Bent u bekend met deze berichten?1, 2, 3
Ja.
Bent u ermee bekend dat onderzoek op basis van een Rotterdamse pilot heeft aangetoond dat in twee maanden tijd maar liefst 16.000 keer de geluidsnormen fors werden overschreden door een relatief selecte groep verkeersaso’s?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat bewoners, ondernemers, winkelend publiek en uitgaanspubliek vierentwintig uur per dag geteisterd worden door de bewust veroorzaakte herrie, vaak tientallen decibels boven de toegestane grens, door bijvoorbeeld knallende uitlaten, toeteroptochten en grove snelheidsovertredingen van patserwagens binnen de bebouwde kom? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik inderdaad. Daarom gelden er ook verschillende regels om geluidsoverlast door motorvoertuigen tegen te gaan. Voordat een personenauto of motorfiets wordt toegelaten tot de weg, moet dat voertuig een (type)goedkeuring doorlopen. Deze typegoedkeuring is op Europees niveau vastgelegd en bevat gedetailleerde eisen aan geluidproductie en de wijze van meten. Eenmaal toegelaten dient een motorvoertuig altijd te voldoen aan de zogenaamde «permanente eisen» uit de Regeling voertuigen. Zowel in de typegoedkeuringseisen als de permanente eisen zijn maximale geluidsnormen opgenomen, die zijn afgeleid uit Europese Regelgeving4. Daarnaast is in artikel 57 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) opgenomen dat er geen onnodig geluid mag worden geproduceerd met een voertuig (zoals onnodig slippen, gas geven, remmen). Daarnaast is het onnodig claxonneren verboden in artikel 28 RVV.
De politie handhaaft op het te veel geluid produceren door verkeersdeelnemers. Dat gebeurt zowel in situaties waarin een verkeersdeelnemer onnodig geluid produceert als door te meten of het voertuig voldoet aan de permanente eisen. Daarbij is het van belang dat bij grootschalige en structurele overlast afspraken gemaakt worden in de lokale driehoek over de aanpak hiervan.
Bent u ermee bekend dat, onder andere naar aanleiding van de genoemde pilot, momenteel in G4-verband wordt gewerkt aan apparatuur, de zogeheten lawaaiflitsers en kentekenherkenning, die specifiek voor dit doel kan worden ingezet?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer wenselijk is wanneer steden met behulp van dergelijke techniek verlost kunnen worden van het herhaaldelijke wangedrag van deze groep automobilisten? Zo nee, waarom niet?
Daar waar de inzet van innovatieve middelen de handhaving kan versterken, is dat zeker wenselijk. Er lopen momenteel verschillende pilots om innovatieve handhavingsmiddelen te testen. Het voordeel van handhaving met digitale middelen is dat de pakkans hierdoor enorm wordt vergroot. Het is een efficiënte manier van handhaven. Hierdoor kan de fysieke handhavingscapaciteit op andere trajecten of overtredingen worden gericht. Het is echter wel van belang dat de handhavingsmiddelen voldoende betrouwbaar zijn, voldoen aan de eisen conform de regeling meetmiddelen politie en gecertificeerd zijn door het NMi. Op dit moment is het nog niet mogelijk om met een zogenaamde akoestische flitspaal het gemeten geluid te koppelen aan het specifiek voertuig dat dit geluid veroorzaakt. Dit komt onder andere omdat er vaak ook sprake is van omgevingsgeluid. Hierdoor kan momenteel een dergelijke flitspaal niet gecertificeerd worden om als handhavingsmiddel gebruikt te kunnen worden. Het is nog de vraag of dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Bovendien werkt bij de aanpak van een beperkte groep overlastplegers een dadergerichte aanpak over het algemeen goed. Er moet daarom niet alleen gefocust worden op het opleggen van een bekeuring, al dan niet met behulp van een flitspaal. Ik heb begrepen dat hier in de driehoek in Rotterdam ook al over is gesproken.
Bent u bereid proactief en welwillend werk te maken van de hiervoor noodzakelijke wetswijziging en hierbij intensief op te trekken met de betrokken gemeenten? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat er een wetswijziging nodig is zodat de kentekengegevens van voertuigen waarmee straks met een akoestische flitspaal wordt geconstateerd dat ze de geluidsnormen overschrijden, met de politie gedeeld kunnen worden. Als er in de toekomst een flitspaal ontwikkeld wordt die voldoet aan de technische eisen om door het NMi gecertificeerd te kunnen worden, is nog niet duidelijk bij wie die in het beheer zullen komen. Dit kan bijvoorbeeld bij de gemeenten zijn of bij OM of politie. Gemeenten zijn reeds bevoegd om zelf te handhaven op artikel 28 en 57 van het RVV, echter voor digitale handhaving is toestemming van het OM noodzakelijk. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden, zal duidelijk worden of een wetswijziging noodzakelijk is. Daarnaast zal bekeken moeten worden wie deze flitspalen zal gaan bekostigen en of hiervoor geld beschikbaar is. Aangezien het hier gaat om overlast en niet om verkeersveiligheid, kan dit niet uit het verkeershandhavingsbudget van het OM worden betaald.
Het bericht dat documentatie van woningen zeer gemakkelijk op te vragen is |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage van Vrije Vogels op Youtube van 29 april 2021 «Inbreken bij BN’ers heel makkelijk»?1
Ja.
Bent u er bekend mee dat het erg gemakkelijk is om documentatie van woningen op te vragen, ook in het geval dat het niet iemands eigen woning is?
Ja. De openbaarheid volgt uit de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Archiefwet (zie ook de antwoorden op de vragen 4 tot en met 6). Bouwtekeningen worden vooral geraadpleegd wanneer mensen een woning of ander gebouw willen verkopen, kopen of verbouwen. Het gaat niet alleen om woningeigenaren, maar ook om huurders, kandidaat-kopers, makelaars, projectontwikkelaars, aannemers en architecten. Bouwtekeningen worden daarnaast geraadpleegd door heemkundigen en anderen die historisch onderzoek doen in archieven. Verder raadplegen gemeentelijke hulpdiensten zoals politie en brandweer soms bouwtekeningen van gebouwen.
Vindt u ook dat het onwenselijk is om, in het bijzonder van publieke figuren die te maken hebben met bedreiging, gegevens van de privéwoning op te kunnen vragen?
In zijn algemeenheid is het wenselijk dat mensen toegang hebben tot bouwtekeningen, zie hiervoor de antwoorden op vraag 2 en 4. Bouwdossiers zijn bij gemeenten geordend en opvraagbaar op adressen en niet op namen van personen die de betreffende bouwvergunningen oorspronkelijk hebben aangevraagd. Iemand die bouwtekeningen wil opvragen van de woning van een publieke figuur en/of een persoon voor wie de overheid beveiligingsmaatregelen heeft getroffen, moet dus eerst op een andere wijze achterhalen wat het huisadres is van deze persoon.
Welke controles zijn er ingebouwd ten aanzien van het opvragen van documentatie van woningen? Is dat verschillend geregeld per gemeente?
Bouwtekeningen die in het kader van een vergunningaanvraag aan gemeenten zijn verstrekt, zijn in principe openbaar voor eenieder, ongeacht het belang dat een verzoeker heeft bij inzage. Voor bouwtekeningen inzake een reguliere omgevingsvergunning volgt dit uit de Wob. Voor vergunningaanvragen waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, geldt dat zij in het kader van de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag gedurende zes weken ter inzage worden gelegd en als de vergunning is verleend nogmaals zes weken ter inzage worden gelegd om belanghebbenden de gelegenheid te geven beroep tegen de vergunning in te stellen. Na het verstrijken van die termijnen zijn de bouwtekeningen op te vragen bij de gemeente op grond van de Wob.
Voor oudere bouwdossiers die zijn overgebracht naar de gemeentelijke archiefdiensten – dit zijn meestal bouwtekeningen van meer dan twintig jaar oud – volgt openbaarheid uit de Archiefwet. Bij de meeste gemeenten kunnen mensen een aanvraag indienen en bouwtekeningen ter plaatse inzien, en al dan niet tegen betaling een (analoge of digitale) kopie krijgen. Sommige gemeenten publiceren oude bouwtekeningen online.
Op bouwtekeningen zelf staan alleen namen van de architect of tekenaar en deze worden niet geanonimiseerd mede vanwege het auteursrecht. In andere documenten die deel uitmaken van bouwdossiers, zoals de vergunningsaanvraag, komen wel persoonsgegevens voor die worden afgeschermd bij het verstrekken van een kopie, mede in verband met de Algemene verordening gegevensbescherming.
In hoeverre wordt er een belangenafweging gedaan in een gemeente bij het verstrekken van huisdocumentatie?
Uit de Wob en de Archiefwet volgt dat bouwtekeningen in principe openbaar zijn voor eenieder, ongeacht het belang dat een verzoeker heeft bij raadpleging. Een belangenafweging is alleen aan de orde indien er redenen zijn om de openbaarheid van bouwtekeningen te beperken. Zie het antwoord op vraag 6.
Op basis van welke wet- en regelgeving worden deze gegevens beschermd? Is hier sprake van een maas in de AVG of andere privacywetgeving?
Zowel onder de Wob als de Archiefwet is het mogelijk de openbaarheid te beperken. Artikel 10 van de Wob en artikel 15 van de Archiefwet zijn daarbij van toepassing, waarbij onder meer gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken (zoals namen, adressen, geboortedata, handtekening en BSN) kunnen worden geanonimiseerd. Ook gedurende een eventuele terinzagelegging op grond van de Awb kan de openbaarheid worden beperkt (artikel 3:11, tweede lid, Awb). Voor bouwtekeningen is inmiddels onderkend dat er gebouwen zijn met een verhoogd veiligheidsrisico, zoals politiebureaus, gevangenissen, militaire objecten, voetbalstadions, risicovolle (fabricage)bedrijven, of de woning van de burgemeester. Daarom hanteren gemeenten steeds vaker een zogenaamde uitsluitingenlijst of lijst van risico-objecten. Bouwtekeningen van gebouwen op zo’n lijst worden alleen verstrekt als de eigenaar of gebruiker van het pand de verzoeker hiervoor toestemming heeft gegeven, en anders niet. Dit wordt voor (oudere) bouwtekeningen die zijn overgebracht naar archiefdiensten ook aanbevolen in de handreiking van de VNG: «Beperkt waar het moet» (https://vng.nl/sites/default/files/2019-11/beperkt-waar-het-moet_20190726.pdf)
In de praktijk blijkt het moeilijk te zijn om de uitsluitingenlijst actueel te houden en verschilt het beleid per gemeente. Sommige gemeenten bieden de mogelijkheid aan belanghebbenden (eigenaren, gebruikers) om hun pand zelf aan te melden voor een uitsluitingslijst of lijst van risico-objecten; bouwtekeningen hiervan worden dan niet aan derden verstrekt als daar een goede reden voor is. De gemeente maakt een belangenafweging.
Zijn de gegevens van personen die bewaakt worden ook dermate gemakkelijk op te vragen? Acht u dat wenselijk?
Of bouwtekeningen van woningen – van personen die beveiligd worden door de overheid in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen – op te vragen zijn, is afhankelijk van het feit of de desbetreffende panden op een gemeentelijke uitsluitingslijst staan. Zoals aangegeven onder vraag 6 bieden sommige gemeenten de mogelijkheid aan belanghebbenden om panden aan te melden voor een dergelijke uitsluitingslijst. In geval van dreiging en risico kan de overheid aanvullende bewakings- & beveiligingsmaatregelen treffen ten behoeve van de veiligheid van personen. Deze zichtbare en onzichtbare maatregelen worden getroffen op basis van een dreigingsinschatting. De maatregelen zijn erop gericht om weerstand te bieden tegen de dreiging in kwestie. Mede gelet daarop is het vanuit veiligheidsperspectief niet noodzakelijk om standaard te voorkomen dat bouwtekeningen van woningen opgevraagd kunnen worden. Om te komen tot een eenduidige werkwijze van het doel en het gebruik van de uitsluitingslijst ga ik, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met betrokken partijen en de VNG in gesprek. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Bent u bekend met casussen waarbij bouwtekeningen van woningen zijn opgevraagd en gebruikt bij inbraken of andere vormen van het illegaal inbreken in een woning?
Nee, ik ben niet bekend met dit fenomeen. Echter, ik kan ook niet uitsluiten dat er gevallen zijn waar bouwtekeningen zijn of zullen worden gebruikt.
Indien er nog geen procedures zijn ingericht om effectief te controleren op iemands identiteit en iemands belang bij de opgevraagde documenten, bent u voornemens om daar procedures voor in te richten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het verstrekken van bouwtekeningen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Zoals hierboven aangegeven, volgt uit de Wob en de Archiefwet dat bouwtekeningen in beginsel kunnen worden geraadpleegd door eenieder, zonder daarin een belang te hoeven stellen. Wel achten wij het wenselijk dat gemeenten aan eigenaren en gebruikers van panden de mogelijkheid biedt deze op een uitsluitingslijst voor risico-objecten te zetten, zoals de VNG aanbeveelt, zodat gemeenten de betrokken belangen op een juiste wijze kunnen afwegen. Ik ben graag bereid om, samen met de bij dit vraagstuk betrokken partijen, met de VNG in gesprek te gaan, mede om de mogelijkheden tot harmonisatie van het doel en het gebruik van de uitsluitingslijst te bezien.
Knelgevallen in het fosfaatrechtenstelsel. |
|
Roelof Bisschop (SGP), Derk Boswijk (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het juist dat voor knelgevallen die onomkeerbare investeringsverplichtingen waren aangegaan maar deze op 2 juli 2015 nog niet volledig konden benutten, geen categorie is vastgesteld, omdat deze groep moeilijk af te bakenen was?
Voor bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen is inderdaad geen knelgevallencategorie vastgesteld. De achtergrond daarvan is als volgt.
Voorafgaand aan de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ter uitvoering van het amendement Geurts c.s. (Kamerstuk 34 532, nr. 85) de Commissie knelgevallen fosfaatrechten ingesteld, onder voorzitterschap van de heer drs. C.J. Kalden. De commissie heeft, conform haar opdracht, afgewogen of categorieën van bedrijven voldoende concreet en nauwkeurig af te bakenen zijn en zowel individueel als buitensporig op een dusdanige wijze geraakt worden dat dit niet alleen buiten de voor de sector te verwachten bedrijfsrisico’s gaat, maar ook de afwenteling op de sector als geheel – in de vorm van een noodzakelijke verhoging van het generieke kortingspercentage – rechtvaardigt. De commissie adviseerde in de eerste plaats om maximaal zeker te stellen dat het effect van het op basis van een generieke voorziening honoreren van individuele bedrijven als knelgeval, wordt beperkt tot een stijging van het generieke kortingspercentage met maximaal 1%. In de tweede plaats adviseerde de commissie, na beoordeling van verschillende categorieën van bedrijven, om de knelgevallenvoorziening bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden met de twee categorieën van bedrijven, namelijk nieuw gestarte bedrijven en bedrijven in een buitengewone situatie vanwege realisatie van een natuurgebied, de aanleg of het onderhoud van publieke infrastructuur of vanwege een algemene nutsvoorziening. Het advies van de commissie is, in overeenstemming met uw Kamer, overgenomen. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief van 12 juli 2017 (Kamerstuk 34 532, nr. 100).
De commissie heeft expliciet gekeken naar bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen en is hier in haar advies ook op ingegaan. De commissie gaf in haar advies aan van oordeel te zijn dat de groep ondernemers die een financieel knellende situatie ervaart als gevolg van de introductie van het fosfaatrechtenstelsel zeer divers is en dat er grote verschillen zijn in achterliggende oorzaken voor de ervaren financiële knel. De commissie is tot de conclusie gekomen dat deze bedrijven niet als groep af te bakenen zijn. Een scherpe afbakening is echter wel essentieel om disproportionele consequenties voor bedrijven die worden geconfronteerd met de generieke korting te voorkomen, aldus de commissie. Voor meer achtergrond verwijs ik naar het advies van de commissie (bijlage bij Kamerstuk 34 532, nr. 100).
Voorafgaand en na invoering van het fosfaatrechtenstelsel heb ik intensief gezocht naar mogelijkheden om deze bedrijven toch tegemoet te komen. Ik heb echter moeten constateren dat deze categorie onvoldoende is af te bakenen en potentieel omvangrijk is, zoals ook de commissie Kalden al constateerde. Het resultaat van de zoektocht was – tot mijn spijt – dat een oplossing voor deze bedrijven niet voorhanden was zonder dat deze gepaard zou gaan met een extra generieke korting voor andere bedrijven, wat op zijn beurt weer nieuwe knelgevallen zou kunnen veroorzaken. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 16 mei 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 285). Op verzoek van uw Kamer ben ik daarna, zonder daarmee verwachtingen te willen wekken, nogmaals met de Europese Commissie in overleg getreden over mogelijkheden om tot een oplossing te komen voor bedrijven die als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel in financiële problemen zijn gekomen.
Na een intensief traject heb ik moeten concluderen er zowel binnen het fosfaatrechtenstelsel als daarbuiten geen geschikte mogelijkheid was om betreffende bedrijven te ondersteunen. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 14 september 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 309).
Heeft u in beeld hoeveel bedrijven voldoen aan de voorwaarden voor «bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen», die de Commissie knelgevallen fosfaatrechten in het verleden heeft opgesteld? Zo nee, kunt u hiervan een inventarisatie maken en daarbij tevens in beeld brengen hoeveel financiële schade er bij deze knelgevallen is ontstaan als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel?
Nee, dit heb ik niet. Naar aanleiding van de beschikkingen zijn er 9084 bezwaarschriften geregistreerd en 2116 ondernemers in beroep gegaan. Daarvan is onbekend in hoeveel gevallen het gaat om bedrijven die zich hierbij beroepen op het feit onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan te zijn. Ook is niet met zekerheid te zeggen dat al deze ondernemers een bezwaar / beroep hebben ingediend. Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn 2824 meldingen ontvangen waarin een beroep is gedaan op de knelgevallenvoorziening. Aangezien er in de knelgevallenregeling geen voorziening is opgenomen voor onomkeerbare investeringsverplichtingen is ook hieruit geen totaalbeeld mogelijk.
Ik acht het niet zinvol de gevraagde inventarisatie te maken. Dit zou een zoektocht door duizenden dossiers vergen, terwijl hieraan op basis van de door uw Kamer vastgestelde wet- en regelgeving geen consequentie kan worden verbonden. Immers is destijds, in samenspraak met uw Kamer, bewust gekozen om de knelgevallenregeling op een beperkte manier in te vullen. Een ruimere invulling van de regeling knelgevallen betekende een grotere generieke korting voor andere niet grondgebonden ondernemers, ook voor diegenen die (bewust) geen uitbereiding hadden gerealiseerd. Dit betekent dat melkveehouders die onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan waren, geen beroep konden doen op de knelgevallenregeling. De rechtspraak heeft zich bij deze keuzes van de wetgever aangesloten.
Wat voor dergelijke melkveehouders en voor andere melkveehouders die buiten de knelgevallenregeling vielen en vallen, resteerde was een eventueel beroep op bijzondere omstandigheden in verband waarmee het stelsel in hun individuele geval onevenredig nadelig uitpakt. Dit beroep op een individuele disproportionele last is in een aantal gevallen gehonoreerd.
In hoeverre geeft de huidige lage werkelijke fosfaatproductie ruimte om ontheffing te verlenen van de Meststoffenwet voor knelgevallen die onevenredig worden geraakt, zonder dat daarbij het fosfaatplafond wordt overschreden?
Die mogelijkheid is er al voor individuele gevallen. Als het fosfaatrechtenstelsel in een individueel geval vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig nadelig uitpakt en dat beroep op een individuele disproportionele last slaagt, krijgt de betreffende ondernemer een ontheffing waarmee het voor hem aanwezige onevenredige nadeel wordt weggenomen.
Zoals in het antwoord op vraag 1 aan de orde is gekomen, biedt de regeling van het fosfaatrechtenstelsel in de Meststoffenwet geen ruimte om extra categorieën ondernemers tegemoet te komen. Ook niet via een ontheffingen op basis van de Meststoffenwet. Knelgevallencategorieën zijn opgenomen in de Meststoffenwet zelf of geregeld bij amvb (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) overeenkomstig de route van artikel 23, negende lid, van de Meststoffenwet. Zoals aangegeven bij antwoord 1 is daarvoor voor de niet af te bakenen groep ondernemers met onomkeerbare investeringsverplichtingen niet gekozen.
De mogelijkheid om ontheffingen te verlenen in het kader van het fosfaatrechtenstelsel is ingeperkt tot grondgebonden (jonge) boeren via de fosfaatbank (artikel 38a van de Meststoffenwet) en IDL-situaties (artikel 38 Meststoffenwet).
Daarbij komt het volgende. In de Meststoffenwet zijn per veehouderijsector mestproductieplafonds vastgelegd uitgedrukt in fosfaat en stikstof. Het fosfaatrechtenstelsel is ingesteld om zowel de fosfaat- als stikstofproductie van de melkveehouderij onder de plafonds te houden. Bij beleidsafwegingen inzake het stelsel dienen dan ook beide plafonds in ogenschouw genomen te worden. Het CBS rapporteert elk kwartaal de actuele prognoses van fosfaat- en stikstofexcretie van de veehouderij in Nederland. Uit de meest actuele prognose, die ik uw Kamer op 18 mei jl. heb toegestuurd (Kamerstuk 35 334, nr. 142), komt naar voren dat de melkveehouderij qua fosfaat weliswaar onder het plafond produceert, maar qua stikstof daarboven. Zoals aangegeven in mijn brief is de overschrijding van het sectorale stikstofplafond door de Nederlandse melkveestapel een blijvend punt van zorg dat de sector zich aan dient te trekken en waar ik de sector ook op aanspreek. Afgezien van de onmogelijkheid om nieuwe groepen bedrijven tegemoet te komen, zie ik ook vanwege deze geprognosticeerde overschrijding geen ruimte om dat te doen. Tevens wijs ik erop dat de totale hoeveelheid fosfaatrechten in de markt op dit moment nog de hoogte van het sectorale melkveefosfaatplafond overstijgt (zie mijn brief van 15 februari jl., Kamerstuk 35 334, nr. 136).
