Berichten omtrent cyberaanvallen op Oekraïne en Nederlandse servers |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederlandse servers worden misbruikt door Rusland om cyberaanvallen uit te voeren in Oekraïne? Hoe beoordeelt u dit?
Het is bekend dat Nederlandse servers en infrastructuur misbruikt worden door criminelen voor het plegen van strafbare feiten, zoals DDoS- en ransomware-aanvallen. Dit is onwenselijk. Nederland heeft in vergelijking met andere EU-landen een relatief grote hosting sector. Dit heeft te maken met de uitstekende digitale infrastructuur waarover Nederland beschikt: het internet is betrouwbaar en snel. Zowel nationaal als internationaal maken personen, bedrijven en organisaties gebruik van de Nederlandse infrastructuur. Naast legitieme klanten, kunnen criminelen en andere kwaadwillenden misbruik maken van de Nederlandse hostingsector. De hostingprovider is zich hier niet altijd van bewust. Daarnaast bestaan er zogenaamde «bulletproof» hosters, die hun klanten willens en wetens faciliteren bij hun strafbare gedrag. Verder ziet Nederland het zorgvuldigheidsbeginsel als een verplichting binnen het internationaal recht. Zie hiervoor verder de kamerbrief Tegenmaatregelen ransomware-aanvallen van de Minister van Buitenlandse Zaken.2
Hoeveel Nederlandse servers zijn de afgelopen weken misbruikt vanuit Rusland om cyberaanvallen uit te voeren? Heeft u een beeld om welke servers het gaat? Zo ja, zijn er stappen genomen om deze servers uit de lucht te halen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke digitale aanvallen worden uitgevoerd vanuit command-and-control servers. Deze staan wereldwijd in datacenters, waaronder ook in Nederland. Voor datacenters is het vrijwel onmogelijk om te controleren welke servers voor dergelijke malafide doeleinden worden ingezet. Voor elke aanval zou specifiek technisch onderzoek nodig zijn om te achterhalen via welke servers een aanval is uitgevoerd. Dergelijk technisch onderzoek is niet bij elke aanval mogelijk, vanwege de capaciteit die dit kost en gezien het aantal (pogingen tot) aanvallen.
Klopt het dat Rusland ongezien Nederlandse servers kon huren voor zijn activiteiten en zo ongestoord cyberaanvallen kon uitvoeren op Oekraïne? Zo ja, in hoeverre worden huurders gescreend bij hostingbedrijven door hostingbedrijven zelf? Zijn hostingbedrijven verplicht om huurders te screenen? Zo ja, gebeurt dit ook en hoe vindt de controle plaats dat dit ook gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Wie precies de servers heeft gehuurd voor de genoemde activiteiten is niet bekend. Het screenen van klanten door hostingproviders is geen wettelijke verplichting. Het gaat hier om private bedrijven, waarop in Nederland contractvrijheid van toepassing is. Zij mogen in beginsel zelf bepalen wie hun klanten zijn. Door de hostingsector is samen met het Ministerie van EZK een gedragscode opgesteld, om misbruik van hun servers tegen te gaan. Op EU-niveau heeft Nederland in het kader van de gesprekken over de Digital Services Act (DSA) gepleit voor het hierin opnemen van regels voor hostingproviders om crimineel misbruik te bemoeilijken, waaronder het vergaren van informatie over klanten. Hiervoor was onvoldoende steun.
Welke rol speelt de politie in het screenen van huurders van hostingbedrijven? Wanneer screent de politie huurders van hostingbedrijven? Zijn hostingbedrijven verplicht om servers offline te halen als de politie hier melding van maakt? Zo ja, is dit ook afgelopen weken gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 4 is aangegeven, zijn hosters niet wettelijk verplicht om hun klanten te screenen. De politie heeft geen wettelijke bevoegdheden om klanten van hostingproviders te screenen. Daarnaast is het screenen van klanten een toezichtstaak die niet bij de politie thuis hoort. Bij vermoedens van illegale activiteiten op een server kan bij een hostingprovider een verzoek worden gedaan voor een vrijwillige notice-and-takedown. Indien de hoster daar geen gehoor aan geeft, kan de officier van justitie ter beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een dienstverlener bevelen gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Wetboek van Strafvordering (Sv)) sturen naar een hostingprovider. Wanneer cybercriminelen gebruik maken van servers gehuurd bij buitenlandse resellers kan het doen van vorderingen worden bemoeilijkt, en daarmee het opsporingsonderzoek en het beëindigen van strafbare feiten.
Indien de politie weet heeft van strafbare feiten die via Nederlandse servers gepleegd worden, kan een opsporingsonderzoek worden gestart. Dit zal zich in beginsel richten op de plegers van strafbare feiten, zoals de daders van een ransomware-aanval. Het opsporingsonderzoek kan zich ook richten op de hostingprovider of de reseller, mits zij worden verdacht van een strafbaar feit.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het ongebreideld door kunnen verhuren van hostingruimte door resellers het wel erg makkelijk kan maken voor kwaadwillenden om een online rookgordijn te creëren? Zo ja, wat wilt u hieraan doen en welke mogelijkheden hebben hostingbedrijven en politie om gegevens over resellers op te vragen? Zo nee, waarom niet?
Het is onwenselijk dat kwaadwillenden Nederlandse servers misbruiken voor bijvoorbeeld het plegen van cyberaanvallen. De hostingsector heeft de gedragscode «abuse-bestrijding» ontwikkeld, die als doel heeft het schoon en veilig houden van het Nederlandse internet. Hierin is onder meer opgenomen dat hosters hun klanten kennen. Het blijft echter mogelijk dat klanten van hostingproviders deze serverruimte weer doorverhuren. Verder deelt het Clean Networks Initiatief3 onder deelnemers geautomatiseerd actuele informatie over kwetsbaarheden en misbruik in de systemen van alle deelnemers, geprioriteerd op basis van urgentie en impact. Daarnaast is in 2020 het Anti Abuse Netwerk (AAN) opgericht. Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur.
Recentelijk heeft de politie een lijst opgesteld met resellers die vaak laten doorschemeren of openlijk toegeven dat zij diensten leveren aan criminelen. Deze lijst is gedeeld met de Dutch Cloud Community (DCC). Zie hiervoor ook de beantwoording van de Kamervragen van het lid Rajkowski.4 Naar aanleiding van deze beantwoording heeft DCC laten weten dat een aantal leden met bepaalde klanten geen zaken meer doet.5
Momenteel is in EU-verband de triloog-fase van de Digital Services Act begonnen. Deze verordening dient onder meer ter vernieuwing van de huidige E-Commerce richtlijn. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatiemechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingproviders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het zeer zorgelijk is dat onze uitstekende digitale infrastructuur wordt misbruikt door landen als Rusland om cyberaanvallen uit te voeren op Oekraïne en dat Nederland daarmee onbewust en indirect de Russische aanval faciliteert? Zo ja, bent u bereid om hostingbedrijven strenger te controleren al dan niet via de politie? Zo nee, waarom niet?
Het is zeer onwenselijk dat Nederlandse infrastructuur wordt misbruikt voor het plegen van cyberaanvallen. Dit geldt ook in het geval van kwaadwillende cyberoperaties tegen Oekraïne. Zoals eerder is aangegeven zijn hostingbedrijven niet wettelijk verplicht om hun klanten te controleren. Het controleren van hostingbedrijven is bovendien geen taak van de politie. Bij het tegengaan van misbruik van Nederlandse netwerken blijft het belangrijk dat de samenwerking wordt gezocht tussen de hostingsector en de politie.
Het bericht 'Migranten door kou gestorven aan de Turks-Griekse grens' |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Migranten door kou gestorven aan Turks-Griekse grens»?1
Ik heb kennisgenomen van het genoemde bericht.
Bent u geïnformeerd over de pushbacks waardoor twaalf migranten door onderkoeling gestorven zijn bij de grens van Griekenland? Wanneer bent u hierover geïnformeerd? Kunt u expliciet aangeven welke informatie u heeft gekregen over dit bericht?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het, dat het aantal migranten dat is gevonden inmiddels is gestegen naar negentien? Bent u hierover geïnformeerd? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Uit mediabronnen en uitspraken van de Turkse autoriteiten in februari jl. zou blijken dat negentien migranten zijn omgekomen, die deel uitmaakten van een groep van 22 personen.
Klopt het, dat de twaalf migranten die door de kou zijn gestorven daarvoor geprobeerd hebben Griekenland binnen te komen om asiel aan te vragen, maar bij de grens werden weggestuurd, voordat ze überhaupt de kans kregen? Zo ja, wat vind u hiervan? Zo nee, hoe zijn deze migranten onder deze omstandigheden terechtgekomen?
Het standpunt van het kabinet ten aanzien van pushbacks is uw Kamer bekend. Het kabinet deelt de zorgen over de berichtgeving. Aan de EU-buitengrenzen dient te worden gehandeld conform het internationaal en Europees recht waaronder de fundamentele rechten en naleving van het principe van non-refoulement. Het kabinet neemt dan ook actief stelling tegen vermeende pushbacks, en spreekt zich daarover uit bij iedere passende gelegenheid, zowel in bilateraal verband als in diverse internationale gremia. Het kabinet zal dat blijven doen.
Het kabinet acht het noodzakelijk dat er serieuze opvolging wordt gegeven aan signalen van pushbacks. De Griekse regering is van mening dat, naast de openbaar aanklager, ook nationale instanties als de Ombudsman, de Nationale Transparantie-Autoriteit (NTA) en de interne opsporings- en vervolgingsautoriteit van de Griekse politie en kustwacht (SIASC) een rol kunnen vervullen bij het onderzoeken van vermeende pushbacks. In juni 2021 opende de Openbaar Aanklager bij het Hooggerechtshof een onderzoek inzake vermeende pushbacks. Bij het ontbreken van eigenstandige informatie wacht ik het resultaat van dit onderzoek af.
Het gaat bij de berichten over pushbacks vaak om informatie die lastig te verifiëren is. Juist deze constatering onderstreept het belang van een onafhankelijk monitoringsmechanisme. De Europese Commissie spant zich in voor het opzetten ervan in lidstaten met aanhoudende pushbackberichtgeving; het kabinet ondersteunt dit. Verder ziet de Europese Commissie, als hoedster van de verdragen, toe op de naleving van het Europees recht met inbegrip van de fundamentele rechten. Voor de Commissie ligt een belangrijke taak om, indien lidstaten zich niet houden aan het internationaal en Europees recht, hen hierop aan te spreken.
Wat vind u ervan dat Griekenland ontkent dat de pushbacks hebben plaatsgevonden? Kunt u hier inhoudelijk op reageren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het feit dat de VN Vluchtelingenorganisatie heeft gewaarschuwd voor de toenemende meldingen van gruwelijke incidenten aan de Griekse grens, waar de UNHCR sinds begin 2020 bijna 540 incidenten van illegale terugkeer door Griekenland heeft geregistreerd? Zo ja, wat vind u hiervan? Kunt u hierop inhoudelijk reageren?
Het kabinet deelt de zorgen die VN-Hoge Commissaris voor Vluchtelingen Filippo Grandi uitte over de toenemende berichtgeving over geweldsincidenten tegen migranten aan de Europese grenzen. Eveneens ziet het kabinet het belang van serieuze opvolging aan beschuldigingen door de betreffende lidstaten. Het is van belang dat fundamentele rechten, waaronder het door UNHCR genoemde asielrecht en beginsel van non-refoulement, worden nageleefd bij het uitvoeren van grensbeheer.
Bent u bekend met het feit dat migranten worden achtergelaten op reddingsvlotten op open zee en soms zelf rechtstreeks in het water zijn gedwongen door de Griekse grensbewakers? Zo ja, wat vind u hiervan? Kunt u hierop inhoudelijk reageren?
Het kabinet verwijst graag naar de beantwoording van vragen 4 en 5.
Kunt u de Kamer informeren welke nationaliteit de twaalf gestorven migranten hadden?
Op basis van mediabronnen blijkt dat het ging om mensen met verschillende nationaliteiten, waaronder de Syrische, Somalische en Bengalese nationaliteit. Deze informatie kon echter niet met zekerheid, en niet voor alle betrokkenen worden vastgesteld.
Zijn er sindsdien nog meer migranten gevonden die het slachtoffer zijn geworden van pushbacks aan de Griekse grens? Zo ja, om welke aantallen gaat het?
Lidstaten zijn primair verantwoordelijk voor de uitvoering van grenstoezicht. Hoewel voor lidstaten met een buitengrens dit niet altijd eenvoudig is, staat voorop dat optreden aan de grens altijd in lijn moet zijn met Europees en internationaal recht. Bij een overtreding van het acquis dient de Europese Commissie, als hoedster van de verdragen, verdere stappen te ondernemen.
Het is uw Kamer bekend dat het kabinet actief en mede op verzoek van leden van uw Kamer in Europese overleggen en bilaterale contacten het belang van het respecteren van fundamentele rechten aan de buitengrenzen benadrukt. De Griekse regering stelt dat zij de grens geheel legitiem beheert. Het ontbreken van eigenstandige informatie onderstreept het belang van een onafhankelijk monitoringsmechanisme. Het belang van een dergelijk monitoringsmechanisme brengt het kabinet op bij onder meer de Griekse regering.
Bent u op de hoogte wat er is gebeurd met de rest van de groep van tweeëntwintig mensen die door de Griekse grenspolitie is teruggeduwd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat Griekenland verantwoordelijk is voor de dood van deze negentien migranten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat de Griekse staat zich schuldig maakt aan stelselmatige schendingen van de mensenrechten door illegale pushbacks uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat de Europese lidstaten die zich schuldig maken aan het schenden van Europese en internationale wet- en regelgeving hier passende consequenties van moeten ondervinden? Zo ja, kunt u toelichten waarom diverse EU-lidstaten die meerdere malen Internationaal en Europees recht niet hebben geëerbiedigd dit zonder consequenties hebben kunnen doen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid uw Europese ambtsgenoot aan te spreken op de illegale pushbacks en grove schending van de mensenrechten die zich afspelen aan de Griekse grens? Zo ja, kunt u hierop inhoudelijk reageren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bekend met het rapport van Protecting Rights at Borders (PRAB) die rapporteerde dat in 2021 56 pushbacks hebben plaatsgevonden, waarvan 93% van de migranten fysiek misbruikt is door de Griekse grenspolitie? Zo ja, kunt u hierop inhoudelijk reageren?2
Het kabinet ziet de zorgelijke aard van de berichtgeving. Het kabinet acht het als belangrijk dat er serieuze opvolging wordt gegeven aan vermeende pushbacks. Het kabinet acht het belang dat er een onafhankelijk monitoringsmechanisme komt en dat internationale en Europese standaarden bij grensbeheer worden nageleefd. Tevens zet het kabinet in op een sterker Schengenevaluatiemechanisme met betere waarborging van fundamentele rechten.
Deelt u de mening dat personen op zoek naar internationale bescherming het recht te ontzeggen op een asielprocedure en/of hen in onmenselijke omstandigheden vast te houden, strafbaar is?
Voor het kabinet dient grensbeheer en toegang tot asiel te allen tijde conform de Europese en internationale standaarden te zijn. Bij een overtreding van het acquis dient de Europese Commissie, als hoedster van de verdragen, verdere stappen te ondernemen.
Kan de Kamer periodiek geïnformeerd worden over het aantal pushbacks en incidenten aan de Europese buitengrenzen, met name aan de Griekse grenzen?
Zoals beschreven in de eerder antwoorden beschikt het kabinet niet over eigenstandige informatie over het grensbeheer in andere lidstaten. De inzet van het kabinet is de instelling van onafhankelijke EU-monitoringsmechanismen.
Kunt u toelichten welke EU-fondsen voor migratiedoeleinden worden ingezet voor het financieren van de Griekse grensbewaking?
Het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid (ISF-grenzen en visa) 2014–2020 wordt hiervoor ingezet en het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa 2021–2027 (BMVI), onderdeel van het fonds voor geïntegreerd grensbeheer kan hiervoor worden ingezet. Voor het BMVI geldt dat de nationale programma’s van de lidstaten, waarin zij aangeven hoe zij hun nationale enveloppes willen besteden, nog door de Europese Commissie moeten worden goedgekeurd.
