Zoektocht naar Samuël Boujadi |
|
Kees van der Staaij (SGP), Gert-Jan Segers (CU), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u op de hoogte van recente ontwikkelingen in de zoektocht naar Samuël Boujadi? Hebt u kennisgenomen van het bericht van het Algemeen Dagblad van 2 augustus 2021 en van de brandbrief die mede namens de familie en vrienden van de vermiste Samuël Boujadi aan u is verzonden?1
Ja. Het ministerie neemt alle consulaire hulpvragen, waaronder meldingen van vermissing van Nederlanders in het buitenland, uiterst serieus. Langdurige vermissingen en voortdurende onduidelijkheid maken het extra tragisch voor familie en vrienden.
Hoe ziet u de gewilligheid van Italiaanse autoriteiten om Samuël Boujadi te vinden?
De Italiaanse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de aanpak van vermissingen in hun land en hebben jurisdictie. Het is aan hen om de lokale situatie in te schatten en de bijbehorende aanpak te bepalen. Zij hebben aangegeven langer dan gebruikelijk en met relevante apparatuur te hebben gezocht. Ook hebben zij toestemming verleend aan een Nederlandse stichting met zoekhonden en een Italiaanse vereniging van vrijwilligers om eveneens zoekacties te ontplooien.
Bent u (nog steeds) van mening dat de Italiaanse autoriteiten alle hulpmiddelen hebben ingezet om Samuël Boujadi te vinden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de lokale Italiaanse autoriteiten weigeren om adequate versterking te verlenen bij de zoektocht naar een vermiste Nederlander, van de trage non-effectieve werkwijze en van het niet informeren van familieleden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de bureaucratische blokkades van de lokale Italiaanse autoriteiten om het werk van experts van Signi Zoekhonden en Volantari del Garda te dwarsbomen bij de zoektocht naar de vermiste Samuël Boujadi?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Italiaanse autoriteiten niet het gebied hebben doorzocht waar de speurhonden van Signi op aansloegen?
Het ministerie heeft voortdurend contact onderhouden met de Italiaanse autoriteiten over de voortgang en eventuele resultaten. Het is evenwel aan hen om de lokale situatie in te schatten en de bijbehorende aanpak te bepalen.
Hoe ziet u de rol en verantwoordelijkheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij de zoektocht naar Nederlandse burgers die vermist zijn geraakt in het buitenland?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van vermissingen van Nederlanders in het buitenland ligt bij de lokale autoriteiten. Die hebben jurisdictie en in de regel de meeste kennis van de lokale situatie. Wanneer lokale autoriteiten daartoe verzoeken en/of de Nederlandse overheid beschikt over aanvullende, dan wel specifieke expertise, kan het Ministerie van Buitenlandse Zaken bijstand aan de lokale autoriteiten aanbieden. In deze zaak is ook bijstand aangeboden, maar hebben de Italiaanse autoriteiten daar geen gebruik van gemaakt. Nederland mag en kan zich niet zonder uitnodiging c.q. toestemming mengen in de opsporing en rechtsgang in een andere staat.2 De Nederlandse ambassade heeft in dit geval ook bemiddeld bij het verkrijgen van toestemming van de lokale autoriteiten voor een Nederlandse stichting met zoekhonden om ook zoekacties te verrichten.
Nu de zoekacties van Italiaanse autoriteiten gestaakt zijn, is de Minister van plan om met Nederlandse professionals of vrijwilligers de zoektocht naar de vermiste Samuël Boujadi voort te zetten?
Nee, de Italiaanse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de aanpak van vermissingen in hun land en hebben jurisdictie. Het is aan hen om de lokale situatie in te schatten en de bijbehorende aanpak te bepalen. Nederland mag en kan zich niet zonder uitnodiging c.q. toestemming mengen in de opsporing en rechtsgang in een andere staat.
Bent u van plan om de kosten die de familie heeft gemaakt om de Volantari del Garda en/of de speurhonden van Signi in te huren te vergoeden, zoals door de Nederlandse ambassade in Italië is toegezegd?
Nee, dat is ook niet door de ambassade toegezegd. De Nederlandse overheid biedt consulaire bijstand in die gevallen waar een Nederlander niet in staat is zelf en met hulp van anderen (reisgenoten, thuisfront, verzekering, maar ook vrijwilligers en/of lokale partijen) een oplossing te vinden en/of wanneer alleen via overheidscontacten kan worden opgetreden. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verricht in het kader van consulaire bijstand alleen financiële (contact-)bemiddeling en kan geen geld schenken, voorschieten of lenen.3
Indien het antwoord op de vorige vraag nee is, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze staat het ministerie de naasten van Samuël Boujadi bij in hun pogingen hem te vinden en bij onenigheden met de Italiaanse autoriteiten?
Het ministerie staat in contact met de familie van betrokkene in Nederland en via de ambassade in Rome met de Italiaanse autoriteiten. Het ministerie biedt daarbij de gebruikelijke consulaire diensten (steun, advies en bemiddeling). Nederland mag en kan zich niet zonder uitnodiging c.q. toestemming mengen in de opsporing en rechtsgang in een andere staat.
Wat kunt u nog doen om te zorgen dat het lichaam van Samuël Boujadi gevonden wordt en in Nederland kan rusten?
Het ministerie zet waar relevant de consulaire bijstand en de contacten met de Italiaanse autoriteiten over deze zaak voort.
Bent u bereid om volgende week, bij een laatste poging van Signi Zoekhonden, experts van politie en/of defensie mee te sturen naar Italië om te helpen bij de zoektocht of op een andere manier (financiële) steun te bieden?
Er is specifieke bijstand aan de Italiaanse autoriteiten aangeboden, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt. Nederland mag en kan zich niet zonder uitnodiging c.q. toestemming mengen in de opsporing en rechtsgang in een andere staat.
Indien het antwoord op de vorige vraag nee is, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk, en gezien de urgentie, beantwoorden vóór 23 augustus 2021?
Het ministerie spant zich in om, zonder daarmee af te doen aan de zorgvuldigheid van de beantwoording en de consulaire bijstand die intussen wereldwijd aan Nederlanders in nood wordt geboden, ook deze Kamervragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De verlenging van het Europees Diploma voor de Oostvaardersplassen en Nationaal Park Weerribben-Wieden. |
|
Laura Bromet (GL), Bouchallikh |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de verlenging van het Europees Diploma van de Raad van Europa voor de Oostvaardersplassen en Nationaal Park Weerribben-Wieden?1, 2
Ja.
Bent u ook verheugd met de tweede verlenging van het Europees Diploma voor zowel de Oostvaardersplassen als de Weerribben-Wieden en deelt u de mening dat dit goed nieuws is voor de natuur? Deelt u de mening dat deze erkenning van alle inspanningen van de betrokken natuurorganisaties zeer waardevol is?
Ja.
Deelt u het streven van de betreffende natuurorganisaties om deze natuurgebieden ook na 2029 in aanmerking te laten komen voor het Europees Diploma?
Ja.
Deelt u de aanbeveling van de Raad van Europa dat de ontwikkeling en ingebruikname van Lelystad Airport de natuurkwaliteit van de Oostvaardersplassen en Nationaal Park Weerribben-Wieden niet in gevaar moet brengen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de conclusie dat deze aanbeveling nóg een extra argument is om Lelystad Airport niet te openen?
Aan de Europese Diploma’s voor de Oostvaardersplassen en Nationaal Park Weerribben-Wieden is de voorwaarde verbonden dat de ontwikkeling en het gebruik van Lelystad Airport de doelen of de kwaliteit van deze Natura 2000-gebieden niet in gevaar mag brengen. Deze voorwaarde sluit volledig aan bij de uitgangspunten die leidend zijn geweest bij de routeontwikkeling van en naar de luchthaven.3 Zo is er geen route ontworpen boven de Oostvaardersplassen, en geldt, net als voor andere Natura 2000-gebieden, een minimum vlieghoogte van 3.000 voet. Hier bovenop is het voor Nationaal Park Weerribben-Wieden mogelijk gebleken om tegemoet te komen aan opmerkingen in de zienswijzeprocedure, en zijn routeoptimalisaties doorgevoerd waardoor het wachtgebied is verplaatst en de bocht om dit gebied is verruimd. Hierdoor kan een naderend vliegtuig zoveel mogelijk gelijkmatig dalen met minder motorvermogen, op een minimum vlieghoogte van 6.000 voet.4 In het kader van de actualisatie van het Milieu Effect Rapport (MER)5 bij het wijzigingsbesluit heeft een onafhankelijk bureau de effecten van Lelystad Airport op natuur onderzocht. Hierin wordt geconcludeerd dat de tijdelijke aansluitroutes plaatsvinden op een hoogte van 6.000 voet en hoger, en dat de conclusie (uit het eerdere MER 2014) dat er geen sprake zal zijn van de aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden daarom niet verandert.
Kan men er op vertrouwen dat, ondanks kwalijke recente berichtgeving rondom de prioritering van Lelystad Airport3, de natuurkwaliteit daadwerkelijk de hoogste prioriteit heeft voor het gehele kabinet? Zult u er alles aan doen om de verlenging van het Europees Diploma mogelijk te maken?
De besluitvorming met betrekking tot Lelystad Airport is controversieel verklaard. Wel wil ik opmerken dat de verplichting tot het beschermen en behouden van Natura 2000-gebieden volgt uit Europese richtlijnen. Het Europees Diploma voor natuurgebieden van de Raad van Europa wordt verleend aan de terreinbeheerders van de betreffende gebieden. Desgewenst kan de overheid ze daarbij steunen.
Het artikel ‘De complotdenker bankiert maar elders, zegt de bank’ |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «De complotdenker bankiert maar elders, zegt de bank» van 17 augustus jongstleden?1
Ja.
Kunt u aangeven binnen welk kader banken opereren wanneer zij rekeningen blokkeren van klanten die wettelijk gezien niet over de schreef gaan?
Banken opereren binnen verschillende kaders bij het beoordelen van hun klanten. Zij dienen de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), regels voor een integere en beheerste bedrijfsvoering en de privaatrechtelijke aspecten in acht te nemen.
Banken hebben op grond van de Wwft een poortwachtersfunctie. Dat wil zeggen dat zij de verantwoordelijkheid hebben om te voorkomen dat het financiële systeem wordt misbruikt door criminelen. De Wwft verplicht banken daar cliëntenonderzoek naar te doen, om vast te stellen of een klant een risico op witwassen of terrorismefinanciering vormt. Banken (en andere Wwft-plichtige instellingen) stellen hun eigen risicobeleid vast. Daarop baseren banken hun beslissing een transactie wel of niet uit te voeren. En of zij een zakelijke relatie met een klant aangaan of voortzetten. Het afscheid nemen van een klant uit hoofde van de Wwft is een zwaar middel. Een verhoogd risico betekent namelijk niet dat een groep klanten categoraal geweigerd moet worden.2
In aanvulling op de Wwft houden DNB en AFM toezicht op de integere en beheerste bedrijfsvoering van financiële instellingen in het algemeen. Instellingen moeten een afweging maken wat een klant voor de integere en beheerste bedrijfsvoering betekent. Deze afweging verplicht een bank naar bredere risico’s dan witwassen of terrorismefinanciering te kijken, maar ook naar risico's die een gevaar zijn voor aantasting van de reputatie van een financiële instelling.3 Ter ondersteuning van de uitvoering van deze verplichting heeft DNB een Good Practice gepubliceerd.4
Naast deze regels voor banken is het hebben van een betaalrekening een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de klant en de bank. Daaraan kan de bank zelf voorwaarden stellen. Als een klant deze voorwaarden overtreedt kan een bank besluiten de overeenkomst op te zeggen en daarmee de betaalrekening te beëindigen.
Tot slot moeten instellingen die afscheid nemen van bestaande klanten de zorgplicht in acht nemen, die staat in artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden. Dat betekent dat zij bij het opzeggen van de zakelijke relatie de belangen van de klant in overweging moeten nemen. Als een bank besluit de relatie te beëindigen, moet de bank op verzoek toelichten op grond waarvan dit gebeurt.
Kunt u aangeven of het verspreiden van berichten die via stichtingen worden verspreid en niet passen bij de bedrijfsvoering voldoende reden voor een bank kan zijn om een rekening te blokkeren?
Alleen het hebben van een controversieel gedachtegoed is uiteraard onvoldoende reden om een rekening te sluiten. De Nederlandse Vereniging van Banken geeft aan dat banken geen specifiek beleid hebben voor verspreiders van desinformatie, en ook geen rekeningen te hebben beëindigd alleen vanwege het gedachtengoed van personen of instellingen. Een bank kan wel besluiten tot een nader cliëntenonderzoek als uitingsvormen van klanten binnen de risicokaders van de Nationale Coördinator Terrorisme en Veiligheid vallen. Ook kunnen banken een relatie met een klant blokkeren of beëindigen als de rekening bijvoorbeeld wordt misbruikt voor fraude of als de bank niet kan voldoen aan de eisen van de Wwft. In dat soort gevallen staat de beëindiging van de klantrelatie los van de uitingen van de klant. Uiteindelijk is dit een individuele afweging, die van geval tot geval moet worden gemaakt. Daarbij kijken banken op grond van de eigen criteria van banken en de wet verplichtingen altijd naar meerdere aspecten. Die afweging moet zorgvuldig gebeuren en met inachtneming van de zorgplicht die banken voor hun klanten hebben.
Hoe wordt voorkomen dat banken met deze handelwijze de vrijheid van meningsuiting buitenwettelijk inperken en in hoeverre verzet de horizontale werking van dit grondwettelijk recht zich tegen deze handelwijze van banken en financiële instellingen?
Het kabinet staat pal voor de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting biedt een essentiële voorwaarde voor het voeren van een publiek debat over kwesties van algemeen belang. Zonder de vrijheid van meningsuiting is een democratische, pluriforme en open samenleving niet mogelijk.
Vrijheidsrechten zijn rechten van burgers tegenover de overheid. Zij hebben daarmee een «verticale werking». De vrijheid van meningsuiting speelt weliswaar ook een belangrijke rol in de relaties tussen burgers onderling. Maar het is niet zo dat grondrechten automatisch «horizontale werking» hebben, dus volledig van toepassing zijn in relaties tussen burgers onderling of tussen burgers en bedrijven. Het is aan de rechter dit, van geval tot geval, toe te kennen. De rechter kiest in het algemeen niet voor directe horizontale werking bij contractuele relaties. En kiest er dus niet voor de vrijheid van meningsuiting direct toe te passen in dat soort relaties, hoewel het grondrecht wel een rol kan spelen bij de uitleg van onderdelen van het contract.
In principe staat het banken als private onderneming vrij om in het kader van de contractvrijheid grenzen te stellen aan wat zij toelaatbaar gebruik van hun diensten vinden. Bijvoorbeeld in hun gebruiksvoorwaarden. En het staat banken vrij om actie te ondernemen wanneer deze voorwaarden worden overtreden. Gebruikers hebben de vrijheid en mogelijkheid om voor zichzelf te bepalen of zij die voorwaarden willen accepteren en afhankelijk daarvan al dan niet gebruik te maken van deze bank of te kiezen voor een andere bank.
De banken hebben samen een maatschappelijke rol bij de toegang tot het betalingsverkeer. Het zou onwenselijk zijn als bepaalde gebruikers bij een groot aantal banken geweerd worden alleen vanwege hun uitlatingen. Het kabinet vindt het daarom, met het oog op de vrijheid van meningsuiting, van belang dat banken transparant zijn als zij actie ondernemen op basis van een overtreding van hun voornemen. Banken moeten duidelijk zijn over de concrete redenen die aanleiding zijn om specifiek tegen een bepaalde klant op te treden. Klanten van de bank die daardoor worden getroffen kunnen tot slot altijd een klacht indienen bij het Kifid5 of hun geschil voorleggen aan de rechter.
Bent u voornemens banken op hun blokkeringsbeleid aan te spreken zodat de vrijheid van meningsuiting zo min mogelijk onder druk komt te staan en welke rechtsbescherming is er voor burgers of instellingen die ten onrechte ingeperkt worden in hun vrijheid van meningsuiting?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Weer geen post in Kattendijke: 'We noemen het hier al postgate'' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Weer geen post in Kattendijke: «We noemen het hier al postgate»»?1
Ja.
Was u voor deze berichtgeving op de hoogte van problemen met de postbezorging in Kattendijke of in andere plaatsen?
Ik ben bekend met het feit dat zich op incidentele basis problemen voor kunnen doen met de postbezorging. Van deze specifieke situatie in Kattendijke was ik nog niet op de hoogte.
