Het lerarentekort in Nederland |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van het tv-programma Kassa d.d. 5 maart 2022?2
Ja.
Bent u bekend met het enorme lerarentekort in met name de grote steden en aandachtswijken?
Ja.
Deelt u de mening dat een tekort aan leraren, kinderen hindert in hun ontwikkeling en de kansenongelijkheid bevordert?
Voldoende bevoegde en bekwame leraren zijn essentieel voor de kwaliteit, kansengelijkheid en continuïteit van het onderwijs en daarmee voor een optimale ontwikkeling van kinderen. Een tekort aan leraren is een risico daarvoor.
Deelt u de mening dat om het lerarentekort op te lossen, creatief gedacht moet worden en grenzen van wet- en regelgeving moeten worden opgezocht?
We zien dat steeds meer scholen zoeken naar creatieve oplossingen om de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs te borgen, bijvoorbeeld door functiedifferentiatie en specialisatie. Ik vind het zeker wenselijk dat scholen, vanuit het belang van goed onderwijs voor leerlingen, verkennen welke mogelijkheden er zijn en daar waar nodig ook gebruik van maken.
Bent u bekend met het feit dat Nederlands sprekende geschikte, bekwame en beschikbare leraren uit Suriname niet in Nederland mogen werken, omdat ze niet uit de Europese Unie komen?
Ik ben ermee bekend dat leraren uit Suriname die een Surinaamse pabo hebben gevolgd, niet als leraar in Nederland aan de slag kunnen. Oorzaak hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats zijn deze leraren meestal nog niet bevoegd: de Surinaamse pabo heeft lagere eindtermen dan de Nederlandse pabo. Dat betekent dat deze leraren hier pas als leraar kunnen werken als zij voldoen aan alle bekwaamheidseisen voor de lesbevoegdheid primair onderwijs. Bijscholing door een Nederlandse lerarenopleiding is dan nodig om een bevoegdheid te halen.
Ten tweede moet een leraar van buiten Europa, de EER en Zwitserland beschikken over een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) om in Nederland te kunnen werken. De werkgever vraagt deze gvva aan bij de IND, die op haar beurt als onderdeel van de procedure advies vraagt aan het UWV. Het UWV beoordeelt of de aanvraag past binnen de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Er wordt bijvoorbeeld een arbeidsmarkttoets gedaan, waarbij onderzocht wordt of er voor de betreffende functie al arbeidsaanbod aanwezig is in Nederland, de EER en Zwitserland – het zogenaamde «prioriteitgenietend aanbod» – en of de werkgever voldoende inspanningen heeft gedaan om aanbod te werven. Verder wordt getoetst of de werkgever een passend salaris aanbiedt en of de vreemdeling over de juiste beroepskwalificaties beschikt.
Kunt u aangeven uit welk Europees land Nederlands sprekende geschikte en bekwame leraren kunnen komen?
Een voorbeeld van een land waar vaker leraren op Nederlandse scholen aan het werk gaan, is (Nederlandstalig) België. Ook vanuit de Duitstalige lidstaten komen er soms leraren over naar Nederland (dit kan ook zijn om het vak Duits te geven in het voortgezet onderwijs).
Kunt u aangeven welke beschikbare en geschikte Nederlandse ongediplomeerde doelgroep aangeboord kan worden, die met relatief weinig moeite een Pabo-diploma kan halen?
Elk jaar stromen er professionals vanuit andere beroepssectoren het onderwijs in. In 2021 is er voor 767 zij-instroomtrajecten in het beroep van leraar in het primair onderwijs subsidie toegekend aan de werkgever (een schoolbestuur) om een zij-instromer tot leraar te kunnen laten opleiden. Dit is slechts een klein deel van de volledige groep zij-instromers: naast deze groep zijn in 2021 meer dan 2.000 professionals met een vooropleiding in het hoger onderwijs, gestart met de (meestal deeltijd) pabo om een lesbevoegdheid te halen.
Daarnaast kan ook onderwijsondersteunend personeel, zoals onderwijsassistenten of leraar-ondersteuners, een verticale overstap maken naar het leraarschap. In 2021 is voor meer dan 350 onderwijsassistenten door de werkgever subsidie aangevraagd om de pabo te kunnen volgen.
Deelt u de mening dat maatwerk mogelijk zou moeten zijn voor een geschikte, bekwame en beschikbare doelgroep leraren?
Met de Kamer ben ik van mening dat maatwerk van belang voor geschikte, potentiële leraren. In het Regeerakkoord hebben we dan ook afgesproken om de lerarenopleidingen verder te verstreken en ook de opleiding voor zij-instromers te verbeteren en te flexibiliseren. Voor de zomer sturen mijn collega, Minister Dijkgraaf van OCW en ik u een brief over de aanpak van de tekorten, waar zij-instroom deel van uitmaakt.
Lerarenopleidingen kunnen maatwerk bieden en doen dit ook steeds vaker, bijvoorbeeld voor kandidaten die de capaciteit hebben om (versneld) een lerarenopleiding met succes te doorlopen, zoals zij-instromers. Lerarenopleidingen hebben in het aanbod van verkorte maatwerkopleidingen de afgelopen jaren ook al stappen in gezet: met het sluiten van het Bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen in oktober 2020 werken zij aan het (nog) beter aan te laten sluiten van het opleidingsaanbod op de behoeften van aankomende leraren.
Surinaamse leraren kunnen, als zij voldoende bekwaam en (in Nederland) bevoegd zijn, ook bijdragen aan de aanpak van het lerarentekort. Voorwaarde is dat voldaan wordt aan de voorwaarden van de Wav. Een werkgever (schoolbestuur) kan bij de IND een aanvraag indienen om een openstaande vacature op te vullen met mensen die afkomstig zijn uit landen van buiten Nederland, de EER of Zwitserland. Indien een werkgever kan aantonen dat er voldoende wervingsinspanningen zijn verricht, er een passend salaris wordt geboden, de kandidaat beschikt over door DUO erkende kwalificaties voor het beroep van leraar en er geen ander prioriteit genietend aanbod is, is aan de belangrijkste voorwaarden voor het verkrijgen van een gvva voldaan.
Wat gaat u doen om maatwerk mogelijk te maken, zodat het lerarentekort (een klein beetje) verkleind kan worden?
Zie antwoord vraag 8.
De zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland op dit moment?
Ja.
Bent u verder bekend met het feit dat door de genomen sancties de financiële steun via de ouders van de groep studenten is opgedroogd?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat deze studenten in combinatie met het feit dat zij volgens de Nederlandse wet maximaal 16 uur per week mogen werken in acute geldproblemen kunnen komen? Hoe oordeelt het u over deze situatie? Welke versnelde maatregelen neemt u om deze studenten uit deze geld- en andere problemen te helpen? Is het bijvoorbeeld mogelijk het aantal uren dat zij mogen werken uit te breiden?
Tijdens de studie mag een student met een verblijfsvergunning «studie» arbeid van bijkomende aard verrichten. De werkgever moet dan wel in het bezit zijn van een tewerkstellingsvergunning. Deze tewerkstellingsvergunning wordt afgegeven zonder dat UWV toetst of er voor de vacature prioriteit genietend arbeidsaanbod is. Het is de student slechts toegestaan om 16 uur per week te werken. In plaats daarvan mag de student ook fulltime werken gedurende de zomermaanden (juni, juli en augustus). De arbeid is beperkt tot arbeid van bijkomende aard omdat het hoofddoel in Nederland de studie moet betreffen en niet het werken in loondienst. Het aanpassen van het aantal uren dat studenten mogen werken wordt niet als oplossing gezien gelet op de risico’s die dit met zich meebrengt op het oneigenlijk gebruik van de verblijfsvergunning voor studie. Het is bovendien niet mogelijk dit enkel voor (Wit)Russische studenten aan te passen, aangezien er geen onderscheid naar nationaliteit gemaakt kan worden.
Wel is het belangrijk om iets voor deze groep te doen. Daarom heb ik de instellingen voor hoger onderwijs opgeroepen deze studenten zoveel mogelijk op te vangen en (financieel) te ondersteunen.
Bent u het eens met de stelling dat etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers op het moment negatieve gevolgen ondervinden waar zij niks aan kunnen doen?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er veel onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheden voor deze groep om hun studie of werk voort te zetten en over hun visa, terwijl zij niet terug kunnen vliegen naar Rusland of Belarus?
Ja, ik ben bekend met deze onduidelijkheden. Met behulp van de koepels werk ik hard aan het scheppen van meer duidelijkheid en heb ik de belangrijkste hoofdvragen kunnen beantwoorden of het proces om te komen tot beantwoording in gang gezet. Voor zover de sancties dat niet verhinderen, is het wenselijk dat de studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland hun studie, onderzoek c.q. werk zoveel mogelijk voortzetten. Hun dienstverband als onderzoeker of docent of hun inschrijving als student wordt dan niet beëindigd en de verblijfsvergunning of het visum wordt niet ingetrokken. Daarnaast heb ik, zoals in antwoord 3 al aangegeven, de onderwijsinstellingen het dringende advies gegeven zowel Oekraïense als (Wit-)Russische studenten zoveel mogelijk op te vangen en waar mogelijk (financieel) te ondersteunen. Zolang aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan behouden de (Wit)Russen hun verblijfsrecht in Nederland en is er geen sprake dat zij Nederland worden uitgezet.
Hoe oordeelt u over deze situatie? Hoe weegt u hierbij het feit dat veel van deze mensen uitgesproken anti-Poetin zijn?
Zoals in antwoord 5 is aangegeven, vind ik het belangrijk dat studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland zoveel mogelijk hun werkzaamheden voortzetten. De sancties richten zich immers primair op formele samenwerkingsverbanden met Rusland en Wit-Rusland en niet op individuele burgers uit deze landen die in Nederland verblijven. Dat geldt ongeacht of het gaat om burgers uit (Wit-)Rusland die wel of niet kritisch zijn op het beleid van president Poetin.
Bent u bereid, dit alles overwegende, zorgvuldig te kijken naar de verblijfsstatus van deze studenten en het zo nodig mogelijk te maken dat zij zo lang als nodig in Nederland kunnen blijven?
Zolang de studenten blijven studeren en aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunningen voldoen kunnen zij de verblijfsvergunning behouden. Bezien zal nog worden op welke wijze de desbetreffende studenten die niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldoen en ook niet terug kunnen keren naar (Wit-)Rusland, hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.
Welke mogelijkheden hebben universiteiten en hogescholen om studenten uit Oekraïne, Belarus en Rusland die het collegegeld niet (meer) kunnen betalen tegemoet te komen?
Universiteiten en hogescholen kunnen studenten bij acute financiële problemen ondersteunen. Ik zie dat de instellingen ruimhartig doen en ik juich dit toe. Voor de langere termijn zullen we in samenspraak met de onderwijsinstellingen nationaal moeten bezien of, en zo ja hoe we deze studenten financieel kunnen ondersteunen.
Bent u bekend met het feit dat er ook groepen studenten zijn die niet uit Rusland of Belarus komen, maar wel ouders in deze landen hebben en dus ook met deze problemen te maken hebben? Zijn er mogelijkheden ook voor deze studenten te komen tot oplossingen?
Ja. Ook deze studenten kunnen zich melden bij hun onderwijsinstelling.
In hoeverre heeft deze situatie verder invloed op het weglekken van belangrijke wetenschappelijke kennis uit Nederland? Kunt u verder uitweiden over de mogelijke risico’s wat betreft dit thema en welke maatregelen er genomen worden om deze risico’s te mitigeren?
Ik heb de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs- en wetenschap dringend geadviseerd hun formele en institutionele samenwerkingsverbanden met kennisinstellingen in Rusland en Belarus te bevriezen. Het is van belang dat Nederlandse kennisinstellingen daarnaast extra waakzaamheid betrachten ten aanzien van cyberveiligheid en kennisveiligheid, in het bijzonder in strategisch gevoelige domeinen. Over de kabinetsaanpak m.b.t. kennisveiligheid1 is uw Kamer laatstelijk geïnformeerd op 31 januari jl. Ook werd op die dag de Nationale Leidraad Kennisveiligheid2 gepubliceerd en werd het Rijksbrede Loket Kennisveiligheid3 geopend, waar kennisinstellingen in voorkomende gevallen terecht kunnen voor informatie en advies vanuit alle relevante ministeries en diensten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Negen ernstig zieke MS-patiënten die voor een stamceltransplantatie vast zitten in een kliniek in Moskou |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «MS-patient Peter vast in kliniek Rusland, geen uitweg om terug te komen»?1
Ja.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat deze negen ernstig zieke MS-patienten weer veilig thuiskomen?
Volgens het bericht waar u aan refereert heeft de betrokkene inmiddels zelfstandig via Turkije naar Nederland kunnen terugreizen. Personen die al in Rusland zijn en daar weg willen maar tegen problemen aanlopen om dat zelfstandig te organiseren kunnen zich richten tot de ambassade in Moskou met hun consulaire hulpvraag. Volgens mijn informatie zijn daar tot op heden daar geen hulpverzoeken van deze groep bekend.
Hoe kan het dat deze ernstig zieke MS-patienten voor deze stamceltherapie moeten uitwijken naar Rusland?
Gaat u bewerkstelligen dat deze stamceltherapie voortaan wordt vergoed vanuit het basispakket? Zo nee, waarom niet?
Ziet u nu in waar verkeerde zuinigheid toe leidt?
Het bericht ‘Ondernemers sneller in problemen door uitzondering in faillissementswet’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u tot nu toe de uitwerking in de praktijk van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)? Hoeveel akkoorden zijn er reeds gesloten op basis van de WHOA?
Op 1 januari 2021 is de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) in werking getreden. De WHOA helpt ondernemingen die in zwaar weer verkeren, een faillissement te voorkomen door een akkoord met hun schuldeisers tot stand te brengen waarbij de financiële problemen worden opgelost door bijvoorbeeld een uitstel van betaling of een (gedeeltelijke) kwijtschelding van schulden.2 Enerzijds kunnen ondernemingen die toekomstperspectief hebben op deze manier weer financieel gezond worden. Anderzijds kan de WHOA ook gebruikt worden om ondernemingen die geen overlevingskansen hebben, buiten faillissement af te wikkelen met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. De rechter kan een akkoord bevestigen (homologeren) als de besluitvorming over en de inhoud van het akkoord aan de in de WHOA-regeling gestelde eisen voldoen. Het akkoord geldt dan voor alle bij het akkoord betrokken schuldeisers en dus ook voor schuldeisers die niet vrijwillig met het akkoord hebben ingestemd. De WHOA heeft bovendien nadrukkelijk als doel de buitengerechtelijke totstandkoming van akkoorden te faciliteren. De verwachting is dat, doordat schuldeisers weten dat een rechter een redelijk akkoord verbindend kan verklaren, zij sneller geneigd zijn om aan een herstructureringstraject mee te werken. De WHOA-regeling fungeert dan als een stok achter de deur waarmee de totstandkoming van minnelijke akkoorden wordt gestimuleerd, waardoor een daadwerkelijke gang naar de rechter om een akkoord te laten homologeren, niet nodig is.3
Navraag bij de rechtspraak leert dat er in de periode tussen 1 januari 2021 en 1 maart 2022 rond de 200 verklaringen bij de griffie van de rechtbank zijn gedeponeerd, waarin ondernemingen kenbaar hebben gemaakt dat zij een traject zijn gestart om een akkoord tot stand te brengen. Ook zijn er in die periode rond de 65 beslissingen door de rechtbank genomen in het kader van verzoeken tot het treffen van voorzieningen om een lopend WHOA-traject te faciliteren. Verder zijn er in de genoemde periode 23 beslissingen door de rechtbank genomen over de homologatie van een akkoord, waarbij het homologatieverzoek in 17 gevallen is toegewezen en in 6 gevallen is afgewezen (bijvoorbeeld omdat de ondernemer zijn schuldeisers onvoldoende informatie had gegeven bij de aanbieding van het akkoord).4 Hoe vaak een WHOA-traject heeft geresulteerd in een akkoord nog voordat de rechter daarbij aan te pas kwam, is niet bekend omdat veruit de meeste van deze trajecten in beslotenheid plaatsvinden. Er is daarom nader onderzoek nodig om de effectiviteit van de WHOA-regeling goed te kunnen beoordelen. De WHOA voorziet in een evaluatiebepaling op basis waarvan uw Kamer uiterlijk eind 2023 door middel van een verslag geïnformeerd dient te worden over de doeltreffendheid en de effecten van de WHOA-regeling in de praktijk. Ik ben voornemens om eind dit jaar al een start te maken met de voorbereiding van het evaluatieonderzoek.
Wel valt nu al op dat veel van de beslissingen die tot nog toe door de rechtbank zijn genomen, betrekking hebben op ondernemingen behorend tot het mkb. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WHOA was juist de verwachting dat in eerste instantie vooral grotere bedrijven voor een WHOA-traject in aanmerking zouden komen, omdat de WHOA een vrij complexe regeling is.5 Om ook mkb-ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling als zij schulden hebben, heeft mijn voorganger, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor voorlichting (zie nader het antwoord op vraag 7).6 Het is goed om te merken dat de mkb-ondernemingen er nu al in slagen van de WHOA-regeling gebruik te maken.
Sluit het aantal akkoorden dat tot nu toe is bereikt aan bij het aantal akkoorden dat van tevoren werd verwacht in de rechtspraktijk?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen heeft dit arrest voor ondernemers die een doorstart proberen te maken?
De WHOA is bedoeld voor ondernemingen die vanwege een te zware schuldenlast insolvent dreigen te raken, maar na een herstructurering van de schulden weer financieel gezond kunnen worden of buiten faillissement afgewikkeld kunnen worden met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. Een akkoord hierover komt bij voorkeur buitengerechtelijk tot stand. Indien nodig kan de rechter een akkoord homologeren. Schuldeisers die niet met het akkoord hebben ingestemd, worden dan toch aan het akkoord gebonden. Bij de totstandkoming van de WHOA is er bewust voor gekozen om in deze wet een uitzondering te maken voor rechten van werknemers die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Werknemers kunnen niet tegen hun wil gebonden raken aan een akkoord waarbij zij bijvoorbeeld loon moeten inleveren. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat pensioenpremies, die ten behoeve van de werknemer worden afgedragen, ook onder deze uitzondering vallen omdat dit een recht is dat voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW.7 Daarmee wordt verzekerd dat de pensioenopbouw van werknemers niet in gevaar komt als gevolg van een WHOA-akkoord. Ik heb vernomen dat in de praktijk de vrees bestaat dat de uitspraak van de Hoge Raad het moeilijker kan maken voor ondernemers om een akkoord te bereiken. Ik heb echter vooralsnog geen concrete signalen dat dit effect ook is opgetreden. De uitspraak biedt aan ondernemingen die gebruik willen maken van de WHOA-regeling in ieder geval duidelijkheid over het toepassingsbereik van de bestaande uitzonderingsregel betreffende de rechten van werknemers. Als ondernemers op grond van de WHOA-regeling een akkoord aan hun schuldeisers willen aanbieden, zullen zij over voldoende financiële middelen moeten beschikken om de achterstallige pensioenpremies ten behoeve van hun werknemers in te lopen. Dit is iets om rekening mee te houden bij de voorbereiding van een akkoord, door bijvoorbeeld dit traject tijdig te starten.
Bent u het eens met de stelling dat de WHOA het juist makkelijker moet maken voor ondernemers om een doorstart te maken? Zo ja, bent u het ook eens met de stelling dat het arrest van de Hoge Raad potentieel zeer zorgelijke gevolgen kan hebben voor een grote groep ondernemers, aangezien het arrest ertoe leidt dat de WHOA in de praktijk minder effectief kan worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kan in overleg met betrokken stakeholders een inschatting worden gemaakt hoeveel noodlijdende bedrijven tot nu toe zijn geraakt en zullen worden geraakt door deze uitspraak? Kunt u in dat kader een inschatting maken van het aantal ondernemingen dat faillissement heeft moeten aanvragen doordat de WHOA in het geheel niet van toepassing is op vorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen voor achterstallige pensioenpremies?
