Het bericht: ‘Zorgpremies schieten omhoog vanaf volgend jaar’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgpremies schieten omhoog vanaf volgend jaar»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de zorgkosten voor verschillende typen huishoudens met daarin zowel de zorgpremie als de inkomensafhankelijk bijdrage die via werkgevers wordt geïnd? Zo ja, kunt u daarbij de verwachte stijging voor de komende jaren vermelden?
De nominale premie 2022 bedraagt gemiddeld 1.522 euro. Er is daarin een flinke bandbreedte. Er is geen informatie over de verdeling van de nominale premie naar huishoudenstypes.
De inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) die werkgevers afdragen bedraagt in 2022 6,75% van het premieplichtig inkomen. Het premieplichtig inkomen kent een maximum van € 59.704. De maximale IAB die een werkgever afdraagt is dus € 4.030.
Zelfstandigen en gepensioneerden betalen 5,5% van hun inkomen aan IAB, waarbij het premieplichtig inkomen ook gemaximeerd is op € 59.704.
Over de premieontwikkeling in de komende jaren valt nog niet veel zinnigs te zeggen. De bedragen die genoemd zijn in het aangehaalde Skipr-artikel zijn niet afkomstig van het Ministerie van VWS en herkent het Ministerie van VWS ook niet.
Het Ministerie van VWS heeft in maart jl een zeer indicatieve berekening (maartraming) gemaakt van de nominale premieontwikkeling in de komende jaren. In die berekening stijgt de premie in 2023 met circa € 15 per maand in 2023 en met circa € 35 per maand van 2022 op 2027. Die premiestijging vloeit vooral voort uit de relatief hoge loon- en prijsstijgingen die het CPB verwachtte in het Centraal Economisch Plan 2022 (CEP 2022). Deze premiestijging ligt echter fors lager dan vermeld in het Skipr-artikel.
In de indicatieve berekening van het Ministerie van VWS kan echter veel informatie nog niet worden meegenomen die wel van invloed zal zijn op de premieontwikkeling. Zo is nog geen rekening gehouden met de uitgavenrealisaties 2022 en de doorwerking daarvan in latere jaren. VWS ontvangt begin augustus inschattingen van de (verwachte) uitgaven van verzekeraars in 2022 en kan dan pas een redelijke inschatting maken van de uitgavenontwikkeling 2022 en de doorwerking daarvan naar latere jaren.
Daarnaast zal het CPB zijn ramingen van loon- en prijsontwikkeling nog aanpassen in de Macro Economische Verkenning (MEV). Ook dat kan forse effecten hebben op de zorguitgaven.
In de bovengenoemde maartraming is ook nog geen (goede) inschatting verwerkt van de gevolgen van de catastroferegeling, het uitstel van IAB-afdrachten door werkgevers, en de mogelijke inzet van reserves door verzekeraars om een premiestijging te drukken.
Kortom, het is op dit moment echt te vroeg om een goede raming van de nominale premie 2023 te maken.
Waarom stegen de totale zorguitgaven in het basispad voor het coalitieakkoord tot 2026 met 6,9% (voorafgaand aan de maatregelen uit het coalitieakkoord) en stijgen de premielasten in de voorjaarsnota tot en met 2026 in totaal 28,1%?
In de VWS-begroting 2022 (opgesteld vóór het coalitieakkoord) stegen de Zorgverzekeringswet (Zvw) uitgaven van € 54,5 miljard in 2022 naar € 64,0 miljard in 2026, ofwel een stijging van € 9,5 miljard of 18%.
De Zvw-uitgaven stijgen in de huidige raming (inclusief coalitieakkoord) van € 54,9 miljard in 2022 naar € 67,4 miljard in 2026, ofwel een stijging van € 12,5 miljard of 23%.
Dat de premiestijging (in de bovengenoemde maartraming) iets hoger wordt ingeschat dan de uitgavenontwikkeling komt omdat verzekeraars de premiestijging in 2022 fors hebben gedrukt door inzet van reserves en er in de huidige raming geen rekening is gehouden met de inzet van reserves in 2026.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de maatregelen die in het coalitieakkoord zijn aangekondigd om de houdbaarheid van de zorguitgaven te verbeteren? In hoeverre zijn deze meegenomen in deze geraamde premiestijging?
Er wordt aan alle maatregelen hard gewerkt. De grootste opbrengst zal moeten worden gerealiseerd via het Integraal Zorgakkoord. Daarover wordt nu gesproken met zorgaanbieders en zorgverzekeraars. In de uitgavenraming en de premieraming is er van uit gegaan dat de in het coalitieakkoord ingeboekte taakstelling geheel wordt gerealiseerd.
Deelt u de mening dat het van belang is om de jaarlijkse stijging te beperken, zeker in deze tijd waarin de koopkracht voor alle huishoudens onder druk staat? Welke mogelijkheden kunt u inzetten om de stijging van zorgkosten voor huishoudens te beperken?
De Zvw kent een lastendekkende premie. Daar is bij de vormgeving van de Zvw expliciet voor gekozen. De Europese regels over staatssteun staan ook niet toe dat de overheid private verzekeraars subsidieert om de premie te dempen. De enige manier om de zorgpremiestijging te beperken is het in de hand houden van de uitgavenontwikkeling in de zorg.
Met de maatregelen uit het coalitieakkoord wordt een bijdrage geleverd aan het in de hand houden van de premieontwikkeling.
Overigens: voor huishoudens met een laag inkomen wordt de premiestijging gecompenseerd via de zorgtoeslag.
Klopt het dat de bijdrage aan zorgverzekeraars uit het «catastrofeartikel Zvw» vanwege de coronapandemie een tekort in het Zorgverzekeringsfonds heeft veroorzaakt? Zo ja, in hoeverre is de stijging van de rekenpremies aan dit tekort te wijten?2
De catastroferegeling leidt tot een uitkering aan verzekeraars uit het Zorgverzekeringsfonds. Dat leidt op zich tot een tekort in het Zorgverzekeringsfonds.
Tegenover uitgaven voor corona staan bij verzekeraars lagere uitgaven voor niet-coronazorg. Omdat het Ministerie van VWS met de verzekeraars voor 2021 een macronacalculatie van 85% heeft afgesproken, slaat deze meevaller voor 85% neer in het zorgverzekeringsfonds.
Het saldo van deze twee effecten leidt tot een tekort in het fonds dat moet worden opgevangen via hogere premies. Het grootste deel van dit effect was echter al bekend ten tijde van de begroting 2022 en is dus meegenomen bij het vaststellen van de premies 2022. De huidige cijfers duiden erop dat de uitkering op basis van de catastroferegeling hoger uitvalt dan geraamd in de begroting 2022. Daar tegenover staat dat de uitgaven aan niet-coronazorg lager zijn uitgevallen dan geraamd in de begroting wat leidt tot een meevaller in het Zorgverzekeringsfonds. Het per saldo negatieve effect op het Zorgverzekeringsfonds van deze twee bijstellingen moet worden weggewerkt via de premiestelling 2023. Dit per saldo effect valt naar huidige inschatting mee in omvang.
Is bij u bekend of, en zo ja welke, verzekeraars de bijdrage uit het catastrofeartikel gebruiken voor compensatie van de stijging van de rekenpremie, of dat zij dit aan de reserves toevoegen?
Verzekeraars hebben de premie 2022 fors gedrukt met inzet van reserves. Dit was mede mogelijk vanwege de catastroferegeling. Let wel, bij verzekeraars staan zorgkosten tegenover de uitkering catastroferegeling. Ze maken dus geen winst op de catastroferegeling. Het geld dat verzekeraars konden inzetten om de premie te drukken resulteerde uit lagere uitgaven bij de niet-coronazorg die in 2020 geheel en in 2021 deels toevielen aan verzekeraars.
Kunt u de beantwoording van deze vragen aan de Kamer sturen voor het commissiedebat Zorgverzekeringswet / Eigen bijdragen in de zorg op 29 juni aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘Veel financieel kwetsbare ouderen maken geen gebruik van inkomensvoorzieningen’ van de Nationale Ombudsman |
|
Don Ceder (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Nationale ombudsman «Met te weinig genoegen nemen»1?
Ja, het rapport is mij op 16 juni jl. aangeboden, waarbij de Nationale ombudsman mij gevraagd heeft om binnen drie maanden op de conclusies uit het rapport te reageren. Een afschrift van deze reactie doe ik hierbij aan uw Kamer toekomen.
Hoe worden ouderen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geïnformeerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en/of gemeenten over mogelijke aanvullende voorzieningen, naast Algemene Ouderdomswet (AOW)?
Enkele maanden voordat de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt, start de SVB met het bevorderen van AOW- en AIO-aanvragen door betrokkenen erop te wijzen om op tijd een AOW-uitkering en eventueel een AIO-uitkering aan te vragen. In de communicatie wijst de SVB ook op de mogelijke gevolgen van pensionering voor belastingen en toeslagen en wijst de SVB ook de mogelijkheden die gemeenten kunnen bieden.
Vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op werknemersverzekeringen (uitgezonderd Ziektewet). UWV heeft bij deze gebeurtenis de taak om deze verzekeringen en eventuele bijbehorende uitkeringen met ingang van de AOW-leeftijd te beëindigen. UWV heeft in de communicatie verder geen relatie met AOW-gerechtigden, maar beschikt als beheerder van de polisadministratie wel over inkomensgegevens die voor de SVB relevant zijn. Dat is de reden dat UWV betrokken is in een pilot met de SVB waarin wordt gewerkt aan een aanpak waarmee deze informatie gebruikt kan worden voor een pro-actieve benadering van mensen met mogelijk recht op AIO.