Deelt u de mening dat de postbezorging overal in Nederland, dus ook in Kattendijke, op orde dient te zijn conform de eisen aan de Universele Postdienst (UPD) en inwoners er dus van verzekerd moeten kunnen zijn dat hun post bezorgd wordt?
Ja, die mening deel ik. Er zijn wettelijke eisen op basis van de Postwet 2009 ten aanzien van (onder meer) de kwaliteit van de UPD waaraan PostNL als verlener van de universele postdienst dient te voldoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op deze regels.
Bent u bereid bij PostNL, uitvoerder van de UPD, navraag te doen naar deze kwestie en PostNL te verzoeken in samenspraak met de gemeente en (een vertegenwoordiging van de) inwoners van Kattendijke tot een structurele oplossing te komen?
Ja, ik heb navraag gedaan bij PostNL. PostNL heeft mij laten weten dat er contact is met de Vereniging Dorpsbelangen Kattendijke over dit onderwerp. Ook heeft PostNL naar aanleiding van de klachten en de berichtgeving in de media nader onderzoek verricht.
PostNL heeft geconstateerd dat de problemen zijn veroorzaakt doordat in het laatste deel van de bezorging in deze regio niet is gehandeld volgens de geldende kwaliteitsnormen van PostNL. Dat betekent dat er inderdaad vertragingen zijn opgetreden in de postbezorging. Hier heeft PostNL inmiddels publiekelijk haar excuses voor aangeboden. De vertragingen staan los van eerdere problemen met de postbezorging in Kattendijke, aldus PostNL.
Aanvullend heeft PostNL mij laten weten dat zij een aantal acties heeft ondernomen. Allereerst is de vertraagde post nabezorgd bij de inwoners van Kattendijke. Daarnaast heeft PostNL maatregelen getroffen naar aanleiding van de onregelmatigheden, zodat de bewoners in Kattendijke weer kunnen rekenen op een goede postbezorging. PostNL gaat ervan uit dat deze acties leiden tot een structurele oplossing.
Kunt u tevens bij PostNL informeren in hoeverre er sprake is van een tekort aan postbezorgers en in welke regio’s dit nu of in de toekomst tot problemen met de postbezorging leidt, en hoe PostNL die problemen gaat voorzien en oplossen?
Ik heb hiernaar bij PostNL geïnformeerd en begrijp dat PostNL inderdaad krapte op de arbeidsmarkt constateert. Op dit moment ziet PostNL geen specifieke regio’s waar de arbeidskrapte meer structureel tot problemen leidt. PostNL geeft aan dat ze hier op acteren, bijvoorbeeld door het voeren van wervingscampagnes.
De garantieregeling evenementen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mona Keijzer (CDA) |
|
![]() |
Herkent u signalen, zoals bijvoorbeeld van de Kunstenbond1, dat organistoren van evenementen onderaannemers zoals artiesten en andere zzp’ers een lagere vergoeding betalen dan het oorspronkelijke bedrag, dat wil zeggen wanneer het evenement gewoon zou zijn doorgegaan? Herkent u ook dat het hierbij soms om een doorbetaling van nul euro gaat?
Ja, mij zijn zulke geluiden ter ore gekomen.
Is het waar dat organisatoren hierbij verwijzen naar contractuele bepalingen (juridische verplichtingen)? Bent u ervan op de hoogte dat die contracten zijn aangegaan vóórdat met zekerheid bekend was dat er een garantieregeling zou zijn en/of vóór de garantieregeling werd opgehoogd van 80% naar 100%?
Ik heb geen inzicht in de contractuele verhoudingen van individuele organisatoren en hun toeleveranciers, waaronder ook artiesten en andere zelfstandigen. Wel herken ik de geschetste situatie uit de signalen die onder mijn aandacht zijn gebracht.
Gebeuren deze praktijken ook ten aanzien van andere bedrijven in de keten, zoals cateraars en beveiliging?
Ik heb enkele individuele verhalen gehoord van toeleveranciers die door organisatoren van evenementen menen te worden benadeeld. Als gezegd heb ik geen zicht op wat zich in de sector afspeelt op contractueel gebied.
Deelt u de mening dat het gek is dat aan deze «oude» contracten wordt vastgehouden, terwijl de garantieregeling voor organisatoren inmiddels een feit is en is opgehoogd naar 100%, aangezien de organisator nu immers inmiddels 100% terug krijgt van de overheid – en daarmee geen risico meer loopt – maar de artiest of andere zzp’ers nog aan de oude risicoverdelingen houdt die zijn afgesproken toen dit percentage nog 80% was of toen de garantieregeling nog helemaal geen feit was? Is dit wat u betreft in de geest van de garantieregeling zoals die is opgesteld?
Ook vóór de genoemde verruiming kon een organisator van evenementen reeds een garantie voor het totaal van de subsidiabele kosten krijgen. De verruiming houdt in dat de garantie volledig uit een gift bestaat, in plaats van aanvankelijk tachtig procent. Dit werkt niet automatisch door in de contractuele afspraken tussen de organisator en zijn toeleveranciers. Wel kan ik mij voorstellen dat een organisator die zijn contractuele afspraken eerst baseerde op de aanvankelijke situatie van tachtig procent gift, en vervolgens gebruik maakt van tot honderd procent verruimde garantie, hierdoor de mogelijkheid wordt geboden ook aanvullende afspraken met zijn toeleveranciers te maken.
Zou het wat u betreft redelijk en aanvaardbaar zijn dat voorbij wordt gegaan aan deze contractueel afgesproken risicoverdeling vanwege de gewijzigde omstandigheid dat er inmiddels een regeling bestaat die de kosten voor 100% compenseert?
Zie mijn antwoord op vraag 4. Het doel van de garantieregeling is de gehele keten te ondersteunen, dus ook de toeleveranciers inclusief zelfstandigen en artiesten. Een organisator die overheidssubsidie niet doorbetaalt aan zijn leveranciers gaat in tegen de geest van de regeling. Daarbij past echter de kanttekening dat de contractuele relatie, alsook aanpassing van de gemaakte afspraken, tussen organisator en toeleveranciers een privaatrechtelijke kwestie is.
Waarom is er niet gekozen om eerlijke doorbetaling aan de gehele keten op te nemen in de subsidievoorwaarden?
De kwestie van doorbetaling is in de ontwerpfase van de regeling aan de orde geweest. Daarbij bleek het uitvoeringstechnisch niet mogelijk om uitbetaling van de subsidie aan de organisator afhankelijk te maken van het doorbetalen aan de toeleveranciers. Hierdoor zou de uitbetaling van de subsidie onacceptabel vertraagd worden, terwijl nu juist nodig was/is dat geld de keten in blijft vloeien. Daarnaast zou het ondoenlijk zijn voor RVO (uitvoerder van de regeling) om het administratieproces van elke individuele organisator te moeten beoordelen alvorens tot uitbetaling van de subsidie over te gaan: een groot evenement kan honderden toeleveranciers hebben.
Bent u voornemens om organistoren aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om de gegeven steun door te laten sijpelen naar de rest van de keten? Zo ja, op welke manier wilt u dat doen? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet heeft op bestuurlijk en ambtelijk niveau regelmatige contacten met de evenementensector. Naar aanleiding van de ontvangen signalen heeft de afgelopen tijd meermaals contact plaatsgehad met onze gesprekspartners. Daarbij is besproken dat zij als bestuurders en vertegenwoordigers van de sector een verantwoordelijkheid hebben (hoewel het primair de zaak is van de individuele organisator, ook juridisch), in de zin dat de tussen de overheid en de sector gemaakte afspraken ook binnen de sector zo goed mogelijk verspreid en uitgelegd dienen te worden. De sector gaf aan de ontvangen signalen te betreuren en te hechten aan een juiste gang van zaken. Daartoe sprak de sector het voornemen uit spreekuren te zullen organiseren voor organisatoren over hoe te werken conform de garantieregeling. Ik heb begrepen dat dit sindsdien ook al enkele malen is gebeurd. Natuurlijk ben ik mij bewust dat hiermee vooral de welwillenden worden bereikt.
In aanvulling hierop is de situatie besproken met RVO. Niet-gemaakte kosten (de toeleverancier die niet is uitbetaald) mogen ook niet als subsidiabele kosten worden opgevoerd. Dat is weliswaar eerder een zaak van zorgvuldigheid dan een drukmiddel. RVO gaf niettemin aan dat zij hier extra op letten. Daarnaast moet ook de accountant van de organisator bij zijn controle reeds contracten met toeleveranciers beoordelen en aangeven dat niet gemaakte kosten niet mogen worden opgevoerd.
Ziet u ook dat dit opnieuw laat zien dat het zogenoemde «trickle down effect» ten aanzien van zzp’ers in de culture sector bij coronasteun niet naar behoren werkt, zoals ook al is aangetoond in recente onderzoeken van de Boekmanstichting en de Raad voor Cultuur? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit beter gaat werken en wat gaat u doen om de positie van zzp’ers te verbeteren?
Voor uitbetaling aan de organisatoren is gekozen om de regeling uitvoerbaar te houden en snel uit te kunnen keren. Dit is ook in het belang van toeleveranciers, die overigens niet alleen bestaan uit zelfstandigen maar ook uit grotere bedrijven. Dat neemt niet weg dat de positie van de zelfstandigen tegenover opdrachtgevers verbetering behoeft. Mijn inzet ter verbetering van de positie van zelfstandigen, waarover ik bij eerdere gelegenheid met de Kamer sprak, blijft dan ook onveranderd. Verder kijk ik uit naar de bevindingen van de Taskforce Culturele en Creatieve sector die zich buigt over de vraag hoe steun beter kan worden verdeeld in het geval van toekomstige steunmaatregelen of vanuit de reserves die instellingen hebben kunnen opbouwen.
Het nagenoeg gelijkblijvende gebruik van landbouwgif, ondanks beloftes voor een drastische afname |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat Nederland in 2018 het meeste landbouwgif per hectare landbouwgrond gebruikte in de Europese Unie?1
Het bericht meldt dat in Nederland 10,3 kilogram werkzame stof per hectare wordt gebruikt in 2018. Dit is in Europa het hoogst.
Het is niet duidelijk waarop dit getal is gebaseerd. Het is namelijk niet bekend hoeveel gewasbeschermingsmiddelen er in Nederland gebruikt zijn in het jaar 2018 en het jaar 2019. Het CBS voert elke vier jaar een enquête uit om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de agrarische sector in beeld te brengen. De meest recente gegevens zijn van het jaar 20163.
Er is inmiddels een traject gestart in het kader van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030, waardoor het mogelijk wordt om de gebruikscijfers jaarlijks in te winnen en te publiceren.
Volgens het Compendium voor de Leefomgeving is in 2019 in Nederland de afzet van gewasbeschermingsmiddelen afgenomen naar 9,2 miljoen kg werkzame stof, dat is 1% minder dan het jaar ervoor. Dat betekent een afname met 129.000 kilogram.
De inzet in Nederland is – zoals uw Kamer weet – gericht op het realiseren van weerbare planten en teeltsystemen, het verbinden van land- en tuinbouw met natuur en nagenoeg geen emissie naar het milieu en nagenoeg geen residuen op voedselproducten in 2030. Dit is een fundamentele, langjarige transitie, waarbij het effect van de verschillende acties – die nu worden uitgevoerd in het kader van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 – niet direct zichtbaar is. Daarbij past het om naar meerjarige trends te kijken in plaats van naar verschillen in de afzet tussen twee kalenderjaren.
Er is een dalende trend te zien in de periode 2011 tot en met 2019 in de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen op de Compendium voor de Leefomgeving.
Bovendien is het gebruik en de afzet van gewasbeschermingsmiddelen afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gewassen die worden geteeld, de mate waarin ziekten, plagen en onkruiden voorkomen en de weersomstandigheden. Dit heeft ertoe geleid dat bij de Europees geharmoniseerde risico-indicatoren gekozen is voor een referentieperiode van drie opeenvolgende kalenderjaren (2011 tot en met 2013) in plaats van één kalenderjaar.
Recent zijn de Nederlandse trends van de Europees geharmoniseerde risico-indicatoren gepubliceerd4. Hieruit blijkt in Nederland een dalende trend in de periode 2011 tot en met 2019 voor de groep werkzame stoffen met het hoogste risicoprofiel en een stijgende trend voor de groep werkzame stoffen met het laagste risicoprofiel.
Kunt u bevestigen dat in Nederland in 2019 slechts één procent minder landbouwgif is verkocht en gebruikt dan in 2018?2 Hoe beoordeelt u deze summiere daling?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u het inzicht dat het gebruik van landbouwgif variabel is door wisselende weersomstandigheden en dat een afname van één procent dus geïnterpreteerd kan worden als nagenoeg gelijkblijvend gebruik?
Het gebruik en de afzet van gewasbeschermingsmiddelen is, zoals ik het antwoord op vraag 1 en 2 heb aangegeven, afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gewassen die worden geteeld, de mate waarin ziekten, plagen en onkruiden voorkomen en de weersomstandigheden.
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en 2 voor het tweede deel van uw vraag.
Kunt u bevestigen dat in 2019 in de gehele Europese Unie de verkoop van landbouwgif 6% lager lag dan in 2018?3
De verkoop van de gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie is volgens Eurostat in 2019 6% lager dan in 20186.
Kunt u bevestigen dat Nederland zijn «koploperpositie» in het overmatig gebruik van landbouwgif in 2019 hiermee verder heeft versterkt?
Nee, dat kan ik niet. Er zijn namelijk op dit moment geen bruikbare gegevens om de verschillende lidstaten in de Europese Unie goed met elkaar te vergelijken.
Er ligt een voorstel voor een verordening betreffende statistieken over de landbouwinput en -output. Dit voorstel is gericht op stroomlijning en verbetering van het Europees systeem van landbouwstatistieken. Verordening (EG) 1185/2009 betreffende statistieken over pesticiden wordt in dit proces meegenomen (Kamerstuk 22 122 nr. 3080).
Kunt u de verkoop- en gebruikscijfers van landbouwgif in Nederland in het jaar 2020 met de Kamer delen?
Deze gegevens zijn op dit moment nog niet beschikbaar. De afzetgegevens worden in het voorjaar 2022 gepubliceerd en de gebruikscijfers worden naar verwachting begin 2022 gepubliceerd door het CBS.
Kunt u een verklaring geven voor het feit dat de verkoop van landbouwgif in Nederland minder snel afneemt dan het Europese gemiddelde? Bent u tevreden over het huidige beleid, waarvan dit het resultaat is?
De verkoop van gewasbeschermingsmiddelen is afhankelijk van verschillende factoren (zie het antwoord op vraag 1, 2 en 3). Deze factoren zijn ook van invloed op de totale verkochte hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie.
De inzet in Nederland op het terrein van gewasbeschermingsmiddelen is op dit moment gericht op het realiseren van weerbare planten en teeltsystemen, dat vergt tijd (zie ook het antwoord op vraag 1 en 2). Tegelijkertijd blijven we ons inzetten om ook nu al het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verduurzamen en te verlagen. Daarbij verwacht ik veel ook van de samenwerking met alle stakeholders in ons Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
Welke lessen trekt u uit de ontwikkeling in bijvoorbeeld Denemarken, waar de verkoop van landbouwgif in 2019 met 42% afnam ten opzichte van 2018?
Uit het bericht van Eurostat blijkt dat de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen in Denemarken in 2019 met 42% is afgenomen ten opzichte van 2011.
Elke lidstaat in de Europese Commissie kan binnen de kaders van Richtlijn 2009/128/EG gewasbeschermingsmiddelenbeleid formuleren dat aansluit bij wijze waarop gewassen kunnen worden geproduceerd in de lidstaat, waaronder het beschikbare pakket aan gewasbeschermingsmiddelen en maatregelen om ziekten, plagen en onkruiden te bestrijden.
De grootste daling van de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen in Denemarken is in de periode 2012–2014 blijkt uit de Deense geharmoniseerde risico-indicator7. Een mogelijke verklaring hiervoor is het introduceren van een gedifferentieerde heffing op de aankoopprijs van gewasbeschermingsmiddelen.
Deelt u het inzicht dat als Nederland de huidige reductietrend – met de huidige maatregelen – voortzet, we het doel uit de Farm to Fork-strategie van 50% minder gifgebruik pas tegen 2070 zullen halen? Hoeveel insecten verwacht u dat er tegen die tijd, bij dat scenario, nog zijn? Kunt u omschrijven wat hiervan het ecologische impact is en de gevolgen voor mens en dier?
Zoals u weet, heb ik de van Boer tot Bord-strategie verwelkomd, omdat deze op hoofdlijnen overeenkomt met het kabinetsbeleid. Daarbij is het goed te benoemen dat de kwantitatieve doelen in deze strategie voor de Europese Unie als geheel gelden, en niet per lidstaat. Nederland draagt hieraan op het terrein van gewasbescherming o.a. bij via het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
De Europese Commissie is nu bezig met het uitwerken van de van Boer tot Bord-strategie in concrete voorstellen. Deze zal ik op zijn merites beoordelen. Ik zal uw Kamer zoals gebruikelijk daarover informeren via het BNC-fiche.
Kunt u bevestigen dat Frankrijk zich met het Ecophyto II+-plan ten doel heeft gesteld om het gebruik van landbouwgif reeds in 2025 te halveren ten opzichte van 2015?4 Wat vindt u van deze ambitie?
Het klopt dat Frankrijk zich voor heeft genomen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen met 50% in 2025 ten opzichte van 2015 met «le plan Écophyto II+». Dit is de wijze waarop Frankrijk invulling geeft aan Richtlijn 2009/128/EG.
Ik heb u in het antwoord op vraag 8 aangegeven dat elke lidstaat in de Europese Unie een eigen invulling geeft aan de hierboven genoemde richtlijn. Voor Nederland is het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 daarin leidend.
Deelt u het inzicht dat wanneer u belooft dat het «radicaal anders» zou gaan met het gebruik van landbouwgif, of schrijft dat het gebruik «drastisch zou afnemen», maar u vervolgens geen kwantitatief doel stelt, u de voortgang van uw beleid niet kan meten?5, 6
Het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 richt zich op het realiseren van drie strategische doelen: 1) weerbare planten en teeltsystemen, 2) het verbinden van land- en tuinbouw met natuur en 3) nagenoeg geen emissies naar het milieu en nagenoeg geen residuen op voedselproducten. Dit noem ik radicaal anders. Er staan (tussen)doelen in het uitvoeringsprogramma voor deze strategische doelen. Hiervan is milieulast er een (zie hoofdstuk 3). De betrokken partijen zijn zich ervan bewust dat bepaalde (tussen)doelen nog nader geconcretiseerd moeten worden. Hiervoor zal de uitkomst van het traject voor het opzetten van de monitoring van het uitvoeringsprogramma worden gebruikt (zie bijlage 1).
Ik heb aangegeven dat ik verwacht dat de hierboven genoemde doelen een drastische daling van de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen tot gevolg zal hebben. Wel zal ik de trend daarin volgen met de gegevens over het gebruik en de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen.
Ik heb uw Kamer in het tweeminutendebat over de Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 oktober 2021 op 7 oktober jl. gezegd waarom ik de aangenomen motie van het lid Vestering heb ontraden (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1346). In deze motie wordt de regering verzocht, kwantitatieve tussendoelen te stellen voor de uitfasering van het gebruik van pesticiden, aangevuld met een plan om boeren te helpen bij de benodigde omschakeling nogmaals aangegeven. We zijn bezig met het realiseren van de strategische doelen van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Een van deze strategische doelen is nagenoeg zonder emissies naar het milieu en nagenoeg zonder residuen op voedselproducten. Het is aan het volgende kabinet om te beslissen hoe om te gaan met deze motie.
Kunt u uw belofte voor «radicaal anders» en «drastisch minder» specifieker formuleren, alsmede meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden, zoals bijvoorbeeld ook Frankrijk heeft gedaan?
Ik verwijs u naar het antwoord op de vragen 10 en 11.
Kunt u aangeven wat de voortgang is op de kwantitatieve doelen uit de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst voor 2023, namelijk: 90% minder normoverschrijdingen van de ecologische waterkwaliteitsdoelen ten opzichte van 2013, 95% minder normoverschrijdingen van de drinkwaternorm ten opzichte van 2013 en een toename van de hoeveelheid bloemrijke akkerranden? Zijn we op koers om in ieder geval deze doelen te halen?
Het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 voorziet in het jaarlijks monitoren van de voortgang aan de hand van relevante indicatoren. Er wordt op dit moment gewerkt aan het opzetten daarvan. Hierbij zal gekeken worden welke indicatoren bruikbaar zijn om de voortgang van het proces en het realiseren van de doelen te meten. Er is afgesproken om de bestaande indicatoren te gebruiken voor het realiseren van de (tussen)doelen van de waterkwaliteit, zoals de doelen uit de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst» die zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
De Bestrijdingsmiddelenatlas laat een dalende trend zien voor de ecologische waterkwaliteitsnormen. Het aantal normoverschrijdingen van de jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm ligt in 2019 op ongeveer 40% en van de maximaal aanvaardbare concentratie milieukwaliteitsnorm ligt in 2019 op ongeveer 60%.
Ik verwacht de eerste resultaten van de jaarlijkse monitoring in het najaar 2022. Ik zal uw Kamer daarover uiteraard informeren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb vraag 1 en 2 voorzien van een gecombineerd antwoord. Ik heb uw vragen zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Beruchte topgangster deelt lakens uit in bajes Zaanstad' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Beruchte topgangster deelt lakens uit in bajes Zaanstad»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat een gedetineerde, personeelsleden en medegedetineerden, zou intimideren en een criminele organisatie zou aansturen vanuit de gevangenis?
Als er sprake is van dit soort gedrag, dan is dat onacceptabel. Risico’s zijn in het werk van het gevangeniswezen onvermijdelijk, maar wij doen er alles aan om deze te beheersen. Om deze reden is extra ingezet op veiligheidsmaatregelen binnen DJI.2 In de opleidingen van het personeel wordt aandacht besteed aan de omgang met gedetineerden en de dilemma’s die hierbij spelen. Daarnaast zijn er inmiddels twee afdelingen Intensief Toezicht (AIT) operationeel en wordt er een derde ingericht. Ook is er in iedere PI een Bureau inlichtingen en veiligheid (BIV) opgezet. Deze bureaus werken met de Gedetineerden Relatie Monitor (GRM), een tool om onderlinge netwerken in beeld te krijgen. Zoals ik in de brief van 11 juli 2019 bekend heb gemaakt is er 3 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor de strijd tegen smokkelwaar.3 Onder andere hekwerk, camera’s en netten zijn hiermee gerealiseerd. Tevens is het aantal speurhonden verdubbeld van twintig naar veertig. DJI voert diverse controles uit, zoals toegangscontroles en controles van cellen en luchtplaatsen. De penitentiaire scherpte van het personeel is hierbij van groot belang. Daarnaast is het naar binnen brengen van contrabande per 1 november 2019 strafbaar gesteld. Op de invoer van verboden spullen staat een geldboete van de derde categorie of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Ook is DJI bezig te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om gsm-signalen te detecteren en te verstoren. Bij het constateren van ongewenst of crimineel gedrag bij gedetineerden worden er disciplinaire straffen opgelegd. Bij strafbaar gedrag is het uitgangspunt dat altijd aangifte wordt gedaan zodat gedetineerden strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. De Wet Straffen en Beschermen laat gedrag tijdens detentie zwaarder meewegen bij de verlening van verlof en de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het in gevaar brengen van de veiligheid van medewerkers zal dus consequenties hebben bij een beslissing over het verlenen van verlof of v.i.
Hoe wordt een gedetineerde gekozen of benoemd als lid of voorzitter van een gedetineerdencommissie?
Nadat een gedetineerde zich verkiesbaar heeft gesteld, kiezen de gedetineerden van een afdeling zelf wie hen vertegenwoordigt in de gedetineerdencommissie (Gedeco). Uit de gekozen vertegenwoordigers wordt een voorzitter gekozen.
Deelt u de mening dat een positie in een gedetineerdencommissie op geen enkele wijze tot gevolg mag hebben dat een gedetineerde meer privileges geniet dan andere gedetineerden?
Ja, die mening deel ik. Leden van de Gedeco komen wel, ter uitoefening van hun functie, op afgesproken tijdstippen op andere afdelingen voor overleg met andere Gedeco-leden en/of functionarissen van de inrichting.
Deelt u de opvatting dat sociale en fysieke veiligheid van alle medewerkers bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van essentieel belang is?
Ja.
Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren getroffen om de sociale veiligheid in Penitentiaire Inrichtingen (PI) te bevorderen?
In de opleidingen van het personeel wordt aandacht besteed aan de omgang met gedetineerden en de dilemma’s die hierbij spelen. Voorts bestaan er vertrouwenspersonen waar de medewerkers hun zorgen kunnen uiten. Daarnaast kunnen door de AIT´s en BIV´s gedrag van gedetineerden beter gemonitord worden. Door de invoering van de Wet Straffen en Beschermen telt gedrag bij verlening van verlof en v.i.
Kunt u bevestigen dat wanneer een gedetineerde spullen, zoals een TV, kapot maakt de schade altijd wordt verhaald op de gedetineerde?
Ja, uitgangspunt is dat bij vernieling de schade wordt verhaald op de dader.
Bent u in gesprek vanuit uw rol als werkgever met andere grote overheidswerkgevers zoals de Politie en Defensie om de best practices uit te wisselen op het gebied van het bevorderen van sociale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Als er met sociale veiligheid wordt bedoeld de mate waarin medewerkers zich tijdens hun werk beschermd weten en voelen tegen persoonlijk leed als gevolg van grensoverschrijdend gedrag van anderen, dan wordt dat onderwerp met enige regelmaat besproken tijdens interdepartementale overleggen en dan vooral in relatie tot het bevorderen van een integere organisatie en integer gedrag daarbinnen.
Hoeveel meldingen van onveilige situaties zijn door het personeel van de DJI de afgelopen vijf jaren gedaan in de PI Zaanstad?
Hieronder staan de cijfers opgenomen van het aantal beschikkingen dat is opgelegd vanwege bedreiging van het personeel. Het betreft dus alle situaties waarin een dergelijke bedreiging is geconstateerd en heeft geleid tot een beschikking aan gedetineerde (zoals een disciplinaire straf). Dit betreft dezelfde cijfers als opgenomen in mijn brief van mei jl.4, met daarbij de specifieke aantallen voor JC Zaanstad.
Aantal beschikkingen met bedreiging personeel als een van de aanleidingen
Totaal GW
671
689
861
773
Zaanstad
138
118
116
79
Bron: Tulp-Selectie
Waar kunnen medewerkers terecht met hun zorgen over sociaal onveilige situaties indien leidinggevenden, na meldingen van medewerkers, onvoldoende actie ondernemen?
Medewerkers die vinden dat de leidinggevenden onvoldoende actie nemen na meldingen over onveilige situaties, kunnen dat melden aan de directeur van de inrichting. Medewerkers die hun zorg of melding niet willen bespreken met hun eigen of hoger leidinggevenden, kunnen zich tot het Bureau Integriteit (BI) wenden. Verder kunnen medewerkers altijd terecht bij een vertrouwenspersoon.
Welke acties zijn ondernomen na het bericht in de Telegraaf?
De directeur heeft overleg gevoerd met medewerkers van de inrichting. Daarbij is opgeroepen signalen en gevoelens over mogelijke onveiligheid met de leidinggevende te delen, zodat er onderzoek kan plaatsvinden en (als dat nodig is) maatregelen kunnen worden getroffen. Medewerkers worden gestimuleerd dit ook te doen.
Daarnaast hebben er in het JC Zaanstad intensieve celinspecties plaatsgevonden, onder meer met inzet van speurhonden van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O). Er is voorts intensief overleg gevoerd met het OM en de politie, onder andere over de orde en veiligheid in de inrichting, de veiligheid van medewerkers van het JC Zaanstad en de gevolgen van de publicatie voor een lopend (opsporings-)onderzoek in het JC Zaanstad.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat criminele organisaties vanuit gevangenissen kunnen worden geleid?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien er nog onderzoeken lopen naar aanleiding van het bericht in de Telegraaf, kunt u de Kamer berichten over de voortgang en over de uitkomsten van deze onderzoeken voor het commissiedebat gevangeniswezen en tbs van 2 december 2021?
Indien het onderzoek tijdig is afgerond en het bekend maken van de onderzoeksresultaten geen negatieve invloed heeft op de orde en veiligheid in de penitentiaire inrichtingen of een lopend opsporingsonderzoek van OM en politie zal ik uw Kamer berichten over de uitkomsten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De noodhulp voor de slachtoffers van de aardbeving in Haïti |
|
Salima Belhaj (D66), Alexander Hammelburg (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), de Th. Bruijn |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Noodhulp Haïti komt lastig op gang, en meer crises dreigen»?1
Ja.
Welke internationale coördinatie van noodhulp vindt er plaats? Is er een beroep gedaan op Nederland? Zo ja, wat was uw reactie?
Noodhulp ter plekke wordt gecoördineerd door het nationale Civil Protection Agency en het Caribbean Disaster Emergency Management Agency (CDEMA). Beide organisaties zijn aangesloten bij het internationale netwerk voor alertering van, en respons op, crises en rampen.
Nederland maakt deel uit van dit netwerk, via het Civil Protection Mechanism (UCMP) van de Europese Unie. In het UCPM «poolen» EU-lidstaten kennis, expertise en noodhulpdiensten en stemmen inzet af. Het UCPM wordt geactiveerd op basis van hulpverzoeken van landen die zijn getroffen. Ook landen buiten de EU kunnen verzoeken indienen om materiële of personele bijstand. Dat is in het geval van Haïti gebeurd en derhalve is ook een beroep op Nederland gedaan voor experts. In reactie daarop is een gezamenlijk EU-hulpteam naar Haïti afgereisd bestaande uit 12 mensen die op locatie contact onderhouden met de lokale overheid en de EU-assistentie coördineren. Nederland heeft voor dit team experts aangeboden, maar de keuze is gevallen op andere kandidaten met (relevantere) werkervaring en talenkennis.
Ook is er een beroep gedaan voor ondersteuning middels schepen. De Kamer is op vrijdag 20 augustus middels kamerbrief 2021Z144592 Inzet Defensie voor humanitaire hulpverlening in Haïti van het Ministerie van Defensie over de inzet van het marineschip Zr.Ms. Holland geïnformeerd.
Daarnaast bieden verschillende VN-organisaties, NGO’s en het Rode Kruis hulp aan Haïti. Zo deelt WFP voedselpakketten uit, en het IOM dekens en tijdelijk onderdak. Het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN heeft USD 8 miljoen beschikbaar gesteld voor de noden in Haïti. Het Rode Kruis biedt ondersteuning bij zoek- en reddingsacties, onderdak, acute medische zorg en ook psychosociale ondersteuning. Die organisaties kunnen hun werk mede doen door ongeoormerkte financiering van Nederland.
Deelt u de analyse van de woordvoerder van Artsen zonder Grenzen dat het uitblijven van hulp o.a. op het gebied van zorg en schoon drinkwater de crisis zal verergeren?
Ja, in dat verband is het goed te zien dat er vanuit verschillende hoeken hulpoperaties worden opgezet: de VS, verschillende landen in de Cariben, het VK Frankrijk, Canada en organisaties die reeds aanwezig waren zoals VN-organisaties en het Rode Kruis.
Ziet u mogelijkheden om geld beschikbaar te stellen vanuit de reserve voor crisis-specifieke bijdragen uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
Binnen de mogelijkheden van het noodhulpbeleid om te reageren op acute crises – in aanvulling op de ongeoormerkte financiering van humanitaire VN-organisaties, het Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance (DRA) – zal het Rode Kruis uit zijn blokallocatie voor acute noden EUR 400.000 beschikbaar stellen voor het lenigen van de noden in Haïti. Daarnaast heeft het CERF USD 8 miljoen beschikbaar gesteld voor Haïti. Nederland is een van de grootste donoren van het CERF. Tot slot wordt ondergenoemde inzet van het Ministerie van Defensie gecofinancierd door de EU en vanuit de reserve voor crisis-specifieke bijdragen uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Welke technische ondersteuning kan Nederland bieden? Kan bijvoorbeeld het Nederlandse Urban Search and Rescue Team, dat te hulp schoot na de explosie in de haven van Beiroet, het Amerikaanse reddingsteam ter plaatse ondersteunen?2 Kunnen er water- en sanitatie-experts worden uitgezonden via de Dutch Surge Support Water (DSS Water), zoals toegelicht in uw brief van 19 februari 2021?3
Vanuit het UCPM is er geen oproep gedaan voor de inzet van USAR-teams. Er is evenmin een beroep gedaan op expertise vanuit het programma DSS Water. Wel heeft het marineschip Zr.Ms. Holland de capaciteit om water te «ontzilten».
Gaat Nederland een bijdrage leveren door militair personeel en materieel in te zetten voor hulpverlening in de getroffen gebieden?
De Kamer is op 20 augustus middels kamerbrief 2021Z144595 Inzet Defensie voor humanitaire hulpverlening in Haïti van het Ministerie van Defensie over de inzet van het marineschip Zr.Ms. Holland geïnformeerd.
Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een week te beantwoorden?
Bij deze.
Noodsteun voor Haïti |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
de Th. Bruijn |
|
![]() |
Kunt u, in het licht van de verwoestende aardbeving van 14 augustus, een omschrijving geven van de huidige humanitaire, sociaaleconomische en politieke situatie in Haïti?
Haïti is het armste, dichtstbevolkte en dunstbeboste land van het westelijk halfrond. Armoede, werkloosheid en honger (40% bevolking voedselonzeker) nemen nog altijd toe. Bovendien is Haïti bijzonder kwetsbaar voor natuurrampen, zoals de aardbeving van zaterdag en de daaropvolgende tropische storm Grace laten zien. De gevolgen van klimaatverandering vormen voor het eiland Hispaniola (Dominicaanse Republiek en Haïti) een aanzienlijk risico met additioneel destabiliserend effect.
Daarbij kent Haïti een zeer fragiele en instabiele politieke situatie. Na de moord op president Moïse, nu zes weken geleden, loopt het onderzoek naar de toedracht stroef. Rechters en anderen betrokken bij het onderzoek worden bedreigd. Het Haïtiaanse parlement staat sinds begin 2020 buitenspel, na een conflict met de vermoorde president.
Op 24 maart jl. bracht VN Veiligheidsraad een Presidentiële Verklaring uit, waarin een oproep wordt gedaan aan de Haïtiaanse autoriteiten om parlementaire en presidentiële verkiezingen te organiseren. Verder wordt het belang van onafhankelijke rechtspraak en de rechtsstaat onderstreept en bezorgdheid geuit over de mensenrechten- en humanitaire situatie. Ook wordt een oproep gedaan aan de internationale gemeenschap Haïti te steunen om de urgente uitdagingen het hoofd te bieden en de voorwaarden te creëren om vrije en democratische verkiezingen te organiseren. Dat is niet evident in een land waar maar een derde van de bevolking geregistreerd is en buurten geïnfiltreerd en gedomineerd worden door gewapende groeperingen.
Wat is de inschatting van de Verenigde Naties, of van andere instanties, met betrekking tot de benodigdheden voor humanitaire steun voor de slachtoffers? Hoeveel humanitaire steun is tot op heden toegezegd door de internationale gemeenschap?
Naar schatting zullen 500.000 mensen humanitaire hulp nodig hebben. Bijna 80.000 huizen en gebouwen zijn beschadigd en een deel zelfs verwoest. Hierdoor zijn mensen dakloos en is behoefte aan noodopvang. Ook is er vraag naar medische zorg.
Het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN heeft USD 8 miljoen beschikbaar gesteld om levensreddende hulp te bieden op het gebied van gezondheidszorg, schoon water, noodopvang en sanitaire voorzieningen. Nederland is een van de grootste donoren van het CERF. De Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) heeft een oproep gedaan voor USD 10,9 miljoen ter ondersteuning van het Haïtiaanse Rode Kruis om noodhulp te verlenen. De EU maakt ongeveer EUR 3,5 miljoen vrij voor het verstrekken van medische hulp aan overbelaste ziekenhuizen, het voorzien in schoon drinkwater en onderdak. USAID heeft een Urban Search and Rescue-team ingezet op verzoek van Haïti.
Klopt het dat Nederland tot nu toe via het Rode Kruis bijdraagt aan ondersteuning van de slachtoffers?1 Gaat het daarbij om eerder toegezegde, ongeoormerkte bijdragen? Of ook om additionele steun?
Nederland draagt via de jaarlijkse blokallocatie aan het Nederlandse Rode Kruis (NRK) EUR 400.000 bij aan het emergency appeal van de International Federation of the Red Cross (IFRC). De blokallocatie is een ongeoormerkte bijdrage waaruit het NRK kan putten voor snelle en efficiënte respons.
Hoeveel middelen waren voor 2021 gereserveerd voor acute crises, en voor blokallocaties via de Dutch Relief Alliance voor acute crises? Hoeveel van deze middelen zijn tot op heden ingezet voor acute crises?
Jaarlijks wordt een reservering gemaakt voor ondersteuning van acute respons van EUR 15 mln. Van deze reservering resteert nog EUR 2,2 mln.
De Dutch Relief Alliance (DRA) ontvangt, net als het NRK, een acute blokallocatie van EUR 15 mln. Blokallocaties worden op initiatief van de organisaties, tijdig en op basis van noden ingezet. De DRA heeft inmiddels EUR 11,5 mln van de bijdrage ingezet voor acute respons.
Bent u bereid om additionele middelen vrij te maken voor steun aan Haïti uit de middelen voor acute crises? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
De inzet van een patrouilleschip van Defensie op verzoek via het EU Civil Protection Mechanism (UCPM) op 17 augustus, zal vanuit de acute middelen betaald worden. De geraamde kosten bedragen ongeveer EUR 1,7 mln; het UCPM zal een deel van de kosten op zich nemen.
Op welke manier ziet de internationale gemeenschap er op toe dat de lessen die zijn geleerd bij de verlening van noodsteun en steun voor wederopbouw in de nasleep van de aardbeving in 2010 worden toegepast?
Op basis van de lessen die zijn getrokken uit de aardbeving van 2010, doet de Haïtiaanse overheid de oproep om gebruik te maken van de nationale expertise en capaciteiten in Haïti. Ter ondersteuning van de regionale respons-inspanningen heeft de Caribbean Disaster Emergency Management Agency (CDEMA) haar Regional Response Mechanism geactiveerd en zal op verzoek van de Haïtiaanse regering een CARICOM Operational Support Team (COST) inzetten om coördinatie en operationele ondersteuning te bieden. Beide organisaties zijn aangesloten bij het internationale netwerk voor alertering van en respons op crises en rampen. Van dat netwerk is Nederland ook onderdeel, via het UCPM van de Europese Unie. Via deze systemen wordt de inzet van de internationale gemeenschap gecoördineerd en hulpvraag en -aanbod op elkaar afgestemd.
Het bericht 'Beruchte topcrimineel deelt lakens uit in Bajes Zaanstad' |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herkent u de zorgen uit het artikel met betrekking tot manipulatie vanuit de penitentiaire inrichtingen (PI's)?1
Ja.
Herkent u het al lang aanwezige probleem van het binnensmokkelen van telefoons in de (PI's)?
Ja, zoals ik in de brief van 11 juli 2019 bekend heb gemaakt, is er 3 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor de strijd tegen smokkelwaar.2 Dit wordt ingezet voor het realiseren van hekwerk, camera’s netten. Tevens is het aantal speurhonden verdubbeld van twintig naar veertig. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) voert diverse controles uit, zoals toegangscontroles en controles van cellen en luchtplaatsen. De penitentiaire scherpte van het personeel is hierbij van groot belang. Op diverse plaatsen hebben we afgelopen jaren extra speurhonden ingezet en hekken en netten aangebracht om het overgooien van contrabande tegen te gaan. Daarnaast is het naar binnen brengen van contrabande per 1 november 2019 strafbaar gesteld. Op de invoer van verboden spullen staat een geldboete van de derde categorie of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Ook is DJI bezig te onderzoeken wat de mogelijkheden om gsm-signalen te detecteren en te verstoren.
Herkent u dat het zeer onwenselijk is dat sommige gedetineerde criminelen hun macht in de samenleving blijven uitoefenen?
Ja, dat is zeer onwenselijk. Het tegengaan van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie heeft topprioriteit. Wij blijven stevig inzetten op de bestrijding van dit fenomeen.
Waarom is het nog steeds mogelijk met gsm’s te bellen vanuit een PI?
Het is helaas niet mogelijk om het naar binnen smokkelen van gsm’s volledig te voorkomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zijn alle inspanningen er op gericht om dit tegen te gaan.
Bent u bekend met het kunnen verstoren van het gsm-verkeer die het gebruik van gsm’s onmogelijk maakt?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
Waarom wordt deze techniek nog niet afdoende benut in PI's?
DJI heeft onderzoek gedaan naar de toepassing hiervan in de PI’s. DJI heeft met diverse marktpartijen overleg gevoerd en gevraagd om oplossingen te presenteren en een offerte uit te brengen. De technische complexiteit, beperkte effectiviteit en de hoge kosten hiervan hebben er toe geleid dat de opdracht niet is gegund. Thans worden andere mogelijkheden onderzocht, bijvoorbeeld het detecteren en verstoren van mobiele telefoons.
Wanneer is de verwachting dat dit technisch uitgevoerd gaat wordt in PI's?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van het feit dat de voorman van de MC Hardliners, personeelsleden en medegedetineerden straffeloos initimideert? Kunt u dit toelichten?
In het algemeen kan ik melden dat signalen van ontoelaatbaar gedrag altijd worden onderzocht conform vastgestelde procedures. Als er inderdaad sprake is van ontoelaatbaar gedrag, worden er passende maatregelen genomen. Aangezien er momenteel een opsporingsonderzoek loopt, kan ik over deze individuele casus geen uitspraken doen.
Wat vindt u van het schokkende feit dat een gedetineerde toegang heeft verkregen tot data van de gevangenis en zo bij informatie kon komen over andere gedetineerden of personeelsleden? Kunt u toelichten hoe u dit in de toekomst gaat vermijden?
Het is zeer kwalijk dat een gedetineerde beschikt over informatie van personeelsleden. Momenteel wordt door de politie en het eigen Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) onderzocht hoe dit heeft kunnen gebeuren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zullen passende maatregelen worden getroffen. De vertrouwelijkheid van de persoonlijke informatie over medewerkers en andere personen en hoe daarmee om te gaan wordt bij alle medewerkers en leidinggevenden structureel onder de aandacht gebracht.
De directeur van de PI heeft alle medewerkers over wie informatie bij een gedetineerde is aangetroffen, hiervan op de hoogte gebracht. Om de veiligheid van de betrokken medewerkers te kunnen waarborgen, zijn er in samenwerking met de politie extra maatregelen getroffen.
Wat vindt u van het feit dat notabene een gedetineerde doodleuk bepaalt wat er gebeurt in de gevangenis, o.a. hoe het geld voor activiteiten op de afdeling wordt uitgeven, wat en wie er komt op de afdeling en zelfs wanneer er iemand mag stofzuigen zodat hij rustig kan uitslapen? Kunt u ook antwoord geven op de vraag hoe het kan dat hij ook meermalen is gezien in de hokken van medewerkers, waar hij gewoon achter een computer mag zitten?
Op de vermeende gebeurtenissen kan ik nu vanwege een lopend onderzoek niet ingaan. Hierdoor kan ik ook niet bevestigen wat er wel en wat er niet plaats heeft gevonden. In algemene zin kan ik aangeven dat dit uiteraard onacceptabel zou zijn. In iedere inrichting bestaat een Gedetineerdencommissie (Gedeco) waarin vertegenwoordigers zitten van de gedetineerden van een afdeling. De Gedeco-leden kunnen gezamenlijk voorstellen doen voor activiteiten, waarna in overleg met het personeel een besluit wordt genomen over de activiteiten. Indien er (beperkt) budget beschikbaar is, kan dat worden uitgegeven aan kleinschalige inrichtingsactiviteiten.
Welke schoonmaakwerkzaamheden de afdelingsreiniger uitvoert en op welk moment is gebonden aan een rooster en wordt bepaald door het DJI-personeel. Dit gebeurt niet door een gedetineerde.
Het is ook niet toegestaan dat een gedetineerde zich begeeft in de teamkamer van het DJI personeel. In hoeverre er in dit geval sprake is van het overtreden van deze regels kan ik geen uitspraken doen aangezien het (opsporings)onderzoek nog loopt.
Hoe kan het dat niets is gedaan met signalen van bewakers en gedetineerden, die meermalen bij leidinggevenden aan de bel hebben getrokken? Kunt u ook antwoord geven op de vraag waarom een gedetineerde beschikt over gegevens van afdelingshoofden en andere leidinggevenden?
Aangezien er momenteel een opsporingsonderzoek op deze specifieke casus loopt, kan ik hier geen uitspraak over doen. Zoals bij het antwoord op vraag 9 aangegeven wordt momenteel onderzocht hoe gegevens van personeel bij de gedetineerde terecht zijn gekomen.
Kunt u duiden hoe het mogelijk is dat volgens bronnen een van de melders is mishandeld, maar daarop geen sancties volgden? Kunt u antwoord geven op de vraag of het klopt dat het voorval op camera is vastgelegd?
Dit betreft een voorval tussen twee gedetineerden. Dit voorval is op camera vastgelegd. Het personeel heeft conform procedure met betrokkenen gesproken. Ik kan omwille van privacyredenen verder niet ingaan op het voorval zelf en de uitkomsten en vervolg van het gesprek.
Bent u bekend met het feit dat het justitieel complex Zaanstad al langer onder vuur ligt?
JC Zaanstad biedt plaats aan meer dan 1.000 gedetineerden. Hierdoor is het onvermijdelijk dat er veiligheidsincidenten plaatsvinden. Uiteraard zijn alle inspanningen erop gericht om de veiligheidsrisico’s zo goed mogelijk te beheersen.
Bent u bekend met het feit dat de laatste jaren meerdere personeelsleden weggestuurd zijn wegens een relatie met gedetineerden?
Ja. Wanneer er tussen een personeelslid en een gedetineerde een andere dan puur professionele relatie ontstaat, dient het personeelslid dit direct te melden bij de leidinggevende. Dan kunnen er direct passende maatregelen worden getroffen (bijvoorbeeld overplaatsing of ontslag) om de orde en veiligheid in de inrichting te kunnen blijven waarborgen.
Hoe gaat u dit wanbeleid daadkrachtig bestrijden?
De conclusie dat er sprake is van wanbeleid, deel ik niet. Er hebben zich veiligheidsincidenten voorgedaan. Het plaatsvinden van dergelijke incidenten is inherent aan de doelgroep van een PI. De directie heeft ten aanzien van deze incidenten passende maatregelen genomen.
Wij blijven ons stevig inzetten op de bestrijding van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie. Zoals aangegeven in de voortgangsbrief «Recht doen, kansen bieden» van 15 juni 20213 is de intensivering van de veiligheidsmaatregelen voortgezet. Daarnaast wordt bij specifieke problemen maatwerk toegepast. In de opleidingen van het personeel wordt aandacht besteed aan onder meer het herkennen van signalen van voortgezet crimineel handelen en hoe daar op te handelen. Daarnaast zijn er inmiddels twee afdelingen Intensief Toezicht (AIT) operationeel en wordt er een derde AIT ingericht. Op deze kleinschalige afdeling, gecompartimenteerd van de rest van de inrichting, kunnen gedragingen en contacten van gedetineerden beter worden gemonitord. Ook is er in iedere PI een Bureau inlichtingen en veiligheid (BIV) opgezet. Deze bureaus werken met de Gedetineerden Relatie Monitor (GRM), een tool om onderlinge netwerken in beeld te krijgen. Bij het constateren van ongewenst of crimineel gedrag bij gedetineerden worden er disciplinaire straffen opgelegd. Bij strafbaar gedrag is het uitgangspunt dat altijd aangifte wordt gedaan zodat gedetineerden strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. De Wet Straffen en Beschermen laat gedrag tijdens detentie zwaarder meewegen bij de verlening van verlof en de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het in gevaar brengen van de veiligheid van medewerkers zal dus consequenties hebben bij een beslissing over het verlenen van verlof of v.i.
De berichten ‘Beruchte topgangster deelt lakens uit in bajes Zaanstad’: ‘De R bepaalt wat er gebeurt’ en ‘Motorbendekopstuk Lysander de R. (39) in allerijl uit cel gehaald en overgeplaatst’ |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten uit de Telegraaf: «Beruchte topgangster deelt lakens uit in bajes Zaanstad»: «De R bepaalt wat er gebeurt» en «Motorbendekopstuk Lysander de R. (39) in allerijl uit cel gehaald en overgeplaatst»?1
Ja.
Klopt het bericht dat De R. vanuit de gevangenis een alternatieve Hells Angels MC, genaamd MC Hardliners, heeft kunnen oprichten?
Ja. Criminele motorclubs, de zogeheten «Outlaw Motorcycle Gangs» (OMG’s), zijn vaak zogeheten «informele verenigingen». Hierover is eerder bericht in antwoord d.d. 20 augustus 2019 op Kamervragen van het lid Kuiken over de oprichting van een nieuwe motorclub vanuit detentie.2 Informele verengingen kunnen eenvoudig worden opgericht. Dit komt omdat een dergelijke vereniging niet wordt opgericht door middel van een notariële akte en ook niet hoeft te worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Een in detentie opgerichte vereniging is niet per definitie een criminele organisatie. Het verbieden hiervan kan vooraf niet.
Klopt het bericht dat De R. de positie van voorzitter van de Gedetineerden Commissie (Gedeko) van cluster Oost is geworden en daarmee meer bewegingsruimte heeft en meer invloed kan uitoefenen?
Het bericht klopt ten dele. De R. was lid van de gedetineerdencommissie (Gedeco), maar geen voorzitter. De leden van de Gedeco mogen – ter uitoefening van hun functie – op afgesproken tijdstippen op andere afdelingen komen ten behoeve van overleg met andere Gedeco-leden en/of functionarissen van de inrichting.
Hoe wordt de positie van voorzitter van de Gedeko van een cluster toegekend en welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden horen daarbij? Kan een dergelijke positie ook vervallen naar aanleiding van incidenten/voorvallen/slecht gedrag? Is dit inrichting-specifiek of landelijk beleid?
Nadat een gedetineerde zich verkiesbaar heeft gesteld, kiezen de gedetineerden van een afdeling zelf wie hen vertegenwoordigt in de Gedeco. Een lid van de Gedeco vertegenwoordigt een afdeling tijdens gesprekken met functionarissen van de inrichting over de detentie-omstandigheden, zoals het leefklimaat op de afdeling. Hoe vaak de Gedeco bij elkaar komt, wisselt per PI.3 Wanneer het gedrag van een gedetineerde daartoe aanleiding geeft, kan het hem verboden worden zich verkiesbaar te stellen voor de Gedeco en kan een eventueel lidmaatschap worden beëindigd.
In iedere penitentiaire inrichting is een Gedeco. Nadere regelgeving over de onderhavige Gedeco staat in de huisregels van de PI Zaanstad.
Klachten die door bewakers en gedetineerden over De R. bij de leidinggevenden worden neergelegd zouden bij De R belanden; dit kan toch niet waar zijn? Hoe is een correcte klachtenprocedure en afhandeling daarvan bij de Penitentiaire Inrichting (PI) in Zaanstad geborgd?
Bij de klachtbehandeling is het gebruikelijk om eerst in gesprek te gaan en te bezien of een meningsverschil minnelijk kan worden afgedaan. Er is geen sprake van dat zaken die bij leidinggevenden zijn gemeld, zijn doorgegeven aan De R. buiten deze procedure om.
Het beklagrecht voor volwassen gedetineerden is geregeld in hoofdstuk 11 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw). Een gedetineerde kan op grond van artikel 60 Pbw bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. De directeur draagt er zorg voor dat een gedetineerde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Deelt u de zorgen die spreken uit het artikel over toenemend fenomeen dat criminelen vanuit detentie erin slagen alsnog hun criminele zaken voort te zetten en aan te sturen?
Het is onacceptabel als gedetineerden vanuit detentie crimineel handelen voortzetten. Om deze reden is extra ingezet op veiligheidsmaatregelen binnen DJI, zoals ook beschreven in de derde Voortgangsbrief visie «Recht doen, kansen bieden» van 15 juni jl.4 Tot deze maatregelen behoren onder meer de oprichting van een aantal Afdelingen Intensief Toezicht (AIT) en het in iedere PI hebben van een Bureau inlichtingen en veiligheid (BIV). Het inzetten van voldoende goed opgeleid en getraind personeel maakt dat er meer zicht is op het voortgezet crimineel handelen. Daarnaast is er een nauwe samenwerking met het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) van de politie om de veiligheid binnen en buiten de inrichtingen te bewaken.
Is in geval van structurele intimidatie en/of incidenten en/of klachten over een gedetineerde eventueel overplaatsing naar een andere instelling en/of ander regime aan de orde?
Ja. Wanneer een gedetineerde naar het oordeel van de directeur in een bepaalde mate ongewenst gedrag vertoont, kan hij worden overgeplaatst naar een andere inrichting en/of een ander regime.
Kunt u verklaren waarom er een keylogger, die toetsaanslagen registreert, gevonden is in het hok van bewakers van Justitieel Complex Zaanstad?
De key-logger is door de politie geplaatst in verband met een lopend onderzoek. In het belang van dit onderzoek doe ik op dit moment geen verdere mededelingen over de key-logger.
Hoe is er gehandeld na het ontdekken van de keylogger? Is duidelijk geworden welke informatie de keylogger heeft geregistreerd en wat er met de informatie is gedaan?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat De R. op dinsdag 17 augustus in de avond uit zijn cel is gehaald en overgeplaatst is naar de extra beveiligde afdeling van de PI in Krimpen aan den IJssel? In hoeverre heeft dit te maken gehad met de berichtgeving van de Telegraaf die enkele uren later zou verschijnen?
Ik ga niet in op besluiten ten aanzien van individuele zaken. In het algemeen kan wel worden gemeld dat een overplaatsing gebeurt op basis van een selectieadvies. Hierbij kunnen mogelijke effecten van publicaties op de orde en veiligheid binnen de inrichting, het gedrag van de gedetineerde en de persoonlijke omstandigheden van de gedetineerde meewegen.
Of er sprake is van voortzetting van criminele activiteiten kan ik in verband met een lopend onderzoek niet beantwoorden.
Kan uit de overplaatsing worden geconcludeerd dat er inderdaad sprake is van voortzetting van criminele activiteiten door De R. in Justitieel Complex Zaanstad en dat er daarmee ook sprake is van invloed van De R. op de gang van zaken in het Justitieel Complex Zaanstad?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u ooit overwogen om maatregelen te treffen om de telefoon-signalen te verstoren binnen Penitentiaire Inrichtingen om daarmee het gebruik van binnengesmokkelde telefoons onmogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
DJI heeft onderzoek gedaan naar de toepassing hiervan in de PI’s. DJI heeft met diverse marktpartijen overleg gevoerd en gevraagd om oplossingen te presenteren en een offerte uit te brengen. De technische complexiteit, beperkte effectiviteit en de hoge kosten hiervan hebben er toe geleid dat de opdracht niet is gegund. Thans worden andere mogelijkheden onderzocht, bijvoorbeeld het detecteren en verstoren van mobiele telefoons.
Wat bent u voornemens te doen in overleg met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) op basis van de signalen uit dit artikel?
Het tegengaan van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie heeft topprioriteit. Gezien het lopende politieonderzoek kan ik niet specifiek op dit geval in gaan. Wel kan ik in algemene zin zeggen dat we stevig blijven inzetten op de bestrijding van dit fenomeen. In de opleidingen van het personeel wordt aandacht besteed aan onder meer het herkennen van signalen van voortgezet crimineel handelen en hoe daar op te handelen. Daarnaast zijn er inmiddels twee afdelingen Intensief Toezicht (AIT) operationeel en wordt er een derde ingericht. Ook is er in iedere PI een Bureau inlichtingen en veiligheid (BIV) opgezet. Deze bureaus werken met de Gedetineerden Relatie Monitor (GRM), een tool om onderlinge netwerken in beeld te krijgen. Zoals ik in de brief van 11 juli 2019 bekend heb gemaakt is er 3 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor de strijd tegen smokkelwaar.5 Onder andere hekwerk, camera’s en netten zijn hiermee gerealiseerd. Tevens is het aantal speurhonden verdubbeld van twintig naar veertig. DJI voert diverse controles uit, zoals toegangscontroles en controles van cellen en luchtplaatsen. De penitentiaire scherpte van het personeel is hierbij van groot belang. Daarnaast is het naar binnen brengen van contrabande per 1 november 2019 strafbaar gesteld. Op de invoer van verboden spullen staat een geldboete van de derde categorie of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Ook is DJI bezig te onderzoeken wat de mogelijkheden en kosten zijn om gsm-signalen te detecteren en te verstoren. Bij het constateren van ongewenst of crimineel gedrag bij gedetineerden worden er disciplinaire straffen opgelegd. Bij strafbaar gedrag is het uitgangspunt dat altijd aangifte wordt gedaan zodat gedetineerden strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. De Wet Straffen en Beschermen laat gedrag tijdens detentie zwaarder meewegen bij de verlening van verlof en de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het in gevaar brengen van de veiligheid van medewerkers zal dus consequenties hebben bij een beslissing over het verlenen van verlof of v.i.
Het stoppen van WMO- en leerlingenvervoer in verband met Formule 1-race in Zandvoort |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het feit dat van 3 tot en met 5 september het WMO- en leerlingenvervoer niet in, naar of vanuit de gemeenten Zandvoort, Haarlem, Bloemendaal en Heemstede zal rijden vanwege de verwachte drukte omtrent de Formule 1-race op het circuit van Zandvoort?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht.
In overleg met de betrokken gemeenten heeft vervoersaanbieder RegioRijder inmiddels besloten om het Wmo- en leerlingenvervoer toch te continueren in het Formule 1 weekend, zij het met mogelijke beperkingen omwille van drukte op de weg. RegioRijder heeft hierover een nieuw bericht geplaatst op de website2. Daar wordt aangegeven dat mensen wel ritten kunnen boeken, maar dat het in het betreffende weekend druk is op de weg en dit vertragingen geeft in reistijd. Voor alle Wmo-reizigers geldt dat zij er rekening mee moeten houden dat de verkeerssituatie gedurende de dag kan veranderen en het vervoer gepaard kan gaan met (lange) wachttijden en reistijden. Op vrijdag 3 september is leerlingenvervoer van en naar Haarlem, Bloemendaal, Zandvoort en Heemstede mogelijk. Echter, het tijdsschema is vanwege de grote drukte onzeker. Vertragingen, files en andere routes kunnen voor kwetsbare kinderen heftig zijn. Het is aan de ouders of de school om te bepalen of een kind een rit met een onvoorspelbaar karakter aan kan. RegioRijder informeert de ouders die gebruik maken van leerlingenvervoer over de gang van zaken.
Komt het in den lande vaker voor dat in gemeenten de mogelijkheid om dergelijke essentiële ritten te boeken wordt stopgezet in verband met evenementen?
Tot op heden hebben ons geen berichten bereikt dat het Wmo- of leerlingenvervoer wordt stopgezet vanwege een evenement.
Zijn er, door het stopzetten van de ritten van WMO- en/of leerlingenvervoer in deze gemeenten, ook ritten afgezegd vanwege de Formule 1-race?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat essentiële WMO- en zorggerelateerde vervoersdiensten stopgezet mogen worden voor evenementen?
Het uitgangspunt moet zijn dat deze vervoersdiensten altijd doorgang vinden, of in ieder geval zoveel mogelijk. Het kan bij omstandigheden op de weg door een evenement wel betekenen dat reizigers te maken krijgen met langere wachttijden en reistijden. Er is dan heldere communicatie nodig over wat een reiziger van een aangepaste rit tijdens een evenement kan verwachten, zodat het de reiziger zelf is die beslist of hij de rit maakt of niet. Bij de lokale besluitvorming hierover hoort het belang van de gebruikers van de vervoersdiensten voorop te staan.
Zijn de aanbieders van deze diensten, dan wel de gemeenten in kwestie, gehouden aan het aanbieden van een alternatief? Zo nee, wat is daarover uw waardeoordeel?
Het behoort tot de bevoegdheid van gemeenten om hierover te besluiten.
Wat moet een inwoner, die van deze vervoersdiensten gebruik maakt, doen als deze naar bijvoorbeeld het ziekenhuis moet en er geen alternatieven beschikbaar zijn?
Het vervoer in acute zorgsituaties (zoals ambulancediensten) zal altijd doorgang vinden. Zie verder mijn antwoord op vragen 1 en 4.
Bent u bereid zich in te spannen om dit voorstel tegen te houden en/of de gemeente op te dragen voor die dagen een alternatief te verzorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om met een voorstel te komen dat ervoor zorgt dat het nooit ergens meer mogelijk is dat zulk essentieel zorggerelateerd vervoer geen doorgang kan vinden door evenementen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het organiseren van leerlingenvervoer en Wmo-vervoer is bewust bij gemeenten belegd. Zij kunnen lokaal de beste afweging maken of in een uitzonderlijke situatie het gebruikelijke vervoer doorgang kan vinden of dat er een ander besluit over het vervoer genomen moet worden.
Het bericht 'Kloosters kijken nog steeds uit naar coronasteun' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Hilde Palland (CDA), René Peters (CDA) |
|
Mona Keijzer (CDA), Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kloosters kijken nog steeds uit naar coronasteun»?1
Ja
(H)erkent u dat kloosters, maar ook kerken, moskeeën en andere religieuze instituten, tot dusver weinig tot geen aanspraak hebben kunnen maken op coronasteun? Welke signalen hebben u hierover bereikt?
Bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn er, na de eerder gestelde vragen2, geen signalen binnengekomen dat religieuze instituten geen aanspraak kunnen maken op de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Deze groep valt ook niet in het bijzonder op tussen de klanten die contact opnemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de TVL. RVO heeft nogmaals contact opgenomen met de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR) en heeft een vast aanspreekpunt in het leven geroepen voor leden van de koepelorganisatie en andere religieuze instituten.
Vanuit de Ministeries J&V en SZW wordt er regelmatig gesproken met religieuze gemeenschappen en organisaties. Bij deze ministeries zijn signalen ontvangen dat dat inkomsten zijn teruggevallen als gevolg van de coronamaatregelen. SZW heeft naar aanleiding van deze signalen contact gehad met een aantal religieuze koepels over de toegang tot de steunmaatregelen.
Welke acties hebt u ondernomen om dit probleem te onderzoeken en op te lossen, nadat wij hierover al eerder bij u aan de bel trokken (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2896).
Het kabinet beseft dat de beperkingen van de coronamaatregelen, met als doel het COVID-19-virus in te perken, brede maatschappelijke gevolgen hebben. Veel instellingen, waaronder religieuze organisaties, zijn hier hard door geraakt en ondervinden daar ook financiële gevolgen van.
In eerdere antwoorden op twee sets vragen3 hebben wij aangegeven dat religieuze organisaties net als een uiteenlopende groep werkgevers en ondernemers een beroep kunnen doen op de bestaande regelingen, zoals de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW), Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) en de TVL, mits ze aan de voorwaarden voldeden.
Er hebben twee gesprekken met de KNR plaatsgevonden, eenmaal met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en eenmaal met RVO. RVO heeft toen ondersteuning verleend bij het indienen van de aanvragen.
Ook heeft het Ministerie van SZW, na signalen te hebben ontvangen vanuit het Ministerie van J&V, gesprekken gevoerd met een aantal andere religieuze koepels. Het Ministerie van SZW heeft toen ondersteuning verleend bij het in kaart brengen van de steunmaatregelen waar de religieuze organisaties aanspraak op zouden kunnen maken.
Kunt u aangeven hoeveel en welke religieuze instituten in Nederland, zoals kloosters, kerken en moskeeën, in aanmerking zijn gekomen voor de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en voor welke bedragen?
6
66
7
€ 1.001.482
Welke bedrijven en instituten gebruik hebben gemaakt van de NOW is inzichtelijk gemaakt in de door UWV openbaar gemaakte NOW-registers4. Voor de NOW is niet afzonderlijk geregistreerd of religieuze instellingen gebruik hebben gemaakt van de NOW. Daarom is het niet mogelijk om dit uit te splitsen en hier een overzicht van te verstrekken.
Wat zijn de voornaamste redenen waarom religieuze instituten ondanks financiële nood ten gevolge van corona en een beroep op het steunpakket geen steun ontvangen? In hoeverre spelen de organisatiestructuur en het gebruik maken van «eigen arbeid» hierbij een rol?
De COVID-19-regelingen en -subsidies gelden voor een uiteenlopende groep werkgevers en ondernemers en zijn vanwege de omvang en gewenste tijdigheid generiek van aard. Net als elk andere organisatie kunnen religieuze instituten een beroep doen op de bestaande regelingen zoals de NOW en TVL, zolang ze aan de voorwaarden voldoen. In de TVL en NOW speelt de organisatiestructuur geen rol.
Voor de NOW is het van belang dat er sprake is van een minimale omzetdaling van 20% en dat er werknemers zijn die sociaalverzekeringsloon (SV-loon) ontvangen. Voor de SV-loongegevens wordt de Polisadministratie van UWV gehanteerd. Religieuze instellingen zonder werknemers met sociaal verzekeringsloon (SV-loon) komen niet in aanmerking voor de NOW.
Waarom is er niet voor gekozen religieuze instituten op eenzelfde wijze te ondersteunen als wijk- en buurthuizen of sportverenigingen?
De religieuze instituten worden op eenzelfde wijze ondersteund als wijk- en buurthuizen of sportverenigingen. Zowel religieuze instituten als wijk- en buurthuizen of sportverenigingen hebben toegang tot de TVL, mits ze aan de voorwaarden van de TVL voldoen. 79 religieuze instituten hebben de TVL aangevraagd en 66 religieuze instituten hebben deze aanvraag ook toegekend gekregen. Zeven TVL-aanvragen van religieuze instituten zijn nog in behandeling.
Voor de NOW sluit dit aan bij het antwoord op vraag 5. Er wordt voor de NOW geen onderscheid gemaakt tussen verschillende sectoren. Elke werkgever die voldoet aan voorwaarden kon (voor de zesde aanvraagperiode kan dit tot en met eind september 2021) een NOW-aanvraag indienen.
Hoe verlopen de contacten met vertegenwoordigers van religieuze instituten? Klopt het dat niet met de koepelorganisatie over bovengenoemde problematiek is gesproken? Bent u bereid een dergelijk gesprek alsnog zo snel mogelijk te initiëren en de Kamer hierover terug te koppelen?
De Minister van J&V heeft vanuit zijn functie als Minister voor eredienst namens het kabinet regelmatig contact met vertegenwoordigers van religieuze koepelorganisaties. Daarnaast wordt door het Ministerie van SZW, waar het samenleven betreft, regelmatig gesproken met vertegenwoordigers van religieuze (koepel)organisaties. Zoals bij vraag 3 aangegeven, zijn er sinds het begin van de COVID-19-pandemie signalen ontvangen over het wegvallen van inkomsten door corona en is vanuit het Ministerie van SZW contact geweest met een aantal andere religieuze koepelorganisaties over de steunmaatregelen. Ook RVO en EZK hebben contact gehad met de koepelorganisatie KNR over de problematiek met betrekking tot de TVL.
Deelt u de mening dat religieuze instituten een belangrijke, unieke rol in onze samenleving vervullen? Ziet u ook hun kwetsbare positie als gevolg van teruglopende en/of veranderende inkomstenbronnen, versterkt/versneld door de coronacrisis? Hoe wordt met religieuze instituten meegedacht over hoe zij hun organisaties toekomstbestendig kunnen maken, zodat zij de rol kunnen blijven spelen die ze nu hebben? Welke ideeën hebt u daar zelf bij?
Vanwege hun focus op de maatschappij en hun centrale rol in het leven van veel Nederlanders nemen religieuze instituten een bijzondere positie in. Religieuze instituten kunnen een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken op het terrein van sociale cohesie, maar ook op andere terreinen zoals eenzaamheid, opvang en zorg. Op veel plekken in Nederland is op heel creatieve manieren geprobeerd alternatieve invulling te geven aan de maatschappelijke functie die religieuze organisaties hebben. Ook bij religieuze organisaties vinden veel creatieve initiatieven plaats om bijvoorbeeld het contact met gelovigen te behouden. Het kabinet heeft blijvend oog voor de impact van de crisis en de beperkende maatregelen.
De achterstand bij het CBR |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «CBR krijgt achterstand van honderdduizenden examens niet weg»?1
Ja.
Wat heeft u gedaan om de lange wachtlijsten te verkorten en waarom heeft dit niet gewerkt?
Zoals aangegeven in onder meer mijn Kamerbrief van 23 maart2 en de daaropvolgende maandrapportages «corona-inhaalslag examens» heeft het CBR een Taskforce opgericht die tot doel heeft de examens die door de twee lockdownperiodes geen doorgang hebben kunnen vinden (ruim 700.000 theorie- en praktijkexamens) zo spoedig mogelijk in te halen en de opgelopen reserveringstermijnen terug te dringen. Het plan van aanpak van de Taskforce Examenafname is in overleg met het Ministerie van IenW tot stand gekomen.
De doelstelling van dit plan is dat in januari 2022 de reserveringstermijn voor het eerste B-praktijkexamen 10–14 weken is en aan het einde van 2022 7 weken (de afgesproken norm). Uit de maandrapportage van juli blijkt dat de huidige gemiddelde reserveringstermijn voor het eerste praktijkexamen gemiddeld 7,6 weken bedraagt. Indien nodig heeft het CBR noodmaatregelen achter de hand om dit doel te bereiken. Het CBR concludeert dat het nu niet nodig is deze noodmaatregelen in te zetten.
Gaat u ingrijpen bij het CBR? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke wachttijden vindt u acceptabel en wanneer denkt u dat deze wachttijden zullen worden gehaald?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de mogelijke impact op de verkeersveiligheid door de achterstanden bij het CBR?
Dit verband is er niet. Bij de totstandkoming van de noodmaatregelen heeft het CBR overigens als voorwaarde gehanteerd dat deze ook niet van invloed mogen zijn op de verkeersveiligheid.
Bent u bereid om 75-plussers opnieuw dispensatie te verlenen inzake de geldigheid ten aanzien van een verlopen rijbewijs?
Er is geen relatie tussen de in te halen examens en de beoordeling van de medische rijgeschiktheid van 75-plussers. De gemiddelde reactietermijn van het CBR in het traject voor de beoordeling van de medische rijgeschiktheid bedroeg eind juli één week. In 100% van de gevallen wordt de afgesproken KPI gehaald dat mensen binnen 28 dagen een reactie van het CBR ontvangen. De rapportage over de stand van zaken bij de Klantenservice en de divisie Rijgeschiktheid wordt ieder kwartaal met uw Kamer gedeeld.
Bent u van plan om strengere eisen aan rijscholen te stellen, zodat zij niet van lage slagingspercentages een verdienmodel kunnen maken?2
Dit vraagstuk hangt samen met de uitwerking van het advies «Van rijles naar rijonderwijs» waarover het volgende kabinet zal besluiten. Eén van de aandachtsgebieden daarbij is de kwaliteit van en het toezicht op rijscholen.
Wat gaat u, in samenwerking met het CBR, doen om het dalende slagingspercentage van 53 procent te verhogen?
Voor de lockdown lag het slagingspercentage op 50,4%. Na de herstart van de dienstverlening begin maart lag dit iets hoger en in juli op 53,0%. Uit de cijfers van het CBR blijkt dat sprake lijkt van een lichte opwaartse trend dankzij de inspanningen van de rijscholenbranche, maar voorzichtigheid met betrekking tot deze ontwikkeling blijft geboden.
Aanvullend daaraan heeft het CBR de top tien meest gemaakte fouten bij examens gedeeld met rijscholen. Ook wordt op dit moment, in samenwerking met het CBR en de rijschoolbranche, een pilot voor collegiale toetsing ontworpen door het ministerie. Naar verwachting start deze in het najaar van 2021 en eindigt deze in het voorjaar van 2022. Doel van deze pilot is leerlingen zo goed mogelijk voorbereid aan het examen te laten beginnen en zo de slagingspercentages verder te verhogen.
Bent u bereid om een tweede organisatie te benoemen die rijexamens mag afnemen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Door de lockdowns heeft het CBR zijn dienstverlening tijdelijk moeten staken. Dat is de oorzaak van de oplopende reserveringstermijnen voor examens. Deze zijn niet veroorzaakt door de wijze waarop het CBR zijn (wettelijke) taken uitvoert.
Het bericht ‘Taliban veroveren Kandahar, tweede stad van Afghanistan’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht in het AD van 13 augustus 2021 «Taliban veroveren Kandahar, tweede stad van Afghanistan»1?
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Deelt u de constatering dat de ontwikkelingen in Afghanistan tot nieuwe uitreizigers, die zich willen aansluiten bij de Taliban, kunnen leiden?
Het valt niet uit te sluiten dat personen vanuit het buitenland zich zullen willen aansluiten bij de Taliban. Er zijn vooralsnog geen signalen in Nederland bekend van (potentiele) uitreizigers die zich bij de Taliban willen aansluiten. De Taliban heeft een binnenlandse focus, clanachtige structuren en staat cultureel en taalkundig vermoedelijk ver af van potentiële Nederlandse uitreizigers. Evenmin is bij het kabinet bekend dat de Taliban een oproep hebben gedaan om naar Afghanistan te komen en zich aan te sluiten bij de strijd.
Zijn er signalen dat de opmars van de Taliban in Afghanistan tot nieuwe uitreizigers zal leiden, zoals indertijd de opmars van IS in Syrië en Irak?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke voorbereidingen worden getroffen om mogelijke uitreizigers tegen te houden aan de grens en ervoor te zorgen dat zij zich niet kunnen aansluiten bij terroristische organisaties?
In algemene zin geldt dat bij een redelijke verdenking van uitreis zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Reisdocumenten worden gesignaleerd of vervallen verklaard op basis van artikel 23 van de Paspoortwet indien er gegronde vermoedens bestaan van uitreis met als doel (al dan niet binnen het verband van een terroristische organisatie) het plegen van aan terrorisme gerelateerde strafbare feiten. Het reizen met een Nederlandse identiteitskaart buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte (IJsland, Noorwegen en Liechtenstein) wordt onmogelijk gemaakt door een uitreisverbod. Bij een redelijke verdenking van uitreis wordt de potentiële uitreiziger als verdachte aangehouden of gesignaleerd, en er kan een strafrechtelijk onderzoek gestart worden indien er signalen bestaan dat de potentiele uitreiziger het doel heeft zich in het buitenland schuldig te maken aan terrorisme gerelateerde strafbare feiten. Tenslotte kan de burgemeester de directe omgeving van de uitreiziger informeren en waarschuwen met het doel om uitreis te voorkomen en kijkt de Raad voor de Kinderbescherming of eventuele minderjarigen onder toezicht gesteld of uit huis geplaatst kunnen worden.
In hoeverre was nu het wetsvoorstel strafbaarstelling verblijf op een door een terroristische organisatie gecontroleerd grondgebied van meerwaarde geweest?
Het wetsvoorstel strafbaarstelling verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied (35 125) (hierna: het wetsvoorstel) voorziet in een strafbaarstelling van het zonder toestemming van de Minister van Justitie en Veiligheid verblijven in een bepaald, daartoe aangewezen gebied.
Voor de beslissing of een gebied moet worden aangewezen, is niet alleen van belang of dat gebied onder controle staat van een terroristische organisatie. Ook van belang is of er sanctieverplichtingen van kracht zijn ten aanzien van de bewuste organisatie, alsmede of de aanwijzing van dat gebied noodzakelijk is voor het doel dat met de strafbaarstelling wordt nagestreefd, te weten het voorkomen dat Nederlanders en Nederlandse ingezetenen terroristische misdrijven plegen in het desbetreffende gebied of na terugkeer in Nederland of elders in Europa. Bij de beslissing omtrent de aanwijzing van een gebied speelt derhalve de vraag, of Nederlanders naar dat gebied afreizen of dat het risico bestaat dat zij dat zullen doen, een grote rol. Daarnaast is het van belang dat ook internationale consensus bestaat over het aan te wijzen gebied en dat gevolgen voor internationale betrekkingen betrokken worden bij de beslissing tot aanwijzing van een gebied. Dit vraagt om een zorgvuldige besluitvorming. Bovendien zal naar de precieze situatie in het gebied moeten worden gekeken op het moment dat een eventuele aanwijzing aan de orde is. Om die reden kan nu niet worden aangegeven of gebieden in Afghanistan mogelijk aangewezen zullen kunnen worden als gebied, indien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen en tot wet wordt verheven. Om diezelfde reden kan ik op dit moment geen uitspraken doen of het wetsvoorstel in het geval van Afghanistan mogelijke meerwaarde zal hebben.
Zorgen de ontwikkelingen in Afghanistan voor nieuwe urgentie om dit wetsvoorstel zo snel mogelijk in de Eerste Kamer te behandelen en daarmee ervoor te kiezen het aangekondigde wetsvoorstel met daarin een strafuitsluitingsgrond pas later te behandelen? Zo nee, waarom niet?
Ontwikkelingen in het buitenland kunnen razendsnel gaan – getuige de situatie in Afghanistan. Het kabinet heeft gemeend dat het aangewezen is om nu met wetgeving te komen en niet af te wachten tot er een nieuw gebied onder controle komt te staan van een terroristische organisatie, waarbij risico’s voor afreizen aanwezig zijn. In mei van dit jaar heb ik de Eerste Kamer laten weten dat ik voornemens ben een afzonderlijk wetsvoorstel in te dienen, waarmee een wettelijke strafuitsluitingsgrond wordt geïntroduceerd voor Nederlanders en Nederlands ingezetenen die uitsluitend in het gebied verblijven om activiteiten te verrichten als hulpverlener werkzaam voor een onpartijdige humanitaire organisatie, respectievelijk als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring. Onder deze laatste categorie vallen ook mensenrechtenorganisaties die over mensenrechtenschendingen rapporteren. Deze organisaties verrichten ook momenteel nog belangrijk werk in Afghanistan. Dit wetsvoorstel is thans in voorbereiding.
In afwachting van dit afzonderlijke wetsvoorstel inhoudende een wettelijke strafuitsluitingsgrond heb ik de Eerste Kamer verzocht de behandeling van het wetsvoorstel, waarin de strafbaarstelling is opgenomen, op korte termijn voort te zetten, gelet op het belang van het wetsvoorstel voor de veiligheid van de samenleving en om verdere vertraging te voorkomen.2 Daarnaast zou ik dan afzonderlijk het hiervoor genoemde wetsvoorstel in procedure brengen, waarmee een strafuitsluitingsgrond wordt geïntroduceerd.
De leden van de vaste commissie Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer hebben mij laten weten dat zij geen aanleiding zien om de behandeling van het wetsvoorstel, waarin de strafbaarstelling is opgenomen, op korte termijn voort te zetten; zij wensen dit wetsvoorstel tezamen met het nog in te dienen wetsvoorstel waarin een strafuitsluitingsgrond wordt geïntroduceerd, te behandelen.3
De schadevergoeding na de wateroverlast in Limburg en Brabant. |
|
Derk Boswijk (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Op 13 augustus heeft de Kamer informatie ontvangen over de stand van zaken van de vergoeding van waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant. Wat opvalt is de afbakening van het schadegebied, dat niet overeenkomt met het schadegebied zoals in de praktijk aan de orde is. Welke criteria worden gehanteerd om gebieden en/of getroffenen te identificeren?
De criteria voor het bepalen van het schadegebied zijn opgenomen in de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). In dat gebied dient sprake te zijn van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp met vergelijkbare impact en er dient sprake te zijn van materiële schade of kosten zoals opgenomen in artikel 4 van de Wts (onder andere schade aan woning, woonwagen, inboedel, en openbare infrastructurele voorzieningen). Bij koninklijk besluit, gepubliceerd in het Staatsblad van 9 september 2021, is de Wts van toepassing verklaard op afstromend water in Limburg. In afstemming met betrokken partijen zoals de gemeenten, veiligheidsregio’s, waterschappen en provincies is de afgelopen periode gewerkt aan het vaststellen van het schadegebied op grond van de Wts.
Welk handelingskader hebben provincies en/of anderen om getroffen ondernemers in aanmerking te laten komen voor bepaalde tegemoetkoming in schade?
De extreme wateroverlast in Limburg is door het kabinet tot ramp verklaard. Daarom zet het kabinet de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) in. De Wts is een vangnet voor materiële schade die niet verzekerbaar, niet verhaalbaar en niet vermijdbaar is. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming moet iemand schade hebben geleden in het vastgestelde schadegebied. In de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021, gepubliceerd in de Staatscourant van 9 september 2021, zijn de voorwaarden nader uitgewerkt. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling uit. Vanaf 9 augustus is het voor getroffenen mogelijk om schade te melden bij RVO. Vanaf de week van 6 september start RVO met het laten uitvoeren van de eerste schade expertises. Als de schadeformulieren retour ontvangen zijn zal RVO namens de Minister van Justitie en Veiligheid op de aanvragen besluiten en uitbetalen.
In het derde kwartaal van 2021 kunnen ondernemers een beroep doen op de NOW en TVL wanneer zij aan de voorwaarden voor deze regelingen voldoen. Ten aanzien van de economische schade als gevolg van omzetderving wil het kabinet het gesprek voeren met de regio en ondernemersvertegenwoordigers, gericht op kosten in het vierde kwartaal van 2021, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor proportionaliteit (hoeveel ondernemers hebben nog omzetschade in het vierde kwartaal), uitvoerbaarheid en precedentwerking.
Bent u op de hoogte dat ook meer stroomafwaarts, dus buiten de huidige afbakening van het schadegebied, ondernemers zwaar getroffen zijn?
Ik ben ervan op de hoogte dat op meerdere plekken langs de Maas medio en eind juli schade is ontstaan als gevolg van de hoge waterstanden.
Komt door dit besluit het rechtgelijksheidsprincipe niet in het geding?
De Wts is een instrument van de rijksoverheid om gedupeerden van een ramp die valt onder de werking van de wet, een tegemoetkoming in de geleden schade en gemaakte kosten te verstrekken. Voor toepassing van de Wts dient in ieder geval sprake te zijn van een ramp als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Het kabinet is van mening dat de gebeurtenissen in Limburg en een beperkt deel van Noord-Brabant in juli 2021 als ramp in vorenstaande zin moeten worden gezien. Deze ramp heeft plaatsgevonden in het vastgestelde schadegebied. Buiten dit gebied is er geen sprake van een ramp als hiervoor bedoeld. Het is binnen de huidige wetgeving dan ook niet mogelijk om gebieden buiten het schadegebied onder de ministeriële regeling voor de ramp medio juli te laten vallen.
Deelt u de mening dat ondernemers die buiten het afgebakende gebied vallen die aantoonbaar schade hebben geleden als gevolg van het hoge water ook voor compensatie in aanmerking moeten komen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wilt u dit gaan formaliseren en organiseren?
Zie antwoord vraag 4.
In de praktijk worden gronden door ondernemers en grondeigenaren onderling tijdelijk geruild. Dit komt de bodemgezondheid ten goede. De huidige regelingen sluiten onvoldoende aan bij deze in de praktijk gebruikelijke werkwijze. Bent u bereid hier opnieuw naar te kijken?
Een gedupeerde, ongeacht of dit een gebruiker van de grond of een grondeigenaar is, kan, indien wordt voldaan aan de voorwaarden in de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en langs het onbedijkte deel van de Maas in Noord-Brabant in juli 2021, een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming in schade. Op basis van de Wts kan per schade aan een perceel één aanvraag worden gedaan voor teeltplanschade. Wie de schade aanvraagt en, indien aan de voorwaarden voldaan wordt, een tegemoetkoming krijgt is afhankelijk van de civielrechtelijke relatie tussen de grondeigenaar en de grondgebruiker.
Het bericht 'Onzekerheid voor getroffen Limburgse ondernemers, 'meer omzetverlies dan waterschade'' |
|
Derk Boswijk (CDA), Inge van Dijk (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Onzekerheid voor getroffen Limburgse ondernemers, «meer omzetverlies dan waterschade»»?1
Ja.
Kunt u een update geven over de situatie in zowel Limburg als Brabant? Is inmiddels meer bekend over de omvang van de schade naar aanleiding van de recente wateroverlast: de waterschade maar bijvoorbeeld ook de economische schade als gevolg van omzetderving door annuleringen en wegblijvende toeristen?
Over de omvang van de economische schade als gevolg van omzetderving is nog weinig bekend. Het kabinet is in gesprek met de regio en ondernemersvertegenwoordigers om een beter beeld van de economische schade te krijgen. De omvang van de economische schade is sterk afhankelijk van hoe snel de materiële schade hersteld wordt, hoe lang bedrijven gesloten moeten blijven, hoe snel het toerisme herstelt etc.
Hoe verloopt de schadeafhandeling tot dusver? Hoeveel schademeldingen zijn er tot dusver gedaan en afgehandeld?
Op vrijdag 13 augustus heeft het kabinet de hoofdlijnen van de ministeriële regeling voor de tegemoetkomingen van de schade in met name Limburg vastgesteld. Sindsdien is ingezet op het zo spoedig mogelijk in werking laten treden van de regeling. Hiertoe is onder andere de Europese Commissie in kennis gesteld van de regeling. De regeling is op 9 september 2021 formeel in werking getreden. Vanaf 9 augustus is het mogelijk om vóór de inwerkingtreding van de regeling de schade te melden bij RVO. Tot nu toe zijn 1.135 Wts meldingen ontvangen.
Hoeveel uitbetalingen zijn er reeds gedaan? Voor welke bedragen? Wanneer verwacht u dat elke gedupeerde gecompenseerd is?
Zie het antwoord op vraag 3. Doordat de ministeriële regeling nog niet in werking is getreden, zijn er nog geen taxaties uitgevoerd en zijn er nog geen uitbetalingen gedaan.
Herkent u dat er onzekerheid is bij inwoners en ondernemers over de te vergoeden schade, bijvoorbeeld over neerslagschade versus overstromingsschade en economische schade als gevolg van omzetderving? Wat is u hierover bekend? Welke acties onderneemt u om ervoor te zorgen dat alle gedupeerden worden gecompenseerd en alle schade wordt vergoed?
Het is bekend dat er veel vragen leven bij ondernemers. Ten aanzien van de materiële schade bij ondernemers door overstroming van beken en zijrivieren is het kabinet van mening dat ondernemers zich nog onvoldoende bewust waren van het risico en de huidige verzekeringsmogelijkheden. Daarom kwalificeert het kabinet nu eenmalig deze situatie, voor de bedrijven die hierdoor niet de mogelijkheid hebben gehad zich te verzekeren, als niet redelijkerwijs verzekerbaar en komt zij tegemoet in deze schade door middel van de Wts. Dit is geen volledige vergoeding van alle schade. Het kabinet wil het gesprek voeren met de regio en ondernemersvertegenwoordigers over omzetderving in het vierde kwartaal van 2021, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor proportionaliteit (hoeveel ondernemers hebben nog omzetschade in het vierde kwartaal), uitvoerbaarheid en precedentwerking. In het derde kwartaal van 2021 kunnen ondernemers een beroep doen op de coronasteunmaatregelen NOW en TVL wanneer zij aan de voorwaarden voor deze regelingen voldoen.
Hoeveel ondernemers hebben tot op heden een beroep gedaan op het (corona)steunpakket, indien zij te maken met omzetverlies door de overstromingen? (H)erkent u dat hiermee alleen vaste lasten en loonkosten worden vergoed, maar geen omzetverlies? Wat wordt nog meer gedaan om getroffen ondernemers bij te staan?
Ondernemers kunnen vanaf 31 augustus aanvragen indienen voor de TVL Q3 wanneer zij aan de voorwaarden voldoen. De TVL heeft inderdaad betrekking op vaste lasten, waarbij de hoogte van de vergoeding wel afhankelijk is van de mate van omzetverlies. Voor omzetverlies in het vierde kwartaal van 2021 wil het kabinet het gesprek voeren met de regio en ondernemersvertegenwoordigers.
Werkgevers kunnen vanaf 26 juli een aanvraag indienen voor de 6e tranche van de NOW voor een tegemoetkoming in de loonkosten. Het tijdvak van deze tranche loopt van juli t/m september 2021. Als werkgevers voldoen aan de voorwaarden, waaronder een minimaal omzetverlies van 20%, dan kunnen zij NOW aanvragen. Bij de aanvraag wordt geen onderscheid gemaakt naar de aanleiding van het omzetverlies. Er kan dus ook niet worden aangegeven hoeveel werkgevers als gevolg van de overstromingen een NOW-aanvraag hebben gedaan. Wel kan in algemene zin worden opgemerkt dat de aanvragen in de regio’s die (deels) zijn getroffen door de overstromingen vooralsnog niet groter zijn dan de aanvragen in deze regio’s ten behoeve van de voorgaande NOW-tranche (5e tranche, april t/m juni 2021).
Is reeds een beroep gedaan op het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, in het leven geroepen ter ondersteuning van regio’s die worden getroffen door natuurrampen, naar aanleiding van de wateroverlast in Limburg en Brabant? Welke stappen zijn hiertoe reeds gezet? Wordt samengewerkt met andere getroffen landen, zoals België en Duitsland? Hebben deze landen of deelstaten een beroep op het EU Solidariteitsfonds gedaan?
Het kabinet is zich bewust van de mogelijkheid een beroep te doen op het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, en onderzoekt op dit moment wat de mogelijkheden hiertoe zijn. Er is contact hierover gaande met de Europese Commissie en de buurlanden België en Duitsland, die hetzelfde overwegen. Uiterlijk eind september zal het kabinet besluiten of ze een aanvraag bij het Solidariteitsfonds van de Europese Unie wil indienen. Ook België en Duitsland hebben nog geen aanvraag ingediend.
Indien (nog) geen aanvraag voor het EU Solidariteitsfonds is gedaan, bent u bereid dit alsnog met hoge spoed te doen?
Om een aanvraag op het fonds te kunnen doen, is het nodig dat de schade in beeld is. Op dit moment is contact met de Europese Commissie over een mogelijke aanvraag en of Nederland aan de voorwaarden voldoet. Het kabinet zal uiterlijk eind september, als alle door de Europese Commissie gevraagde informatie bekend is, beslissen over een mogelijke aanvraag. De indieningstermijn die de Europese Commissie hanteert voor dergelijke aanvragen is overigens ca. 12 weken na de ramp.
Hebben u vanuit Limburg en Brabant in de afgelopen weken nog hulpverzoeken bereikt en/of zaken/knelpunten waar men lokaal en regionaal tegenaan loopt? Zo ja, welke en wat kunt u betekenen?
Enkele gemeenten in Noord-Brabant en daarbuiten hebben mij brieven gestuurd, met name vanwege schade in de land- en tuinbouw in de uiterwaarden door hoge waterstanden als gevolg van de ramp in Limburg. Naar aanleiding van die schade vragen zij om een ruime definitie van het schadegebied. Compensatie voor die schade op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) is echter niet mogelijk, omdat niet aan de in de Wts gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Op dit moment verkent het kabinet de wenselijkheid en mogelijkheden voor tegemoetkoming in uiterwaarden langs de Maas. Bij deze verkenning zijn de aspecten consistentie van beleid, proportionaliteit, uitvoerbaarheid en precedentwerking betrokken. Dit traject kost evenwel tijd om te onderzoeken mede gezien de genoemde aandachtspunten. Om die reden kan het kabinet hierover op dit moment nog geen uitsluitsel geven.
Hoe zijn voor inwoners en ondernemers de hulp en informatievoorziening (nazorg) geregeld? Zijn er bijvoorbeeld provinciale «loketten» waar mensen terechtkunnen met vragen over schades, verzekeringen, voorschotten, milieu, gezondheid et cetera?
Voor de financiële afhandeling van de schade is de RVO het loket en zijn er geen lokale loketten. Ook zijn er geen specifieke regionale loketten inzake milieu of gezondheid naar aanleiding van de watersnoodramp ingericht. Er bestaat reeds een infrastructuur op deze thema’s (bijvoorbeeld het RIVM en de GGD, of de Veiligheidsregio’s als samenwerkingsverband). Op dit moment werken gemeenten aan de aanpak van de nafase.
Wie is de coördinerend bewindspersoon? Wie heeft welke regie en welk mandaat?
De Minister van JenV is de coördinerend bewindspersoon voor de Wts en de overige vakministers zijn verantwoordelijk voor onderwerpen die specifiek op hun terrein liggen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Portugal, België en Luxemburg ontvangen eerste geld EU-herstelfonds' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Portugal, België en Luxemburg ontvangen eerste geld EU-herstelfonds»?1
Ja.
Wanneer – naar verwachting – zullen in navolging van Portugal, België en Luxemburg andere lidstaten middelen uit de Recovery and Resilience Facility (RRF) ontvangen? Welke lidstaten zijn dat?
Op het moment van schrijven hebben, naast Portugal, België en Luxemburg, ook Italië, Spanje, Litouwen en Griekenland voorfinanciering ontvangen. Andere lidstaten met een goedgekeurd herstelplan, op dit moment Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Kroatië, Cyprus, Slovenië, Denemarken, Letland en Slowakije, zullen waarschijnlijk op korte termijn ook hun bedrag aan voorfinanciering kunnen ontvangen.
Klopt het nog steeds dat sinds de inwerkingtreding van de RRF-verordening 24 lidstaten een nationaal herstelplan (RRP) in het kader van de RRF hebben ingediend en drie lidstaten, namelijk Bulgarije, Malta en Nederland, dat tot dusver niet gedaan hebben (waarbij de herstelplannen van Bulgarije en Malta al wel ver gevorderd zouden zijn)?
Malta heeft 13 juli haar herstelplan (RRP, Recovery and Resilience Plan) ingediend bij de Europese Commissie. Dit brengt het totaal aantal ingediende herstelplannen op 25. Bulgarije en Nederland hebben tot op heden geen RRP ingediend.
Hoe verlopen de voorbereidingen voor het Nederlandse herstelplan? Wat is er tot dusver gedaan? Welke projectvoorstellen zijn geïnventariseerd? Ligt er al een conceptherstelplan waarover een volgend kabinet vlot en goed geïnformeerd kan besluiten?
Op 7 juli jl. heeft de Minister van Financiën de Eerste Kamer geïnformeerd over de voorbereidingen voor het opstellen van het nationale Recovery and Resilience Plan (RRP; Kamerstuk CXLII nr. E).2 Hierin staat dat het kabinet van mening is dat een stevig en ambitieus RRP nodig is. De formatie biedt traditioneel veel ruimte om tot aanvullende hervormingen te komen, die een plek kunnen krijgen binnen een RRP. Het is bovendien wenselijk dat een plan ten volle wordt onderschreven door een volgend kabinet, dat uitvoering zal geven aan het plan. Daarom is ervoor gekozen om het nieuwe kabinet een besluit te laten nemen over de invulling van het plan.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 27 november 2020 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1626)3 heeft het kabinet besloten een ambtelijke verkenning naar de mogelijke inhoud van een Nederlands herstelplan uit te laten voeren om de formatie voor te bereiden en het indienen van het plan niet te vertragen. Deze verkenning is nu onderdeel van de formatie.
In de verkenning wordt rekening gehouden met de criteria waaraan een herstelplan moet voldoen. Zo moet een plan een bijdrage leveren aan zes pijlers4: bijdragen aan de doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen uit de landspecifieke aanbevelingen van 2019 en 2020; voor ten minste 37% besteed worden aan het klimaat en voor 20% aan digitalisering; maatregelen bevatten die na 1 februari 2020 van start zijn gegaan; en maatregelen bevatten die structureel effect sorteren.
Op de terreinen van onder andere zorg, arbeidsmarkt, onderwijs, klimaat en groene transitie, digitale transitie, pensioenen, woningmarkt en het tegengaan van belastingplanning en witwassen is geïnventariseerd welke investeringen een plan van hervormingen zouden kunnen ondersteunen. Voor de hervormingen is het wachten op de keuzes van een volgend kabinet.
De verkenning staat niet gelijk aan een conceptplan, omdat het aan de formatie is om te bepalen met welke maatregelen zij dit plan wil vullen. Voor de hervormingen is het wachten op de keuzes van een volgend kabinet. Aan de investeringskant kan het nieuwe kabinet kiezen uit diverse maatregelen die kwalificeren volgens de verordening. Daarbij kan het nieuwe kabinet kiezen voor investeringen waartoe al besloten is sinds februari 2020 of voor aanvullende investeringen waartoe wordt besloten in de formatie (of een combinatie van beide).
Is de aangenomen motie-Inge van Dijk over het concept-RRP consulteren met stakeholders reeds in uitvoering? Indien ja, hoe? Indien niet, wanneer wel?2
Nadat het nieuwe kabinet heeft besloten over de invulling van het RRP, wordt een conceptplan opgesteld. Met het opstellen van het conceptplan volgen stakeholderconsultaties om de inhoud en draagvlak van het plan te versterken en uitvoering te geven aan de motie-Inge van Dijk. Dit proces zal tijdens het formuleren van een conceptplan vorm krijgen. Na de stakeholderconsultaties zal het conceptplan gedeeld worden met het parlement voordat het definitief ingediend kan worden bij de Europese Commissie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verplichting vanuit de RRF-verordening.
Hoe zijn – eerdergenoemde motie buiten beschouwing gelaten – decentrale overheden, waaronder gemeenten en provincies, tot dusver in het RRF-proces meegenomen? Zijn zij bijv. betrokken geweest bij de ambtelijke verkenning naar kansrijke maatregelen? Indien ja, op welke manier(en) en op welk(e) moment(en)?
De verkenning van kansrijke maatregelen voor het RRP heeft in overleg plaatsgevonden. De beleidsverantwoordelijke departementen hebben bekeken welke input en eventuele voorstellen van stakeholders zij mee wilden nemen in de ambtelijke verkenning, rekening houdende met de RRF-criteria. Sociale partners in de Stichting van de Arbeid en de Vereniging van Nederlandse Gemeentes (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn op zowel ambtelijk als politiek niveau geïnformeerd over het verdere proces rondom de inventarisatie van voorstellen.
