De antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Kwint en Hijink (beiden SP) over het testprotocol COVID-19 bij kinderen onder de 13 jaar. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoorden op de vragen van de leden Kwint en Hijink (beiden SP) over het testprotocol COVID-19 bij kinderen onder de 13 jaar?1
Ja.
Bent u bekend met uw antwoord op de vragen 1 tot en met 4, ik citeer: «Het huidige testbeleid voor kinderen tot 13 jaar is als volgt: Vanaf 8 februari geldt dat basisschoolleerlingen met klachten moeten thuisblijven en zich laten testen. Dus zowel met milde klachten als met zware klachten. Kinderen tot 4 jaar mogen wel naar de opvang als zij verkoudheidsklachten hebben. Maar bij zware klachten, zoals veel hoesten, koorts of benauwdheid blijven zij thuis. Kinderen tot 4 jaar kunnen getest worden bij lichte klachten. In een aantal gevallen wordt dringend geadviseerd een kind jonger dan 4 te testen, zoals bij zware klachten als koorts en benauwdheid. Uitgebreide informatie is te vinden op de website van de rijksoverheid. Kinderen met klachten die naar de basisschool gaan moeten thuisblijven en zich laten testen. Dus zowel met milde klachten (loopneus, verkoudheid, niezen en keelpijn) als met zware klachten (veel hoesten, koorts of benauwdheid). Kinderen die af en toe hoesten, en kinderen die astma, hooikoorts of chronische luchtwegklachten hebben, hoeven niet getest te worden als ze geen andere klachten hebben. Huisgenoten blijven ook thuis als het kind naast milde klachten last heeft van koorts of benauwdheid. Als een kind niet getest wordt, mag het pas weer naar de kinderopvang of school als het 24 uur volledig klachtenvrij is. Kinderen vanaf 4 jaar moeten ook thuisblijven en getest worden als zij nauw contact hebben gehad met iemand met corona.»
Ja.
Er is toch geen testverplichting? Zowel niet voor volwassenen als kinderen?
Er geldt inderdaad geen testverplichting.
Als u meent dat er wel een testverplichting is, op welke wettelijke gronden baseert u het tegen de wil in binnendringen van het lichaam?
Zie antwoord vraag 3.
Als u zich nu realiseert dat er geen testverplichting is, waarom schrijft u dan tot driemaal toe in uw antwoord (geciteerd onder vraag 2) «moeten thuisblijven en zich laten testen»?
Om besmettingen op school te voorkomen moeten kinderen met klachten thuisblijven. Als zij negatief getest worden, mogen ze weer naar school. Er is zeker geen testverplichting, kinderen kunnen ook thuisblijven tot ze 24 uur geen klachten meer hebben. De term «moeten» is niet gereserveerd voor een in de wet vastgelegde verplichting maar kan ook gebruikt worden om een zeer dringend advies te beschrijven.
Op welke wijze gaat u breed kenbaar maken dat er geen testverplichting bestaat en dat u met uw antwoorden richting de leden Kwint en Hijink uw boekje te buiten bent gegaan?
Ik ga ervanuit dat het voldoende helder is voor mensen dat zij niet verplicht zijn om hun kind te testen maar dat dit een zeer dringend advies is.
Kunt u deze vragen gaarne afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende plenaire coronadebat?
Ja.
De schijnoplossing van mestfabrieken voor het mestprobleem |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Flink meer mestfabrieken nodig, maar niemand wil ’m in z’n buurt»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de veehouderij in Nederland zo intensief is dat we dertig tot veertig procent van de geproduceerde mest niet op het land kwijt kunnen, waardoor we met een gigantisch overschot kampen?2
Het verwerken van mest, betekent het buiten de Nederlandse landbouw brengen van fosfaat. De Nederlandse veehouderij produceerde in 2020 151 miljoen kg fosfaat aan dierlijke mest. Er kan in Nederland ongeveer 133 miljoen kg fosfaat in de landbouw geplaatst worden. Het overschot is dus 18 miljoen kg fosfaat, procentueel ongeveer 15 procent. Dit overschot wordt grotendeels in Duitsland en Frankrijk afgezet, waar behoefte aan fosfaat is.
Kunt u bevestigen dat mestfabrieken een noodgreep zijn in een poging om dit mestoverschot weg te werken zonder het aantal gehouden dieren hiervoor te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Een mestverwerkingsinstallatie heeft als doel mest op te waarderen, door er hernieuwbare energie mee op te wekken, het product beter geschikt te maken voor plantenvoeding, makkelijker transporteerbaar te maken of de nutriënten om te zetten tot voor het milieu onschadelijke verbindingen. Mestverwerkingsinstallaties zijn dus niet per definitie verbonden met mestoverschot.
Kunt u bevestigen dat indien het toekomstige mestbeleid zo wordt vormgegeven als u schrijft in uw Kamerbrief «contouren toekomstig mestbeleid», er een flinke uitbreiding van het aantal mestfabrieken nodig zal zijn?3
Eén van de sporen in deze brief is erop gericht dat alle mest uit niet-grondgebonden veehouderij wordt verwerkt. Bij de nadere uitwerking van deze contouren zal ook gekeken dienen te worden welke capaciteit qua mestverwerking hiervoor nodig is.
Hoeveel meer mestverwerkingscapaciteit zal er in totaal nodig zijn om alle mest uit de intensieve veehouderij af te voeren, wanneer het aantal dieren dat in de veehouderij wordt gefokt en geslacht niet wordt verminderd?
De contouren van het toekomstige mestbeleid vergen nog veel uitwerking (Kamerstuk 33 037, ons kenmerk 21066300, 13 april). Zo zal de definitie van grondgebondenheid nog worden vastgesteld en hoe daarbinnen samenwerkingsovereenkomsten een rol spelen. Ook zal de definitie van mestverwerking nog nader worden uitgewerkt. Deze uitwerking is van invloed op de uiteindelijke benodigde mestverwerkingscapaciteit.
Kunt u bevestigen dat het in Noord-Brabant om een toename van ongeveer dertig procent zal gaan?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Een dergelijk percentage is sterk afhankelijk van genoemde aspecten in mijn antwoord op vraag 5. Daarnaast is het ook afhankelijk van de totale mestproductie in deze regio, die onder andere door de saneringsregeling varkenshouderij zal worden beperkt.
Deelt u het inzicht dat vrijwel elke nieuw geplande mestfabriek stuit op lokaal verzet van omwonenden vanwege stankoverlast, ontploffingsgevaar en gezondheidsklachten en dat mestfabrieken omgeven zijn met fraude en criminaliteit?4
Vergunningverlening aan mestverwerkingsinstallaties gaat vaak gepaard met bezwaar en beroep procedures, daar ben ik mij van bewust. Geuroverlast, risico's op gezondheidsklachten, maar ook extra verkeersbewegingen zijn vaak punten waar betrokkenen bezwaar op maken. De kenschets van fraude en criminaliteit rond mestverwerkingsinstallaties deel ik niet, maar ik zie fraude bij mestverwerking wel als een belangrijk aandachtspunt. Om fraude met mest tegen te gaan is in 2018 de versterkte handhavingsstrategie mest opgesteld (Kamerstuk 33 037, nr. 311). Door de bedrijven die zich inlaten met fraude vanuit handhaving gerichter aan te pakken, ontstaat hiermee een eerlijker speelveld voor de bedrijven die wel op een correcte manier via hun bedrijf mest verwerken. Daar zet ik mij dan ook voor in.
Zo nee, kunt u dan een voorbeeld geven van een gemeente die zich vrijwillig bij u heeft gemeld omdat het bereid is om nieuwe mestfabrieken binnen de gemeentegrenzen te laten bouwen?
Gemeenten hoeven zich niet bij mij te melden wanneer zij een mestverwerkingsinstallatie willen realiseren. Zij of de provincie zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening.
Kunt u bevestigen dat in Horst aan de Maas (Limburg) een mestverwerker staat waarvan de wethouder aangeeft dat het al jarenlang vier keer zoveel mest verwerkt als toegestaan in de vergunning?
Ik heb kennis genomen van de uitspraken van de wethouder met betrekking tot de mestverwerker in Horst aan de Maas. Deze uitspraken hebben betrekking op de productie die plaatsvindt bij deze mestverwerker in relatie tot de vergunning die daar geldt. Vergunningen voor mestverwerkers worden afgegeven door gemeenten of provincies. Daarmee is ook de controle of aan de voorwaarden van deze vergunningen wordt voldaan, aan het desbetreffende bevoegde gezag.
Hoe beoordeelt u het dat de verantwoordelijke gedeputeerde Burlet niet alleen weigert hierop te handhaven, maar het in overtreding zijnde bedrijf in de media zelfs verdedigt door te zeggen dat het «een goed initiatief» is?
Mestverwerkers zijn een belangrijke schakel om te komen tot het sluiten van kringlopen en hoogwaardige toepassing van nutriënten. Zoals hiervoor aangegeven is het aan het bevoegd gezag om de situatie bij dit bedrijf te beoordelen en waar nodig te handhaven.
Welke actie kunt u ondernemen ter ondersteuning van de verantwoordelijke wethouder, om deze gedeputeerde ertoe te bewegen te handhaven op deze illegale situatie en welke actie heeft u ondernomen?
Dit is een kwestie tussen gemeente Horst aan de Maas en provincie Limburg.
Kunt u bevestigen dat het energetisch rendement van (mono)mestvergisting 10% is en dus nauwelijks «groen gas» oplevert?5
Het klopt dat bij vergisten van mest veel minder biogas vrijkomt dan bij het vergisten van mais. Het is voor mij niet mogelijk het exacte percentage van 10% na te gaan, aangezien het van veel factoren afhankelijk is in de praktijk. Echter acht ik niet enkel het energetisch rendement van belang, maar is een bijkomend voordeel van (mono)mestvergisting dat de methaanuitstoot uit mest sterk wordt teruggebracht.
Kunt u bevestigen dat de energie die opgewekt wordt bij mono- of co-vergisting dikwijls gebruikt wordt voor de verdere verwerking van de overgebleven meststoffen (het digestaat) om het geschikt te maken voor de export, zoals Minister van 't Wout mede namens u heeft geantwoord op eerdere Kamervragen en waarom vindt u dit een nuttige toepassing van de opgewekte energie?6
Ja. Ik beschouw dit als een nuttige toepassing van de opgewekte energie omdat hierdoor de hoeveelheid aardgas die wordt ingezet om mest te verwerken wordt verminderd.
Deelt u het inzicht van oud-landbouwminister Veerman dat «het verkoopargument «groene energie» natuurlijk heel wat positiever [is], marketingtechnisch, om aan de man [...] en aan de politiek te brengen dan dat je zegt «we moeten van de mest af en we hebben wat gevonden»»?7
Ik ben van mening dat de opwekking van groene energie past in een circulaire economie. Verwerken van mest moet een stap in het verwaarden van deze reststroom zijn, zodat het milieu daarbij gebaat is.
Kunt u bevestigen dat de werkelijke bestaansreden van mestfabrieken niet het opwekken van energie is, maar het makkelijker en goedkoper maken van de mestexport, omdat het verwerkte digestaat lichter is om te vervoeren dan verse dierlijke mest?
Zoals in de antwoorden van de minister van Economische Zaken en Klimaat en mijzelf beschreven (Kamerstuk 2020/21 nr. 2190) bestaan er verschillende vormen van mestverwerking. Installaties hebben verschillende doelen en soms zit daar een energiecomponent in. In veel gevallen maakt deze energieopwekking een wezenlijk deel uit van de businesscase. Het doel van mestverwerking in Nederland is momenteel om deze producten buiten de Nederlandse landbouw te brengen. In het kader van de uitwerking van de contouren van het Nederlandse mestbeleid werk ik aan een nieuwe definitie voor mestverwerking, waarbij mestverwerking zich richt op het sluiten van kringlopen en het hoogwaardig toepassen van nutriënten uit mest.
Zo nee, waarom denkt u dat oud-landbouwminister Veerman dit verklaart? Zo ja, erkent u dan dat de opgewekte energie geen toegevoegde waarde heeft voor de samenleving (een «nuttige toepassing») en daarom niet subsidiabel zou moeten zijn onder de SDE++-subsidie en gaat u dit aanpassen?
Ik heb geen inzicht in de redenen achter de verklaringen van oud-landbouwminister Veerman.
Beaamt u dat het aantal dieren dat in Nederland wordt gefokt, gebruikt en gedood op korte termijn drastisch zal moeten verminderen in het licht van de urgente stikstof- en klimaatcrises? Zo nee, waarom niet?
Ik streef naar het sluiten van kringlopen en het verminderen van de emissies, daar is ook mijn LNV-visie «Waardevol en Verbonden» op gericht. Zowel vanuit het klimaatakkoord als voor de invulling van het realiseren van de doelen uit de stikstofwet zijn en worden maatregelen uitgewerkt die bij moeten dragen aan het realiseren van de doelen. Krimp van de veestapel kan een gevolg van deze maatregelen zijn.
Deelt u de mening dat het weggegooid geld is om nu in nieuwe mestfabrieken te investeren wanneer op de korte of middellange termijn de mestproductie drastisch af zal nemen?
Mestverwerking is een spoor dat zeker voor mest uit de intensieve veehouderij belangrijk zal blijven, ook bij afname van de mestproductie. Ook bij voldoende plaatsingsruimte kan het interessant blijven om mest te verwerken voor dit wordt toegepast. Dit kan eraan bijdragen om de kringloop verder te sluiten, emissies van stikstof en andere nutriënten te beperken en om nutriënten uit mest hoogwaardig toe te passen.
Deelt u het inzicht dat wanneer u het aantal dieren drastisch laat krimpen, er minder mest geproduceerd zal worden, waardoor alle mest weer op het land gebruikt kan worden, waarmee de mestkringloop gesloten wordt en mestfabrieken en export van mest overbodig zijn?
Nee, zie het antwoord op de vorige vraag. Export van de producten uit mestverwerking is dan wellicht minder voor de hand liggend, maar in één interne Europese markt goed mogelijk.
Komt deze duurzame oplossingsrichting overeen met uw visie voor kringlooplandbouw? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wijzen de door u geschetste contouren voor het toekomstige mestbeleid in een geheel andere richting?
Mijn visie op kringlooplandbouw richt zich op het sluiten van kringlopen en verminderen van emissies, waar ook technische oplossingen voor kunnen worden ingezet. De contouren voor het toekomstig mestbeleid zijn een uitwerking van de visie op kringlooplandbouw. Daarbinnen zie ik, zoals al aangegeven, een rol voor mestverwerking.
Bent u bereid de door u geschetste contouren voor het toekomstige mestbeleid te herzien, zodat deze in lijn gebracht worden met de kringlooplandbouwvisie en u of uw opvolger voorbereid is om de mestproblematiek op de enige echt duurzame wijze aan te pakken, namelijk door vermindering van de productie? Zo nee, waarom niet?
Met mijn brief van 13 april jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 395) heb ik u geïnformeerd over de verdere uitwerking van de contouren voor het toekomstige mestbeleid. Daarmee geef ik verdere invulling aan mijn kringloopvisie en tracht ik toe te werken naar een eenvoudiger, beter handhaafbaar mestbeleid. De komende tijd zullen gesprekken over deze uitwerking verder plaatsvinden, uiteraard zal de Tweede Kamer hier nauw bij betrokken worden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden, binnen de gestelde termijn?
Het is helaas niet gelukt deze vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
De mogelijkheid voor gemeenten om zelfstandig staatloosheid te onderzoeken en of vast te stellen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat er in Nederland 40.000 mensen in de Basisregistratie Persoonsgegevens staan geregistreerd met «nationaliteit onbekend» en dat hiervan 12.000 als staatloos zijn geregistreerd?1 Weet u dat indien iemand niet als staatloos geregistreerd staat, maar dit in feite wel is, deze geen aanspraak kan doen op de rechten die staatlozen hebben conform de, ook door Nederland erkende, internationale verdragen?
De genoemde aantallen corresponderen met de cijfers die het CBS op verzoek van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (JenV) op de peildatum van 1 januari 2019 heeft aangeleverd. Inmiddels werkt het CBS aan een update. Staatloosheid levert enkele specifieke rechten op, zoals onder voorwaarden een versnelde verkrijging van het Nederlanderschap. Om aanspraak te kunnen maken op deze rechten is het inderdaad noodzakelijk dat de gestelde staatloosheid daadwerkelijk is vastgesteld.
Bent u bekend met het feit dat het VN-mensenrechtencomité eind 2020 oordeelde dat Nederland te weinig doet om het recht van kinderen op een nationaliteit te waarborgen?2
Ja, de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité is mij bekend. Op deze zienswijze, die overigens gezaghebbend maar niet juridisch bindend is, volgt een afzonderlijke reactie. De regering heeft voor het verschijnen van deze zienswijze twee voorstellen van wet ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wetsvoorstellen zijn een belangrijke verbetering voor de positie van staatlozen in Nederland. Het wetsvoorstel vaststellingsprocedure staatloosheid roept een procedure in het leven waarmee eenieder zijn gestelde staatloosheid kan laten vaststellen door een civiele rechter.3 Het betreft een laagdrempelige procedure die toegankelijk is voor elke persoon die stelt staatloos te zijn, ongeacht diens verblijfsstatus. Met het tweede wetsvoorstel wordt in de Rijkswet op het Nederlanderschap een optierecht toegevoegd voor staatloos in het Koninkrijk geboren kinderen.4 Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kunnen zij versneld het Nederlanderschap verkrijgen. Rechtmatig verblijf is daarvoor geen vereiste.
Bent u van mening dat het van belang is dat naast structurele maatregelen door middel van wetgeving, het ook van belang is om op korte termijn stappen te zetten om het recht van kinderen op een nationaliteit te waarborgen? Deelt u de mening dat gemeenten hierbij een belangrijke rol kunnen spelen?
De toegezegde vaststellingsprocedure staatloosheid en het optierecht voor staatloos in het Koninkrijk geboren kinderen kunnen niet op andere wijze worden gerealiseerd dan door wijziging van wetgeving. De onder vraag 2 genoemde wetsvoorstellen voorzien daarin.
De hiernavolgende antwoorden gaan in op de rol en de bevoegdheden van de gemeente met betrekking tot de registratie van staatloosheid.
Erkent u dat gemeenten op grond van de Handleiding Uitvoeringsprocedures een zelfstandige mogelijkheid hebben om staatloosheid te onderzoeken en/of vast te stellen?3
Ja. Hierbij zij echter vooropgesteld dat de taak van het College van B&W van de gemeente van de woonplaats van betrokkene (hierna: de gemeente) ziet op de registratie van gegevens omtrent (het ontbreken van) een nationaliteit, in de gevallen waarin dat duidelijk is op basis van bijvoorbeeld door betrokkene overgelegde documenten (zoals een uitspraak van een ter plaatse bevoegde rechter of andere autoriteit) of het betreffende nationaliteitsrecht (artikel 2.15 Wet BRP). Het verrichten van uitvoerig onderzoek naar eventuele staatloosheid ligt binnen de context van de Wet BRP niet in de rede. Op de gemeente rust aldus op grond van de Wet BRP geen verplichting om zelfstandig de staatloosheid te onderzoeken of vast te stellen. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in de Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP): «De gemeente is niet verplicht om zelfstandig de staatloosheid te onderzoeken of vast te stellen.»6
Als de gegevens inzake de nationaliteit niet kunnen worden opgenomen op grond van artikel 2.15 Wet BRP, kunnen deze op verzoek van betrokkene worden ontleend aan een mededeling over de staatloosheid van de Minister van Justitie en Veiligheid via de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) voor zover de staatloosheid door hem is vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland (artikel 2.17 Wet BRP). Indien de nationaliteit niet kan worden vastgesteld op basis van het voorgaande, registreert de gemeente dat de nationaliteit van betrokkene onbekend is. Het in antwoord 2 genoemde wetsvoorstel biedt betrokkene in die situatie de mogelijkheid om de Rechtbank Den Haag te verzoeken zijn staatloosheid vast te stellen.7 Omdat deze Rechtbank beschikt over de nodige expertise op het gebied van nationaliteitsrecht, kan dit alsnog leiden tot vaststelling van staatloosheid.
Is het waar dat gemeenten daarnaast een zelfstandige bevoegdheid hebben om de registratie: «nationaliteit onbekend» om te zetten naar «staatloos»? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden?
Ja. De gemeente kan op verzoek van een betrokkene het gegeven «nationaliteit onbekend» in de BRP wijzigen naar «staatloos» (artikel 2.58 Wet BRP).
De betrokkene dient hiervoor de documenten waaruit de staatloosheid evident blijkt, te overleggen. De gemeente doet dit ook na een mededeling van de IND over staatloosheid indien de betrokkene daar om verzoekt (artikel 2.17 Wet BRP).
Hebben gemeenten voldoende middelen om staatsloosheid te onderzoeken en vast te stellen en om nationaliteit te wijzigen?
De bevoegdheid van de gemeente ziet op de registratie van gegevens omtrent (het ontbreken van) een nationaliteit wanneer dit evident blijkt uit documenten, het betreffende nationale recht of een mededeling van de IND. Indien gewenst kan het adviesbureau van de Nederlandse Vereniging Voor Burgerzaken (NVVB) gemeenten over de beoordeling van de voorgestelde documenten adviseren. Een uitvoerig nationaliteitsonderzoek door het college ligt echter als gezegd niet in de rede. Ik wijs er nogmaals op dat in het wetsvoorstel vaststellingsprocedure staatloosheid8 nadrukkelijk is gekozen voor inhoudelijke beoordeling van staatloosheid door de Rechtbank Den Haag, die beschikt over de hiervoor benodigde expertise. Gemeenten kunnen het gegeven over staatloosheid na inwerkingtreding van voornoemd wetsvoorstel vervolgens in de BRP opnemen op grond van de betreffende rechterlijke uitspraak. Deze werkwijze past goed binnen de BRP-systematiek.
Het ligt daarom niet voor de hand om in de aanloop naar de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, gemeenten te voorzien van informatie of een handreiking om zelfstandig staatloosheid te onderzoeken of te kunnen vaststellen.
In het kader van de voorlichtingscampagne over de Wet vaststellingsprocedure zal een informatieblad worden opgesteld op basis waarvan gemeenten geïnformeerd worden over de nieuwe procedure via hun gebruikelijke kanalen, zoals de nieuwsbrief van de NVVB. Gemeenten kunnen burgers vervolgens ook op de hoogte stellen van de nieuwe vaststellingsprocedure.
Ziet u mogelijkheden om, in afwachting van de nieuwe vaststellingsprocedure, alle gemeenten van informatie te voorzien hoe ze zelfstandig staatloosheid kunnen onderzoeken en/of vast kunnen vaststellen en hen op te roepen hier in relevante gevallen toe over te gaan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid gemeenten hierbij ook een handreiking te doen waarin het belang van laagdrempelige communicatie, onderzoek door experts naar randgevallen en de ontwikkeling van een interne werkwijze voor gemeenteambtenaren wordt onderstreept?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Huis maximaal verduurzaamd en toch nog een torenhoge energierekening, hoe kan dit?’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huis maximaal verduurzaamd en toch nog torenhoge energierekening, hoe kan dit?»?1
Ja.
Heeft u zicht op hoeveel duurzame nieuwbouwwijken landelijk te maken hebben met, voor bewoners veelal onverwachte, hogere capaciteitstarieven?
Mijn beeld is dat slechts een beperkt deel van de nieuwbouw een aansluiting krijgt waarvoor een hoger nettarief geldt. De meeste woningen worden aangesloten op een aansluiting met een capaciteit van ten hoogste drie keer 25 ampère.
In het artikel wordt genoemd dat sommige nieuwbouwwoningen worden aangesloten op een elektriciteitsaansluiting met een hogere capaciteit van drie keer 35 ampère. Netbeheerders geven aan dat deze elektriciteitsaansluitingen met een hogere capaciteit weinig worden toegepast bij (nieuwbouw) woningen. Er zijn geen cijfers over het aantal aansluitingen met een hoge capaciteit bij nieuwbouw. Er zijn wel cijfers over het aantal aansluitingen in algemene zin. De netbeheerders Liander, Enexis en Stedin geven aan dat er in 2020 circa 5600 aansluitingen met een capaciteit van drie keer 35 ampère zijn bijgekomen en circa 80.000 aansluitingen met een capaciteit van drie keer 25 ampère.
Overigens is het aantal aansluitingen met een hogere capaciteit toegenomen in de afgelopen jaren. In 2017 kwamen er circa 2100 aansluitingen met een capaciteit van drie keer 35 ampère bij en circa 60.000 aansluitingen met een capaciteit van drie keer 25 ampère. Ook in verhouding met het aantal nieuwe woningen is de toename van aantal aansluitingen met een capaciteit van drie keer 35 ampère van beperkte omvang.
Bent u het eens met de installateur uit het artikel dat de hogere aansluiting van 35 ampère zeer waarschijnlijk de standaard gaat worden, ook voor rijtjeshuizen, aangezien huishoudens in het kader van de energietransitie op enig moment verder zullen elektrificeren? Of ligt dit genuanceerder en wordt er derhalve te snel in nieuwbouwwoningen overgeschakeld op drie keer 35 ampère in plaats van drie keer 25 ampère?
Als gevolg van de energietransitie is het aannemelijk dat huishoudens vaker elektrisch zullen rijden, verwarmen en koken. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de drie keer 35 ampère aansluiting de standaard gaat worden. De huidige praktijk laat zien dat er al veel woningen worden verduurzaamd of duurzaam worden gerealiseerd zonder gebruikt te maken van een drie keer 35 ampère aansluiting. Op verschillende manieren kunnen huishoudens er bovendien voor zorgen dat de belasting van hun elektriciteitsaansluiting (en het elektriciteitsnet) wordt beperkt. Bijvoorbeeld door het geleidelijk opladen van de elektrische auto of door te kiezen voor een efficiënte warmtepomp in plaats van een elektrische CV-ketel. Ik vind het wenselijk dat de nettarieven de werkelijke kosten voor het net weerspiegelen zodat alle gebruikers, en dus ook huishoudens, gestimuleerd worden om te kiezen voor de meest efficiënte benutting van het net.
Netbeheerders hebben de taak om elektriciteitsaansluitingen te realiseren en te wijzigen op verzoek van (beoogd) aangeslotenen. Bij projectmatige nieuwbouw zal de projectontwikkelaar de netbeheerder verzoeken om aanleg van nieuwe aansluitingen. De projectontwikkelaar maakt hierbij de keuze voor de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting. De projectontwikkelaar zal ook keuzes maken met betrekking tot de installaties in de woning. Het ligt voor de hand dat de projectontwikkelaar hierbij rekening houdt met de invloed op benodigde capaciteit van de elektriciteitsaansluiting en de daarbij behorende kosten.
Deelt u de mening dat de kosten voor netverzwaring door elektrificatie van de samenleving niet eenzijdig moeten worden neergelegd bij de huizenbezitter die juist stappen zet om te verduurzamen?
Ik deel het uitgangspunt dat de kosten voor netverzwaring door elektrificatie niet eenzijdig moeten worden neergelegd bij huizenbezitters die stappen zetten om te verduurzamen. Dit is echter niet het geval. De energietransitie zorgt ervoor dat netbeheerders meer moeten investeren in de elektriciteitsnetten. De verwachting is dat de netbeheerders hierdoor geleidelijk meer kosten maken. De kosten van netbeheerders (inclusief de kosten voor netverzwaring) worden verdeeld over alle gebruikers. Dit zijn zowel huishoudens als bedrijven. Er gelden randvoorwaarden voor de verdeling van de netkosten, die ervoor moeten zorgen dat deze kosten eerlijk worden verdeeld. Belangrijke randvoorwaarden zijn dat de tarieven transparant en non-discriminatoir zijn en de werkelijke kosten weerspiegelen. Het ligt daarom voor de hand dat voor aansluitingen die het net meer belasten en hogere kosten veroorzaken in het elektriciteitsnet ook een hoger tarief wordt gerekend.
Het is belangrijk dat de energietransitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Om dit dichterbij te brengen zijn verschillende maatregelen getroffen. Dit betreft onder andere de schuif in de Energiebelasting, het openstellen van innovatie-regelingen, het openstellen van subsidieregelingen en de oprichting van het Nationaal Warmtefonds. Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar de jaarlijkse eindgebruikerskosten van huishoudens bij de verduurzaming van woningen. Voor de zomer ontvangt uw Kamer de resultaten van dit onderzoek. Daarbij zal het kabinet ook schetsen wat de verschillende dilemma’s en denkrichtingen kunnen zijn voor het nieuwe kabinet. Hoe betaalbaarheid verder kan wordt ingevuld is aan het nieuwe kabinet.
Ik ben niet van mening dat elektrificatie gestimuleerd dient te worden door als wetgever in te grijpen op de verdeling van de netkosten. De wetgever is niet bevoegd om de verdeelsleutels voor de kostenverdeling van de elektriciteitsnetten vast te stellen. Daarnaast mag de kostenverdeling niet gewijzigd worden met als primaire doel om voor een specifieke groep aangeslotenen lagere maandelijkse energielasten te realiseren. De nettarieven van elektriciteitsnetbeheerders worden vastgesteld door de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM moet daarbij rekening houden met uitgangspunten die zijn vastgelegd in Europese regelgeving. Deze uitgangspunten vereisen dat de tarieven non-discriminatoir, transparant en kosten-reflecterend zijn. Dat betekent dat er een verband gelegd moet worden tussen het gebruik van het elektriciteitsnet door een aangeslotene, de kosten die daardoor worden veroorzaakt en de hoogte van het nettarief.
Bent u het eens dat elektrificatie gestimuleerd moet worden, onder andere door middel van lagere maandelijkse energielasten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe rijmt u deze praktijk van hogere capaciteitstarieven met de ambitie om de energietransitie zo veel mogelijk kostenneutraal te maken voor huishoudens?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat dit soort, voor veel mensen onverwachte, kosten het draagvlak voor elektrificatie en verduurzaming van woningen ondermijnen?
Ik wil voorkomen dat mensen achteraf verrast worden door de hoogte van het nettarief van de benodigde elektriciteitsaansluiting. Ik vind het de verantwoordelijkheid van partijen zoals bouwers en installateurs om mensen te adviseren over de technische oplossingen voor het verduurzamen van woningen. Hierbij is het logisch is dat deze partijen bij hun adviezen rekening houden met de gevolgen van de oplossing voor de benodigde capaciteit van de elektriciteitsaansluiting en de daarbij behorende kosten. Daarbij wil ik opmerken dat mijn beeld is dat woningen verduurzaamd kunnen worden, zonder een aansluiting met een hoge capaciteit (3 keer 35 ampère) nodig te hebben, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Hoe verhouden de maximale en de daadwerkelijk gehanteerde tarieven voor de aansluitcapaciteit zich eigenlijk tot de reële kosten die netbeheerders moeten maken voor de aansluitcapaciteit?