Vanaf de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op gemeentelijke algemene bijstand. Vanaf die leeftijd wordt, indien men daarvoor in aanmerking komt, algemene bijstand in de vorm van Aanvullende Inkomensvoorziening voor Ouderen (AIO) door de SVB verleend. Dat is veelal in combinatie met een gedeeltelijke AOW. Gemeenten moeten de algemene bijstand dan beëindigen, wijzen betrokkenen op de informatie van de SVB en werken daarvoor ook samen met de SVB. Daarnaast houden gemeenten wel de verantwoordelijkheid voor zaken als bijzondere bijstand (incl. zorgverzekering), kwijtschelding gemeentelijke lasten en een seniorenpas. Daarover blijven zij ook na de pensioengerechtigde leeftijd met hun burgers communiceren.
Bent u bereid om met gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties in gesprek te gaan over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om ouderen (herhaaldelijk) pro actief te benaderen aangaande mogelijke inkomensregelingen?
Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman aangeef, zijn gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties op verschillende manieren aan de slag met een proactieve benadering.
Bent u het met de Nationale ombudsman eens dat eenvoudigere aanvraagprocedures kunnen leiden tot een lager niet-gebruik van inkomensregelingen?
Ik deel deze opvatting. De uitvoeringsorganisaties gaan bijvoorbeeld werken met vooringevulde aanvraagformulieren en gaan meer ondersteuningsmogelijkheden bij de aanvraag bieden.
Hoe beoordeelt u het huidige beleid aangaande het bereiken van ouderen voor het voorkomen van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen?
Ik vind het belangrijk dat mensen de inkomensvoorzieningen krijgen waar ze recht op hebben. Dat is belangrijk om armoede te voorkomen en te bestrijden en dat geldt niet alleen voor ouderen. Het tegengaan van niet-gebruik heeft mijn prioriteit en maakt deel uit van de aanpak van geldzorgen, armoede en schulden, die ik in mijn brief aan uw Kamer van 12 juli jongstleden uiteen heb gezet (Kamerstuk 24 515, nr. 643). In deze aanpak komen de elementen terug die de Nationale ombudsman benoemt als het gaat om communicatie, het investeren in intermediairs, het benutten van contacten uit de omgeving van betrokkenen en om het inzetten op een meer proactieve overheid met betrekking tot gegevensuitwisseling. Daarbij ben ik met het onderzoek naar pensionering als levensgebeurtenis op zoek naar mogelijkheden om het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de vele veranderingen die dit met zich meebrengt voor mensen te versimpelen.
Hoe denkt u over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om aan de hand van beschikbare data of door gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties aanvraagprocedures te vereenvoudigen?
Ik ben het eens met de Nationale ombudsman dat het streven moet zijn met beschikbare data of door gegevensuitwisseling de aanvraagprocedures te vereenvoudigen. Dan gaat het bijvoorbeeld om de vooringevulde aanvraagformulieren en het proactief tegengaan van niet-gebruik.
Waar de Nationale ombudsman aanbeveelt om inkomensvoorzieningen waaraan geen verplichtingen verbonden zijn, automatisch toe te kennen, gebeurt dat in de praktijk soms al. Denk bijvoorbeeld aan de energietoeslag die gemeenten ambtshalve toekennen aan bijstandsgerechtigden inclusief AIO. Maar vaak is zoiets niet goed mogelijk, omdat er toch verplichtingen aan de inkomensvoorziening verbonden zijn, veel informatie – ook van de betrokkene zelf – nodig is en daarbij de inrichting van de gegevensuitwisseling waarop beslissingen moeten worden gebaseerd zelf ook omvangrijk en complex zou worden. Mede daarom kom ik in de bovengenoemde «Aanpak van geldzorgen, armoede en schulden» tot een variant die hier wel bij aansluit, maar flexibeler en minder ingrijpend is. Dat is het bieden van een juridische basis voor gegevensuitwisseling die een pro-actieve dienstverlening van overheidsinstellingen ondersteunt om mensen gerichter te benaderen, te informeren en zo nodig te helpen met de aanvraag, met waarborgen voor de bescherming van privacy. Maar we blijven bezien hoe we – voor zover mogelijk – een aanvraag kunnen vereenvoudigen of automatisch kunnen toekennen.
Het plan van de Europese Commissie om gelijke productiestandaarden te eisen van niet EU-landen en de onmogelijkheid om dat in bestaande handelsverdragen, zoals CETA, te regelen. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie heeft meegedeeld dat zij van plan is dezelfde duurzaamheidscriteria te eisen voor import van voedsel uit niet-EU landen als de duurzaamheidseisen die voor Europese boeren gaan gelden? Kunt u voorts bevestigen dat de EU milieu en klimaatheffingen op kan opleggen als niet-EU landen daar niet aan voldoen, en dat deze heffingen niet in strijd zijn met juridische bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie WTO?1
De Commissie heeft op 3 juni jl. het rapport gepubliceerd over een onderzoek naar de juridische haalbaarheid en rationale van het toepassen van EU gezondheids- en milieunormen op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten.2 Het rapport maakt duidelijk dat het in specifieke, onder WTO-regels omschreven omstandigheden mogelijk is om autonome maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met het WTO kader. Daarbij geeft het rapport aan dat een maatregel niet discriminerend mag zijn, noch een kwantitatieve beperking. WTO leden dienen gelijke binnenlandse en buitenlandse producten op gelijke wijze te behandelen. Ook moeten WTO leden gelijke producten uit derde landen onderling gelijk behandelen. Artikel XX Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) bevat mogelijke gronden waarmee eventuele afwijkingen van de GATT gerechtvaardigd zouden kunnen worden, bijvoorbeeld om het wereldwijde milieu te beschermen of om aan ethische bezwaren tegemoet te komen, mits aan strenge voorwaarden wordt voldaan.
De Commissie geeft aan dat de inzet van autonome maatregelen geval per geval bekeken moet worden op WTO-conformiteit, de technische en economische haalbaarheid van controle mechanismen, en de daadwerkelijke impact in relatie tot het te bereiken doel.
Het rapport bevat ook een breed overzicht van een aantal EU-rechtshandelingen of wetgevingsvoorstellen die worden voorbereid om productiemethoden die verband houden met dierenwelzijn of milieubescherming in te perken. Zo worden de herziening van de EU-dierenwelzijnswetgeving, het voorstel voor een verordening inzake ontbossingsvrije producten, het voorstel voor het in aanmerking nemen van milieuaspecten bij de vaststelling van MRL’s, en een horizontale kaderwet voor een duurzaam voedselsysteem genoemd. Het is mogelijk dat er, aanvullend op de onderwerpen die genoemd worden, op termijn ook andere onderwerpen op komen. Er is nu al een breed palet aan onderwerpen waar aan gewerkt wordt, en tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 13 juni jl. hebben de lidstaten aan de Commissie gevraagd daarover op regelmatige basis te rapporteren aan de Raad.
De Commissie geeft ook aan dat er risico’s zijn verbonden aan het nemen van autonome maatregelen. Dat betreft onder meer de kans dat een derde land maatregelen aanvecht in het kader van het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO.
Kunt u bevestigen dat boeren en tuinders al lange tijd vragen om gelijke productiecriteria of extra heffingen op «goedkope» levensmiddelen uit niet-EU-landen, om oneerlijke concurrentie tegen te gaan?
Ja, er zijn boeren en tuinders die daartoe hebben opgeroepen.
Erkent u dat het importeren van producten uit landen waar lagere productiestandaarden gelden op het gebied van milieu en dierenwelzijn zorgen voor oneerlijke concurrentie voor Europese en Nederlandse boeren?
Juist omdat producenten in Nederland en/of de EU soms extra duurzaamheidsinspanningen moeten verrichten, en hun producten in sommige gevallen moeten concurreren met geïmporteerde producten van producenten die niet altijd aan dergelijke hoge milieu, arbeid- of dierenwelzijnsregels hoeven te voldoen, pleit ik voor aandacht voor dit onderwerp. Zoals bijvoorbeeld bij de Landbouw- en Visserijraad. Het kabinet zet via verschillende fora bovendien in op het verhogen van internationale standaarden op het gebied van milieubescherming en dierenwelzijn. Indien de EU-besluit om autonome maatregelen te treffen voor het op de markt plaatsen van producten, dient dit een bijdrage te leveren aan het gestelde milieu of dierenwelzijnsdoel en moet ook gezocht worden naar een zo min mogelijk handel verstorende maatregel. Dat maakt dat niet elk type maatregel geschikt is.
Dit laat onverlet dat de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse boeren ook van een groot aantal andere factoren afhankelijk is, waaronder infrastructuur, scholing, innovatie, arbeidsproductiviteit en natuurlijke omstandigheden. Nederlandse boeren concurreren bovendien vaak op de kwaliteit van hun producten. Het is derhalve geen gegeven dat EU-wetgeving omtrent productie de doorslaggevende factor vormt in de concurrentiepositie van EU-bedrijven.
Nederland is een van de meest concurrerende economieën ter wereld met een sterke export gerichte landbouwsector. Nederland zet hierbij in op de export van kwalitatief hoogwaardige, duurzame producten in plaats van focus op grote volumes. Tegelijkertijd bieden buitenlandse markten een uitgelezen kans voor het agro-bedrijfsleven om een concrete bijdrage te leveren aan de mondiale transitie, met hoogwaardige producten én met kennis en kunde.
