratoria.
Bent u bereid om, afhankelijk van het aantal besmettingen, tussen de 5 en 10% van de positieve testen te sequencen, vergelijkbaar met hoe dat in het Verenigd Koninkrijk gebeurt? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Er zijn momenteel meerdere (Europese) adviezen over het aantal random geselecteerde monsters per week voor kiemsurveillance. Deze adviezen worden ter harte genomen, waarbij de expertise van het RIVM wordt benut.
Toezicht op grondspeculanten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel»?1
Ja.
Deelt u de mening dat kopers van stukken grond een realistisch beeld moeten kunnen krijgen van de (toekomstige) waarde van die grond? Zo ja, hoe kan de bestaande informatie-asymmetrie tussen professionele grondhandelaren en particuliere kopers weggenomen worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, kopers moeten goed geïnformeerd aankopen kunnen doen en hierbij is een minimale voorwaarde dat een realistisch beeld van de aankoop wordt gegeven. De waarde van grond wordt bepaald door meerdere factoren, waarbij de locatie, en de verwachte toekomstige waarde van de gronden (verwachtingswaarde) belangrijke factoren zijn. De verwachtingswaarde wordt in de meeste gevallen ontleend aan het beleid dat een gemeente voert en de functie of bestemming die een stuk grond in de toekomst mogelijk krijgt. Daarover moet de verkoper een realistisch beeld schetsen. De koper kan de mededelingen die de verkoper daaromtrent doet verifiëren aan de hand van het beleid of de plannen die een gemeente heeft vastgesteld. De verkooptransactie moet ordentelijk verlopen. Dit is verplicht op grond van het Burgerlijk Wetboek, waarmee Europese regels ter bescherming van consumenten zijn geïmplementeerd.2
Door de verschillende posities zal er altijd een verschil zijn in de informatie die een partij heeft, maar bij wet is wel geregeld dat volledige en juiste informatie moet worden verstrekt bij een grondtransactie.
Deelt u de mening dat particuliere kopers van stukken grond beschermd moeten worden tegen grondhandelaren die een onrealistisch beeld schetsen van de waarde van die grond? Zo ja, hoe is het toezicht op deze grondhandelaren nu geregeld? Zo nee, waarom niet?
Particuliere kopers worden wettelijk beschermd tegen de verstrekking van misleidende informatie in het kader van regels over handelspraktijken richting consumenten. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) houdt toezicht op de naleving van deze regels. Van de ACM heb ik begrepen dat over grondtransacties nauwelijks meldingen zijn gedaan. Het gaat om één melding in 2020. In sommige gevallen kwalificeren grondtransacties als een financieel product en vallen daarmee onder het toezicht van de AFM.
Deelt u de mening dat gezien het feit dat particuliere beleggers op grote schaal juridische procedures aan moeten spannen tegen notarissen die betrokken zijn bij de handel in stukjes landbouwgrond en uit het feit dat dat ook tuchtrechtelijke gevolgen heeft gehad, dat de rol van notarissen bij het wijzen op risico’s bij grondtransacties verbeterd moet worden? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit verbeterd wordt? Zo nee, waarom niet?
Een feit is dat een recente tuchtprocedure over grondinvesteringen tuchtrechtelijke gevolgen heeft gehad en tot de zware sanctie van een ontzetting uit het ambt heeft geleid. Notarissen die betrokken zijn bij speculatieve grondtransacties hebben een professionele zorgplicht ten opzichte van de consumenten die percelen grond aanschaffen. Actieve wilscontrole, kritische beoordeling van de onderliggende transacties, doorvragen, onafhankelijke advisering en alertheid op onverklaarbare prijsstijgingen zijn hierbij van belang.
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft bij haar leden herhaaldelijk, ook vorig jaar en recent, aandacht gevraagd voor notariële tussenkomst bij particuliere beleggingen in grond. Hierbij heeft de KNB gewezen op onder meer de notariële zorgplicht (artikel 17 Wna) en in het bijzonder de notariële informatieplicht (artikel 43 Wna), waarbij deze informatieplicht onder andere inhoudt dat notarissen de koper gedegen moeten voorlichten, onder meer over eventuele risico’s van de transacties. Notarissen zullen daarnaast de nodige moeite moeten doen om bij de koper te komen tot geïnformeerde en gewilde instemming met de transactie. Dit geldt zeker als er redenen zijn om daar vraagtekens bij te zetten, zoals bijvoorbeeld een (zeer) gevorderde leeftijd of kort op elkaar volgende transacties.
De KNB heeft er daarnaast op gewezen dat notarissen zich ervan moeten vergewissen dat de koper zich het speculatieve karakter van de transactie terdege realiseert en de transactie desondanks wil. De notariële zorgplicht behelst dat notarissen hun ambt in onafhankelijkheid moeten uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moeten behartigen. Zij dienen zich dus bij grondtransacties onafhankelijk op te stellen ten aanzien van de verkoophandelaar.
De waarborgen die notarissen bij (dergelijke) rechtshandelingen moeten toepassen en de rol die notarissen hier dienen in te nemen zijn hiermee duidelijk en daarnaast door de KNB kenbaar gemaakt bij haar leden. Uit de wettelijke regeling en de verordeningen van de beroepsorganisatie in het algemeen en uit de tuchtprocedure in het bijzonder valt dan ook niet te herleiden dat de rol van notarissen (in het algemeen) bij het wijzen op risico’s bij grondtransacties verbetering behoeft.
Hoe kan het dat tenminste een deel van grondhandelaren zonder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kunnen opereren? Wat gaat u doen om alle grondhandelaren onder dit toezicht te brengen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 houdt de ACM toezicht op de naleving van het consumentenrecht. In bepaalde gevallen kunnen grondtransacties daarnaast kwalificeren als een financieel product en dan vallen deze onder het toezicht van de AFM. Wanneer een koper zelf juridisch eigenaar is en eindverantwoordelijk is voor het beheer ervan, verschilt een investering in grond niet van een investering in overige onroerende zaken. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van een financieel product (beleggingsobject) in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Eén van de partijen draagt namelijk het eigendom van grond over en de andere partij betaalt hiervoor een koopsom. Cruciaal element bij een beleggingsobject is dat het beheer hoofdzakelijk door een ander dan de verkrijger, zoals de aanbieder of een derde, wordt uitgevoerd. Indien hieraan wordt voldaan, vallen grondhandelaren als aanbieders van een beleggingsobject onder de Wet op het financieel toezicht en dienen zij in principe een AFM-vergunning te hebben. De AFM houdt dan ook toezicht op deze partijen. Grond in eigen beheer is geen financieel product en valt daarmee niet onder de Wet op het financieel toezicht. Indien al het grondbezit in eigen beheer ook als een financieel product zou worden gekwalificeerd, komen alle grondtransacties onder AFM- toezicht. Dit zou dus ook het grondbezit van bijvoorbeeld ontwikkelaars, corporaties, particulieren en gemeenten omvatten. Dit zou een onwenselijke situatie zijn. Het consumentenrecht en het Burgerlijk Wetboek zijn echter onverkort van toepassing.
Is het nog steeds mogelijk dat een kavel grond door de AFM pas als een beleggingsobject wordt gezien als de handelaar bij de verkoop aanbiedt het beheer van de grond voor de koper te regelen en dat voor het handelen zonder dit beheerelement een handelaar geen vergunning hoeft te hebben? Zo ja, waarom is dit zo geregeld en hoe kan er toch een vergunningplicht worden vastgelegd? Zo nee, sinds wanneer is dit dan niet meer mogelijk?
Indien de koper zelf de verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van zijn grondkavel dan is er geen toezicht van de AFM omdat, zoals hierboven is besproken, het kavel niet onder de Wet op het financieel toezicht valt. Wanneer op papier uitdrukkelijk wordt bepaald dat de consument het beheer van de zaak uitvoert en de praktijk is hiermee in overeenstemming, verschilt dit niet van het bezit van grond van particuliere grondbezitters, gemeenten etc. en is een vergunningplicht niet wenselijk.
In hoeverre draagt de handel in kleine stukken grond bij tot versnippering van het grondbezit? In hoeverre maakt dit het voor gemeenten en projectontwikkelaars moeilijker om bouwgrond te vinden?
Als aaneengesloten landbouwpercelen worden opgedeeld in diverse kleine percelen, draagt dat vanzelfsprekend bij aan de versnippering van grondbezit. In totaal gaat het om zo’n 2.300 hectare grond3, oftewel 0,13% van de 1.815.160 hectare cultuurgrond4 in Nederland. Slechts een zeer klein deel van de percelen is gelegen in gebieden waar daadwerkelijk sprake is van enige stedelijke woningdruk en daarmee gepaard gaande ontwikkelpotentie. Dit blijkt ook uit de bij het artikel uit 2019 behorende interactieve digitale kaart, die te raadplegen is via de website van het FD. Gemeenten en ook ontwikkelaars zoeken bouwgrond op plekken waar het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk is om nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Het kabinet heeft niet het beeld dat vanwege de versnippering die aan de orde is in het artikel in het FD, het voor gemeenten en ontwikkelaars moeilijker is om bouwgrond te vinden.
Acht u het nodig om ook ter wille van de ruimtelijke ordening de genoemde versnippering tegen te gaan? Zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ruimtelijke ordening vindt plaats onafhankelijk van eigendomsposities. Eigendomsposities, vooral als sprake is van versnippering, kunnen de realisatie van plannen bemoeilijken, maar staan niet in de weg aan het primaat van de ruimtelijke ordening. Wanneer vanuit de ruimtelijke ordening daadwerkelijk plannen voor ontwikkeling ontstaan, heeft de gemeente hiervoor voldoende instrumenten om de plannen ook te verwezenlijken. De gemeente kan een voorkeursrecht vestigen, waardoor de grond bij een voorgenomen verkoop eerst aan de gemeente moet worden aangeboden. De gemeente kan ook een onteigeningsprocedure starten om percelen samen te brengen als dat vanuit de ruimtelijke planvorming gewenst is. Met de nieuwe Omgevingswet zal de gemeente zelf hiertoe de nodige stappen kunnen zetten. De kans dat plannen van de overheid in de toekomst worden bemoeilijkt door versnippering van de grond in het verleden, op plekken waar nu nog helemaal geen nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, is gering. Bovendien hebben gemeenten met het voorkeursrecht en onteigening instrumenten in handen om bij de realisering van nieuwe ontwikkelingen, negatieve effecten van versnippering tegen te gaan. Het kabinet ziet daarom uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, geen aanleiding voor een extra instrument om de versnippering van eigendom tegen te gaan.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de Wet beleggingsobjecten en beleggingsobligaties die reeds in 2016 in consultatie is geweest? Waarom heeft deze wet of een andere wet die tot doel heeft het beschermingsniveau van beleggers in beleggingsobjecten te verhogen en malafide aanbieders te weren nooit de Kamer bereikt? Deelt u de mening dat dergelijke wetgeving wel nodig is?
In antwoord op eerdere vragen heb ik uw Kamer geschreven dat ik met de AFM in overleg was over het voorstel voor Wet beleggingsobjecten en beleggingsobligaties. De consultatiereacties, maar ook de ontwikkelingen op Europees gebied, zijn redenen geweest om de noodzaak en proportionaliteit van het voorstel nader te bezien. Daarnaast merk ik op dat het voorstel, zoals het in internetconsultatie is gebracht, betrekking heeft op beleggingsobjecten zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht. Zoals ik hierboven heb geschreven, vallen grondkavels daar uitsluitend onder voor zover het beheer daarvan hoofdzakelijk door een derde wordt uitgevoerd. Het besluit over het al dan niet voortzetten van het wetgevingstraject laat ik aan het volgende kabinet.
Puppy’s die als ‘click and collect’-handelswaar kunnen worden afgehaald bij een omstreden puppyhandelaar |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat de omstreden puppyhandelaar De Meiboom in Diessen woensdag weer mag opstarten, nadat het bedrijf enkele weken geleden gedwongen moest sluiten na een handhavingsverzoek van de Stichting House of Animals?1
Klopt het dat deze puppyhandelaar weer mag opstarten op basis van het kabinetsbesluit om «click and collect», ofwel bestellen en afhalen, weer mogelijk te maken vanaf 10 februari 2021?
Ja. Vanaf 10 februari 2021 is bestellen en afhalen bij niet-essentiële winkels weer mogelijk. Onder niet-essentiële winkels valt ook een puppyverkoop.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is als dieren op basis van een foto kunnen worden besteld en afgehaald, alsof het gaat om een nieuwe jas? Zo ja, wat gaat u doen om deze onwenselijke situatie te beëindigen?
De mogelijkheid van het kopen van een hond zonder de verkoper en het gezelschapsdier in levenden lijve te hebben gezien, hoeft als zodanig niet problematisch te zijn. Ook wanneer de koper de verkoper en de hond niet heeft gezien, kan de hond onder de juiste omstandigheden zijn gehouden en kan de hond fysiek en mentaal gezond zijn. Daartegenover staat dat als de koper de verkoper en de hond wel heeft gezien, het nog steeds zo kan zijn dat de hond niet onder de juiste omstandigheden wordt gehouden en de hond fysiek en mentaal juist niet gezond is. In beide gevallen kunnen de dieren door slechte huisvesting en verzorging ziek zijn en door onjuiste socialisatie de rest van hun leven last hebben van mentale problemen zoals angsten of agressiviteit.
Het houden van een hond brengt verplichtingen met zich mee, waardoor de aankoop van een hond zorgvuldig overwogen moet worden. Honden hebben, net als alle andere dieren, een intrinsieke waarde. Elke verkoopmethode waarbij geen rekening wordt gehouden met deze intrinsieke waarde en geen rekening is gehouden met de fysieke en mentale gezondheid van het dier, keur ik af.
Het is daarom in alle gevallen van belang dat mensen zich goed oriënteren alvorens ze een hond aanschaffen. Er is voldoende informatie te vinden over waar men op moet letten bij de aanschaf van een hond op onder andere de website van de Dierenbescherming, het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) en de Hondenbescherming.
Het LICG heeft, naast een puppychecklist, stappenplannen opgesteld over «herken de foute fokker» en «de aanschaf van een puppy via internet». Deze stappenplannen helpen een koper om malafide fokkers/handelaren te herkennen en te vermijden. Zolang mensen toch pups blijven kopen bij de foute fokkers en handelaren, blijft deze markt in stand.
Op de website van het LICG staat verder waar je aan moet denken voordat je een huisdier aanschaft. Vragen die aan de orde komen zijn: waarom wil ik een huisdier aanschaffen, past een huisdier bij mij en kan ik op een goede manier voor mijn huisdier zorgen?
Ook de NVWA is op verschillende platformen actief om de bewustwording rondom het aanschaffen van een hond te vergroten. Via de NVWA-website, sociale media (Twitter, LinkedIn, Facebook en Instagram), en via medewerking aan een reportage door NOSstories, is de NVWA actief in berichtgeving over de aanschaf van een hond en waarop gelet dient te worden.
Bent u op de hoogte van het feit dat er al sinds 2015, toen er zestig, deels zieke pups in beslag zijn genomen bij deze fokker, signalen zijn dat deze zich schuldig maakt aan fraude met hondenpaspoorten, het importeren van veel te jonge pups uit Oost-Europa en verwaarlozing?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) sinds 2015 onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij deze puppyhandelaar en wat waren hierbij de bevindingen?
De NVWA deelt geen gegevens over individuele bedrijven.
Herinnert u zich dat u, naar aanleiding van eerdere signalen van overtredingen bij deze fokker, stelde dat mensen zélf goed moeten controleren of een fokker wel te vertrouwen is? Zo ja, staat u nog steeds achter deze uitspraak?3
Ja, hier sta ik nog steeds achter. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op vraag 3.
Erkent u dat het controleren of een fokker te vertrouwen is, een stuk moeilijker wordt wanneer mensen een dier online bestellen en afhalen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de NVWA in maart 2020 vanwege het coronavirus is gestopt met het uitvoeren van controles bij fokkers van gezelschapsdieren en bovendien heeft aangekondigd dat alle beslissingen op handhavingsverzoeken tot medio 2021 worden uitgesteld?4
Naar aanleiding van de gestelde maatregelen vanuit het kabinet ten gevolge van COVID-19 in maart 2020, heeft de NVWA een afweging gemaakt welke werkzaamheden uitgevoerd moeten worden (bijvoorbeeld vanwege risico’s voor voedselveiligheid en/of volksgezondheid) en welke controles tijdelijk niet werden uitgevoerd. Bij het inrichten van toezicht tijdens de eerste maanden van de COVID-19-maatregelen is voorrang gegeven aan inspectiewerkzaamheden op het gebied van voedselveiligheid, volksgezondheid en ernstige dierenwelzijnsrisico’s. De controles bij fokkers van gezelschapsdieren zijn toen gestopt.
In 2020 zijn er wél controles uitgevoerd naar aanleiding van meldingen en signalen bij fokkers en handelaren van gezelschapsdieren. Er is overigens inmiddels een protocol opgesteld voor inspecties in huiselijke kring. Momenteel vindt er interne afstemming plaats over het protocol. Na instemming zullen ook inspecties na huiselijke kring weer worden opgepakt.
Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Wassenberg (PvdD) (Aanhangsel Handelingen II 2020–2021, nr. 1512)5.