De kosten van het elektriciteitsnet worden verdeeld aan de hand van verdeelsleutels die met een bepaalde mate van abstractie een verband leggen tussen het gebruik van het elektriciteitsnet, de veronderstelde kosten die met dat gebruik gepaard gaan, en het daaraan gekoppelde nettarief. De keuzes over de kostenverdeling vormen de tariefstructuur. In de huidige tariefstructuur zijn de nettarieven van aansluitingen tot drie keer 80 ampère gebaseerd op de fysieke capaciteit van de aansluiting, waarbij iemand met een grotere aansluiting doorgaans meer betaalt dan iemand met een kleine aansluiting. De redenering hierachter is dat iemand met een grotere elektriciteitsaansluiting het elektriciteitsnet doorgaans meer belast en daardoor meer netkosten veroorzaakt. Hier past dan ook een hoger nettarief bij.
Voor alle huishoudelijke aansluitingen (waaronder drie keer 25 ampère) wordt verondersteld dat deze op een vergelijkbare manier gebruikt worden en ook vergelijkbare kosten veroorzaken. Daarom geldt voor alle huishoudelijke aansluitingen hetzelfde nettarief. Dit tarief sluit goed aan bij het netgebruik van een gemiddeld huishouden. Sommige huishoudens belasten echter het elektriciteitsnet meer dan andere huishoudens, maar betalen hetzelfde nettarief. Hierdoor betalen sommige gebruikers relatief weinig ten opzichte van de mate waarmee zij het elektriciteitsnet belasten. Bovenstaande veroorzaakt eveneens het tariefverschil tussen een huishoudelijke aansluiting en een aansluiting van drie keer 35 ampère. Het tarief voor een aansluiting van drie keer 35 ampère is namelijk gebaseerd op het gemiddeld netgebruik van gebruikers met deze aansluitcapaciteit, welke veel hoger ligt dan het gemiddeld netgebruik van gebruikers met een huishoudelijke aansluiting.
Netbeheer Nederland is een project gestart waarin wordt onderzocht welke alternatieven er zijn voor de huidige tariefstructuur voor aansluitingen tot drie keer 80 ampère. Het project heeft als doel om in de komende maanden, samen met vertegenwoordigers van netgebruikers, tot een voorkeursoptie te komen voor een nieuwe tariefstructuur. Deze kan in de periode daarna verder uitgewerkt worden.
Er zijn twee belangrijke aanleidingen voor het project. De eerste aanleiding is dat de veronderstelling dat alle huishoudelijke aansluitingen op een vergelijkbare manier worden gebruikt een steeds slechtere weerspiegeling is van de werkelijkheid. Waar in het verleden bijna alle huishoudelijke aansluitingen op een vergelijkbare manier werden gebruikt, zijn nu de verschillen in de netbelasting van gebruikers met een huishoudelijke aansluiting aan het toenemen. Het ene huishouden gaat wellicht over op elektrisch rijden, koken en verwarmen terwijl een ander huishouden wellicht over gaat op een warmtenet voor verwarming. De toenemende verschillen tussen huishoudens zorgen ervoor dat het huidige uniforme tarief voor alle huishoudelijke aansluitingen steeds minder goed de kosten weerspiegelt van de individuele gebruikers in deze categorie.
De tweede aanleiding is de toenemende belasting van het elektriciteitsnet in de komende jaren. Het stimuleren van efficiënt netgebruik wordt daardoor extra belangrijk. Dit maakt het voor netbeheerders beter haalbaar om het tempo van de elektrificatie bij te houden en voorkomt mogelijk congestieproblemen in laagspanningsnetten. Een wijziging van de tariefstructuur kan deze problematiek helpen voorkomen door efficiënter netgebruik financieel aantrekkelijk te maken. Bovendien is dit ook een betere invulling van het uitgangspunt van kostenreflectiviteit.
Ik vind het goed dat Netbeheer Nederland onderzoekt of een herziening van de tariefstructuur gewenst is naar aanleiding van de bovenstaande ontwikkelingen. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 kunnen de netbeheerders kunnen een voorstel tot wijzing van de tariefstructuur indienen bij de ACM. De ACM moet dit voorstel toetsen aan de wettelijke randvoorwaarden.
Welke rekenmethode hanteert de ACM op dit moment voor het vaststellen van capaciteitstarieven? Is er bij het vaststellen van deze rekenmethode rekening gehouden met de doelstelling dat verduurzaming aantrekkelijk moet kunnen plaatsvinden en dat hoge capaciteitstarieven bij grotere aansluitingen dit streven in de weg staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de huidige rekenmethode van de ACM voor het vaststellen van de capaciteitstarieven aan te passen zodat deze de doelstellingen uit het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van woningen ondersteunt in plaats van tegenwerkt? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dat doen?
Dit is niet mogelijk, aangezien de verdeelsleutels door de ACM worden vastgesteld. Ik ben niet bevoegd om hierop in te grijpen. De Europese regelgeving voor distributiesysteembeheerders voor elektriciteit legt onder andere de taak om de tarieven vast te stellen expliciet neer bij de ACM. De netbeheerders kunnen een voorstel indienen bij de ACM voor een wijziging van de tariefstructuur. De ACM beoordeelt of dit voorstel voldoet aan de wetgeving en in lijn is met de Europese uitgangspunten. De ACM kan daarna het voorstel goedkeuren.
Welke problemen heeft u op het netvlies als het gaat om transport-, aansluit- c.q. capaciteitstarieven, aangezien er niet alleen bij huishoudens, maar ook bij MKB-bedrijven klachten te horen zijn over de hoogte van de capaciteitstarieven? Wat bent u bereid daaraan te doen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke stappen gaat u zetten om de verzwaring van het elektriciteitsnet in Nederland te versnellen? Hoe kan daarbij worden voorkomen dat de kosten hiervan eenzijdig terecht komen bij de consument of het bedrijf dat juist stappen zet om te verduurzamen?
In mijn brief van 21 april (kenmerk 2021Z06677) en in Kamerstukken 20 923, nr. 260 en 30 196, nr. 669 heb ik uiteengezet welke stappen er zijn ondernomen om waar mogelijk verlichting aan te brengen in de transportschaarste. Het gaat hierbij onder andere om het mogelijk maken van inzet van de zogenoemde «spitstrook» waardoor er 5–30% reservecapaciteit kan worden ingezet voor opwek en het bieden van een helder kader bij gebrek aan transportcapaciteit in voorgenomen Energiewet. Netbeheerders hebben hun investeringen al significant verhoogd en blijven zich tot het uiterste inzetten om extra transportcapaciteit te realiseren maar dat kost tijd. Ook decentrale overheden hebben de mogelijkheid om maatregelen te nemen en zijn bezig met de RES’sen.
De kosten voor het verzwaren van het elektriciteitsnet komen niet eenzijdig terecht bij netgebruikers die verduurzamen. De kosten van het elektriciteitsnet worden verdeeld over alle gebruikers. Er gelden randvoorwaarden voor de verdeling van de netkosten, die ervoor moeten zorgen dat deze kosten eerlijk worden verdeeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Watergebruik in datacenters |
|
Lammert van Raan (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dijkverhoging dreigt door datacenters: kosten voor burger» en «Zeewolde wil onrust over datacenter te lijf met digitale informatieavond»?1 2
Ja.
Klopt het dat de dijken in de kop van Noord-Holland door de komst van het datacenter opgehoogd moeten worden? Zo ja, wat is de reden hiervoor?
Nee. De Wieringermeerdijk hoeft niet versterkt te worden omdat deze aan de wettelijke norm voldoet. Dit blijkt uit de wettelijke beoordeling die het waterschap heeft uitgevoerd.3
De komst van het datacenter zorgt voor toename van de economische waarde achter de dijk (bepaalt mede de hoogte van de norm) maar blijft binnen de verwachte economische groei tot 2050, waar rekening mee is gehouden bij het bepalen van de norm voor de Wieringermeerdijk.
Ten algemene geldt dat als een dijk niet aan de norm voldoet deze versterkt zal worden, zoals in de Waterwet vastgelegd. Het waterschap is verantwoordelijk voor de realisatie van een versterking. De kosten voor het versterken worden door het Rijk en de waterschappen gezamenlijk betaald.
Hoeveel kost dit en wie is hiervoor verantwoordelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het bij dergelijk grote projecten, zoals de bouw van een datacenter, wenselijk dat burgerinspraak vorm krijgt voordat de vergunningverlening plaatsvindt? Zo ja, hoe wilt u dit vormgeven? Zo niet, waarom niet?
Ja, dit acht ik wenselijk en dit is al het geval. Inspraak door burgers en andere belanghebbenden is mogelijk op zowel het ontwerpbestemmingsplan, waarmee een gemeente in een gebied ruimte reserveert voor een datacenter, als op de milieueffectrapportage die daarmee gepaard kan gaan. Ook bij het opstellen van datacenterstrategieën door de regio’s, zoals in de Haarlemmermeer, is inspraak in het verleden mogelijk geweest.4
Hoeveel datacenters hebben we in Nederland en hoeveel worden er verwacht?
In uitvoering van de motie Beckerman en Mulder (Kamerstuk 32 813, nr. 590) is op 24 maart 2021 een Kamerbrief verstuurd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (Kamerstuk 32 813, nr. 675) waarin in de bijlage een overzicht wordt gegeven van het aantal datacenters in Nederland. In de bijlage wordt tevens ingegaan op de verwachte groei van datacenters. Hieronder volgen de hoofdlijnen uit deze bijlage:
Volgens de Dutch Datacenter Association waren er in 2020 189 commerciële grote multi-tenant datacenters in Nederland. Verder zijn er volgens die vereniging 5.772 organisaties die een eigen datacenter hebben. In Nederland zijn er momenteel twee locaties met hyperscale datacenters (Eemshaven en Middenmeer), en is er sprake van de mogelijke vestiging van een derde in de regio Zeewolde. Een sluitend inzicht in datacenters die in ontwikkeling zijn is landelijk niet voorhanden; deze gegevens zijn ook vaak bedrijfsvertrouwelijk.
Wat zijn volgens u de belangrijkste redenen dat grote datatechbedrijven zich zo graag in Nederlands vestigen?
Per bedrijf kan het verschillen welke factoren zij meenemen in de keuze van vestigingslocatie en hoe zwaar zij deze factoren ten opzichte van elkaar wegen. Dit is meestal zeer bedrijfsspecifiek. Op basis van gesprekken met bedrijven en signalen uit de praktijk komt wel naar voren dat bedrijven Nederland als een aantrekkelijke locatie zien voor datacenter activiteiten. Factoren die hierbij een rol spelen zijn het beschikken over een betrouwbare overheid, goede digitale connectiviteit, een hoogopgeleide beroepsbevolking en betrouwbare elektriciteitsvoorzieningen. Voor colocatie datacenters, datacenters waarvan de ruimte wordt gedeeld tussen meerdere partijen (multi-tenant), heeft Nederland in het bijzonder een zeer gunstig vestigingsklimaat vanwege de hyperconnectiviteitsclusters rond Amsterdam; de Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX). Voor hyperscale datacenters, grootschalige datacenters die worden beheerd door één partij (single-tenant), is deze hyperconnectiviteit minder relevant. Dit komt omdat hyperscale datacenters voor hun diensten geen gebruik maken van hyperconnectiviteit.
Wordt er vanuit de Nederlandse overheid gestimuleerd dat grote datatechbedrijven zich hier vestigen?
Grootschalige datacenters worden ook wel hyperscale datacenters genoemd. Het actief aantrekken van hyperscale datacenters wordt op dit moment niet door het Rijk gestimuleerd. Dit geldt ook voor andere soorten datacenters. Als een partij zich meldt bij de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van EZK die op landelijk niveau verantwoordelijk is voor het aantrekken van buitenlandse bedrijven, wordt deze doorverwezen naar regionale overheden. In beginsel zijn gemeenten en provincies aan zet om deze afweging te maken. Daarbij gelden de kaders zoals die zijn vastgesteld in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Wie is nu het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning bij datacenters, aangezien de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ervan uitgaat dat dit de provincie Noord-Holland is3, terwijl de vergunningen door de gemeente Hollands Kroon verleend worden en de provincie Noord-Holland stelt dat deze niet geldig zijn omdat de provincie bevoegd gezag is?4 Wat gaat u doen aan deze bestuurlijke onduidelijkheid en chaos?
Mijn uitspraak in het Noordhollands Dagblad ging specifiek over eerdere berichtgeving in het Noordhollands Dagblad7 over het grote drinkwaterverbruik van datacenters. Om helderheid over deze zaak te krijgen heb ik navraag gedaan bij zowel de provincie Noord-Holland als het drinkwaterbedrijf PWN, en hierover bericht in antwoord op eerdere Kamervragen van het lid van Dijk (PvdA, met kenmerk IENW/BSK-2021/91034).
De berichtgeving op RTL Nieuws ging over de omgevingsvergunning. Deze is in eerste instantie afgegeven door de gemeente Hollands Kroon die zichzelf als bevoegd gezag zag. Dit werd vanwege de grootte van een noodstroominstallatie betwist door de provincie Noord-Holland. Het betreft hier een technische-juridische kwestie. Recent is gebleken dat de gemeente op basis van advies van de landsadvocaat Pels Rijcken, het aangepaste standpunt van Infomil en de praktijk in andere provincies en bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied tot een ander inzicht is gekomen over de bevoegdheid tot het verstekken van een vergunning.8
Klopt het dat watergebruik en lozing geen criteria zijn in de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een datacenter? Zo ja, vindt u dit wenselijk? En welke wet- en regelgeving is van toepassing op het waterverbruik en lozingen van datacenters en wie controleert dit?
Het watergebruik en lozing van een datacenter worden in het traject van planvorming tot realisatie op verschillende momenten beoordeeld.
Als een gemeente de realisatie van een datacenter mogelijk wil maken zal het een bestemmingsplan moeten opstellen of wijzigen. Afhankelijk van de grootte van het datacenter en de activiteiten die gepaard zullen gaan met de aanleg, is een mer dan vereist. In een mer moet onder andere aandacht worden besteed aan waterverbruik en lozing en kunnen verschillende opties worden vergeleken, zodat een goede keuze gemaakt kan worden.
Als oppervlaktewater wordt gebruikt moet bij het waterschap of Rijkswaterstaat een vergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd. Als grondwater wordt gebruikt moet een vergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd bij het waterschap of provincie. Voor kleinere onttrekkingen kan soms volstaan worden met een melding. Indien gebruik van drinkwater wordt voorzien, zal het waterbedrijf moeten oordelen of de gevraagde aansluiting qua capaciteit past. Hierbij wordt opgemerkt dat het waterbedrijf vanuit de Drinkwaterwet een verantwoordelijkheid heeft die primair gericht is op de levering van drinkwater aan consumenten (dus niet op levering van koelwater aan bedrijven). Een waterbedrijf kan hierbij de gevraagde aansluiting of levering weigeren op basis van zijn algemene voorwaarden.
Voor wat betreft de regelgeving voor lozingen wordt verwezen naar het antwoord op vragen 10, 11 en 12.
Welke chemicaliën worden gebruikt in het (koel)water van datacenters, hoeveel chemicaliën en voor welke redenen?
Als datacenters afvalwater willen lozen, vragen ze een vergunning aan of doen een melding bij het bevoegd gezag. Voor lozen op oppervlaktewater is dit het waterschap of Rijkswaterstaat. Voor lozen op een riool is dit de Omgevingsdienst namens de gemeente of Provincie. Er is geen landelijk centraal overzicht van alle chemicaliën die worden gebruikt, de hoeveelheden en redenen. In zijn algemeenheid geldt dat het bevoegd gezag alleen een vergunning afgeeft als de waterkwaliteit van het ontvangende water niet verslechtert. Dus mogelijke negatieve effecten van een lozing worden onderzocht en meegenomen in de vergunningaanvraag.
Specifiek over de vraag over welke chemicaliën in koelwater zitten, heb ik eerder navraag gedaan bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Dit naar aanleiding van eerdergenoemde Kamervragen van het lid van Dijk (met kenmerk IENW/BSK-2021/91034). HHNK is bevoegd gezag voor de lozing van water voor de twee actieve datacenters in de Wieringermeer: Bij één datacenter wordt niets toegevoegd aan het drinkwater dat voor koeling wordt gebruikt. Bij het andere datacenter wordt zout toegevoegd om het water te ontharden.
Het gebruik van additieven in koelwater voor datacenters verschilt per situatie. Het is afhankelijk van het soort koeling en de bron van water. In oppervlaktewater zitten over het algemeen meer voedingsstoffen voor micro-organismen, die in een koelinstallatie voor aangroei en verstopping kunnen zorgen. Wanneer drinkwater wordt gebruikt is dat veel minder het geval en kan zonder additieven worden gekoeld.
Klopt het dat het afvalwater met chemicaliën geloosd mag worden in het oppervlaktewater?
Zie antwoord vraag 10.
Zijn de mogelijke negatieve effecten van de geloosde chemicaliën op het watersysteem onderzocht? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Wat zijn de toegestane lozingsconcentraten en in welke regelgeving zijn deze vastgelegd?
Ik neem aan dat hiermee concentraties van stoffen in afvalwater bedoeld worden. Het bevoegd gezag beoordeelt de lozing op basis van de te verwachte effecten in het ontvangende water. Dit geldt zowel voor de te lozen stoffen als het effect van de warmtelozingen. Er mag geen achteruitgang zijn in waterkwaliteit of de functie van het oppervlaktewater. Hierbij speelt een aantal zaken een rol zoals de grootte en duur van de lozing, de concentraties van stoffen, de temperatuur van het te lozen water. Daarnaast zijn ook eigenschappen van het water waarin geloosd wordt belangrijk, zoals achtergrondconcentraties, aanwezige natuurwaarden, grootte en doorstroming. Om al deze aspecten integraal mee te kunnen nemen in een beoordeling, is de emissie-immissie toets ontwikkeld.9 De warmtevracht wordt beoordeeld met de beoordelingssystematiek warmtelozingen.10 Deze zijn beide opgenomen in de beoordeling-systematiek voor koelwaterlozingen welke te vinden is op de Helpdesk Water.11
De regelgeving voor lozingen is vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor lozingen binnen een inrichting, en het «Besluit lozen buiten inrichtingen».
Wie controleert of datacenters zich houden aan de toegestane lozingsconcentraten?
Voor lozen op oppervlaktewater is dit het waterschap of Rijkswaterstaat. Voor lozen op een riool is dit de Omgevingsdienst namens de gemeente of Provincie.
Zijn de lozingsconcentraten anders voor warme dagen wanneer de kwaliteit van het oppervlaktewater al vaak in een kritieke toestand verkeerd en wordt hiermee rekening gehouden in de vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de toegestane lozingsconcentraten voor warme dagen?
De invloed van lozingen op de waterkwaliteit in het ontvangende water zal inderdaad afhangen van het weer en de mate van doorstroming in oppervlaktewater. Hier wordt bij de beoordeling van de emissie ten behoeve van vergunningverlening rekening mee gehouden. De meest beperkende situatie is daarbij bepalend voor de emissiegrenswaarden.
Wordt in de vergunning rekening gehouden waar het water wordt gedumpt en of dat waterlichaam gebruikt wordt voor irrigatie van gewassen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de toegestane lozingsconcentraten?
Ja, zie vraag 13.
Klopt het dat er een enorme variatie in koelwaterverbruik is bij datacenters? Zo ja, waarom is er geen maximum gesteld aan het gebruik van koelwater in wet- en regelgeving?
Ja het klopt dat er variatie is in het koelwaterverbruik. Het verbruik van koelwater is sterk afhankelijk van het soort koelsysteem dat wordt gebruikt en het proces wat gekoeld wordt. Het is aan het bevoegd gezag om een afweging te maken of er gebruik wordt gemaakt van de Best Beschikbare Technieken (BBT). Zaken die hier een rol spelen zijn onder andere energieverbruik, waterverbruik, techniekkeuze en koelmedium. Europees zijn voor bedrijven die vallen onder de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) afspraken gemaakt in de BREF koelsystemen. BREF staat hierbij voor «referentiedocument betreffende de beste beschikbare technieken voor industriële koelsystemen». Dit document is beschikbaar als onderdeel van de eerder genoemde beoordeling-systematiek voor koelwaterlozingen genoemd bij het antwoord op vraag 13. Er wordt dus geen maximum gesteld aan het gebruik van koelwater, maar er wordt een integrale beoordeling gemaakt van de milieuprestaties van een koelsysteem binnen een productieproces.
Hoeveel koelwater gebruikten de datacenters in Noord-Holland in 2020? Hoeveel zou een groot datacenter, zoals gebouwd wordt in Zeewolde gebruiken in 2020?
Er is geen informatie beschikbaar over gebruik van koelwater voor specifieke datacenters in Noord-Holland. Wel heb ik, in antwoord op eerdere Kamervragen van het lid van Dijk (PvdA, met kenmerk IENW/BSK-2021/91034), laten weten dat uit gegevens van het waterbedrijf PWN blijkt dat 0,6% (650,000 m3 in 2020) van het door hen geleverde drinkwater wordt gebruikt als koeling door verschillende bedrijven (waaronder datacenters).
De gemeente Zeewolde heeft op haar website informatie gepubliceerd over het waterverbruik van het geplande datacenter.12
Het datacenter koelt voornamelijk met lucht. Alleen als het warm is of de lucht erg droog wordt er oppervlaktewater gebruikt. De gemeente geeft aan dat de maximale capaciteit nodig is als de temperatuur boven 26ºC komt en de luchtvochtigheid onder de 60% ligt. Dit zal naar verwachting 4 tot 5 dagen per jaar het geval zijn. Het datacenter neemt op die dagen maximaal 270 m3/uur in, waarvan 216 m3/uur weer wordt geloosd. Het netto-verbruik tijdens die piekmomenten is dus 54 m3/uur.
Klopt het dat datacenters juist op warme dagen, wanneer de temperatuur boven de 25 graden Celsius komt, drinkwater gebruiken om te koelen? Klopt het dat in droge zomermaanden het verbruik van drinkwater door datacenters twee en een half keer zo groot is als het gemiddelde gebruik van een datacenter?
Ja. De koelbehoefte is het grootst op warme dagen. De verhouding tussen piek en gemiddeld verbruik zal afhankelijk zijn van de gekozen koeltechniek en het weer. Het waterbedrijf PWN heeft aangegeven dat zij bij datacenters een vrij constante afname zien met een verhoging in de zomermaanden. Bij één datacenter zien zij een piek in de zomermaanden die twee keer zo groot is als het gemiddeld maandverbruik.
Vindt u het wenselijk dat datacenters drinkwater gebruiken om te koelen? Zo ja, vindt u het wenselijk dat datacenters meer drinkwater gebruiken in droge tijden, gezien de droogte problematiek van de afgelopen drie jaar?
Nee. Ik vind het over het algemeen niet wenselijk dat datacenters drinkwater geleverd door een waterbedrijf gebruiken om te koelen. Zeker niet gezien de droogte in de afgelopen jaren.
De afweging of een datacenter aangesloten moet worden op het drinkwaternet ligt uiteindelijk bij het waterbedrijf. Hierbij wordt opgemerkt dat het waterbedrijf vanuit de Drinkwaterwet een verantwoordelijkheid heeft die primair gericht is op de levering van drinkwater aan consumenten (dus niet op levering van koelwater aan bedrijven). Een waterbedrijf kan hierbij de gevraagde aansluiting of levering weigeren op basis van zijn algemene voorwaarden.
Zijn er mogelijkheden om datacenters af te koppelen van drinkwater, indien nodig, terwijl het datacenter doordraait?
Ja, er zijn mogelijkheden om datacenters af te koppelen. Als in droge tijden water moet worden verdeeld wordt de zogenaamde «verdringingsreeks» toegepast. Dit is wettelijk verankerd in de Waterwet. De verdringingsreeks heeft vier categorieën van heel belangrijk naar minder urgent. Voorbeelden in afnemende volgorde van belang: zorgen dat dijken stabiel blijven (categorie 1), drinkwater/en elektriciteitsvoorziening (categorie 2), hoogwaardig proceswater (categorie 3), en als laatste grootschalige irrigatie/koeling (categorie 4). Koelwater wordt dus als eerste afgekoppeld. PWN geeft aan dat de bedrijven die drinkwater voor koeling gebruiken op de hoogte zijn van mogelijk afkoppelen tijdens droogte.
De brancheorganisatie Dutch Data Center Association geeft aan goed op de hoogte te zijn van de verdringingsreeks. Ze heeft hier ook over gepubliceerd op haar website.13 Moderne datacenters gebruiken vaak een combinatie van vrije koeling (alleen met lucht) en adiabatische koeling (lucht en water). Andere moderne datacenters kiezen voor een combinatie van WKO (warmte/koude opslag) en vrije koeling, waardoor er geen of amper water wordt verbruikt voor de koeling. Alle professionele datacenters kunnen, in het geval dat er geen water beschikbaar is, operationeel blijven en met lucht koelen, ook als het warmer dan 20 graden is. Dit kost dan wel meer stroom, maar daar wordt in het ontwerp rekening mee gehouden.
Sommige datacenters hebben ook een eigen waterbuffer. Dit geldt voor zowel het datacenter van Microsoft in de Wieringermeer als bij het beoogde datacenter in Zeewolde.
Bent u bereid om te onderzoeken welk ander water, zoals industriewater of grijs water, gebruikt kan worden om datacenters te koelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Hoewel ik niet voornemens ben om specifiek voor datacenters onderzoek te laten uitvoeren, lopen er verschillende beleidstrajecten, die ervoor kunnen zorgen dat (toekomstige) datacenters ander water gaan gebruiken.
Zoals bij de vorige vraag aangegeven, zijn waterbedrijven beleid aan het ontwikkelen om te zorgen dat er geen drinkwater meer wordt afgenomen als dat voor het gebruik niet nodig is. Dit betekent dat waterbedrijven een aansluiting kunnen weigeren. Daarnaast is de branche ervan op de hoogte dat koelwater bij waterschaarste als eerste wordt afgekoppeld. De initiatiefnemer zal dus afhankelijk van de lokale situatie op zoek moeten gaan naar een alternatief en/of back-up. Dit kan industriewater, grijswater, of vaak nog beter hemelwater zijn.
De keuze voor de bron van water moet meegenomen worden in de locatiekeuze van een datacenter. Omdat hierbij ook andere zaken een rol spelen (ruimte, beschikbaarheid van energie, internetkabels) is dit een lokale afweging. Verschillende regionale overheden hebben of ontwikkelen beleid dat meer duidelijkheid moet verschaffen over de vestigingsvoorwaarden voor datacenters. Voorbeelden zijn de Metropoolregio Amsterdam, de provincie Noord-Holland, en de gemeente Haarlemmermeer.14 15 16
Met het Deltaprogramma Zoetwater investeer ik samen met de regio’s veel extra geld in uitvoeringsmaatregelen om ons land weerbaarder te maken tegen watertekorten door zuiniger te zijn met water, water beter vast te houden en slimmer te verdelen. Hierbij kijken we ook naar mogelijkheden voor hergebruik van grijswater. Dit water kan voor verschillende toepassingen worden gebruikt – waaronder datacenters.
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is voor datacenters om op het riool te lozen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Nee. De keuze tussen lozing op riool of oppervlaktewater hangt af van de verontreinigingsvracht, het volume aan afvalwater, en het soort stoffen. In de datacenters van de Wieringermeer is het afvalwater vooral zouter. Zout wordt niet verwijderd in een rioolwaterzuivering, dus voor de waterkwaliteit heeft dit geen effect. In de Wieringermeer wordt geloosd op een vaart die uitkomt op een gemaal dat loost op de Waddenzee. Er is in dat specifieke geval geen nadelig effect door het relatief zoute lozingswater. Voor het beoogde datacenter in Zeewolde, wordt een zuiveringsinstallatie voorzien in het ontwerp. Dit zorgt ervoor dat de zuivering is afgestemd op de kwaliteit van het koelwater en eisen die vanuit het ontvangende water worden gesteld. Daarnaast voorkomt dit een extra belasting van de communale zuivering.
Bent u het eens dat er voorwaarden aan de komst van datacenters moeten worden gesteld, zoals een circulair koelsysteem? Zo nee, waarom niet?
In de huidige situatie worden er voor verschillende activiteiten die gepaard gaan met datacenters in vergunningverlening voorwaarden gesteld. Het gaat dan om zowel waterverbruik (zie het antwoord op vraag 9), als koelwaterlozingen (zie het antwoord op vraag 17).
Ik ben het eens dat aanvullende sturing en voorwaarden nodig zijn in die regio’s waar in de toekomst veel nieuwe datacenters zijn te verwachten. Zoals in het antwoord op vraag 22 beschreven zijn de Metropoolregio Amsterdam, de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer hier al mee bezig.17 18 19 In dit regionale beleid worden vestigingsvoorwaarden bepaald voor datacenters rond onder meer water, ruimte en hergebruik van restwarmte.
Met het begrip «circulair koelsysteem» neem ik aan dat gedoeld wordt op hergebruik van restwarmte. Dit is één van de aspecten waar in regionaal beleid voorwaarden voor kunnen worden gesteld. Dit zal vooral kansen bieden in gebieden waar de warmte gebruikt kan worden, bijvoorbeeld in stedelijk gebied. Dit wordt al op verschillende locaties in Nederland toegepast, bijvoorbeeld in Hengelo, Heerlen en Eindhoven.20
Bent u bereid tot ontwikkeling van landelijke wetgeving met betrekking tot het gebruik van drinkwater voor koeling en het lozen van koelwater van datacenters? Zo nee, waarom niet?
Voor wat betreft het gebruik van drinkwater verwijs ik naar de antwoorden op vragen 20 en 21. Daarnaast gaat Het Rijk samen met de partners (provincies, waterschappen, drinkwaterbedrijven en industrie via VEMW) een verkenning uitvoeren naar het juiste water voor het juiste gebruik. Dit is een actie die zal worden opgenomen in de nieuwe Beleidsnota drinkwater, die ik binnenkort naar de Kamer stuur. Dit is niet specifiek voor datacenters. De Drinkwaterwet geeft aan waterbedrijven de mogelijkheid om een gevraagde aansluiting of levering te weigeren, op basis van zijn algemene voorwaarden. Dit betekent dus dat er geen aanvullende wetgeving nodig is om aansluiting bedoeld voor koeling te weigeren.
Voor wat betreft de lozing van koelwater, is er een robuust stelsel zoals beschreven in de antwoorden op vragen 10 tot en met 17. Ik acht aanvullende wetgeving specifiek voor de datacenters momenteel niet nodig.
De 200.000 dieren die vast zaten aan boord van transportschepen door de blokkade van het Suezkanaal |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er zo’n 200.000 dieren vast zitten op transportschepen bij het Suezkanaal vanwege het containerschip «Ever Given» dat bijna een week lang de vaarroute blokkeerde, tot het afgelopen maandag werd losgemaakt? Zo nee, hoeveel dieren bevinden zich dan wel op de schepen die in de file liggen of lagen bij het Suezkanaal?1
De blokkade van het Suez-kanaal is maandagmiddag 29 maart opgelost, toen het containerschip «Ever Given» is vlot getrokken. Op zaterdag 3 april zijn de laatste schepen, die door deze blokkade niet verder konden, het Suez-kanaal gepasseerd. De blokkade trof meerdere veeschepen met dieren aan boord. Het is mij niet bekend hoeveel in totaal. Ik heb uitsluitend informatie over schepen uit Roemenië en Spanje.
De Roemeense autoriteiten meldden dat er elf veeschepen uit Roemenië betrokken waren, met in totaal 105.700 schapen en 1.600 runderen. Uit Spanje kwam het bericht dat er twee veeschepen uit Spanje betrokken waren. De aantallen dieren op deze twee schepen zijn mij niet bekend.
De lokale autoriteiten in Egypte hebben laten weten dat er na het oplossen van de blokkade voorrang is gegeven aan veeschepen, vanuit het oogpunt van de gezondheid en het welzijn van de dieren.
Klopt het dat er vanwege deze blokkade tenminste zestien schepen met levende dieren stil liggen of lagen en ernstige vertraging hebben opgelopen? Zo nee, om hoeveel schepen gaat het dan wel?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1. De exacte aantallen zijn mij niet bekend
Kunt u bevestigen dat elf van deze schepen in totaal maar liefst 130.000 schapen uit Roemenië vervoeren in de richting van de Perzische Golf?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1.
Klopt het dat in ieder geval twee van deze schepen al sinds 15 en 16 maart onderweg zijn?2
Uit de informatie vanuit Roemenië valt op te maken dat één van de schepen op 16 maart was vertrokken. Ik weet niet wanneer de twee Spaanse schepen zijn vertrokken en ben niet bekend met een veeschip dat op 15 maart is vertrokken.
Hoe lang zijn de overige schepen al onderweg en wat voor dieren zijn er aan boord van de overige schepen?
Uit de informatie uit Roemenië blijkt dat de elf veeschepen op de dag van het opheffen van de blokkade tussen de vijf en dertien dagen onderweg waren. Van de twee veeschepen uit Spanje is mij geen vertrekdatum bekend. Voor de aantallen dieren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Waar komen deze dieren op de overige schepen vandaan en wat is de eindbestemming van deze schepen?
We kunnen vanuit Nederland geen gegevens inzien van exporten vanaf andere landen, behalve als Nederland een doorvoerland is. Van de elf schepen uit Roemenië waren er zeven op weg naar Saoedi Arabië en vier naar Jordanië. Van de twee veeschepen uit Spanje heb ik geen gegevens.
Is het mogelijk dat er ook Nederlandse dieren aan boord zijn van de vertraagde schepen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Er waren in ieder geval geen dieren aan boord van deze schepen die rechtstreeks vanuit Nederland zijn geëxporteerd. Het is mogelijk dat er alsnog dieren met een oorspronkelijk in Nederland aangebracht oormerk aan boord van de veeschepen waren, maar deze zijn dan eerder al naar een andere lidstaat verhandeld, alvorens ze naar het Midden Oosten werden geëxporteerd. Daar heb ik geen inzicht in.
Deelt u de mening dat langdurig transport onacceptabel leed veroorzaakt bij dieren, en hun welzijn en gezondheid schaadt?
Bij zowel lange transporten van dieren over de weg als dit soort lange transporten over zee zijn er risico’s voor het dierenwelzijn en de gezondheid van de dieren. Het borgen van dit soort risico’s is extra lastig buiten EU-grenzen, waar weinig inzicht is in de omstandigheden en er geen mogelijkheden zijn om in te grijpen bij calamiteiten. Ik pleit daarom in EU-verband voor het verbieden van lange transporten van dieren naar niet-EU landen, uitgezonderd het Verenigd Koninkrijk.
Kunt u bevestigen dat schepen die levende dieren vervoeren volgens Europese regelgeving verplicht zijn om 25 procent meer voer in te laden dan nodig is voor de geplande reis, voor het geval er vertraging ontstaat onderweg en ontvangt u ook signalen dat dit niet altijd, of zelfs vrijwel nooit gebeurt? Zo ja, wat doet u hier mee?
De EU-transportverordening3 schrijft voor dat veeschepen of schepen die zeecontainers vervoeren met als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens voor een transport van meer dan 24 uur vanaf het tijdstip van vertrek voldoende strooisel, voeder en water moeten meevoeren om het voor het voorgenomen transport minimumdagrantsoen aan voeder en water te dekken, plus 25%, dan wel, als dat een grotere hoeveelheid is, een extra voorraad strooisel, voeder en water voor drie dagen.
Het is mij niet bekend dat deze voorschriften niet altijd, of vrijwel nooit worden nageleefd. De autoriteiten van de haven van vertrek zijn verantwoordelijk voor de controle van deze voorschriften.
Hoe wordt er op toegezien dat dit extra voer daadwerkelijk wordt ingeladen en hoe ziet u hier op toe als het gaat om transport over zee van Nederlandse dieren die naar landen buiten de EU worden geëxporteerd?
Volgens de EU-transportverordening is de controle op voldoende voeder, water en strooisel onderdeel van de inspecties die de autoriteiten moeten uitvoeren in de haven voorafgaand aan vertrek naar landen buiten de EU. Omdat deze veeschepen vanuit andere landen dan Nederland vertrekken, heb ik hier geen zicht op. Er wordt geen informatie gedeeld met een verzendend land, zoals Nederland, als geconstateerd wordt dat er te weinig voer aan boord is.
Deelt u de zorgen dat de 200.000 dieren die nu vastzitten op de schepen bij het Suezkanaal – ook als deze extra noodvoorraad voer wel is ingeladen – niet genoeg eten en drinken meer hebben om in leven te blijven tot de eindbestemming is bereikt?
Ja, ik deel deze zorgen. De blokkade is gelukkig voorbij. Het is me niet bekend in hoeverre er een tekort aan voeder en water was, en of dit tot problemen heeft geleid. Het betrof zoals eerder aangegeven geen zendingen die direct uit Nederland komen. We zijn daarom geen belanghebbende en ontvangen geen informatie hierover.
Zijn er dierenartsen aan boord geweest van deze schepen? Zo nee, hoe wordt er zorg gedragen voor deze dieren nu ze al zo lang onderweg zijn?
Het is mij niet bekend of er dierenartsen aan boord zijn geweest. Voor de zorg voor de dieren is personeel aan boord van de schepen.
Welke mogelijkheden ziet u om deze dieren te beschermen tegen nog verder extra lijden?
De veeschepen hebben inmiddels allemaal hun reis hervat. De Egyptische autoriteiten hebben voorrang gegeven aan de veeschepen en het lijkt me van belang dat ze zo spoedig mogelijk naar haven van bestemming doorvaren. Als er door de vertraging sprake is van tekorten van voer of water aan boord, zouden voorraden aan boord gebracht moeten worden. Ik heb hier echter geen zicht op.
Hoe gaat u zich inzetten om te voorkomen dat een dergelijke dierenwelzijnsramp op zee zich ooit nog weer kan voordoen?
Ik pleit zoals ik in antwoord op vraag 8 aangeef voor een EU-breed verbod op verre transporten van levend vee naar niet-EU landen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk. Totdat dit gerealiseerd is, moet maximaal worden ingezet op de naleving van de huidige voorschriften uit de transportverordening om het welzijn te borgen. De auditdienst van de Europese Commissie heeft in 2020 een overzichtsrapport uitgebracht ten aanzien van audits over transporten van dieren over zee4. Portugal zet zich tijdens zijn EU-voorzitterschap in om de omstandigheden bij veetransporten over zee te verbeteren en geconstateerde tekortkomingen op te lossen. Daar waar mogelijk ondersteun ik deze inzet, waarbij ik wil opmerken dat de rol van Nederland erg gering is, omdat wij geen goedgekeurde veeschepen hebben, en geen havens waarvandaan deze veeboten vertrekken.
Kunt u bevestigen dat Europese lidstaten niet verplicht zijn om te rapporteren over de aantallen dieren die sterven tijdens transporten over zee? Zo ja, bent u bereid zich in te zetten voor een dergelijke rapportageplicht?
Inderdaad hoeven lidstaten dit niet bij te houden of te melden wanneer het gaat om transporten over zee, buiten EU-grenzen. Er geldt wel een verplichting voor vervoerders om problemen tijdens een transport, zoals sterfte van dieren, te vermelden in het journaal. Vervoerders moeten dit journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang overhandigen, maar er zou ook een kopie van het journaal meegenomen moeten worden aan boord van de veeschepen, zodat de relevante informatie kan worden genoteerd en aan de autoriteiten van de plaats van verzending worden teruggekoppeld. Dit heeft Nederland, samen met Duitsland, onder de aandacht gebracht bij het Portugese EU-voorzitterschap om dit EU-breed op te pakken.
Heeft u wel zicht op het aantal Nederlandse dieren dat sterft tijdens transport over zee naar landen buiten de EU? Zo nee, waarom wilt u dit niet weten en voelt u zich hier wel verantwoordelijk voor? Zo ja, hoeveel dieren zijn er in de afgelopen vijf jaar gestorven tijdens transport over zee naar landen buiten de EU?
Ik voel me zeker verantwoordelijk voor de dieren die vanuit Nederland worden geëxporteerd. Ik heb om genoemde redenen in antwoord op vraag 15 geen inzicht in de sterfte onderweg tijdens een transport over zee en zet me in om dit wel inzichtelijk te krijgen via het journaal.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk, uiterlijk binnen een week, beantwoorden?
Ik heb me ingespannen om uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het bericht Curaçao kan geen coronapatiënten meer opnemen, IC ligt helemaal vol |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Curaçao kan geen coronapatiënten meer opnemen, IC ligt helemaal vol», d.d. 1 april jongstleden?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Welke maatregelen gaat u nemen om Curaçao te ondersteunen, en op welke termijn?
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 7 april jl.2 heb ik uiteengezet welke maatregelen ik neem om Curaçao te ondersteunen. Deze steun vindt plaats aan de hand van drie lijnen, te weten a) het maximaal treffen van maatregelen om verspreiding van het virus te voorkomen, b) het opschalen van de zorgcapaciteit en c) het zo spoedig mogelijk vaccineren van de gehele volwassen bevolking.
Bent u bereid de Zr.Ms. Karel Doorman in te zetten om beschikbaarheid van zorg te waarborgen op (onder meer) Curaçao? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7 van de vragen over de ontwikkelingen van de gezondheidssituatie op Bonaire en Curaçao die u, samen met het lid Diertens, op 23 maart heeft gesteld:3
Het risico op overbelasting van de acute en intensieve zorg wordt zo veel mogelijk afgedekt door goede afspraken tussen de 4 ziekenhuizen (op Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten) over de spreiding van patiënten. De afgelopen weken is er vanuit Sint Maarten extra personeel naar de benedenwindse eilanden verplaatst. Ook wordt via het Amerikaanse uitzendbureau AMI extra personeel ingezet om de (IC) capaciteit op Aruba, Bonaire en Curaçao uit te breiden. De benodigde apparatuur is in een eerder stadium al aan de ziekenhuizen geleverd. Ook worden gesprekken gevoerd over de overplaatsing van patiënten naar andere landen in de regio, wanneer de lokale capaciteit ondanks gezamenlijke inspanningen onvoldoende blijken te zijn. Zo zijn er 5 patiënten van Bonaire overgeplaatst naar Colombia. Het Ministerie van VWS heeft geen zeggenschap over de inzet van de ZMS Karel Doorman. Voor eventuele steunverlening kan een verzoek worden gedaan aan het Ministerie van Defensie. Defensie is toegerust op traumazorg van gewonden en heeft beperkte capaciteit aan boord van de schepen om grote capaciteitstekorten aan IC zorg op te kunnen vangen. Een steunverzoek is tot op heden niet gedaan.
Kunt u, mede gezien de ernstige situatie, deze en de eerder ingediende vragen op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?2
De beantwoording van de vragen heeft plaatsgevonden op een zo kort mogelijke termijn.
Het bericht ‘GGD en RIVM wijzen naar elkaar voor niet halen vaccinatiedoel’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «GGD en RIVM wijzen naar elkaar voor niet halen vaccinatiedoel»?1
Het RIVM, de GGD en VWS werken zeer nauw samen en hebben onderling intensief contact over de planning van het open zetten van afsprakenslots, het verzenden van uitnodigingen en de logistiek van de vaccins. Ieder vanuit zijn eigen rol. In mijn Kamerbrief2 van 31 maart jongstleden ben ik ingegaan op de redenen waarom eind maart niet alle beschikbare timeslots om te vaccineren zijn gevuld. Er werden toen kort achter elkaar verschillende doelgroepen uitgenodigd en het percentage mensen dat direct na ontvangst van de uitnodiging belde om een afspraak te maken lag aanzienlijk hoger dan bij eerdere uitnodigingsrondes). GGD GHOR Nederland heeft hiervan een analyse gemaakt. Op basis hiervan is een aantal aanpassingen doorgevoerd zodat het callcenter ook dergelijke piekmomenten aan kan. Het callcenter is inmiddels opgeschaald naar zo’n 7.500 medewerkers, in de komende weken zullen hier nog 2.000 medewerkers bijkomen. Ook zijn aanpassingen gedaan in CoronIT, zodat dit systeem ook grotere aantallen kan registreren en verwerken. Mensen worden nu ook zoveel mogelijk doorverwezen naar de website www.coronavaccinatie-afspraak.nl. We zien dat nu veel meer online afspraken worden gemaakt. Zo zijn in het afgelopen weekend door 200.000 mensen 400.000 afspraken (twee vaccinaties) gemaakt, 135.000 mensen (dus ongeveer 65%) hebben de afspraken digitaal gemaakt.
Hoe kan het dat er zoveel bovenarmen zijn waarin geprikt moet worden, er bijna een miljoen vaccins op voorraad zijn, maar de prikstraten leeg blijven?
Zie het antwoord van vraag 3.
Waarom wijst u nog steeds naar de voorraad van vaccins, terwijl er inmiddels een veel grotere voorraad is dan nodig?2
In de stand van zakenbrief van 23 maart jl. heb ik aangegeven dat het mijn insteek is dat vaccins zo kort mogelijk nadat ze beschikbaar komen ook daadwerkelijk worden ingezet. Ik heb in die brief toegelicht dat een kleine veiligheidsvoorraad moet worden aangehouden, om te zorgen dat bij tegenvallende levering niet direct gemaakte afspraken voor vaccinatie moeten worden afgezegd.
In figuur 1, 2 en 3 ziet u de stand van de beschikbare- en totale voorraad per vaccin tot 11 april. Voor BioNTech/Pfizer ziet u dat gedurende een week de binnengekomen levering wordt uitgereden tot de minimale veiligheidsvoorraad en dat vlak daarna weer een nieuwe levering beschikbaar komt.
Figuur 1
Bij Moderna is sprake van een stabiele, maar tweewekelijkse, levering. Vanwege de kleine omvang van de leveringen houden we hier nauwelijks een veiligheidsvoorraad aan. Met dit vaccin nemen we dus bewust wat meer risico met betrekking tot de beschikbaarheid bij tegenvallende leveringen. De combinatie van leveringen om de week aan de ene kant, en de prikinterval van vier weken aan de andere kant, maakt dat het Moderna-vaccin soms ogenschijnlijk langer dan nodig op voorraad ligt. Een voorbeeld daarvan deed zich voor in week 9 en 10. Oorzaak hiervan is bijvoorbeeld dat de daaropvolgende levering te laat is voor geplande tweede vaccinaties bij de uitvoerders.
Figuur 2
De leveringen van het AstraZeneca-vaccin zijn bijzonder onregelmatig in planning en omvang. Dat is ook terug te zien in het voorraadbeheer. Van 14 tot 18 maart is er vanwege de pauze uit voorzorg in zijn geheel niet geprikt met AstraZeneca. Bestaande voorraad kon door de prikpauze niet worden weg geprikt. Bovendien gold dat enkele dagen vóór de prikpauze een relatief grote levering AstraZeneca-vaccins was binnengekomen (216.480 doses, rekenend met 11 doses per flacon). Hoewel er een start was gemaakt om die nieuwe voorraad weg te prikken stagneerde dat door de prikpauze. Vlak voor de prikpauze is er ook een (kleinere) levering binnengekomen (95.040 doses) en de dag na de prikpauze nóg een levering (44.880 doses). Daarmee was door een samenloop van omstandigheden van de prikpauze en drie opeenvolgende leveringen daar omheen de voorraad AstraZeneca-vaccins flink opgelopen. Inmiddels heeft het RIVM deze voorraad weten terug te brengen en zal ook bij AstraZeneca de voorraad vlak voordat een nieuwe levering beschikbaar komt tot een minimum zakken.
Figuur 3
Tussen 14 en 18 maart is er een volledige prikpauze geweest met AstraZeneca. De voorraad is daardoor toen geblokkeerd en dus zie je dit in dit figuur op die dagen geen beschikbare voorraad.
Op het coronadashboard van de rijksoverheid zal vanaf deze week de voorraad getoond. Hier is te zien per vaccin wat de totale- en beschikbare voorraad is geweest per dag. Dit wordt wekelijkse geupdate.
Wat gaat u doen om de problemen bij callcenters op te lossen, aangezien mensen talloze keren bellen en elke keer een ander verhaal te horen krijgen?
Op 26 en 27 maart is het erg druk geweest in het callcenter en waren de wachttijden lang. Er werden kort achter elkaar verschillende doelgroepen uitgenodigd en het percentage mensen dat direct na ontvangst van de uitnodiging belde lag aanzienlijk hoger dan bij eerdere uitnodigingsrondes. De week daarna laat een heel ander beeld zien. De gemiddelde wachttijd bedroeg in deze week minder dan een minuut, met een enkele uitloop tot circa 20 minuten op piekmomenten.
De bezetting van het callcenter wordt continu verder geoptimaliseerd. Daarnaast wordt het gebruik van het webportaal gestimuleerd, onder andere door in uitnodigingsbrieven te vermelden dat mensen zich bij voorkeur via het online portaal moeten aanmelden. Zoals vermeld in mijn Kamerbrief van 31 maart, heb ik heb er vertrouwen in dat er een goede balans gevonden kan worden tussen het gebruik van het webportaal en het callcenter, zodat zoveel mogelijk mensen op een dag een afspraak kunnen maken. Mensen worden nu ook zoveel mogelijk doorverwezen naar de website www.coronavaccinatie-afspraak.nl. We zien dat nu veel meer online afspraken worden gemaakt. Zo zijn in het afgelopen weekend door 200.000 mensen 400.000 afspraken (twee vaccinaties) gemaakt, 135.000 (dus ongeveer 65%) heeft de afspraken digitaal gemaakt.
Het callcenter is inmiddels opgeschaald naar zo’n 7.500 medewerkers, in de komende weken zullen hier nog 2.000 medewerkers bijkomen. Ook zijn er aanpassingen gedaan in CoronIT, zodat dit systeem ook grotere aantallen kan registreren en verwerken.
Het uitnodigen door het RIVM wordt afgestemd op de aantallen beschikbare vaccins en wordt door het RIVM meer gelijkmatig uitgestuurd. In de uitnodigingen worden de mensen nu ook gestimuleerd om zich aan te melden via het online portaal, www.coronavaccinatie-afspraak.nl. Ook worden opties uitgewerkt waarbij leeftijdsgroepen, die nog geen uitnodiging hebben ontvangen maar als eerstvolgende aan de beurt zijn, de mogelijkheid krijgen alvast een afspraak te maken via het online portaal. Ook hierdoor wordt een spreiding in het aanmelden van mensen voor de vaccinatie gecreëerd.
Hoe groot is het tekort aan het Pfizer-vaccin waar de GGD Hollands Midden het over heeft in haar tweet?3
In de betreffende tweet ging het over de beschikbaarheid van het BioNTech/Pfizer-vaccin in het algemeen. Omdat de leveringsbetrouwbaarheid van dit vaccin voldoende groot is, worden afspraken ook verder vooruit in de tijd gepland. Daardoor kan het tot enkele weken na de uitnodiging en het inplannen van de afspraak duren voordat de vaccinatie plaats kan vinden. Wanneer vaccins in grotere aantallen beschikbaar zijn, is er voldoende capaciteit bij de GGD’en om deze binnen afzienbare tijd weg te prikken.
Gaan we met dit tempo nog uw doelstelling van juli halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Samen met de uitvoerende partijen wordt ervoor gezorgd dat de vaccinatieoperatie zo snel mogelijk voor alle groepen wordt voortgezet. Het blijft mijn streven om begin juli aan iedereen die dat wil een eerste vaccin aan te bieden. Tot aan de zomer worden grote leveringen van bijvoorbeeld Janssen en BioNTech/Pfizer verwacht, en de uitvoerende partijen zijn goed voorbereid op het zo snel mogelijk vaccineren van zoveel mogelijk mensen.
Zoals ik eerder heb aangegeven is het verdere verloop van de vaccinatieoperatie afhankelijk van de daadwerkelijke leveringen. GGD’en, huisartsen en ziekenhuizen staan klaar om 2,5 miljoen prikken per week te zetten.
Hoe gaat de vaccinatiecampagne er na de zomer uitzien? Worden bijvoorbeeld voorbereidingen getroffen worden voor een eventuele jaarlijkse prikcampagne tegen dit virus? Wie gaat te zijner tijd de prikken zetten?
We zitten nog midden in de pandemische fase waarin we zo snel mogelijk de bevolking een vaccinatie willen aanbieden. Tegelijk is het van belang om vooruit te kijken. De vaccinatiestrategie op de langere termijn kent echter grote onzekerheidsmarges. Zo is nog relatief onbekend wat de mate is waarin de samenleving immuniteit opbouwt na een doorgemaakte infectie of vaccinatie en wat de beschermingsduur van de vaccinaties is tegen de huidige of toekomstig circulerende virusvarianten. Zodra hier meer over bekend is, zal ik de Gezondheidsraad vragen te adviseren over de vaccinatiestrategie op de langere termijn. Ondertussen zal ik met de Gezondheidsraad en het RIVM overleggen welke vragen in dit verband beantwoord moeten worden; onder andere over de mogelijkheid dat COVID-19-vaccinaties via een structureel vaccinatieprogramma worden aangeboden en welke doelgroepen daarvoor in aanmerking komen. Deze kunnen dan, gefaseerd, worden beantwoord. De eventuele implementatie van een structureel of flexibel vaccinatie aanbod, en wie de vaccinaties zal gaan toedienen, zal op deze adviezen worden geënt.
Worden er draaiboeken voor – en afspraken over een eventuele jaarlijkse prikcampagne gemaakt? Wordt met de inkoop van materiaal en vaccins hier rekening mee gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Veel aandacht is de afgelopen maanden uitgegaan naar het beheersen van de pandemie en het aanbieden van een eerste vaccinatie aan de bevolking, maar tegelijkertijd kijken we vooruit naar de toekomst. De periode na de pandemische fase zal vooral worden bepaald door de mate van immuniteit onder de bevolking (ook tegen toekomstige virus varianten), vooral bij oudere en kwetsbare groepen. Er is echter op dit moment nog grote onzekerheid over de verdere ontwikkeling van het coronavirus en de effectiviteit van de huidige vaccins tegen toekomstige virus varianten. Momenteel worden contracten afgesloten voor leveringen van vaccins in 2022. Hierbij wordt voor zover mogelijk rekening gehouden met de inschattingen van experts over de toekomstige ontwikkelingen. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 6 zal VWS met het RIVM en de GR in overleg treden over een mogelijk structureel vaccinatieprogramma.
Worden er nog nieuwe contracten gesloten voor de inkoop van vaccins voor na de zomer en het jaar 2022? Met welke farmaceuten lopen nog onderhandelingen?
Ja, we sluiten momenteel ook contracten af voor leveringen in 2022. Deels kunt u deze (mogelijke) leveringen terugvinden in de leveringstabellen die we steeds opnemen in de voortgangsbrieven. Ook lopen er nog onderhandelingen met een aantal leveranciers waarmee de EU nog geen overeenkomst heeft.
Indien deze uiteindelijk gesloten worden, zal de levering daarvan ook pas plaatsvinden in Q4 en in 2022. Het beschikbaar komen van vaccins is afhankelijk van het succesvol doorlopen van alle klinische testfasen en de daaropvolgende beoordeling door de Europese medicijnautoriteit (EMA) en het College ter Beoordeling van geneesmiddelen (CBG), zoals ik ook in mijn Kamerbrief5 van 20 november jl.
Hoe gaat Nederland om met het feit dat steeds meer Europese landen hun eigen plan trekken voor de inkoop van vaccins?
Het is niet mijn beeld dat Europese landen steeds meer hun eigen plan trekken t.a.v. de aankoop van vaccins. Sterker, de in het antwoord op vraag 9 genoemde aankopen vinden plaats in gemeenschappelijkheid. Enkele lidstaten werken of denken momenteel na over het Sputnik vaccin.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Sancties voor racisme en discriminatie binnen de politie |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dit werd gezegd in de omstreden appgroep van Rotterdamse agenten» en het bericht «Korpsleiding gaat praten met agenten na onrust over «milde» aanpak racisme»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat racisme en discriminatie binnen de politie het draagvlak van de politie naar buiten toe aantasten en tot verdeeldheid of onbegrip kunnen leiden binnen de politieorganisatie als dit probleem niet goed wordt aangepakt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Grondwet is voor elke Nederlander duidelijk. Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Dit geldt ook voor de politie. Alle politiemedewerkers verbinden zich daaraan via de beroepscode en de eed of de belofte die ze bij hun aanstelling afleggen.
De signalen vanuit de politie en vanuit de samenleving over discriminerend gedrag binnen de politie en de sancties die hierop volgen, zijn gehoord en worden opgevolgd door de politie. De korpsleiding zal het sanctiestelsel tegen het licht houden. De korpsleiding is hierover ook in gesprek met de politietop en het Netwerk Divers Vakmanschap. Samen met de korpschef zal ik over dit onderwerp ook nadere gesprekken voeren met onder andere het gezag en betrokkenen en organisaties die zich inzetten tegen racisme en discriminatie.
Deelt u de mening dat binnen en buiten de politieorganisatie geuit onbegrip over de laagte van straffen in geval van racisme binnen de politie een indicatie kan voor het feit dat die straffen te laag zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De oproep door politiemedewerkers en de samenleving om over de aanpak van discriminerend gedrag door politiemensen nader in gesprek te gaan is duidelijk gehoord. De politie zal hierover in gesprek gaan, met oog voor emoties en ontwikkelingen in de samenleving en rekening houdend met de mogelijkheden die hiervoor al beschikbaar zijn. Klachten en aangiften met betrekking tot de politie worden onderzocht door het OM en een onafhankelijke klachtencommissie. Zij beoordelen het gedrag en optreden van de politie. Het OM heeft eerder geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van strafrechtelijk verwijtbaar handelen. Wel blijkt uit het disciplinaire onderzoek dat door de politie is uitgevoerd dat sprake is van ernstig laakbaar handelen en van plichtsverzuim. Hiervoor zijn de betrokken medewerkers disciplinair gestraft. De onafhankelijke adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefeningen Ambtenaren (AGFA) adviseert over voorgenomen disciplinaire straffen en heeft hierover positief geadviseerd. Zie verder antwoord 2.
Deelt u de mening dat bij disciplinaire straffen voor racisme en discriminatie binnen de politie voorkomen moet worden dat de schijn ontstaat dat de politieorganisatie dergelijk wangedrag zelf te laag bestraft? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ook bij de politie is racisme en discriminatie niet toegestaan, daarover zijn de wet en de beroepscode voor de politie helder. Deze casus toont aan dat een dialoog nodig is over de manier waarop de politie ongewenst gedrag corrigeert. Ik deel de mening dat een disciplinaire maatregel tot doel heeft om ongewenst gedrag te corrigeren en herhaling te voorkomen. Een disciplinaire maatregel moet altijd in de juiste verhouding staan tot het aangetroffen gedrag. Die verhouding tussen gedrag en reactie hierop zal besproken worden en geactualiseerd waar dat nodig is.
Wilt u bezien of het disciplinaire sanctiemodel van de politie aangescherpt dient te worden? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De korpschef heeft reeds aangegeven dat hij de dialoog zal aangaan over de manier waarop ongewenst gedrag m.b.t. discriminatie en racisme wordt gecorrigeerd. Daarbij zal aandacht zijn voor formele disciplinaire maatregelen maar ook voor leer- of bewustwordingstrajecten, al dan niet gekoppeld aan disciplinaire maatregelen. Belangrijk is immers dat een disciplinaire maatregel naast dat het een signaal afgeeft over de onwenselijkheid van het getoonde gedrag, zorgt voor een blijvende verandering van dat gedrag. De gesprekken die zijn genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 zullen hier een belangrijke bijdrage aan leveren.
Deelt u de mening dat een eigen tuchtrecht voor de politie kan bijdragen aan een onafhankelijke en transparante beoordeling van plichtsverzuim door politiemedewerkers, waaronder uitingen van racisme en discriminatie? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ik heb in 2019 een reactie gegeven op de vraag van Kamerlid Van Dam m.b.t. extern tuchtrecht voor de politie.3 De politie heeft reeds een systeem van intern tuchtrecht. Het nemen van disciplinaire maatregelen is een taak voor de werkgever. Reflectie daarop en transparantie daarover is sinds 1992 geborgd via de adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefeningen Ambtenaren (AGFA). Dit is een onafhankelijke commissie die voorgenomen disciplinaire maatregelen uitgebreid beoordeelt en dit oordeel ook publiceert. Op deze manier wordt de politieleiding op onafhankelijke en transparante wijze geholpen om het sanctiestelsel goed toe te passen en in gelijke gevallen ook gelijke maatregelen te treffen. Het – gedeeltelijk – weghalen van de verantwoordelijkheid om disciplinaire maatregelen te bepalen bij ongeoorloofd gedrag en deze extern neerleggen, draagt naar het oordeel van de politie niet bij aan een open, transparant klimaat waarin mensen zich durven uitspreken, elkaar aanspreken en waar de werkgever zijn verantwoordelijkheid neemt voor het gedrag van politiemedewerkers.
Het bericht ‘Studenten in de stress door tijdelijk huurcontract’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Studenten in de stress door tijdelijk huurcontract»?1
Ja.
Wat is uw reactie op huurders, waaronder veel studenten, die zich zorgen maken over het feit dat ze (telkens) een tijdelijk huurcontract hebben? Deelt u de mening dat een kwalitatieve en betaalbare woning een essentiële voorwaarde is voor studenten om hun studie op een goede manier te kunnen volgen en afronden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat iedereen prettig, zorgeloos en betaalbaar kan wonen. Dat geldt voor studenten niet anders.
Er worden verschillende huurcontracten aangeboden aan studenten. Hierbij valt ook te denken aan contracten van aard naar korte duur waarbij de (internationale) studenten geen huur(prijs)bescherming en duidelijkheid over de duur van het verblijf genieten. Met de Wet doorstroming huurmarkt 2015 zijn naast contracten voor specifieke doelgroepen zoals grote gezinnen, promovendi en jongeren ook generieke tijdelijke contracten van maximaal 2 jaar voor zelfstandige woningen en maximaal 5 jaar voor onzelfstandige woningen (kamers) geïntroduceerd. De achterliggende reden hierbij was niet alleen de doorstroming en flexibiliteit te bevorderen maar ook om huurders, waaronder (internationale)studenten, een alternatief te bieden ten opzichte van de contracten naar aard van korte duur. Met deze tijdelijke contracten hebben huurders wel huurprijsbescherming, zowel op de aanvangshuurprijs als de huurverhogingen.
Ondanks dat ik van mening ben dat tijdelijke verhuur niet de norm mag worden, kan ik mij voorstellen dat er situaties zijn waarin dit een passende oplossing biedt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan spoedzoekers die direct een woning nodig hebben na een scheiding. Voor wat betreft de huisvesting van studenten in studentencomplexen of zogenoemde campuscomplexen ligt een huurcontract voor onbepaalde tijd niet in de rede. De woning moet immers weer vrijkomen voor een nieuwe student als de studie is beëindigd. Voor wat betreft het door verhuurders afsluiten van tijdelijke huurcontracten bij studenten, kom ik terug bij de antwoorden die zien op de evaluatie van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (vraag 3, 4, 8 en 12).
Kunt u aangeven hoeveel procent (bij benadering) van de huurovereenkomsten op dit moment tijdelijk is en hoeveel procent een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft? Kunt u dit per woningmarktregio uitsplitsen?
Op dit moment wordt deze Wet doorstroming huurmarkt geëvalueerd om te bezien of de wet heeft bijgedragen aan de flexibilisering van de huurmarkt en daarmee een positief effect heeft gehad op de doorstroming en het beschikbaar komen van extra huurwoningen. Daarnaast wordt gekeken of doelgroepen profijt hebben gehad met de introductie van tijdelijke contracten en of er neveneffecten van de wet zijn te onderscheiden. Tot slot wordt onderzocht in welke mate er tijdelijke contracten in zijn algemeenheid worden afgesloten met daarbij een uitsplitsing naar schaarste en niet-schaarste gebieden.
Aangezien er destijds in de wet geen doelgroepencontract voor studenten is geïntroduceerd (er was al een mogelijkheid om campuscontracten af te sluiten voor studenten), wordt niet specifiek onderzocht hoeveel studenten met een tijdelijk contract wonen. Bij de evaluatie wordt wel gekeken of er generieke tijdelijke contracten voor studenten worden gebruikt en wordt gevraagd welke contractvorm voor studenten wenselijk zou zijn.
Eind volgende maand zal ik uw Kamer de uitkomsten van de evaluatie van de Wet doorstroming 2015 doen toekomen. Op basis van deze evaluatie zal vervolgens worden bezien of de doelstellingen van de wet zijn behaald en of de wet moet worden aangepast. Indien dit het geval is zal een nieuw kabinet u deze wetswijziging voorleggen.
Kunt u specifiek voor studentenkamers aangeven hoeveel procent (bij benadering) een tijdelijke huurovereenkomst betreft? Kunt u dit per studentenstad uitsplitsen?
Zie antwoord vraag 3.
Bij hoeveel procent van de meldingen/klachten bij (stedelijke) huurteams en bij de Huurcommissie gaat over zaken waarbij een tijdelijk huurcontract aan de orde is?
Een aantal huurteams wordt betrokken bij de genoemde evaluatie. Hierdoor moet duidelijk worden of en in welke mate er klachten zijn over het gebruik van tijdelijke huurcontracten. Aangezien de Huurcommissie mij heeft laten weten dat zij geen cijfers bijhouden of geschillen gaan over reguliere of tijdelijke huurcontracten heb ik naast een aantal huurteams ook de Woonbond betrokken in de evaluatie om een goed beeld te krijgen over eventueel oneigenlijk gebruik van tijdelijke contracten.
Kunt u in een tabel aangeven hoeveel studentenwoningen er de afgelopen tien jaar beschikbaar waren? Kunt u ook in een tabel aangeven hoeveel tekort er aan studentenwoningen was in de afgelopen tien jaar?
Aangezien ik Kences jaarlijks in de gelegenheid stel om de kennis over de situatie op de woningmarkt voor studenten op peil te houden, heb ik uw vragen zes en zeven aan hen voorgelegd. Kences heeft zich in hun antwoorden gebaseerd op de verschillende edities van de Landelijke monitor studentenhuisvesting waarin dit jaar voor het eerst een tekort aan wooneenheden is uitgedrukt in een getal. Volgens Kences is een studentenwoning als zodanig een lastig begrip: studenten wonen op kamers, in éénkamerwoningen en méér-kamerwoningen, waarbij we over het algemeen aanhouden dat de méér-kamerwoningen «gewone» woningen zijn. Dit zijn woningen die niet specifiek voor studenten zijn en ook niet altijd door studenten worden bewoond. Het aandeel studenten in een «gewone» woning is gestegen van 20% naar 25% in acht jaar tijd.
Kences geeft aan dat het aantal uitwonende studenten (inclusief internationale studenten) die wonen in een studiestad in de afgelopen acht jaar met 25% is toegenomen. Van 210.000 in 2012 naar 261.500 in 2020. Dit is een goede indicator voor de groei van het aantal studentenwoningen aangezien die studenten niet thuis wonen maar op zichzelf. Het tekort is in 2020 volgens Kences 22.000 wooneenheden2.
Kunt u in een tabel aangeven hoe de prijs van een gemiddelde studentenwoning zich de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld?
Gelet op de onduidelijke definitie van een studentenwoning en de verschuivingen binnen de woningmarkt in de afgelopen jaren (groter gebruik van één- en meer-kamerwoningen) is volgens Kences niet met een tabel aan te geven hoe de prijs van studentenwoningen zich heeft ontwikkeld. In de monitor studentenhuisvesting wordt wel de woonquote gevolgd. Van de vergelijkbare deelonderzoeken betaalbaarheid is hieronder een tabel opgenomen die is terug te vinden in de landelijke monitor studentenhuisvesting 20203.
Hoeveel extra huurwoningen zijn er door de Wet doorstroming huurmarkt (bij benadering) bij gekomen? Waar baseert u deze gegevens op?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat verhuurders nu al de mogelijkheid hebben om via zogenoemde campuscontracten een tijdelijke huurovereenkomst voor meerdere jaren kunnen aanbieden, maar dat zij hier, blijkens het onderzoek van onderzoeker Huisman, kennelijk weinig gebruik van maken?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een actuele stand van zaken geven over de achterstanden bij de Huurcommissie? Kunt u ook de actuele stand van zaken van de gevolgen van covid-19 op het werk van de Huurcommissie geven?
Door de maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus heeft de Huurcommissie vorig jaar tijdelijk de zittingen en onderzoeken ter plaatse stil moeten leggen. Het werd daardoor moeilijk voor de Huurcommissie om zaken af te handelen. Daarom heeft de Huurcommissie zich erop gericht om zo veel mogelijk zaken voor te bereiden voor behandeling op zitting. Dit heeft ervoor gezorgd dat de werkvoorraad bij de Huurcommissie eind vorig jaar is opgelopen tot circa 10.500 zaken.
Deelt u de mening dat het juist ook voor mensen met een tijdelijke huurovereenkomst van groot belang is dat zij, wanneer ze een geschil aan de Huurcommissie willen voorleggen, op korte termijn een uitspraak kunnen verwachten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet bewerkstelligen?
De Huurcommissie speelt voor huurders en verhuurders een belangrijke rol als onafhankelijke geschillenbeslechter. Het is van belang dat geschillen tijdig worden behandeld, zodat huurder en verhuurder weten waar zij aan toe zijn. Dat geldt ook voor huurders met een tijdelijk huurcontract. Om deze achterstanden weg te kunnen werken heeft de Huurcommissie afgelopen jaar, samen met mijn ministerie, het actieplan Aanpak achterstanden opgesteld4. In dit actieplan beschrijft de Huurcommissie de maatregelen die zij neemt om het werkproces waar mogelijk te versnellen, zoals het stroomlijnen van het intakeproces voor nieuwe verzoeken en het toepassen van schriftelijke uitspraken bij zaken waar geen twijfel over de uitkomst bestaat.
Ik zie erop toe dat de Huurcommissie door toepassing van het actieplan de achterstanden wegwerkt tot een reguliere werkvoorraad. In mei informeer ik uw Kamer met het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de werkzaamheden van de Huurcommissie in 2020. Daarnaast zal ik uw Kamer zoals eerder toegezegd vóór de zomer informeren over de voortgang van actieplan en het effect daarvan op de werkvoorraad van de Huurcommissie.
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet doorstroming huurmarkt tegemoet zien? Bent u bereid om de Wet zo aan te passen dat ongewenste excessen – zoals onder andere beschreven in het genoemde artikel – worden tegen gegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De antwoorden zijn zoveel als mogelijk separaat beantwoord. Om dubbelingen te voorkomen heb ik een aantal vragen geclusterd beantwoord.
Onnodig hoge subsidies voor Carbon Capture and Storage (CCS) en de lobby van de fossiele industrie |
|
Lammert van Raan (PvdD), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland ritselt in Brussel vergroeningssubsidie voor Shell»?1
Ja.
Beaamt u dat de plannen voor grootschalige afvang en opslag van CO2 ten behoeve van de zware industrieën bij de Rotterdamse haven aan het ministerie zijn aangereikt door de fossiele industrie, zoals bovengenoemd bericht stelt? Zo nee, op basis van welke input zet het ministerie in op grootschalige afvang en opslag van CO2 en sinds wanneer?
CO2-afvang en opslag (CCS) is een technologie waar al tientallen jaren lang onderzoek naar wordt gedaan en beleid op wordt gevoerd. Niet alleen vanuit Nederland, maar ook vanuit de EU. Al in 2009 is de Europese CCS-richtlijn opgesteld en zijn er eerder ook subsidies voor CCS-projecten beschikbaar gesteld vanuit de EU. Zo ook voor het Nederlandse ROAD-project in het Rotterdamse havengebied, waar CO2-afvang was voorzien bij de MPP3-kolencentrale op de Maasvlakte. In het huidige klimaatbeleid zal de CO2-afvang en opslag worden toegepast bij de energie-intensieve en zware industrie, waar het een relatief goedkope technologie is om de nationale klimaatopgave te behalen. Diverse Klimaatrapporten (o.a. IPCC) geven aan dat CCS een noodzakelijke technologie is voor het behalen van de klimaatdoelen en uiteindelijk ook om negatieve emissies te realiseren. De plannen voor CCS zijn dan ook niet nieuw.
Toen in 2017 duidelijk werd dat de initiatiefnemers van het CCS-project ROAD de plannen voor dit project niet wilden doorzetten, is op initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam destijds bekeken of er voldoende interesse was vanuit de markt om op de uitgewerkte plannen en al uitgevoerde werkzaamheden van ROAD voort te bouwen. Hier is het Porthos-project uit ontstaan. Porthos vangt de CO2 af bij verschillende industriële bronnen in hetzelfde havengebied en zal deze opslaan in hetzelfde gasveld dat voor ROAD in beeld was. De plannen voor CCS in het Rotterdamse havengebied bestaan dus al langer, en zijn dan ook niet door de industrie aangereikt.
Klopt het dat de fossiele industrie de overheid heeft gevraagd om directe financiering van de overheid en een lobby bij de EU voor extra fondsen en gunstige regelgeving?
Nee, dat klopt niet. In het regeerakkoord is afgesproken dat de SDE++-regeling verbreed wordt en naast de stimulering van hernieuwbare energie ook CO2-reductiemaatregelen in o.a. de industrie zal bevatten, waaronder ook CCS. Naar aanleiding daarvan zijn gesprekken gevoerd met verschillende partijen om te onderzoeken op welke wijze de ondersteuning in de SDE++ het meest effectief en efficiënt kan worden vormgegeven. Het uitgangspunt hierbij is altijd geweest dat de technieken op basis van kostenefficiëntie met elkaar concurreren binnen de SDE++, zo ook CCS. In het Klimaatakkoord is vervolgens afgesproken dat CCS alleen via de SDE++ gesubsidieerd wordt en niet daarnaast ook op andere wijze. Industriële partijen hebben altijd aangegeven dat er wat hen betreft subsidie nodig is voor het afdekken van de onrendabele top voor maatregelen om CO2-uitstoot te verminderen. Middels de SDE++ wordt deze onrendabele top voor allerlei maatregelen overbrugd. Bij SDE++-subsidie is er overigens geen sprake van directe financiering van projecten. Die verantwoordelijkheid, en daarmee ook het risico, ligt bij de partij zelf.
Ook vanuit Europa zijn fondsen beschikbaar voor de ondersteuning van CCS projecten. Om aanspraak te maken op deze fondsen heeft de overheid haar steun uitgesproken voor een aantal van deze Nederlandse projecten door uit te spreken dat de ontwikkeling van CCS past in het Nederlandse klimaatbeleid.
Klopt het dat de fossiele industrie bovendien aan de overheid heeft verzocht om de aansprakelijkheid op zich te nemen voor transport en opslag van de energie, en bij voorkeur borg te staan voor significante risico’s als de verantwoordelijkheid van de CO2-opslag op lange termijn? Zo ja, op basis van welke argumenten vindt u deze eisen gerechtvaardigd?
Nee, dat is onjuist. In de reguliere contacten met de betrokken ondernemingen, waaronder staatsdeelnemingen, komen tal van onderwerpen aan bod. Ook de opslag van CO2 en de daaraan verbonden (wettelijke) aansprakelijkheden is onderwerp van gesprek. Onder de Mijnbouwwet en het ETS-systeem is de exploitant van het transportsysteem en de opslagvergunninghouder verantwoordelijk voor de CO2 die getransporteerd en opgeslagen wordt. Nadat het opslagveld gevuld is, wordt deze door de vergunninghouder afgesloten en gemonitord gedurende een periode van (in beginsel) 20 jaar. Daarna, en pas als genoegzaam is aangetoond dat de CO2 goed is opgeslagen, wordt de vergunning ingetrokken en gaat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie over op de staat. De voormalig vergunninghouder is verplicht te voorzien in de kosten voor het beheer gedurende een periode van 30 jaar en de staat kan kosten op de voormalig vergunninghouder verhalen indien er onzorgvuldig is gehandeld voorafgaand aan de intrekking van vergunning. Daarnaast gelden de aansprakelijkheidsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het kabinet ziet geen aanleiding om deze wettelijke bepalingen te wijzigen. De kosten kunnen worden ingeprijsd in het tarief dat de exploitant vraagt voor het transporteren en opslaan van de CO2, net zoals in andere projecten ook risico’s worden ingeprijsd.
Staat de overheid ook garant voor significante risico’s of lange termijn verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld getijdenenergie of geothermie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de getijdencentralen in Zeeland en hoe de Staat hiervoor garant zal staan, gezien de belofte aan de fossiele industrie?
Geothermie is een belangrijke bron van duurzame en schone energie, maar de techniek is relatief nieuw in ons land. Daarom wordt de Mijnbouwwet uitgebreid met een groot aantal bepalingen die specifiek gelden voor geothermie. Deskundigen constateren dat er op verreweg de meeste plaatsen in ons land geen of nauwelijks risico’s worden verwacht bij conventionele geothermie op een diepte tot rond de 4 kilometer, mits een passende voorzorg in acht wordt genomen. Deze voorzorg heeft ook betrekking op langere termijn risico’s die kunnen ontstaan doordat afgekoeld water wordt teruggebracht in de ondergrond. Wat betreft schade: in algemene zin is de aansprakelijkheid door mijnbouw geregeld tot 30 jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis, en daarnaast zijn er allerlei waarborgen die ervoor zorgen dat onverhoopte schade door geothermie altijd vergoed zal worden. In de context van uitbreiding van de Mijnbouwwet inzake geothermie zal ik nader ingaan op veiligheidsnormering, voorzorg en waarborgen rond schade.
De overheid staat niet garant voor significante risico’s of lange termijn verantwoordelijkheid voor getijdenenergie. Wat betreft de stand van zaken rondom het Getij Grevelingen project kan worden gemeld dat de ministers van IenW, LNV en EZK deskundigen hebben gevraagd een advies uit te brengen over de technische, juridische en financiële haalbaarheid van het project Getij Grevelingen. Over de uitkomsten en de te nemen vervolgstappen zijn Rijk en regio met elkaar in gesprek. Zodra hier meer duidelijkheid over is, zal dit met de Kamer gedeeld worden. Uitgangspunt blijft de waterkwaliteit en de natuur van de Grevelingen duurzaam te verbeteren. Wat betreft de stand van zaken rondom het Tidal Technology Center geldt dat het Rijk en de regio met elkaar in overleg zijn over de vervolgstappen.
Beaamt u dat ambtenaren van de Staat aan de fossiele industrie hebben gesuggereerd om te doen alsof de CO2-opslagambities aan de hoge kant zijn, maar dat de industrie akkoord zal gaan vanwege de noodzaak om de Nederlandse klimaatdoelstellingen te behalen? Zo ja, vindt u dit soort afspraken passen bij een onafhankelijke overheid?
Ambtenaren van mijn departement hebben dat niet gesuggereerd. In het regeerakkoord van 2017 staat een indicatieve tabel van PBL voor het 49% klimaatdoel met daarin een totaal opslagvolume van 20 Mton per jaar. Door verschillende partijen uit het bedrijfsleven is toen gereageerd dat dit aan de hoge kant is. EZK heeft aangegeven dat de industrie duidelijk moet zijn of zij CCS als techniek nodig hebben om hun reductiedoelstelling te bereiken en in welke mate. In het klimaatakkoord is uiteindelijk een plafond afgesproken van 10 Mton gesubsidieerde CCS per jaar. Dit werd door de sector als ambitieus, maar haalbaar en noodzakelijk voor het klimaatdoel geacht.
Klopt het dat het niet meenemen van de nationale CO2-heffing niet dient om de onrendabele top van projecten te verkleinen, maar dat dit wel het (neven)effect is? Zo ja, hoe groot is dit (neven)effect op de marktprijs van CCS, op de subsidiehoogte en op de kostprijs van CCS?
Het klopt dat de CO2-heffing niet dient om de onrendabele top van projecten te verkleinen. De CO2-heffing dient als stok achter de deur voor de reductieopgave van de industrie uit het Klimaatakkoord. De CO2-heffing gaat uit van een hoger reductiedoel voor te vermijden emissies dan het ETS. Hiermee worden de potentiële kosten voor deze emissies verhoogd, zeker in verhouding tot de kosten voor dezelfde emissies in andere landen, die naast het ETS geen nationale heffing voor de industrie hanteren. De heffing stimuleert bedrijven om in Nederland te investeren in reductiemaatregelen om deze additionele potentiële kosten te ontlopen. De SDE++ zorgt daarnaast als wortel voor een verlaging van de onrendabele top van deze investeringen ten opzichte van fossiele varianten. Deze beleidsmix van wortel en stok zorgt ervoor dat de industrie de reductie-opgave realiseert, terwijl het risico op weglek zoveel mogelijk wordt beperkt.
Beaamt u dat het (neven)effect duidelijk wordt wanneer de volgende twee scenario’s met elkaar worden vergeleken voor een Europese emissiehandelssysteem (ETS) gerechtigd bedrijf dat minder efficiënt produceert dan verglijkbare bedrijven in Europa, met als aanname dat de ETS-prijs 40 euro per ton is in 2030 en de nationale CO2-heffing oploopt tot 125 euro per ton? A.) In scenario A doet het bedrijf niets. De uitstoot boven de Europese benchmark kost 40 euro per ton (ETS) + 85 euro per ton (CO2-heffing) = 125 euro per ton CO2. B.) In scenario B installeert het bedrijf een CCS-installatie ter grootte van de uitstoot boven de Europese benchmark. Op deze CCS-installatie kan het bedrijf in 2021 100 euro per ton Stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE) aanvragen, bestaande uit 60 euro per ton overheidsbijdrage (die als SDE wordt uitgekeerd) en 40 euro per ton marktwaarde CO2 (alleen gebaseerd op de ETS-prijs). In dit scenario is de wortel voor dit bedrijf dus 60 euro per ton (SDE) plus de stok voor dit bedrijf het niet hoeven betalen van 125 euro per ton (vermeden CO2-taks in 2030) = 185 euro per ton. Beaamt u dat de 125 euro per ton die de Minister een stok in scenario A noemt, in scenario B ervoor zorgt dat de wortel enorm wordt?
Nee, zoals in het antwoord op vraag 7 beschreven is de CO2-heffing de stok die borgt dat het bedrijf investeert in het reduceren van nationaal te vermijden emissies ten opzichte van het ETS. De wetenschap dat bij niet reduceren de vermijdbare emissies beboet worden dient bedrijven aan te zetten tot reductiemaatregelen. De wortel maakt deze investeringen aantrekkelijker doordat het bedrijf met de SDE++ deze reductiemaatregelen kostenneutraal kan doen ten opzichte van de fossiele variant. De beperkte en tijdelijke beschikbaarheid van deze SDE++ middelen stimuleert het bedrijf om de beslissing tot reductie op tijd te nemen en de heffing voor te blijven.
Kunt u uitleggen hoe hoog de echte kostprijs is van CCS? Klopt het dat de echte kostprijs van een CCS-installatie hoger ligt dan de huidige aangenomen kostprijs in het SDE-model, aangezien sommige vermeden kosten niet zijn meegenomen in de SDE-berekeningen, zoals de nationale CO2-heffing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt de subsidie-intensiteit van CCS dan zo laag ingeschat in de SDE-berekeningen? Of klopt het dat de daadwerkelijk kostprijs inderdaad zo laag is en kan hiermee gesteld worden dat de CCS dus over-gesubsidieerd is?
De kostprijs van CCS zal voor elk CCS-project uniek zijn. Tevens zal het (bijvoorbeeld) afhankelijk zijn of het een bestaande of nieuw te bouwen installatie betreft. PBL geeft in haar advies in het kader van de SDE++ 2020 ronde middels de door haar berekende basisbedragen een inschatting van deze kostprijs voor verschillende CCS-subcategorieën. Daarbij is door PBL uitgegaan van de meest kosteneffectieve oplossing. Voor minder effectieve projecten kan de kostprijs dan ook hoger liggen dan de door PBL berekende basisbedragen. Daarbij geldt dat in de SDE++ verschillende technieken met elkaar concurreren om subsidie en zo de kosteneffectiviteit bevorderen. Tenslotte zal in de SDE++ bij onder andere de categorieën CCS een overstimuleringstoets plaatsvinden om eventuele overwinsten te corrigeren.
Voor wat betreft de nationale CO2-heffing verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 7 en 8.
Beaamt u dat het niet meerekenen van de nationale CO2-heffing in de SDE-subsidie zeer voordelig is voor bedrijven, gezien uw antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren2, dat de nationale CO2-heffing een sterke prikkel is om CCS-projecten te realiseren, omdat hiermee de nationale heffing niet betaald hoeft te worden? Zo ja, hoe vergelijkt u deze uitspraak met uw opmerking dat de nationale CO2-heffing niet leidt tot overstimulering van CCS?
De CO2-heffing is ingesteld om de doelen uit het Klimaatakkoord te realiseren en niet om bedrijven voor de heffing te laten betalen. De opbrengsten van de heffing zijn daarom ook op 0 geraamd. Indien bedrijven aangezet worden om op tijd voldoende emissies te reduceren en daarmee de heffing ontlopen, is de heffing succesvol. Voor sommige bedrijven zal CCS een aantrekkelijke reductiemethode zijn om de heffing voor te blijven, terwijl voor andere bedrijven andere reductiemaatregelen zoals elektrificatie aantrekkelijker zullen zijn. Om ervoor te zorgen dat CCS andere reductiemaatregelen in de SDE++ niet verdringt, gelden er begrenzingen zoals een plafond en de «zeef» in de SDE++. Tenslotte zal in de SDE++ bij onder andere de categorieën CCS een overstimuleringstoets plaatsvinden om eventuele overwinsten te corrigeren.
Beaamt u dat het Trinomics review over de SDE++ methodiek, dat stelt dat «Het toevoegen van de heterogene technieken waarbij een laag volume aan projecten wordt verwacht mogelijk een negatieve impact heeft op de efficiëntie van de SDE++. De kans op oversubsidiëring binnen deze technieken is groter dan in die van andere technieken net als de kans dat de subsidiehoogte juist té laag is voor de meeste projecten om aan te bieden» tegenstrijdig is met uw antwoord dat SDE++ een geschikt instrument is voor grootschalig uitrol van CO2-reducerende technieken?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om SDE++ te herzien en per wanneer?
Nee, de SDE++ is nog steeds een geschikt instrument voor grootschalige uitrol van CO2-reducerende technieken. Dat is ook de conclusie van de review van Trinomics. Wel brengt dit nieuwe uitdagingen met zich mee. Bij de heterogene technieken heb ik daarom onder andere PBL verzocht om in eerste instantie uit te gaan van kosteneffectieve projecten, om oversubsidiëring tegen te gaan. Ook wordt eventuele oversubsidiëring achteraf gecorrigeerd worden middels de al eerder genoemde overstimuleringstoets. In de SDE++ 2021 ronde, op basis van een marktconsultatie en advies van PBL, ben ik voornemens om een aantal subcategorieën toe te voegen om recht te doen aan de diversiteit van projecten in de markt, zoals ik heb beschreven in de Kamerbrief van 22 februari jl. (Kamerstuk 31 238, nr. 329). Eventuele verfijning en eventuele verbeterpunten verwacht ik ook voor de SDE++ 2022.
Beaamt u dat CO2-opslag ook voortdurend energie kost, omdat er continu druk op de opgeslagen CO2 moet staan en meestal aardgas wordt gebruikt als drukgas? Zo ja, hoeveel energie en aardgas kost het om CO2 onder druk op te slaan en is deze energievraag meegenomen in de ketenemissies en vervolgens de rangorde?
De opslag van CO2 vraagt inderdaad energie om de benodigde druk in het transportsysteem op te bouwen. Dit gebeurt met behulp van een compressor. Binnen de SDE++ concurreren verschillende technieken met elkaar op basis van de benodigde subsidie per vermeden ton CO2. In de rangorde wordt rekening gehouden met de directe emissies (scope 1) en indirecte emissies in de elektriciteitssector (scope 2) bij de verschillende technieken. Deze directe en indirecte emissies (scope 1 en 2) worden op dit moment al zo goed als mogelijk meegenomen in de bepaling van de rangschikking. Voor CCS geldt daarbij wel dat de uitstoot door het gebruik van energie in het transportnetwerk voor eventuele additionele compressie en injectie van CO2 in het lege gasveld niet wordt meegenomen. Deze wordt door PBL op hooguit 2% geschat. Overige emissies in de keten (scope 3) worden niet meegenomen omdat dit zeer uiteenlopende, project-specifieke emissies zijn, die niet kunnen worden berekend in een generiek instrument als de SDE++.
Klopt het dat ketenemissies niet worden meegenomen in de SDE-berekeningen? Zo ja, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Beaamt u dat er grote verschillen zitten tussen het PBL-conceptadvies van de SDE++ in 2021 en het eindadvies, en dat windenergie en zon-op-dak in het conceptadvies hoger in de rangschikking stonden dan CCS, met -43 euro per ton CO2 voor windenergie, 24 euro per ton CO2 voor zon-op-dak en 39 euro per ton CO2 voor CCS, maar dat CCS in het eindadvies hoger is komen te staan, met 22 euro per ton CO2 voor CCS, 38 euro per ton CO2 voor windenergie en 91 euro per ton CO2 voor zon-op dak? Hoe kan het dat de verschillen tussen concept en eindadvies zo groot zijn?
Ja. De concept- en eindadviezen van PBL kunnen aanzienlijk verschillen. Redenen hiervoor zijn dat er op basis van de marktconsultatie nieuwe inzichten ten aanzien van de investerings- en exploitatiekosten kunnen ontstaan. Ook verschijnt het conceptadvies bijna een jaar eerder dan het eindadvies, en voordat de nieuwste Klimaat- en Energieverkenning (KEV) beschikbaar is. Daardoor worden de aannames voor de emissiefactor en energieprijzen in het conceptadvies gebaseerd op een oudere uitgave van de KEV dan in het eindadvies.
Beaamt u dat subsidies voor zonne- en windenergie door zeer veel verschillende partijen (meer dan 4.000 in de afgelopen ronde) worden aangevraagd in vergelijking met enkele bedrijven, die subsidie voor CCS projecten hebben aangevraagd?
Ja, hoewel dit bij zonne-energie veel meer het geval is dan bij windenergie.
Beaamt u dat zeven partijen voor CCS niet voor voldoende marktwerking zorgen om tot een zo laag mogelijke prijs te komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat wanneer een zonne- of windproject niet door gaat, dit niet resulteert in het tijdelijk niet kunnen uitgeven van 2,1 miljard euro, zoals wel het geval zou zijn mochten de huidige CCS-projecten geen doorgang vinden, gezien het hierbij gaat om enkele partijen?
Voor alle projecten zullen eventuele vrijgevallen middelen opnieuw moeten worden ingezet en wordt bij het bepalen van het openstellingsbudget rekening gehouden met het feit dat een deel van de projecten niet door zal gaan of minder CO2-reductie zal realiseren.
Hoeveel zonne- en windenergie had er in de vijf jaar tijd, die een bedrijf heeft voor het realiseren van een CCS-installatie, kunnen komen voor de 2,1 miljard euro CCS subsidie, gezien zonne- en windenergie sneller zijn uitgerold en eerder beginnen met CO2-besparen?
Zie antwoord vraag 17.
Loopt Nederland niet een veel groter risico om het klimaatdoel niet te halen wanneer er ingezet wordt op CCS, bijvoorbeeld als de kosteninschatting toch niet juist blijkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Als Nederland niet inzet op CCS loopt Nederland een groot risico om de klimaatdoelen niet te halen. In het Klimaatakkoord is rekening gehouden met 7,2 Mton CCS, omdat dit volgens het PBL past binnen het kostenefficiente reductiepad van de industrie. M.a.w. andere maatregelen nemen is voor de industrie veel duurder. In de berekende kosten van CCS zoals opgenomen in het basisbedrag in de SDE++ zitten enkele risico-opslagen. De verwachting is dat bij succesvolle uitrol van projecten de daadwerkelijke kosten lager kunnen uitvallen. Voordat bedrijven een aanvraag indienen voor SDE++ subsidie, zullen zij uitgebreide technische studies hebben uitgevoerd om de kosten goed in beeld te hebben. Ook is het een vereiste bij de aanvraag voor SDE++ subsidie om een goed onderbouwde en sluitende business case in te dienen. Hiermee wordt bekeken of het project haalbaar is. Indien blijkt dat CCS toch te duur is voor bedrijven, zullen zij geen subsidie aanvragen voor CCS maar andere maatregelen nemen omdat deze goedkoper zijn.
Het bericht ‘Dubieuze investeringen van Nederlandse pensioenuitvoerders in Myanmar’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dubieuze investeringen van Nederlandse pensioenuitvoerders in Myanmar»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het zeer ongewenst is dat het regime in Myanmar wordt ondersteund met Nederlands pensioengeld?
Het kabinet adviseert bedrijven om geen zaken te doen met commerciële bedrijven en entiteiten die direct of indirect worden gecontroleerd door het leger van Myanmar (Tatmadaw). Dit advies geldt ook voor pensioenfondsen en hun investeringen in multinationale ondernemingen. Bedrijven dienen daarbij ook rekening te houden met het EU-sanctieregime ten aanzien van Myanmar, waaronder op 19 april jl. twee economische entiteiten en op 21 juni jl. drie economische entiteiten op de sanctielijst zijn geplaatst. Door de militaire coup van 1 februari 2021 zijn de risico's van zakendoen in Myanmar nog verder vergroot.
Met inachtneming van bovenstaand advies blijven pensioenfondsen nog altijd zelf verantwoordelijk voor hun beleggingskeuzes. Overigens dient een pensioenfonds in het beleggingsbeleid rekening te houden met de voorkeuren van de deelnemers. Voor de manieren waarop pensioenfondsen voorkeuren van deelnemers meewegen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 8.
Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen verantwoord is. Daarom heeft het kabinet samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB)-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het IMVB-convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) in het beleid van pensioenfondsen en implementatie in de uitvoering. Binnen dit convenant prioriteert een pensioenfonds thema’s op basis van risico-inschatting voortkomende uit gepaste zorgvuldigheid (due diligence) en deelnemersraadpleging.
Bij het zakendoen in de regio van Myanmar is een grondige toepassing van gepaste zorgvuldigheid in lijn met de eerdergenoemde OESO-richtlijnen en UNGP’s noodzakelijk om na te gaan of er activiteiten, en met wie, in Myanmar uitgevoerd worden. Dat vereist ook oplettendheid als men investeert in niet in Myanmar gevestigde buitenlandse ondernemingen, omdat ook zij in Myanmar actief kunnen zijn.
Kunt u zich erin vinden dat het voor veel pensioendeelnemers enorm wrang is om te zien dat hun geld wordt geïnvesteerd in bedrijven die ondemocratische en mensonterende doelen ondersteunen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het überhaupt mogelijk voor pensioenfondsen om in bedrijven te investeren in de regio van Myanmar en daarbij de bedrijven die gelieerd zijn aan de Myanmarese legertop te vermijden? Of betekent dit dat pensioenfondsen volledig moeten afzien van investeringen in deze bedrijven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat de inspanningen van de pensioenfondsen om te voorkomen dat met Nederlands pensioengeld het buitenlands regime wordt ondersteund ernstig tekortschieten?
De overheid werkt productief samen met de pensioensector in het IMVB-convenant om het proces van gepaste zorgvuldigheid, conform OESO-richtlijnen, opgenomen te krijgen in het beleggingsbeleid en geïmplementeerd te laten worden in de beleggingspraktijk van de pensioenfondsen.
De in het IMVB-convenant opgenomen OESO-richtlijnen schrijven onder andere voor dat een pensioenfonds in eerste instantie zijn invloed aan moet wenden om risico’s voor mens en milieu te voorkomen en aan te pakken. Hierbij kunnen onder andere engagement activiteiten een rol spelen, dat wil zeggen, een dialoog met de onderneming over de geconstateerde risico’s en hoe deze aan te pakken. Als dit geen verbetering oplevert dan is desinvesteren en het beëindigen van de relatie, tussen pensioenfonds en het bedrijf waarin wordt belegd, een uiterste maatregel. Daarna is het immers niet langer mogelijk om het bedrijf en zijn gedrag in gunstige zin te beïnvloeden. Het is de verantwoordelijkheid van pensioenfondsen om rekenschap te geven over de uitkomsten van deze dialoog.
Een positief voorbeeld van engagement door Nederlandse pensioenfondsen vond plaats met betrekking tot het bedrijf Mylan. Toen bekend werd dat pensioenfondsen hier beleggingen in hadden, heeft uw Kamer hierover haar zorgen geuit. Mylan leverde middelen die in bepaalde gevallen in de Verenigde Staten gebruikt werden bij het uitvoeren van de doodstraf. Verschillende beleggers, waaronder de Nederlandse pensioenfondsen, hebben een dialoog gevoerd om Mylan te bewegen zijn distributiesysteem zodanig aan te passen dat gebruik voor de doodstraf wordt uitgesloten. Daarnaast waren er beleggers die hun investeringen in Mylan geheel of deels van de hand deden. Het resultaat van deze gezamenlijke beïnvloeding is dat Mylan nu niet langer doodstraf-medicatie levert aan de Amerikaanse overheid.
Het aangehaalde bericht in de Volkskrant van 30 maart j.l. geeft aan dat enkele pensioenfondsen investeren in ondernemingen buiten Myanmar, die zaken doen met bedrijven of entiteiten die onder controle staan van het leger van Myanmar. Als deze pensioenfondsen het eerdergenoemde kabinetsadvies, om geen zaken te doen met bedrijven die worden gecontroleerd door het leger van Myanmar, willen opvolgen en gepaste zorgvuldigheid willen toepassen, dan zou dat verdere inspanning van hen vergen. De betrokken pensioenfondsen hebben laten weten dat enkele bedrijven, waar aan wordt gerefereerd in het krantenbericht, zich inmiddels hebben terug getrokken uit Myanmar of daartoe stappen hebben ondernomen.
In het kader van het IMVB-convenant zijn de overheid en pensioenfondsen doorlopend met elkaar in gesprek over de gepleegde inspanningen op gepaste zorgvuldigheid. Het kabinet is bereid om de pensioenfondsen binnen dit verband ook specifiek te wijzen op het blijvende belang van het genoemde kabinetsadvies en de uitwerking er van.
Bent u bereid de pensioenuitvoerders hierop aan te spreken en hen ertoe aan te zetten zich terug te trekken uit financieringsstromen die het legerregime in Myanmar op enige manier zouden kunnen ondersteunen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat deze casus onderstreept dat democratisering van de pensioenfondsen, waardoor deelnemers inspraak krijgen in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, wenselijk is?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Deelnemers hebben inspraak in het collectieve beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Bij een paritair bestuursmodel worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur. Daarnaast worden de vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden in het verantwoordingsorgaan verkozen. Via deze vertegenwoordiging wordt de inspraak van deelnemers (werknemers en pensioengerechtigden) vormgegeven. Verder is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het gevoerde beleggingsbeleid en de bestuurskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag. Uit overleg met de Pensioenfederatie hierover blijkt dat in zijn algemeenheid pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de vormgeving van het collectieve beleggingsbeleid. Dit doen zij onder meer door het uitzetten van enquêtes naar beleggingsvoorkeuren.
Bij pensioenopbouw in een zogenaamde Wvp-regeling zijn er mogelijkheden voor deelnemers om meer direct invloed uit te oefenen op de manier waarop hun individuele pensioenvermogen belegd wordt. Het staat de werkgevers- en werknemers(vertegenwoordigers) vrij om te kiezen voor een Wvp-regeling. Bij dat type pensioenregelingen zijn er pensioenuitvoerders die individuele deelnemers, onder voorwaarden, de keuze bieden in welke beleggingscategorieën en/of -fondsen hun pensioenvermogen belegd wordt.
Op welke manier zou op korte termijn inspraak van deelnemers in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen kunnen worden vormgegeven? Staat u ervoor open hiertoe stappen te ondernemen?
Zie antwoord vraag 7.
De enorme ambities van Vermillion |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat Vermillion een winningsplan heeft ingediend bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waarmee het 11,5 miljard kuub extra gas uit de grond wil halen onder Burgum? Wat is uw reactie op dit enorme volume?1
Ja, het klopt dat Vermilion een winningsplan heeft ingediend voor het winnen van gas uit de ondergrond onder het gebied waar Burgum ligt. In het winningsplan beschrijft Vermilion alle mogelijkheden die zij nog zien ten aanzien van gaswinning in het gebied. Dit is conform de wens van decentrale overheden die graag een overall beeld hebben van de mogelijke ontwikkelingen in hun gebied. Het winningsplan zit nog in de eerste fase van de procedure waarin ik advies vraag aan de wettelijk adviseurs. Pas daarna maak ik mijn afweging over deze aanvraag. Het ontwerpinstemmingsbesluit zal mijn reactie op het volume bevatten.
Bent u het met mij eens dat een dergelijk winningsplan niet past in een transitie naar duurzame energie? Welk gevolg zou dit hebben voor het behalen van het Klimaatakkoord? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dat ben ik niet met u eens. In de transitie naar duurzame energie moet Nederland overstappen op duurzame energievormen. In de Nederlandse Klimaatwet is vastgelegd dat we in 2030 49% minder broeikasgassen moeten uitstoten ten opzichte van 1990 en in 2050 95% minder. Zolang er nog fossiele energie nodig is, geeft in Nederland geproduceerd gas van alle fossiele energiebronnen de minste CO2-uitstoot. In 2020 heeft Nederland nog ruim 39 miljard kubieke meter aardgas verbruikt. Dat komt overeen met meer dan 40% van het primaire energieverbruik. Aardgas is nu en in de komende decennia nog nodig voor de productie van elektriciteit, de levering van warmte aan de industrie, de gebouwde omgeving en de glastuinbouw en blijft noodzakelijk als grondstof. In de brief van mijn voorganger aan de Tweede Kamer van 30 mei 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 469) over gaswinning uit de kleine velden en de energietransitie, legt het kabinet de prioriteit bij een zo snel mogelijke overgang naar duurzame energie maar benadrukt tevens het belang van de winning van aardgas. Mijn voorganger heeft dit laatstelijk herbevestigd in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2020 (Kamerstuk 32 813, nr. 486).
Wanneer neemt u het besluit over dit winningsplan? Op basis waarvan neemt u dit besluit? Welke afwegingen neemt u daarin mee?
Conform het zorgvuldigheidsbeginsel vergaar ik eerst alle relevante feiten en belangen om die vervolgens af te kunnen wegen in mijn besluit. Om die reden neem ik pas een besluit over dit winningsplan nadat ik alle wettelijke adviseurs in de gelegenheid heb gesteld om advies uit te brengen. Het ontwerpbesluit zal daarom nog minimaal twee maanden op zich laten wachten.
Een instemmingsbesluit op een winningsplan wordt genomen op grond van het toetsingskader zoals dat is opgenomen in artikel 36 van de Mijnbouwwet. De door mij te maken afwegingen zijn kortweg; veiligheid voor omwonenden, schade aan gebouwen of infrastructuur of de functionaliteit daarvan, planmatig gebruik van de ondergrond, en nadelige effecten voor natuur en milieu.
Bent u het met de gemeentes eens, dat deze plannen leiden tot verdere bodemdaling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, komt er een fonds waaruit eventuele schade vergoed gaat worden?
Gaswinning leidt tot bodemdaling. De mate waarin en de effecten die dat heeft op het gebied zijn onderdeel van de afweging in het besluit tot instemming. Ik heb die afweging nog niet gemaakt.
In het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat mijnbouwbedrijven risicoaansprakelijk zijn voor schade die ontstaat door bodemdaling als gevolg van mijnbouwactiviteiten. In het geval dat de schade pas aan het licht komt na sluiting van het mijnbouwwerk, is de laatste exploitant aansprakelijk. Bij een bedrijfsovername gaat de aansprakelijkheid over naar de rechtsopvolger. Voor de mogelijkheid om vorderingen in te stellen voor vergoeding van schade door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten is in het Burgerlijk Wetboek een verjaringstermijn opgenomen van 30 jaar na beëindiging van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voor het geval dat de exploitant van het mijnbouwwerk of de rechtsopvolger betalingsproblemen heeft, failliet is verklaard of niet meer bestaat, heeft de rijksoverheid een Waarborgfonds Mijnbouwschade opgericht. Dit fonds is bedoeld als vangnet voor woningeigenaren die schade hebben door mijnbouw, maar dit niet meer op de exploitant van het mijnbouwwerk of de rechtsopvolger meer kunnen verhalen. Bij een verzoek tot schadevergoeding neemt de Minister van Economische Zaken en Klimaat een besluit op basis van een onafhankelijk advies van de Technische Commissie Bodembeweging.
Is er een plan hoe omwonenden met schade door de bodemdaling gecompenseerd gaan worden? Zo ja, wilt u dat delen met de Kamer? Zo nee, wanneer komt dat plan?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 4 zijn mijnbouwondernemingen risicoaansprakelijk voor schade door bodemdaling als gevolg van gaswinning. Sinds 1 juli 2020 kunnen woningeigenaren en kleine bedrijven die mogelijk schade hebben door bodemdaling als gevolg van gaswinning dit melden bij de Commissie Mijnbouwschade. De Commissie Mijnbouwschade ontzorgt schademelders door onafhankelijk onderzoek te doen naar de omvang van de schade en of de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg de mijnbouwactiviteit. De Commissie Mijnbouwschade neemt daarmee in feite de bewijslast over. Het advies van de Commissie Mijnbouwschade is bindend voor mijnbouwondernemingen, maar niet voor schademelders. Dit betekent dat het schademelders vrij staat om zich na een advies van de Commissie Mijnbouwschade met een vordering tot schadevergoeding tot de burgerlijk rechter te wenden.
Deelt u de mening dat wanneer deze plannen doorgaan, het bewijsvermoeden op zijn minst ook hier moet gaan gelden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het belangrijk dat mijnbouwschade op eenvoudige en laagdrempelige wijze kan worden verhaald en dat de afhandeling van schade als rechtvaardig en bevredigend wordt ervaren. Daarom heb ik een onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade ingesteld, die woningeigenaren en kleine bedrijven met mogelijke schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning ontzorgt. Ik ben geen voorstander van het invoeren van een wettelijk bewijsvermoeden voor gaswinning uit kleine velden zoals de winning onder Burgum, omdat dit een vergaande maatregel is die diep ingrijpt op de gewone regels van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het invoeren van een dergelijke vergaande maatregel is voldoende rechtvaardiging nodig. Voor Groningen is er sprake van voldoende rechtvaardiging vanwege het grote aantal soortgelijke meldingen van fysieke schade aan gebouwen en werken in korte tijd. Voor de rest van Nederland ontbreekt deze rechtvaardiging. Daarvoor verschilt het schadebeeld te veel van dat in Groningen.
Waarom zijn deze plannen tot nu toe niet openbaar geweest?
Conform de Mijnbouwwet en de destijds uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer, volg ik bij de voorbereiding van een besluit over instemming met een winningsplan de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Op grond van die wet leg ik de aanvraag met alle daarop betrekking hebbende stukken, zoals de ontvangen adviezen, ter inzage gelijktijdig met het ontwerpbesluit. Deze werkwijze draagt eraan bij dat ik als bevoegd gezag voor mijnbouwvergunningen, kan komen tot een zorgvuldige voorbereiding en besluitvorming waarin de feiten en belangen objectief gewogen kunnen worden.
Staat er in de plannen ook iets over fracking? Is u bekend of dit gaat plaatsvinden?
In het winningsplan beschrijft Vermilion alle mogelijkheden die zij nog zien ten aanzien van gaswinning in het gebied. Fracking is een van de beschreven mogelijk toe te passen technieken. Zoals in het voorgaande antwoorden beschreven, is hetgeen er wel of niet kan plaatsvinden onderdeel van de afweging in het besluit tot instemming. Ik heb die afweging nog niet gemaakt. Het is dan ook nog niet bekend of fracking zal gaan plaatsvinden.
Overigens hecht ik eraan te benadrukken dat het incidentele fracken als stimuleringstechniek al sinds de jaren ’50 wordt toegepast in Nederland. Er zijn sindsdien bijna 350 fracks gezet en uit onderzoek van Staatstoezicht op de Mijnen (2016) en TNO (2018) blijkt dat de techniek veilig wordt uitgevoerd en er geen gevolgen voor natuur en milieu bekend zijn.
De problemen met het nieuwe energielabel |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Radar over het nieuwe energielabel?1
Ja.
Wat is uw reactie op de kritiek dat de invoering van het nieuwe energielabel onzorgvuldig was en er forse problemen zijn ontstaan in wachtlijsten en oplopende kosten? Kun u op alle afzonderlijke kritiekpunten van de Vereniging Eigen Huis ingaan?
Aan de invoering van de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen, NTA 8800, en het nieuwe energielabel op 1 januari 2021 is een zorgvuldig proces voorafgegaan van meerdere jaren waarbij alle relevante marktpartijen betrokken zijn geweest en waar meerdere malen breed over is gecommuniceerd. Ik deel dan ook niet de mening van Vereniging Eigen Huis dat de invoering onzorgvuldig en te snel is geweest. Dat er knelpunten zijn, heb ik erkend en heb ik met uw Kamer besproken in het vragenuur van 2 februari jl.
Ondanks alle voorbereidingen en communicatie is het aantal vakbekwame adviseurs achtergebleven op de verwachting die er vanuit de sector in zomer van 2020 was. Ik heb de markt de afgelopen jaren zoveel als mogelijk duidelijkheid over de inwerkingtreding op 1 januari 2021 gegeven. Echter er werd veel onzekerheid in de markt ervaren omtrent de inwerkingtredingsdatum van het nieuwe energielabel door het politieke debat en onder meer het amendement over het digitaal aanvragen van het energielabel. Daarnaast hebben door de corona lockdown in de periode van 16 december 2020 tot 1 maart 2021 minder examens plaats gevonden dan eerder gepland. Daardoor is er – ondanks de eind 2020 ingevoerde overgangsregeling, die zag op de vakbekwaamheid voor energieadviseurs en het aanbieden van online thuisexaminering – nu een krapte aan adviseurs, wat we terugzien in hogere prijzen en langere doorlooptijden.
Om die reden heb ik begin februari extra maatregelen genomen. De overgangsregeling is uitgebreid, fysieke examens konden weer doorgang gaan vinden en de handhaving van de «advertentieplicht» is opgeschort.2 Dit laatste geeft de verkopende partij extra tijd om gedurende het verkoopproces het energielabel aan te vragen voor het moment van transactie. Ik heb begrepen dat dit de gewenste ruimte oplevert. Het blijft hierbij echter wel belangrijk dat de energieadviseur vroeg in het verkoopproces ingeschakeld wordt. Dit kan via www.centraalregistertechniek.nl/epadviseur of door gebruik te maken van vergelijkingsplatforms als www.woninglabel.nl en vanaf 1 mei a.s. www.energielabelvoormijnhuis.nl.
Waar was de aanname op gebaseerd dat er voldoende adviseurs beschikbaar waren?
In de zomer van 2020 was de verwachting van de sector dat er eind 2020 voldoende adviseurs beschikbaar zouden zijn, op basis van de groep voormalige adviseurs, nieuwe intreders en de capaciteit van opleiders en exameninstituten.3 In het antwoord op vraag 2 heb ik toegelicht dat het aantal adviseurs achter is gebleven op de verwachting en waarom dit zo is.
In mijn brief van 20 april jongstleden zet ik uiteen dat door de vele registraties in 2020 de vraag naar energielabels sinds begin dit jaar nog niet op «normaal niveau» ligt (het aantal registraties van energieprestatieberekeningen dat te verwachten is op basis van cijfers uit voorgaande jaren, aantallen woningtransacties en nieuwbouwproductie). Per 1 april waren er in totaal 900 energieadviseurs beschikbaar en dit kunnen er potentieel meer dan 1.700 worden, op basis van het aantal mensen dat actief is om hun vakbekwaamheid te behalen. De opleidingsinstituten constateren daarnaast een toenemende interesse voor de opleiding tot energieadviseurs, dit is een positieve ontwikkeling. Hiermee zal het aantal adviseurs de komende tijd blijven toenemen en zal dit voldoende moeten zijn om de vraag aan te kunnen voldoen wanneer deze op «normaal niveau» komt te liggen.
Waar was de aanname op gebaseerd dat het nieuwe energielabel voor een gemiddelde rijtjeswoning 190 euro zou kosten? Welke precieze adviezen en berekeningen van welke datum liggen hieraan ten grondslag?
Om een indicatie te geven van de te verwachten kosten heb ik uw Kamer in 2020 geïnformeerd over de uitkomsten van het SIRA onderzoek (2019)4, in dit onderzoek worden de kosten voor een eengezinswoning geschat rond de 190 euro en voor een appartement rond de 100 euro. Het is aan de markt om de uiteindelijke prijs van het energielabel te bepalen. Dit is afhankelijk van verschillende factoren waaronder de reistijd, het type woning, beschikbare documenten over de woning en de tijd die een energieadviseur nodig heeft om alle kenmerken van de woning op te nemen.
Naast de genoemde factoren is marktwerking een ander belangrijk aspect voor de uiteindelijke prijs. Voor een goede concurrentie in de markt, moet er een goed evenwicht bestaan tussen vraag en aanbod. Ik verwacht dat de komende maanden vraag en aanbod meer in evenwicht zal komen. Bovendien zal ik in gesprek blijven met de markt om waar mogelijk de prijs te drukken.
Heeft de branchevereniging van energieadviseurs (FedEC) eerder kenbaar gemaakt dat de gemiddelde kosten voor een consument hoger zouden zijn dan de 190 euro? Op welke momenten is uw ministerie hierover geïnformeerd?
FedEC heeft mijn departement er altijd over geïnformeerd dat ze een gemiddelde prijs verwachtten van 190 euro. Woninglabel.nl heeft eind maart hun bevindingen met BZK gedeeld, hierbij gaat het om een gemeten gemiddelde van 256 euro in februari voor een energielabel voor consumenten/particulieren.
Aan uw Kamer heb ik een monitoringsstudie toegezegd om een goed beeld te krijgen van de prijzen van alle energielabels (naast particulier bezit ook bijv. corporaties, en naast woningbouw ook utiliteitsbouw) en de ontwikkeling daarvan, over de eindconclusies informeer ik uw Kamer in de tweede helft van 2021.
Herinnert u zich dat het goed opmeten van een woning een belangrijke reden voor u was om verplicht te stellen dat een gecertificeerde adviseur de metingen verricht? Wat vindt u ervan dat de gecertificeerde adviseurs meetgegevens van funda en van vergelijkbare woningen hergebruiken?
Het goed opmeten van de geometrie van een woning is belangrijk omdat een kleine afwijking al veel impact heeft op de resultaten van de energieprestatieberekening in kWh/m2 per jaar. Dit is het resultaat van onderzoek van DGMR en MetrixLab (2019), al bij een afwijking van 15% in het opmeten van de gebruiksoppervlakte wijkt 31% tot 56% van de energielabels één labelklasse af.
Voor een opname van een woning mag een energieadviseur gebruik maken van (bouw)tekeningen en gegevens van installaties, al dan niet verstrekt door de opdrachtgever. In de beoordelingsrichtlijn (BRL 9500-W) staat daarbij in 4.3.3 de verplichting opgenomen dat deze vooraf verzamelde gegevens ter plaatse gecontroleerd moeten worden. Dit is de verantwoordelijkheid van de energieadviseur.
Ik kan niet oordelen of de adviseurs uit de Radar uitzending het opnameprotocol hierin gevolgd hebben, dat zal blijken uit een extra controle audit die voor deze woningen wordt uitgevoerd door de certificerende instelling. Ik zal uw Kamer voor de zomer over de uitkomsten informeren.
Het kwaliteitsborgingssysteem zit zo in elkaar dat bij constatering van een kritieke afwijking (BRL 9500-W 7.2.6.2) de fout hersteld moet worden en het energieprestatie-rapport opnieuw wordt geregistreerd en daarmee een nieuw label wordt gegenereerd. Als gevolg van een dergelijke constatering vindt binnen drie maanden en in het opvolgende jaar een extra projectcontrole plaats, als blijkt dat er geen aangetoonde verbeteringen zijn dan zal een schorsingsprocedure in werking treden.
Waarom kan een gecertificeerde adviseur wel bestaande meetgegevens kopiëren en een particuliere woningeigenaar niet?
Er is geen sprake van het kopiëren van gegevens door een vakbekwaam adviseur, zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u ervan dat ruim 80% van de door Radar ondervraagde mensen van mening is dat ze onnodig op kosten worden gejaagd?
In deze eerste maanden van de invoering van het nieuwe energielabel is de meerwaarde van het label en het belang voor verduurzaming in de gebouwde omgeving onderbelicht. Het nieuwe energielabel is een product met een grote toegevoegde waarde t.o.v. het voormalig vereenvoudigd energielabel (VEL). Voor het uitdrukken van het label in kWh/m2 per jaar komt een energieadviseur aan huis langs om de woning op te nemen. Hierdoor wordt nauwkeuriger bepaald hoe energiezuinig de woning is en wordt informatie verzameld over de isolatie en installaties van de woning. Al deze informatie is terug te zien op het afschrift van het nieuwe energielabel. Dit afschrift is dan ook uitgebreider en bevat daarnaast een indicatie van de energierekening en concrete verbetermogelijkheden voor verduurzaming. Hiermee draagt het nieuwe label zowel bij aan bewustwording als aan kennis over de verduurzamingsmogelijkheden. Ook zal de energieprestatie va de woning weergegeven op het label steeds vaker een rol gaan spelen bij financieringsmogelijkheden.
Wat is de stand van zaken van de aangenomen motie Koerhuis/Terpstra om de boetes voor het ontbreken van een energielabel tot 1 juli op te schorten?2
Zie hiervoor mijn brief van 20 april 2021.
Wat is de stand van zaken van het aangenomen amendement Koerhuis/Terpstra om digitale energielabels mogelijk te maken?3
Aan het amendement wordt nu uitvoering gegeven. De marktconsultatie is gestart en zal inzicht geven in de mogelijkheden om het nieuwe energielabel digitaal aan te vragen, naast de variant waarbij een energieadviseur aan huis komt. In mijn brief van 20 april 2021 geef ik een korte update.
Wat vindt u ervan dat de verwachte kwaliteitsverbetering door gecertificeerde adviseurs niet wordt waargemaakt? Bent u bereid te experimenteren met het gebruik van metingen, zodat de betrouwbaarheid sterk verbetert maar ook de kosten beheersbaar blijven?
De kwaliteit moet goed geborgd zijn, zodat gebouweigenaren, huurders en kopers kunnen vertrouwen op de kwaliteit van het energielabel. Hetgeen ik in de uitzending van het televisieprogramma Radar heb gezien, vind ik zorgelijk. Ik ga de sector hier dan ook nauwlettend op volgen en heb tevens op basis van de uitzending al een aantal acties ondernomen, deze noem ik in mijn brief van 20 april 2021. Voor innovatieve werkwijzen om de energieprestatie van een gebouw te bepalen wacht ik de uitkomsten van de marktconsultatie af.
Welke stappen neemt u om de forse kostenstijging onder controle te krijgen? Kunt u hierbij met prioriteit een nieuw digitaal energielabel beschikbaar stellen?
Door de krapte aan energieadviseurs zie ik dat de kosten hoger liggen dan verwacht. Ik heb de verwachting en het vertrouwen dat met het stijgen van het aantal vakbekwame adviseurs de uitschieters in de prijzen en doorlooptijden zullen afnemen. Mijn prioriteit ligt daarom bij het op peil krijgen van het aantal adviseurs, ongeacht of deze adviseurs aan huis komen of op afstand zijn (afhankelijk van de uitkomst van de marktconsultatie).
De marktconsultatie voor het digitaal aanvragen van het nieuwe energielabel wordt parallel uitgevoerd. Ik zal uw Kamer vóór de zomer over de uitkomsten informeren.
Het bericht ‘Nederland liep kans op miljoenen Oxford-vaccins mis’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nederland liep kans op miljoenen Oxford-vaccins mis»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel. En ik wil de context graag toelichten.
Ik herken mij niet in de titel van het bericht waaraan u refereert. Nederland is geen «Oxford» vaccins misgelopen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet unilateraal, maar in samenwerking grote hoeveelheden van meerdere vaccins in te kopen, waaronder het Oxford-vaccin. Namelijk via Advanced Purchase Agreement (APA) via de Europese Commissie (EC). Dit betekent dat we upfront de farmaceuten waar een APA mee is afgesloten al zijn gaan financieren ten behoeve van een divers portfolio. Nederland heeft daarbij samen met Duitsland, Frankrijk en Italië het initiatief genomen tot The Inclusive Vaccine Alliance (TIVA). Dit samenwerkingsverband ontstond in mei 2020, met een officiële aftrap op 3 juni 2020 en richtte zich op het verwerven van genoeg vaccins voor alle EU-lidstaten. In mijn brief van 3 juni 2020 heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd2. De door deze alliantie gevoerde gesprekken leidde op 13 juni 2020 tot afspraken met AstraZeneca over afname van het Oxford vaccin (300 mln dosis, met een meeroptie van 100 mln).
De inkoop van vaccins is daaropvolgend gezamenlijk vormgegeven met de Europese Commissie, en ook de andere EU-lidstaten, welke de door TIVA gemaakte afspraken heeft overgenomen. In mijn brief aan uw Kamer van 24 juni 2020 heb ik u daarover geïnformeerd3. Daarnaast zijn in de periode daarna ook met andere vaccin leveranciers inkoopafspraken gemaakt in EU verband, waarbij Nederland naar rato van het inwonertal een aandeel verkrijgt.
De gevolgde strategie heeft ertoe geleid dat het kabinet voor Nederland afspraken voor ruim 80 miljoen dosis van (kandidaat) COVID-19 vaccins heeft gemaakt. Er zijn verschillende vaccins ingekocht, zowel qua platformtechnologie als bij verschillende fabrikanten.
De samenwerking tussen AstraZeneca en de Oxford Universiteit omtrent het COVID-19 vaccin4 is op 30 april 2020 aangekondigd. AstraZeneca geeft in het persbericht aan dat zij verantwoordelijk zal zijn voor de ontwikkeling en wereldwijde productie en distributie van het vaccin. Het vaccin was in de periode voorafgaand aan de samenwerking ontwikkeld door het Jenner Institute en Oxford Vaccine Group, aan de Universiteit van Oxford.
Als laatste wil ik aangegeven dat Halix een Contract Manufactering Organisation (CMO) is. Een CMO is een bedrijf dat in opdracht van meestal een farmaceutisch bedrijf de werkzame stof maakt en/of de fill & finish verzorgt. Halix doet dit nu in opdracht van AstraZeneca. Halix maakt alleen de werkzame stof (drug substance). Dit is een van de vele stappen in de productieketen om te komen tot een vaccin dat geschikt is om door GGD, huisarts of ziekenhuis toe te dienen. Halix zelf maakt dus niet het vaccin-eindproduct.
Ik ben in de beantwoording van de Kamervragen die het Tweede Kamerlid Bergkamp (D66) over de vaccinproductie bij Halix en de relatie met de Nederlandse regering hier ook uitgebreid op ingegaan5.
Waarom is van deze feiten geen melding gedaan in de beantwoording op vragen van de leden Hijink en Van Gerven over het bericht «EU erkent: wel degelijk Nederlandse productie AstraZeneca-vaccin»?2
Het is mij niet duidelijk op welke feiten u doelt. Maar in de betreffende antwoorden op de door u genoemde vragen heb ik de context in het kort geschetst.
Hoe kan het dat het verzoek tot financiële steun kort na de gesprekken die de Rijksvoorlichtingsdienst in haar reactie noemt, niet meer nodig was?
Op 4 mei 2020 is door medewerkers van het Ministerie van VWS gesproken met Halix. In dit overleg is vastgesteld dat Halix, als CMO, zelf geen investeringsbehoefte had vanuit de Nederlandse regering. Dus een investering vanuit de Nederlandse overheid was in die zin niet nodig. Maar dat mogelijk het Oxford consortium nog wel openstond voor investeringen vanuit de Nederlandse overheid. Ter herinnering, het nieuws over de afspraken tussen AstraZeneca en de universiteit van Oxford, dat met haar kandidaat-vaccin net was gestart met de eerste testen op mensen, was toen een paar dagen oud. Halix heeft aangeboden Oxford te vragen om een concreet voorstel te doen. Dit voorstel is er niet gekomen. Contact met Halix op 28 mei 2020 bevestigde dat er geen voorstel meer zou komen vanuit Oxford.
Door de overeenkomst tussen universiteit van Oxford en AstraZeneca die eind april 2020 was afgesloten, was hier geen behoefte meer aan.
Zie verder tevens mijn beantwoording van vraag 1 over de opgestarte internationale samenwerking en gemaakte afspraken met AstraZeneca over levering van het Oxford vaccin.
Waarom heeft u het nagelaten om contact op te nemen met de Universiteit van Oxford, aangezien het verzoek daar vandaan kwam?
Er is gesproken met Halix en (in internationaal verband) met AstraZeneca over het Oxford vaccin. Er is verder geen concreet verzoek vanuit de Universiteit van Oxford aan de Nederlandse regering gedaan.
Klopt het dat Nederland over miljoenen vaccins meer had kunnen beschikken als deze investering wel was gedaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Zoals ik ook in de vragen van lid Bergkamp heb beantwoord heeft de Nederlandse regering voor een andere strategie gekozen om vaccins beschikbaar te krijgen voor de Nederlandse bevolking. De gevolgde strategie heeft ertoe geleid dat het kabinet voor Nederland ruim 80 miljoen dosis van (kandidaat) COVID-19 vaccins heeft ingekocht. Er zijn verschillende vaccins ingekocht, zowel qua platformtechnologie als bij verschillende fabrikanten. Het Oxford-vaccin is één van de ingekochte vaccins.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voorafgaand aan het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen van het coronavirus?
Dat is helaas niet gelukt. De eerdergenoemde Kamervragen zijn wel voor het debat van 15 april 2021 beantwoord.
Het bericht ‘Restaurants dicht door corona maar toch 500 Aziatische koks uit het buitenland gehaald’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad van afgelopen weekend?1
Ja.
Hoeveel gecombineerde vergunningen voor toelating en verblijf (GVVA) werden er in 2019 verleend en aan hoeveel ondernemingen? En hoeveel in 2020?
Onderstaande tabel2 bevat het aantal ingewilligde gvva aanvragen in 2019 en 20203. Dit betreft alle ingewilligde gvva aanvragen, inclusief de gvva aanvragen die ingewilligd zijn ten behoeve van de Aziatische Horeca. De cijfers zijn afgerond op tientallen.
De cijfers zijn onderverdeeld in eerste verlening, verlenging, wijziging beperking4 en de bezwaarprocedure5.
2.600
1.450
1.710
1.540
50
60
70
70
4.420
3.110
Bron Metis 2021
De onderneming waarbij een vreemdeling arbeid wil komen verrichten en waarvoor er aan de vreemdeling een gvva wordt verleend, betreft de referent. In 2019 werd er afgerond ten behoeve van 2.170 referenten een gvva-aanvraag ingewilligd. In 2020 werd er afgerond ten behoeve van 1.730 referenten een gvva-aanvraag ingewilligd6.
Voor de gvva-aanvragen die ingewilligd werden ten behoeve van de Aziatische Horeca, werd er in 2019 afgerond ten behoeve van 1.500 referenten een gvva-aanvraag ingewilligd en in 2020 afgerond ten behoeve van 1.160 referenten7.
Hoe vaak werd in 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 een werkvergunning afgegeven voor een kok in de Aziatische horeca?
Onderstaande tabel bevat het aantal ingewilligde gvva-aanvragen in 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 ten behoeve van de regeling Aziatische Horeca8. De cijfers zijn afgerond op tientallen.
Er zijn maar beperkt cijfers beschikbaar over 2016. Dit komt omdat de aanvragen betreffende de Aziatische Horeca pas sinds oktober 2016 apart geregistreerd worden bij de IND.
De cijfers zijn onderverdeeld in eerste verleningen, verlengingen, wijziging beperking9 en de bezwaarprocedure10.
90
940
1180
1570
730
250
860
490
1400
1200
<10
<10
<10
10
<10
<10
90
50
60
30
350
1900
1730
3040
1960
Bron Metis 2021
Hoe vaak werd in diezelfde jaren een werkvergunning ingetrokken, omdat niet langer aan de voorwaarden, waaronder betaald werk, werd voldaan?
Onderstaande tabel bevat het totaal aantal ingetrokken gvva’s ten behoeve van de Aziatische Horeca vanaf 2017 tot en met 2020. De cijfers zijn afgerond op tientallen.
De cijfers zien op intrekkingen van zowel eerste verleningen als verlengingen op grond van de regeling Aziatische Horeca.
2017
10
2018
90
2019
160
2020
210
Bron Metis Adhoc 2021
Er kunnen helaas geen cijfers worden geleverd die uitgesplitst zijn naar de reden van intrekking. Dit wordt namelijk niet apart geregistreerd in het systeem, waardoor deze informatie ook niet geautomatiseerd uit het systeem kan worden gehaald.
Zoals eerder ook aangegeven, worden aanvragen betreffende de Aziatische Horeca pas sinds eind 2016 apart geregistreerd bij de IND. In de loop van de jaren zijn er dus steeds meer vergunningen inclusief verlengingen apart (als «aanvraag Aziatische Horeca») in het systeem geregistreerd. De jaren 2017 en 2018 geven daarom nog geen volledig beeld van het aantal intrekkingen van vergunningen die verleend zijn op grond van de regeling. Vergunningen die verleend zijn voordat de Aziatische horeca als aparte categorie geregistreerd werd en vervolgens in 2017 of 2018 ingetrokken zijn, ontbreken namelijk in de cijfers.
Herinnert u zich de arbeidsmarktprognose 2021 van UWV, waarin een fors banenverlies in de horeca wordt verwacht? Welke signalen heeft u dat de Aziatische horecasector afwijkt van het algemene beeld en welke gevolgen heeft dit voor de verwachte werkgelegenheid in deze deelsector?2
Ik ben bekend met de arbeidsmarktprognose 2021. Hierin is opgenomen dat de horeca bij uitstek een sector is die hard geraakt wordt door de maatregelen in het kader van de coronacrisis. De sector is geconfronteerd met tijdelijke sluitingen en beperkingen rond het aantal toegestane gasten. Zo is te lezen dat het aantal banen in de horeca tussen 2019 en 2021 naar verwachting afneemt met 59.000.
Uit de arbeidsmarktprognose blijkt echter ook dat restaurants vaak open zijn gebleven voor afhalen en bezorgen en dat het de verwachting is dat in 2021 het aantal gewerkte uren in de sector weer toe zal nemen als de contactbeperkende maatregelen geleidelijk opgeheven worden. Verder blijkt uit het rapport «Minst kansrijke beroepen»12 van UWV dat arbeidsplaatsen van koks vaker behouden zijn gebleven dan ander horecapersoneel. Dit kan komen doordat een groot aantal restaurants is opengebleven voor afhaal en bezorging, koks vaker een vast contract hebben dan bijvoorbeeld medewerkers in de bediening en ondernemers hebben geanticipeerd op de heropening van de horeca.
Voor de Aziatische horeca geldt daarnaast dat de specifieke functie-eisen voor koks – die zien op taal en cultuur – het extra lastig maken om vacatures te vervullen. Dit is ook de reden waarom, mede op verzoek van de Tweede Kamer, sinds oktober 2019 voor deze sector een structurele regeling geldt die het mogelijk maakt om koks op niveau 4 tot en met 6 uit het buitenland te werven.
Heeft u overwogen bij de eerste en of de tweede lockdown, toen alle restaurants werden gesloten, om de GVVA op te schorten en geen buitenlandse koks meer toe te laten? Zo ja, hoe heeft u dit bij de horeca bekendgemaakt? Zo nee, waarom niet?
De kern van de structurele regeling voor de Aziatische horecasector is dat Aziatische restaurants het aantal gespecialiseerde koks uit het buitenland mogen halen dat nodig is voor hun restaurant. Een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wordt na advies van het UWV door de IND verstrekt indien aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan.
Er is recent gemonitord of de situatie op de arbeidsmarkt aanleiding geeft om de regeling aan te passen. Uit de monitoring blijkt dat het aantal werkzoekenden koks sinds 2019 is toegenomen. De verwachting is dat deze toename van het aantal werkzoekenden een gevolg is van de coronacrisis en daarom van tijdelijke aard is. Zo gauw de contactbeperkende maatregelen opgeheven worden, zal het aantal gewerkte uren in de horeca naar verwachting weer toenemen. Daarnaast geldt voor de Aziatische horeca dat de specifieke functie-eisen voor koks – die zien op taal en cultuur – het extra lastig maken om vacatures te vervullen.
Gelet hierop geeft de situatie op de arbeidsmarkt ten gevolge van corona geen aanleiding om het verlenen van gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid op grond van de regeling voor de Aziatische horecasector op te schorten.
De in het artikel gesignaleerde misstanden hebben, zoals aangekondigd in mijn brief van heden aan de Tweede Kamer, echter wel geleid tot het voornemen om over te gaan tot het laten vervallen van de regeling voor nieuwe gevallen. Naast de signalen in de artikelen signaleren ook de Nederlandse vertegenwoordigingen in China, die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, en de Immigration Liaison Officers (ILO) van de IND in China dat in bepaalde zaken aanvragers grote sommen geld hebben betaald aan tussenpersonen. De berichtgeving van Investico dat in vacatureteksten ten behoeve van dit verblijfsdoel arbeidsomstandigheden worden omschreven die niet zijn toegestaan binnen de Nederlandse arbeidswetten is door de Nederlandse vertegenwoordiging in China gecontroleerd. Zij bevestigen dat dergelijke vacatureteksten op een Chinese website zijn gevonden. Daarnaast zijn er signalen van de Nederlandse vertegenwoordigingen en ILO’s in China dat de koks die naar Nederland komen niet altijd gekwalificeerd zijn doordat er gebruik wordt gemaakt van valse, vervalste of ten onrechte afgegeven koksboekjes. Wanneer er dergelijke signalen naar voren komen, zijn er door de Nederlandse vertegenwoordigingen in China verzoeken tot heroverweging ingediend bij de IND. In de gevallen waarin deze signalen hard konden worden gemaakt zijn de gvva’s ingetrokken.
Hoewel niet vast staat dat bovenstaande signalen duiden op feitelijk grootschalig misbruik van de regeling, zijn de signalen dermate ernstig dat het kabinet, in overleg met de Kamer, snel wil ingrijpen om misbruik van de regeling te voorkomen. De signalen zouden namelijk kunnen duiden op mensenhandel.
De voorgenomen wijziging zal inhouden dat het, terwijl wordt onderzocht of de regeling in aangescherpte vorm kan herleven of definitief komt te vervallen, niet meer mogelijk is voor koks die niet reeds op grond van deze regeling rechtmatig in Nederland verblijven, om een geslaagd beroep te doen op de regeling. In het kader van dit onderzoek zal ook gesproken worden met de sectorvertegenwoordigers. Het blijft voor werkgevers wel mogelijk voor koks die reeds in Nederland zijn om hun verblijfsvergunning op grond van de regeling te verlengen. Voor werkgevers die een kok in dienst willen nemen die niet reeds op grond van de bijzondere regeling in Nederland verblijft, blijft bovendien de mogelijkheid bestaan om op grond van de algemene regels voor tewerkstelling van derdelanders zoals vastgelegd in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) een aanvraag in te dienen.
Wat is de huidige status van de GVVA? Bent u bereid deze op te schorten tot een moment dat de restaurants weer op het niveau van pre-corona zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel Aziatische koks verblijven er momenteel in Nederland? Hoeveel van hen hebben een nog geldige verblijfs- en werkvergunning? Is bekend hoeveel van hen ongedocumenteerd zijn en waar zij zich bevinden? Wat doet UWV of doen gemeenten om deze groep in beeld te hebben?
Op 1 januari 2021 waren er afgerond 3.690 personen met een vergunning voor de regeling Aziatische Horeca in het systeem van de IND bekend met een geldige verblijfstitel.
Het is onbekend hoeveel ongedocumenteerde koks er in Nederland zijn en waar zij zich bevinden. Er is geen systeem of instantie die dit registreert. Ook UWV en gemeenten zijn niet verantwoordelijk om deze groep in beeld te hebben.
Herkent u de signalen dat koks hoge borgsommen betalen aan hun werkgever? Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar een maatregel opgelegd voor de overtreding van arbeidswetgeving in de Aziatische horecasector?
De hoofdregel is dat werkgever in het contract geen bedingen mag opnemen die de werkgever het recht geven bepaalde bedragen in te houden op het loon. Dergelijke bedingen zijn op grond van de wet nietig. Het Burgerlijk Wetboek wet somt limitatief enkele uitzonderingen op wanneer een dergelijk beding wel is toegestaan. Een borg die dient ter volmaking van het contract is echter een beding dat niet is toegestaan. Als er dergelijke bepalingen zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst die wordt overgelegd bij de aanvraag voor een werkvergunning, is dit voor UWV reden om negatief te adviseren en voor de IND om de aanvraag af te wijzen.
Bij inspecties om de naleving van de arbeidswetten te controleren, krijgen inspecteurs weleens signalen dat er sprake is van betalingen aan de werkgever of bemiddelingskosten in het land van herkomst, waarbij bedragen tussen de 3.500 en 10.000 euro werden genoemd. Over de omvang van dit fenomeen is geen betrouwbare, representatieve informatie beschikbaar. Als iemand gedwongen wordt om een deel van zijn geld af te staan, dan kan er sprake zijn van afpersing of diefstal, wat strafbare feiten zijn waarvoor een strafrechtelijk traject kan worden ingezet. Bovendien kan gedwongen (terug)betaling ook een mogelijk signaal zijn van arbeidsuitbuiting, wat eveneens strafrechtelijk kan worden onderzocht. Mocht een van beide leiden tot vervolging dan kan de werknemer vergoeding van de geleden schade vorderen in de strafrechtelijke procedure.
De afgelopen vijf jaar zijn er ruim 300 sancties opgelegd voor overtredingen van de arbeidswetgeving in de Aziatische horecasector. Het gaat met name om overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Arbeidstijdenwet. Er wordt niet geregistreerd in hoeveel gevallen het overtredingen betreft ten aanzien van personeel dat op grond van de regeling voor de Aziatische horeca naar Nederland is gekomen. De Inspectie SZW is bezig met de voorbereidingen van een inspectieproject dat specifiek gericht is op het tegengaan van misbruik van de regeling Aziatische horeca, waarbij ze nauw samenwerkt met IND en UWV. De eerste inspecties in het kader van dit project vinden naar verwachting voor de zomer plaats. Daarnaast blijft de Inspectie SZW zoals altijd inspecties uitvoeren naar aanleiding van meldingen uit deze sector over overtredingen van de arbeidswetten en indien er signalen zijn van arbeidsuitbuiting.
Hoeveel van de vergunningen voor Aziatische koks worden verlengd na twee jaar? Is bij u bekend hoeveel van de koks van wie de vergunning verlopen is of die al drie maanden geen betaald werk hebben, terugkeren naar hun thuisland?
Zie het antwoord op vraag 3. In de tabel is ook het aantal verlengingen opgenomen over 2016 tot en met 2020.
Of de verlenging heeft plaatsgevonden nadat eerst de maximale geldigheidsduur van twee jaar van de voorgaande gvva is benut, is niet geautomatiseerd uit het systeem te halen. Het is namelijk ook mogelijk dat de verlenging al eerder is aangevraagd, nog voordat de geldigheidsduur van de voorgaande vergunning afliep.
Zoals bij antwoord 8 aangegeven is een vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland indien de verblijfsvergunning van een vreemdeling verloopt. De vreemdeling is dan gehouden om Nederland te verlaten. Als vreemdelingen zonder geldige verblijfsvergunning worden aangetroffen, onderzoekt de politie de ware identiteit en nationaliteit van die persoon en stelt deze – indien mogelijk – vast. Vreemdelingen die illegaal hier worden aangetroffen moeten Nederland verlaten en terugkeren naar hun land van herkomst. Er wordt echter niet bijgehouden hoeveel vreemdelingen die niet (langer) in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning terugkeren naar het land van herkomst.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat vergunningen worden verleend aan immigranten terwijl er momenteel geen passend werk is voor deze mensen, waardoor ze hierheen worden gehaald om vervolgens zonder werk en in armoede te geraken?
Ik vind het van groot belang dat arbeidsmigranten bij aankomst in Nederland goed opgevangen worden door hun werkgever. Dat een kok er in Nederland achter komt dat er geen werk is, is natuurlijk zeer onwenselijk. Het is uiteraard ook niet de bedoeling dat er een beroep op de regeling wordt gedaan zonder dat er sprake is van een arbeidsplaats. Zoals hierboven uiteengezet is het doel van de regeling dat gespecialiseerde koks uit het buitenland mogen komen als dat nodig is. Een gvva wordt door de IND verstrekt indien aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan.
De werkgever moet de beschikbaarheid van een arbeidsplaats drie weken voor het doen van de aanvraag melden bij UWV. Bij de aanvraag wordt een door de werkgever ondertekende arbeidsovereenkomst overgelegd. Door de relevante vragen te beantwoorden en de aanvraag te ondertekenen, bevestigt de werkgever dat hij een kok nodig heeft. Mocht door omstandigheden toch blijken dat de kok niet meer nodig is, dan is het aan de werkgever om de aanvraag in te trekken. Indien de vreemdeling reeds in Nederland is, is de werkgever verplicht om door te geven dat er geen gebruik wordt gemaakt van de gvva. In dat geval zal de gvva door IND worden ingetrokken. Zolang de gvva niet is ingetrokken, is de werkgever gehouden het loon dat op de vergunning staat vermeld te betalen aan de kok, ook als er niet wordt gewerkt.
De signalen uit het onderzoek van Investico en van de Nederlandse vertegenwoordigingen en ILO’s in China inzake oneigenlijk gebruik en misbruik van de toelatingsregeling voor Aziatische koks vind ik erg zorgwekkend. Zoals ook bij de vragen 6 en 7 aangegeven hebben deze signalen ertoe geleid dat de regeling zal vervallen voor koks die niet reeds in Nederland aanwezig zijn op grond van deze regeling. Ik ben voornemens om te onderzoeken of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven voor nieuwe gevallen, of definitief komt te vervallen. Daarbij zal ik ook kijken hoe voorkomen kan worden dat koks naar Nederland worden gehaald zonder dat er sprake is van een arbeidsplaats. Ik zal hier ook over in gesprek gaan met de sectorvertegenwoordigers.
Er zijn geen signalen dat door corona in andere sectoren gevallen zijn waarbij er geen werk is voor de vreemdeling waaraan een gvva is verleend. Gelet hierop acht ik het niet noodzakelijk om ook in andere sectoren maatregelen te nemen.
Zijn er andere groepen (arbeids)migranten voor wie een vergelijkbare situatie geldt, namelijk een werkvergunning terwijl er door corona helemaal geen passend werk is? Kunt u deze in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om op korte termijn maatregelen te nemen die voorkomen dat arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie naar Nederland komen terwijl er geen passend werk voor ze is? Kunt u de Kamer daarover in april informeren?
Zie antwoord vraag 11.
De gevolgen van de coronacrisis voor mensen in de prostitutie en het bericht 'Koolmees: geen aparte steunregeling voor sekswerkers' |
|
Jan de Graaf (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Koolmees: geen aparte steunregeling voor sekswerkers»?1
Ja.
In hoeverre kunnen mensen in de prostitutie die tussen wal en schil vielen nu een beroep op de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) doen? Kunt u hierbij ook specifiek ingaan op mensen die werken middels opting-in?
Er zijn een aantal regelingen waar ook sekswerkers mogelijk aanspraak op kunnen maken als zij aan de voorwaarden voldoen. Sekswerkers die als zelfstandig ondernemer werken kunnen in aanmerking komen voor de Tozo, als hun huishoudinkomen onder het sociaal minimum is gevallen, zij ingeschreven staan bij de KvK en ze rechtmatig in Nederland verblijven.
Sekswerkers die in dienstverband werken met een arbeidscontract komen mogelijk in aanmerking voor de WW. Hun werkgever zou ook mogelijkde NOW kunnen aanvragen. Voor andere sekswerkers, zoals sekswerkers die onder de opting-in regeling vallen, of sekswerkers uit andere EU-landen die niet als zzp’er werken en ook geen werknemer zijn, bestaat de mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen als zij aan de voorwaarden voor algemene bijstand voldoen.
Daarnaast is er nu de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK). TONK is bedoeld voor huishoudens die door de Coronamaatregelen te maken hebben met een forse inkomensteruggang en daardoor de noodzakelijke (woon)kosten niet meer kunnen betalen. TONK is geen inkomensregeling, maar kan naast eventuele aanspraken op andere regelingen voorzien in een tegemoetkoming van deze noodzakelijke (woon)kosten. De precieze uitwerking van de voorwaarden van TONK en de hoogte van de vergoeding worden lokaal bepaald, Het kabinet heeft gemeenten verzocht de TONK ruimhartig toe te passen.
Mensen in de prostitutie kunnen, afhankelijk van de persoonlijke situatie en de lokale uitwerking, gebruik maken van de TONK.
Hoe staat het met de uitvoering van de TONK? Heeft u ook de signalen gehoord dat er grote verschillen bestaan tussen gemeenten voor mensen uit de prostitutie die steun op basis van de TONK willen aanvragen? Dat in een aantal gemeenten mensen in de prostitutie wel een beroep kunnen doen op de TONK, zoals in Deventer, maar in een aantal gemeenten dit ook niet mogelijk is?
Er zijn verschillen tussen gemeenten in de uitvoering van TONK. Dat is inherent aan de keuze om, omwille van een snelle invoering, TONK te positioneren binnen het kader van de bijzondere bijstand. Hierdoor is lokale beleidsvrijheid ten aanzien van de wijze waarop naar inkomen en eventueel vermogen gekeken wordt en de hoogte van de vergoedingen die worden toegekend.
Mensen in de prostitutie die voldoen aan de regels kunnen in aanmerking komen voor TONK. Zie ook het antwoord op vraag 2. De aard van de werkzaamheden kan daarbij geen reden zijn om een TONK-aanvraag af te wijzen. Hier zijn mij ook geen signalen van bekend.
Bent u het ermee eens dat het niet zo kan zijn dat een gemeente mensen in de prostitutie afwijst wanneer zij zich beroepen op de TONK?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzicht verschaffen in deze verschillen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid gemeenten er nogmaals op te wijzen dat de specifieke doelgroep van mensen in de prostitutie een beroep zouden moeten kunnen doen op de TONK?
De Minister van SZW is doorlopend in gesprek met gemeenten over de voortgang en uitvoering van TONK. Het daadwerkelijk bereiken van de mensen die het nodig hebben, waaronder ook mensen in de prostitutie, is daarbij één van de aandachtspunten.
Wanneer kan de Kamer de afdoening van de motie van de leden Bruins en Van der Graaf over maatwerk voor mensen die de prostitutie verlaten tegemoet zien waarin is verzocht in gesprek te gaan met VNG, Divosa en Valente om een werkwijze te ontwikkelen voor en kennisdeling tussen (centrum)gemeenten over maatwerk voor huisvesting, begeleiding, inkomen en arbeidsmarkttoeleiding voor mensen die noodgedwongen of vrijwillig de prostitutie verlaten?2
Naar aanleiding van de motie van de leden Bruins en Van der Graaf is een onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden nog dit voorjaar met een beleidsreactie aangeboden aan uw Kamer.
Kunt u tot slot inzicht geven in de voortgang van de implementatie van de lessen die uit de pilot slachtofferschap zijn voortgekomen, waar de Kamer bij brief van 1 juli 2020 over is geïnformeerd?3
In de brief van 18 november 2020 bent u geïnformeerd over de voortgang van het programma Samen tegen mensenhandel4. In de bijlage van deze brief, getiteld «Programmaresultaten Samen tegen mensenhandel», is een overzicht opgenomen van de stand van zaken van alle projecten en trajecten die in het kader van het programma zijn ondernomen. Hierin is ook opgenomen op welke wijze de lessen uit de pilot geïmplementeerd worden bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de IND (pagina 11). Er zijn geen actuele ontwikkelingen op dit vlak te melden.
Het uitvoeringsprogramma Waddenagenda en de impactanalyse |
|
Aukje de Vries (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie van de leden Remco Dijkstra en Geurts over de positie en activiteiten van economische sectoren voldoende borgen (Kamerstuk 35 570 XII, nr. 65) uit november 2020? Hoe wordt uitvoering gegeven aan deze motie en welke acties zijn reeds in gang gezet?
Ja, deze motie1 is mij bekend. De motie bestaat uit twee onderdelen. Naar aanleiding van gesprekken met de landbouwsector is de Agenda voor het Waddengebied 2050 (hierna: Agenda) aangepast in lijn met het eerste dictum van de motie2. Het belang en daarmee de positie en activiteiten van economische sectoren, zoals de pootaardappelsector, maar ook breder de landbouw en het toerisme maken deel uit van de Agenda en zijn daarmee geborgd. Er wordt aangegeven in de Agenda dat de landbouw een belangrijke bron van inkomsten is en dat het kustgebied van de Waddenzee tot de beste landbouwgebieden van Europa behoort. Ook in de toekomst blijven de havens, toerisme, landbouw en visserij de belangrijkste motoren van de economie in het Waddengebied.
De partijen in het Waddengebied, waaronder ook de economische sectoren, werken samen aan het Uitvoeringsprogramma Waddengebied 2021 – 2026 (hierna: Uitvoeringsprogramma). De intentie van het Uitvoeringsprogramma is om een overzicht te geven van de diverse (lopende en te starten) projecten en programma’s en deze in samenhang te zien. Het gaat hierbij om projecten en programma’s die bijdragen aan het behalen van de in de Agenda geformuleerde doelstellingen voor de Waddenzee en het Waddengebied. De betrokken partijen houden zelf hun formele verantwoordelijkheid, inclusief (financiële) besluitvorming over de uit te voeren delen van het Uitvoeringsprogramma.
Zie antwoord 3 voor het 2e dictum van de motie aangaande een impactanalyse.
Welke partijen zijn of worden allemaal betrokken bij het uitvoeringsprogramma voor de Waddenagenda? Hoe zijn of worden partijen als de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), de pachters achter de Waddenzeedijk, et cetera, maar ook het midden- en kleinbedrijf (MKB) en de toeristische sector, betrokken? Hoe is geborgd dat al deze partijen nadrukkelijk een rol krijgen bij het uitvoeringsprogramma (en andere beleidsstukken in het Waddengebied)? Hoe worden gemeenten en gemeenteraden betrokken, want er was zeker bij een deel van de volksvertegenwoordigers in het gebied onvrede over hun rol en betrokkenheid bij de Waddenagenda? En hoe worden de provincies en provinciale staten betrokken? Wat is de tijdplanning voor het uitvoeringsprogramma?
De in de vraag genoemde partijen zijn op verschillende manieren betrokken bij het opstellen van het Uitvoeringsprogramma. Hierbij wordt uitgegaan van de sinds 2020 van toepassing zijnde governance structuur voor het Waddengebied3.
Zo worden de partijen via het Omgevingsberaad Waddengebied (hierna: Omgevingsberaad) geïnformeerd over de aanpak en voortgang van het Uitvoeringsprogramma. Het Bestuurlijk Overleg Waddengebied (hierna: BO Waddengebied) besluit over het Uitvoeringsprogramma na advisering door het Omgevingsberaad. In het BO Waddengebied zijn, naast het Rijk, de gemeenten, de provincies en de waterschappen vertegenwoordigd. Het is aan de leden van het BO Waddengebied (overheden) en het Omgevingsberaad (stakeholders) om hun eigen achterban te informeren over en te betrekken bij het opstellen van en de besluitvorming over het Uitvoeringsprogramma. De betrokkenheid van burgers en lokale ondernemers (het MKB) in het Waddengebied ligt primair op het lokale en regionale niveau, indien wenselijk gefaciliteerd door het regieteam.
In het regieteam Uitvoeringsprogramma (hierna: regieteam) wordt gezamenlijk gewerkt aan het Uitvoeringsprogramma. In het regieteam zitten vertegenwoordigers namens de economische sectoren (havens, landbouw en visserij), de natuur-en milieuorganisaties, de provincies, de Waddenkust- en eilandgemeenten, de waterschappen, het Omgevingsberaad, de Beheerautoriteit Waddenzee (hierna: Beheerautoriteit) en het Rijk. Daarnaast vindt er op gezette tijden apart overleg plaats met vertegenwoordigers van de landbouwsector, onder andere met LTO-Noord, NAV, NMV en de pachters achter de Waddenzeedijk. Betrokkenheid van de toeristische sector loopt via het Omgevingsberaad. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd met de beantwoording van eerdere Kamervragen4.
Voor afzonderlijke programma’s, maatregelen en initiatieven, zoals het programma Eems-Dollard 2050 (ED2050), maar ook voor de implementatie van pilots voor Green Shipping, geldt dat deze een eigen besluitvormingsprocedure doorlopen. Ook hiervoor geldt dat het belangrijk is om alle relevante partijen te betrekken bij en te informeren over de besluitvorming en te maken afweging. Het Omgevingsberaad kan hierbij een adviserende rol spelen.
In het BO Waddengebied van afgelopen december is afgesproken om komende zomer het dan voorliggende concept Uitvoeringsprogramma – na bespreking in het Omgevingsberaad – met elkaar te bespreken. Over de uitkomst van de bespreking in het BO Waddengebied zal ik uw Kamer per brief informeren. Na bespreking in het BO Waddengebied zal de dan voorliggende versie verder besproken worden met partijen in het Waddengebied om betrokkenheid bij en draagvlak voor het Uitvoeringsprogramma te vergroten. Betrokken partijen worden hierover nog nader geïnformeerd. Het streven is om eind dit jaar het Uitvoeringsprogramma vast te stellen. In aanloop naar het Commissiedebat Water op 9 juni a.s. wordt uw Kamer geïnformeerd onder andere over de laatste stand van zaken omtrent het Uitvoeringsprogramma.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de impactanalyse? Wat is de tijdsplanning voor de impactanalyse? Hoe ziet de opdracht voor deze impactanalyse eruit en wilt u deze met de Kamer delen als bijlage bij de antwoorden op deze vragen? Beseffen de bewindspersonen dat de bedoeling van de impactanalyse uitsluitend is gericht op de sociaaleconomische gevolgen en de gevolgen voor de economische sectoren in het gebied, en in de keten? Kunt u bevestigen dat de impactanalyse enkel ziet op de sociaaleconomische effecten? Zo nee, waarom wordt er geen invulling gegeven aan de wens van de Kamer? Hoe worden de bij vraag 2 genoemde partijen betrokken bij de impactanalyse?
Parallel aan het opstellen van het Uitvoeringsprogramma wordt gewerkt aan het opstellen van een brede impactanalyse om zo de effecten op economie en ecologie in balans met elkaar te kunnen afwegen conform de scope van de Agenda. Het gaat hierbij om de effecten op landbouw, visserij, recreatie & toerisme, haven, bereikbaarheid, klimaat, leefbaarheid, energie, delfstoffen, defensie, natuur en landschap/cultureel erfgoed. In aanvulling op de motie Dijkstra en Geurts, zoals beschreven in het 2e dictum, wordt er dus breder gekeken dan naar alleen de sociaaleconomische effecten. In overleg met de betrokken partijen, waaronder de economische sectoren, wordt een aanpak voor een impactanalyse voorbereid en opgesteld. Overeenkomstig deze beschrijving is een extern bureau gevraagd een aanpak op te stellen. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande methodieken. De te ontwikkelen impactanalyse heeft betrekking op de maatregelen zoals benoemd in het nog op te stellen Uitvoeringsprogramma. Het gaat zowel om maatregelen met ruimtelijke impact als ook om acties die op een andere manier impact (kunnen) hebben op de economische sectoren, maar ook op de ecologie.
In het komende BO Waddengebied wordt de aanpak besproken. Over de uitkomst van de bespreking hiervan zal ik uw Kamer per brief informeren. Daarnaast wordt uw Kamer in aanloop naar het eerder genoemde Commissiedebat Water geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de impactanalyse.
Op welke manier wordt het project buitendijkse slibsedimentatie en met name de gevolgen van dit project betrokken en afgestemd met het Uitvoeringsprogramma Waddengebied? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom dit niet gebeurt? Kunt u zich voorstellen dat ondernemers in de verschillende sectoren het overzicht en het draagvlak kwijtraken indien er geen samenhang is tussen verschillende projecten en uitvoeringsagenda’s? Hoe gaat u dat verbeteren?
In het kader van het project Pilot buitendijkse slibsedimentatie wordt door Rijkswaterstaat onderzocht onder welke condities slib kan sedimenteren in het buitendijkse gebied van de Dollard. Het uiteindelijke doel is het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit, met name in het middendeel van de Eems-Dollard, door het verminderen van de troebelheid. Hierdoor neemt de primaire productie toe, versterkt het voedselweb en komen de doelen voor ecologische waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en natuur (Natura 2000) binnen bereik. Eind 2020 is de MIRT-voorkeursbeslissing genomen voor het project en het voorkeursalternatief (hierna: VKA) vastgesteld. De partijen betrokken bij het programma ED2050 zijn hierover geïnformeerd. Het is belangrijk dat partijen in de omgeving goed zijn aangesloten bij het project. Het VKA wordt de komende periode verder uitgewerkt in overleg met onder andere particuliere eigenaren/pachters van de kwelders, waterschap Hunze en Aa’s, gemeente Oldambt, gemeente Eemsdelta, Stichting het Groninger Landschap, de Waddenvereniging, Groningen Seaports en Natuurmonumenten. De betrokkenheid van LTO-Noord loopt via het programma ED2050, de NAV en NMV zijn niet direct betrokken bij het project. Daarnaast zal in overleg met de kweldereigenaren ook worden bekeken wat de sociaaleconomische gevolgen zijn. Het uitgangspunt is dat Rijkswaterstaat samen met de betrokken partijen tot een breed gedragen oplossing komt.
Het project maakt onderdeel uit van het in 2016 gestarte programma ED20505 en het programma ED2050 maakt onderdeel uit van de activiteiten binnen het Platform Economie en Ecologie in Balans (E&E). Het programma ED2050 is één van de – eigenstandige – lopende gebiedsprocessen die zal worden opgenomen in het nog op te stellen Uitvoeringsprogramma. De wijze van besluitvorming en de verantwoordelijkheden blijven overeenkomstig de gemaakte de afspraken binnen het programma ED2050. Zie bijlage 1 voor nadere toelichting E&E, ED2050 en het project zelf. Naast deze pilot lopen er nog diverse andere projecten in het Eems-Dollard gebied als onderdeel van het programma ED2050. Voorbeelden hiervan zijn de Kleirijperij, de pilot ophogen landbouwgronden en de pilot binnendijkse slibsedimentatie in het gebied Groote Polder – Eemszijlen (zie ook antwoord 6).
Wat zijn de gevolgen van het project buitendijkse slibsedimentatie in het kader van het Programma Grote Wateren en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)? Wat is het gebied waar dit project speelt? Klopt het dat dit alleen het Eems-Dollard-gebied raakt? In hoeverre zijn er verder nog plannen op dit punt? In hoeverre zijn alle partijen zoals genoemd onder punt 2 betrokken bij dit project? Hoe worden de gevolgen voor economische sectoren meegenomen bij dit project? Wat is doel, nut en noodzaak van dit project?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is er precies besproken tijdens de bestuurlijk overleggen MIRT van november 2020 als het gaat om een aantal projecten in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), te weten «Verzachten randen van het Wad Koehool-Lauwersmeer, Eemszijlen/Binnendijkse Slibsedimentatie, Friese IJsselmeerkust en Buitendijkse Slibsedimentatie Eems-Dollard»? Om wat voor projecten gaat het hier precies? In hoeverre lopen deze projecten vooruit op het uitvoeringsprogramma en de impactanalyse Waddenagenda? Waarom is hier niet gekozen voor een samenhang in voorbereiding en uitvoering?
In het BO MIRT Noord-Nederland van november 20206 is kennisgenomen van de (regionale) MIRT-beslissingen van de in de vraag genoemde projecten (zie bijlage 2). Het gaat hierbij om de startbeslissing en in het geval van het project Pilot buitendijkse slibsedimentatie om de voorkeursbeslissing7. De projecten worden gefinancierd uit de PAGW. Het doel van de PAGW is om te komen tot ecologisch gezonde, toekomstbestendige grote wateren waarin hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie. De middelen hiervoor zijn afkomstig uit de envelop Natuur en Waterkwaliteit en vormt daarmee de grondslag voor genoemde projecten.
In bijlage 3 worden de projecten Friese IJsselmeerkust en Kustontwikkeling Groote Polder – Eemszijlen (Binnendijkse Slibsedimentatie) nader toegelicht. Ten aanzien van het project Friese IJsselmeerkust merk ik op dat deze valt onder de scope van de Agenda IJsselmeergebied 20508 en niet onder de Agenda voor het Waddengebied 2050. Voor de toelichting op de projecten Dijkversterking Waddenzeedijk Koehool – Lauwersmeer en Pilot buitendijkse slibsedimentatie verwijs ik respectievelijk naar antwoord 7 en antwoord 4 en 5.
Zoals aangegeven bij antwoord 1 wordt met het Uitvoeringsprogramma een overzicht gegeven van de diverse (lopende en te starten) projecten en programma’s welke bijdragen aan het behalen van de in de Agenda geformuleerde doelstellingen voor de Waddenzee en het Waddengebied. De drie genoemde projecten in het Waddengebied zijn enkele van de lopende projecten. Daarnaast kennen de drie projecten elk hun eigen dynamiek en besluitvormingsprocedure. Wel vindt er onderling contact plaats als het gaat om te betrekken partijen en te onderzoeken effecten. De samenhang in de voorbereiding en de uitvoering van de projecten met betrekking tot binnen- en buitendijkse slibsedimentatie komt tot uiting in het programma ED2050.
Wat houdt het project dijkversterking Waddenzeedijk Koehool – Lauwersmeer precies in? Wat houdt de dijkversterking Koehool – Lauwersmeer, dat plaatsvindt in combinatie met het verbeteren van het landschap en de natuur samen met de omgeving, precies in? In hoeverre loopt dit project vooruit op de Waddenagenda en het uitvoeringsprogramma en de impactanalyse? Hoe verhoudt dit project zich tot de onder punt 1 genoemde motie? Wat zijn de gevolgen van deze dijkversterking? Wat zijn de gevolgen voor gebruikers van het buitendijkse gebied en van het binnendijkse gebied direct langs de Waddenzeedijk? Hoe zijn of worden partijen, zoals gemeenten en economische sectoren, die actief zijn in dit gebied, betrokken? Klopt het dat de zomerpolders met het huidige gebruik ook bijdragen aan de biodiversiteit, zoals de weidevogels? Is er voor de projecten, die nu in gang gezet worden, een nulmeting uitgevoerd, zodat de reeds aanwezige biodiversiteit, zoals de weidevogels, door deze projecten niet in geding komt? Bent u bereid om in overleg te gaan met Wetterskip Fryslân en te vragen om een pas op de plaats te maken en eerst in samenwerking met de gebruikers van het gebied de nulmeting uit te voeren, zodat de aanwezige waarden in beeld zijn en er niet onder mogen lijden? Zo nee, waarom niet?
Het dijkversterkingsproject Koehool- Lauwersmeer vloeit voort uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) dat onderdeel is van het Nationale Deltaprogramma. Het gaat hierbij om een bijna 50 kilometer lang traject tussen het buurtschap Koehool tot na het dorp Paesens-Moddergat. Het traject valt binnen de gemeenten Waadhoeke en Noardeast-Fryslân. De dijk moet versterkt worden omdat een deel van de dijk niet voldoet aan de geldende veiligheidsnormen. Hierbij is de nieuwe normering (2017) gehanteerd met een tijdshorizon van 50 jaar (tot 2073) waarbij verwachte effecten van klimaatverandering/zeespiegelstijging zijn meegenomen. De geschatte kosten voor het verbeteren van de veiligheid van de dijk zijn ongeveer € 300 miljoen. Het landelijke HWBP betaalt hiervan 90 procent en het Wetterskip Fryslân de resterende 10%. De versterking van ecologie en omgeving worden door andere programma’s betaald, waaronder de PAGW.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere Kamervragen9 pakt het Wetterskip Fryslân de dijkversterking op samen met lokale ondernemers, inwoners, belangenorganisaties (It Fryske Gea, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming Nederland, Waddenvereniging, Stichting Holwerd aan Zee, LTO Noord, pachtersvereniging, Collectief Waadrâne en dorpsbelangen), provincie Fryslân, gemeente Noardeast-Fryslân, gemeente Waadhoeke en het Rijk. De landbouworganisaties zijn daarnaast ook vertegenwoordigd in de Stuurgroep Koehool-Lauwersmeer10. Ook worden bijvoorbeeld de schapenhouders die delen van de dijk pachten, actief betrokken bij de plannen voor de uitvoering. Daarnaast is er ook intensief contact met de desbetreffende perceel eigenaren c.q. pachters.
Vanwege het sterke fysieke raakvlak tussen de dijkversterking Koehool-Lauwersmeer, het brede gebiedsproces daaromheen en de opgave vanuit PAGW voor de Waddenzee, bereiden het Wetterskip Fryslân, de provincie Fryslân en Rijkswaterstaat (namens de PAGW) een samenwerking voor. It Fryske Gea, maar ook gemeenten en de landbouw, worden als gebiedspartner betrokken bij de uitwerking; zowel als eigenaar van een groot deel van de kwelders langs de Friese Kust als organisatie met veel lokale kennis van systemen, ecologie en stakeholders. De dijkversterking wordt waar mogelijk gecombineerd met het verbeteren van het landschap en de natuur, samen met de omgeving. In het kader van PAGW is € 37,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het realiseren van het PAGW-doel als onderdeel van «verzachten randen van het Wad». Het gaat hierbij om het ontwikkelen van gradiënten land-water en zoet-zout. Ook worden de mogelijkheden voor een koppeling met Holwerd aan Zee onderzocht.
Momenteel voeren het Wetterskip Fryslân en de provincie Fryslân in afstemming met Rijkswaterstaat (namens de PAGW) en samen met de verschillende stakeholders (waaronder de pachters van de zomerpolders) een regionale MIRT-verkenning uit. Eind vorig jaar is de startbeslissing genomen. In de verkenning wordt rekening gehouden met de natuurwaarden die de zomerpolders nu hebben voor weidevogels en met de belangen van bijvoorbeeld pachters van de zomerpolders. Via een milieueffectrapportage zullen verschillende alternatieven of varianten in beeld worden gebracht en worden beoordeeld op hun bijdrage aan de doelstellingen en de effecten op onder andere natuur en milieu (bijvoorbeeld weidevogels en biodiversiteit) en landbouw (bijvoorbeeld verzilting)11. Hiertoe zal een nulmeting worden opgesteld. In de verkenning wordt ook gekeken naar de gevolgen voor zowel het binnendijkse als buitendijkse gebied langs de Waddenzeedijk, indien daar maatregelen in beeld zijn. De definitieve keuze voor een bepaald alternatief wordt gemaakt na overleg met de relevante partijen en sectoren in het projectgebied. Het is op dit moment nog niet mogelijk om aan te geven wat de gevolgen zijn van dit project. Gelet op de inrichting van het proces en de (geplande) onderzoeken in het kader van de verkenning, waaronder een nulmeting, zie ik op dit moment geen aanleiding om een pas op de plaats te maken. De partijen worden betrokken bij het project en de zorgen worden aan de orde gesteld in de (geplande) onderzoeken om zo tot breed gedragen oplossingen te komen.
Wat is de status van een (de gemeentelijke) beheersverordening in relatie tot de Waddenagenda en de dijkversterking van de Waddenzeedijk?
Een beheersverordening is vergelijkbaar met een bestemmingsplan en is bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen worden voorzien. Een beheersverordening legt de bestaande situatie vast. Voor nieuwe ontwikkelingen wordt een afzonderlijk ruimtelijk plan gemaakt met een eigen inspraakprocedure. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften voor het vaststellen van een beheersverordening.
Van de (destijds) 17 eiland- en kustgemeenten hebben 13 gemeenten er in 2014 voor gekozen om gezamenlijk een beheersverordening «Waddenzee en Noordzee» te ontwikkelen. In plaats van 13 bestemmingsplannen is er nu één beheersverordening. Dit plan legt de bestaande situatie vast voor zover die niet valt onder regelingen van andere overheden, zoals de structuurvisie Waddenzee of de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De overige vier (voormalige) Waddengemeenten, Den Helder, De Marne, Súdwest-Fryslân en Franekeradeel, hebben hun deel van het plangebied opgenomen in een andere ruimtelijke regeling.
De Agenda kent geen initiatieven met betrekking tot het aanpassen van bestemmingen of verordeningen van zomerpolders en erkent de cultuurhistorische, ecologische en agrarische waarde ervan. Geen van de betrokken partijen rond de Agenda heeft de intentie om de afspraken in de gemeentelijke beheersverordening ter discussie te stellen. Overeenkomstig de beheersverordening wordt voor het dijkversterkingsproject Koehool- Lauwersmeer een afzonderlijk ruimtelijk plan gemaakt met een eigen inspraakprocedure. Dit zal ook gelden voor toekomstige versterkingen van de Waddenzeedijk.
Bent u bereid net na de zomer (of zoveel eerder als mogelijk) de Kamer te informeren over de voortgang van het uitvoeringsprogramma en de wijze waarop de verschillende agrarische-, economische- en toeristische sectoren betrokken zijn bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsprogramma en de wijze waarop u gewerkt heeft aan het noodzakelijke draagvlak? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zowel in aanloop naar het Commissiedebat Water op 9 juni als het Commissiedebat Wadden op 13 oktober wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Uitvoeringsprogramma, de impactanalyse, de wijze waarop de diverse sectoren en partijen hierbij worden betrokken en de wijze waarop gewerkt wordt aan draagvlak. Daarnaast zal ik uw Kamer, zoals ook aangegeven bij antwoord 2, informeren over de uitkomst van het komende BO Waddengebied.
Bent u bereid de uitkomst van de impactanalyse (conform de opdracht van de Kamer) zo snel mogelijk met de Kamer te delen?
Ja, ik ben bereid de uitkomst van de impactanalyse (conform de beschrijving in antwoord 3) met de Kamer te delen.
Belemmerende factoren voor een rechtvaardig herstel van kapotte en onveilige huizen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over de mensen achter de ruim 32.000 openstaande schademeldingen in Groningen die het gevolg zijn van de aardbevingen die zijn ontstaan door mijnbouwactiviteiten? En dan vooral de mensen met complexe schades die al jaren strijden voor een rechtvaardige afhandeling? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het klopt dat er een grote hoeveelheid openstaande meldingen is. Er komen wekelijks op dit moment ook 1000 meldingen bij, voornamelijk uit de randen van het effectgebied. Het is voor bewoners niet zozeer van belang hoeveel openstaande schademeldingen er zijn, maar veeleer of er sprake is van een laagdrempelige, rechtvaardige én voortvarende schadeafhandeling: bewoners willen weten wanneer hun melding behandeld is. Op dit onderdeel is het IMG voortvarend te werk gegaan. Het IMG streeft er naar reguliere fysieke schademeldingen binnen een half jaar af te handelen. In de jaarrapportage van het IMG valt te lezen dat in 2020 dat 71% van de schademeldingen binnen een half jaar een beslissing kreeg. Het IMG geeft aan voor een nieuwe melding nu minder dan een half jaar, 161 dagen, nodig te hebben om deze af te handelen. Voor speciale gebouwen, zoals voor monumenten, bedrijven en agrariërs geldt dat deze speciale aandacht nodig hebben. De doorlooptijd voor de zogenaamde specials is hiermee mogelijk langer dan bij de reguliere schademeldingen voor woonhuizen zonder bijzondere omstandigheden. Op dit moment zijn er 5604 specials afgehandeld en 3816 specials die nog in behandeling zijn.
Deelt u de mening dat recente berichten over het bewijsvermoeden, de causaliteit, de afwijzingen en de meetfouten van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) niet bijdragen aan het herstel van vertrouwen in Groningen? Wat is daarop uw reactie?
De schadeafhandeling in Groningen is er een van ongekend grote schaal en impact. Dat de voorgeschiedenis het vertrouwen van bewoners in Groningen heeft geschaad, is een gegeven. Het kabinet probeert het vertrouwen te herstellen onder andere door middel van adequate schadeafhandeling, goede wetgeving en meer duidelijkheid over de rechtspositie van alle betrokken partijen. Het IMG is op grond van de Tijdelijke Wet Groningen als onafhankelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) verantwoordelijk voor een zorgvuldige schadeafhandeling. Het IMG past het wettelijke bewijsvermoeden toe en gebruikt hierbij het rapport van het panel van deskundigen dat het IMG in 2019 heeft uitgevraagd. Voor een goede uitoefening van de wettelijke taken past het dat het IMG binnen de wettelijke kaders zijn bestaande werkwijze tegen het licht houdt en deze zo nodig aanpast, bijvoorbeeld aan de hand van de nieuwste (wetenschappelijke) inzichten en de ervaringen uit de praktijk. Een toename van het aantal afwijzingen, gebaseerd op adviesrapporten van deskundigen in specifieke gebieden gaf bijvoorbeeld aanleiding voor het IMG om onderzoek te laten doen naar zettingsschade en diepe bodemdaling. Het IMG zal naar verwachting in mei communiceren over de aanpassingen in de werkwijze. Het bewijsvermoeden is onderdeel van het wettelijk kader waarbinnen het IMG zijn taak uitvoert. Dat betekent dat het IMG in de toekomst het wettelijk bewijsvermoeden zal blijven toepassen en zorgdragen voor een rechtvaardige en voortvarende schadeafhandeling.
De afwijkende metingen van het KNMI zijn begin 2019 gerapporteerd. Om te voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals kan voorkomen is het gehele monitoringsnetwerk doorgelicht, zijn datasets hersteld, rollen en verantwoordelijkheden verduidelijkt, werkwijzen geëvalueerd en is de kwaliteitscontrole aangescherpt. Dit heb ik in mijn brief van 11 maart 2021 nader toegelicht (Kamerstuk 33 529, nr. 848). In het eindrapport is geconcludeerd dat de afwijkende metingen geen invloed hebben gehad op het verloop van de versterkingsoperatie of de schadeafhandeling.
Klopt het dat in januari 2019 werd besloten tot het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden nadat er jaren schades werden afgewezen omdat werd ontkend dat deze door mijnbouwactiviteiten konden ontstaan? Wordt er nu opnieuw door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) aan het bewijsvermoeden getornd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het kabinet heeft het bewijsvermoeden wettelijke verankerd in de Tijdelijke Wet Groningen. Het wettelijke bewijsvermoeden is geïntroduceerd om de Groningers te ontlasten bij hun bewijsvoering. Hoe het wettelijke bewijsvermoeden in de praktijk moet worden toegepast moet mede op basis van de praktijk en wetenschappelijke inzichten door het IMG worden bepaald. Het IMG maakt bijvoorbeeld gebruik van het rapport van het panel van deskundigen dat het IMG in 2018 heeft uitgevraagd. Wetenschappelijke inzichten over schade en gaswinning zijn en blijven in ontwikkeling. Voor een goede en zorgvuldige uitoefening van de wettelijke taak blijft het IMG daarom zijn werkwijze toetsen aan nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Nu er bijna 100.000 schademeldingen zijn afgehandeld, blijkt dat het hierboven genoemde paneladvies soms onvoldoende concrete handvatten biedt om het wettelijke bewijsvermoeden op een eenduidige manier toe te passen.
Betekent dit dat er nu weer een groep gedupeerden van de gaswinningsactiviteiten hun recht niet kan halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe staat de conclusie uit het recente onderzoek van Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) en de Techtnische Universiteit Delft, waar onderzocht werd of bodemdaling de oorzaak was van schade in verhouding tot het genoemde advies uit 2019? Is dit geen stap terug in de tijd? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Het IMG zag in een specifiek gebied het aantal afwijzingen toenemen. Het IMG constateerde dat er verschillende adviezen van onafhankelijke deskundigen gegeven werden betreffende eventuele schade door bodemdaling. Het leidde tot onrust bij schademelders en het IMG wilde duidelijkheid. Het IMG heeft de TU Delft en TNO daarom in december 2020 gevraagd om nader advies over de kans op schade door diepe bodemdaling en -stijging, veroorzaakt door de gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg. Het rapport is gepubliceerd op 2 maart 2021. Uit een vergelijking tussen de grenswaarden op basis van de literatuur en de berekende effecten van diepe bodemdaling blijkt volgens de onderzoekers dat zowel voor de gasopslag Norg als het Groningenveld de effecten van diepe bodemdaling binnen de gestelde grenswaarden blijven en daarmee niet leiden of hebben geleid tot schade aan gebouwen.
Het IMG bekijkt momenteel hoe dit advies zich verhoudt met het advies van het panel van deskundigen van januari 2019. Het IMG is voornemens hier op korte termijn uitsluitsel over te geven.
Met welke reden en welk doel is dit onderzoek gestart, terwijl bovengenoemd advies uit 2019 ook de rand van het Groningenveld en de gasopslag bij Norg betrof? Wordt daarmee de expertise van het panel van onafhankelijke, specialistische deskundigen, in twijfel getrokken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor een goede en zorgvuldige uitoefening van de wettelijke taak blijft het IMG zijn werkwijze toetsen aan nieuwe ontwikkelingen en inzichten.
Zoals in de beantwoording van vraag 3, 4 en 5 is gemeld, heeft het IMG geconstateerd dat het paneladvies uit 2019 in de praktijk onvoldoende concrete handvatten biedt om het wettelijke bewijsvermoeden op een eenduidige manier toe te passen. Dit is aanleiding geweest voor het IMG om extra onderzoek te doen.
Wat gaat er nu gebeuren met de 1250 meldingen aan de rand van het Groningenveld en de gasopslag bij Norg? Hoe gaat u het deze mensen uitleggen dat mogelijk hún schade niet door de gaswinning komt, maar die van een 700 andere omwonenden wel?
Het IMG is onafhankelijk bevoegd als ZBO om zijn werkwijze vast te stellen en de meldingen af te handelen. Het is ook aan het IMG om hierover te communiceren. Zoals het IMG heeft aangegeven in zijn bericht hierover van 31 maart jl.2 op de website van het IMG, zal de afhandeling van de aanvragen van deze groep bewoners meer tijd in beslag nemen. Bewoners zijn per brief door het IMG geïnformeerd over de vertraging in de behandeling van hun aanvraag tot vergoeding van schade. Het IMG zal in mei communiceren over de verdere schadeafhandeling en over de aanpassingen in de werkwijze.
Welke gevolgen gaat dit recente rapport betekenen voor de rest van de schadeafhandeling in Groninger aardbevingsgebied?
Het is uiteindelijk aan het IMG om een besluit te nemen over de schadeafhandeling. Zoals het IMG heeft aangegeven in zijn nieuwsbericht van 31 maart jl., is er nog geen antwoord op de vraag wat het recente onderzoek naar bodemdaling en -stijging gaat betekenen voor de afhandeling van fysieke schade. Het IMG zal naar verwachting op korte termijn communiceren over de verdere afhandeling en aanpassingen in de werkwijze. Het IMG betrekt hierbij ook de aanvullende technische adviezen over zettingsschade en mestkelders.
Wanneer is het aangekondigde vervolgonderzoek (naar wat de directe effecten zijn van de bodemdaling die schade aan gebouwen kunnen veroorzaken, zoals de effecten op de waterhuishouding) afgerond?
Het IMG heeft laten weten hierover naar verwachting op korte termijn, tezamen met de in antwoord op vraag 8 toegelichte onderwerpen, te communiceren.
Deelt u de mening van uw voorganger dat mede door het toepassen van het advies uit januari 2019 het vertrouwen in de schadeafhandeling in Groningen is gegroeid? Zo ja, hoe gaat u er dan voor zorgen dat dit vertrouwen niet opnieuw beschaamd wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2.
Is u bekend dat schades worden afgewezen op basis van «trilling snelheden per seconde»? Hoe kunnen gedupeerden dit weerleggen? Hoe staat dit in verhouding tot het bewijsvermoeden?
Het IMG geeft aan dat het wettelijke bewijsvermoeden volgens het advies van het panel van deskundigen alleen wordt weerlegd als de deskundige het «voldoende aannemelijk» maakt dat de schade niet door bodembeweging door mijnbouw is veroorzaakt. Hiervoor wordt van de deskundige, gelet op de eisen die aan de totstandkoming van zijn advies en een besluit van het Instituut mogen worden gesteld, een hoge mate van zekerheid verlangd. Daarvoor is volgens de Hoge Raad geen onomstotelijk bewijs vereist (voor zover dergelijk bewijs al bestaat). Het bewijsvermoeden is bijvoorbeeld weerlegd indien een andere oorzaak van de schade is gebleken. Het wettelijke bewijsvermoeden is volgens het panel van deskundigen van toepassing bij schade aan gebouwen of werken gesitueerd boven het Groningenveld of de gasopslag Norg en tot zes kilometer daarbuiten. Het wettelijke bewijsvermoeden is volgens het panel ook van toepassing als een aardbeving in het Groningenveld of de gasopslag Norg bij het gebouw tot een trillingssnelheid van de bodem ter plaatse leidde die hoger is dan wat normaal is in Nederland (minimaal 2 mm/s, met een marge van 1 procent). Zoals hiervoor aangegeven, wordt het wettelijke bewijsvermoeden weerlegd als sprake is van een andere oorzaak van de schade. Als onderbouwing daarvan kan de deskundige opvoeren dat de hiervoor genoemde trillingssnelheid zich niet heeft voorgedaan.
Bent u bekend met het jaarrapport 2020 van het IMG? Wat is uw reactie op de conclusie dat er veel goed gaat, maar dat het nog beter kan?2
Ik ben bekend met het jaarrapport 2020 van het IMG en heb dit op 13 april jl. aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 33 529, nr. 865). Het IMG (en daarvoor de TCMG) bestaat nu minder dan drie jaar en heeft een indrukwekkende prestatie neergezet. Deze relatief jonge organisatie is begonnen in een tijd dat er slechts circa 40 meldingen van fysieke schade per week binnenkwamen. Inmiddels zijn dit er 1000 per week. In totaal heeft het IMG bijna 100.000 schademeldingen ontvangen. Het is het IMG door capaciteitsuitbreiding en slim werken gelukt om de afhandeling van deze meldingen gestaag door te laten gaan. Zelfs met deze grote stijging van het aantal meldingen is het gelukt om in 2021 71% van de meldingen binnen een half jaar af te handelen. Naast de afhandeling van deze fysieke schade heeft het IMG ook voortgang geboekt met de afwikkeling van andere vormen van schade die het sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen op 1 juli 2020 af mag handelen: schade door waardedaling en immateriële schade.