Erkent u dat importheffingen gebaseerd op onze hogere milieustandaarden het speelveld weer gelijk kunnen trekken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 3 gesteld, wordt het speelveld van de concurrentiepositie door vele verschillende factoren bepaald. Daaruit volgt dat importheffingen gebaseerd op hogere milieustandaarden niet automatisch bijdragen aan gelijk speelveld. De EU kan overigens geen autonome maatregelen treffen alleen omwille van het behoud van de concurrentiepositie van EU-bedrijven, omdat dit indruist tegen de WTO-regels.
In bilaterale handelsakkoorden worden importheffingen voor de handel met een derde land verlaagd vergeleken met de voor alle derde landen geldende WTO-tarieven. In deze handelsakkoorden gebruikt de EU-importheffingen en quota om gevoelige sectoren te beschermen.
Kunt u bevestigen dat er in Canada lagere productiestandaarden gelden op het gebied van onder andere dierenwelzijn en pesticiden dan in de EU? Kunt u voorts bevestigen dat desondanks Canadese landbouwproducten volgens afspraken in het vrijhandelsverdrag CETA (gedeeltelijk) tariefvrij naar de EU en dus ook Nederland mogen worden geëxporteerd?
Canada is lid van de OIE (Wereldorganisatie inzake Diergezondheid). Uit een evaluatierapport van deze organisatie blijkt dat er in Canada een relatief goed niveau van dierenwelzijn wetgeving en uitvoering is.
Met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hebben landen buiten de EU hun eigen wet- en regelgeving om te beoordelen of gewasbeschermingsmiddelen al dan niet op de markt mogen worden gebracht. Deze landen zullen daarbij rekening houden met bijvoorbeeld de landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van dat land.
Omdat er geen internationaal geldende regelgeving is op het gebied van dierenwelzijn, zet de EU in bilaterale handelsakkoorden in op samenwerking om gezamenlijk met derde landen de standaarden voor dierenwelzijn te verhogen. Ook in CETA is voorzien in afspraken om samen te werken op het verbeteren van dierenwelzijn. CETA biedt juist een platform om met Canada samen te blijven werken aan dierenwelzijn, voedselgezondheid en milieubescherming.
De EU heeft een aantal regels op het gebied van dierenwelzijn waaraan bij de import van goederen in de EU moet worden voldaan. Deze regels worden door CETA niet aangetast.
Onder CETA worden tarieven op veel goederen afgebouwd. Dit geldt niet voor alle goederen en met name voor een aantal landbouwgoederen blijven importheffingen en in sommige gevallen beperkte quota gelden. De meest gevoelige sectoren zoals eieren en pluimveevlees zijn geheel van liberalisering uitgesloten.
Kunt u bevestigen dat de afspraken die gemaakt zijn in een bilateraal handelsverdrag tussen de EU en een handelspartner, zoals CETA met Canada, de beleidsvrijheid wegneemt om nadien hogere duurzaamheidscriteria te eisen dan wel importtarieven te verhogen als de handelspartner in kwestie niet aan deze criteria wil voldoen?
Nee, CETA bevat ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling. Het principe dat overheden het recht hebben om te reguleren wordt in CETA herbevestigd. De EU en Canada bevestigen in CETA expliciet dat overheden de vrijheid houden om beleidsmaatregelen te treffen ten behoeve van milieubescherming (artikel 24.3).
Met betrekking tot importtarieven is de EU gebonden aan bepaalde tarieven waarover zij in WTO-verband afspraken heeft gemaakt. De EU kan deze tarieven niet eenzijdig verhogen. CETA heeft hier geen invloed op.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande debat over de perspectief- en stikstofbrief voor de landbouw?
Nee.
De hint van premier Johnson dat hij uit het Europees mensenrechtenverdrag dreigt te stappen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boris Johnson hints at leaving human rights convention over Rwanda row»?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van premier Johnson dat hij overweegt «sommige wetten te veranderen» om migranten naar Rwanda te kunnen sturen?
Tot dusver is geen uitvoering gegeven aan het voornemen van de Britse regering om vreemdelingen uit te zetten naar Rwanda. Hiermee handelt het Verenigd Koninkrijk in lijn met de voorlopige maatregel, opgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Het kabinet is bekend met het Britse ingediende wetsvoorstel, de Bill of Rights, die de verhoudingen tussen het EHRM en de Britse nationale rechtspraak ingrijpend wijzigt. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen gedurende het parlementaire goedkeuringsproces nauwgezet.
Bent u bekend met het artikel «Tory MPs Demand Boris Johnson Withdraws UK From European Court Of Human Rights» uit the Huffington Post van 15 juni 2022?
Ja.
Hoe kijkt u nu terug op uw antwoord op mijn vraag van 25 april jl. over de uitlevering van Assange en uw oordeel over of de waarborgen die een goede rechtsgang zouden moeten garanderen zijn veranderd sinds Brexit?
Het Verenigd Koninkrijk is en blijft ook na diens terugtrekking uit de EU gebonden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gemeenschappelijke toewijding aan mensenrechten staat genoemd in de eerste paragraaf van de preambule bij de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst die de EU en het VK gesloten hebben. Bovendien is in deze overeenkomst vastgelegd dat het opzeggen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gevolgen kan hebben voor de samenwerking op gebied van wetshandhaving en justitiële samenwerking in strafzaken. In de zaak Assange ga ik er vanuit dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen naleeft.
Deelt u de mening dat een mogelijk vertrek van het VK uit het Europees mensenrechtenverdrag een gevaarlijk precedent schept voor de andere landen die bij dit verdrag zijn aangesloten en die in de toekomst ook op de vingers getikt kunnen worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen?
Ik betreur de kritiek die in het Verenigd Koninkrijk in regeringskring is geuit over het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, des te meer omdat het VK een van de tien landen is die in 1949 de Raad van Europa hebben opgericht. Deze kritiek doet afbreuk aan het Hof, dat te maken heeft met zesenveertig partijen met elk hun eigen rechtstradities. Het VK geeft aan verdragspartij bij het EVRM te blijven en het kabinet zal in nauwe samenwerking met gelijkgezinde landen binnen de Raad van Europa blijven monitoren of de daarbij behorende verplichtingen worden nagekomen.
Bent u bekend met het artikel «Priti Patel accused of trying to deport former Iranian police officer to Rwanda» uit the Guardian van 7 juni?
Ja.
Hoe kijkt u nu terug op uw antwoord op mijn vraag van 25 april jl. over de uitlevering van Assange en uw oordeel over of de waarborgen die een goede rechtsgang zouden moeten garanderen nog in plaats zijn sinds de beslissing over het al dan niet uitleveren van Assange bij de Minister van Binnenlandse Zaken is gelegd; diezelfde Minister die, zoals uit bovenstaand artikel blijkt, een Iraanse politieman die weigerde lukraak op demonstranten in Iran te schieten en minderjarigen uit Rwanda onrechtmatig wilde uitzetten?
Mijn antwoord op uw vraag van 25 april jl. is ongewijzigd, zie ook mijn antwoord op vraag 4. Daarbij wil ik benadrukken dat de Nederlandse overheid nog steeds het vertrouwen heeft in het onafhankelijke en onpartijdige karakter van de Britse rechtspraak waarin ook de rechten van politieke vluchtelingen worden geborgd. Het kabinet blijft, in nauwe samenwerking met gelijkgezinde partners binnen de Raad van Europa, dit proces volgen om dit beeld bevestigd te zien.
Deelt u de mening dat de rechten van politieke vluchtelingen niet altijd worden gewaarborgd door de Minister van Binnenlandse Zaken van het VK?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid u uit te spreken tegen het onzorgvuldig en onrechtmatig uitzetten van vluchtelingen door het Verenigd Koninkrijk naar Rwanda, dit over te brengen aan uw Britse ambtsgenoot en in EU-verband steun voor dit standpunt te verwerven?
Ik heb geen aanwijzingen dat onrechtmatige uitzettingen van vluchtelingen vanuit het VK naar Rwanda plaatsvinden. Het kabinet is zeer gehecht aan de naleving van het internationaal recht, inclusief door de partijen bij het VN vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het kabinet kaart schendingen van internationaal recht aan, bilateraal en in de daarvoor geëigende multilaterale fora.
Bent u nu bereid u uit te spreken tegen uitlevering van Assange naar de VS door de Minister van Binnenlandse Zaken van het VK?
Zie het antwoord op vraag 2 en 7. Echter, wanneer zou blijken dat het VK internationaal recht schendt, zal het kabinet dit aankaarten op zowel bilateraal als internationaal niveau, in nauwe samenspraak met internationale partners. Ik heb bijvoorbeeld een ander Brits wetsvoorstel (the Northern Ireland Protocol Bill) waarmee – indien aangenomen – het VK zijn eigen internationaalrechtelijke verplichtingen niet nakomt, scherp veroordeeld.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Bart van Kent (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het Toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de «Reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken» van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan vóór het naar buiten komen van het Toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van sms’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)/Wet open overheid (Woo) verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet (Kamerstuk 35 510, nr. 4 en Kamerstuk 35 510, nr. 95)?1
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten2 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,3 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.4 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt5 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.6 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans7 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»8 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.9 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.10 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»11 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»12 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?2
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.14 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.15
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.17
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.18 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen (Kamerstuk 35 925-III, nr. 30)?3
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?4
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.21
Openbaarmaking van documenten in de RWE-claimzaak. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wanneer worden het verzoek tot arbitrage, de aanklacht en het schaderapport openbaar gemaakt?
De inzet van Nederland is om zo veel mogelijk transparantie in de arbitrageprocedures te geven. Daarom wil Nederland zo snel mogelijk alle processtukken die door partijen bij het Arbitragetribunaal worden ingediend, openbaar maken.