Zoals ik eerder in het antwoord op vraag 5 heb opgemerkt, heb ik vooralsnog geen concrete signalen ontvangen dat trajecten om een akkoord tot stand te brengen, zijn stukgelopen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad. Dit is overigens ook niet gebeurd in de zaak waarop de uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan naar aanleiding van een prejudiciële vraag die de rechtbank Amsterdam had gesteld in een zaak waarin zij verzocht was een akkoord te homologeren. In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad hebben de betrokken partijen alvast een voorziening getroffen voor het geval uit de uitspraak van de Hoge Raad zou blijken dat de achterstallige pensioenpremies niet meegenomen konden worden in het akkoord. Hierdoor kon de rechtbank het akkoord toch homologeren ook al had de Hoge Raad nog geen beslissing genomen.8
In het kader van de evaluatie van de WHOA zal de effectiviteit van de WHOA-regeling worden onderzocht, waarbij expliciet aandacht zal worden besteed aan de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.
Bent u het eens met de stelling dat voorkomen moet worden dat noodlijdende bedrijven die door corona al flinke klappen hebben gehad nu moeten overgaan tot het aanvragen van faillissement in plaats van het succesvol doorlopen van een WHOA-traject? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om dit te voorkomen en om noodlijdende ondernemers hier meer perspectief te bieden? Zo nee, waarom niet?
Sinds de uitbraak van het COVID-19 virus is het beleid van het kabinet er op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat ondernemingen uitsluitend door de pandemie failliet gaan. De WHOA-regeling is daarbij onderkend als een behulpzaam instrument. Mijn voorganger heeft, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor flankerend beleid om ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling.9 De Kamer van Koophandel biedt in het kader van het «Programma Zwaar Weer» hulp in de vorm van informatie, advies en doorverwijzing aan ondernemingen in financiële moeilijkheden.10 Vanaf 2021 is deze dienstverlening van de Kamer van Koophandel uitgebreid met ondersteunende online content en tools over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA, zoals een WHOA-routekaart die ondernemers stapsgewijs informeert over hoe een akkoord voorbereid kan worden. Daarnaast is er een Time Out Arrangement (TOA)-krediet via Qredits beschikbaar gesteld om mkb-ondernemingen in staat te stellen een doorstart vanuit een WHOA-traject te maken.11 Het TOA-krediet kan door ondernemers bij uitvoerder Qredits worden aangevraagd van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2024.
Bent u bereid, vooruitlopend op de evaluatie van de WHOA, de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad voor de effectiviteit van de WHOA nader in kaart te brengen en de Kamer over de uitkomsten te informeren voor het zomerreces?
Per 15 maart 2022 is de consultatie afgerond over een document over het insolventierecht met als doel de praktijk te betrekken bij de toekomstige ontwikkelingen op dit terrein.12 Over de uitkomsten van deze consultatie ga ik voor de zomer in gesprek met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk (waaronder INSOLAD13, RECOFA14, NEVOA15, JIRA16, NOvA17, NVB18) en van de vakbonden CNV en FNV, alsmede van werkgeversorganisatie VNO/NCW en MKB-Nederland. Deze vertegenwoordigers vormen samen een klankbord in het kader van het wetgevingsprogramma «herijking faillissementsrecht» (hierna: de klankbordgroep). In dit overleg zal ik, ter voorbereiding op de evaluatie van de WHOA, alvast de eerste ervaringen van de deelnemers aan de klankbordgroep met de WHOA-regeling bespreken. Daarbij zal ik de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad betrekken, in relatie tot de effectiviteit van de regeling. Ik ben voornemens om uw Kamer zo spoedig mogelijk in het najaar te informeren over de uitkomsten van de consultatie en de gesprekken met de klankbordgroep.
Het bericht dat de clouddienst Microsoft niet gebruikt kan worden voor de uitwisseling of opslag van gevoelige of bijzondere persoonsgegevens |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over dit bericht? Kunt u daarbij ingaan op het feit dat Amerikaanse inlichtingendiensten Microsoft en andere Amerikaanse clouddiensten kunnen dwingen om op basis van wetgeving data van Nederlandse burgers te overhandigen?1
Het is goed dat dit soort grootschalige Data Protection Impact Assessments (DPIA´s) op veelgebruikte diensten, zoals in dit geval die van Microsoft, op verzoek van onder meer het Rijk worden uitgevoerd en breed beschikbaar worden gesteld. Op deze manier hebben organisaties in de samenleving baat bij het verrichte werk.
Daarbij is van belang te benadrukken dat de DPIA niet indiceert dat er geen gebruik meer gemaakt kan worden van de onderzochte diensten van Microsoft. Er worden risico’s gesignaleerd die raken aan de toegang tot overheidsdiensten, maar ook oplossingen geïdentificeerd om dit risico te mitigeren. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van eigen encryptiesleutels die door de organisatie zelf – en dus niet door Microsoft – worden beheerd.
Er kunnen op basis van de DPIA over deze clouddienst geen algemene conclusies worden getrokken over alle Amerikaanse clouddiensten en de relatie met inlichtingendiensten. Per dienst kan immers verschillen wat de specifieke risico´s van gegevensoverdracht zijn. Als het gebruik van een dienst een gegevensoverdracht meebrengt is het belangrijk in kaart te brengen wat de specifieke risico´s zijn en deze te mitigeren. Om dat goed te doen kunnen partijen een zogeheten Data Transfer Impact Assessment (DTIA) uitvoeren. De wetgeving in het land waar de gegevens naartoe gaan speelt daarbij een belangrijke rol.
Wat meer algemeen wel van belang is om te benadrukken is dat de toegang tot gegevens van Europese burgers door Amerikaanse overheidsdiensten een belangrijke rol speelt in het Schrems-II arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Daarin heeft het HvJEU het «adequaatheidsbesluit»2 voor de VS ongeldig heeft verklaard, onder meer vanwege zorgen omtrent overheidstoegang tot persoonsgegevens in de VS. Recent is er door de Europese Commissie en de VS een principeakkoord gesloten welk de basis zou kunnen vormen voor een nieuw adequaatheidsbesluit.3 Onderdeel daarvan is onder meer dat de VS stappen zal zetten om de privacy van Europese burgers te beschermen.4 In de komende maanden zal duidelijk worden welke precieze maatregelen de VS zal nemen.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft aangegeven dat het opnemen «standard contractual clauses» het ontbreken van adequaatsheidsbesluit voor internationale doorgifte kan ondervangen.5 Voor relevante Microsoft (cloud)diensten en recent ook Google Workspace is dit door SLM Rijk ook gedaan.
Als laatste wil ik onder de aandacht brengen dat de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten momenteel een gezamenlijk onderzoek uitvoeren naar het gebruik van clouddiensten door publieke sector organisaties.6
Deelt u de mening dat het gebruik van Amerikaanse clouddiensten zoals Microsoft een inbreuk op de privacy van de Nederlandse burgers tot gevolg kan hebben zoals ook omschreven in het Schrems arrest van het Europese Hof van Justitie?2
Dat er specifieke zorgen bestaan over de gegevensbeschermingsrisico’s bij het gebruik van Amerikaanse clouddiensten begrijp ik, specifiek ook in het licht van de overwegingen van het HvJEU in het Schrems-II arrest. Precies met die zorgen in het achterhoofd worden DPIA´s en DTIA´s als die in het door u aangehaalde bericht worden besproken uitgevoerd.
Het gaat mij echter te ver, zoals ook in antwoord op vraag 1 aan de orde komt, om te stellen dat het gebruik van «Amerikaanse Clouddiensten» per definitie een privacy schending oplevert. We hebben in EU-verband strikte regels om onze privacy te beschermen, specifiek ook via de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Daar moeten alle partijen die zich aan houden, ook Amerikaanse clouddiensten die onder het AVG-regime persoonsgegevens verwerken. Per geval moet worden bezien of en hoe deze diensten rechtmatig gebruikt kunnen worden.
Deelt u daarom de mening, ook van Privacy Company, dat het gebruik van Amerikaanse clouddiensten bij overheidssystemen en andere gevoelige sectoren als universiteiten niet gewenst is wanneer dit over de uitwisseling of opslag van gevoelige ofwel bijzondere persoonsgegevens gaat? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete maatregelen u neemt om dit gebruik te verminderen en daarbij specifiek ingaan op de inzet van versleuteling? Zo nee, kunt u verder uitweiden waarom het bovengenoemde niet weg te nemen risico wel toelaatbaar zou zijn?
Ik kan dergelijke algemene conclusies over alle Amerikaanse clouddiensten niet onderschrijven. Daarbij komt dat die conclusie ook niet voortvloeit uit de voorliggende DPIA. Deze indiceert namelijk dat er maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat er bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt in de onderzochte diensten van Microsoft. Hiertoe kunnen verschillende maatregelen worden genomen. Strategisch Leveranciersmanagement Rijk (SLM Rijk) heeft hierover nader advies uitgebracht.8 Als deze maatregelen in acht worden genomen kunnen deze diensten in principe in overeenstemming met de AVG worden gebruikt.
Daarnaast zal SLM Rijk er bij Microsoft op aandringen dat end to end-encryptie (E2EE) voor groepsgesprekken in Microsoft Teams wordt gerealiseerd, zodat Microsoft Teams ook geschikt kan worden gemaakt voor verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het geval daarvoor een juridische grondslag aanwezig is bij de organisatie die Microsoft Teams inzet.
Kunt u uitweiden over de verschillende overwegingen wat betreft de voor- en nadelen van het gebruik van niet-Europese clouddiensten bij overheidssystemen en andere gevoelige sectoren voor de uitwisseling of opslag van gevoelige of bijzondere persoonsgegevens?
Zoals aangekondigd in de I-strategie Rijk 2021–2025 wordt er momenteel een rijksbreed strategisch cloudbeleid ontwikkeld en worden handreikingen/richtlijnen ontwikkeld voor het gebruik van clouddiensten.9 In deze strategie wordt ook ingegaan op de uitwisseling van gegevens met derde landen.
Daarnaast voeren zoals hiervoor aangegeven de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten momenteel een gezamenlijk onderzoek uit naar het gebruik van clouddiensten door publieke sector organisaties. Het is nog onzeker hoe zij de risico’s van het gebruik van clouddiensten door overheden gaan beoordelen. Eind 2022 komt de European Data Protection Board (EDPB) met een gezamenlijk rapport hierover.10 De uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht geven in hoeverre het gebruik van clouddiensten door overheidssystemen extra risico’s met zich mee brengt voor de bescherming van persoonsgegevens.
Zijn de juridische mogelijkheden voor oplossingen voor het Schrems arrest voldoende verkend?
Mijn indruk is dat dit het geval is. Zo heeft de Europese Commissie in juni 2021 hernieuwde «standard contractual clauses» voor internationale doorgifte gepubliceerd11, op basis waarvan gegevens op grond van «passende waarborgen» kunnen worden doorgegeven.12 Verder zijn ook de aanbevelingen van EDPB van groot belang geweest om de gevolgen van het arrest goed te duiden en zorg te dragen voor de rechtmatige overdracht van gegevens; niet alleen naar de VS maar naar alle derde landen waarvoor geen «adequaatheidsbesluit» van de Europese Commissie bestaat.13
Als in antwoord op vraag 1 al gemeld is er recent een principeakkoord gesloten tussen de Europese Commissie en de VS over een nieuw raamwerk voor trans-Atlantische datastromen. Dat betekent niet dat er reeds een nieuw adequaatheidsbesluit is: daarvoor moet de in artikel 45 AVG geformuleerde procedure worden gevolgd. Nederland heeft hierin als lidstaat een rol via de comitologie procedure.14
In hoeverre helpt de verdere ontwikkeling van het GAIA-X project om de technologische autonomie van Europa te bevorderen? Welke risico’s zijn er dat Amerikaanse cloudbedrijven diensten leveren binnen het GAIA-X project en zo alsnog de Europese technologische autonomie beperken? Welke invloed heeft u hierop?
GAIA-X is een snelgroeiend privaat initiatief (een vereniging) onder Belgisch recht met inmiddels meer dan 300 leden. Het doel van GAIA-X is het verbinden van Europese cloudinfrastructuren en het vergemakkelijken van het delen van data. Daarbij is het naleven van Europese regelgeving en waarden een kernpijler. Het initiatief draagt bij aan veilige uitwisseling en verwerking van gegevens en verkleint waar wenselijk de afhankelijkheid van niet-Europese spelers.
Nederland is goed vertegenwoordigd binnen het initiatief. Een groeiend aantal Nederlandse partijen is lid. Dit betreft onder meer TNO, UvA, NEN, Leaseweb, Philips, AMS-IX, Brainport Industries en Surf. Twee van de Nederlandse leden hebben plaats in GAIA-X «Board of Directors» en kunnen daarmee meesturen op de ontwikkeling van GAIA-X. Daarnaast kunnen Europese overheden met een Gaia-X hub, via de zogenoemde «Governmental Advisory Board» van GAIA-X ook gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen. Nederland wordt hierin door het Ministerie van EZK vertegenwoordigd.
Bedrijven uit niet-Europese landen kunnen ook bijdragen aan het GAIA-X initiatief. Samenwerking tussen Europese en niet-Europese bedrijven kan immers ook tot een hoger niveau van dienstverlening door Europese spelers op de markt leiden. Niet-Europese partijen hebben echter geen stemrecht in het initiatief.
Naast Gaia-X is er ook het «PublicSpaces» initiatief. Hierin worden gebruikers en burgers centraal geplaatst en worden publieke waarden: «open», «transparant» en «verantwoordelijk», meegenomen bij de ontwikkeling van technologische producten en diensten. We volgen dit initiatief met interesse.
Kunt u een update geven over de huidige mogelijkheden wat betreft Europese versleuteling van clouddiensten die ervoor zouden kunnen zorgen dat Amerikaanse inlichtingendiensten niet via niet-Europese clouddiensten zoals Microsoft bij de uitwisseling of opslag van gevoelige ofwel bijzondere persoonsgegevens van Europese burgers zouden kunnen komen? Hoe draagt het GAIA-X project hier verder aan bij?
De European Data Protection Board heeft in aanbevelingen over de «measures that supplument transfer tools to ensure compliance with the EU level of protection of personal data» onder meer aan de hand van zogenaamde «use cases» inzicht gegeven in welke technische-, organisatorische- en contractuele maatregelen kunnen worden genomen om doorgifte met «passende waarborgen» plaats te laten vinden. Het versleutelen (besproken onder «use case 3») van de gegevens is één van de geïdentificeerde maatregelen.15 Per doorgifte dient te worden bezien óf, en zo ja welke, passende maatregelen (technisch, organisatorisch of contractueel) kunnen worden genomen. In het in antwoord op vraag 4 genoemde rijksbreed strategisch cloudbeleid, dat binnenkort naar uw Kamer zal worden gestuurd, zal hieraan expliciet aandacht gegeven worden.
Het GAIA-X initiatief draagt bij aan het verbinden van Europese cloudinfrastructuren en het vergemakkelijken van datadelen. De wijze van versleuteling van data kan een rol spelen bij de keuze voor een aanbieder van clouddiensten en of risico verminderen. Door het GAIA-X initiatief zullen naar verwachting nieuwe soorten clouddiensten ontstaan, waardoor er voor bedrijven en eindgebruikers meer keuzemogelijkheden zijn om diensten af te nemen. Door GAIA-X is in december 2021 aangekondigd dat labels ontwikkeld worden om o.a. genoemde toegangsrisico’s te mitigeren via andere maatregelen.16
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen’ en de uitzending van Kassa van 5 maart 2022 |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van Kassa betreffende dit onderwerp?2 Zo ja, hoe duidt u dit artikel en deze uitzending?
Zowel met het bericht als met de uitzending ben ik bekend. In het artikel van de Volkskrant en in de uitzending van Kassa staan Surinaamse leraren centraal die in Nederland zouden willen werken. Zij lopen tegen drempels aan die te maken hebben met hun (vaak onvolledige) beroepskwalificaties en met de restrictieve procedure voor toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verblijfsvergunningen afwees van Surinaamse leerkrachten die in Nederland les willen geven, met als reden dat hier «voldoende aanbod» aanwezig is? Zo ja, hoe beoordeelt u deze afwijzing?
Voor het aanstellen van een leraar uit Suriname is een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) nodig. Werkgevers kunnen hiervoor een aanvraag doen bij de IND. De IND vraagt daarover een advies van het UWV, die de functie registreert. In 2021 heeft het UWV <10 adviezen afgegeven voor een gvva-aanvraag van een schoolbestuur voor het aanstellen van een leraar van buiten de EU; voor zover bekend zijn daarbij geen negatieve adviezen afgegeven. In de eerste vijf maanden van 2022 is een aantal negatieve gvva adviezen afgegeven voor leerkrachten (niet enkel het basisonderwijs). Reden voor afwijzing was dat niet voldaan werd aan de voorwaarden die in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) worden gesteld, waaronder het beschikken over de juiste kwalificaties.
De procedure voor het verkrijgen van een gvva is toegelicht in het antwoord op vraag 6 en valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW.
Klopt het dat er een lerarenoverschot is in Suriname? Zo ja, om hoeveel leerkrachten gaat het?
De Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft navraag gedaan bij de lerarenopleidingen in Suriname. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er in Suriname géén overschot aan leraren is.
Wat zou het voor het onderwijs in Suriname betekenen als we Surinaamse leerkrachten de mogelijkheid geven om in Nederland les te geven?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. Wederzijdse inzet van leraren kán een verrijking zijn van het onderwijs in eigen land en het land van herkomst, mits dit ten goede komt aan de kwaliteit in beide landen. Op dit moment kampt Suriname met een hoge mate van braindrain. Door de ernstige devaluaties van de Surinaamse munt en de hoge inflatie de afgelopen jaren, vertrekken leraren die beschikken over passende beroepskwalificaties uit Suriname omdat ze in het thuisland minder verdienen dan in bijvoorbeeld Nederland, België of Caribisch gebied. De uitstroom van leraren kan een weerslag hebben op de kwaliteit van het Surinaamse onderwijs.
Kunt u bevestigen dat de lerarenopleiding in Suriname in Nederland gelijkgesteld wordt met twee à drie jaar pabo?
De eindtermen van de Surinaamse pabo zijn lager dan de eindtermen van de Nederlandse pabo. DUO waardeert dit diploma inderdaad ongeveer op twee á drie jaar van een Nederlandse lerarenopleiding. Soms heeft een leraar in Suriname extra opleidingen gevolgd na(ast) de Surinaamse pabo. Leraren uit Suriname kunnen bij DUO een aanvraag indienen voor erkenning van hun beroepskwalificaties om te laten beoordelen of ze bevoegd zijn om in Nederland les te mogen geven.
Hoe verhoudt het naar Nederland halen van deze leerkrachten zich tot de Wet arbeid vreemdelingen?
De toegang tot de arbeidsmarkt voor derdelanders is geregeld in de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en is aan restrictieve voorwaarden verbonden. Een werkgever kan in principe alleen een derdelander aannemen als er in Nederland, de EER of in Zwitserland geen aanbod aanwezig is (het zogenaamde «prioriteitgenietend genietend aanbod»). Een werkgever (c.q. een schoolbestuur) moet voor het aanstellen van een derdelander (in voorliggende situatie een leraar uit Suriname) een gvva aanvragen bij de IND. Als onderdeel van de procedure vraagt de IND advies aan het UWV omtrent de voorwaarden aan de Wav. Het UWV toetst per aanvraag onder andere of er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is en of de werkgever voldoende heeft gedaan om binnen Nederland, de EER en Zwitserland personeel te vinden. Hierbij wordt ook beoordeeld of de derdelander beschikt over de juiste beroepskwalificaties die gelden in Nederland. Als de derdelander andere beroepskwalificaties heeft, vergelijkt het UWV bij de toets ook prioriteitgenietend aanbod met dezelfde kwalificaties. Verder wordt beoordeeld of een passend salaris wordt geboden.
Ziet u kansen in het opvangen van het lerarentekort door Surinaamse leerkrachten? Zo ja, wat zou moeten gebeuren om dit te realiseren?