Erkent u dat, zonder NVWA-toezicht en zonder signalen van bezoekers die rond kunnen kijken bij puppyhandelaars, u op geen enkele wijze kunt voorkomen dat deze situatie leidt tot ernstig dierenleed?
Het niet of minder inspecteren ter plaatse door de NVWA heeft tot gevolg dat het dierenwelzijn minder kan worden beschermd. Op het moment dat er sprake is van ernstig dierenleed en dierenmishandeling speelt naast de NVWA ook de politie een rol. De politie gaat ook tijdens deze pandemie door met handhaven.
Bij misstanden of twijfel over misstanden is het aangeraden om hiervan een volledige melding te doen bij de NVWA zodat er onderzoek kan worden gestart.
Dit laat onverlet dat naast de verantwoordelijkheid van de toezichthouder voor de handhaving ook de importeurs en de kopers hierin hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Het feit dat Nederlandse consumenten honden afkomstig van malafide fokkers of importeurs kopen, is een aangelegenheid van deze kopers. Deze kopers kunnen met een goede oriëntatie vooraf helpen voorkomen dat de malafide handel in stand blijft.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat er naar schatting 80.000 puppy’s per jaar uit Oost-Europa worden gehaald om hier te worden verhandeld? Zo nee, om hoeveel dieren gaat het dan?5
Bureau Beke stelt in hun rapport «Zo ziek als een hond» (2019) dat het moeilijk is de exacte omvang van de internationale puppyhandel te achterhalen. Eerdere schattingen laten zien dat het hoogstwaarschijnlijk om tienduizenden puppy’s per jaar gaat die internationaal (en deels illegaal) worden verhandeld.
Kunt u bevestigen dat vanwege het coronavirus veel mensen op zoek zijn naar pups?6
Uit het huisdierenpopulatie-onderzoek dat brancheorganisatie Dibevo en de Nederlands Voedingsindustrie Gezelschapsdieren (NVG) jaarlijks laten uitvoeren, blijkt dat het huisdierbezit tijdens de coronacrisis flink is toegenomen.8
Welke stappen heeft u ondernomen om impulsaankopen van dieren te voorkomen?
Ik ben aan het onderzoeken of en hoe een verplichte bedenktijd voor de aanschaf van huisdieren bij kan dragen aan het terugdringen van het aantal impulsaankopen van dieren, mede ter uitvoering van uw motie (Kamerstuk 28 286, nr. 1009). Als dit is afgerond, wordt uw Kamer hierover bericht.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u in overleg met dierenasiels om hen bij te staan in de opvang van dieren die nu in een impuls in huis worden gehaald en op een later moment worden afgestaan? Zo nee, waarom niet?
De Dierenbescherming en Dierenlot, die beide direct in contact staan met dierenasielen in Nederland, geven aan dat het moeilijk in te schatten is of de in coronatijd aangeschafte huisdieren worden teruggebracht als mensen straks weer minder thuis zijn. Beide organisaties blijven in contact hierover met de aan hun gelieerde dierenasiels.
Gaat u een verbod instellen op de invoer van puppy’s uit fokschuren in Oost-Europa? Zo nee, erkent u dat u hiermee ernstig dierenleed faciliteert?
De handhaving van een verbod op de invoer van puppy’s van bepaalde fokkers in Oost-Europa is niet goed uitvoerbaar. Ik beschik niet over de mogelijkheid om fokkers in andere landen regelmatig te controleren.
Het naleven van de geldende regelgeving is een verantwoordelijkheid van die fokkers en de overheden van deze landen. Ook de importeurs hebben hierin hun verantwoordelijkheid te nemen, waarop de NVWA zal toezien. Nederlandse consumenten hebben in deze ook een verantwoordelijkheid. Kopers kunnen met een goede oriëntatie vooraf helpen voorkomen dat de malafide handel in stand blijft.
Ik richt mij op voorlichting aan (potentiële) kopers, op een sluitend I&R-systeem, op het verduidelijken van wat de juiste manier van houden van een pup zou moeten zijn en op de aanpak van het fokken van pups met ernstige aangeboren afwijkingen. Met het nieuwe identificatie en registratiesysteem (I&R) voor honden is het straks zichtbaar waar de hond vandaan komt en van wie de hond een chip en een paspoort kreeg. Samen met een aantal andere lidstaten wil Nederland aanbevelingen opstellen voor een geschikt systeem voor de identificatie en registratie van honden in de EU-lidstaten. Deze aanbevelingen zijn nog in ontwikkeling en zullen nog besproken worden met een aantal Oost-Europese EU-lidstaten. In aanvulling op het nieuwe I&R-systeem zal een besluit worden genomen over het opzetten van een DNA-databank en DNA-onderzoek om daarmee onder andere beter grip te krijgen op deze ongewenste handel.
Het blijft in alle gevallen van belang dat mensen zich goed oriënteren alvorens ze een hond aanschaffen.
Kunt u deze vragen één voor één en voor het einde van deze week beantwoorden?
Het lukt vanwege afstemming niet de vragen eerder dan heden te beantwoorden.
Kunt u de Kamer een tijdslijn doen toekomen vanaf de aankondiging van het eerste coronasteunpakket tot heden, met daarin opgenomen de momenten van politieke besluitvorming omtrent een steunpakket, het moment waarop de aanvraag is ingediend bij de Europese Commissie, het moment waarop de Europese Commissie haar goedkeuring heeft verleend en het moment waarop de subsidieregeling is opgesteld voor aanvragen? Graag een uitsplitsing per (gewijzigd) steunpakket.
In de bijlage bij deze brief is een overzichtstabel toegevoegd.1
Kunt u aangeven wanneer er sprake is van significante verschillen in de goedkeuringstermijn wat hiervoor de reden is?
De Europese Commissie heeft in verband met de coronacrisis vanaf maart 2020 meer dan 380 beslissingen goedgekeurd voor meer dan 460 (COVID-19) nationale steunmaatregelen van de lidstaten. De Commissie spant zich tot het uiterste in om de aangemelde COVID-19-steunmaatregelen van de lidstaten zo snel mogelijk goed te keuren. Zoals uit het overzicht blijkt, is de doorlooptijd voor de goedkeuring van de openstelling van de TVL voor het eerste kwartaal van 2021 en de wijzigingen die met terugwerkende kracht zijn doorgevoerd in het vierde kwartaal van 2020 wat langer dan de eerste verzoeken tot goedkeuring. In december jl. heeft de Europese Commissie aangegeven ook nog andere verzoeken om COVID-19-goedkeuringen van andere lidstaten – die al eerder waren genotificeerd – te moeten behandelen.
Tevens bestond het verzoek waar in deze brief naar verwezen wordt uit een combinatie van wijzigingen. Dit betrof de goedkeuring voor de TVL Q1 2021 en de Evenementenmodule, maar ook goedkeuring voor de wijzigingen voor de TVL Q4 2020 die met terugwerkende kracht moesten worden doorgevoerd. Het ging daarbij om het ophogen van het subsidiepercentage en de toevoeging van de Voorraadvergoeding gesloten Detailhandel. Het maakte deze wijzigingsregeling en daarmee het verzoek vrij complex. De Commissie heeft tweemaal om extra informatie gevraagd. In plaats van een wijzigingsregeling waarin alleen staat wat er op dat moment wordt gewijzigd, vroeg de Commissie om een geconsolideerde regeling, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt in de tekst. Daarnaast heeft de Commissie aanvullende vragen gesteld over deze geconsolideerde regeling. Bij de eerdere twee notificaties was dat niet nodig.
Klopt het dat de opening van de aanvraagperiode van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) 2021 is uitgesteld naar «de week van 15 februari»? Wat is hier de reden van? Wanneer is het verzoek voor goedkeuring voor de TVL Q1 2021 naar de Europese Commissie gestuurd?
Door samenloop van omstandigheden, hieronder in chronologische volgorde toegelicht, heeft de openstelling van de regeling vertraging opgelopen.
Op 11 december 2020 is in het informele traject met de Commissie een document gedeeld met daarin de beoogde gewenste aanpassingen van de regeling voor de TVL voor het eerste kwartaal van 2021 (de zogenaamde pré notificatie). Hierop heeft de Commissie reeds aangegeven niet in 2020 nog te zullen toekomen aan de goedkeuring van deze wijzigingsregeling. Het kabinet had echter op dat moment ook de regeling voor de TVL Q1 2021 nog niet gereed.
Op 18 december 2020 heeft het kabinet besloten tot de laatste wijzingen voor de TVL voor het eerste kwartaal van 2021, dit in verband met de aangekondigde strengere maatregelen (lockdown) met ingang van 15 december 2020. Aanvankelijk zou de regeling in de week van 21 december genotificeerd worden. In verband met de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) op 22 december is dat niet gedaan om de gevolgen van de uitspraken eerst te kunnen bestuderen. Omdat de Commissie, zoals hierboven al aangegeven, had aangegeven hier in 2020 niet meer aan toe te zullen komen, is het officiële verzoek tot goedkeuring van de wijzigingen van de TVL voor Q1 op maandag 4 januari 2021 naar de Commissie gestuurd. Op 21 en op 29 januari heeft de Europese Commissie aanvullende vragen gesteld over de geconsolideerde versie. Op 9 februari is de goedkeuring van de Europese Commissie voor de TVL Q1 2021-regeling ontvangen, waarna de regeling op 12 februari in de Staatscourant is gepubliceerd en op 15 februari is geopend.
Wanneer werd het u duidelijk dat de goedkeuring van de Europese Commissie een flinke vertraging voor de openstelling van de TVL en dus voor ondernemers zou gaan opleveren?
Op 21 januari en vervolgens op 29 januari, toen de Europese Commissie op basis van de geconsolideerde versie nog aanvullende vragen stelde, waardoor duidelijk werd dat openstelling op de geplande 2 februari niet meer haalbaar was.
Welke acties heeft u ondernomen om deze vertraging te voorkomen of te verkorten? Heeft u op bestuurlijk niveau contact opgenomen met de Europese Commissie om dit proces te versnellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de uitkomst geweest van dit overleg?
Er is gedurende de tweede helft van januari continu contact geweest met de Europese Commissie, waarbij door de Commissie gevraagde informatie steeds zo snel mogelijk is aangeleverd. De ervaring leert dat bestuurlijke druk in dit stadium van de procedure – waarbij er al doorlopende contacten waren met de Commissie – weinig effectief is omdat al duidelijk was dat de Commissie zo snel als mogelijk tot een beslissing zou komen. De Commissie had op dat moment van veel lidstaten steunmaatregelen ter goedkeuring voorliggen. Na de vragen van 29 januari beantwoord te hebben, is op 9 februari goedkeuring van de Europese Commissie ontvangen en is de regeling 15 februari geopend.
Klopt het dat kleine ondernemers met minder dan € 3.000 vaste lasten en bedrijven niet zijnde midden- en kleinbedrijf (mkb) bij de geplande opening van de TVL Q1 2021 in de week van 15 februari geen goedkeuring en dus ook geen geld ontvangen? Moeten zij wachten tot medio maart tot hun aanvraag wordt goedgekeurd en zij dan pas steun ontvangen?
Het doel van het verlagen van de vastelastendrempel is om juist de kleine ondernemers ook in aanmerking te laten komen voor de TVL. Ik begrijp dat het dan vervelend is daar dan nog langer op te moeten wachten. Maar helaas is het niet mogelijk om eerder al de aanvraag goed te keuren en een voorschot te verlenen, zie daarvoor ook het antwoord bij vraag 7.
Waarom is het niet mogelijk om de TVL-regeling al eerder voor deze groep open te stellen? Welke consequenties volgen er wanneer er alvast een regeling wordt geopend zonder vooraf goedkeuring van de Europese Commissie? Bent u bereid om die te accepteren om zo toch deze ondernemers te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Steunmaatregelen (ook wijzigingen van de eerder goedgekeurde steunmaatregelen) van de lidstaten van de Europese Unie moeten eerst door de Europese Commissie worden goedgekeurd alvorens ze kunnen worden uitgevoerd. Dit staat in het EU Werkingsverdrag. Een uitzondering hierop zijn steunmaatregelen die onder een vrijstellingsverordening kunnen worden gebracht, maar het Tijdelijk steunkader COVID-19 is geen vrijstellingsverordening. De Europese Commissie toetst of de steunregelingen die de lidstaten notificeren voldoen aan de criteria in het toepasselijk EU steunkader en kan de steun dan verenigbaar verklaren met de interne markt. Het is niet toegestaan vooruitlopend op de goedkeuring van de Europese Commissie al voorschotten te verstrekken.
Het besluit om kleine ondernemers met minder dan € 3.000 aan vaste lasten tot de TVL toe te laten is op 9 februari jl. genomen middels het aannemen van de motie van het lid Gijs van Dijk over steun voor kleine ondernemers. Deze wijziging is vervolgens, samen met de andere aangekondigde voorstellen uit de brief van 21 januari 2021 (Uitbreiding economisch steun en herstelpakket, Kamerstuk 35 430, nr. 217), zoals het ophogen van het subsidiepercentage en de openstelling van de regeling voor niet-mkb-bedrijven, verwerkt in een wijzigingsregeling met het oog op notificatie bij de Commissie. Ook twee gerichte hardheidsclausules zijn toegevoegd, hierover wordt u de komende dagen nader geïnformeerd in een separate brief. Het goedkeuringstraject met de Europese Commissie over deze nieuwe wijzigingen is op 16 februari gestart, enkele vragen van de Commissie zijn beantwoord en de geconsolideerde aangepaste regeling is donderdag 25 februari aan de Commissie voorgelegd. Op 8 maart is het formele verzoek tot notificatie aan de Europese Commissie gestuurd. Vanuit mijn ministerie wordt aangedrongen op een spoedige behandeling, maar Nederland is niet de enige lidstaat met verzoeken tot goedkeuring van steunmaatregelen vanwege de coronacrisis.
Voor de TVL betekent dit de vierde keer dat de regeling, of een wijziging van de regeling, voorgelegd wordt aan de Europese Commissie. Op één van de nieuw in te voeren elementen van de wijziging van de regeling vooruitlopen op goedkeuring van de Commissie is in strijd met het EU Werkingsverdrag, hetgeen betekent dat de steun onrechtmatig wordt verleend. Dat brengt het risico met zich mee dat de onrechtmatige staatssteun met rente moet worden teruggevorderd bij de betreffende ondernemingen of dat er onrechtmatigheidsrente door de ondernemingen moet worden betaald. Mogelijk worden andere bedrijven die wachten op andere wijzigingen in een regeling nu of in de toekomst daardoor benadeeld.
Welke alternatieven zijn er om deze ondernemers toch op zeer korte termijn te helpen? Bent u bereid om voordat er goedkeuring van de Europese Commissie komt al voorschotten uit te betalen aan de groep ondernemers met minder dan € 3.000 vaste lasten en de niet mkb-bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk voorschotten uit te betalen omdat volgens de Algemene wet bestuursrecht subsidies alleen op grond van een wettelijk voorschrift mogen worden verstrekten. Tevens is, zoals hierboven aangegeven, vooruit lopen op goedkeuring van de Europese Commissie in strijd met het EU Werkingsverdrag. De voorgestelde wijzigingen zijn in de regeling verwerkt en, zoals bij vraag 7 aangegeven, met de Commissie gedeeld. Na bespreking met de Europese Commissie en beantwoording van hun vragen is op 8 maart het formele verzoek tot goedkeuring (notificatie) gestuurd.
Kunt u deze vragen voor opening van de TVL Q1 2021 in de week van 15 februari 2021 beantwoorden?
De regeling is reeds opengesteld op 15 februari jl. 12:00 uur.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Psychologische oorlogsvoering om burgers een lockdown te laten accepteren |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Nachtmerriescenario’s om burgers rijp te maken voor lockdown»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat de Duitse regering willens en wetens methoden heeft gebruikt om «angst en volgzaamheid» te wekken onder de Duitse bevolking?
Het is niet aan mij om me uit te laten over Duitse interne aangelegenheden zoals deze.
In welke mate acht u psychologische manipulatie gerechtvaardigd om de publieke opinie te beïnvloeden?
Ik acht psychologische manipulatie niet gerechtvaardigd om de publieke opinie te beïnvloeden.
Welke technieken heeft de Nederlandse overheid gebruikt om het draagvlak onder de bevolking te beïnvloeden? Heeft u ooit technieken gebruikt met als doel onder de bevolking meer angst voor corona te laten ontstaan? Zo ja, waarom, wanneer en op welke wijze is hier gebruik van gemaakt?
Het kabinet heeft nooit technieken gebruikt met als doel onder de bevolking meer angst voor Corona te laten ontstaan. Dit is in de ogen van het kabinet geen goede manier om draagvlak te laten ontstaan. In de brief van de Minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de stand van zaken covid-19 van 2 februari 2021 wordt uitgebreid inzicht gegeven in de inrichting van de communicatie rondom het coronabeleid.
Is er ooit contact geweest tussen de Nederlandse overheid en wetenschappers, over methoden om de bevolking vrijheidsbeperkende maatregelen te laten accepteren?
In de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de stand van zaken covid-19 van 2 februari 2021 wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het kabinet coronacommunicatie inzet en de rol van wetenschap(pers) daarbij.