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om bedrijven die vallen onder «onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen» een ontheffing te verlenen van de Meststoffenwet voor het verschil tussen hun fosfaatproductie bij bezetting hele stal minus een percentage van de verkregen fosfaatrechten, zodanig dat dit percentage van het tekort aan fosfaatrechten voor rekening en risico van de melkveehouder blijft, maar er geen sprake meer is van een onredelijke tekort? Zo nee, welke oplossingen ziet u dan wel voor knelgevallen die onevenredig worden geraakt?
De mogelijkheden om bedrijven met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen tegemoet te komen, zijn reeds uitgebreid onderzocht. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1. Het resultaat hiervan was dat er geen mogelijkheid was om ruimte te bieden aan ondernemers met onbenutte onomkeerbare investeringsverplichtingen zonder dat dit zou leiden tot een extra generieke korting voor alle niet-grondgebonden melkveebedrijven. Deze conclusie heb ik niet lichtzinnig getrokken en de verhalen van ondernemers die in een moeilijke situatie verkeren mede ten gevolge van het fosfaatrechtenstelsel blijven mij raken. Ik heb echter ook een verantwoordelijkheid jegens de rest van de sector. Daarbij in aanmerking nemend de door het CBS geprognosticeerde overschrijding van het sectorale stikstofexcretieplafond door de melkveehouderij en de situatie ten aanzien van de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt, zou een hernieuwd onderzoek valse hoop bieden aan getroffen ondernemers.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fosfaatrechtenstelsel?
Ja.
De TOZO |
|
Steven van Weyenberg (D66), Hülya Kat (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (BBZ)-krediet beide voor zelfstandige ondernemers bedoeld zijn, beide een lening zijn uitgevoerd door gemeenten, maar beide wel een ander rentepercentage kennen?
Ja. Volledigheidshalve merk ik op dat beide vormen van kredietverstrekking, behalve overeenkomsten, ook belangrijke verschillen kennen. Zo kent de Tozo-lening bijvoorbeeld een beperkter doel van de lening en een beperktere doelgroep, een beperktere omvang van de maximale lening en een beperktere looptijd dan de lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
Kunt u toelichten waarom het rentepercentage voor de TOZO-lening op 2% is gesteld?
Bij de invoering van de Tozo is toegelicht waarom de hoogte van de rente is bepaald op 2% (Staatsblad 2020, 118). Bij de keuze voor de rente van 2% in het kader van geldleningen op grond van de Tozo is aangesloten bij het rentepercentage dat Qredits Microfinanciering Nederland (Qredits) hanteert voor het Corona Overbruggingskrediet in het kader van de tijdelijke noodmaatregelen. Qredits ondersteunt – gesubsidieerd vanuit het Rijk – in aanmerking komende ondernemingen via het Corona Overbruggingskrediet, waarbij de rente het eerste jaar 2% is en daarna 5,75%.
Kunt u toelichten waarom het rentepercentage voor BBZ-krediet op 8% is gesteld?
Bij de hoogte van de rente in het Bbz geldt als uitgangspunt dat deze rente marktconform is en het niveau van de bankrente voor zakelijke kredieten volgt. De bijstand is aanvullend op voorliggende voorzieningen. Voor de zelfstandig ondernemer betekent dit dat een beroep op bijstand in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal niet mogelijk is indien via andere regelingen of instellingen, waaronder banken en Qredits, leningen kunnen worden aangetrokken. Het Bbz geldt als laatste vangnet. Het gaat hierbij om hoge risico’s en er zijn veelal geen mogelijkheden tot het stellen van zekerheden dat wordt terugbetaald. In artikel 15 van het Bbz is de hoogte van de rente marktconform vastgesteld op 8 procent. Het in het Bbz voorgeschreven rentepercentage is ongeveer gelijk aan het rentepercentage dat Qredits hanteert bij leningen voor bedrijfskapitaal.
In hoeverre bent u van mening dat het verschil tussen die twee rentepercentages moeilijk uit te leggen is aan een ondernemer?
Zie de antwoorden op de vragen 2 en 3 voor een toelichting op het verschil. Het Bbz is een structurele regeling voor zelfstandigen die door specifieke omstandigheden omtrent hun bedrijf geen krediet bij banken kunnen krijgen. Een lagere rente hanteren in het Bbz zou leiden tot bezwaren inzake staatssteun en concurrentievervalsing. De Tozo is een tijdelijke noodregeling voor zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis worden geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem. De Tozo dient ter overbrugging van de coronacrisis die niet als normaal ondernemersrisico kan worden aangemerkt. Ik acht het daarom goed uitlegbaar dat alleen in de Tozo een lagere, niet marktconforme rente wordt gehanteerd.
In hoeverre bent u van mening dat een rentepercentage van 8% disproportioneel is in een markt waarin rentepercentages onder de 0 duiken?
Negatieve rentepercentages komen op de markt van zakelijke bedrijfskredieten met hoge risico’s zonder zekerheden niet voor. Een marktconforme rente van 8% acht ik niet disproportioneel.
In hoeverre bent u van mening dat het voor ondernemers die een BBZ-krediet hebben enorm wrang is om te constateren dat zij met een TOZO-lening slechts 2% hadden kunnen betalen?
Bbz-gerechtigden kunnen, indien zij als gevolg van de coronacrisis worden geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem, net als andere zelfstandig ondernemers in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal op grond van de Tozo met een rente van 2%.
Bent u bekend met het feit dat BBZ-kredieten vaak door gemeenten als gift worden toegekend en om die reden een percentage van 8% nog minder verdedigbaar is?
Het in de vraagstelling geschetste beeld dat gemeenten «vaak» Bbz-kredieten verstrekken als gift herken ik niet. In de regel gaat het bij Bbz-kredieten om rentedragende leningen, waarbij de hoogte van de rente wettelijk is vastgesteld op 8 procent. Verstrekking van een Bbz-krediet in de vorm van bedrag om niet, ofwel een gift, kan slechts plaatsvinden in de situatie zoals beschreven in artikel 22 van het Bbz 2004. Het gaat daarbij om een relatief klein Bbz-krediet, namelijk tot maximaal 10.271 euro, dat uitsluitend kan worden verstrekt aan een gevestigde zelfstandige van wie het inkomen duurzaam lager is dan het toepasselijke sociaal minimum en van wie het vermogen minder bedraagt dan 197.687 euro.
Klopt het dat gemeenten verplicht zijn om 8% rente in rekening te brengen bij het verstrekken van BBZ-krediet?
Ja. De hoogte van de rente op rentedragende leningen op grond van het Bbz bedraagt in alle gevallen 8%.
Bent u bereid het rentepercentage van het BBZ-krediet te verlagen naar het percentage van de TOZO-lening van 2%?
Ik hecht eraan dat er in het kader van het reguliere Bbz een marktconforme rente wordt gehanteerd voor rentedragende leningen. Het structureel hanteren van een lagere, niet marktconforme rente dient te worden aangemerkt als staatssteun en kan leiden tot concurrentievervalsing.
Bovendien kent het Bbz, anders dan de Tozo, reeds de mogelijkheid om in beperkt aantal situaties over te gaan tot de verlening van bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal als renteloze lening of als bijstand om niet.
Het bericht dat meer dan 50 landen seksuele misstanden binnen de WHO melden |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Meer dan vijftig landen slaan alarm om berichten seksueel geweld WHO»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat 53 landen in een verklaring hun bezorgdheid hebben geuit over seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Ja.
Kunt u genoemde verklaring delen met de Kamer?
Ja, de verklaring is toegevoegd als bijlage2 bij deze brief.
Wat hebben deze 53 landen die de verklaring hebben ondertekend zelf ondernomen om de misstanden aan te pakken?
Dat is niet voor alle 53 landen na te gaan. Voor die landen die zich aansloten bij de DAC-OECD SEAH recommendation3 is er een verplichting om te rapporteren over aanpassingen in eigen organisaties en contracten met partnerorganisaties om preventie en aanpak SEAH te verbeteren.
Is Nederland één van de landen die deze verklaring heeft ondertekend? Zo ja, op basis van welke bevindingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland is actief betrokken geweest bij het opstellen van de verklaring zoals ook al aangekondigd in de inzetbrief die uw Kamer ontving van Minister van Ark en mijzelf op 20 mei 2021 (Kamerstuknummer 35 570 XVI, nr. 192). Daarin hebben we aangegeven dat Nederland een spoedige afronding van het onafhankelijke onderzoek zou bepleiten en samen met gelijkgestemden het belang zou signaleren dat we hechten aan een solide aanpak van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (zero tolerance for not acting). Dit was mede naar aanleiding van recente nieuwe berichten in de media over vermeend seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de WHO in de Democratische Republiek Congo tussen 2018 en 2020.
Nederland heeft sinds het begin van deze kwestie de WHO om meer informatie gevraagd en aangedrongen op snel en kwalitatief onafhankelijk onderzoek. We hebben in meerdere gremia aangegeven dat we dit zeer serieus volgen en verwachten dat de organisaties er alles aan doen om de waarheid z.s.m. boven tafel te krijgen. Dit blijven we doen zolang nodig.
Is het ondertekenen van de verklaring door de EU besproken in een van de Raden Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking? En is de Kamer op enig moment geïnformeerd over deze participatie van de EU in genoemde verklaring?
Nee. Tijdens de World Health Assembly worden verschillende statements afgegeven in EU verband over allerhande onderwerpen. De afstemming voor deze statements vindt plaats in Geneve tussen de gezondheidsattaches, in overleg met de experts in de 27 hoofdsteden.
De Kamer is geïnformeerd middels de inzetbrief over de intentie van Nederland om dit actief op te brengen tijdens de World Health Assembly(Kamerstuknummer 35 570 XVI, nr. 192).
Op basis van welke bevindingen heeft de EU besloten deze verklaring te ondertekenen?
Zie ook vraag 5. De verklaring is door 53 lidstaten van de WHO ondertekend naar aanleiding van de recente nieuwe berichten in de media over vermeend seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de WHO in de Democratische Republiek Congo tussen 2018 en 2020.
Was u sinds oktober op de hoogte van het instellen van een onafhankelijke onderzoekscommissie door de WHO, die opzoek moet naar feiten, slachtoffers en dader? En kunt u aangeven wie deze onafhankelijke onderzoekscommissie vormen?
Ja. De WHO heeft middels briefings de lidstaten op de hoogte gehouden van hun aanpak om opvolging te geven aan de berichten in de media. De onafhankelijke commissie staat onder co-voorzitterschap van Aïchatou Mindaoudou, voormalig Minister van Buitenlandse Zaken en Sociale Ontwikkeling in Niger, die ook senior posities binnen de Verenigde Naties heeft bekleed in Ivoorkust en Darfur, en Julienne Lusenge, een internationaal bekende mensenrechtenactivist uit DRC die opkomt voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflicten.
Bent u bereid de resultaten van deze onderzoekscommissie te voorzien van een appreciatie en met de Kamer te delen zodra deze beschikbaar zijn?
Ja, voor zover de resultaten openbaar zijn, zal ik ze voorzien van een appreciatie en met de Kamer delen.
Kunt u aangeven welke acties de WHO heeft ondernomen sinds de aantijgingen, aangezien WHO-baas Tedros Adhanom Ghebreyesus beweert de aantijgingen serieus te nemen?
De WHO heeft tijdens de World Health Assembly bij monde van Directeur Generaal Tedros Adhanom Ghebreyesus o.a. de volgende acties aangekondigd:
Kunt u achterhalen of de WHO medewerkers op non-actief heeft gesteld?
De WHO deelt ons mede dat ze, zodra het onafhankelijke onderzoek dit rechtvaardigt, hier consequenties aan zal verbinden voor de betrokken medewerkers. Bij gebrek aan officiële klachten is het vooralsnog lastig om medewerkers op non-actief te stellen.
Kunt u het onderzoek van The New Humanitarian en Thomson Reuters Foundations met de Kamer delen, waarin meer dan vijftig vrouwen in Congo hebben verklaard dat mannelijke hulpverleners, die daar waren voor de bestrijding van het ebolavirus, hun werk aanboden in ruil voor seks?
De bevindingen van deze organisaties zijn publiekelijk toegankelijk op de website van The New Humanitarian.
Wanneer is dit onderzoek van The New Humanitarian en Thomson Reuters Foundation gepresenteerd? En wat heeft Nederland daarmee gedaan?
In september 2020. Nederland heeft hier in coördinatie met andere donoren op gereageerd in het kader van bestaande internationale platforms, zoals de OECD-DAC en de technische werkgroep opgericht na deSafeguarding Summit 2018 maar ook middels de permanente vertegenwoordiging in Geneve. Samen met andere donoren is informatie opgevraagd en gekregen en is aangedrongen op onafhankelijk onderzoek en op zorgvuldige opvolging.
Kunt u bevestigen dat ook medewerkers van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en Unicef zich schuldig zouden hebben gemaakt aan seksuele misstanden?
N.a.v. de berichten van The New Humanitarian werd een onderzoek ingesteld door de VN-brede interne onderzoeksdienst, die een onderzoek leidde namens de betrokken organisaties. Uit o.a. 70 interviews volgde de identificatie van mogelijke daders, onder wie een voormalig Unicef medewerker die momenteel onderzocht wordt. Er is vooralsnog geen indicatie dat er een medewerker van IOM bij betrokken was.
Kunt u hierover bij IOM en Unicef nadere informatie opvragen en met de Kamer delen?
Nederland heeft geregeld bilateraal contact met multilaterale partners, waaronder Unicef en IOM, over de preventie van seksuele misstanden en het bevorderen van een veilige werkcultuur waarin medewerkers zich veilig voelen om mistanden te melden. Tevens wordt dit onderwerp multilateraal met grote regelmaat besproken in de bestuursvergaderingen van deze partners, zo ook recent in de Unicef Uitvoerende Raad van juni 2021.
Kunt u daarbij ook ingaan op welke acties er ondernomen zijn door genoemde organisatie?
Unicef heeft direct ingezet op het gezamenlijk onderzoeken van de aantijgingen en het versterken van haar Protection Against Sexual Exploitation and Abuse (PSEA) beleid en uitvoering. Unicef heeft samengewerkt met het Inter-Agency Standing Committee (IASC), het VN secretariaat, WHO en IOM om op een gecoördineerde en efficiënte manier onderzoek te doen en om er voor te zorgen dat slachtoffers en getuigen centraal staan in de gekozen benadering. Om deze reden is de VN-brede interne onderzoeksdienst (OIOS) gevraagd om onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft geleid naar de identificatie van een voormalige Unicef medewerker die momenteel onderzocht wordt. Meer informatie over het onderzoek is op dit moment niet beschikbaar, omdat het nog loopt. Ook IOM wacht de resultaten van het OIOS onderzoek af en kan tot die tijd geen uitspraken doen over de beschuldiging. Er zijn geen verdere indicaties dat er IOM medewerkers betrokken zijn bij deze zaak.
Op het Unicef landenkantoor in de DRC heeft een evaluatie plaatsgevonden van het PSEA beleid en de uitvoering daarvan, om SEA in de toekomst te voorkomen en slachtoffers goed bij te staan wanneer misbruik plaats heeft gevonden. Dit heeft o.a. geresulteerd in het aanstellen van PSEA aanspreekpunten op landenkantoren, trainingen, strategieën om de genderbalans te verbeteren en klachten beter op te pakken. Tijdens de laatste Ebola uitbraak heeft Unicef preventieve stappen gezet door in te zetten op actieve betrokkenheid van vrouwen en meisjes in de uitvoering van beleid, trainingen en bewustwordingscampagnes.
IOM heeft recentelijk het «we are all-in» platform geïntroduceerd met een klachtenmechanisme voor het melden van onder andere SEAH. Deze introductie ging gepaard met een uitgebreide informatiecampagne over wangedrag, waaronder SEAH. Ook heeft IOM in dit kader een trainingspakket opgesteld dat ook is gedeeld met verschillende andere internationale organisaties en wordt gebruikt voor training van hun implementerende partnerorganisaties. Dit beleid is in uitvoering.
Welke stappen heeft de internationale hulpverleningswereld volgens u nu werkelijk gezet sinds 2018? Hebben organisaties als de WHO, IOM en Unicef zich gecommitteerd aan VN-initiatieven om seksueel misbruik door hulpverleners te voorkomen?
Er zijn veel stappen gezet, maar we zijn er nog niet. De SGVN heeft dit tot zijn persoonlijke prioriteit gemaakt en brengt jaarlijks verslag uit over voortgang en uitdagingen. VN-organisaties zijn verplicht jaarlijks te rapporteren aan de SGVN over hun voortgang op de preventie en aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het belang van dit onderwerp wordt inmiddels bij alle organisaties onderkend. Alle VN-organisaties hebben op basis van nieuwe richtlijnen van de Chief Executives Board for Coordination hun beleid aangescherpt om seksueel misbruik door eigen staf en implementerende partners te voorkomen en op te volgen, waaronder de genoemde organisaties. Er is meer kennis en bewustzijn bij personeel over hoe misstanden te herkennen en rapporteren. Mede door de druk van donoren worden de meeste gevallen van misbruik transparant gerapporteerd, o.a. genoemde organisaties hebben zich hieraan gecommitteerd, daardoor is controle op tijdige opvolging makkelijker.
Er is daarnaast door veel organisaties, waaronder de betrokken organisaties, hard gewerkt aan het versterken van meldpunten voor slachtoffers daar waar zij zich bevinden; in de gemeenschappen, in vluchtelingenkampen etc. IOM heeft de voor eigen staf ontwikkelde training nu beschikbaar gesteld aan andere VN-organisaties. IOM en Unicef trainen en ondersteunen ook het netwerk van PSEA-coördinatoren in het veld. Gezamenlijk – in het kader van de PSEA Working Group van Inter-Agency Standing Commitee – wordt effectief gewerkt aan verbeterde richtlijnen, maar ook monitoring en evaluaties ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Ik zie inmiddels veel uitwisseling tussen de verschillende OS- en humanitaire organisaties en initiatieven vanuit het gehele VN-systeem en de sector als geheel. Dat was in 2018 niet het geval. Op hoog niveau vindt coördinatie plaats zodat elke organisatie niet steeds het wiel opnieuw hoeft uit te vinden, zowel tussen donoren als tussen VN-entiteiten en andere actoren in de sector.
Hoeveel middelen heeft Nederland in 2020 bijgedragen aan de WHO? En kunt u aangeven waar deze bedragen gealloceerd zijn?
Onderstaande tabel geeft de bijdrage aan WHO weer vanuit VWS, BZ (hfdst 5) en BHOS (hfdst 17) begrotingen.
Hfdst Begroting
Verplichte bijdrage
Algemene vrijwillige bijdrage
Overige bijdrage
Totaal
hoofdstuk 5 (BZ)
0
0
973.948
973.948
hoofdstuk 17 (BHOS)
6.218.016
4.450.000
23.920.855
34.588.871
VWS
0
0
4.098.000
4.098.000
Totaal
6.218.016
4.450.000
28.992.803
39.660.8191
Hiervan was 14.521.006 Covid gerelateerd.
Welke consequenties heeft deze verklaring voor onze relatie met de WHO? Welke eis stelt Nederland aan de WHO-autoriteiten hoe hier mee om te gaan?
NL hanteert het beleid van «zero tolerance for not acting». Dat houdt in dat wij de partnerorganisaties beoordelen op hoe ze hun beleid en procedures op orde hebben, en hoe ze omgaan met misstanden. Het onafhankelijke onderzoek zal helpen beoordelen of de WHO hieraan heeft voldaan en pas dan zullen eventuele consequenties volgen. Te vroeg hiermee starten heeft een verlammend effect op de potentiele meldingsbereidheid van klokkenluiders, met negatieve gevolgen voor de organisatiecultuur.
Kunt u nagaan of Nederlandse middelen bij de projecten waar misstanden zijn geconstateerd zijn uitgegeven?
Op dit moment is niet bekend voor welke projecten de personen tegen wie de beschuldigingen zijn geuit, werkzaam waren. Wel dat het om personen gaat die volgens de slachtoffers werkzaam waren voor UNICEF, IOM en WHO.
Nederland draagt via de verplichte bijdrage/contributies en de Algemene Vrijwillige Bijdragen bij aan de (algemene) middelen van de betrokken organisaties. Dit is ongebonden geld dat vrijelijk kan worden besteed door de betrokken organisaties. Directe toerekening van Nederlands middelen aan de betrokken projecten is derhalve niet aan de orde. Ook ontvingen de genoemde organisaties in afgelopen jaren uit het o.a. door Nederland gesteunde Central Emergency Response Fund (CERF) bijdragen ten behoeve van de humanitaire respons in de DRC, waaronder voor projecten ter bestrijding van Ebola. Gezien de aard van dit fonds, waarin bijdragen van donoren worden gebundeld, is ook hier vaststelling of Nederlandse middelen zijn ingezet niet mogelijk.
Kunt u nagaan of er hulpverleners met de Nederlandse nationaliteit zijn betrokken bij de misstanden bij de WHO, IOM of Unicef?
Daar zijn geen aanwijzingen voor maar het onderzoek loopt nog.
Hoe staat het met de mogelijkheid internationale vervolging van hulpverleners die verdacht worden van seksueel misbruik?