Op 22 april jl. heb ik met de cao partners het onderwijsakkoord gesloten. Hiermee wordt 1,5 miljard euro geïnvesteerd in het funderend onderwijs. Hiermee wordt onder meer de loonkloof tussen po en vo gedicht, wordt de werkdruk in het vo aangepakt en komt er meer ruimte voor ontwikkeling en bijscholing. We maken werken in het onderwijs hiermee aantrekkelijker. Bij het akkoord zit ook een opzet voor een ambitieuze agenda om lerarentekort aan te pakken en tot een goed werkende arbeidsmarkt van de sector onderwijs te komen. Daar wil ik vol op inzetten.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een lerarenoverschot in Suriname. Net als in Nederland zijn goed opgeleide leraren in Suriname hard nodig. De mogelijkheden om Surinaamse leraren in te zetten om het tekort in Nederland op te lossen, zijn dan ook beperkt naar mijn mening. Er wordt dan ook vooral ingezet op instroom en behoud van Nederlandse professionals. In die situatie dat een derdelander, al dan niet uit Suriname, in Nederland wil komen werken kan een schoolbestuur een gvva aanvragen. Daarbij is het van belang dat wordt voldaan aan de voorwaarden in de Wav en de werkgever bijvoorbeeld voldoende wervingsinspanningen heeft verricht en de vreemdeling een lesbevoegdheid heeft die erkend is.
Het artikel ‘VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade’ |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel?
Ik heb kennisgenomen van het artikel.
Kunt u bevestigen dat VNO-NCW in Nederland een ander standpunt uitdraagt of uitgedragen heeft dan in Brussel?
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van lid Van Dijk van 31 augustus 2021 (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de vernieuwing en uitwerking van het IMVO-beleid herhaaldelijk inbreng ontvangen van o.a. VNO-NCW, bijvoorbeeld tijdens stakeholderconsultaties.
VNO-NCW heeft constructieve bijdragen geleverd aan deze consultaties. Er zijn geen concrete aanwijzingen ontvangen voor een andere opstelling van
VNO-NCW in Europa.
Kunt u bevestigen dat de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking Ontwikkeling (OESO), en daarmee een zorgplicht voor alle bedrijven voor hun gehele toeleveringsketen, leidend zullen zijn in de Nederlandse inzet op het Europese voorstel op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemenn (IMVO)?
Als lidstaat onderschrijft Nederland de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en zal het kabinet bedrijven aansporen te handelen in lijn met de OESO-richtlijnen.
Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Effectiviteit, proportionaliteit en het gelijke speelveld zijn daarbij belangrijke overwegingen. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk middels een BNC-fiche geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel.
Zal u, net als uw voorganger, parallel aan het Europese voorstel werken aan een ambitieus Nederlands voorstel, teneinde de druk in Brussel op te voeren een ambitieuzer voorstel overeen te komen?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord 2021–2025 zal het kabinet in de EU IMVO-wetgeving bevorderen en nationale IMVO-wetgeving invoeren die rekening houdt met een gelijk speelveld met omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.
Welke status heeft het rapport van de Sociaal Economische Raad (SER) voor de Europese onderhandelingen omtrent IMVO-wetgeving?
Het SER-advies «Effectieve Europese gepaste zorgvuldigheidwetgeving voor duurzame ketens» is positief ontvangen en is meegenomen in de totstandkoming van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 377). Op basis van de Kamerbrief over de bouwstenen voor IMVO-wetgeving is een non-paper opgesteld en verspreid onder stakeholders in de Europese Unie. In het Commissievoorstel is een groot aantal onderdelen van het non-paper terug te vinden.
Nu de Europese Commissie haar conceptrichtlijn voor verplichte gepaste zorgvuldigheid heeft gepubliceerd, is een nieuw hoofdstuk gestart om tot een dwingende Europese maatregel te komen. Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel middels een BNC-fiche.
Met welke stakeholders heeft u gesproken ter consultatie voor het bepalen van het Nederlandse standpunt omtrent IMVO-wetgeving? Zijn er daarnaast nog andere stakeholders geconsulteerd en zo ja, welke?
Momenteel wordt het kabinetsstandpunt bepaald ten aanzien van het gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Ik heb hiertoe gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Uw Kamer zal zoals gebruikelijk een BNC-fiche hierover ontvangen.
Bij de totstandkoming en uitwerking van de beleidsinzet op gebied van IMVO2, waarvan IMVO-wetgeving onderdeel uitmaakt, is uitgebreid met vele verschillende stakeholders gesproken. Op de IMVO-webpagina op rijksoverheid.nl is verslag gedaan van de stakeholderconsultaties.3 In de beantwoording op vragen van het lid Van Dijk (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft mijn voorganger reeds een overzicht gedeeld van de gesprekken die gevoerd zijn.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te geven, waarin uiteengezet wordt hoe het Nederlandse standpunt tot stand is gekomen, welke input van stakeholders daarin meegenomen is en hoe deze heeft doorgewerkt in de Nederlandse inzet, zowel op Europees niveau als de mogelijke nationale wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Het stimuleren van het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen |
|
Kiki Hagen (D66), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Luierschaamte» na aangescherpte regels in Noordoostpolder»»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Klopt het dat in sommige gemeentes luiers bij het groente- fruit- en tuinafval (gft) mogen, of dat dit in de afgelopen jaren was toegestaan? Waarom is dit zo? Bij hoeveel gemeentes is dit nu nog steeds het geval?
In juni 2020 is de landelijke wel/niet lijst voor gft-afval gepubliceerd waarbij luiers aan de niet-kant staan, daarmee behoren luiers niet met gft-afval ingezameld te worden. In een zeer beperkt aantal gemeenten wordt met het gft-afval ook luiers ingezameld. Dat wordt afgebouwd.
Klopt het dat ongeveer 8% van het huishoudelijk restafval bestaat uit luiers en incontinentiemateriaal? Wat is uw reactie hierop? Vindt u dit veel of weinig?
Dat klopt. Uit het meest recente rapport over de samenstelling van huishoudelijk restafval blijkt dat het 3-jaarlijkse gemiddelde percentage van luier- en incontinentiemateriaal op 7,9% ligt. Dit is een aanzienlijke hoeveelheid en ook mede de reden dat in het kader van het VANG-programma 2015–2020 begonnen is met het luierketenproject. Ook het nieuwe VANG-programma 2021–2025 dat op 10 maart jl. met uw Kamer is gedeeld richt zich onder andere op luierafval (Kamerstuk 32 852, nr. 184).
Klopt het dat wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die worden ingezameld via speciale inzamelingsbakken niet tot het ongescheiden huishoudelijk restafval worden gerekend, waardoor gemeenten op papier beter voldoen aan de gestelde VANG-doelstellingen (Van Afval Naar Grondstof)? Is dit ongeacht of de inhoud daadwerkelijk gerecycled wordt? Kunt u uitleggen op welke manier dit bijdraagt aan de circulaire economie?
Aparte inzameling van luiers en incontinentiemateriaal draagt met ingang van het nieuwe VANG-programma 2021–2025 alleen bij aan de VANG-doelstellingen indien het gescheiden ingezamelde luier- en incontinentiemateriaal ook daadwerkelijk voor recycling wordt aangeboden en daarmee een bijdrage levert aan het bereiken van de circulaire economie. Dit is in lijn met de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Klopt het dat slechts een klein deel van de wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die via speciale inzamelingsbakken worden ingezameld, wordt gerecycled en dat het overgrote deel alsnog wordt verbrand? Wat is uw reactie hierop?
De recyclingcapaciteit van luier- en incontinentiemateriaal in Nederland is nog beperkt. In het rapport «Knelpunten en oplossingen voor het sluiten van de keten voor luiers en incontinentiemateriaal» wordt geconstateerd dat door een combinatie van factoren er tot nu toe nog geen grootschalige recycling van luiers en incontinentiemateriaal plaatsvindt. Momenteel bezie ik welke instrumenten ingezet kunnen worden om de luierketen meer sluitend te krijgen. In afwachting van het opschalen van de recyclingcapaciteit is het van belang om de bestaande inzamelinfrastructuur in stand te houden.
Hoeveel procent van de wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die via speciale inzamelingsbakken worden ingezameld, wordt alsnog verbrand? Wat is uw reactie hierop?
Dit is onbekend. Er is geen totaaloverzicht van gemeenten en zorginstellingen die luiers en incontinentiemateriaal gescheiden inzamelen en wel of geen contract hebben voor de recycling hiervan. Gemeenten en zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de keuze om luier- en incontinentiemateriaal gescheiden in te zamelen en contracten af te sluiten voor de recycling hiervan.
Kunt u aangeven, in het geval dat de luiers wel gerecycled worden, wat er daadwerkelijk met het recyclaat gebeurt, en of dit hoogwaardige recycling betreft of downcycling?
In Nederland bestaat één luierrecyclinginstallatie bij ARN B.V., te Weurt. De recycling resulteert in een herbruikbare kunststoffenstroom (recyclaat). Het kunststof recyclaat wordt o.a. ingezet voor de productie van auto-onderdelen en bloempotten. Er is geen eenduidige systematiek om hoogwaardige recycling te onderscheiden van downcycling. Wel kan gezegd worden dat voor de kwaliteit van het recyclaat wordt uitgegaan van de eis uit het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) dat het materiaal meerdere cycli in de keten gehouden kan worden en dat er geen resten van medicijnen, pathogenen en dergelijke meer aanwezig zijn. De recyclingmethode die ARN B.V. toepast is getoetst aan de hand van het RIVM-protocol voor veilige recycling. Hieruit blijkt dat het kunststof recyclaat veilig met recycling in de keten teruggebracht kan worden, m.u.v. kunststoftoepassingen die met voedsel in aanraking komen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat op de inzamelingsbakken voor wegwerpluiers en -incontinentiematerialen komt te staan wat er vervolgens met de inhoud gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Nee, het communiceren met inwoners of medewerkers van zorginstellingen over het afvalbeleid en wat er met het afval gebeurt is een verantwoordelijkheid van gemeenten of de zorginstellingen die dergelijke inzamelingsbakken ter beschikking stellen aan hun inwoners of werknemers.
Bent u het ermee eens dat het bestaan van deze speciale bakken voor consumenten misleidend kan zijn, omdat zij daarmee vaak ten onrechte denken dat de ingezamelde luiers gerecycled worden terwijl dat in werkelijkheid niet (altijd) zo is? Zo nee, waarom niet?
Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Bedrijven zoals zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inzameling van hun afvalstoffen. Gemeenten en bedrijven zijn ook verantwoordelijk voor de informatieverstrekking aan hun inwoners en medewerkers over het doel van speciale inzamelingsbakken. Het advies aan gemeenten die al luiers gescheiden inzamelen is om in contact te blijven met initiatiefnemers voor recycling en de bestaande infrastructuur te handhaven.
Klopt het dat het fabrikanten van wegwerpluiers en -incontinentiemateriaal is toegestaan eigen luierinzamelbakken te plaatsen? Vindt u dit wenselijk? Hoeveel controle en transparantie is er over wat er vervolgens met die materialen gebeurt?
Gemeenten en zorginstellingen gaan over het toestaan van luierinzamelbakken van fabrikanten en over de controle en transparantie op de verdere verwerking van de ingezamelde luiers en incontinentiemateriaal. Dat past bij de verantwoordelijkheden die gemeenten en zorginstellingen op het gebied van afvalinzameling en verwerking hebben.
Klopt het dat wegwerpincontinentiemateriaal wordt vergoed in het basisverzekeringspakket, maar dat wasbaar incontinentiemateriaal niet standaard wordt vergoed? Zo ja, kunt u uitleggen waarom dat zo is? Zo nee, bent u bereid informatie hieromtrent richting verzekeraars en verzekerden toegankelijker te maken? Zo ja, hoe bent u dat van plan?
Het Ministerie van VWS geeft aan dat de Zorgverzekeringswet voorschrijft dat zorgverzekeraars moeten zorgen voor goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor alle verzekerden. Daarbij heeft de wetgever op hoofdlijnen vastgesteld wat de inhoud van het basispakket is. Daarna is het aan zorgverzekeraars om voldoende zorg van goede kwaliteit in te kopen voor verzekerden, waarbij ze wel rekening moeten houden met geldende kwaliteitsnormen en medische richtlijnen. In het geval van incontinentiemateriaal betekent dat zorgverzekeraars zelf mogen kiezen voor wegwerpincontinentiemateriaal of wasbaar incontinentiemateriaal, zolang de geleverde zorg maar voldoet aan de normen en richtlijnen.
In de informatieverplichtingen die zorgverzekeraars aan hun verzekerden hebben is opgenomen dat verzekerden goed geïnformeerd moeten worden over wat wel en niet in de zorgpolis zit. Dat betekent dat in de polis goed vindbaar moet zijn welk type incontinentiemateriaal vergoed wordt. Bovendien is Zorgverzekeraars Nederland namens alle zorgverzekeraars ondertekenaar van de Green Deal Duurzame Zorg. Daarin hebben zorgaanbieders, verzekeraars, banken en de rijksoverheid (o.a. het Ministerie van VWS en IenW) afgesproken zich in te spannen om te zorg te verduurzamen. Duurzaamheid van zorg is in toenemende mate een aandachtspunt voor zorgverzekeraars, zoals ook blijkt uit het Inkoopkader langdurige zorg 2021–2023, waarin duurzaamheid een van de 4 kernelementen is bij de zorginkoop door zorgkantoren.
Hoe is het beleid rondom wegwerpluiers en -incontinentiematerialen volgens u te verenigen met de doelstellingen van de circulaire economie (50% minder grondstoffen in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050)?
Het beleid rondom wegwerpluiers en incontinentiemateriaal maakt onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025. Door in te zetten op meerdere R-strategieën draagt dit bij aan de doelstellingen van de circulaire economie.
Wat is uw reactie op het feit dat er in Nederland slechts één luierrecyclinginstallatie staat en dat recent onderzoek concludeert dat een combinatie van factoren ertoe leidt dat geen grootschalige recycling van luiers en incontinentiemateriaal plaatsvindt?
Nederland is een van de weinige Europese landen waar daadwerkelijk luiers worden gerecycled. De recyclingcapaciteit van luier- en incontinentiemateriaal in Nederland is 15 Kton. RVO Nederland heeft onlangs in opdracht van het Ministerie van EZK subsidies verstrekt voor twee extra luierrecyclinginstallaties in Nederland. Hierdoor wordt de beoogde recyclingcapaciteit in Nederland 66 Kton. In het rapport «Knelpunten en oplossingen voor het sluiten van de keten voor luiers en incontinentiemateriaal» wordt geconstateerd dat door een combinatie van factoren er tot nu toe nog geen grootschalige recycling van luier- en incontinentiemateriaal plaatsvindt. Er is niet één doorslaggevende reden waardoor de recyclingcapaciteit achterblijft op de verwachtingen. Dit maakt dat er meerdere opties mogelijk zijn om hier een impuls aan te geven. Momenteel bezie ik welke instrumenten ingezet kunnen worden om de luierketen meer sluitend te krijgen.
Bent u het ermee eens dat, om de doelstellingen van de circulaire economie te halen, niet enkel moet worden ingezet op de recycling van wegwerpluiers en -incontinentiematerialen, maar dat juist hergebruik en wasbare alternatieven de norm moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Een productketen kan circulair gemaakt worden door in te zetten op meerdere R-strategieën. In het beleid wordt ingezet op zowel het stimuleren van het gebruik van wasbare luiers als op de recycling van luier- en incontinentiemateriaal.
Gaat u wasbare luiers en incontinentiematerialen opnemen in de uitvoeringsagenda van de circulaire economie? Zo nee, waarom niet?
In het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025 dat ik uw Kamer op 10 maart jl. heb toegezonden (Kamerstuk 32 852, nr. 184), zijn diverse maatregelen op dit punt opgenomen. Het programma maakt onderdeel uit van de uitvoeringsagenda voor circulaire economie.
Wat wordt er tot nu toe gedaan vanuit de landelijke overheid om het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen te stimuleren ten opzichte van de wegwerpvariant? Is dit volgens u succesvol? Zo ja, waar blijkt dat uit?
RVO Nederland heeft in opdracht van mijn ministerie meerdere subsidies verstrekt aan bedrijven die circulaire ketenprojecten uitvoeren op het gebied van wasbare luiers en incontinentiematerialen. Daarnaast is informatiemateriaal ter beschikking gesteld aan professionals in de kinderzorg over het gebruik van wasbare luiers. Dit informatiemateriaal is bij gemeenten onder de aandacht gebracht. Verder geeft Milieu Centraal voorlichting over het gebruik van wasbare luiers.2 In bijeenkomsten met gemeenten wordt gewezen op de mogelijkheden op het gebied van wasbare luiers en incontinentiemateriaal om daarmee afval te voorkomen. Ook is Rijkswaterstaat samen met een aantal gemeenten bezig om een pilot op te zetten voor het gebruik van wasbare luiers in kinderdagverblijven. Het is nog te vroeg om over al deze acties een conclusie te trekken.
In het kader van Green Deal Duurzame Zorg werkt de zorg aan het verduurzamen van de zorgverlening vanuit de ambitie het circulair werken te bevorderen. Het Ministerie van VWS faciliteert de zorgsector hierbij. Op dit moment werkt Kennisinstelling Vilans in opdracht van VWS aan een e-handboek om het gebruik van slim incontinentiemateriaal in de langdurige zorg te bevorderen. Slim incontinentiemateriaal is een verzamelterm voor incontinentiemateriaal waarbij medewerkers op afstand kunnen zien in hoeverre het materiaal verzadigd is en dus vervangen moet worden. Het doel is minder onnodige verschoningen en daarmee een hogere kwaliteit van leven van cliënten, tijdsbesparing, minder belasting van medewerkers, lagere zorgkosten en minder afval van incontinentiemateriaal. De Minister van VWS stuurde uw Kamer hierover op 12 juli jl. een brief (Kamerstuk 27 529, nr. 266).
Klopt het dat het rijksprogramma «Uit de Luiers» gericht is op het sluiten van de luierketen? Bent u het ermee eens dat dit weinig succesvol is in het voorkomen van luierafval? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u van plan dit te verbeteren?
Het project «Uit de luiers» is erop gericht om te komen tot een fysiek en financieel gesloten circulaire keten van preventie, productie, gebruik en recycling. Hiervoor wordt samenwerking gezocht met partners uit de hele luierketen. Het project heeft ertoe geleidt dat de recycling van luiers en incontinentiemateriaal in Nederland is opgestart en nu aan het groeien is. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het voorkomen van luierafval en de stimulering van het gebruik van wasbare luiers. In het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025 is aangegeven welke stappen de komende jaren worden ondernomen.
Klopt het dat de informatievoorziening rondom wasbare luiers vanuit het rijksprogramma is uitbesteed aan Milieu Centraal, maar dat dit hiervoor geen budget beschikbaar heeft? Zo nee, hoe zit dit dan? Zo ja, waarom is dat zo?
Het klopt dat de voorlichting rond wasbare luiers is uitbesteed aan Milieu Centraal. Op de website van Milieu Centraal is alle informatie te vinden over het gebruik van wasbare luiers, met handige tips. Meer informatievoorziening via Milieu Centraal is op dit moment niet nodig. Daarnaast wordt ook informatie gedeeld over wasbare luiers op de website van het programma VANG – Huishoudelijk Afval: vang-hha.nl.
Welke andere mogelijkheden ziet u om het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen te stimuleren, bijvoorbeeld via overheidscampagnes?
Zie antwoord op vraag 16.
Bent u bereid een landelijke stimuleringsregeling voor wasbare luiers te onderzoeken en te ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld in België al gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat een stimuleringsregeling voor circulaire ketenprojecten waarmee onderwerpen zoals een wasbare luier onderzocht en ontwikkeld kunnen worden. De regeling wordt in opdracht van mijn ministerie uitgevoerd door RVO Nederland. In 2021 is 4,5 miljoen euro subsidie verleend aan 255 MKB-bedrijven die in ketens circulair samenwerken en CO2 besparen. Voor 2022 is opnieuw een bedrag van 6 miljoen euro beschikbaar voor nieuwe circulaire ketenprojecten. Het gaat hierbij om zogenoemde «moonshot» projecten. Het Versnellingshuis Nederland Circulair brengt dit actief onder de aandacht van ondernemers. Bij het antwoord op vraag 16 is aangegeven dat RVO Nederland al meerdere subsidies op dit vlak heeft verleend.
Bent u bereid een belastingverlaging op wasbare luiers en incontinentiematerialen te onderzoeken, zoals in Ierland en Engeland al het geval is? Zo nee, waarom niet?
Het Verenigd Koninkrijk is geen onderdeel meer van de EU. In Ierland vallen zowel wegwerpluiers als wasbare luiers onder het btw nultarief, dus niet alleen wasbare luiers. Incontinentiemateriaal voor volwassenen is in Ierland onder het algemene btw-tarief gebracht.