Bent u bereid om alle documenten die onder de overheid berusten (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend: interne memo’s, notities, e-mails, gespreksverslagen, notulen, etc.), die betrekking hebben op het beïnvloeden van het draagvlak onder Nederlanders voor de lockdownmaatregelen, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft een informatieplicht richting de Tweede Kamer. Daaraan wordt – binnen de afspraken die daarover met de Tweede Kamer zijn gemaakt – reeds voldaan.
De uitvoering van de Wet tot samenvoeging van de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer |
|
Henk Krol (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u naar aanleiding van uw brief van 2 november 2020 over de Evaluatie herindelingsproces gemeente Vijfheerenlanden, mogelijk op een andere manier gaan kijken naar de herindeling Groningen, Haren en Ten Boer? Bent u van mening dat de hoofdconclusie uit de genoemde evaluatie, namelijk dat de kwaliteit van het proces van herindeling onvoldoende was, ook van toepassing is op de herindeling Groningen, Haren en Ten Boer? Zo nee, waarom niet?
Nee, de evaluatie had alleen betrekking op de het proces dat tot de vorming van de gemeente Vijfheerenlanden heeft geleid. Hoewel de evaluatie van dit – tot nog toe – unieke proces ook een aantal breder toepasbare inzichten heeft opgeleverd, heeft dit mijn oordeel over de herindeling van Groningen, Haren en Ten Boer niet gewijzigd.
Kent u het voornemen van het gemeentebestuur van Groningen om zonneparken aan te leggen in het landelijke gebied van de voormalige gemeente Haren, met een grote landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde, waaronder de groene long tussen Groningen en Haren?1 In hoeverre is dit voornemen in overeenstemming met punt 1 uit de Bestuursovereenkomst herindeling Groningen Haren en Ten Boer? Bent u van mening dat de Bestuursovereenkomst niet wordt nageleefd, ten nadele van de inwoners van de voormalige gemeente Haren? Bent u bereid om de gemeente Groningen op te roepen zich aan de Bestuursovereenkomst te houden en af te zien van de aanleg van zonneparken in dit gebied?
In het kader van de uitwerking van het Klimaatakkoord zijn in Nederland momenteel 30 energieregio’s aan het verkennen hoe het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden. Groningen is één RES-regio. De RES-regio bestaat uit gemeenten, provincie en waterschap. Bij de verdeling over wind en zon wordt ook gekeken naar landschappelijke inpassing en aansluiting op het netwerk. Vanuit de NOVI zijn aan de RES-regio’s ruimtelijke principes meegegeven, gericht op het zo zorgvuldig mogelijk omgaan met ruimte. Een invulling van deze ruimtelijke principes is de voorkeursvolgorde zon. Deze voorkeursvolgorde gaat uit van zoveel mogelijk zon op dak. En pas in laatste instantie op vruchtbare landsbouwgronden en in natuurgebieden. En als voor dit laatste wordt gekozen zal dit zorgvuldig moeten gebeuren.
Ik heb kennis genomen van het concept beleidskader Zonneparken in de gemeente Groningen en van de berichtgeving die in de media over dit concept is verschenen. In het concept beleidskader komen bovenstaande ruimtelijke principes herkenbaar terug. Navraag bij de gemeente Groningen leert mij dat de signalen die in de vraag worden aangehaald ook de gemeente zelf hebben bereikt (d.m.v. inspraak en ingediende zienswijzen) en serieus worden opgepakt. De gemeente gaat de komende maanden verder in gesprek met bewoners- en belangenorganisaties over de verdere uitwerking van het beleid voor kleinschalige zonneparken, voordat het ter besluitvorming wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. Ik heb er vertrouwen in dat de gemeente een zorgvuldige belangenafweging zal maken die recht doet aan zowel de ruimtelijke principes uit de NOVI als aan de afspraken uit de Bestuursovereenkomst.
Bent u van mening van de aanleg van zonneparken niet alleen het welzijn van de inwoners van de voormalige gemeente Haren ernstig aantast, maar ook ernstige schade toebrengt aan het waardevolle landelijke gebied, deels gelegen op de Hondsrug en deels in de stroomdalen van de Hunze en de Drentsche Aa, dat deel uitmaakt van het Unesco Global Geopark, en daarom onverantwoord is? Zo nee, waarom niet?
In iedere regio moeten overheden samen met maatschappelijke organisaties en bewoners invulling geven aan de opgaven uit het Klimaatakkoord. In deze afweging zal ook gekeken worden naar goede ruimtelijke inpassing. Ook zal per regio worden gekeken hoe invulling kan worden gegeven aan 50% lokaal eigendom. Een manier om te komen tot betere verdeling van lasten en lusten. Voor 1 juli moeten alle RES regio’s hun RES 1.0 voorleggen ter besluitvorming aan de volksvertegenwoordigers bij gemeenten, provincie en waterschappen.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 is er op dit moment sprake van een concept beleidskader. In dit concept wordt aangegeven wat mogelijke gebieden voor kleinschalige zonneparken zijn, mochten andere opties niet afdoende blijken te zijn. De gemeente Groningen is niet voornemens zelf het initiatief te nemen voor de realisatie van kleinschalige parken. Ook sluit de gemeente Groningen de aanleg van zonneparken in natuurgebieden uit en past de gemeente in het nog vast te stellen beleidsplan voor zonneparken de voorkeursvolgorde zon toe. In die gebieden waar mogelijk een kleinschalig zonnepark gerealiseerd kan gaan worden, zullen daar strikte voorwaarden aan verbonden zijn die er op toezien dat ze voldoen aan een goede ruimtelijke inpassing. Op dit moment heb ik derhalve geen reden om aan te nemen dat er sprake is van ernstige schade die door dit concept beleidsplan wordt toegebracht.
Wat is uw mening over de recente ontwikkelingen in de voormalige gemeente Haren met betrekking tot de gemeentelijke lasten? Kunt u in een vijfjarig (2017–2021) schematisch overzicht aangeven met welke nieuwe gemeentelijke belastingen (incl. precariorechten, heffingen en leges) bedrijven, (sport)verenigingen en inwoners van de voormalige gemeente Haren te maken hebben gekregen na de herindeling? Kunt u tevens aangeven hoe bestaande lasten zich hebben ontwikkeld na de herindeling? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de eerdere begrotingen uit het verbeterplan Beterr Haren? Wat is uw oordeel over deze lastenverzwaring in het licht van behoorlijk bestuur?
In onderstaande tabel is de ontwikkeling van de woonlasten voor inwoners van de voormalige gemeente Haren in de periode 2017–2021 weergegeven.
OZB1
€ 425,–
€ 486,–
€ 493,–
€ 563,–
€ 605,–
Afvalstoffenheffing2
€ 223,–
€ 213,–
€ 226,–
€ 226,–
€ 369,–
Rioolheffing3
€ 254,–
€ 262,–
€ 224,–
€ 150,–
€ 142,–
€ 872,–
€ 921,–
€ 943,–
€ 939,–
€ 1.116,--
Bij de OZB gaat het om een gemiddelde aanslag gebaseerd op de gemiddelde WOZ-woningwaarde. De OZB-bedragen voor 2017 en 2018 zijn afkomstig uit de begroting 2018 van Haren. De OZB-bedragen voor de jaren 2019 t/m 2021 zijn verstrekt door het Noordelijk Belastingkantoor. Per 1 januari 2019 is de OZB geharmoniseerd.
De gegevens over de afvalstoffenheffing zijn ontleend aan Atlas lokale lasten en de lokale lastencalculator van het Coelo. Per 1 januari 2021 is de afvalstoffenheffing geharmoniseerd.
De bedragen van de rioolheffing zijn afkomstig uit de Verordening rioolheffing voor de desbetreffende jaren. Per 1 januari 2020 is de rioolheffing geharmoniseerd.
Per 1 januari 2021 is de heffingsmaatstaf van de afvalstoffenheffing gewijzigd. Tot 1 januari 2021 was de afvalstoffenheffing voor inwoners van Haren gebaseerd op het aantal kilo’s afval. Vanaf 1 januari 2021 is het aantal bewoners van een perceel de heffingsmaatstaf.2 Voor het grondgebied van de voormalige gemeente Haren zijn per 1 januari 2020 daarnaast de hondenbelasting en de precariobelasting ingevoerd (deze laatste belasting raakt vooral bedrijven).
Uit het overzicht blijkt dat de woonlasten voor de inwoners van de voormalige gemeente Haren in de eerste twee jaar na de herindeling licht zijn gestegen. In 2021 is er wel sprake van een substantiële toename. Een toename die ook in een groot aantal andere gemeenten valt waar te nemen. De woonlasten zijn dus wel gestegen na datum van herindeling, maar dat betekent niet dat de verhoging ook valt toe te schrijven aan de herindeling. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat ook een zelfstandige gemeente Haren in de huidige tijd met stijgende woonlasten geconfronteerd zou worden. Een politiek oordeel over de hoogte van de lasten laat ik over aan de gemeenteraad van Groningen.
Herinnert u zich uw antwoorden op de vragen van het lid Krol van 26 mei jl. waarin u bij vraag 49 stelt: «Los daarvan herken ik mij in het geheel niet in de kwalificaties «verzwijgen» en «geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid». Die laat ik dan ook voor rekening van de vragensteller.»? Bent u van mening dat, gezien het rapport «Ongekend Onrecht» over de toeslagenaffaire, het niet ondenkbaar is dat er ook bij andere overheidsinstellingen sprake kan zijn van geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid? Is de informatie waar dat er bij de herindeling Groningen, Haren en Ten Boer, mogelijk bij een topambtenaar van uw ministerie sprake is geweest van vooringenomenheid waarbij deze topambtenaar zich tevens op een neerbuigende wijze heeft uitgelaten over de inwoners van de voormalige gemeente Haren? Bent u in het licht van het afschaffen van de «Rutte-doctrine» en het streven naar openheid, alsnog bereid het eerder gevraagde onderzoek uit te voeren naar mogelijke ambtelijke vooringenomenheid bij de herindeling Groningen, Haren en Ten Boer? Zo nee, waarom niet?
Het rapport «Ongekend Onrecht» over de toeslagenaffaire leert ons inderdaad alert te zijn op de mogelijkheid van geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid, en roept op dit in het vervolg te voorkomen. Ik ben van mening dat de herindelingsprocedure zoals vastgelegd in de Wet arhi waarborgen tegen geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid kent. Verder constateer ik dat u mij bij herhaling vraagt om een (onafhankelijk) onderzoek te doen naar de herindelingsprocedure rondom Groningen, Haren en Ten Boer. Mij zijn geen nieuwe feiten bekend geworden die mijn standpunt over het verzochte onderzoek doen wijzigen. Ik ben dus wederom niet bereid een dergelijk onderzoek op te starten, omdat ik de meerwaarde ervan niet zie.
De berichten dat mensen die niet thuis werken zich onveilig voelen op de werkvloer |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «CNV-onderzoek: Nederlanders met vitaal beroep voelen zich onveilig op de werkvloer»1 en «Niet-thuiswerkers ervaren steeds meer stress en zijn bang voor besmetting»?2
Ja, beide berichten zijn bij mij bekend.
Wat vindt u ervan dat zoveel mensen bang zijn om besmet te raken en daar stress van ondervinden?
Werkenden moeten hun werk gezond en veilig kunnen uitvoeren. Angst om besmet te raken op de werkplek en daar stress van ondervinden is geen gezonde arbeidssituatie.
De werkgever heeft een verantwoordelijkheid en zorgplicht richting zijn werknemer. Zo ook wat betreft het risico op besmetting met het coronavirus. In die gevallen dat mensen bang zijn om besmet te raken en stress ondervinden, omdat de werkgever niet zorgt voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, is het van belang dat zij hierover het gesprek aangaan met hun werkgever, eventueel via de personeelsvertegenwoordiging of de ondernemingsraad. Indien dit niet tot verbetering leidt, kan een melding worden gedaan bij Inspectie SZW. De Inspectie SZW kan in dat geval interventies inzetten richting de werkgever, zodat deze alsnog maatregelen neemt.
Wat vindt u ervan dat ruim 40% van de mensen die niet thuis werken, te weinig bescherming ondervindt tegen het coronavirus op de werkvloer?
Er zijn de afgelopen tijd diverse onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van corona op het werk. Naast de onderzoeken van FNV en CNV, heeft ook TNO gedurende de Corona-crisis drie zogenaamde NEACOVID metingen gedaan naar de gevolgen en naleving van de maatregelen op het werk. Net als de onderzoeken van CNV en FNV geven de TNO-metingen een beeld van de naleving op de werkvloer volgens werknemers. Uw Kamer is via een brief over de stand van zaken rondom thuiswerken op 30 april j.l. over de uitkomsten van de laatste TNO-meting geïnformeerd3.
Ondanks de verschillen in de uitkomsten van verschillende onderzoeken is duidelijk dat de werkomgeving een bron van mogelijke besmetting is. Uit het epidemiologisch rapport van het RIVM van 20 april bleek dat bij gemiddeld 15,2% van alle positief geteste mensen bij wie de besmettingsbron kan worden achterhaald, er een relatie is met de werkomgeving. Het blijft van belang dat werkgevers, samen met werknemers, aandacht houden voor gezond en veilig werken en maatregelen nemen om besmetting met het coronavirus te voorkomen.
Indien werknemers toch van mening zijn dat er ongezond en onveilig moet worden gewerkt, dan kunnen ze dit melden bij Inspectie SZW. Naast de actieve inspecties kan door middel van meldingen ook reactief worden opgetreden tegen werkgevers.
Vindt u ook dat iedereen veilig moet kunnen werken en dit in deze tijden extra belangrijk is? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedereen veilig kan werken?
Bedrijfsbelang kan en mag niet zwaarder wegen dan de veiligheid van werknemers. De Arbeidsomstandighedenwet is er om dit te garanderen. Het niet naleven van de Arbowet kan leiden tot bestuurlijke boetes of bestuursdwang.
Door het risico op besmetting met het coronavirus is het belang van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden nog duidelijker geworden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij werkgevers en werknemers. De overheid faciliteert en licht voor en vormt het sluitstuk met toezicht en handhaving. Ik ben hierover continue in gesprek met zowel vertegenwoordigers van werkgevers als werknemers.
Wat vindt u ervan dat er werkgevers zijn die bedrijfsbelang zwaarder lijken te wegen dan de veiligheid van hun werknemers? Bent u bereid werkgeverskoepels dan wel individuele werkgevers hier op aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de Inspectie SZW nu voldoende mogelijkheden en capaciteit om hier flink op te controleren en te handhaven?
Op grond van de Arbowet heeft de werkgever een zorgplicht die inhoudt dat de werkgever de werknemer in staat stelt zijn werk veilig en gezond te doen. Dat houdt in dat de werkgever ook maatregelen moet nemen om het risico op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Als de Inspectie SZW constateert dat een werkgever onvoldoende maatregelen treft in verband met het coronavirus, heeft zij op basis van de Arbowet de bevoegdheid werkgevers aan te spreken op hun zorgplicht. Er wordt dan bijvoorbeeld een waarschuwing of eis tot naleving gegeven.
Met de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 heeft de Inspectie SZW meer bevoegdheden gekregen om te handhaven. De inzet van de Inspectie is primair gericht op het verbeteren van gedrag en van de feitelijke werksituatie, zodat werkgevers een gezonde en veilige werkomgeving voor hun werknemers mogelijk maken. Het opleggen van een boete vormt het sluitstuk van deze interventies.
In 2021 draagt de extra capaciteit vanuit de ICF-middelen verder bij aan het herstellen van de balans tussen enerzijds ongevalsonderzoeken, klachten en meldingen en anderzijds preventieve inspecties op het domein van gezond en veilig werk. 4 Over de ingezette capaciteit, resultaten en effecten van de inzet van de Inspectie SZW zal de Kamer nader worden geïnformeerd in het jaarverslag 2020 (mei 2021).
Kan de Inspectie SZW meer controles gaan uitvoeren? Kan de inspectiecapaciteit tijdelijk worden opgeschroefd? In hoeverre heeft de Inspectie SZW de mogelijkheid om te handhaven op de RIVM-richtlijnen? Zou het de handhaving helpen als deze worden opgenomen in de Arbowet?
De Inspectie SZW houdt risicogericht en programmatisch toezicht. Met de extra bevoegdheden in de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 kan de Inspectie SZW de werkzaamheden stilleggen wanneer een werkgever in ernstige mate niet de noodzakelijke maatregelen treft om de kans op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Aanvullend hierop is een tijdelijke aanvulling geregeld in het Arbobesluit. Deze aanvulling brengt verplichtingen met zich mee voor werkgevers die erop gericht zijn om een veilige arbeidsplaats te creëren voor werknemers. Het niet naleven van de verplichtingen in het Arbobesluit is direct beboetbaar.
Wanneer een werkgever onvoldoende maatregelen neemt om besmetting met het coronavirus te beperken of te voorkomen, kan er een melding worden gedaan bij de Inspectie SZW. De meldingen kunnen leiden tot opvolging en waar nodig tot een interventie. Recent is een tussenrapportage over de meldingen naar de Kamer gestuurd.5 Gelet op het grote maatschappelijke belang heeft de Inspectie SZW besloten tot aanpassing van de werkprocessen om de registratie, triage en follow up van meldingen met de juiste interventie in te regelen. Hierover is de Kamer eerder geïnformeerd.6 De afhandeling van coronameldingen heeft nog steeds prioriteit.