Deelt u de mening dat de EU-fondsen voor migratiedoeleinden nooit mogen worden ingezet voor activiteiten die indirect bijdragen aan mensenrechtenschendingen?
Die mening deel ik.
In artikel 4 van de huidige verordening tot oprichting van het fonds voor geïntegreerd grensbeheer (EU) 2021/1148 is opgenomen dat «[d]e uit hoofde van het instrument gefinancierde acties worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de rechten en beginselen die zijn verankerd in het acquis van de Unie en het Handvest en de internationale verplichtingen van de Unie met betrekking tot de grondrechten.» Het is aan de Europese Commissie om hierop toe te zien. Het kabinet zal hier richting de Commissie alert op zijn.
In artikel 3 lid 4 van de verordening tot oprichting van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid (EU) Nr. 515/2014 (ISF-grenzen en visa) 2014–2020 is opgenomen dat «acties die uit hoofde van het Instrument worden gefinancierd moeten worden uitgevoerd conform de grondrechten en met eerbiediging van de menselijke waardigheid. In het bijzonder voldoen de acties aan de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht van de Unie inzake gegevensbescherming, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het beginsel van eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen, het recht op asiel en internationale bescherming, het beginsel van „non refoulement» en de internationale verplichtingen van de Unie en de lidstaten die voortvloeien uit de internationale instrumenten die zij hebben ondertekend, zoals het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 zoals aangevuld met het Protocol van New York van 31 januari 1967». Het is aan de Europese Commissie om hierop toe te zien. Het kabinet is hier richting de Commissie alert op.
Met uw Kamer is eerder gedeeld dat het op basis van de reeds voor zeven jaar (2021–2027) vastgestelde EU-wetgeving rondom het meerjarig financieel kader op dit moment niet mogelijk is de financiering voor verschillende vormen van grensbeheer voorwaardelijk te maken.3
Deelt u de mening van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN dat de illegale pushbacks en gewelddadige mensenrechtenschendingen jegens asielzoekers genormaliseerd worden door landen zoals Griekenland? Zo ja, kunt u hierop inhoudelijk reageren? Zo nee, waarom niet?
Net als uw Kamer, neemt het kabinet ook kennis van de aanhoudende berichtgeving over vermeende pushbacks. De stelling dat door de aanhoudende berichtgeving sprake is van een gebruikelijke, gangbare praktijk deelt het kabinet echter niet. Zowel de Europese Commissie, als andere lidstaten waaronder Nederland, blijven benadrukken dat dit niet in lijn is met de Europese standaarden. Het zetten van eventuele vervolgstappen is primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de verdragen.
Deelt u de mening van de UNHCR dat Europese lidstaten zich zouden moeten schamen omdat ze niet hebben gereageerd op de gewelddadige berichten over de illegale pushbacks, en dat ze liever muren en barrières oprichten, dan mensenlevens willen beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hierop inhoudelijk ingaan?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe reflecteert u op uw eigen rol in EU verband met betrekking tot het aankaarten van de illegale pushbacks en de schendingen van de mensenrechten van migranten? Vind u dat de Nederlandse regering deze problematiek voldoende heeft aangekaart? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder beschreven neemt het kabinet actief stelling tegen vermeende pushbacks, en spreekt zich daarover actief uit bij iedere passende gelegenheid. Het kabinet zal dat blijven doen. De Europese Commissie ziet, als hoedster van de verdragen, toe op de naleving van het Europees recht met inbegrip van de fundamentele rechten. Voor de Commissie ligt een belangrijke taak om, indien lidstaten zich niet houden aan het internationaal en Europees recht, eventueel verdere stappen te zetten.
Door het ontbreken van eigenstandige informatie is het kabinet afhankelijk van informatie van derden. Hierdoor kan het kabinet geen garanties bieden over het grensbeheer in andere lidstaten.
Kunt u garanderen dat Frontex nooit heeft meegewerkt aan het illegaal tegenhouden en terugsturen van migranten, zonder dat zij de gelegenheid hebben gehad asiel aan te vragen? Kunt u hierop inhoudelijk reageren?
Zie antwoord vraag 22.
In hoeverre bent u bereid bij de JBZ-Raad een pleidooi te houden in de jaarlijkse verslagen expliciet aandacht te besteden aan het thema asiel en migratie, opdat het rechtsstaatsmechanisme met bijbehorend instrumentarium effectief gehanteerd kan worden bij overtreding van Europees recht op het gebied van asiel en migratie?
Zie antwoord vraag 22.
Het meedoen van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Aangezien kinderen een groot deel van hun tijd op school doorbrengen, is de school een zeer geschikte plek om scholieren bewust te maken van gezonde en duurzame voeding. In Nederland zetten we hier met de Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine op in.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet u uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
Het nieuwsitem in Hart van Nederland inzake de Zilverlijn |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de Zilverlijn en het schrijfmaatje van het Nationaal Ouderenfonds per 1 maart 2022 verdwijnen?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte.
Wat vindt u hiervan?
Ik kan mij voorstellen dat het besluit om te stoppen met de Zilverlijn een lastige afweging is geweest en dat dit bij ouderen en vrijwilligers tot enige onrust heeft geleid. Voor ouderen is persoonlijk contact, een luisterend oor, iemand om lief en leed mee te delen van groot belang voor het persoonlijk welbevinden. Dit geldt zeker voor ouderen die aan huis gebonden zijn. Het Ouderenfonds heeft echter een andere inhoudelijke richting gekozen met betrekking tot hun inzet voor de aanpak van eenzaamheid onder ouderen, waarbij juist dit persoonlijke contact beter terugkomt. Het Ouderenfonds wil meer via de lokale communities eenzaamheid tegengaan en niet meer via een wekelijks/tweewekelijks één-op-één telefoontje.
De richting die het Ouderenfonds kiest is te begrijpen. Het stimuleren van meer activiteiten en contacten in de buurt en daar een netwerk opbouwen met mensen die kunnen omzien naar elkaar sluit (ook) aan bij de aanpak van Eén tegen eenzaamheid. Het gaat daarbij om een zelfstandige keuze van het Ouderenfonds, waar VWS geen rol in heeft. Er blijven wel andere telefoonmogelijkheden over voor ouderen, zoals de Luisterlijn en lokale varianten. Uiteindelijk vraagt de aanpak van eenzaamheid een gevarieerd aanbod van interventies. Met het programma Eén tegen eenzaamheid werk ik o.a. aan lokale coalities met veel verschillende partijen die voor ouderen een gevarieerd aanbod aan contact, activiteiten en zingeving bieden. Het voorkomen van eenzaamheid (preventie) maakt onderdeel uit van dit gevarieerde aanbod.
Waarom is het feit dat de Zilverlijn gaat stoppen pas bekend gemaakt op donderdag 27 januari 2022, een maand voordat het zal stoppen?
Het Ouderenfonds heeft met een brief op 27 januari jl. de vrijwilligers en ouderen geïnformeerd. De ouderen zijn daarbij gewezen op alternatieven, zoals bijvoorbeeld de Luisterlijn en lokale telefoondiensten zoals belcirkels. De vrijwilligers worden bedankt voor hun inzet. Het Ouderenfonds zet zich in om deze vrijwilligers te koppelen aan andere projecten en diensten binnen het Ouderenfonds. Het stoppen met de Zilverlijn en de wijze waarop dat bekend is gemaakt is een zelfstandige beleidskeuze geweest van het Ouderenfonds waarin VWS geen rol heeft gespeeld.
De teleurstelling onder een deel van de ouderen en vrijwilligers is begrijpelijk, echter een eerdere vooraankondiging had aan deze teleurstelling waarschijnlijk niets verminderd.
Vindt u niet dat dit laat is voor zowel de ouderen die er gebruik van maken als ook voor de vrijwilligers van beide projecten?
Zie antwoord op vraag drie.
Klopt het dat het verschil met de Luisterlijn is dat het initiatief bij de Zilverlijn bij de vrijwilligers ligt en dat ouderen gebeld worden?
Ouderen worden via de Zilverlijn op een vast afgesproken dagdeel gebeld door één van de getrainde vrijwilligers. De Luisterlijn is voor ouderen 24/7 beschikbaar. Ouderen kunnen hier op ieder gewenst tijdstip zelf contact mee leggen.
Deelt u ook het punt dat juist voor ouderen die aan huis gekluisterd zijn door ouderdom of een beperking, het een keer per week gebeld worden door een vrijwilliger een sociale activiteit is?
Zoals aangegeven vraagt de aanpak van eenzaamheid een gevarieerd aanbod van interventies. Het stimuleren van meer activiteiten en contacten in de buurt en daar een netwerk opbouwen met mensen die kunnen omzien naar elkaar is belangrijk bij de aanpak van eenzaamheid. Voor ouderen die geholpen zijn door telefonisch contact blijven gelukkig diverse andere telefoondiensten beschikbaar. In veel gemeenten weten ouderen de weg te vinden naar de lokale welzijnsorganisaties waar eveneens belservice-diensten worden aangeboden. Dat varieert van beeldbellen tot belcirkels.
Klopt het dat er meer dan 1.000 ouderen gebruik maken van de Zilverlijn?
De Zilverlijn bedient circa 620 ouderen.
Begrijpt u dat de preventieve aanpak waar het Nationale Ouderenfonds voor kiest geen directe oplossing is juist voor de groep ouderen die gebruikt maakt van de Zilverlijn?
Zie antwoord op vraag 6.
Klopt het dat u de Zilverlijn en schrijfmaatje subsidieert of heeft gesubsidieerd? Zo ja, hoe groot bedraagt de jaarlijkse subsidie?
Ik heb de Zilverlijn en Schrijfmaatje niet gesubsidieerd. Het stopzetten heeft derhalve geen consequenties met betrekking tot subsidiëring.
Wat betekent het stopzetten van de Zilverlijn en schrijfmaatje voor de jaarlijkse subsidiering (vraag 7)?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid in overleg te gaan met het Nationale Ouderenfonds over de ontstane situatie?
Het Ouderenfonds zet zich in tegen eenzaamheid onder ouderen en heeft zich aangesloten bij de Nationale Coalitie tegen eenzaamheid. Ik heb geregeld overleg met het Ouderenfonds en heb ook over deze beslissing gesproken. Ik blijf in gesprek over initiatieven en activiteiten die betrekking hebben op de aanpak van eenzaamheid.
Investeringen in stalsystemen Noord- Brabant. |
|
Thom van Campen (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in de provincie Noord-Brabant naar schatting 1.500 boeren gaan stoppen en dat nog eens circa 2.200 veehouderijen hun stallen aangepast moeten hebben per 1 januari 2024 aan de strenge eisen voor ammoniakreductie die in deze provincie per 1 januari 2024 gesteld worden?
Ja, ik heb het artikel in het ED van 17 februari jl. gezien.
Bent u er tevens mee bekend dat Noord-Brabant hiermee vooroploopt in Nederland en dat de provincie deze beweging volop ondersteunt en stimuleert, waarmee Brabant een meer dan substantiële bijdrage levert aan de landelijk te behalen stikstofdoelstellingen?
Er zijn landelijke normen voor de emissie van ammoniak uit stallen in het kader van de Wet milieubeheer. Deze zijn opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het is mij bekend dat Noord-Brabant in het kader van de Wet natuurbescherming striktere normen dan de nationale normen stelt. Limburg en Utrecht doen dat ook.
Noord-Brabant heeft reeds in 2017 het besluit genomen de normen voor ammoniak uit stallen per 2022 aan te scherpen ten behoeve van het reduceren van de stikstofdepositie op de Brabantse Natura 2000-gebieden. In 2019 is door de provincie besloten om deze datum uit te stellen naar 1 januari 2024. De provincie biedt ondersteuning aan initiatieven door kennis, netwerken en subsidies beschikbaar te stellen aan veehouders die willen innoveren, waaronder recent nog subsidie voor veehouders die een innovatief stalsysteem met bronaanpak in hun stal willen toepassen. De Brabantse Taskforce Toekomstbestendige Stallen speelt bij deze ondersteuning een belangrijke rol.
De aanscherping van de provincie Noord-Brabant staat los van de landelijke aanscherping van de emissienormen voor ammoniak uit stallen per uiterlijk 2025, zoals aangekondigd in de brief van 24 april 2020 aan uw Kamer over de structurele aanpak stikstof (Kamerstuk 35 335, nr. 82). Voor bestaande stallen gaat dan een nader te bepalen overgangsperiode gelden, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van boeren. Deze maatregel wordt momenteel nader uitgewerkt.
Bent u zich ervan bewust dat met deze ontwikkeling een ongelijk speelveld binnen Nederland voor de Brabantse boeren dreigt te ontstaan, doordat de middelen uit het regeerakkoord voor de landbouwtransitie (waaronder voor innovatie) pas op zijn vroegst in 2023–2024 beschikbaar komen?
Het kabinet heeft gekozen voor een gedifferentieerde aanpak om de natuur in Nederland in goede staat te brengen. Deze aanpak krijgt de komende periode verder vorm. Over de hoofdlijnen van deze aanpak heb ik uw Kamer op 1 april 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 265, hierna: «Hoofdlijnenbrief). Gezien de versnelling en intensivering die hierbij noodzakelijk is, wil ik de mogelijkheden die zich voordoen om de benodigde transitie in te zetten ook daadwerkelijk benutten. Vanuit die invalshoek kijk ik ook naar de opgave die er ligt voor de Brabantse boeren en de mogelijkheden om die te ondersteunen. Zoals in de Hoofdlijnenbrief aangegeven, heb ik de provincies ook gevraagd met voorstellen te komen. Daarnaast wil ik waar mogelijk duidelijkheid scheppen over de landelijke normen voor de emissie van ammoniak uit stallen waaraan veehouders in de toekomst moeten gaan voldoen. Daartoe verken ik een versnelling van de in 2020 aangekondigde aanscherping van emissienormen voor ammoniak uit nieuwe en bestaande stallen (Kamerstuk 35 335, nr. 82).
Daarnaast zijn er reeds nationale middelen beschikbaar voor innovatie via bijvoorbeeld de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). De innovatiemodule van de Sbv is inmiddels drie keer opengesteld. Op dit moment is een nieuwe openstelling van de investeringsmodule van de Sbv in voorbereiding. Ik ben voornemens hierbij gebruik te maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn binnen de structurele aanpak stikstof voor stalmaatregelen (280 miljoen euro voor de periode 2023–2030). Deze openstelling is in het derde kwartaal van 2022 voorzien. Daarmee krijgen ook veehouders in Noord-Brabant zo snel mogelijk toegang tot subsidie voor het toepassen van emissiearme stalsystemen.
Bij de uitwerking van de subsidievoorwaarden in de Sbv verken ik hoe rekening kan worden gehouden met het feit dat veehouders in onder andere Noord-Brabant op kortere termijn en aan strengere provinciale emissienormen moeten voldoen.
Realiseert u zich tevens dat ondernemers ruim voor die tijd het besluit over hun toekomst en de investeringsbeslissing met betrekking tot bijvoorbeeld stalaanpassing genomen moeten hebben en hun vergunningaanvraag moeten hebben ingediend?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u gezien het bovenstaande bereid om, vooruitlopend op de uitwerking van het transitiefonds, ondernemers in Noord-Brabant versneld en tijdig toegang te geven tot de noodzakelijke faciliteiten om onder andere investeringen mogelijk te maken, zodat een ongelijk speelveld binnen Nederland kan worden voorkomen en het behalen van de nationale stikstofdoelen wordt gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 3.
Het meedoen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorme positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier ook een mooie rol voor uzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert, omdat een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel zorgt een voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen en omdat daarnaast een plantaardig dieet ervoor zorgt dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de programma’s Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Heeft u gelezen dat de voorzitter van de Duitse land- en tuinbouworganisatie inmiddels van mening is dat de opmars van een plantaardig eetpatroon goede kansen biedt voor boeren en voor de landbouw uiteindelijk meer voordelen dan nadelen kent?4 5 Deelt u deze inzichten?
Zie het antwoord op vraag 2. Ik deel het inzicht dat een plantaardig eetpatroon ook goede kansen biedt voor de landbouw.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet u uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van LNV heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
De proportionaliteitstoets inzake de coronatoegangsbewijzen. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoord op vraag 127 uit de lijst van vragen en antwoorden over de effectiviteit van verschillende toepassingen van het Coronatoegangsbewijs?1
Ja.