Het IMG heeft al meer dan 82.000 vergoedingen uitgekeerd voor schade door waardedaling en de werkwijze voor immateriële schade is in voorbereiding. De start heeft vertraging opgelopen gezien de complexiteit van de materie. Ook zal er meer aandacht zijn voor schrijnende situaties. Hierover is het Rijk met de regio, het IMG en de NCG in gesprek. Het IMG benoemt in zijn jaarverslag ook dat de schadeafhandeling nog beter kan. Het IMG geeft aan een fundamentele keuze te zullen moeten maken over de praktische uitvoering van de beoordeling van fysieke schade en de afhandeling ervan in het licht van een reeks uitgevraagde onderzoeken. Ik vind het positief om te zien dat de inspanningen van het IMG ook door de bewoners in Groningen worden gewaardeerd: gemiddeld geven zij het IMG een 7.9. Dit cijfer is gebaseerd op ruim 21.000 reacties van aanvragers die een besluit hebben ontvangen. Ik heb er vertrouwen in dat de schadeafhandeling in Groningen in handen van het IMG een verder soepel verloop zal kennen.
Waar bevinden zich precies de randen van de effectgebieden? Welke oorzaken hebben de schades daar, als mijnbouwactiviteiten niet de oorzaak zijn?
Op de site van het IMG is een kaart te vinden waarop het effectgebied afgebeeld staat (https://www.schadedoormijnbouw.nl/schade-gebouwen-objecten/schade-beoordelen/schade-en-geografische-afstand). Deze kaart toont het Groningenveld en de gasopslag Norg. Er omheen is een oranje gebied aangegeven van zes kilometer. Dit is de weergave van het eerste beoordelingscriterium. Daarbinnen is het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing. Het tweede beoordelingscriterium kan niet met één gebied op de kaart worden weergegeven aangezien er gerekend kan worden met de invloed van meerdere bevingen. In elk individueel geval dient te worden vastgesteld of een gebouw of werk gelegen is op een plek waar de trillingssterkte voldoet aan de grenswaarde van 2 mm/s met 1 procent overschrijdingskans van één of meerdere bevingen. Daarbinnen is het wettelijk bewijsvermoeden ook van toepassing. Indien de schade niet door gaswinning wordt veroorzaakt, zijn verschillende oorzaken mogelijk. Het rapport van het panel van deskundigen dat het IMG in 2018 heeft uitgevraagd, geeft aan dat het bijvoorbeeld denkbaar is dat bij de bouw van het gebouw of werk fouten zijn gemaakt (bijvoorbeeld gebreken in de constructie of in de gebruikte materialen), aan het gebouw of werk onvoldoende onderhoud is gepleegd of de ouderdom van het gebouw of werk ertoe kan hebben geleid dat het in slechte staat is komen te verkeren.
Wie doet het onderzoek van het IMG naar de samenhang van de schades in deze gebieden en de kleinere schadekans (jaarrapportage, p. 3)? Wat is de onderzoeksopdracht? Wordt in dit onderzoek ook meegenomen hoe het komt dat er in de randen van effectgebieden steeds meer meldingen komen, terwijl er juist vanuit de plekken waar de kans veel groter is, minder meldingen komen, zoals Dhr. Kortmann in zijn interview in december 2020 stelt?3
In de loop van 2020 zijn door het IMG meer aanvragen voor fysieke schade afgewezen op basis van de rapporten van onafhankelijke experts en is er tegelijkertijd een stijging waarneembaar geweest van het aantal schademeldingen in de randen van de effectgebieden van bevingen, waar de schadekans veel kleiner is. Het IMG onderzoekt hoe dit met elkaar samenhangt en betrekt hierbij nieuwe technische inzichten, zoals het advies van TU Delft en TNO naar bodemdaling en -stijging. Het IMG heeft TU Delft en TNO gevraagd nader advies uit te brengen over de vraag of diepe bodemdaling en -stijging schade aan gebouwen en objecten kan veroorzaken en onder welke omstandigheden. Er zijn namelijk specifieke gebieden in Groningen en Drenthe die buiten het effectgebied van de beving bij Huizinge liggen, terwijl die gebieden dan nog wel binnen het effectgebied liggen van de bodemdaling en -stijging. Juist uit deze gebieden registreerde het IMG steeds meer schademeldingen. Deskundigen adviseerden desbetreffende aanvragen af te wijzen omdat er geen schade door trillingen kan zijn veroorzaakt, maar volgens hen ook bodemdaling en -stijging niet relevant was voor het ontstaan van de schade.
In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat diepe bodemdaling in de gasopslag Norg en het Groningenveld niet leidt of heeft geleid tot schade aan gebouwen. Het IMG heeft naar aanleiding van het rapport opdracht gegeven voor een vervolgonderzoek naar de indirecte kans op schade aan gebouwen en objecten door diepe bodemdaling en -stijging door gasopslag Norg en het Groningenveld. Er is niet onderzocht hoe het komt dat er in de randen van effectgebieden steeds meer meldingen komen, terwijl er juist vanuit de plekken waar de kans veel groter is, minder meldingen komen Het IMG heeft laten weten hierover naar verwachting op korte termijn, tezamen met de in antwoord op vraag 8 genoemde onderzoeken, te communiceren.
Hoe draagt dit onderzoek bij aan meer eenduidigheid die Dhr. Kortmann wil nastreven, zoals hij dat noemt in het bericht in Trouw? Wat heeft het IMG nodig om de eenduidigheid te versterken?4
Zoals door het IMG op 31 maart jl. is gecommuniceerd constateerde het IMG de laatste maanden dat bij circa 10 tot 15 procent van de adviesrapporten er een sterk afwijkende beoordeling is, vergeleken met eerdere advisering over gebouwen in de directe omgeving. De afwijkingen worden steeds zichtbaarder, juist vanwege de reeds grote aantallen afgehandelde schademeldingen. Het IMG voert daar momenteel een analyse op uit. Tegelijkertijd heeft het IMG de afgelopen maanden al diverse aanvullende technische adviezen ontvangen voor de beoordeling van fysieke schade. Het gaat om advies over het omgaan met schade door zettingen (verzakkingen) door trillingen van bevingen, mestkelders en – meest recent – de directe kans op schade door diepe bodemdaling. Met dit alles in ogenschouw genomen, heeft het IMG besloten in mei van dit jaar al deze onderwerpen in samenhang te wegen om zo de eenduidigheid te vergroten.
Hoe gaat het IMG actiever op zoek naar Groningers die nog geen schadevergoeding hebben aangevraagd, terwijl ze daar wel recht op hebben? Hoe gaat het IMG er tegelijkertijd voor zorgen dat de afhandeling van schade sneller gaat?
Het is niet duidelijk hoeveel bewoners hun schade niet melden. Door een laagdrempelige en rechtvaardige afhandeling van schade probeert IMG zo veel mogelijk bewoners te bereiken. Het IMG heeft ook steunpunten in verschillende aardbevingsgemeenten geopend. Deze zijn een aantal dagdelen per week open voor inwoners met algemene vragen over mijnbouwschade en schaderegelingen. Bij deze steunpunten worden bijvoorbeeld ook bewoners die laaggeletterd zijn, geholpen met hun schadeaanvraag. Met de steunpunten wordt bijgedragen aan zichtbaarheid in de regio. Door middel van gerichte communicatie bekijkt het IMG in lijn met de motie Kops (Kamerstuk 33 529, nr. 861) hoe Groningers bereikt kunnen worden. Zo is voorafgaand aan de start van de waardedalingsregeling een huis-aan-huis brochure verspreid. Ook voor de afhandeling van immateriële schade wordt bezien hoe de doelstelling om zoveel mogelijk Groningers te bereiken behaald kan worden.
Tegelijkertijd blijft het IMG zich inspannen om het aantal meldingen dat binnen een half jaar afgehandeld wordt te verhogen. Het IMG neemt daartoe maatregelen zoals o.a. het verhogen van het aantal schade-experts in dienst bij het IMG, het mogelijk maken van digitale schade-opnames en extra inzet op het oplossen van oude en complexe schademeldingen.
Hoe gaan de ruim 30.000 openstaande schademeldingen, wat een record is, opgelost worden? Is daar een plan voor gemaakt? Zo ja, kunt u dat met de Kamer delen? Zo nee, wanneer wordt dat plan gemaakt?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 en vraag 16, is het aantal openstaande schademeldingen niet zozeer van belang, maar veeleer een zorgvuldige en snelle afhandeling van de meldingen. Het IMG heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke versnelling aangebracht in de schadeafhandeling en zich continue ingezet om de schadeafhandeling te versnellen en doet dat nog steeds. Ik informeer uw Kamer regelmatig over de doorlooptijden en de maatregelen die het IMG treft om het aantal meldingen dat binnen een halfjaar wordt afgehandeld, te verhogen.
Hoeveel schades kunnen er dit jaar afgehandeld worden? Hoeveel daarvan zijn complexe schades?
Het IMG heeft in het voorwoord bij het jaarverslag 2020 aangegeven in 2021 in totaal 900 miljoen euro aan schadevergoeding toe te kennen. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat het IMG in 2021 evenveel schademeldingen voor fysieke schade afhandelt als in 2020. Het IMG streeft daarbij naar een afhandelingstermijn van zes maanden voor reguliere dossiers. In 2020 kreeg 71% van de schademeldingen binnen een half jaar een beslissing. De afhandelingsduur voor speciale dossiers is moeilijk te voorspellen, onder andere vanwege de specifieke expertise die ingezet wordt om deze af te handelen en de complexiteit van deze dossiers. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 1 heeft het IMG over de volle breedte een belangrijke versnelling aangebracht in de schadeafhandeling, zowel bij de reguliere dossiers als bij de speciale dossiers
Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel schades er zijn gemeld, per jaar vanaf 2012, en afgehandeld in de verschillende gemeentes? Kunt u in dit overzicht ook aangeven hoeveel van deze schades nu nog steeds niet zijn opgelost?
Op de website van het IMG is uitgebreide informatie te vinden over onder andere het aantal schademeldingen en het aantal afgehandelde schademeldingen per gemeente. Bij het IMG (en zijn rechtsvoorganger de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen) zijn sinds april 2018 circa 110.000 schademeldingen gedaan. Hiervan zijn er circa 77.000 afgehandeld en nog circa 32.000 openstaand. De ruim 80.000 schademeldingen die bij NAM sinds 2012 zijn gedaan, zijn op een klein aantal zaken na afgerond. De afgelopen periode heeft het IMG sterk ingezet op het afhandelen van langlopende schades. Momenteel zijn er nog 300 van dit type langlopende, complexe schades niet opgelost.
Wat is de te verwachten duur van de afhandeling van die complexe schades nu nog? Wat gaat u doen om deze langdurige, complexe schades sneller afgehandeld te kunnen laten zijn?
Het IMG communiceert op zijn website over de verwachte afhandelingsduur van reguliere dossiers. De verwachte afhandelingsduur daarvan bedraagt 161 dagen. Hiermee wordt de nagestreefde doorlooptijd van 6 maanden (182 dagen) behaald. De afhandelingsduur voor specials is volgens het IMG minder goed te bepalen, onder andere vanwege de specifieke expertise die ingezet wordt om deze af te handelen en de complexiteit van deze dossiers. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 1 en 16 heeft het IMG over de volle breedte belangrijke versnelling aangebracht in de schadeafhandeling, zowel bij de reguliere dossiers als de specials.
Hoe staat de onafhankelijkheid van het IMG, zoals ook in het jaarverslag wordt beschreven, in verhouding tot het wachten van mensen, die aangesloten zijn bij stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen (WAG), op toestemming van de NAM of ze terecht kunnen bij het IMG? Werkt de NAM mee, door die toestemming te geven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het IMG is op grond van de Tijdelijke wet Groningen niet bevoegd om een aanvraag voor vergoeding van schade in behandeling te nemen als er een procedure bij de civiele rechter loopt. Indien in de praktijk een bewoner de lopende procedure tegen NAM over de omvang van de waardedaling tijdig beëindigt, kan het IMG de aanvraag alsnog in behandeling nemen. Als de bewoner zijn deelname aan stichting WAG procedure heeft beëindigd, zal stichting WAG dat aan de NAM moeten melden en de procedure moeten intrekken. De NAM verwerkt dat vervolgens in de gegevens die zij het IMG beschikbaar stelt over woningeigenaren die al een claim hebben lopen. Het IMG laat weten dat de NAM hieraan mee werkt en deze toestemming geeft.
Is het onderzoek, dat u aankondigde in uw brief aan dhr. Klaassen in februari, over eventuele verschillen tussen de waardedaling die is toegekend door NAM en door IMG, dat in maart afgerond zou zijn, inmiddels in uw bezit? Zo ja, wanneer brengt u de gedupeerden die hiermee te maken hebben op de hoogte? En wanneer deelt u het met de Kamer?
In mijn brief van 13 april j. (Kamerstuk 33 529, nr. 865) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de planning van het onderzoek waardedaling. Naar verwachting levert Finance Ideas het onderzoek in juli 2021 op. Het onderzoek bestaat uit dossieronderzoek, gesprekken met bewoners die zich gemeld hebben, met andere betrokken partijen, waaronder NAM en taxateurs, en een juridische analyse van de schadeafhandeling. Het dossieronderzoek vergt tijd omdat de juiste gegevens van het taxatieproces dienen te worden verzameld en vervolgens grondig geanalyseerd. Voorts bekijkt Finance Ideas in samenwerking met een externe partij of de vergoedingen voor waardedaling destijds in lijn met de wet- en regelgeving zijn afgehandeld. Het onderzoek gaat niet in op de verschillen tussen de Waarderegeling van NAM en de afhandeling van schade door waardedaling door het IMG. Naast het feit dat deze grondige aanpak tijd vergt, bevat dit proces ook de nodige doorlooptijd gezien het aantal betrokken partijen en het opvragen van de gegevens voor het dossieronderzoek. Het onderzoeksbureau heeft aangegeven eind mei een tussenrapportage te kunnen opstellen.
Ondanks dat ik net als uw Kamer hecht aan snelle duidelijkheid, is het van belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd en dat op basis van de onderzoeksresultaten eventuele vervolgstappen worden genomen. Ik zal hiermee later, naar verwachting in juli 2021, voldoen aan de motie van het lid Sienot over het uiterlijk 15 april aanbieden van het onderzoek met appreciatie (Kamerstuk 35 462, nr. 11). Dan bepaal ik ook eventuele vervolgstappen waarna ik gedupeerden hierover kan informeren. Ondertussen werk ik conform de motie Mulder/Boucke (Kamerstuk 33 529, nr. 855) stappen uit om aan de motie Beckerman (Kamerstuk 35 603, nr. 48), over een plan van aanpak voor een rechtvaardige compensatie, te voldoen. Naar aanleiding van mijn toezegging op 14 april jl., zal ik uw Kamer meer feitelijke informatie over dit onderwerp verschaffen en werk ik in lijn met de motie van het lid Beckerman (Kamerstuk 35 603, nr. 48) aan een plan van aanpak.
Waarop baseert het IMG de conclusie dat funderingen niet zijn aangetast door aardbeving of bodemdaling als gevolg van gaswinning? Welke oorzaak is er dan wel voor matige of zwakke funderingen, volgens het IMG?
Problemen met funderingen komen veel voor in heel Nederland. Op basis van het advies van deskundigen wordt bepaald of schade aan de fundering veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg. Als dit het geval is, wordt deze schade door het IMG vergoed. Als herstel van de fundering nodig is om te voldoen aan de veiligheidsnorm, wordt dit meegenomen in de versterkingsoperatie. Indien de problemen niet door gaswinning zijn veroorzaakt, zijn verschillende oorzaken denkbaar volgens het IMG, bijvoorbeeld uitvoeringsfouten bij de aanleg van de fundering of te zware belasting van de fundering. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Versterken is het amendement Mulder (Kamerstuk 35 603, nr. 43) aangenomen, dat oproept in bijzondere gevallen het IMG de mogelijkheid te bieden om kosten voor maatregelen te vergoeden voor het aanpakken van onderliggende schadeveroorzakende problemen die niet binnen het aansprakelijkheidsrecht vallen, maar die wel nodig zijn voor het duurzaam herstel van woningen. In bijzondere gevallen kan het namelijk wenselijk zijn dat ook voor kosten van maatregelen die nodig zijn voor het duurzaam herstel van de opgetreden schade een tegemoetkoming in geld of in natura wordt toegekend, naast de reeds bestaande mogelijkheid om een «redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade» te nemen die binnen het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht valt. In bepaalde gevallen zal dit uitkomst kunnen bieden wanneer er sprake is van funderingsproblematiek.
Hoeveel schades aan funderingen zijn er gemeld in de afgelopen jaren? Hoeveel daarvan zijn er toegekend? Hoeveel daarvan zijn er afgewezen? Met welke reden?
Het IMG geeft aan dat het deze cijfers niet bijhoudt.
Hoe wordt er nu en in de toekomst omgegaan met schade aan funderingen? Wie gaat de kosten daar van betalen?
Het IMG heeft op grond van de Tijdelijke wet Groningen als taak om schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (hierna: schade door bodembeweging) te vergoeden met toepassing van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Het IMG is hierin onafhankelijk. De kosten voor het herstel van funderingsschade die is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag Norg, worden bij de NAM in rekening gebracht op grond van artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen. Deze kosten kunnen ook worden verhaald op de NAM. Het recht op vergoeding van schade omvat op grond van artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in situaties waarin er sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging ook de «kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade». Daarmee heeft het IMG op grond van de reeds in de Tijdelijke wet Groningen vastgelegde taak al de mogelijkheid te kiezen voor duurzaam herstel door een redelijke maatregel ter voorkoming van schade, in plaats van die schade slechts te herstellen of daar een vergoeding voor te geven. Dergelijke maatregelen vallen daarmee binnen de taak van het IMG en zijn dus ook middels een door mij op te leggen heffing te verhalen op de NAM.
Daarnaast is bij de stemming over het wetsvoorstel Versterken een amendement aangenomen waarmee het IMG de mogelijkheid krijgt om maatregelen te nemen die een duurzaam herstel van schade mogelijk maken die verder gaan dan wat redelijk is ter voorkoming of beperking van schade door bodembeweging (artikel 6:184 BW). Herstel van de fundering, kan hier onderdeel van zijn. Ik heb het IMG gevraagd in kaart te brengen welke gevallen dit betreft en hoe vaak dit voorkomt. Zodra duidelijk is hoe het IMG hier uitvoering aan zal geven, zal ik met de NAM het gesprek aangaan over de kosten.
Waar bevinden zich de 109 gegrond verklaarde Acuut Onveilige Situaties? In welke fase van versterking of sloop/nieuwbouw bevinden deze situaties zich? Hoe gaat het met de bewoners van deze panden? Waar stonden deze panden op de prioriteringslijst?
Er is sprake van een acuut veiligheidsrisico wanneer de constructie zo is aangetast dat er een direct risico voor mens, dier en milieu bestaat. Er is geen tijd om dit volgens de normale procedure te herstellen, de zaak moet onmiddellijk worden veiliggesteld. Na een melding van een Acuut Onveilige Situatie (AOS) vindt binnen 48 uur een inspectie plaats. Bij deze inspectie wordt de situatie ter plaatse beoordeeld. Indien sprake is van een gegronde AOS vindt direct veiligstelling plaats. In onderstaande tabel staat waar de desbetreffende panden zich bevinden. Deze cijfers zijn gebaseerd op de jaarrapportage 2020 van het IMG.
Appingedam
4
Delfzijl
9
Loppersum
4
Groningen
25
Het Hogeland
8
Midden-Groningen
22
Noordenveld
1
Oldambt
21
Pekela
4
Veendam
8
Westerkwartier
3
Het IMG maakt samen met de NCG samenwerkingsafspraken zodat, als sprake is van een gegronde AOS die nog niet in de werkvoorraad van de NCG is opgenomen, deze aan de werkvoorraad van de NCG wordt toegevoegd.
Bent u bekend met de resultaten van het onderzoek van uw toezichthouder Staatstoezicht op de Mijnen naar het meetnetwerk van het KNMI, waaruit blijkt dat Groningers onveiliger waren dan werd aangenomen? Wat is hierop uw reactie?5
Ja, ik ben bekend met de resultaten van het onderzoek van Staatstoezicht op de Mijnen naar het meetnetwerk van het KNMI. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en ik hebben de rapportage van SodM op 11 maart 2021 (Kamerstuk 33 259, nr. 849) naar uw Kamer gestuurd, samen met onze reactie en enkele gerelateerde stukken. Volledigheidshalve verwijs ik u naar deze brief. Graag onderstreep ik dat de afwijkingen in de metingen geen invloed hebben gehad op het verloop van de versterkingsoperatie of de schadeafhandeling.
Welke gevolgen hebben deze meetfouten, achteraf gezien, voor de schadeafhandeling, de versterkingsoperatie en de waardedalingsregeling?
Een ambtelijke werkgroep heeft de gevolgen van de afwijkende metingen onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen effect is geweest op de schadeafhandeling, de versterkingsoperatie of diverse regelingen. Deze conclusies zijn onafhankelijk gevalideerd door een expertgroep (Kamerstuk 33 529, nr. 641, nr. 707 en nr. 849). Deze partij ondersteunde de conclusie.
Klopt het dat zeker 30 adressen in Drieborg/Kostverloren, in de gemeente Oldambt, schade hebben, maar net buiten de effectgrenzen vallen? Wat is daarop uw reactie?
In totaal zijn in Drieborg/Kostverloren, die inderdaad buiten het in antwoord op vraag 13 toegelichte effectgebied liggen, 97 schademeldingen gedaan. Het grootste deel daarvan is reeds afgehandeld. Van deze 97 schademeldingen heeft het IMG er 11 nog in behandeling.
Zijn er uitzonderingsregels, betreffende het bewijsvermoeden, voor monumentale panden buiten de voormalige «contouren»? Gelden deze uitzonderingsregels ook voor anderen buiten de contouren?
In het rapport van het panel van deskundigen dat het IMG in 2018 heeft uitgevraagd, wordt opgemerkt dat in zeer uitzonderlijke situaties mogelijk een uitzondering moet worden gemaakt op de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden zoals omschreven in antwoord op vraag 13. Het gaat dan om gevoelige gebouwen of werken zoals gebouwen of werken in wierdendorpen, op taluds en langs slootkanten, of bepaalde grote boerderijen of molens. Het rapport van het panel van deskundigen is op de website7 van het IMG te vinden en de uitzonderingen worden op de webpagina waar het IMG toelicht hoe het wettelijke bewijsvermoeden wordt toegepast, benoemd.8
Zijn er panden waarvoor bijzondere voorwaarden gelden, zoals bijvoorbeeld dijkwoningen? Zo ja, Welk soort panden zijn er en hoeveel? Kennen eigenaren van deze panden de normen en speciale voorwaarden?
Zie antwoord vraag 30.
Het artikel 'Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten' |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten»?1
Ja.
Kunt u een verdere toelichting geven hoe deze fout met de beslagvrije voet heeft kunnen plaatsvinden?
Voor de berekening van de beslagvrije voet wordt onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit de Polisadministratie van het UWV. Er is gebleken dat ruim 200 gemeenten de vakantietoeslag van bijstandsgerechtigden niet maandelijks maar in een ander ritme, doorgaans jaarlijks, doorgeven aan de Polisadministratie. Binnen de systematiek van de loonaangifteketen is dit toegestaan. Daarom benadruk ik dat er geen sprake is van een fout van de betreffende gemeenten. De rekenmodules waarmee de beslagvrije voet wordt berekend, gaan ervanuit dat inkomensverstrekkers de vakantietoeslag maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. De beslagvrije voet bedraagt bij inkomens rond het bijstandsniveau 95% van het inkomen inclusief vakantietoeslag. Wanneer de vakantietoeslag niet elke maand aan de Polisadministratie wordt doorgegeven, komt uit de rekenmodules voor de beslagvrije voet een te lage beslagvrije voet (95% van het inkomen exclusief vakantiegeld).
Kunt u een overzicht geven bij welke gemeenten dit is misgegaan? Kunt u daarbij ook aangeven welke maatregelen deze gemeenten gaan nemen om het teveel geinde geld terug te geven? Op welke termijn gaat dat gebeuren?
Er is geen sprake van een fout van gemeenten. Zij mogen de vakantietoeslag maandelijks dan wel in een ander ritme doorgeven aan de Polisadministratie. In de bijlage2 is een lijst opgenomen met alle gemeenten, waarbij is aangegeven of zij de vakantietoeslag maandelijks of in een ander ritme doorgeven.
Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens. De Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft alle gerechtsdeurwaarders verzocht om de te veel ingehouden inkomsten door te storten naar de mensen zelf bij wie te veel inkomsten zijn ingehouden. Als de gerechtsdeurwaarder geen rekeningnummer heeft van de betrokkene, zal de gerechtsdeurwaarder het geld terugstorten naar de gemeente die dit op haar beurt direct doorstort naar de betreffende inwoner. Dit kan zolang dit geld nog op de derdengeldrekening van de gerechtsdeurwaarder staat. Wanneer de gerechtsdeurwaarder het ingehouden bedrag al heeft doorgestort naar de schuldeiser, moet een oplossing op maat worden gezocht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een schuldeiser die het te veel ingehouden bedrag zelf terugstort aan de schuldenaar of dat er afspraken worden gemaakt zodat er de navolgende maanden minder op het inkomen wordt ingehouden.
Klopt het dat dit probleem met de beslagvrije voet mogelijk groter is en dat dit mogelijk ook bij UWV en werkgevers speelt? Bent u bereid om het, in het artikel door u aangekondigde, onderzoek met de Kamer te delen? Gaat u in dit onderzoek ook in op de zorg dat het probleem mogelijk ook speelt bij mensen van wie wel de goede vakantietoeslag is doorgegeven maar die bijvoorbeeld tijdelijk zijn gekort op hun bijstandsuitkering?
Het ketenbureau van het Ministerie van SZW bekijkt op dit moment welke inkomensverstrekkers de vakantietoeslag anders dan maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. Deze informatie wordt gebruikt bij het vinden van een structurele oplossing teneinde gelijksoortige problemen te voorkomen in de toekomst. Bij het uitwerken van deze structurele oplossing worden mogelijke verkeerde berekeningen na een tijdelijke korting op de uitkering ook meegenomen.
Bent u van mening dat een dergelijke fout bij mensen in de schulden er toe leidt dat mensen gewoonweg geen geld meer hebben voor de huur of boodschappen en daarbovenop er een risico kan ontstaan op extra schulden of wellicht zelfs huisuitzettingen?
Een te lage beslagvrije voet kan inderdaad ongewenste gevolgen hebben. Daarom werken het ketenbureau en de ketenpartijen nauw samen om de processen en systemen continu te monitoren en optimaliseren. Er is direct actie ondernomen toen bekend werd dat de beslagvrije voet te laag werd vastgesteld. Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens.
Bent u daarom van mening dat dit zo spoedig mogelijk dient te worden opgelost, om zodoende te voorkomen dat mensen in de schulden nog verder in de problemen worden geholpen door fouten van de overheid?
Zie antwoord vraag 5.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat deze mensen gecompenseerd en geholpen worden?
Er is met de KBvG afgesproken dat de gerechtsdeurwaarders alle beslagen die in de periode 1 januari–31 maart jl. zijn gelegd controleren. In die gevallen waarin de beslagvrije voet te laag is vastgesteld wordt deze direct aangepast. Mensen die dit betreft worden snel geholpen. Het ketenbureau heeft daartoe samen met de KBvG en VNG een werkinstructie opgesteld voor gemeenten en gerechtsdeurwaarders.
Bent u tevens van mening dat de houding, zoals geschetst in het artikel, van de deurwaarders kwalijk is? Vindt u daarom ook dat zij verantwoordelijk zijn en daarom alles op alles dienen te zetten om de door hun teveel geinde bedragen terug te geven aan de mensen waarbij teveel geld is geïnd?
Ik vind dat iedereen de beslagvrije voet moet krijgen waar hij of zij recht op heeft. Om de beslagvrije voet goed te kunnen berekenen is een rekenmodule ontwikkeld waarmee alle gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet op dezelfde manier kunnen berekenen, conform de regels die hiervoor in de wet zijn opgenomen. Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 heb uiteengezet, berekent de rekenmodule de beslagvrije voet onder meer op basis van gegevens uit de Polisadministratie. Gerechtsdeurwaarders gebruiken de rekenmodule. Net zoals dat er in dit geval geen sprake is geweest van een fout van gemeenten, is er ook geen sprake van een fout van gerechtsdeurwaarders.
De zorgplicht bij gerechtsdeurwaarders houdt in dat deze zowel de rechten van de schuldeiser als de schuldenaar in ogenschouw neemt. Hij werkt weliswaar in opdracht van een schuldeiser, maar tegelijkertijd is een gerechtsdeurwaarder onafhankelijk en onpartijdig. Vanuit dat oogpunt proberen zij zowel voor de schuldenaar als schuldeiser te voorkomen dat onnodige kosten worden gemaakt. In dit specifieke geval heeft de KBvG mij desgevraagd gemeld haar leden nadrukkelijk te hebben verzocht om gelden die zij nog onder zich hebben door te storten naar de mensen of terug te storten naar de gemeente. Daar waar dit niet meer mogelijk is, omdat de gelden al zijn doorgestort naar de schuldeiser worden schuldeisers verzocht om dit terug te storten. Het ketenbureau blijft hierover in gesprek met de KBvG.
Bent u ook van mening dat er een zorgplicht bij deurwaarders ligt om er zeker van te zijn dat mensen in de schulden niet onnodig extra in de problemen worden geholpen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kijkt u aan tegen de goede suggestie van de voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden dat gemeenten gewoon vijf procent van het totaal inkomen dienen af te dragen in plaats van het huidige ingewikkelde stelsel?
Ik vind dit een goede suggestie en onderzoek op dit moment of deze optie als permanente oplossing kan dienen. Ik zal uw Kamer hierover nader informeren bij de volgende voortgangsbrief over de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.
Bent u bereid om deze suggestie verder te onderzoeken en de resultaten hierover naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 10.