Ook in het Jaarplan 2021 van de Inspectie SZW is er rekening gehouden met de gevolgen van het coronavirus in de programmering.
Wat vindt u van de suggestie van FNV-bestuurder Kitty Jong om wat minder productie te draaien, zodat mensen in de distributiecentra veilig kunnen werken? Bent u bereid om hierover met de sector in gesprek te gaan, zoals eerder ook is toegezegd rondom het thema nachtwerk?
Indien er niet gezond en veilig kan worden gewerkt door een te hoge productie, is het aan de werkgever om het werk zo te organiseren dat dit wordt opgelost. Ieder distributiecentrum is echter anders waardoor per situatie zal moeten worden beoordeeld wat en of een lagere productie inderdaad bijdraagt aan gezondere en veiligere arbeidsomstandigheden. Een productiesnelheid waarop het ene distributiecentrum goed functioneert, kan bij een ander distributiecentrum tot problemen leiden. Ik verwacht dat werkgevers en werknemers hierover onderling het gesprek met elkaar zullen voeren.
Hoe ziet u de rol van personeelsvertegenwoordiging omtrent veilig werken? Worden deze gesprekken op de werkvloer voldoende gevoerd? Hebben bijvoorbeeld ondernemingsraden voldoende invloed op protocollen die worden ingesteld en maatregelen die door bedrijven worden genomen?
Het is van belang dat het gesprek over gezond en veilig werken tussen de werkgever en werknemer gevoerd wordt. Dat kan eventueel via medezeggenschapsorganen als de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
In de brief van 6 mei 20207 is uw Kamer geïnformeerd over de status van protocollen. Protocollen zijn van de werkgevers en werknemers zelf en gaan over veilig werken binnen een bedrijf of organisatie. Protocollen zijn van en voor sectoren en worden veelal opgesteld door de brancheorganisatie horend bij de sector.
Daarbij worden zij in veel gevallen ondersteund door de werkgeverskoepels VNO-NCW en MKB Nederland. Werknemers in de sector moeten worden betrokken, bijvoorbeeld via de vakbond(en), maar ook medezeggenschapsorganen zouden hier mogelijk een rol in kunnen spelen. Een door sectoren vastgesteld protocol is echter geen vervanging van de geldende weten regelgeving. Dit betekent dat een protocol niet in de plaats komt van Arbowetgeving; die blijft onverminderd geldig. Voor meer informatie over de protocollen verwijs ik u ook naar de website van de rijksoverheid8.
Ziet u nog andere mogelijkheden om gevoelens van onveiligheid bij werknemers weg te nemen?
Het is aan de werkgevers om hun zorgplicht op dit punt te vervullen en aan werknemers om bij gevoelens van onveiligheid hierover in gesprek te gaan met de werkgever. Indien dit het gevoel van onveiligheid bij werknemers niet wegneemt, dan kunnen zij te allen tijde een melding doen bij Inspectie SZW.
Berichten die bij de SP-fractie zijn binnengekomen over compensatie voor vergunninghouders radiofrequenties |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van het onderzoek naar de mogelijkheid om voor vergunninghouders van landelijke, regionale en lokale FM-frequenties, ter compensatie van de coronacrisis, de vergunning te verlengen met tenminste twee jaar?1
In de motie Van den Berg c.s.2 wordt de regering verzocht om in overleg met de sector te komen tot een verlenging van de bestaande FM-licenties voor commerciële radiostations. In mijn brief aan uw Kamer van 11 november 20203 heb ik u laten weten dat in reactie op deze motie overga tot een tijdelijke (nood)verlenging van de bestaande commerciële radiovergunningen voor FM met een termijn van minimaal twee jaar tot 1 september 2024. Deze termijn kan oplopen tot drie jaar indien na onderzoek duidelijk wordt dat een dergelijke termijn proportioneel is in verhouding tot het gestelde doel.
Een van de elementen die voor de verlenging van de bestaande vergunningen noodzakelijk is, is de berekening van de verlengingsprijzen. Ik heb daartoe aan SEO Economisch Onderzoek te Amsterdam (SEO) opdracht verstrekt. De verwachting is dat in april, begin mei er meer duidelijkheid ontstaat over de hoogte van de verlengingsprijzen en de vergunningen voor welke deze prijzen moeten gaan gelden. Het gaat hierbij conform de motie om bestaande FM-vergunningen voor landelijk en regionaal gebruik met daaraan gekoppeld spectrum voor digitale radioomroep.
Kunt u aangeven of het klopt dat deze compensatie geen tegemoetkoming biedt voor vergunninghouders met een vergunning voor Laagvermogen Middengolf (LM)? Zo nee, kunt u aangeven op welke wijze vergunninghouders met een LM-vergunning worden gecompenseerd? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken op welke wijze deze vergunninghouders wel kunnen worden gecompenseerd?
De radiosector heeft zelf aangegeven dat zij in plaats van overheidssteun in de vorm van geld graag hun bestaande FM-vergunningen verlengd wilde hebben4. De sector heeft aangegeven dat het op deze wijze makkelijker wordt om additionele financiering rond te krijgen om daarmee de coronacrisis door te komen.
Zoals hierboven reeds aangegeven heb ik aan de wens van de sector en uw Kamer gehoor gegeven en wordt er uitvoering gegeven aan de motie Van den Berg c.s. teneinde tijdig de noodzakelijke verlengbaarheidsbesluiten te kunnen publiceren.
De vergunningen voor Laagvermogen Middengolf (LM) zijn op volgorde van binnenkomst uitgegeven voor een termijn van vijf jaar en worden normaliter op grond van artikel 3.17 van de Telecommunicatiewet na afloop van de vergunningstermijn van rechtswege met een periode van vijf jaar verlengd5. Aangezien voor deze vergunningen een ander wettelijk regime van toepassing is, is hiervoor geen afzonderlijk verlengbaarheidsbesluit noodzakelijk en zal er ook geen verlengingsprijs in rekening worden gebracht. Het onderzoek van SEO strekt zich dan ook niet uit tot deze vergunningen.
De vergunninghouders van LM kunnen dus van hun vergunningen gebruik blijven maken. Daarnaast kunnen alle radiopartijen -waaronder de vergunninghouders van LM – gebruik maken van het bestaande pakket aan steunmaatregelen. Het steun- en herstelpakket voor economie en arbeidsmarkt is op 21 januari 20216 verder verruimt om bedrijven zoveel mogelijk te ondersteunen in deze moeilijke tijden. Ik zie dan ook geen redenen om deze categorie vergunninghouders op een afzonderlijke wijze te compenseren.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke wijze, ook lokale vergunninghouders van Digital Audio Broadcasting (DAB) worden meegenomen bij het onderzoek naar de mogelijkheid deze te compenseren voor de gevolgen van de coronacrisis?
Conform het advies van de Taskforce Radio is om vooruitlopend op de afronding van de internationale onderhandelingen een gedeelte van de digitale laag 6 tijdelijk uit te gegeven voor lokaal gebruik. Het uitgeven van laag 6 (of gedeeltes daarvan) vooruitlopend op de definitieve resultaten van de internationale frequentiecoördinatie heeft wel als consequentie dat het onzeker is of hetgeen tijdelijk aan frequentierechten wordt uitgegeven, overeenstemt met het uiteindelijke resultaat van de onderhandelingen. Er is daarom gekozen voor een tijdelijke uitgifte tot en met uiterlijk 31 augustus 2022. Na deze termijn zal de beschikbare frequentieruimte opnieuw worden uitgegeven onder nieuwe voorwaarden conform de resultaten van de internationale onderhandelingen. Dit betekent dat na 31 augustus 2022 de lokale commerciele digitale vergunningen niet verlengd kunnen worden. Deze vergunningen maken derhalve evenmin onderdeel uit van het door SEO uitgevoerde onderzoek naar de verleningsprijzen.
Deelt u de mening dat ook kleine vergunninghouders (LM & DAB) worden getroffen door teruglopende inkomsten als gevolg van de coronacrisis? Zo nee, waarom niet?
De coronacrisis is inmiddels verworden tot ook een langlopende economische crisis, waarbij veel ondernemers en werkenden hard zijn getroffen, zo ook de kleine vergunninghouders (LM & DAB). Ook het kabinet blijft zich daarom in deze moeilijke fase in de bestrijding van het coronavirus onverminderd inspannen om baanbehoud en bedrijvigheid te ondersteunen. Het is om deze reden dat het kabinet besloten heeft het steunpakket voor banen en economie banen en economie fors uit te breiden7.
Deelt u de mening dat, omdat de LM-vergunningen in principe al verlengd worden en een verlenging voor lokale DAB-frequenties wellicht onmogelijk is omdat het misschien in 2028 stopt, er een andere vorm van compensatie nodig is? Zo nee, waarom niet?
Op 5 oktober 20208 heeft het onafhankelijk Adviescollege «Toekomstbeleid Commerciële Radio» advies uitgebracht. De verschillende vraagstukken in het radiodossier, waaronder het toepasselijk verdeelinstrument, zijn in samenhang met elkaar door dit college onderzocht. Ook lag bij dit college de vraag voor wanneer afschakeling van frequentieruimte voor commerciële analoge radio aan de orde is. Het college constateert dat de toekomst van radiodistributie onmiskenbaar in het digitale domein lig. Conform het advies van de Taskforce Radio ben ik overgegaan tot de uitgifte van een extra landelijke digitale laag (laag 7) en zal in 2022 ook de digitale laag 6 – die beter geschikt is voor lokaal gebruik – definitief worden uitgegeven. Op deze wijze zal de transitie van analoge naar digitale radioomroep geleidelijk vorm worden gegeven. Belangstellenden voor een vergunning voor digitale radio met lokaal bereik kunnen bij de start van de aanvraagperiode in 2022 een aanvraag indienen en hebben op deze wijze de mogelijkheid om een vergunning voor een langere periode te verkrijgen. Bij de tijdelijke uitgifte van de lokale DAB frequenties tot 1 september 2022 is hierover duidelijk gecommuniceerd richting partijen. Het toekennen van compensatie – al dan niet op basis van de coronacrisis – is niet in lijn hiermee.
Bent u bereid deze vergunninghouders een alternatieve vorm van compensatie te bieden, bijvoorbeeld door een tijdelijke vrijstelling van de kosten voor het Commissariaat voor de Media en het Agentschap Telecom? Zo nee, waarom niet?
Ook deze vergunninghouders kunnen gebruik maken van het bestaande pakket aan steunmaatregelen dat nog doorloopt tot het tweede kwartaal van 2021. Een tijdelijke vrijstelling van de (toezichts)kosten verschuldigd aan Agentschap Telecom is daarom niet aan de orde. Voor vrijstelling van de kosten voor het Commissariaat voor de Media moeten partijen zich wenden tot de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.
Minder geld voor Texel, Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder uit gemeentefonds |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De andere Waddeneilanden zijn »voordeelgemeenten», maar Texel loopt half miljoen mis uit Gemeentefonds»?1
Deelt u de mening dat het vreemd is dat Texel, als enige Waddeneiland, minder geld uit het gemeentefonds krijgt? Waarom is Texel geen voordeelgemeente? Kunt u toelichten hoe dit mogelijk is?
Bent u het eens dat juist Texel, als Waddeneiland, vanwege haar ligging en grootte, hogere kosten heeft voor het bouwen van huizen, openhouden van scholen en het realiseren van goede zorg?
Kunt u zich dan ook voorstellen dat Texelaars zeer verbaasd zijn over het feit dat zij, ondanks die bijzondere positie die dit Waddeneiland heeft, minder geld vanuit het Rijk ontvangen?
Vindt u het bovendien niet extra schrijnend dat Texel nu minder inkomsten van het Rijk krijgt, terwijl het SCP-onderzoek »Als werk weinig opbrengt»2 juist laat zien dat er op de Wadden veel werkende armen leven?
Bent u het daarom dan ook eens dat de bijzondere positie van de Waddeneilanden en het feit dat er veel werkende armen leven, er voor zorgen dat juist de Waddeneilanden extra aandacht en financiële steun nodig hebben?
is het waar dat, naast Texel, ook veel andere gemeenten in Noord Holland, zoals Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder, er door de herverdeling van het gemeentefonds fors op achteruit gaan?
Maakt u zich daarnaast ook geen grote zorgen dat, door het verlagen van de bijdrage vanuit het Gemeentefonds, deze gemeenten in Noord-Holland mogelijk op belangrijke zaken zoals het bouwen van de zeer noodzakelijke woningen, schoolhuisvesting, het zwembad of de bibliotheek moeten gaan bezuinigen? Deelt u de mening dat, naast de grote gevolgen van de coronacrisis op de Waddeneilanden door het missen van de inkomsten uit toerisme, Texel nog eens extra wordt geraakt?
Kunt u zich voorstellen dat de inwoners van deze gemeenten het gevoel krijgen dat zij onvoldoende gehoord worden in Den Haag?
Bent u daarom bereid om het besluit om minder geld voor de gemeenten Texel, Bergen, Castricum, Heerhugowaard, Beemster en Den Helder uit het Gemeentefonds ter beschikking te stellen,te heroverwegen en juist extra te investeren in deze gemeenten?
Het melden van telen op zand en of löss grond door boeren |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de maatregel dat boeren die mais willen telen op zand- en/of lössgrond dit uiterlijk op 15 februari moeten melden?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen, hoeveel percelen en hoeveel hectares inmiddels zijn aangemeld?
Tot en met 11 februari 2021 om 9u ’s ochtends zijn er 12.216 meldingen ontvangen. Het betreft 45.553 percelen waarvan de totale oppervlakte 115.937 hectare is.
Kunt u aangeven hoeveel mais de afgelopen vijf jaar (graag een overzicht per jaar) geteeld is op zand- en/of lössgronden?
In onderstaande tabel is de oppervlakte van het areaal waarop in de afgelopen vijf jaar maïs is geteeld op zand- en lössgronden opgenomen.
Totale oppervlakte areaal maïs op zand- en lössgronden
2015
172.606
2016
160.828
2017
158.354
2018
159.133
2019
150.248
2020
152.887
Heeft u onderzoek gedaan naar de extra kosten en of administratieve lasten die de ondernemer maakt voor deze maatregel? Zo ja, kunt u de uitkomsten met de Kamer delen? Zo nee waarom niet?
In de nota van toelichting van het Besluit van 29 december 2020 tot wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn dat op 6 januari jl. in het Staatsblad is gepubliceerd (nummer 2021–2) is in paragraaf 3 Effecten bedrijfsleven en overheid ingegaan op de bedrijfseffecten van de maatregel van de aanpassing in de uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan de teelt van maïs. De berekening van de administratieve last als gevolg van de voorafgaande melding van de teelt van maïs is toegelicht. Aan de berekening ligt de gecombineerde opgave van 2019 ten grondslag van landbouwers die in die jaren maïs hebben geteeld op zand- en lössgronden. Voor de melding wordt gerekend met 2,5 minuut voor het aanmelden op Mijn RVO, een kwartier voor het verzamelen van gegevens en 1,2 minuut voor het doorvoeren van het perceelnummer. Daarbij wordt gerekend met een tarief per persoon per uur van € 37 overeenkomstig de standaard die voor kostenberekening van landbouwers wordt toegepast. Daarmee komt de totale regeldruk op € 249.428,-. De reacties in de consultatie zijn aanleiding geweest om in het ontwerpbesluit de melding van een perceel te kunnen wijzigen, omdat het bijvoorbeeld voorkomt dat na 15 februari percelen worden geruild. Het is niet mogelijk in te schatten hoeveel percelen dit betreft, daarom kan de regeldruk van de wijziging van de melding niet worden berekend. In de paragraaf Overige bedrijfseffecten van de nota van toelichting is de aanpassing van de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs voor een landbouwer kan leiden tot mogelijke aanvullende afzetkosten voor mest. De omvang van deze kosten is niet te duiden omdat dit per bedrijf kan verschillen.
Bent u bekend met signalen uit de praktijk dat deze maatregel de uitruil van gronden tussen akkerbouw en veeteelt bemoeilijkt en er daardoor minder mogelijkheden zijn voor het verbouwen van «eigen krachtvoer»? Zo nee, bent u bereid om met een aantal boeren die hier in de praktijk tegenaan lopen in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb dergelijke signalen ontvangen.
In mijn brief van 18 mei 2020 (Kamerstuk 33 037, nr. 368) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2018–2021 (hierna: zesde actieprogramma) gedurende het resterende deel van de looptijd van dit actieprogramma. Ik heb toen aangegeven dat nog enkele maatregelen zullen worden doorgevoerd rondom de teelt van maïs op zand- en lössgronden waarbij het principe van precisiebemesting uitgangspunt is, ook ter beperking van emissies. Voortschrijdend inzicht als gevolg van wetenschappelijke inzichten en de rechtvaardiging van investeringen voor de toepassing van rijenbemesting in maïs op zand- en lössgronden per 1 januari 2021 heeft er destijds toe geleid dat ik heb besloten deze maatregel op een andere, eenvoudigere en minstens even effectieve manier verder uit te werken. Daarom heb ik toen besloten de uitrijdperiode voorafgaand aan de teelt van maïs op zand- en lössgrond in te korten. Deze invulling maakt deel uit van een pakket aan maatregelen, zoals ik in deze brief heb toegelicht.
Van 18 mei 2020 tot en met 15 juni 2020 heeft consultatie van het betreffende ontwerpbesluit plaatsgevonden waarop eenieder in de gelegenheid is gesteld om hier desgewenst op te reageren. Van 31 augustus 2020 tot en met 4 november 2020 is het ontwerpbesluit in het kader van de voorhang aan uw Kamer voorgelegd (Kamerstuk 33 037, nr. 372). Van 6 januari jl. tot en met 3 februari jl. is het Besluit in het kader van de nahang aan uw Kamer voorgelegd (Kamerstuk 33 037, nr. 382).
Ik ben altijd bereid het gesprek te voeren met boeren over hun ervaringen in de praktijk.
Deelt u de mening dat door de verplichting van het aanmelden van percelen die gebruikt worden voor de maisteelt voor 15 februari de flexibiliteit van het bouwplan en het werk van de boer wordt aangetast? Zo nee, waarom niet en kunt u toelichten hoe boeren kunnen anticiperen als bijvoorbeeld de weersomstandigheden zo zijn dat aanmelding van de percelen nog ongewis is?
Nee, ik deel uw mening niet. De reacties die gedurende de consultatie op het ontwerpbesluit zijn gegeven, hebben ertoe geleid dat in het ontwerpbesluit is voorzien in de mogelijkheid dat percelen die aangemeld zijn voor de teelt van maïs ook weer afgemeld kunnen worden.
Bent u bekend met het feit dat mais in hetzelfde seizoen soms gezaaid wordt na het mislukken van een ander gewas op dat perceel, zoals bieten die bevroren zijn en/of aardappelen die het niet redden, om uiteindelijk geoogst te kunnen worden en bent u van mening dat dit onder de huidige regels wel of niet is toegestaan? Waarom wel of waarom niet? Zo niet, bent u bereid dit mogelijk te maken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben hiermee bekend. Zoals in de beantwoording op vraag 6 is aangegeven is erin voorzien dat de melding die gedaan is waarbij een perceel is aangemeld voor de maïsteelt weer kan worden gewijzigd.
Heeft u kennis genomen van de neveneffecten die door deze maatregel zullen ontstaan en kunt u een reactie geven op de volgende situaties:
Ja, ik heb kennis genomen van de neveneffecten. Ten aanzien van de eerste situatie deel ik uw mening niet dat er een achterstand ontstaat. Aangemelde percelen kunnen worden afgemeld waardoor landbouwers vanaf de datum dat de wijziging wordt doorgegeven alsnog kunnen bemesten. Ten aanzien van de tweede situatie geldt dat maïs niet geteeld mag worden indien het perceel niet is gemeld. Dit geldt ook voor percelen die op dit moment grasland zijn. De situatie waarin grasland wordt gescheurd om toch te kunnen voldoen aan het gewenste areaal maïs, omdat sommige percelen niet zijn aangemeld zal zich dus in de praktijk ook niet of nauwelijks voordoen.
Bent u bekend met mineralenmanagement waarbij boeren continu bezig zijn met de benutting van mineralen en het halen van milieuwinst en is het u bekend dat veel boeren hier, al dan niet in collectief verband, via de melkfabriek of voerleverancier mee bezig zijn en wat vindt u van deze initiatieven? Ziet u ook een steeds grotere bewustwording van de keuze en het gebruik van vanggewassen en optimale benutting van mineralen? Zo nee, kunt u dat onderbouwen?
Ja, ik ben bekend met dergelijke bestaande initiatieven, zoals de Kringloopwijzer, en de systemen die bijvoorbeeld in de pilot Slim Bemesten of op Koeien & Kansen-bedrijven worden ontwikkeld. De voorlopers in de sector, die dit soort managementinstrumenten ontwikkelen en gebruiken, kan ik alleen maar toejuichen.
Via diverse kanalen is mij opgevallen dat sectorpartijen steeds bewuster en slimmer met de teelt van een vanggewas omgaan. Zo zijn in korte tijd de vroegrijpe maïsrassen sterk verbeterd. Ik heb dan ook de verwachting dat het vanggewas in de loop van de tijd nog effectiever zal bijdragen in de benutting van mineralen.
Deelt u de mening dat deze maatregel de meerderheid van de boeren treft en de motivatie van het boeren aantast, terwijl deze maatregel bedoeld is voor de kleine minderheid? Zo nee, kunt u dat toelichten? Zo ja, welke alternatieven heeft u onderzocht om de excessen aan te kunnen pakken?
Deze maatregel volgt uit de uitvoering van het zesde actieprogramma. In de beantwoording op vraag 5 ben ik ingegaan op de achtergrond van deze maatregel. Met deze maatregel is precisiebemesting het uitgangspunt gebleven. Recent is de Nitraatrapportage (Kamerstuk 33 037, nr. 378) aan uw Kamer aangeboden over de periode 2016–2019. Deze rapportage laat zien dat op meer dan de helft van de landbouwbedrijven in de zand- en lössregio de nitraatconcentratie te hoog is. Ik deel uw mening dan ook niet dat dit een kleine minderheid betreft.
Bent u bereid deze maatregel te heroverwegen en boeren de ruimte te geven om flexibel in te kunnen spelen op de verschillende omstandigheden die een boer niet altijd in de hand heeft, zoals bijvoorbeeld de weersomstandigheden (op dit moment een stevige vorstperiode terwijl andere jaren half februari gestart kan worden met het bemesten)? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording op vraag 5 heb ik de achtergrond bij deze maatregel toegelicht. Ook heb ik aangegeven dat het Besluit waar deze maatregel deel van uitmaakt is vastgesteld. De inwerkingtreding bij koninklijk besluit door publicatie in het Staatsblad zal op zeer korte termijn plaatsvinden.
Kunt u de HUF-toets met de Kamer delen, dit is de toets die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitvoert op de handhaafbaarheid, uitvoering en fraudebestendigheid? Zo nee, is deze toets wel uitgevoerd? Kunt u, indien deze toets niet is uitgevoerd, aangeven waarom deze niet is uitgevoerd en kunt u de precieze randvoorwaarden delen wanneer deze toets wel of niet wordt uitgevoerd?
Ja, op 9 februari 2021 heb ik de HUF-toets met uw Kamer gedeeld.
Herinnert u zich uw toezegging dat u de HUF-toets over de drempels in de ruggenteelt met de Kamer zou delen, gedaan tijdens het debat over de NVWA op 2 februari 2021 waarin de Kamer kritisch was over het takenpakket van de NVWA, en kunt u aangeven wanneer deze gedeeld wordt?
Ik verwijs naar de beantwoording op vraag 12.
Kunt u uitgebreid reflecteren op de maatregel rond het melden van telen en de maatregel zoals het aanbrengen van drempels in de ruggenteelt waarbij u rekenschap geeft van het vakmanschap van de boer, de administratieve lasten, de uitvoerbaarheid voor de boer, de handhaafbaarheid van de maatregel, de professionaliteit van de boer, het mineralenmanagement in relatie tot de milieuwinst en kunt u deze reflectie onderbouwen met de uitkomsten van een breed praktijkonderzoek in diverse delen van het land?
Op 22 december 2017 (Kamerstuk 33 037, nr. 250) heb ik uw Kamer het zesde actieprogramma toegezonden en dit programma is gelijktijdig conform artikel 5 van de Nitraatrichtlijn bij de Europese Commissie ingediend waarmee invulling is gegeven aan het mestbeleid voor de periode 2018 tot en met 2021. De invulling van dit actieprogramma vormde ook de grondslag voor de derogatie. Doel van het actieprogramma is de verontreiniging veroorzaakt of teweeggebracht uit agrarische bronnen te verminderen en te voorkomen. Aan de maatregelen in dit actieprogramma lagen de milieuresultaten ten grondslag. Dit heeft ertoe geleid dat het maatregelenpakket zich onder andere richtte op waterkwaliteitsproblemen op regionaal en lokaal niveau, samenhangend met de mate en de aard van het gebruik van stikstof en fosfaat in de landbouw. Dit actieprogramma is dan ook meer dan de voorgaande actieprogramma’s gericht geweest op specifieke gebieden en grondsoorten, zoals de zand- en lössregio, teelten, zoals maïs, en landbouwpraktijken. Naast het stimuleren van de goede landbouwpraktijk was het als gevolg van de milieuresultaten onvermijdelijk dat verplichtende maatregelen zijn ingevoerd.
Bij de totstandkoming van het actieprogramma heeft veelvuldig overleg met diverse sectorpartijen plaatsgevonden. In de beantwoording op vraag 5 heb ik toegelicht op welke wijze uitvoering aan het zesde actieprogramma is gegeven in de resterende looptijd.
Herinnert u zich eerdere Kamervragen van het lid Lodders (VVD) over het illegaal uitrijden van mest en het niet opvolgen van meldingen en waarom is er niet gekozen voor het verbeteren van de handhaving, terwijl uit deze Kamervragen blijkt dat aan diverse meldingen van het illegaal uitrijden van mest geen opvolging tot handhaving is gegeven en kunt u toelichten waarom u de keuze maakt voor een extra maatregel in plaats van het handhaven van de bestaande regels?1 2 3
Ja, deze eerdere vragen van het lid Lodders over het illegaal uitrijden van mest herinner ik mij. Meldingen hierover neem ik zeer serieus en ik heb daarbij in de beantwoording tevens aangegeven dat er sluitend bewijs moet zijn (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 345). De NVWA verstaat onder het illegaal uitrijden van mest het uitrijden buiten de toegestane periodes of ten tijde van sneeuw en vorst. Indien dit het geval is, worden passende maatregelen genomen.
Door de handhavende diensten wordt veel inzet gepleegd in het kader van de Versterkte Handhavingsstrategie, waaronder ook gebiedsgericht. Over de voortgang in de uitvoering van deze strategie heb ik uw Kamer en de Europese Commissie bij regelmaat op de hoogte gesteld (meest recentelijk Kamerstuk 33 037, nr. 373).
Het bericht ‘Restcapaciteit reguliere zorg bleef lang onbenut’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Restcapaciteit reguliere zorg bleef lang onbenut»?1
Het artikel bevestigt voor mij de noodzaak om de lessen van de eerste coronagolf van maart 2020 verder te ontwikkelen en toe te passen binnen het Nederlandse zorgstelsel. Deze lessen zijn onder andere verwerkt in het tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie2 dat ik op 23 oktober heb gedeeld met de Kamer. Met behulp van dit tijdelijk beleidskader beoog ik de toegankelijkheid van de acute en kritiek planbare zorg zo goed mogelijk te waarborgen, met in heel Nederland een zo gelijk en evenwichtig mogelijk niveau van toegankelijkheid van zorg voor de patiënten.
Vindt u het ook schokkend dat de restcapaciteit voor reguliere zorg gedurende de eerste coronagolf vanwege strategische belangen gedeeltelijk onbenut is gebleven?
Er zijn mij geen feiten bekend over zorgcapaciteit die tijdens de eerste golf doelbewust onbenut is gebleven. Er zijn geen afspraken gemaakt tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat bepaalde zorg niet geleverd mocht worden en er zijn in dat kader ook geen beperkingen opgelegd in het verlenen van zorg aan individuele patiënten.
Dat er restcapaciteit voor reguliere zorg gedurende de eerste golf gedeeltelijk onbenut is gebleven komt voort uit verschillende redenen. Vanwege een zeer plotselinge toename van patiënten op de verpleegafdelingen en de Intensive Care (IC) is in de eerste coronagolf besloten tot het nationaal afschalen van reguliere zorg om capaciteit te creëren voor de opvang of overname van patiënten. In deze acute setting waarin er per regio en zelfs per instelling verschillend was afgeschaald was het moeilijk om de restcapaciteit van de reguliere zorg in kaart te brengen.
Een andere reden dat er onvolledig gebruik is gemaakt van de beschikbare reguliere zorg is dat er minder verwijzingen hebben plaatsgevonden omdat veel mensen die niet naar de huisarts gingen dat niet durfden of de zorg niet verder wilden belasten. Daarnaast zijn er ook patiënten die niet de voorkeur hebben, met name bij complexe behandelingen of ingrepen, om verwezen te worden naar een andere zorginstelling en/of behandelend arts om eerder zorg te kunnen ontvangen.
Begrijpt u de beslissing van covid-ziekenhuizen om patiënten niet door te verwijzen naar plekken waar nog wel plaats was, uit angst om deze patiënten kwijt te raken? Deelt u de mening dat deze beslissing van de ziekenhuizen veroorzaakt is door de rol van concurrentie in het zorgstelsel? Zo ja, ziet u hierin ook bewijs dat concurrentie niet thuishoort in de zorg?
Zoals in het voorgaande antwoord is toegelicht, zijn er geen feiten of signalen bekend over het (al dan niet doelbewust) onthouden van zorg aan mensen terwijl die wel beschikbaar was.
Bij het besluit om patiënten over te plaatsen spelen veel verschillende overwegingen, waaronder natuurlijk het belang van continuïteit in de behandeling en de eigen voorkeur van patiënten. Er zijn geen concrete signalen bekend dat financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om patiënten al dan niet over te plaatsen of door te verwijzen.
Veldpartijen hebben aangegeven dat overwegingen rond concurrentie in sommige gevallen belemmerend hebben gewerkt bij de totstandkoming van samenwerkingsafspraken, maar er zijn ook juist in deze periode diverse nieuwe vormen van samenwerking opgezet. Zo was er een veel grotere behoefte aan samenwerking en regie, bijvoorbeeld op het gebied van coördinatie van IC-capaciteit, dan in een normale situatie en die ruimte is er ook binnen het huidige stelsel. Zorgverzekeraars hebben intensief samengewerkt om de zorg toegankelijk te kunnen houden. Ze hebben bijvoorbeeld snel samen regelingen kunnen en mogen optuigen om zorgaanbieders financieel comfort te geven. Hierin was marktwerking nadrukkelijk niet het leidende principe, maar continuïteit van zorg en hiermee zijn de randvoorwaarden geschapen waarbinnen zorgaanbieders zich maximaal konden richten op het belang van de patiënt.
Overigens zijn patiënten niet afhankelijk van een verwijzing om te wisselen van zorgaanbieder. Zij kunnen zelf contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling, of rechtstreeks met een andere zorgaanbieder. De NZa heeft het ontsluiten van informatie over het aanbod van reguliere zorg bevorderd en ook zijn financiële afspraken gemaakt over het zo efficiënt mogelijk benutten van de beschikbare capaciteit.
Heeft u enig inzicht in de omvang van de zorg die niet is doorgegaan terwijl er wel restcapaciteit beschikbaar was en wat de gevolgen zijn van deze uitgestelde zorg? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Gedurende de eerste coronagolf bleef de (semi-)acute en kritiek planbare zorg beschikbaar, en tevens werden manieren gevonden om zorg te vervangen zoals bijvoorbeeld het videoconsult om zorg op afstand te blijven leveren. Wanneer
afspraken voor reguliere zorg werden uitgesteld had dit niet als gevolg dat mensen géén zorg zouden ontvangen.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft nader onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van zorg door de wachttijden landelijk en regionaal in kaart te brengen en te vergelijken met de treeknorm. Het aantal overschrijdingen van de treeknorm voor de polikliniek en diagnostiek lag in juni en juli van 2020 ongeveer op het niveau van begin 2020. Voor behandelingen in het ziekenhuis is er sprake van een lichte stijging van het aantal overschrijdingen van de treeknorm, waarbij er behoorlijke regionale verschillen zijn. Voor verschillende behandelingen in het ziekenhuis waren de wachttijden ook voor de corona-uitbraak al langer dan de Treeknormen.
Op basis van de gegevens van ZorgDomein kan geconcludeerd worden dat tijdens de eerste golf van de coronacrisis het aantal verwijzingen van huisartsen naar het ziekenhuis over de gehele breedte van de zorg was afgenomen. Vanaf begin april nam het aantal verwijzingen weer gestaag toe en was in augustus gestabiliseerd rond het niveau van eerdere jaren. Een deel van deze verwijzingen zullen niet ingehaald hoeven worden, omdat klachten vanzelf zijn overgegaan of op een andere manier aan de zorgvraag (bijvoorbeeld door de huisarts) is voldaan. Een deel echter zal nu een zwaardere zorgvraag zijn.
Hoe beoordeelt u de opmerking dat de vangnetregeling van de zorgverzekeraars bijdraagt of heeft bijgedragen aan het feit dat covid-ziekenhuizen hun patiënten niet doorverwezen naar andere plekken waar wel capaciteit was, aangezien gesteld wordt dat «de verzekeraar niet twee keer gaat betalen en liever de wachtlijsten wat laat oplopen»? Indien u dit signaal herkent, bent u bereid zorgverzekeraars hierop aan te spreken en in te zetten op een aanpassing van de vangnetregeling?
Ik ben van mening dat het onwenselijk is als er reguliere zorg onnodig wordt uitgesteld vanwege de vangnetregeling. De vangnetregeling van verzekeraars heeft dat ook niet als doel. Ongeacht het bestaan van een vangnetregeling kunnen verzekerden die te lang moeten wachten bij een bepaalde zorgaanbieder zich melden bij hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling.
Ik ken geen feiten of signalen over zorgverzekeraars die doelbewust de wachtlijsten zouden hebben laten oplopen. Met alle ziekenhuizen en klinieken zijn in 2020 continuïteitsregelingen getroffen, wat maakte dat zij gecompenseerd zijn voor productieverlies. Daarbij is steeds aangegeven dat bij het verplaatsen van patiënten naar een kliniek de financiering moet volgen en dat tussen ziekenhuis en kliniek een financiële afrekening moet plaatsvinden. Anders wordt de zorg dubbel betaald en dat is ook in een pandemie niet gewenst en verantwoord. Zorgverzekeraars werken samen met de NZa aan het inzichtelijk krijgen van de beschikbare capaciteit en nemen deze inzichten mee naar de ROAZ-tafels en zorgbemiddeling.
Het is belangrijk om te realiseren dat klinieken niet alle reguliere zorg kunnen leveren, omdat ze hiervoor niet geëquipeerd zijn. Het is daarom in een situatie als de covid-pandemie onvermijdelijk dat wachtlijsten oplopen.
Zorgverzekeraars hebben op basis van hun zorgplicht ook de taak om ziekenhuizen aan te spreken als dergelijke situaties zich zichtbaar voordoen en zij monitoren hier dan ook op.
De toename van seksueel geweld tijdens de coronacrisis |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onderzoek Rutgers: jongeren hebben minder seks en dates tijdens corona, wel meer seksueel geweld»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht in de Volkskrant en de onderliggende onderzoeken van Rutgers.
Deelt u de mening dat deze toename van seksueel geweld uiterst zorgelijk is? Welke stappen onderneemt u om hierop in te grijpen?
De aanpak van seksueel geweld heeft zeker onze aandacht, want elk geval van seksuele grensoverschrijding is er een te veel. Slachtoffers van seksueel geweld kunnen altijd terecht bij het CSG en Veilig Thuis voor hulp en advies of een melding doen bij politie of Veilig Thuis.
Uit het onderzoeksrapport van Rutgers «Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland tijdens de coronacrisis» blijkt overigens niet dat seksueel geweld in de periode maart tot december 2020 is toegenomen. Jongeren die meegenomen zijn in de steekproef geven aan dat de meeste ervaringen met seksuele grensoverschrijding hebben plaatsgevonden voor de coronacrisis.
Het is tegelijkertijd bekend dat slachtoffers vaak lang wachten met het doen van een melding. Vandaar ook dat de Minister van Rechtsbescherming eind 2019 de campagne «Wat kan mij helpen» is gestart om slachtoffers te motiveren snel professionele hulp te zoeken als zij een nare seksuele ervaring hebben gehad. Voor een overzicht van de stappen die gezet worden op het voorkomen en aanpakken van seksueel geweld verwijs ik u naar de kamerbrief «interdepartementale aanpak seksueel geweld» van 4 februari 2021 met bijbehorend schema.3
Heeft u zicht op de mate waarin deze stijging van seksueel geweld verband houdt met huiselijk geweld? Zo nee, kunt u dat zo snel mogelijk onderzoeken?
Op basis van het onderzoeksrapport van Rutgers kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een stijging van seksueel geweld. De cijfers uit het onderzoek van Rutgers kunnen niet goed vergeleken worden met cijfers uit eerdere onderzoeken. Dat komt mede doordat de onderzoeksgroepen verschillen en het om een specifieke periode gaat.
Wel is er zicht op de mate waarin seksueel geweld verband houdt met huiselijk geweld. De ministeries van VWS en JenV hebben de Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld laten ontwikkelen door het WODC en het CBS. Met dit onderzoek wordt tweejaarlijks de aard en omvang gemeten van huiselijk geweld, seksuele intimidatie en seksueel geweld via een steekproef onder de Nederlandse bevolking van zestien jaar en ouder. In de eerste publicatie van de prevalentiemonitor in 2020 wordt geconstateerd dat er slechts een kleine overlap bestaat tussen slachtofferschap van huiselijk geweld en het slachtofferschap van seksueel geweld; 1 procent van de bevolking van zestien jaar of ouder werd slachtoffer van seksueel geweld door iemand uit de huiselijke kring (familie-/gezinslid of (ex-)partner), terwijl 8 procent slachtoffer werd van huiselijk geweld dat geen seksueel karakter had. Seksueel geweld vindt voor het grootste deel niet in huiselijke kring plaats: 10 procent van de bevolking van zestien jaar of ouder is slachtoffer geweest van seksueel geweld buiten huiselijke kring.4
Heeft u contact gehad met politie en Openbaar Ministerie om te onderzoeken of zij een gelijk beeld onderschrijven? Zo nee, bent u voornemens dat alsnog te doen?
Ik heb nauw contact met politie en OM over de ontwikkelingen op het gebied van seksueel geweld tijdens de coronacrisis. Uit deze contacten blijkt dat er in 2020 sprake was van een daling ten opzichte van 2019 in het aantal informatieve gesprekken en aangiftes van seksueel geweld. Deze daling leidt tot een lagere instroom van zedenzaken bij het OM. Voor de hele strafrechtketen is een monitor ingericht die maandelijks inzicht geeft in de ontwikkeling van de werkvoorraden. De impact van corona wordt zo nauwkeuring bijgehouden.
Ziet u reden tot zorgen over de algemene seksuele gezondheid van jongeren vanwege de verstoringen die de coronamaatregelen hebben veroorzaakt?
Uit het onderzoek Seks onder je 25e (https://seksonderje25e.nl/) bleek dat het met de seksuele gezondheid onder jongeren vóór corona in het algemeen goed was gesteld. Uit het recente onderzoek van Rutgers blijkt dat de coronamaatregelen de seksuele ontwikkeling van jongeren belemmert. Of dit gevolgen heeft op de lange termijn is nog niet te zeggen. Het onderzoek «Seks onder je 25e» wordt volgend jaar weer uitgevoerd en zal hopelijk meer informatie kunnen geven over de gevolgen op de lange termijn. Er is voldoende reden om een vinger aan de pols te houden en blijvend aandacht te schenken aan seksuele vorming. Momenteel wordt met behulp van verschillende activiteiten en programma’s ook onder de huidige coronamaatregelen informatie geboden aan jongeren en adolescenten over uiteenlopende thema’s op het gebied van seksuele gezondheid. Een voorbeeld is het stimuleringsprogramma «Relaties en Seksualiteit». Doel van dit programma is om een impuls te geven aan seksuele en relationele vorming in het onderwijs. De aanvragen hiervoor vinden ook doorgang onder de huidige coronamaatregelen. Een ander voorbeeld zijn de campagnes «Onbedoelde zwangerschappen» en «Seksuele Gezondheid» die als doel hebben om de seksuele gezondheid onder jongeren te bevorderen. De campagnes gaan over vragen die bij jongeren leven over seksualiteit, anticonceptie en relaties en richten zich via diverse sociale mediakanalen op jongeren en adolescenten. Via Sense.info kunnen jongeren informatie inwinnen over deze thematiek. Jongeren kunnen bij veel GGD’en aankloppen voor advies en hulp bij seksualiteitsproblemen.
Op welke manier kan extra aandacht worden gegeven aan het belang en nut van een gezond seksleven onder jongeren, zodat de huidige restricties geen permanente schade aanrichten?
Zie antwoord vraag 5.
Dna-testen in verband met verzoeken tot gezinshereniging voor vluchtelingen |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel waaruit blijkt dat gezinshereniging van vluchtelingen wordt afgewezen als niet binnen vier weken een afspraak is gemaakt met de Nederlandse ambassade voor dna-onderzoek?1
Ja.
Onderschrijft u dat Nederland op grond van internationaal recht en de gezinsherenigingsrichtlijn de gezinshereniging van vluchtelingen moet bevorderen en daarbij rekening moet houden met de bijzondere situatie van de vluchteling en de gezinsleden? Onderschrijft u voorts dat daarbij bovendien de gezinsherenigingsprocedure van vluchtelingen op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) snel, zorgvuldig en met speciale zorg moet worden afgehandeld?
Ja.
Is sprake van een nieuwe werkwijze dat gezinsleden slechts vier weken de tijd krijgen om een afspraak bij de ambassade te maken waarna bij het verloop van deze termijn de aanvraag direct wordt afgewezen? Wat is de juridische grondslag voor deze fatale termijn? Waarom is niet gekozen voor een ruimere termijn met de mogelijkheid deze indien nodig te verlengen?
Nee, er is geen sprake van een nieuwe werkwijze. Gezinsleden die een DNA-onderzoek krijgen aangeboden, hebben standaard vier weken de tijd om een afspraak in te plannen bij een Nederlandse vertegenwoordiging. Dit is een staande werkwijze die geldt voor alle nationaliteiten. Gedurende deze vier weken kunnen de gezinsleden telefonisch of via het online afsprakensysteem van de betreffende ambassade of Nederlandse vertegenwoordiging, een afspraak maken. In Addis Abeba plant de ambassade telefonisch afspraken in met gezinsleden, waarbij de nareizigers meerdere keren, over een periode van meerdere weken gebeld voor een afspraak. De daadwerkelijke afspraak kan later plaatsvinden. Het betreft een termijn die in de praktijk wordt gehanteerd en aansluit bij de reactietermijn die de vreemdeling krijgt wanneer er sprake is van een incompleet dossier en deze door middel van een herstel van het verzuim wordt aangevuld. De termijn voor het maken van een DNA afspraak bij de ambassade is niet wettelijk vastgelegd. Omdat de daadwerkelijke afspraak later dan de genoemde vier weken kan plaatsvinden, is in een redelijke termijn voorzien.
Klopt het dat de Nederlandse ambassade nog niet eerder dna-onderzoek heeft kunnen faciliteren vanwege de coronasituatie? Hoe lang heeft het geduurd voordat de Nederlandse ambassade weer de mogelijkheid van dna-onderzoek kon bieden? Is al deze tijd de beslistermijn van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) opgeschort? Waarom kan de IND de beslistermijn niet verder opschorten om gezinnen een reële kans te bieden de Nederlandse ambassade te bereiken en op die manier de gezinshereniging voor de vluchtelingengezinnen te faciliteren?
Door COVID-19 was het Ministerie van Buitenlandse zaken medio maart 2020 genoodzaakt de niet-essentiële consulaire dienstverlening op de diplomatieke vertegenwoordigingen af te schalen, zo ook het afnemen van DNA-materiaal. Daar waar de reguliere consulaire dienstverlening sinds eind mei 2020 geleidelijk kon worden hervat, heeft het hervatten van DNA-afnames langer geduurd. Dit komt met name doordat consulaire afdelingen niet over voldoende faciliteiten beschikten om dit proces conform RIVM richtlijnen en Rijksbrede protocollen veilig uit te kunnen voeren, en/of door onvoldoende beschikbaarheid van medisch personeel. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de diplomatieke vertegenwoordigingen hebben zich hard ingezet om consulaire afdelingen zo in te richten- of externe locaties te vinden om veilig DNA-materiaal af te kunnen nemen. Sinds 1 november 2020 is de Nederlandse ambassade in Addis Abeba weer in staat DNA-afnames te faciliteren.
De IND heeft in de individuele aanvragen waarin door de overmachtssituatie nadere onderzoeken geen doorgang konden vinden, de beslistermijnen tijdelijk opgeschort. De huidige omstandigheden in de Tigray regio zijn grillig en onvoorspelbaar, waardoor het onduidelijk is wanneer de vreemdelingen aldaar wel beschikbaar zullen zijn voor een nader onderzoek. Het kan niet met zekerheid worden gesteld dat de gezinsleden bij een verlenging van de termijn met enkele weken daadwerkelijk gebaat zouden zijn. Daarom heeft de IND er niet voor gekozen om de termijn te verlengen.
Vreemdelingen die worden afgewezen omdat zij niet beschikbaar zijn voor onderzoek, wordt verzocht een nieuwe aanvraag in te dienen zodra zij wél beschikbaar zijn voor onderzoek. Deze nieuwe aanvraag wordt vervolgens met voorrang opgepakt. De afspraak voor het nader onderzoek wordt dan snel gepland.
Erkent u dat het moeten doen van een nieuwe aanvraag vertraging oplevert, ook al wordt deze met voorrang behandeld? Kunt u aangeven hoe snel gemiddeld en hoe lang maximaal het de IND zal vergen om een nieuwe beslissing te nemen? Hoe snel zal het nieuwe aanbod voor dna-onderzoek er liggen? Erkent u dat het moeten behandelen van een nieuwe aanvraag de IND ook weer extra werklast oplevert?
Bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag, zal het onderliggende dossier volledig worden betrokken. Waar mogelijk wordt de aanvraag door de medewerker behandeld die ook bij de eerste aanvraag de zaakverantwoordelijk medewerker was en zodoende bekend is met het dossier. De eerdere conclusie in deze aanvragen dat de gezinsleden voor een DNA-onderzoek in aanmerking kwamen, zal indien de omstandigheden niet zijn gewijzigd, opnieuw worden getrokken. Het aanbod voor een DNA-onderzoek zal dan opnieuw worden gedaan. De IND neemt na ontvangst van de nieuwe aanvraag, binnen vier weken contact op met de vreemdeling. De referent wordt gevraagd de nieuwe aanvraag pas in te dienen wanneer er daadwerkelijk zicht is op contact met de gezinsleden en de mogelijkheid een afspraak in te plannen. Zo wordt de extra werklast voor de IND zoveel mogelijk beperkt.
Wat zijn de gevolgen van het moeten doen van een nieuwe aanvraag voor met name alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV's) die inmiddels 18 jaar zijn geworden? Geldt voor hen dat zij alleen nog een reguliere aanvraag kunnen indienen waarvoor (opnieuw) leges betaald moet worden? Kunt u aangeven hoe hoog deze leges zijn voor een ouder en hoe hoog voor eventuele broertjes en zusjes? Erkent u dat voor een minderjarige of net meerderjarig geworden asielstatushouder deze bedragen een grote belemmering vormen en het zoeken naar mensen die hierbij financieel willen helpen alleen maar verdere vertraging oplevert? Bent u bereid de (voormalig) minderjarige asielstatushouders vrij te stellen van leges?
Een amv die tijdens de eerste nareisprocedure meerderjarig wordt, wordt gedurende de gehele procedure beschouwd als minderjarige. Bij een afwijzing zal de aanvrager ook in de eventuele bezwaarprocedure als minderjarige worden beschouwd.
Voor alle meerderjarigen die om gezinshereniging met ouders verzoeken, geldt de vrijstelling van materiële voorwaarden in het begunstigende nareiskader, zoals leges, niet. Hierop geldt geen uitzondering voor meerderjarigen die in een voorliggende procedure minderjarig waren. De amv die na afronding van de eerste procedure meerderjarig is geworden, zal een reguliere aanvraag kunnen indienen waarvoor de standaard legeskosten ter hoogte van € 192 voor meerderjarige, en € 64 voor minderjarige gezinsleden dienen te worden betaald. Indien de bedragen een te grote belemmering vormen, kan onder bepaalde voorwaarden vrijstelling voor de leges worden verleend. Ik zie geen aanleiding deze werkwijze aan te passen.
Geldt voor een ouder van een voormalige AMV dat zij vanwege de reguliere procedure die gevolgd moet worden niet meer een asielvergunning maar een reguliere vergunning zullen krijgen? Wat betekent dit voor hun rechtspositie, bijvoorbeeld voor de mogelijkheid om te kunnen naturaliseren wanneer zij net als asielstatushouders niet aan de documenteis kunnen voldoen?
Gezinsleden die een reguliere aanvraag om gezinshereniging indienen ten bate van hun gezinsleden, ontvangen in Nederland een reguliere verblijfsvergunning. Om te kunnen naturaliseren gelden op grond van de daartoe strekkende wet- en regelgeving voorwaarden. Onder meer om zeker te zijn van de juistheid van de gegevens die op het naturalisatiebesluit worden vermeld, wordt verlangd dat de naturalisatieverzoeker, die in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, zijn persoonsgegevens en nationaliteit in beginsel aantoont met buitenlandse documenten (een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte/geboortebewijs alsmede met een geldig buitenlands paspoort). In een individueel geval kan bij een vreemdeling, die in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning, aanleiding bestaan om de voorwaarden voor het overleggen van identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten niet te handhaven. Daartoe overgaan is mogelijk na het hebben vernomen en gewogen van de reden(en) waarom betrokkene niet in het bezit is van het gevraagde document. Het is aan betrokkene om deze reden(en) naar voren te brengen, in beginsel bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek.
Aangezien het in al deze zaken gaat om een afspraak voor dna-onderzoek betekent dit dat het in alle zaken gaat om biologische kinderen? Heeft u de belangen van deze kinderen overeenkomstig het Kinderrechtenverdrag en artikel 5 gezinsherenigingsrichtlijn voldoende mee laten wegen bij het stellen van deze vier weken termijn en de vertraging die het moeten doen van nieuwe aanvragen met zich mee brengt?
Ja, in zaken waarin een DNA-onderzoek wordt aangeboden, is veelal sprake van gesteld biologische gezinnen met minder- of meerderjarige kinderen in Nederland of land van (tijdelijk) verblijf. Gezinsleden die naar Nederland willen komen, moeten met documenten aantonen wie zij zijn en wat hun relatie is met de referent in Nederland. Dit geldt ook voor de minderjarige gezinsleden. De IND houdt zorgvuldig rekening met de belangen van minderjarige kinderen en overige individuele omstandigheden van de vluchteling, door te beoordelen of het ontbreken van de vereiste documentatie aan de vreemdeling toe te rekenen valt. In de aanvragen waarin de IND beoordeelt dat het ontbreken van documentatie de aanvrager of gezinsleden niet valt te verwijten, wordt een DNA-onderzoek aangeboden om in de bewijslast tegemoet te komen. Ook de minder-of meerderjarigheid van de betrokkenen speelt een rol in deze afweging. Zo zal bij aanvragen van biologische kerngezinnen sneller tot de conclusie worden gekomen dat een DNA-onderzoek aan de orde is.