Hierover zijn afspraken gemaakt. In Procedural Order no. 1 is een regime opgenomen dat voorziet in de snelle openbaarmaking van alle stukken die in het geding worden gebracht, inclusief getuigenverhoren, producties en verslagen van de hoorzittingen.1 Het verzoek tot arbitrage hoort hier strikt genomen niet bij.
Bent u van mening dat RWE de belofte nakomt om «zo open mogelijk» te zijn, in lijn met de uitspraken van de heer Miesen tijdens het rondetafelgesprek over het Energy Charter Treaty van 2 juni, waarin hij zei «We will try to be as open as possible. We have to be a bit careful in this case, because there are rules not only from the arbitrage, but also the Dutch government has a say in what’s made public and what is not made public» en de uitspraak in de brief die hij na afloop stuurde, waarin hij schreef «Ingeval partijen het over een bepaald document of passage niet eens worden leggen zij de vraag over publicatie daarvan ter beoordeling voor aan het Tribunaal»? Waarom wel of niet?
De inzet van de Nederlandse regering is om deze arbitrageprocedures zo transparant mogelijk te voeren, o.a. door zo veel mogelijk informatie openbaar te maken.2
Op 28 december 2021 heeft Nederland RWE verzocht tot openbaarmaking van het verzoek tot arbitrage, de memorial en alle producties, waaronder het schaderapport en ombouwanalyse.
Op grond van Artikel 25 van Procedural Order no. 1 is het publiceren van deze stukken toegestaan, nadat tussen partijen overeenstemming is bereikt over eventueel noodzakelijke redacties. Bijna een half jaar later, is het spijtig te constateren dat hierover geen overeenstemming is bereikt, ondanks de herhaaldelijke verzoeken en suggesties vanuit Nederland om de stukken zo snel mogelijk te kunnen publiceren.
Als hierover geen overeenstemming tussen de partijen kan worden bereikt, kan het arbitragetribunaal gevraagd worden om over de openstaande punten te beslissen. Nederland heeft RWE op 15 juni een finale deadline gegeven en verzocht om de betreffende stukken uiterlijk 20 juni openbaar te maken of anders de zaak aan het tribunaal voor te leggen. RWE heeft op 20 juni aangegeven tot overeenstemming te kunnen komen en de stukken kunnen nu dus snel worden gepubliceerd.
Een dergelijk lange procedure om stukken openbaar te maken, is niet in het belang van het proces noch in lijn met de procedure zoals voorgeschreven in Procedural Order no. 1. In de nationale procedures publiceert de Staat zijn eigen stukken in ieder geval om ook deze procedures op een zo transparant mogelijke wijze te voeren.3
Vindt u dat de Nederlandse overheid alles doet voor een «zo transparant mogelijk» proces, in lijn met de belofte voor een «zo transparant mogelijk» proces, onder andere bij monde van uw voorganger in de brief van 4 februari 2021 (Kamerstuk 35 570-XIII, nr. 77)? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er verschil van mening tussen RWE en de Nederlandse overheid over welke documenten of passages openbaar moeten worden de reden dat openbaarmaking zo lang duurt? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de commissievergaderingen Energieraad en Klimaat & Energie op 22 juni?
Zij-instromers die moeilijkheden ervaren om aan de slag te gaan in het onderwijs. |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er gemotiveerde en capabele mensen zijn die als leraar willen zij-instromen in het onderwijs, maar niet worden aangenomen bij scholen, omdat het zij-instroomtraject bij pabo-opleidingen slechts twee keer per jaar begint?1
In de twitterlijn naar aanleiding waarvan uw Kamer vragen heeft gesteld, meldt een potentiële zij-instromer dat hij niet is aangenomen omdat de opleiding slechts twee keer per jaar start. Wij begrijpen dat dit tot vragen leidt, want we hebben iedereen die geschikt is om leraar te worden, hard nodig.
Het is mij bekend dat er verschillen zijn in het aannamebeleid van zij-instromers door schoolbesturen. Wij verwachten dat het door de verhoging van het subsidiebudget voor het begeleiden en opleiden van zij-instromers aantrekkelijk wordt voor schoolbesturen om zij-instromers aan te nemen.2 Daarnaast is het zo dat eerder voor zij-instromers wordt gekozen als de nood hoog is. Eén op de drie zij-instromers start bijvoorbeeld in de G5, waar de tekorten zeer urgent zijn.3 Verder zien we dat -mede door de oplopende tekorten- in veel regio’s schoolbesturen en lerarenopleidingen steeds meer samenwerken om het proces voor zij-instromers te stroomlijnen, zodat de werving en het voortraject aansluiten bij de start van de scholing. Het aantal startmomenten voor de scholing van zij-instroom wisselt per lerarenopleiding en hangt samen met het aantal zij-instromers in een regio. Zoals in de brief die wij onlangs naar uw Kamer stuurden staat, willen wij de aanpak van de tekorten intensiveren en versnellen. We gaan regio’s stimuleren en ondersteunen, en ook aanspreken als zij onvoldoende doen om tekorten aan te pakken.
Deelt u de mening dat, gezien het lerarentekort en de grote opgaven waar scholen voor staan, zij-instroom niet beperkt moet zijn tot slechts twee momenten per jaar?
We delen dat de startmomenten zoveel als mogelijk moeten aansluiten bij de behoeften van zij-instromers, van de schoolbesturen en de mogelijkheden binnen de lerarenopleidingen. Daarom is het van belang dat schoolbesturen en lerarenopleidingen regionaal samenwerken zodat de werving en het voortraject van zij-instromers aansluit op de start van de scholing. We stimuleren dit onder meer met de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort. Soms werken lerarenopleidingen met losse modules waar zij-instromers in de tussentijd alvast mee kunnen starten. Dit alles is erop gericht om zo flexibel mogelijk aan te sluiten bij wensen van zij-instromers en scholen maar tegelijkertijd ook recht doen aan de mogelijkheden van de lerarenopleidingen om een goed aanbod te organiseren.
Wat vindt u ervan dat hierdoor sommige zij-instromers worden betaald als onderwijsassistent in plaats van als docent?
Zij-instromers met een geschiktheidsverklaring behoren uiteraard een aanstelling te krijgen als leraar, inclusief het salaris van een leraar, niet als onderwijsassistent. In de cao po zijn door de sociale partners afspraken opgenomen over het aanstellen van zij-instromers. Precieze inschaling is mede gebaseerd op eerdere werkervaring. Om zij-instromers al voor het geschiktheidsonderzoek te binden, zien we dat zij-instromers tijdens het doorlopen van het voortraject eerst een aanstelling krijgen als onderwijsassistent en vervolgens na het behalen van de geschiktheidsverklaring een aanstelling krijgen als leraar. Zij-instromers die de (verkorte) lerarenopleiding volgen, kunnen tijdens de studie een aanstelling krijgen als onderwijsassistent, niet als leraar. Met de verhoging van het salaris van leraren verwachten wij dat dit ook een positief effect heeft op de afweging van zij-instromers om de overstap naar het onderwijs te maken.
Deelt u de mening dat dit lagere salaris zij-instromers kan weerhouden van de overstap naar het onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om de doorlopende instroom van zij-instromers te bevorderen?
We bevorderen de zij-instroom op verschillende manieren. Zoals opgenomen in de recente Kamerbrief Lerarenstrategie (1 juli 2022)4 wordt de subsidie van zij-instromers van € 20.000,– naar € 25.000,– verhoogd. Naar verwachting zullen hierdoor meer schoolbesturen een zij-instromer in beroep in dienst nemen. Door het verlengen van de Regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP-regeling) – waarin partijen in de regio worden gefaciliteerd en gestimuleerd om het personeelstekort in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs gezamenlijk aan te pakken – is het ook voor schooljaar 2022/2023 mogelijk voor besturen en lerarenopleidingen om gezamenlijk afspraken te maken, passend bij de behoefte van de regio om bijvoorbeeld zij-instromers te werven en te begeleiden en te investeren in het voortraject van zij-instromers. Tenslotte hebben wij met de lerarenopleidingen afspraken gemaakt in het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst.
Welke stappen neemt u om het voor schoolbesturen makkelijker te maken om zij-instromers aan te nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen zij-instromers, die vol enthousiasme en passie voor de klas willen staan, in dit traject zoveel mogelijk te ondersteunen en wilt u toelichten hoe u denkt dat te gaan doen?
Natuurlijk ondersteunen we zij-instromers, die vol enthousiasme en passie willen overstappen naar het onderwijs. Dit doen we op verschillende manieren. Zij-instroom is voor ons een belangrijke schakel in de aanpak van de tekorten in het onderwijs. We ondersteunen zij-instromers met de subsidie zij-instroom, die zoals aangegeven wordt verhoogd van € 20.000,– naar € 25.000,–. Met deze subsidie kunnen besturen zij-instromers laten scholen en begeleiden. Daarnaast investeren we in zij-instroom met de middelen uit het bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen. In het bestuursakkoord zijn afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat zij-instromers een traject krijgen dat op hen is toegespitst. Tevens is via het Onderwijsloket en via de regionale onderwijsloketten de informatievoorziening voor zij-instromers over het opleidingenlandschap verbeterd. Vanuit de regeling Regionale Aanpak Personeelstekort (RAP) is geïnvesteerd in deze regionale onderwijsloketten. Binnen een aantal RAP-regio’s wordt tevens geïnvesteerd in wervingsactiviteiten en begeleiding voor zij-instromers. Het opleiden van zij-instromers doet een groot beroep op de begeleidingscapaciteit door scholen en opleidingen. Met deze investeringen stellen we hen in staat om voor zij-instromers de benodigde ondersteuning goed in te richten. Naast deze investeringen in zij-instroom hebben we recent een werkagenda opgesteld waarin staat opgenomen dat we met onze partners afspraken maken over de verbetering en flexibilisering van zij-instroom.5
Getroffen maatregelen op het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-/Wet open overheid (Woo)-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Herhaalprikken voor mensen onder de zestig jaar |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat op zaterdag 11 juni jongstleden diverse GGD’en tweede boosters voor mensen onder de zestig jaar zonder afspraak hebben aangeboden, maar dat dit binnen een dag weer teruggedraaid werd? Zo ja, hoe heeft dit misverstand kunnen ontstaan?1
Dit klopt niet. Er is geen sprake geweest van een wijziging van beleid. De herhaalprik wordt geadviseerd en aangeboden aan 60-plussers, volwassenen met het syndroom van Down en ernstig immuungecompromitteerde mensenvolwassenen. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen jonger dan 60 jaar die een vergelijkbaar ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling. Deze mensen kunnen zich met een verwijsbrief van een medisch specialist laten vaccineren bij de GGD. Voor 60-minners die niet in één van deze groepen vallen is de herhaalprik niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat de overheid een schild dient te zijn voor de zwakken en kwetsbare mensen moet helpen beschermen?