Incontinentiemateriaal valt in Nederland onder het verlaagde btw-tarief van 9%. Bij incontinentie die niet het gevolg is van ziekte (zoals in het algemeen het geval is bij baby’s en kleine kinderen) vindt het verlaagde btw-tarief geen toepassing.
Bij incontinentiemateriaal wordt geen onderscheid gemaakt naar wasbare en niet-wasbare producten. Binnenkort vindt er vanuit het Ministerie van Financiën een evaluatie rond het verlaagde btw-tarief plaats. Gezien voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding om separaat onderzoek te doen naar een belastingverlaging op wasbare luiers of incontinentiemateriaal. Dit antwoord is afgestemd met mijn collega van Financiën, voor verdere btw-gerelateerde vragen is de Vaste commissie voor Financiën het geëigende gremium.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het schildpadlogo «dit product bevat plastic» ook wordt vermeld op wegwerpluiers en -incontinentiematerialen, zoals ook bij wegwerpmaandverband en wegwerp vochtige doekjes verplicht is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan uitleggen wat het verschil is tussen wegwerpmaandverband en wegwerpluiers en -incontinentiematerialen als het gaat om het al dan niet toepassen van dit logo, aangezien de gebruikte grondstoffen in deze producten grotendeels gelijk zijn?
Het schildpadlogo dient op bepaalde producten te worden aangebracht. De basis hiervoor is de Europese richtlijn voor Single use plastics. De Europese richtlijn is via het Besluit kunststof producten voor eenmalig gebruik in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Verbreding van toepassing van het schildpadlogo is alleen mogelijk indien de EU regelgeving wordt aangepast. Het is dus niet mogelijk als land eigenstandig te beslissen het logo ook op andere producten te zetten. De basis voor de Europese richtlijn was een onderzoek dat vaststelde welke 10 producten het vaakst op EU stranden worden gevonden. Bij deze 10 producten zaten tampons en maandverband. Luiers en incontinentiemateriaal zaten niet bij de 10 meest gevonden kunststof producten op Europese stranden. Ik ben bereid om bij een herziening van de Europese richtlijn te pleiten voor een logo op wegwerpluiers- en incontinentiemateriaal waar plastic in zit.
Klopt het dat kinderdagverblijven, gastouders en peuterspeelzalen wasbare luiers van klanten kunnen weigeren? Zo ja, is dit volgens u wenselijk? Zo nee, wat kunt u doen tegen organisaties die wasbare luiers weigeren?
Kinderdagverblijven, gastouders en peuterspeelzalen stellen hun eigen voorwaarden voor acceptatie van kinderen. Het staat deze organisaties vrij wasbare luiers al dan niet te accepteren. Er is dan ook geen rol voor de overheid in de acceptatievoorwaarden tussen kinderopvangbedrijven en ouders.
Klopt het dat het in België verboden is voor kinderdagverblijven om wasbare luiers van klanten te weigeren? Zo ja, bent u bereid uit te zoeken hoe België dit heeft gedaan, opdat we dit in Nederland ook kunnen invoeren?
Nee. Bij navraag bij de Vlaamse overheid blijkt er geen verbod te zijn voor kinderdagverblijven om wasbare luiers van klanten te weigeren.
Bevatten in Nederland wegwerpluiers ook gifitge stoffen, zoals uit Frans onderzoek2 is gebleken? Zo ja, bent u van mening dat ouders hierover voldoende geïnformeerd zijn?
Het Europese Chemicals Agency (ECHA) heeft in 2021 geconcludeerd dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat er in wegwerpluiers chemicaliën zitten in concentraties die een risico zouden kunnen vormen. Deze Europese evaluatie was een vervolg op het Franse onderzoek. Het ECHA ziet daarom geen aanleiding om regelgeving voor stoffen in wegwerpluiers aan te passen. Via de website waarzitwatin.nl kunnen consumenten zien welke stoffen in welk product zijn verwerkt. Luiers zijn ook als productgroep op deze website meegenomen.
Bent u het ermee eens dat de vermelding dat bepaalde luiers composteerbaar zouden zijn, misleidend is voor de consument, aangezien in de wel/niet lijst van de NVRD (organisatie voor schone en afvalvrije gemeenten), de Vereniging Nederlandse Gemeenten en afvalverwerkers vermeld wordt dat het ontdoen van luiers via het gft-afval in geen geval toegestaan is? Zo ja, bent u bereid de producenten daarop aan te spreken en hen te verbieden deze aanduidingen (in tekst of logo) te gebruiken?
Als onderdeel van het landelijk afvalbeheerplan is onder sectorplan 6 «Gescheiden ingezameld/afgegeven groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens» een lijst opgenomen welke items wel of niet bij het gft-afval mogen. Op de wel/niet lijst voor gft-afval staan luiers duidelijk aan de niet-kant. Luiers in gft-afval zijn niet wenselijk en bedreigen de kwaliteit van gft-compost. Er is geen wettelijke verplichting om een bepaald afvalinstructie-logo te voeren, maar ik ben bereid producenten erop aan te spreken als zij afvalinstructies op luiers zetten waarop ten onrechte staat dat die bij het gft-afval zouden horen.
Het artikel 'Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat een bedrijf dat in Nederland actief is en waarmee KPN zaken doet, mogelijk terrorisme financiert?
Het financieren van terrorisme is zorgelijk, onaanvaardbaar en strafbaar. Ter signalering, voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering trekt Nederland nauw op met andere (Europese) landen, de private sector en maatschappelijke organisaties. Terrorisme bestrijden is een gedeelde verantwoordelijkheid en de betrokken partijen nemen het onderwerp zeer serieus. Het feit dat KPN aan Ericsson om opheldering heeft gevraagd is hier een voorbeeld van. Ericsson heeft desgevraagd aangegeven dat de kwestie onderzocht wordt en dat in vervolg hierop maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat door nationale IMVO-wetgeving die bedrijven verplicht onderzoek te doen naar misstanden in hun productieketen, dit soort misstanden, waarbij Nederland indirect bijdraagt aan terrorisme, voorkomen kunnen worden?
Als bedrijven aan IMVO-wetgeving (Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) moeten voldoen, betekent dit dat zij verplicht zijn gepaste zorgvuldigheid toe te passen in lijn met de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen). Onderdeel van die gepaste zorgvuldigheid is dat ondernemingen negatieve gevolgen voor mens en milieu van hun activiteiten, of die van hun zakelijke relaties in de waardeketen, in kaart brengen, zoveel mogelijk voorkomen en aanpakken.
Op het moment is het financieren van terrorisme evenwel al strafbaar, en dienen bedrijven hiertegen actie te ondernemen. Wetgeving helpt, maar kan niet alle misstanden voorkomen.
Kunt u, gezien het feit dat zakendoen met Huawei niet wenselijk is door de vrees voor spionage van Chinese veiligheidsdiensten, aangeven wat naast Huawei en Ericsson alternatieve bedrijven zouden kunnen zijn om technologie voor 5G te leveren aan onze telecomproviders in Nederland?
De kwestie rond Ericsson staat los van de maatregelen die zijn getroffen om de veiligheid en integriteit van mobiele telecomnetwerken beter te beschermen tegen actuele statelijke dreigingen. Bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van spionage, beïnvloeding of sabotage door statelijke actoren hanteert het kabinet de overwegingen zoals vermeld in de brief aan de Tweede Kamer over C2000 (Kamerstukken II 2018/19, 25 124, nr. 96)2. De daar genoemde overwegingen zijn in het geval van het Zweedse bedrijf Ericsson niet aan de orde.
De markt van leveranciers voor netwerktechnologie en −apparatuur voor mobiele netwerken kent een beperkt aantal spelers. Wereldwijd zijn de belangrijkste leveranciers van technologie voor 5G: Ericsson, Huawei, Nokia, Samsung en ZTE, waarbij de eerste drie leveranciers wereldwijd veruit het grootste marktaandeel hebben. Technologische ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat op termijn nieuwe bedrijven toetreden als leverancier van (delen van) mobiele netwerken. Open RAN (Radio Access Network) is een van die mogelijke ontwikkelingen.3 Over de uitvoering van de motie van de leden Van der Lee (GL) en Van Ginneken (D66) over Open RAN4 zal de Kamer voor de zomer worden bericht.
Welke consequenties zullen er voor KPN gelden vanuit het Ministerie van Economische Zaken naar aanleiding van het genoemde artikel? Bent u bereid om KPN op te roepen duidelijke voorwaarden te stellen aan de verdere toekomstige samenwerking met Ericsson?
Mijn ministerie heeft contact opgenomen met zowel KPN als Ericsson. KPN heeft naar aanleiding van de berichtgeving reeds zelf actie ondernomen. KPN heeft aangegeven Ericsson om opheldering te hebben gevraagd en in gesprek te zijn over wat Ericsson doet om de in het artikel genoemde gedragingen waarvan zij beschuldigd wordt te voorkomen. Dat lijkt mij een gepaste actie. Ericsson heeft laten weten dat de kwestie onderzocht is in samenwerking met een external legal counsel en dat er naar aanleiding daarvan remediërende maatregelen zijn getroffen. Met deze counsel wordt nog gekeken welke vervolgmaatregelen kunnen worden genomen. Ericsson committeert zich voorts aan vervolgacties en −onderzoek indien daar aanleiding voor is. Deze acties van Ericsson lijken mij eveneens gepast.
Heeft de Minister van Buitenlandse Zaken reeds contact gehad met de Zweedse Minister van Buitenlandse zaken en de Minister van Economische Zaken om met hen te bespreken wat zij gaan doen om te zorgen dat Ericsson zijn zaken op orde krijgt en dit soort praktijken in de toekomst voorkomen kunnen worden?
Nee. Het is aan de Zweedse autoriteiten om op te treden richting hun ondernemingen indien wet- en regelgeving overtreden wordt. Medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hebben contact gehad met KPN en Ericsson over de kwestie. Daaruit bleek dat beide partijen de eerste benodigde stappen van onderzoek en remediëring toepassen. Dat lijkt gepast.
Misbruik van coronasteun door Bert’s Animal Verhuur |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de aflevering over Bert’s Animal Verhuur van het televisieprogramma BOOS gezien?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat Bert’s Animal Verhuur tijdens de coronapandemie 154.875 euro aan ontvangen steun uit de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW), bedoeld om loonkosten van personeel door te betalen, heeft gebruikt om onder andere stallen te verbouwen? Vindt u dit te billijken? Zo niet, gaat u de NOW-steun terugvorderen?
Ik heb het bericht vernomen. In de vaststellingsfase van de NOW, die volgt op een eerder aan een werkgever uitgekeerd voorschot, wordt de definitieve subsidiehoogte gebaseerd op de loonkosten in de subsidieperiode en het definitieve omzetverliespercentage. Als in de vaststellingsfase uit de bij UWV beschikbare gegevens over de loonsom van een werkgever blijkt dat de loonsom is gedaald, dan zal de NOW-subsidie, afhankelijk van de omvang van de mutatie, geheel of gedeeltelijk terugbetaald moeten worden. De NOW-subsidie is immers bedoeld voor het ondersteunen van werkgevers in het doorbetalen van hun personeel in het geval van een omzetdaling groter dan 20% tijdens de beperkende maatregelen vanwege de Coronacrisis. Eventuele dalingen van de loonsom worden dus betrokken in de reguliere controles binnen het vaststellingsproces van de NOW en de subsidie wordt hier als nodig op aangepast. Indien geen sprake is van een gedaalde loonsom en een werkgever voldoet aan de overige aan de NOW-subsidie gestelde voorwaarden (waaronder een omzetverlies van minimaal 20%), dan zal de subsidie worden vastgesteld op basis van deze loonsom en het definitieve omzetdalingspercentage.
Bent u er van op de hoogte dat dit bedrijf illegale bouwwerken op het terrein heeft staan?
Voor informatie over bouwwerken die eventueel strijdig zijn met het bestemmingsplan of andere bouwvergunningen verwijs ik u naar gemeente West Maas en Waal.
Bent u er van op de hoogte dat dit bedrijf illegaal honden te koop aanbiedt en meer honden houdt dan is toegestaan?
Ik ben ervan op de hoogte dat tijdens de inspecties door de NVWA ook overtredingen zijn vastgesteld in verband met het bedrijfsmatig houden en verhandelen van honden door deze houder. Er zijn overtredingen geconstateerd met betrekking tot identificatie en registratie van honden en benodigde herhalingsinentingen. Het bedrijf is correct geregistreerd voor het bedrijfsmatig verkopen van honden. De controle op of er meer honden worden gehouden dan toegestaan, ligt bij de gemeente.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf al sinds 1998 bij de gemeente, omgevingsdienst en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de radar staat vanwege diverse zaken zoals slechte verzorging van dieren, het houden van meer dieren dan volgens de vergunning is toegestaan en het illegaal verhuren van dieren, maar dat de overtredingen nog altijd doorgaan?
De NVWA heeft de afgelopen vijf jaar zeer regelmatig zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhavend opgetreden tegen dit bedrijf. Sinds 2021 staat het bedrijf onder verscherpt toezicht en wordt het nog frequenter geïnspecteerd. Ik ben van mening dat de NVWA adequaat handhavend tegen dit bedrijf optreedt. In mijn antwoord beperk ik mij tot de handhaving door NVWA aangezien deze onder mijn verantwoordelijkheid valt.
Hoe vaak heeft u signalen gekregen over de slechte verzorging van dieren en andere misstanden bij dit bedrijf? Wat is er met deze signalen gedaan?
De NVWA heeft sinds 1 januari 2017 tot heden 39 meldingen ontvangen. Na beoordeling van deze signalen heeft de NVWA in 2017 driemaal handhavend opgetreden na constatering van dierwelzijnsovertredingen. In 2018 gebeurde dit twee keer, en in 2019 ook twee keer. In 2020 is eenmaal handhavend opgetreden. In alle gevallen ging het om overtredingen met betrekking tot dierwelzijn. Uiteindelijk heeft dit in 2021 geleid tot het onder verscherpt toezicht plaatsen van dit bedrijf. Daarnaast heeft ook de politie de afgelopen jaren enkele meldingen en aangiftes met betrekking tot Bert Animals Verhuur ontvangen.
Deelt u de mening dat de rapportage van BOOS aantoont dat handhaving enorm tekort heeft geschoten? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u zorgen dat handhaving niet weer tekort schiet? Hoe gaat u zorgen dat er wordt opgetreden tegen de geconstateerde misstanden?
Bij maatregelen die worden opgelegd aan het bedrijf wordt de opvolging van de verbeterpunten geïnspecteerd tijdens herinspecties. Omdat het bedrijf onder verscherpt toezicht staat worden die herinspecties frequent uitgevoerd. Als ultimum remedium kunnen dieren elders worden ondergebracht om daar passende verzorging te krijgen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Gezien de benodigde interdepartementale afstemming en afstemming met de toezichthouder lukte het niet de vragen binnen de termijn van drie weken te beantwoorden. Daarom is er een uitstelbrief aan de Kamer, met kenmerk 2022D10614, gestuurd.
De landsadvocaat en fraude-onderzoeken |
|
Pieter Omtzigt , Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het kantoor van de landsadvocaat Pels Rijcken, weigert om het intern verrichte fraudeonderzoek openbaar te maken en/of te delen met het openbaar ministerie (OM)?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving in de NRC van 21 februari jl. waarin wordt gesteld dat Pels Rijcken weigert interne fraudeonderzoeken met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) te delen.
Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust. Pels Rijcken heeft volgens het OM de globale onderzoeksresultaten van de in opdracht van Pels Rijcken uitgevoerde onderzoeken beschikbaar gesteld aan het OM. Voor zover de verzochte informatie gegevens betreft waarop een geheimhoudingsplicht rust, voorziet de wet in een procedure waarbij de rechter-commissaris bepaalt of de informatie kan worden vrijgegeven ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Ik licht dat nader toe.
De gegevens over individuele zaken vallen onder de wettelijke geheimhoudingsplicht die advocaten en notarissen hebben jegens hun cliënten. Het Wetboek van Strafvordering geeft de geheimhouder (in dit geval de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) een weigeringsgrond in het geval van het leggen van beslag (art. 98 jo art. 218 Sv), in geval van een bevel tot uitlevering van voor in beslagneming vatbare voorwerpen (art. 96a lid 3 sub jo. art. 218 Sv), of in geval van een vordering tot het verstrekken van gegevens (art. 126nd lid 2 jo. art. 96a lid 3 sub b jo. art. 218 Sv). Pels Rijcken heeft aangegeven dat deze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt en dat de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek. Hierbij is van belang te vermelden dat Pels Rijcken niet exclusief voor de Staat werkt en door (andere) cliënten zowel tuchtrechtelijk als civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schending van de geheimhoudingsplicht. Het OM heeft ook belang bij een zorgvuldige procedure zodat over de bruikbaarheid van het bewijs later geen discussie kan ontstaan. Het OM heeft inmiddels meerdere vorderingen ingediend bij de rechter-commissaris. Een aantal van die vorderingen is reeds (deels) gehonoreerd door de rechter-commissaris. In die gevallen is geoordeeld dat vanwege de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak het verschoningsrecht diende te wijken voor de waarheidsvinding. Tegen deze beslissing staat beklag open bij de rechtbank. Van die beklagprocedure is door Pels Rijcken geen gebruik gemaakt.
Wanneer bent u ervan op de hoogte gesteld dat het fraudeonderzoek niet gedeeld wordt met het OM? Welke actie heeft u toen ondernomen?
Het artikel waarin de stelling wordt ingenomen dat Pels Rijcken weigert het onderzoek dat door Deloitte is uitgevoerd te delen met het OM is gebaseerd op een mailwisseling die ik op 17 februari jl. in het kader van een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar heb gemaakt. In die mailwisseling is te lezen dat op 15 juli 2021 door een medewerker van het OM aan mijn departement werd gemeld dat Pels Rijcken zich op het standpunt stelde dat verstrekking van de desbetreffende gegevens pas kon plaatsvinden na toetsing door de rechter-commissaris. Dit is een gebruikelijke procedure als het gaat om informatie waarop een geheimhoudingsplicht rust. Mijn voorganger heeft uw Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 16 juli 2021.2
Kunt u de uitkomsten van dit fraudeonderzoek, die u kent, delen met de Kamer?
Bij brief van 17 september 2021 heeft de VKC mij gevraagd het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. aan de Kamer te doen toekomen. Bij brief van 17 november 2021 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer gemeld dat dit onderzoek niet bij hem berust, maar uitsluitend bij het kantoor van de Landsadvocaat en de instanties die het onderzoek hebben uitgevoerd.
De eindresultaten van het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. zijn neergelegd in een overkoepelend verslag van handelingen en bevindingen. Gelet op het belang om uw Kamer zo volledig mogelijk te informeren, is het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. via het kantoor van de Landsadvocaat aan uw Kamer tot medio maart 2022 ter vertrouwelijke inzage gelegd. Het rapport is inmiddels geretourneerd aan het kantoor van de Landsadvocaat.
Zijn er door uw ministerie of het OM afspraken gemaakt met Pels Rijcken over het openbaar maken van dit interne onderzoek of het delen van het interne onderzoek met het OM (en/of het Ministerie van J&V)? Zo ja, kunt u dan aangeven welke afspraken daarover gemaakt zijn en wanneer die gemaakt zijn?
Nee. Zoals ik mijn antwoord op vraag 1 heb beschreven, heeft Pels Rijcken aan het OM aangegeven dat voor informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt (van de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek.
Is deze weigering transparant te zijn tegenover uw ministerie en/of het OM voor u een reden om de zakelijke relatie met Pels Rijcken als landsadvocaat zo spoedig mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust.
Wie is de externe deskundige op het gebied van governance en integriteit, die samen met de Haagse deken Arjen van Rijn en de Rotterdamse deken Peter Hanenberg onderzoek gedaan heeft?2
Uit het persbericht van de Haagse deken van 12 augustus 2021 naar aanleiding van de afronding van zijn onderzoek maak ik op dat de externe deskundige is prof. Dr. Rob van Eijbergen, hoogleraar Kwaliteit en integriteit van organisaties aan de VU.4
Hoe luidde de onderzoeksopdracht aan deze onderzoekscommissie en welk(e) persoon/personen heeft/hebben de reikwijdte van die opdracht opgesteld en/of verstrekt?