Heeft u rekening gehouden met de slechte telefonische bereikbaarheid vanwege verblijf in de regio Tigray? Heeft de IND of de Nederlandsse ambassade contact gezocht met de UNHCR om te zien in hoeverre zij het leggen van contact met deze gezinsleden kunnen ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Om rekening te houden met nareizigers in de Tigray regio die niet direct telefonisch bereikbaar zijn, worden de gezinsleden meerdere keren, over een periode van meerdere weken gebeld voor een afspraak. De IND verkent momenteel voornamelijk of er samenwerking mogelijk is met UNHCR op het gebied van interviews door middel van videoverbinding, waardoor de benodigde reisbewegingen van de gezinsleden mogelijk beperkt kunnen worden.
Bent u bereid samen met de Minister van Buitenlandse Zaken te bezien of de UNHCR of hulporganisaties ter plekke ondersteuning kunnen bieden in de bereikbaarheid van gezinsleden in Tigray en de mogelijkheid naar de Nederlandse ambassade in de hoofdstad te reizen? Bent u bereid met het Internationale Organsiatie voor Migratie (IOM) te bezien of zij in de regio Tigray voor dna-afname van de gezinsleden kunnen zorgen?
Momenteel wordt in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken verkend of er samenwerking mogelijk is met IOM en UNHCR in enkele landen waar veel nareizigers wachten op nader onderzoek, zo ook in Ethiopië. Onderzocht wordt of voornoemde organisaties kunnen ondersteunen bij de afname van DNA-samples en het opzetten van videoconferencing verbindingen ten bate van de doorgang van interviews.
Bent u bereid de nieuwe werkwijze aan te passen en rekening te houden met de situatie van de vluchteling en de gezinsleden en met name de minderjarige gezinsleden en ervoor zorg te dragen de gezinshereniging van deze gezinnen zo goed mogelijk te faciliteren zodat deze geen verdere vertraging oplopen? Bent u bereid in de zaken waarin al direct na het overschrijden van de vier weken termijn is afgewezen en bezwaar is ingesteld het bezwaar met voorrang te behandelen en opnieuw DNA-onderzoek aan te bieden?
Gezinsleden die naar Nederland willen komen, moeten met documenten aantonen wie zij zijn en wat hun relatie is met de referent in Nederland. De IND houdt zorgvuldig rekening met de situatie van de vluchteling door te beoordelen of het ontbreken van de vereiste documentatie aan de vreemdeling toe te rekenen valt. In de aanvragen waarin de IND beoordeelt dat dat niet het geval is, wordt een DNA-onderzoek aangeboden om de vreemdeling en de gezinsleden tegemoet te komen. De nareizigers die niet tijdig naar de diplomatieke post in Addis Abeba konden reizen of een afspraak ten bate van het benodigde onderzoek konden maken, worden tegemoet gekomen met voorrang bij een nieuwe aanvraag. Op die manier is in een zo zorgvuldig en efficiënt mogelijke werkwijze voorzien. Ik voorzie daarin thans geen aanpassing.
Het bezwaarschrift dient binnen vier weken na afwijzing te zijn ingediend. Het nuttig effect van de nieuwe aanvraag met voorrang behandelen is het uitgangspunt dat de aanvrager deze heeft ingediend op het moment dat de gezinsleden daadwerkelijk beschikbaar en bereikbaar zijn voor het nader onderzoek. Omdat het niet evident is dat het benodigde nader onderzoek binnen deze korte termijn wel kan plaatsvinden, acht ik het niet dienstig voor de betrokkenen om ook de bezwaarschriften met voorrang te behandelen.
Het bericht ‘Horizon’s Tepezza supply dwindles as manufacturer Catalent pivots to Warp Speed Vaccines’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Horizon’s Tepezza supply dwindles as manufacturer Catalent pivots to Warp Speed Vaccines»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u aangeven of het klopt dat er signalen zijn dat de levering van non-COVID-geneesmiddelen vertraagd of geannuleerd wordt omdat veel productiecapaciteit en/of -materiaal ingezet wordt voor de productie van COVID-19-vaccins?
Bij het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten zijn geen meldingen van verwachte leveringsproblemen met als reden verandering in prioritering van productiecapaciteit ten behoeve van vaccins. Er zijn signalen dat producenten een beroep doen op de productiecapaciteit van een ander bedrijf voor (een gedeelte van) de productie van vaccins. Echter worden er ook nieuwe productielocaties geopend specifiek voor de vaccins. Het Meldpunt houdt de situatie nauwlettend in de gaten en beoordeelt bij iedere melding van een verwachte leveringsonderbreking of er acties in moeten worden gezet om daadwerkelijke tekorten te voorkómen.
Zo ja, kunt u aangeven om welke vertraagde of geannuleerde non-COVID-geneesmiddelen het hier gaat? Kunt u aangeven welke gezondheidsrisico’s dit met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen worden er getroffen om de vertraging of annulering van non-COVID-geneesmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen? Welke partijen zijn betrokken bij deze maatregelen? Vindt hierover bijvoorbeeld in EU-verband afstemming plaats?
Leveranciers zijn verantwoordelijk voor voldoende levering van de geneesmiddelen waarvoor zij een handelsvergunning hebben. Een leverancier moet onder andere daarom zorgvuldige afwegingen in maken in de inzet van productiecapaciteit. Op het moment dat een leverancier verwacht onvoldoende voorraad te (gaan) hebben, is men wettelijk verplicht om hier een melding van te maken bij het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten. Het Meldpunt bekijkt vervolgens wat de juiste oplossingsrichting is. Tot nu toe is er in vrijwel alle gevallen een alternatief beschikbaar gebleken.
In het SPOC-netwerk wisselen Europese landen ook signalen uit over (dreigende) geneesmiddelentekorten. Ook hier volgen we nauwlettend eventuele signalen uit andere landen. In dit netwerk zijn op dit moment geen signalen gedeeld over geneesmiddelentekorten als direct gevolg van prioritering in productiecapaciteit.
Omdat geneesmiddelentekorten al langer een wereldwijd probleem zijn, wordt er via verschillende nationale en Europese actielijnen (samen)gewerkt aan het voorkomen en oplossen ervan. Over deze actielijnen heb ik u recent geïnformeerd middels de brief «Voortgang algemeen geneesmiddelenbeleid 2021»2.
Kunt u aangeven, indien er bepaalde non-COVID-medicatie op den duur niet leverbaar is, hoe patiënten hierbij geholpen worden? Welke voorbereidingen worden er getroffen om gezondheidsschade te voorkomen?
Op het moment dat het Meldpunt voor een geneesmiddel een melding ontvangt van een verwacht leveringsprobleem, doet het Meldpunt een risicoanalyse. Het kan zijn dat er nog voldoende voorraad in omloop is om het leveringsprobleem te overbruggen. Ook wordt bekeken of sprake is van een kritisch geneesmiddel, onder andere door te beoordelen voor welke aandoening het middel wordt gebruikt en of er alternatieven zijn met dezelfde of vergelijkbare werkzame stof, dosering en toedieningsvorm. Gelukkig is dit laatste vaak het geval. Als er geen alternatieven zijn in Nederland, dan zijn er verschillende oplossingen binnen de vergunningensfeer, zoals het in Nederland registreren van een geneesmiddel dat in het buitenland is goedgekeurd. Als sprake is van een kortdurend tekort en geen alternatieven beschikbaar zijn kan IGJ toestemming geven om een vergelijkbaar geneesmiddel uit het buitenland te betrekken. Indien de benodigde grondstoffen beschikbaar zijn, zijn ook apotheekbereidingen soms een mogelijke oplossing. Via deze wegen wordt vrijwel altijd een oplossing gevonden voor de patiënt. In de uitzonderlijke gevallen dat er geen directe oplossing is, overlegt het CBG met de beroepsgroep wat nodig is. Het CBG kan dan bijvoorbeeld een advies publiceren om het geneesmiddel alleen in te zetten bij patiënten die niet overgezet kunnen worden of om tijdelijk beperkte voorraden mee te geven. Sinds 2017 heeft het CBG circa 13 keer een dergelijk advies gepubliceerd.
Het artikel ‘Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot»?1
Ja.
Kunt u het verschil verklaren tussen het stimuleren van het gebruik van fossiele brandstoffen, wat volgens het kabinet in Nederland 4,5 miljard euro per jaar is, en het bedrag waar de schrijver van dit artikel op uitkomt, namelijk een viermaal hogere jaarlijkse subsidie van 17,5 miljard euro?
In de brief over financiële prikkels voor fossiele brandstoffen in Nederland (Kamerstuk 32 813, nr. 566) is een tabel opgenomen waarin de gemiste overheidsinkomsten van fiscale en niet-fiscale maatregelen berekend zijn op € 4,5 miljard. In deze tabel is eveneens voor enkele posten aangegeven dat het niet mogelijk is om een inschatting te geven van de corresponderende gemiste overheidsinkomsten, omdat de benodigde gegevens hiervoor ontbreken en/of er geen betrouwbare inschatting te maken is. Onder de tabel in de kamerbrief wordt dit per regeling toegelicht. De auteur van het artikel «Subsidie voor fossiele brandstoffen ongekend groot» (hierna: auteur) heeft geprobeerd de ontbrekende bedragen in te vullen. Ik deel de aannames die de auteur daarbij hanteert niet. Ik ben dan ook van mening dat de berekening geen goede inschatting geeft van de jaarlijkse subsidie voor fossiele brandstoffen.
Waarom heeft u de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet gebruikt, gezien het feit dat in het overzicht van het kabinet van een aantal regelingen het bedrag ontbrak omdat dit niet beschikbaar zou zijn, maar dat uit het artikel blijkt dat een groot deel van deze ontbrekende subsidies alsnog kan worden berekend met openbare gegevens van het CBS?
De cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) presenteert, zijn niet 1-op-1 te gebruiken voor het berekenen van de ontbrekende bedragen. Hiervoor is een vertaalslag nodig waarbij aannames moeten worden gedaan. Ik licht een aantal van deze punten in het vervolg uit.
Allereerst is bij het bepalen van de budgettaire omvang van het degressieve tarief in de energiebelasting zeer bepalend tegen welk benchmarktarief je de huidige, bestaande degressieve tarieven af zet. Een degressieve belasting is een belasting waarbij het tarief lager wordt naarmate de grondslag stijgt. De keuze van het benchmarktarief is arbitrair. Dit heeft als gevolg dat een dergelijke berekening met arbitraire keuzes weinig zekerheid biedt over de daadwerkelijke omvang. De auteur kiest in zijn berekening om iedere afwijking van het hoogste belastingtarief van de eerste verbruiksschijf aan te merken als fossiele subsidie en trekt dat door in alle berekeningen van tariefverschillen en vrijstellingen. Deze benadering zou er toe leiden dat bij een vergelijking tussen landen de fossiele subsidie in een land dat een deel van het verbruik hoog belast en een deel minder hoog sprake is van een fossiele subsidie. In een land waar al het energieverbruik laag wordt belast zou dan geen sprake zijn van fossiele subsidie. Een benadering met dergelijke uitkomsten is volgens het kabinet niet wenselijk.
Ook bij bijvoorbeeld het bepalen van de omvang van de vrijstelling voor aardgas gebruikt voor elektriciteitsopwekking kiest de auteur om de fossiele subsidie te bepalen door de vrijstelling af te zetten tegen het hoogste tarief.
De benchmark-aspecten zoals genoemd bij het degressieve tarief in de energiebelasting spelen op vergelijkbare wijze bij het verschil tussen de accijns op benzine en diesel. De auteur presenteert iedere afwijking van het hogere benzinetarief als een fossiele subsidie. Ook hier geldt dat die keuze arbitrair is en zou leiden tot onwenselijke en onlogische uitkomsten bij vergelijkingen tussen landen.
Verder valt op dat de berekeningen van de auteur inclusief 21% btw zijn gepresenteerd, waar de overheid de ramingen voor de fiscale regelingen binnen de energiebelasting altijd exclusief btw presenteert. Dit verklaart ook een deel van het verschil.
Kunt u toelichten op hoeveel miljard euro subsidie voor fossiele brandstoffen het kabinet zou komen als zij gebruik maakt van de openbare gegevens van het CBS? Zou dit overeenkomen met de 17,5 miljard euro van dit artikel?
In het antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat de cijfers van het CBS niet 1-op-1 zijn te gebruiken voor het berekenen van de ontbrekende bedragen en het hierbij gaat om arbitraire keuzes in de berekening. Zowel bij het verschil tussen de benzine en dieselaccijns als bij het degressieve tarief is het ontbreken van een geschikte benchmark vanwege de arbitraire keuze van deze benchmark de reden voor het niet kunnen presenteren van cijfers.
Bent u van mening dat door de ontbrekende gegevens een vertekend beeld is ontstaan van de hoeveelheid subsidie voor fossiele brandstof? Kunt u dit toelichten?
Ik ben niet van mening dat er een vertekend beeld is ontstaan. In de brief is een overzicht opgenomen van alle relevante fiscale en niet-fiscale regeling. Daarbij is voor zoveel mogelijk posten eveneens een inschatting opgenomen van de corresponderende gemiste overheidsinkomsten. De overige posten zijn transparant weergegeven in de tabel, met de toelichting dat een bedrag niet beschikbaar was vanwege de bij de toelichting genoemde redenen. Het gepresenteerde bedrag van € 4,5 miljard is daarmee niet het volledige bedrag. Het berekenen van de overige posten met arbitraire aannames zou mijns inziens echter juist leiden tot een vertekend beeld.
Kunt u toelichten hoe zo’n hoge jaarlijkse subsidie te verenigen is met de motie Van der Lee uit 2018 die vraagt om een stapsgewijze afbouw van financiële prikkels die de Nederlandse klimaatdoelen tegenwerken?2
Zoals eerder gedeeld in de brief van 14 september jl. heeft het kabinet het voornemen om deze financiële prikkels voor fossiele brandstoffen af te bouwen en zo het gebruik van fossiele brandstoffen beter te beprijzen. Daarbij is van belang dat dit dient te gebeuren met oog voor het gelijke speelveld. De regelingen zien in veel gevallen op sectoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie. Bovendien zijn vrijstellingen soms zowel vastgelegd via regelingen in het kader van de Europese Richtlijn Energiebelastingen als via internationale, Europese en bilaterale verdragen, hetgeen de mogelijkheid tot en het effect van eigenstandig handelen van Nederland beperkt. Dit jaar wordt er een voorstel verwacht van de Europese Commissie voor de herziening van de Richtlijn Energiebelastingen zodat deze past in het streven naar een CO2-neutrale energiehuishouding in 2050. Dit voorstel biedt kansen voor verminderen of afschaffen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen in Europees verband en kan als input dienen voor een nieuw kabinet. Daarnaast lopen er op dit moment meerdere nationale trajecten waarin de financiële prikkels met betrekking tot fossiele brandstoffen worden bekeken. Zo worden de energiebelasting en de opslag duurzame energie (ODE) geëvalueerd. Hierin wordt onder andere gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de fiscale regelingen. De resultaten van deze trajecten verwacht ik in de komende maanden. Deze onderzoeken kunnen bijdragen aan de keuzes van een volgend kabinet om de fiscale regelingen op dit gebied te herzien.
Wat gaat u doen tegen de grootschalige fiscale stimulering van fossiel energiegebruik?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'EU still firmly opposed to lifting intellectual property rights on vaccines' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «EU still firmly opposed to lifting intellectual property rights on vaccines»?1
Het Kabinet heeft geen informatie ontvangen om het standpunt te herzien dat het bestaan van octrooien niet de reden is voor de huidige schaarste aan Covid-19 vaccins. Ik deel de opvatting van de Europese Commissie dat het opschalen van productiecapaciteit van vaccins niet bereikt wordt door het «opschorten» van rechten van intellectuele eigendom en heb meer vertrouwen in samenwerking tussen producenten, teneinde de beschikbare productiecapaciteit te vergroten. Zo werkt bijvoorbeeld AstraZeneca al met veel subcontractors, zoals het Serum Institute India. Ook heeft bijvoorbeeld Sanofi haar productiecapaciteit aangeboden aan BionTec/Pfizer.
Het Kabinet is van mening dat wel voortdurend goed gekeken moet worden naar mogelijke knelpunten op het gebied van intellectuele eigendom die opschaling van productie en betaalbaarheid van COVID-19-vaccins zouden kunnen belemmeren. Nederland steunt daartoe actief de inzet van de Europese Commissie, onder meer tijdens bijeenkomsten van de het Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPS) Council, om zorgen hierover serieus te onderzoeken en te bekijken of er op onderdelen pragmatische stappen nodig zijn.
Deelt u de mening dat de pandemie het beste kan worden bestreden als de meest kwetsbare mensen als eerste worden gevaccineerd?