Deelt u de mening dat stakeholders als decentrale overheden in een zo vroeg mogelijk stadium bij een proces als de RRF betrokken moeten zijn, omdat veel investeringen uit en in de regio moeten komen? Waarom wel/niet?
Het kabinet erkent het belang van betrokkenheid van decentrale overheden om de inhoud en het draagvlak van het plan te versterken. Tijdens de verkenning naar kansrijke maatregelen hebben de beleidsverantwoordelijke departementen contact gehad met stakeholders over individuele maatregelen met gevolgen voor de desbetreffende stakeholders. Indien de formatie besluit tot opname van maatregelen in een RRP die bijvoorbeeld neerslaan in regio’s, kan zij per maatregel bepalen welke relevante stakeholders zij wenst te betrekken. Het is dan ook aan het volgende kabinet om te bepalen hoe zij de consultatie met stakeholders wenst vorm te geven.
Wat betekent een langer durende kabinetsformatie voor de totstandkoming en indiening van een Nederlands herstelplan? Hanteert het demissionaire kabinet hiervoor een uiterste deadline? Indien ja, welke?
Er bestaan meerdere indieningsmomenten voor een RRP. Met inachtneming van de doorlooptijd en de beslistermijn van de Europese Commissie en Raad, dient Nederland uiterlijk rond de zomer van 2022 een plan in te dienen om geen geld mis te lopen. Er is dus nog tijd voor het opstellen en indienen van een plan.
Op grond van de RRF-verordening gold in eerste instantie een deadline van 30 april 2021. Deze deadline gold echter «as a rule». In de praktijk betekent dit dat een lidstaat ook na 30 april 2021 een herstelplan kan indienen, waarbij de lidstaat aanspraak blijft maken op zijn totale allocatie. Wel moet de Europese Commissie op grond van de RRF-verordening 70% van de middelen vóór eind 2022 gecommitteerd hebben aan de lidstaten, op basis van een goedgekeurd plan. De overige 30% van de middelen moet voor eind 2023 worden gecommitteerd.
In hoeverre loopt Nederland het risico zijn recht op 13% voorfinanciering te verliezen naarmate het indienen van een herstelplan langer op zich laat wachten?
Volgens artikel 13 van de RRF-verordening kan een lidstaat uiterlijk 31 december 2021 voorfinanciering ontvangen voor een goedgekeurd herstel- en veerkrachtplan. Dit is een bedrag van maximaal 13% van de financiële bijdrage en, waar van toepassing, van maximaal 13% van de leningen aan de betrokken lidstaat. Voor zover mogelijk vindt dit plaats binnen twee maanden na de goedkeuring van de juridische verbintenissen door de Commissie. Wanneer Nederland geen voorfinanciering aanvraagt, maakt het nog steeds aanspraak op de totale toegeschreven allocatie van de RRF-middelen.
Aangezien de indiening van het RRP wordt overgelaten aan het volgende kabinet en Nederland streeft naar de indiening van een stevig en ambitieus plan dat zorgvuldig wordt geconsulteerd met stakeholders, waaronder de regio’s, en de doorlooptijd en de beslistermijn van de Europese Commissie en Raad minstens drie maanden in beslag nemen, zal Nederland de deadline van 31 december 2021 naar verwachting niet halen en daarom ook geen gebruik maken van de mogelijkheid van 13% voorfinanciering. Voor Nederland is deze voorfinanciering echter niet noodzakelijk voor de succesvolle implementatie van het RRP. Nederland kan immers wanneer dit nodig zou zijn relatief makkelijk voorfinanciering op de kapitaalmarkt ophalen.
Hoezeer verwacht u dat Nederland economisch op achterstand raakt als gevolg van een verslechterende concurrentiepositie, nu andere landen hun RRF-middelen al ontvangen en deze meteen kunnen investeren in (bepaalde sectoren van) hun economie?
Geenszins, de Nederlandse concurrentiepositie is om verschillende redenen zeer sterk en is niet afhankelijk van uit de RRF uitgekeerde middelen. Nederland prijkt al jaren in de top-10 van de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum; de laatste jaren zelfs in de top-5.
Nederland heeft wel, ook naar aanleiding van eerdere aandacht vanuit uw Kamer op dit punt, aandacht voor de gevolgen van de RRF op het gelijk speelveld op de interne markt. Conform motie-Palland c.s. (Kamerstuk 21 501-30, nr. 510)6 zal uw Kamer een brief ontvangen wanneer alle plannen zijn ingediend en de implementatie van start is gegaan. Deze brief zal inzicht geven in de projecten en sectoren waaraan andere lidstaten hun RRF-middelen besteden.
Binnen de RRF-verordening zijn criteria opgenomen die een verstoring van het gelijk speelveld in Europa moeten beperken al dan niet voorkomen. Zo moeten alle uitgaven die lidstaten zullen doen met RRF-middelen voldoen aan de Europese staatsteun- en aanbestedingskaders. Hiernaast heeft een investeringsimpuls in andere lidstaten niet alleen positieve effecten op de lidstaat in kwestie, ook andere lidstaten profiteren hiervan. Innovatieve Nederlandse sectoren kunnen inspelen op de hogere investeringsbehoefte, profiteren van kennis-spill-overs en kunnen middels Europese samenwerking oplossingen vinden op maatschappelijke uitdagingen waarmee Europa samen sterker uit de crisis komt.
Bent u bereid de motie-Palland c.s., die de regering verzoekt om bij te houden aan welke projecten en sectoren andere lidstaten hun RRF-gelden besteden, in het bijzonder sectoren die voor Nederland van strategisch belang zijn, zoals de topsectoren en de vitale infrastructuur, en de Kamer hierover jaarlijks te informeren, breed uit te voeren door behalve bij te houden aan welke projecten en sectoren andere lidstaten hun RRF-gelden besteden óók een concurrentieanalyse te maken van wat al deze herstelplannen betekenen voor de Nederlandse economie en het Nederlandse bedrijfsleven?3
Wanneer alle plannen zijn goedgekeurd en de implementatie van start is gegaan, zal uw Kamer een brief ontvangen die inzicht geeft in de projecten en sectoren waaraan andere lidstaten hun RRF-gelden besteden, conform de motie-Palland c.s. Als er uit deze analyse volgt dat er significante effecten te verwachten zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht zullen deze worden benoemd in de nog te ontvangen brief.
Het bericht 'Rechtbank: Vermogensbelasting is discriminerend voor spaarders' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Financieele Dagblad van 13 augustus 2021 «Rechtbank: Vermogensbelasting is discriminerend voor spaarders»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland dat de belasting op spaartegoeden en beleggingen zoals de fiscus die sinds 2017 oplegt strijdig is met het Europees discriminatieverbod? Zo ja, wat vindt u van deze uitspraak?
Ik ben bekend met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 augustus 2021 uitspraak gedaan in twee van de in totaal twaalf zaken van zes belastingplichtigen die samen de zogenoemde massaalbezwaarprocedure vormen tegen de vermogensrendementsheffing over 2017 en 2018.2 Voor de jaren 2017 en 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland geconcludeerd dat de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland ontbreekt een objectieve en – vooral – redelijke rechtvaardiging voor de gelijke behandeling van ongelijke gevallen. De rechtbank Noord-Nederland heeft in dit oordeel betrokken dat de wetgever er op de hoogte van was dat een groep van circa veertig procent van de belastingplichtigen met box 3 vermogen uitsluitend over spaartegoeden beschikt.
De rechtbank Noord-Nederland ziet echter geen mogelijkheden om het ontstane rechtstekort te repareren. De rechtbank kan het discriminatoire karakter van de heffing namelijk niet ongedaan maken. Daarvoor zouden door de rechtbank (rechtspolitieke) keuzes gemaakt moeten worden die aan de wetgever zijn. De rechtbank Noord-Nederland heeft daarom geconcludeerd dat de beroepen van belanghebbende ongegrond zijn en de aanslagen inkomstenbelasting 2017 en 2018 in stand blijven.
Er zijn overigens nog tien zaken van belang voor de massaalbezwaarprocedure over de jaren 2017 en 2018. In twee van deze zaken heeft de rechtbank Gelderland geconcludeerd dat de forfaitaire rendementsheffing op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP ERVM of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.3 Deze zaken zijn inmiddels via sprongcassatie voorgelegd aan de Hoge Raad. In deze zaken wordt in oktober een conclusie van de advocaat-generaal verwacht.
In vier zaken van rechtbank Noord-Holland4 is hoger beroep ingesteld door de Bond voor Belastingbetalers namens de belastingplichtigen. Deze wachten op een zitting bij gerechtshof Amsterdam. Tot slot moeten er nog vier zaken bij rechtbank Den Haag op de rol komen.
Wat vindt u van de conclusie van de rechtbank dat in praktijk blijkt dat veertig procent van de belastingplichtigen in box 3 helemaal niet belegt en de daarmee onjuiste veronderstelling die ten grondslag ligt aan de heffing sinds 2017?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wilt u voor deze onjuiste veronderstelling met terugwerkende kracht rechtsherstel bieden, aangezien dit voor een grote groep belastingplichtigen dit tot een onevenredig zware belasting heeft geleid?
Het bieden van rechtsherstel past niet in de nog lopende massaal bezwaarprocedures over de betreffende jaren 2017 en 2018 en is bovendien prematuur. Momenteel staat namelijk niet vast dat de opzet van het nieuwe box 3-stelsel met ingang van 2017 in strijd is met het discriminatieverbod, omdat de Hoge Raad hier nog over moet oordelen. Zodoende is er op dit moment geen aanleiding voor het bieden van rechtsherstel.
Bent u bereid nog bij het Belastingplan 2022 met een oplossing te komen om deze oneerlijke situatie met terugwerkende kracht tot 2017 aan te pakken?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat deze uitspraak wederom aantoont dat nog meer snelheid is geboden om het probleem van de oneerlijk uitwerkende forfaitaire heffing in box 3 aan te pakken?
Ik ben mij bewust van de signalen uit de maatschappij en uit uw Kamer over de wens om de huidige forfaitaire box 3-heffing om te zetten in een heffing over het werkelijk behaalde rendement. Het demissionaire kabinet deelt deze breed gedragen wens. In uw Kamer is daarbij vaak aangegeven dat het jammer is dat een heffing over het werkelijk behaalde rendement niet op korte termijn haalbaar is. Het onderzoek van PwC naar een moderne en uitvoerbare box 3-heffing naar werkelijk rendement biedt gelukkig perspectieven voor de overgang naar een dergelijk stelsel. Zoals ik tijdens het Commissiedebat «Belastingen» van 30 juni 2021 heb aangegeven, wordt op het ministerie hard gewerkt aan een voorstel zodat een nieuw kabinet op dit dossier een vliegende start kan maken.
Wilt u nu eindelijk een vuist maken en het argument dat aansluiten bij de werkelijke samenstelling van het vermogen onuitvoerbaar is overboord zetten, aangezien recent onderzoek dat u aan de Kamer stuurde uitwijst dat dat heffen op basis van werkelijk rendement wel degelijk mogelijk is en dit in het buitenland ook uitvoerbaar blijkt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid een harde deadline voor het kabinet te stellen op welke termijn het probleem van box 3 daadwerkelijk moet zijn opgelost, zodat een volgend kabinet hierop kan handelen, aangezien dit reeds sinds jaren een prioriteit is van het demissionaire kabinet en de Kamer?
Uw kamer heeft het demissionaire kabinet verzocht om in 2021 een contourennota op te stellen voor de vormgeving van een heffing naar werkelijk rendement. In de contourennota zal op hoofdlijnen een nieuw stelsel voor box 3 worden beschreven op basis van werkelijk rendement. Daarbij zal een duidelijke, ambitieuze en strakke planning worden opgenomen voor het wetgevings- en implementatietraject van het nieuwe stelsel. Uiteraard is het aan het volgend kabinet en Uw kamer, en niet aan het huidige demissionaire kabinet, om hier knopen over door te hakken.
Kunt u met het presenteren van de contourennota ook een duidelijke, ambitieuze en strakke planning aanleveren om een heffing in box 3 op basis van werkelijk rendement voor elkaar te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Mogelijke overheidssteun voor Formule 1 races |
|
Leonie Vestering (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Tamara van Ark (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de ondernemers van de Formule 1 race op Zandvoort van plan zijn steun aan te vragen?1
Ja.
Herinnert u zich de uitspraak van premier Rutte uit 2018 over mogelijke steunverlening: «Wees effe stoer en los dat zelf op», na afloop van de ministerraad?2
Ja.
Herinnert u zich het besluit van het kabinet uit begin 2019 om niet van zins te zijn ook maar één euro in het evenement te willen steken?
Op 5 februari 2019 heeft het kabinet besloten om niet in financiële zin maar wel in faciliterende zin bij te dragen aan de organisatie van de Grand Prix Formule 1 in Nederland (TK 30 234, 207).
Bent u zich ervan bewust dat ondanks bovenstaande beloftes en besluiten het Rijk al royaal geld heeft gestoken in deze omstreden evenementen?3 Of erkent u niet dat deze bedragen mede zijn gedaan om de evenementen mogelijk te maken?
Ik verwijs u naar de antwoorden die mijn collega van Infrastructuur en Waterstaat op 14 oktober 2019 naar uw Kamer heeft gestuurd (TK 2018–2019, 2910). Het artikel waarnaar wordt verwezen gaat in op de investeringen in het spoortraject van Haarlem naar Zandvoort. Deze zijn primair bedoeld om de bereikbaarheid van Zandvoort per trein op drukke dagen in de zomermaanden te vergroten. Dit voornemen bestond al voordat sprake was van een mogelijke Formule 1 race in Zandvoort.
Kent u de uitspraak van sportief directeur Jan Lammers van Dutch Grand Prix (DGP): «Voor mij is het glas twee derde vol. We gaan het gewoon doen.»?4
Ja.
Wat vindt u van bovenstaande uitspraak, gedaan op het moment dat DGP zich publiekelijk uitgesproken heeft, bij monde van de andere DGP directeur Robert van Overdijk, dat de organisatie «zelf ook moet worden gecompenseerd» en «als het evenement vanwege coronaperikelen alleen met minder publiek kan doorgaan, «zal iemand moeten bijspringen»»?5
Door de coronamaatregelen die we ten behoeve van de volksgezondheid hebben moeten nemen, kunnen evenementenorganisatoren in financiële problemen komen. We hebben daarvoor, met steun van uw Kamer, steunmaatregelen in het leven geroepen. Als een organisatie aan de eisen voldoet, kan zij daar gebruik van maken. Daar kunnen wij op voorhand geen organisatie van uitsluiten. De DGP voldoet echter niet aan de eisen van de garantieregeling evenementen, omdat het evenement niet door de rijksoverheid is verboden. De DGP komt dan ook niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit deze regeling.
Erkent u dat het verzoek om steun het imago van de wedstrijd, al enigszins gebutst door de vele rechtszaken rond de race, geen goed doen? Zo nee, op welke manier denkt u dat het op deze manier de hand ophouden het imago van het evenement en/of de Nederlandse overheid ten goede zal komen?
Nee, een verzoek om steun hoeft niet van invloed te zijn op het imago van het evenement of van de Nederlandse overheid. Er zijn meer sportevenementen die financiële steun vragen aan de Nederlandse overheid. Ook in andere landen is dat gebruikelijk.
Bent u bereid uw woord gestand te doen en ondubbelzinnig te verklaren geen steun te zullen verlenen om dit ondernemersrisico af te wentelen op de belastingbetaler? Zo nee, waarom niet?
Dit is niet aan de orde. De organisatoren hebben aangegeven dat de race doorgaat. Zij zullen zelf zorgdragen voor de financiering van het evenement. Daarvoor hebben ze geen financiële steun van de rijksoverheid gekregen. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u tevens bereid om – midden in de klimaat- en biodiversiteitscrisis – het onzalige plan te schrappen om imponeervluchten uit te laten voeren door de luchtmacht boven dit evenement? Zo nee, waarom niet en hoe hoog zijn de kosten en wie betaalt die?
Vanwege de ontwikkelingen in Afghanistan heeft Defensie besloten om de fly past tijdens de Formule 1 in Zandvoort te annuleren.
Hoe hoog is – bij benadering – de uitstoot van broeikasgassen van deze imponeervluchten?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voordat het evenement plaatsvindt?
Ja.