Kunt u de genoemde proportionaliteitstoets naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De proportionaliteitstoets is in de toelichting bij de aanpassingen van de Tijdelijke regeling maatregelen opgenomen2 en dus reeds naar de Kamer gestuurd. Dit is conform artikel 58b lid 2 van de Wet publieke gezondheid, waarin nadere eisen worden gesteld aan de inzet van de tijdelijke bevoegdheden voor de bestrijding van de covid-19 epidemie.
Bent u ermee bekend dat een (veel) plantaardig(er) dieet een enorme positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1 Ziet u hier – als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatief kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?
Wij zijn bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert?2 Niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, het zorgt er ook voor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen.
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)?3 Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst, én een gevarieerd en gezond menu, én een goed voorbeeld voor de scholieren?
Wij zijn bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de programma’s Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op ons ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Past u het principe «Carnivoor? Geef het door!», wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt, nog steeds toe op uw ministerie?
Het Ministerie van OCW heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Wij hebben getracht de antwoorden voor ons departement voor 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt vanwege interdepartementale afstemming over de beantwoording van uw vragen.
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorme positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën? Ziet u hier, als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities, ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1 2
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert – niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?3
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen èn obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?4
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de programma’s Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lange na niet in elke school een kantine aanwezig.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
Ja. De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel. Daarnaast is er de hele week een actie op intranet waarin vegan recepten worden gepost en medewerkers ook worden uitgenodigd recepten te delen. De verzamelde recepten zullen worden samengevoegd in een kookboekje dat eveneens op intranet zal worden aangeboden.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Mijn departement werkt aan alle aspecten van verduurzaming van onze bedrijfsvoering, waaronder voeding. Daarin is er veel aandacht voor de verschuiving in de balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten, zie ook mijn antwoord hierboven. Het principe waarin de vegetarische keuze de standaard is voor vergaderlunches en recepties is daar bijvoorbeeld ook een belangrijk onderdeel van. Belangrijk uitgangspunt hierbij is de Schijf van Vijf. Hierbinnen is ruimte voor vlees en zuivel, maar wordt actief gestuurd op een aanbod waarbinnen de duurzame keuze de normale en gemakkelijke keuze is. Daarnaast wordt door BZK interdepartementaal onderzocht hoe meer lokale en biologische producten kunnen worden gebruikt.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Dat is me helaas niet gelukt.
Het gebruik van de RAV-lijst voor vergunningverlening. |
|
Thom van Campen (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van provincie Utrecht om lopende het hoger beroep de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV)-lijst niet te gebruiken voor vergunningverlening? Zo ja, kan een provincie dit zelfstandig besluiten?
Ja, dat is bij mij bekend.
AERIUS-Calculator vormt een hulpmiddel voor bevoegde gezagen (provincies) bij vergunningverlening op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb). Met Calculator kunnen initiatiefnemers en bevoegde gezagen aan de hand van emissiegegevens de depositie van een plan of project in kaart brengen. De Rav-factoren vormen input voor AERIUS-Calculator om stalemissies te kunnen berekenen. In artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming is de wettelijke verplichting voor het gebruik voor AERIUS-Calculator vastgelegd.
Provincies zijn bevoegde gezagen voor het verlenen van vergunningen in het kader van de Wnb. Provincies mogen gemotiveerd afwijken van de standaard emissiefactoren die AERIUS-Calculator biedt. In dit kader kunnen provincies ook beslissen dat zij tijdelijk geen besluiten nemen op basis van één of meerdere Rav-factoren.
Onderschrijft u de analyse van de provincie Utrecht dat «De stikstofbesluiten van de provincie zijn gebaseerd op landelijke standaarden. Deze staan door de uitspraken ter discussie. Ook andere provincies hebben daarmee te maken en andere rechtbanken hebben inmiddels vergelijkbare uitspraken gedaan». Zo ja, heeft u signalen dat ook andere provincies overwegen om de RAV-lijst lopende het hoger beroep niet langer te gebruiken voor vergunningverlening?
Ik onderschrijf deze analyse niet. Zoals eerder aangegeven1 zijn de emissiefactoren voor ammoniak uit stallen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
In de betreffende procedures ging het niet zozeer om de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid. De rechtbanken stellen ter discussie of de Rav-factoren in alle gevallen naar hun aard, zonder nadere onderbouwing, kunnen worden gebruikt voor het verlenen van Wnb-vergunningen. De rechtbanken oordelen dat de Rav-factoren in bepaalde gevallen onvoldoende zekerheid bieden over de emissie/depositie. De rechters wijzen in dit verband op de hoge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de vereiste zekerheid dat een project niet leidt tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
De provincie Utrecht heeft mij geïnformeerd dat zij ervoor hebben gekozen om, in afwachting van het hoger beroep, vergelijkbare gevallen als waar de rechtbank Midden-Nederland onlangs over heeft geoordeeld tijdelijk geen vergunningen meer te verlenen.
Provincies hebben gezamenlijk besloten om in algemene zin door te gaan met het verlenen van Wet natuurbescherming-vergunningen op basis van de Rav-factoren. Ook de provincie Utrecht blijft vergunningen verlenen op basis van de Rav-factoren, uitzondering daarop zijn vergelijkbare gevallen als waar de rechtbank Midden-Nederland over heeft geoordeeld.
Kunt u bevestigen dat de discussie zich toespitst op alleen emissiearme vloeren, die vanaf 2015 bij uitbreiding of nieuwbouw van gangbare melkveebedrijven verplicht zijn gesteld op basis van het Besluit emissiearme huisvesting?
Ik kan dit niet bevestigen. Dat is echter ook niet van belang. Rechtbanken stellen het gebruik van de Rav-factoren voor Wnb-vergunningverlening ter discussie op basis van onzekerheid van de factoren. Rechtbanken stellen de methode van vaststelling van de emissiefactoren niet ter discussie.
Kunt u bevestigen dat in AERIUS(-monitor) de emissie uit de landbouw is bijgesteld op basis van de veronderstelling dat emissiearme vloeren niet werken?
De Rav-factoren spelen, voor zover het de Wnb betreft, enkel vooral een rol als emissiefactor in AERIUS-Calculator. AERIUS-Monitor toont de totale achtergronddepositie op basis van emissies uit de Emissieregistratie en maakt gebruik van het Model NEMA. Bij het bepalen van deze totale achtergronddepositie wordt, onder andere door de WUR (in de praktijk CBS) gebruik gemaakt van de nieuwe wetenschappelijke inzichten over de effectiviteit van een staltype. De achtergronddepositie wordt jaarlijks geactualiseerd voor zowel AERIUS-Calculator als AERIUS-Monitor.
Kunt u bevestigen dat de protocollen voor het toekennen van RAV-factoren sinds 2015 zijn aangescherpt? Zo ja, kunt u aangeven in hoeverre de (opeenvolgende) aanscherpingen van de protocollen de betrouwbaarheid van de toegekende RAV-factoren heeft verbeterd?
In de Rav-wijziging van april 2017 is het meetprotocol «Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013» vervangen voor een nieuwe versie (protocol 2013a). In deze wijziging is een addendum toegevoegd dat verduidelijking en nadere uitleg over het onderdeel metingen bij open stallen geeft. En er is een standaardisering van meetresultaten doorgevoerd, waardoor metingen beter vergelijkbaar zijn.2 De verduidelijking en standaardisering was nodig om te voorkomen dat er interpretatieverschillen tussen meetpartijen en beoordelaars ontstaan van onderdelen van het meetprotocol. Metingen met het protocol 2013 zijn daarmee niet onbetrouwbaarder dan metingen met protocol 2013a. Het protocol is niet aangescherpt.
Wel is het zo dat er vanwege die interpretatieverschillen met het meetprotocol 2013 in een aantal meetrapporten voor emissiearme melkveevloeren weliswaar volgens het protocol is gemeten, maar dit voor een kleine overschatting van de werking van de techniek heeft gezorgd. Deze overschatting is gecorrigeerd bij het vaststellen van de uiteindelijke emissiefactor. Deze correctie is bij stallen die zijn gemeten met het huidige meetprotocol (2013a) niet meer nodig.
Kunt u bevestigen dat de RAV-factoren die vandaag de dag toegekend worden, toegekend worden op basis van de best beschikbare wetenschappelijke methode?
Ja, emissiefactoren zijn tot stand gekomen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke meetmethode en beoordeling volgens een procedure die ook internationaal wordt toegepast. Daarbij vindt ook een zogenaamde expert judgement plaats. Ze zijn in internationale vergelijking goed, zoals is aangegeven in het advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.3
Deelt u de mening dat in de gebiedsgerichte aanpak innovatie een volwaardige rol moet spelen?
Ja, ik deel die mening. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord kunnen in de gebiedsgerichte aanpak extensivering van productie, omschakeling naar andere vormen van productie, inzet van innovatieve techniek, legalisering en verplaatsing van bedrijven helpen bij versnelling van verduurzaming in de landbouw. Binnenkort ontvangt uw Kamer een hoofdlijnenbrief over de integrale gebiedsgerichte aanpak, waarin ik zoals aangegeven in mijn planningsbrief van 10 februari jl. (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 97), onder andere nader zal in gaan op de instrumenten in de gebiedsgerichte aanpak.
Deelt u de mening dat het onwenselijk zou zijn dat als de RAV-lijst als onderbouwing van de vergunning wegvalt, daarmee de mogelijkheid vervalt om via innovatie stikstofruimte vrij te spelen binnen de gebiedsgerichte aanpak?
De Rav-lijst vormt een belangrijke input voor het berekenen van stalemissies en-deposities met AERIUS-Calculator. AERIUS-Calculator vormt vervolgens een belangrijk instrument om een inschatting te maken van emissies en deposities van een plan of project.
Met de Rav-factoren kan een inschatting worden gemaakt van emissies. Innovatie kan een belangrijke pijler zijn van de gebiedsgerichte aanpak.
Begrijpt u de zorg dat een aantal emissiearme vloeren, die vanaf 2015 werden toegepast en waarvan de werking al in een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2019 werd betwist, er nu ten onrechte voor lijken te zorgen dat de gehele RAV-systematiek ter discussie staat?
Ik onderschrijf die zorg niet. Met betrekking tot de verlening van de omgevingsvergunning milieu, waar de emissiefactoren primair voor bedoeld zijn, zijn er geen rechterlijke uitspraken die de systematiek van de Rav in twijfel brengen.
De Rav kan bij vergunningverlening en toezicht en handhaving gebruikt worden om stalsystemen te toetsen aan de normen (de zogenaamde maximale emissiewaarde) in het Besluit emissiearme huisvesting. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2 en 3 stellen de rechtbanken de meetmethode voor het vaststellen van de emissiefactoren niet ter discussie.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de motie van de leden Van Campen en Boswijk (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 37) waarin de regering wordt verzocht de provincies maximaal te ondersteunen in het hoger beroep?
Ik ondersteun de provincie Utrecht in de hoger beroepszaken door juridische ondersteuning te bieden waar nodig.
Is het mogelijk om op korte termijn, vóórdat het hoger beroep dient, een schifting te maken tussen enerzijds emissiearme stalsystemen die een RAV-factor hebben op basis van verouderde protocollen en/of waarvan de werking in onderzoeken ter discussie is gesteld en anderzijds emissiearme stalsystemen die een RAV-factor toegekend hebben gekregen volgens de best beschikbare wetenschappelijke methode en waarvoor op dit moment geen wetenschappelijk gefundeerde reden is om aan de werking te twijfelen?
Nee. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, is er geen sprake van een minder grote betrouwbaarheid van Rav-factoren die zijn vastgesteld volgens het meetprotocol 2013 dan protocol 2013a. Emissiefactoren van emissiearme melkveevloeren die zijn vastgesteld met protocol 2013 zijn, daar waar nodig, gecorrigeerd.
De twijfel die is ontstaan bij de recente uitspraken over de toepassing van de Rav-factor bij de Wnb-vergunning gaan niet over de onderbouwing van de Rav-factoren in zijn algemeenheid of het toegepaste meetprotocol, maar over de vraag of bij toepassing van de Rav-factor bij een project als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn ook voldoende zekerheid bestaat dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied (zie ook beantwoording op vraag 2). Op dat punt vond de rechtbank een nadere onderbouwing noodzakelijk.
Is het mogelijk om daarmee de emissiefactoren op de RAV-lijst op te schonen, zodat de RAV-systematiek als geheel niet langer ter discussie staat en innovatie een volwaardige rol kan blijven spelen in de gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 9 staat niet de Rav-systematiek ter discussie, maar de toepassing van de Rav-factor bij de onderbouwing dat er geen significante gevolgen zijn voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Zoals ook in beantwoording van vraag 7 aangegeven, vind ik het van belang dat innovatie een volwaardige rol kan blijven spelen, ook in de stikstofaanpak. Ik verken daarom oplossingen voor de problematiek die voortvloeit uit de verschillende uitspraken van rechtbanken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, is het opschonen van emissiefactoren op de RAV-lijst niet zinvol.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om een negatief oordeel van de Raad van State over de (on)zekerheid van de RAV-factor van de betreffende emissiearme vloeren te voorkomen door tijdig managementmaatregelen (sproeien loopvloer, water bij de mest, werking en frequentie mestschuif en mestrobot) aan te scherpen, te borgen dat de emissiearme vloer goed schoon worden gehouden en aanvullende technische maatregelen voor te schrijven, zoals het gescheiden opslaan van mest en urine en/of het afvangen van de mestgassen uit de mestkelder?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft uw Kamer in zijn brief van 30 november 20214 bericht over de onderzoeken naar combiluchtwassers, waarin hij vervolgstappen heeft aangekondigd. Het Ministerie van IenW is thans in overleg met de varkenssector en andere betrokken partijen over concrete verbeteracties.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft uw Kamer in de brief van 13 oktober 20205 geïnformeerd over de hogere uitstoot van ammoniak uit emissiearme stallen. In deze brief is de volgende toezegging opgenomen: «De Staatssecretaris van IenW geeft opdracht aan WUR om onderzoek uit te voeren naar stalmanagement van emissiearme stallen. Dit omdat het CDM6 aangeeft dat emissiebeperking door tal van factoren wordt beïnvloed, waaronder het management van de veehouder». De Staatssecretaris van IenW verwacht het eindrapport van dit onderzoek medio dit jaar aan uw Kamer te zenden, voorzien van een beleidsreactie. Een gesprek met de sector over een pakket aan maatregelen om de werking van emissiearme stalsystemen te verbeteren, is pas zinvol als het eerdergenoemde eindrapport beschikbaar is.
Bent u bereid om met de sector in gesprek te gaan over een pakket aan maatregelen om de werking van emissiearme stalsystemen te verbeteren?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bekend met de besluiten van de provincies Overijssel en Noord-Brabant om een commissie van deskundigen in te stellen ten behoeve van de vergunningverlening, die het college in deze provincies kan adviseren over de toepassing van emissiebeperkende technieken en managementmaatregelen (binnen het geheel van de agrarische bedrijfsvoering) gericht op de beperking van stikstofemissies die landelijk nog niet zijn goedgekeurd en/of vastgelegd binnen de RAV?
Ik ben daarmee bekend.
Deelt u de mening dat als een provincie met behulp van een commissie van deskundigen emissiebeperkende technieken en managementmaartregelen kan borgen voor vergunningverlening, diezelfde werkwijze ook toegepast kan worden om emissiebeperkende technieken en maatregelen landelijk te borgen? Zo ja, wat is er nog voor nodig om deze werkwijze landelijk in te voeren en hoeveel tijd heeft u daarvoor nodig? Zo nee, waarom niet?
Emissiebeperkende technieken worden in het huidige Rav-systeem reeds beoordeeld door de Technische Advies Pool (TAP), bestaande uit deskundigen op het gebied van stalsystemen, emissies en metingen. Zie voor de samenstelling van de TAP: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/innovatieve-veehouderij/regeling-ammoniak-veehouderij/erkenning-innovatief-stalsysteem-ammoniakuitstoot.
Bij elke aanvraag voor een proefstalfactor of een beoordeling van een meetrapport zijn er altijd minimaal twee beoordelaars. RVO zorgt ervoor dat alle deskundigen beoordelen volgens een gezamenlijk afgestemd beoordelingskader. Het beoordelingskader volgt de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Onder het PAS was het ook mogelijk voor een veehouderij om vrijwillige voer- en managementmaatregelen te treffen, deze waren opgenomen in bijlage 2 van de Rav. Deze managementmaatregelen zijn door de TAP beoordeeld en meegenomen in de berekening van de ammoniakdepositie.