Ja, deze mening deel ik.
Herinnert u zich de aangenomen motie Van den Berg c.s., waarin de regering verzocht is maatwerk mogelijk te maken voor het toedienen van – op vrijwillige basis – herhaalprikken voor kwetsbaren onder de 60 jaar als de medisch specialist dat adviseert?2
Ja.
Op welke wijze heeft u deze motie uitgevoerd?
Mensen met een ernstig gecompromitteerd immuunsysteem hebben in de meeste gevallen een uitnodigingsbrief voor de herhaalprik ontvangen van hun medisch specialist. Het gaat om patiënten die onder behandeling zijn van een medisch specialist voor een specifieke aandoening of die bepaalde medicijnen voorgeschreven krijgen. Deze mensen behoren in principe tot dezelfde groep patiënten die eerder een derde vaccinatie kreeg als onderdeel van de basisserie. Sinds 19 april jl. ontvangen zij een uitnodiging voor de herhaalprik. Met deze uitnodigingsbrief kunnen zij de herhaalprik bij de GGD krijgen. Daarnaast is er maatwerk mogelijk voor individuele patiënten. Het betreft patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de eerdergenoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Deze route geeft ruimte om het gewenste maatwerk te leveren.
Om nader invulling te geven aan de oproep uit de motie om duidelijk te communiceren over de maatwerkroute heeft het RIVM in een nieuwsbrief aan zorgprofessionals, verstuurd in de week van 13 juni jl., de werkwijze voor de maatwerkaanpak extra toegelicht. Ook GGD GHOR Nederland heeft de maatwerkaanpak extra toegelicht in een nieuwsflits voor regionale GGD’en. Daarnaast zijn de patiënten- en cliëntenorganisaties voorzien van informatie over de maatwerkaanpak om te verspreiden onder de achterban. Tot slot wordt er op www.coronavaccinatie.nl/herhaalprik en www.rivm.nl/coronavaccinatie/afweerstoornis meer informatie gegeven over de maatwerkroute via de medisch specialist.
Deelt u de mening dat deze motie alleen goed uitgevoerd wordt als aan álle kwetsbaren onder de zestig jaar met een verwijzing van een medisch specialist een herhaalprik wordt aangeboden, en dus niet alleen voor ernstig immuun geconpromitteerden? Op welke wijze communiceert u hierover richting de GGD’en?
Het toepassingskader en de medisch-wetenschappelijke adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM zijn leidend bij de besluitvorming over de inzet van COVID-19-vaccins. Het primaire doel van het vaccinatiebeleid is het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19. Het afgelopen jaar hebben we geleerd dat de bescherming van de basisserie na verloop van tijd enigszins afneemt. Inmiddels weten we dat een hogere leeftijd, dus niet onderliggend lijden, de belangrijkste indicator voor een afname in bescherming is. Het immuunsysteem van ouderen werkt minder goed dan dat van jongere mensen. Deze verminderde werking zien we ook bij mensen met het syndroom van Down en mensen met een ernstige afwijking van het immuunsysteem. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen die een vergelijkbare ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling en bij wie de immunologische bescherming om die reden ook sneller terugloopt. Deze route en de communicatie hierover heb ik toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Omdat het immuunsysteem van de eerdergenoemde groepen minder goed werkt, neemt hun opgebouwde bescherming sneller af. Dit is waarom deze groepen het eerst in aanmerking kwamen voor een booster en ook waarom zij nu een herhaalprik aangeboden krijgen. Dankzij de herhaalprik wordt de bescherming tegen ernstige ziekte bij deze groepen weer op peil gebracht. De meeste andere mensen zijn na de basisserie en de booster echter goed en voor langere tijd beschermd tegen ernstige ziekte en sterfte. Onderliggend lijden of mate van blootstelling spelen hierbij geen grote rol. Er zijn géén aanwijzingen dat de booster minder goed werkt bij mensen met een medisch risico, zoals astma of diabetes. Met andere woorden: mensen onder de 60 jaar uit dergelijke medische risicogroepen bereiken door middel van de booster een even goede bescherming tegen ziekenhuisopname en sterfte als gezonde mensen onder de 60 jaar. In de huidige epidemiologische situatie zijn er daarom geen medisch-wetenschappelijke redenen om een herhaalprik aan te bieden aan mensen van onder de 60 jaar, al dan niet uit een medische risicogroep of met een verhoogde blootstelling aan het virus. Een herhaalprik levert voor deze mensen slechts zeer beperkte verhoging van de beschermingsgraad op. Het RIVM geeft daarnaast aan dat een langer interval tussen de doses voor een betere immuunrespons zorgt. Het aanbieden van een herhaalprik zonder medische noodzaak vind ik onwenselijk: vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. De herhaalprik is op dit moment niet geregistreerd en wordt alleen voor de oudste leeftijdsgroepen geadviseerd door het EMA, de ECDC of het RIVM. Er is onvoldoende bewijs om aan te tonen dat jongere leeftijdsgroepen baat hebben bij een extra prik. Formeel is het toedienen van een vaccinatie zonder medische noodzaak daarom niet toegestaan en kan juridische gevolgen hebben voor de betrokken partijen.
Kunt u aangegeven wat mensen die zich kwetsbaar voelen (bijvoorbeeld omdat ze overgewicht hebben, diabetes of COPD) en die daarom graag een tweede booster willen ontvangen maar jonger zijn dan 60 jaar, kunnen doen indien ze op dit moment geen regelmatig contact met een medisch specialist hebben?3
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, levert een herhaalprik voor deze mensen nauwelijks extra gezondheidswinst op. De medisch specialist kan bepalen of er in individuele gevallen sprake is van voldoende gezondheidswinst door een herhaalprik.
Wat gaat u doen om te borgen dat alle kwetsbaren via de huisarts een herhaalprik kunnen krijgen?
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik uitgelegd welke zorgvuldige medisch-wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de huidige afbakening van de doelgroep voor de herhaalprik. In individuele gevallen is er maatwerkmogelijk voor patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de in het antwoord op vraag 1 genoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. Medisch specialisten zijn het beste in staat om deze afweging te maken. Huisartsen geven aan te herkennen dat er bepaalde patiënten zijn met de wens voor een extra vaccinatie, maar weten ook dat hiervoor niet altijd een medische onderbouwing bestaat. In die gevallen is goede communicatie over nut en noodzaak van een eventuele extra herhaalprik erg belangrijk om zorgen weg te nemen bij patiënten. Communicatie via landelijke kanalen kan hieraan bijdragen, maar huisartsen kunnen in individuele gevallen ook een gesprek aangaan met patiënten. Vanuit het RIVM wordt een communicatiehulpmiddel opgesteld en gedeeld met de huisartsenkoepels om huisartsen hierbij extra te ondersteunen.
De bagatellisering van de Bersiap |
|
Simone Kerseboom (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Leids Indië-monument voor de tweede keer in drie weken gevandaliseerd, ditmaal met roze verf»?1
Ja.
Kunt u op dit vandalisme reflecteren?
Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur. Het lokaal bestuur beschikt over de informatie en bevoegdheden die hierbij van belang kunnen zijn.
Maakt u zich, nu er wéér een incident heeft plaatsgevonden (op dezelfde dag als uw beantwoording op mijn vragen over de bagatellisering van de Bersiap), nog steeds geen zorgen dat de huidige, negatieve weergave van de Nederlandse inzet in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1950 tot vandalisme kan leiden en hoe verhoudt dat zich tot uw antwoord op vraag 10 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022, waarin u stelt dat er geen aanwijzingen zijn vastgesteld voor een verband tussen het historisch revisionisme en negationisme over de genocide in Nederlands-Indië (de Bersiap) en het bekladden van monumenten die een eerbetoon zijn aan de mensen die hun leven hebben opgeofferd voor Nederland in deze periode?2
Nee. Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur dat beschikt over informatie en bevoegdheden terzake.
Vindt u ook dat de gemeente met de vandalen «in gesprek» moet gaan? Is zo’n softe reactie wat u betreft gepast wanneer monumenten voor slachtoffers van genocide worden gevandaliseerd?
Het betreft geen aangelegenheid van de rijksoverheid maar van het lokaal bestuur dat beschikt over de relevante informatie en bevoegdheden om een situatie te beoordelen.