Er is in niet direct een internationaal Hof of Tribunaal dat bevoegd is te oordelen over seksueel misbruik door VN officials. De WHO, UNICEF en IOM kunnen wel disciplinaire maatregelen nemen tegen stafleden wegens misdragingen. De meest vergaande maatregel is ontslag op staande voet. Of een VN-hulpverlener die verdacht wordt van seksueel misbruik door een nationale rechter vervolgd kan worden, hangt af van een aantal factoren, waaronder immuniteiten. Immuniteiten kunnen namelijk van toepassing zijn op medewerkers van VN organisaties en dit kan de mogelijkheid tot vervolging beperken. Het standpunt van Nederland is wel dat seksueel misbruik nooit gezien kan worden als een officiële handeling in de uitoefening van de functie. Nederland zal dan ook geen functionele immuniteit toekennen en indien volledige immuniteit geldt, zal Nederland erop aandringen dat hiervan afstand gedaan wordt.
Bent u nu wel bereid om de Kamer middels een aparte uitgebreide brief over de voortgang van de internationale agenda van de bestrijding van seksueel misbruik door hulpverleners te informeren?
Ja, ik ben steeds bereid geweest om over de voortgang van deze agenda te rapporteren. Zoals ik aangaf in mijn Kamerbrief van 9 maart 2020 op dit onderwerp, rapporteer ik desgewenst jaarlijks, indien de Kamer daarom zou vragen en/of er voldoende nieuwe ontwikkelingen zijn. Zoals toegezegd tijdens het recente Commissiedebat Noodhulp zal ik de Kamer een brief sturen over de huidige stand van zaken. Deze zal ik uw Kamer na het reces doen toekomen.
Kunt u aangeven hoe u de bestrijding van seksuele misstanden door hulpverleners opnieuw gaat agenderen in internationale gremia?
Nederland heeft een actieve rol in verschillende internationale gremia. Vanaf oktober 2020 organiseerde ik samen met USAID een internationaal kennisplatform voor uitwisseling van good practices ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag en het «recyclen» van daders in de sector. Dat platform droeg ik recent samen met de nieuwe USAID administrator, Samantha Power, over aan de OECD-DAC. Nederland zal binnen OECD-DAC een actieve rol blijven spelen om dit unieke platform, waarvan ook de EU en VN-organisaties deel uitmaken, te laten functioneren als katalysator van goede initiatieven. Ook voert Nederland samen met het VK actief afspraken uit die zijn gemaakt op de Safeguarding Summit 2018.
Vanzelfsprekend zal Nederland eventuele misstanden en SEAH actief blijven opbrengen tijdens de bijeenkomsten van de Uitvoerende Raden van VN-organisaties en andere besluitvormingsgremia, als ook tijdens de beleidsdialoog met onze partners. Nederland is ook nog steeds trekker van initiatieven van donoren om samen kennis en informatie uit te wisselen en in gezamenlijkheid op te treden, steeds vaker ook bij het agenderen van de problematiek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat Noodhulp d.d. 10 juni 2021 beantwoorden?
Nee, het zorgvuldig en volledig beantwoorden van alle 25 vragen kostte meer tijd.
Het bericht 'Betere bescherming arbeidsmigranten kan niet wachten op nieuw kabinet'. |
|
Steven van Weyenberg (D66), Bart van Kent (SP), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Migranten in mensonterende situatie aangetroffen op boerderij in Limburg»?1
Situaties zoals deze in Linne zijn onacceptabel en iedere misstand in Nederland is er één teveel. Het is goed dat de handhavende instanties hier hun werk hebben gedaan en uit het nadere onderzoek zal moeten blijken welke wet- en regelgeving hier mogelijk overtreden is.
Deelt u de mening dat we alles zullen moeten doen om dit soort situaties te voorkomen en als het zich toch voordoet, sneller op te sporen?
Ja.
Wat is precies de rolverdeling tussen de Inspectie SZW, vreemdelingenpolitie en de gemeenten in het toezicht in deze situatie?
De Inspectie SZW houdt risicogericht toezicht op de naleving van de verschillende arbeidswetten zoals de Arbeidstijdenwet. Daarnaast heeft de Inspectie SZW een directie Opsporing die strafrechtelijke onderzoeken uitvoert naar onder meer vermoedens van arbeidsuitbuiting. De strafrechtelijke onderzoeken door de Inspectie SZW worden aangestuurd door het Openbaar Ministerie.
De vreemdelingenpolitie houdt toezicht op de naleving van de Vreemdelingenwet. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van het Bouwbesluit, bestemmingsplan, brandveiligheid, Participatiewet, Wet basisregistratie personen (BRP) en APV (nachtregister).
In deze situatie is een integrale controle gehouden. De handhavende instanties die hieraan hebben deelgenomen hebben dit gedaan vanuit de eigen taken en verantwoordelijkheden.
Welke instantie had sneller iets kunnen zien of merken en kunnen ingrijpen?
Mijn indruk is niet dat instanties te laat hebben ingegrepen. In 2017 heeft de gemeente een controle uitgevoerd op het bedrijf van de ondernemer. Er zijn toen geen overtredingen geconstateerd. Ook in de periode daarna zijn geen signalen of klachten (van bijvoorbeeld overlast) ontvangen over deze locatie. De gemeente is begin mei 2021 echter door de Inspectie SZW geïnformeerd over mogelijke misstanden bij de betreffende ondernemer (naar aanleiding van informatie ontvangen van de Politie). Deze informatie heeft geleid tot de controles op respectievelijk 20 en 27 mei. Op 20 mei 2021 heeft een gezamenlijke inspectie plaatsgevonden van de Inspectie SZW, de vreemdelingenpolitie en de gemeente Maasgouw. Er werden toen 5 Roemeense arbeidsmigranten aangetroffen. De gemeente constateerde vervolgens de slechte huisvesting. Uit de vele aanwezige bedden werd opgemaakt dat er waarschijnlijk meer arbeidsmigranten op de boerderij verbleven. Daarom is besloten kort erna, namelijk op 26 mei ’s avonds opnieuw een gezamenlijke inspectie uit te voeren. De gemeente Maasgouw heeft de huisvesting gesloten en de Inspectie SZW heeft vervolgens onderzoeken ingesteld naar overtreding van de Arbeidstijdenwet, de Wet Minimumloon en Vakantiebijslag en er loopt bij de Inspectie SZW een onderzoek naar vermoedens van arbeidsuitbuiting.
Wat is de reden dat de Inspectie SZW alleen onderzoek doet naar onderbetaling of de arbeidstijden, en niet naar de uitbuiting, mishandeling en intimidatie die in het artikel wordt beschreven?
De Inspectie SZW houdt niet alleen risicogericht toezicht op de naleving van de verschillende arbeidswetten maar houdt zich ook bezig met de bestrijding van arbeidsuitbuiting. In dit geval zijn er niet alleen vermoedens dat sprake is van overtreding van de Wet Minimumloon en Vakantiebijslag en de Arbeidstijdenwet, maar onderzoekt de Directie Opsporing van de Inspectie SZW tevens of sprake is van arbeidsuitbuiting.
Heeft de Inspectie SZW geen nadere mogelijkheden om op te treden anders dan «dwangsom opleggen»?
De Inspectie SZW heeft verschillende mogelijkheden om vanuit haar toezichtstaken te sanctioneren. Zo kunnen er waarschuwingen, eisen en bestuurlijke boetes worden opgelegd en bij direct gevaar kan de Inspectie SZW het werk stil laten leggen. De Inspectie SZW kan voorts een dwangsom opleggen als een maatregel die is voorgeschreven, niet is uitgevoerd, bijvoorbeeld bij het negeren van een eis tot het nabetalen van loon en/of vakantiebijslag, terwijl de werknemer daar recht op heeft. Zoals vermeldt onder vraag 4 loopt het onderzoek momenteel nog en kan het zo zijn dat additionele sancties volgen.
Bent u het er mee eens dat in dergelijke situaties het direct veel harder aanpakken van zo’n werkgever wenselijk zou zijn?
Het onderzoek naar dit voorval is op dit moment nog niet afgerond en ik kan dit derhalve nog niet beoordelen.
Wat is op dit moment de situatie van deze groep mensen? Bent u bereid om alles te doen wat nodig is om hen te helpen hier een fatsoenlijke baan en huisvesting te vinden of naar huis te laten gaan als zij dat willen? Bent u bereid om deze mensen wel op te sporen om er zeker van te zijn dat het nu goed met hen gaat?
Het welzijn van deze groep mensen was vanwege de toestand waarin zij werden aangetroffen, een grote zorg. Bij de aanzegging om de situatie te beëindigen is de ondernemer gevraagd de gemeente te informeren over de alternatieve verblijfplaats. Volgens de Inspectie SZW zijn er na de controle op 27 mei direct een aantal arbeidsmigranten vertrokken naar Roemenië. Om de verblijfplaats van de overige personen te achterhalen heeft de gemeente diverse inspanningen verricht. Hierbij is in de eerste plaats contact gezocht met België. De ondernemer heeft namelijk in Dilsen-Stokkem een tweede vestiging. Hierover is door de gemeente en de Inspectie SZW afzonderlijk contact gezocht met de FOD WASO-Arbeidsinspectie (Belgische Inspectie SZW). Na hen op de hoogte te hebben gebracht over de situatie in Linne is in het belang van de arbeidsmigranten de spoedeisendheid benadrukt om op de locatie in Dilsen-Stokkem een controle uit te voeren. Langs een andere weg heeft de gemeente het RIEC-Limburg gevraagd om met tussenkomst van het EUR-RIEC bij de lokale autoriteiten in België aandacht te vragen voor de vestiging in Dilsen-Stokkem. De Inspectie SZW heeft naar aanleiding van verklaringen van enkele arbeidsmigranten de politie/AVIM verzocht de Belgische politie te vragen nader onderzoek te doen naar de locatie Dilsen-Stokkem. Daarnaast heeft de gemeente geïnformeerd naar de mogelijke verblijfplaats van de arbeidsmigranten bij de Honorair Consul en de Roemeense Ambassade.
Inmiddels is vastgesteld dat de arbeidsmigranten in België verblijven. De lokale autoriteiten en instanties zijn door de gemeente hierover geïnformeerd. Hun is verzocht om ieder vanuit zijn eigen taak en verantwoordelijkheid een controle uit te voeren. De gemeente heeft om een terugkoppeling verzocht.
Bent u het met de heer Roemer eens dat betere bescherming van arbeidsmigranten niet kan wachten op een nieuw kabinet?2
Ik ben dat met de heer Roemer eens. In het AO Arbeidsmigratie van 3 februari jl. heb ik met uw Kamer gesproken over de implementatie van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. Daar heb ik reeds aangegeven dat we direct aan de slag zijn gegaan met het uitwerken van de adviezen van het Aanjaagteam. Sommige aanbevelingen zijn direct in beleid omgezet. Zo worden (op basis van toestemming) de contactgegevens (e-mail en telefoonnummer) van arbeidsmigranten inmiddels geregistreerd als zij zich inschrijven in de Registratie Niet-ingezetenen. Tevens heb ik aangegeven dat we de aanbevelingen die een wetswijziging of grote investeringen vereisen zodanig voorbereiden zodat ze klaarliggen voor een volgend kabinet om daarover een besluit te nemen. Dat gebeurt dus ook op dit moment. Tevens heb ik uw Kamer in dat debat beloofd om een overzicht te verschaffen van de aanbevelingen die op korte termijn uitgevoerd worden en die aanbevelingen die voor een volgend kabinet zijn, ten behoeve van besluitvorming van een nieuw gekozen Kamer over dit onderwerp. Op 1 april jl. heb ik uw Kamer daartoe een stand van zaken gestuurd, waarbij in Bijlage 1 tevens per aanbevelingen de stand van zaken is weergegeven alsook een planning (Kamerstukken II 2020/2021, 29 861, nr. 69).
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Jasper van Dijk over de aanbeveling over veiligheid van het aanjaagteam omzetten in beleid (Kamerstuk 29 861, nr. 67) en de motie van het lid Van Weyenberg c.s. over zo snel mogelijk aan de slag gaan met de maatregelen voor de korte termijn uit het advies van het aanjaagteam (Kamerstuk 29 861, nr. 58)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u het met de heer Roemer eens dat het registreren van arbeidsmigranten op het adres waar zij wonen een absolute voorwaarde is om zicht te krijgen op de omvang waarmee dit plaatsvindt?
Registratie is belangrijk om zicht te kunnen krijgen op het verblijf van arbeidsmigranten. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 26 mei 2021 een brief aan uw Kamer gestuurd met zijn aanpak voor het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten in de Basisregistratie Personen (BRP, Kamerstukken II 2020/21, 27 859, nr. 153). Onderdeel van de aanpak is het registreren van contactgegevens (dit is sinds januari mogelijk op basis van instemming) en tijdelijke verblijfsadressen van niet-ingezetenen die in Nederland verblijven en het inrichten van een sluitend proces voor correcte en actuele registratie van EU-arbeidsmigranten in de BRP.
Registratie is echter maar één stap. Misstanden kunnen zich ook nog voordoen nadat iemand goed geregistreerd staat en daarom is het belangrijk dat we zo spoedig mogelijke signalen van eventuele misstanden ontvangen waar de juiste toezichthouder vervolgens op kan acteren. Ook kan correcte registratie worden gefrustreerd door malafide werkgevers of huisvesters, ook daarvoor is het belangrijk dat signalen opgevolgd worden.
Deelt u de mening dat de aangetroffen situatie in Zuid-Limburg opnieuw laat zien dat een registratieplicht zoals de heer Roemer voorstelt niet kan wachten en dus zo snel mogelijk ingevoerd moet worden?
Ja, de Staatssecretaris van BZK heeft voor een stapsgewijze aanpak voor het verbeteren van de registratie gekozen, zodat al volgend jaar verblijfsadressen van arbeidsmigranten kunnen worden geregistreerd in de BRP.
Een registratieplicht (met opgave van een woonadres in een Nederlandse gemeente) bestaat al bij verblijf in Nederland van naar verwachting langer dan vier maanden binnen zes maanden, conform artikel 2.38 van de Wet basisregistratie personen (aangifteplicht voor verblijf en adres). De aanpak van de Staatssecretaris gaat ervoor zorgen dat, ook bij minder lang (verwacht) verblijf in Nederland, een adres wordt geregistreerd in de BRP (in het niet-ingezetenen deel van de BRP, ook wel bekend als RNI). Het gaat dan om een tijdelijk verblijfsadres in Nederland, naast het woonadres in het buitenland.
Kunt u per aanbeveling van het advies van de heer Roemer aangeven wat de voortgang is?
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 9, heb ik uw Kamer op 1 april jl. een stand van zaken gestuurd van de implementatie van het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten o.l.v. de heer Roemer, waarbij in Bijlage 1 per aanbeveling de stand van zaken is weergegeven alsook een planning (Kamerstukken II 2020/2021, 29 861, nr. 69).
Wanneer komen de maatregelen die geen wetswijziging behoeven in uitwerking?
Zie antwoord op vraag 13.
Het bericht ‘Broekers-Knol is suikertante van indringers’. |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel »Broekers-Knol is suikertante van indringers»?1
Ja.
Herkent u zich in de cijfers uit dit artikel? Hoeveel migranten krijgen jaarlijks een terugkeerbesluit, inreisverbod of ongewenstverklaring? Hoeveel van hen hebben deze opgelegd gekregen in verband met het plegen van een misdrijf?
In het artikel wordt gerefereerd aan 950 vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS), de zogenaamde VRIS’ers2, die Nederland zo spoedig mogelijk moeten verlaten. Dit aantal betreft het aantal VRIS’ers dat door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) als aantoonbaar of niet-aantoonbaar vertrokken is geregistreerd. In 2020 zijn circa 1.070 VRIS’ers ingestroomd in de caseload van de DT&V.
In 2020 ontvingen ketenbreed circa 20.000 vreemdelingen een terugkeerbesluit. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (ND) heeft in 2020 circa 2.800 inreisverboden opgelegd en de Koninklijke Marechaussee (KMar) circa 1.700. De inreisverboden uitgereikt door de IND en KMar kunnen dezelfde vreemdelingen betreffen. Het aantal inreisverboden dat door de politie is opgelegd kan nog niet geautomatiseerd uit de gegevenssystemen worden verkregen. Tot slot heeft de IND 360 ongewenstverklaringen opgelegd. Hoe vaak het VRIS’ers betreft kan nog niet uit de geautomatiseerde gegevenssystemen worden geconcludeerd.
Wat is uw reactie op de cijfers uit het artikel dat in 2020 op 34% van de criminele vreemdelingen die Nederland hadden moeten verlaten, geen toezicht op is geweest of zij ook daadwerkelijk zijn vertrokken? Kunt u het percentage van 21% in 2019 in verhouding tot de 34% in 2020 toelichten?
Ondanks de beperkingen vanwege COVID-19 zijn uit de caseload van de DT&V in 2020 circa 630 VRIS’ers gecontroleerd vertrokken en ca. 320 zelfstandig vertrokken zonder toezicht. Het percentage aantoonbaar vertrek in 2020 was 66% en het zelfstandig vertrek zonder toezicht 34%. Ter vergelijking, over heel 2019 zijn er circa 970 VRIS’ers gecontroleerd vertrokken en circa 260 zelfstandig zonder toezicht. Het percentage aantoonbaar vertrek van VRIS’ers in 2019 was daarmee 79% en het percentage zelfstandig vertrek zonder toezicht 21%.
De DT&V verricht samen met de andere ketenpartners maximale inspanningen om het vertrek van VRIS’ers zonder verblijfsrecht te effectueren. De inzet is deze doelgroep aantoonbaar te laten vertrekken, waar mogelijk aansluitend aan de strafrechtelijke detentie en anders vanuit vreemdelingenbewaring. De vele reisbeletselen en de overige beperkingen die voortvloeien uit COVID-19 hebben echter geleid tot minder aantoonbaar vertrek van vreemdelingen en VRIS´ers in 2020.
In hoeverre is sprake van begeleid toezicht bij criminele migranten die uit Nederland moeten vertrekken? Wordt dit automatisch gekoppeld aan het zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring of wordt altijd in het individueel geval bekeken welke toezichtsmaatregel het meest effectief is? Welk beleidskader is hierop van toepassing?
In de ketenprocesbeschrijving Vreemdelingen in de Strafrechtketen (VRIS) staan de werkafspraken tussen de betrokken partijen van de strafrechtketen en vreemdelingenketen beschreven. Conform de ketenprocesbeschrijving VRIS wordt, indien een vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd, beoordeeld of dit consequenties heeft voor zijn verblijfsrecht in Nederland. Gepleegde delicten kunnen betekenen dat een verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken. Als de vreemdeling niet of niet langer rechtmatig verblijft in Nederland, kan op basis van de Vreemdelingenwet 2000 een terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling. Betreft het een EU-onderdaan, Dublinclaimant of derdelander die niet in Nederland verblijft dan kan een ongewenstverklaring worden opgelegd. Het uitgangspunt van de ketenprocesbeschrijving VRIS is dat criminele, onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, na het uitzitten van hun straf Nederland aantoonbaar verlaten, bij voorkeur vertrekkend vanuit de strafrechtelijke detentie of, indien juridisch haalbaar, vanuit vreemdelingenbewaring. Voor vreemdelingenbewaring is zicht op uitzetting een vereiste.
Bij gedwongen vertrek, na de eventuele oplegging van vreemdelingenbewaring in aansluiting op de strafrechtelijke detentie, wordt erop toegezien dat de vreemdeling effectief het Nederlandse grondgebied verlaat. Daarbij wordt de vreemdeling in kwestie indien nodig begeleid door medewerkers van de KMar en overgedragen aan de autoriteiten van het land van herkomst. Toepassing van gedwongen vertrek (al dan niet via vreemdelingenbewaring) is niet altijd haalbaar, bijvoorbeeld als er geen zicht is op uitzetting of als de vreemdeling juridisch gezien niet verwijderbaar is. Indien vreemdelingenbewaring juridisch niet haalbaar is, kunnen eventueel lichtere toezichtsmaatregelen worden opgelegd om de vreemdeling beschikbaar te houden voor vertrek en daarop aan te sturen, zoals een meldplicht en een gebiedsgebod.
Bent u het eens dat zo snel mogelijk vertrek uit Nederland centraal moet staan bij vertrek van illegaal verblijvende vreemdelingen, zeker als het gaat om veroordeelde criminelen? In hoeverre is een lichtere toezichtmaatregel dan effectief? Deelt u voorts de mening dat vreemdelingendetentie en/of de inzet van artikel 197 Sr effectiever kan zijn dan lichtere toezichtsmaatregelen om hen tot vertrek te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik volledig. Het is staand beleid dat aan een strafrechtelijke veroordeling van een vreemdeling vreemdelingrechtelijke gevolgen worden gegeven daar waar mogelijk. Om dit te borgen, werken de ketenpartners van de strafrechtketen en vreemdelingenketen samen conform eerdergenoemde Ketenprocesbeschrijving VRIS.