Indien voer- en managementmaatregelen een waarborg kunnen vormen voor Wnb-vergunningverlening, zal ik dit in overweging nemen.
Hoe reflecteert u op de suggestie van de Rechtbank Oost-Brabant dat de verweerder extra emissiereducerende maatregelen zou kunnen nemen en dat de meerkosten daarvan kunnen worden verhaald op de overheid?1
Een bedrijf kan in beginsel zelf extra reducerende maatregelen nemen en het is op zichzelf niet noodzakelijk dat een bedrijf het legalisatieprogramma afwacht zoals de rechtbank Oost-Brabant overweegt. Wat betreft een eventueel verhaal van kosten geeft de rechtbank aan dat daarvoor het vertrouwensbeginsel zou moeten zijn geschonden. Over de vraag of dat het geval is en ook daadwerkelijk tot schadeplichtigheid zou leiden laat de rechtbank zich niet uit. Die schadeplichtigheid hangt ook af van andere factoren, zoals de vraag of het gaat om kosten die uitstijgen boven het normaal maatschappelijk ondernemersrisico, waar normaliter de kosten voor mitigerende maatregelen door de ondernemer zelf dienen te worden betaald. Het is weinig zinvol om daar algemene uitspraken over te doen. In de aanpak van het legalisatieprogramma is niet in een dergelijke mogelijkheid voorzien.
De podcast 'Gaat de wetenschap ten onder aan open science?' |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de podcast «Gaat de wetenschap ten onder aan open science?»1 van dr Kelder en Co op 19 februari 2022, waarin Hans Clevers zijn zorgen uit over het wetenschappelijk klimaat in Nederland doordat de invulling van het concept «open science» nauw verbonden is met het programma «Erkennen en Waarderen», dat volgens hem onze internationale positie zal schaden, of al schaadt? Hoe beoordeelt u deze uitspraak? Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Open science en de modernisering van het systeem van erkennen en waarderen hebben zeker een relatie. Ze versterken elkaar. Naast het streven naar meer transparantie en openheid over vergaarde kennis heeft open science ook tot doel wetenschap en samenleving dichter bij elkaar te brengen.2 Dit in het streven naar een hogere maatschappelijke waarde van wetenschap en het versterken van het publieke vertrouwen in de wetenschap. Succes op dit terrein is niet gemakkelijk terug te voeren naar traditionele wetenschappelijke output zoals publicaties, maar heeft wel een grote doorwerking kunnen hebben in de samenleving en de wetenschap.
De zorg dat de bewegingen van open science en erkennen en waarderen de internationale positie zullen schaden deel ik niet. Ik constateer dat de tot nu toe gezette stappen de Nederlandse wetenschap juist internationaal beter positioneren.
Bent u daarnaast bekend met de artikelen «Nieuwe Erkennen en waarderen schaadt Nederlandse wetenschap»2 en «Bedreigingen voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in Nederland brengen onze toekomstige welvaart in gevaar»3, waarin door academici wordt gewaarschuwd dat beleid gerelateerd aan «Erkennen en waarderen» leidt tot meer willekeur en minder kwaliteit en dat dit beleid grote gevolgen zal hebben voor de internationale erkenning en waardering van Nederlandse wetenschappers? Hoe beoordeelt u deze constatering?
Ja. Daar ben ik mee bekend.
Ik kan mij goed vinden in de gezamenlijke position paper van de kennisinstellingen en wetenschapsfinanciers.5 Daarin wordt terecht geconstateerd dat de huidige wijze waarop academici worden erkend en gewaardeerd onvoldoende in balans is met het takenpakket. Het landelijk programma Erkennen en Waarderen brengt daar een welkome modernisering in aan. Het is een cultuur- en systeemverandering die meer ruimte moet bieden aan de pluriformiteit van taken van academici.
Het is niet het geval dat het herzien van deze systematiek gepaard gaat met meer willekeur. Door aandacht te hebben voor de specifieke context en ruimte te laten voor leden van een team om hun eigen bijdrage te leveren aan een gezamenlijk doel, biedt dit systeem juist meer ruimte voor de vele dimensies van kwaliteit – in de brede zin van het academisch werk.
Zoals bij elke transitie is het denkbaar dat een verandering in de wijze waarop in Nederland academici beoordeeld worden gevolgen kan hebben voor individuele wetenschappers in het internationale veld. Voor de wetenschap als geheel heb ik daar echter op dit moment nog geen signalen van ontvangen. Het blijft bij deze transitie wel belangrijk om zowel nationaal als internationaal de vinger aan de pols te houden. Dat zal ik doen door jaarlijks aan uw Kamer te rapporteren over de voortgang van het landelijk programma Erkennen en Waarderen. Dit programma wordt gedragen door UNL, NWO, KNAW, NFU en ZonMw en heeft als doel ruimte voor ieders talent aan de academie te realiseren, oftewel, het nieuwe erkennen en waarderen. Het programma heeft een looptijd van vijf jaar (2022–2026) en daarbij zal periodiek een «cultuurbarometer» worden uitgevoerd naar de bekendheid van erkennen en waarderen en de uitwerking ervan.
Bent u daarnaast bekend met het artikel «Heroriëntatie NWO-Talentcompetities bedreigt toekomst Nederlandse wetenschap»4 van 2 februari 2022, waarin 95 jonge wetenschappers hun zorgen uiten over de impact van «Erkennen en Waarderen» bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO)? Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik ben recent ook in gesprek gegaan met enkele van de briefschrijvers over dit onderwerp. NWO is zich, in samenspraak met een groot aantal belanghebbenden, aan het bezinnen op de Talentcompetitie. Dat is een zorgvuldig proces waar ik veel vertrouwen in heb. NWO heeft binnen het programma Erkennen en Waarderen als onderzoeksfinancier overigens een andere functie dan bijvoorbeeld een universiteit als werkgever. NWO is zich hier terdege van bewust enzal voorstellen altijd blijven beoordelen op basis van de kwaliteit van het onderzoek, die van de onderzoeker(s) en van de verwachte wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact van dat onderzoek.
Ervan uitgaand dat u eveneens wilt dat Nederland een internationale toppositie in de wetenschap houdt, kunt u aangeven wat volgens u het effect van het programma «Erkennen en Waarderen» op die positie is?
Zie mijn antwoorden bij vraag 1 en 2.
Deelt u de mening dat open science als begrip – het beter en transparant beschikbaar stellen van met publiek geld vergaarde kennis – niet per se hoeft samen te gaan met alle aspecten van het programma «Erkennen en Waarderen», dus dat die twee los van elkaar kunnen staan? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 1.
Kunt u bevestigen dat NWO in het kader van deze nieuwe manier van evalueren bij publicaties het journal en zijn impactfactor niet meer meetelt en dat ook andere delen van het curriculum vitae (hierna: cv) sterk zijn ingekort? Kunt u ook bevestigen dat bij de NWO Open Competitie van de Exacte en Natuurwetenschappen het cv helemaal niet meer meetelt? Zo ja, bent u het hiermee eens?
NWO gaat zelf over de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling. NWO heeft inderdaad het besluit genomen om de Journal Impact Factor (JIF) en Hirsch-index (h-index) niet langer te gebruiken voor de beoordeling van individuen. Dit omdat het problematische indicatoren zijn voor individuele onderzoeksprestaties. NWO staat niet langer toe dat aanvragers een complete publicatielijst en een volledig overzicht van activiteiten opgeven, maar vraagt hen om een selectie te maken van de meest relevante outputs (breder dan enkel publicaties) en activiteiten in het kader van de aanvraag. Het is daarbij nog altijd mogelijk om relevante kwalitatieve en/of kwantitatieve indicatoren op te nemen, waarmee de kwaliteit van het voorstel en de ervaring van de onderzoeker kunnen worden onderbouwd. Deze aanpassingen zijn verwerkt in het zogenaamde narratief cv en zijn in lijn met de werkwijze van een aantal andere onderzoeksfinanciers in Europa en daarbuiten.7
Ik kan bevestigen dat bij het specifieke instrument waaraan u refereert, namelijk de kleine projecten (50.000 euro) in de Open Competitie van Exacte en Natuurwetenschappen, het curriculum vitae van de indiener niet wordt meegenomen. Dit is een bijzonder geval en heeft te maken met het specifieke doel van dit instrument.8 NWO wil hiermee risicovolle projecten financieren waarvoor binnen de bestaande instrumenten geen ruimte is. Deze voorstellen worden anoniem behandeld om ze louter te laten beoordelen op basis van het onderzoeksidee. Kwaliteit en originaliteit krijgen daarmee meer aandacht.
Acht u het mogelijk dat de aanvraagdruk en publicatiedruk, die het programma «Erkennen en Waarderen» beoogt weg te nemen, ook verminderd kan worden door 1) inzet van de nieuwe middelen voor onderzoeken, door 2) inzet van andere indicatoren aanvullend op de metrische, in plaats van metrische indicatoren af te schaffen? Zo ja, bent u van plan hierop in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Het hoofddoel van het landelijk programma is niet het wegnemen van aanvraagdruk en publicatiedruk. Het gaat hier om een flankerende transitie die dient om kennisinstellingen te stimuleren om de diverse taken van academici te erkennen.
De transitie in erkennen en waarderen heeft niet tot doel «metrische» indicatoren af te schaffen. De transitie geeft onderzoeksfinanciers en instellingen de ruimte om wetenschappers breder te beoordelen dan uitsluitend op basis van «metrische» indicatoren. Dit is tevens in lijn met het Strategisch Evaluatie Protocol9 voor wetenschappelijk onderzoek waarin het gebruik van betekenisvolle indicatoren (kwalitatief en kwantitatief) wordt gestimuleerd.
Deelt u de mening dat het voor academici geen zin meer heeft een mooi cv, inclusief internationale criteria, op te bouwen, als wat op dat cv staat niet of veel minder meegewogen mag worden bij aanvragen? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 6.
Hoe wilt u het aanmoedigen van excellentie vormgeven binnen een dergelijk stelsel?
Een uitmuntende kwaliteit van kennis blijft ook in het nieuwe erkennen en waarderen het uitgangspunt. Door oog te hebben voor de volledige breedte van het academisch werk kunnen talenten op waarde worden geschat en is er ruimte om ook de prestaties op domeinen zoals onderwijs, impact en leiderschap te belonen. Deze diversificatie schept de mogelijkheid om een veelheid van talenten op waarde te schatten, waarbij ook oog voor teamprestaties mogelijk is.
Kunt u aangeven welke landen aantoonbaar volgens dezelfde systematiek als «Erkennen en Waarderen» werken?
Zowel in het huidige systeem als in de toekomstige manier van erkennen en waarderen zijn er geen twee landen in de wereld die met aantoonbaar dezelfde systematiek werken. Nederland is uniek met de landelijke aanpak en bijbehorende programmastructuur, maar ook in andere landen worden vergelijkbare stappen gezet. Meerdere internationale onderzoeksfinanciers passen momenteel hun procedures aan en steeds meer instellingen en individuen ondertekenen de San Francisco Declaration on Research Assesment (DORA)10. Zij steunen het uitgangspunt om onderzoek te beoordelen op inhoud en niet op afgeleide indicatoren.
Op internationaal niveau zijn er meerdere initiatieven waarbinnen afstemming rond de thema’s van open science en erkennen en waarderen plaatsvindt. De bereidheid om hier aan deel te nemen is hoog.11 Eerder noemde ik al de acties die lopen binnen de Europese Onderzoeksruimte. Daarnaast werken de Europese koepels Science Europe en de European Association of Universities met steun van de Europese Commissie12 aan een initiatief om de beoordeling van onderzoek en onderzoekers af te stemmen. Ruim 250 organisaties uit 30 landen hebben zich bij dit initiatief aangesloten. Het uitgangspunt van deze research assesment working group, evenals dat van initiatieven in Noorwegen, Finland en Latijns Amerika, is steevast dat verandering nodig is, omdat bij beoordeling momenteel minder geschikte en beperkte methoden en criteria gebruikt worden om de kwaliteit, prestaties en impact van onderzoek en onderzoekers te beoordelen. Ook in de recent aangenomen UNESCO «Recommendation on Open Science» wordt opgeroepen de twee doelen van open science en erkennen en waarderen met elkaar in lijn te brengen.13 Het Nederlandse onderzoeksveld is goed vertegenwoordigd bij deze initiatieven en daar ben ik trots op.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze zorgen nu al geruime tijd leven bij wetenschappers? Bent u als stelselverantwoordelijke bereid deze zorgen serieus te nemen en in gesprek te gaan met voor- en tegenstanders van «open science», de «San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA)» en «Erkennen en Waarderen»? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de zorgen die leven. Tegelijkertijd zie ik veel academici die hoop putten uit deze cultuurverandering. Het is van het grootste belang dat academici gehoord worden, met elkaar spreken over erkennen en waarderen en dat zij zelf invloed hebben op deze cultuurverandering. Daarom worden door het hele land – bij alle betrokken universiteiten, onderzoeksinstituten en onderzoeksfinanciers -bijeenkomsten georganiseerd. Ook op landelijk niveau is er ruimte voor dialoog. Bijvoorbeeld bij het recent georganiseerde Recognition & Rewards Festival14 en bij bijeenkomsten die de KNAW binnenkort organiseert. Zorgen die tijdens zulke bijeenkomsten geuit worden door wetenschappers worden serieus genomen en meegewogen bij de implementatie. Zelf ben ik al in gesprek met wetenschappers over erkennen & waarderen. Dit doe ik bijvoorbeeld tijdens mijn vele werkbezoeken.
Het artikel ‘Een old boys-network: over de ‘zwijg- en angstcultuur’ bij Buitenlandse Zaken’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Daar waar u de eerste vrouw ooit op een van de hoogste ambtelijke functies op het departement, de directeur-generaal politieke zaken, had kunnen benoemen, hoe reflecteert u op uw beslissing in de afgelopen maand om uiteindelijk, na het allerlaatste «klikgesprek» met uzelf, toch te kiezen voor een man? Kunt u ingaan op de exacte reden om de mannelijke kandidaat te verkiezen? Heeft u actief uw best gedaan of de opdracht gegeven om, in het geval deze vrouw niet voldoende gekwalificeerd was volgens u, een andere vrouw te vinden voor deze positie? Bent u bereid om deze beslissing te herroepen, gezien de onrust die deze benoeming binnen het ministerie en in de samenleving teweeg heeft gebracht?
Over de afwegingen en conclusies binnen een selectieproces ten aanzien van medewerkers doe ik vanwege het personeelsvertrouwelijke karakter geen mededelingen. Zie in dit verband ook mijn antwoorden op de vragen van het lid Sjoerdsma (D66) over het bericht dat topfuncties op het Ministerie van Buitenlandse Zaken te vaak naar mannen gaan (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2238).
Wat is uw strategie om een cultuurverandering teweeg te brengen, met het oog op het gebrek aan diversiteit aan de top bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat al jaren voor discussie zorgt?
Ik heb mij altijd ingezet voor diversiteit en zal dat ook bij Buitenlandse Zaken blijven doen. Diversiteit is overigens al jaren een van de doelstellingen van het personeelsbeleid van het Ministerie. De Bestuursraad werkt hard aan diversiteit in alle lagen van de organisatie. Naar aanleiding van de recente petitie, waarin wordt gesteld dat er onvoldoende voortgang op het terrein van diversiteit wordt bereikt, heeft de secretaris-generaal aan de medewerkers laten weten dat dit signaal door de departementsleiding goed is begrepen en de komende tijd zal worden vertaald in diverse concrete acties.1 Ik zal hier zelf ook een rol in vervullen. De petitie van medewerkers over diversiteit heb ik zeer verwelkomd. In een brief aan alle medewerkers heb ik aangegeven dat het diversiteitsbeleid hoog op mijn agenda staat. Die boodschap heb ik tevens afgegeven in gesprekken met vertegenwoordigers uit alle geledingen van de organisatie.