Ontkent u dat er genocide heeft plaatsgevonden in de Bersiaptijd, gezien uw antwoord op vraag 9 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd als genocide kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Erkent u, op zijn minst, dat de Bersiap aspecten van een genocide heeft?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Indien het antwoord op vraag 6 en/of 7 nee is, zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders tijdens de Bersiap als etnische zuivering kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip moord heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op categoriën personen in elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek naar de (oorzaak van de) oversterfte |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kunt u ons de correspondentie doen toekomen die er tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is geweest over het onderzoek dat het RIVM samen met het CBS, op verzoek van de Kamer uitvoert naar de (oorzaak van de) oversterfte?1
Ja. De verzochte correspondentie is bij deze brief gevoegd.1
Getroffen maatregelen op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u, naar aanleiding van de kabinetsbrief waarin wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, toelichten welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid motiveren?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet? en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Maarten Hijink (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd, gegeven het feit dat in de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wob/Woo-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is het tijdsverloop van die verzoeken?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Het bericht 'ECB gaat Zuid-Europa met schulden helpen' |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «ECB gaat Zuid-Europa met schulden helpen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voorgenomen beleid van de Europese Centrale Bank (ECB), specifiek gericht op het terugdringen van renteverschillen tussen de eurolanden, in relatie tot het mandaat van de ECB zoals vastgelegd in het Werkingsverdrag van de Europese Unie (VWEU)?
Op 15 juni jl. is de Governing Council van de ECB bijeengekomen voor een spoedoverleg. Daarin is besloten dat de ECB versneld een instrument gaat ontwikkelen om op te treden tegen oplevende fragmentatierisico’s die kunnen leiden tot ongelijke transmissie van het monetair beleid. Daarnaast gaat de ECB de opbrengsten van aflopende staatsobligaties onder het pandemic emergency purchase programme (PEPP) waar nodig flexibel herinvesteren om fragmentatierisico’s tegen te gaan.
De ECB stelt dat het nieuwe instrument financiële fragmentatie tussen eurolanden zou moeten tegengaan en ervoor moet zorgen dat het monetaire beleid gelijkmatig wordt doorgegeven aan alle eurolanden zodat de ECB haar primaire doelstelling van handhaving van de prijsstabiliteit kan nastreven. Het is echter nog niet bekend hoe dit instrument zal worden vormgegeven. Tijdens de vergadering van de Eurogroep van 16 juni jl. heb ik de president van de ECB bevraagd over de mogelijke vormgeving van het nieuwe instrument.2 President Lagarde gaf aan dat het doel van het instrument is om het monetaire transmissiemechanisme goed te laten werken (d.w.z. een gelijkmatige doorwerking van het monetaire beleid naar alle eurolanden), niet zozeer om hoogoplopende renteverschillen (spreads) tussen eurolanden tegen te gaan die het gevolg zijn van onderliggende economische en financiële kenmerken van landen. De Minister-President heeft na afloop van de Europese Raad van 23-24 juni jl. benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van lidstaten is om zorg te dragen voor deze onderliggende economische en financiële kenmerken.
De ECB bepaalt in onafhankelijkheid het monetaire beleid in de eurozone. Daarbij is de ECB gehouden aan haar mandaat van handhaving van de prijsstabiliteit (artikel 127 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; VWEU) en het verbod op monetaire financiering (artikel 123 van VWEU).
De aankoop van staatsobligaties op de secundaire markt door de ECB is onder voorwaarden toegestaan. Dit volgt uit het ESCB-statuut en wordt bevestigd in de Gauweiler3 en Weiss4 arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). In deze arresten heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich gebogen over de juridische geldigheid van het Outright Monetary Transactions (OMT) instrument en het Public Sector Purchase Programme (PSPP). Het Hof heeft hierbij elementen van deze instrumenten geïdentificeerd die van belang zijn voor conformiteit met het werkingsverdrag. Om te beoordelen of een instrument past binnen het mandaat van de ECB moet de doelstelling van het betreffende instrument bijdragen aan het primaire doel van prijsstabiliteit. De aangewende middelen en de evenredigheid van deze middelen zijn hierbij eveneens relevant. Daarnaast mogen aankopen op de secundaire markt niet de doelstelling van het verbod op monetaire financiering omzeilen. Dit betekent met name dat de aankoop van staatsobligaties op de secundaire markt niet de prikkel voor gezond begrotingsbeleid mag ontnemen. Tevens mogen aankopen in de praktijk niet hetzelfde effect hebben als aankopen op de primaire markt. In de Gauweiler en Weiss arresten oordeelde het Hof dat het OMT en het PSPP programma vanwege hun vormgeving voldoen aan deze eisen en daarom verenigbaar zijn met het ECB-mandaat en het verbod op monetaire financiering. Het aangekondigde instrument lijkt qua doelstelling het meest op het OMT-instrument, wat destijds aangekondigd is met als doel om fragmentatie te adresseren.
Bent u bereid een onafhankelijke juridische toets uit te laten voeren naar de verenigbaarheid tussen het voorgenomen ECB-beleid en het ECB-mandaat en de Tweede Kamer hierover te informeren?
Het kabinet onderschrijft het belang van het ECB-mandaat van handhaving van de prijsstabiliteit en het verbod op monetaire financiering. Daarnaast hecht het kabinet grote waarde aan de onafhankelijkheid van de ECB. De ECB heeft beleidsvrijheid om invulling te geven aan haar mandaat binnen de verdragsrechtelijke kaders.
Zoals het antwoord op vraag 2 beschrijft, past de aankoop van staatsobligaties onder voorwaarden binnen de verdragsrechtelijke kaders. De beoordeling van het Hof of een nieuw instrument verenigbaar is met het ECB-mandaat en het verbod op monetaire financiering zal daarom afhangen van de vormgeving van het instrument.
Op moment van schrijven heeft de ECB het nieuwe instrument aangekondigd zonder verdere informatie over de vormgeving van het instrument te geven. Het is de exclusieve rol van het Hof om besluiten van de ECB aan haar verdragsrechtelijke mandaat te toetsen. In het licht hiervan en gezien de noodzaak tot terughoudendheid van nationale overheden om zich te mengen in ECB-beleid, acht ik het niet opportuun om zelf een juridische analyse uit te laten voeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad op 7 juli a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Fastfood rondom scholen neemt sterk toe’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van het data-onderzoek van journalistiek onderzoeksplatform Pointer, waaruit blijkt dat alleen al in het afgelopen decennium het aantal fastfoodlocaties binnen vijf minuten lopen van scholen met veertig procent is gestegen?1
Ja.
Deelt u de mening dat de opkomst van ongezond eten in de buurt van jongvolwassenen problematisch is, omdat dit bijdraagt aan het oplopende overgewicht en ziektes als diabetes type 2, hart- en vaatziekten en kanker? Bent u het er tevens mee eens dat je niet meer kan spreken van een eigen keuze als je als jongere op elke straathoek wordt verleid om ongezond te eten?
Ik deel de mening dat de opkomst van ongezond eten in de buurt van jongvolwassenen problematisch is. Een groot aanbod van ongezond voeding maakt het lastiger om de gezonde keuze te maken. Hoewel overgewicht en ziektes als diabetes meerdere oorzaken kennen, heeft ongezond aanbod inderdaad een aandeel in de toename van overgewicht en gerelateerde ziektelast.
Hoe verklaart u dat het fastfoodaanbod het sterkst groeit rond scholen met veel achterstandsleerlingen? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is, aangezien hiermee gezondheidsachterstanden alleen maar verder vergroot dreigen te worden?
Ik vind de gezondheid van alle jongeren heel belangrijk en daarmee ook dat ze in een gezonde omgeving op kunnen groeien. Een gezonde eetomgeving hoort daarbij. Kinderen en jongeren worden in de huidige voedselomgeving voortdurend op allerlei manieren verleid om ongezonde producten te eten. En dat moet echt anders. De omgevingen die het ongezondst zijn, hebben daarbij prioriteit. Ik heb geen volledige verklaring voor het feit dat het fastfoodaanbod het sterkste groeit rondom scholen met veel achterstandsleerlingen. De uitdaging waar we met elkaar voor staan is om de voedselomgeving van de jongeren weer gezonder te maken. En daar ga ik me vol voor inzetten samen met andere betrokkenen zoals gemeenten en andere relevante partijen.
Deelt u de mening van experts dat het verminderen van de verkooppunten van fastfood binnen gemeenten – naast het afschaffen van de btw op Schijf van Vijf producten en het invoeren van een belasting op suikerhoudende drank – een van de meest effectieve maatregelen is om de doelstellingen uit het deelakkoord «overgewicht» van het Nationaal Preventieakkoord te behalen?2
Ik ben van mening dat de voedselomgeving gezonder moet worden en betrek bij mijn aanpak onder andere het rapport van het RIVM waaraan in de vraag gerefereerd wordt. Experts geven aan dat de omgeving in sterke mate bepaalt wat we eten, er is zoveel (ongezonde) verleiding dat zelfs iemand die echt gezonder wil eten hier maar moeilijk in slaagt. De situatie rondom verkooppunten van fastfood is één van de aspecten in de voedselomgeving waar ik onder meer samen met andere deelnemers aan het Nationaal Preventieakkoord naar kijk. Na de zomer zal ik uw Kamer informeren over de aanpak op overgewicht en voeding.
Op welke termijn komt u met aanvullende maatregelen om de doelstellingen van het deelakkoord «overgewicht» van het Nationaal Preventieakkoord binnen bereik te brengen?
Op dit moment wordt aan de thematafel Overgewicht/voeding in gezamenlijkheid gesproken over het aanscherpen van bestaande acties en het formuleren van nieuwe acties om de ambities uit het NPA 2018 te behalen. Ik zal uw Kamer na de zomer informeren over de aanpak van het kabinet op het thema overgewicht/voeding. De uitkomsten van de gesprekken aan de Thematafel vormen hier een onderdeel van.
Wanneer krijgt de Kamer uiterlijk de wettelijke maatregelen toegestuurd waarmee de omgeving gezonder gemaakt kan worden, bijvoorbeeld door gemeenten handhavingsinstrumenten in handen te geven?3
Ik ben voornemens de Kamer na de zomer via een brief te informeren over de preventieaanpak op overgewicht en voeding. In deze brief zal ik ingaan op de stand van zaken van een beoogd pakket aan maatregelen, waaronder mogelijke wettelijke maatregelen met betrekking tot het gezonder maken van de voedselomgeving.
Welke mogelijkheden hebben scholen om er voor te zorgen dat de leerlingen geen gebruik maken van het aanbod aan fastfood? Op welke wijze kan de overheid scholen hierbij ondersteunen?
In en rond scholen is er ook nog veel winst te halen als het gaat om een gezonde voedselomgeving. Er zijn programma’s als de Gezonde School, de Gezonde Schoolkantine en het Akkoord Gezonde Voeding op Scholen waar scholen gebruik van kunnen maken. Daarnaast werken JOGG en het Voedingscentrum samen aan de Aanpak eetomgeving scholen vo en mbo. Er is een pilot geweest in een aantal steden. Met die resultaten is een Raamwerk opgesteld om de Aanpak eetomgeving scholen vo en mbo verder landelijk uit te rollen. Dit zijn allemaal voorbeelden van zelfregulering. Ik verken op dit moment wettelijke maatregelen om tot een gezonde(re) voedselomgeving te komen. Dat betekent niet dat ik al het ongezonde aanbod wil verbieden; er moet een balans zijn. Ik zal uw Kamer na de zomer informeren over de uitkomst van deze verkenning.
Zijn er naar uw mening gemeentelijke preventieakkoorden waarin goede afspraken vastgelegd zijn over het aanbod van fastfood binnen de gemeente? Kunt u hier voorbeelden van geven?
Er zijn een aantal gemeenten die in hun verordeningen afspraken hebben over voedselaanbod rondom scholen. Over het algemeen staan in de preventieakkoorden vooral ambities en verkenningen, maar zijn nog geen concrete (juridische) afspraken opgenomen. Zo had Rotterdam als eerste een lokaal preventieakkoord «Gezond010: het akkoord» (december 2019) en heeft Amsterdam een lokaal preventieakkoord dat zich volledig richt op de gezondheid van MBO’ers, waarin ook aandacht is voor gezonde leefstijl, gezonde voedselkeuzes en een gezonde kantine. Om echter meer beleids- en regelruimte te krijgen op het aanbod van fastfood zijn beide steden lid van de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving.
Op welke wijze kan de overheid invloed uitoefenen op de samenstelling van het aanbod in fastfoodrestaurants, waarbij valt te denken aan de hoeveelheden suiker, verzadigd vet en zout, bewerkt vlees en portiegrootte? Welke rol ziet u daarbij voor uzelf?
De overheid heeft onlangs de Nationale Aanpak Productverbetering gelanceerd. Deze aanpak moet ertoe leiden dat er in 2030 over de gehele breedte van productgroepen én in alle kanalen, zowel in supermarkten als in horeca en catering, verbetering is gerealiseerd in de samenstelling van bewerkte producten. De nieuwe aanpak stimuleert bedrijven om productverbetering door te voeren. De overheid ondersteunt daarbij door een informatiecampagne en bijeenkomsten, het stellen van doelen, het monitoren van de voortgang en het uitvoeren van tussentijdse evaluaties.
Op welke wijze zou geregeld kunnen worden dat de overheid eventueel regulerend zou kunnen handelen als het gaat om de samenstelling van het aanbod in fastfoodrestaurants? Ziet u bijvoorbeeld meerwaarde in het opstellen van een gedragscode voor de fastfoodsector, met als stok achter de deur mogelijke wettelijke maatregelen als er geen verbeteringen zijn voor een bepaalde datum?4
Ik ben op dit moment bezig met een juridische verkenning voor een gemeentelijk instrumentarium ten behoeve van een gezonde voedselomgeving. Hiermee zouden we gemeenten instrumenten kunnen geven om de toename van aanbieders van ongezond voedsel tegen te gaan, maar ook eventuele regels kunnen stellen met betrekking tot ongezonde drank-, snoep- en snackautomaten in bijvoorbeeld de schoolomgeving of het beperken van marketing van ongezonde producten gericht op kinderen. Ook maken we bindende afspraken met de industrie over gezondere voedingsmiddelen. Ik zal u de komende maanden informeren over de maatregelen die ik voor ogen heb en de uitwerking van deze maatregelen.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Sandra Beckerman (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moeten ze tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de rechtspraak komen én de reflectie op «Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken» van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van sms’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wob/Woo-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet? (Kamerstuk 35 510, nr. 4) (Kamerstuk 35 510, nr. 95)1
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten2 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,3 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.4 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt5 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.6 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans7 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»8 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.9 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.10 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»11 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»12 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld (Kamerstuk 35 510, nr. 91)?2
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.14 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.15
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.17
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.18 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld (Kamerstuk 35 925-III, nr. 30)? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?3
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO-verzoeken (Wet openbaarheid van bestuur/Wet open overheid) heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?4
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.21
Het bericht ‘Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc's’ |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Kati Piri (PvdA), Salima Belhaj (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc’s»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het ermee eens dat Nederland een ereschuld heeft tegenover de Afghaanse oud-medewerkers van de ambassade die jarenlang onze belangen in Afghanistan hebben gediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
In aanvulling op de reguliere opvang door het COA heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) als oud-werkgever extra ondersteuning geboden aan de oud-medewerkers van de ambassade in Kaboel bij hun aankomst en integratie in Nederland.
Zo is direct (gespecialiseerde) psychosociale zorg voor de (ex)lokale medewerkers uit Afghanistan en hun families ingezet (een team psychosociale zorg, bestaande uit een BZ-manager, een Bedrijfsmaatschappelijkwerk-projectleider, zes bedrijfsmaatschappelijk werkers en vijf Afghaanse tolken).
Voor de begeleiding naar werk in Nederland is een contract afgesloten met SPARK. Deze organisatie heeft veel ervaring met begeleiden naar werk in crisisgebieden en met vluchtelingen. Zij hebben sinds 2001 ook ervaring in Afghanistan en met Afghaanse vluchtelingen. SPARK heeft ook binnen Nederland een uitgebreid netwerk. SPARK maakt via BZ ook gebruik van het interdepartementale netwerk. Via de interdepartementale contacten wordt ook een aantal uitzendbureaus betrokken.
Ook is een intensieve taaltraining Nederlands verzorgd.
Door vele collega’s van Buitenlandse Zaken zijn direct acties ondernomen om de groep, die zij vaak uit hun eerdere plaatsing in Kabul kenden, te ontmoeten en te ondersteunen.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van het ministerie hebben de lokale medewerkers in Zoutkamp en Harskamp bezocht.
Wat vindt u in dat licht van de manier waarop deze oud-medewerkers tot nu toe zijn opgevangen en verwelkomd in Nederland? Is dit wat u betreft in lijn met de motie-Piri omtrent het bieden van een warm welkom?2
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de stichting Spark voor meerdere oud-medewerkers inmiddels banen heeft geregeld en moest afzeggen, vanwege het feit dat gezinnen steeds weer worden verplaatst? Zo ja, kunt u precies aangeven in hoeveel gevallen het gebrek aan een vast woonadres de reden was om de baan te moeten annuleren?
Spark heeft aangegeven dat 14 maal een aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst niet kon doorgaan vanwege een te grote reisafstand tussen werk en verblijfplaats.
Het vinden van huisvesting voor asielzoekers is gelet op de huidige woningmarkt een grote uitdaging. Dat geldt ook voor de oud-medewerkers. Als asielzoekers een vergunning krijgen, worden zij zo snel mogelijk gekoppeld aan een gemeente. Hier wordt daar waar mogelijk ook rekening gehouden met het feit dat iemand een baan heeft of kan krijgen. Het is echter ook van belang dat zij zo snel mogelijk gehuisvest worden. Zolang er nog geen woning is toegewezen en indien er een concreet aanbod ligt van een werkgever, kan het COA de betreffende persoon koppelen aan een gemeente die zich wel op reisafstand bevindt.
Kunt u aangeven hoe vaak de Afghaanse ambassademedewerkers en hun families sinds hun aankomst in augustus zijn verplaatst en hoeveel van de 37 inmiddels een woning hebben?
Na aankomst in augustus 2021 is de groep in Zoutkamp gehuisvest, waarna op 6 oktober 2021 de groep naar Harskamp is overgebracht. Daarna zijn ze weer in Zoutkamp gehuisvest. De groep is later verdeeld over verschillende AZC oa. Amsterdam, ’s-Gravendeel, Gorcum en Middelburg.
Vanwege het nijpende opvangtekort en het gebruik van (vaak kortdurende) noodopvang moeten bewoners van het COA regelmatig verhuizen. Overplaatsingen hebben een grote impact op bewoners en een negatieve invloed op hun integratieproces. Het COA streeft er daarom naar om verplaatsingen zo veel als mogelijk te beperken. Gelet op de huidige druk op de opvangcapaciteit kan echter niet worden voorkomen dat bewoners meerdere keren moeten verhuizen.
Op dit moment hebben 18 oud-medewerkers (en hun gezinnen waar van toepassing) een huis toegewezen gekregen. De overige wachten nog op huisvesting.
Bent u het ermee eens dat het pijnlijk is dat deze oud-medewerkers van de ambassade een deel van de vergoeding moeten inleveren, die zij bij hun ontslag kregen voor hun jarenlange dienst voor de ambassade, vanwege het feit dat zij tien maanden na aankomst nog geen vast woonadres hebben, en dat dit ook pijnlijk is omdat zij vanwege dit werk voor Nederland in gevaar kwamen en derhalve geëvacueerd moesten worden?
Net als anderen die gebruik maken van de asielopvang in Nederland zijn de oud-medewerkers conform de REBA-regeling (regeling eigen bijdrage asielopvang met inkomen en vermogen) een eigen bijdrage verschuldigd als zij over een inkomen of vermogen van meer dan EUR 13.010,– voor een echtpaar of gezin of EUR 6.505,– voor een alleenstaande beschikken. Onder deze bedragen is geen eigen bijdrage verschuldigd. De ontslagvergoedingen die de oud-medewerkers hebben ontvangen liggen boven de vermogensgrens van EUR 6.505,– respectievelijk EUR 13.010,–.
BZ heeft alle medewerkers ruim voor hun vertrek uit Afghanistan voorlichting gegeven over de opvang door het COA in Nederland en de daarbij geldende eigen bijdrage. De eigen bijdragen zijn nu aan de orde, omdat de oud-medewerkers pas recent beschikken over een BSN-nummer en daarmee de mogelijkheid van het openen van een bankrekening.
Alle oud-medewerkers ontvangen een ontslagvergoeding die ruimhartig is te noemen. Een geringe eigen bijdrage conform de REBA-regeling is reëel en gerechtvaardigd, mede in het licht van alle gedane en nog lopende inspanningen die BZ als voormalig werkgever heeft gedaan.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze mensen hun ontslagvergoeding niet hoeven in te leveren en derhalve het besluit terug te draaien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 6.
De ILO-uitspraak met betrekking tot de arbeidsvoorwaardelijke eisen voor KLM |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmenspel rond loonoffer KLM»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport van ILO-Committee on Freedom of Association (CFA) van maart 2022 (Case nr. 3398), waarin wordt vastgesteld dat de Nederlandse overheid ten onrechte de vakbonden niet heeft geraadpleegd en dat eventuele beperkingen alleen mogelijk zijn onder voorwaarde dat aan het voornoemde is voldaan, in een noodsituatie waarbij de maatregelen in duur strak beperkt moeten zijn en strikt niet langer dan dat exceptionele omstandigheden zich voordoen? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze vaststellingen?
Zoals ook aangeven in de Kamerbrief bij de derde rapportage van de staatsagent is het kabinet van mening dat er geen sprake is geweest van een zelfstandige eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat.2 In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig is langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Er is een voorstel gedaan op welke manier, conform dit principe, hier nadere invulling aan kan worden gegeven door KLM in overleg met de betrokken vakbonden. KLM heeft vervolgens afspraken met het personeel gemaakt over een bijdrage aan het verlagen van de kosten. Deze afspraken zijn opgenomen in een door KLM opgesteld herstructureringsplan, waarover uw Kamer in november 2020 is geïnformeerd.3
De Nederlandse staat is het met de aanbeveling van de ILO eens dat de maatregel niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk is. Het steunpakket voldoet hieraan, omdat de voorwaarden die zijn overeengekomen met KLM juridisch van kracht blijven tot de steun is afbetaald en beëindigd. Het ILO-rapport heeft geen juridische gevolgen voor de geldigheid van deze voorwaarden. Binnen het eerder beschreven uitgangspunt uit het steunpakket dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, zijn er bovendien mogelijkheden voor KLM en de bonden om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen. De ILO heeft de Nederlandse staat opgeroepen om in gesprek te gaan met de vakbonden. Op 1 juli jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie, KLM en de vakbonden.
Klopt het dat het Ministerie van Financiën op verzoek van de KLM haar zienswijze op het ILO-rapport over de handelwijze van de overheid bij het stellen van arbeidsvoorwaardelijke eisen met KLM heeft gedeeld? Kunt u deze brief aan KLM nog voor het commissiedebat staatsdeelnemingen van 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
De brief aan KLM is als bijlage toegevoegd. Daarin staat de zin waar u naar verwijst.
Kunt u bevestigen dat in deze brief van het ministerie aan KLM van 3 mei jl. staat: «er zijn geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden gesteld aan het steunpakket»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u dan ook publiekelijk afstand nemen van het standpunt dat er zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zouden gelden waaraan KLM en/of KLM-medewerkers zouden moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de zienswijze van uw ministerie aan KLM in uw brief van 3 mei jl. zich tot uw publiekelijke uitspraken tijdens het debat in de Eerste Kamer over de aandelenemissie AF-KLM (d.d. 31 mei 2022) waarin u op vragen van de senaat aangeeft dat KLM niet voldoet aan «de voorwaarden voor het doorvoeren van structurele kostenreducties, dus de structurele kant, de arbeidsvoorwaardelijke bijdrage en het beëindigen van het faciliteren van mogelijke belastingontwijking»? Hoe kunt u dergelijke uitspraken (blijven) doen terwijl u richting KLM schriftelijk aangeeft dat er helemaal geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zijn gesteld?
Onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met KLM is het opstellen van een herstructureringsplan. Beoogd doel van dit herstructureringsplan is om de concurrentiepositie structureel te verbeteren door middel van een reductie van de beïnvloedbare kosten met minimaal 15%. Uw Kamer is op 3 november 2020 geïnformeerd over de goedkeuring van dit plan door het vorige kabinet. In deze Kamerbrief staan de belangrijkste elementen van dit herstructureringsplan, waaronder de afspraken die KLM heeft gemaakt met het personeel over een bijdrage aan het verlagen van de kosten.4
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden verwijst de staatsagent naar dit herstructureringsplan en de commitering die KLM daarin is aangegaan. Het toezien op de implementatie en naleving van het herstructureringsplan is onderdeel van zijn werkzaamheden.5
In de leningsdocumentatie is vastgelegd dat de facilitering van mogelijke belastingontwijking door medewerkers wordt beëindigd. Dit betreft dus geen eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat. Het is aan KLM om deze facilitering te beëindigen.
Hoe verhoudt uw verweer op de vaststellingen van de ILO en de zienswijze aan KLM zich tot publieke uitspraken en rapportages van de staatsagent bij KLM waarin op arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden wordt getoetst?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens dat als u bevestigt aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld, daar dan ook niet door de staatsagent zelfstandig op getoetst kan worden in zijn rapportages? Hoe verhouden eerdere rapportages met uw uitspraken aan KLM? Vraagt dat geen algemene erkenning van uw ministerie dat eerdere rapportages, voor zover afwijkend van de nieuwe in uw brief van 3 mei jl uitgedragen grondslagen, een onjuist beeld schetsen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt deze «staffeleis» zich tot het verweer van het kabinet op de ILO-klacht waarin u stelt dat deze «staffel» slechts een voorstel was en uw zienswijze aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld?2 Kunt u de reactie van de overheid aan de ILO (die dateert van januari 2022) nog voor het commisssiedebat staatsdeelnemingen d.d. 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
Er is geen sprake van de staffeleis. Dat deze staffel geen harde eis maar een voorstel was blijkt ook uit het feit dat KLM en de vakbonden bij de afspraken voor het cockpitpersoneel geen staffel hebben toegepast maar, volgens KLM op verzoek van de bonden, een gelijke bijdrage ter hoogte van ruim 19% zijn overeengekomen. Het verweer van de Nederlandse staat is bijgevoegd.
Kunt u bevestigen dat invulling van de personeelsbijdrage om aan steunvoorwaarden, zoals de 15 procent beïnvloedbare kostenreductie, aan sociale partners is en dat een personeelsbijdrage überhaupt niet nodig is als KLM op andere punten tot 15 procent kostenreductie komt?
In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig zal zijn langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Zoals hierboven aangeven heeft KLM hier, samen met de vakbonden, invulling aan gegeven in het herstructureringsplan.
Dat laat onverlet dat binnen het uitgangspunt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, er mogelijkheden voor KLM en de bonden zijn om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen.
Bent u van mening dat de loonkosten die worden bespaard als gevolg van de reorganisaties die bij KLM hebben plaatsgevonden na het uitbreken van de coronacrisis, als kostenreductie van KLM moet worden aangemerkt? Kunt u aangeven hoeveel loonkosten KLM met de reorganisaties heeft bespaard? Indien u van mening bent dat de bespaarde loonkosten niet als kostenreductie aangemerkt moeten worden, kunt u dan aangeven waarom?
De loonkosten zijn onderdeel van de beïnvloedbare kosten. Dit betekent dat als er sprake is van (netto)besparingen op de loonkosten dit bijdraagt aan de afgesproken kostenreductie van 15%. Informatie over de besparingen op de loonkosten van KLM is bedrijfsvertrouwelijk en kan daarom, in zoverre ik daar al over beschik, niet worden gedeeld.
Hoe gaat u voorkomen dat de vakbonden nieuwe klachten tegen de Nederlandse overheid gaan indienen wegens schending van ILO-normen door de Nederlandse overheid?
Indien vakorganisaties en werkgeversorganisaties van mening zijn dat er sprake is van een schending van de verplichtingen voortvloeiend uit de ILO-verdragen dan staat het hen vrij om daarover een klacht in te dienen. Het is dan aan de ILO om daar een uitspraak over te doen. Ik wil daar op geen enkele manier tussen zitten.