Net als de Minister voor Rechtsbescherming5 ben ik, gelet op de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop, terughoudend met het reageren op een individuele casus. De deken in het arrondissement Den Haag is de bevoegde toezichthouder op de advocaten van het kantoor Pels Rijcken. Het is aan de deken als toezichthouder om bij het doen van onderzoek naar mogelijke misstanden bij advocaten, de opzet en omvang van het onderzoek te bepalen. Uit het in antwoord op vraag 6 genoemde persbericht van de Haagse deken maak ik op dat het onderzoek was gericht op de mogelijke betrokkenheid van de advocaten bij de omvangrijke notariële fraude en naar de kantoororganisatie.
Is er overleg geweest met de Minister of het Ministerie van J&V met betrekking tot dit onderzoek? Zo ja, welke informatie is gedeeld?
Nee. Het is aan de toezichthouder om te bepalen of onderzoek nodig is en wat de opzet van dat onderzoek is. Wel heeft mijn ambtsvoorganger na afronding van het onderzoek, zoals is gemeld in zijn brief van 19 november jl., vanuit de hoedanigheid als cliënt contact gezocht met de Haagse deken om aandacht te vragen voor de berichtgeving over de sociale veiligheid in de NRC van 3 november 2021, als signaal ten behoeve van het lopende toezichttraject.
Klopt het dat de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) een spil is in het afhandelen van miljardenclaims tegen beursgenoteerde bedrijven?3
De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) start juridische acties wanneer beleggers naar inzicht van de vereniging collectief gedupeerd zijn en men aanleiding ziet om een schadevergoeding te bewerkstelligen. Of dat om miljarden gaat zal afhangen van de casus.
Bent u ermee bekend dat gerechtigden niet altijd een claim indienen en dat er dus geld overblijft van die claims?
Ja, het is aan gerechtigden zelf om uiteindelijk daadwerkelijk aanspraak te maken op toegekende compensatie. Voor verbindend verklaarde schikkingen bepaalt de rechter hoe de gedupeerde gerechtigden bericht hierover moeten worden, zodat zoveel mogelijk gerechtigden worden bereikt.
Bent u ermee bekend dat er met de claims gefraudeerd wordt?4
Ja, dat is mij bekend.
Is de VEB zelf ook onderwerp van onderzoek in de fraudezaak?
Over lopende onderzoeken doe ik zoals bekend, in het belang van de lopende onderzoeken, geen uitspraken.
Heeft u of uw ministerie onderzoek laten doen naar de vraag waarom de volledige Raad van Commissaren van de VEB in juli 2021 is opgestapt en of het opstappen gerelateerd is aan het onderzoek naar de fraude door Frank O.? Zo ja, wat was de uitkomst van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen?5
Nee, we hebben geen onderzoek daarnaar laten doen. Voor zover uw vraag ziet op het strafrechtelijk onderzoek zoals dat door het OM wordt uitgevoerd, kan ik daarover geen mededelingen doen.
Klopt het dat een voormalig partner van Pels Rijcken en advocaat van de VEB de is executeur-testamentair van Frank O. is en zijn nalatenschap beheert?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is het privé vermogen van Frank O. ook onderdeel van het onderzoek naar de fraude bij Pels Rijcken? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Hoe is geborgd dat belangenconflicten zijn uitgesloten, zoals deze advocaat die ook de VEB vertegenwoordigt en voormalig partner bij Pels Rijcken is geweest?
In het algemeen geldt het volgende. Gelet op Gedragsregel 15, eerste lid, is het voor advocaten niet toegestaan tegen een voormalige of bestaande cliënt of die van zijn of haar kantoorgenoten op te treden, behoudens bijzondere omstandigheden. Leden 3 en 4 van Gedragsregel 15 geven invulling aan die bijzondere omstandigheden. Een advocaat kan afwijken van de norm indien, kort gezegd, het niet om dezelfde zaak gaat, de advocaat niet beschikt over vertrouwelijke of zaaksgebonden informatie over de voormalige of bestaande cliënt en niet is gebleken van redelijke bezwaren van de voormalige of bestaande cliënt (lid 3). Ook indien de voormalig of bestaande cliënt vooraf toestemming heeft gegeven kan worden afgeweken van de algemene norm (lid 4). Het is aan de advocaat zelf om een afweging te maken of er sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling, waarbij hij zo nodig advies kan inwinnen bij de lokale deken.
Klopt het dat uw voorganger al veel eerder op de hoogte was een grote fraudezaak bij Pels Rijcken van het kantoor zelf? Welke fraudezaak betrof dat?6
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Dit betrof het onderzoek naar een omvangrijke fraude door een notaris/bestuursvoorzitter van het kantoor van de Landsadvocaat Pels Rijcken.
Was er een claimstichting onderdeel van deze fraudezaak? Zo ja, was er een band met de VEB?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Wie heeft uw voorganger op de hoogte gesteld en welke informatie is hem toen verstrekt?
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Welke informatie met betrekking tot strafbare feiten en/of strafzaken inzake malversaties bij het indienen van claims bij claimstichtingen is sinds 2010 gedeeld met de bewindspersonen en met (de medewerkers) van uw ministerie (en de rechtsvoorgangers)? Kunt u een uitputtende lijst geven?
Dergelijke overzichten zijn er niet. In het algemeen kan het volgende worden aangegeven. Collectieve schikkingen hebben in de afgelopen jaren ertoe bijgedragen dat veel rechtzoekenden een vergoeding hebben gekregen van hun schade, zonder dat zij hiervoor een individuele procedure bij de rechter hebben hoeven voeren. Het is denkbaar dat een rechtszoekende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding. Om die reden zijn waarborgen ingebouwd voor de daadwerkelijke uitkeringen onder een schikking. Indien achteraf blijkt dat ten onrechte een uitkering is gedaan aan iemand die daarop geen recht heeft, dan kan dit worden teruggevorderd.
Had Frank O. een rol bij de afwikkeling van de betreffende claim(s) ter zake waarvan de (straf)zaak over vermeende malversaties diende?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is er jurisprudentie over civiele en/of strafzaken met betrekking tot (malversaties bij) het indienen van (valse) claims? Kunt u een volledige lijst geven?
Voor een overzicht van gepubliceerde rechterlijke uitspraken verwijs ik u naar de website www.rechtspraak.nl.
Zo ja, kunt u de ECLI-nummers noemen waaronder deze zaken openbaar gemaakt zijn?
Zie het antwoord op vraag 22.
Kunt u bevorderen dat de uitspraak van deze zaak bij de rechtbank Rotterdam in zijn geheel gepubliceerd wordt? Kunt u ook aangeven waarom deze zaak tot nu toe niet openbaar geworden is?7
De beslissing om rechterlijke uitspraken al dan niet te publiceren, is aan de onafhankelijke rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak hanteert selectiecriteria voor het publiek toegankelijk maken van uitspraken door middel van opname in een databank op de website www.rechtspraak.nl. Het gaat om uitspraken die maatschappelijk en/of juridisch in het bijzonder en op zichzelf staand relevant worden geacht.13 Uw Kamer is op 24 maart jl. nader geïnformeerd over de publicatie van rechterlijke uitspraken.14
Wilt u een overzicht geven van alles wat er de afgelopen drie jaar bekend geworden is over het kantoor van de landsadvocaat of waarin dat kantoor een rol speelt? Wilt u daarvan een overzicht verstrekken (geen verwijzingen) waarin alle bewezen fraude, malversaties, verdenkingen, onderzoeken en strafzaken punt-voor-punt worden genoemd?
Dergelijke overzichten zijn er niet. Er is mij overigens geen andere fraudekwestie bij het kantoor van de Landsadvocaat bekend dan de aan het licht gekomen en reeds aan uw Kamer gemelde fraude door de voormalige bestuursvoorzitter van het kantoor.
Wilt u het antwoord op de vorige vraag voorleggen aan de ministerraad en aan de ministerraad vragen of zo’n kantoor nog geschikt is om de rol van landsadvocaat te hebben?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven zijn dergelijke overzichten er niet.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn een voor een en zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met uw uitspraken, gedaan tijdens het plenaire debat van 24 februari jl. over de gelijktijdige opnamestops of time outs in de spoedeisendehulpposten in vier noordelijke ziekenhuizen, dat u niet wist en niet bereid was te achterhalen hoeveel opnamestops of time outs er zijn geweest bij alle spoedeisendehulpposten vorig jaar en het jaar ervoor?1
In aanvulling op de reactie die ik tijdens het debat op uw vragen hierover heb gegeven bericht ik u als volgt.
Niet alle ROAZ-regio’s registreren consequent stops of hanteren hiervoor dezelfde definities. Daarom vinden alleen analyses door de NZa plaats op de regio’s die consequent registreren in het Acute Zorgportaal. Dit betreft op dit moment vier ROAZ-regio’s.2 Hieronder staat het totaal aantal SEH-stops van deze vier regio’s weergegeven in een tabel voor de jaren 2015 tot en met 2021.
De NZa geeft aan dat de spoedeisende hulpposten (SEH’s) in de vier onderzochte regio’s in de periode 2018 – begin 2019 in gemiddeld 97% van de tijd geen SEH-stop hadden.
2015
987
3 regio’s
2016
1.889
3 regio’s
2017
2.283
3 regio’s
2018
2.926
4 regio’s
2019
2.962
4 regio’s
2020
2.573
4 regio’s
2021
2.961
4 regio’s
De aantallen die in deze tabel zijn weergegeven betreffen alleen stops waarvan de betreffende regio’s hebben aangegeven dat het de SEH betrof. Van drie regio’s zijn vanaf 2015 gegevens beschikbaar, van de vierde regio zijn er sinds 2018 betrouwbare gegevens. De periode 2015–2017 bevat dus de gegevens van drie ROAZ-regio’s, vanaf 2018 van vier regio’s. In de tabel is te zien dat er in 2015 minder SEH stops waren ten opzichte van andere jaren. Dit kan mogelijk komen door een registratiefout of het gevolg van nog niet volledige registratie.
Vanaf 2018 is te zien dat er een redelijk stabiel beeld ontstaat, met een duidelijke impact van covid-19 in 2020 (minder stops tijdens lockdownperiode).
Op korte termijn komt de NZa met de informatiekaart acute zorg, daarin staat nieuwe informatie over SEH-stops van vier ROAZ-regio’s. Ik zal u deze informatiekaart toesturen.
Hoeveel opnamestops of time outs waren er in al onze spoedeisendehulpposten in de jaren 2015 tot en met 2021? Kunt u dit weergeven in een tabel?
Zie antwoord vraag 1.
Het uitkeren van een schadevergoeding aan de Groesbeekse kopschoppers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Groesbeekse kopschoppers een schadevergoeding van het Openbaar Ministerie (OM) ontvingen?1 Herinnert u zich nog eerdere Kamervragen over deze unieke zaak?2
Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan de rechter, zo is bepaald in het Wetboek van Strafvordering, op verzoek van de gewezen verdachte een vergoeding toekennen voor – onder meer – de tijd die door de voormalig verdachte is doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis en kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Toekenning van de vergoeding mag dan – ook ingevolge de rechtspraak van het EHRM – niet worden geweigerd op de grond van het vermoeden dat de verdachte toch schuldig zou zijn aan de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht. De rechter beoordeelt op grond van billijkheid of en welke vergoeding passend is. Dat is ook in deze zaak gebeurd. Het past mij niet om een oordeel te geven over de beslissingen van de rechter in individuele zaken.
Kunt u uitleggen waarom het OM schadevergoedingen aan de drie verdachten heeft overgemaakt?
Het is niet het OM dat een eventuele schadevergoeding toekent aan een gewezen verdachte, maar de rechter. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Waarom meent het OM dat hier sprake is van «onterecht vastzitten» ondanks het feit dat het zich uit de zaak heeft teruggetrokken en dus nooit in hoger beroep is vastgesteld of de verdachten schuldig konden zijn, terwijl de rechtbank de verdachten wel schuldig heeft bevonden?
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 aangegeven, is voor het toekennen van een schadevergoeding niet van belang of er sprake is van «onterecht vastzitten».
Kunt u ten slotte aangeven waarom het OM zich eigenlijk tijdens het hoger beroep heeft teruggetrokken? Wat waren de zogenaamde «zwaarwegende belangen»? Deelt u de mening dat het zeer onbevredigend blijft, voor de samenleving als geheel maar voor het slachtoffer in het bijzonder, dat totaal onduidelijk en geheim blijft wat er nu precies in deze strafzaak is gebeurd?
Zoals eerder in antwoorden op Kamervragen aan uw Kamer aangegeven heeft het OM zich genoodzaakt gevoeld in deze zaak te verzoeken het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging vanwege een probleem, dat in de strafzaak was gerezen.3 Het OM moest door het probleem dat was ontstaan een afweging maken tussen verschillende belangen waaronder die van het slachtoffer. Uitkomst van deze belangenafweging is geweest dat de rechtszaak niet kon worden doorgezet om de zwaarwegende belangen te beschermen. Het OM en ik beseffen terdege dat dit onbevredigend is voor natuurlijk in de eerste plaats het slachtoffer, maar ook voor de samenleving als geheel. Het OM noch ik kunnen echter openheid geven over de zwaarwegende belangen. Als ik hier wel openheid over zou geven, zouden deze zwaarwegende belangen – die nog steeds spelen – ernstig kunnen worden geschaad. Het OM heeft materiële en immateriële schade veroorzaakt door de strafbare feiten aan het slachtoffer vergoed.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft vanwege zijn toezichthoudende taak op het OM een oriënterend onderzoek gedaan waar mijn voorganger uw Kamer bij brief van 21 april 2021 over heeft geïnformeerd.4 De procureur-generaal komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat het OM in redelijkheid bovengenoemde belangenafweging kon maken.
Het bericht ‘Raadsleden worstelen met werkdruk’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Raadsleden worstelen met werkdruk»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat veel gemeenteraadsleden die het ambt combineren met een baan, chronisch tijdgebrek ervaren?
Dit beeld herken ik. Het is een knelpunt voor volksvertegenwoordigers dat uit meerdere onderzoeken naar voren komt. Uit de basismonitor politieke ambtsdragers, dat in opdracht van mijn ministerie in 2020 is verschenen, blijkt onder andere dat raadsleden gemiddeld 19 uur per week aan hun ambtsuitoefening besteden.2
Uit het Nationaal Raadsledenonderzoek 2021 blijkt dat raadsleden in 2021 16,75 uur besteden aan het raadswerk. In 2014 was dit 15,91 uur. Uit beide onderzoeken blijkt dat naar mate een gemeente groter is, raadsleden meer tijd besteden aan hun ambt.3
Uit het Nationaal Raadsledenonderzoek (pag. 27) blijkt dat er meerdere redenen kunnen zijn om te stoppen als raadslid. Zes van de veertien redenen hebben te maken met tijdbesteding. De vaakst genoemde reden om te stoppen is dat raadsleden ruimte willen maken voor vernieuwing. 33,3% van de raadsleden noemt deze reden. 5,7% van de raadsleden noemt ook als reden om te stoppen dat de werkdruk voor het raadswerk te hoog is en te veel tijd kost. Andere genoemde redenen die met tijdbesteding te maken hebben zijn dat men meer tijd aan gezin/familie wil besteden, meer vrije tijd wil of meer tijd wil besteden aan andere hobby’s.
Er is in opdracht van mijn ministerie ook onderzoek gedaan naar raadsleden die gedurende hun ambtstermijn stoppen. In 2019 vertrok 3,4% van het totale aantal raadsleden tussentijds. De meest voorkomende reden van vertrek onder deze raadsleden blijkt desgevraagd dat het ambt niet langer te combineren is met werk of privéleven (45%). 43% van de vertrokken raadsleden is ontevreden met het tijdsbeslag van hun ambt en 41% van hen is ontevreden met de werk- privébalans.
Ik constateer uit deze onderzoeken dat tijdbesteding een belangrijke reden is voor raadsleden om te stoppen, maar dat er ook andere redenen kunnen zijn.
Deelt u de mening dat het voor de lokale politiek van belang is dat ook mensen met een baan gemeenteraadslid kunnen zijn?
Die mening deel ik. Het raadslidmaatschap is een vorm van lekenbestuur. Ik vind het van groot belang dat volksvertegenwoordigers ook een functie kunnen hebben naast het raadswerk, zodat zij voeling hebben met de samenleving die zij in de raad vertegenwoordigen. Het raadswerk moet wel behapbaar zijn voor raadsleden. Het is daarom van belang dat gemeenteraden niet schromen om te investeren in een goede ondersteuning van de griffie, rekenkamer, fractieondersteuning, ambtelijke bijstand en scholing. Er blijkt bij gemeenteraden vaak handelingsverlegenheid te bestaan om te investeren in deze raadsondersteuning.4 Dit is niet goed voor de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Ook is het van belang dat de raad en het college goede afspraken maken over de informatievoorziening aan de raad en dat er een goede duale politieke cultuur wordt nagestreefd, die uitnodigt tot een open debat.
Klopt het dat de meeste redenen die gemeenteraadsleden aanvoeren om te stoppen met het raadswerk, te maken hebben met de tijdbesteding?
Zie antwoord op vraag 2.
Welk effect hebben de decentralisaties in het sociaal domein op de werkdruk van gemeenteraadsleden?
Door de decentralisaties in het sociaal domein zijn de verantwoordelijkheden van gemeenten toegenomen. Dit kan het raadswerk betekenisvoller maken en bijdragen aan de tevredenheid van het werk dat raadsleden doen. Een veelgehoord signaal is dat decentralisaties hebben geleid tot een verzwaring van de taken van de gemeenteraad, al zijn er over de effecten van de decentralisaties op de tijdbesteding van raadsleden geen (kwantitatieve) onderzoeken bekend. Wel is bekend dat de tijdbesteding van raadsleden al geruime tijd zowel voor als na de decentralisaties rond hetzelfde niveau schommelt (zie antwoord op vraag 2).
Klopt het dat het raadswerk zelf ingewikkelder is geworden doordat gemeenten meer moeten werken in samenwerkingsverbanden?
Hoewel samenwerking tussen gemeenten van alle tijden is, is het belang van samenwerking de afgelopen jaren toegenomen. Dat er meer wordt samengewerkt betekent op zichzelf niet dat de verhoudingen tussen raad en een gemeenschappelijke regeling ingewikkelder zijn geworden. Wel kan het geheel aan samenwerkingsverbanden het werk van raadsleden ingewikkelder maken. Via de uitvoering van de motie-Van Dijk, aangenomen bij de behandeling van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in de Tweede Kamer, wordt met medeoverheden gesproken over de ontwikkelrichting van het binnenlands bestuur, waarbij het stelsel van regionale samenwerkingsverbanden een belangrijk onderwerp is.5
Het overgrote deel van samenwerkingsverbanden vindt op vrijwillige basis plaats. Wanneer de samenwerking op grond van de Wgr plaatsvindt, heeft de raad zich over het aangaan van die samenwerking kunnen uitspreken. De Wgr biedt handvatten voor de gemeenteraad om hun afgevaardigde, veelal de wethouder, ter verantwoording te roepen over het functioneren van het samenwerkingsverband. De afgelopen jaren is het instrumentarium voor raadsleden om een GR te sturen en controleren uitgebreid. Binnenkort treedt de laatste wijziging van de Wgr in werking, met als doel de mogelijkheden van raadsleden om een gemeenschappelijke regeling te controleren te versterken. Daarnaast is er een aantal handreikingen verschenen die gemeenteraden en raadsleden kunnen gebruiken bij het vormgeven van de controle op samenwerkingsverbanden. Het is immers niet zo dat elke gemeenschappelijke regeling dezelfde aandacht van de raad nodig heeft.
Daarnaast is de lokale rekenkamer een belangrijke hulp voor gemeenteraden om zicht te krijgen op de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden van gemeenten. In het wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers, dat naar verwachting binnenkort plenair zal worden behandeld in uw Kamer, wordt onder andere voorgesteld om de bevoegdheden van rekenkamers ten aanzien van privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden waar de gemeente bij betrokken is, uit te breiden.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het Nationaal Raadsledenonderzoek 2021, dat gemeenteraadsleden 70% van de tijd kwijt zijn aan bestuurlijke taken en 25,4% aan volksvertegenwoordigende taken?
Raadsleden zijn voor 100% van hun tijd volksvertegenwoordiger en vervullen die rol ook als zij het college scherp controleren en de kaders stellen van nieuw beleid. Daarnaast is het uiteraard ook van groot belang dat raadsleden buiten het raadhuis actief zijn om van inwoners te horen wat er leeft zodat zij die informatie vervolgens kunnen vertalen naar hun kaderstellende en controlerende taken.
Onderschrijft u de aanbeveling van de Stuurgroep Evaluatie Dualisering Gemeentebestuur om minimaal 50% van de tijd te besteden aan volksvertegenwoordigende werkzaamheden?
Sinds de dualisering geldt dat volksvertegenwoordigers kaders stellen en controleren en het college van B&W bestuurt en beleid uitvoert. Ik onderschrijf dan ook niet de in het Nationaal Raadsledenonderzoek gemaakte onderscheid tussen volksvertegenwoordigende taken en bestuurlijke taken en de in dit onderzoek gestelde norm van 50% van de tijd besteden aan volksvertegenwoordigende taken.
De uitoefening van de volksvertegenwoordigende rol is niet hetzelfde als tijd besteden buiten het stadhuis, wat lijkt te worden gesuggereerd in het Nationaal Raadsledenonderzoek. In het rapport «Aangelegd om in vrijheid samen te werken» uit 2004 van de Stuurgroep Evaluatie Dualisering Gemeentebestuur -de commissie-Leemhuis-, een tussenevaluatie van de dualiseringsoperatie, staat dat het mogelijk moet zijn om in een kleine gemeente niet meer dan acht uur en in een grote gemeente niet meer dan vijftien uur per week te besteden aan het raadswerk en bovendien de helft van deze tijd buiten het stadhuis door te brengen.6 Het rapport bevat geen norm om minstens 50% van de tijd te besteden aan de volksvertegenwoordigende rol.
Bent u bereid in overleg met de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden te werken aan verbetering van de toerusting voor het ambt van gemeenteraadslid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u concreet zetten?
Ik werk in samenwerking met de beroeps- en belangenverenigingen van het decentraal bestuur, waaronder ook de Nederlandse vereniging voor Raadsleden aan de versterking van de positie van de decentrale volksvertegenwoordigingen, langs een aantal lijnen. Dit heeft ook tot doel om het raadswerk behapbaar te houden. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer per brief van 26 oktober 2021 geïnformeerd over deze lijnen en de concrete acties die in dat kader worden uitgevoerd.7
Een goede rechtspositie van gemeenteraadsleden is ook van belang voor de aantrekkelijkheid van het ambt. Sinds 2019 geldt een geharmoniseerd en gemoderniseerd rechtspositiebesluit voor alle decentrale politieke ambtsdragers waaronder raadsleden. Dit is tot stand gekomen in nauw overleg met de bestuurlijke koepels en de beroepsgroepen. Bij de totstandkoming van het nieuwe besluit is onder andere de vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden in kleine gemeenten substantieel verhoogd, de onkostenvergoeding gelijk getrokken voor alle raadsleden, is een vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen geregeld, zijn voorzieningen geïntroduceerd voor politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking, en zijn er vastgestelde vergoedingsbedragen geïntroduceerd voor fractievoorzitters en commissieleden.
Tevens wil ik in overleg met het decentraal bestuur bezien of aanvullende maatregelen ter versterking van het decentraal bestuur en de decentrale volksvertegenwoordigingen nodig en wenselijk zijn.
De consul van Rusland in Maastricht die weigert de inval van Rusland in Oekraïne te veroordelen |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse consul Rusland in Maastricht blijft pal achter Poetin staan» dat op 28 februari in De Limburger verscheen?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat deze consul in Nederland zijn werk kan blijven doen, de militaire invasie van Rusland in Oekraïne en de agressie van Poetin niet veroordeelt, en het frame van het Kremlin ook in Nederlandse kranten kan verspreiden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken keurt het standpunt van de honorair consul ten zeerste af. Naar aanleiding van het genoemde interview heeft het college van de burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht in overleg met het ministerie een brief met deze strekking aan de honorair consul verstuurd.
Bent u bereid om de consul te ontbieden op het ministerie voor een gesprek over de uitspraken die hij in dit interview doet?
Uw Kamer is bekend met de verschillende maatregelen die er de afgelopen weken in reactie op de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne zijn genomen. Deze maatregelen moeten in samenhang worden bezien. Geen enkele stap in reactie op het Russische handelen wordt uitgesloten.
Ook op diplomatiek vlak zijn er stappen genomen. Zo zijn de ambassadeur van Rusland en van Belarus ontboden. Zij hebben duidelijk te horen gekregen dat Nederland de inval onacceptabel vindt en Oekraïne steunt. Daarbij draagt de ambassadeur van Rusland in beginsel verantwoordelijkheid voor de uitspraken van de honorair consul.
Overigens laat de gemeente Maastricht weten dat er al enige tijd geen sprake meer is van een huurovereenkomst en dat het consulaat als zodanig dus niet meer in Maastricht is gevestigd.
Steunt u het initiatief van een petitie die pleit voor het sluiten van het Russische consulaat in Maastricht?
Zie antwoord vraag 3.
De berichten ‘Miljoenen Oekrainers op de vlucht’ en ‘Noodopvang zonder plan’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de laatste stand van zaken schetsen over de vluchtelingenstroom uit de Oekraïne naar Nederland?1 2
Voor een overzicht van de laatste stand van zaken omtrent alle inspanningen die verricht worden naar aanleiding van de vluchtelingenstroom uit Oekraïne, waaronder de realisatie van 50.000 opvangplekken onder coördinatie van de veiligheidsregio’s, verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 8 maart en 17 maart jl.
Kunt u aangeven welke ruimte er in de huidige asielopvang is?
Zie antwoord vraag 1.
UNHCR vreest voor de grootste vluchtelingencrisis van deze eeuw in Europa, hoe gaat u Nederland hierop voorbereiden? Welke voorbereidingen zijn al getroffen?3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Europese Commissie dat met alle EU-landen expliciete plannen zijn gemaakt vluchtelingen te kunnen verwelkomen en te herbergen? Om welke plannen gaat het? Hoe ziet de spreiding eruit?4
De voorzitter van de Europese Commissie gaf op 24 februari aan dat de EU klaar is voor de komst van Oekraïners en met alle EU-lidstaten in de frontlinie noodplannen zijn gemaakt om deze vluchtelingen te kunnen verwelkomen en herbergen. Ook de Commissie en haar agentschappen hebben inderdaad noodplannen voorbereid. Zoals aangegeven in de brief van 17 maart jl. heeft de EU een aantal instrumenten tot haar beschikking die snel ingezet kunnen worden voor o.a. het delen van informatie, het coördineren van noodhulp en het coördineren van steunverzoeken aan EU Civil Protection Mechanism (UCPM), het Europees Asiel Agentschap en Frontex. Deze mechanismes zijn momenteel actief en werken naar behoren. Frontex en het EUAA geven aan klaar te staan om lidstaten te ondersteunen die dat nodig achten.
Deelt u de mening dat er een noodplan moet komen om de hulp en opvang in goede banen te leiden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de noodzaak tot coördinatie bij het organiseren van de opvanglocaties en voorzieningen. Zoals omschreven in de Kamerbrief van 8 maart jl., is met ingang van 9 maart een crisisstructuur in werking getreden, waarbinnen de veiligheidsregio’s de realisatie van opvangplekken coördineren.
Deelt u de oproep een speciale opvangambassadeur aan te stellen, die in deze crisis snel met partijen kan schakelen zoals gemeenten, kerken en maatschappelijke organisaties om zo opvanglocaties en voorzieningen te organiseren?
Zie antwoord vraag 5.
We zien dat heel Nederland helpt, bent u bekend met de vele particuliere initiatieven uit de samenleving om hulp te bieden aan de Oekraïense vluchtelingen? Herkent u ook de vragen van mensen die willen helpen maar niet weten hoe ze het moeten organiseren? Deelt u de mening dat coördinatie wenselijk is?
Ik herken de wenselijkheid van een landelijk coördinatiepunt voor alle particuliere initiatieven. Voor de laatste stand van zaken hieromtrent verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat hulp uit de samenleving snel wordt gekoppeld aan de vraag voor huisvesting, begeleiding, hulpmiddelen etc. die nodig zijn voor de Oekraïense vluchtelingen?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u ook het belang van een landelijk coördinatiepunt zodat de kracht en hulp uit de samenleving ook daadwerkelijk benut kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
De verblijfstermijn voor inwoners van Oekraïne wordt verlengd, kunt u aangeven welke andere rechten de inwoners in Nederland hebben dan wanneer ze in een asielprocedure terechtkomen? Wat betekent het bijvoorbeeld voor scholing voor de kinderen die gevlucht zijn?
Voor de laatste stand van zaken over de voorzieningen waarvoor vluchtelingen uit Oekraïne in aanmerking komen, waaronder toegang tot onderwijs, verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
De uitvoering van de gewijzigde motie Becker c.s. over het structureel tegengaan van extremistische uitingen online. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 35 228, nr. 34) over het structureel tegengaan van extremistische uitingen? En deelt u de mening, zoals ook besproken tijdens het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang (beleidsartikel 13 van de begroting SZW 2022) op 22 november 2021, dat deze motie tot op heden onvoldoende is afgedaan?
In de Nederlandse samenleving is ruimte voor een grote diversiteit van (godsdienstige) beschouwingen, (politieke) opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het kabinet ziet het als zijn taak om de democratische rechtsorde en alle grondwettelijke vrijheden die burgers op basis daarvan toekomen te beschermen. De overheid opereert in het waarborgen van die vrijheden neutraal. Zij trekt echter een grens als er sprake is van antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen.
Het kabinet heeft al langere tijd zorgen over de invloed in Nederland van een kleine groep individuen, salafistische aanjagers, die zowel online als offline aansporen tot antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen en/of gedragingen. Deze kleine groep individuen heeft door hun actieve en professionele gebruik van socialemediakanalen een onevenredig groot bereik binnen islamitische gemeenschappen in Nederland. In het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van april 2022 wordt gesteld dat problematische gedragingen door antidemocratische, intolerante en anti-integratieve elementen binnen het salafisme kunnen leiden tot polarisatie in de samenleving en (op termijn) tot ondermijning van de democratische rechtsorde1.
De aangenomen gewijzigde motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 35 228, nr. 34) is bekend. Indien extremistisch, antidemocratisch en radicaal salafistische uitingen zodanig ernstig van aard zijn dat zij onder de definitie vallen van terroristische content, dan vallen deze uitingen binnen de taken van de Autoriteit voor het tegengaan van Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). Deze Autoriteit wordt opgericht om uitvoering te geven aan een Europese verordening (inzake het tegengaan van verspreiding van terroristische online-inhoud: TOI-verordening) en kent een strikte doelbinding gericht op het tegengaan van verspreiding van terroristische content. De TOI-verordening wordt van kracht op 7 juni 2022. Op deze datum moet de autoriteit operationeel zijn en de nationale uitvoeringswet gereed. De autoriteit krijgt de bevoegdheid voor het sturen van verwijderingsbevelen en grijpt daarmee direct in op de vrijheid van meningsuiting.
Met oprichting van de ATKM wordt voor een deel van de uitingen waar de gewijzigde motie van het lid Beckers c.s. op ziet voorzien in de mogelijkheden om op te treden indien deze uitingen dermate ernstig zijn dat deze onder de definitie van terroristische content vallen. Echter, gezien proportionaliteitsoverwegingen, zoals het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, is het niet mogelijk om extremistische, antidemocratische en radicaal salafistische uitingen die niet als terroristisch te definiëren zijn onder te brengen bij de ATKM.
Wel deelt het kabinet de zorg over de online verspreiding van radicale, extremistische en/of antidemocratische uitingen en het schadelijke effect dat deze uitingen kunnen hebben op onze democratische rechtstaat. Ook al zullen dit soort uitingen niet altijd te scharen zijn onder de categorie terroristische content, zij kunnen wel degelijk uiteindelijk overgaan in gewelddadig extremisme en terrorisme. Om te bezien wat de mogelijkheden zijn om juist tegen dit soort schadelijke content op te treden zal de Minister van Justitie en Veiligheid in kaart brengen over wat voor preventief en repressief instrumentarium landen om ons heen beschikken en welke mogelijkheden dit biedt voor Nederland. Daarnaast is het weerbaar maken van met name jongeren tegen online extremistische uitingen een belangrijk aandachtspunt binnen diverse activiteiten die mijn ministerie ontwikkelt.
Tevens worden doorlopend gesprekken gevoerd met internetbedrijven om de samenwerking in de aanpak van terroristische en andere extremistische en illegale uitingen in den brede op het internet verder te versterken. Nederland is bijvoorbeeld actief in het EU Internetforum. Hierin werken EU-lidstaten, de Europese Commissie en het bedrijfsleven op vrijwillige basis samen om het aanbod van gewelddadig extremistische en terroristische content op het internet te beperken.
Deelt u het inzicht dat onvrij gedachtegoed in toenemende mate online wordt verspreid en dat salafistische aanjagers online normale geloofsuitingen verdringen met extremistisch, antidemocratisch en radicaal-salafistische uitingen en dat deze content effectief moet worden bestreden door de overheid, in samenwerking met hostingproviders en internetplatforms?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de huidige stand van zaken van deze samenwerking tussen de overheid, hostingproviders en internetplatforms, ook in het licht van de vijf geschetste scenario’s uit het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WOCD)-onderzoek «Voorziening voor verzoeken tot snelle verwijdering van onrechtmatige online content»1, om ook andere vormen van onrechtmatige online content aan te pakken?
Er is eind april een principeakkoord bereikt over de Digital Services Act (hierna «DSA», stap 1 van het stappenplan zoals dat is gepresenteerd in de beleidsreactie op het door u genoemde WODC-onderzoek). Zodra de tekst van de DSA definitief is, is er ruimte om met hostingproviders en internetplatformen de huidige Notice-and-Take-Down (NTD) procedures tegen het licht te houden en aan te passen op de vereisten die voortvloeien uit deze DSA (stap 2). Deelname aan de huidige Nederlandse NTD-gedragscode is in beginsel vrijwillig en betreft een vrijwillig verzoek met referentie aan schendingen van de Terms of Service van het betreffende platform zelf. In de DSA is een Notice-and-Take-Action (NTA) opgenomen die verplichtend is. De methode Notice and Take Action (NTA) houdt in het identificeren, duiden en melden van bepaalde online-inhoud aan internetbedrijven, met het oog op verwijdering. Bij een NTA-procedure, zoals in de DSA omschreven, wordt online-inhoud getoetst aan of het onder de definitie valt van illegaal (onrechtmatig en strafbaar) in plaats van een toetsing aan de Terms of Service. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen online-inhoud van ideologieën of religies, zoals bij ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Wat telt voor de toetsing is of het illegaal is of niet. Ook wordt er een (abuse reporting) instrument ontwikkeld om verwijderbevelen van overheidswege op eenduidige wijze door te geven aan providers en platformen.
Op welke wijze bent u sinds de publicatie van het WOCD-onderzoek met de vijf geschetste scenario’s aan de slag gegaan? Kunt u dit uitsplitsen per scenario?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de huidige stand van zaken omtrent het onderzoek naar de mogelijkheid om de aanpak van extremistisch, antidemocratisch en radicaal-salafistische uitingen online onder te brengen bij de op te richten autoriteit kinderpornografische en terroristische content of indien dat niet mogelijk is een andere autoriteit? Deelt u de mening dat een dergelijke autoriteit van zeer groot belang is om deze ongewenste online uitingen tegen te gaan?
Voor beantwoording van uw vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Is u bekend op welke wijze extremistische, antidemocratische en/of radicaal-salafistische uitingen die online worden verspreid gefinancierd worden? Kunt u dit per categorie inzichtelijk maken?
Indien er sprake is van dergelijke uitingen gaat het veelal om problematische, maar nog niet strafbare of onrechtmatige content. Dit geldt ook voor online uitingen. Dit betreft een breed spectrum aan gedragingen waarbij de ernst gradaties kent. Slechts bepaalde vormen van problematisch gedrag kunnen als (niet-gewelddadig) extremisme worden gekenmerkt en afbreuk doen aan de democratische rechtsorde. De inzet van de overheid, bijvoorbeeld op het inzichtelijk maken van financiering van bepaald problematisch gedrag hangt af van de ernst van het (potentiële) effect van de vertoonde gedragingen op de democratische rechtsorde.
Met het wetsvoorstel Transparantie Maatschappelijke Organisaties zal naar verwachting de transparantie van financieringsstromen richting maatschappelijke organisaties worden vergroot. Maatschappelijke organisaties (stichtingen, verenigingen, kerkgenootschappen of een buitenlands equivalent) moeten dan desgevraagd inzage geven in donaties. Daarnaast worden stichtingen verplicht om hun balans en staat van baten en lasten te deponeren in het (afgesloten deel van het) Handelsregister.
Een eventuele link tussen (buitenlandse) geldstromen en problematisch gedrag, zoals het doen van antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen online, kan hiermee inzichtelijk worden gemaakt.
Middels een nota van wijziging van de Wtmo wordt verder beoogd een handhavingsinstrument in te voegen om organisaties aan te kunnen pakken die activiteiten ontplooien die gericht zijn op (dreigende) ondermijning van de democratische rechtstaat of het openbaar gezag. De Minister van Justitie en Veiligheid is voornemens de nota naar aanleiding van het verslag, samen met de nota van wijziging en het nader rapport, op afzienbare termijn naar uw Kamer te sturen.
Verder is bekend dat extremistische groepen van buiten Nederland incidenteel gebruikmaken van digitaal geopende bankrekeningen in Nederland. De Kamer is hierover geïnformeerd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN 55). Dergelijke rekeningen kunnen gebruikt worden om buiten het zicht van de eigen overheid terrorisme en extremistische organisaties te financieren. Daarnaast zijn er gevallen bekend waarbij (online) payment service providers worden gebruikt en is er soms sprake van crowdfunding (o.a. middels de bekende Tikkies) via websites en chatgroepen maar ook peer to peer.
Hoe vaak hebben gemeenten de afgelopen twee jaar melding gemaakt van organisaties die via online activiteiten jongeren probeerden te binden of extremistisch (salafistisch) gedachtegoed probeerden te verspreiden onder kwetsbare of beïnvloedbare groepen? En hoe vaak heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, al dan niet in samenwerking met andere ministeries en instanties, via de driesporenaanpak tegen dergelijke organisaties opgetreden?
De overheid richt zich bij de aanpak van problematisch gedrag binnen het salafisme op die delen van de salafistische beweging waarbij sprake is van strafbaar en/of problematisch gedrag in relatie tot de te beschermen democratische rechtsorde. Er wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen het verspreiden van salafistisch gedachtegoed en extremistisch gedachtegoed.
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna Taskforce) onder leiding van het Ministerie van SZW heeft sinds de oprichting in februari 2019 één casus behandeld waar er specifiek zorgen waren bij de gemeente over online activiteiten. De casus in kwestie is door een gemeente in 2020 aangemeld bij de Taskforce. De Taskforce heeft samen met de gemeente vastgesteld dat er geen sprake was van problematisch gedrag. De gemeente is geadviseerd om spoor 1 van de driesporenaanpak in te zetten, te weten interactie en dialoog. De gemeente is hierop het gesprek aan gegaan. Dit gesprek heeft ertoe geleid dat de zorgen zijn weggenomen.
Op welke schaal krijgt de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse beïnvloeding te maken met casussen waarbij de online wereld een rol speelt in het verspreiden van ongewenste boodschappen en in hoeverre weegt de «locatie» van de casus (fysiek dan wel online) mee tijdens het wegingsoverleg door het Duidings- en Adviesteam? In hoeverre zit er bij deze Taskforce expertise als het gaat om (het tegengaan van) de verspreiding van schadelijke en ongewenste boodschappen in de online wereld?
Zoals vermeld in vraag 7 heeft de Taskforce sinds de oprichting één casus behandeld waarin een gemeente zorgen heeft geuit over online activiteiten van betrokkenen bij een organisatie. Gemeenten die een casus aanmelden bij de Taskforce hebben vaak zorgen over gedragingen die zich in het fysieke domein, binnen hun gemeente, afspelen. Dit neemt niet weg dat er wel zorgen zijn bij gemeenten over online-activiteiten en deze zorgen ook besproken kunnen worden met de partners binnen de Taskforce om zo mee te kunnen denken over mogelijke handelingsperspectieven.