Hoe reflecteert u op het feit dat wetenschappelijk onderzoek meermaals heeft aangetoond dat werkgevers werknemers uitkiezen die op hen lijken, zelfs als de andere kandidaat betere kwalificaties heeft? Deelt u de wens om de top bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken meer divers te maken? Zo ja, hoe ziet u de rol van een «klikgesprek» in het kader van voorgenoemd wetenschappelijk onderzoek?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bent u van plan om ervoor te zorgen dat het streefdoel van 50% vrouwelijke leidinggevenden op het ministerie in 2025 wel wordt gehaald en dat daarbij ook de diversiteit in de hoogste twee salarisschalen toeneemt?
Bij de 450–500 overplaatsingen die Buitenlandse Zaken jaarlijks telt, streeft het Ministerie naar een gender balans binnen alle geledingen en op alle niveaus in de organisatie, alsmede naar het percentage van 50% vrouwen in leidinggevende functies per 2025. Dit streven onderschrijf ik. Die boodschap heb ik ook afgegeven aan de medewerkers van het Ministerie. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat is uw appreciatie van de uitspraak in het artikel dat er een zwijg- en angstcultuur heerst op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Deelt u deze analyse? Zo ja, wat is uw strategie om deze zwijg- en angstcultuur te doorbreken?1
Mijn indrukken komen niet overeen met die uit het artikel. Ik heb Buitenlandse Zaken leren kennen als een zeer professionele, toegewijde en open organisatie. Dat neemt niet weg dat wij ons moeten blijven inspannen om er voor te zorgen dat alle medewerkers zich vrij voelen om een kritische houding aan te nemen. De eerder genoemde petitie is daarom ook positief ontvangen.
Hoe ziet u uw positie als een voorbeeldfunctie voor de rest van het ministerie, ook in relatie tot andere leden van het kabinet en tot ministeries?
Op 11 januari 2021 is het rapport uitgekomen van de Adviesgroep Vinkenburg over genderdiversiteit in de top van de (semi-)publieke sector. Met de leden van het kabinet geef ik daaraan opvolging, zoals is afgesproken in de ministerraad van 25 februari 2022: ministeries en hun uitvoeringsorganisaties gaan ernaar streven om binnen vijf jaar te komen tot genderpariteit in de (sub)top (man-vrouw verdeling tussen 45% en 55%). Binnen Buitenlandse Zaken heb ik hierin een voorbeeldfunctie, waar ik werk van wil maken. Zie voorts het antwoord op de vragen 2 en 4.
Het gunnen van een groot offshore windproject aan Chinese staatsbedrijven. |
|
Derk Jan Eppink (JA21), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat het BorWin6-project, bestaande uit een grootschalig windpark voor de Duitse kust waarvan de stroom via een HVDC-platform naar het vasteland wordt getransporteerd, onlangs door TenneT is gegund aan een consortium van McDermott, GEIRI en C-EPRI?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat McDermott voornemens is het HVDC(gelijkstroom)-platform te laten bouwen door Qingdao McDermott Wuchuan, een joint venture met het Chinese staatsbedrijf CSSC, in het Chinese Qingdao en dat GEIRI en C-EPRI beide dochterondernemingen van het Chinese staatsbedrijf State Grid Corporation of China (SGCC) zijn?
Ja.
Deelt u de conclusie dat dit project, dat een miljoen huishoudens van stroom moet gaan voorzien, hiermee volledig in handen is gekomen van de Chinese Communistische Partij? Zo nee, waarom niet?
Het is juist dat een offshore wind systeem van deze omvang kan voorzien in de elektriciteitsbehoefte van 1 miljoen huishoudens. De netaansluiting komt echter niet in Chinese handen. TenneT zal de eigenaar en beheerder van deze gehele netaansluiting zijn en zal de controle hebben over de besturing ervan. De hierboven genoemde Chinese staatsbedrijven zullen betrokken zijn bij de bouw van twee transformatorstations (één op zee en één op land) die onderdeel zullen zijn van de netaansluiting van het windpark met het net op land in Duitsland.
Ziet u niet de evidente risico’s van het in Chinese handen geven van cruciale schakels binnen onze energievoorziening?
Nederland zet in op het vroegtijdig detecteren en signaleren van risico’s en dreigingen voor de nationale veiligheid (Kamerstuk 30 281, nr. 125). Daarnaast moet TenneT er zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3 zal TenneT eigenaar en beheerder zijn van deze netaansluiting en ook de controle over de besturing ervan hebben. TenneT is daarnaast voor 100% eigendom van de Nederlandse staat. Er is geen sprake van invloed via een eventueel aandeelhouderschap.
Het project waar het hier om gaat, Borwin6, is overigens een Duits project van ruim 900 MW. Het betreft geen gunning voor een binnenlands project in de Nederlandse vitale infrastructuur. Het gaat om een investering in het Duitse deel van TenneT. Het platform is ook niet rechtstreeks verbonden met het Nederlandse net (het Nederlandse en Duitse net zijn via interconnectoren wel onderling verbonden).
Ten aanzien van deze concrete casus heeft TenneT aangegeven dat een eventuele uitval dan ook geen grote impact heeft op het Duitse net en de Duitse stroomvoorziening, en daarmee indirect ook niet op de Nederlandse.
Ook heeft het bedrijf voorafgaand aan de aanbesteding extra, aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen om eventuele externe beïnvloeding op het netwerk via dit platform te kunnen voorkomen.
Dit onderwerp heeft tot slot ook de aandacht van Duitsland. De vier Duitse hoogspanningsnetbeheerders (TSO’s) zijn begin dit jaar door het Duitse Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (BMWK) uitgenodigd om in algemene zin te overleggen over potentieel risicovolle leveranciers uit landen buiten de EU. Daarmee staat het onderwerp ook op het vizier van onze Duitse collega’s.
Bent u ermee bekend dat onder andere België2 en Australië3 SGCC eerder actief van hun energiemarkt weerden uit vrees voor de nationale veiligheid en Chinese controle over cruciale domeinen? Zo ja, waarom zouden dergelijke zorgen niet van toepassing zijn op het BorWin6-project?
De genoemde artikelen gaan niet over de aankoop van materiaal, maar over deelname in de TSO’s via een aandeelhouderschap, waarvan in Nederland en Duitsland geen sprake is.
Waarom bent u, als 100% aandeelhouder van TenneT, akkoord gegaan met het gunnen van deze aanbesteding aan Chinese staatsbedrijven?
Het organiseren van aanbestedingen en vervolgens de gunning van contracten aan marktpartijen is de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur van TenneT. Als aandeelhouder heeft de Minister van Financiën een goedkeuringsrecht bij investeringsvoorstellen die een bepaald drempelbedrag overschrijden. Bij investeringsvoorstellen worden het publieke belang, het rendement van een investering en de risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen bekeken. In het licht van de nationale veiligheid kan het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat bij een aanbesteding voor een Nederlands project ingrijpen in de procedure en dit afstemmen met het Ministerie van Financiën.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van mogelijke ongewenste inmenging in de Europese energie-infrastructuur. Daarom vinden het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Economische Zaken het ook van groot belang dat TenneT oog heeft voor de nationale veiligheid en economische veiligheid. Daarover is regelmatig contact tussen deze partijen. Zowel vanuit de rol als beleidsmaker als als aandeelhouder hebben het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Financiën in 2021 overleg gehad met TenneT en in algemene zin gesproken over de mogelijke risico’s rondom leveranciers van buiten de EU. Daarin is ook ter sprake gekomen dat niet alle onderdelen en componenten van een project cruciaal zijn voor het vitale proces (transport van elektriciteit) in Nederland.
Hoe verhoudt deze ogenschijnlijk probleemloze gunning van een grootschalig energie-infrastructureel project door het Nederlandse staatsbedrijf TenneT aan Chinese staatsbedrijven zich met de pogingen om de Chinese invloed op andere binnenlandse strategische domeinen juist terug te dringen?
De Nationale Veiligheidsstrategie (NVS) 2019 stelt dat statelijke actoren met als doel spionage, beïnvloeding, verstoring en sabotage, de grootste digitale dreiging voor de nationale veiligheid zijn, en dat dit een grote impact heeft op de Nederlandse economie en maatschappij. Technologische ontwikkelingen vergroten de afhankelijkheid, verwevenheid, complexiteit en onbeheersbaarheid van systemen en processen. Bovendien kan de strategische afhankelijkheid van buitenlandse partijen als (toe)leveranciers, producenten en dienstverleners, de kwetsbaarheid voor spionage, verstoring en sabotage in de hand werken.
Toenemende digitalisering en de afhankelijkheid daarvan zorgt ervoor dat de potentiële schade van digitale aanvallen (en het profijt dat een kwaadwillende actor ervan kan hebben) toeneemt. Verder geldt dat digitale dreigingen niet op zichzelf staan. Zo is er een wisselwerking met andere risico’s. Verstoring van elektriciteit kan bijvoorbeeld leiden tot een verstoring van informatiesystemen en omgekeerd.
De kabinetsinzet is om risico’s op ongewenste strategische afhankelijkheden te mitigeren. Nederland heeft een open investeringsklimaat. Dit vormt de hoeksteen voor onze maatschappij en economie en is een belangrijke randvoorwaarde voor ons verdienvermogen en innovatiekracht. Het kabinet is zich bewust van de risico’s met betrekking tot strategische afhankelijkheden en verstoringen in vitale processen. De AIVD benoemde in haar jaarverslag van 2020 dat China met forse investeringen in technologie mogelijk afhankelijkheden creëert. De MIVD wees daarbij op de mogelijkheid dat China deze investeringen als drukmiddel kan gebruiken.
Door middel van het nemen van maatregelen worden deze risico’s gemitigeerd. De Wet Veiligheidstoets Investeringen, Fusies en Overnames (Vifo) voorziet in instrumenten om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Met de wet kunnen investeringen in bepaalde bedrijven worden getoetst, waarna eventueel mitigerende maatregelen kunnen worden opgelegd en in het uiterste geval investeringen kunnen worden geblokkeerd. Deze wet is recent in uw Kamer behandeld.
Bij elke gunning wordt er een gedegen inschatting van mogelijke risico’s gemaakt. Zo heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat eerder geïntervenieerd in aanbestedingen van TenneT. Daarop zijn maatregelen getroffen die TenneT in Nederland diende toe te passen in het aanbestedingsproces voor de nieuwe 2GW HVDC-platforms die TenneT in zowel het Nederlandse als het Duitse deel van de Noordzee wil toepassen.
Daarnaast is in 2020 door het kabinet, in het licht van de invulling van de eigen vermogensbehoefte van TenneT Duitsland, een nationale veiligheidsanalyse uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een aantal aanbevelingen tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998. Deze wijzigingen maken het mogelijk om nog beter rekening te houden met eisen ten aanzien van de nationale veiligheid. Zo kunnen netbeheerders in bepaalde gevallen gebruik maken van de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid. Deze wijzigingen worden nu meegenomen in de Energiewet, die later dit jaar aan de afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden.
Zijn er bij dergelijke aanbestedingen geen waarborgen ingebouwd om te voorkomen dat kwetsbare projecten met een groot strategisch belang in handen komen van Chinese staatsbedrijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is het project BorWin6 dan toch aan dit consortium vergeven?
De nationale veiligheid is onder meer geborgd via de Elektriciteitswet 1998. TenneT heeft op grond hiervan de verplichting de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf.
TenneT is daarnaast gebonden aan de aanbestedingswet en Europese regelgeving daaromtrent. Als daarin geen grondslag staat om bepaalde leveranciers uit te sluiten dan kan en mag TenneT dat niet doen, behalve als de nationale overheid een risico ziet voor de nationale veiligheid. In het geval van TenneT geldt dat transport van elektriciteit een vitaal proces is en dat de NVS stelt dat ernstige verstoring van vitale processen leidt tot aantasting van de nationale veiligheid. De integriteit van de vitale infrastructuur is een essentiële factor voor de nationale veiligheid. Digitale dreiging vanuit statelijke actoren is gericht om deze systemen te verstoren of zelfs te saboteren.
Op grond hiervan is zoals hierboven vermeld eerder een nationale veiligheidsanalyse uitgevoerd en is er in 2021 door het Ministerie van EZK geïntervenieerd in het aanbestedingsproces voor de 2GW platforms voor Nederland.
Zoals aangegeven in vraag 4 zal een eventuele uitval dan ook geen grote impact hebben op het Duitse net en de Duitse stroomvoorziening en daarmee indirect ook niet op de Nederlandse. Ook heeft TenneT aangegeven dat er voorafgaand aan de aanbesteding extra, aanvullende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen om eventuele externe beïnvloeding op het netwerk via dit platform te kunnen voorkomen.
Geeft u staatsdeelnemingen instructies mee om Chinese inmenging af te houden? Zo ja, wat voor instructies? Zo nee, waarom niet?
Binnen de bevoegdheden als aandeelhouder houdt de Minister van Financiën, voor zover mogelijk, rekening met de gevolgen van veranderende geopolitieke verhoudingen voor staatsdeelnemingen. Er wordt regelmatig gesproken met de deelnemingen en ze worden erop geattendeerd dat het van het grootste belang is dat, als zij dreigingen zien voor de vitale processen of het waarborgen van het publiek belang, zij daarover spreken met de relevante beleidsministeries. Daarbovenop is er ook nauw contact tussen de staatsdeelnemingen, die een vitaal proces kennen (zoals bijvoorbeeld het landelijk transport en de distributie van elektriciteit), en de bevoegde veiligheidsinstanties.
Conform het ondernemingsrecht zien de bevoegdheden als aandeelhouder niet op het geven van instructies aan deelnemingen en gaat de Minister van Financiën niet over individuele aanbestedingen en de gunning van specifieke contracten. Wel heeft de Minister van Financiën als aandeelhouder een goedkeuringsrecht bij investeringsvoorstellen die een bepaald drempelbedrag overschrijden. De Minister van Financiën zal bij dergelijke investeringen toetsen of TenneT (a) contact heeft gehad met de bevoegde ministeries en veiligheidsinstanties in Nederland en Duitsland over het onderwerp nationale veiligheid en (b) of deze partijen geen bezwaren zien bij deze investeringen.
Kunt u de Kamer op korte termijn een brief sturen met een analyse van de Chinese invloed Nederlandse staatsdeelnemingen? Zo nee, waarom niet?
De dreiging die uitgaat van statelijke actoren voor de nationale veiligheidsbelangen van Nederland is geen nieuw fenomeen maar ontwikkelt zich al geruime tijd. Voor de deelnemingen die betrokken zijn bij vitale processen houdt het kabinet via de bevoegde veiligheidsinstanties voortdurend de nationale veiligheidsbelangen nauwlettend in de gaten met als doel (digitale) verstoring of sabotage tegen te gaan. Voor een uitgebreide analyse van de mogelijke gevolgen van ongewenste inmenging van statelijke actoren in de Nederlandse vitale processen verwijs ik u naar de Kamerbrief met beleidsreactie op het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de voortgang aanpak statelijke dreigingenvan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie en de Minister van Justitie en Veiligheid en het meegezonden document Dreigingsbeeld Statelijke Actoren opgesteld door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), zoals gepubliceerd op 3 februari 2021 (Kamerstuk 30 281, nr. 125).
Hoeveel aanbestedingen met betrekking tot energie-infrastructuur waarbij de Nederlandse overheid betrokken was zijn de afgelopen vijf jaar gegund aan Chinese staatsbedrijven of consortia waarbij Chinese staatsbedrijven betrokken waren? Om welke projecten ging dit?
De rijksoverheid is niet direct betrokken bij aanbestedingen door de deelnemingen. Dit behoort tot de operationele bevoegdheden van de bedrijven zelf.
Welke mogelijkheden zijn er nog om deze aanbesteding terug te draaien?
Voor dit gegunde systeem in Duitsland geldt dat het contract volgens het
Europese aanbestedingsproces bindend is.
Heeft u met TenneT gesproken over de gunning van het project BorWin6 aan het Chinese consortium? Zo ja, wanneer, wat was hierbij uw insteek en hoe heeft TenneT hierop gereageerd en/of geacteerd? Zo nee, bent u bereid alsnog op zo kort mogelijke termijn met TenneT in gesprek te gaan over de onwenselijkheid van deze gunning?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft niet met TenneT gesproken over het project BorWin6 en de veiligheidsrisico’s daaromtrent. Ook het Ministerie van Financiën, als aandeelhouder, heeft het niet specifiek gehad met TenneT over de gunning van de desbetreffende contracten aan het Chinese consortium. Omdat het hier een Duitse nationale aangelegenheid betreft heeft TenneT contact gezocht met de Duitse overheid. Zoals benoemd in vraag 9, heeft het Ministerie van Financiën hier ook in algemene zin toe opgeroepen.