Bij vreemdelingen op wie een vertrekplicht rust die in het toezicht worden aangetroffen, of wiens strafrechtelijke detentie afloopt voordat vertrek gerealiseerd kan worden, wordt bezien of vreemdelingenbewaring kan worden opgelegd. Dit blijft wel een individuele afweging. Vreemdelingenbewaring is het ultimum remedium om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan het toezicht onttrekt dan wel de voorbereiding van het vertrek belemmert. Bij het opleggen van vreemdelingenbewaring zal altijd worden afgewogen of ook zou kunnen worden volstaan met een lichtere toezichtsmaatregel. Bovendien kan, volgens vaste Afdelingsjurisprudentie, het feit dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit meestal niet als dragende grond worden meegewogen bij de vraag of er redenen zijn om een vreemdeling in bewaring te stellen ter fine van uitzetting; steeds zal moeten gemotiveerd dat er een risico is inzake het onttrekken aan toezicht waarbij de strafbare feiten in beginsel geen rol spelen. Als er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan toezicht zal onttrekken, is vreemdelingenbewaring effectiever in vergelijking met de oplegging van een lichter middel omdat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het overheidstoezicht hiermee wordt weggenomen. Het is echter niet zo dat vreemdelingenbewaring en/of strafrechtelijke detentie in alle gevallen sneller leidt tot terugkeer. De ACVZ heeft onlangs in haar adviesrapport «Samen werken aan terugkeer» aangegeven dat vreemdelingenbewaring zich niet één-op-één verhoudt tot hogere vertrekcijfers. Vertrek is vaak afhankelijk van de medewerking van de vreemdeling en/of het land van herkomst.3 Om dezelfde reden kan niet zonder meer gezegd worden dat een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden voor de schending van een ongewenstverklaring volgens artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht per definitie leidt tot hogere vertrekcijfers. Dit laat onverlet dat ik van mening ben dat het instrumentarium dat de toezichthouder in het vertrekproces kan toepassen breed moet zijn en zowel positieve prikkels in de zin van terugkeerondersteuning, als sancties, zoals een boete of zelfs een gevangenisstraf, moet omvatten. Daarmee kan per geval de in de ogen van de professional de meest effectieve maatregel worden genomen om het vertrek van de vreemdeling te realiseren. De ongewenstverklaring en daaropvolgend de strafvervolging is een instrument om op lokaal niveau de meest problematische casuïstiek van criminele, overlastgevende en onrechtmatig verblijvende vreemdelingen aan te pakken. Dit licht ik onder vraag 6 nader toe.
Hoe staat het met de verkenning naar de mogelijkheden van een wetswijziging om artikel 197 Sr te koppelen aan de ongewenstverklaring? Wanneer kan de Kamer onderzoek naar deze mogelijkheid verwachten en bent u voornemens met een wetswijziging te komen om deze koppeling te realiseren?
Op 16 december 2020 heb ik een plan van aanpak van illegaliteit met uw Kamer gedeeld4. Hierin heb ik het huidige beleid voor de aanpak van illegaliteit toegelicht, en tevens aanvullende maatregelen aangekondigd om illegaliteit verder te ontmoedigen. Een maatregel was dat ik zou laten onderzoeken onder welke modaliteiten het zinvol zou zijn om de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zo te wijzigen dat de ongewenstverklaring weer gemakkelijker toepasbaar wordt. Deze wijziging zou behelzen dat de koppeling tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod, die in 2011 aan de Vw 2000 is toegevoegd bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn, ongedaan wordt gemaakt.
In het afgelopen tijdvak is gewerkt aan een grove schets van de noodzakelijke aanpassingen om de ontkoppeling tussen inreisverbod en ongewenstverklaring in de Vw 2000 mogelijk te maken. Het ontvlechten van de in de loop van 10 jaar ontstane praktijk heeft aanzienlijke consequenties voor de werkwijze van de uitvoering. Aangezien het onderliggende doel is het vergroten van de slagvaardigheid van de uitvoering, is van belang bij een wijziging een goede balans te vinden tussen mogelijke baten en lasten.
Tegen deze achtergrond wil ik uw Kamer informeren over de stand van zaken van dit traject en de modaliteiten die thans worden bezien. Daarbij is de vraag op welke wijze kan worden bereikt dat de effecten van een ongewenstverklaring in het binnenlands rechtsverkeer weer worden versterkt. Dit betreft in de kern nationale bevoegdheden. Het inreisverbod blijft het centrale instrument om vreemdelingen gedurende een periode na vertrek wederinreis te beletten, op basis van het unierecht. Het gaat daarbij in de kern om een herstel van de situatie zoals door de wetgever oorspronkelijk was beoogd in 2011. Ik hecht er aan wel op te merken dat een maatregel als de ongewenstverklaring alleen kan worden gezien in combinatie met het bredere pallet aan maatregelen om vertrek te bewerkstelligen. In veel gevallen zal het aanbieden van ondersteuning effectiever, goedkoper en minder belastend zijn dan dwang. Ik acht het echter van belang dat ook repressieve maatregelen in het instrumentarium kunnen worden benut. De veroordeling op zich is nooit een doel. Het doel is de vreemdeling te laten inzien dat niet in zijn onrechtmatige verblijf wordt berust.
De eerste beoordeelde modaliteit is het aanpassen van de wijze waarop het inreisverbod doorverwijst naar de strafbepaling in artikel 197 Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat zou echter ook grote aantallen vreemdelingen betreffen die niet eerder met het strafrecht in aanraking zijn gekomen. De doelgroep zou daarmee afwijken van hetgeen oorspronkelijk met de ongewenstverklaring is bedoeld. Dat artikel legt een nadrukkelijke link met de openbare orde of nationale veiligheid. Een dergelijke wijziging zou verder gaan dan het herstellen van de oorspronkelijk door de wetgever beoogde situatie. Om deze redenen heeft deze modaliteit niet de voorkeur bij de verdere verkenning.
De tweede modaliteit komt het dichts bij het «ongedaan maken» van de koppeling tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod die in de wet is neergelegd. De inzet van deze wijziging is het herstellen van de ongewenstverklaring zodat die naast en onafhankelijk van het inreisverbod kan bestaan. Het inreisverbod blijft leidend voor wat betreft het weren van een vreemdeling uit de EU ná het vertrek. De ongewenstverklaring maakt dat vóór het vertrek voortgezet verblijf voor de vreemdeling minder aantrekkelijk wordt, door een aantal procedurele voordelen uit te schakelen, en door de strafbaarstelling van het verdere verblijf in artikel 197 Wetboek van Strafrecht (Sr). De ongewenstverklaring als competentie van de nationale wetgever en de in het EU recht geregelde inreisverbod worden zo duidelijk van elkaar gescheiden. De verwachting is dat het Europese Hof een dergelijke scheiding van bepalingen kan accepteren, al is het uiteindelijke oordeel daarover aan de rechter.
De laatste modaliteit is het buiten toepassing laten van de Terugkeerrichtlijn voor het deel van de criminele en onrechtmatig verblijvende vreemdelingen dat veroordeeld is voor een strafbaar feit. Deze modaliteit kent echter meerdere juridische en praktische onzekerheden. Het zou betekenen dat verschillende terugkeerprocessen naast elkaar zouden moeten bestaan; voor de gevallen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen en voor de gevallen die daarbuiten vallen. De vraag is of en hoe dit in een efficiënt uitvoeringsproces kan worden ingericht.
Op basis van een grove schets voor een wetswijziging zullen de uitvoeringsorganisaties, te weten de IND, Politie, KMar en het OM, worden verzocht de uitvoeringsconsequenties verder in kaart te brengen. In dit proces worden in eerste instantie alle drie de modaliteiten meegenomen en onderzocht. Ik kan niet vooruitlopen op dit proces. Daarbij hecht ik eraan op te merken dat, gezien haar demissionaire status, het niet in de rede ligt dat dit wetsvoorstel door het huidige kabinet ingediend wordt. Dat neemt niet weg dat voorbereidende stappen gezet worden.
Komen op dit moment nog vreemdelingen met een inreisverbod, zwaar inreisverbod en/of ongewenstverklaring voor in de landelijke vreemdelingenvoorziening? Zo ja, om welke aantallen gaat dit? In welke gemeenten maken zij gebruik van deze opvang en welke convenantsafspraken worden daarmee geschonden?
Het doel van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) is het vinden van een bestendige oplossing voor het illegale verblijf van vreemdelingen. De doelgroep is dan ook vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Vreemdelingen in deze groep hebben vrijwel allemaal een inreisverbod met een duur tot en met 2 jaar. Dit wordt immers in de regel opgelegd aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen die onmiddellijk uit Nederland moeten vertrekken of waarvan de eerder opgelegde vertrektermijn is verstreken. Op 1 mei 2021 verbleven er 862 vreemdelingen in de pilot-LVV’s.
In de convenanten is afgesproken dat onder andere vreemdelingen met een zwaar inreisverbod van 10 jaar en hoger en ongewenstverklaarden geen onderdak zullen krijgen in de LVV’s, maar ook dat in uitzonderlijke gevallen kan worden besloten om in een individueel geval iemand die niet voldoet aan de doelgroep toch toe te laten en begeleiding te bieden. Hiernaast zijn er, naast de landelijke doelstellingen, met de afzonderlijke pilotgemeenten verschillende subdoelstellingen afgesproken in de convenanten. Met Groningen is onder andere afgesproken dat in de pilot in Groningen wordt gewerkt aan het bieden van opvang en begeleiding aan personen met een (zwaar) strafblad en/of een (zwaar) inreisverbod. Dit gebeurt na beoordeling en deze begeleiding is uitdrukkelijk gericht op het realiseren van terugkeer. Groningen doet dit vanuit het perspectief van bescherming van de openbare orde en veiligheid. In Groningen verbleven er eind mei 2021 zes personen met een zwaar inreisverbod in de LVV. In de overige pilotgemeenten verbleven er eind mei 2021 geen personen met een zwaar inreisverbod en/of ongewenstverklaring in de LVV’s.
Hoe staat het met de ontwikkeling van een integraal plan van aanpak ten aanzien van de politiële migratietaken waarmee u voornemens bent de bestrijding van illegaliteit en met name het aanpakken van onrechtmatig verblijf van criminele vreemdelingen prioriteit wil geven? Is dit reeds in werking en kunt u de Kamer het komend half jaar informeren over de resultaten van deze aanpak?
Voortvloeiend uit de Politiewet 2012, legt de politie samen met gemeentes de lokale prioriteiten voor de bescherming van de openbare orde vast. Zo worden er ook afspraken over vreemdelingentoezicht vastgelegd door de lokale gezagsdriehoek, bestaande uit de burgemeester, het OM en de politie.
De aanpak van criminele en overlastgevende vreemdelingen behoeft prioritering en (keten)samenwerking zoals ook in de resultaatafspraken over de politiële migratietaken 2019–2022 is vastgelegd. Tijdens het gezagsdragersoverleg met de politie zal ik dit opnieuw benadrukken en ook bij burgemeesters en het OM zal ik doorlopend aandacht blijven vragen voor deze prioritering. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang en resultaten van deze aanpak.
Het bericht ‘Schaapsherders in de knel: er zijn er nog maar een paar over en subsidie komt niet bij hen terecht’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Lucille Werner (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er nog maar vier zelfstandige herders in Nederland zijn die met hun honden hun schapen door het landschap leiden, waarvan drie in Gelderland?1
Ik heb uw Kamer in januari 2019 geïnformeerd over de stand van zaken van de gescheperde schaapskuddes in Nederland (Kamerstuk 29 659, nr. 152)2. Ik heb uw Kamer toen gemeld dat er ongeveer honderd schaapskuddes zijn, waarvan ongeveer vijftig traditioneel «gescheperd», dat wil zeggen rondtrekkende kuddes onder leiding van een herder. Ik heb geen aanwijzingen die erop duiden dat dit aantal drastisch is gedaald. Mogelijk wordt in het artikel in De Gelderlander gedoeld op de zeer specifieke categorie van «driftschepers». Driftschepers zetten de schapen enkel in het winterseizoen op stal en rasteren de schapen de rest van het jaar ‘s nachts achter een hek. Dit in tegenstelling tot de meeste schepers, die gedurende het hele jaar aan het eind van de dag met de schapen terugkeren naar stal.
Klopt het dat zelfstandige schaapsherder op de nationale lijst van immaterieel erfgoed staan?
Zowel het scheperen met traditionele landschapsrassen (bijgeschreven vanaf december 2016) als het houden van gescheperde schaapskuddes in Drenthe (bijgeschreven vanaf oktober 2015) zijn bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die door het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) wordt beheerd. KIEN wordt structureel gesubsidieerd door het Ministerie van OCW via de Erfgoedwet.
In hoeverre voelt u een verantwoordelijkheid, mede vanwege de nationale lijst van immaterieel erfgoed, om ervoor te zorgen dat de zelfstandige schaapsherder kan blijven bestaan?
Met de ratificering van het UNESCO Verdrag inzake de Bescherming van Immaterieel Erfgoed (2003) onderkent Nederland de waarde en het belang van immaterieel erfgoed en heeft Nederland zich verbonden aan de verplichting om randvoorwaarden te creëren voor het behoud van immaterieel erfgoed. Om de identificatie ten behoeve van bescherming te waarborgen, maakt elke staat die partij is één of meer inventarissen van het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed. Nederland doet dit via het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), die de inventaris voor Nederland coördineert. De nationale inventaris geeft een overzicht van beoefenaars van immaterieel erfgoed die een borgingsplan hebben gemaakt en zich actief inzetten voor de toekomst van hun erfgoed. De gemeenschappen melden zich zelf aan voor de inventaris en zijn zelf verantwoordelijk voor de borging van hun erfgoed.
Zoals gemeld in mijn brief van januari 2019, en nader toegelicht in mijn aanvullende brief van juli 2019 (Kamerstuk 29 659, nr. 154)3 onderschrijf ik het belang van rondtrekkende schaapskuddes. Zij vervullen al eeuwenlang een belangrijke functie. Gescheperde schaapskuddes dragen bij aan het bewaken van cultuurhistorie, het beschermen en versterken van het landschap, het beheren van (kwetsbare) natuur, de instandhouding van zeldzame schapenrassen en natuurbeleving en educatie in onze natuurgebieden. Dat is dan ook de reden dat deze schaapsherders op diverse manieren worden ondersteund bij hun activiteiten, zowel door brancheorganisaties als door diverse betrokken overheden.
Wat vindt u ervan dat er wel geld beschikbaar is voor zelfstandige schaapsherder maar dat dit naar de terreinbeherende organisaties gaat en niet bij de schaapsherders terechtkomt?
Natuurbeheerders kunnen voor het natuurbeheer gebruik maken van de diensten van gescheperde schaapskuddes. Veelal geschiedt dat in de vorm van opdrachten van natuurbeheerders aan de schaapsherders dan wel de eigenaren van de schaapskuddes (soms is bijvoorbeeld sprake van een stichting die het werk van de schaapskudde beheert; soms zijn schaapsherders in dienst van een natuurbeheerder). Er zijn, zoals nader toegelicht in mijn brief van januari 2019, ook provincies en gemeenten die (deels) rechtstreeks subsidie verstrekken aan de schaapsherders dan wel de eigenaren van de schaapskuddes. In alle gevallen moet uiteraard gelden dat het werk van de gescheperde schaapskudde moet worden beloond.
Klopt het dat er voor zelfstandige schaapsherders alleen provinciale subsidies beschikbaar zijn? Zo ja, in hoeverre vindt u dit passend gezien de nijpende situatie waarin zij zich bevinden?
De overheidssubsidies zijn vooral afkomstig van provincies, hetzij direct, hetzij via de subsidie voor natuurbeheer voor terreinbeherende organisaties. Daarnaast kunnen schapenhouders ook gebruik maken van de zogeheten «graasdierpremieregeling» in het kader van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB).
Naar aanleiding van de motie Dik-Faber van juli 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 300)4 werk ik voor de komende GLB-periode 2023–2027 aan een nationale regeling voor het behoud van zeldzame landbouwhuisdierrassen. Ik heb deze regeling aangekondigd in het concept-NSP «Toekomstbestendig boeren» dat 29 juni jl. naar de Kamer is verzonden (Kamerstuk 28 625, nr. 294)5. De ongeveer vijftig traditioneel gescheperde schaapskuddes bestaan voor het grootste deel uit zeldzame rassen.
Daarnaast heeft mijn ministerie ook de certificering van schaapsherders en de ontwikkeling van het concept heideboerderij financieel ondersteund. Zie verder ook mijn brief van januari 2019.
Welke oplossingen ziet u voor zich om het voortbestaan van zelfstandige schaapsherder veilig te stellen?
Het geheel aan ondersteuning van traditioneel gescheperde schaapskuddes, zoals geschetst in mijn brief van januari 2019, draagt bij aan de instandhouding van gescheperde schaapskuddes in Nederland. Dat betekent niet dat hiermee het voortbestaan van iedere individuele gescheperde schaapskudde kan worden verzekerd. Eigen inkomsten, bijvoorbeeld vanuit het publiek, blijven ook van groot belang voor het voortbestaan van deze schaapskuddes.
Het bericht dat het kabinet ondanks Kamermeerderheid nog geen verbod op homogenezing wil |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom weigert u zogenaamde homogenezing zo snel mogelijk strafbaar te stellen, ondanks dat hiervoor een Kamermeerderheid is?1
Het kabinet vindt het van groot belang dat inspanningen om iemands seksuele of genderidentiteit te veranderen effectief worden voorkomen en tegengegaan. Bij de vraag hoe dit het beste vorm kan krijgen gaat het om een zorgvuldige afweging, waarin grondrechten, waaronder de rechten van LHBTI-personen, centraal staan en waarin onderzocht wordt wat nodig is voor een effectieve bestrijding zoals is uiteengezet in de beleidsreactie op het onderzoek »Voor de verandering»2. Om die reden zal het kabinet een brede verkenning uitvoeren naar mogelijke, effectieve nadere maatregelen, inclusief de optie voor enige vorm van wettelijk verbod. Op grond van de uitkomsten van die verkenning kan een weloverwogen keuze worden gemaakt voor de wijze waarop conversietherapie het meest succesvol kan worden voorkomen en tegengegaan.
Hoe gaat u «krachtig optreden» tegen activiteiten die zich richten op het veranderen van seksuele geaardheid en genderidentiteit? Op welke manier kunnen aanbieders van «homoconversie» nu aangepakt worden? Kunt u zonder wettelijk kader iets meer dan zeggen dat u het geen goed idee vindt?
Het voorspiegelen dat je kunt genezen van je seksuele gerichtheid of genderidentiteit is schadelijk voor je ontwikkeling en keuren wij af.
Om krachtig op te treden tegen dergelijke activiteiten, zet het kabinet in op drie terreinen: een gedragscode voor pastorale en levensbeschouwelijke ondersteuning, het oprichten van steunpunten en het uitvoeren van een verkenning naar mogelijkheden voor nadere maatregelen en regelgeving.
Indachtig het uitgangspunt dat mensen zich veilig moeten kunnen voelen en de ruimte moeten krijgen om zichzelf te zijn of te worden wie ze willen zijn, is het kabinet van oordeel dat elke poging of inspanning die er op gericht is om iemands seksuele voorkeur of genderidentiteit te veranderen is af te wijzen, omdat zij voor betrokkene schadelijk zijn.
Waarom denkt u dat een gedragscode en steunpunten voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender- en intersekse personen (lhbti’ers) voldoende gaat zijn? Hoe gaan deze gedragscode en steunpunten eruitzien en wanneer kan de Kamer deze verwachten? Welke indicatie heeft u om te denken dat een gedragscode datgene is wat nu ontbreekt? En hoe denkt u dat een therapeut, die ervan overtuigd is dat iemands seksuele geaardheid te behandelen is, in de praktijk om zal gaan met deze gedragscode? Gelooft u nu echt dat dit ook maar iets uitmaakt? Zo niet, waarom doet u het dan? Indien dit wel zo is, op basis waarvan denkt u dit dan?
Wij zijn geschrokken van de soms indringende verhalen van de ervaringsdeskundigen in het onderzoek. Die verhalen schetsen een gedetailleerd beeld van persoonlijke ervaringen op het gebied van pogingen tot onderdrukking, ontmoediging en verandering van niet-heteroseksuele gerichtheid.
Het voornemen om een gedragscode te ontwikkelen en steunpunten in te richten is aanvullend op reeds bestaand beleid en wettelijke mogelijkheden om homoconversie tegen te gaan. Het kabinet heeft de overtuiging dat een gedragscode die de grenzen aan hulp aan LHBTI-personen concretiseert het meest effectief is wanneer deze tot stand komt met inbreng vanuit religieuze koepelorganisaties en levensbeschouwelijke organisaties zelf. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde brief aan uw Kamer, laat het kabinet onderzoeken wat de verdere mogelijkheden zijn om effectief tegen homoconversie op te treden.
Het Humanistisch Verbond heeft in overleg met een aantal religieuze en levensbeschouwelijke koepels een conceptgedragscode opgesteld. De koepels van enkele geloofsgemeenschappen hebben aangegeven zich hier in principe in te kunnen vinden. Het Humanistisch Verbond heeft de Minister van Justitie en Veiligheid op 6 juli jl. een brief gestuurd waarin aangegeven wordt dat het niet gelukt is de steun van alle religieuze koepels voor dit initiatief te krijgen. Mede naar aanleiding van deze brief heeft de Minister van Justitie en Veiligheid voor komende maand (september) gesprekken met het Humanistisch Verbond en het CIO laten inplannen. Deze konden vanwege de vakantieperiode niet eerder plaatsvinden.
Een gedragscode stelt een norm ten aanzien van seksuele of genderidentiteit in relatie tot geloof en levensovertuiging, die ervoor kan zorgen dat de toepassing van mogelijkheden op het gebied van het civiele recht wordt versterkt. Bij het vaststellen van de rechtmatigheid van een handeling, krijgt de civiele rechter met een gedragscode immers een duidelijk handvat aangeboden van wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is.
De gevolgen van pogingen om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van iemand te veranderen kunnen vergaand zijn. Zo ervaren ervaringsdeskundigen bijvoorbeeld psychische en sociale klachten en seksuele problemen. Om die reden vindt het kabinet het belangrijk dat er een plek is waar LHBTI-personen, zeker als zij ervaring hebben met homoconversie, hun verhaal kwijt kunnen. Hiervoor wordt gedacht aan het inrichten van steunpunten. Het doel van deze steunpunten is dat, naast het delen van verhalen, het steunpunt een plek biedt waar religieuze LHBTI-personen in alle vrijheid over hun twijfels kunnen spreken. Daarnaast kunnen steunpunten LHBTI-personen ondersteunen bij het doen van aangifte bij een eventuele juridische procedure. Het kabinet gaat met organisaties, zoals stichting Wijdekerk, en deskundigen in gesprek over de wijze waarop dergelijke steunpunten ingericht kunnen worden.
In hoeverre gaat u optreden tegen therapieën en therapeuten die deelnemers vragen om hun gevoelens op het gebied van seksuele geaardheid te onderdrukken?
De seksuele gerichtheid en het gender zijn onderdeel van iemands identiteit en daarmee niet iets om te veranderen. In de kabinetsreactie d.d. 28 mei 2021 op het rapport «Voor de Verandering»3 heeft het kabinet duidelijk uitgesproken dat activiteiten of handelingen om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een individu te veranderen kwalijk zijn. Het kabinet keurt deze praktijken af.
Pogingen gericht op het veranderen van een seksuele gerichtheid of genderidentiteit kunnen niet gezien worden als zorg en zijn dus geen therapieën in de zin van de Zorgverzekeringswet.
Met dit uitgangspunt ligt er in beginsel derhalve geen toezichthoudende taak bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Deze activiteiten vallen slechts onder het toezicht van de IGJ als binnen een behandelrelatie van een (alternatieve) zorgaanbieder met een cliënt sprake is van pogingen tot het veranderen van seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Het is evident dat hiervoor binnen een behandelrelatie geen plaats is en de IGJ zal in dergelijke gevallen dan ook interveniëren. Naast haar instrumentarium op basis van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), kan in het geval van BIG- of Stichting Kwaliteitsregister Jeugd- (SKJ-)geregistreerde zorgprofessionals ook een tuchtklacht worden ingediend door de IGJ. Dat kunnen overigens ook de cliënten zelf of andere belanghebbenden doen. Als aantoonbaar sprake is van het toebrengen van ernstige schade c.q. mishandeling, zal de IGJ aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Los daarvan kan de cliënt ook zelf aangifte doen.
Indien sprake is van een strafbaar feit, kan mogelijk strafrechtelijk worden opgetreden. Indien LHBTI-personen dat wensen, kunnen steunpunten hen ondersteunen bij het doen van aangifte en bij een eventuele juridische procedure.
Bent u alsnog bereid om aan de wens van de Kamer en het COC te voldoen en «homogenezing» te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat – ondanks dat handhaving niet eenvoudig zal blijken – het niet verbieden van dit soort «therapie», ertoe leidt dat jongeren onnodig lang worden blootgesteld aan kwakzalverij met mogelijk ernstige gevolgen voor hun welzijn? Zo ja, waarom doet u dan niks? Indien u dit niet vindt, waarom komt u dan met een gedragscode en een steunpunt wanneer u dit niet als schadelijk beschouwt?
Wij delen de mening niet dat er een causaal verband zou bestaan tussen het niet-verbieden en blootstelling aan kwakzalverij. Het kabinet is van oordeel dat een scala aan wettelijke en (bestaande en voorgenomen) beleidsmaatregelen, zoals beschreven in de in het antwoord op vraag 1 aangehaalde brief aan uw Kamer, op een effectieve manier (kunnen) bijdragen aan de bestrijding van homoconversie. Daarnaast komen naar verwachting eerste kwartaal 2022 de resultaten van een verkenning van nadere, effectieve, maatregelen en eventuele wet- en regelgeving beschikbaar.
Het initiatief Extra handen voor de Zorg. |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe zijn de persoonsgegevens van mensen die zich hebben aangemeld bij het initiatief Extra handen voor de Zorg opgeslagen voordat het centrale ICT-systeem op orde was? Hoe zijn deze gegevens toen verspreid onder de verschillende regio’s? Zijn de gegevens die buiten het systeem waren opgeslagen, vernietigd?
Aan het begin van de eerste golf zijn er via diverse kanalen oproepen gedaan om bij te springen in de zorg. Er was een LinkedIn groep COVID-19 Extra Handen aan het Bed, NU»91 heeft een oproep gedaan voor mensen die wilden bijspringen in de zorg en er was een initiatief van studenten dat mensen heeft aangeleverd. Deze maatschappelijke initiatieven zijn – mede op verzoek van VWS – gebundeld in het crisisinitiatief Extra Handen voor de Zorg (EHvdZ).
In het begin van de crisis konden geïnteresseerden zich aanmelden bij EHvdZ via een Google Formulier. In dit Google Formulier hebben mensen die zich aanmeldden middels een verplicht veld aangegeven of hun gegevens gedeeld mochten worden met zorgorganisaties ten behoeve van inzet tijdens de COVID19-crisis. Hierover heeft overleg plaatsgevonden tussen EHvdZ en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Daaropvolgend is conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om toestemming gevraagd om gegevens te mogen delen met zorgorganisaties.
Het gebundelde bestand is door EHvdZ op basis van postcodes uitgesplitst en verspreid onder de 14 regionale werkgeversorganisaties van RegioPlus, die afstemming van vraag en aanbod coördineerden. Met het eerste IT-systeem was niet mogelijk om vraag met aanbod te verbinden. Ook konden de gegevens niet eenvoudig met de zorgorganisaties gedeeld worden. Om die reden werd gewerkt met Excel. Tegelijkertijd werd de aanschaf van een nieuw systeem dat deze functionaliteiten wel biedt, opgestart. Dit werd in juni 2020 in gebruik genomen. In dit systeem hebben zorgorganisaties alleen toegang tot de gegevens van kandidaten die door recruiters van EHvdZ voor hen zijn geselecteerd. Nadat het nieuwe systeem functioneerde, werden de Excel-bestanden vernietigd.
Is er door een van de bij het initiatief Extra handen voor de Zorg betrokken partijen geld gevraagd aan zorginstellingen voor het matchen van aanmeldingen? Zo ja, hoe hoog was dat bedrag?
Nee. Het crisis-initiatief Extra Handen voor de Zorg is een breed samenwerkingsverband zonder winstoogmerk.
Hoeveel aanmeldingen zijn uiteindelijk gematcht met een ziekenhuis en hoeveel aanmeldingen met de overige zorginstellingen?
Extra Handen werkt vraaggestuurd. In de eerste golf zijn op aanvraag van zorgorganisaties circa 8000 mensen voorgesteld, van wie er circa 2800 zijn geaccepteerd1. Sinds 1 september 2020 zijn 7155 mensen voorgesteld aan zorgorganisaties, van wie 1040 aan ziekenhuizen. Van die 7155 zijn er 3015 geaccepteerd door zorgorganisaties, van wie 323 door ziekenhuizen. De weergegeven cijfers zijn afkomstig van Extra Handen voor de Zorg en betreffen peildatum 24 juni 2021. Voor de eerste golf is geen uitsplitsing naar zorgbranche beschikbaar. Extra Handen voor de Zorg is opgericht als tijdelijke crisisfaciliteit om zorgorganisaties in nood te voorzien van tijdelijke extra mensen (met en zonder zorgachtergrond) en werkt aanvullend op de activiteiten van de reguliere wervings- en selectiesector.
Op basis van welke criteria werd de keuze gemaakt om een aanmelding met een zorginstelling en/of ziekenhuis te matchen? Waren die criteria anders toen er meer vraag dan aanbod was naar mensen met een zorgachtergrond?
EHvdZ heeft gedurende de coronapandemie de vraag van zorgorganisaties en het aanbod van mensen die willen helpen in de zorg aan elkaar gekoppeld. Het profiel en de selectiecriteria van zorgorganisaties waren hierbij leidend. Die criteria betroffen de beschikbaarheid van de kandidaat (lengte inzetperiode, aantal uren per week, welke dagen), de woonplaats/regio (reisafstand en -bereidheid) en de relevante ervaring en kwalificaties (zoals BIG-registratie en diploma’s). De vraag naar tijdelijke extra capaciteit is gedurende de crisis redelijk constant gebleven.
Kunt u aangeven hoeveel mensen met een zorgachtergrond zich hebben aangemeld sinds de oprichting van het initiatief Extra handen voor de Zorg? Hoeveel van die mensen zijn uiteindelijk aan de slag gegaan in de zorg? Kunt u aangeven wat de meest voorkomende redenen waren bij de vraag waarom iemand met een zorgachtergrond niet werd gematcht?
Sinds de start van het project Extra Handen voor de Zorg hebben zich 11.669 mensen met een zorgachtergrond aangemeld bij EHvdZ. In de eerste golf zijn er circa 2800 mensen gekoppeld aan zorgorganisaties. Ongeveer 2.500 van deze mensen had een zorgachtergrond. Tijdens de tweede en derde golf werden ruim 2.800 mensen met een zorgachtergrond een of meerdere keren aangeboden aan instellingen. Circa 1.150 van deze mensen zijn een of meerdere keren geaccepteerd door zorgorganisaties. In totaal is tijdens de 2de en 3de golf ruim 5.500 keer een medewerker met een zorgachtergrond aangeboden aan een zorgorganisatie, van wie 1.762 keer een medewerker is geaccepteerd. De redenen voor een mismatch zijn verschillend en zijn samen te vatten als fricties op grond van tijd, plaats en kwalificaties. Het aantal gevraagde uren door de zorgorganisatie is bijvoorbeeld hoger dan de kandidaat beschikbaar is of de reisafstand vormt een belemmering. Zorgorganisaties hebben vooral behoefte aan gekwalificeerde zorgprofessionals terwijl in het aanbod mensen zonder die kwalificaties oververtegenwoordigd zijn. Deze fricties zijn ook gesignaleerd door de Commissie Werken in de Zorg, ik verwijs u daarvoor naar het rapport dat ik op 17 december 2020 aan uw Kamer stuurde.
Kunt u aangeven hoeveel mensen een opleiding en/of cursus hebben gevolgd via de Nationale Zorgklas? Hoeveel van die mensen zijn uiteindelijk aan de slag gegaan in de zorg?
De Nationale Zorgklas (NZK) is een initiatief van werkgevers- en werknemersorganisaties in de VVT, in nauwe samenwerking met publieke en private opleiders. Over de gehele periode van april 2020 tot en met week 23 (7 t/m 13 juni 2020) zijn er 3476 mensen opgeleid via de cursussen en korte trainingen van de NZK, waarvan 2402 in de periode januari 2021 t/m mei 2021.
Op dit moment ligt de focus van de NZK op de mbo-(deel)certificaten op niveau 2 en 3. Het Ministerie van VWS biedt de financiële ruimte voor ca. 3000 deelcertificaten. Op dit moment zijn er 1378 aanmeldingen (peildatum 14 juni 2021), waarvan circa 1250 zijn gestart. De NZK blijft daarnaast korte opfris- of introductietrainingen verzorgen aan mensen die een zorgwerkgever hebben, of die zicht hebben op een arbeidsrelatie in de zorg.
De NZK inventariseerde onder de deelnemers hoeveel NZK-opgeleiden een baan hebben gevonden. Uit deze peiling blijkt dat van de 747 respondenten, 29,2% aan het werk is gegaan in de zorg. De helft deed dit op eigen initiatief, de andere helft is gematcht via Extra Handen voor de Zorg (peildatum 7 april 2021).
Met de verlenging van de subsidieregeling Coronabanen in de Zorg ontstaan mogelijk opnieuw kansen voor mensen die een cursus of opleiding via de NZK hebben gevolgd, aangezien zij via die subsidieregeling aan de slag kunnen in de zorg, al dan niet in combinatie met een vervolgopleiding.
Ook de Nationale Zorgklas werd opgericht als crisisfaciliteit door werkgevers- en werknemersorganisaties in de zorg. Ik ben met hen in gesprek over de ervaringen met deze wijze van opleiden en over de toekomst van de Nationale Zorgklas.
Zijn er mensen die zich hebben aangemeld die, naast een eventuele bevestiging van de aanmelding, geen inhoudelijke terugkoppeling hebben gehad van het platform? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel aanmeldingen het gaat en hoe het komt dat die mensen nooit een terugkoppeling hebben gehad?
Extra Handen heeft per mail en/of telefonisch contact opgenomen met alle mensen die zich hebben aangemeld. In enkele gevallen is het niet gelukt om met deze mensen in contact te komen, bijvoorbeeld omdat er niet gereageerd werd op e-mail of telefoon, of omdat gegevens niet correct waren. Het is niet te herleiden hoeveel mensen dit betreft.
Kunt u er een inschatting van maken hoeveel mensen met een zorgachtergrond die via het initiatief weer in de zorg aan de slag zijn gegaan daar aan het werk willen blijven?
Extra Handen is momenteel bezig met een inventarisatie onder deelnemers – zowel met als zonder zorgachtergrond – en zorgorganisaties, waar onder andere deze vraag in wordt meegenomen. Zodra die inventarisatie gereed is, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Wat is er gedaan om mensen die niet gematcht konden worden, toch binnen de zorg te houden en wel een passend werk- of opleidingsaanbod te doen?
Extra Handen richt zich op mensen die tijdelijk, tijdens de coronacrisis, in de zorg kunnen en willen bijspringen bij zorgorganisaties in nood. Dit is een crisisfaciliteit en heeft niet tot doel om mensen blijvend voor de sector te houden. Wel is bekend dat er zorgorganisaties zijn die mensen die instroomden via EHvdZ, een baan of opleiding hebben aangeboden. Extra Handen wijst mensen die duurzaam willen instromen in de zorg actief op oriëntatiemiddelen als OntdekdeZorg.nl, Sterk in je Werk en de Nationale Zorgklas. Deze zomer inventariseert Extra Handen welke mensen uit haar bestand als zij-instromer, herintreder of als zorgreservist behouden kunnen blijven voor de zorg. Ik voer op dit moment een verkenning uit naar het oprichten van een Nationale Zorgreserve, waarover ik u in september nader informeer.
Tot slot biedt de verlenging van de subsidieregeling Coronabanen in de Zorg kansen voor mensen zonder zorgachtergrond die willen instromen in de zorg. Met deze subsidieregeling kunnen zorgorganisaties tijdelijk personeel aannemen in ondersteunende functies, waarmee zorgprofessionals ontlast kunnen worden. Met het beschikbare budget kunnen 1500 (voltijd) tot 2800 (deeltijd) mensen zonder zorgachtergrond aan de slag in de zorg.
Welke concrete maatregelen heeft het platform genomen naar aanleiding van het onderzoek van de commissie Werken in de Zorg?
In vervolg op het advies van de Commissie Werken in de Zorg zijn verschillende acties ondernomen. Het IT-systeem verbeterd, zodat kandidaten kunnen worden gekoppeld aan zorgorganisaties. Daarnaast is geïnvesteerd in de relatie met de regio’s, zijn er professionele recruiters aangetrokken en is de matching geoptimaliseerd. De aansluiting tussen vraag en aanbod verbeterde door te werken met gestandaardiseerde functieprofielen, ook werden verwachtingen bij geïnteresseerden beter gemanaged. Tot slot kwam er een nieuwe website en een aantal communicatiecampagnes, gericht op zowel kandidaten als zorgorganisaties.
In het recente advies van de Commissie Werken in de Zorg2 komt naar voren dat de adviezen van het vorige rapport goed zijn opgevolgd.
Klopt het dat het initiatief Extra handen voor de Zorg vorig jaar is overgegaan naar een nieuw platform? Zo ja, zijn alle gegevens van het oude platform overgegaan naar het nieuwe platform of zijn er gegevens verloren gegaan?
Ja, deze gegevens zijn overgegaan naar het nieuwe platform. Zie hiervoor ook vraag 1.
Het bericht ‘Onderzoek inspectie: 1 op 3 scholen weigert schooladviezen bij te stellen’ |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek inspectie: 1 op 3 scholen weigert schooladviezen bij te stellen»?1
Ja.
Klopt de constatering in het artikel dat kinderen van arme en lager opgeleide ouders vaker een te laag schooladvies van de leerkracht krijgen? Welke andere groepen leerlingen krijgen ook vaker te maken met een te laag advies van de leerkracht, bijvoorbeeld leerlingen die opgroeien buiten de randstad of leerlingen met een migratie-achtergrond?
Leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status, leerlingen woonachtig in minder stedelijke gebieden en meisjes hebben vaker recht op een heroverweging van het schooladvies. Dit blijkt ook uit recent onderzoek van DUO, dat ik op 10 december jl. naar uw Kamer heb verstuurd.2 Leerlingen met een migratieachtergrond hebben gemiddeld ongeveer net zo vaak recht op heroverweging als leerlingen zonder migratieachtergrond, als wordt gecontroleerd voor het inkomen en opleidingsniveau van ouders. Gegeven het recht op heroverweging, hebben leerlingen met een migratieachtergrond een iets grotere kans op bijstelling van het advies dan leerlingen zonder migratieachtergrond, blijkt uit analyses van het CPB.3
Hoe kijkt u naar de constatering dat 1 op de 3 scholen laat weten geen enkel advies bij te zullen stellen op basis van de resultaten van de eindtoets? Deelt u de mening dat dit niet conform de wettelijke eis is dat scholen het schooladvies dienen te heroverwegen als het toetsresultaat hoger uitvalt?
Ik vind het zorgelijk dat er scholen zijn die bij voorbaat uitspreken geen enkel advies te zullen bijstellen op basis van de resultaten van de eindtoets.
Scholen zijn wettelijk verplicht om het schooladvies te heroverwegen bij een hogere eindtoetsscore en ik vind het onderdeel van de professionele attitude van de school om deze heroverweging per individuele leerling serieus uit te voeren. Ik vind het, juist dit jaar, belangrijk dat scholen de extra informatie die de eindtoets geeft gebruiken om nog een keer te kijken naar het best passende onderwijsniveau waarop de leerling start in het voortgezet onderwijs.
Ik heb vertrouwen in het professionele oordeel van de school en vind het belangrijk dat scholen ook dit jaar de heroverwegingen serieus nemen en kinderen het voordeel van de twijfel geven. Gelukkig zijn de meeste scholen dat ook van plan. Zo hebben leerlingen alle kansen om zichzelf verder te ontwikkelen in het vervolg van hun schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs.
Welke maatregelen gaat u treffen zodat deze scholen de schooladviezen wel gaan heroverwegen? Op welke manier is dit controleerbaar voor de leerling en ouder dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Scholen zijn wettelijk verplicht het schooladvies te heroverwegen bij een hogere eindtoetsuitslag. Indien een school er op basis van een serieuze heroverweging voor kiest het advies niet bij te stellen, moet dit goed onderbouwd gecommuniceerd worden met leerlingen en ouders. Het is belangrijk dat de school en de ouders het goede gesprek met elkaar voeren. Samen met de Inspectie roep ik scholen nogmaals dringend op de heroverweging van de schooladviezen serieus te nemen en leerlingen kansrijk te behandelen. In het verlengde van de eerder uitgegeven handreiking schooladvisering en de campagne rondom kansrijk adviseren, ga ik op korte termijn het gesprek aan met de Inspectie, PO-Raad en het Lerarencollectief. Daarmee wil ik deze belangrijke boodschap nogmaals onder de aandacht brengen bij scholen die geen schooladviezen bijstellen.
Wat zijn de gevolgen voor de kansengelijkheid van leerlingen als een school een advies niet bijstelt terwijl leerlingen op basis van de eindtoets wel een hoger schoolniveau zouden kunnen halen? Hoeveel leerlingen lopen hierdoor naar schatting een hoger schooladvies mis? En zijn dit voornamelijk leerlingen van buiten de randstad en leerlingen met «arme en lager opgeleide» ouders of met een migratie-achtergrond?
Het gevolg kan zijn dat een leerling instroomt in het vo op een niveau dat onvoldoende recht doet aan zijn of haar capaciteiten. Ik vind dit zorgelijk omdat het schooladvies kan fungeren als een «self fulfilling prophecy» en het kan betekenen dat leerlingen zich niet kunnen ontwikkelen naar hun potentie. Desondanks laat onderzoek zien dat ongeveer 30 procent van de leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs nog wisselt van niveau. Het is goed dat deze correctiemogelijkheid later in het systeem voldoende aanwezig is, aangezien leerlingen zich niet altijd lineair ontwikkelen. Er is ruimte voor leerlingen die vaker recht hebben op heroverweging (zie mijn antwoord op vraag 2) om tot het bij hen best passende onderwijsniveau te komen.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen op de constatering van de inspectie dat scholen de heroverweging onvoldoende serieus nemen? En waarom kiest u er niet voor om scholen te verplichten een hoger schooladvies te geven aan leerlingen die hoger scoren op hun eindtoets in het kader van kansengelijkheid?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 ga ik in overleg met de Inspectie, PO-Raad en het Lerarencollectief over hoe we het belang van een serieuze heroverweging van het schooladvies bij een hogere eindtoetsscore kunnen benadrukken. Om middelbare scholen te stimuleren leerlingen meer tijd te geven in de onderbouw, ook gegeven leervertragingen als gevolg van corona, wordt gewerkt aan een subsidieregeling voor heterogene en verlengde brugklassen. Dit biedt ruimte voor leerlingen om door te stromen naar het bij hen best passende onderwijsniveau.
Verplichte bijstelling van het schooladvies vind ik niet passen bij de leidende positie die het schooladvies inneemt in ons systeem, die in zowel het primair als in het voortgezet onderwijs breed wordt gedragen. Het schooladvies is gebaseerd op een breed inzicht in de ontwikkeling van de leerling over een langere termijn en scholen, waarbij de eindtoets als objectief tweede gegeven dient over vooral de cognitieve capaciteiten van een leerling. In het schooladvies wordt ook rekening gehouden met verschillende aspecten die bepalend kunnen zijn voor de kans van slagen in het voortgezet onderwijs, zoals leerlingkenmerken, uitkomsten uit capaciteitenonderzoek of motivatie. Daarbij vind ik het belangrijk dat onderwijsprofessionals in hun afwegingen bij het schooladvies de kansen van leerlingen centraal stellen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire wetsbehandeling van de wet «wijziging onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs»?
Ja.
Het bericht dat vrouwen die een mislukte cosmetische operaties hebben ondergaan, hard onder druk worden gezet om daar geen negatieve recensies over op sociale media te zetten |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat vrouwen die een mislukte cosmetische operatie hebben ondergaan, door bemiddelingsbureaus onder druk worden gezet om daar geen negatieve recensies over op sociale media te zetten, bijvoorbeeld door middel van zwijgcontracten en bedreigingen?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel in het Algemeen Dagblad van 1 juni jl. over ««Bedreigingen en intimidaties na kritiek op mislukte ingrepen: «Stop of ik zorg dat je stopt». Ik vind het zeer onwenselijk dat cliënten onder druk worden gezet om negatieve ervaringen over cosmetische ingrepen te verzwijgen. Ook negatieve ervaringen over cosmetische ingrepen moeten gemeld kunnen worden.
Waar kunnen patiënten met klachten over dergelijke bemiddelingsbureaus terecht?
Met een vraag of klacht over een zorgaanbieder of zorgverlener kunnen cliënten, of betrokkenen bij een cliënt, altijd terecht bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ). Het LMZ geeft advies en informatie bij klachten over de kwaliteit van zorg. Het meldpunt lost niet zelf klachten op, maar geeft wel aan welke stappen men kan zetten. Naast het LMZ zijn door sectorpartijen, zoals de NVCG en NVPC, eigen meldpunten ingericht. In het geval van deze bemiddelingsbureaus zal op basis van de activiteiten die zij uitvoeren, moeten worden bezien of sprake is van zorg zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Als een bemiddelingsbureau zorg aanbiedt zoals bedoeld in de Wkkgz, moet dat bureau ook voldoen aan de vereisten met betrekking tot afhandeling van klachten die de Wkkgz aan hen stelt.
Is bekend hoeveel van dergelijke bemiddelingsbureaus die cosmetische behandelingen in het buitenland aanbieden actief zijn in Nederland?
Het is mij niet bekend hoeveel van dergelijke bemiddelingsbureaus, die cosmetische behandelingen in het buitenland aanbieden, actief zijn in Nederland. Het gaat hierbij veelal om (medisch) toerisme bedrijven, met als hoofdactiviteit «reisbureau», de IGJ heeft hier dan ook geen zicht op. Zie verder de beantwoording van vraag 4.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht houden op het handelen van dergelijke bemiddelingsbureaus? Zo niet, welke organisatie hoort hierop dan toezicht te houden?
Of dergelijke bemiddelingsbureaus onder toezicht van de IGJ vallen is afhankelijk van de activiteiten die zij uitvoeren. Alle zorg zoals bedoeld in de Wkkgz die in Nederland wordt geleverd valt onder toezicht van de IGJ. Het stellen van een diagnose, het ter handstellen van geneesmiddelen of het leveren van nazorg zijn allemaal voorbeelden van zorgverlening. Als dergelijke activiteiten in Nederland plaatsvinden, is de IGJ de aangewezen toezichthouder en kunnen zij interveniëren met gebruikmaking van het hun ter beschikking staande instrumentarium. Reisbemiddeling en aanbieden van websites waarop te zien is welke operaties in het buitenland mogelijk zijn, zijn geen zorg in de zin van de Wkkgz en vallen daarom ook niet onder toezicht van de IGJ.
Deelt u de mening dat artsen verplicht moeten worden om hersteloperaties bij de IGJ te melden, zodat er beter inzicht in de omvang van de problematiek komt én de IGJ vervolgonderzoek kan uitvoeren naar bijvoorbeeld dubieuze bemiddelingsbureaus? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik op 22 juni jl. aan uw Kamer heb gemeld (Kamerstuk 2021Z11391) zou een wettelijke meldplicht van hersteloperaties en behandelingen bij de IGJ wellicht het melden kunnen bevorderen, maar er moet daarbij ook in ogenschouw worden genomen welke onbedoelde effecten een dergelijke meldplicht met zich meebrengt. Een wettelijke meldplicht kan er immers ook toe leiden dat gedupeerde patiënten herstelzorg gaan vermijden, of dat artsen geen hersteloperaties meer willen uitvoeren, wat een ongewenste ontwikkeling zou zijn. Tenslotte is voor handhaving door de IGJ van belang dat een melding voldoende concreet – herleidbaar tot casusniveau – is om een onderzoek in te kunnen stellen. Dat staat op gespannen voet met de AVG, mede gezien terughoudendheid bij patiënten om zelf meldingen te doen. Bovendien kwam in gesprekken met de sector naar voren dat de term «hersteloperatie» relatief is omdat de definitie van complicaties verschillend wordt geïnterpreteerd en soms wordt verward met een bijwerking of onvrede over het resultaat. Alles overwegende zie ik geen noodzaak dat artsen verplicht moeten worden om hersteloperaties bij de IGJ te melden. Wel zal ik mij via voorlichting blijven inzetten om het belang van het melden van misstanden bij de meldpunten van de IGJ en/of beroepsorganisaties te benadrukken. Voor wat betreft het uitvoeren van vervolgonderzoek door de IGJ naar dubieuze bemiddelingsbureaus verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid een actieve bewustwordingscampagne op te zetten om te waarschuwen voor het dubieuze handelen van dergelijke bemiddelingsbureaus? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf het belang van voorlichting over cosmetische ingrepen, met name ook over de risico’s die aan een cosmetische ingreep verbonden zijn. Het is aan de patiënt zelf om zich vooraf goed te laten informeren over een eventuele behandeling. Dit omvat niet alleen informatie over de ingreep zelf, maar ook over de behandelaar, de nazorg en wat te doen bij een eventuele klacht. Zoals in mijn brief van 22 juni jl. aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 2021Z11391) wordt momenteel de laatste hand gelegd aan de vernieuwing van de website van de rijksoverheid over cosmetische ingrepen om de patiënt daarbij verder te ondersteunen. Het streven is om de vernieuwde website deze zomer te lanceren.
Is het toegestaan om van patiënten te vragen vooraf een zwijgcontract te tekenen? Wat vindt u van dergelijke praktijken?
Ik vind dergelijke praktijken onacceptabel; zwijgcontracten zijn dan ook zeer ongewenst. De kwaliteit van de zorg kan erdoor in het geding komen. Als gezwegen wordt over fouten, kan er immers niet van worden geleerd. Ook komt de positie van de cliënt erdoor onder druk te staan. Bovendien passen zwijgcontracten niet bij goed bestuur, waarin openheid, integriteit en aanspreekbaarheid belangrijke waarden zijn. In de Governancecode Zorg worden deze waarden door de Brancheorganisaties Zorg onderschreven. Het gezamenlijk kader «Toezicht op Goed Bestuur» van de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) benadrukt eveneens het belang van openheid en integriteit. Dit toezichtskader stelt expliciet dat van vaststellingsovereenkomsten die afbreuk doen aan de toetsbaarheid van het handelen van bestuurders, of die de openheid en transparantie belemmeren (de zogenoemde zwijgcontracten) dan ook geen sprake kan zijn. De IGJ kan optreden tegen zwijgbedingen indien zij deze in haar toezichtspraktijk tegenkomt. Om de normstelling verder te verstevigen heb ik, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, een wetsvoorstel ingediend dat beoogt wettelijk te verankeren dat zwijgbedingen over incidenten in de zorg, jeugdzorg en ondersteuning van rechtswege nietig zijn.
Deelt u de mening dat zwijgcontracten bij cosmetische ingrepen zonder medische indicatie verboden moeten worden, mede omdat toekomstige patiënten gewaarschuwd moeten kunnen worden voor dubieuze bemiddelingsbureaus? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat zwijgcontracten over incidenten in de zorg ongewenst zijn en dat dergelijke zwijgbedingen rechtskracht dienen te ontberen. Daarbij maakt het geen verschil of het gaat om ingrepen met of zonder medische indicatie. Wat bemiddelingsbureaus betreft verwijs ik voorts naar mijn antwoord op vraag 4.
Klopt het dat het aanhangige wetsvoorstel omtrent zwijgedingen niet voorziet in een verbod op zwijgcontracten die worden afgesloten bij een mislukte cosmetische operatie? Zo ja, kunt u aangeven waarom dergelijke zwijgcontracten daar niet onder (kunnen) vallen?2
Nee, dit klopt niet. Het wetsvoorstel ziet ook op zwijgbedingen over incidenten bij cosmetische operaties. Daarbij zij wel opgemerkt dat dit wetsvoorstel zich uitstrekt tot aanbieders van zorg, jeugdzorg en ondersteuning die vallen onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Buitenlandse zorgaanbieders vallen niet onder deze Nederlandse wetgeving.
Wanneer stuurt u de Kamer de reactie op de initiatiefnota van het lid Van den Berg over «Cosmetische ingrepen zonder medische noodzaak», zoals op 23 september 2020 door de Kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verzocht?3
De reactie op de initiatiefnota van het lid Van den Berg over «Cosmetische ingrepen zonder medische noodzaak» is op 22 juni jl. (Kamerstuk 2021Z11391) aan uw Kamer toegezonden.
De Nederlandse deelname aan een militaire oefening in de Westelijke Sahara |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland deelneemt aan de militaire oefening «African Lion 21»?
Ja, Nederland neemt op uitnodiging van United States Army Europe and Africa (USAREURAF) deel aan de oefening JOINT AFRICAN LION 21.
Klopt het dat deze oefening zich deels afspeelt in de bezette Westelijke Sahara?
Nee, de in opdracht van United States Africa Command (USAFRICOM) door USAREURAF georganiseerde oefening JOINT AFRICAN LION 21 vindt volgens USAFRICOM niet plaats in de Westelijke Sahara.
Zo ja, wat betekent deze Nederlandse deelname met betrekking tot het feit dat Nederland de Westelijke Sahara niet erkent als Marokkaans gebied?
Zie het antwoord op vraag 2. Deelname aan de oefening JOINT AFRICAN LION 21 heeft geen gevolgen voor het Nederlandse standpunt ten aanzien van de Westelijke Sahara. Nederland stelt zich neutraal op in de kwestie en steunt de VN bij de pogingen om tot een politieke en duurzame oplossing te komen.
Met welke overheid of gezag is er een overeenkomst gesloten over het houden van deze oefening?
Nederland neemt op uitnodiging deel aan de oefening en heeft geen rol gehad in het organiseren van de randvoorwaarden. Derhalve zijn geen eigen overeenkomsten afgesloten met overheden of gezagen. De oefening vindt plaats in Marokko, Tunesië en Senegal. Nederland heeft Marokko wel middels een Note Verbale geïnformeerd over de deelname en deelnemers aan de oefening, gezien Nederlandse militairen deelnemen aan het deel van de oefening dat in Marokko plaatsvindt.
Is de officiële vertegenwoordiging van de Sahrawi-bevolking geconsulteerd bij de beslissing om de oefening plaats te laten vinden in de Westelijke Sahara alsmede het Nederlandse besluit om deel te nemen aan de oefening?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Heeft Nederland deelgenomen aan eerdere edities van «African Lion»? Hoeveel van deze edities vonden plaats in de Westelijke Sahara?
Ja, sinds 2014 heeft Nederland aan enkele edities van JOINT AFRICAN LION deelgenomen. Geen van deze edities vond plaats in de Westelijke Sahara.
Is de Kamer vooraf geïnformeerd over deelname aan deze oefening? Zo ja, op welk moment is dit gebeurd?
Nee, het is niet gebruikelijk om de Kamer over de Nederlandse deelname aan militaire oefeningen te informeren.
Klopt het dat Spanje vanwege het omstreden karakter van de oefening van deelname afziet?
Het kabinet laat zich niet uit over de inzet van partners.
Klopt het dat er maar twee andere Europese landen zijn die deelnemen aan de oefening? Waarom doen andere Europese landen niet mee?
Het kabinet laat zich niet uit over de inzet van partners.
Hoe verhoudt deze oefening zich tot de door Nederland gesteunde doelstellingen van de VN dat er een referendum moet komen om de toekomstige status van de Westelijke Sahara te bepalen?
Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 3.
Bent u, gezien de Nederlandse positie omtrent de status van de Westelijke Sahara, bereid om huidige en toekomstige deelname aan deze jaarlijks terugkerende oefening te heroverwegen zolang deze plaatsvindt in de Westelijke Sahara?
Zie het antwoord op vraag 2. Per oefening wordt onderzocht of de doelstellingen van meerwaarde zijn voor de operationele gereedheid van de Nederlandse Krijgsmacht en passen binnen het Nederlands buitenlands beleid. Voor toekomstige deelname blijft dit het uitgangspunt.
Het artikel ‘Bonden: minister moet cao uitzendsector blokkeren’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bonden: Minister moet cao uitzendsector blokkeren»1?
Ja.
Vindt u het ook schandalig dat de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) en Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) een cao hebben gesloten met een niet-onafhankelijke bond, «nepbond», waardoor duizenden uitzendwerknemers in onzekere contracten met lage lonen worden gehouden?
Zoals in mijn begeleidende brief bij deze antwoorden vermeld, neem ik daar geen standpunt over in.
Bent u het eens dat de Landelijke Belangen Vereniging (LBV) geen onafhankelijke bond is volgens het Internationale Arbeidsorganisatie (ILO)-verdrag nr. 98, en om die reden de door hen gemaakte afspraken niet rechtsgeldig zijn?
Ik heb geen redenen om aan te nemen dat LBV niet aan de vereisten voldoet die in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst gesteld worden aan vakbonden die een cao afsluiten. Ook in de brief van FNV, CNV Vakmensen en De Unie, waarin ik verzocht word om geen kennisgeving van ontvangst te verzenden voor de uitzend-cao’s, lees ik geen bewijs dat LBV – gelet op de geldende regelgeving – niet onafhankelijk zou zijn, waardoor de cao niet rechtsgeldig zou zijn.
Bent u daarom ook bereid om, zoals ook vakbonden Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), en De Unie bepleiten, bij dit ongeldige akkoord geen kennisgeving van ontvangst aan de betreffende cao-partijen te verzenden, want anders zorgt u ervoor dat dit ongeldige akkoord toch in werking treedt?
Zoals vermeld in mijn begeleidende brief bij deze antwoorden, heb ik geen grond gezien om geen kennisgevingen van ontvangst te verzenden. De cao’s zijn dan ook op 1 juni jl. in werking getreden.
Zo niet, welke andere maatregelen kunt u nemen om dit ongeldige akkoord niet in werking te laten treden?
Ik ben niet voornemens om maatregelen te nemen om de inwerkingtreding van de cao’s terug te draaien.
Vindt u ook dat door het sluiten van een cao met een «nepbond», met vrijwel geen leden, dat uitzendkoepels ABU en NBBU uitzendwerknemers in de kou laten staan en hierdoor niet als een fatsoenlijke onderhandelingspartners gezien zou moeten worden?
In de cao-aanmeldingsprocedure vel ik geen oordeel over de vakbonden die een cao afsluiten, anders dan de vraag of zij daar statutair toe bevoegd zijn.
Bent u bereid om, teneinde dit soort ongewenste situaties te voorkomen, de eisen voor onafhankelijke vakbonden die cao’s kunnen afsluiten aan te scherpen?
Eventuele aanpassingen aan de eisen aan vakbonden bij het afsluiten van cao’s zijn een ingrijpende aanpassing aan ons cao-stelsel. Het past mij niet om, gezien de demissionaire status van het kabinet, daar nu een standpunt over in te nemen. In antwoorden op vragen van de heer Van Kent (SP) van maart 2020 ben ik nader ingaan op het vraagstuk van kleine vakbonden in het cao-proces.2
Nu de LBV en uitzendkoepels ABU en NBBU geen afspraken hebben gemaakt om de wachttijd bij pensioenen te verkorten, zoals beoogt in het Pensioenakkoord, bent u daarom bereid om per direct met een wetsvoorstel te komen om de wachttijd pensioen voor uitzendkrachten te schrappen?
In het wetsvoorstel toekomst pensioenen is reeds opgenomen dat de maximale wachttijd in de uitzendsector in lijn wordt gebracht met de reguliere maximale wachttijd voor arbeidsvoorwaardelijke pensioenen, namelijk maximaal 2 maanden.3 Het is aan (decentrale) sociale partners om binnen het wettelijk kader de duur van de wachttijd overeen te komen. Het is niet mijn verwachting dat het opstellen van een nieuw, separaat wetsvoorstel om de wachttijd in de uitzendsector te verkorten een eerdere inwerkingtredingsdatum zal kennen. De snelst mogelijke route voor het inwerking treden van het wettelijk kader is via het al lopende traject van het wetsvoorstel toekomst pensioenen. Voorts zal ik in gesprek met sociale partners waarmee het pensioenakkoord is gesloten, de urgentie van het op korte termijn verkorten van de wachttijd in de uitzendsector benadrukken. Sociale partners hebben hier een eigenstandige verantwoordelijkheid om, in lijn met de aanbeveling4 van de Stichting van de Arbeid aan de sector, op korte termijn al betekenisvolle stappen in te zetten.
Bent u bereid z.s.m. deze vragen, dus binnen een week, te beantwoorden, vanwege het feit dat een eventuele nietigverklaring van de cao met spoed dient plaats te vinden?
Helaas is het niet gelukt de vragen binnen een week te beantwoorden.
Het bericht “Kabinet wil ‘homogenezing’ ‘krachtig tegengaan’ maar komt niet met een verbod” |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Sylvana Simons (BIJ1), Nilüfer Gündoğan (Volt) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat homoseksualiteit geen ziekte is?
Ja.
Zo ja, deelt u dan ook de mening dat conversietherapie alleen hierom al, overbodig zou zijn?
Ja. Ik ben van oordeel dat pogingen om iemands identiteit te veranderen verwerpelijk zijn. Dergelijke pogingen zijn schadelijk voor de persoon die hieraan onderworpen wordt. Dit wordt nog eens onderstreept in het onderzoek «Voor de verandering».
Deelt u de mening dat conversietherapie bij minderjarigen een vorm van kindermishandeling is? Zo niet, kunt u uitleggen waarom?
Conversietherapie bij kinderen kan een vorm van kindermishandeling en dus strafbaar zijn. Of er sprake is van kindermishandeling dient per geval te worden bezien.
Het voorspiegelen dat je kunt genezen van je seksuele gerichtheid of genderidentiteit is schadelijk voor de ontwikkeling van een kind. Het kabinet keurt dit af. Ieder kind moet de ruimte krijgen om veilig op te kunnen groeien, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit.
In geval van kindermishandeling gaat het immers niet alleen om lichamelijk geweld, maar ook om emotionele of geestelijke mishandeling. Zo zijn bijvoorbeeld het voortdurend bang maken van een kind of een kind het gevoel geven minderwaardig te zijn, vormen van geestelijke mishandeling.
Deelt u de mening dat mishandeling in psychische vorm een wettelijk verbod vereist? Zo nee, waarom niet?
In Nederland geldt nu al dat schadelijke praktijken die samenhangen met homoconversie strafbaar zijn of via het civiele recht kunnen worden aangepakt.
Hoewel psychische mishandeling in het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet expliciet is gedefinieerd, biedt de wet reeds de mogelijkheid om psychische mishandeling strafrechtelijk aan te pakken. Dit kan op basis van artikel 300 Sr, eerste en vierde lid, gericht op respectievelijk het «toebrengen van pijn of letsel» en het «opzettelijk benadelen van de gezondheid». Het Gerechtshof van Den Haag heeft dit in een arrest bevestigd. Recent is ook het getuige zijn als kind van huiselijk geweld aangemerkt als psychische mishandeling die valt onder deze bepaling. Daarnaast kan psychisch geweld strafbaar zijn wanneer het binnen de reikwijdte van artikel 284 Sr (dwang) of artikel 285 Sr (bedreiging) valt.
Indien iemand slachtoffer wordt van psychische mishandeling kan hiervan melding of aangifte worden gedaan bij de politie. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) om te bepalen of vervolging opportuun is en zo ja, wat een passende strafeis zou zijn.
Begin dit jaar is de motie Bergkamp c.s.1 aangenomen. In deze motie wordt het kabinet verzocht onderzoek te laten doen in hoeverre een expliciete strafbaarstelling van psychisch geweld kan leiden tot een effectievere aanpak van psychisch geweld en wat de voor- en nadelen zijn van een expliciete strafbaarstelling van psychisch geweld. Dit onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd en over de uitkomsten hiervan zal de Minister voor Rechtsbescherming uw Kamer naar verwachting eind dit jaar kunnen informeren.
Zo ja, waarom bepleit u dan een wettelijk verbod op conversietherapie uit te stellen, dan wel in zijn geheel af te stellen?
In Nederland geldt nu al dat schadelijke praktijken die samenhangen met homoconversie strafbaar zijn of via het civiele recht kunnen worden aangepakt.
Het kabinet vindt het van groot belang dat conversietherapie effectief wordt voorkomen en tegengegaan. Bij de vraag hoe dit het beste vorm kan krijgen gaat het om een zorgvuldige afweging, zoals is uiteengezet in de beleidsreactie op het genoemde onderzoek. Juist vanwege het belang van het bestrijden van homoconversie maar ook het uitoefenen van andere grondrechten zoals vrijheid van religie, is ervoor gekozen om zorgvuldig te zijn en een weloverwogen besluit te nemen over de meest effectieve aanpak. Om die reden zal het kabinet een brede verkenning uitvoeren naar mogelijke, effectieve nadere maatregelen, waaronder wet- en regelgeving, inclusief de optie van mogelijkheden voor enige vorm van een wettelijk verbod. Op grond van de uitkomsten van die verkenning kan een weloverwogen keuze worden gemaakt voor de wijze waarop conversietherapie het meest succesvol kan worden voorkomen en tegengegaan.