Het vorige kabinet heeft uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de specifieke problemen omtrent de grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens van een aantal partners. Als gevolg van deze problemen worden sinds april 2021 in Taskforce verband geen persoons- of organisatie duidingen meer gedaan.3 Gemeenten kunnen sinds april alleen nog geadviseerd worden over mogelijke oorzaken en handelingsperspectief ten aanzien van problematisch gedrag met aandacht voor de lokale context zonder daarbij persoonsgegevens te verwerken.
Wat is de huidige stand van zaken op Europees niveau om ongewenste, opruiende of indoctrinerende online boodschappen, die problematisch gedrag kunnen veroorzaken, tegen te gaan? Bent u van mening dat de Digital Services Act (DSA) voldoende juridische ruimte en handvatten biedt om de komende jaren haatzaaiende en indoctrinerende content snel en effectief te kunnen verwijderen van social media platformen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het is het streven van het kabinet om tijdens de huidige kabinetsperiode flinke stappen te kunnen maken op precies dit onderwerp. De Digital Service Act (DSA) biedt een mogelijkheid om illegale content aan te pakken, onder andere door voor bepaalde internet tussenpersonen een aantal verplichtingen te introduceren rond het kunnen melden, beoordelen en verwijderen van deze vormen van content. Wat precies onder de noemer illegale content valt, is gedeeltelijk vastgelegd in Europese wet- en regelgeving, maar lidstaten hebben daarnaast ook ruimte om eigen nuances aan te brengen.
Op verschillende niveaus – van Europa tot lokale besturen – wordt nagedacht over het omgaan met ongewenste, opruiende of indoctrinerende online boodschappen, die problematisch gedrag kunnen veroorzaken. Vooraleerst betreft het dan de vraag welke rol de overheid zou moeten hebben om dergelijke fenomenen het hoofd te bieden, gevolgd door de vraag welke middelen vervolgens kunnen worden ingezet. Deze vragen zullen ook deel uitmaken van het project waaraan gerefereerd wordt in de beantwoording op de vragen 1 t/m 4.
Zoals ook is aangegeven in de brief over contentmoderatie en de vrijheid van meningsuiting online moet de spanning tussen de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsruimte en veiligheid van burgers online, en de rol van de overheid daarbij, verder onderzocht worden4. Dit geldt met name voor uitingen die niet illegaal zijn, maar wel tot ongewenste maatschappelijke reacties leiden.
In hoeveel gevallen zijn er de afgelopen twee jaar gedane uitspraken geweest die dusdanig ernstig van aard waren dat zij vielen onder de definitie van terroristische content, zoals is bepaald in de Terrorist Content Online-verordening en in hoeveel van deze gevallen is er sprake van extremistisch, antidemocratisch en/of (extreem) salafistische invalshoek? Kunt u dit uitsplitsen per categorie?
De verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (TOI-verordening) is op 17 mei 2021 gepubliceerd en wordt op 7 juni 2022 van kracht. Dit houdt in dat de autoriteit nog niet actief is waaruit volgt dat er nog geen recente cijfers zijn die getoetst zijn aan de definitie zoals is bepaald in de TOI-verordening. Wel is de Internet Referral Unit (IRU) bij de Nationale Politie actief totdat de nieuwe autoriteit ATKM operationeel wordt. De aanpak die de IRU hanteert, is gebaseerd op de methode Notice and Take Action (NTA): zie antwoord vraag 3 en 4 voor uitleg NTA-methode. De IRU kijkt vooral naar zwaardere gevallen van jihadistische online-inhoud en maakt geen onderscheid per categorie. Indien de IRU jihadistische online-inhoud vindt, stelt zij Europol op de hoogte en doet Europol het verzoek tot verwijderen. In 2021 zijn 1.586 uitingen kritisch beoordeeld en uiteindelijk zijn er 1.247 NTA-verzoeken verstuurd, zo heeft de Politie laten weten.
Bent u bereid om op zeer korte termijn alsnog de gewijzigde motie Becker c.s. over het structureel tegengaan van extremistische uitingen door hier toezicht op te organiseren in zijn volledigheid af te doen?
Voor beantwoording van uw vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Inburgering en integratie van 30 maart a.s. te beantwoorden?
Helaas is dit niet gelukt.
De energieleveringszekerheid voor aankomende winter |
|
Pieter Grinwis (CU), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het feit dat de Title Transfer Facility (TTF)-gasprijzen van nu, komende zomer en het derde kwartaal 2022 nagenoeg gelijk blijven? Wat betekent dat voor de vulling van de gasopslagen voor komende winter, waarvan het vulseizoen rond 1 april begint?
De prijzen voor gas worden bepaald op de interne gasmarkt van de Europese Unie, waarbij de Nederlandse marktplaats (de TTF) een belangrijke rol speelt. Ik kan verder geen oordeel geven over de prijsvorming als zodanig die eerst en vooral is ingegeven door aanbod en vraag naar gas, en verwachtingen daaromtrent.
Wat de huidige gasprijzen betekenen voor het vullen van de gasopslagen is benoemd in de brief over gasleveringszekerheid die de Staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat en ik op 14 maart jl. aan de Tweede Kamer hebben toegestuurd (Kamerstuk 29 023, nr. 283). In de brief van 22 april jl. (Kamerstuk 29 023, nr. 302) hebben de Staatssecretaris en ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen die worden genomen om de gasopslagen voor de komende winter te vullen.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om de productie van aardgas op de Noordzee te vergroten? Hoe snel kan dat? Om hoeveel gaswinning zou dat gaan?
De afgelopen tien jaar is de productie uit Nederlandse kleine velden gedaald, onder meer door uitputting van bestaande reserves en een lage gasprijs. De verwachting is dat de productie uit Nederlandse kleine velden op de Noordzee richting 2030 verder afneemt. Om opsporing en winning van aardgas op de Noordzee te stimuleren is per 1 januari 2020 de investeringsaftrek verruimd van 25 naar 40%. Zoals beschreven in voornoemde Kamerbrieven van 14 maart en 22 april jl. wil ik voorkomen dat de productie uit Nederlandse kleine velden sneller daalt dan de Nederlandse vraag naar aardgas, want daardoor zou de importafhankelijkheid verder toenemen. Ik werk samen met de sector aan een versnellingsplan om projecten naar voren te halen en extra gaswinning te stimuleren. Dit versnellingsplan zal uiterlijk in juli 2022 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Hoe ver bent u met het invulling geven aan de afspraak in het coalitieakkoord dat er verplichte vulgraden voor onze gasopslagen komen? Welke methoden ziet u om tot de verplichte vulgraden te komen? Bent u bereid om vóór 1 april via een aanwijzing de gasopslagen te gaan laten vullen?
In voornoemde brieven van 14 maart jl. over gasleveringszekerheid komende winter en verder, en van 22 april jl. zijn de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik uitgebreid ingegaan op de maatregelen die er onder meer voor moeten zorgen dat de gasopslagen aan het begin van de winter adequaat zijn gevuld. In de brief van 22 april jl. is bovendien concreet beschreven welke maatregelen worden genomen om te verzekeren dat de gasopslag Bergermeer wordt gevuld.
Welke opties ziet u om langetermijncontracten voor Liquid Natural Gas (LNG) af te sluiten voor komende winter? Deelt u daarbij de mening dat langetermijncontracten het risico op mogelijke schaarste en extreme prijspieken voor de volgende winter verminderen?
Zie wat betreft de acties om LNG-importcapaciteit te vergroten voornoemde brieven van 14 maart en 22 april jl. Daarnaast heeft de Europese Raad op 25 maart jl. geconcludeerd dat er binnen de EU gewerkt moet worden aan samenwerking voor de vrijwillige gemeenschappelijke aankoop van gas, LNG en waterstof. De Europese Commissie werkt in samenwerking met de lidstaten de opties uit. Het zijn uiteindelijk primair de marktpartijen, en niet overheden, die gas inkopen. Inkoopcontracten kunnen daarbij voor meerdere jaren worden afgesloten.
Hoe staat het met de concrete invulling van het Bescherm- en Herstelplan Gas? Wanneer denkt u de Kamer daarover te kunnen informeren?
De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief over gasleveringszekerheid van 14 maart jl.
Ziet u nog ruimte om een of meerdere grootverbruikers van gas per direct op een duurzame optie over te laten schakelen?
Ik zie geen ruimte om meerdere grootverbruikers van gas per direct over te laten schakelen op duurzame alternatieven. Het volledige overschakelen van gas naar een duurzame optie is veelal een zeer ingrijpend proces dat zorgvuldig moet worden voorbereid en uitgevoerd. Daarbij kan de overheid een dergelijk overschakeling naar duurzame opties bij een of meerdere grootverbruikers niet zomaar juridisch afdwingen. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich inzet voor energiebesparing en verduurzaming. Dit is uitgebreid toegelicht in de brief aan de uw Kamer van 22 april jl.
Hoeveel ruimte is al gebruikt in relatie tot de 35%-limiet die nu tijdelijk ingesteld is voor Nederlandse kolencentrales? Hoeveel ruimte resteert er naar uw inschatting voor de komende winter?
De productiebeperking is erop gericht de CO2-uitstoot van kolencentrales op jaarbasis te beperken. Het staat de eigenaren van de centrales daarbij vrij om zelf te beslissen hoe zij hun eenheden inzetten over het jaar. Het is dus mogelijk dat de exploitanten soms op een hoog vermogen draaien en soms op een laag vermogen, zolang zij op jaarbasis maar onder het maximum blijven. De centrale van Uniper heeft minder vrijheid bij het bepalen van de inzet, doordat zij contractuele verplichtingen heeft om het hele jaar door reststromen te verbranden. De centrales van Onyx en RWE verbranden geen reststromen en zijn daarmee flexibeler in te zetten.
Op basis van openbare bronnen1 is te zien dat de centrale van Onyx dit jaar relatief veel heeft gedraaid, waardoor zij relatief veel ruimte heeft gebruikt in relatie tot het maximum onder de productiebeperking. De centrale van RWE op de Eemshaven en de centrale van Uniper hebben ten opzichte van Onyx minder gedraaid, waardoor zij meer ruimte hebben in relatie tot het maximum onder de productiebeperking. De Amercentrale van RWE draait ook relatief veel, maar deze centrale wordt niet door de productiebeperking geraakt omdat deze centrale relatief veel biomassa verbrandt en relatief weinig kolenstook heeft.
Hoe snel denkt u te kunnen beginnen met de opschaling van het isoleren van huizen en het installeren van hybride warmtepompen? Bent u bereid daar een concreet doel voor komende winter aan te koppelen, gericht op de huizen waar de maatregelen het meeste effect hebben? Bent u bereid hiertoe een maximale inspanning te leveren, samen met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en dat tot uitdrukking te brengen in het aangescherpte en opgeschaalde Nationaal Isolatieprogramma, dat conform de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 35 925-VII, nr. 121) binnenkort naar de Kamer komt?
Zie wat dit betreft de brief van 14 maart jl. Wat betreft de vraagreductie in de gebouwde omgeving heeft de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening uw Kamer op 4 april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 787) geïnformeerd over het nationaal isolatieprogramma.
Hoe apprecieert u het actieplan van de VVD en ChristenUnie voor thuis- en buurtbatterijen? Wanneer denkt u met de uitvoering daarvan te kunnen beginnen?
Ik waardeer het initiatief van de VVD en de ChristenUnie om opslag door middel van thuis- en buurtbatterijen onder de aandacht te brengen. Het actieplan past bij de ambities van het kabinet voor opslag door batterijen; waar mogelijk grijp ik de aanknopingspunten uit het plan aan om deze ambities verder uit te werken. Over het gebruik van thuis- en buurtbatterijen en hoe de inzet hiervan bij kan dragen aan een efficiënt energiesysteem bestaat echter nog veel onduidelijkheid. Ik ben daarom in het proces van analyseren van de mogelijke toegevoegde waarde van deze batterijen en de eventuele wenselijkheid en mogelijkheden van stimulering hiervan. Ik neem hierbij de voorgestelde actiepunten van VVD en ChristenUnie mee.
Welke andere manieren ziet u nog om snel het gasverbruik in Nederland naar beneden te brengen, bijvoorbeeld door besparing en handhaving daarvan in de industrie, het bevorderen van het beter inregelen van installaties en duurzame opwek in de elektriciteitssector?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 maart 2022 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Kaag wil extra sancties trustkantoren, grote gevolgen voor Zuidas' |
|
Tom van der Lee (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer gegeven de urgentie van de oorlog in Oekraïne en maatregelen tegen Rusland op de kortst mogelijke termijn informeren over uw nadere voornemens ten aanzien van de aanpak van de Nederlandse trustsector, bijvoorbeeld door voor het einde van de week een brief aan de Kamer te doen toekomen of onderstaande Kamervragen binnen een week te beantwoorden, ook in het licht van uw voornemen, geuit in de hoofdlijnenbrief, om de Kamer «actief, accuraat, volledig en tijdig te informeren»?1
Ik heb mij ingezet om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Hoeveel Russisch vermogen is in Nederlandse brievenbusfirma’s ongeveer of in ieder geval ondergebracht? En hoeveel van dat vermogen is naar (grove) schatting effectief bevriesbaar, omdat het bijvoorbeeld liquide is en op een Europese rekening staat, vastgoed in de EU is of iets dergelijks, in plaats van niet bevriesbare bezittingen in bijvoorbeeld Rusland die in Nederland in de boeken staan?
Als Minister van Financiën beschik ik niet over data betreffende Russisch vermogen in Nederlandse brievenbusfirma’s. Voor zover toezichthouders, de Belastingdienst of opsporingsautoriteiten hierover informatie hebben, kunnen zij in verband met geheimhoudingsverplichtingen daar geen mededelingen over doen. Wel heeft De Nederlandsche Bank (DNB) statistische gegevens over directe investeringen vanuit Rusland naar Nederland. Het gaat hierbij volgens DNB ongeveer om 27 miljard euro. Het is niet bekend welk deel van dit vermogen effectief bevriesbaar is in Nederland of de Europese Unie.
In mijn brief van 22 maart jl. waarin ik uw Kamer informeerde over bevriezingen door de financiële sector heb ik toegelicht dat in Nederland alleen financiële instellingen een melding doen van het bevriezen van vermogen van gesanctioneerde entiteiten. Dat bevriezen kunnen financiële instellingen als het vermogen bij hun is ondergebracht of hun diensten worden gebruikt. Voor anderen dan financiële instellingen die kunnen beschikken over vermogen van gesanctioneerden geldt eveneens de plicht om te bevriezen, omdat de Sanctiewet 1977 op iedereen in Nederland van toepassing is. Zij hoeven die bevriezingen echter niet te melden. Gezien de verschillende rollen en verantwoordelijkheden met betrekking tot bevriezingen heeft het kabinet besloten tot een werkgroep onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die gaat kijken naar de effectiviteit van de uitvoering en handhaving van de sanctieregelgeving. Deze werkgroep kijkt ook specifiek naar activa van gesanctioneerde personen en entiteiten.
Welke obstakels ziet u voor de handhaving van de ingestelde en aangekondigde sancties? Welke mogelijkheden ziet u om deze obstakels weg te nemen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 genoemd heeft het kabinet besloten een werkgroep in te stellen die onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gaat kijken naar de effectiviteit van de uitvoering en handhaving van de sanctieregelgeving Daarnaast zal ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 14 maart jl., ook in gesprek gaan met de toezichthouders op de financiële sector over de beschikbare capaciteit voor hun specifieke taken op dit terrein.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met «Er is nog veel meer mogelijk op het gebied van sancties»? Welke mogelijkheden ziet u met betrekking tot sancties en trustkantoren?
Het kabinet wil alle opties op tafel houden qua sancties gericht op Rusland. Zowel in de financiële sector als op andere terreinen zijn aanvullende sancties mogelijk. Specifiek in relatie tot vermogen dat via brievenbusfirma’s loopt, zijn sancties mogelijk tegen het bieden van diensten aan deze entiteiten. Ik denk dan aan het verbieden van het verlenen van trustdiensten aan cliënten en uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van cliënten uit Rusland of Belarus. Naast het sanctioneren van individuen en rechtspersonen, leidt dit verbod ertoe dat vermogenden uit deze landen moeilijker hun geld door de EU kunnen laten stromen. Dit raakt personen in de kring van Poetin of in ieder geval personen die profiteren van het regime in Rusland. Een dergelijke maatregel sorteert het meest effect als deze in Europees verband wordt vastgesteld en daar zet ik mij op dit moment voor in. Mochten hierin onvoldoende stappen worden gezet dan zal ik hiertoe nationale (spoed)wetgeving in procedure brengen en ontvangt uw Kamer op korte termijn een wetsvoorstel.
Houdt u vast aan het bestaande standpunt dat er, ondanks lopend onderzoek over de kosten en baten van de Nederlandse trustsector, van een verbod op de Nederlandse trustsector «voorlopig geen sprake is»? Of bent u bereid versneld met wetgeving te komen om de gehele Nederlandse trustsector te verbieden?
In juli 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd, gelet op de vraag of bij trustdienstverlening de integriteit wel voldoende te waarborgen is, onderzoek te doen naar de toekomst van de trustsector. Dit onderzoek is aanbesteed en loopt. De uitkomsten van dat onderzoek verwacht ik voor deze zomer. In het onderzoek wordt gekeken naar de maatschappelijke en de financieel-economische (meer)waarde van de trustsector, in de breedste zin van het woord. De onderzoekers buigen zich over verschillende scenario’s. Een van de scenario’s is een algeheel verbod op het verlenen van trustdiensten. Na afronding van het onderzoek zal ik uw Kamer het onderzoek toesturen met mijn appreciatie.
Hoeveel extra middelen gaat u beschikbaar stellen voor een verscherpte aanpak van illegale trustdienstverlening?
In juli 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd dat onderzocht wordt of er intensivering van het toezicht nodig is en of hier extra middelen voor nodig zijn.2 Momenteel onderzoek ik met toezichthouders DNB en Bureau Toezicht Wwft of er extra toezicht aangaande illegale trustdienstverlening nodig is en hoe dergelijk extra toezicht zo effectief mogelijk gestalte kan krijgen. Hierbij wordt ook gekeken of extra middelen nodig zijn.
In deze brief is ook aangekondigd dat in het kader van het Financieel Expertise Centrum (FEC), een samenwerkingsverband van DNB, AFM, FIOD, Belastingdienst, OM, FIU en Politie, het project Illegale Trustdienstverlening loopt. Het project is gericht op een gezamenlijke aanpak van de betrokken instanties om illegale trustdienstverlening terug te dringen.
Hoe gaat u trustkantoren met overzeese vestigingen, zoals op Cyprus en in de Verenigde Arabische Emiraten, die werken voor Russische uiteindelijke belanghebbenden, dwingen om openheid te geven over de constructies die deze trustkantoren via Nederlandse en andere jurisdicties mogelijk maken?
Het wettelijk regime voor trustkantoren, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), verplichten trustkantoren tot het achterhalen van de uiteindelijke belanghebbenden (UBO). Deze wettelijke verplichting geldt in de hele Europese Unie. Ook geldt voor rechtspersonen in de Europese Unie de verplichting om in de lidstaat waarin de rechtspersoon is gevestigd de UBO’s in te schrijven in het UBO-register.
Trustkantoren en vestigingen van trustkantoren gevestigd in Europese lidstaten, zoals op Cyprus, zijn verplicht om cliëntonderzoek uit te voeren en uiteindelijke belanghebbenden te identificeren. Dit geldt ook voor Russische uiteindelijke belanghebbenden. Voor Nederlandse trustkantoren met een bijkantoor of een meerderheidsdochteronderneming in een staat die geen Europese lidstaat is, geldt conform de Wwft ook de verplichting cliëntenonderzoek te verrichten. Wanneer een bijkantoor of een meerderheidsdochteronderneming in een staat is gevestigd waar het geldend recht de Wwft gestelde normen in de weg staat, zoals bijvoorbeeld cliëntenonderzoek naar de UBO, dan informeert het trustkantoor DNB. In aanvulling daarop dient het trustkantoor aanvullende maatregelen te nemen om hieruit voortvloeiende risico’s op witwassen of financieren van terrorisme te beheersen. Een trustkantoor kan door DNB worden aangesproken als een bijkantoor of meerderheidsdochteronderneming of een vestiging, tekort schiet in de naleving van de verplichting tot cliëntenonderzoek.