Welke mogelijkheden zijn er om deze gunning terug te draaien? Gaat u hierop inzetten? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 12.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat dergelijke projecten in de toekomst in Chinese handen vallen?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat spreekt regelmatig met TenneT en regionale netbeheerders over allerhande veiligheids- en cyberrisico’s die mogelijk kunnen ontstaan in de vitale onderdelen van het Nederlandse elektriciteitsnet. Waar nodig vinden deze gesprekken plaats in samenspraak met de bevoegde veiligheidsinstanties. Indien blijkt dat de nationale veiligheid in het geding is of komt, dan kan de rijksoverheid desgewenst interveniëren en maatregelen treffen. In de toekomst zal de Energiewet TenneT meer handvatten geven om op voorhand partijen uit te sluiten in een aanbestedingsproces waarbij vitale processen in het geding zijn of komen. Het is daarbij van belang om goed onderscheid te maken tussen kritieke en niet-kritieke producten of diensten. Bij elke casus moet daarom worden bezien hoe eventuele risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid. Per casus kan deze analyse anders uitvallen. Het is immers niet zo dat per definitie alle producten of diensten van Chinese makelij een bedreiging voor de nationale veiligheid vormen of leiden tot ongewenste strategische afhankelijkheden die risico’s vormen voor het waarborgen van onze publiek belangen. Het is van belang over de kritieke onderdelen goede afspraken te hebben en TenneT in staat te stellen zijn wettelijke taak voor de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten verantwoord te laten vervullen. Ook geeft de wet Vifo meer mogelijkheden tot toetsing van investeringen die niet binnen de sectorspecifieke wet vallen, waarna eventueel mitigerende maatregelen kunnen worden opgelegd en in het uiterste geval investeringen kunnen worden geblokkeerd.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke beantwoordingstermijn van drie weken beantwoorden?
Gegeven de nadere analyse is het helaas niet gelukt de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën?1
Ja, ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens, milieu en het klimaat.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Ja. Een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon kan een belangrijke bijdrage leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarom wordt in de campagne Iedereen doet WAT aandacht gevraagd voor een gevarieerder dieet met peulvruchten en noten, ter vervanging van vlees, met een goede balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten. Daarnaast wordt ook verwezen naar het Voedingscentrum, dat ook aandacht geeft aan een betere balans tussen plantaardig en dierlijk eiwit in het voedingspatroon en eten volgens de Schijf van Vijf, die zijn gebaseerd op wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaanplantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Aangezien kinderen een groot deel van hun tijd op school doorbrengen, is de school een zeer geschikte plek om scholieren bewust te maken van gezonde en duurzame voeding. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden. In Nederland zetten we hier met de Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine op in.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet u uw ministerie ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer van de Nationale week zonder vlees en zuivel.
Bent u bereid om op uw ministerie het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen ministerie) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Vanwege interdepartementale afstemming is dit helaas niet gelukt.
Opmerkingen van buurtsportcoach mevrouw N. Haarman tijdens het rondetafelgesprek ‘bewegingsarmoede’ op 21 februari jl. |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de buurtsportcoachregeling nog steeds voor 40 procent door de landelijke overheid gefinancierd wordt met 60 procent cofinanciering door gemeenten?
Ja, het klopt dat binnen de huidige regeling dit de afspraak is.
Is het bij deze regeling niet de bedoeling dat buurtsportcoaches op het snijvlak sportvereniging, gemeente en school opereren? Klopt het dat gemeenten de keuze maken aan welke specifieke doelgroepen meer aandacht besteed wordt?
Lokaal maken gemeenten afwegingen voor wie en wat zij de functionarissen die gefinancierd worden uit de Brede regeling Combinatiefuncties in willen zetten. De buurtsportcoach opereert op het snijvlak van sport, onderwijs, cultuur, zorg, welzijn en andere domeinen waarbij het gaat om mensen in beweging en aan het sporten te krijgen.
De doelstellingen van deze regeling zijn:
Is het de bedoeling van deze regeling dat buurtsportcoaches verhuurd worden aan het onderwijs als vakdocent lichamelijke opvoeding? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit? Zo nee, wilt u uitgebreid op de volgende vraag ingaan?
Zoals blijkt in de beantwoording van vraag 2 is één van de doelstellingen van de regeling dat sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond de scholen wordt versterkt. Het is mogelijk dat gemeenten keuzes maken om samen met scholen de regeling in te zetten voor een vakleerkracht. Uit onderzoek van het Mulier instituut blijkt dat 57% van de gemeenten de buurtsportcoach inzet op het onderwijs. Hiervan wordt 36% ingezet als vakleerkracht. Dit gaat om in totaal 672 fte. Met het onderwijs of andere partners wordt afgesproken welke taken de buurtsportcoaches verrichten.
Hoe taxeert u de casus dat de gemeente Tubbergen de buurtsportcoach verhuurt aan het basisonderwijs en hierdoor (een deel van) de 60 procent cofinanciering terugverdient, de buurtsportcoach betaald wordt volgens de CAO sport, terwijl werkzaamheden als docent lichamelijke opvoeding worden uitgevoerd die volgens de onderwijs-cao hoger worden ingeschaald? Is dit nu de bedoeling van de buurtsportcoachregeling? Is dit niet gewoon een verkapte constructie om goedkope docenten voor de klas te krijgen? Ontloopt de gemeente Tubbergen hiermee in feite haar verantwoordelijkheid tot 60 procent cofinanciering, omdat de gemeente deze cofinanciering doorbelast?
Ik begrijp uw constatering dat de gemeente Tubbergen een deel van de cofinanciering terugverdient niet. Het staat gemeenten vrij om de cofinanciering op een manier in te richten dat past bij het sport- en beweegbeleid van de gemeente. Zij kunnen dit delen met andere lokale partijen, of zelfs de verantwoordelijkheid volledig bij de subsidie ontvanger leggen. Om de inzet aan te laten sluiten bij het gemeentelijk beleid is een verbinding tussen beleid en uitvoering van belang. Inhoudelijk vind ik het onwenselijk als een dergelijke constructie leidt tot enkel de inzet van een buurtsportcoach in het onderwijs. Dit wil ik graag met Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en een aantal gemeenten bespreken.
Onder welke cao een buurtsportcoach valt hangt af van de wijze waarop het werkgeverschap is ingevuld. Een buurtsportcoach die ingezet wordt als vakleerkracht en daarnaast buitenschoolse activiteiten organiseert kan bij de gemeente in dienst zijn of bij een stichting en werken volgens de cao Welzijn of Sport.
De Werkgevers in de Sport (WOS) heeft in opdracht van Vereniging Sport en Gemeenten en gefinancierd door VWS een opdracht uitgevoerd om een benchmark te verrichten onder een aantal cao’s. Deze benchmark geeft inzicht in de verschillen en overeenkomsten in arbeidsvoorwaarden tussen de cao’s waarin de meeste buurtsportcoaches werkzaam zijn.1 Bij het realiseren van de doelstellingen van de Regeling vind ik het belangrijk dat de situatie op de werkvloer gelijkwaardig is. Dat wil zeggen: de inzet van buurtsportcoach ten opzichte van de vakleerkracht die dezelfde werkzaamheden uitvoeren. Ik neem dit punt mee in het proces rond de herziening van de regeling.
Bent u het eens dat docenten lichamelijke opvoeding volgens de onderwijs-cao betaald moeten worden? Bent u het ook eens dat een buurtsportcoach op het snijvlak van sportvereniging, gemeente en school moet opereren en niet exclusief aan een school verhuurd moet worden?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord vraag 2 en 3. Daarnaast wil ik aangeven dat het mijn voorkeur heeft dat een buurtsportcoach werkzaam is op twee domeinen, waarbij één domein altijd sport en bewegen is. Ik zal dit in de herziening ook meenemen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak deze constructie zoals in Tubbergen voorkomt en kunt u uitrekenen hoeveel middelen van de sportbegroting hiermee gemoeid zijn? Bent u bereid deze constructie te verbieden, zodat een docent lichamelijke opvoeding ook als docent betaald wordt en niet via de CAO sport?
Hoe vaak een vakleerkracht deels wordt gefinancierd vanuit de Brede regeling Combinatiefuncties is bekend(zie ook antwoord vraag 3): uit onderzoek van het Mulier instituut blijkt dat 57% van de gemeenten de buurtsportcoach inzet op het onderwijs. Hiervan wordt 36% ingezet als vakleerkracht.
Ik ben bereid om nader te onderzoeken hoe vaak het voorkomt dat een vakleerkracht Lichamelijke opvoeding (gefinancierd uit de Brede regeling Combinatiefuncties) betaald wordt volgens de cao Sport in plaats van de cao Onderwijs en wat dit betekent voor de functionaris. Deze input neem ik mee in het proces rond de herziening van de BRC.
Bent u bereid deze gemeente en eventueel andere gemeenten die deze constructie ook hanteren aan te spreken, zodat ze hun verantwoordelijkheid die bij de cofinanciering hoort oppakken om de buurtsportcoach in te zetten zoals deze ingezet zou moeten worden?
Vanuit het Ministerie van VWS is contact geweest met de gemeente Tubbergen. De constructie zoals deze gehanteerd wordt, vind ik niet wenselijk (zie antwoord vragen 4 en 5). Zoals eerder aangegeven ga ik het gesprek aan met een aantal gemeenten waaronder Tubbergen om te bespreken of waarom zij deze constructie hanteren en of zij een constructie kunnen hanteren die beter bij de bestuurlijke afspraken van de regeling past. Ook zal ik dit specifiek meenemen in het proces rond de herziening van de Brede Regeling Combinatiefuncties. Uw Kamer zal over de herziening uiterlijk in het najaar en mogelijk eerder worden geïnformeerd.
Het containerverlies van de Marcos V boven de Waddeneilanden. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het ook volstrekt onacceptabel dat er nu alweer containers overboord zij gegaan rond de Waddeneilanden?
Containerverlies op zee is iets wat alle betrokkenen bij het proces van containervervoer proberen te voorkomen, door een zorgvuldige belading, vastzetten van containers en het maken van een goede reisvoorbereiding. De overheid draagt er hard aan bij om het risico op containerverlies zo klein mogelijk te maken, door het nemen van aanvullende maatregelen na het incident met de MSC Zoe. Uw Kamer is daarover in een aantal voortgangsbrieven geïnformeerd1, waaronder op 19 november 2021. Ondanks deze inspanningen is een incident helaas nooit helemaal uit te sluiten.
Hoe staat het met de opsporing van de 26 containers?
De eigenaar van de Marcos V heeft een berger ingeschakeld. Die kon vanwege slechte weersomstandigheden niet eerder dan zaterdag 26 februari starten met de opsporings- en bergingsoperatie. De verloren containers zijn allemaal gezonken. Er moest een groot oppervlakte van de zeebodem worden afgezocht. Rijkswaterstaat houdt toezicht op de operatie. Alle 26 containers van de Marcos V zijn inmiddels aangetroffen. Daarvan zijn er tot nu toe 18 geborgen en aan land gebracht. Het bergen zal nog enkele dagen in beslag nemen.
Betaalt de reder alle kosten die gemaakt moeten worden om de containers op te sporen en te bergen?
Ja. Rijkswaterstaat heeft de geregistreerde eigenaar en de verzekeraar van de Marcos V op grond van de Wet bestrijding maritieme ongevallen verantwoordelijk gesteld voor de berging en opsporing van de verloren containers. De eigenaar heeft daarop een berger ingeschakeld. Zie ook het antwoord op vraag 2. De kosten van het opsporen en bergen van containers komen voor rekening van de eigenaar en de verzekeraar van de Marcos V.
Wat vindt u ervan dat er gevaren wordt boven de Wadden tijdens een uitzonderlijk zware storm als Eunice?
Kapiteins dienen tijdens een storm extra alert te zijn en moeten rekening houden met de risico’s die zulk weer met zich meebrengt. Het betrachten van goed zeemanschap is hier in het bijzonder van toepassing.
Waarom liet de Kustwacht de Marcos V via de Noordelijke route varen, terwijl ook deze route volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) niet veilig is tijdens een storm?
De Marcos V kwam van Duitse wateren en heeft, zoals door de Duitse autoriteiten geadviseerd, de noordelijke route gevaren conform het met de Nederlandse Kustwacht geharmoniseerde advies. Deze route is tijdens een storm voor een schip van deze afmetingen veiliger dan de zuidelijke route, omdat het risico op bodemcontact hier beduidend kleiner is. De Kustwacht kan een schip niet verbieden om op zee te verblijven en kan ook geen dwingende vaarroute opleggen.
Vindt u ook dat de Kustwacht de bevoegdheid moet hebben om tijdens een zware storm in te grijpen als schepen langs de Wadden willen varen?
De Kustwacht speelt een belangrijke rol in het reduceren van het risico op containerverlies. Daartoe waarschuwt en adviseert de Kustwacht containerschepen die tijdens bepaalde weersomstandigheden de routes boven de Waddeneilanden bevaren, door deze aan te bevelen te voorkomen om dwars op de golven te komen en zo nodig de noordelijke route te nemen. Daarnaast is er door Arcadis onderzoek gedaan naar de mogelijkheid voor actievere verkeersbegeleiding van schepen2. Ik heb u het rapport op 19 november 2021 toegestuurd. Ik streef ernaar om u hierover voor het zomerreces nader te informeren.
Bent u het eens dat een containerschip dat vaart tijdens windkracht 10 à 11 met golven van 4,5 meter hoog een concrete en ernstig dreiging van (milieu)schade met zich meebrengt? Zo ja, ben u het dan eens dat er volgens de Wet bestrijding maritieme ongevallen maatregelen getroffen mogen worden in het kader van scheepsveiligheid en de bescherming van het mariene milieu op grond van de interventiebevoegdheid?
Onder bepaalde weersomstandigheden bestaat er een verhoogd risico van containerverlies voor containerschepen die containers aan dek vervoeren. De Kustwacht wijst containerschepen hierop en waarschuwt en adviseert hen. Schepen kunnen vervolgens passende maatregelen nemen om dit risico zoveel mogelijk te beperken. De Marcos V heeft dit advies (van de Duitse autoriteiten) opgevolgd. Ik kan in het kader van de Wet bestrijding maritieme ongevallen (Wbmo) de interventiebevoegdheid toepassen voor een individueel schip dat een ernstige en onmiddellijke dreiging vormt voor het Waddengebied, maar het internationale recht waarop de Wbmo is gebaseerd, verbindt hier strenge voorwaarden aan. Dit moet steeds per situatie worden beoordeeld. Ik kan de interventiebevoegdheid dus niet in generieke zin toepassen, bijvoorbeeld op een bepaalde categorie schepen, of in bepaalde omstandigheden. Het feit op zich dat een containerschip tijdens bepaalde omstandigheden een bepaalde route kiest maakt niet dat er sprake is van een concrete en ernstige dreiging van (milieu)schade.
Vindt u ook dat de Kustwacht in ieder geval moetadviseren om zowel de zuidelijke als noordelijke vaarroute niet te nemen, maar bijvoorbeeld om ergens te ankeren of met lage snelheid «met de kop op de golven» te gaan liggen?
Op basis van onderzoek van MARIN is een advies opgesteld dat door de Kustwacht wordt verstrekt aan containerschepen om het risico van containerverlies zoveel mogelijk te beperken, en waarin onder meer wordt aangeraden om te voorkomen dat het schip dwars op de golven komt. De kapitein blijft altijd verantwoordelijk voor de veilige navigatie van zijn schip, en zal moeten beslissen welke actie onder dergelijke omstandigheden de meest veilige is. Het is belangrijk dat de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk daar blijft waar zij thuishoort: bij de kapitein op de brug van het schip. Het is aan de kapitein van een containerschip om te overwegen zowel de noordelijke als de zuidelijke route niet te nemen en te voorkomen dat het schip dwars op de golven komt.
Welke acties heeft u ondernomen om internationale afspraken aan te passen ter bescherming van het Waddengebied? Wat is het resultaat daarvan?