In dat kader wijs ik ook op het belang van de uitkomsten van het onderzoek van de Minister voor Rechtsbescherming, zoals aangehaald in mijn antwoord op vraag 4, naar de voor- en nadelen van een expliciete strafbaarstelling van psychisch geweld en in hoeverre dit kan leiden tot een effectievere aanpak.
Hoe vaak is het voorgekomen dat iemand veroordeeld is voor (het aanbieden en/of uitvoeren van) conversietherapie, aangezien u in uw brief aan de Kamer stelt dat conversietherapie al bestraft kan worden?
Omdat de strafbaar te achten handelingen onder de meer algemene strafbepalingen als dwang of mishandeling te vatten zijn, is het zonder onderzoek op dossierniveau niet mogelijk om op deze vraag een antwoord te geven.
Deelt u de mening dat het expliciet strafbaar stellen van conversietherapie het gemakkelijker zou maken om conversietherapie te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Daar kan vooralsnog geen antwoord op worden gegeven, mede omdat schadelijke praktijken al kunnen worden aangepakt door middel van het strafrecht (zie mijn antwoord op vraag 4). Het is niet eenvoudig om te bepalen wat een effectieve methode is om homoconversie tegen te gaan. Daarom zal het kabinet onderzoek laten doen naar mogelijkheden voor verdere maatregelen en regelgeving voor het tegengaan van conversiepraktijken, inclusief de optie van mogelijkheden voor enige vorm van een wettelijk verbod. Daarop kan niet worden vooruitgelopen. Dat geldt ook voor het onderzoek naar de expliciete strafbaarstelling van psychische dwang. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u toelichten hoe uw besluit zich verhoudt tot het gegeven dat een wettelijk verbod op conversietherapie een van de punten uit het COC Regenboogakkoord was, dat ondertekend is door een ruime Kamermeerderheid?
Het Kabinet deelt de mening van de meerderheid van uw Kamer dat pogingen om de identiteit van iemand te veranderen ongewenst en verwerpelijk zijn.
In de beleidsreactie van 28 mei jl.2 wordt uiteengezet dat schadelijke praktijken die samenhangen met homoconversie reeds strafbaar zijn of via het civiele recht kunnen worden aangepakt. Of nieuwe aparte wettelijk verboden de meest effectieve manier van bestrijden is, moet uit de aangekondigde verkenning en het onderzoek naar psychische dwang, dat reeds in uitvoering is, blijken.
Heeft u, aangezien in tal van andere landen reeds een wettelijk verbod op conversietherapie bestaat, al geïnformeerd bij uw collega’s in Duitsland, Malta of Brazilië, die reeds een dergelijk verbod hebben, over hoe zo’n wettelijk verbod eruit zou kunnen zien?
Het onderzoeksrapport «Voor de verandering» voorziet in een vergelijking met andere landen (hoofdstukken 4.5 en 8). Verder heeft een onafhankelijk expert op het gebied van seksuele oriëntatie en genderidentiteit van de VN een rapport3
uitgebracht over hoe landen omgaan met conversiepraktijken. Dat rapport zal betrokken worden bij de brede verkenning die uitgevoerd wordt.
Bij de brede verkenning naar verdere, effectieve maatregelen tegen conversiepraktijken zal tevens worden onderzocht hoe andere landen conversiepraktijken tegengaan. Opmerking verdient dat de vraag of een specifieke strafbaarstelling wenselijk is, niet los kan worden gezien van zowel de algehele systematiek van de strafbaarstellingen in het nationale materiële strafrecht van de genoemde landen als de aanvullende (wettelijke) maatregelen die aldaar getroffen zijn om homoconversie aan te pakken, waarvan enig specifiek wettelijk verbod eventueel een sluitstuk kan zijn.
Zo niet, kunt u toezeggen dit te gaan doen?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
De arrestatie van de leider van de Russische oppositiegroepering |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de leider van de Russische oppositiegroepering uit een vliegtuig in Sint-Petersburg is gehaald, om vervolgens te worden gearresteerd?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een zeer verontrustende ontwikkeling is? Op welke wijze en in welke gremia gaat u dit bilateraal en multilateraal aankaarten? Overweegt u maatregelen om vliegtuigarrestaties te mitigeren? Zo ja, welke zijn dit?
Ja. De repressie van oppositie-aanhangers en leden van het maatschappelijk middenveld in Rusland is uitermate verontrustend.
Dit stelt Nederland bilateraal en multilateraal aan de orde. In reactie op de arrestatie van de heer Pivovarov in het bijzonder publiceerde de EU op 1 juni een verklaring, mede op aandringen van Nederland. Het vliegtuig waarin de heer Pivovarov voornemens was van Sint Petersburg naar Warschau te reizen was nog niet opgestegen. Het voorkomen van arrestatie van Russen op Russisch grondgebied is voor Nederland echter nagenoeg onmogelijk.
Kunt u toelichten wanneer de sancties tegen Belarus, die naar aanleiding van de vliegtuigkaping om Roman Protasevich te arresteren zijn voorgesteld, worden ingevoerd? Klopt het dat de EU samen met de Verenigde Staten het sanctiebeleid jegens Belarus coördineert? Zo ja, op welke wijze vindt deze coördinatie plaats en wat zijn daarvan de uitkomsten? Kunt u tevens toelichten om welk sanctiepakket dit precies gaat? Klopt het dat dit ook gaat om sancties tegen de energiesector in Belarus?
Op 24 mei jl. heeft Minister President Rutte op de Europese Raad gesproken over de gedwongen landing van het Ryanair-toestel in Minsk en de arrestatie van Roman Protasevitsj en zijn partner Sofia Sapega. Daarbij heeft hij namens het kabinet gepleit voor het aannemen van omvangrijke aanvullende sanctiemaatregelen tegen Belarus. De Europese Raad heeft vervolgens besloten dat er zo spoedig mogelijk nieuwe gerichte sancties worden ingesteld tegen personen en economische entiteiten en dat er gerichte sectorale economische sancties zullen worden aangenomen. Hierop volgend heeft de Raad Buitenlandse Zaken op 21 juni jl. een vierde pakket gerichte sancties tegen Belarus aangenomen, betreffende 78 personen en 8 economische entiteiten die betrokken zijn bij de aanhoudende repressie en intimidatie van de bevolking van Belarus en de onacceptabele gedwongen landing van een passagiersvliegtuig met als doel journalist Roman Protasevitsj en zijn partner Sofia Sapega te arresteren (Kamerstuk 2021Z11778). Ook werd een politiek akkoord bereikt over de economische sectorale sancties. Na laatste juridische uitwerking zijn deze sancties bij de Europese Raad van 24 juni formeel aangenomen. Dit betreffen sancties gericht tegen zowel import als export van specifieke producten, waaronder in de petrochemiesector, de tabakssector en de potassector (kaliumchloride). Daarnaast zijn ook beperkingen gelegd op het verlenen van bepaalde financiële diensten aan de Belarussische overheid of aan die overheid verbonden bedrijven.
Verder besloot de Europese Raad tot een overvlieg- en landingsverbod voor Belarussische luchtvaartmaatschappijen boven en in de EU. Dit verbod is op 5 juni ingegaan. Daarnaast heeft de Europese Raad in de EU gevestigde luchtvaartmaatschappijen opgeroepen om vluchten over Belarus te vermijden.
Hiermee geeft de EU wat het kabinet betreft een krachtige en gepaste reactie op het volstrekt onacceptabele handelen van de Belarussische autoriteiten. Op de Raad Buitenlandse Zaken is ook besproken dat de EU, in lijn met de gefaseerde aanpak die de EU hanteert bij sancties tegen Belarus, in aanvullende sanctiemaatregelen moet aannemen als repressie door het Belarussische regime aanhoudt. Ook Nederland heeft zich hiervoor uitgesproken. Voorafgaand aan de Raad Buitenlandse Zaken heeft Belarussische oppositieleidster ook al een voorstel gedaan voor zulke aanvullende sancties.
In algemene zin is Nederland voorstander van sanctiecoördinatie met de VS en andere gelijkgezinde landen. Het effect van sancties wordt groter als meer landen dezelfde maatregelen instellen, en de EU en VS geven een nog krachtiger signaal af als zij gezamenlijk optrekken. Ten aanzien van de sancties die op 21 juni jl. zijn aangenomen tegen Belarus heeft ook coördinatie met de VS, het VK en Canada plaatsgevonden. Deze drie landen stelden gelijk met de EU sancties in en deden hierover ook een gezamenlijke verklaring2 met de EU uitgaan.
Deelt u de zorgen van de Belarussische oppositieleider Svetlana Tikanovskaya dat de voorgestelde sancties van de EU niet ver genoeg gaan? Bent u bereid om samen met gelijkgezinde landen in de EU een voortrekkersrol op zich te nemen om een zo effectief en gericht mogelijk sanctiepakket te bepleiten? Zo nee, waarom niet?2
De EU hanteert een gefaseerde benadering bij sancties tegen Belarus. Sinds de repressie volgend op de presidentsverkiezingen van augustus 2020 heeft de EU reeds vier pakketten sanctiemaatregelen aangenomen, tegen in totaal 166 Belarussische individuen en 15 entiteiten. Ook is er al geruime tijd een EU-wapenembargo tegen Belarus van kracht. De genoemde sectorale economische sancties zullen hier op korte termijn aan worden toegevoegd.
Naar de overtuiging van het kabinet zijn sanctiemaatregelen altijd het meest effectief wanneer die in EU-verband genomen worden. Daarom zet het kabinet zich op dit moment ook in voor aanname van een zo krachtig mogelijk en breed gedragen pakket EU-sancties. Net als bij eerdere pakketten sancties tegen Belarus is Nederland nauw betrokken bij de voorbereiding van het op 21 juni jl. aangenomen pakket. Nederland is daarmee al een van de voortrekkers in EU-verband. Premier Rutte heeft zich tijdens de Europese Raad van 24 mei sterk uitgesproken voor aanvullende sancties.
Hoe beoordeelt u het bericht van Rusland waarin het voornemen wordt geuit Belarus te beschermen als de EU Belarus sanctioneert?3 Kunt u toelichten wat er wat u betreft moet gebeuren om het EU-sanctiepakket zo effectief mogelijk te maken? Op welke wijze gaat u zich hier in EU-verband voor inzetten?
Het kabinet is bekend met de vergaande samenwerking tussen Rusland en Belarus.
Het kabinet is van mening dat sancties het meest effectief zijn wanneer zij gericht zijn en de maatregelen in groter verband worden genomen. Nederland zet zich er in de EU voor in dat de maatregelen de binnen het regime voor de repressie verantwoordelijken zo hard en gericht mogelijk treffen. Nederland zet daarbij specifiek in op het raken van economische belangen van het regime terwijl hierbij de bevolking zo veel mogelijk wordt ontzien.
Het bericht dat er weer miljoenen worden uitgetrokken voor de huisvesting van asielzoekers |
|
Gidi Markuszower (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat de verbouwing van het asielzoekerscentrum (azc) Gilze miljoenen euro’s gaat kosten en dat alles uit de kast wordt gehaald om het asielzoekers daar naar de zin te maken?1
Het COA biedt asielzoekers, in lijn met wet- en regelgeving, leefbare en veilige opvang. Dat kan niet zonder de medewerking van gemeenten als Gilze en Rijen en daarvoor ben ik hen zeer erkentelijk. De verbouwing van azc Prinsenbosch is nodig om de COA-huisvesting in dit monument in goede staat te behouden. Het gaat concreet om ongeveer 70 monumentale gebouwen en een aantal dienstengebouwen die worden gerenoveerd om te voldoen aan het huidige programma van eisen en het Bouwbesluit. Daarnaast wordt het vastgoed verduurzaamd. Er is voor gekozen om in plaats van een centrale keuken in alle wooneenheden een eigen keuken te plaatsen. Dit heeft als voordeel dat deze locatie flexibeler inzetbaar wordt voor asielzoekers die zich in verschillende fases van het asielproces bevinden. Zo kunnen in deze wooneenheden zowel asielzoekers worden opgevangen die eten in natura ontvangen als asielzoekers die eetgeld ontvangen en zelf kunnen koken.
In de migratieketen wordt op dit moment het concept Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locatie (GVL) uitgewerkt. Dit zijn grotere locaties waar verschillende ketenpartners werken om de samenwerking en de efficiëntie te verhogen mede vanuit de gedachte dat op die manier sneller duidelijkheid kan worden gegeven over de asielaanvraag. Momenteel wordt onderzocht of Gilze ook een dergelijke GVL kan worden. Tevens wordt de mogelijkheid onderzocht of een nog nader te bepalen aantal hoor- en beslismedewerkers, die nu al in dienst zijn bij de IND, in Gilze kunnen komen werken. Het definitieve besluitvormingsproces hierover moet echter nog plaatsvinden.
Bent u ervan op de hoogte dat er daarbij straks 150 man extra personeel wordt aangenomen om deze asielzoekers op hun wenken te bedienenen en dat ze allemaal een eigen keuken krijgen, zodat ze niet meer hoeven te eten wat de pot schaft?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het nieuws dat er door de Minister van BZK weer miljoenen zijn vrijgemaakt voor de huisvesting van asielzoekers? Hoeveel van de totaal 50 miljoen euro is bestemd voor deze groep vreemdelingen?
Het klopt dat er voor het jaar 2021 wederom een bedrag van € 50 miljoen beschikbaar is gesteld voor de huisvesting van aandachtsgroepen. Van dit bedrag is € 3 miljoen specifiek bestemd voor het ontwikkelen van zogeheten tussenvoorzieningen. Dit zijn tijdelijke woonruimtes waarin onder meer vergunninghouders kunnen worden gehuisvest. De overige € 47 miljoen is echter niet geoormerkt voor een specifieke aandachtsgroep. Van dit geld kan dus niet van tevoren gezegd worden hoeveel aangewend zal worden voor de huisvesting van vergunninghouders. De genoemde € 50 miljoen stimuleert overigens niet alleen de huisvesting van vergunninghouders, maar ook van andere aandachtsgroepen waaronder dak- en thuislozen.
Gemeenten moeten de aan hen toegewezen vergunninghouders op basis van de taakstelling huisvesten. Door bijvoorbeeld tussenvoorzieningen te realiseren, wordt de sociale huurvoorraad in de gemeente ontzien. Tijdige huisvesting van vergunninghouders is daarnaast in het belang van de gehele Nederlandse samenleving. Immers, wanneer vergunninghouders snel kunnen worden gehuisvest, kunnen zij ook sneller deelnemen en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Door een snelle doorstroom naar huisvesting mogelijk te maken worden de maatschappelijke impact en de financiële kosten die gepaard gaan met de opvang van asielzoekers bovendien beperkt.
Bent u het ermee eens dat miljoenen euro’s uitgeven aan de huisvesting van asielzoekers een klap in het gezicht is van alle Nederlanders die op dit moment zelf geen geschikte woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Beseft u dat u met dit vertroetelbeleid ervoor zorgt dat er nog veel meer gelukszoekers naar Nederland komen? Zo ja, beseft u dan ook dat het woningtekort daardoor nog veel groter zal gaan worden de komende jaren? Zo nee, waarom heeft u zoveel boter op uw hoofd?
Het verwachte aantal te huisvesten vergunninghouders lijkt met de kennis van nu de komende jaren juist af in plaats van toe te nemen. Daar komt bij dat het tekort op de woningmarkt het saldo is van veel verschillende aspecten aan zowel de vraagkant als de aanbodkant van de woningmarkt. Ik deel uw conclusie dan ook niet.
Bent u bereid om een einde te maken aan de plannen om miljoenen euro’s te gaan stukslaan op mooie huizen en azc’s voor asielzoekers en in plaats daarvan deze gelukszoekers zo snel mogelijk weer terug naar huis te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Het kabinet kiest ervoor, en is daar ingevolge internationale en Europese wet- en regelgeving ook toe gehouden, om asielzoekers tijdens de asielprocedure op te vangen en asielbescherming te bieden. Terugkeer is tijdens de asielprocedure niet aan de orde.
Vergunninghouders hebben recht op huisvesting in een Nederlandse gemeente. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 en 4 heb toegelicht, wordt met de stimuleringsregeling onder meer de sociale huurvoorraad ontlast en blijven de maatschappelijke impact en financiële kosten van de opvang van asielzoekers beperkt.
Schadeclaims bij de politie |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Die regels staan niet op papier»?1
Ja.
Kunt u de uitspraak van een schadecoördinator van de politie bevestigen die stelt dat de regels voor het beoordelen van schadeclaims niet op papier zijn gesteld?
Die uitspraak kan ik niet bevestigen. Navraag bij de politie leert dat de schadecoördinator dat ook niet bedoeld heeft. Voor zover de vraagsteller doelt op de criteria voor de inhoudelijke beoordeling van een schadeclaim, geldt dat de politie daar geen eigen reglement voor heeft, omdat die criteria volgen uit de wet en de jurisprudentie. Voor zover de vraagsteller doelt op de procedure, geldt dat er een interne procesbeschrijving is voor de schadecoördinatoren.
Bestaat er een uitvoeringsreglement waarin de procedure wordt beschreven waarmee de politie schadeclaims afhandelt? Zo ja, kunt u dat toesturen?
Er is een procesbeschrijving voor de schadebehandelaars waarin staat welke stappen er moeten worden genomen bij de behandeling van een claim. Uw Kamer treft deze procesbeschrijving bijgevoegd aan.
Het aansprakelijk stellen van de politie werkt hetzelfde als het aansprakelijk stellen van een willekeurige andere persoon of organisatie. De claimant stuurt een bericht naar de politie waarin staat dat hij of zij schade heeft geleden door een bepaald incident en dat hij of zij de politie aansprakelijk houdt voor die schade. De schadeafdeling van de politie geeft vervolgens een reactie waarin het standpunt van de politie staat. In veel gevallen is er geen discussie over het gebeurde en over de aansprakelijkheid. Dan wordt de aansprakelijkheid erkend. In andere gevallen hebben de claimant en de politie een verschillende lezing over het gebeuren, of stelt de politie zich op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is, bijvoorbeeld omdat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het komt ook voor dat er discussie is over de hoogte van de schade. Als de politie en de claimant er onderling niet uitkomen, kan de claimant de zaak aan de rechter voorleggen.
Bestaat er een uitvoeringsreglement waarin wordt beschreven hoe schadeclaims inhoudelijk beoordeeld worden? Zo ja, kunt u dat toesturen?
Er is zoals gezegd een procesbeschrijving voor de schadebehandelaars waarin staat welke stappen er moeten worden genomen bij de behandeling van een claim. De schadeclaims worden daarbij beoordeeld aan de hand van wetgeving, andere regelgeving en jurisprudentie. De politie neemt diverse initiatieven om de schadecoördinatoren te informeren over relevante ontwikkelingen op hun vakgebied, bijvoorbeeld door een wekelijkse meeting waarin casussen en relevante ontwikkelingen worden besproken, maar ook door het geven van cursussen. Tevens is er een handreiking gemaakt waarin de belangrijkste regelgeving wordt uitgelegd en waarin voorbeeldcasus worden uitgewerkt.
Bestaan er landelijke dan wel regionale beoordelingskaders die schadecoördinatoren gebruiken om schadeclaims te beoordelen? Zo ja, kunt u deze toesturen?
De politie heeft geen eigen beoordelingskader voor de inhoudelijke beoordeling van schadeclaims. De criteria voor de beoordeling van schadeclaims volgen uit de wet, overige rechtsregels en jurisprudentie. De politie is hieraan gebonden.
Is de (on)rechtmatigheid van politieoptreden één van de redenen om een schadevergoeding wel of niet aan te bieden? Zo ja, hoe beoordeelt de afdeling schadeclaims van de politie de (on)rechtmatigheid van het politieoptreden en is hier rechterlijk toezicht op?
In de meeste gevallen is de onrechtmatigheid van het handelen of nalaten van de veroorzaker van schade de reden dat een schade moet worden vergoed. Dat geldt dus ook in het geval van de politie. In bepaalde gevallen kan een benadeelde ook bij rechtmatig politieoptreden aanspraak op compensatie van nadeel maken.
De schadeafdeling van de politie beoordeelt aan de hand van wet- en regelgeving en jurisprudentie of het handelen van de politie onrechtmatig was. Het resultaat van die beoordeling is geen onafhankelijk oordeel, maar het is het standpunt van één van de partijen, namelijk de politie. Als de claimant het daar niet mee eens is, dan kan die persoon de politie voor de rechter dagen. De rechter zal dan zijn oordeel geven over de standpunten van de partijen.
Op welke manier is het toezicht op de juistheid van oordelen van de afdeling schadeclaims georganiseerd?
Het oordeel over de juistheid van de standpunten die de politie inneemt in reactie op schadeclaims, is voorbehouden aan de rechter. Toezicht op de juistheid van de ingenomen standpunten wordt intern uitgeoefend door de Expertise-unit schade. Zaken waarin discussie is, worden voorgelegd aan deze expertise-unit. De politie bekijkt op dit moment de mogelijkheden om periodiek een audit te laten uitvoeren.
Waar kan een burger terecht die het niet eens is met het oordeel van de afdeling schadeclaims, gelet op het feit dat een burger die ontevreden is over het oordeel zich volgens de politie kan wenden tot de klachtencommissie, maar dat dit volgens de voorzitter van de landelijke vereniging voor klachtencommissies juist niet mogelijk is?
De burger kan zich tot de rechter wenden als hij of zij het niet eens is met het standpunt van de politie. De klachtenprocedure is hiervoor niet de aangewezen weg, omdat het oordeel in de klachtenprocedure niet gericht is op rechtsgevolg. Bovendien is de politie niet verplicht om een klacht in behandeling te nemen over een gedraging die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest (art. 9:8 lid 1 sub e Awb).
Bent u bekend met het bericht «Rotterdamse agent slaat jongen (17) vol in gezicht, biedt excuses aan»?2
Ja.
Als vast zou komen te staan dat hier inderdaad sprake was van buitenproportioneel geweld, zoals de politie al aangaf tegen de NOS, zou deze jongen dan een schadevergoeding tegemoet kunnen zien?
Ik kan mij als Minister niet uitlaten over individuele gevallen. Ik verwijs u hiervoor tevens naar de beantwoording van de Kamervragen die op 15 juni jl. door u zijn gesteld.3
Zo ja, hoe hoog zou de schadevergoeding kunnen zijn waarop hij kan rekenen?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is het beleid van de politie waar het gaat om schadeclaims als gevolg van politiegeweld?
Er is geen sprake van specifiek beleid ten aanzien van schadeclaims die voortvloeien uit politiegeweld. Bij alle claims geldt dat zorgvuldig moet worden gekeken van welke feiten moet worden uitgegaan.
Kunt u toezeggen dat het jaarverslag van 2021, in tegenstelling tot het recente jaarverslag van de politie over 20203, wel inzicht geeft in de ingediende, toegekende en afgewezen schadeclaims?
Nee, de politie-administratie ondersteunt dit niet. Schades worden geregistreerd op het jaar van binnenkomst. Uitgekeerde bedragen worden in dat systeem genoteerd, ook als uitbetaling in een ander jaar plaatsvindt. Het jaarverslag is echter gebaseerd op de financiële administratie. De uitkeringen volgens het jaarverslag kunnen betrekking hebben op schades die in eerdere jaren zijn geclaimd. Daarnaast is in een aantal gevallen de afhandeling van schades belegd bij een externe partij (bijvoorbeeld de stichting VSSA, die de schades afhandelt van het schietincident in Alphen aan den Rijn in 2011). Ook wordt een deel van de schades uitbetaald door de aansprakelijkheidsverzekeraar. Het is daarom niet mogelijk om een adequaat, volledig overzicht te geven van alle ingediende schades in een bepaald jaar, gekoppeld aan de gedane schade-uitkeringen op die schades in dat jaar (zie ook antwoord op vraag 16).
Kunt u toezeggen dat de politie in het volgende jaarverslag ook inzicht biedt in de ingediende, toegekende en afgewezen schadeclaims op eenheidsniveau?
Zie antwoord vraag 13.
Hoeveel schadeclaims zijn er ingediend in 2020, en welk percentage van deze schadeclaims is toegekend?
In 2020 ontving de politie 3024 schadeclaims van derden.5 2319 schadeclaims zijn inmiddels afgehandeld. In 334 gevallen werd de claim doorgestuurd naar een andere instantie, bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie. 212 zaken werden gesloten omdat de claimant niet meer reageerde. De resterende 1773 gevallen werden door de politie of haar verzekeraar afgehandeld. In 899 gevallen (50,7%) werd een schadevergoeding betaald door de politie of haar verzekeraar. In 767 gevallen (43,3%) werd de aansprakelijkheid afgewezen. De afdoening van 107 zaken (6%) werd niet vastgelegd. In een beperkt zaken aantal waarin de aansprakelijkheid werd afgewezen, werd uiteindelijk toch een bedrag uitbetaald.
Kunt u de Kamer een overzicht toesturen van de toegekende schadeclaims in 2020 dat inzicht biedt in het incident waarvoor schadevergoeding gevraagd wordt en in de hoogte van de vergoeding, zodat de Kamer een beeld kan krijgen van welke vergoedingen gegeven worden bij welk type schade?
Het toesturen van een overzicht dat een gedetailleerd inzicht biedt in het incident waarvoor schadevergoeding wordt gevraagd, is niet mogelijk. Bij de registratie van de schadeclaims wordt weliswaar een beschrijving van het incident vastgelegd, maar aan de hand van die beschrijving zou – ook zonder verdere persoonsgegevens – in bepaalde gevallen kunnen worden herleid om welk geval het gaat. Wel kunnen de schadeclaims worden uitgesplitst naar schadeoorzaak en kan worden aangegeven welke bedragen in verband met claims met die schadeoorzaak zijn uitgekeerd. Het overzicht treft u hieronder aan.
Hieraan kan ik nog toevoegen dat het totale bedrag dat jaarlijks door de politie aan schadevergoedingen aan derden wordt uitgekeerd, in de regel hoger is dan het bedrag van € 1.137.274 dat in de onderstaande tabel is opgenomen. De onderstaande tabel is afkomstig uit de schaderegistratie over het jaar 2020. Zaken worden daarin geregistreerd op het jaar van binnenkomst. Uitgekeerde bedragen worden in dat systeem genoteerd bij een in een bepaald jaar geregistreerde zaak, ook als de daadwerkelijke betaling in een later jaar wordt plaatsvindt. Aangezien nog niet alle zaken die in 2020 zijn binnengekomen, zijn afgewikkeld, zal het totale bedrag nog stijgen.
De financiële administratie biedt een beter beeld van het totale bedrag dat de politie jaarlijks aan schadevergoedingen aan derden betaalt. In dat systeem worden de betalingen geregistreerd in het jaar dat ze worden gedaan. In 2020 werd er € 1.717.019 aan schadevergoedingen aan derden betaald.6 7
De uitwisseling van studenten tijdens corona |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel studenten hebben de afgelopen drie jaar deelgenomen aan een uitwisselingprogramma van en naar Nederland?
In onderstaande tabel zijn de aantallen inkomend en uitgaande studenten in de afgelopen 3 jaar weergegeven. Ten aanzien van Erasmus+ geldt dat de cijfers over 2019 en 2020 nog niet volledig zijn, omdat een deel van de mobiliteitsprojecten nog niet is afgerond
2018–19
2019–20
2020–21
In
Uit
In
Uit
In
Uit
Holland Scholarship
617
742
616
825
454
85
Erasmus+
15.524
14.787
14.733
14.225
6.628
1.900
16.141
15.529
15.349
15.050
7.082
1.985
Bent u het ermee eens dat het een ontzettend waardevolle ervaring voor een student is om enige tijd in het buitenland te wonen en te studeren, en het een verrijking voor Nederland is als ook internationale studenten enige tijd in Nederland studeren?
Ja, daar ben ik het mee eens. De inspanningen die instellingen plegen om uitwisselingen zo veel en veilig mogelijk door te laten gaan waardeer ik dus ook zeer.
Heeft u overleg met onderwijsinstellingen over de doorgang van uitwisselingprogramma’s van studenten?
Het besluit over deelname aan uitwisselingsprogramma’s is aan instellingen zelf. Mijn medewerkers hebben wel geregeld overleg met de koepels, Nuffic, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND over coronamaatregelen en de invloed op studentenmobiliteit. Deze overleggen zijn vooral bedoeld om informatie uit te wisselen en het veld zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden.
Zijn er hogescholen en universiteiten die, zoals de Universiteit van Amsterdam eerder voorgenomen had1, op dit moment hebben besloten om voor komend semester generiek, voor alle mogelijke bestemmingen, uitwisselingen van studenten te annuleren?
De wijze waarop instellingen omgaan met uitwisseling in het nieuwe studiejaar verschilt. Instellingen moeten een afweging maken of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet. De UvA heeft er in eerste instantie voor gekozen om hierin een generiek besluit te nemen om tijdig duidelijkheid aan haar studenten te kunnen bieden. Dit besluit is inmiddels in overleg met de medezeggenschap herzien.
Klopt het dat de meeste hogescholen en universiteiten nog een besluit moeten nemen over de doorgang van uitwisselingen van studenten?
Mijn beeld is dat instellingen, met het oog op het belang dat zij hechten aan uitwisseling, veel tijd en energie steken in het zoveel en veilig mogelijk laten doorgaan van deze programma’s. De meeste instellingen hebben hier al wel een besluit over genomen. Gelet op de onvoorspelbaarheid van epidemiologische omstandigheden, vraagt dit voortdurend aandacht en eventuele bijstelling van de keuzes die gemaakt worden.
Welke overwegingen en knelpunten liggen ten grondslag aan het besluit van onderwijsinstellingen om (mogelijk) generiek te besluiten alle uitwisselingen te annuleren?
In deze tijden, waarin het COVID-19 virus nog onvoorspelbaar is, is het lastig om zekerheden te bieden of vooruit te lopen op de situatie over een aantal maanden. Instellingen maken daarbij hun eigen afweging over wat zij als veilig en verantwoord beschouwen voor hun studenten. Bij internationale uitwisselingen speelt deze onzekerheid des te meer, omdat het, naast de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ook gaat om de regels van andere landen. Hierbij is het ook van belang om studenten tijdig duidelijkheid te bieden, zodat zij zich kunnen gaan voorbereiden op een alternatief voor het 1e semester. Daarnaast wordt er door instellingen ook gewerkt aan alternatieven, zoals uitwisselingen in blended vorm (combinatie van virtuele en fysieke uitwisseling), die mogelijk uitkomst kunnen bieden voor deze studenten om later in het eerste semester alsnog naar het buitenland te kunnen gaan.
Welke maatregelen treft de Europese Commissie om uitwisselingen in het Erasmus+-programma zoveel mogelijk doorgang te laten vinden?
Sinds het uitbreken van de COVID-19-pandemie zijn de lidstaten, de Europese Commissie, de Nationale Agentschappen Erasmus+ en het veld in nauw contact geweest over de mogelijkheden en onmogelijkheden van grensoverschrijdende mobiliteit vanwege de reisbeperkingen en COVID-maatregelen. Binnen het Erasmus+-programma heeft Nederland met andere lidstaten bij de Commissie gepleit voor meer flexibiliteit in de uitvoering van Erasmus+. Zo kunnen de contracten van mobiliteitsprojecten worden verlengd en zijn de regels rond mogelijkheden voor virtuele mobiliteit verruimd. Daarnaast heeft het Nationaal Agentschap Erasmus+ voor het Nederlandse onderwijsveld een groot aantal online bijeenkomsten georganiseerd waarbij instellingen onderling hun ervaringen met en kennis van online internationale activiteiten konden uitwisselen. Bovendien werd het veld geïnformeerd over de ontwikkelingen rond mobiliteit i.r.t. de reisbeperkingen. Het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de bredere Europese afspraken over reizen zijn hierbij leidend. Tot slot is het aan de onderwijsinstellingen zelf om te bepalen of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Op welke wijze ondersteunt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en/of het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderwijsinstellingen om een goede afweging te kunnen maken ten aanzien van studentenuitwisselingprogramma’s?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Valt het volgen van een deel van de studie, in het kader van een uitwisselingsprogramma, in het buitenland een essentiële of een niet-essentiële reis in de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Sinds mei jl. adviseert het kabinet om alleen op reis te gaan naar groene of gele landen en alleen voor noodzakelijke reizen naar oranje gebied en het is in principe aan de reiziger zelf om die noodzakelijkheid in te schatten. Bij uitwisseling in het kader van studie of stage geldt echter dat het ook tot de verantwoordelijkheid van een instelling is om vanuit haar zorgplicht de educatieve waarde voor de student en de opleiding af te wegen bij het besluit of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Klopt het dat een «oranje» reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet per definitie betekent dat er meer coronabesmettingen in die regio of dat land zijn dan in Nederland?
In landen waarvoor een oranje reisadvies geldt is het inderdaad niet zo dat er per definitie meer coronabesmettingen zijn dan in Nederland. Het reisadvies geeft de situatie ter plaatse weer. Het RIVM komt wekelijks met een advies voor welke landen er binnen de EU een verhoogd risico geldt. Dit hangt niet af van de situatie in Nederland, maar er wordt naar factoren gekeken als besmettingsgraad, aantal testen en percentage positieve testen in het betreffende land. Landen die door VWS als gevolg van het RIVM-advies tot hoog of zeer hoog risico worden aangewezen krijgen een oranje reisadvies. Het kan daarnaast ook zijn dat een land veilig is, maar het land alle inkomende reizigers (dus ook studenten) weert, bijvoorbeeld Noorwegen. In dat geval wordt de kleurcode van het reisadvies ook oranje, Nederlanders kunnen er immers niet naartoe. Voor landen buiten de EU hanteren we de EU-veilige landenlijst. Landen die daar niet op staan zijn oranje. Vanwege de toenemende vaccinaties zien we de situatie wereldwijd verbeteren, en het aankomende Digital COVID-19 Certificate van de EU zorgt er hopelijk voor dat reizen in de toekomst weer makkelijker wordt. Reizen tijdens de COVID-19-pandemie blijft echter gepaard gaan met risico’s. De ontwikkelingen van het virus zijn niet voorspelbaar, met als gevolg dat de kleurcodes van de reisadviezen kunnen veranderen als het RIVM-advies daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de stelling dat het voor studenten erg wrang is als zij medio zomer – door het Europees vaccinatiebewijs en de voortgang van het vaccinatieprogramma in Nederland en elders – wel allerlei mogelijkheden hebben om in de zomer in het buitenland op vakantie te gaan maar niet om daar te studeren?
Ik kan me voorstellen dat dit in sommige gevallen tot teleurstelling leidt. Sinds mei jl. adviseert het kabinet om alleen op reis te gaan naar groene of gele landen en alleen voor noodzakelijke reizen naar oranje gebied. Het is aan de reiziger zelf om die noodzakelijkheid in te schatten. Bij uitwisseling in het kader van studie geldt echter dat ook een instelling vanuit haar zorgplicht zal moeten afwegen of mobiliteitsprojecten, binnen de kaders, doorgang kunnen vinden of niet.
Deelt u de stelling dat het wenselijk is dat hogescholen en universiteiten per regio of land beoordelen of uitwisselingen veilig door kunnen gaan?
Ja, dat deel ik en dit gebeurt ook al vaak. Ik wil daarbij wel opmerken dat dit veel meerwerk vergt van instellingen in een jaar waarin zij al een enorme extra inspanning hebben moeten plegen om het onderwijs doorgang te laten vinden.
Acht u het voor elke hogeschool en universiteit mogelijk om – zonder aanvullende ondersteuning van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken – per regio of land te beoordelen of uitwisselingen veilig kunnen doorgaan?
Ja. Ik acht instellingen in staat om deze afweging te maken op basis van de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, hun eigen zorgplicht en andere voor hen relevante overwegingen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u de suggestie van de indiener om tijdelijk een taskforce in te stellen om hogescholen en universiteiten te ondersteunen bij het beoordelen of een regio of land veilig is voor de doorgang van een uitwisseling?
Ik onderschrijf deze suggestie niet. Met de instellingen is geregeld overleg over de gevolgen van de pandemie voor het onderwijs. In die overleggen zijn geen vragen gesteld over extra ondersteuning rondom uitwisseling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Verantwoordingsdebat van de Vaste Kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 17 juni?
Ja.
Een onderzoek van de VN-Mensenrechtenraad naar aanleiding van het recente geweld in Gaza |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden bij een recente stemming over een onderzoek van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (VN) naar aanleiding van het geweld tegen Gaza?1
Het kabinet betreurt de recente escalatie van geweld en de slachtoffers die daarbij zijn gevallen ten zeerste. Het kabinet is van mening dat mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht in de context van de gevechten tussen Israël en Hamas onafhankelijk dienen te worden onderzocht. Nederland zet zich in voor bescherming van de internationale rechtsorde en het tegengaan van straffeloosheid. Nederland heeft dan ook steun uitgesproken voor de Speciale Sessie van de VN Mensenrechtenraad, in lijn met de aangenomen motie Amhaouch (21 501-02, nr. 2340). Het kabinet is van mening dat de VN Mensenrechtenraad een geschikt platform is om mogelijke schendingen van mensenrechten en humanitair oorlogsrecht te bespreken. Dit is nader toegelicht in de Kamerbrief van 27 mei jl.
Het door de indieners van de resolutie in de Mensenrechtenraad voorgestelde mandaat voor een onderzoekscommissie omvat weliswaar gedragingen van alle partijen, maar is daarbij niet specifiek gericht op de gebeurtenissen van mei en heeft een permanent karakter. Dit is niet in lijn met vergelijkbare onderzoekscommissies van de Mensenrechtenraad en roept zorgen op over overlap met het mandaat van de VN-Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden en het strafrechtelijk onderzoek bij het Internationale Strafhof (ICC). Vanwege het brede en permanente karakter zal de uitvoering daarnaast een aanzienlijk beslag leggen op de beschikbare menskracht en budget, wat mogelijk ten koste gaat van onderzoeken naar mensenrechtenschendingen in andere landen en gebieden. Nederland heeft zich vanwege deze redenen samen met 13 andere landen, waaronder Frankrijk, Denemarken, Italië en Polen onthouden van stemming en dit tijdens de Mensenrechtenraad toegelicht in een Explanation of Vote.
Bent u het ermee eens dat het recente geweld in Palestina / Israël, waarbij meer dan 250 mensen werden gedood, waaronder veel kinderen, en oorlogsmisdaden werden begaan, grondig, tijdig en onafhankelijk onderzocht dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het patroon van straffeloosheid de afgelopen vijftien jaar, vooral waar het de regelmatige en steeds weer disproportionele inzet van geweld tegen Gaza door Israël betreft? Wat vindt u ervan dat verantwoordelijken in Israël voor de duizenden burgerdoden die in deze periode zijn gevallen en de vele oorlogsmisdaden die werden begaan niet worden bestraft?
Verantwoording afleggen en het bestrijden van straffeloosheid voor internationale misdrijven zijn belangrijke onderdelen van de internationale rechtsorde en een prioriteit in het Nederlandse buitenland- en mensenrechtenbeleid. Het tegengaan van straffeloosheid kan bijdragen aan een duurzame oplossing voor het conflict in Israël en de Palestijnse Gebieden. Het is in eerste instantie aan partijen zelf om mogelijke schendingen te onderzoeken. In Israël zijn er onderzoeken ingesteld naar de reactie op protesten bij Gaza in 2018. De uitvoering hiervan duurt lang, wat vragen oproept over welke bescherming en preventieve werking om andere slachtoffers te voorkomen hiervan uitgaat (zie ook antwoorden op Kamervragen van het lid Karabulut, d.d. 19 juni 2020 met kenmerk 2020Z09975). Ondanks oproepen van de VN Hoge Commissaris is geen voortgang bekend van Palestijns onderzoek naar mogelijke schendingen van internationaal recht door Palestijnse groepen, na de gevechten van 2014 (zie bijv. de voortgangsrapportage 7 maart 2016, A/HRC/31/40/Add.1). Het kabinet spreekt Israël en de Palestijnse Autoriteit wanneer nodig aan op vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mogelijke mensenrechtenschendingen, ook in de Mensenrechtenraad. Indien partijen niet in staat of niet bereid zijn onderzoek te doen, dan kan internationaal onderzoek een oplossing zijn. Het lopende onderzoek van de Aanklager van het Internationaal Strafhof en de door VN-Mensenrechtenraad ingestelde Onderzoekscommissie kunnen daaraan bijdragen. Het is daarom van belang dat alle partijen, inclusief Israël, hieraan meewerken, maar ook invulling geven aan hun eigen verplichting om zelf mogelijke schendingen te onderzoeken.
Deelt u de opvatting dat deze straffeloosheid doorbroken dient te worden?
Zie antwoord vraag 3.
Ligt het niet voor de hand dat het onafhankelijke onderzoek van de VN hierbij kan helpen, aangezien het ook nadrukkelijk is gericht tegen deze straffeloosheid?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid alle landen op te roepen medewerking aan de uitvoering van dit onderzoek te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het van groot belang dat de mandaten waartoe de Mensenrechtenraad heeft besloten uitgevoerd worden, en draagt dit internationaal ook uit.
Hoe reageert u op de oproep van de VN-Mensenrechtenraad om meer humanitaire hulp aan bezet Palestijns gebied ter beschikking te stellen? Wilt u hier positief op reageren?
Het kabinet heeft reeds besloten om over te gaan tot een additionele bijdrage van EUR 4 miljoen voor de humanitaire VN-respons, via het door UNRWA uitgegeven noodappeal. Daarnaast ondersteunt Nederland de medische noodhulp van de Palestijnse Rode Halve Maan met een bijdrage van EUR 350.000 via het Nederlandse Rode Kruis.
Nederland en de EU benadrukken dat bij de wederopbouw van Gaza de aanpak van onderliggende problemen noodzakelijk is waarbij een structurelere oplossing dient te worden gevonden voor Gaza om reis- en handelsmogelijkheden voor mensen in Gaza te vergroten, met oog voor Israëlische veiligheidsbelangen.
Wat is uw reactie op de recent aangekondigde plannen voor verdere uitbreiding van de illegale nederzettingen in bezet Palestijns gebied?2 Staat u open voor het nemen van maatregelen tegen deze sluipende annexatie?
Het kabinet en de EU beschouwen de nederzettingen als strijdig met internationaal recht en een obstakel voor vrede. Nederland en de EU hebben herhaaldelijk het Israëlische nederzettingenbeleid veroordeeld en dringen er consequent bij Israël op aan om af te zien van verdere nederzettingenuitbreidingen op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Deze boodschap is recent nog afgegeven in gesprekken met de Israëlische ambassade in Den Haag en in gezamenlijke démarches met Europese partners bij de Israëlische overheid. Uitbreiding van de nederzettingen laat de spanningen verder toenemen en maakt het moeilijker om de tweestatenoplossing te verwezenlijken.