In de Kamerbrief2 van 18 december heeft het Kabinet al aangegeven op internationaal vlak zich ervoor in te spannen dat COVID-19 vaccins zo worden verdeeld dat ze maximale impact hebben op de pandemie. Voor de wereldwijde verdeling van vaccins staat hierbij staat het Global Allocation Plan van de WHO centraal. In dit plan staat bescherming van de meest kwetsbaren in de samenleving centraal, waarbij gekeken wordt naar besmettingsrisico, risico op (ernstige ziekte) maar ook de mate waarin mensen toegang hebben tot zorg of alternatieve bescherming.
Wat is uw reactie op de situatie rondom de coronapandemie in andere delen van de wereld, waar het nog veel ernstiger gesteld is dan hier?
Het Kabinet maakt zich uiteraard zorgen over de wereldwijde verspreiding van COVID-19. Vaccinatie van de meest kwetsbare groepen wereldwijd is een belangrijk element in het beteugelen van de pandemie en wereldwijd economisch herstel. Het Kabinet is van mening dat de COVAX-faciliteit het belangrijkste mondiale mechanisme is om tot een eerlijke toegang tot vaccins te komen. COVAX is gebaseerd op solidariteit, niet op liefdadigheid. De EU is tot dusver de grootste donor van de COVAX-faciliteit: de EU en haar lidstaten hebben meer dan 900 miljoen euro ter beschikking gesteld. COVAX heeft inmiddels 2 miljard vaccins zeker gesteld, waarvan 1,3 miljard voor 92 lage en lage-middeninkomenslanden en begin deze maand met vaccineren.
Waarom denkt u deze pandemie met liefdadigheid te kunnen oplossen, terwijl solidariteit het enige antwoord is?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gesprekken zijn reeds gevoerd met farmaceuten om hun patenten op te heffen en informatie en kennis te delen met andere producenten?
Het opvoeren van de productiecapaciteit van vaccins verdient zeker prioriteit. Het Kabinet is van mening dat indien er ergens onbenutte productiecapaciteit bestaat, die het best kan worden benut door vrijwillige samenwerking en het onder redelijke voorwaarden delen van kennis en intellectuele eigendom, niet door «opheffing van patenten». Ook GAVI, die als inkopende partner in de COVAX-alliantie steeds in gesprek is met de farmaceutische industrie, heeft aangegeven vooralsnog met deze werkwijze verder te willen gaan. Snelle innovatie, beschikbaarheid en het opschalen van productiecapaciteit van vaccins wordt juist vanwege het stelsel van octrooibescherming, licentieverlening en kennisdeling gerealiseerd. Het Kabinet doet een beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven en roept hen op het maximale te doen om productiecapaciteit uit te breiden. Gelukkig zien we ook vanuit bedrijven de wil om hieraan mee te werken, zoals ook beschreven bij de beantwoording van vraag 1. Ook heb ik, in lijn met de motie van het lid Heerma3 over de vaccinatiegezant, de heer Hans Schikan gevraagd om als vaccingezant te willen optreden. Hij heeft positief gereageerd op dit verzoek.
Ik heb hem gevraagd om in een kort tijdsbestek een nader beeld te schetsen van o.a. eventueel in Nederland voorhanden zijnde (productie)capaciteit, die benut zou kunnen worden voor de opschaling van de productie van COVID-19 vaccins.
Ik verwacht dat het werk van de gezant ook een Europees perspectief heeft. De Europese Commissie heeft ook een vergelijkbare opdracht gekregen van het Europees parlement om opschaling van productie capaciteit te organiseren en ook landen als Frankrijk en Duitsland kijken naar vergelijkbare opschalingskansen.
Ik heb de gezant dan ook gevraagd de nationale inventarisatie nadrukkelijk te koppelen aan deze Europese inspanningen. Ik houd hier natuurlijk ook zelf contact over met de Europese Commissie.
Hoe rijmt u deze blokkade van het opschorten van het patentrecht met uw steun voor de Covid-19 Technology Access Pool (C-TAP)?
C-TAP is niet gebaseerd op het «opschorten van het patentrecht», maar juist op het bestaan van octrooirechten en andere rechten van intellectuele eigendom. Dit systeem van intellectuele eigendom stelt bedrijven in staat hun innovaties te delen, kennis en gegevens uit te wisselen, licenties te verlenen en productie op grote schaal te waarborgen. Nederland steunt het beleid van de WHO om er voor te zorgen dat vaccins en geneesmiddelen beschikbaar komen voor iedereen, en er voor te zorgen dat intellectueel eigendom niet in de weg staat van eerlijke toegang voor armere landen en bevolkingsgroepen. U bent al eerder geïnformeerd (Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling COVID-19 vaccins» d.d. 18 december 2020) over het feit dat verschillende intellectuele eigendomsrechten gratis zijn aangeboden via C-TAP. Dit geldt echter niet voor rechten voor vaccins. Het is echter de vraag of C-TAP het juiste instrument is om productiecapaciteit van vaccins op te schalen. Immers, bedrijven kunnen, als er geschikte beschikbare productiecapaciteit is, ook onderling licentieafspraken maken en dit gebeurt reeds. Zie ook antwoord op vraag 7. Wel zal de regering zich ook vergewissen bij de COVAX-organisaties of er specifieke IP-knelpunten zich voordoen die opschaling van vaccin-productie buiten Europa belemmeren.
Hoe rijmt u deze blokkade van het opschorten van het patentrecht met uw positieve appreciatie van de motie Marijnissen/Jetten over een klemmend beroep op farmaceuten om hun rechten en kennis te delen?2
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 5, wordt snelle beschikbaarheid en het opschalen van productiecapaciteit van vaccins niet bereikt door het «opschorten van het patentrecht», maar is het stelsel van intellectuele eigendom juist van cruciaal belang. Het zorgt niet enkel voor exclusiviteit voor de rechthebbende, maar ook voor de publicatie en verspreiding van onderzoeksresultaten, welke anders geheim zouden blijven, en het biedt een juridisch kader voor samenwerking en het delen van rechten en kennis.
In lijn met de genoemde motie van de leden Marijnissen en Jetten zie ik dat farmaceuten samenwerkingsverbanden zoeken om hun vaccins te produceren. Sanofi gaat een deel van de productie van het Pfizer vaccin verzorgen, Curevacc met Bayer en Rentschler Biopharma SE, AstraZeneca laat onder andere zijn vaccin produceren door Halix. Dus de farmaceuten waar de EU nu contracten mee heeft gesloten zoeken juist ook andere producenten op om ervoor te zorgen dat de productie opgeschaald wordt. Het is niet zo dat ze alleen met de productiefaciliteit in hun bedrijf aan het produceren zijn. Er zijn dan ook geen nationale- of EU-initiatieven over het opschorten van patentrechten. Bij het opleggen van een dwanglicentie moet er wel sprake zijn van nalatigheid van de industrie. Hier zijn geen signalen over ontvangen.
Onderschrijft u de analyse in De Correspondent dat Pfizer en Moderna miljarden winst maken op Covid-19 vaccins terwijl deze ontwikkeld zijn met grotendeels publieke middelen en onderzoek van de publiek gefinancierde academische wetenschap? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Pfizer en Moderna miljarden kunnen verdienen met hun vaccins en de toegankelijkheid beperkt is, terwijl er veel publiek geld ten grondslag heeft gelegen aan de ontwikkeling ervan? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Het is een feit dat de vaccins tegen COVID-19 deels zijn gebaseerd op publieke investeringen. Ik heb geen informatie over de potentiële verdiensten van de genoemde bedrijven.
Bent u bereid om het waiver-voorstel van India en Zuid-Afrika alsnog te steunen? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Nee, Nederland en de Europese Commissie zijn niet bereid het waiver-voorstel alsnog te steunen. Zoals hiervoor aangegeven, is het Kabinet het er volledig mee eens dat alle geschikte productiecapaciteit moet worden benut waar dat mogelijk is. De voorstanders van de waiver suggereren dat opschorting van IE-rechten dat doel zou bereiken. Het Kabinet gelooft, net als de Europese Commissie, niet dat dit het geval is. Een van de voornaamste bezwaren tegen de opschorting van intellectuele eigendomsrechten, zoals met de voorgestelde TRIPS-waiver wordt beoogd, is dat deze de huidige vrijwillige samenwerking en de noodzakelijke overdracht van rechten, technologie en know-how niet zal bevorderen. Integendeel, het ontbreken van een kader dat bescherming garandeert, kan een dergelijke overdracht juist blokkeren, ten nadele van iedereen, juist op een moment dat we die overdracht het meest nodig hebben. Bovendien is dit mogelijk niet de laatste pandemie waarmee we te maken krijgen en is ook voortdurend onderzoek en ontwikkeling vereist om varianten van het SARS-CoV-2 te kunnen bestrijden. Wij moeten daarom geen maatregelen nemen die afbreuk doen aan de prikkels voor innovatie en investeringen in vaccins en geneesmiddelen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Pgb-houders en hun zorgverleners en de vaccinatiestrategie |
|
Carla Dik-Faber (CU), Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen over hun plek in de vaccinatiestrategie van zorgverleners die vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) zorg leveren in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven?
Ja.
In hoeverre klopt het dat door de wijziging van de vaccinatiestrategie medio januari, voor deze groep zorgverleners de uitnodigingspakketten zijn stopgezet en andere groepen voorrang hebben gekregen?
De vaccinatiestrategie is gericht op het verminderen van ernstige ziekte en sterfte in relatie tot COVID-19. Deze strategie is gekozen door het kabinet, naar aanleiding van het Gezondheidsraad advies van 19 november jl. Echter, zoals ik in mijn Kamerbrief1 van 12 januari jl. heb toegelicht, zijn er gegeven de leveringsschema’s geen gratis keuzes. Het eerder benutten van de leveringen van BioNTech/Pfizer vaccins voor 60-plussers, waaronder de bewoners van verpleeghuizen en instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking, heeft consequenties voor de wijze waarop een deel van de medewerkers in de langdurige zorg worden gevaccineerd. Deze keuze licht ik verder toe in mijn Kamerbrief2 van 5 februari, waarin ik op basis van het Gezondheidsraadadvies van 4 februari jl. over de inzet van het AstraZeneca vaccin, de verdere uitwerking van de vaccinatiestrategie toelicht. Eerder is een deel van de (pgb-)zorgverleners in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven gevaccineerd met BioNTech/Pfizer vaccin, samen met de groep «medewerkers verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen». Sinds medio februari worden achtereenvolgens de resterende groepen zorgmedewerkers uit deze groep, de zorgmedewerkers van de gehandicaptenzorg, wijkverpleging en bepaalde onderdelen van Wmo-ondersteuning uitgenodigd om gevaccineerd te worden met het vaccin van AstraZeneca. In dezelfde Kamerbrief van 5 februari jl. licht ik ook toe dat pgb-zorgverleners in de gehandicaptenzorg en verpleeghuizen (Wlz), wijkverpleging (Zvw) en Wmo-ondersteuning (Wmo) met deze groepen zorgverleners in aanmerking zullen komen.
Wanneer worden zorgverleners, die zorg leveren in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven en andere zorgververleners die behoren tot de eerste groep uit de vaccinatiestrategie, uitgenodigd om een afspraak te maken voor hun vaccinatie?
Zoals ik mijn Kamerbrief van 5 februari jl. heb toegelicht, worden zorgmedewerkers die behoren tot een van de volgende doelgroepen, vanaf half februari uitgenodigd voor vaccinatie met het AstraZeneca vaccin, indien ze niet eerder in januari zijn gevaccineerd met het BioNTech/Pfizer vaccin. Het gaat dan om de resterende groepen zorgmedewerkers in de verpleeghuiszorg, respectievelijk de gehandicaptenzorg, wijkverpleging en Wmo-ondersteuning, de intramurale GGZ-cliënten en hun zorgmedewerkers, alsmede die van de GGZ-crisisdiensten. Hierbij geldt dat de zorgmedewerker direct cliëntgebonden zorg moet leveren om in aanmerking te komen voor vaccinatie. Hier vallen dus ook de zorgmedewerkers met direct cliëntgebonden contact van kleinschalige woon- en ouderinitiatieven onder.
Kunt u duidelijkheid scheppen over welke personen in de kleinschalige woon- en ouderinitiatieven onder welke doelgroep vallen en wanneer zij gevaccineerd zullen worden?
De volgende groepen zijn te onderscheiden in kleinschalige woon- en ouderinitiatieven:
Er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar alleen mensen met een Wlz-indicatie wonen;
er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar mensen met én mensen zonder Wlz-indicatie wonen en;
er zijn kleinschalige woon- en ouderinitiatieven waar alleen mensen zonder Wlz-indicatie wonen.
Het vaccinatietraject voor de twee eerstgenoemde groepen, is op 25 januari gestart. Deze mensen zijn onlangs gevaccineerd, of worden de komende weken gevaccineerd door de mobiele teams van de huisartsenpost. Het kan voorkomen dat de mensen zonder Wlz-indicatie al eerder door de GGD opgeroepen worden op basis van hun leeftijd. Zij kunnen dan natuurlijk ook op die uitnodiging ingaan.
Als er enkel mensen zonder Wlz-indicatie in een kleinschalige woonvorm verblijven worden ze door de GGD worden opgeroepen, als ze op basis van hun leeftijd of persoonlijke medische achtergrond aan de beurt zijn.
Kunt u zorgen dat de informatie op de website van de rijksoverheid, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) overeenkomt met elkaar, aangezien dit nu niet het geval is?
Ik begrijp het belang van eenduidige boodschap over coronavaccinatie en stem daarom de communicatie, en dus ook de inhoud van de respectievelijke websites, af met het RIVM. Daarbij is de website van de rijksoverheid vooral gericht op het algemeen publiek en de website van het RIVM naast algemene publieksinformatie over medisch-wetenschappelijke onderwerpen ook met name gericht op informatie voor professionals.
Er is vanuit het RIVM intensieve afstemming met het NHG over de informatie over de COVID-19-vaccinatie door huisartsen. De korte termijn waarop alles ingeregeld moet worden en soms nog wijzigende afspraken maakt dat in het begin niet alles meteen overal verwerkt is. Hier wordt hard aan gewerkt. Het NHG is verantwoordelijk voor de eigen communicatie.
Bent u bereid om bij de vaccinatie van kleinschalige woonvormen geen onderscheid te maken op basis van indicatie, maar alle bewoners gelijktijdig te laten vaccineren ongeacht op basis van welke zorgwet hun indicatie is afgegeven?
Er wordt bij het vaccineren van bewoners van kleinschalige woonvormen ingezet op dat de bewoners van een woonvormen tegelijk gevaccineerd worden, los van de indicatie waaronder mensen vallen. De cliënten die in een (meestal kleinschalige) instelling wonen en onder de verantwoordelijkheid van de huisarts vallen krijgen het Moderna-vaccin. Aangezien deze bewoners vaak nog dezelfde huisarts hebben als toen ze nog zelfstandig woonden, komt het voor dat verschillende huisartsen actief zijn in dezelfde instelling. Mede daarom en omwille van een goede logistiek zijn de huisartsenposten (HAP’s) ingeschakeld om deze groep bewoners te vaccineren. Moderna is immers een vaccin dat moeilijk vervoerbaar is. De HAP zorgt er met mobiele teams voor dat de vaccins naar de instellingen wordt vervoerd en dat de cliënten op locatie worden gevaccineerd. Op 25 januari is gestart in o.a. Deventer, Twente en Zoetermeer. Sinds 18 februari zijn het aantal HAP regio’s welke gaan vaccineren uitgebreid tot 30. Vanaf 15 februari wordt door een aantal HAPs ook met het BioNTech Pfizer vaccin gevaccineerd om het traject te versnellen. Vanaf 19 februari worden bij startregio’s ondertussen de tweede prikken gezet. In maart starten de laatste HAP regio’s met de vaccinatie met Moderna. In totaal zullen naar verwachting circa 77.000 bewoners via deze weg gevaccineerd worden.
Kunt u expliciteren wanneer zorgverleners worden gevaccineerd die op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) via een pgb zorg leveren in de verpleeghuis-/gehandicaptenzorg, zowel thuis als in kleinschalige woonvormen?
De pgb-zorgverleners die in een instelling of een kleinschalige woonvorm werken, worden gevaccineerd met de groep «medewerkers verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen». Een deel van deze groep is al gevaccineerd met het BioNTech/Pfizer vaccin, en op korte termijn wordt het resterende deel van deze groep gevaccineerd met het AstraZeneca vaccin. Hier kunnen ook pgb-zorgverleners onder vallen die Wlz of Wmo werken.
De pgb-zorgverleners die direct voor een budgethouder werken en dus niet via een instelling of kleinschalige woonvorm, worden samen met de groepen «medewerkers gehandicaptenzorg» en «medewerkers wijkverpleging en Wmo» gevaccineerd. De groep «medewerkers gehandicaptenzorg» wordt ondertussen al gevaccineerd met AstraZeneca. Binnenkort zal gestart worden met de vaccinaties van de groep «medewerkers wijkverpleging en Wmo». Een pgb-zorgverlener die Wmo zorg verleent via intramurale GGZ, wordt met de groep «medewerkers intramurale GGZ en GGZ-crisisdiensten» gevaccineerd. Deze groep wordt ondertussen al gevaccineerd.
Kunt u expliciteren wanneer zorgverleners worden gevaccineerd die op basis van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) via een pgb zorg leveren in de intramurale geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid deze vragen voor het eerstvolgende debat rondom het coronavirus te beantwoorden?
Ja.