De OvV stelt dat de richtlijnen van de IMO voor PSSA’s (Particularly Sensitive Sea Areas) meer ruimte bieden voor beschermende maatregelen, zoals «adoption of ships» routing and reporting systems». Dat is precies het initiatief dat ik genomen heb om, samen met Duitsland en Denemarken, een voorstel in te dienen bij de IMO voor aanpassing van bestaande, internationaal vastgestelde routeringsmaatregelen boven de Wadden. In dit voorstel wordt de verbinding gelegd met de PSSA-status van de Waddenzee. Door deze aanpassing wordt de kapitein alert gemaakt op het risico op containerverlies boven de Wadden, nog voordat hij door de Kustwacht gewaarschuwd wordt.
In welke mate kunt u de PSSA-status (Particularly Sensitive Sea Area) nog gebruiken om de Waddenzee te beschermen voor containerverlies, zoals de OVV adviseert?
Zie antwoord vraag 9.
Begrijpt u dat veel mensen denken dat de overheid, door containervaart tijdens storm toe te staan en gasboringen onder de Waddenzee te accepteren, economische belangen boven het ecologisch belangen van het Waddengebied stelt?
Ik zou het jammer vinden als die indruk bestaat. Ik werk er hard aan om het risico op containerverlies in de buurt van het Waddengebied zo klein mogelijk te maken.
Wat is uw plan om ervoor te zorgen dat containerverlies in het Waddengebied niet meer voorkomt?
Ik vind het belangrijk om het risico op containerverlies boven de Waddeneilanden te verkleinen. Daartoe voer ik een groot aantal acties uit, zoals onderzoeken en initiatieven in IMO, waarover uw Kamer in een aantal voortgangsbrieven is geïnformeerd3, waaronder op 19 november 2021. Ik streef ernaar om uw Kamer voor het zomerreces een volgende voortgangsbrief te sturen, waarin ik onder meer inga op de mogelijkheden voor het instellen van verkeersbegeleiding van containerschepen boven de Waddeneilanden.
Waarom duurde het bij de vorige storm vele uren voordat een sleepboot werd gemobiliseerd, toen de Julietta D een ander schip en een transformatorstation ramde en op een haar na windmolens en een waterstofstation miste?
Direct nadat het maritieme ongeval van de Julietta D was gemeld heeft de Kustwacht de dichtstbijzijnde noodhulpsleper (Emergency Response Towing Vessel, ERTV) gemobiliseerd. Het zou deze ERTV echter minstens zes uur kosten om in stormcondities de zuidwaarts driftende Julietta D te bereiken. De berger die inmiddels door de eigenaar van de Julietta D was gecontracteerd bleek sneller ter plaatse te kunnen zijn met de sleepboot Sovereign. De ERTV is daarop teruggekeerd naar het noorden om weer inzetbaar te zijn voor eventuele andere incidenten. Omdat de bemanning van de Julietta D was geëvacueerd heeft de berger eerst met een helikopter mensen aan boord moeten brengen om een sleepverbinding met de Sovereign te kunnen maken.
Wat waren de gevolgen geweest als de Julietta D een gasplatform of waterstofstation had geramd?
De gevolgen van een aanvaring zijn op voorhand niet in te schatten, aangezien veel factoren hierbij een rol spelen zoals de windrichting, de windkracht, snelheid van het schip, golfhoogte, aanvaringshoek en dergelijke. Het is echter aannemelijk dat een aanvaring tot aanzienlijke schade aan het schip en het object in kwestie had kunnen leiden.
Wordt de infrastructuur op zee voldoende beschermd tegen (stuurloze) schepen tijdens storm?
Rondom windparken zijn veiligheidszones ingesteld waardoor het in beginsel verboden is voor schepen om zich in die zone te bevinden. In Den Helder en bij Windpark Borssele is er een ERTV gereed om direct naar een incident te varen als het nodig is. Vanaf juli 2022 komt er een derde ERTV bij die gepositioneerd wordt bij de windparken Hollandse Kust. Hiermee zijn er dan in totaal drie ERTV’s beschikbaar voor de Noordzee.
Het bericht 'Geen open wetenschap over de rug van werknemers' |
|
Hatte van der Woude (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen open wetenschap over de rug van werknemers»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat universiteiten open acces (willen) verplichten voor vrijwel alle publicaties? Dus niet alleen «korte werken van wetenschap» maar ook lange artikelen, boeken en vakpublicaties?
Bij de beantwoording van deze set aan Kamervragen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de bredere transitie richting open science (en daarmee open access) en de toepassing van artikel 25fa van de Auteurswet (Aw), waarnaar de auteur van het artikel, hoogleraar belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, in het FD verwijst. Artikel 25fa Aw is slechts één van de mogelijke routes naar open access.
De transitie naar open science is al jaren breed gedragen kabinetsbeleid. Zowel in het Coalitieakkoord van 2017 als dat van 2021 is opgenomen dat open science de norm wordt in wetenschappelijk onderzoek. Bovendien is open science een speerpunt van de Europese Commissie en vorig jaar wereldwijd omarmd in de Open Science Recommendation van UNESCO. Verder past Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) de principes uit het Europese Plan S voor versnelling naar open access sinds 1 januari 2021 toe op al het door NWO gefinancierde wetenschappelijk onderzoek. Dit houdt in dat NWO sinds 1 januari 2021 een open access publicatie (zonder embargotermijn) als subsidievoorwaarde hanteert.
In de regel geldt de open access-norm voor alle soorten wetenschappelijke publicaties die met publieke middelen tot stand zijn gekomen. Universiteiten vertalen de open access-norm in hun beleid. Zij stimuleren hun medewerkers om zoveel mogelijk in open access te publiceren. Artikel 25fa Aw bepaalt dat de maker van een kort werk van wetenschap onder bepaalde voorwaarden het recht heeft om dat werk gratis beschikbaar te stellen voor het publiek. Het aan het kort werk van wetenschap ten grondslag liggende onderzoek moet geheel of gedeeltelijk bekostigd zijn met Nederlandse publieke middelen, er moet een redelijke termijn zijn verlopen na de eerste publicatie en de bron van de eerste openbaarmaking moet bij de beschikbaarstelling worden vermeld. Artikel 25fa Aw verleent makers van een kort werk van wetenschap dus een bevoegdheid. Universiteiten vragen makers van die bevoegdheid gebruik te maken.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat universiteiten open access verplichten voor werken die weliswaar geschreven zijn door een wetenschapper verbonden aan die instelling, maar buiten hun aanstelling?
Het klopt dat universiteiten in het kader van hun open accessbeleid aan hun werknemers verzoeken om ook artikelen die zijn geschreven buiten hun aanstelling aan te melden voor de open access-regeling. Universiteiten zijn bij het open access publiceren ook behulpzaam. Er is echter geen sprake van een verplichting voor werknemers om hieraan mee te werken.
Indien uw antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, deelt u de mening dat – zonder af te doen aan het feit dat wij brede toegang tot publiek gefinancierde wetenschap nastreven-, deze praktijk onwenselijk is wegens strijd met artikel 25fa van de Auteurswet, dat slechts van toepassing is op een «kort werk van wetenschap»?
Zoals ik bij de beantwoording van de eerste vraag al schreef, gaat open access over meer dan alleen artikel 25fa Aw. Universiteiten maken open access publiceren voornamelijk via andere routes mogelijk, waardoor open access publicatie in bijna alle wetenschappelijke tijdschriften al mogelijk is. Zo is er in deze routes momenteel een onderscheid te maken in hybride (individuele artikelen die open access worden gepubliceerd binnen tijdschriften met het abonnementenmodel), goud (direct gratis toegankelijk op platform van de uitgever, publicatiekosten voor auteur), en diamond (direct gratis toegankelijk op platform van de uitgever, publicatiekosten voor consortium van instellingen). Wanneer er met uitgevers al een andere route tot open access afgesproken is (dat is in veel gevallen al zo), dan hoeft een wetenschappelijk auteur geen beroep te doen op artikel 25fa Aw. In die zin hebben de uitgevers in de zoektocht naar een coronavaccin een mooi voorbeeld gegeven door in die crisisperiode vrijelijk en direct (zonder embargo) artikelen en data met elkaar te delen beschikbaar te maken.
Artikel 25fa Aw geeft makers de bevoegdheid om een kort werk van wetenschap onder bepaalde, bij de beantwoording van de eerste vraag aangegeven voorwaarden in open access te publiceren. Het artikel verplicht makers niet om daarvan ook gebruik te maken. Het staat universiteiten vrij om aan makers van werken te vragen om die werken gratis online beschikbaar te stellen voor het publiek. Hierbij moet wel worden bedacht dat als de desbetreffende makers daartoe niet bevoegd zijn uit hoofde van artikel 25fa Aw, zij mogelijk niet of niet meer over deze rechten beschikken. Verder kan het zo zijn dat makers om hen moverende redenen niet willen dat al hun werken gratis online beschikbaar worden gesteld voor het publiek. Het is in dat geval dan niet mogelijk om deze werken toch open access te publiceren.
Deelt u de zorgen dat auteurs en gespecialiseerde tijdschriften benadeeld worden met deze extensievere uitleg en toepassing van de Auteurswet?
Ik begrijp uit het artikel dat sommige uitgevers en wetenschappelijke auteurs zorgen hebben over de wijze waarop de transitie naar open science wordt doorgevoerd. Dit betreft veelal kleinere en gespecialiseerdere tijdschriften. De koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL) is momenteel al met de Mediafederatie in gesprek over de wijze waarop de transitie naar open science wordt doorgevoerd bij deze kleinere tijdschriften. De uitgevers en wetenschappelijke auteurs kunnen uiteraard in die gesprekken hun zorgen en standpunten delen, waarna er samen naar oplossingen zal worden toegewerkt.
Is het juist dat universiteiten hebben beloofd dat zij kosten van eventuele rechtszaken voor hun rekening nemen wegens open access-publicaties? Zo ja, op basis van welke wettelijke grondslag kunnen universiteiten zulke beloften doen en acht u het wenselijk dat universiteiten publieke middelen gebruiken voor het voeren van dergelijke rechtszaken?
Van UNL heb ik inderdaad begrepen dat zij de kosten van eventuele rechtszaken naar aanleiding van artikel 25fa Aw voor hun rekening nemen. Dit doen zij vanuit goed werkgeverschap. De universiteiten ondersteunen auteurs die daar behoefte aan hebben om het algemeen geformuleerde wetsartikel in de praktijk toe te passen. Daar hoort ook een juridisch vangnet bij, zodat een eventueel geschil bij het uitvoeren van dit artikel niet geheel ten laste komt van de onderzoeker. Laat ik vooropstellen dat ik vind dat rechtszaken zoveel mogelijk vermeden moeten worden en dat dit tot op heden is gelukt. Het heeft mijn voorkeur dat partijen er in onderling overleg uitkomen, maar mocht het onverhoopt toch tot een rechtszaak komen, dan vind ik het positief dat universiteiten in hun hoedanigheid van werkgever hun onderzoekers ondersteunen. Hierbij is wel van belang dat wetenschappelijke auteurs vrij moeten zijn om van artikel 25fa Aw, wel of geen gebruik te maken, indachtig de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van die bepaling zijn verbonden.
Wat is uw reactie op de stelling van de auteur van genoemd artikel dat het generiek gehanteerde model voor Open Access, zoals een publicatietermijn van zes maanden, niet geschikt is voor alle vakgebieden, zoals bijvoorbeeld de rechtswetenschap?
In principe is er geen generiek gehanteerd model voor open access, omdat er in de transitie naar open access meerdere wegen worden behandeld, zoals benoemd onder vraag vier. De omslag die sommige vakgebieden, zoals de rechtswetenschap, nog moeten maken, heeft ook speciale aandacht in het Ambitiedocument 2030 dat binnenkort door het Nationaal Programma Open Science (NPOS) wordt gepubliceerd. Daarbij is het uitgangspunt wel, zoals ik eerder benoemde, dat open access de norm wordt voor alle publiek gefinancierde wetenschappelijke publicaties in alle disciplines, al dan niet via verschillende routes.
Bent u het eens met de stelling van de auteur dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van universiteiten, de rijksoverheid, uitgevers en medewerkers/auteurs om tot oplossingen te komen in de toepassing van het Open Access-beleid? Zo ja, hoe wilt u invulling geven aan deze verantwoordelijkheid?
De Minister van OCW en de Minister voor Rechtsbescherming onderschrijven de stelling dat de transitie een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de overheid, universiteiten, uitgevers en auteurs. De Minister van OCW, die voor het wetenschappelijk beleid eerstverantwoordelijk is, blijft hierover regelmatig in gesprek met betrokken organisaties en stakeholders. Daarbij wordt rekening gehouden met elkaars belangen en ruimte voor maatwerk. De transitie, die al meerdere jaren loopt, wordt zorgvuldig en met aandacht gemaakt. De uitvoering van de transitie ligt in principe bij de organisaties in het veld, in nauw contact met het Ministerie van OCW.
Een recent uitgevoerde evaluatie van de Wet auteurscontractrecht heeft aan het licht gebracht dat er geen aanleiding bestaat om artikel 25fa van de Auteurswet aan te passen. Wij onderschrijven het evaluatierapport op dit punt.
Hoe gaat u toezien op de regie in de uitleg en toepassing van artikel 25fa van de Auteurswet, conform de tekst, toelichting en de interpretatie van het wetsartikel zoals is uitgesproken door de Kamer ten tijde van het aannemen ervan?
Zoals hiervoor aangegeven overlegt de Minister van OCW als primair beleidsverantwoordelijk Minister voor het open access beleid regelmatig met de betrokken partijen, waaronder wetenschappelijke auteurs. Bij die overleggen zullen de zorgen zoals geuit door de hoogleraar betrokken worden. Ook de UNL is op reguliere basis met de uitgevers en wetenschappelijke auteurs in gesprek over open access.
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën? Ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. In 2021 is een JenV brede2 CO2 voetafdruk opgesteld. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat voedsel en dranken 7% van de CO2 emissie van heel JenV veroorzaakt. De categorie voedsel en dranken staat hiermee op de derde positie in de ranglijst van emissiebronnen. Vastgoed gerelateerde emissies vormen met 44% de grootste categorie, gevolgd door vervoer met 42%. Op grond van de uitkomsten van de CO2 voetafdruk worden momenteel maatregelen vormgegeven om de emissies van JenV terug te dringen.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ja, hier ben ik mee bekend. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Binnen JenV5 worden bij de verschillende bedrijfsrestaurants en bij de catering voor vergaderingen daarom steeds meer ingezet op plantaardige voeding. JenV volgt de Rijksbrede initiatieven op dit gebied.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
Het Ministerie van JenV doet net als veel andere onderdelen van de rijksoverheid mee aan deze nationale week in verschillende bedrijfsrestaurants van de kantoorpanden.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van JenV (zie eerdere voetnoten) heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement alvorens 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas net niet gelukt.
Het meedoen van het ministerie van Algemene Zaken aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel en het invoeren van het principe ‘Carnivoor? Geef het door!’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën en ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor uzelf om met een relatief kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. Bedrijfsrestaurants van de overheid voldoen daarom aan het MVI-inkoopcriterium Overheidsniveau Gezonde Catering. Het Overheidsniveau Gezonde Catering gaat uit van de Richtlijn Eetomgevingen van het Voedingscentrum. Hierdoor wordt stap voor stap gewerkt aan het verschuiven van het aanbod richting de Schijf van Vijf met gezondere en duurzamere keuzes. Hoe meer producten uit de Schijf van Vijf er worden aangeboden, hoe beter het is voor mens en milieu. Hiermee worden werknemers bij de rijksoverheid geholpen om ook op het werk gezonder en duurzamer te eten en te drinken in het bedrijfsrestaurant, de koffiecorner en tijdens bijeenkomsten.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten. Om toe te werken naar een duurzamer voedingspatroon van de consument, is het belangrijk om naar de kansen én obstakels te kijken binnen het hele voedselsysteem, van boer tot consument, en alles wat daar tussen zit in de keten.
Deelt u de mening dat iemand die Olympisch kampioen wil worden onmogelijk een aanpak links kan laten liggen die zulke klinkende resultaten oplevert?