In beginsel kent een trustkantoor geen wettelijke verplichting tot openheid over constructies met uiteindelijke belanghebbenden, ook niet als deze Russisch zijn. In Nederland zijn trustkantoren verplicht openheid te geven aan de Nederlandse toezichthouder wanneer er sprake is van incidenten of wanneer er sprake is van een gesanctioneerde UBO bij een cliënt. Daarnaast moeten trustkantoren ongebruikelijke transacties melden aan FIU-Nederland. Trustkantoren dienen zich te allen tijde aan de sanctiewetgeving te houden.
Mijn inzet is om trustkantoren te verbieden om Russische cliënten te bedienen. Openheid is dan niet meer nodig aangezien het dan simpelweg verboden is om nog langer voor in Rusland gevestigde entiteiten of voor entiteiten met een in Rusland gevestigde UBO te werken.
Hoe ver bent u bereid te gaan om advocatenkantoren zoals Houthoff te dwingen om afstand te doen van hun Russische klanten en openheid te laten geven over het soort van fiscale constructies die zij adviseerden aan Russische klanten om belasting te ontwijken?
Iedereen moet de verplichtingen uit de Sanctiewet 1977 naleven, ook advocaten. In de brief aan de onder zijn toezicht vallende advocaten schrijft de Amsterdamse Deken terecht dat van advocaten een sterk verhoogde waakzaamheid wordt verwacht bij het aanvaarden van nieuwe opdrachten of het voortzetten van bestaande opdrachten. Met referte aan paragraaf 7.1 van de Verordening op de advocatuur (Voda) wijst hij verder op de noodzaak de actuele stand van zaken met betrekking tot sancties nauwlettend te monitoren en bij Wwft-plichtige zaken ongebruikelijke transacties onverwijld te melden bij de FIU-Nederland. Verschillende advocatenkantoren hebben publiek aangegeven dat zij hun relaties verbroken met de Russische overheid en gelieerde personen en bedrijven verbreken. Daarnaast staat de Minister voor Rechtsbescherming in contact met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) over deze materie en samen blijven zij monitoren of in de praktijk naast de mogelijkheden uit de Sanctiewet, Wwft en Voda nog nadere maatregelen nodig zijn.
Bent u, net als bijvoorbeeld Frankrijk, bereid om alles op alles te zetten om activa van Russen op de EU-sanctielijst in Nederland niet alleen te bevriezen maar ook af te pakken?
Activa van Russen die op de EU-sanctielijst staan, moeten direct worden bevroren door eenieder die in de EU en dus ook in Nederland dienstverlening aan hen aanbiedt. Dat is niet gelijk aan het in beslag nemen en het confisqueren. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft mij laten weten dat activa van Russische en Belarussische personen in Nederland slechts op strafvorderlijke titel in beslag kunnen worden genomen en geconfisqueerd door de Staat. Dit kan alleen als er een verdenking is van een strafbaar feit respectievelijk een onherroepelijke uitspraak is met een veroordeling voor een strafbaar feit. In de praktijk is er tijdelijk vaak wel eenzelfde effect, in die zin dat de persoon of entiteit waar het om gaat door bevriezing geen rechtshandelingen, bijvoorbeeld verkopen, meer kan verrichten met betrekking tot die activa. Daarnaast is door de Europese Commissie een Taskforce opgericht op bevriezing en beslagname in het kader van de naleving van de sanctiepakketten, waaraan Nederland deelneemt. De Nederlandse werkgroep die ik in mijn antwoord op vraag 2 heb genoemd kan hiervoor ook informatie leveren.
Bent u bereid om, in EU-verband, ook sancties op te leggen aan Russen die op dit moment nog niet op de sanctielijst staan, maar wel nauwe banden hebben met het Kremlin, en/of familie of ondersteuners zijn van oligarchen? En hoe verhoudt dit zich tot het geldende EU-recht?
Inmiddels zijn tegen 862 personen en 53 entiteiten beperkende EU-maatregelen – sancties – ingevoerd als reactie op de Russische militaire agressie in Oekraïne. De bedoeling van aanvullingen op de sanctielijst is om de kring rondom Poetin te raken. Het kabinet sluit geen enkele aanvullende sanctiemaatregel uit, evenmin listing van personen en entiteiten en aan hen verwante personen en entiteiten die de Russische overheid steunen, er profijt van trekken, en/of er inkomsten voor genereren. EU-sancties zijn geldend EU-recht. Een tijdlijn met informatie, waardoor het aantal gesanctioneerde personen en entiteiten kunt u vinden op de website van de Europese Commissie, de AFM en de DNB3
Bent u bereid te pleiten voor een wereldwijde registratie van activa («global asset registry»)? Sluit u in dat kader zich aan bij de oproep van de Italiaanse premier Draghi om tot een internationaal publiekelijk toegankelijk register te komen voor oligarchen met een vermogen hoger dan 10 miljoen euro? Hoe gaat u zich hier voor inzetten?
Momenteel wordt op Europees niveau een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een EU-vermogensregister. Het Europees Parlement heeft om een dergelijke verkenning gevraagd. Deze studie heeft als doel de haalbaarheid van het project te beoordelen vanuit alle perspectieven, inclusief operationele en juridische aspecten en in het bijzonder de bescherming van fundamentele rechten en persoonsgegevens. Naar aanleiding van deze haalbaarheidsstudie zal de Europese Commissie bezien of verdere stappen proportioneel en noodzakelijk zijn.
Bedoelde haalbaarheidsstudie zal ook in kaart brengen welke registers reeds bestaan binnen de Europese Unie. In dat licht is het goed om op te merken dat in het kader van het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering reeds diverse registers bestaan. De Europese anti-witwasrichtlijn verplicht namelijk tot het creëren en koppelen van registers waarin de uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten en juridische constructies (o.a. trusts) moeten worden opgenomen. Daarnaast kent Nederland – evenals andere lidstaten van de EU – diverse andere registers waarin vermogensbestanddelen worden geregistreerd. Daarbij kan gedacht worden aan het Kadaster waarin onroerende zaken worden geregistreerd. De Europese Commissie heeft in de zomer van vorig jaar een pakket wetgevende voorstellen uitgebracht op het terrein van het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering, waarin wordt voorgesteld om bepaalde autoriteiten zoals FIUs en AML/CFT-toezichthouders toegang te verlenen tot onroerendgoedregisters, zodat deze autoriteiten tijdig de eigenaar van een onroerende zaak kunnen identificeren. Ook wordt op Europees niveau gekeken naar mogelijkheden om een database te creëren waarin FIUs informatie m.b.t. virtuele valuta kunnen vinden.
Bent u bereid tot het schrappen van de safe harbour voor rente- en royaltydoorstromers, conform de aanbeveling in het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen, waardoor het minder aantrekkelijk wordt voor brievenbusfirma’s om zich in Nederland te vestigen?
De Commissie Doorstroomvennootschappen heeft aanbevelingen gedaan op verschillende terreinen, zoals fiscale regelgeving, jaarrekeningenrecht, transparantie, toezicht, opsporing en investeringsbeschermingsovereenkomsten. Het vorige kabinet heeft op 22 november 2021 het rapport aan uw Kamer aangeboden en een eerste reactie gegeven op dit rapport.4 De aanbevelingen van de commissie sluiten voor een belangrijk deel aan bij de weg die het vorig kabinet heeft ingeslagen. De Staatssecretaris voor Fiscaliteit en Belastingdienst zal u informeren over de manier waarop het kabinet wil omgaan met de aanbevelingen van de Commissie Doorstroomvennootschappen.
Bent u bereid tot uitbreiding van de spontane uitwisseling van informatie over vennootschappen en spontane informatie-uitwisseling bij vrijgestelde vervreemdingswinsten, conform de aanbeveling van de Commissie Doorstroomvennootschappen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een duidelijke invulling van het anti-misbruikbeginsel, in de context van het Europese Unshell-voorstel om brievenbusfirma’s aan te pakken?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid conform het advies van de Commissie Doorstroomvennootschappen de verplichtingen aan te scherpen voor wanneer leidinggevend personeel als UBO van een entiteit wordt aangemerkt? En bent u bereid systematische analyse van UBO-registers door journalisten en het publiek mogelijk te maken? En bent u voor een wereldwijde invoering van zo’n transparant UBO-register? Welke stappen gaat u op de voorgenoemde punten op korte termijn zetten?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat afzonderlijke entiteiten die onderdeel uitmaken van een groep niet langer, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid hebben om vrijgesteld te worden van gebruikelijke rapportageverplichtingen, zoals nu nog geregeld in artikel 403 Burgelijk Wetboek (BW) Boek 2, teneinde te vermoeilijken dat Nederlandse brievenbusfirma’s ingezet worden voor verhulling?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid voor ondernemingen die in Nederland enkel op papier gevestigd zijn te verbieden nog langer gebruik te maken van investeringsbeschermingen via een investeringsbeschermingsovereenkomst (IBO)? Als dit op korte termijn in internationaal verband niet lukt, bent u dan bereid bestaande IBO’s met enkel op papier in Nederland gevestigde ondernemingen te heronderhandelen? Deelt u de vaststelling dat de aanpak van ongewenst gebruik van IBO’s tot nu toe nog te veel achterloopt bij de aanpak van misbruik in belastingverdragen?
Zie antwoord vraag 12.
Welke rol speelt Nederland op dit moment in de trans-Atlantische taskforce (G7-verband) om tot uitbreiding van het sanctiepakket over te gaan? Hoe gaat u hierin inhoudelijk een voortrekkersrol nemen?
Het kabinet is voorstander van zo nauw mogelijke coördinatie en samenwerking met sleutelpartners op het gebied van sancties. Wij hebben kennis genomen van het initiatief en momenteel vindt er overleg plaats tussen de verschillende departementen, in het bijzonder Financiën, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid, om te kijken wat Nederland in dit verband kan betekenen en welke grondslagen Nederland heeft om mogelijk een rol te spelen in de trans-Atlantische taskforce. Na deze inventarisatie zullen de betrokken bewindspersonen bepalen of en welke rol Nederland hierin kan vervullen. Daarbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 en de daargenoemde taskforce die door de Europese Commissie is ingesteld.
Welke contacten heeft u op dit moment met de Maltese overheid om ervoor te zorgen dat ook zij zich scharen achter het voorstel om de toegang tot zogenoemde «gouden paspoorten» ernstig te vermoeilijken?
Op dit moment zijn hierover geen contacten tussen mijn collega van Buitenlandse Zaken en Malta. Voorts is de noodzaak hiertoe niet evident aangezien dit punt al door de Commissie is opgepakt. De Europese Commissie startte namelijk in 2020 een inbreukprocedure tegen Malta, waar een aanmaning op volgde in 2021. Het kabinet steunt deze beslissingen.5
Bent u bereid om het Regeerakkoord open te breken en aanvullende nationale maatregelen te nemen om belastingontwijking en de facilitering van witwassen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit specificeren?
Het kabinet ziet een ambitieuze verdere aanpak van belastingontwijking en witwassen voor zich in de komende jaren. Aangezien het gaat om grensoverschrijdende problematiek is een internationale aanpak daarbij belangrijk. Een goed voorbeeld hiervan is het akkoord over de herziening van het internationale belastingstelsel (pijler 1 & 2) dat in oktober 2021 met 137 landen in OESO-verband is bereikt. Daarnaast heeft de Europese Commissie recentelijk een voorstel gepresenteerd om ongewenste doorstroom via doorstroomvennootschappen tegen te gaan. Het kabinet zet zich bij deze voorstellen met een positieve en constructieve houding maximaal in om tot een succesvolle implementatie te komen.
Het coalitieakkoord kondigt verder aan dat bedrijven en hun bestuurders die witwassen faciliteren nog steviger zullen worden aangepakt. Dit is onderdeel van de totale aanpak van witwassen. Momenteel worden verschillende (inter)nationale evaluaties uitgevoerd naar de effectiviteit van de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering, zoals onderzoek door de Algemene Rekenkamer naar de opbrengsten van de meldketen met betrekking tot witwasbestrijding en een evaluatie van Nederland door de Financial Action Task Force (FATF). In deze onderzoeken gaat ook aandacht uit naar de manier waarop trustkantoren en beroepsgroepen als notarissen, advocaten en accountants hun verplichtingen als poortwachter uitvoeren en hoe daar toezicht op wordt gehouden. Ook de strafrechtelijke aanpak van het faciliteren van witwassen komt aan de orde. De uitkomsten van evaluaties bieden aanknopingspunten om de aanpak, waar nodig, verder te verbeteren. Ik informeer uw Kamer op korte termijn over het proces rond de evaluaties en de aanpak van de opvolging van de uitkomsten.
Noodvisa voor journalisten door de situatie in Oekraïne |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er in Oekraïne ook Russische en Wit-Russische journalisten wonen, die uit angst voor repressies al eerder hun thuislanden zijn ontvlucht naar Oekraïne?
Ja.
Erkent u dat deze journalisten dreigen gevaar te lopen nu Oekraïne is binnengevallen door Russische en Wit-Russische gevechtstroepen? Hoe beoordeelt u het gevaar dat deze journalisten in handen komen van het Russische en Wit-Russische regime en worden gearresteerd?
Iedereen die momenteel in Oekraïne verblijft loopt gevaar. Het kabinet heeft reden aan te nemen dat deze groep in het bijzonder gevaar loopt in de gebieden in handen van het Russische leger. Journalisten in deze gebieden kunnen mogelijk gearresteerd worden.
Erkent u dat Russische en Wit-Russische journalisten die verblijven in Oekraïne geen aanspraak kunnen doen op een automatische verblijfsvergunning in de Schengen-unie, zoals Oekraïense burgers?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij ervan uit dat wordt gedoeld op de EU-Tijdelijke beschermingsrichtlijn. Op 4 maart 2022 is deze richtlijn ten aanzien van ontheemden uit Oekraïne geactiveerd, ook om als EU gezamenlijk een veilige haven te bieden aan hen die het conflict ontvluchten. In artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad (no. 2022/382) is neergelegd dat de tijdelijk bescherming (onder meer ook) van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Een nagenoeg gelijksoortige bepaling is in het besluit opgenomen ten aanzien van staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren. Aanvullend biedt de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om de groep waarop de richtlijn van toepassing is, uit te breiden. Het kabinet zal u hierover op korte termijn nader informeren.
Bent u bekend met het beleid van Kosovo, dat heeft toegezegd om aan 20 journalisten uit Oekraïne een 6 maanden-verblijfsvergunning en onderdak te bieden?
Ja.
Is Nederland, als voorzitter van de Media Freedom Coalition en voortrekker op het gebied van persvrijheid, bereid om het voorbeeld van Kosovo te volgen en 20 noodvisa aan te bieden aan Wit-Russische en Russische journalisten die in Oekraïne wonen?
Vrijheid van meningsuiting, met een focus op persvrijheid, is het fundament voor een goed functionerende democratie. De veiligheid van journalisten is voor groot belang voor een vrije pers. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven, heeft de EU op 4 maart jl. de Tijdelijke beschermingsrichtlijn ingesteld ten aanzien van Oekraïners die het conflict zijn ontvlucht, en kunnen ook specifieke groepen derdelanders onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen. Op deze wijze biedt de EU een veilige haven voor iedereen die het conflict ontvlucht. Voor mensenrechtenverdedigers en journalisten die niet onder deze richtlijn vallen geldt dat Nederland in het kader van het Shelter City-programma jaarlijks ongeveer 30 mensenrechtenverdedigers (waaronder journalisten) tijdelijke opvang, training en veiligheid biedt. Ook draagt Nederland EUR 2 miljoen bij aan een fonds gericht op de bescherming van journalisten in nood. In specifieke situaties beziet het kabinet of specifieke oplossingen mogelijk zijn. Daarnaast werkt Nederland aan het steunen van Russischtalige onafhankelijke media en journalisten buiten Rusland, o.a. door verblijfmogelijkheden in Nederland. Vanwege de veiligheid van deze personen kan het kabinet hierover geen nadere mededelingen doen.
Kan dit via de ambassade in Polen georganiseerd worden, aangezien Wit-Russische en Russische journalisten uit Oekraïne zelf Polen kunnen bereiken?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u daarbij aangeven op welke termijn dit gerealiseerd zou kunnen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het artikel ««Ukrainians go first»: How black and brown people are struggling to escape the Russian invasion» van Euronews?1
Ja.
Erkent u dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit in Oekraïne verblijven, waaronder veel Afrikaanse studenten, die gevaar dreigen te lopen nu Oekraïne is binnengevallen?
Ja, het kabinet erkent dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit dan de Oekraïense nationaliteit gevaar dreigen te lopen.
Kunt u bevestigen dat mensen zonder EU-visum, dus zonder Oekraïense of EU-paspoort, geweigerd worden aan de Europese buitengrenzen?
De EU-Lidstaten die grenzen aan Oekraïne- Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië- hebben aangegeven dat iedereen die uit Oekraïne vlucht ongeacht de nationaliteit de grens over mag steken en zo toegelaten wordt tot de EU.
Klopt het dat de richtlijn tijdelijke bescherming (2001) ook opgaat voor vluchtelingen uit Oekraïne zonder EU-visum?
Zoals ook reeds aangehaald in het antwoord op vraag 3 is in artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad van 4 maart 2022 neergelegd dat de tijdelijk bescherming van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Voor uitgebreidere toelichting over de toepassing van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, verwijs het kabinet u naar de Kamerbrief over aanpak opvang vluchtelingen uit Oekraïne van 17 maart jl.
Is Nederland bereid er in woord en daad voor te zorgen dat alle mensen die Oekraïne ontvluchten, ongeacht nationaliteit, gender en religieuze overtuiging in Europa een veilig heenkomen kunnen vinden? Welke stappen zal Nederland daarvoor nemen?
Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de Kamerbrief van 8 maart 2022 over de bespreking en activering van de Richtlijn tijdelijke bescherming op de JBZ-Raad van 3 en 4 maart 2022. Oekraïense onderdanen en derdelanders die internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genieten in Oekraïne, komen in aanmerking voor tijdelijke bescherming, net als hun familieleden. Voor derdelanders of staatlozen die kunnen aantonen dat ze legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning en die niet in staat zijn om terug te keren naar hun land of regio van herkomst, hebben de lidstaten de keuze om tijdelijke bescherming of een passende nationale status toe te kennen. Het staat lidstaten vrij om de richtlijn ook op andere derdelanders toe te passen. Over de implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet uw Kamer naar de Kamerbrief van 17 maart jl. over de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne.
Zal Nederland daarom in Raadsverband pleiten tijdelijke bescherming te bieden aan alle mensen die Oekraïne ontvluchten en dit ook afdwingbaar te maken?
Zie antwoord vraag 12.
Is Nederland bereid extra mankracht naar de Europese buitengrenzen te sturen om 1) te ondersteunen bij het verwerken van de grote groepen vluchtelingen uit Oekraïne en 2) ter controle dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die Oekraïne ontvluchten op basis van nationaliteit, gender en religieuze overtuiging, in samenwerking met andere Europese lidstaten en het EU Asylum Agency?
Lidstaten van de Europese Unie zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbewaking. Voor het kabinet staat echter buiten kijf dat bij grensbeheer van zowel onze eigen grenzen als de gemeenschappelijke Europese buitengrenzen internationaal en Europees recht gerespecteerd dient te worden. De Commissie ziet, als hoedster van de verdragen, toe op de naleving van Europees recht door de lidstaten. De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Het kabinet staat er voor open om bijdragen te leveren aan deze agentschappen als zij om ondersteuning vragen. Zoals uw Kamer bekend kan inzet van de agentschappen alleen plaatsvinden als een lidstaat hierom verzoekt.
Zal Nederland in Raadsverband pleiten voor verplichte relocatie van alle vluchtelingen uit Oekraïne en daarbij zelf ook de daad bij het woord voegen?
De Richtlijn Tijdelijke bescherming voorziet niet in dwingende feitelijke verdeling van de tijdelijk beschermden over de lidstaten. De richtlijn biedt wel de mogelijkheid om tijdelijk beschermden uit andere EU-lidstaten te laten overkomen. Voor toelichting t.a.v. herverdeling in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet naar de Geannoteerde Agenda voor de ingelaste JBZ die uw Kamer 21 maart jl. toeging. Het kabinet is nu volop bezig om het aantal opvangplekken op te schalen om de autonome stroom naar NL op te kunnen vangen.