Ik deel de mening dat een gebalanceerd en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf en een daarmee gepaard gaande toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon, een bijdrage kan leveren aan de klimaatopgave. Daarom is het van belang dat het Voedingscentrum hierover informatie blijft verstrekken.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaanplantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays) en deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ik ben bekend met dit besluit. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Als je eet volgens de Schijf van Vijf dan eet je producten die gezondheidswinst opleveren. Ook is het goed voor het milieu. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. In Nederland zetten we in op voedseleducatie via de Gezonde School, Jong Leren Eten en de Gezonde Schoolkantine. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het in Nederland geen wettelijke taak van het onderwijs is om een lunch aan te bieden, daarnaast is bij lang niet elke school een kantine aanwezig.
Heeft u gelezen dat de voorzitter van de Duitse land- en tuinbouworganisatie inmiddels van mening is dat de opmars van een plantaardig eetpatroon goede kansen biedt voor boeren en voor de landbouw uiteindelijk meer voordelen dan nadelen kent en deelt u deze inzichten?4 5
Zie het antwoord op vraag 2. Ik deel het inzicht dat een plantaardig eetpatroon ook goede kansen biedt voor de landbouw.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel(van 7 tot en met 13 maart aanstaande) en doet uw departement ook mee?
De bedrijfscatering op mijn ministerie is deelnemer aan de Nationale Week Zonder Vlees & Zuivel.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van AZ heeft zich net als veel andere ministeries aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is. Concreet betekent dit dat bij alle nieuwe aanbestedingen voor de catering de eiwittransitie een belangrijk aspect is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement voor 7 maart 2022 toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Alarm om agressie op spoor en station’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Alarm om agressie op spoor en station»?1
Ja daar ben ik bekend mee.
Klopt het dat NS-personeel steeds vaker te maken krijgt met gewelddadige incidenten bij het uitoefenen van het werk? Geldt dit ook voor andere vervoerders?
Iedere melding is er één teveel. De NS meldt een stijging van het aantal meldingen van agressie (zogenaamde A-incidenten) door personeel: van 660 in 2020 naar 744 in 2021. Ook in het streekvervoer is het aantal meldingen van agressie toegenomen: van 787 in 2020 naar 977 in 2021. In het stadsvervoer nemen de meldingen iets af van 636 in 2020 naar 606 in 2021.
In hoeverre is de toename van agressie-incidenten toe te schrijven aan de coronacrisis?
Om de twee jaar wordt via de Personeelsmonitor de sociale veiligheid van het ov-personeel door middel van enquêtes in kaart gebracht. Om de ervaringen van het ov-personeel in relatie tot de coronacrisis te kunnen interpreteren, zijn in de Personeelsmonitor van 2020 ook vragen over corona opgenomen. Daaruit blijkt dat een groot deel van het ov-personeel (49%) zich onveiliger voelt vanwege corona. Vrijwel ieder personeelslid (94%) heeft in 2020 meegemaakt dat reizigers de corona-regels niet hebben nageleefd en dat reizigers geen mondkapje dragen. Daarbij komt 72% van het ov-personeel in 2020 minimaal één keer in de situatie terecht dat reizigers agressief gedrag vertonen vanwege de mondkapjesplicht. Vooral toezichthouders krijgen te maken met agressief gedrag. Vervoerders verklaren het agressieve gedrag in het ov door de algehele onrust en vermoeidheid die is opgetreden in de maatschappij, met een patroon van pieken na iedere verandering van de coronamaatregelen. Door minder reizigers was er ook sprake van minder sociale controle op verlaten stations en lege treinen, in combinatie met minder zichtbaar personeel.
Heeft elke conducteur de status van buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)? Welke bevoegdheden heeft op dit moment de boa, tevens conducteur? Wat is op dit moment de uitrusting van de boa, tevens conducteur?
De NS heeft thans medewerkers in verschillende functies in dienst die beschikken over de boa bevoegdheid en dus boa zijn. Zo zijn er 700 medewerkers Veiligheid en Service, die beschikken over de boa bevoegdheid en tevens de geweldsbevoegdheid voor het dragen/gebruik van handboeien.
Daarnaast heeft de NS ongeveer 2.800 conducteurs in dienst. Elke hoofdconducteur bij de NS is nu een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa), zonder geweldsbevoegdheid. Vanuit de boa-bevoegdheid kan de hoofdconducteur een zogenaamde strafbeschikking opmaken voor overtredingen zoals bijvoorbeeld overlast (roken waar het niet is toegestaan) of het niet tonen of bij zich hebben van een geldig legitimatiebewijs. De hoofdconducteur kan ook een ontwerp proces-verbaal uitschrijven als de reiziger geen vervoersbewijs kan tonen en kan reizigers aanhouden die een strafbaar feit plegen om over te dragen aan de politie. De hoofdconducteur bij de NS draagt qua uitrusting een portofoon.
In de toekomst zal de boa-bevoegdheid voor de hoofdconducteur mogelijk komen te vervallen. NS heeft hiertoe op 22 maart 2022 een ondernemingsbesluit genomen. De ondernemingsraad heeft nog een maand om te reageren, daarna kan het besluit pas onherroepelijk worden vastgesteld. NS neemt dit besluit omdat in de praktijk door de hoofdconducteurs weinig gebruik wordt gemaakt van de boa-bevoegdheid. De huidige taken van de hoofdconducteurs zullen met dit besluit niet veranderen, echter alleen de bevoegdheid. De hoofdconducteur zal blijven controleren op geldige vervoersbewijzen en bij het ontbreken daarvan een Uitgestelde Betaling opmaken. Daarbij kan ook naar een geldig legitimatiebewijs worden gevraagd. Bij lastige situaties die dreigen te escaleren of bij agressie wordt door de hoofdconducteur de assistentie Veiligheid & Service opgeroepen, zoals dat nu ook het geval is.
Op hoeveel plaatsen worden boa’s/conducteurs standaard uitgerust met bodycams?
De medewerkers Veiligheid & Service (V&S, ruim 700 medewerkers) die boa-bevoegd zijn en tevens de geweldbevoegdheid hebben zijn standaard uitgerust met een bodycam. Tevens zijn de door NS ingehuurde beveiligers voor toezicht op sociale veiligheid op diverse stations ook door de NS voorzien van bodycams.
Hoeveel zou het kosten om iedere boa/conducteur uit te rusten met een bodycam?
Afhankelijk van de markt kost een bodycam, met basisstation, ondersteuning en verwerking van beeldmateriaal rond de € 1.000 per medewerker. Om alle 2800 hoofdconducteurs van NS te voorzien van een bodycam zijn de kosten 2.800.000 euro. Naast de bodycam heeft NS op ruim 80 stations camera’s hangen en zijn alle nieuwe treinen voorzien van camera’s en worden oudere type treinen die verbouwd worden voorzien van camera’s.
Klopt het dat één werkgever uit de OV-sector, te weten de NS, heeft gevraagd om een verruiming van de bevoegdheden van haar personeel? Waar ziet het verzoek precies op toe?
Het is belangrijk te benadrukken dat het niet gaat om het verruimen van boa-bevoegdheden, maar het mogelijk maken dat boa’s kunnen beschikken over informatie waarmee zij onafhankelijker hun taak kunnen uitvoeren. Hiertoe is bijvoorbeeld nodig dat Veiligheid & Service (V&S) medewerkers van de NS de identiteit kunnen vaststellen van een persoon die is staande gehouden. Daarom heeft de NS gevraagd om de V&S medewerker toegang te geven tot justitiële informatiesystemen. Vergelijkbaar of gelijk aan de informatiesystemen waarover de politie beschikt als zij ter assistentie worden gevraagd bij een persoon die zich niet kan legitimeren. Daarmee hoopt NS de kans op escalatie tijdens de wachttijd bij aanrijden van de politie te voorkomen en tegelijkertijd de politie in de noodhulp te ontlasten.
Bent u bereid om met de NS in gesprek te gaan? Bent u bereid om na te gaan of deze behoefte ook bestaat bij andere werkgevers uit de OV-sector?
Om de informatiepositie van boa’s te verbeteren bij het vaststellen van de identiteit is het belangrijk hen betere toegang te geven tot informatie voor een zelfstandige taakuitvoering.
In de Kamerbrief van november 2021 over de herijking van de boa-functie en het boa-bestel is aangekondigd dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid de boa meer onafhankelijk wil laten werken en wil inzetten op betere toegang tot systemen. In dit kader vinden gesprekken plaats vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de NS om te verkennen hoe de vaststelling van de identiteit door boa’s mogelijk kan worden gemaakt.
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Infrastructuur en Waterstaat voeren de dialoog met de NS en andere vervoerders over hoe we samen de overlast in het openbaar vervoer beter kunnen aanpakken.
Kunt u de uitrusting van OV-personeel betrekken bij de gesprekken over uitbreiding van bevoegdheden?
In aanvulling op het antwoord dat is gegeven bij vraag 7 het volgende. Het gaat in deze om de informatiepositie van boa’s om hun taken zelfstandiger te kunnen uitvoeren en daar waar nodig om het maken van operationele samenwerkingsafspraken met de politie. Dat vergt geen aanpassing van de uitrusting en is ook geen onderwerp van gesprek dat door de NS is ingebracht.
Heeft u een indicatie hoe lang een conducteur gemiddeld moet wachten op politie-assistentie? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de gemiddelde duur van de afgelopen vijf jaar?
De aanrijdtijden variëren sterk in stedelijke-en regionale omgeving en de urgentie van het incident. Bij geprioriteerde meldingen is de aanrijtijd in de steden gemiddeld 3 minuten. Vanwege de afstanden kunnen de aanrijdtijden in de meer perifere regio’s langer duren. Voor het vaststellen van de identiteit zijn de wachttijden gemiddeld langer. Het vraagstuk van de aanrijdtijden is een permanent aandachtspunt, met name in de perifere gebieden.
Heeft u een indicatie hoe vaak de politie wordt opgeroepen door een conducteur/boa? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat de politie is opgeroepen door een boa/conducteur de afgelopen vijf jaar? In hoeveel gevallen ging het hier om een verzoek om de identiteit van een persoon vast te stellen die zich niet zelf kon of wilde legitimeren?
In de jaren 2017–2020 ging het gemiddeld over 30–40% assistentieverzoeken die betrekking hadden op een reiziger zonder identiteitsbewijs of waarbij de identiteit moest worden vastgesteld. In 2021 is dat percentage gestegen naar 50%.
Wat is het verschil in inzet tussen de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid, waarin de spoorwegpolitie is opgegaan, en de inzet uit het team basispolitiezorg?
Er is sprake van een integrale aanpak voor het politietoezicht op het spoor. De regionale eenheden en de Landelijke Eenheid voeren dat toezicht uit met behoud van ieders verantwoordelijkheid. De regionale eenheden zijn verantwoordelijk voor het verlenen van noodhulp en kunnen daarbij de assistentie inroepen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid.
Hoeveel politieposten op stations zijn de afgelopen jaren gesloten en welk effect hebben deze sluitingen gehad op de aanrijdtijden van de politie bij agressie-incidenten?
Het opheffen van politieposten houdt in dat het specialistische openbaar vervoer politieteam wordt overgezet naar basisteams van de politie. Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen politie, gemeentelijke boa’s en vervoerders ook zonder politiepost onverminderd kan worden voortgezet door het maken van goede samenwerkingsafspraken. Op lokaal niveau hebben de betrokken partijen dan ook de inzet van politie verschillend geborgd.
In zijn algemeenheid zijn aanrijdtijden afhankelijk van waar agenten en politievoertuigen zich bevinden op het moment van de melding. De Dienst Spoorwegen van het voormalige Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) verzorgde de basispolitiezorg op de vier grote stations Amsterdam CS, Rotterdam CS, Utrechts CS en Den Haag CS. De locatie op Utrecht CS is reeds in 2011 gesloten door de KLPD, de overige locaties zijn bij de vorming van de Nationale Politie overgegaan naar de desbetreffende regionale eenheden en zijn sindsdien alle op enig moment gesloten. Sinds 2013 zijn ook op of bij zeven andere stations locaties van de voormalige KLPD gesloten.
Is bij u bekend hoe de politie denkt over het verruimen van de bevoegdheden van de boa/conducteur, opdat zij meer zelfstandig kunnen handelen? Bent u bereid om hierover met de politie in gesprek te gaan?
Voor de belangrijke en onmisbare inzet van boa’s, als partner in het veiligheidsdomein, moeten boa’s hun taken veilig kunnen uitvoeren en binnen hun bevoegdheden meer zelfstandig kunnen optreden. JenV zet daarom o.a. in op betere toegang tot systemen, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de identiteit op straat en in het openbaar vervoer. Hierover worden de gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, politie en de NS.
Heeft u een indicatie wat een verruiming van de bevoegdheden van de boa/conducteur betekent voor het ontlasten van de politie?
De taken en bevoegdheden van boa’s respectievelijk politie zijn verschillend. Dat zal ook zo blijven, want boa’s hebben een bijzondere (specifieke) opsporingsbevoegdheid en de politie een algemene opsporingsbevoegdheid. Voor de gevallen waarin ondersteuning van de politie nodig is, in de vorm van backup bijvoorbeeld, wordt deze ook geleverd.
Zijn bekende risicotrajecten en risicostations bij u in beeld? Wat is de inzet van de politie, in samenwerking met de NS en het lokaal bestuur, om deze veiliger te maken?
Over het algemeen kan worden gesteld dat op stations gelegen in de Randstad en treintrajecten die hierop rijden verhoudingsgewijs (in relatie tot het aantal passanten en reizigers) meer meldingen worden gedaan dan op stations en treintrajecten daarbuiten gelegen. De NS zet daar samen met politie, gemeenten en andere vervoerders doelgerichte acties in om de overlast en incidenten terug te dringen en waar mogelijk te voorkomen.
Is er een vast aantal boa’s/conducteurs per lijn en wordt dat aantal uitgebreid, gezien de toename van de agressie op het spoor?
Op dit moment is elke trein van de NS voorzien van een hoofdconducteur. Op basis van informatie gestuurd optreden, worden daar Veiligheid & Service-medewerkers extra ingezet voor toezicht op orde, rust, veiligheid. Daarnaast voorziet NS al haar nieuw materieel (of revisie materieel) van camera’s of brengt open zichtlijnen in de trein aan zodat er meer sociale controle is. Ook door het analyseren van incidenten en daar preventief Veiligheid & Service-medewerkers met extra boa- bevoegdheden in te zetten, probeert NS incidenten zoveel mogelijk te voorkomen.
Bent u bereid om te kijken naar een verruiming voor het uitwisselen van gegevens tussen vervoerders en politie zodat overlast- en geweldplegers niet bij één vervoerder maar in het gehele OV kunnen worden geweerd?
Zie antwoord bij vraag 8.
Bent u bereid om de duur van het OV-verbod uit te breiden en een permanent OV-verbod in te stellen voor reizigers die zich ernstig hebben misdragen in het openbaar vervoer?
Overlast door reizigers in het openbaar vervoer is onacceptabel en wordt niet getolereerd. Een verbod wordt in een concrete casus voor een bepaalde duur opgelegd. Deze duur hangt af van de aard van de onderliggende overtredingen. Hiertoe is een leidraad opgesteld door het Openbaar Ministerie in samenwerking met vervoerders en de politie waarin delicten met bijbehorende strafmaten staan beschreven. Bij het bepalen van de omvang van het verbod, zoals een permanent OV-verbod, is het belangrijk om de proportionaliteit niet uit het oog te verliezen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de uitvoering van de motie van de leden Amhaouch en Minhas (Kamerstuk 35 925-XII, nr. 43) over het lik-op-stukbeleid voor veelplegers in het openbaar vervoer?
Voor het gedrag van veelplegers is in het openbaar vervoer geen ruimte en wordt afgestraft. Afhandeling van strafzaken via de ZSM-werkwijze (Zorgvuldig, Snel op Maat) is een goede manier om in strafzaken die zich daarvoor lenen op een snelle en adequate manier tot bestraffing te komen. Deze mogelijkheid wordt al zo veel als mogelijk toegepast op alle eenvoudige misdrijven, ook als die zich hebben voorgedaan in het openbaar vervoer. Voor de in de motie gevraagde evaluatie zijn onderzoeksvragen opgesteld naar de aard en omvang van geweldsdelicten in het openbaar vervoer die volgens de ZSM-werkwijze zijn opgepakt. De betrokken organisaties is gevraagd onderzoek te doen om de desbetreffende vragen te beantwoorden. Naar verwachting kan de Kamer dit najaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie.